EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31970L0458

Richtlijn 70/458/EEG van de Raad van 29 september 1970 betreffende het in de handel brengen van groentezaad

/* GECODIFICEERDE VERSIE CF 374Y0608(07) */

OJ L 225, 12.10.1970, p. 7–21 (DE, FR, IT, NL)
Danish special edition: Series I Volume 1970(III) P. 601 - 614
English special edition: Series I Volume 1970(III) P. 674 - 688
Greek special edition: Chapter 03 Volume 006 P. 9 - 23
Spanish special edition: Chapter 03 Volume 004 P. 54 - 68
Portuguese special edition: Chapter 03 Volume 004 P. 54 - 68
Special edition in Finnish: Chapter 03 Volume 003 P. 95 - 109
Special edition in Swedish: Chapter 03 Volume 003 P. 95 - 109

No longer in force, Date of end of validity: 08/08/2002; opgeheven door 32002L0055

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1970/458/oj

31970L0458

Richtlijn 70/458/EEG van de Raad van 29 september 1970 betreffende het in de handel brengen van groentezaad /* GECODIFICEERDE VERSIE CF 374Y0608(07) */

Publicatieblad Nr. L 225 van 12/10/1970 blz. 0007 - 0021
Bijzondere uitgave in het Deens: Serie I Hoofdstuk 1970(III) blz. 0601
Bijzondere uitgave in het Engels: Serie I Hoofdstuk 1970(III) blz. 0674
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 03 Deel 6 blz. 0009
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 03 Deel 4 blz. 0054
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 03 Deel 4 blz. 0054
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 3 blz. 0095
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 3 blz. 0095


RICHTLIJN VAN DE RAAD van 29 september 1970 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (70/458/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 43 en 100,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,

Overwegende dat de voortbrenging van groentezaad een belangrijke plaats inneemt in de landbouw van de Europese Economische Gemeenschap;

Overwegende dat bij de groenteteelt bevredigende resultaten grotendeels afhangen van het gebruik van geschikt zaad ; dat sommige Lid-Staten daarom sedert enige tijd het in de handel brengen van zaad van bepaalde groentegewassen beperkt hebben tot gecontroleerd zaad van bepaalde rassen, terwijl andere Lid-Staten een facultatieve controle op de kwaliteit van dit zaad hebben ingevoerd;

Overwegende dat de Lid-Staten, voor zover zij deze zaadcontroles uitoefenen, hierbij gebruik hebben gemaakt van het resultaat van stelselmatige kweekarbeid die gedurende enige tientallen jaren werd verricht en die heeft geleid tot onderscheidbare, bestendige en voldoend homogene rassen, van de eigenschappen waarvan aanzienlijke voordelen verwacht kunnen worden voor het beoogde gebruik;

Overwegende dat de produktiviteit van de groenteteelt in de Gemeenschap zal stijgen indien de Lid-Staten uniforme en zo streng mogelijke regels toepassen bij de keuze van de rassen die toegelaten worden tot de goedkeuring, de controle en de handel;

Overwegende dat het uitgangspunt moet zijn het invoeren van een gemeenschappelijke rassenlijst voor groenterassen ; dat een dergelijke lijst op het ogenblik slechts kan worden opgesteld op basis van rassenlijsten der Lid-Staten;

Overwegende dat derhalve alle Lid-Staten een of meer nationale lijsten dienen op te stellen van de rassen die op hun grondgebied zijn toegelaten tot de goedkeuring, de controle en de handel;

Overwegende dat de opstelling van deze lijsten volgens uniforme voorschriften dient te geschieden, opdat de toegelaten rassen onderscheidbaar, bestendig en voldoende homogeen zijn;

Overwegende dat er voor de uitvoering van het onderzoek met het oog op de toelating van een ras een groot aantal uniforme criteria en minimumeisen moet worden vastgesteld;

Overwegende dat bovendien de voorschriften betreffende de duur van een toelating, de motieven voor de intrekking daarvan en de instandhouding uniform moeten worden gemaakt en dat er dient te worden bepaald dat de Lid-Staten elkaar op de hoogte stellen van de toelatingen en de intrekkingen van rassen;

Overwegende dat zaad van rassen welke zijn opgenomen op de gemeenschappelijke rassenlijst, binnen de Gemeenschap niet onderworpen mag zijn aan handelsbeperkingen ten aanzien van het ras;

Overwegende dat de Commissie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen de rassen dient te publiceren welke worden opgenomen in de gemeenschappelijke rassenlijst voor groentegewassen;

Overwegende dat aan de Lid-Staten voorts het recht dient te worden toegekend, bezwaren tegen een ras aan te voeren indien deze op fytosanitaire gronden gerechtvaardigd zijn;

Overwegende dat het noodzakelijk lijkt voorschriften vast te stellen betreffende de gelijkstelling van onderzoek en controles van rassen, welke in derde landen zijn verricht;

Overwegende echter dat een beperking van het in de handel brengen tot bepaalde rassen slechts gerechtvaardigd is, voor zover er tegelijkertijd een waarborg bestaat dat de landbouwer ook werkelijk zaad van deze rassen verkrijgt;

Overwegende dat er een regeling dient te worden ingevoerd die zowel voor het intracommunautaire handelsverkeer als voor de handel op de nationale markten geldt;

Overwegende dat groentezaad in het algemeen slechts in de handel mag worden gebracht, indien het volgens de goedkeuringsvoorschriften officieel als basiszaad of gecertificeerd zaad is onderzocht en goedgekeurd;

Overwegende dat het voor enkele groentesoorten wenselijk zou zijn de handel te beperken tot gecertificeerd (1)PB nr. C 108 van 19.10.1968, blz. 30.

zaad ; dat dit echter op het ogenblik niet mogelijk is aangezien dan niet volledig in de behoeften van de Gemeenschap zou kunnen worden voorzien ; dat derhalve voorlopig de handel dient te worden toegelaten van gecontroleerd standaardzaad dat eveneens rasecht en raszuiver dient te zijn, doch waarvoor ten aanzien van deze eigenschappen slechts een steekproefsgewijze uitgevoerde officiële controle achteraf te velde plaatsvindt;

Overwegende dat het niet in de handel gebrachte groentezaad niet onder de communautaire bepalingen dient te vallen, aangezien het economisch van weinig belang is ; dat de Lid-Staten het recht moeten behouden om dit zaad aan bijzondere voorschriften te onderwerpen;

Overwegende dat, ten einde de kwaliteit van groentezaad in de Gemeenschap te verbeteren, bepaalde voorwaarden moeten worden gesteld ten aanzien van de minimum mechanische zuiverheid en de kiemkracht;

Overwegende dat de werkingssfeer van deze richtlijn zich dient uit te strekken tot een zo volledig mogelijke rassenlijst welke ook enkele rassen omvat die groentegewassen en tegelijkertijd groenvoedergewassen of oliehoudende planten kunnen zijn ; dat echter, indien zaad van bepaalde gewassen normaliter niet op het grondgebied van een Lid-Staat wordt vermeerderd en verhandeld, dient te worden voorzien in de mogelijkheid, deze Lid-Staat vrij te stellen van de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn op de betrokken soorten;

Overwegende dat ter waarborging van de identiteit van het zaad communautaire voorschriften moeten worden vastgesteld betreffende de verpakking, de bemonstering, de sluiting en de aanduiding ; dat voor gecertificeerd zaad eveneens een officiële controle vooraf dient te worden ingesteld en voor standaardzaad en gecertificeerd zaad in kleine verpakkingen de verplichtingen moeten worden vastgesteld van degene die het zaad in de handel brengt;

Overwegende dat de Lid-Staten passende controlemaatregelen moeten vaststellen ten einde te waarborgen dat bij het in de handel brengen is voldaan aan de voorwaarden betreffende de kwaliteit van het zaad en aan de bepalingen betreffende de waarborging van de identiteit;

Overwegende dat het zaad dat aan deze voorwaarden voldoet, onverminderd de toepassing van artikel 36 van het Verdrag, slechts onderworpen mag worden aan beperkingen ten aanzien van het in de handel brengen, voorgeschreven in de communautaire bepalingen;

Overwegende dat het noodzakelijk is om onder bepaalde voorwaarden te erkennen dat zaad dat in een ander land is vermeerderd, uitgaande van een in een Lid-Staat goedgekeurd basiszaad, gelijkwaardig is aan het in die Lid-Staat vermeerderde zaad;

Overwegende dat voorts dient te worden bepaald dat groentezaad, dat in derde landen is geoogst, in de Gemeenschap slechts in de handel gebracht mag worden, indien het dezelfde waarborgen biedt als in de Gemeenschap officieel goedgekeurd of als standaardzaad in de handel gebracht zaad, dat voldoet aan de communautaire bepalingen;

Overwegende dat voor de perioden waarin de voorziening met goedgekeurd zaad van de verschillende categorieën of met standaardzaad op moeilijkheden stuit, tijdelijk zaad dient te worden toegelaten waarvoor minder strenge eisen gelden;

Overwegende dat het aanbeveling verdient, ten einde de technische methoden voor de keuring en de controle in de verschillende Lid-Staten te harmoniseren en in de toekomst over mogelijkheden te beschikken voor een vergelijking tussen het in de Gemeenschap goedgekeurde zaad en het uit derde landen afkomstige zaad, in de Lid-Staten communautaire vergelijkingsvelden aan te leggen voor een jaarlijkse controle achteraf van bepaalde rassen van de categorie "basiszaad" en van de categorieën "gecertificeerd zaad" en "standaardzaad";

Overwegende dat de communautaire bepalingen niet van toepassing dienen te zijn op zaad waarvan is aangetoond dat het bestemd is voor uitvoer naar derde landen;

Overwegende dat het aan de Commissie dient te worden overgelaten bepaalde uitvoeringsmaatregelen te treffen ; dat er, om de uitvoering van de voorgenomen maatregelen te vergemakkelijken, een procedure dient te worden ingesteld waarbij in het kader van het bij besluit van de Raad van 14 juni 1966(1) ingestelde Permanent Comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw, een nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie tot stand wordt gebracht,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze richtlijn heeft betrekking op zaaizaad van groenten, dat binnen de Gemeenschap in de handel wordt gebracht. (1)PB nr. 125 van 11.7.1966, blz. 2289/66.

Artikel 2

1. In deze richtlijn wordt verstaan onder: A. Groenten : planten van de volgende gewassen, bestemd voor land- of tuinbouw, met uitzondering van de sierteelt:

>PIC FILE= "T9000321">

>PIC FILE= "T9000322">

B. Basiszaad : zaad, a) dat is voortgebracht onder de verantwoordelijkheid van de kweker volgens de regels voor de instandhouding met betrekking tot het ras,

b) dat is bestemd voor de voortbrenging van zaad van de categorie gecertificeerd zaad,

c) dat, behoudens het bepaalde in artikel 21, voldoet aan de in de bijlagen I en II opgesomde voorwaarden en

d) waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat bovenbedoelde voorwaarden zijn vervuld;

C. Gecertificeerd zaad : zaad, a) dat rechtstreeks afkomstig is van basiszaad of, op verzoek van de kweker, van zaad van een aan het basiszaad voorafgaande generatie, dat kan voldoen aan de in de bijlage I en II voor basiszaad opgesomde voorwaarden en waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het hieraan voldoet,

b) dat vooral voor de voortbrenging van groenten bestemd is,

c) dat, behoudens het bepaalde in artikel 21, sub b), voldoet aan de in de bijlagen I en II voor gecertificeerd zaad opgesomde voorwaarden,

d) waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat bovenbedoelde voorwaarden zijn vervuld en

e) dat onderworpen is aan een steekproefsgewijze officiële controle achteraf op zijn rasechtheid en raszuiverheid;

D. Standaardzaad : zaad, a) dat voldoende rasecht en raszuiver is,

b) dat vooral voor de voortbrenging van groenten bestemd is,

c) dat voldoet aan de voorwaarden van bijlage II en

d) dat onderworpen is aan een steekproefsgewijze officiële controle achteraf op zijn rasechtheid en raszuiverheid;

E. Officiële maatregelen : maatregelen die genomen zijn a) door autoriteiten van een Staat of,

b) onder verantwoordelijkheid van een Staat, door publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen, of

c) voor hulpwerkzaamheden, eveneens onder toezicht van een Staat, door beëdigde natuurlijke personen,

mits de personen genoemd onder b) en c) geen bijzonder voordeel ontlenen aan het resultaat van deze maatregelen;

F. Kleine verpakkingen : pakjes met een maximum nettogewicht aan zaad van: a) 5 kg voor peulvruchten, popcorn en zoete maïs,

b) 500 g voor uien, kervel, asperges, snijbiet, rode bieten, mei- en herfstrapen, watermeloen, pompoenen, wortelen, radijs, schorseneren, spinazie en veldsla,

c) 100 g voor alle andere groentesoorten.

2. De Lid-Staten mogen gedurende een overgangsperiode van ten hoogste drie jaar na de inwerkingtreding van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die noodzakelijk zijn ten einde zich naar deze richtlijn te voegen, in afwijking van lid 1, sub C, als gecertificeerd zaad goedkeuren, zaad dat rechtstreeks afkomstig is van zaad dat in een Lid-Staat volgens het tot nu toe geldende stelsel officieel werd gecontroleerd en dat dezelfde waarborg biedt als het overeenkomstig de beginselen van deze richtlijn goedgekeurde basiszaad.

Artikel 3

1. De Lid-Staten schrijven voor dat groentezaad slechts goedgekeurd, als standaardzaad gecontroleerd en in de handel gebracht mag worden, wanneer het ras in minstens één Lid-Staat officieel toegelaten is.

2. Elke Lid-Staat stelt een of meer lijsten op van de rassen waarvan het zaad op zijn grondgebied officieel tot de keuring kan worden toegelaten, als standaardzaad gecontroleerd kan worden en in de handel gebracht kan worden. De lijsten worden onderverdeeld: a) volgens de rassen waarvan het zaad hetzij toegelaten kan worden als "basiszaad" of "gecertificeerd zaad", hetzij gecontroleerd kan worden als "standaardzaad" en,

b) volgens de rassen waarvan het zaad slechts als standaardzaad gecontroleerd kan worden.

De lijsten kunnen door iedereen worden geraadpleegd.

3. Er wordt een gemeenschappelijke rassenlijst voor groentegewassen opgesteld op basis van de nationale rassenlijsten der Lid-Staten overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 en 17.

4. De Lid-Staten kunnen bepalen dat de opneming van een ras in de gemeenschappelijke lijst of in de lijst van een andere Lid-Staat gelijkstaat met opneming in hun eigen lijst. In dit geval wordt de Lid-Staat vrijgesteld van de in de artikelen 7 en 10, lid 3, en artikel 11, leden 2 tot en met 5, genoemde verplichtingen.

Artikel 4

De Lid-Staten dragen er zorg voor dat een ras slechts wordt toegelaten indien het onderscheidbaar, bestendig en voldoende homogeen is.

Artikel 5

1. Een ras is onderscheidbaar wanneer het zich op het ogenblik van de aanmelding duidelijk door een of meer belangrijke morfologische of fysiologische eigenschappen onderscheidt van elk ander ras dat in de betrokken Lid-Staat reeds is toegelaten of waarvoor een aanvraag tot toelating is ingediend, dan wel voorkomt op de gemeenschappelijke rassenlijst voor groentesoorten.

2. Een ras is bestendig wanneer het na opeenvolgende vermeerderingen of, wanneer de kweker een bijzondere vermeerderingscyclus heeft vastgesteld, op het einde van elke cyclus, wat de wezenlijke eigenschappen betreft nog aan zijn beschrijving beantwoordt.

3. Een ras is voldoende homogeen indien de planten van dit ras - afgezien van enkele afwijkingen - gezien de bijzonderheden van het voortplantingssysteem van de planten, ten aanzien van alle daarvoor in aanmerking genomen eigenschappen met elkaar overeenstemmen of genetisch identiek zijn.

Artikel 6

De Lid-Staten dragen er zorg voor dat uit andere Lid-Staten afkomstige rassen, met name wat de procedure van toelating betreft, onderworpen worden aan dezelfde voorwaarden als die welke voor de binnenlandse rassen gelden.

Artikel 7

1. De Lid-Staten schrijven voor dat een ras slechts kan worden toegelaten na een officieel onderzoek, in het bijzonder op het veld, ten aanzien van een voldoende groot aantal kenmerken om het ras te kunnen beschrijven. Voor het vaststellen van deze kenmerken moeten nauwkeurige en betrouwbare methoden worden gebruikt. Voor rassen waarvan het zaad slechts als standaardzaad kan worden gecontroleerd, mogen de resultaten van niet-officieel onderzoek en de bij de teelt opgedane praktische ervaring in aanmerking worden genomen.

2. Volgens de procedure van artikel 40 en rekening houdend met de stand van wetenschap en techniek worden vastgesteld: a) de kenmerken waartoe het onderzoek zich voor de verschillende soorten ten minste moet uitstrekken;

b) de minimumeisen betreffende het verrichten van het onderzoek.

3. Indien een onderzoek van de genealogische bestanddelen noodzakelijk is voor de studie van hybriden en kunstmatig verkregen rassen, dragen de Lid-Staten er zorg voor, dat de resultaten van dit onderzoek en de beschrijving van de genealogische bestanddelen, indien de kweker zulks verzoekt, een vertrouwelijk karakter dragen.

Artikel 8

De Lid-Staten schrijven voor dat de aanvrager bij het indienen van zijn verzoek om opneming van een ras moet vermelden, of er voor dit ras reeds een verzoek werd ingediend in een andere Lid-Staat, en zo ja, in welke Lid-Staat en tot welk resultaat het verzoek heeft geleid.

Artikel 9

1. De Lid-Staten kunnen rassen die vóór 1 juli 1970 op hun grondgebied officieel toegelaten zijn, zonder nieuw onderzoek overeenkomstig de beginselen van deze richtlijn toelaten, wanneer uit vroeger onderzoek blijkt dat de rassen onderscheidbaar, bestendig en voldoende homogeen zijn. Het onderzoek ten aanzien van de volgens artikel 7, lid 2, vastgestelde kenmerken dient uiterlijk op 30 juni 1975 beëindigd te zijn.

2. De Lid-Staten nemen alle maatregelen welke nodig zijn om de vóór 1 juli 1970 overeenkomstig andere beginselen dan die van deze richtlijn toegestane officiële opneming van rassen, uiterlijk op 30 juni 1980 te doen vervallen, voor zover de betrokken rassen op die datum niet overeenkomstig de beginselen van deze richtlijn zijn toegelaten.

Artikel 10

1. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de lijst van de op hun grondgebied toegelaten rassen en, wanneer instandhouding geëist wordt, de naam van de in hun land verantwoordelijke persoon of personen officieel worden bekendgemaakt. Wanneer meer personen voor de instandhouding van een ras verantwoordelijk zijn, behoeven hun namen niet bekendgemaakt te worden. Worden deze namen niet vermeld, dan wordt in de lijst aangegeven welke instantie beschikt over de lijst van de namen van degenen die voor de instandhouding verantwoordelijk zijn.

2. Bij toelating van een ras dragen de Lid-Staten er zorg voor, dat dit ras, voor zover mogelijk, in alle Lid-Staten dezelfde naam draagt.

Indien bekend is dat zaaizaad of pootgoed van een ras in een ander land onder een andere naam in de handel wordt gebracht, wordt deze naam eveneens in de lijst vermeld.

3. De Lid-Staten stellen voor elk toegelaten ras een dossier samen waarin duidelijk een samenvatting wordt gegeven van alle feiten waarop de toelating is gegrond. In dit dossier heeft de beschrijving van de rassen betrekking op planten welke direct verkregen zijn van zaaizaad van de categorie "gecertificeerd zaaizaad" of van de categorie "standaardzaad".

Artikel 11

1. De rassenlijst en de wijzigingen daarvan worden onmiddellijk ter kennis gebracht van de overige Lid-Staten en van de Commissie.

2. De Lid-Staten verstrekken aan de andere Lid-Staten en de Commissie voor elk toegelaten nieuw ras een korte beschrijving van de eigenschappen die hun ingevolge de toelatingsprocedure bekend zijn.

3. Iedere Lid-Staat houdt de in artikel 10, lid 3, bedoelde dossiers betreffende de toegelaten rassen of de rassen die niet meer zijn toegelaten, ter beschikking van de overige Lid-Staten en van de Commissie. De wederzijdse inlichtingen over deze dossiers blijven vertrouwelijk.

4. De Lid-Staten dragen er zorg voor, dat de toelatingsdossiers voor uitsluitend persoonlijk gebruik geraadpleegd kunnen worden door iedereen die heeft aangetoond, daarbij een gerechtvaardigd belang te hebben. Deze bepalingen zijn niet van toepassing wanneer de gegevens op grond van artikel 7, lid 3, vertrouwelijk moeten blijven.

5. Wordt een toelating geweigerd of ingetrokken, dan wordt degene wie deze beslissing betreft, in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de resultaten van het onderzoek.

Artikel 12

1. De Lid-Staten schrijven voor, dat de toegelaten rassen systematisch in stand moeten worden gehouden. Dit geldt niet voor rassen waarvan het zaaizaad slechts als standaardzaad kan worden gecontroleerd en die op 1 juli 1970 algemeen bekend zijn.

2. De instandhouding moet altijd gecontroleerd kunnen worden aan de hand van aantekeningen, gemaakt door de voor het ras verantwoordelijke persoon of personen. Deze aantekeningen moeten eveneens betrekking hebben op de produktie van alle aan het basiszaad voorafgaande generaties.

3. Aan de voor het ras verantwoordelijke personen kunnen monsters worden gevraagd. Zo nodig kunnen deze officieel worden genomen.

4. Wanneer de instandhouding geschiedt in een andere Lid-Staat dan die waar het ras is toegelaten, verlenen de betrokken Lid-Staten elkander bij de controle officiële medewerking.

Artikel 13

1. De toelating van een ras geldt tot aan het einde van het tiende kalenderjaar na de toelating.

2. De toelating van een ras kan telkens voor een bepaalde termijn worden verlengd, wanneer dit gerechtvaardigd is op grond van het belang van de handhaving van de teelt ervan en voor zover het ras nog steeds voldoet aan de voorwaarden inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid. De aanvraag tot verlenging dient uiterlijk twee jaar vóór de datum waarop de toelating verloopt te worden ingediend.

3. De duur van een toelating moet voorlopig verlengd worden totdat er een beslissing is genomen inzake de aanvraag tot verlenging.

Artikel 14

1. De Lid-Staten dragen er zorg voor, dat de toelating van een ras wordt ingetrokken, a) indien bij het onderzoek is aangetoond dat een ras niet meer onderscheidbaar, bestendig of voldoende homogeen is,

b) op verzoek van de voor het ras verantwoordelijke persoon of personen, tenzij een instandhouding verzekerd blijft.

2. De Lid-Staten kunnen de toelating van een ras intrekken, a) wanneer de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die uit hoofde van deze richtlijn zijn vastgesteld, niet worden nagekomen,

b) wanneer bij de aanvraag tot toelating of bij het onderzoek onjuiste of misleidende inlichtingen zijn verstrekt ten aanzien van feiten waarvan de toelating afhankelijk is gesteld.

Artikel 15

1. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat een ras van hun lijst wordt afgevoerd indien de toelating van dit ras wordt ingetrokken, of indien de geldigheidsduur van de toelating is verstreken.

2. De Lid-Staten kunnen voor hun grondgebied een termijn van maximaal drie jaar na het einde van de toelating toestaan voor de afzet van zaaizaad.

Artikel 16

1. De Lid-Staten dragen er zorg voor, dat zaaizaad van rassen welke overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn zijn toegelaten, na afloop van een termijn van twee maanden volgende op de in artikel 17 bedoelde publikatie aan geen enkele handelsbeperking ten aanzien van het ras wordt onderworpen.

2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan een Lid-Staat die zulks verzoekt, volgens de procedure van artikel 40 worden gemachtigd om, indien een ras niet onderscheidbaar, bestendig of voldoende homogeen is, de handel in zaaizaad van het desbetreffende ras op zijn gehele grondgebied of op een deel daarvan te verbieden. Het verzoek moet vóór het einde van het derde kalenderjaar, volgende op dat van de toelating, worden ingediend.

3. De in lid 2 genoemde termijn kan vóór zijn verstrijken volgens de procedure van artikel 40 worden verlengd, indien hiervoor een gegronde reden aanwezig is.

4. De in de tweede zin van lid 2 bedoelde termijn begint voor de rassen die vóór 1 juli 1972 zijn toegelaten, op 1 juli 1972.

Artikel 17

De Commissie publiceert overeenkomstig de door de Lid-Staten verstrekte gegevens, telkens wanneer deze bij haar binnenkomen, in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen onder de aanduiding "Gemeenschappelijke rassenlijst voor groentegewassen" alle rassen waarvan het zaaizaad op grond van artikel 16 niet aan handelsbeperking ten aanzien van het ras zijn onderworpen, alsmede de in artikel 10, lid 1, bedoelde gegevens betreffende de voor de instandhouding verantwoordelijke persoon of personen. In de publikatie wordt aangegeven welke Lid-Staten een machtiging in de zin van artikel 16, lid 2, of van artikel 18 hebben ontvangen.

Artikel 18

Indien er wordt geconstateerd dat de teelt van een in de gemeenschappelijke rassenlijst van groentegewassen opgenomen ras in een Lid-Staat in fytosanitair opzicht schadelijk zou kunnen zijn voor de teelt van andere rassen of gewassen, kan deze Lid-Staat, indien hij zulks verzoekt, volgens de procedure van artikel 40 worden gemachtigd om de handel in zaaizaad van dit ras op zijn gehele grondgebied of op een deel daarvan te verbieden. Bij onmiddellijk gevaar van verbreiding van schadelijke organismen kan dit verbod door de betrokken Lid-Staat vanaf de indiening van zijn verzoek worden uitgevaardigd, tot op het tijdstip waarop het overeenkomstig de procedure van artikel 40 te bepalen definitieve besluit wordt genomen.

Artikel 19

Wanneer een ras in een Lid-Staat die het oorspronkelijk heeft toegelaten, van de rassenlijst wordt afgevoerd, kunnen één of meer andere Lid-Staten de toelating van dit ras handhaven indien de voorwaarden voor toelating er gehandhaafd blijven. Voor zover het een ras betreft waarvoor een instandhouding wordt geëist, dient deze verzekerd te blijven.

Artikel 20

1. De Lid-Staten schrijven voor, dat groentezaad slechts in de handel mag worden gebracht indien het hetzij zaad dat officieel als "basiszaad" of "gecertificeerd zaad" is goedgekeurd, hetzij standaardzaad betreft, en indien dit zaad bovendien voldoet aan de voorwaarden, vervat in bijlage 11.

2. Met ingang van 1 juli 1977 kan volgens de procedure van artikel 40 worden voorgeschreven dat zaad van bepaalde groentegewassen met ingang van bepaalde data slechts in de handel mag worden gebracht, indien het officieel is goedgekeurd als "basiszaad" of als "gecertificeerd zaad".

3. De Lid-Staten dragen er zorg voor, dat het officiële zaadonderzoek plaatsvindt volgens de gebruikelijke internationale methoden, voor zover die methoden bestaan.

4. De Lid-Staten mogen afwijkingen van lid 1 toestaan voor: a) kwekerszaad van generaties die aan het basiszaad voorafgaan;

b) experimenten of wetenschappelijke doeleinden;

c) kweekdoeleinden;

d) niet bewerkt zaad dat in de handel wordt gebracht met het oog op de bewerking, voor zover de identiteit van dit zaad wordt gewaarborgd.

Artikel 21

De Lid-Staten mogen echter, in afwijking van het bepaalde in artikel 20, machtiging verlenen tot: a) officiële goedkeuring en het in de handel brengen van basiszaad dat niet voldoet aan de in bijlage II opgesomde voorwaarden met betrekking tot de kiemkracht ; in dit geval worden alle dienstige maatregelen getroffen, opdat de leverancier een bepaalde kiemkracht waarborgt die hij bij het in de handel brengen vermeldt op een speciaal etiket met zijn naam en adres en het nummer van de partij;

b) officiële goedkeuring en het in de handel brengen tot en met de eerste commerciële afnemer, in het belang van een snelle voorziening met zaad, van "basiszaad" of "gecertificeerd zaad", waarbij het officiële onderzoek in verband met de in bijlage II opgesomde voorwaarden met betrekking tot de kiemkracht nog niet is voltooid. De goedkeuring geschiedt uitsluitend indien een verslag van de voorlopige analyse van het zaad wordt overgelegd en indien de naam en het adres van de eerste afnemer worden vermeld ; alle dienstige maatregelen worden getroffen, opdat de leverancier de kiemkracht waarborgt die is vastgesteld bij de voorlopige analyse ; de aanduiding van deze kiemkracht moet bij het in de handel brengen voorkomen op een speciaal etiket met de naam en het adres van de leverancier en het nummer van de partij.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op zaad dat wordt ingevoerd uit derde landen, behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 31 betreffende de vermeerdering buiten de Gemeenschap.

Artikel 22

De Lid-Staten mogen voor hun eigen produktie, voor wat de in de bijlagen I en II opgesomde voorwaarden betreft, aanvullende voorwaarden of strengere voorwaarden stellen voor de goedkeuring.

Artikel 23

1. De Lid-Staten schrijven voor dat bij het onderzoek van het zaad met het oog op de goedkeuring en bij de controle achteraf, de bemonstering officieel geschiedt volgens geschikte methoden.

Deze bepalingen zijn ook van toepassing wanneer officiële bemonstering van standaardzaad voor de controle achteraf wordt verricht.

2. Bij het onderzoek van het zaad voor de goedkeuring en bij de controle achteraf van het zaad, geschiedt de bemonstering uit homogene partijen ; het maximumgewicht van een partij en het minimumgewicht van een monster zijn in bijlage III vermeld.

Artikel 24

1. De Lid-Staten schrijven voor dat basiszaad, gecertificeerd zaad en standaardzaad slechts in de handel gebracht mogen worden in voldoende homogene partijen en in een gesloten verpakking, die overeenkomstig de artikelen 25 en 26 is voorzien van een sluitingssysteem en een aanduiding.

2. De Lid-Staten mogen afwijkingen van lid 1 vaststellen voor het in de handel brengen van kleine hoeveelheden ten behoeve van de laatste gebruiker, voor wat betreft verpakking, sluitingssysteem en aanduiding.

Artikel 25

1. De Lid-Staten schrijven voor dat de verpakkingen van basiszaad en gecertificeerd zaad, voor zover het geen kleine verpakkingen betreft, officieel zodanig worden gesloten dat bij het openen van de verpakking het sluitingssysteem wordt verbroken en niet meer opnieuw kan worden aangebracht.

2. Wanneer het officieel gesloten verpakkingen betreft, mag een, eventueel herhaalde, nieuwe sluiting slechts officieel geschieden. In dat geval wordt op het in artikel 26, lid 1, voorgeschreven etiket ook melding gemaakt van de laatste nieuwe sluiting, van de datum daarvan en van de dienst die haar heeft verricht.

3. De verpakkingen van standaardzaad en de kleine verpakkingen met zaad van de categorie "gecertificeerd zaad" worden zodanig gesloten dat bij het openen van de verpakking het sluitingssysteem wordt verbroken en niet meer opnieuw kan worden aangebracht. Met uitzondering van de kleine verpakkingen worden zij eveneens voorzien van een loodje of een gelijkwaardig sluitingssysteem dat wordt aangebracht door degene die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten.

Artikel 26

1. De Lid-Staten schrijven voor, dat de verpakkingen van basiszaad alsmede van gecertificeerd zaad, voor zover het geen kleine verpakkingen zijn, a) aan de buitenkant worden voorzien van een officieel etiket dat beantwoordt aan de vereisten van bijlage IV, deel A, en gesteld is in een van de officiële talen van de Gemeenschap ; dit etiket wordt vastgehecht door middel van het officiële sluitingssysteem ; de kleur van het etiket is wit voor basiszaad en blauw voor gecertificeerd zaad ; het gebruik van kleefetiketten is geoorloofd ; deze mogen als officiële sluiting worden gebruikt. Indien in het geval, bedoeld in artikel 21, het basiszaad niet voldoet aan de in bijlage II opgesomde voorwaarden met betrekking tot de kiemkracht, wordt dit op het etiket vermeld;

b) binnenin een officieel certificaat bevatten in de kleur van het etiket waarop de in bijlage IV, deel A, sub a), punten 4, 5 en 6, voorgeschreven gegevens vermeld staan ; dit certificaat is niet vereist, wanneer deze gegevens onuitwisbaar op de verpakking zijn aangebracht.

Het etiket is niet vereist voor doorzichtige verpakkingen, wanneer het officieel certificaat de sub a) bedoelde gegevens bevat en door de verpakking heen leesbaar is.

2. Voor de rassen die op 1 juli 1970 algemeen bekend zijn, mag bovendien melding worden gemaakt van een bepaalde instandhouding. Het is verboden melding te maken van bijzondere eigenschappen die verband houden met de instandhouding.

3. De verpakkingen van standaardzaad en de kleine verpakkingen met zaad van de categorie gecertificeerd zaad worden overeenkomstig bijlage IV, deel B, voorzien van een etiket van de leverancier of van een gedrukte of gestempelde tekst, gesteld in een van de officiële talen van de Gemeenschap. De kleur van het etiket is blauw voor gecertificeerd zaad en donkergeel voor standaardzaad.

Artikel 27

De Lid-Staten treffen alle nodige maatregelen opdat, met name bij splitsing van partijen, de controle op de echtheid van gecertificeerd zaad in kleine verpakkingen wordt verzekerd. Te dien einde kunnen zij voorschrijven dat de op hun grondgebied gesplitste kleine verpakkingen officieel of onder officiële controle moeten worden gesloten.

Artikel 28

De Lid-Staten behouden het recht om voor te schrijven dat de verpakkingen van basiszaad, gecertificeerd zaad of standaardzaad, van eigen produktie of ingevoerd, met het oog op het in de handel brengen op hun grondgebied in andere dan de in de artikelen 21 of 26 bedoelde gevallen worden voorzien van extra vermeldingen die de leverancier door middel van een etiket aanbrengt of rechtstreeks op de verpakking drukt.

Artikel 29

De Lid-Staten schrijven voor dat, in geval van een chemische behandeling van het basiszaad, het gecertificeerde zaad of het standaardzaad, hiervan op het officiële etiket dan wel op het etiket van de leverancier, alsmede op of in de verpakking melding wordt gemaakt. Bij kleine verpakkingen kan deze vermelding rechtstreeks op of aan de binnenkant van de verpakking worden aangebracht.

Artikel 30

1. De Lid-Staten dragen er zorg voor, dat het basiszaad en het gecertificeerde zaad dat overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn officieel werd goedgekeurd en waarvan de verpakking officieel van een aanduiding werd voorzien en gesloten, alsmede het gecertificeerde zaad in kleine verpakkingen en het standaardzaad waarvan de verpakking overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn van een aanduiding werd voorzien en gesloten, slechts worden onderworpen aan de bij deze richtlijn vastgestelde beperkingen voor het in de handel brengen met betrekking tot de eigenschappen van het zaad, het onderzoek, de aanduiding en de sluiting.

2. Met ingang van 1 juli 1977 en totdat overeenkomstig artikel 20, lid 2, een beslissing is genomen, kan aan elke Lid-Staat op zijn verzoek volgens de procedure van artikel 40 machtiging worden verleend om voor te schrijven dat zaad van bepaalde groentegewassen met ingang van bepaalde data slechts in de handel mag worden gebracht indien het officieel is goedgekeurd als "basiszaad" of als "gecertificeerd zaad".

Artikel 31

1. De Lid-Staten schrijven voor, dat groentezaad dat rechtstreeks afkomstig is van basiszaad goedgekeurd in een Lid-Staat, en dat in een andere Lid-Staat of in een derde land is geoogst, kan worden goedgekeurd in de Staat waar het basiszaad is gewonnen, indien het op het vermeerderingsperceel werd onderworpen aan een veldkeuring overeenkomstig de in bijlage I gestelde voorwaarden en indien bij een officieel onderzoek is geconstateerd dat aan de in bijlage II voor gecertificeerd zaad opgesomde voorwaarden is voldaan.

2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op de goedkeuring van gecertificeerd zaad dat rechtstreeks afkomstig is van zaad van een aan het basiszaad voorafgaande generatie, dat kan voldoen aan de in de bijlagen I en II voor basiszaad opgesomde voorwaarden en waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het hieraan voldoet.

Artikel 32

1. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vast: a) of het in een derde land verrichte officiële rassenonderzoek dezelfde waarborgen biedt als het in de Lid-Staten overeenkomstig artikel 7 voorgeschreven onderzoek;

b) of de in een derde land verrichte controles op de instandhouding dezelfde waarborgen bieden als de door de Lid-Staten verrichte controles;

c) of, in het geval bedoeld in artikel 31, de veldkeuring in een derde land voldoet aan de in bijlage I opgesomde voorwaarden;

d) of het in een derde land geoogste groentezaad dat dezelfde waarborgen biedt ten aanzien van de eigenschappen daarvan, alsmede van de toepassing van de maatregelen betreffende het onderzoek, de verzekering van de identiteit, de aanduiding en de controle, in dit opzicht gelijkwaardig is aan basiszaad, gecertificeerd zaad of standaardzaad, dat in de Gemeenschap is geoogst en beantwoordt aan de bepalingen van deze richtlijn.

2. Totdat de Raad zich overeenkomstig lid 1 heeft uitgesproken, kunnen de Lid-Staten zelf de in dat lid bedoelde vaststellingen verrichten. Dit recht vervalt op 30 juni 1975.

Artikel 33

1. Ten einde tijdelijke moeilijkheden op te heffen die zich bij de algemene voorziening met basiszaad, gecertificeerd zaad of standaardzaad in ten minste één Lid-Staat voordoen en niet binnen de Gemeenschap kunnen worden overwonnen, kan aan een of meer Lid-Staten volgens de procedure van artikel 40 machtiging worden verleend om voor een vastgesteld tijdvak zaad van een categorie waaraan minder strenge eisen zijn gesteld, tot de handel toe te laten.

2. Wanneer het een categorie zaad van een bepaald ras betreft, geldt als officieel etiket of het etiket van de leverancier het etiket dat voor de overeenkomstige categorie is vastgesteld ; in alle andere gevallen is de kleur van het etiket bruin. In elk geval wordt op het etiket vermeld dat het zaad betreft dat tot een categorie behoort waaraan minder strenge eisen zijn gesteld.

Artikel 34

Deze richtlijn geldt niet voor groentezaad waarvan is aangetoond dat het is bestemd voor uitvoer naar derde landen.

Artikel 35

De Lid-Staten treffen alle dienstige maatregelen om ten minste door steekproeven officieel te kunnen nagaan of het in de handel gebrachte groentezaad beantwoordt aan de in deze richtlijn vervatte voorwaarden.

Artikel 36

De Lid-Staten zien erop toe dat zaad van de categorieën "gecertificeerd zaad" en "standaardzaad" officieel steekproefsgewijs door een controle achteraf te velde op rasechtheid en raszuiverheid ten opzichte van standaardmonsters wordt gecontroleerd.

Artikel 37

1. De Lid-Staten zien erop toe dat degenen die verantwoordelijk zijn voor het aanbrengen van de etiketten betreffende voor verhandeling bestemd standaardzaad, a) hen op de hoogte stellen van aanvang en beëindiging hunner werkzaamheden,

b) omtrent alle partijen standaardzaad een boekhouding bijhouden en deze gedurende ten minste drie jaar te hunner beschikking houden,

c) gedurende ten minste twee jaar een standaardmonster van zaad, dat afkomstig is van rassen waarvoor instandhouding niet geëist wordt, te hunner beschikking houden,

d) monsters van iedere voor verhandeling bestemde partij nemen en deze gedurende ten minste twee jaar te hunner beschikking houden.

De sub b) en d) bedoelde verrichtingen geschieden steekproefsgewijs onder officieel toezicht.

2. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat een ieder die het voornemen heeft om melding te maken van een instandhouding op grond van artikel 26, lid 2, dit voornemen kenbaar maakt.

Artikel 38

1. Indien bij de controle achteraf te velde herhaaldelijk wordt geconstateerd dat zaad van een ras niet voldoende beantwoordt aan de voorwaarden met betrekking tot de rasechtheid of de raszuiverheid, zien de Lid-Staten erop toe dat aan degene die voor het in de handel brengen van het zaad verantwoordelijk is, geheel of gedeeltelijk, en eventueel voor een bepaalde periode kan worden verboden dit zaad in de handel te brengen.

2. De krachtens lid 1 getroffen maatregelen worden pas ingetrokken wanneer met voldoende zekerheid is gebleken dat het voor de handel bestemde zaad in de toekomst zal beantwoorden aan de voorwaarden met betrekking tot de rasechtheid en de raszuiverheid.

Artikel 39

1. Binnen de Gemeenschap worden communautaire vergelijkingsproeven gedaan met het oog op een controle achteraf door middel van steekproefsgewijs genomen monsters van basiszaad, met uitzondering van basiszaad van hybriden en kunstmatig verkregen rassen, gecertificeerd zaad en standaardzaad van groenten ; dit onderzoek wordt beoordeeld door het in artikel 40 bedoelde Comité. Bij de controle achteraf kan worden nagegaan of wordt voldaan aan de voorwaarden waaraan dit zaad moet voldoen.

2. In een eerste fase is het vergelijkend onderzoek bedoeld voor de harmonisatie van de technische keuringsmethoden en controle achteraf, ten einde gelijkwaardigheid van de resultaten te bereiken. Zodra dit doel is bereikt, wordt over het vergelijkend onderzoek jaarlijks een verslag opgemaakt dat vertrouwelijk aan de Lid-Staten en aan de Commissie wordt toegezonden. De datum waarop het verslag voor de eerste maal wordt opgemaakt, wordt volgens de procedure van artikel 40 vastgesteld.

3. De bepalingen, noodzakelijk voor het verrichten van de vergelijkende onderzoeken, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 40. In derde landen geoogst groentezaad kan bij de vergelijkende onderzoeken worden betrokken.

Artikel 40

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de Voorzitter deze procedure in bij het Permanent Comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw, hierna het "Comité" genoemd, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Vertegenwoordiger van een Lid-Staat.

2. In het Comité worden de stemmen van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig het bepaalde in artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De Voorzitter neemt geen deel aan de stemming.

3. De Vertegenwoordiger van de Commissie dient een ontwerp in van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt over deze maatregelen advies uit binnen een termijn die de Voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie der aan een onderzoek onderworpen vraagstukken. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van twaalf stemmen.

4. De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien echter deze maatregelen niet in overeenstemming zijn met het door het Comité uitgebrachte advies, worden zij door de Commissie onverwijld ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten tot ten hoogste een maand na deze kennisgeving uitstellen.

De Raad kan binnen een maand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 41

Behoudens het bepaalde in artikel 18 en in de bijlagen I en II, doet deze richtlijn geen afbreuk aan de bepalingen van de nationale wetgevingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van het leven en de gezondheid van personen, dieren of planten of uit hoofde van de bescherming van de industriële of commerciële eigendom.

Artikel 42

Volgens de procedure van artikel 40 kan een Lid-Staat op zijn verzoek geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de toepassing der bepalingen van deze richtlijn ten aanzien van bepaalde soorten waarvan het zaad normaliter niet op zijn grondgebied wordt vermeerderd en verhandeld.

Artikel 43

Uiterlijk op 1 juli 1972 doen de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om deze richtlijn ten uitvoer te leggen ; zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 44

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 29 september 1970.

Voor de Raad

De Voorzitter

J. ERTL

BIJLAGE I

VOORWAARDEN VOOR GOEDKEURING TEN AANZIEN VAN HET GEWAS

1. Het gewas moet voldoende rasecht en raszuiver zijn.

2. Voor basiszaad dient ten minste één officiële veldkeuring plaats te vinden. Voor gecertificeerd zaad vindt ten minste één veldkeuring plaats, welke voor ten minste 20 % van de percelen per soort officieel steekproefsgewijs wordt gecontroleerd.

3. De staat waarin het vermeerderingsveld zich bevindt en de stand van het gewas moeten een voldoende controle van de rasechtheid, de raszuiverheid en de gezondheidstoestand mogelijk maken.

4. De minimumafstand tot in de buurt liggende gewassen die kunnen leiden tot ongewenste vreemdbestuiving, bedraagt voor: A. Bieten- en Brassicagewassen 1. Ten aanzien van bronnen van vreemd stuifmeel dat een ernstige schadelijke invloed kan uitoefenen op de rassen van de Beta- en Brassicagewassen

>PIC FILE= "T9000323">

2. Ten aanzien van andere bronnen van vreemd stuifmeel waardoor kruising met de rassen van de Beta- en Brassicagewassen mogelijk wordt

>PIC FILE= "T9000324">

B. Andere soorten 1. Ten aanzien van bronnen van vreemd stuifmeel dat een ernstige schadelijke invloed kan uitoefenen op rassen van andere gewassen, door kruisbestuiving verkregen

>PIC FILE= "T9000325">

2. Ten aanzien van andere bronnen van vreemd stuifmeel waardoor kruising met rassen van andere gewassen, door kruisbestuiving verkregen, mogelijk wordt

>PIC FILE= "T9000326">

Deze afstanden behoeven niet in acht genomen te worden, wanneer er voldoende bescherming tegen ongewenste vreemdbestuiving aanwezig is.

5. De aanwezigheid van ziekten en schadelijke organismen die de waarde voor het gebruik als zaad verminderen, moet zoveel mogelijk beperkt zijn.

BIJLAGE II

VOORWAARDEN WAARAAN HET ZAAD MOET VOLDOEN

1. Het zaad moet voldoende rasecht en raszuiver zijn,

2. De aanwezigheid van ziekten en schadelijke organismen, die de waarde voor het gebruik als zaad verminderen, moet zoveel mogelijk beperkt zijn.

3. Het zaad moet bovendien aan de volgende voorwaarden voldoen: a) Normen >PIC FILE= "T0002209">

>PIC FILE= "T0002210">

b) Aanvullende voorwaarden i) zaad van vlinderbloemigen mag niet door de volgende levende insecten zijn aangetast:

Acanthoscelides obtectus sag.

Bruchus affinis Froel.

Bruchus atomarius L.

Bruchus pisorum L.

Bruchus rufimanus Boh.

ii) het zaad mag niet door levende mijten zijn aangetast.

BIJLAGE III

1. Maximumgewicht van een partij

>PIC FILE= "T9000327">

2. Minimumgewicht van een monster >PIC FILE= "T0002211">

Voor de F1-hybriderassen van de voorgenoemde soorten kan het minimumgewicht van het monster verminderd worden tot 1/4 van het aangegeven gewicht. Het aantal zaden per monster moet ten minste 200 bedragen.

BIJLAGE IV

ETIKET

A. Officieel etiket (basiszaad en gecertificeerd zaad, met uitzondering van kleine verpakkingen) a) Te vermelden gegevens 1. "E.E.G.-systeem"

2. Keuringsdienst en Lid-Staat of desbetreffend kenteken

3. Maand en jaar van de officiële sluiting

4. Partijnummer

5. Soort

6. Ras

7. Categorie

8. Producerend land

9. Opgegeven netto- of brutogewicht

b) Minimumafmetingen

110 × 67 mm

B. Etiket van de leverancier of tekst op de verpakking (standaardzaad en kleine verpakkingen van de categorie "gecertificeerd zaad") a) Te vermelden gegevens 1. "E.E.G.-systeem"

2. Naam en adres of kenmerk van de leverancier die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten

3. Maand en jaar van de sluiting, met uitzondering van kleine verpakkingen

4. Soort

5. Ras

6. Categorie

7. Referentienummer, opgegeven door de voor aanbrenging der etiketten verantwoordelijke leverancier - voor standaardzaad

8. Referentienummer om de gecertificeerde partij te kunnen identificeren - voor kleine verpakkingen van de categorie "gecertificeerd zaad"

9. Producerend land - behalve voor kleine verpakkingen tot 100 g

10. Opgegeven netto- of brutogewicht - behalve voor kleine verpakkingen tot 100 g

b) Minimumafmetingen van het etiket (behalve voor kleine verpakkingen)

110 × 67 mm

Top