Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31961X1202

Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging

Information about publishing OJ not found, p. 36–45 (DE, FR, IT, NL)
Danish special edition: Series II Volume IX P. 7 - 15
English special edition: Series II Volume IX P. 7 - 15
Greek special edition: Chapter 06 Volume 001 P. 7 - 15
Spanish special edition: Chapter 06 Volume 001 P. 7 - 15
Portuguese special edition: Chapter 06 Volume 001 P. 7 - 15

In force

31961X1202

Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging

Publicatieblad Nr. 002 van 15/01/1962 blz. 0036 - 0045
Bijzondere uitgave in het Deens: Serie II Deel IX blz. 0007
Bijzondere uitgave in het Engels: Serie II Deel IX blz. 0007 - 0015
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 06 Deel 1 blz. 0007
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 06 Deel 1 blz. 0007
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 06 Deel 1 blz. 0007


ALGEMEEN PROGRAMMA voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging

DE RAAD VAN DE EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP,

Gelet op de bepalingen van het Verdrag, inzonderheid op de artikelen 54 en 132, lid 5,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,

Gezien het advies van het Europese Parlement,

heeft het volgende Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging binnen de Europese Economische Gemeenschap vastgesteld:

Titel I : Begunstigden

De opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging, bedoeld in dit Algemeen Programma, zal, onder voorbehoud van de beschikkingen van de Raad uit hoofde van artikel 227, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag en onverminderd de bepalingen die later de associatieregeling tussen de Europese Economische Gemeenschap en de na de inwerkingtreding van het Verdrag onafhankelijk geworden landen en gebieden overzee zullen omschrijven, geschieden ten behoeve van: - de onderdanen van de Lid-Staten en van de landen en gebieden overzee,

- de vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een Lid-Staat of van een land of gebied overzee zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap of in een land of gebied overzee hebben,

voor wat betreft hun feitelijke vestiging met het oog op de uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van een Lid-Staat; - de onderdanen van de Lid-Staten en van de landen en gebieden overzee, die gevestigd zijn op het grondgebied van een Lid-Staat of van een land of gebied overzee,

- de bovenbedoelde vennootschappen, op voorwaarde dat, ingeval zij slechts hun statutaire zetel binnen de Gemeenschap of in een land of gebied overzee hebben, hun werkzaamheden daadwerkelijk en duurzaam verband houden met de economie van een Lid-Staat of een land of gebied overzee, met dien verstande dat dit verband niet afhankelijk kan worden gesteld van een bepaalde nationaliteit, met name wat de vennoten, de leden van de organen van beheer of toezicht of de houders van het maatschappelijk kapitaal betreft,

voor wat betreft de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen op het grondgebied van een Lid-Staat.

Titel II : Toelating en verblijf

Vóór het einde van het tweede jaar van de tweede etappe der overgangsperiode wordt overgegaan tot: A. aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in elk der Lid-Staten betreffende de toelating en het verblijf van de onderdanen der overige Lid-Staten, voor zover zij niet gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid en deze onderdanen kunnen belemmeren in de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst. De aanpassing dient om dat gevolg weg te nemen, met name door die voorschriften af te schaffen welke een economisch doel hebben;

B. afschaffing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waardoor in een Lid-Staat aan de op zijn grondgebied tewerkgestelde werknemers die onderdaan zijn van een der overige Lid-Staten, het verblijf en de toegang tot een werkzaamheid anders dan in loondienst ontzegd worden, ofschoon zij beantwoorden aan de voorwaarden waaraan zij zouden moeten voldoen indien zij in die Lid-Staat zouden aankomen op het tijdstip waarop zij genoemde werkzaamheden willen opvatten.

Titel III : Beperkingen

Onder voorbehoud van de in het Verdrag vervatte uitzonderingen of bijzondere bepalingen, met name van: - artikel 55 betreffende de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in een Lid-Staat,

- artikel 56 betreffende de bepalingen waarbij een bijzondere regeling is vastgesteld voor vreemdelingen, welke bepalingen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn,

vormen beperkingen, die overeenkomstig het in Titel IV vastgestelde tijdschema moeten worden opgeheven: A. elk verbod of elke belemmering van werkzaamheden anders dan in loondienst van onderdanen der overige Lid-Staten, bestaande in een verschil in behandeling van de onderdanen der overige Lid-Staten ten opzichte van de eigen onderdanen op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van een Lid-Staat of als gevolg van de toepassing van een dergelijke bepaling of als gevolg van administratieve handelwijzen.

Tot de beperkende bepalingen en handelwijzen behoren met name die welke alleen ten aanzien van vreemdelingen: a) de toegang tot een werkzaamheid anders dan in loondienst of de uitoefening daarvan verbieden,

b) de toegang tot een werkzaamheid anders dan in loondienst of de uitoefening daarvan afhankelijk stellen van een vergunning of van de afgifte van een document, zoals bijvoorbeeld een kaart voor buitenlandse kooplieden of een beroepskaart voor vreemdelingen,

c) de verlening van een vergunning, vereist voor de toegang tot een werkzaamheid anders dan in loondienst of voor de uitoefening daarvan, afhankelijk stellen van het voldoen aan nadere voorwaarden,

d) de toegang tot een werkzaamheid anders dan in loondienst of de uitoefening daarvan afhankelijk stellen van een voorafgaand verblijf of een voorafgaande stage in het land van ontvangst,

e) de toegang tot een werkzaamheid anders dan in loondienst of de uitoefening daarvan financieel bemoeilijken door het opleggen van fiscale of andere lasten, zoals het storten van een waarborgsom of het stellen van zekerheid in het land van ontvangst,

f) de mogelijkheden tot bevoorrading of afzet beperken of belemmeren, door deze kostbaarder of moeilijker te maken,

g) de toegang tot de beroepsopleiding welke voor de uitoefening van een werkzaamheid anders dan in loondienst vereist, of gewenst is, verbieden of belemmeren,

h) de deelneming in vennootschappen onmogelijk maken of de mogelijkheid daartoe beperken, met name voor wat de door de vennoten verrichte werkzaamheden betreft,

i) het recht om deel te nemen aan de sociale voorzieningen verbieden of beperken, met name voor wat de ziekte-, ongevallen-, invaliditeits- en ouderdomsverzekering, gezinstoelagen en kinderbijslagen betreft,

j) een minder gunstige behamdeling toekennen ingeval van nationalisatie, onteigening of vordering.

Hetzelfde geldt voor bepalingen en handelwijzen die alleen voor vreemdelingen de bevoegdheid om de rechten uit te oefenen die gewoonlijk aan het verrichten van een werkzaamheid anders dan in loondienst zijn verbonden, uitsluiten, beperken of aan bepaalde voorwaarden onderwerpen, en in het bijzonder de bevoegdheid om: (a) overeenkomsten, met name tot aanneming van werk of tot het verrichten van enkele diensten, en andere overeenkomsten, zoals arbeids-, huuren pachtovereenkomsten, te sluiten, alsmede alle rechten te genieten die uit deze overeenkomsten voortvloeien,

(b) in te schrijven voor opdrachten van de Staat of andere publiekrechtelijke lichamen of als contractant of ondercontractant deel te nemen aan de uitvoering daarvan,

(c) concessies of vergunningen, verleend door de Staat of andere publiekrechtelijke lichamen, te verkrijgen,

(d) roerende en onroerende goederen en rechten te verwerven, te gebruiken of te vervreemden,

(e) intellectuele eigendom en de daaraan verbonden rechten te verwerven, te gebruiken of te vervreemden,

(f) leningen aan te gaan en met name gebruik te maken van de verschillende vormen van krediet,

(g) te genieten van directe of indirecte steunmaatregelen van de Staat,

(h) in rechte op te treden en in beroep te komen bij de administratieve organen van de overheid,

(i) zich aan te sluiten bij beroeps- en bedrijfsorganisaties,

voor zover de beroepswerkzaamheden van de betrokkene de uitoefening van deze bevoegdheid medebrengen.

Ten slotte behoren tot de genoemde bepalingen en handelwijzen eveneens die welke de toelating van het personeel van de hoofdvestiging in een Lid-Staat tot de organen van beheer of toezicht van de agentschappen, filialen of dochterondernemingen in een andere Lid-Staat beperken of belemmeren.

B. de voorwaarden waarvan de toegang tot een werkzaamheid anders dan in loondienst of de uitoefening daarvan door een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling of een administratieve handelwijze afhankelijk wordt gesteld en die, hoewel van toepassing zonder onderscheid naar nationaliteit, uitsluitend of in hoofdzaak de toegang tot of de uitoefening van deze werkzaamheid door vreemdelingen belemmeren.

Titel IV : Tijdschema

Voor de daadwerkelijke opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging wordt het volgende tijdschema aanvaard: A. vóór het einde van het tweede jaar van de tweede etappe der overgangsperiode, ten aanzien van de in Bijlage I vermelde werkzaamheden, behoudens het bepaalde onder B;

B. op 31 december 1963, ten aanzien van de werkzaamheden, vermeld onder rubriek 400 «Bouwnijverheid en openbare werken» van Bijlage I en verricht op grond van deelneming aan overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken.

Gezien het bijzondere karakter en de speciale eisen van deze sector en met het doel een geleidelijke en evenwichtige opheffing van de beperkingen, vergezeld van de gewenste maatregelen inzake coördinatie der procedures, te waarborgen, geldt echter het volgende: 1. De toewijzing van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken door een Staat, zijn territoriale lichamen, zoals «Länder», gewesten, provincies, departementen, gemeenten en andere nader te bepalen publiekrechtelijke lichamen, aan onderdanen en vennootschappen van andere Lid-Staten door tussenkomst van hum agentschappen of filialen die in die Staat zijn gevestigd, kan in die Staat worden opgeschort tot aan het einde van het lopende jaar, vanaf het ogenblik waarop het bedrag der overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken die in deze Staat zijn toegewezen aan onderdanen en vennootschappen van de andere Lid-Staten het quotum overschrijdt waarvan sprake is in Titel V, C, onder e), lid 1 (a), van het Algemeen Programma betreffende de diensten.

2. Ten aanzien van de toewijzing van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken aan deze agentschappen en filialen door publiekrechtelijke lichamen die op 31 december 1963 niet zijn begrepen onder de sub 1 bedoelde, zullen de beperkingen worden opgeheven vóór het einde van de overgangsperiode;

C. tussen het uiterste tijdstip, aangegeven onder A, en het einde van de tweede etappe der overgangsperiode, ten aanzien van de werkzaamheden: - vermeld in bijlage II,

- van het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van levensverzekering. Niettemin is de opheffing van de beperkingen ten aanzien van de oprichting van agentschappen of filialen afhankelijk van een coördinatie van de voorwaarden voor de toegang tot die werkzaamheden en de uitoefening daarvan;

D. tussen het begin van de derde etappe en het einde van het tweede jaar van de derde etappe, ten aanzien van de werkzaamheden: - vermeld in bijlage III,

- van het levensverzekeringsbedrif. De opheffing van de beperkingen ten aanzien van de oprichting van agentschappen of filialen is echter afhankelijk van een coördinatie van de voorwaarden voor de toegang tot die werkzaamheden en de uitoefening daarvan. Niettemin wordt vóór het einde van de tweede etappe en in afwachting van deze coördinatie een limiet gesteld aan de voorwaarden voor de toegang tot die werkzaamheden en de uitoefening daarvan, die voor deze filialen of agentschappen gelden;

E. tussen het uiterste tijdstip, aangegeven onder D, en het einde van de overgangsperiode, ten aanzien van de in Bijlage IV vermelde werkzaamheden.

F. Voor de landbouw zal, met betrekking tot de in bijlage V vermelde werkzaamheden, de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging overeenkomstig de volgende bepalingen plaatsvinden: 1. Zodra het Algemeen Programma is goedgekeurd, zullen de beperkingen van de vestiging op bedrijven die sedert meer dan twee jaar verlaten of onbebouwd zijn, worden opgeheven, evenwel zonder dat deze vestiging het recht van mutatie meebrengt.

2. Aan het einde van de eerste etappe zullen de beperkingen van de vestiging in de landbouw worden opgeheven voor onderdanen der overige Lid-Staten, die gedurende twee jaar zonder onderbreking in het land van ontvangst als landarbeider hebben gewerkt.

3. Aan het begin van het darde jaar van de tweede etappe zullen de bepalingen betreffende het pachtstelsel zo worden aangepast, dat de wetgeving ter zake op dezelfde wijze zal worden toegepast op de landbouwers die onderdaan van een der overige Lid-Staten zijn en onder dit stelsel een bedrijf voeren, als op de eigen onderdanen.

Op dezelfde datum zal aan de landbouwers die onderdaan van een der overige Lid-Staten zijn en sedert meer dan twee jaar zijn gevestigd, het recht worden toegekend van het ene bedrijf naar het andere over te gaan.

4. Aan het begin van de derde etappe zal aan de landbouwers die onderdaan van een der overige Lid-Staten zijn, worden toegestaan volgens dezelfde bepalingen als de eigen onderdanen gebruik te maken van de verschillende vormen van krediet en toe te treden tot de landbouwcoöperaties.

5. Aan het begin van het derde jaar van de derde etappe zal aan de landbouwers die onderdaan van een der overige Lid-Staten zijn, worden toegestaan van de verschillende vormen van steunmaatregelen volgens dezelfde bepalingen gebruik te maken als de eigen onderdanen.

6. Aan het einde van de overgangsperiode zullen alle overige beperkingen die voor de toegang tot en de uitoefening van bovengenoemde werkzaamheden bestaan, worden opgeheven.

G. 1. Met betrekking tot het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, zullen de beperkingen, worden opgeheven overeenkomstig het tijdschema van het Algemeen Programma en vergezeld gaan van die maatregelen inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten betreffende de toegang tot en de uitoefening van het beroep, welke noodzakelijk zijn om de distorsies te voorkomen, die uit de opheffing van de beperkingen kunnen voortvloeien. Deze coördinatie zal een der elementen van het gemeenschappelijk veroerbeleid vormen.

2. De Raad zal zich met algemene stemmen uitspreken over het Algemeen Programma op het gebied van de zee- en luchtvaart.

Titel V : Onderlinge erkenning van titels en diploma's - Coördinatie

Onder voorbehoud van artikel 57, lid 3, van het Verdrag en van Titel IV van het Algemeen

Programma zal, tegelijk met de opstelling van de richtlijnen ter uitvoering, van het Algemeen Programma, voor ieder der, werkzaamheden anders dan in loondienst worden nagegaan of de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging moet worden voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels, alsmede door de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot die werkzaamheden en de uitoefening daarvan.

In afwachting van de onderlinge erkenning van diploma's of van die coördinatie kan een overgangsregeling - welke eventueel het overleggen van een verklaring over de wettige en daadwerkelijke uitoefening van de werkzaamheden in het land van oorsprong kan inhouden - worden toegepast om de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst of de uitoefening daarvan te vergemakkelijken en om distorsies te voorkomen.

De duur en de voorwaarden, van deze overgangsregeling zullen bij de opstelling der richtlijnen worden vastgesteld.

Titel VI : Coördinatie van de waarborgen welke van vennootschappen worden verlangd

De waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van vennootschappen om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in die vennootschappen als van derden, worden vóór het einde van het tweede jaar van de tweede etappe van de overgangsperiode, voor zover nodig, gecoördineerd, teneinde die, waarborgen gelijkwaardig te maken.

Titel VII : Steunmaatregelen

Het is de bedoeling dat steunmaatregelen der Lid-Staten, die de vestigingsvoorwaarden kunnen vervalsen, worden afgeschaft uiterlijk wanneer de beperkingen van de vrijheid van vestiging worden opgeheven voor de werkzaamheden anders dan in loondienst, ten aanzien waarvan de vestigingsvoorwaarden zijn vervalst, onverminderd de toepassing van artikel 92 en volgende van het Verdrag.

Gedaan te Brussel, 18 december 1961.

Voor de Raad

De Voorzitter

Ludwig ERHARD

>PIC FILE= "T0001164"> >PIC FILE= "T0001165"> >PIC FILE= "T0001166">

>PIC FILE= "T0001167"> >PIC FILE= "T0001168">

>PIC FILE= "T0001169"> >PIC FILE= "T0001170">

>PIC FILE= "T0001171"> >PIC FILE= "T0001172">

>PIC FILE= "T0001173">

Resolutie van de Raad betreffende de versnelde uitvoering van het Algemeen Programma

De Raad,

Gelet op het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging binnen de Gemeenschap, met name Titel IV daarvan,

Gezien de verklaring van intentie inzake de interne versnelling, aangenomen op 12 mei 1960 door de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten der Europese Economische Gemeenschap, in het kader van de Raad bijeen, bij de aanvaarding van een besluit over de versnelling van het tempo van verwezenlijking der doelstellingen van het Verdrag,

Na raadpleging van de Commissie, a) verzoekt deze, met het oog op het afleggen van de etappes, bedoeld in artikel 54, lid 1, tweede alinea van het Verdrag en opgenomen in het vastgestelde tijdschema voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging, hem zo spoedig mogelijk de in artikel 54, lid 2, bedoelde voorstellen voor richtlijnen voor te leggen, teneinde de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging te versnellen, met name inzake de werkzaamheden waarvoor de vrijheid van vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert tot de ontwikkeling van de produktie en van het handelsverkeer;

b) verzoekt de Commissie hem voorstellen te doen, telkens wanneer haar dit uitvoerbaar en wenselijk voorkomt, tot wijziging van het Algemeen Programma, die ertoe strekken de desbetreffende werkzaamheden over te brengen van de bijlage waarin zij zijn opgenomen, naar een voorgaande bijlage.

Gedaan te Brussel, 18 december 1961.

Voor de Raad

De Voorzitter

Ludwig ERHARD

>PIC FILE= "T0001164"> >PIC FILE= "T0001165"> >PIC FILE= "T0001166">

>PIC FILE= "T0001167"> >PIC FILE= "T0001168">

>PIC FILE= "T0001169"> >PIC FILE= "T0001170">

>PIC FILE= "T0001171"> >PIC FILE= "T0001172">

>PIC FILE= "T0001173">

Resolutie van de Raad betreffende de versnelde uitvoering van het Algemeen Programma

De Raad,

Gelet op het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging binnen de Gemeenschap, met name Titel IV daarvan,

Gezien de verklaring van intentie inzake de interne versnelling, aangenomen op 12 mei 1960 door de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten der Europese Economische Gemeenschap, in het kader van de Raad bijeen, bij de aanvaarding van een besluit over de versnelling van het tempo van verwezenlijking der doelstellingen van het Verdrag,

Na raadpleging van de Commissie, a) verzoekt deze, met het oog op het afleggen van de etappes, bedoeld in artikel 54, lid 1, tweede alinea van het Verdrag en opgenomen in het vastgestelde tijdschema voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging, hem zo spoedig mogelijk de in artikel 54, lid 2, bedoelde voorstellen voor richtlijnen voor te leggen, teneinde de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging te versnellen, met name inzake de werkzaamheden waarvoor de vrijheid van vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert tot de ontwikkeling van de produktie en van het handelsverkeer;

b) verzoekt de Commissie hem voorstellen te doen, telkens wanneer haar dit uitvoerbaar en wenselijk voorkomt, tot wijziging van het Algemeen Programma, die ertoe strekken de desbetreffende werkzaamheden over te brengen van de bijlage waarin zij zijn opgenomen, naar een voorgaande bijlage.

Gedaan te Brussel, 18 december 1961.

Voor de Raad

De Voorzitter

Ludwig ERHARD

Top