EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 22021A0430(01)

Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds

Dit is de authentieke en definitieve tekst van de overeenkomst die 22020A1231(01) ab initio vervangt.

OJ L 149, 30.4.2021, p. 10–2539 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2021/689(1)/oj

30.4.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 149/10


HANDELS- EN SAMENWERKINGSOVEREENKOMST

tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds

PREAMBULE

DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE

EN

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

1.

OPNIEUW BEVESTIGEND dat zij gehecht zijn aan de democratische beginselen, de rechtsstaat, de mensenrechten, de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens en de strijd tegen de klimaatverandering, die essentiële onderdelen van deze overeenkomst en aanvullende overeenkomsten vormen,

2.

HET BELANG ERKENNEND van mondiale samenwerking bij het aanpakken van kwesties van gemeenschappelijk belang,

3.

ERKENNEND dat transparantie in internationale handel en bij investeringen van belang is voor alle betrokkenen,

4.

STREVEND naar de vaststelling van duidelijke en over en weer tot voordeel strekkende regels voor handel en investeringen tussen de Partijen,

5.

OVERWEGEND dat het, om het efficiënte beheer en de correcte uitlegging en toepassing van deze overeenkomst en eventuele aanvullende overeenkomsten en de naleving van de verplichtingen uit hoofde van die overeenkomsten te garanderen, van wezenlijk belang is om bepalingen vast te stellen die een algeheel beheer waarborgen, in het bijzonder regels voor geschillenbeslechting en handhaving die geheel in overeenstemming zijn met de respectieve rechtsordes van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk, alsook met de status van het Verenigd Koninkrijk van land buiten de Europese Unie,

6.

VOORTBOUWEND op hun respectieve rechten en verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie van 15 april 1994, en andere multilaterale en bilaterale samenwerkingsinstrumenten,

7.

ERKENNEND de respectieve autonomie van de Partijen en hun respectieve rechten om op hun grondgebied regelgeving vast te stellen ter verwezenlijking van legitieme doelstellingen van overheidsbeleid, zoals de bescherming en bevordering van de volksgezondheid, sociale diensten, het openbaar onderwijs, de veiligheid, het milieu met inbegrip van klimaatverandering, de openbare zeden, sociale en consumentenbescherming, dierenwelzijn, eerbiediging van de privacy en gegevensbescherming, en de bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid, waarbij zij ernaar streven hun respectieve hoge beschermingsniveaus te verbeteren,

8.

OVERTUIGD van de voordelen van een voorspelbaar commercieel klimaat dat handel en investeringen tussen de partijen bevordert en de verstoring van de handel en oneerlijke concurrentievoordelen voorkomt, op een wijze die bevorderlijk is voor de economische, sociale en ecologische aspecten van duurzame ontwikkeling,

9.

ERKENNEND dat er behoefte is aan een ambitieus, breed en evenwichtig economisch partnerschap dat wordt geschraagd door een gelijk speelveld voor open en eerlijke concurrentie en duurzame ontwikkeling via doeltreffende en robuuste kaders voor subsidies en concurrentie en een verbintenis om hun respectieve hoge beschermingsniveaus op het gebied van arbeid en sociale normen, milieu, de strijd tegen klimaatverandering, en belastingen te handhaven,

10.

ERKENNEND dat voor bedrijven, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, en hun goederen en diensten een open en veilige markt moet worden gewaarborgd door ongerechtvaardigde belemmeringen voor handel en investeringen weg te nemen,

11.

EROP WIJZEND dat het belangrijk is nieuwe mogelijkheden voor bedrijven en consumenten door digitale handel te bevorderen en ongerechtvaardigde belemmeringen weg te nemen voor gegevensstromen en handel langs elektronische weg, met inachtneming van de voorschriften inzake bescherming van persoonsgegevens van de Partijen,

12.

GELEID DOOR DE WENS dat deze overeenkomst bijdraagt tot het welzijn van de consument door middel van beleidsmaatregelen die een hoog niveau van consumentenbescherming en economisch welzijn waarborgen en samenwerking tussen de betrokken autoriteiten stimuleren,

13.

GELET OP het belang van grensoverschrijdende connectiviteit door de lucht, over de weg en over zee, voor passagiers en goederen, en de noodzaak om hoge normen te waarborgen voor het verrichten van vervoersdiensten tussen de Partijen,

14.

ERKENNEND de voordelen van handel en investeringen in energie en grondstoffen en het belang van ondersteuning van de levering van kostenefficiënte, schone en veilige energievoorraden aan de Unie en het Verenigd Koninkrijk,

15.

ZICH REKENSCHAP GEVEND van het belang van de Partijen bij de invoering van een kader om de technische samenwerking te vergemakkelijken en om nieuwe handelsregelingen te ontwikkelen voor interconnectoren die ongeacht het tijdsbestek robuuste en efficiënte resultaten opleveren,

16.

VASTSTELLEND dat de samenwerking en handel tussen de Partijen op deze gebieden gebaseerd moeten zijn op eerlijke concurrentie op de energiemarkten en niet-discriminerende toegang tot netwerken,

17.

ERKENNEND de voordelen van duurzame energie, hernieuwbare energie, met name offshore-opwekking in de Noordzee, en energie-efficiëntie,

18.

GELEID DOOR DE WENS het vreedzaam gebruik van de aan hun kusten grenzende wateren en het optimale en billijke gebruik van de in die wateren levende mariene rijkdommen te bevorderen, met inbegrip van het voortgezette duurzame beheer van gedeelde bestanden,

19.

VASTSTELLEND dat het Verenigd Koninkrijk zich uit de Europese Unie heeft teruggetrokken en dat het Verenigd Koninkrijk met ingang van 1 januari 2021 een onafhankelijke kuststaat is, met alle daarmee samenhangende rechten en verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht,

20.

BEVESTIGEND dat de soevereine rechten die door de Partijen als kuststaten worden uitgeoefend met het oog op de exploratie, de exploitatie, de instandhouding en het beheer van de levende rijkdommen in hun wateren, moeten worden uitgeoefend op grond van en in overeenstemming met de beginselen van het internationaal recht, waaronder het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gedaan te Montego Bay op 10 december 1982, (Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee),

21.

ERKENNEND het belang van de coördinatie van de socialezekerheidsrechten van personen die zich tussen de Partijen verplaatsen om daar te werken, te verblijven of te wonen, alsmede van de rechten van hun gezinsleden en nabestaanden,

22.

OVERWEGEND dat samenwerking op gebieden van gemeenschappelijk belang, zoals wetenschap, onderzoek en innovatie, nucleair onderzoek en ruimtevaart, in de vorm van deelname van het Verenigd Koninkrijk aan de desbetreffende programma's van de Unie onder eerlijke en passende voorwaarden, beide Partijen ten goede zal komen,

23.

IN AANMERKING NEMEND dat samenwerking tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie op het gebied van de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van bedreigingen van de openbare veiligheid, de veiligheid van het Verenigd Koninkrijk en de Unie zal kunnen versterken,

24.

GELEID DOOR DE WENS dat tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie een overeenkomst wordt gesloten die een rechtsgrond biedt voor een dergelijke samenwerking,

25.

ERKENNEND dat de Partijen deze overeenkomst kunnen aanvullen met andere overeenkomsten die een integrerend deel uitmaken van hun algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij deze overeenkomst, en dat de overeenkomst inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling en bescherming van gerubriceerde gegevens als een dergelijke aanvullende overeenkomst wordt gesloten en de uitwisseling van gerubriceerde gegevens tussen de Partijen mogelijk maakt in het kader van deze overeenkomst of andere, aanvullende overeenkomsten,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

DEEL EEN

ALGEMENE EN INSTITUTIONELE BEPALINGEN

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel

Deze overeenkomst legt de grondslag voor uitgebreide betrekkingen tussen de Partijen, binnen een ruimte van welvaart en goed nabuurschap die wordt gekenmerkt door nauwe en vreedzame betrekkingen op basis van samenwerking, met eerbiediging van de autonomie en soevereiniteit van de Partijen.

Artikel 2

Aanvullende overeenkomsten

1.   Indien de Unie en het Verenigd Koninkrijk onderling nog andere bilaterale overeenkomsten sluiten, vormen die overeenkomsten aanvullende overeenkomsten ten opzichte van deze overeenkomst, tenzij in die overeenkomsten anders is bepaald. Dergelijke aanvullende overeenkomsten vormen een integrerend onderdeel van de algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij deze overeenkomst en maken deel uit van het algemene kader.

2.   Lid 1 is ook van toepassing op:

a)

overeenkomsten tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk, anderzijds, en

b)

overeenkomsten tussen de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk, anderzijds.

Artikel 3

Goede trouw

1.   De Partijen bieden elkaar ondersteuning bij de uitvoering van uit deze overeenkomst en eventuele aanvullende overeenkomsten voortvloeiende taken, waarbij zij elkaar ten volle respecteren en te goeder trouw handelen.

2.   Zij nemen alle passende algemene en specifieke maatregelen om de naleving van de uit deze overeenkomst en eventuele aanvullende overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen te garanderen en onthouden zich van maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten in gevaar zouden kunnen brengen.

TITEL II

UITLEGGINGSBEGINSELEN EN DEFINITIES

Artikel 4

Internationaal publiekrecht

1.   De bepalingen van deze overeenkomst en van elke aanvullende overeenkomst worden te goeder trouw uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis ervan in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van de overeenkomst volgens de gebruikelijke regels voor de uitlegging van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke zijn neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969.

2.   Voor alle duidelijkheid: noch deze overeenkomst noch enige aanvullende overeenkomst houdt een verplichting in om de bepalingen ervan in overeenstemming met het interne recht van een van beide Partijen uit te leggen.

3.   Voor alle duidelijkheid: een uitlegging van deze overkomst of van een aanvullende overeenkomst door de rechter van een van beide Partijen is niet bindend voor de rechter van de andere Partij.

Artikel 5

Particuliere rechten

1.   Onverminderd artikel SSC.67 van het Protocol betreffende de coördinatie van de sociale zekerheid en, waar het de Unie betreft, met uitzondering van deel drie van deze overeenkomst, wordt niets in deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten aldus uitgelegd dat daarbij aan personen rechten worden toegekend of verplichtingen worden opgelegd, anders dan die welke tussen de Partijen uit hoofde van internationaal publiekrecht in het leven zijn geroepen, of aldus uitgelegd dat op deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten een rechtstreeks beroep kan worden gedaan binnen de interne rechtsorden van de Partijen.

2.   De Partijen voorzien in hun recht niet in een recht om tegen de andere Partij op te treden op grond van het feit dat de andere Partij in strijd met deze overeenkomst of enige aanvullende overeenkomst heeft gehandeld.

Artikel 6

Definities

1.   Voor de toepassing van deze overeenkomst en eventuele aanvullende overeenkomsten, en tenzij anders bepaald, wordt verstaan onder:

a)

"betrokkene": een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; een identificeerbare persoon is een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator, zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens of een online-identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;

b)

"dag": een kalenderdag;

c)

"lidstaat": een lidstaat van de Europese Unie;

d)

"persoonsgegevens": alle informatie over een betrokkene;

e)

"staat": een lidstaat of het Verenigd Koninkrijk, al naargelang de context;

f)

"grondgebied" van een Partij: het respectieve grondgebied van de onderscheiden Partijen waarop deze overeenkomst overeenkomstig artikel 774 van toepassing is;

g)

"de overgangsperiode": de overgangsperiode waarin artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord voorziet, alsmede

h)

"terugtrekkingsakkoord": het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met inbegrip van de protocollen daarbij.

2.   Verwijzingen naar "Unie", "Partij" of "Partijen" in deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten worden zodanig begrepen dat deze de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie niet omvatten, tenzij anders is bepaald of de context anders vereist.

TITEL III

INSTITUTIONEEL KADER

Artikel 7

Partnerschapsraad

1.   Er wordt een Partnerschapsraad opgericht. Hij is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk. De Partnerschapsraad kan bijeenkomen in verschillende samenstellingen, afhankelijk van de te bespreken aangelegenheden.

2.   De Partnerschapsraad wordt gezamenlijk voorgezeten door een lid van de Europese Commissie en een vertegenwoordiger van de regering van het Verenigd Koninkrijk op ministerieel niveau. Hij komt bijeen op verzoek van de Unie of het Verenigd Koninkrijk en in ieder geval ten minste eenmaal per jaar, en stelt zijn vergaderrooster en agenda in onderlinge overeenstemming vast.

3.   De Partnerschapsraad houdt toezicht op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten. Hij houdt toezicht op en bevordert de uitvoering en de toepassing van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten. Elke Partij kan aangelegenheden betreffende de uitvoering, de toepassing en de uitlegging van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten aan de Partnerschapsraad voorleggen.

4.   De Partnerschapsraad is bevoegd om:

a)

over alle aangelegenheden besluiten vast te stellen wanneer deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten daarin voorzien;

b)

aan de Partijen aanbevelingen te doen omtrent de uitvoering en de toepassing van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten;

c)

besluiten vast te stellen tot wijziging van deze overeenkomst in de gevallen waarin deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten daarin voorzien;

d)

behalve in verband met titel III van deel een, tot het eind van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, besluiten vast te stellen tot wijziging van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten, mits dergelijke wijzigingen nodig zijn om fouten te corrigeren of omissies of andere tekortkomingen te verhelpen;

e)

alle aangelegenheden te bespreken in verband met de gebieden die onder deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten vallen;

f)

sommige van zijn bevoegdheden te delegeren aan het Comité voor het handelspartnerschap of aan een gespecialiseerd comité, met uitzondering van de in punt g) van dit lid bedoelde bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

g)

besluiten vast te stellen tot instelling van gespecialiseerde handelscomités en gespecialiseerde comités, met uitzondering van de in artikel 8, lid 1, bedoelde comités, tot opheffing van eventuele gespecialiseerde handelscomités of gespecialiseerde comités, of tot wijziging van de aan die comités toegewezen taken, alsmede

h)

aan de Partijen aanbevelingen te doen omtrent de doorgifte van persoonsgegevens op specifieke onder deze overeenkomst of aanvullende overeenkomsten vallende gebieden.

5.   Op de werkzaamheden van de Partnerschapsraad is het in bijlage 1 vastgestelde reglement van orde van toepassing. De Partnerschapsraad kan die bijlage wijzigen.

Artikel 8

Comités

1.   De volgende comités worden hierbij ingesteld:

a)

het Comité voor het handelspartnerschap, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek een, titels I tot en met VII, titel VIII, hoofdstuk 4, titels IX tot en met XII, onder deel twee, rubriek zes, en onder bijlage 27;

b)

het Gespecialiseerd Handelscomité voor goederen, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek een, titel I, hoofdstuk 1, en onder deel twee, rubriek een, titel VIII, hoofdstuk 4;

c)

het Gespecialiseerd Handelscomité voor douanesamenwerking en oorsprongsregels, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek een, titel I, hoofdstukken 2 en 5, onder het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken en onder de voorschriften inzake de handhaving door de douane van intellectuele-eigendomsrechten, vergoedingen en heffingen, de douanewaarde en herstelde goederen;

d)

het Gespecialiseerd Handelscomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek een, titel I, hoofdstuk 3;

e)

het Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek een, titel I, hoofdstuk 4, en onder artikel 323;

f)

het Gespecialiseerd Handelscomité voor diensten, investeringen en digitale handel, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek een, titels II tot en met IV, en onder deel twee, rubriek een, titel VIII, hoofdstuk 4;

g)

het Gespecialiseerd Handelscomité voor intellectuele eigendom, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek een, titel V;

h)

het Gespecialiseerd Handelscomité voor overheidsopdrachten, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek een, titel VI;

i)

het Gespecialiseerd Handelscomité voor samenwerking op regelgevingsgebied, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek een, titel X;

j)

het Gespecialiseerd Handelscomité voor een gelijk speelveld voor open en eerlijke concurrentie en duurzame ontwikkeling, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek een, titel XI, en onder bijlage 27;

k)

het Gespecialiseerd Handelscomité voor administratieve samenwerking inzake btw en inning van belastingen en rechten, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder het Protocol betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en betreffende de wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen in verband met belastingen en rechten;

l)

het Gespecialiseerd Comité voor energie,

i)

dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek een, titel VIII, met uitzondering van hoofdstuk 4, artikel 323 en bijlage 27, en

ii)

dat kan overleggen en deskundig advies kan verstrekken aan het betrokken gespecialiseerde handelscomité over aangelegenheden die vallen onder hoofdstuk 4 en artikel 323;

m)

het Gespecialiseerd Comité voor het luchtvervoer, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek twee, titel I;

n)

het Gespecialiseerd Comité voor de veiligheid van de luchtvaart, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek twee, titel II;

o)

het Gespecialiseerd Comité voor het wegvervoer, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek drie;

p)

het Gespecialiseerd Comité voor coördinatie van de sociale zekerheid, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek vier, en onder het Protocol betreffende de coördinatie van de sociale zekerheid;

q)

het Gespecialiseerd Comité voor visserij, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel twee, rubriek vijf;

r)

het Gespecialiseerd Comité voor rechtshandhaving en justitiële samenwerking, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel drie, alsmede

s)

het Gespecialiseerd Comité voor de deelname aan programma's van de Unie, dat aangelegenheden behandelt die vallen onder deel vijf.

2.   Met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met deel twee, rubriek een, titels I tot en met VII, titel VIII, hoofdstuk 4, titels IX tot en met XII, deel twee, rubriek zes en bijlage 27 is het in lid 1 van dit artikel bedoelde Comité voor het handelspartnerschap bevoegd om:

a)

de Partnerschapsraad bij te staan bij de uitvoering van zijn taken, en in het bijzonder aan de Partnerschapsraad verslag uit te brengen en alle door de Partnerschapsraad opgedragen taken uit te voeren;

b)

toe te zien op de uitvoering van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten;

c)

besluiten vast te stellen of aanbevelingen te doen waarin deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten voorzien of indien de bevoegdheid daarvoor door de Partnerschapsraad is gedelegeerd;

d)

toe te zien op de werkzaamheden van de in lid 1 van dit artikel genoemde gespecialiseerde handelscomités;

e)

te zoeken naar de meest geschikte manier om moeilijkheden in verband met de uitlegging en de toepassing van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten te voorkomen of op te lossen, onverminderd deel zes, titel I;

f)

de bevoegdheden uit te oefenen die op grond van artikel 7, lid 4, punt f), door de Partnerschapsraad aan het comité zijn gedelegeerd;

g)

besluiten vast te stellen tot instelling van andere gespecialiseerde handelscomités dan de in lid 1 van dit artikel genoemde comités, tot opheffing van die gespecialiseerde handelscomités, of tot wijziging van de aan die comités toegewezen taken, en

h)

werkgroepen op te richten, te superviseren en te coördineren, of het toezicht erop te delegeren aan een gespecialiseerd handelscomité.

3.   Met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met hun bevoegdheidsgebied, zijn de gespecialiseerde handelscomités bevoegd om:

a)

toezicht te houden op de uitvoering en die uitvoering te evalueren en de goede werking van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten te verzekeren;

b)

het Comité voor het handelspartnerschap bij te staan bij de uitvoering van zijn taken, en in het bijzonder aan het Comité voor het handelspartnerschap verslag uit te brengen en alle door het comité opgedragen taken uit te voeren;

c)

de nodige voorbereidende technische werkzaamheden te verrichten ter ondersteuning van de taken van de Partnerschapsraad en van het Comité voor het handelspartnerschap, onder andere wanneer die organen besluiten moeten vaststellen of aanbevelingen moeten doen;

d)

over alle aangelegenheden besluiten vast te stellen wanneer deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten daarin voorzien;

e)

technische kwesties te bespreken die voortvloeien uit de uitvoering van de overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten, onverminderd deel zes, titel I, alsmede

f)

de Partijen een forum te verschaffen om informatie uit te wisselen, beste praktijken te bespreken en ervaringen met de uitvoering te delen.

4.   Met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met hun bevoegdheidsgebied, zijn de gespecialiseerde comités bevoegd om:

a)

toezicht te houden op de uitvoering en die uitvoering te evalueren en de goede werking van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten te verzekeren;

b)

de Partnerschapsraad bij te staan bij de uitvoering van zijn taken, en in het bijzonder aan de Partnerschapsraad verslag uit te brengen en alle door de Partnerschapsraad opgedragen taken uit te voeren;

c)

besluiten vast te stellen, met inbegrip van wijzigingen, en aanbevelingen te doen over alle aangelegenheden waarin deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten voorzien of waarvoor de Partnerschapsraad zijn bevoegdheden overeenkomstig artikel 7, lid 4, punt f), aan een gespecialiseerd comité heeft gedelegeerd;

d)

technische kwesties te bespreken die voortvloeien uit de uitvoering van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten;

e)

de Partijen een forum te verschaffen om informatie uit te wisselen, beste praktijken te bespreken en ervaringen met de uitvoering te delen;

f)

werkgroepen op te richten, te superviseren en te coördineren, en

g)

een forum voor overleg te verschaffen op grond van artikel 738, lid 7.

5.   De comités zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van elke Partij. Elke Partij zorgt ervoor dat haar respectieve vertegenwoordigers in de comités over de juiste deskundigheid beschikken met betrekking tot de aangelegenheden die worden besproken.

6.   Het Comité voor het handelspartnerschap wordt gezamenlijk voorgezeten door een hooggeplaatste vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk met verantwoordelijkheid op het gebied van handel, of door hen aangewezen personen. Het comité komt bijeen op verzoek van de Unie of het Verenigd Koninkrijk en in ieder geval ten minste eenmaal per jaar, en stelt zijn vergaderrooster en agenda in onderlinge overeenstemming vast.

7.   De gespecialiseerde handelscomités en de gespecialiseerde comités worden gezamenlijk voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk. Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, of tenzij de medevoorzitters anders besluiten, komen zij ten minste eenmaal per jaar bijeen.

8.   De comités stellen hun vergaderrooster en -agenda in onderlinge overeenstemming vast.

9.   Op de werkzaamheden van de comités is het in bijlage 1 vastgestelde reglement van orde van toepassing.

10.   In afwijking van lid 9 kan een comité zijn eigen reglement van orde vaststellen en dat nadien wijzigen.

Artikel 9

Werkgroepen

1.   De volgende comités worden hierbij ingesteld:

a)

de Werkgroep organische producten, onder toezicht van het Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen;

b)

de Werkgroep motorvoertuigen en onderdelen, onder toezicht van het Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen;

c)

de Werkgroep geneesmiddelen, onder toezicht van het Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen;

d)

de Werkgroep coördinatie van de sociale zekerheid, onder toezicht van het Gespecialiseerd Comité voor coördinatie van de sociale zekerheid;

2.   De werkgroepen, die onder toezicht staan van comités, staan de comités bij in de uitvoering van hun taken, en bereiden in het bijzonder de werkzaamheden van de comités voor en voeren alle taken uit die hun door de comités worden opgedragen.

3.   De werkgroepen bestaan uit vertegenwoordigers van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk en worden gezamenlijk voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Unie en een vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk.

4.   De werkgroepen stellen hun reglement van orde en hun vergaderrooster en -agenda in onderlinge overeenstemming vast.

Artikel 10

Besluiten en aanbevelingen

1.   De besluiten die door de Partnerschapsraad of, in voorkomend geval, door een comité worden vastgesteld, zijn bindend voor de Partijen en voor alle bij deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten opgerichte organen, met inbegrip van het scheidsgerecht als bedoeld in deel zes, titel I. Aanbevelingen zijn niet verbindend.

2.   De Partnerschapsraad of, in voorkomend geval, de comités stellen hun besluiten vast en doen aanbevelingen in onderlinge overeenstemming.

Artikel 11

Parlementaire samenwerking

1.   Het Europees Parlement en het parlement van het Verenigd Koninkrijk kunnen een Parlementaire Partnerschapsassemblee oprichten die is samengesteld uit leden van het Europees Parlement en van het parlement van het Verenigd Koninkrijk en als forum dient om standpunten over het partnerschap uit te wisselen.

2.   Bij haar oprichting doet de Parlementaire Partnerschapsassemblee het volgende:

a)

zij kan relevante informatie over de uitvoering van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten opvragen bij de Partnerschapsraad, die de gevraagde informatie aan de assemblee verstrekt;

b)

zij wordt ingelicht over de besluiten en aanbevelingen van de Partnerschapsraad, en

c)

zij kan de Partnerschapsraad aanbevelingen doen.

Artikel 12

Participatie van het maatschappelijk middenveld

De Partijen raadplegen het maatschappelijk middenveld over de uitvoering van deze overeenkomst en eventuele aanvullende overeenkomsten, met name door interactie met de binnenlandse adviesgroepen en het Forum voor het maatschappelijk middenveld als bedoeld in de artikelen 13 en 14.

Artikel 13

Binnenlandse adviesgroepen

1.   Elke Partij raadpleegt over aangelegenheden die vallen onder deze overeenkomst en eventuele aanvullende overeenkomsten, haar nieuwe of bestaande binnenlandse adviesgroep of -groepen die bestaan uit een vertegenwoordiging van onafhankelijke maatschappelijke organisaties, zoals niet-gouvernementele organisaties, bedrijfs-, werkgevers- en werknemersverenigingen, die actief zijn op economisch en sociaal gebied en op het gebied van duurzame ontwikkeling, mensenrechten, milieu en andere aangelegenheden. Elke Partij roept haar binnenlandse adviesgroep of -groepen bijeen in verschillende samenstellingen om de uitvoering van bepalingen van deze overeenkomst of eventuele aanvullende overeenkomsten te bespreken.

2.   Elke Partij houdt rekening met de standpunten of aanbevelingen van haar binnenlandse adviesgroep of -groepen. Vertegenwoordigers van elke Partij streven ernaar ten minste eenmaal per jaar met hun respectieve binnenlandse adviesgroep of -groepen te overleggen. Bijeenkomsten kunnen virtueel plaatsvinden.

3.   Om het publiek bewust te maken van het bestaan van de binnenlandse adviesgroepen, spant elke Partij zich in om de lijst van organisaties die deelnemen aan haar binnenlandse adviesgroep of -groepen en het contactpunt voor die groep of groepen openbaar te maken.

4.   De Partijen bevorderen de interactie tussen hun respectieve binnenlandse adviesgroepen, onder meer door, zo mogelijk, de contactgegevens van de leden van hun binnenlandse adviesgroepen uit te wisselen.

Artikel 14

Forum voor het maatschappelijk middenveld

1.   De Partijen faciliteren het instellen van een Forum voor het maatschappelijk middenveld om een dialoog tot stand te brengen over de uitvoering van deel twee. De Partnerschapsraad stelt operationele richtsnoeren vast voor het functioneren van het forum.

2.   Het Forum voor het maatschappelijk middenveld komt ten minste eenmaal per jaar bijeen, tenzij anders overeengekomen door de Partijen. Bijeenkomsten van het Forum voor het maatschappelijk middenveld kunnen virtueel plaatsvinden.

3.   Het Forum voor het maatschappelijk middenveld staat open voor deelname van onafhankelijke maatschappelijke organisaties die gevestigd zijn op het grondgebied van de Partijen, met inbegrip van leden van de in artikel 13 bedoelde binnenlandse adviesgroepen. Elke Partij zorgt voor een evenwichtige vertegenwoordiging, die niet-gouvernementele organisaties, bedrijfs-, werkgevers- en werknemersverenigingen, die actief zijn op economisch en sociaal gebied en op het gebied van duurzame ontwikkeling, mensenrechten, milieu en andere aangelegenheden omvat.

DEEL TWEE

HANDEL, VERVOER, VISSERIJ EN ANDERE REGELINGEN

RUBRIEK EEN

HANDEL

TITEL I

HANDEL IN GOEDEREN

HOOFDSTUK 1

NATIONALE BEHANDELING EN MARKTTOEGANG VOOR GOEDEREN (MET INBEGRIP VAN HANDELSMAATREGELEN)

Artikel 15

Doel

Dit hoofdstuk heeft tot doel de handel in goederen tussen de Partijen te bevorderen en de geliberaliseerde handel in goederen in stand te houden overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst.

Artikel 16

Toepassingsgebied

Tenzij anders is bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op de handel in goederen van een Partij.

Artikel 17

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)

"consulaire formaliteiten": de procedure om van een consul van de Partij van invoer op het grondgebied van de Partij van uitvoer, of op het grondgebied van een derde partij, een consulaire factuur of een consulair visum voor een handelsfactuur, oorsprongscertificaat, manifest, aangifte ten uitvoer door de verlader, of enig ander douanedocument in verband met de invoer van een goed te verkrijgen;

b)

"Overeenkomst inzake de douanewaarde": de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994;

c)

"procedure voor uitvoervergunningen": administratieve procedure, al dan niet aangeduid met de term 'vergunningverlening', waarvan door een Partij gebruik wordt gemaakt voor de uitvoering van regelingen inzake uitvoervergunningen in het kader waarvan als eerste voorwaarde voor de uitvoer uit die Partij wordt gesteld dat bij de bevoegde administratieve instantie een aanvraag of andere documenten dan die welke in het algemeen voor douaneafhandeling worden benodigd, worden overgelegd;

d)

"procedure voor invoervergunningen": administratieve procedure, al dan niet aangeduid met de term 'vergunningverlening', waarvan door een Partij gebruik wordt gemaakt voor de uitvoering van regelingen inzake invoervergunningen in het kader waarvan als eerste voorwaarde voor de invoer in het grondgebied van de Partij van invoer wordt gesteld dat aan de bevoegde administratieve instantie een aanvraag of andere documenten dan die welke in het algemeen voor douaneafhandeling worden benodigd, worden overgelegd;

e)

"goederen van oorsprong": tenzij anders bepaald, goederen die aan de oorsprongsregels in hoofdstuk 2 van deze titel voldoen;

f)

"prestatievereiste": een vereiste:

i)

dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen dan wel een bepaalde waarde aan goederen wordt uitgevoerd;

ii)

dat ingevoerde goederen door goederen van de Partij die een invoervergunning verleent, worden vervangen;

iii)

dat een persoon waaraan een invoervergunning is verleend, andere goederen koopt op het grondgebied van de Partij die de invoervergunning verleent, of de voorkeur geeft aan intern geproduceerde goederen;

iv)

dat een persoon waaraan een invoervergunning is verleend, goederen produceert op het grondgebied van de Partij die de invoervergunning verleent, waarbij een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen dan wel een bepaalde waarde aan goederen interne goederen moet betreffen, of

v)

die in welke vorm dan ook is gekoppeld aan de omvang of de waarde van de invoer, aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoogte van de in- of uitstroom van deviezen;

g)

"gereviseerd goed": een goed dat is ingedeeld onder de hoofdstukken 32, 40, 84 tot en met 90, 94 of 95 van het GS en dat:

i)

geheel of gedeeltelijk bestaat uit onderdelen die zijn verkregen uit gebruikte goederen;

ii)

een met die goederen, indien nieuw, vergelijkbare levensduur heeft en met die goederen, indien nieuw, vergelijkbare prestaties levert, en

iii)

waarvoor een garantie is afgegeven die equivalent is aan die welke voor die goederen, indien nieuw, geldt; en

h)

"reparatie": elke bewerking ten aanzien van een goed die of ten doel heeft een gebrekkige werking of materiële schade te herstellen zodat de oorspronkelijke functie ervan wordt hersteld, of ervoor zorgt dat het goed aan de technische eisen voor gebruik ervan voldoet. Reparatie van een goed omvat herstel en onderhoud, met een mogelijke waardestijging van het goed als gevolg van het herstellen van de oorspronkelijke functionaliteit van dat goed, maar omvat geen bewerkingen of verwerkingen waardoor:

i)

de wezenlijke kenmerken van een goed teniet worden gedaan, of een nieuw of commercieel verschillend goed ontstaat;

ii)

een onafgewerkt goed in een afgewerkt goed wordt getransformeerd; of

iii)

de technische prestaties van een goed worden verbeterd of vergroot.

Artikel 18

Indeling van goederen

De indeling van goederen in het handelsverkeer tussen de Partijen in het kader van deze overeenkomst gebeurt volgens de respectieve tariefnomenclatuur van elke Partij, in overeenstemming met het geharmoniseerd systeem.

Artikel 19

Nationale behandeling op gebied van interne belastingen en regelgeving

Elke Partij kent ten aanzien van de goederen van de andere Partij nationale behandeling toe in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij. Daartoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken zij daar integrerend deel van uit.

Artikel 20

Vrijheid van doorvoer

Elke Partij verleent vrijheid van doorvoer over haar grondgebied, via de routes die het meest geschikt zijn voor internationale doorvoer, voor doorvoer naar of van het grondgebied van de andere Partij of van enig ander derde land. Daartoe worden artikel V van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken zij daar integrerend deel van uit. De Partijen zijn het erover eens dat artikel V van de GATT 1994 het verkeer van energiegoederen omvat via onder meer pijpleidingen of elektriciteitsnetten.

Artikel 21

Verbod van douanerechten

Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, zijn douanerechten op alle goederen van oorsprong uit de andere Partij verboden.

Artikel 22

Uitvoerrechten, uitvoerbelastingen of andere uitvoerheffingen

1.   Een Partij mag geen rechten, belastingen of andere heffingen van welke aard ook ter zake van of in verband met de uitvoer van een goed naar de andere Partij vaststellen of handhaven, en evenmin interne belastingen of andere heffingen ter zake van goederen die naar de andere Partij worden uitgevoerd die hoger zijn dan de belasting of heffing die op soortgelijke voor binnenlands verbruik bestemde goederen zou worden geheven.

2.   Voor de toepassing van dit artikel omvat de uitdrukking "andere heffingen van welke aard ook" geen retributies of andere heffingen die zijn toegestaan uit hoofde van artikel 23.

Artikel 23

Retributies en formaliteiten

1.   Retributies en andere heffingen die door een Partij worden opgelegd ter zake van of in verband met de in- of uitvoer van een goed van de andere Partij, blijven beperkt tot het bedrag bij benadering van de kosten van de verleende diensten, en mogen geen indirecte bescherming van binnenlandse goederen of een belasting op de in- of uitvoer voor fiscale doeleinden inhouden. Een Partij mag geen retributies of andere heffingen ter zake van of in verband met de in- of uitvoer op een ad-valorembasis opleggen.

2.   Elke Partij mag alleen heffingen opleggen of kosten terugvorderen indien specifieke diensten worden verleend, met name, maar niet uitsluitend:

a)

de aanwezigheid, op verzoek, van douanepersoneel buiten de officiële kantooruren of op een andere plaats dan op een douanekantoor;

b)

analyses of deskundigenverslagen van goederen en portokosten voor het retourneren van goederen aan een aanvrager, met name bij beschikkingen betreffende bindende inlichtingen of het verstrekken van inlichtingen over de toepassing van de douanewet- en regelgeving;

c)

het onderzoek of de monsterneming van goederen voor controledoeleinden, of de vernietiging van goederen, indien andere kosten dan die voor de inzet van douanepersoneel zijn gemaakt, en

d)

uitzonderlijke controlemaatregelen, indien de aard van de goederen of een potentieel risico zulks vereisen.

3.   Elke Partij maakt onverwijld alle retributies en heffingen die zij in verband met de invoer of de uitvoer aanrekent, bekend via een officiële website, op zodanige wijze dat overheden, handelaren en andere belanghebbenden daarvan kennis kunnen nemen. Die informatie omvat de reden voor de retributie of de heffing ter zake van de verleende dienst, de verantwoordelijke autoriteit, de retributies en heffingen die zullen worden toegepast, en het tijdstip en de wijze waarop de betaling moet worden verricht. Nieuwe of gewijzigde retributies en heffingen worden niet opgelegd totdat informatie overeenkomstig dit lid bekend is gemaakt en gemakkelijk beschikbaar is.

4.   Een Partij legt in verband met de invoer van goederen van de andere Partij geen consulaire formaliteiten, waaronder retributies en heffingen, op.

Artikel 24

Gerepareerde goederen

1.   Een Partij past geen douanerecht toe op goederen die, ongeacht de oorsprong ervan, het grondgebied van de Partij opnieuw binnenkomen nadat die goederen tijdelijk uit haar grondgebied naar het grondgebied van de andere Partij zijn uitgevoerd voor reparatie.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op goederen die zijn geplaatst in een douane-entrepot, een vrijhandelszone of een soortgelijk instituut, en vandaaruit worden uitgevoerd ter reparatie en niet opnieuw worden geplaatst in een douane-entrepot, een vrijhandelszone of een soortgelijk instituut.

3.   Een Partij past geen douanerechten toe op goederen, ongeacht de oorsprong ervan, die ter reparatie tijdelijk uit het gebied van de andere Partij worden ingevoerd.

Artikel 25

Gereviseerde goederen

1.   Een Partij kent aan gereviseerde goederen van de andere Partij geen minder gunstige behandeling toe dan die welke zij aan soortgelijke nieuwe goederen toekent.

2.   Artikel 26 is van toepassing op invoer- en uitvoerverboden of invoer- en uitvoerbeperkingen met betrekking tot gereviseerde goederen. Indien een Partij invoer- en uitvoerverboden of invoer- en uitvoerbeperkingen instelt of handhaaft met betrekking tot gebruikte goederen, past zij die maatregelen niet toe op gereviseerde goederen.

3.   Een Partij kan eisen dat gereviseerde goederen als zodanig worden geïdentificeerd voor distributie of verkoop op haar grondgebied en dat zij voldoen aan alle toepasselijke technische voorschriften die van toepassing zijn op gelijkaardige nieuwe goederen.

Artikel 26

In- en uitvoerbeperkingen

1.   Een Partij voert geen verboden of beperkingen in en handhaaft die evenmin ter zake van de invoer van een goed van de andere Partij of van de uitvoer of verkoop voor uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere Partij is bestemd, tenzij dat in overeenstemming is met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij. Daartoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken zij daar integrerend deel van uit.

2.   Een Partij mag niet overgaan tot de vaststelling of handhaving van:

a)

vereisten inzake uitvoer- en invoerprijzen, behalve voor zover toegestaan in het kader van de tenuitvoerlegging van beslissingen en verbintenissen inzake compenserende rechten en antidumpingrechten, of

b)

invoervergunningverlening waaraan de voorwaarde is verbonden dat aan een prestatievereiste wordt voldaan.

Artikel 27

Invoer- en uitvoermonopolies

Een Partij wijst geen invoer- of uitvoermonopolies aan noch handhaaft deze. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder invoer- of uitvoermonopolie verstaan het exclusieve recht of de exclusieve verlening van een machtiging door een Partij aan een entiteit om een goed uit de andere Partij in te voeren of naar de andere Partij uit te voeren.

Artikel 28

Invoervergunningsprocedures

1.   Elke Partij ziet erop toe dat alle invoervergunningsprocedures die van toepassing zijn op de handel in goederen tussen de Partijen, wat de toepassing ervan betreft neutraal zijn en op een eerlijke, billijke, niet-discriminerende en transparante wijze worden beheerd.

2.   Vergunningsprocedures worden door een Partij alleen ingesteld of gehandhaafd als voorwaarde voor invoer in haar grondgebied uit het grondgebied van de andere Partij, als er voor het bereiken van een administratief doel redelijkerwijs geen andere passende procedures beschikbaar zijn.

3.   Een Partij stelt geen niet-automatische invoervergunningsprocedures in en handhaaft die evenmin, tenzij dat noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van een maatregel die strookt met deze overeenkomst. Een Partij die een dergelijke niet-automatische invoervergunningsprocedure vaststelt, vermeldt duidelijk de maatregel die met die procedure ten uitvoer wordt gelegd.

4.   Elke Partij voert invoervergunningsprocedures in en beheert die in overeenstemming met de artikelen 1 tot en met 3 van de WTO-Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen (hierna "de Overeenkomst inzake invoervergunningen" genoemd). Daartoe worden de artikelen 1 tot en met 3 van de Overeenkomst inzake invoervergunningen mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken zij daar integrerend deel van uit.

5.   Elke Partij die een invoervergunningsprocedure invoert of wijzigt, stelt alle relevante informatie online beschikbaar op een officiële website. Die informatie wordt, indien uitvoerbaar, ten minste 21 dagen vóór de datum van toepassing van de nieuwe of gewijzigde vergunningsprocedure beschikbaar gesteld, en in geen geval later dan de datum van de aanvraag. Die informatie omvat de gegevens die vereist zijn uit hoofde van artikel 5 van de Overeenkomst inzake invoervergunningen.

6.   Op verzoek van de andere Partij verstrekt een Partij onverwijld alle desbetreffende informatie over invoervergunningsprocedures die zij voornemens is vast te stellen of die zij handhaaft, met inbegrip van de in de artikelen 1 tot en met 3 van de Overeenkomst inzake invoervergunningen bedoelde informatie.

7.   Voor alle duidelijkheid: niets in dit artikel verplicht een Partij een invoervergunning te verlenen of belet een Partij haar verplichtingen of verbintenissen uit hoofde van resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of multilaterale regelingen inzake non-proliferatie- en invoercontrole na te komen.

Artikel 29

Uitvoervergunningsprocedures

1.   Elke Partij maakt nieuwe uitvoervergunningsprocedures of enige wijziging van een bestaande uitvoervergunningsprocedure op zodanige wijze bekend dat overheden, handelaren en andere belanghebbenden daarvan kennis kunnen nemen. Die bekendmaking vindt, voor zover uitvoerbaar, plaats 45 dagen voordat de procedure of wijziging van kracht wordt, en in elk geval uiterlijk op de datum waarop die procedure of wijziging van kracht wordt en, indien van toepassing, vindt bekendmaking plaats op overheidswebsites ter zake.

2.   De bekendmaking van uitvoervergunningsprocedures omvat de volgende informatie:

a)

de tekst van de uitvoervergunningsprocedures van de Partij of van de wijzigingen die zij in die procedures aanbrengt;

b)

de goederen waarop elke vergunningsprocedure betrekking heeft;

c)

voor elke procedure, een beschrijving van de procedure voor het aanvragen van een vergunning en alle criteria waaraan een aanvrager moet voldoen om een vergunning te kunnen aanvragen, zoals het bezitten van een activiteitenvergunning, het opzetten of handhaven van een investering of het actief zijn via een bepaalde vorm van vestiging op het grondgebied van een Partij;

d)

een contactpunt of contactpunten waar belanghebbenden nadere inlichtingen kunnen verkrijgen over de voorwaarden voor het verkrijgen van een uitvoervergunning;

e)

het administratieve orgaan of de administratieve organen waarbij een aanvraag of andere relevante documenten moeten worden ingediend;

f)

een beschrijving van de maatregel of maatregelen die in het kader van de uitvoervergunningsprocedure ten uitvoer worden gelegd;

g)

de periode waarin elke uitvoervergunningsprocedure van kracht zal zijn, tenzij de procedure van kracht blijft tot de intrekking of herziening ervan in een nieuwe bekendmaking;

h)

als de Partij voornemens is van een vergunningsprocedure gebruik te maken voor het beheer van een uitvoercontingent, de totale omvang, en indien van toepassing, de waarde van het contingent alsmede de openings- en sluitingsdata van het contingent, en

i)

alle vrijstellingen of uitzonderingen die in de plaats komen van het vereiste een uitvoervergunning te verkrijgen, hoe die vrijstellingen of uitzonderingen kunnen worden aangevraagd of gebruikt, en de criteria voor het verlenen of toekennen ervan.

3.   Binnen 45 dagen na de inwerkingtreding van deze overeenkomst stelt elke Partij de andere Partij in kennis van haar bestaande uitvoervergunningsprocedures. Elke Partij stelt de andere Partij binnen 60 dagen na bekendmaking in kennis van nieuwe uitvoervergunningsprocedures en van wijzigingen in bestaande uitvoervergunningsprocedures. De kennisgeving omvat een verwijzing naar de bronnen waar de op grond van lid 2 vereiste informatie wordt bekendgemaakt en, indien van toepassing, het adres van de desbetreffende overheidswebsites.

4.   Voor alle duidelijkheid: niets in dit artikel verplicht een Partij een uitvoervergunning af te geven, of belet een Partij haar verbintenissen uit te voeren uit hoofde van resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, multilaterale regelingen inzake non-proliferatie en uitvoercontrole, waaronder het Wassenaar Arrangement betreffende de op de uitvoer van conventionele wapens en van goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, de Australiëgroep, de Groep van Nucleaire Exportlanden en het controleregime voor de uitvoer van rakettechnologie en -onderdelen (Missile Technology Control Regime – MTCR), of onafhankelijke sanctieregelingen vast te stellen, te handhaven of uit te voeren.

Artikel 30

Douanewaarde

Elke Partij bepaalt de douanewaarde van de goederen van de andere Partij die op haar grondgebied worden ingevoerd overeenkomstig artikel VII van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake de douanewaarde. Daartoe worden artikel VII van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij, en de artikelen 1 tot en met 17 van de Overeenkomst inzake de douanewaarde, met inbegrip van de aantekeningen voor de interpretatie, mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken zij daar integrerend deel van uit.

Artikel 31

Preferentiegebruik

1.   In het kader van het toezicht op de werking van deze overeenkomst en de berekening van het preferentiegebruik wisselen de Partijen jaarlijks invoerstatistieken uit voor een periode van 10 jaar die één jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst aanvangt. Tenzij het Comité voor het handelspartnerschap anders besluit, wordt die periode automatisch met vijf jaar verlengd, waarna het Comité voor het handelspartnerschap kan besluiten de termijn verder te verlengen.

2.   De uitwisseling van invoerstatistieken heeft betrekking op gegevens over het meest recente beschikbare jaar, met inbegrip van de waarde en, indien van toepassing, het volume, op het niveau van de tariefpost, voor de invoer van goederen van de andere Partij waaraan in het kader van deze overeenkomst een preferentiële-rechtenbehandeling wordt toegekend en voor goederen waaraan geen preferentiële behandeling wordt toegekend.

Artikel 32

Handelsmaatregelen

1.   De Partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van artikel VI van de GATT 1994, de Antidumpingovereenkomst, de SCM-Overeenkomst, artikel XIX van de GATT 1994, de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw.

2.   Hoofdstuk 2 van deze titel is niet van toepassing op antidumping-, compenserende en vrijwaringsonderzoeken en -maatregelen.

3.   Elke Partij past antidumping- en compenserende maatregelen toe in overeenstemming met de vereisten van de Antidumpingovereenkomst en de SCM-overeenkomst, en op grond van een eerlijke en transparante procedure.

4.   Voor zover zulks niet tot onnodige vertraging van het onderzoek leidt, krijgt elke belanghebbende in een antidumping- of antisubsidieonderzoek (1) ten volle gelegenheid zijn belangen te verdedigen.

5.   De onderzoekende autoriteit van elke Partij kan, in overeenstemming met het recht van die Partij, overwegen of het bedrag van het in te stellen antidumpingrecht de volledige dumpingmarge zal betreffen, dan wel een lager bedrag.

6.   De onderzoeksautoriteiten van elke Partij houden rekening, in overeenstemming met het interne recht van de Partij, met verstrekte informatie op grond waarvan de instelling van een antidumping- of compenserend recht niet in het algemeen belang zou zijn.

7.   Een Partij past noch toe noch handhaaft met betrekking tot hetzelfde goed tegelijkertijd:

a)

een maatregel op grond van artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw, en

b)

een maatregel op grond van artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen.

8.   Titel I van deel zes is niet van toepassing op de leden 1 tot en met 6 van dit artikel.

Artikel 33

Gebruik van bestaande WTO-tariefcontingenten

1.   Producten van oorsprong uit een Partij komen niet in aanmerking voor invoer in de andere Partij in het kader van bestaande WTO-tariefcontingenten als omschreven in lid 2. Dit omvat de tariefcontingenten die tussen de Partijen worden verdeeld overeenkomstig GATT-onderhandelingen op grond van artikel XXVIII van de GATT die door de Europese Unie zijn geïnitieerd in WTO-document G/SECRET/42/Add.2 en door het Verenigd Koninkrijk in WTO-document G/SECRET/44 en zoals bepaald in de respectieve interne wetgeving van elke Partij. Voor de toepassing van dit artikel wordt de oorsprongsstatus van de goederen vastgesteld aan de hand van de niet-preferentiële oorsprongsregels die in de Partij van invoer van toepassing zijn.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt onder "bestaande WTO-tariefcontingenten" verstaan de tariefcontingenten die WTO-concessies van de Europese Unie zijn en die zijn opgenomen in de EU-28-ontwerplijst van concessies en verbintenissen in het kader van de GATT 1994, bij de WTO ingediend in document G/MA/TAR/RS/506, als gewijzigd bij de documenten G/MA/TAR/RS/506/Add.1 en G/MA/TAR/RS/506/Add.2.

Artikel 34

Maatregelen in geval van inbreuken op of ontwijken van douanewetgeving

1.   De Partijen werken samen bij het voorkomen, opsporen en bestrijden van inbreuken op of ontwijkingen van de douanewetgeving, overeenkomstig hun verplichtingen uit hoofde van hoofdstuk 2 van deze titel en het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken. Elke Partij neemt passende en vergelijkbare maatregelen om haar eigen financiële belangen en de financiële belangen van de andere Partij te beschermen met betrekking tot de heffing van rechten op goederen die het douanegebied van het Verenigd Koninkrijk of de Unie binnenkomen.

2.   Met inachtneming van de mogelijkheid van vrijstelling voor handelaren die aan de voorschriften voldoen uit hoofde van lid 7, kan een Partij de desbetreffende preferentiële behandeling van het betrokken product of van de betrokken producten overeenkomstig de procedure van de leden 3 en 4 tijdelijk schorsen indien:

a)

die Partij op basis van objectieve, dwingende en verifieerbare informatie tot de bevinding is gekomen dat er sprake is van systematische en grootschalige inbreuken op of ontwijkingen van de douanewetgeving, en

b)

de andere Partij herhaaldelijk en ongerechtvaardigd weigert de in lid 1 bedoelde verplichtingen na te komen of die anderszins niet nakomt.

3.   De Partij die tot een in lid 2 bedoelde bevinding is gekomen, stelt het Comité voor het handelspartnerschap daarvan in kennis en treedt in het kader van het Comité met de andere Partij in overleg om tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen.

4.   Indien de Partijen binnen drie maanden na de datum van kennisgeving geen overeenstemming bereiken over een wederzijds aanvaardbare oplossing, kan de Partij die tot de bevinding is gekomen, besluiten de desbetreffende preferentiële behandeling van het betrokken product of de betrokken producten tijdelijk te schorsen. In dat geval stelt de Partij die de bevinding heeft gedaan, het Comité voor het handelspartnerschap onverwijld in kennis van de tijdelijke schorsing, met inbegrip van de periode waarin zij voornemens is de tijdelijke schorsing toe te passen.

5.   De tijdelijke schorsing geldt slechts voor de periode die nodig is om de inbreuken of ontwijkingen tegen te gaan en de financiële belangen van de betrokken Partij te beschermen, en in geen geval langer dan zes maanden. De betrokken Partij houdt toezicht op de situatie en, indien zij besluit dat de tijdelijke schorsing niet langer nodig is, beëindigt zij die vóór het einde van de periode waarvan het Comité voor het handelspartnerschap in kennis is gesteld. Indien de omstandigheden die tot de schorsing hebben geleid, blijven bestaan bij het verstrijken van de periode waarvan het Comité voor het handelspartnerschap in kennis is gesteld, kan de betrokken Partij besluiten de schorsing te verlengen. Elke schorsing is voorwerp van periodiek overleg binnen het Comité voor het handelspartnerschap.

6.   Elke Partij maakt overeenkomstig haar interne procedures berichten aan importeurs betreffende besluiten met betrekking tot de in de leden 4 en 5 bedoelde tijdelijke schorsingen bekend.

7.   Niettegenstaande lid 4 staat de Partij van invoer, indien een importeur ten genoegen van de invoerende douaneautoriteit kan aantonen dat die producten volledig in overeenstemming zijn met de douanewetgeving van de Partij van invoer, de vereisten van deze overeenkomst en alle andere passende voorwaarden in verband met de tijdelijke schorsing die door de Partij van invoer overeenkomstig haar wet- en regelgeving zijn vastgesteld, de importeur toe een preferentiële behandeling aan te vragen en alle rechten terug te vorderen voor zover de betaling daarvan de bij de invoer van de producten de geldende preferentiële tarieven te boven is gegaan.

Artikel 35

Handelwijze bij administratieve fouten

In geval van systematische fouten van de bevoegde autoriteiten of kwesties die betrekking hebben op het juiste beheer van het preferentiële stelsel bij uitvoer, met name bij de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 2 van deze titel of het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, en indien die fouten of kwesties gevolgen hebben op het gebied van invoerrechten, kan de Partij die met dergelijke gevolgen wordt geconfronteerd, het Comité voor het handelspartnerschap verzoeken na te gaan of er in voorkomend geval besluiten kunnen worden genomen om de situatie op te lossen.

Artikel 36

Cultuurgoederen

1.   De Partijen werken samen bij het faciliteren van de terugkeer van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een Partij zijn gebracht, met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in de op 17 november 1970 te Parijs ondertekende Unesco-Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen.

2.   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)

"cultuurgoed": een goed dat volgens de respectieve regels en procedures van elke Partij is ingedeeld of omschreven als behorend tot het nationaal artistiek, historisch of archeologisch bezit, en

b)

"op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een Partij gebracht":

i)

op of na 1 januari 1993 buiten het grondgebied van een Partij gebracht, in strijd met wetgeving van die Partij betreffende de bescherming van nationaal bezit, of in strijd met haar voorschriften inzake de uitvoer van cultuurgoederen; of

ii)

niet teruggegeven na het verstrijken van een periode van rechtmatige tijdelijke verplaatsing of enige schending van een andere voorwaarde die aan die tijdelijke verplaatsing verbonden was, op of na 1 januari 1993.

3.   De bevoegde autoriteiten van de Partijen werken met name samen door:

a)

kennisgeving aan de andere Partij wanneer een cultuurgoed op hun grondgebied wordt aangetroffen en er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het cultuurgoed op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van de andere Partij is gebracht;

b)

behandeling van verzoeken van de andere Partij om teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van die Partij zijn gebracht;

c)

voorkoming, door middel van alle noodzakelijke tussentijdse maatregelen, van handelingen om zich aan de teruggave van dergelijke cultuurgoederen te onttrekken, en

d)

het nemen van alle nodige maatregelen voor het materiële behoud van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van de andere Partij zijn gebracht.

4.   Elke Partij wijst een contactpunt aan dat verantwoordelijk is voor de communicatie met het contactpunt van de andere Partij over zich in verband met dit artikel voordoende aangelegenheden, onder meer met betrekking tot de in lid 3, punten a) en b), bedoelde kennisgevingen en verzoeken.

5.   Bij de beoogde samenwerking tussen de Partijen worden indien van toepassing en indien noodzakelijk de douaneautoriteiten van de Partijen betrokken die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de procedures voor uitvoer van cultuurgoederen.

6.   Titel I van deel zes is niet van toepassing op dit artikel.

HOOFDSTUK 2

OORSPRONGSREGELS

AFDELING 1

OORSPRONGSREGELS

Artikel 37

Doel

Dit hoofdstuk heeft tot doel de bepalingen vast te stellen tot bepaling van de oorsprong van goederen met het oog op de toepassing van preferentiële tariefbehandeling in het kader van deze overeenkomst, en de daarmee verband houdende oorsprongsprocedures vast te leggen.

Artikel 38

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)

"indeling": de indeling van een product of materiaal onder een bepaald hoofdstuk, onder een bepaalde post of postonderverdeling van het geharmoniseerd systeem;

b)

"zending": producten die gelijktijdig van één exporteur naar één geadresseerde worden verzonden of die vergezeld gaan van één enkel vervoersdocument voor de verzending van de exporteur naar de geadresseerde, of bij gebreke daarvan, van één enkele factuur;

c)

"exporteur": een in een Partij gevestigde persoon die overeenkomstig de voorschriften van de wet- en regelgeving van die Partij het product van oorsprong uitvoert of produceert en een attest van oorsprong opstelt;

d)

"importeur": een persoon die het product van oorsprong invoert en daarvoor om preferentiële tariefbehandeling verzoekt;

e)

"materiaal": elke stof die wordt gebruikt bij de productie van een product, met inbegrip van alle bestanddelen, ingrediënten, grondstoffen of onderdelen;

f)

"niet van oorsprong zijnd materiaal": materiaal dat uit hoofde van dit hoofdstuk niet als van oorsprong wordt aangemerkt, met inbegrip van materiaal waarvan de oorsprongsstatus niet kan worden bepaald;

g)

"product": het product dat het voortbrengsel is van de productie, zelfs indien het is bedoeld om als materiaal bij de productie van een ander product te worden gebruikt;

h)

"productie": elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage.

Artikel 39

Algemene vereisten

1.   Voor de toepassing door een Partij van de preferentiële tariefbehandeling op het goed van oorsprong van de andere Partij overeenkomstig deze overeenkomst, worden de volgende producten, op voorwaarde dat zij voldoen aan alle andere toepasselijke vereisten van dit hoofdstuk, beschouwd als van oorsprong uit de andere Partij:

a)

volledig in die Partij verkregen producten in de zin van artikel 41;

b)

in die Partij vervaardigde producten waarin uitsluitend materialen van oorsprong uit die Partij zijn verwerkt, en

c)

in die Partij vervaardigde producten waarin niet van oorsprong zijnde materialen zijn verwerkt voor zover zij voldoen aan de eisen van bijlage 3.

2.   Als een product de oorsprongsstatus heeft verkregen, worden de niet van oorsprong zijnde materialen die zijn gebruikt bij de productie van dat product niet als niet van oorsprong beschouwd wanneer dat product als materiaal in een ander product wordt verwerkt.

3.   De verkrijging van de oorsprongsstatus wordt zonder onderbreking afgehandeld in het Verenigd Koninkrijk of de Unie.

Artikel 40

Cumulatie van oorsprong

1.   Een product van oorsprong uit een Partij wordt beschouwd als van oorsprong uit de andere Partij wanneer dat product als materiaal bij de productie van een ander product in die andere Partij wordt gebruikt.

2.   Om te bepalen of een product van oorsprong is uit de andere Partij, kan rekening worden gehouden met de productie die in een Partij is uitgevoerd op een niet van oorsprong zijnd materiaal.

3.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de in de andere Partij uitgevoerde productie niet ingrijpender is dan de in artikel 43 bedoelde behandelingen.

4.   Om het in artikel 54, lid 2, punt a), bedoelde attest van oorsprong te kunnen invullen voor een in lid 2 van dit artikel bedoeld product, vraagt de exporteur zijn leverancier om een leveranciersverklaring als bedoeld in bijlage 6 of een gelijkwaardig document met dezelfde informatie, waarin de niet van oorsprong zijnde materialen voldoende duidelijk zijn omschreven om die te kunnen identificeren.

Artikel 41

Volledig verkregen producten

1.   De volgende producten worden beschouwd als volledig in een Partij verkregen:

a)

uit haar ondergrond of zeebodem gewonnen of ontnomen minerale producten;

b)

aldaar gekweekte of geoogste planten en producten van het plantenrijk;

c)

aldaar geboren en opgefokte levende dieren;

d)

producten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren;

e)

producten afkomstig van aldaar geboren en opgefokte geslachte dieren;

f)

producten afkomstig van aldaar bedreven jacht en visserij;

g)

producten afkomstig van aquacultuur aldaar, indien aquatische organismen, met inbegrip van vis, weekdieren, schaaldieren, andere ongewervelde waterdieren en waterplanten zijn geboren of opgefokt uit uitgangsmateriaal zoals eieren, hom en kuit, visbroed, pootvis, larven, parr, smolts of andere niet-volwassen vis in een postlarvaal stadium, door ingrepen in het kweek- en groeiproces teneinde de productie te vergroten, zoals het uitzetten, voeren, of beschermen tegen predatoren;

h)

producten van de zeevisserij en andere buiten een territoriale zee door een vaartuig van een Partij uit de zee gewonnen producten;

i)

producten die, uitsluitend uit de in punt h) bedoelde producten, aan boord van een fabrieksschip van een Partij zijn vervaardigd;

j)

producten die buiten een territoriale zee uit de zeebodem of ondergrond worden gewonnen, voor zover zij rechten hebben die zeebodem of ondergrond te exploiteren of te bewerken;

k)

resten of afval afkomstig van aldaar verrichte productiehandelingen;

l)

resten of afval van gebruikte producten aldaar verzameld, voor zover die producten alleen nog voor de terugwinning van grondstoffen kunnen worden gebruikt;

m)

producten die aldaar uitsluitend uit de in de punten a) tot en met l) bedoelde producten zijn vervaardigd.

2.   Onder "vaartuig van een Partij" respectievelijk "fabrieksschip van een Partij" in lid 1, punten h) en i), wordt verstaan een vaartuig respectievelijk fabrieksschip dat:

a)

in een lidstaat of in het Verenigd Koninkrijk is geregistreerd;

b)

onder de vlag van een lidstaat of van het Verenigd Koninkrijk vaart, en

c)

aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

i)

het is ten minste voor 50 % eigendom van onderdanen van een lidstaat of van het Verenigd Koninkrijk; of

ii)

het is eigendom van rechtspersonen die elk:

A)

hun hoofdkantoor en hun belangrijkste economische activiteit in de Unie of het Verenigd Koninkrijk hebben, en

B)

voor ten minste 50 % in handen zijn van publieke entiteiten, onderdanen of rechtspersonen van een lidstaat of het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 42

Toleranties

1.   Wanneer een product niet aan de vereisten van bijlage 3 voldoet wegens het gebruik van een niet van oorsprong zijnd materiaal bij de productie ervan, wordt dat product toch als van oorsprong uit een Partij beschouwd op voorwaarde dat:

a)

het totale gewicht van de niet van oorsprong zijnde materialen die zijn gebruikt bij de productie van producten die zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 2 en 4 tot en met 24 van het geharmoniseerd systeem, andere dan de verwerkte visserijproducten die zijn ingedeeld onder hoofdstuk 16, niet hoger is dan 15 % van het gewicht van het product;

b)

de totale waarde van alle niet van oorsprong zijnde materialen voor alle andere producten, met uitzondering van onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem ingedeelde producten, niet meer dan 10 % van de prijs af fabriek van het product bedraagt; of

c)

voor een product dat is ingedeeld onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem, de toleranties gelden die zijn vastgesteld in de aantekeningen 7 en 8 van bijlage 2.

2.   Lid 1 is niet van toepassing wanneer de waarde of het gewicht van de bij de productie van een product gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen hoger is dan een van de in bijlage 3 voorgeschreven percentages voor de maximumwaarde of het maximumgewicht van niet van oorsprong zijnde materialen.

3.   Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op volledig in een Partij verkregen producten in de zin van artikel 41. Indien op grond van bijlage 3 is vereist dat de bij de productie van een product gebruikte materialen volledig zijn verkregen, zijn de leden 1 en 2 van dit artikel van toepassing.

Artikel 43

Ontoereikende productie

1.   Niettegenstaande artikel 39, lid 1, punt c), wordt een product niet als van oorsprong uit een Partij beschouwd indien de productie van het product in een Partij slechts bestaat in een of meer van de volgende behandelingen ten aanzien van niet van oorsprong zijnde materialen:

a)

conserveerbehandelingen zoals drogen, invriezen, pekelen en andere soortgelijke behandelingen die uitsluitend bedoeld zijn om ervoor te zorgen dat de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat blijven (2);

b)

het splitsen of samenvoegen van colli;

c)

het wassen of schoonmaken; verwijderen van stof, roest, olie, verf of dergelijke;

d)

het strijken of persen van textielstoffen en textielwaren;

e)

het eenvoudig schilderen en polijsten;

f)

het ontvliezen of doppen en geheel of gedeeltelijk vermalen van rijst; het polijsten en glanzen van granen en rijst; het bleken van rijst;

g)

het kleuren of aromatiseren van suiker of vormen van suikerklonten; het geheel of gedeeltelijk vermalen van suiker in vaste vorm;

h)

het pellen, ontpitten of schillen van vruchten, noten en groenten;

i)

het aanscherpen, eenvoudig vermalen of eenvoudig versnijden;

j)

het zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van stellen of assortimenten van artikelen);

k)

het eenvoudig plaatsen in flessen, blikken, flacons, zakken, kratten of dozen, het bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de verpakkingen;

l)

het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;

m)

het eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten; het mengen van suiker met enige stof;

n)

het eenvoudig toevoegen van water of het verdunnen met water of een andere stof die de kenmerken van het product niet wezenlijk wijzigt, drogen of denatureren van producten;

o)

het eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel en het uit elkaar nemen van producten in onderdelen;

p)

het slachten van dieren.

2.   Voor de toepassing van lid 1 worden behandelingen als eenvoudig beschouwd wanneer voor het uitvoeren daarvan geen bijzondere vaardigheden noch speciaal daarvoor gemaakte of geïnstalleerde machines, toestellen of uitrustingsstukken nodig zijn.

Artikel 44

In aanmerking te nemen eenheid

1.   De voor de toepassing van dit hoofdstuk in aanmerking te nemen eenheid is het product dat bij de indeling van het product in het geharmoniseerd systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

2.   Wanneer een zending bestaat uit een aantal identieke producten die onder dezelfde post van het geharmoniseerd systeem worden ingedeeld, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk op elk van die producten op zich beschouwd van toepassing.

Artikel 45

Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen voor verzending

Bij de bepaling van de oorsprongsstatus van een product wordt geen rekening gehouden met het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen voor verzending die worden gebruikt ter bescherming van een product tijdens het vervoer.

Artikel 46

Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen voor detailhandelsverkoop

Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen waarin het product is verpakt voor detailhandelsverkoop, indien zij samen met het product zijn ingedeeld, worden bij het bepalen van de oorsprong van het product buiten beschouwing gelaten, behalve wat de berekening van de waarde van niet van oorsprong zijnde materialen betreft indien voor het product een maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen overeenkomstig bijlage 3 geldt.

Artikel 47

Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

1.   Toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en instructie- of ander informatiemateriaal worden samen met het betrokken materieel, de machine, de apparatuur of het voertuig beschouwd als één product, indien zij:

a)

bij het product zijn ingedeeld en samen met het product worden geleverd, maar niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, en

b)

van de soorten, hoeveelheden en waarde zijn die gebruikelijk zijn voor dat product.

2.   Toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en instructie- of ander informatiemateriaal als bedoeld in lid 1 worden bij het bepalen van de oorsprong van het product buiten beschouwing gelaten, behalve wat de berekening van de waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen betreft indien voor een product een maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen als vastgesteld in bijlage 3 van toepassing is.

Artikel 48

Stellen of assortimenten

Stellen of assortimenten in de zin van Algemene Regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem worden als van oorsprong uit een Partij beschouwd wanneer alle samenstellende delen ervan van oorsprong zijn. Indien een stel of assortiment bestaat uit van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde samenstellende delen, wordt het stel of assortiment als geheel beschouwd als van oorsprong uit een Partij indien de waarde van alle niet van oorsprong zijnde samenstellende delen niet meer dan 15 % van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 49

Neutrale elementen

Om te bepalen of een product van oorsprong is uit een Partij, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van de volgende mogelijk bij de vervaardiging van dat product gebruikte elementen:

a)

brandstof, energie, katalysatoren en oplosmiddelen;

b)

installatie, uitrusting, vervangingsonderdelen en materialen voor het onderhoud van materieel en gebouwen;

c)

machines, werktuigen, matrijzen en gietvormen;

d)

smeermiddelen, vetten, samenstellende materialen en andere materialen die worden gebruikt bij de productie of om materieel en gebouwen te laten functioneren;

e)

handschoenen, brillen, schoeisel, kleding, veiligheidsuitrusting en benodigdheden;

f)

apparatuur, benodigdheden en materieel dat wordt gebruikt voor het testen of inspecteren van het product, en

g)

andere bij de productie gebruikte materialen die niet in het product zijn verwerkt en ook niet bedoeld zijn om in de uiteindelijke samenstelling van het product te worden verwerkt.

Artikel 50

Gescheiden boekhouding

1.   Van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde fungibele materialen of fungibele producten worden tijdens de opslag fysiek gescheiden met het oog op het behoud van hun status van "van oorsprong zijnde" en "niet van oorsprong zijnde".

2.   Voor de toepassing van lid 1 worden onder "fungibele materialen" of "fungibele producten" verstaan materialen of producten van dezelfde soort en handelskwaliteit, met dezelfde technische en fysische kenmerken, die ten behoeve van het bepalen van de oorsprong niet van elkaar te onderscheiden zijn.

3.   Niettegenstaande lid 1 mogen van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde fungibele materialen bij de productie van een product worden gebruikt zonder tijdens de opslag fysiek te worden gescheiden, indien een methode van gescheiden boekhouding wordt gebruikt.

4.   Niettegenstaande lid 1 mogen van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde fungibele producten ingedeeld onder de hoofdstukken 10, 15, 27, 28, 29, posten 32.01 tot en met 32.07, of posten 39.01 tot en met 39.14 van het geharmoniseerd systeem vóór uitvoer naar de andere Partij in een Partij worden opgeslagen zonder fysiek gescheiden te zijn, mits een gescheiden boekhouding wordt toegepast.

5.   De in de leden 3 en 4 bedoelde methode van gescheiden boekhouding wordt in overeenstemming met een voorraadbeheersysteem toegepast uit hoofde van in de Partij algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen.

6.   De methode van gescheiden boekhouding is een methode die ervoor zorgt dat er te allen tijde niet meer materialen of producten de oorsprongsstatus verkrijgen dan het geval zou zijn indien de materialen of producten fysiek gescheiden waren.

7.   Een Partij kan, met inachtneming van de in haar wet- of regelgeving vastgestelde voorwaarden, verlangen dat voor gebruikmaking van een methode van gescheiden boekhouding voorafgaande toestemming van haar douaneautoriteiten nodig is. De douaneautoriteiten van de Partij houden toezicht op het gebruik dat van dergelijke toestemming wordt gemaakt en kunnen die intrekken wanneer degene aan wie de toestemming is verleend oneigenlijk gebruik maakt van de methode van gescheiden boekhouding of niet aan een van de andere voorwaarden van dit hoofdstuk voldoet.

Artikel 51

Geretourneerde producten

Wanneer een uit een Partij naar een derde land uitgevoerd product van oorsprong uit die Partij naar die Partij wordt geretourneerd, wordt het als een niet van oorsprong zijnd product beschouwd, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteit van die Partij kan worden aangetoond dat het geretourneerde product:

a)

hetzelfde is als het uitgevoerde product, en

b)

terwijl het zich in dat derde land bevond of bij de uitvoer ervan geen andere behandelingen heeft ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om het in goede staat te bewaren.

Artikel 52

Niet-wijziging

1.   Een voor binnenlands gebruik in de Partij van invoer aangegeven product van oorsprong mag, nadat het is uitgevoerd en voordat het voor binnenlands gebruik wordt aangegeven, op geen enkele manier zijn gewijzigd of getransformeerd en evenmin andere behandelingen hebben ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om het in goede staat te bewaren of die welke bestaan in het toevoegen of aanbrengen van merken, etiketten, verzegelingen of andere documentatie om te waarborgen dat aan de specifieke interne vereisten van de Partij van invoer wordt voldaan.

2.   De opslag of tentoonstelling van een product kan plaatsvinden in een derde land, op voorwaarde dat het product in dat derde land onder douanetoezicht blijft.

3.   Zendingen kunnen in een derde land worden gesplitst wanneer dat door de exporteur of onder diens verantwoordelijkheid geschiedt en op voorwaarde dat de zendingen in dat derde land onder douanetoezicht blijven.

4.   In geval van twijfel over de vraag of aan de voorwaarden van de leden 1 tot en met 3 wordt voldaan, kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer de importeur verzoeken te bewijzen dat hij aan die voorwaarden voldoet, welke bewijs met alle middelen kan worden geleverd, onder meer aan de hand van vervoersovereenkomsten zoals cognossementen of feitelijk of concreet bewijsmateriaal zoals de markering of nummering van de colli of ander bewijsmateriaal betreffende het product zelf.

Artikel 53

Beoordeling van teruggave of vrijstelling van douanerechten

Op zijn vroegst twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst beoordeelt het Gespecialiseerd Handelscomité voor douanesamenwerking en oorsprongsregels op verzoek van een van de Partijen de respectieve regelingen voor teruggave van rechten en actieve veredeling van de Partijen. Op verzoek van een Partij en uiterlijk 60 dagen na dat verzoek verstrekt de andere Partij de verzoekende Partij daartoe beschikbare informatie en gedetailleerde statistieken betreffende de periode vanaf de inwerkingtreding van de overeenkomst, of de voorgaande vijf jaren, indien die periode korter is, over de toepassing van haar regeling voor teruggave van rechten en actieve veredeling. In het licht van die beoordeling kan het Gespecialiseerd Handelscomité voor douanesamenwerking en oorsprongsregels de Partnerschapsraad aanbevelingen doen tot wijziging van de bepalingen van dit hoofdstuk en de bijlagen daarbij, teneinde beperkingen of restricties in te voeren ten aanzien van teruggave of vrijstelling van douanerechten.

AFDELING 2

OORSPRONGSPROCEDURES

Artikel 54

Verzoek om preferentiële tariefbehandeling

1.   De Partij van invoer kent bij invoer een preferentiële tariefbehandeling toe aan een product van oorsprong uit de andere Partij in de zin van dit hoofdstuk, op grond van een verzoek van de importeur om preferentiële tariefbehandeling. De importeur is verantwoordelijk voor de juistheid van het verzoek om preferentiële tariefbehandeling en voor de naleving van de voorwaarden van dit hoofdstuk.

2.   Een verzoek om preferentiële tariefbehandeling wordt gedaan op basis van:

a)

een door de exporteur opgesteld attest van oorsprong waaruit blijkt dat het product van oorsprong is, of

b)

de aan de importeur bekende informatie dat het product van oorsprong is.

3.   De importeur die om een preferentiële tariefbehandeling verzoekt op basis van een attest van oorsprong als bedoeld in lid 2, punt a), bewaart het attest van oorsprong en verstrekt de douaneautoriteit van de Partij van invoer desgevraagd een kopie daarvan.

Artikel 55

Tijdstip van verzoek om preferentiële tariefbehandeling

1.   Een verzoek om preferentiële tariefbehandeling en de basis van dat verzoek als bedoeld in artikel 54, lid 2, worden opgenomen in de douaneaangifte ten invoer in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de Partij van invoer.

2.   In afwijking van lid 1 van dit artikel kent de Partij van invoer, indien de importeur ten tijde van de invoer geen verzoek om preferentiële tariefbehandeling heeft ingediend, een preferentiële tariefbehandeling toe en betaalt zij een teveel aan betaalde douanerechten terug of scheldt zij dat kwijt indien:

a)

het verzoek om preferentiële tariefbehandeling niet later wordt ingediend dan drie jaar na de datum van invoer, of uiterlijk zoveel later als bepaald in de wet- en regelgeving van de Partij van invoer;

b)

de importeur de basis verstrekt voor het verzoek als bedoeld in artikel 54, lid 2, en

c)

het product als van oorsprong zou zijn beschouwd en aan alle andere toepasselijke vereisten in de zin van afdeling 1 van dit hoofdstuk zou hebben voldaan indien de importeur ten tijde van de invoer om preferentiële behandeling had verzocht.

De overige verplichtingen die uit hoofde van artikel 54 op de importeur rusten, blijven ongewijzigd.

Artikel 56

Attest van oorsprong

1.   Een attest van oorsprong wordt door een exporteur van een product opgesteld op basis van informatie waaruit blijkt dat het product van oorsprong is, met inbegrip van informatie over de oorsprongsstatus van de bij de productie van het product gebruikte materialen. De exporteur is verantwoordelijk voor de juistheid van het attest van oorsprong en van de verstrekte informatie.

2.   Een attest van oorsprong wordt in een van de in bijlage 7 opgenomen taalversies verstrekt op een factuur of ander handelsdocument waarin het product van oorsprong voldoende duidelijk is omschreven om dat product te kunnen identificeren. De exporteur moet voldoende gegevens verstrekken om het product van oorsprong te kunnen identificeren. De Partij van invoer verlangt van de importeur geen vertaling van het attest van oorsprong.

3.   Een attest van oorsprong is 12 maanden geldig vanaf de datum waarop het is opgesteld of gedurende een langere periode als bepaald door de Partij van invoer, tot maximaal 24 maanden.

4.   Een attest van oorsprong kan van toepassing zijn op:

a)

één enkele zending van een of meer in een Partij ingevoerde producten, of

b)

meerdere zendingen van identieke producten die worden ingevoerd in een Partij binnen de in het attest van oorsprong aangegeven periode van maximaal 12 maanden.

5.   Wanneer, op verzoek van de importeur, niet-gemonteerde of gedemonteerde producten in de zin van algemene regel 2 a) voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XV tot en met XXI van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, kan voor die producten één enkel attest van oorsprong worden gebruikt in overeenstemming met de voorschriften van de douaneautoriteit van de Partij van invoer.

Artikel 57

Afwijkingen

De douaneautoriteit van de Partij van invoer mag een verzoek om preferentiële tariefbehandeling niet afwijzen wegens geringe vergissingen of afwijkingen in het attest van oorsprong of om de enkele reden dat een factuur in een derde land werd afgegeven.

Artikel 58

Aan importeur bekende informatie

1.   Voor een verzoek om preferentiële tariefbehandeling uit hoofde van artikel 54, lid 2, punt b), is de aan de importeur bekende informatie dat een product van oorsprong is uit de Partij van uitvoer gebaseerd op informatie waaruit blijkt dat het product van oorsprong is en aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoet.

2.   Alvorens om preferentiële tariefbehandeling te verzoeken geldt, ingeval een importeur niet in staat is de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie te verkrijgen om reden dat de exporteur die informatie als vertrouwelijk beschouwt of om enige andere reden, dat de exporteur een attest van oorsprong kan verstrekken zodat de importeur om de preferentiële tariefbehandeling kan verzoeken overeenkomstig artikel 54, lid 2, punt a).

Artikel 59

Verplichting tot bewaren van gegevens

1.   Een importeur die verzoekt om preferentiële tariefbehandeling voor een in de Partij van invoer ingevoerd product bewaart gedurende ten minste drie jaar na de datum van invoer van het product:

a)

als het verzoek op een attest van oorsprong werd gebaseerd, het door de exporteur opgestelde attest van oorsprong, of

b)

als het verzoek op de aan de importeur bekende informatie werd gebaseerd, alle gegevens waaruit blijkt dat het product voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus.

2.   Een exporteur die een attest van oorsprong heeft opgesteld, bewaart gedurende ten minste vier jaar na de opstelling van dat attest, een kopie van het attest van oorsprong en alle andere gegevens waaruit blijkt dat het product aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus voldoet.

3.   De overeenkomstig dit artikel te bewaren gegevens mogen in elektronische vorm worden opgeslagen.

Artikel 60

Kleine zendingen

1.   In afwijking van de artikelen 54 tot en met 58 kent de Partij van invoer, indien is verklaard dat het product aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoet en de douaneautoriteit van de Partij van invoer geen twijfel heeft over de juistheid van die verklaring, een preferentiële tariefbehandeling toe aan:

a)

producten die door particulieren in kleine colli naar particulieren worden verzonden;

b)

producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, en

c)

voor het Verenigd Koninkrijk, in aanvulling op de punten a) en b), andere zendingen van geringe waarde.

2.   Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op de volgende producten:

a)

producten waarvan de invoer deel uitmaakt van een reeks invoertransacties waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij afzonderlijk zijn verricht om de vereisten van artikel 54 te ontwijken;

b)

voor de Unie:

i)

producten die als handelsgoederen worden ingevoerd; de invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de ontvanger of de reiziger of de leden van diens gezin wordt niet als invoer als handelsgoederen aangemerkt indien noch de aard, noch de hoeveelheid van de producten op commerciële doeleinden wijst, en

ii)

producten waarvan de totale waarde meer bedraagt dan 500 EUR voor kleine colli of 1 200 EUR voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers. De in een bepaalde nationale valuta te gebruiken bedragen zijn de tegenwaarde in die valuta van de in euro's uitgedrukte bedragen op de eerste werkdag van oktober. De wisselkoersen zijn die welke voor die dag worden bekendgemaakt door de Europese Centrale Bank, tenzij uiterlijk op 15 oktober een andere wisselkoers aan de Europese Commissie wordt meegedeeld, en gelden met ingang van 1 januari van het daaropvolgende jaar. De Europese Commissie stelt het Verenigd Koninkrijk van de desbetreffende bedragen in kennis. De Unie kan andere limieten vaststellen die zij aan het Verenigd Koninkrijk zal meedelen, en

c)

voor het Verenigd Koninkrijk, producten waarvan de totale waarde de uit hoofde van het interne recht van het Verenigd Koninkrijk gestelde drempelwaarden overschrijdt. Het Verenigd Koninkrijk zal die drempelwaarden aan de Unie meedelen.

3.   De importeur is verantwoordelijk voor de juistheid van de verklaring en de naleving van de voorwaarden van dit hoofdstuk. De in artikel 59 neergelegde vereisten inzake het bewaren van gegevens zijn niet van toepassing op de importeur uit hoofde van dit artikel.

Artikel 61

Verificatie

1.   De douaneautoriteit van de Partij van invoer kan op basis van risicobeoordelingsmethoden, die een willekeurige steekproef kunnen omvatten, controleren of een product van oorsprong is of dat aan de andere voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan. Die controles kunnen worden verricht door middel van een verzoek om informatie van de importeur die het in artikel 54 bedoelde verzoek heeft ingediend, op het tijdstip waarop de aangifte ten invoer wordt ingediend, voordat de producten worden vrijgegeven of nadat de producten zijn vrijgegeven.

2.   De informatie waar op grond van lid 1 om wordt verzocht, omvat ten hoogste de volgende elementen:

a)

indien het verzoek was gebaseerd op een attest van oorsprong, dat attest van oorsprong, en

b)

informatie over het voldoen aan de oorsprongscriteria, te weten:

i)

wanneer het oorsprongscriterium "volledig verkregen" is, de toepasselijke categorie (zoals oogst, ontginning, bevissing) en de plaats van productie;

ii)

wanneer het oorsprongscriterium is gebaseerd op een wijziging in tariefindeling, een lijst van alle niet van oorsprong zijnde materialen, met inbegrip van het tariefindelingsnummer ervan (in 2, 4 of 6 cijfers, afhankelijk van het oorsprongscriterium);

iii)

wanneer het oorsprongscriterium is gebaseerd op een waardemethode, de waarde van het eindproduct en de waarde van alle bij de productie van dat product gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen;

iv)

wanneer het oorsprongscriterium is gebaseerd op gewicht, het gewicht van het eindproduct alsmede het gewicht van de desbetreffende in het eindproduct gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen;

v)

wanneer het oorsprongscriterium is gebaseerd op een specifiek productieprocedé, een beschrijving van dat specifieke procedé.

3.   Wanneer de importeur de gevraagde informatie verstrekt, kan hij daaraan alle andere informatie toevoegen die hij met het oog op de verificatie nuttig acht.

4.   Indien het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op een attest van oorsprong, verstrekt de importeur dat attest van oorsprong, maar kan hij de douaneautoriteit van de Partij van invoer antwoorden dat de importeur de in lid 2, punt b), bedoelde informatie niet kan verstrekken.

5.   Als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling is gebaseerd op de aan de importeur bekende informatie, kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer die de verificatie verricht, na eerst overeenkomstig lid 1 om informatie te hebben verzocht, de importeur verzoeken aanvullende informatie te verstrekken, wanneer zij van oordeel is dat aanvullende informatie nodig is om de oorsprongsstatus van het product te controleren of om na te gaan of aan de overige vereisten van dit hoofdstuk is voldaan. De douaneautoriteit van de Partij van invoer kan indien van toepassing de importeur om specifieke documentatie en informatie verzoeken.

6.   Als de douaneautoriteit van de Partij van invoer besluit de preferentiële tariefbehandeling voor het betrokken product te schorsen zolang de uitslag van de verificatie niet bekend is, stelt zij de importeur voor de producten vrij te geven onder voorbehoud van passende conservatoire maatregelen met inbegrip van waarborgen. Elke schorsing van de preferentiële tariefbehandeling wordt zo spoedig mogelijk beëindigd nadat de douaneautoriteit van de Partij van invoer heeft vastgesteld dat de betrokken producten van oorsprong zijn of dat aan de andere voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan.

Artikel 62

Administratieve samenwerking

1.   Met het oog op de goede toepassing van dit hoofdstuk werken de Partijen via hun respectieve douaneautoriteit samen bij het controleren of een product van oorsprong is en aan de overige voorwaarden van dit hoofdstuk voldoet.

2.   Indien het verzoek om preferentiële tariefbehandeling was gebaseerd op een attest van oorsprong, kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer die de controle uitvoert in voorkomend geval na eerst om informatie te hebben verzocht overeenkomstig artikel 61, lid 1, en op basis van het antwoord van de importeur, ook om informatie verzoeken bij de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer, binnen twee jaar na de invoer van de producten, of vanaf het moment waarop het verzoek op grond van artikel 55, lid 2, punt a), wordt ingediend, indien de douaneautoriteit van de Partij van invoer die de controle uitvoert, aanvullende informatie noodzakelijk acht om de oorsprongsstatus van het product te controleren dan wel om te controleren of aan de overige vereisten van dit hoofdstuk is voldaan. Het verzoek om informatie omvat de volgende elementen:

a)

het attest van oorsprong;

b)

de identiteit van de douaneautoriteit waarvan het verzoek afkomstig is;

c)

de naam van de exporteur;

d)

het onderwerp en de reikwijdte van de controle, en

e)

alle andere relevante documenten.

Daarnaast kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer in voorkomend geval de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer verzoeken specifieke documentatie en informatie te verstrekken.

3.   De douaneautoriteit van de Partij van uitvoer kan in overeenstemming met haar toepasselijke wet- en regelgeving om documenten of een onderzoek verzoeken door bewijsmateriaal op te vragen of een bezoek te brengen aan de bedrijfsruimten van de exporteur met het oog op de controle van gegevens en inspectie van de bij de productie van het product gebruikte infrastructuur.

4.   Onverminderd lid 5 verstrekt de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer die het in lid 2 bedoelde verzoek ontvangt de douaneautoriteit van de Partij van invoer de volgende informatie:

a)

de gevraagde documentatie, voor zover beschikbaar;

b)

een opinie inzake de oorsprongsstatus van het product;

c)

de beschrijving van het product dat het voorwerp van onderzoek is en de voor de toepassing van dit hoofdstuk relevante tariefindeling;

d)

een beschrijving van en een toelichting bij het productieprocedé die volstaan om de oorsprongsstatus van het product te staven;

e)

informatie over de wijze waarop het onderzoek van het product is uitgevoerd, en

f)

in voorkomend geval, bewijsstukken.

5.   De douaneautoriteit van de Partij van uitvoer verstrekt de douaneautoriteit van de Partij van invoer de in lid 4, punten a), d) en f), bedoelde informatie niet als die informatie door de exporteur als vertrouwelijk wordt aangemerkt.

6.   Elke Partij deelt de andere Partij de contactgegevens van de douaneautoriteiten en, binnen 30 dagen na de datum van enige wijziging van die contactgegevens alle wijzigingen van de contactgegevens mee.

Artikel 63

Weigering van preferentiële tariefbehandeling

1.   Onverminderd lid 3 kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer weigeren een preferentiële tariefbehandeling toe te kennen indien:

a)

binnen drie maanden na de datum van een verzoek om informatie op grond van artikel 61, lid 1:

i)

de importeur geen antwoord heeft verstrekt;

ii)

wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling was gebaseerd op een attest van oorsprong, er geen attest van oorsprong is verstrekt; of

iii)

wanneer het verzoek om preferentiële tariefbehandeling op de aan de importeur bekende informatie werd gebaseerd, de door de importeur verstrekte informatie niet volstaat om te bevestigen dat het product van oorsprong is;

b)

binnen drie maanden na de datum van een verzoek om aanvullende informatie op grond van artikel 61, lid 5:

i)

de importeur geen antwoord heeft verstrekt; of

ii)

de door de importeur verstrekte informatie niet volstaat om te bevestigen dat het product van oorsprong is;

c)

binnen tien maanden (3) na de datum van een verzoek om informatie op grond van artikel 62, lid 2:

i)

de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer geen antwoord heeft verstrekt; of

ii)

de door de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer verstrekte informatie ontoereikend is om te kunnen bevestigen dat het product van oorsprong is.

2.   De douaneautoriteit van de Partij van invoer kan weigeren een preferentiële tariefbehandeling toe te kennen voor een product waarvoor een importeur om preferentiële tariefbehandeling verzoekt, wanneer de importeur niet aan andere voorwaarden uit hoofde van dit hoofdstuk dan die welke betrekking hebben op de oorsprongsstatus van de producten voldoet.

3.   Als de douaneautoriteit van de Partij van invoer over voldoende gronden beschikt om een preferentiële tariefbehandeling te weigeren uit hoofde van lid 1 van dit artikel, stelt zij, in gevallen waarin de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer op grond van artikel 62, lid 4, punt b), een opinie heeft uitgebracht waarin de oorsprongsstatus van de producten wordt bevestigd, binnen twee maanden na ontvangst van die opinie de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer in kennis van haar voornemen om de preferentiële tariefbehandeling te weigeren.

In geval van een dergelijke kennisgeving vindt binnen drie maanden na de datum van de kennisgeving op verzoek van een van de Partijen overleg plaats. De termijn voor overleg kan in onderlinge overeenstemming tussen de douaneautoriteiten van de Partijen per geval worden verlengd. Het overleg kan plaatsvinden volgens de procedure die is vastgesteld door het Gespecialiseerd Handelscomité voor douanesamenwerking en oorsprongsregels.

Na het verstrijken van de termijn voor overleg kan de douaneautoriteit van de Partij van invoer, indien zij niet kan bevestigen dat het product van oorsprong is, de preferentiële tariefbehandeling weigeren wanneer zij daartoe over voldoende gronden beschikt en nadat zij de importeur in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. Echter, wanneer de douaneautoriteit van de Partij van uitvoer de oorsprongsstatus van de producten bevestigt en die conclusie onderbouwt, weigert de douaneautoriteit van de Partij van invoer de preferentiële tariefbehandeling van een product niet op de enkele grond dat artikel 62, lid 5, is toegepast.

4.   Op de regeling van geschillen tussen de importeur en de douaneautoriteit van de Partij van invoer is in alle gevallen het recht van de Partij van invoer van toepassing.

Artikel 64

Vertrouwelijkheid

1.   Elke Partij respecteert in overeenstemming met haar wet- en regelgeving de vertrouwelijke aard van alle haar door de andere Partij op grond van dit hoofdstuk verstrekte informatie en beschermt die informatie tegen openbaarmaking.

2.   Ingeval, niettegenstaande artikel 62, lid 5, vertrouwelijke bedrijfsinformatie door de douaneautoriteiten van de Partij van uitvoer of de Partij van invoer is verkregen van de exporteur door toepassing van de artikelen 61 en 62, wordt die informatie niet openbaar gemaakt.

3.   Elke Partij ziet erop toe dat de vertrouwelijke informatie die op grond van dit hoofdstuk wordt verzameld, niet wordt gebruikt voor andere doeleinden dan het beheer en de handhaving van besluiten en bepalingen met betrekking tot oorsprong en douanezaken, tenzij de persoon of de Partij die de vertrouwelijke informatie heeft verstrekt, daarvoor toestemming heeft gegeven.

4.   Niettegenstaande lid 3 kan een Partij toestaan dat op grond van dit hoofdstuk verzamelde informatie wordt gebruikt in administratieve, rechterlijke of buitengerechtelijke procedures die zijn ingeleid wegens niet-naleving van douanegerelateerde wet- en regelgeving waarmee aan dit hoofdstuk uitvoering wordt gegeven. Een Partij stelt de persoon of Partij die de informatie heeft verstrekt, vooraf van die gebruikmaking in kennis.

Artikel 65

Administratieve maatregelen en sancties

Elke Partij ziet toe op de effectieve tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk. Elke Partij ziet erop toe dat haar bevoegde autoriteiten in overeenstemming met haar wet- en regelgeving administratieve maatregelen en, in voorkomend geval, sancties kunnen opleggen aan elke persoon die een document opstelt of laat opstellen dat onjuiste informatie bevat die is verstrekt om een preferentiële tariefbehandeling voor een product te verkrijgen, aan elke persoon die niet aan de verplichtingen van artikel 59 voldoet, aan elke persoon die niet het in artikel 62, lid 3, bedoelde bewijsmateriaal verstrekt, of die niet het in die bepaling bedoelde bezoek toestaat.

AFDELING 3

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 66

Ceuta en Melilla

1.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk vallen van de zijde van de Unie Ceuta en Melilla niet onder de term "Partij".

2.   Producten van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk die in Ceuta of Melilla worden ingevoerd, zijn in elk opzicht uit hoofde van deze overeenkomst voorwerp van dezelfde douanebehandeling als die welke uit hoofde van Protocol nr. 2 bij de Akte van Toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Republiek Portugal tot de Europese Unie van toepassing is op producten van oorsprong uit het douanegebied van de Europese Unie. Het Verenigd Koninkrijk kent aan onder deze overeenkomst vallende producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla dezelfde douanebehandeling toe als aan producten van oorsprong uit de Unie die uit de Unie worden ingevoerd.

3.   De oorsprongsregels en oorsprongsprocedures in het kader van dit hoofdstuk zijn mutatis mutandis van toepassing op producten die vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Ceuta en Melilla worden uitgevoerd en op producten die vanuit Ceuta en Melilla naar het Verenigd Koninkrijk worden uitgevoerd.

4.   Ceuta en Melilla worden als één grondgebied beschouwd.

5.   Artikel 40 is van toepassing op de invoer en de uitvoer van producten tussen de Unie, het Verenigd Koninkrijk en Ceuta en Melilla.

6.   De exporteurs vermelden in veld 3 van de tekst van het attest van oorsprong "het Verenigd Koninkrijk" of "Ceuta en Melilla", afhankelijk van de oorsprong van het product.

7.   De douaneautoriteit van het Koninkrijk Spanje is verantwoordelijk voor de toepassing en tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk in Ceuta en Melilla.

Artikel 67

Overgangsbepalingen voor doorvoer of opslag van producten

De bepalingen van deze overeenkomst kunnen worden toegepast op producten die voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk en die zich op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst hetzij in doorvoer tussen de Partij van uitvoer en de Partij van invoer hetzij onder douanetoezicht in de Partij van invoer bevinden zonder dat invoerrechten en belastingen zijn betaald, op voorwaarde dat binnen twaalf maanden na die datum bij de douaneautoriteit van de Partij van invoer een verzoek om preferentiële tariefbehandeling als bedoeld in artikel 54 wordt ingediend.

Artikel 68

Wijziging van dit hoofdstuk en de bijlagen daarbij

De Partnerschapsraad kan dit hoofdstuk en de bijlagen daarbij wijzigen.

HOOFDSTUK 3

SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN

Artikel 69

Doelen

Dit hoofdstuk heeft tot doel:

a)

het leven en de gezondheid van mensen, dieren en planten op het respectieve grondgebied van de Partijen te beschermen en tegelijkertijd de handel tussen de Partijen te bevorderen;

b)

de uitvoering van de SPS-Overeenkomst te bevorderen;

c)

erop toe te zien dat de sanitaire en fytosanitaire ("SPS"-)maatregelen van de Partijen geen onnodige handelsbelemmeringen in het leven roepen;

d)

voor meer transparantie bij en een beter begrip van de toepassing van de SPS-maatregelen van elke Partij te zorgen;

e)

de samenwerking tussen de Partijen te versterken op het gebied van de bestrijding van antimicrobiële resistentie, de bevordering van duurzame voedselsystemen, de bescherming van het dierenwelzijn en elektronische certificering;

f)

de samenwerking in de relevante internationale organisaties te versterken om internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen op het gebied van diergezondheid, voedselveiligheid en plantgezondheid te ontwikkelen, en

g)

de toepassing door elke Partij van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen te bevorderen.

Artikel 70

Toepassingsgebied

1.   Dit hoofdstuk is van toepassing op alle SPS-maatregelen van een Partij die het handelsverkeer tussen de Partijen al dan niet rechtstreeks kunnen beïnvloeden.

2.   Dit hoofdstuk omvat tevens afzonderlijke bepalingen inzake samenwerking op het gebied van dierenwelzijn, antimicrobiële resistentie en duurzame voedselsystemen.

Artikel 71

Definities

1.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de volgende definities van toepassing:

a)

de definities die zijn opgenomen in bijlage A bij de SPS-Overeenkomst;

b)

de definities die zijn aangenomen onder auspiciën van de Codex Alimentarius Commissie (hierna de "Codex" genoemd);

c)

de definities die zijn aangenomen onder auspiciën van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (hierna het "OIE" genoemd), en

d)

de definities die zijn aangenomen onder auspiciën van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten ("International Plant Protection Convention", hierna "IPPC" genoemd).

2.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)

"invoervoorwaarden": alle SPS-maatregelen die moeten worden nageleefd met het oog op de invoer van producten, en

b)

"beschermd gebied" voor een bepaald gereglementeerde plantenplaagorganisme: een officieel afgebakend geografisch gebied waarin dat plaagorganisme ondanks gunstige omstandigheden en het voorkomen ervan in andere gedeelten van het grondgebied van de Partij niet is vastgesteld, en waarin dat plaagorganisme niet mag worden binnengebracht.

3.   Het Gespecialiseerd Handelscomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen kan voor de toepassing van dit hoofdstuk andere definities vaststellen, rekening houdend met de glossaria en definities van de internationale organisaties ter zake, zoals de Codex, het OIE en het IPPC.

4.   De definities uit hoofde van de SPS-Overeenkomst hebben voorrang voor zover er sprake is van strijdigheid tussen de door het Gespecialiseerd Handelscomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen of onder auspiciën van de Codex, het OIE en het IPPC vastgestelde definities en de definities uit hoofde van de SPS-overeenkomst. In geval van strijdigheid tussen de door het Gespecialiseerd Handelscomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen vastgestelde definities en de definities die zijn vastgesteld in de Codex, het OIE of het IPPC, hebben de in de Codex, het OIE of het IPPC neergelegde definities voorrang.

Artikel 72

Rechten en verplichtingen

De Partijen herbevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de SPS-Overeenkomst. Dat omvat het recht om maatregelen vast te stellen overeenkomstig artikel 5, lid 7, van de SPS-overeenkomst.

Artikel 73

Algemene beginselen

1.   De Partijen passen SPS-maatregelen toe om hun passende beschermingsniveau te bereiken op basis van risicobeoordelingen overeenkomstig de relevante bepalingen, waaronder artikel 5 van de SPS-overeenkomst.

2.   De Partijen zullen SPS-maatregelen niet gebruiken om ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen in te voeren.

3.   Met betrekking tot handelsgerelateerde SPS-procedures en goedkeuringen uit hoofde van dit hoofdstuk ziet elke Partij erop toe dat die procedures en de daarmee verband houdende SPS-maatregelen:

a)

zonder onnodig tijdverlies worden geïnitieerd en afgerond;

b)

geen onnodige, wetenschappelijk en technisch ongerechtvaardigde of onnodig belastende verzoeken om informatie omvatten die de toegang tot elkaars markten zouden kunnen vertragen;

c)

niet worden toegepast op een wijze die een willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie zou vormen van het gehele grondgebied van de andere Partij of delen van het grondgebied van de andere Partij waar identieke of vergelijkbare SPS-omstandigheden bestaan, en

d)

in verhouding staan tot de vastgestelde risico's en de handel niet meer beperken dan noodzakelijk is om het passende beschermingsniveau van de Partij van invoer te bereiken.

4.   De Partijen gebruiken de in lid 3 bedoelde procedures of verzoeken om aanvullende informatie niet om de toegang tot hun respectieve markten zonder gegronde wetenschappelijke en technische redenen te vertragen.

5.   Elke Partij ziet erop toe dat elke administratieve procedure die zij met betrekking tot de invoervoorwaarden op het gebied van voedselveiligheid, diergezondheid op plantgezondheid verlangt, niet belastender of handelsbeperkender is dan noodzakelijk is om de Partij van invoer voldoende vertrouwen te geven dat aan die voorwaarden is voldaan. Elke Partij ziet erop toe dat de negatieve gevolgen van administratieve procedures voor de handel tot een minimum worden beperkt en dat de douane-afhandelingsprocessen eenvoudig en snel blijven waarbij aan de voorwaarden van de Partij van invoer wordt voldaan.

6.   De Partij van invoer voert geen extra administratieve systemen of procedures in die de handel onnodig belemmeren.

Artikel 74

Officiële certificering

1.   Wanneer de Partij van invoer officiële certificaten verlangt, moeten de modelcertificaten:

a)

worden vastgesteld overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in de internationale normen van de Codex, het IPPC en het OIE, en

b)

van toepassing zijn op invoer uit alle delen van het grondgebied van de Partij van uitvoer.

2.   Het Gespecialiseerd Handelscomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen kan met betrekking tot specifieke gevallen overeenkomen dat de in lid 1 bedoelde modelcertificaten slechts voor een deel of delen van het grondgebied van de Partij van uitvoer worden opgesteld. De Partijen bevorderen de implementatie van elektronische certificering en andere technologieën om de handel te bevorderen.

Artikel 75

Invoervoorwaarden en -procedures

1.   Onverminderd de rechten en verplichtingen van elke Partij uit hoofde van de SPS-Overeenkomst en dit hoofdstuk, zijn de invoervoorwaarden van de Partij van invoer op consistente wijze ten aanzien van het gehele grondgebied van de Partij van uitvoer van toepassing.

2.   De Partij van uitvoer ziet erop toe dat naar de andere Partij uitgevoerde producten, zoals dieren en dierlijke producten, planten en plantaardige producten of andere daarmee verband houdende objecten, voldoen aan de SPS-vereisten van de Partij van invoer.

3.   De Partij van invoer kan verlangen dat voor de invoer van bepaalde producten een vergunning vereist is. Een dergelijke vergunning wordt verleend wanneer de ter zake bevoegde autoriteit van de Partij van uitvoer een verzoek indient waaruit ten genoegen van de Partij van invoer objectief blijkt dat aan de vergunningsvereisten van de Partij van invoer is voldaan. De bevoegde autoriteit van de Partij van uitvoer kan een vergunning aanvragen voor het gehele grondgebied van de Partij van uitvoer. De Partij van invoer willigt dergelijke verzoeken op die basis in indien zij voldoen aan de vergunningsvereisten van de Partij van invoer als in dit lid vermeld.

4.   De Partij van invoer voert geen aanvullende vergunningsvereisten in ten opzichte van de vergunningsvereisten die aan het eind van de overgangsperiode van toepassing zijn, tenzij de toepassing van dergelijke voorschriften op verdere producten gerechtvaardigd is om een significant risico voor de gezondheid van mensen, dieren of planten te verminderen.

5.   De Partij van invoer stelt invoervoorwaarden vast voor alle producten en deelt die mee aan de andere Partij. De Partij van invoer ziet erop toe dat haar invoervoorwaarden op evenredige en niet-discriminatoire wijze worden toegepast.

6.   Onverminderd voorlopige maatregelen uit hoofde van artikel 5, lid 7, van de SPS-Overeenkomst zijn de invoervoorwaarden voor producten of andere daarmee verband houdende objecten waarvoor een fytosanitair punt van zorg bestaat, beperkt tot maatregelen ter bescherming tegen gereglementeerde plaagorganismen van de Partij van invoer en van toepassing ten aanzien van het gehele grondgebied van de Partij van uitvoer.

7.   Niettegenstaande de leden 1 en 3 gaat de Partij van invoer ingeval van aanvragen voor een invoervergunning voor een specifiek product, wanneer de Partij van uitvoer heeft verzocht om slechts voor een deel of bepaalde delen van haar grondgebied (in het geval van de Unie, afzonderlijke lidstaten) te worden onderzocht, onverwijld over tot onderzoek van die aanvraag. Wanneer de Partij van invoer aanvragen ontvangt met betrekking tot het specifieke product uit meer dan één deel van de Partij van uitvoer, of wanneer verdere aanvragen worden ontvangen met betrekking tot een product waarvoor reeds een vergunning is verleend, bespoedigt de Partij van invoer de afronding van de vergunningsprocedure, rekening houdend met de identieke of soortgelijke SPS-regeling die in de verschillende delen van de Partij van uitvoer van toepassing is.

8.   Elke Partij ziet erop toe dat alle procedures voor sanitaire en fytosanitaire controle, inspectie en goedkeuring zonder onnodige vertraging worden ingeleid en afgerond. De informatievereisten blijven beperkt tot wat noodzakelijk is voor de goedkeuringsprocedure, teneinde rekening te houden met informatie die reeds beschikbaar is in de Partij van invoer, zoals informatie over het wetgevingskader en auditverslagen van de Partij van uitvoer.

9.   Behalve in naar behoren gemotiveerde omstandigheden die verband houden met haar beschermingsniveau, voorziet elke Partij in een overgangsperiode tussen de bekendmaking van wijzigingen in haar goedkeuringsprocedures en de toepassing daarvan, zodat de andere Partij zich vertrouwd kan maken met en zich aan dergelijke wijzigingen kan aanpassen. Elke Partij verlengt de goedkeuringsprocedure voor aanvragen die vóór de bekendmaking van de wijzigingen zijn ingediend, niet onnodig.

10.   Met betrekking tot het in de leden 3 tot en met 8 beschreven procedés worden de volgende maatregelen ondernomen:

a)

zodra de Partij van invoer haar beoordeling positief heeft afgerond, neemt zij onverwijld alle nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om de handel zonder onnodige vertraging mogelijk te maken;

b)

de Partij van uitvoer:

i)

verstrekt alle relevante informatie waar door de Partij van invoer om wordt verzocht, en

ii)

verleent aan de Partij van invoer redelijke toegang voor audit en andere relevante procedures;

c)

de Partij van invoer stelt een lijst op van gereglementeerde plaagorganismen voor producten of andere daarmee verband houdende objecten wanneer er sprake is van een fytosanitair punt van zorg. Die lijst omvat:

i)

de plaagorganismen waarvan niet bekend is dat zij binnen enig deel van haar eigen grondgebied voorkomen;

ii)

de plaagorganismen waarvan bekend is dat zij binnen haar eigen grondgebied voorkomen en die onder officieel toezicht staan;

iii)

de plaagorganismen waarvan bekend is dat zij binnen delen van haar eigen grondgebied voorkomen en waarvoor plagenvrije of beschermde gebieden zijn ingesteld, en

iv)

niet-quarantaineorganismen waarvan bekend is dat zij op haar eigen grondgebied en onder officieel toezicht voorkomen voor gespecificeerd plantgoed.

11.   De Partij van invoer aanvaardt zendingen zonder te verlangen dat de Partij van invoer vóór het vertrek ervan uit het grondgebied van de Partij van uitvoer nagaat of die zendingen aan de voorschriften voldoen.

12.   Een Partij kan retributies vragen voor de kosten van specifieke SPS-grenscontroles, die niet hoger mogen zijn dan de daadwerkelijk gemaakte kosten.

13.   De Partij van invoer heeft het recht om invoercontroles uit te voeren op uit de Partij van uitvoer ingevoerde producten, met het oog op het waarborgen van naleving van haar SPS-invoervereisten.

14.   De invoercontroles op uit de Partij van uitvoer ingevoerde producten worden gebaseerd op het SPS-risico dat die invoer oplevert. Invoercontroles worden slechts uitgevoerd voor zover dat nodig is om het leven en de gezondheid van mensen, dieren of planten te beschermen, zonder onnodige vertraging en met een zo gering mogelijk effect op de handel tussen de Partijen.

15.   Informatie over het percentage van de producten uit de Partij van uitvoer dat bij invoer wordt gecontroleerd, wordt op verzoek van de Partij van uitvoer beschikbaar gesteld door de Partij van invoer.

16.   Indien uit invoercontroles blijkt dat niet aan de toepasselijke invoervoorwaarden is voldaan, dan moeten de maatregelen van de Partij van invoer worden gebaseerd op een beoordeling van het betrokken risico en de handel niet meer beperken dan nodig is om het adequate niveau van SPS-bescherming van de Partij te verwezenlijken.

Artikel 76

Lijst van erkende bedrijven

1.   Wanneer dat gerechtvaardigd is, kan de Partij van invoer een lijst bijhouden van erkende inrichtingen die aan haar invoervoorschriften voldoen, als voorwaarde om invoer van dierlijke producten uit die inrichtingen toe te staan.

2.   Tenzij dat gerechtvaardigd is om een aanmerkelijk risico voor de menselijke of diergezondheid te verminderen, zijn lijsten van erkende inrichtingen alleen vereist voor de producten waarvoor dergelijke lijsten aan het eind van de overgangsperiode vereist waren.

3.   De Partij van uitvoer stelt de Partij van invoer in kennis van haar lijst van inrichtingen die aan de voorwaarden van de Partij van invoer voldoen, gebaseerd op door de Partij van uitvoer verstrekte garanties.

4.   Op verzoek van de Partij van uitvoer erkent de Partij van invoer inrichtingen die zich op het grondgebied van de Partij van uitvoer bevinden op basis van door de Partij van uitvoer verstrekte garanties, zonder voorafgaande inspectie van afzonderlijke inrichtingen.

5.   Tenzij de Partij van invoer om aanvullende informatie verzoekt en op voorwaarde dat de Partij van uitvoer garanties verstrekt, neemt de Partij van invoer overeenkomstig haar toepasselijke wettelijke procedures de nodige wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen om de invoer uit die inrichtingen zonder onnodige vertraging toe te staan.

6.   De lijst van erkende inrichtingen wordt door de Partij van invoer openbaar gemaakt.

7.   Wanneer de Partij van invoer besluit het verzoek van de Partij van uitvoer tot toevoeging van een inrichting aan de lijst van erkende inrichtingen af te wijzen, stelt zij de Partij van uitvoer daarvan onverwijld in kennis en verstrekt zij een antwoord met informatie over de tekortkomingen die tot de afwijzing van de erkenning van de inrichting hebben geleid.

Artikel 77

Transparantie en uitwisseling van informatie

1.   Elke Partij streeft naar transparantie met betrekking tot SPS-maatregelen die op de handel van toepassing zijn en onderneemt daartoe de volgende maatregelen:

a)

de andere Partij onverwijld in kennis stellen van alle wijzigingen van haar SPS-maatregelen en -goedkeuringsprocedures, met inbegrip van wijzigingen die van invloed kunnen zijn op haar vermogen om met betrekking tot bepaalde producten aan de sanitaire en fytosanitaire invoervoorschriften van de andere Partij te voldoen;

b)

het wederzijdse begrip van haar SPS-maatregelen en de toepassing ervan verbeteren;

c)

informatie uitwisselen met de andere Partij over aangelegenheden die verband houden met de ontwikkeling en toepassing van SPS-maatregelen - waaronder het beschikbaar komen van nieuw wetenschappelijk bewijs - die de handel tussen de Partijen beïnvloeden of kunnen beïnvloeden, opdat de negatieve gevolgen voor de handel zoveel mogelijk worden beperkt;

d)

op verzoek van de andere Partij binnen 20 werkdagen de voorwaarden meedelen die gelden voor de invoer van specifieke producten;

e)

op verzoek van de andere Partij binnen 20 werkdagen de stand van zaken meedelen van de procedure voor de toelating van specifieke producten;

f)

aan de andere Partij elke significante wijziging van de structuur of de organisatie van de bevoegde autoriteit van een Partij meedelen;

g)

op verzoek de resultaten van de officiële controle van een Partij en een verslag betreffende de resultaten van de verrichte controle meedelen;

h)

op verzoek de resultaten meedelen van een invoercontrole waarin is voorzien in het geval van een geweigerde of niet-conforme zending, en

i)

op verzoek een van een Partij afkomstige risicobeoordeling die of een van een Partij afkomstig wetenschappelijk advies dat relevant is voor dit hoofdstuk, zonder onnodige vertraging meedelen.

2.   Wanneer een Partij de in lid 1 bedoelde informatie door middel van kennisgeving aan het centrale register van kennisgevingen van de WTO of aan de relevante internationale normalisatie-instelling, in overeenstemming met de desbetreffende regels, beschikbaar heeft gesteld, dan is aan de voor die informatie geldende vereisten van lid 1 voldaan.

Artikel 78

Aanpassing aan regionale omstandigheden

1.   De Partijen erkennen het concept van gebiedsindeling met inbegrip van ziekte- of plagenvrije gebieden, beschermde gebieden en gebieden met een lage ziekte- of plagenprevalentie, en passen dat concept toe in de handel tussen de Partijen, overeenkomstig de SPS-Overeenkomst, met inbegrip van de richtsnoeren voor de praktische tenuitvoerlegging van artikel 6 van de SPS-overeenkomst (Besluit G/SPS/48 van het WTO/SPS-Comité) en de desbetreffende aanbevelingen, normen en richtsnoeren van het OIE en het IPPC. Het Gespecialiseerd Handelscomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen kan nadere bijzonderheden voor die procedures vaststellen, rekening houdend met eventuele relevante bepalingen van de SPS-overeenkomst, en normen, richtsnoeren of aanbevelingen van het OIE en het IPPC.

2.   De Partijen kunnen ook overeenkomen samen te werken aan het concept van compartimentering als bedoeld in de hoofdstukken 4.4 en 4.5 van de Gezondheidscode voor landdieren van het OIE en de hoofdstukken 4.1 en 4.2 van de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE.

3.   Bij de instelling of instandhouding van de in lid 1 bedoelde gebieden houden de Partijen rekening met factoren als geografische ligging, ecosystemen, epidemiologische surveillance en de doeltreffendheid van SPS-controles.

4.   Met betrekking tot dieren en dierlijke producten geldt dat wanneer de Partij van invoer op verzoek van de Partij van uitvoer invoervoorwaarden vaststelt of handhaaft, zij de door de Partij van uitvoer vastgestelde ziektevrije gebieden als grondslag erkent voor haar beraad over de beslissing of zij de invoer toestaat of handhaaft, onverminderd de leden 8 en 9.

5.   De Partij van uitvoer wijst de delen van haar grondgebied als bedoeld in lid 4 aan en verstrekt desgevraagd een uitgebreide toelichting en ondersteunende gegevens op basis van de OIE-normen of op een andere wijze die door het Gespecialiseerd Handelscomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen is vastgesteld, op basis van de kennis en ervaring van de bevoegde autoriteiten van de Partij van uitvoer.

6.   Met betrekking tot planten, plantaardige producten en andere daarmee verband houdende objecten geldt dat wanneer de Partij van invoer op verzoek van de Partij van uitvoer fytosanitaire invoervoorwaarden vaststelt of handhaaft, zij de door de Partij van uitvoer vastgestelde plaagorganismevrije gebieden, plaagorganismevrije productieplaatsen, plaagorganismevrije productieterreinen, gebieden met een lage plaagorganismeprevalentie en beschermde gebieden als grondslag erkent voor haar beraad over de beslissing of zij de invoer toestaat of handhaaft, onverminderd de leden 8 en 9.

7.   De Partij van uitvoer wijst haar plaagorganismevrije gebieden, plaagorganismevrije productieplaatsen, plaagorganismevrije productieterreinen, gebieden met een lage plaagorganismeprevalentie of beschermde gebieden aan. De Partij van uitvoer verstrekt de Partij van invoer desgevraagd een uitgebreide toelichting en ondersteunende gegevens op basis van de in het kader van het IPPC ontwikkelde internationale normen voor fytosanitaire maatregelen, of op een andere door het Gespecialiseerd Handelscomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen vastgestelde wijze, op basis van de kennis en ervaring van de bevoegde fytosanitaire autoriteiten van de Partij van uitvoer.

8.   De Partijen erkennen ziektevrije gebieden en beschermde gebieden zoals die aan het eind van de overgangsperiode bestaan.

9.   Lid 8 is ook van toepassing op latere aanpassingen van de ziektevrije gebieden en beschermde gebieden (in het geval van de ziektevrije gebieden van het Verenigd Koninkrijk), behalve in geval van significante veranderingen in de ziekte- of plagensituaties.

10.   De Partijen kunnen audits en verificaties uitvoeren op grond van artikel 79 met het oog op de uitvoering van de leden 4 tot en met 9 van dit artikel.

11.   De Partijen werken nauw samen om het vertrouwen in de procedures met betrekking tot de vaststelling van ziekte- of plaagorganismevrije gebieden, plaagorganismevrije productieplaatsen, plaagorganismevrije productieterreinen en gebieden met een lage plaagorganismeprevalentie of ziekten en beschermde gebieden in stand te houden, teneinde verstoring van de handel tot een minimum te beperken.

12.   De Partij van invoer baseert haar eigen vaststelling van de veterinaire of plantgezondheidsstatus van de Partij van uitvoer of gedeelten daarvan op de door de Partij van uitvoer overeenkomstig de bepalingen van de SPS-Overeenkomst en de OIE- en IPPC-normen verstrekte informatie, en houdt rekening met de vaststellingen die de Partij van uitvoer heeft gedaan.

13.   Wanneer de Partij van invoer de in lid 12 van dit artikel bedoelde vaststelling van de Partij van uitvoer niet aanvaardt, motiveert de Partij van invoer objectief de redenen voor die afwijzing, licht zij die toe aan de Partij van uitvoer en houdt zij desgevraagd overleg, in overeenstemming met artikel 80, lid 2.

14.   Elke Partij ziet erop toe dat de in de leden 4 tot en met 9, alsmede 12 en 13, vastgestelde verplichtingen zonder onnodige vertraging worden uitgevoerd respectievelijk nagekomen. De Partij van invoer zal de erkenning van de ziekte- of plaagstatus bespoedigen wanneer de status na een uitbraak is hersteld.

15.   Wanneer een Partij van oordeel is dat een specifieke regio een bijzondere status heeft ten aanzien van een specifieke ziekte en voldoet aan de criteria van hoofdstuk 1.2 van de Gezondheidscode voor landdieren van het OIE of van hoofdstuk 1.2 van de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE, kan zij verzoeken om erkenning van die status. De Partij van invoer kan verzoeken om aanvullende garanties met betrekking tot de invoer van levende dieren en dierlijke producten die passend zijn in verband met de status waarover overeenstemming bestaat.

Artikel 79

Audits en verificaties

1.   De Partij van invoer kan audits en verificaties uitvoeren met betrekking tot:

a)

het volledige inspectie- en certificeringssysteem van de Partij van uitvoer of een deel daarvan;

b)

de resultaten van de in het kader van het inspectie- en certificeringssysteem van de Partij van uitvoer verrichte controles.

2.   De Partijen voeren die audits en verificaties uit in overeenstemming met de bepalingen van de SPS-Overeenkomst, daarbij rekening houdend met de toepasselijke internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de Codex, het OIE of het IPPC.

3.   Met het oog op het uitvoeren van die audits en verificaties kan de Partij van invoer audits en verificaties uitvoeren door middel van verzoeken om informatie van de Partij van uitvoer of audit- en verificatiebezoeken aan de Partij van uitvoer, die het volgende kunnen omvatten:

a)

een evaluatie van het door de bevoegde autoriteiten uitgevoerde volledige controleprogramma, of van een deel daarvan, waarbij in voorkomend geval ook de voorgeschreven audit- en inspectieactiviteiten worden gecontroleerd;

b)

controles ter plaatse, en

c)

het verzamelen van informatie en gegevens om de oorzaken van terugkerende of zich voordoende problemen in verband met de uitvoer van producten te beoordelen.

4.   De Partij van invoer deelt de resultaten en conclusies van de op grond van lid 1 verrichte audits en verificaties met de Partij van uitvoer. De Partij van invoer kan die resultaten openbaar maken.

5.   Voorafgaand aan de aanvang van een audit of verificatie bespreken de Partijen de doelstellingen en de reikwijdte van de audit of verificatie, de criteria of vereisten aan de hand waarvan de Partij van uitvoer zal worden beoordeeld, en de stappen en de procedures voor het uitvoeren van de audit of verificatie, die in een audit- of verificatieplan worden vastgelegd. Tenzij de Partijen anders overeenkomen, verstrekt de Partij van invoer de Partij van uitvoer ten minste 30 dagen vóór het begin van de audit of verificatie een audit- of verificatieplan.

6.   De Partij van invoer stelt de Partij van uitvoer in de gelegenheid schriftelijke opmerkingen over het ontwerp-auditverslag of het ontwerpverificatieverslag te maken. De Partij van invoer verstrekt aan de Partij van uitvoer normaliter binnen twee maanden na ontvangst van die opmerkingen een schriftelijk eindverslag.

7.   Elke Partij draagt haar eigen kosten in verband met een dergelijke audit of verificatie.

Artikel 80

Kennisgeving en overleg

1.   Een Partij geeft aan de andere Partij zonder onnodige vertraging kennis van:

a)

een significante verandering in de status met betrekking tot plaagorganismen of ziekten;

b)

het uitbreken van een nieuwe dierziekte;

c)

een bevinding van epidemiologisch belang met betrekking tot een dierziekte;

d)

een belangrijk voedselveiligheidsprobleem dat door een Partij is vastgesteld;

e)

eventuele aanvullende maatregelen die, naast de normale respectieve SPS-maatregelen, zijn getroffen om een dierziekte te bestrijden of uit te roeien of de menselijke gezondheid te beschermen, en eventuele wijzigingen in het preventiebeleid, waaronder het vaccinatiebeleid;

f)

op verzoek, de resultaten van de officiële controle van een Partij en een verslag betreffende de resultaten van de verrichte controle, en

g)

alle belangrijke wijzigingen met betrekking tot de functies van een systeem of gegevensbank.

2.   Indien een Partij aanzienlijke bedenkingen heeft met betrekking tot voedselveiligheid, de gezondheid van planten of de gezondheid van dieren, of over een SPS-maatregel die de andere Partij heeft voorgesteld of doorgevoerd, kan die Partij verzoeken om technisch overleg met de andere Partij. De aangezochte Partij moet het verzoek zonder onnodige vertraging beantwoorden. Elke Partij streeft ernaar de informatie te verstrekken die noodzakelijk is om verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen en, in voorkomend geval, tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen.

3.   Het in lid 2 bedoelde overleg kan plaatsvinden via een telefoonconferentie, een videoconferentie of een ander door de Partijen onderling overeengekomen communicatiemiddel.

Artikel 81

Noodmaatregelen

1.   Indien de Partij van invoer van oordeel is dat er een ernstig risico bestaat voor het leven en de gezondheid van mens, dier of plant, kan zij zonder voorafgaande kennisgeving de maatregelen treffen die nodig zijn om het leven en de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen. Voor zendingen die in transito zijn tussen de Partijen, zoekt de Partij van invoer de meest geschikte en evenredige oplossing om onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen.

2.   De Partij die de maatregelen neemt, stelt de andere Partij zo spoedig mogelijk na haar besluit om de maatregel ten uitvoer te leggen en uiterlijk 24 uur nadat het besluit is genomen, in kennis van een SPS-noodmaatregel. Indien een Partij verzoekt om technisch overleg om de SPS-noodmaatregel te bespreken, moet dat technisch overleg plaatsvinden binnen tien dagen na de kennisgeving van de SPS-noodmaatregel. De Partijen nemen via het technisch overleg verstrekte informatie in overweging. Doel van het overleg is het voorkomen van onnodige verstoringen van het handelsverkeer. De Partijen kunnen opties overwegen voor de bevordering van de tenuitvoerlegging of de vervanging van de maatregelen.

3.   De Partij van invoer neemt bij haar besluit over zendingen die ten tijde van de vaststelling van de SPS-noodmaatregel tussen de Partijen worden vervoerd, door de Partij van uitvoer verstrekte informatie tijdig in overweging, teneinde onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen.

4.   De Partij van invoer ziet erop toe dat noodmaatregelen die worden genomen om de in lid 1 van dit artikel genoemde redenen, niet worden gehandhaafd zonder wetenschappelijk bewijs, of, in gevallen waarin wetenschappelijk bewijs ontoereikend is, worden genomen in overeenstemming met artikel 5, lid 7, van de SPS-Overeenkomst.

Artikel 82

Multilaterale internationale fora

De Partijen komen overeen in multilaterale internationale fora samen te werken bij de ontwikkeling van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen op de gebieden die onder dit hoofdstuk vallen.

Artikel 83

Tenuitvoerlegging en bevoegde autoriteiten

1.   Voor de uitvoering van dit hoofdstuk houdt elke Partij rekening met al het volgende:

a)

de besluiten van het SPS-Comité van de WTO;

b)

de werkzaamheden van de relevante internationale normalisatie-instellingen;

c)

alle kennis en ervaring die zij in het verleden op het gebied van handel met de Partij van Uitvoer heeft opgedaan, en

d)

door de andere Partij verstrekte informatie.

2.   De Partijen verstrekken elkaar onverwijld een beschrijving van de bevoegde autoriteiten van de Partijen voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk. De Partijen stellen elkaar in kennis van alle wijzigingen van betekenis met betrekking tot die bevoegde autoriteiten.

3.   Elke Partij ziet erop toe dat haar bevoegde autoriteiten over de nodige middelen beschikken om dit hoofdstuk effectief toe te passen.

Artikel 84

Samenwerking op gebied van dierenwelzijn

1.   De Partijen erkennen dat dieren wezens met gevoel zijn. Zij erkennen ook het verband tussen verbetering van het dierenwelzijn en duurzame voedselproductiesystemen.

2.   De Partijen verbinden zich ertoe in internationale fora samen te werken om de ontwikkeling van de best mogelijke praktijken op het gebied van dierenwelzijn en de toepassing daarvan te bevorderen. De Partijen werken met name samen om het toepassingsgebied van de OIE-dierenwelzijnsnormen en de toepassing ervan te versterken en uit te breiden, met bijzondere aandacht voor landbouwhuisdieren.

3.   De Partijen wisselen informatie, deskundigheid en ervaringen uit op het gebied van dierenwelzijn, met name met betrekking tot het fokken, houden, de omgang met, het vervoeren en slachten van voedselproducerende dieren.

4.   De Partijen versterken hun samenwerking op het gebied van onderzoek op het gebied van dierenwelzijn in verband met het fokken van dieren en de behandeling van dieren op landbouwbedrijven, tijdens het vervoer en bij het slachten.

Artikel 85

Samenwerking inzake antimicrobiële resistentie

1.   De Partijen voorzien in een kader voor dialoog en samenwerking ter versterking van de strijd tegen de ontwikkeling van antimicrobiële resistentie.

2.   De Partijen erkennen dat antimicrobiële resistentie een ernstige bedreiging voor de gezondheid van mens en dier vormt. Verkeerd gebruik van antimicrobiële stoffen bij de dierlijke productie, waaronder niet-therapeutisch gebruik, kan bijdragen tot antimicrobiële resistentie die een risico kan vormen voor het leven van de mens. De Partijen erkennen dat de aard van de bedreiging een transnationale en een "één gezondheid"-benadering vereist.

3.   Met het oog op de bestrijding van antimicrobiële resistentie streven de Partijen ernaar internationaal samen te werken met regionale of multilaterale werkprogramma's om het onnodige gebruik van antibiotica bij de dierlijke productie te verminderen en internationaal te werken aan het stopzetten van het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar, met het oog op de bestrijding van antimicrobiële resistentie, in overeenstemming met de "één gezondheid"-benadering en in overeenstemming met het mondiaal actieplan.

4.   De Partijen werken samen aan de ontwikkeling van internationale richtsnoeren, normen, aanbevelingen en acties in relevante internationale organisaties met het oog op het bevorderen van een verstandig en verantwoord gebruik van antibiotica in de veehouderij en dierenartspraktijken.

5.   De in lid 1 bedoelde dialoog heeft onder meer betrekking op:

a)

samenwerking met het oog op een follow-up van bestaande en toekomstige richtsnoeren, normen, aanbevelingen en acties die zijn ontwikkeld in relevante internationale organisaties, initiatieven en nationale plannen ter bevordering van het voorzichtige en verantwoorde gebruik van antibiotica en met betrekking tot dierlijke productie en dierenartspraktijken;

b)

samenwerking bij de uitvoering van de aanbevelingen van het OIE, de Wereldgezondheidsorganisatie en de Codex, met name CAC-RCP61/2005;

c)

de uitwisseling van informatie over goede landbouwpraktijken;

d)

de bevordering van onderzoek, innovatie en ontwikkeling;

e)

de bevordering van multidisciplinaire benaderingen ter bestrijding van antimicrobiële resistentie, met inbegrip van de "één gezondheid"-benadering van de Wereldgezondheidsorganisatie, het OIE en de Codex.

Artikel 86

Duurzame voedselsystemen

Elke Partij moedigt haar diensten op het gebied van voedselveiligheid, dier- en plantgezondheid aan samen te werken met hun tegenhangers in de andere Partij, met het oog op de bevordering van duurzame voedselproductiemethoden en voedselsystemen.

Artikel 87

Gespecialiseerd Handelscomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen

Het Gespecialiseerd Handelscomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen houdt toezicht op de uitvoering en werking van dit hoofdstuk en heeft de volgende taken:

a)

het zo mogelijk onverwijld opheldering verschaffen over en een onderzoek instellen naar alle door een Partij voorgelegde kwesties in verband met het opstellen, vaststellen of toepassen van sanitaire en fytosanitaire vereisten, normen en aanbevelingen in het kader van dit hoofdstuk of de SPS-Overeenkomst;

b)

het bespreken van de lopende processen voor de ontwikkeling van nieuwe voorschriften;

c)

het zo spoedig mogelijk bespreken van bezwaren van een Partij met betrekking tot de door de andere Partij toegepaste SPS-invoervoorwaarden en -procedures;

d)

het regelmatig evalueren van de SPS-maatregelen van de Partijen, met inbegrip van certificeringsvoorschriften en douaneafhandelingsprocedures aan de grens, en de toepassing daarvan, teneinde de handel tussen de Partijen te bevorderen, overeenkomstig de beginselen, doelstellingen en procedures van artikel 5 van de SPS-overeenkomst. Elke Partij stelt vast welke passende maatregelen zij zal nemen, onder meer met betrekking tot de frequentie van de identiteits- en materiële controles, rekening houdend met de resultaten van die evaluatie en op basis van de criteria van bijlage 10 bij deze overeenkomst;

e)

het uitwisselen van standpunten, informatie en ervaringen met betrekking tot de samenwerkingsactiviteiten op het gebied van de bescherming van het dierenwelzijn en de bestrijding van antimicrobiële resistentie uit hoofde van de artikelen 84 en 85;

f)

het nagaan, op verzoek van een Partij, wat een belangrijke verandering in de ziekte- of plaagsituatie vormt als bedoeld in artikel 78, lid 9, vormt;

g)

het nemen van besluiten om:

i)

definities toe te voegen als bedoeld in artikel 71;

ii)

de specifieke gevallen als bedoeld in artikel 74, lid 2, te omschrijven;

iii)

de in artikel 78, lid 1, bedoelde procedures nader te omschrijven;

iv)

andere manieren vast te stellen om de in artikel 78, leden 5 en 7, bedoelde uitleg te ondersteunen.

HOOFDSTUK 4

TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN

Artikel 88

Doel

Dit hoofdstuk heeft tot doel de handel in goederen tussen de Partijen te bevorderen door onnodige technische handelsbelemmeringen te voorkomen, op te sporen en weg te nemen.

Artikel 89

Toepassingsgebied

1.   Dit hoofdstuk is van toepassing op het opstellen, het aannemen en het toepassen van alle normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures die de handel in goederen tussen de Partijen kunnen beïnvloeden.

2.   Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

a)

aankoopspecificaties die door overheidsorganen zijn opgesteld om te voorzien in de productie- of verbruiksbehoeften van die organen, of

b)

SPS-maatregelen die binnen het toepassingsgebied van hoofdstuk 3 van deze titel vallen.

3.   De bijlagen bij dit hoofdstuk gelden in aanvulling op dit hoofdstuk voor de producten die binnen het toepassingsgebied van die bijlagen vallen. Waar in een bijlage bij dit hoofdstuk wordt bepaald dat een internationale norm, een internationaal orgaan of een internationale organisatie moet worden beschouwd of erkend als relevant, sluit zulks niet uit dat een door een ander orgaan of andere organisatie ontwikkelde norm als een relevante internationale norm wordt beschouwd op grond van artikel 91, leden 4 en 5.

Artikel 90

Verhouding tot de TBT-Overeenkomst

1.   De artikelen 2 tot en met 9 en de bijlagen 1 en 3 bij de TBT-Overeenkomst worden mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maken daar integrerend deel van uit.

2.   De in dit hoofdstuk en de bijlagen daarbij gebruikte termen hebben dezelfde betekenis als in de TBT-Overeenkomst.

Artikel 91

Technische voorschriften

1.   Elke Partij voert effectbeoordelingen van voorgenomen technische voorschriften uit overeenkomstig haar respectieve regels en procedures. De in dit lid en in lid 8 bedoelde regels en procedures kunnen voorzien in uitzonderingen.

2.   Elke Partij beoordeelt de beschikbare regelgevings- en niet-regelgevingsalternatieven voor het voorgestelde technisch voorschrift waarmee de legitieme doelstellingen van de Partij kunnen worden bereikt, overeenkomstig artikel 2.2 van de TBT-Overeenkomst.

3.   Elke Partij gebruikt relevante internationale normen als basis voor haar technische voorschriften, tenzij zij kan aantonen dat die internationale normen ondoelmatig of ongeschikt zijn voor de verwezenlijking van de beoogde legitieme doelstellingen.

4.   De door de Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO), de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC), de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU) en de Codex Alimentarius Commissie (Codex) ontwikkelde internationale normen worden beschouwd als de relevante internationale normen in de zin van de artikelen 2 en 5 van en bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst.

5.   Ook een door andere internationale organisaties ontwikkelde norm kan als een relevante internationale norm in de zin van de artikelen 2 en 5 van en bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst worden beschouwd, mits:

a)

die is ontwikkeld door een normalisatie-instelling die consensus nastreeft tussen

i)

hetzij nationale delegaties van de deelnemende WTO-leden die alle nationale normalisatie-instellingen op hun grondgebied vertegenwoordigen welke over het voorwerp van de internationale normalisatieactiviteit normen hebben vastgesteld of voornemens zijn vast te stellen,

ii)

hetzij overheidsorganen van deelnemende WTO-leden; en

b)

die is ontwikkeld overeenkomstig het Besluit van de WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen inzake de beginselen voor de ontwikkeling van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen met betrekking tot de artikelen 2 en 5 van en bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst (4).

6.   Wanneer een Partij geen internationale normen als basis voor een technisch voorschrift gebruikt, stelt zij op verzoek van de andere Partij elke substantiële afwijking van de relevante internationale norm vast, zet zij uiteen waarom die normen ongeschikt of ondoeltreffend werden geacht voor het nagestreefde doel, en verstrekt zij het wetenschappelijke of technische bewijsmateriaal waarop die beoordeling werd gebaseerd.

7.   Elke Partij evalueert haar technische voorschriften met het oog op een grotere convergentie van die technische voorschriften met relevante internationale normen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met nieuwe ontwikkelingen in de desbetreffende internationale normen of veranderingen in de omstandigheden die tot afwijking van relevante internationale normen heeft geleid.

8.   Overeenkomstig haar respectieve regels en procedures en onverminderd titel X van deze afdeling ziet elke Partij er bij de ontwikkeling van belangrijke technische voorschriften die aanzienlijke gevolgen voor het handelsverkeer kunnen hebben, op toe dat er procedures bestaan die personen in staat stellen hun mening te geven in een openbare raadplegingsprocedure, behalve wanneer zich dringende problemen voordoen of dreigen voor te doen op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieu of nationale veiligheid. Elke Partij staat personen van de andere Partij toe aan die raadplegingsprocedure deel te nemen onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke voor haar eigen onderdanen gelden, en maakt de resultaten van die raadplegingsprocedure openbaar.

Artikel 92

Normen

1.   Elke Partij moedigt de op haar grondgebied gevestigde normalisatie-instellingen, alsmede de regionale normalisatie-instellingen waarvan een Partij of de op haar grondgebied gevestigde normalisatie-instellingen lid zijn, aan:

a)

om binnen hun mogelijkheden mee te werken aan de opstelling van internationale normen door de bevoegde internationale normalisatie-instellingen;

b)

om de toepasselijke internationale normen te gebruiken als grondslag voor de normen die zij ontwikkelen, behalve wanneer dergelijke internationale normen ondoeltreffend of ongeschikt zouden zijn, bijvoorbeeld omdat zij onvoldoende bescherming bieden of wegens fundamentele klimatologische of geografische omstandigheden of fundamentele technologische problemen;

c)

om doublures of overlappingen met de werkzaamheden van de internationale normalisatie-instellingen te voorkomen;

d)

om regelmatig niet op de relevante internationale normen gebaseerde nationale en regionale normen te evalueren, teneinde de convergentie ervan met die internationale normen te verbeteren;

e)

om samen te werken met de desbetreffende normalisatie-instellingen van de andere Partij bij internationale normalisatieactiviteiten, onder meer door samenwerking in de internationale normalisatie-instellingen of op regionaal niveau;

f)

om de bilaterale samenwerking met de normalisatie-instellingen van de andere Partij te bevorderen, en

g)

om informatie tussen normalisatie-instellingen uit te wisselen.

2.   De Partijen wisselen informatie uit over:

a)

hun respectieve gebruik van normen ter ondersteuning van technische voorschriften, en

b)

hun respectieve normalisatieprocessen, en in hoeverre zij internationale, regionale of sub-regionale normen als basis voor hun nationale normen hanteren.

3.   Wanneer normen door opname of verwijzing in een ontwerp van een technisch voorschrift of conformiteitsbeoordelingsprocedure verplicht worden gesteld, zijn de transparantieverplichtingen van artikel 94 en artikel 2 of 5 van de TBT-Overeenkomst van toepassing.

Artikel 93

Conformiteitsbeoordeling

1.   Artikel 91 betreffende de opstelling, aanneming en toepassing van technische voorschriften is mutatis mutandis op conformiteitsbeoordelingsprocedures van toepassing.

2.   Wanneer een Partij een conformiteitsbeoordeling verlangt als een positieve garantie dat een product aan een technisch voorschrift voldoet:

a)

selecteert zij conformiteitsbeoordelingsprocedures die in verhouding staan tot de betrokken risico's, zoals bepaald op basis van een risicobeoordeling;

b)

beschouwt zij het gebruik, als bewijs van conformiteit met technische voorschriften, van de conformiteitsverklaring van een leverancier, d.w.z. een door de fabrikant onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van de fabrikant zonder een verplichte beoordeling door een derde partij afgegeven conformiteitsverklaring, als een van de opties om aan te tonen dat aan de technische voorschriften wordt voldaan;

c)

verstrekt zij, indien de andere Partij daarom verzoekt, informatie over de criteria die worden gebruikt om de conformiteitsbeoordelingsprocedures voor specifieke producten te selecteren.

3.   Wanneer een Partij een conformiteitsbeoordeling door een derde verlangt als positieve garantie dat een product in overeenstemming met een technisch voorschrift is, en zij die taak niet aan een overheidsinstantie heeft voorbehouden als bedoeld in lid 4, dan:

a)

gebruikt zij, in voorkomend geval, accreditatie als middel ten bewijze van technische bekwaamheid bij de toelating van conformiteitsbeoordelingsinstanties. Onverminderd haar recht om vereisten voor conformiteitsbeoordelingsinstanties vast te stellen, erkent elke Partij de waardevolle rol die accreditatie met overheidsgezag en op niet-commerciële basis bij de kwalificatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties kan spelen;

b)

maakt zij gebruik van de relevante internationale normen voor accreditatie en conformiteitsbeoordeling;

c)

moedigt zij de op haar grondgebied gevestigde accreditatie-instanties en conformiteitsbeoordelingsinstanties aan, zich bij alle geldende desbetreffende internationale overeenkomsten of regelingen voor harmonisatie of bevordering van de aanvaarding van conformiteitsbeoordelingsresultaten aan te sluiten;

d)

ziet zij erop toe, wanneer twee of meer conformiteitsbeoordelingsinstanties door een Partij zijn gemachtigd om de conformiteitsbeoordelingsprocedures uit te voeren die nodig zijn om een product in de handel te brengen, dat marktdeelnemers een keuze hebben tussen de door de autoriteiten voor een bepaald product of voor een bepaalde reeks producten aangewezen conformiteitsbeoordelingsinstanties;

e)

ziet zij erop toe dat conformiteitsbeoordelingsinstanties onafhankelijk zijn van fabrikanten, importeurs en marktdeelnemers in het algemeen en dat er tussen accreditatie-instanties en conformiteitsbeoordelingsinstanties geen sprake is van belangenconflicten;

f)

staat zij conformiteitsbeoordelingsinstanties toe gebruik te maken van onderaannemers om tests of controles met betrekking tot de conformiteitsbeoordeling uit te voeren, met inbegrip van onderaannemers die op het grondgebied van de andere Partij zijn gevestigd, en kan zij van onderaannemers verlangen dat zij aan dezelfde eisen voldoen waaraan de conformiteitsbeoordelingsinstantie moet voldoen om zelf dergelijke tests of keuringen uit te voeren, en

g)

maakt zij op één website een lijst bekend van de instanties die zij heeft aangewezen om dergelijke conformiteitsbeoordelingen uit te voeren alsmede de relevante informatie over de reikwijdte van de aanwijzing van elk van die instanties.

4.   Niets in dit artikel belet een Partij te eisen dat de conformiteitsbeoordeling voor specifieke producten door haar specifieke overheidsinstanties wordt uitgevoerd. Indien een Partij verlangt dat de conformiteitsbeoordeling door haar specifieke overheidsinstanties wordt uitgevoerd, moet die Partij:

a)

de conformiteitsbeoordelingsvergoedingen beperken tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten en, op verzoek van een aanvrager van een conformiteitsbeoordeling, toelichten hoe eventuele vergoedingen die zij voor een dergelijke conformiteitsbeoordeling aanrekent, beperkt blijven tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten, en

b)

de vergoedingen voor conformiteitsbeoordeling openbaar maken.

5.   Niettegenstaande de leden 2 tot en met 4 aanvaardt elke Partij de conformiteitsverklaring van de leverancier als bewijs van naleving van haar technische voorschriften met betrekking tot die productgebieden waarvoor zij dat op de datum van de inwerkingtreding van deze overeenkomst doet.

6.   Elke Partij maakt ter informatie een lijst van de in lid 5 bedoelde productgebieden bekend, samen met de verwijzingen naar de toepasselijke technische voorschriften, en actualiseert deze.

7.   Niettegenstaande lid 5 kan elk van de Partijen eisen voor verplichte tests door derden of certificering van de in dat lid bedoelde productgebieden invoeren, voor zover die eisen op grond van legitieme doelstellingen gerechtvaardigd zijn en evenredig zijn met het doel de Partij van invoer voldoende vertrouwen te geven dat de producten in overeenstemming zijn met de toepasselijke technische voorschriften of normen, rekening houdend met de risico's die de non-conformiteit zou opleveren.

8.   Een Partij die voorstelt de in lid 7 bedoelde conformiteitsbeoordelingsprocedures in te voeren, stelt de andere Partij daarvan in een vroeg stadium in kennis en houdt bij het ontwerpen van een dergelijke conformiteitsbeoordelingsprocedures rekening met de opmerkingen van de andere Partij.

Artikel 94

Transparantie

1.   Tenzij zich dringende problemen op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid voordoen of dreigen voor te doen, staat elke Partij de andere Partij toe in een periode van ten minste 60 dagen na de datum van toezending van de kennisgeving van voorgestelde technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures aan het centraal register van kennisgevingen van de WTO, schriftelijke opmerkingen over die voorschriften en procedures in te dienen. Een Partij neemt redelijke verzoeken tot verlenging van die termijn om opmerkingen in te dienen, in welwillende overweging.

2.   Elke Partij verstrekt samen met de kennisgeving de elektronische versie van de volledige tekst waarvan kennisgeving wordt gedaan; Ingeval de tekst waarvan kennisgeving is gedaan, niet in een van de officiële talen van de WTO is gesteld, verstrekt de kennisgevende Partij een gedetailleerde en uitvoerige beschrijving van de inhoud van de maatregel in het kennisgevingsformat van de WTO.

3.   Indien een Partij van de andere Partij schriftelijke opmerkingen over haar voorstel voor een technisch voorschrift of voor een conformiteitsbeoordelingsprocedure ontvangt, dan:

a)

bespreekt zij, op verzoek van de andere Partij, de schriftelijke opmerkingen met de medewerking van haar bevoegde regelgevende instantie, op een tijdstip waarop daarmee rekening kan worden gehouden, en

b)

antwoordt zij uiterlijk op de dag van de bekendmaking van het technisch voorschrift of de conformiteitsbeoordelingsprocedure schriftelijk op de opmerkingen.

4.   Elke Partij tracht haar antwoorden op de opmerkingen die zij na de in lid 1 bedoelde kennisgeving ontvangt, uiterlijk op de datum van de bekendmaking van het aangenomen technisch voorschrift of van de aangenomen conformiteitsbeoordelingsprocedure bekend te maken op een website.

5.   Elke Partij verstrekt de andere Partij desgevraagd informatie over de doelstellingen van, de rechtsgrondslag voor en de grondgedachte achter een technisch voorschrift dat of een conformiteitsbeoordelingsprocedure die zij heeft aangenomen of voornemens is aan te nemen.

6.   Elke Partij ziet erop toe dat de door haar aangenomen technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures kosteloos op een gratis toegankelijke website worden gepubliceerd.

7.   Elke Partij verstrekt informatie over de aanneming en de inwerkingtreding van technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures en de aangenomen definitieve teksten door middel van een addendum bij de oorspronkelijke kennisgeving aan de WTO.

8.   Elke Partij voorziet in een redelijke termijn tussen de bekendmaking van technische voorschriften en de inwerkingtreding ervan, zodat de marktdeelnemers van de andere Partij tijd hebben om zich aan te passen. Onder "redelijke termijn" wordt verstaan een periode van ten minste zes maanden, tenzij dat ondoeltreffend zou zijn voor het bereiken van de legitieme doelstellingen die worden nagestreefd.

9.   Wanneer een Partij voordat de in lid 1 vermelde termijn voor het indienen van opmerkingen was verstreken, een redelijk verzoek van de andere Partij heeft ontvangen dat strekt tot verlenging van de termijn tussen de aanneming van het technisch voorschrift en de dag waarop het in werking treedt, neemt zij dat in welwillende overweging, tenzij de vertraging niet doeltreffend zou zijn om de nagestreefde legitieme doelstellingen te verwezenlijken.

10.   Elke Partij ziet erop toe dat het overeenkomstig artikel 10 van de TBT-Overeenkomst ingestelde informatiepunt informatie verstrekt in een van de officiële talen van de WTO in antwoord op redelijke verzoeken om inlichtingen van de andere Partij of van belanghebbenden uit de andere Partij betreffende aangenomen technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures.

Artikel 95

Markering en etikettering

1.   De technische voorschriften van een Partij kunnen geheel of ten dele betrekking hebben op bindende markerings- of etiketteringsvoorschriften. In die gevallen zijn de beginselen van artikel 2.2 van de TBT-Overeenkomst op die technische voorschriften van toepassing.

2.   Wanneer een Partij een verplichte markering of etikettering van producten voorschrijft, zijn alle volgende voorwaarden van toepassing:

a)

zij verlangt uitsluitend informatie die van belang is voor de consumenten of de gebruikers van het product of informatie die aangeeft dat het product aan de bindende technische vereisten voldoet;

b)

zij verlangt geen voorafgaande goedkeuring, registratie of certificering van de etiketten of markeringen van producten, en evenmin betaling van een vergoeding, als voorwaarde voor het in de handel brengen van producten die anderszins in overeenstemming zijn met haar bindende technische voorschriften, tenzij zulks met het oog op haar legitieme doelstellingen noodzakelijk is;

c)

indien de Partij verlangt dat marktdeelnemers een uniek identificatienummer gebruiken, kent zij zo'n nummer zonder onnodige vertraging en op niet-discriminerende grondslag toe aan de marktdeelnemers van de andere Partij;

d)

voor zover de in punt i), ii) of iii) vermelde informatie niet misleidend, tegenstrijdig of verwarrend zou zijn met betrekking tot de informatie die de Partij van invoer met betrekking tot de goederen verlangt, staat de Partij van invoer toe dat:

i)

informatie in meer talen dan alleen de taal die in de Partij van invoer van de goederen is voorgeschreven, wordt verstrekt;

ii)

internationaal aanvaarde nomenclaturen, pictogrammen, symbolen of afbeeldingen worden gebruikt, en

iii)

meer informatie dan die welke in de Partij van invoer van de goederen is voorgeschreven, wordt verstrekt;

e)

zij aanvaardt dat etikettering, met inbegrip van aanvullende etikettering en/of correcties op de etikettering, plaatsvindt in douane-entrepots of andere aangewezen zones in het land van invoer, als alternatief voor etikettering in het land van herkomst, tenzij die etikettering om redenen van openbare gezondheid of van veiligheid moet worden aangebracht door daartoe gemachtigde personen, en

f)

zij streeft ernaar om, tenzij zij meent dat legitieme doelstellingen in gevaar komen, het gebruik van niet-permanente of verwijderbare etiketten dan wel markeringen of etikettering in de begeleidende documentatie te aanvaarden, in plaats van te eisen dat etiketten of markeringen op of aan het product zelf worden aangebracht.

Artikel 96

Samenwerking inzake markttoezicht en productveiligheid en -conformiteit voor non-food

1.   De Partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van markttoezicht, conformiteit en veiligheid van non-foodproducten voor de bevordering van de handel en de bescherming van consumenten en andere gebruikers, en het belang van het opbouwen van wederzijds vertrouwen op basis van gedeelde informatie.

2.   Om de onafhankelijke en onpartijdige werking van het markttoezicht te waarborgen, zien de Partijen erop toe dat:

a)

markttoezichtfuncties en conformiteitsbeoordelingsfuncties van elkaar zijn gescheiden, en

b)

er geen sprake is van belangen die de onpartijdigheid van markttoezichtautoriteiten bij het verrichten van hun controle of toezicht op marktdeelnemers in het gedrang zouden brengen.

3.   De Partijen werken samen en wisselen informatie uit op het gebied van de veiligheid en conformiteit van non-foodproducten, hetgeen met name het volgende kan omvatten:

a)

markttoezichts- en handhavingsactiviteiten en -maatregelen;

b)

methoden voor risicobeoordeling en productbeproeving;

c)

gecoördineerde terugroepacties voor producten of andere vergelijkbare acties;

d)

wetenschappelijke, technische en regelgevingsaangelegenheden, om de veiligheid en conformiteit van non-foodproducten te verbeteren;

e)

nieuwe kwesties die van groot belang zijn op het gebied van gezondheid en veiligheid;

f)

met normalisatie verband houdende activiteiten;

g)

uitwisseling van ambtenaren.

4.   De Partnerschapsraad zal naar zijn beste kunnen in bijlage 16 zo spoedig mogelijk en bij voorkeur binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, een regeling vaststellen voor de regelmatige uitwisseling van informatie tussen het systeem voor snelle waarschuwing voor non-foodproducten (RAPEX), of de opvolger daarvan, en de gegevensbank voor markttoezicht en productveiligheid die is ingesteld uit hoofde van de "General Product Safety Regulations 2005" (UK algemene regelgeving inzake productveiligheid 2005), of de opvolger daarvan, inzake de veiligheid van non-foodproducten en daarmee verband houdende preventieve, beperkende en corrigerende maatregelen.

In de regeling worden de modaliteiten vastgesteld waaronder:

a)

de Unie aan het Verenigd Koninkrijk bepaalde informatie moet verstrekken uit haar RAPEX-waarschuwingssysteem, of de opvolger daarvan, zoals bedoeld in Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid, of de opvolger daarvan;

b)

het Verenigd Koninkrijk aan de Unie bepaalde informatie moet verstrekken uit zijn databank met betrekking tot markttoezicht en productveiligheid die is ingesteld uit hoofde van de General Product Safety Regulations 2005, of de opvolger daarvan, en

c)

de Partijen elkaar in kennis moeten stellen van eventuele vervolgacties en maatregelen die naar aanleiding van de uitgewisselde informatie worden genomen.

5.   De Partnerschapsraad kan in bijlage 17 een regeling vaststellen voor de regelmatige uitwisseling, ook langs elektronische weg, van informatie betreffende andere dan de door lid 4 bestreken maatregelen met betrekking tot niet-conforme non-foodproducten.

6.   Elke Partij gebruikt de op grond van de leden 3, 4 en 5 verkregen informatie uitsluitend voor de bescherming van de consument, de gezondheid, de veiligheid of het milieu.

7.   Elke Partij behandelt de op grond van de leden 3, 4 en 5 verkregen informatie als vertrouwelijk.

8.   De in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen bepalen nader welke soort informatie wordt uitgewisseld en wat de modaliteiten zijn voor de uitwisseling en de toepassing van voorschriften inzake vertrouwelijkheid en bescherming van persoonsgegevens. De Partnerschapsraad is bevoegd besluiten vast te stellen tot vaststelling of wijziging van de regelingen in de bijlagen 16 en 17.

9.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "markttoezicht" verstaan activiteiten en maatregelen van markttoezicht- en handhavingsautoriteiten, met inbegrip van activiteiten die plaatsvinden en maatregelen die worden genomen in samenwerking met marktdeelnemers, op de grondslag van procedures van een Partij, om die Partij in staat te stellen de veiligheid van producten te monitoren of aan te pakken alsmede de conformiteit ervan aan de vereisten van haar wet- en regelgeving.

10.   Elke Partij ziet erop toe dat de maatregelen die door haar markttoezichtautoriteiten of handhavingsautoriteiten worden genomen om een uit het grondgebied van de andere Partij ingevoerd product uit de handel te nemen of terug te roepen van haar markt, of om het aanbieden van een uit het grondgebied van de andere Partij ingevoerd product op haar markt te verbieden of te beperken, om redenen die verband houden met de niet-naleving van de toepasselijke wetgeving, evenredig zijn, de exacte gronden vermelden waarop de maatregelen zijn gebaseerd en onverwijld aan de betrokken marktdeelnemer worden meegedeeld.

Artikel 97

Technisch overleg

1.   Indien een Partij van oordeel is dat een ontwerp of voorstel voor een technisch voorschrift of een conformiteitsbeoordelingsprocedure van de andere Partij aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de handel tussen de Partijen, kan zij om technisch overleg over die aangelegenheid verzoeken. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de andere Partij en vermeldt:

a)

de maatregel in kwestie;

b)

de bepalingen van dit hoofdstuk of van een bijlage bij dit hoofdstuk waarop de bezorgdheid betrekking heeft, en

c)

de redenen voor het verzoek, met inbegrip van een beschrijving van de punten van zorg van de verzoekende Partij ten aanzien van de maatregel.

2.   Een Partij dient haar verzoek in bij het op grond van artikel 99 aangewezen contactpunt van de andere Partij.

3.   Op verzoek van een van de Partijen komen de Partijen binnen 60 dagen na de datum van het verzoek bijeen om de in het verzoek aan de orde gestelde bezwaren persoonlijk of via video- of teleconferentie te bespreken en trachten zij de kwestie zo spoedig mogelijk op te lossen. Indien een verzoekende Partij van mening is dat de zaak dringend is, kan zij verzoeken dat een vergadering binnen een kortere termijn plaatsvindt. In dergelijke gevallen neemt de antwoordende Partij een dergelijk verzoek in welwillende overweging.

Artikel 98

Samenwerking

1.   De Partijen werken samen op het gebied van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, wanneer dat in hun wederzijds belang is en onverminderd de autonomie van hun respectieve besluitvormings- en rechtsordes. Het Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen kan standpunten uitwisselen met betrekking tot de samenwerkingsactiviteiten uit hoofde van dit artikel of van de bijlagen bij dit hoofdstuk.

2.   Voor de toepassing van lid 1 streven de Partijen ernaar samenwerkingsactiviteiten van wederzijds belang in kaart te brengen, te ontwikkelen en te bevorderen. Die activiteiten kunnen met name betrekking hebben op:

a)

het uitwisselen van informatie, ervaring en gegevens met betrekking tot technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures;

b)

het verzekeren van doeltreffende interactie en samenwerking van hun respectieve regelgevende instanties op internationaal, regionaal of nationaal niveau;

c)

voor zover mogelijk, het uitwisselen van informatie over internationale overeenkomsten en regelingen betreffende technische handelsbelemmeringen waarbij één of beide Partijen partij zijn dan wel zijn aangesloten, en

d)

het opzetten van of deelnemen aan initiatieven ter bevordering van de handel.

3.   Voor de toepassing van dit artikel en de bepalingen inzake samenwerking uit hoofde van de bijlagen bij dit hoofdstuk treedt de Europese Commissie op namens de Unie.

Artikel 99

Contactpunten

1.   Elke Partij wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst een contactpunt voor de uitvoering van dit hoofdstuk aan en stelt de andere Partij in kennis van de contactgegevens voor het contactpunt, met inbegrip van informatie met betrekking tot de betrokken ambtenaren. De Partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen van die contactgegevens.

2.   Het contactpunt verstrekt alle door het contactpunt van de andere Partij gevraagde informatie of uitleg met betrekking tot de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk binnen een redelijke termijn en, indien mogelijk, binnen 60 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek.

Artikel 100

Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen

Het Gespecialiseerd Handelscomité voor technische handelsbelemmeringen ziet toe op de tenuitvoerlegging en de werking van dit hoofdstuk en de bijlagen daarbij en verduidelijkt en behandelt, waar mogelijk, alle kwesties die door een Partij aan de orde worden gesteld in verband met de ontwikkeling, aanneming of toepassing van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures uit hoofde van dit hoofdstuk of de TBT-Overeenkomst onverwijld.

HOOFDSTUK 5

DOUANE EN HANDELSBEVORDERING

Artikel 101

Doel

Dit hoofdstuk heeft tot doel:

a)

de samenwerking tussen de Partijen op het gebied van douane en handelsbevordering te versterken en in voorkomend geval passende niveaus van compatibiliteit van hun douanewetgeving en -praktijken te ondersteunen of te handhaven, om ervoor te zorgen dat met de desbetreffende wetgeving en procedures, alsmede de administratieve capaciteit van de desbetreffende overheidsdiensten, de doelstellingen van handelsbevordering worden bereikt, waarbij wordt toegezien op doeltreffende douanecontroles en de doeltreffende handhaving van de douanewetgeving en handelsgerelateerde wet- en regelgeving, de passende bescherming van de veiligheid en zekerheid van de burgers, de naleving van verbodsbepalingen alsmede de eerbiediging van beperkingen en van de financiële belangen van de Partijen;

b)

de administratieve samenwerking tussen de Partijen op het gebied van de btw en de wederzijdse bijstand inzake vorderingen in verband met belastingen en rechten te versterken;

c)

ervoor te zorgen dat de wetgeving van elke Partij niet-discriminerend is en dat de douaneprocedures zijn gebaseerd op het gebruik van moderne methoden en doeltreffende controles om fraude te bestrijden en de legitieme handel te bevorderen, en

d)

ervoor te zorgen dat legitieme doelstellingen van overheidsbeleid, ook met betrekking tot veiligheid, zekerheid en fraudebestrijding, op generlei wijze in het gedrang komen.

Artikel 102

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk, bijlage 18, het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken en het Protocol betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en betreffende de wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen in verband met belastingen en rechten wordt verstaan onder:

a)

"Overeenkomst inzake inspectie voor verzending": de Overeenkomst inzake inspectie voor verzending, die is neergelegd in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;

b)

"ATA- en Istanbul-Overeenkomsten": de Douaneovereenkomst inzake het carnet ATA voor de tijdelijke invoer van goederen, gedaan te Brussel op 6 december 1961, en de Overeenkomst van Istanbul inzake tijdelijke invoer, gedaan te Istanbul op 26 juni 1990;

c)

"Overeenkomst gemeenschappelijke regeling douanevervoer": de Overeenkomst van 20 mei 1987 betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer;

d)

"Customs Data Model van de WDO": de bibliotheek van gegevenscomponenten en elektronische modellen voor de uitwisseling van bedrijfsgegevens en de opstelling van internationale normen inzake gegevens en informatie die worden gebruikt bij facilitatie door regelgeving en controles in de wereldhandel, zoals van tijd tot tijd door het Data Model Project Team van de WDO gepubliceerd;

e)

"douanewetgeving" de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het grondgebied van een van de Partijen van toepassing zijn op de binnenkomst of de invoer, de uitgang of de uitvoer, de doorvoer van goederen en de plaatsing van goederen onder enige andere douaneregeling of -procedure, met inbegrip van verbods-, beperkings- en controlemaatregelen;

f)

"informatie": alle gegevens, documenten, afbeeldingen, verslagen, mededelingen of gewaarmerkte kopieën, in ongeacht welk formaat, ook in elektronisch formaat, al dan niet verwerkt of geanalyseerd;

g)

"persoon": elke persoon als omschreven in artikel 512, punt l) (5);

h)

"SAFE-Framework": het SAFE Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade, dat tijdens de zitting van de Werelddouaneorganisatie in juni 2005 in Brussel is aangenomen en van tijd tot tijd is bijgewerkt, en

i)

"WTO-Overeenkomst inzake handelsfacilitatie": de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie, gehecht aan het Protocol tot wijziging van de WTO-Overeenkomst (besluit van 27 november 2014).

Artikel 103

Samenwerking op douanegebied

1.   De desbetreffende autoriteiten van de Partijen werken samen op douanegebied om de doelstellingen die zijn neergelegd in artikel 101 te ondersteunen, met inachtneming van de middelen van hun respectieve autoriteiten. Voor de toepassing van deze titel geldt de Overeenkomst inzake de vereenvoudiging van de formaliteiten in het goederenverkeer van 20 mei 1987.

2.   De Partijen ontwikkelen een samenwerking, onder meer op de volgende terreinen:

a)

uitwisseling van informatie over douanewetgeving, de tenuitvoerlegging van de douanewetgeving en de douaneprocedures, met name op de volgende gebieden:

i)

de vereenvoudiging en modernisering van de douaneprocedures;

ii)

de facilitatie van doorvoer en overlading;

iii)

betrekkingen met het bedrijfsleven, en

iv)

veiligheid van de toeleveringsketen en risicobeheer;

b)

samenwerking rond de douanegerelateerde aspecten van de beveiliging en facilitatie van de internationale handelstoeleveringsketen overeenkomstig het SAFE-kader;

c)

de ontwikkeling van gezamenlijke initiatieven overwegen op het gebied van invoer-, uitvoer- en andere douaneprocedures, waaronder technische bijstand, alsmede om het bedrijfsleven een doeltreffende dienstverlening aan te bieden;

d)

versterking van hun samenwerking op douanegebied in internationale organisaties zoals de WTO en de WDO, en uitwisseling van informatie of het houden van besprekingen met het oog op de vaststelling, waar mogelijk, van gemeenschappelijke standpunten in die internationale organisaties en in UNCTAD, VN/ECE;

e)

het streven naar harmonisering van hun gegevensvereisten met betrekking tot invoer-, uitvoer- en andere douaneprocedures, door gemeenschappelijke normen en gegevenselementen toe te passen overeenkomstig het Customs Data Model van de WDO;

f)

versterking van hun samenwerking op het gebied van risicobeheertechnieken, onder meer door het uitwisselen van beste praktijken en, in voorkomend geval, risico-informatie en resultaten van controles. Waar relevant en passend kunnen de Partijen tevens wederzijdse erkenning overwegen van risicobeheertechnieken, risiconormen en controles en douaneveiligheidsmaatregelen; de Partijen kunnen, waar dat relevant en passend is, ook de ontwikkeling overwegen van compatibele risicocriteria en -normen, controlemaatregelen en prioritaire controlegebieden;

g)

vaststelling van wederzijdse erkenning van programma's voor geautoriseerde marktdeelnemers om de handel te beveiligen en te bevorderen;

h)

het bevorderen van samenwerking tussen douanediensten en andere overheidsautoriteiten of -instanties met betrekking tot programma's voor geautoriseerde marktdeelnemers, hetgeen onder meer kan worden bereikt door overeenstemming te bereiken over de hoogste normen, de toegang tot voordelen te vergemakkelijken en onnodige doublures tot een minimum te beperken;

i)

de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door douaneautoriteiten, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en beste praktijken bij douaneoperaties, met bijzondere aandacht voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;

j)

de instandhouding, in voorkomend geval en indien uitvoerbaar, van compatibele douaneprocedures, met inbegrip van de toepassing van één enkel administratief document voor douaneaangifte, en

k)

de uitwisseling, waar relevant in voorkomend geval en uit hoofde van overeen te komen regelingen, van bepaalde categorieën douanegerelateerde informatie tussen de douaneautoriteiten van de Partijen, door gestructureerde en periodieke communicatie, met het oog op verbetering van het risicobeheer en de doeltreffendheid van de douanecontroles, gericht op risicogoederen wat betreft belastinginning of veiligheidsdoeleinden, waarbij de legitieme handel wordt bevorderd; dergelijke uitwisselingen kunnen betrekking hebben op gegevens uit de aangiften ten uitvoer en ten invoer betreffende de handel tussen de Partijen, met de mogelijkheid om, door middel van proefprojecten, de ontwikkeling van interoperabele mechanismen te onderzoeken om overlapping bij de indiening van dergelijke informatie te voorkomen. Uitwisselingen in het kader van dit punt laten de uitwisseling van informatie die tussen de Partijen kan plaatsvinden op grond van het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken onverlet.

3.   Onverminderd de andere vormen van samenwerking waarin deze overeenkomst voorziet, verlenen de douaneautoriteiten van de Partijen elkaar wederzijdse administratieve bijstand in de onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden, in overeenstemming met het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken.

4.   Op elke uitwisseling van informatie tussen de Partijen uit hoofde van dit hoofdstuk zijn de voorschriften voor de geheimhouding en bescherming van informatie zoals vervat in artikel 12 van het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, mutatis mutandis, alsmede de vereisten inzake vertrouwelijkheid en privacy die zijn neergelegd in de wetgeving van de Partijen, van toepassing.

Artikel 104

Douane- en andere handelsgerelateerde wetgeving en procedures

1.   Elke Partij ziet erop toe dat haar douanebepalingen en -procedures:

a)

in overeenstemming zijn met de internationale instrumenten en normen die op het gebied van douane en handel van toepassing zijn, waaronder de WTO-Overeenkomst inzake handelsfacilitatie, de materiële elementen van de Herziene Overeenkomst van Kyoto inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen, alsmede het SAFE-Framework en het Customs Data Model van de WDO;

b)

voorzien in bescherming en bevordering van de legitieme handel, rekening houdend met de ontwikkeling van handelspraktijken, door middel van doeltreffende handhaving, ook in geval van inbreuken op haar wet- en regelgeving, belastingontduiking en smokkel, en door ervoor te zorgen dat de wettelijke voorschriften worden nageleefd;

c)

gebaseerd zijn op wetgeving die evenredig en niet-discriminerend is, geen onnodige last aan marktdeelnemers oplegt, voorziet in verdere facilitatie voor marktdeelnemers met een hoog nalevingsniveau, met inbegrip van een gunstige behandeling met betrekking tot douanecontroles voorafgaand aan de vrijgave van goederen, en die garanties biedt tegen fraude en onrechtmatige of schadelijke activiteiten, en tegelijk een hoog niveau van bescherming van de veiligheid van de burgers, de naleving van verbodsbepalingen alsmede de eerbiediging van beperkingen en van de financiële belangen van de Partijen waarborgt, en

d)

regels bevatten die waarborgen dat de straffen voor overtredingen van douaneregelgeving of procedurele voorschriften evenredig en niet-discriminerend zijn en dat de oplegging van die straffen niet tot onnodige vertragingen leidt.

Elke Partij dient haar wetgeving en douaneprocedures periodiek te evalueren. Douaneprocedures moeten ook op voorspelbare, consistente en transparante wijze worden toegepast.

2.   Teneinde de werkmethoden te verbeteren en te zorgen voor een niet-discriminatoire, transparante, efficiënte en integere werkwijze waarvoor verantwoording wordt afgelegd, zal elke Partij:

a)

waar mogelijk, de eisen en formaliteiten met betrekking tot de snelle vrijgave en douane-afhandeling van goederen vereenvoudigen en evalueren;

b)

ernaar streven de door de douane en andere diensten gestelde eisen ten aanzien van verlangde gegevens en documentatie verder te vereenvoudigen en te standaardiseren, en

c)

de coördinatie tussen alle grensinstanties, zowel intern als grensoverschrijdend, bevorderen om het proces van grensoverschrijding te vergemakkelijken en de controle te versterken, waarbij gezamenlijke grenscontroles waar dat haalbaar en passend is, in aanmerking worden genomen.

Artikel 105

Vrijgave van goederen

1.   Elke Partij stelt douaneprocedures in dan wel handhaaft douaneprocedures die:

a)

voorzien in de onmiddellijke vrijgave van goederen binnen een tijdvak dat niet langer is dan noodzakelijk om te waarborgen dat aan haar wet- en regelgeving wordt voldaan;

b)

voorzien in voorafgaande elektronische indiening en verwerking van documenten en alle andere vereiste informatie vóór de aankomst van de goederen, zodat goederen onmiddellijk na aankomst kunnen worden vrijgegeven indien er geen risico is vastgesteld aan de hand van een risicoanalyse of indien geen steekproefsgewijze of andere controles hoeven te worden uitgevoerd;

c)

voorzien in de mogelijkheid dat in voorkomend geval en indien aan de noodzakelijke voorwaarden is voldaan, de goederen op de eerste plaats van aankomst in het vrije verkeer kunnen worden gebracht, en

d)

die de vrijgave van goederen mogelijk maken vóór de definitieve vaststelling van douanerechten, belastingen, retributies en heffingen, indien die vaststelling niet vóór of bij aankomst of zo snel mogelijk na aankomst plaatsvindt voor zover aan alle andere wettelijke voorschriften is voldaan.

2.   Als voorwaarde voor een dergelijke vrijgave kan elke Partij een zekerheid eisen voor elk bedrag dat nog niet is vastgesteld in de vorm van een zekerheid, een borgsom of een ander passend instrument waarin haar wet- en regelgeving voorziet. Een dergelijke zekerheid mag niet uitgaan boven het bedrag dat de Partij verlangt ter verzekering van de betaling van de douanerechten, belastingen, retributies en heffingen die uiteindelijk worden verschuldigd voor de goederen waarvoor zekerheid is gesteld. De zekerheid wordt vrijgegeven wanneer zij niet langer vereist is.

3.   De Partijen zien erop toe dat de douanediensten en andere autoriteiten die belast zijn met de grenscontroles en de procedures voor invoer, uitvoer en doorvoer van goederen, met elkaar samenwerken en hun activiteiten coördineren teneinde de handel te bevorderen en de vrijgave van goederen te bespoedigen.

Artikel 106

Vereenvoudigde douaneprocedures

1.   Elke Partij streeft naar vereenvoudiging van haar vereisten en formaliteiten voor douaneprocedures met het oog op een besparing van tijd en kosten voor handelaren of marktdeelnemers, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen.

2.   Elke Partij stelt maatregelen vast dan wel handhaaft maatregelen op grond waarvan handelaren of marktdeelnemers die voldoen aan de in haar wet- en regelgeving vermelde criteria, voor verdere vereenvoudiging van douaneprocedures in aanmerking kunnen komen. Die maatregelen kunnen onder meer betrekking hebben op:

a)

douaneaangiften die een beperkte reeks gegevens of bewijsstukken bevatten;

b)

periodieke douaneaangiften voor de bepaling en betaling van douanerechten en belastingen met betrekking tot meerdere invoerhandelingen binnen een bepaald tijdvak, na de vrijgave van die ingevoerde goederen;

c)

zelfberekening en uitstel van betaling van douanerechten en belastingen tot na de vrijgave van die ingevoerde goederen, en

d)

gebruikmaking van een zekerheid met een beperkte waarde of een ontheffing van de verplichting tot het stellen van een zekerheid.

3.   Wanneer een Partij ervoor kiest een van die maatregelen vast te stellen, biedt zij, waar dat door die Partij passend en uitvoerbaar wordt geacht en in overeenstemming met haar wet- en regelgeving, die vereenvoudigingen aan alle handelaren aan die aan de desbetreffende criteria voldoen.

Artikel 107

Doorvoer en overlading

1.   Voor de toepassing van artikel 20 geldt de Overeenkomst gemeenschappelijke regeling douanevervoer.

2.   Elke Partij draagt zorg voor de facilitatie en doeltreffende controle van de overlading en doorvoer over haar respectieve grondgebied.

3.   Elke Partij bevordert regionale regelingen inzake douanevervoer en legt die ten uitvoer om de handel te bevorderen in overeenstemming met de Overeenkomst gemeenschappelijke regeling douanevervoer.

4.   Elke Partij ziet erop toe dat alle betrokken instanties en diensten op haar respectieve grondgebied samenwerken en coördineren om de doorvoer te vergemakkelijken.

5.   Elke Partij staat toe dat voor invoer bestemde goederen binnen haar grondgebied worden vervoerd onder douanetoezicht van een douanekantoor van binnenkomst naar een ander douanekantoor op haar grondgebied waar de goederen zouden worden vrijgegeven of ingeklaard.

Artikel 108

Risicobeheer

1.   Elke Partij stelt een systeem voor risicobeheer voor douanecontroles vast of handhaaft dat om de waarschijnlijkheid en de gevolgen van een gebeurtenis te verminderen die de correcte toepassing van de douanewetgeving in de weg zou staan, de financiële belangen van de Partijen in gevaar zou brengen of een bedreiging zou vormen voor de veiligheid van de Partijen en hun ingezetenen, voor de gezondheid van mensen, dieren of planten, voor het milieu of voor consumenten.

2.   Douanecontroles, met uitzondering van steekproefsgewijze controles, worden primair gebaseerd op risicoanalyse met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken.

3.   Elke Partij ontwerpt en past het risicobeheer op zodanige wijze toe dat willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of verkapte beperkingen van de internationale handel worden vermeden.

4.   Elke Partij concentreert de douanecontroles en andere relevante grenscontroles op zendingen met een hoog risico en bespoedigt de vrijgave van zendingen met een laag risico. Elke Partij kan als onderdeel van haar risicobeheer zendingen ook op steekproefbasis voor dergelijke controles selecteren.

5.   Elke Partij baseert haar risicobeheer op een beoordeling van de risico's aan de hand van passende selectiecriteria.

Artikel 109

Controle na douaneafhandeling

1.   Ter bespoediging van de vrijgave van de goederen voorziet elke Partij in een controle na douaneafhandeling, of handhaaft deze, teneinde de naleving van de douane- en andere daarmee verband houdende wet- en regelgeving te verzekeren.

2.   Elke Partij selecteert personen of zendingen voor controles na douaneafhandeling op risicogebaseerde wijze, waarbij ook gebruik kan worden gemaakt van passende selectiecriteria. Elke Partij voert de controles na douaneafhandeling op transparante wijze uit. Wanneer een persoon bij het controleproces betrokken is en de controle uitsluitsel heeft gegeven, stelt de Partij de persoon wiens administratie het voorwerp van de controle is, onverwijld in kennis van de resultaten, zijn rechten en plichten alsmede de redenen voor de resultaten.

3.   De informatie die is verkregen bij controles na douaneafhandeling kan worden gebruikt in verdere administratieve of gerechtelijke procedures.

4.   De Partijen maken voor zover uitvoerbaar gebruik van de resultaten van de controle na douaneafhandeling voor risicobeheerdoeleinden.

Artikel 110

Geautoriseerde marktdeelnemers

1.   Elke Partij houdt een partnerschapsprogramma bij voor marktdeelnemers die voldoen aan de in bijlage 18 gespecificeerde criteria.

2.   De Partijen erkennen hun respectieve programma's voor geautoriseerde marktdeelnemers in overeenstemming met bijlage 18.

Artikel 111

Bekendmaking en beschikbaarheid van informatie

1.   Elke Partij ziet erop toe dat haar douanewetgeving en overige handelsgerelateerde wet- en regelgeving alsmede haar algemene administratieve procedures en relevante algemeen toepasselijke informatie die betrekking hebben op de handel worden bekendgemaakt en voor alle belanghebbenden gemakkelijk beschikbaar en toegankelijk zijn, onder meer, indien van toepassing, via het internet.

2.   Elke Partij maakt nieuwe wetgeving en algemene procedures op het gebied van douane- en handelsfacilitatie-aangelegenheden onverwijld en zo vroeg mogelijk vóór de inwerkingtreding van die wetgeving en procedures bekend, en maakt wijzigingen en interpretaties van die wetgeving en procedures onverwijld bekend. Een dergelijke bekendmaking omvat:

a)

relevante mededelingen van administratieve aard;

b)

de procedures bij invoer, uitvoer en doorvoer (met inbegrip van de procedures bij binnenkomst via havens, luchthavens en andere punten van binnenkomst), en de daarvoor vereiste formulieren en documenten;

c)

de toegepaste tarieven wat betreft rechten en belastingen van welke aard ook ter zake van of in verband met de invoer of uitvoer;

d)

de retributies en heffingen die worden opgelegd door of voor overheidsinstanties ter zake van of in verband met de invoer, uitvoer of doorvoer;

e)

de voorschriften voor de indeling of waardebepaling van producten voor douanedoeleinden;

f)

de algemeen toepasselijke wet- en regelgeving en administratieve besluiten van algemene toepassing die betrekking hebben op de oorsprongsregels;

g)

de beperkingen of verboden met betrekking tot invoer, uitvoer of doorvoer;

h)

de sanctiebepalingen ten aanzien van niet-inachtneming van de invoer-, uitvoer- of doorvoerformaliteiten;

i)

bezwaar- en beroepsprocedures;

j)

de overeenkomsten of delen daarvan met welk land of welke landen dan ook in verband met de invoer, uitvoer of doorvoer;

k)

de procedures voor het beheer van tariefcontingenten;

l)

de openingstijden en werkwijzen van douanekantoren in havens en bij grensposten, en

m)

de contactpunten voor verzoeken om informatie.

3.   Elke Partij ziet erop toe dat er een redelijke tijdspanne ligt tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van nieuwe of gewijzigde wetgeving, procedures en retributies of heffingen.

4.   Elke Partij stelt via internet het volgende ter beschikking:

a)

een beschrijving van de invoer-, uitvoer- en doorvoerprocedures, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, informatie over de praktische stappen die nodig zijn voor in- en uitvoer en voor doorvoer;

b)

de formulieren en documenten die nodig zijn voor de invoer in, de uitvoer uit of de doorvoer door het grondgebied van die Partij, en

c)

de contactgegevens van de informatiepunten.

Elke Partij ziet erop toe dat de in de eerste alinea, punten a), b) en c), bedoelde beschrijvingen, formulieren, documenten en informatie actueel worden gehouden.

5.   Elke Partij richt een of meer informatiepunten op of houdt die in stand om vragen van overheden, handelaren en andere belanghebbenden over douane- en andere handelsgerelateerde aangelegenheden binnen een redelijke termijn te beantwoorden. De Partijen eisen geen betaling van een retributie voor het beantwoorden van verzoeken om informatie.

Artikel 112

Voorafgaande besluiten

1.   Elke Partij stelt via haar douaneautoriteiten naar aanleiding van een aanvraag van marktdeelnemers voorafgaande beslissingen vast waarin wordt aangegeven welke behandeling aan de betrokken goederen wordt toegekend. Dergelijke beslissingen worden schriftelijk of in elektronische vorm op een tijdsgebonden wijze gegeven en bevatten alle nodige informatie overeenkomstig de wetgeving van de Partij van afgifte.

2.   Voorafgaande beslissingen zijn geldig voor een periode van ten minste drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de geldigheid ervan, tenzij de beslissing niet meer in overeenstemming is met het recht of de feiten, of de omstandigheden die aan de oorspronkelijke beslissing ten grondslag liggen, gewijzigd zijn.

3.   Een Partij kan weigeren een voorafgaande beslissing te geven indien de in de aanvraag opgeworpen vraag voorwerp is van een administratieve of rechterlijke toetsing, of indien de aanvraag geen betrekking heeft op een voorgenomen gebruik van de voorafgaande beslissing of op enig voorgenomen gebruik van een douaneprocedure. Wanneer een Partij weigert een voorafgaande beslissing vast te stellen, stelt zij de aanvrager daar onverwijld schriftelijk van in kennis, met vermelding van de relevante feiten en de redenen voor haar besluit.

4.   Elke Partij maakt ten minste het volgende bekend:

a)

de vereisten voor het aanvragen van een voorafgaande beslissing, met inbegrip van de te verstrekken informatie en het formaat;

b)

de termijn waarbinnen zij een voorafgaande beslissing zal afgeven, en

c)

de periode gedurende welke de voorafgaande beslissing geldig is.

5.   Wanneer een Partij een voorafgaande beslissing intrekt, wijzigt, ongeldig of nietig verklaart, stelt zij de aanvrager daar schriftelijk van in kennis, met vermelding van de relevante feiten en de redenen voor haar besluit. Een Partij kan een voorafgaande beslissing alleen met terugwerkende kracht intrekken, wijzigen of ongeldig of nietig verklaren wanneer die was gebaseerd op onvolledige, onjuiste, bedrieglijke of misleidende informatie.

6.   Een door een Partij vastgestelde voorafgaande beslissing is voor die Partij bindend ten aanzien van de aanvrager die om de voorafgaande beslissing heeft verzocht. De Partij kan bepalen dat de voorafgaande beslissing bindend is voor de aanvrager.

7.   Elke Partij verstrekt, op schriftelijk verzoek van de houder, een herziening van een voorafgaande beslissing of van een besluit tot intrekking, wijziging, intrekking of ongeldigverklaring van een voorafgaande beslissing.

8.   Elke Partij maakt informatie over voorafgaande beslissingen openbaar, rekening houdend met de noodzaak om persoonlijke en commercieel vertrouwelijke informatie te beschermen.

9.   Voorafgaande beslissingen worden afgegeven met betrekking tot:

a)

de tariefindeling van goederen;

b)

de oorsprong van de goederen, en

c)

elke andere aangelegenheid waarover de Partijen overeenstemming kunnen bereiken.

Artikel 113

Douane-expediteurs

De douanevoorschriften en -procedures van een Partij schrijven geen verplichte gebruikmaking van douane-expediteurs of andere agenten voor. Elke Partij maakt haar maatregelen inzake de gebruikmaking van douane-expediteurs bekend. Elke Partij past transparante, niet-discriminerende en evenredige voorschriften toe indien en wanneer zij douane-expediteurs een toelating verleent.

Artikel 114

Inspectie vóór verzending

Een Partij eist noch verplichte uitvoering van inspecties vóór verzending zoals gedefinieerd in de WTO-overeenkomst inzake inspectie vóór verzending, noch verplichte uitvoering van enige andere inspectieactiviteit door particuliere ondernemingen op de plaats van bestemming vóór douaneafhandeling.

Artikel 115

Toetsing en beroep

1.   Elke Partij voorziet in doeltreffende, snelle, niet-discriminerende en gemakkelijk toegankelijke procedures die de uitoefening van het recht van beroep tegen administratief handelen, administratieve besluiten en besluiten van de douaneautoriteiten of andere bevoegde instanties betreffende de in-, uit- of doorvoer van goederen waarborgen.

2.   De in lid 1 bedoelde procedures omvatten:

a)

administratief beroep bij of administratieve toetsing door een hoger bestuursorgaan of een bestuursorgaan dat onafhankelijk is van de functionaris of de dienst die het besluit heeft genomen, en

b)

beroep in rechte tegen of rechterlijke toetsing van het besluit.

3.   Elke Partij ziet erop toe dat in het geval dat de beslissing over het beroep of de toetsing uit hoofde van lid 2, punt a), niet binnen de in haar wet- en regelgeving vastgestelde termijn of niet zonder onnodige vertraging wordt gegeven, de indiener in overeenstemming met de wet- en regelgeving van die Partij het recht heeft om verder administratief beroep of beroep in rechte in te stellen of te verzoeken om toetsing of enige andere rechtsbedeling bij een rechterlijke instantie.

4.   Elke Partij ziet erop toe dat de indiener in kennis wordt gesteld van de redenen voor het administratieve besluit, zodat die persoon indien nodig gebruik kan maken van de beroeps- of toetsingsprocedures.

Artikel 116

Relaties met bedrijfsleven

1.   Elke Partij houdt tijdig en regelmatig overleg met vertegenwoordigers van de handel over wetsvoorstellen en algemene procedures met betrekking tot douane- en handelsfacilitatie-aangelegenheden. Elke Partij handhaaft met dat doel voor ogen passend overleg tussen de diensten en het bedrijfsleven.

2.   Elke Partij ziet erop toe dat haar eisen en procedures op douanegebied en aanverwante gebieden blijven aansluiten op de behoeften van de handel, dat hierbij de beste praktijken worden gevolgd en dat de handel hierdoor zo min mogelijk wordt beperkt.

Artikel 117

Tijdelijke invoer

1.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "tijdelijke invoer" verstaan de douaneregeling waaronder bepaalde goederen, met inbegrip van vervoermiddelen, in een douanegebied kunnen worden binnengebracht met voorwaardelijke vrijstelling van de betaling van rechten en heffingen bij invoer en zonder de toepassing van invoerverboden of -beperkingen van economische aard, op voorwaarde dat de goederen voor een bepaald doel worden ingevoerd en bestemd zijn om binnen een bepaalde termijn te worden wederuitgevoerd zonder dat zij een wijziging hebben ondergaan, met uitzondering van een normale waardevermindering als gevolg van het gebruik dat van die goederen is gemaakt.

2.   Elke Partij staat tijdelijke invoer toe, met volledige voorwaardelijke vrijstelling van rechten en heffingen bij invoer en zonder toepassing van invoerbeperkingen of -verboden van economische aard, zoals bepaald in haar wet- en regelgeving, voor de volgende soorten goederen:

a)

goederen die bestemd zijn om op tentoonstellingen, beurzen, bijeenkomsten of soortgelijke evenementen te worden tentoongesteld of gebruikt (goederen bestemd voor uitstalling of demonstratie tijdens een evenement; goederen die bestemd zijn om te worden gebruikt in verband met het tonen van buitenlandse producten tijdens een evenement; apparatuur, met inbegrip van vertolkingsapparatuur, toestellen voor geluids- en beeldopname en films van educatieve, wetenschappelijke of culturele aard, bestemd voor gebruik op internationale bijeenkomsten, conferenties of congressen); producten die tijdens het evenement incidenteel uit tijdelijk ingevoerde goederen zijn verkregen als gevolg van de demonstratie van uitgestalde machines of apparaten;

b)

beroepsuitrusting (apparatuur voor de pers, voor geluids- of televisie-uitzendingen die nodig is voor vertegenwoordigers van de pers, omroeporganisaties of televisie-omroeporganisaties die het grondgebied van een ander land bezoeken om verslag uit te brengen, teneinde materiaal voor bepaalde programma's uit te zenden of op te nemen; filmmateriaal dat nodig is voor een persoon die het grondgebied van een ander land bezoekt om een bepaalde film of films te maken; alle andere uitrusting die nodig is voor de uitoefening van de oproep-, handels- of beroepsactiviteit van een persoon die het grondgebied van een ander land bezoekt om een bepaalde taak uit te voeren, voor zover zij niet bestemd is voor de industriële vervaardiging of verpakking van goederen of (behalve in het geval van handgereedschap) voor de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen, voor de bouw, de reparatie of het onderhoud van gebouwen of voor grondverzet en soortgelijke projecten; hulptoestellen voor bovengenoemde apparatuur, en toebehoren daarvoor; onderdelen die worden ingevoerd voor de reparatie van tijdelijk ingevoerde beroepsuitrusting;

c)

goederen die in het kader van een handelsactiviteit worden ingevoerd, maar waarvan de invoer op zich geen handelsverrichting is (verpakkingsmiddelen die gevuld worden ingevoerd voor wederuitvoer leeg of gevuld, of leeg worden ingevoerd voor wederuitvoer gevuld; containers, al dan niet gevuld met goederen, en toebehoren en uitrusting voor tijdelijk ingevoerde containers, die hetzij met een container worden ingevoerd om afzonderlijk of met een andere container te worden wederuitgevoerd, hetzij afzonderlijk worden ingevoerd met het oog op wederuitvoer met een container en onderdelen die bestemd zijn voor de reparatie van containers waarvoor tijdelijke invoer is toegestaan; pallets; monsters; reclamefilms; andere goederen die in het kader van een handelsactiviteit worden ingevoerd);

d)

goederen die in verband met een fabricagehandeling worden ingevoerd (matrijzen, blokken, platen, vormen, tekeningen, schema's, modellen en dergelijke artikelen; meet-, controle- en verificatie-instrumenten en andere soortgelijke artikelen; speciaal gereedschap en instrumenten, ingevoerd voor gebruik tijdens een fabricageproces); vervangende productiemiddelen (instrumenten, apparaten en machines die door een leverancier of hersteller aan een klant ter beschikking worden gesteld in afwachting van de levering of reparatie van soortgelijke goederen);

e)

goederen die uitsluitend voor educatieve, wetenschappelijke of culturele doeleinden worden ingevoerd (wetenschappelijk materiaal, pedagogisch materiaal, welzijnsmateriaal voor zeelieden en alle andere goederen die worden ingevoerd in verband met educatieve, wetenschappelijke of culturele activiteiten); vervangingsonderdelen voor wetenschappelijk materiaal en pedagogisch materiaal waarvoor tijdelijke invoer is toegestaan; gereedschap dat speciaal is ontworpen voor het onderhoud, het controleren, het meten of het herstellen van dergelijke uitrusting;

f)

persoonlijke bezittingen (alle nieuwe of gebruikte artikelen die een reiziger redelijkerwijs tijdens de reis voor persoonlijk gebruik nodig kan hebben, rekening houdend met alle omstandigheden waaronder die reis plaatsvindt, met uitsluiting van goederen die voor commerciële doeleinden worden ingevoerd); goederen die worden ingevoerd voor sportdoeleinden (sportartikelen die en ander materiaal dat door reizigers tijdens sportwedstrijden of -demonstraties of tijdens trainingen die in het grondgebied van tijdelijke invoer plaatsvinden, worden gebruikt);

g)

toeristisch reclamemateriaal (goederen ingevoerd met als doel het publiek te bewegen tot het bezoeken van een ander land, met name tot het bijwonen van in dat land te houden bijeenkomsten of manifestaties met een cultureel, godsdienstig, toeristisch, sportief of beroepsmatig karakter);

h)

goederen die worden ingevoerd voor humanitaire doeleinden (medisch, chirurgisch en laboratoriummaterieel en hulpzendingen, zoals voertuigen en andere vervoermiddelen, dekens, tenten, geprefabriceerde huizen of andere goederen die in eerste instantie noodzakelijk zijn en die als hulp worden doorgegeven aan personen die getroffen zijn door natuurrampen en soortgelijke rampen), en

i)

dieren die worden ingevoerd voor specifieke doeleinden (dressage, opleiding, fokken, beslaan of wegen, diergeneeskundige behandeling, testen (bijvoorbeeld met het oog op aankoop), deelname aan shows, tentoonstellingen, wedstrijden, competities of demonstraties, amusement (circusdieren enz.), rondreizen (inclusief gezelschapsdieren van reizigers), uitoefening van functies (politiehonden of -paarden, detectiehonden, blindengeleidehonden enz.), reddingsoperaties, verweiden of weiden, uitvoering van werkzaamheden of vervoer, medische doeleinden (levering van slangengif enz.).

3.   Elke Partij aanvaardt, voor de tijdelijke invoer van de in lid 2 bedoelde goederen en ongeacht hun oorsprong, een carnet dat als voorgeschreven voor de toepassing van de ATA- en Istanbul-Overeenkomsten in de andere Partij is afgegeven, daar is bekrachtigd en gegarandeerd door een vereniging die deel uitmaakt van de internationale garantieketen, is gecertificeerd door de bevoegde autoriteiten en geldig is in het douanegebied van de Partij van invoer.

Artikel 118

Eén loket

Elke Partij streeft ernaar één-loketsystemen op te zetten of te handhaven, waardoor het de handelaren mogelijk is de voor de invoer, uitvoer of doorvoer van goederen vereiste documenten en/of gegevens via één toegangspunt bij de deelnemende autoriteiten of instanties in te dienen.

Artikel 119

Facilitatie van roll-on, roll-off-verkeer

1.   De Partijen erkennen het grote aantal overtochten over zee en met name het grote volume aan roll-on, roll-off-verkeer tussen hun respectieve douanegebieden, en komen overeen samen te werken om dergelijk verkeer en andere alternatieve vervoerswijzen te faciliteren.

2.   De Partijen erkennen:

a)

het recht van elke Partij om handelsfaciliterende douaneformaliteiten en -procedures voor het handelsverkeer tussen de Partijen vast te stellen binnen hun respectieve rechtskaders, en

b)

het recht van havens, havenautoriteiten en marktdeelnemers om binnen het kader van de rechtsordes van hun respectieve Partijen op te treden in overeenstemming met hun regels en hun exploitatie- en bedrijfsmodellen.

3.   Daartoe zullen de Partijen:

a)

procedures instellen of handhaven die het mogelijk maken invoerdocumenten en andere vereiste informatie, met inbegrip van ladinglijsten (manifesten), te verstrekken, teneinde vóór de aankomst van de goederen te beginnen met de verwerking daarvan om de vrijgave van de goederen bij aankomst te bespoedigen, en

b)

zich ertoe verbinden het gebruik van de procedure voor douanevervoer door de marktdeelnemers te vergemakkelijken, met inbegrip van vereenvoudigingen van de procedure voor douanevervoer zoals voorzien in de Overeenkomst gemeenschappelijke regeling douanevervoer.

4.   De Partijen komen overeen samenwerking tussen hun respectieve douaneautoriteiten op bilaterale zeeroutes aan te moedigen en informatie uit te wisselen over de werking van de havens die het verkeer tussen hen behandelen en over de toepasselijke regels en procedures. Zij publiceren en bevorderen kennis van de exploitanten over de maatregelen die zij hebben genomen en de processen die de havens hebben opgezet om dat verkeer te vergemakkelijken.

Artikel 120

Administratieve samenwerking op gebied van btw en wederzijdse bijstand voor invordering van belastingen en rechten

De bevoegde autoriteiten van de Partijen werken samen teneinde naleving te waarborgen van de btw-wetgeving en bij het innen van vorderingen die verband houden met belastingen en rechten overeenkomstig het Protocol betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en betreffende de wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen in verband met belastingen en rechten.

Artikel 121

Gespecialiseerd Handelscomité voor douanesamenwerking en oorsprongsregels

1.   Het Gespecialiseerd Handelscomité voor douanesamenwerking en oorsprongsregels:

a)

pleegt regelmatig overleg, en

b)

met betrekking tot de herziening van de bepalingen van bijlage 18:

i)

valideert gezamenlijk programmadeelnemers om de sterke en zwakke punten in de uitvoering van bijlage 18 in kaart te brengen, en

ii)

wisselt meningen uit over de te delen gegevens en de behandeling van marktdeelnemers.

2.   Het Gespecialiseerd Handelscomité voor douanesamenwerking en oorsprongsregels kan besluiten nemen of aanbevelingen doen:

a)

met betrekking tot de uitwisseling van douanegerelateerde informatie inzake de wederzijdse erkenning van risicobeheertechnieken, risiconormen en -controles en douaneveiligheidsmaatregelen, inzake voorafgaande besluiten, gemeenschappelijke benaderingen van de douanewaarde en andere kwesties in verband met de uitvoering van dit hoofdstuk;

b)

met betrekking tot de regelingen voor de automatische uitwisseling van inlichtingen als bedoeld in artikel 10 van het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, en over andere aangelegenheden in verband met de uitvoering van dat protocol;

c)

met betrekking tot alle kwesties in verband met de uitvoering van bijlage 18, en

d)

met betrekking tot de in artikel 63 vastgestelde raadplegingsprocedures en met betrekking tot alle technische of administratieve aangelegenheden in verband met de uitvoering van hoofdstuk 2 van deze titel, met inbegrip van interpretatie-aantekeningen die tot doel hebben een uniform beheer van de oorsprongsregels te waarborgen.

Artikel 122

Wijzigingen

1.   De Partnerschapsraad kan de volgende zaken wijzigen:

a)

bijlage 18, het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken en de lijst van goederen als bedoeld in artikel 117, lid 2, en

b)

het Protocol betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en betreffende de wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen in verband met belastingen en rechten.

2.   Het Gespecialiseerd Handelscomité voor administratieve samenwerking op het gebied van btw en inning van belastingen en rechten kan de in artikel 33, lid 4, van het Protocol betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en betreffende de wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen in verband met belastingen en rechten bedoelde waarde wijzigen.

TITEL II

DIENSTEN EN INVESTERINGEN

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 123

Doel en toepassingsgebied

1.   De Partijen bevestigen hun verbintenis om een gunstig klimaat te scheppen voor de ontwikkeling van onderlinge handel en investeringen.

2.   De Partijen herbevestigen het recht om op hun grondgebied regelgeving vast te stellen om legitieme beleidsdoelstellingen te verwezenlijken, zoals: de bescherming van de volksgezondheid; maatschappelijke dienstverlening; openbaar onderwijs; veiligheid; milieu, inclusief klimaatverandering; openbare zeden; sociale bescherming of consumentenbescherming; privacy en gegevensbescherming of de bevordering en bescherming van culturele diversiteit.

3.   Deze titel is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen uit een Partij die toegang tot de arbeidsmarkt van de andere Partij zoeken, noch op maatregelen inzake nationaliteit, staatsburgerschap, vestigingsplaats of werk op permanente basis.

4.   Niets in deze titel belet een Partij maatregelen toe te passen ter regulering van de toelating van natuurlijke personen tot of hun tijdelijke verblijf op haar grondgebied, waaronder maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van haar grenzen en het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over die grenzen, mits die maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die de andere Partij op grond van deze titel toekomen, daardoor teniet worden gedaan of uitgehold. Het feit alleen dat voor natuurlijke personen afkomstig uit bepaalde landen wel en voor die uit andere landen geen visum vereist is, wordt niet geacht voordelen uit hoofde van deze titel teniet te doen of uit te hollen.

5.   Deze titel is niet van toepassing op:

a)

luchtdiensten of aanverwante diensten ter ondersteuning van luchtdiensten (6), met uitzondering van:

i)

reparatie en onderhoud van vliegtuigen;

ii)

geautomatiseerde boekingssystemen;

iii)

grondafhandelingsdiensten;

iv)

de volgende diensten die met een bemand luchtvaartuig worden verleend, met inachtneming van de respectieve wet- en regelgeving van de Partijen betreffende de toelating van luchtvaartuigen tot, het vertrek uit en de exploitatie op hun grondgebied: brandbestrijding vanuit de lucht, vliegtraining, besproeiing, landmeting, kartering, fotografie, en andere landbouw-, industriële en inspectiediensten in de lucht, alsmede

v)

verkoop en marketing van luchtvervoersdiensten;

b)

audiovisuele diensten;

c)

nationale cabotage in het zeevervoer (7), alsmede

d)

binnenvaart.

6.   Deze titel is niet van toepassing op enige maatregel van een Partij met betrekking tot overheidsopdrachten voor goederen of diensten aangekocht voor overheidsdoeleinden en niet met het oog op commerciële wederverkoop of gebruik bij de levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop, ongeacht of die opdrachten "onder deze overeenkomst vallende opdrachten" zijn in de zin van artikel 277.

7.   Met uitzondering van artikel 132 is deze titel niet van toepassing op door de Partijen verstrekte subsidies, met inbegrip van door de overheid gesteunde leningen, garanties en verzekeringen.

Artikel 124

Definities

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

a)

"activiteiten verricht in het kader van de uitoefening van overheidsgezag": activiteiten die worden verricht, met inbegrip van diensten die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers worden verleend (8);

b)

"reparatie en onderhoud van vliegtuigen": alle werkzaamheden aan een uit de dienst genomen vliegtuig of een onderdeel daarvan, met uitzondering van het zogenaamde lijnonderhoud;

c)

"geautomatiseerde boekingssystemen (CRS)": dienstverlening door middel van computersystemen die informatie bevatten over dienstregeling, beschikbaarheid, tarieven en regels daarvoor, met behulp waarvan boekingen kunnen worden gedaan of vervoersbewijzen kunnen worden uitgegeven;

d)

"onder de overeenkomst vallende onderneming": een onderneming die zich op het grondgebied van een Partij bevindt en die overeenkomstig punt h) door een investeerder uit de andere Partij in overeenstemming met het toepasselijke recht is opgericht op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst of daarna is opgericht;

e)

"grensoverschrijdende handel in diensten": het verlenen van een dienst:

i)

vanaf het grondgebied van een Partij naar het grondgebied van de andere Partij; dan wel

ii)

op het grondgebied van een Partij ten behoeve van de gebruiker van de dienst uit de andere Partij;

f)

"economische activiteit": elke activiteit van industriële, commerciële of professionele aard en elke activiteit van ambachtslieden, met inbegrip van het verlenen van diensten, met uitzondering van activiteiten verricht in het kader van de uitoefening van overheidsgezag;

g)

"onderneming": een rechtspersoon, een bijkantoor of een vertegenwoordiging van een rechtspersoon;

h)

"vestiging": het oprichten of verwerven van een rechtspersoon, onder meer door deelneming in het kapitaal, of de oprichting van een filiaal of vertegenwoordiging op het grondgebied van een Partij, teneinde duurzame economische banden tot stand te brengen of te handhaven;

i)

"grondafhandelingsdiensten": de verlening op een luchthaven, op basis van een vast tarief of een contract, van de volgende diensten: vertegenwoordiging van, beheer van en toezicht op een luchtvaartmaatschappij; passagiersafhandeling; bagageafhandeling; platformdiensten; catering; luchtvracht- en -postafhandeling; brandstofvoorziening van luchtvaartuigen; onderhoud en schoonmaak van luchtvaartuigen; vervoer op de grond; vluchtuitvoeringen, bemanningsadministratie en vluchtplanning; grondafhandelingsdiensten omvatten niet de volgende diensten: zelfafhandeling; veiligheid; reparatie en onderhoud van vliegtuigen, of beheer of exploitatie van essentiële gecentraliseerde luchthaveninfrastructuur, zoals ijsbestrijdingsinstallaties, brandstofdistributiesystemen, bagageafhandelingssystemen en vaste vervoerssystemen binnen luchthavens;

j)

"investeerder van een Partij": een natuurlijke of rechtspersoon uit een Partij die op het grondgebied van de andere Partij een onderneming wil vestigen, vestigt of heeft gevestigd overeenkomstig punt h);

k)

"rechtspersoon uit een Partij" (9):

i)

voor de Unie:

A)

een rechtspersoon die naar het recht van de Unie of ten minste één van haar lidstaten is opgericht of georganiseerd en die op het grondgebied van de Unie materiële zakelijke transacties verricht, begrepen door de Unie, in overeenstemming met haar kennisgeving van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap aan de WTO (WT/REG39/1), als gelijkwaardig aan het begrip "daadwerkelijke en voortdurende band" met de economie van een lidstaat zoals neergelegd in artikel 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en

B)

buiten de Unie gevestigde scheepvaartmaatschappijen die onder zeggenschap staan van natuurlijke personen van een lidstaat, waarvan de schepen in een lidstaat zijn geregistreerd en de vlag van die lidstaat voeren;

ii)

voor het Verenigd Koninkrijk:

A)

een naar het recht van het Verenigd Koninkrijk opgerichte of georganiseerde rechtspersoon die op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk materiële zakelijke transacties verricht, alsmede

B)

buiten het Verenigd Koninkrijk gevestigde scheepvaartmaatschappijen die onder zeggenschap staan van natuurlijke personen uit het Verenigd Koninkrijk, wier schepen in het Verenigd Koninkrijk zijn geregistreerd en de vlag van het Verenigd Koninkrijk voeren;

l)

"exploitatie": de uitbating, het beheer, het aanhouden, het gebruik, het genot en het verkopen of een andere vorm van beschikken over een onderneming;

m)

"beroepskwalificaties": kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel, beroepservaring of een ander bekwaamheidsattest;

n)

"verkoop en marketing van luchtvervoersdiensten": de mogelijkheid voor de betrokken luchtvaartmaatschappij haar luchtvervoersdiensten vrij te verkopen en op de markt te brengen, met inbegrip van alle marketingaspecten zoals marktonderzoek, reclame en distributie, maar met uitzondering van de tarifering van luchtvervoersdiensten en de toepasselijke voorwaarden;

o)

"dienst": elke dienst in enige sector, behalve diensten die worden verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag;

p)

"diensten die worden verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag": diensten die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer dienstverleners worden verleend;

q)

"dienstverlener": een natuurlijke of rechtspersoon die een dienst aanbiedt of verleent;

r)

"dienstverlener van een Partij": een natuurlijke of rechtspersoon uit een Partij die een dienst aanbiedt of verleent.

Artikel 125

Weigering toekenning voordelen

1.   Een Partij kan de voordelen van deze titel en titel IV van deze rubriek weigeren aan een investeerder of dienstverlener van de andere Partij, of aan een onder de overeenkomst vallende onderneming, indien de ontkennende Partij maatregelen vaststelt of handhaaft in verband met de handhaving van de internationale vrede en veiligheid, met inbegrip van de bescherming van de mensenrechten, die:

a)

transacties met die investeerder, dienstverlener of onder de overeenkomst vallende onderneming verbieden, of

b)

zouden worden geschonden of omzeild indien de voordelen van deze titel en titel IV van deze rubriek aan die investeerder, dienstverlener of onder de overeenkomst vallende onderneming zouden worden toegekend, ook wanneer de maatregelen transacties verbieden met een natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is van of zeggenschap heeft over een van die personen.

2.   Voor alle duidelijkheid: lid 1 is van toepassing op titel IV van deze rubriek voor zover deze betrekking heeft op diensten of investeringen waarvoor een Partij de voordelen van deze titel heeft geweigerd.

Artikel 126

Evaluatie

1.   Met het oog op mogelijke verbeteringen van de bepalingen van deze titel en in overeenstemming met hun verbintenissen uit hoofde van internationale overeenkomsten, evalueren de Partijen hun rechtskader met betrekking tot de handel in diensten en investeringen, met inbegrip van deze overeenkomst, overeenkomstig artikel 776.

2.   De Partijen streven ernaar in voorkomend geval een evaluatie uit te voeren van de niet-conforme maatregelen en voorbehouden zoals vermeld in bijlagen 19, 20, 21 en 22, en de activiteiten voor zakelijke bezoekers voor een kort verblijf zoals vermeld in bijlage 21, met het oog op het overeenkomen van mogelijke verbeteringen in hun wederzijds belang.

3.   Dit artikel is niet van toepassing op financiële diensten.

HOOFDSTUK 2

LIBERALISERING VAN INVESTERINGEN

Artikel 127

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen van een Partij die van invloed zijn op de vestiging van een onderneming om economische activiteiten uit te oefenen en op de exploitatie van een dergelijke onderneming door:

a)

investeerders uit de andere Partij;

b)

onder de overeenkomst vallende ondernemingen, alsmede

c)

voor de toepassing van artikel 132, elke onderneming op het grondgebied van de Partij die de maatregel vaststelt of handhaaft.

Artikel 128

Markttoegang

Een Partij mag, met betrekking tot de vestiging van een onderneming door een investeerder uit de andere Partij of een onder de overeenkomst vallende onderneming, noch op basis van haar gehele grondgebied, noch op basis van een territoriale onderafdeling maatregelen vaststellen of handhaven die:

a)

beperkingen opleggen ten aanzien van:

i)

het aantal ondernemingen die een specifieke economische activiteit mogen verrichten, in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;

ii)

de totale waarde van transacties of activa, in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;

iii)

het totale aantal transacties of het totale volume van de output, uitgedrukt in bepaalde numerieke eenheden, in de vorm van quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte (10) (11);

iv)

de deelneming van buitenlands kapitaal, uitgedrukt als een maximumpercentage voor buitenlands aandeelhouderschap of de totale waarde van individuele of totale buitenlandse investeringen; dan wel

v)

het totale aantal natuurlijke personen dat in een bepaalde sector mag zijn tewerkgesteld of dat een onderneming in dienst mag hebben, en dat nodig is voor en zich rechtstreeks bezighoudt met het uitvoeren van een economische activiteit, in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte; dan wel

b)

specifieke soorten juridische entiteiten of joint ventures via welke een ondernemer van de andere Partij een economische activiteit kan uitoefenen, vereisen of ten aanzien van die entiteiten of joint ventures beperkingen opleggen.

Artikel 129

Nationale behandeling

1.   Elke Partij behandelt ondernemers van de andere Partij en onder deze overeenkomst vallende ondernemingen niet minder gunstig dan haar eigen ondernemers en hun ondernemingen in vergelijkbare situaties, wat exploitatie op haar grondgebied betreft.

2.   Onder de door een Partij uit hoofde van lid 1 toegekende behandeling wordt verstaan:

a)

met betrekking tot een regionaal of lokaal overheidsniveau van het Verenigd Koninkrijk, een behandeling die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling die in soortgelijke situaties door dat overheidsniveau aan investeerders uit het Verenigd Koninkrijk en aan hun ondernemingen op zijn grondgebied wordt toegekend, alsmede

b)

ten aanzien van een overheid van of in een lidstaat, een behandeling die niet minder gunstig is dan de gunstigste behandeling die die overheid in soortgelijke situaties toekent aan investeerders van die lidstaat en hun ondernemingen op zijn grondgebied.

Artikel 130

Meestbegunstigingsbehandeling

1.   Elke Partij behandelt ondernemers van de andere Partij en onder deze overeenkomst vallende ondernemingen niet minder gunstig dan ondernemers uit derde landen en hun ondernemingen in vergelijkbare situaties, wat vestiging op haar grondgebied betreft.

2.   Elke Partij behandelt ondernemers van de andere Partij en onder deze overeenkomst vallende ondernemingen niet minder gunstig dan ondernemers uit derde landen en hun ondernemingen in vergelijkbare situaties, wat exploitatie op haar grondgebied betreft.

3.   De leden 1 en 2 worden niet uitgelegd als een verplichting voor een Partij om het voordeel van een behandeling uit te breiden tot ondernemers van de andere Partij en onder deze overeenkomst vallende ondernemingen, indien dat voordeel het resultaat is van:

a)

een internationale overeenkomst ter vermijding van dubbele belastingheffing of een andere internationale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing, dan wel

b)

maatregelen die voorzien in de erkenning, met inbegrip van de erkenning van de normen of criteria voor de machtiging, vergunningverlening of certificering van een natuurlijke persoon of onderneming om een economische activiteit uit te oefenen, of in de erkenning van prudentiële maatregelen als bedoeld in punt 3 van de GATS-bijlage betreffende financiële diensten.

4.   Voor alle duidelijkheid: de in de leden 1 en 2 genoemde "behandeling" heeft geen betrekking op beslechtingsprocedures voor geschillen tussen investeerders en staten waarin andere internationale overeenkomsten voorzien.

5.   Voor alle duidelijkheid: het bestaan van materiële bepalingen in andere internationale overeenkomsten die door een Partij met een derde land zijn gesloten, of louter de formele omzetting van die bepalingen in nationaal recht voor zover dat nodig is om ze in de interne rechtsorde op te nemen, vormen op zich niet de in de leden 1 en 2 bedoelde "behandeling". Maatregelen van een Partij op grond van die bepalingen kunnen een dergelijke behandeling vormen en derhalve aanleiding geven tot een inbreuk op dit artikel.

Artikel 131

Hoger management en raden van bestuur

Een Partij mag een onder de overeenkomst vallende onderneming niet verplichten personen van een bepaalde nationaliteit te benoemen als leidinggevenden, managers of leden van de raad van bestuur.

Artikel 132

Prestatie-eisen

1.   Een Partij onthoudt zich ervan om in verband met de vestiging of exploitatie van een onderneming op haar grondgebied de volgende eisen te stellen of te handhaven, of verbintenissen of toezeggingen op te leggen:

a)

dat er een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten wordt uitgevoerd;

b)

dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten interne goederen of diensten betreft;

c)

dat op haar grondgebied geproduceerde goederen of verleende diensten worden gekocht of gebruikt of dat die goederen of diensten de voorkeur krijgen, of dat goederen of diensten worden gekocht bij natuurlijke personen of ondernemingen op haar grondgebied;

d)

dat de omvang of de waarde van de invoer op welke wijze dan ook wordt gekoppeld aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen in verband met die onderneming;

e)

dat de verkoop van goederen of diensten op haar grondgebied die door die onderneming worden geproduceerd of geleverd, wordt beperkt door die verkoop op een of andere manier te koppelen aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen;

f)

dat technologie, een productieproces of andere bedrijfsspecifieke kennis wordt overgedragen aan natuurlijke of rechtspersonen of andere entiteiten op haar grondgebied (12);

g)

dat door de onderneming geproduceerde goederen of verleende diensten vanaf het grondgebied van de Partij bij de overeenkomst exclusief aan een specifieke regionale of mondiale markt worden geleverd;

h)

dat het hoofdkantoor voor een specifieke regio van de wereld die breder is dan het grondgebied van de Partij of de wereldmarkt op haar grondgebied wordt gevestigd;

i)

dat een bepaald aantal of percentage natuurlijke personen uit die Partij in dienst wordt genomen;

j)

dat een bepaald percentage of een bepaalde waarde van onderzoek en ontwikkeling op haar grondgebied wordt verricht;

k)

dat de uitvoer of verkoop voor uitvoer wordt beperkt, dan wel

l)

met betrekking tot een licentieovereenkomst die bestaat op het tijdstip waarop de eis wordt gesteld of gehandhaafd of de verbintenis of toezegging wordt opgelegd, of met betrekking tot een toekomstige licentieovereenkomst die vrijelijk is gesloten tussen de onderneming en een natuurlijke of rechtspersoon of een andere entiteit op haar grondgebied, indien de eis wordt gesteld of gehandhaafd of de verbintenis of toezegging wordt opgelegd, op een wijze die een rechtstreekse aantasting van die licentieovereenkomst vormt door uitoefening van niet-rechtsprekend overheidsgezag van een Partij, dat het volgende wordt vastgesteld:

i)

een percentage of bedrag van royalty's onder een bepaald niveau, dan wel

ii)

een bepaalde duur van de looptijd van een licentieovereenkomst.

Dit punt is niet van toepassing wanneer het licentiecontract wordt gesloten tussen de onderneming en de Partij. Voor de toepassing van dit punt wordt onder "licentieovereenkomst" verstaan elk contract betreffende het in licentie geven van technologie, een productieproces of andere bedrijfsspecifieke kennis.

2.   Een Partij stelt het genot of het voortgezette genot van een voordeel in verband met de vestiging of exploitatie van een onderneming op haar grondgebied niet afhankelijk van de voorwaarde dat een van de volgende eisen wordt vervuld:

a)

dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten interne goederen of diensten betreft;

b)

dat op haar grondgebied geproduceerde goederen of verleende diensten worden gekocht of gebruikt of dat die goederen of diensten de voorkeur krijgen, of dat goederen of diensten worden gekocht bij natuurlijke of rechtspersonen of andere entiteiten op haar grondgebied;

c)

dat de omvang of de waarde van de invoer op welke wijze dan ook wordt gekoppeld aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen in verband met die onderneming;

d)

dat de verkoop van goederen of diensten op haar grondgebied die door die onderneming worden geproduceerd of geleverd, wordt beperkt door die verkoop op een of andere manier te koppelen aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen, dan wel

e)

dat de uitvoer of verkoop voor uitvoer wordt beperkt.

3.   Lid 2 mag niet aldus worden uitgelegd dat het een Partij belet om het genot of het voortgezette genot van voordeel in verband met de vestiging of exploitatie van een onderneming op haar grondgebied afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de productie naar haar grondgebied wordt verplaatst of dat aldaar diensten worden verleend, werknemers worden opgeleid of in dienst worden genomen, bepaalde installaties worden gebouwd of uitgebreid, of onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten worden verricht.

4.   Lid 1, punten f) en l), van dit artikel zijn niet van toepassing indien:

a)

de eis wordt gesteld of gehandhaafd of de verbintenis of toezegging wordt opgelegd door een rechter of administratief gerecht of door een mededingingsautoriteit op grond van het mededingingsrecht van een Partij om een beperking of vervalsing van de mededinging te voorkomen of te verhelpen, of

b)

een Partij toestemming verleent voor het gebruik van een intellectuele-eigendomsrecht overeenkomstig artikel 31 of artikel 31 bis van de Trips-Overeenkomst, of maatregelen vaststelt of handhaaft op grond waarvan de openbaarmaking van gegevens of informatie inzake eigendomsrechten wordt verlangd die binnen de werkingssfeer vallen van en in overeenstemming zijn met artikel 39, lid 3, van de Trips-Overeenkomst.

5.   Lid 1, punten a), b) en c), en lid 2, punten a) en b), zijn niet van toepassing op kwalificatievereisten voor goederen of diensten met betrekking tot de deelname aan programma's voor uitvoerbevordering en buitenlandse hulp.

6.   Voor alle duidelijkheid: dit artikel vormt geen beletsel voor de handhaving door de bevoegde autoriteiten van een Partij van verbintenissen of toezeggingen tussen andere personen dan een Partij die niet direct of indirect door die Partij zijn opgelegd of voorgeschreven.

7.   Voor alle duidelijkheid: lid 2, punten a) en b), is niet van toepassing op de eisen die worden gesteld door een invoerende Partij met betrekking tot het volume van goederen dat nodig is om in aanmerking te komen voor preferentiële tarieven of preferentiële contingenten.

8.   Lid 1, punt l), is niet van toepassing indien de eis wordt gesteld of gehandhaafd, of de verbintenis of toezegging wordt opgelegd, door een rechtbank als billijke vergoeding uit hoofde van de wetgeving inzake auteursrechten van de Partij.

9.   Een Partij mag geen maatregelen opleggen of handhaven die onverenigbaar zijn met haar verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst inzake de met de handel verband houdende investeringsmaatregelen, zelfs niet wanneer die maatregel door die Partij is opgenomen in bijlagen 19 of 20.

10.   Voor alle duidelijkheid: dit artikel mag niet aldus worden uitgelegd dat een Partij verplicht is toe te staan dat een bepaalde dienst grensoverschrijdend wordt verleend, wanneer die Partij beperkingen of verbodsbepalingen vaststelt of handhaaft op de verlening van diensten die in overeenstemming zijn met de voorbehouden, voorwaarden of kwalificaties die zijn gespecificeerd met betrekking tot een sector, subsector of activiteit die is vermeld in bijlagen 19 of 20.

11.   Een voorwaarde voor het genot of het voortgezette genot van een voordeel in de zin van lid 2 vormt geen eis of verbintenis of toezegging voor de toepassing van lid 1.

Artikel 133

Niet-conforme maatregelen en uitzonderingen

1.   De artikelen 128, 129, 130, 131 en 132 zijn niet van toepassing op:

a)

bestaande niet-conforme maatregelen van een Partij op het niveau van:

i)

voor de Unie:

A)

de Unie, zoals opgenomen in de lijst van de Unie in bijlage 19;

B)

de centrale overheid van een lidstaat, zoals opgenomen in de lijst van de Unie in bijlage 19;

C)

een regionale overheid van een lidstaat, zoals opgenomen in de lijst van de Unie in bijlage 19, of

D)

een lokale overheid, anders dan bedoeld in punt C), alsmede

ii)

voor het Verenigd Koninkrijk:

A)

de centrale overheid, zoals opgenomen in de lijst van het Verenigd Koninkrijk in bijlage 19;

B)

een regionale overheid, zoals opgenomen in de lijst van het Verenigd Koninkrijk in bijlage 19,

of

C)

een lokale overheid;

b)

de handhaving of onverwijlde verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld in punt a) van dit lid; of

c)

een wijziging van een niet-conforme maatregel als bedoeld in de punten a) en b) van dit lid, voor zover die geen afbreuk doet aan de conformiteit van de maatregel met artikel 128, 129, 130, 131 of 132, zoals die onmiddellijk vóór de wijziging bestond.

2.   De artikelen 128, 129, 130, 131 en 132 zijn niet van toepassing op maatregelen van een Partij die in overeenstemming zijn met de voorbehouden, voorwaarden of kwalificaties die zijn gespecificeerd met betrekking tot een in bijlage 20 vermelde sector, subsector of activiteit.

3.   De artikelen 129 en 130 van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op maatregelen die een uitzondering op of afwijking van artikel 3 of 4 van de Trips-Overeenkomst vormen, zoals specifiek bepaald in de artikelen 3, 4 en 5 van die overeenkomst.

4.   Voor alle duidelijkheid: de artikelen 129 en 130 mogen niet zodanig worden uitgelegd dat zij een Partij beletten informatievereisten voor te schrijven, ook voor statistische doeleinden, in verband met de oprichting of exploitatie van investeerders uit de andere Partij of van onder de overeenkomst vallende ondernemingen, mits dat geen middel is om de verplichtingen van die Partij uit hoofde van die artikelen te omzeilen.

HOOFDSTUK 3

GRENSOVERSCHRIJDENDE HANDEL IN DIENSTEN

Artikel 134

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen van een Partij die gevolgen hebben voor de grensoverschrijdende handel in diensten door dienstverleners uit de andere Partij.

Artikel 135

Markttoegang

Een Partij mag noch op basis van haar gehele grondgebied, noch op basis van een territoriale onderverdeling maatregelen vaststellen of handhaven die:

a)

beperkingen opleggen ten aanzien van:

i)

het aantal dienstverleners, ongeacht of dat geschiedt in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de eisen van een onderzoek naar de economische behoefte;

ii)

de totale waarde van dienstentransacties of activa, in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte, dan wel

iii)

beperkingen van het totale aantal dienstentransacties of de totale hoeveelheid geleverde diensten, in bepaalde numerieke eenheden uitgedrukt in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar economische behoefte (13), dan wel

b)

specifieke soorten juridische entiteiten of joint ventures via welke dienstverlener een dienst kan verlenen, vereisen of in dat verband beperkingen opleggen.

Artikel 136

Lokale aanwezigheid

Een Partij mag een dienstverlener uit de andere Partij niet verplichten een onderneming op te richten of in stand te houden of op haar grondgebied te verblijven als voorwaarde voor de grensoverschrijdende verlening van een dienst.

Artikel 137

Nationale behandeling

1.   Elke Partij behandelt diensten en dienstverleners uit de andere Partij niet minder gunstig dan haar eigen diensten en dienstverleners in soortgelijke situaties.

2.   Een Partij kan aan de vereiste in lid 1 voldoen door aan diensten en dienstverleners uit de andere Partij een behandeling toe te kennen die naar de vorm identiek is dan wel naar de vorm afwijkt van de behandeling die zij aan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners toekent.

3.   Een naar de vorm identieke of naar de vorm afwijkende behandeling wordt geacht minder gunstig te zijn indien zij de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van diensten of dienstverleners uit de betrokken Partij, in vergelijking met soortgelijke diensten of dienstverleners uit de andere Partij.

4.   Niets in dit artikel wordt zodanig uitgelegd dat een Partij verplicht is tot compensatie van mededingingsnadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende diensten of dienstverleners.

Artikel 138

Meestbegunstigingsbehandeling

1.   Elke Partij behandelt de diensten en dienstverleners van de andere Partij niet minder gunstig dan de diensten en dienstverleners uit een derde land.

2.   Lid 1 mag niet worden uitgelegd als een verplichting voor een Partij om het voordeel van een behandeling uit te breiden tot diensten en dienstverleners van de andere Partij indien dat voordeel het resultaat is van:

a)

een internationale overeenkomst ter vermijding van dubbele belastingheffing of een andere internationale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing, dan wel

b)

maatregelen die voorzien in de erkenning, met inbegrip van de normen of criteria voor het toestaan, verlenen of certificeren van een natuurlijke persoon of onderneming om een economische activiteit uit te oefenen, of van prudentiële maatregelen als bedoeld in punt 3 van de GATS-bijlage betreffende financiële diensten.

3.   Voor alle duidelijkheid: het bestaan van materiële bepalingen in andere overeenkomsten die door een Partij met een derde land zijn gesloten, of louter de formele omzetting van die bepalingen in nationaal recht voor zover dat nodig is om ze in de interne rechtsorde op te nemen, vormen op zich niet de in lid 1 bedoelde "behandeling". Maatregelen van een Partij op grond van die bepalingen kunnen een dergelijke behandeling vormen en derhalve aanleiding geven tot een inbreuk op dit artikel.

Artikel 139

Niet-conforme maatregelen

1.   De artikelen 135, 136, 137 en 138 zijn niet van toepassing op:

a)

bestaande niet-conforme maatregelen van een Partij op het niveau van:

i)

voor de Unie:

A)

de Unie, zoals opgenomen in de lijst van de Unie in bijlage 19;

B)

de centrale overheid van een lidstaat, zoals opgenomen in de lijst van de Unie in bijlage 19;

C)

een regionale overheid van een lidstaat, zoals opgenomen in de lijst van de Unie in bijlage 19, of

D)

een lokale overheid, anders dan bedoeld in punt C), alsmede

ii)

voor het Verenigd Koninkrijk:

A)

de centrale overheid, zoals opgenomen in de lijst van het Verenigd Koninkrijk in bijlage 19;

B)

een regionale overheid, zoals opgenomen in de lijst van het Verenigd Koninkrijk in bijlage 19, of

C)

een lokale overheid;

b)

de handhaving of onverwijlde verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld in punt a) van dit lid; of

c)

een wijziging van een niet-conforme maatregel als bedoeld in de punten a) en b) van dit lid, voor zover die geen afbreuk doet aan de conformiteit van de maatregel met de artikelen 135, 136, 137 en 138, zoals die onmiddellijk vóór de wijziging bestond.

2.   De artikelen 135, 136, 137 en 138 zijn niet van toepassing op maatregelen van een Partij die in overeenstemming zijn met de voorbehouden, voorwaarden of kwalificaties die zijn gespecificeerd met betrekking tot een in bijlage 20 vermelde sector, subsector of activiteit.

HOOFDSTUK 4

TOEGANG EN TIJDELIJK VERBLIJF VAN NATUURLIJKE PERSONEN VOOR ZAKELIJKE DOELEINDEN

Artikel 140

Toepassingsgebied en definities

1.   Dit hoofdstuk is van toepassing op maatregelen van een Partij die van invloed zijn op de uitoefening van economische activiteiten door de toegang tot en het tijdelijke verblijf op haar grondgebied van natuurlijke personen uit de andere Partij die zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden, dienstverleners op contractbasis, beoefenaars van een vrij beroep, binnen een onderneming overgeplaatste personen en zakelijke bezoekers voor een kort verblijf zijn.

2.   Voor zover in dit hoofdstuk geen verbintenissen zijn aangegaan, blijven alle voorschriften van de wetgeving van een Partij met betrekking tot de toegang en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen van toepassing, met inbegrip van de wet- en regelgeving betreffende de verblijfsduur.

3.   Niettegenstaande de bepalingen van dit hoofdstuk blijven alle voorschriften in de wetgeving van een Partij met betrekking tot arbeid en sociale zekerheid van toepassing, met inbegrip van de wet- en regelgeving inzake minimumlonen en collectieve arbeidsovereenkomsten.

4.   Verbintenissen inzake de toegang en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden zijn niet van toepassing in gevallen waarin het de bedoeling of het gevolg van hun toegang en tijdelijke verblijf is in te grijpen in, of op andere wijze invloed uit te oefenen op het resultaat van arbeids- of managementgeschillen of -onderhandelingen, of de indienstneming van natuurlijke personen die bij dat geschil betrokken zijn.

5.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)

"zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden": natuurlijke personen die een hoge functie bekleden binnen een rechtspersoon uit een Partij en die:

i)

verantwoordelijk zijn voor de oprichting van een onderneming van een dergelijke rechtspersoon op het grondgebied van de andere Partij;

ii)

geen diensten aanbieden of verrichten, noch een andere economische activiteit uitoefenen dan die welke noodzakelijk is voor de vestiging van die onderneming, en

iii)

geen beloning ontvangen uit een in de andere Partij gevestigde bron;

b)

"dienstverleners op contractbasis": natuurlijke personen die in dienst zijn van een rechtspersoon uit een Partij (anders dan via een agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening), die niet op het grondgebied van de andere Partij zijn gevestigd en een bonafide contract van ten hoogste twaalf maanden hebben gesloten voor het verlenen van diensten aan een eindverbruiker in de andere Partij waarvoor de tijdelijke aanwezigheid van zijn werknemers vereist is, die:

i)

gedurende een periode van ten minste één jaar onmiddellijk voorafgaand aan de datum van hun aanvraag voor toegang en tijdelijk verblijf dezelfde soort diensten als werknemers van de rechtspersoon hebben aangeboden;

ii)

op die datum ten minste drie jaar beroepservaring bezitten die na het bereiken van de meerderjarigheid is opgedaan in de sector waarop het contract betrekking heeft, een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis van een gelijkwaardig niveau blijkt, alsmede de beroepskwalificaties die wettelijk vereist zijn om die activiteit in de andere Partij uit te oefenen (14), alsmede

iii)

geen beloning ontvangen uit een in de andere Partij gevestigde bron;

c)

"beoefenaars van een vrij beroep": natuurlijke personen die als zelfstandige op het grondgebied van een Partij een dienst verlenen en die:

i)

geen vestiging op het grondgebied van de andere Partij hebben;

ii)

voor een periode van ten hoogste twaalf maanden een bonafide contract (anders dan via een agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening) hebben gesloten voor het verlenen van diensten aan een eindverbruiker in de andere Partij, op grond waarvan hun aanwezigheid op tijdelijke basis vereist is, alsmede

iii)

op de datum van hun aanvraag voor toegang en tijdelijk verblijf beschikken over ten minste zes jaar beroepservaring in de desbetreffende activiteit, een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis van een gelijkwaardig niveau blijkt en de beroepskwalificaties die wettelijk vereist zijn om die activiteit in de andere Partij uit te oefenen (15);

d)

"binnen een onderneming overgeplaatste personen": natuurlijke personen die:

i)

gedurende een onmiddellijk aan de datum van de overplaatsing binnen een onderneming voorafgaande periode van ten minste één jaar voor leidinggevenden en specialisten en van ten minste zes maanden voor stagiair-werknemers in dienst zijn geweest bij een rechtspersoon uit een Partij, of daarbij partners zijn geweest;

ii)

op het moment van de aanvraag buiten het grondgebied van de andere Partij verblijven;

iii)

tijdelijk worden overgebracht naar een onderneming van de rechtspersoon op het grondgebied van de andere Partij die lid is van dezelfde groep als de oorspronkelijke rechtspersoon, met inbegrip van zijn vertegenwoordiging, dochteronderneming, filiaal of moedervennootschap (16), alsmede

iv)

tot een van de volgende categorieën behoren:

A)

leidinggevenden (17);

B)

specialisten, dan wel

C)

stagiair-werknemers;

e)

"leidinggevende": een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van het hoger leidinggevend personeel, die in de eerste plaats verantwoordelijk is voor het management van de onderneming, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, waaronder ten minste personen die:

i)

leiding geven aan een onderneming of een afdeling of onderafdeling daarvan;

ii)

toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en die werkzaamheden controleren, alsmede

iii)

bevoegd zijn voor het aanbevelen van de indienstneming of van het ontslag van werknemers dan wel van ander optreden in het kader van het personeelsbeleid;

f)

"specialist": een natuurlijke persoon die beschikt over gespecialiseerde kennis die essentieel is voor de activiteiten, technieken of het management van de onderneming, die niet alleen moet worden beoordeeld met betrekking tot de specifieke kennis van de onderneming, maar ook met betrekking tot de vraag of de persoon over een hoog kwalificatieniveau beschikt, met inbegrip van voldoende beroepservaring met een soort werk of activiteit waarvoor specifieke technische kennis vereist is, met inbegrip van het eventuele lidmaatschap van een erkend beroep, alsmede

g)

"stagiair-werknemer": een natuurlijke persoon met een universitair diploma die voor loopbaanontwikkeling of voor een opleiding in bedrijfstechnieken of -methoden tijdelijk wordt overgeplaatst en die gedurende de overplaatsing wordt bezoldigd (18).

6.   Het in lid 5, punten b) en c), bedoelde dienstencontract voldoet aan de eisen van de wetgeving van de Partij waar het contract wordt uitgevoerd.

Artikel 141

Binnen een onderneming overgeplaatste personen en zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden

1.   Met inachtneming van de relevante voorwaarden en kwalificaties van bijlage 21:

a)

staat elke Partij het volgende toe:

i)

de toegang en het tijdelijke verblijf van binnen een onderneming overgeplaatste personen;

ii)

de toegang en het tijdelijke verblijf van zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden zonder dat daarvoor een werkvergunning of een andere procedure van voorafgaande goedkeuring met vergelijkbaar oogmerk vereist is, alsmede

iii)

de tewerkstelling op haar grondgebied van binnen een onderneming overgeplaatste personen uit de andere Partij;

b)

een Partij handhaaft noch stelt beperkingen vast in de vorm van numerieke quota of onderzoek naar de economische behoefte met betrekking tot het totale aantal natuurlijke personen dat in een specifieke sector als zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden mag worden toegelaten of dat een investeerder van de andere Partij in dienst mag nemen als binnen een onderneming overgeplaatste personen, hetzij op basis van een territoriale indeling, hetzij op basis van haar gehele grondgebied, en

c)

elke Partij behandelt binnen een onderneming overgeplaatste personen en zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden van de andere Partij tijdens hun tijdelijke verblijf op haar grondgebied niet minder gunstig dan haar eigen natuurlijke personen in soortgelijke situaties.

2.   De toegestane verblijfsduur bedraagt maximaal drie jaar voor leidinggevenden en specialisten, maximaal één jaar voor stagiair-werknemers en maximaal 90 dagen binnen een periode van zes maanden voor zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden.

Artikel 142

Zakelijke bezoekers voor een kort verblijf

1.   Met inachtneming van de relevante voorwaarden en kwalificaties van bijlage 21 staat elke Partij de toegang en het tijdelijk verblijf toe van zakelijke bezoekers voor een kort verblijf van de andere Partij voor de uitoefening van de in bijlage 21 vermelde activiteiten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de zakelijke bezoekers voor een kort verblijf verkopen geen goederen en verlenen geen diensten aan het grote publiek;

b)

de zakelijke bezoekers voor een kort verblijf ontvangen niet op eigen naam een beloning uit een bron binnen de Partij waar zij tijdelijk verblijven, en

c)

de zakelijke bezoekers voor een kort verblijf zijn niet betrokken bij de verlening van een dienst in het kader van een contract tussen een rechtspersoon die niet gevestigd is op het grondgebied van de Partij waar zij tijdelijk verblijven, en een consument aldaar, behalve zoals bepaald in bijlage 21.

2.   Tenzij anders bepaald in bijlage 21, staat een Partij toe dat zakelijke bezoekers voor een kort verblijf toegang krijgen zonder dat daarvoor een werkvergunning, een onderzoek naar de economische behoefte of een andere procedure van voorafgaande goedkeuring van soortgelijke opzet vereist is.

3.   Indien zakelijke bezoekers voor een kort verblijf van een Partij betrokken zijn bij de verlening van een dienst aan een consument op het grondgebied van de Partij waar zij tijdelijk verblijven overeenkomstig bijlage 21, behandelt die Partij hen wat de verlening van die dienst betreft niet minder gunstig dan haar eigen dienstverleners in vergelijkbare situaties.

4.   De toegestane verblijfsduur bedraagt maximaal 90 dagen per periode van zes maanden.

Artikel 143

DIENSTVERLENERS OP CONTRACTBASIS EN BEOEFENAARS VAN EEN VRIJ BEROEP

1.   In de sectoren, subsectoren en activiteiten die zijn vermeld in bijlage 22 en met inachtneming van de daarin vermelde relevante voorwaarden en kwalificaties:

a)

staat een Partij de toegang en het tijdelijke verblijf van dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep op haar grondgebied toe;

b)

stelt een Partij geen beperkingen vast of handhaaft zij geen beperkingen op het totale aantal dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep uit de andere Partij dat toegang en tijdelijk verblijf wordt toegestaan in de vorm van numerieke quota of een onderzoek naar de economische behoefte, en

c)

behandelt elke Partij de dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep uit de andere Partij met betrekking tot de verstrekking van hun diensten op haar grondgebied in vergelijkbare situaties niet minder gunstig dan haar eigen dienstverleners.

2.   De uit hoofde van dit artikel verleende toegang betreft uitsluitend de dienst waarop het contract betrekking heeft en geeft geen recht op het voeren van de beroepstitel van de Partij waar de dienst wordt verleend.

3.   Het aantal personen waarop het dienstencontract betrekking heeft, mag niet groter zijn dan nodig is om het contract uit te voeren, zoals mogelijk vereist door de wetgeving van de Partij waar de dienst wordt verleend.

4.   De toegestane duur van het verblijf bedraagt in totaal ten hoogste twaalf maanden, dan wel de duur van het contract indien dat korter is.

Artikel 144

Niet-conforme maatregelen

Voor zover de betrokken maatregel van invloed is op het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden, zijn artikel 141, lid 1, punten b) en c), artikel 142, lid 3, en artikel 143, lid 1, punten b) en c), niet van toepassing op:

a)

bestaande niet-conforme maatregelen van een Partij op het niveau van:

i)

voor de Unie:

A)

de Unie, zoals opgenomen in de lijst van de Unie in bijlage 19;

B)

de centrale overheid van een lidstaat, zoals opgenomen in de lijst van de Unie in bijlage 19;

C)

een regionale overheid van een lidstaat, zoals opgenomen in de lijst van de Unie in bijlage 19, of

D)

een lokale overheid, anders dan bedoeld in punt C), alsmede

ii)

voor het Verenigd Koninkrijk:

A)

de centrale overheid, zoals opgenomen in de lijst van het Verenigd Koninkrijk in bijlage 19;

B)

een regionale overheid, zoals opgenomen in de lijst van het Verenigd Koninkrijk in bijlage 19; of

C)

een lokale overheid;

b)

de handhaving of onverwijlde verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld in punt a) van dit artikel;

c)

een wijziging van een niet-conforme maatregel als bedoeld in de punten a) en b) van dit artikel, voor zover die geen afbreuk doet aan de conformiteit van de maatregel met artikel 141, lid 1, punten b) en c), artikel 142, lid 3, en artikel 143, lid 1, punten b) en c), zoals die onmiddellijk vóór de wijziging bestond; of

d)

maatregelen van een Partij die in overeenstemming zijn met een voorwaarde of kwalificatie als vermeld in bijlage 20.

Artikel 145

Transparantie

1.   Elke Partij maakt informatie openbaar over relevante maatregelen met betrekking tot de toegang en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen uit de andere Partij, als bedoeld in artikel 140, lid 1.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie omvat, voor zover mogelijk, de volgende informatie met betrekking tot de toegang en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen:

a)

categorieën van visa, verblijfstitels of soortgelijke vergunningen voor toegang en tijdelijk verblijf;

b)

vereiste documentatie en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan;

c)

wijze van indiening van een aanvraag en mogelijkheden om die in te dienen, zoals via consulaten of online;

d)

kosten om een aanvraag in te dienen en indicatief tijdschema voor de behandeling van een aanvraag;

e)

maximale verblijfsduur in het kader van elke soort vergunning als omschreven in punt a);

f)

voorwaarden voor eventuele verlenging of vernieuwing;

g)

voorschriften over begeleidende personen ten laste;

h)

beschikbare toetsings- of beroepsprocedures, alsmede

i)

algemeen toepasselijke wetgeving met betrekking tot de toegang en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden.

3.   Wat de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie betreft, streeft elke Partij ernaar de andere Partij onmiddellijk in kennis te stellen van de invoering van nieuwe vereisten en procedures, of van wijzigingen van vereisten en procedures, die van invloed zijn op de effectieve toepassing van het verlenen van toegang tot, tijdelijk verblijf in en, indien van toepassing, toestemming om te werken in de eerstgenoemde Partij.

HOOFDSTUK 5

REGELGEVINGSKADER

AFDELING 1

INTERNE REGELGEVING

Artikel 146

Toepassingsgebied en definities

1.   Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de Partijen met betrekking tot vergunningsvereisten en -procedures, kwalificatievereisten en -procedures, formaliteiten en technische normen die van invloed zijn op:

a)

grensoverschrijdende handel in diensten;

b)

vestiging of exploitatie; dan wel

c)

de verstrekking van een dienst via de aanwezigheid van een natuurlijke persoon uit een Partij op het grondgebied van de andere Partij, zoals bepaald in artikel 140.

Wat maatregelen met betrekking tot technische normen betreft, is deze afdeling alleen van toepassing op maatregelen die van invloed zijn op de handel in diensten. Voor de toepassing van deze afdeling omvat de term "technische normen" geen technische regulerings- of uitvoeringsnormen voor financiële diensten.

2.   Deze afdeling is niet van toepassing op vergunningsvereisten en -procedures, kwalificatievereisten en -procedures, formaliteiten en technische normen op grond van een maatregel:

a)

die niet in overeenstemming is met artikel 128 of artikel 129 en waarnaar wordt verwezen in artikel 133, lid 1, punten a) tot en met c), of met artikel 135, 136 of 137 en waarnaar wordt verwezen in artikel 139, lid 1, punten a) tot en met c), of met artikel 141, lid 1, punten b) en c), of artikel 142, lid 3, of met artikel 143, lid 1, punten b) en c), en waarnaar wordt verwezen in artikel 144, of

b)

als bedoeld in artikel 133, lid 2, of artikel 139, lid 2.

3.   Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)

"vergunning": de toestemming om een van de in lid 1, punt a) tot en met c), bedoelde activiteiten te verrichten die voortvloeien uit een procedure waaraan een natuurlijke of rechtspersoon moet voldoen om aan te tonen dat hij voldoet aan de vergunningsvereisten, kwalificatievereisten, technische normen of formaliteiten met het oog op het verkrijgen, handhaven of verlengen van die toestemming, en

b)

"bevoegde autoriteit": een centrale, regionale of lokale overheid of autoriteit of niet-gouvernementele instantie in de uitoefening van bevoegdheden die zijn gedelegeerd door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten en die bevoegd is een besluit te nemen over de in punt a) bedoelde vergunning.

Artikel 147

Indiening van aanvragen

Elke Partij vermijdt, voor zover praktisch haalbaar, van een aanvrager te verlangen dat hij zich voor elke vergunningsaanvraag tot meer dan één bevoegde autoriteit wendt. Indien een activiteit waarvoor een vergunning wordt aangevraagd binnen het rechtsgebied van meerdere bevoegde autoriteiten valt, kunnen meerdere vergunningsaanvragen worden verlangd.

Artikel 148

Toepassingstermijnen

Indien een Partij een vergunning vereist, ziet zij erop toe dat haar bevoegde autoriteiten, voor zover mogelijk, de indiening van een aanvraag op elk moment van het jaar toestaan. Indien er een specifieke termijn voor het aanvragen van een vergunning bestaat, zorgt de Partij ervoor dat de bevoegde autoriteiten een redelijke termijn voor de indiening van een aanvraag toestaan.

Artikel 149

Elektronische aanvragen en aanvaarding van kopieën

Indien een Partij een vergunning vereist, ziet zij erop toe dat haar bevoegde autoriteiten:

a)

in de mate van het mogelijke ervoor zorgen dat aanvragen elektronisch kunnen worden ingevuld, ook vanuit het grondgebied van de andere Partij, alsmede

b)

in plaats van originele documenten kopieën aanvaarden van documenten die overeenkomstig de interne wetgeving van de Partij zijn gewaarmerkt, tenzij de bevoegde autoriteiten originele documenten verlangen om de integriteit van het vergunningsproces te beschermen.

Artikel 150

Behandeling van een verzoek

1.   Indien een Partij een vergunning vereist, ziet zij erop toe dat haar bevoegde autoriteiten:

a)

aanvragen heel het jaar rond verwerken. Indien dat niet mogelijk is, moet die informatie, voor zover praktisch haalbaar, vooraf openbaar worden gemaakt;

b)

voor zover praktisch uitvoerbaar, een indicatief tijdschema verstrekken voor de behandeling van een aanvraag. Die termijn is, voor zover praktisch haalbaar, redelijk;

c)

op verzoek van de aanvrager zonder onnodige vertraging informatie verstrekken over de status van de aanvraag;

d)

voor zover mogelijk zonder onnodige vertraging nagaan of een aanvraag voor verwerking in het kader van de interne wet- en regelgeving van de Partij volledig is;

e)

indien zij van mening zijn dat een aanvraag volledig is met het oog op verwerking in het kader van de interne wet- en regelgeving van de Partij (19), ervoor binnen een redelijke termijn na de indiening van de aanvraag zorgen dat:

i)

de behandeling van de aanvraag is voltooid, alsmede

ii)

de aanvrager, voor zover mogelijk, schriftelijk in kennis wordt gesteld van de beslissing over de aanvraag (20);

f)

indien zij van oordeel zijn dat een aanvraag met het oog op verwerking in het kader van de interne wet- en regelgeving van de Partij onvolledig is, binnen een redelijke termijn, voor zover mogelijk:

i)

de aanvrager ervan in kennis stellen dat de aanvraag onvolledig is;

ii)

op verzoek van de aanvrager aangeven welke aanvullende informatie nodig is om de aanvraag in te vullen of anderszins aangeven waarom de aanvraag als onvolledig wordt beschouwd, alsmede

iii)

de aanvrager de mogelijkheid bieden de aanvullende informatie te verstrekken die nodig is om de aanvraag te vervolledigen (21);

indien echter geen van de in de punten (i), (ii) en (iii) bedoelde handelingen haalbaar is en de aanvraag wegens onvolledigheid wordt afgewezen, zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat zij de aanvrager daarvan binnen een redelijke termijn in kennis stellen, en

g)

indien een aanvraag wordt afgewezen, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de aanvrager, de aanvrager in kennis stellen van de redenen voor de afwijzing en van de termijn voor een beroep tegen dat besluit en, indien van toepassing, van de procedures voor het opnieuw indienen van een aanvraag; een aanvrager mag niet uitsluitend op grond van een eerder afgewezen aanvraag worden belet om een andere aanvraag in te dienen.

2.   De Partijen zien erop toe dat hun bevoegde autoriteiten, zodra op basis van een passend onderzoek is vastgesteld dat de aanvrager aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de vergunning voldoet, een vergunning verlenen.

3.   De Partijen zorgen ervoor dat een vergunning, zodra zij is verleend, zonder onnodige vertraging in werking treedt, met inachtneming van de toepasselijke voorwaarden (22).

Artikel 151

Vergoedingen

1.   Voor alle andere economische activiteiten dan financiële diensten ziet elke Partij erop toe dat de door haar bevoegde autoriteiten aangerekende vergunningsvergoedingen redelijk en transparant zijn en op zichzelf de verlening van de betrokken dienst of de uitoefening van enige andere economische activiteit niet beperken. Gezien de kosten en administratieve lasten wordt elke Partij aangemoedigd om de betaling van vergunningsvergoedingen langs elektronische weg te aanvaarden.

2.   Met betrekking tot financiële diensten ziet elke Partij erop toe dat haar bevoegde autoriteiten, met betrekking tot de vergoedingen die zij in rekening brengen voor vergunningen, aanvragers een lijst van vergoedingen of informatie verstrekken over de wijze waarop de hoogte van de vergoedingen wordt bepaald, en de vergoedingen niet gebruiken als middel om de verbintenissen of verplichtingen van de Partij te omzeilen.

3.   Vergunningsvergoedingen mogen geen vergoedingen voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen omvatten, noch betalingen in verband met veiling, aanbesteding of andere niet-discriminerende middelen om concessies te verlenen, noch verplichte bijdragen voor het verlenen van een universele dienst.

Artikel 152

Beoordeling van kwalificaties

Indien een Partij een examen vereist om de kwalificaties van een aanvrager van een vergunning te beoordelen, ziet zij erop toe dat haar bevoegde autoriteiten een dergelijk onderzoek met redelijk frequente tussenpozen plannen en aanvragers een redelijke termijn bieden om zich aan te melden voor het examen. Voor zover mogelijk aanvaardt elke Partij verzoeken om dergelijke examens af te leggen in elektronische vorm en overweegt zij het gebruik van elektronische middelen voor andere aspecten van examenprocessen.

Artikel 153

Bekendmaking en beschikbare informatie

1.   Indien een Partij een vergunning vereist, maakt de Partij onverwijld de informatie bekend die nodig is voor personen die de in artikel 146, lid 1, bedoelde activiteiten, waarvoor de vergunning vereist is, uitvoeren of wensen uit te voeren, om te kunnen voldoen aan de vereisten, formaliteiten, technische normen en procedures voor het verkrijgen, handhaven, wijzigen en verlengen van een dergelijke vergunning. Die informatie omvat, voor zover zij bestaat:

a)

de vergunnings- en kwalificatievereisten, -procedures en -formaliteiten;

b)

contactgegevens van de relevante bevoegde autoriteiten;

c)

vergunningsvergoedingen;

d)

geldende technische normen;

e)

procedures voor het instellen van beroep tegen of het herzien van beslissingen inzake aanvragen;

f)

procedures voor het toezicht op of de handhaving van de naleving van de voorwaarden van vergunningen of kwalificaties;

g)

mogelijkheden voor inspraak van het publiek, bijvoorbeeld via hoorzittingen of opmerkingen, alsmede

h)

indicatieve termijnen voor de behandeling van een aanvraag.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder "bekendmaken" verstaan het opnemen in een officiële publicatie, zoals een staatsblad, of op een officiële website. De Partijen consolideren elektronische publicaties in één enkel onlineportaal of zorgen er anderszins voor dat de bevoegde autoriteiten die gemakkelijk toegankelijk maken via alternatieve elektronische middelen.

2.   Elke Partij verlangt van elk van haar bevoegde autoriteiten dat zij, voor zover mogelijk, een verzoek om informatie of bijstand beantwoordt.

Artikel 154

Technische normen

Elke Partij moedigt haar bevoegde autoriteiten aan om bij de vaststelling van technische normen technische normen vast te stellen die zijn ontwikkeld via open en transparante processen, en stimuleert elk orgaan, met inbegrip van relevante internationale organisaties, dat is aangewezen om technische normen te ontwikkelen om dat te doen door middel van open en transparante processen.

Artikel 155

Voorwaarden voor de verlening van een vergunning

1.   Elke Partij ziet erop toe dat maatregelen met betrekking tot vergunningen gebaseerd zijn op criteria die beletten dat de bevoegde autoriteiten hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen, en dat die criteria onder meer de bevoegdheid en het vermogen om een dienst te verlenen of enige andere economische activiteit te verrichten, kunnen omvatten, met inbegrip van de naleving van wettelijke voorschriften van een Partij, zoals gezondheids- en milieuvoorschriften. Ter voorkoming van twijfel zijn de Partijen het erover eens dat een bevoegde autoriteit bij het nemen van besluiten criteria tegen elkaar kan afwegen.

2.   De in lid 1 bedoelde criteria zijn:

a)

duidelijk en ondubbelzinnig;

b)

objectief en transparant;

c)

vooraf vastgesteld;

d)

vooraf openbaar gemaakt;

e)

onpartijdig, alsmede

f)

gemakkelijk toegankelijk.

3.   Indien een Partij een vergunningsmaatregel vaststelt of handhaaft, ziet zij erop toe dat:

a)

de betrokken bevoegde autoriteit op objectieve en onpartijdige wijze en op een wijze die onafhankelijk is van de ongepaste invloed van eenieder die de economische activiteit uitoefent waarvoor een vergunning is vereist aanvragen behandelt en haar beslissingen bereikt en uitvoert, alsmede

b)

de procedures zelf de naleving van de vereisten niet in de weg staan.

Artikel 156

Beperkte aantallen vergunningen

Indien het aantal voor een bepaalde activiteit beschikbare vergunningen beperkt is vanwege de schaarste aan beschikbare natuurlijke hulpbronnen of technische capaciteit, zorgt elke Partij ten aanzien van potentiële kandidaten voor een selectieprocedure die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt, met inbegrip van in het bijzonder een passende bekendmaking wat de aanvang, het verloop en de afronding van de procedure betreft. Bij de vaststelling van de regels voor de selectieprocedure kan een Partij rekening houden met legitieme beleidsdoelstellingen, waaronder overwegingen op het gebied van gezondheid, veiligheid, milieubescherming en het behoud van cultureel erfgoed.

AFDELING 2

ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN

Artikel 157

Toetsingsprocedures voor administratieve besluiten

Een Partij houdt gerechtelijke, scheidsrechterlijke of administratieve instanties of procedures in stand die, op verzoek van een betrokken investeerder of dienstverlener van de andere Partij, voorzien in de onmiddellijke toetsing van en – indien gerechtvaardigd – in passende rechtsmiddelen voor, administratieve besluiten die van invloed zijn op de vestiging of exploitatie, de grensoverschrijdende handel in diensten of de verlening van een dienst via de aanwezigheid van een natuurlijke persoon uit een Partij op het grondgebied van de andere Partij. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder "administratief besluit" verstaan een besluit met rechtsgevolgen dat of een maatregel met rechtsgevolgen die in een individueel geval op een specifieke persoon, een specifiek goed of een specifieke dienst van toepassing is; hieronder wordt ook verstaan het verzuim om een administratief besluit of een administratieve maatregel vast te stellen wanneer dat uit hoofde van het recht van een Partij vereist is. Indien die procedures niet onafhankelijk zijn van de bevoegde autoriteit die gelast is het betrokken administratieve besluit te nemen, ziet een Partij erop toe dat de procedures feitelijk in een objectief en onpartijdig onderzoek voorzien.

Artikel 158

Beroepskwalificaties

1.   Niets in dit artikel belet een Partij te eisen dat natuurlijke personen de nodige beroepskwalificaties hebben die voor de betrokken sector zijn voorgeschreven op het grondgebied waar de activiteit wordt verricht (23).

2.   De beroepsorganisaties of autoriteiten die relevant zijn voor de betrokken sector op hun respectieve grondgebied, kunnen gezamenlijke aanbevelingen over de erkenning van beroepskwalificaties opstellen en aan de Partnerschapsraad doen toekomen. Dergelijke gezamenlijke aanbevelingen worden ondersteund door een empirisch onderbouwde beoordeling van:

a)

de economische waarde van een voorgenomen regeling inzake de erkenning van beroepskwalificaties, alsmede

b)

de verenigbaarheid van de respectieve regelingen, dat wil zeggen de mate waarin de door elke Partij toegepaste vereisten inzake machtiging, vergunningverlening, exploitatie en certificering verenigbaar zijn.

3.   Na ontvangst van een gezamenlijke aanbeveling toetst de Partnerschapsraad binnen een redelijke termijn de verenigbaarheid ervan met deze titel. Na die toetsing kan de Partnerschapsraad bij besluit een regeling betreffende de voorwaarden voor de erkenning van beroepskwalificaties opstellen en aannemen als bijlage bij deze overeenkomst, die als een integrerend onderdeel van deze titel wordt beschouwd. (24)

4.   Een in lid 3 bedoelde regeling voorziet in de voorwaarden voor de erkenning van in de Unie verworven beroepskwalificaties en in het Verenigd Koninkrijk verworven beroepskwalificaties met betrekking tot een activiteit die onder deze titel en onder titel III van deze rubriek valt.

5.   De richtsnoeren voor regelingen inzake de erkenning van beroepskwalificaties in bijlage 24 worden in aanmerking genomen bij de opstelling van de in lid 2 van dit artikel bedoelde gezamenlijke aanbevelingen, en door de Partnerschapsraad bij de beoordeling of een dergelijke regeling moet worden aangenomen, als bedoeld in lid 3 van dit artikel.

AFDELING 3

BESTELDIENSTEN

Artikel 159

Toepassingsgebied en definities

1.   Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van een Partij die van invloed zijn op de verlening van besteldiensten in aanvulling op de hoofdstukken 1, 2, 3 en 4 van deze titel en op de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk.

2.   Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)

"besteldiensten": postdiensten, koeriersdiensten, expresbesteldiensten of exprespostdiensten die de volgende activiteiten omvatten: het ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van postzendingen;

b)

"expresbesteldiensten": het ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van postzendingen tegen verhoogde snelheid en betrouwbaarheid, waarbij elementen met toegevoegde waarde inbegrepen kunnen zijn, zoals ophaling vanaf het punt van herkomst, persoonlijke bezorging aan de geadresseerde, tracering, mogelijkheid om de bestemming en de geadresseerde in doorvoer te veranderen of ontvangstbevestiging;

c)

"exprespostdiensten": internationale expresbesteldiensten die worden verleend via het samenwerkingsverband EMS, de vrijwillige vereniging van aangewezen postexploitanten in het kader van de Wereldpostunie (UPU);

d)

"vergunning": een machtiging die een regelgevende autoriteit van een Partij van een individuele leverancier kan verlangen om post- of koeriersdiensten aan te mogen bieden;

e)

"postzending": een zending tot 31,5 kg, geadresseerd in de definitieve vorm waarin het moet worden vervoerd door ongeacht welk type aanbieder van besteldiensten, zowel publiek- als privaatrechtelijk, met inbegrip van zendingen zoals brieven, pakketten, kranten of catalogi;

f)

"postmonopolie": het exclusieve recht om op grond van het recht van een Partij bepaalde besteldiensten te verlenen op het grondgebied van die Partij of een onderverdeling daarvan, alsmede

g)

"universele dienst": de permanente levering van een besteldienst van een bepaalde kwaliteit op alle punten op het grondgebied van een Partij of een onderverdeling daarvan tegen voor alle gebruikers betaalbare prijzen.

Artikel 160

Universele dienst

1.   Elke Partij heeft het recht te bepalen welk soort universeledienstverplichting zij wenst te handhaven en een besluit te nemen over het toepassingsgebied en de uitvoering ervan. Elke universeledienstverplichting wordt op transparante, niet-discriminerende en neutrale wijze ten aanzien van alle aan de verplichting onderworpen leveranciers beheerd.

2.   Indien een Partij verlangt dat inkomende exprespostdiensten worden verleend in het kader van een universele dienst, verleent zij die diensten geen voorkeursbehandeling ten opzichte van andere internationale expresbesteldiensten.

Artikel 161

Financiering van een universele dienst

Een Partij mag geen vergoedingen of andere kosten in rekening brengen voor de levering van een bezorgdienst die geen universele dienst is met het oog op de financiering van de levering van een universele dienst. Dit artikel is niet van toepassing op algemeen toepasselijke belastingmaatregelen of administratieve vergoedingen.

Artikel 162

Preventie van marktverstorende praktijken

Elke Partij garandeert dat een verstrekker van besteldiensten die met een universeledienstverplichting belast is of een postmonopolie heeft, geen marktverstorende praktijken opzet, zoals:

a)

het gebruik van inkomsten uit de levering van de dienst waarvoor een universeledienstverplichting of een postmonopolie geldt voor de kruissubsidiëring van een expresbesteldienst of een andere besteldienst waarvoor geen universeledienstverplichting geldt, of

b)

een ongerechtvaardigd onderscheid tussen consumenten met betrekking tot tarieven of andere voorwaarden voor de levering van een dienst die onder een universele dienst of een postmonopolie valt.

Artikel 163

Vergunningen

1.   Indien een Partij een vergunning voor het verlenen van besteldiensten vereist, maakt zij het volgende openbaar:

a)

alle vergunningsvereisten en de periode die normaliter nodig is om een beslissing over de aanvraag van een vergunning te nemen, alsmede

b)

de voorwaarden voor de betrokken vergunningen.

2.   De procedures, verplichtingen en vereisten van een vergunning moeten transparant, niet-discriminerend en op objectieve criteria gebaseerd zijn.

3.   Indien een vergunningsaanvraag door de bevoegde autoriteit wordt afgewezen, stelt zij de aanvrager schriftelijk in kennis van de redenen voor de afwijzing. Elke Partij legt een procedure vast voor het instellen van beroep bij een onafhankelijke instantie die ter beschikking staat voor de aanvragers aan wie een vergunning werd geweigerd. Die instantie kan een rechtbank zijn.

Artikel 164

Onafhankelijkheid van de regelgevende instantie

1.   Elke Partij richt een toezichthoudende instantie op of houdt die in stand, die juridisch gescheiden is van en functioneel onafhankelijk is van alle leveranciers van besteldiensten. Indien een Partij eigenaar is van of zeggenschap heeft over een dienstverlener die elektronische-communicatienetwerken exploiteert of elektronische-communicatiediensten verleent, zorgt die Partij voor een werkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met de eigendom of de zeggenschap verband houdende activiteiten.

2.   De toezichthoudende instanties voeren hun taken op transparante en tijdige wijze uit en beschikken over voldoende financiële en personele middelen om de hun toegewezen taken uit te voeren. Hun beslissingen zijn onpartijdig ten aanzien van alle marktdeelnemers.

AFDELING 4

TELECOMMUNICATIEDIENSTEN

Artikel 165

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van een Partij die van invloed zijn op de levering van telecommunicatiediensten in aanvulling op de hoofdstukken 1, 2, 3 en 4 van deze titel en op de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk.

Artikel 166

Definities

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)

"bijbehorende faciliteiten": bijbehorende diensten, fysieke infrastructuur en andere faciliteiten of elementen in verband met een telecommunicatienetwerk of telecommunicatiedienst die de levering van diensten via dat netwerk of die dienst mogelijk maken of ondersteunen of daartoe het potentieel hebben;

b)

"eindgebruiker": een eindgebruiker of abonnee van een openbare telecommunicatiedienst, andere dienstverleners dan leveranciers van openbare telecommunicatiediensten daaronder begrepen;

c)

"essentiële faciliteiten": faciliteiten van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst die:

i)

uitsluitend of voornamelijk ter beschikking worden gesteld door een enkele of een beperkt aantal leveranciers, alsmede

ii)

bij het verlenen van een dienst niet op haalbare wijze economisch of technisch kunnen worden vervangen;

d)

"interconnectie": de koppeling van openbare telecommunicatienetwerken die door dezelfde of verschillende aanbieders van telecommunicatienetwerken of telecommunicatiediensten worden gebruikt om de gebruikers van een leverancier in staat te stellen te communiceren met gebruikers van dezelfde of een andere leverancier of toegang te krijgen tot diensten die door een andere leverancier worden aangeboden, ongeacht of die diensten worden verleend door de betrokken leveranciers of door een andere leverancier die toegang heeft tot het netwerk;

e)

"internationale mobiele roamingdienst": een commerciële mobiele dienst op grond van een commerciële overeenkomst tussen aanbieders van openbare telecommunicatiediensten die een eindgebruiker in staat stelt om zijn eigen mobiele telefoon of een ander toestel voor spraak-, data- of berichtendiensten te gebruiken buiten het grondgebied waar het openbaar telecommunicatienetwerk waarvan de eindgebruiker oorspronkelijk gebruik maakt, is gevestigd;

f)

"internettoegangsdienst": een openbare elektronischecommunicatiedienst die toegang tot het internet biedt en derhalve connectiviteit met vrijwel alle eindpunten van het internet, ongeacht de gebruikte netwerktechnologie en eindapparatuur;

g)

"huurcircuit": telecommunicatiediensten of -faciliteiten, met inbegrip van virtuele diensten, die capaciteit reserveren voor specifiek gebruik door of beschikbaarheid voor een gebruiker tussen twee of meer aangewezen punten;

h)

"grote aanbieder": een aanbieder van telecommunicatienetwerken of telecommunicatiediensten die, gelet op de prijs en het aanbod, de voorwaarden voor deelneming aan een relevante markt voor telecommunicatienetwerken of telecommunicatiediensten wezenlijk kan beïnvloeden als gevolg van zeggenschap over essentiële faciliteiten of het gebruik van zijn positie op die markt;

i)

"netwerkelement": een voorziening of uitrusting die wordt gebruikt voor het leveren van een telecommunicatiedienst, met inbegrip van kenmerken, functies en mogelijkheden die door middel van die faciliteit of uitrusting worden geleverd;

j)

"nummerportabiliteit": de mogelijkheid voor eindgebruikers van openbare telecommunicatiediensten om op dezelfde locatie dezelfde telefoonnummers te houden zonder dat de kwaliteit, de betrouwbaarheid of het gemak er onder leidt wanneer binnen dezelfde categorie leveranciers van openbare telecommunicatiediensten van leverancier wordt veranderd;

k)

"openbaar telecommunicatienetwerk": elk telecommunicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het aanbieden van openbare telecommunicatiediensten en dat de overdracht van informatie tussen netwerkaansluitpunten ondersteunt;

l)

"openbare telecommunicatiedienst": elke telecommunicatiedienst die in het algemeen aan het publiek wordt aangeboden;

m)

"abonnee": een natuurlijke of rechtspersoon die partij is bij een overeenkomst met een aanbieder van openbare telecommunicatiediensten voor het verlenen van dergelijke diensten;

n)

"telecommunicatie": de transmissie en ontvangst van signalen via elektromagnetische middelen;

o)

"telecommunicatienetwerk": de transmissiesystemen en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, met inbegrip van netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen en te ontvangen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen;

p)

"regelgevende autoriteit voor telecommunicatie": de instantie(s) die door een Partij belast is (zijn) met de regulering van onder deze afdeling vallende telecommunicatienetwerken en telecommunicatiediensten;

q)

"telecommunicatiedienst": een dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat in de transmissie en ontvangst van signalen, met inbegrip van omroepsignalen, via telecommunicatienetwerken, met inbegrip van die welke voor omroep worden gebruikt, maar geen dienst waarbij met behulp van telecommunicatienetwerken en telecommunicatiediensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of redactioneel wordt gecontroleerd;

r)

"universele dienst": het minimale pakket aan diensten van een bepaalde kwaliteit dat op het grondgebied van een Partij of een onderverdeling daarvan tegen een betaalbare prijs beschikbaar moet worden gesteld voor alle gebruikers of voor een deel van de gebruikers, ongeacht hun geografische locatie, alsmede

s)

"gebruiker": elke natuurlijke of rechtspersoon die gebruik maakt van een openbare telecommunicatiedienst.

Artikel 167

Regelgevende autoriteit voor telecommunicatie

1.   Elke Partij richt een regelgevende autoriteit voor telecommunicatie op of houdt die in stand die:

a)

juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk is van elke leverancier van telecommunicatienetwerken, telecommunicatiediensten of telecommunicatieapparatuur;

b)

gebruik maakt van procedures en beslissingen uitvaardigt die onpartijdig zijn ten aanzien van alle marktdeelnemers;

c)

onafhankelijk handelt en geen instructies vraagt of aanvaardt van andere instanties met betrekking tot de uitoefening van de taken die haar bij wet zijn opgedragen om de verplichtingen van de artikelen 169, 170, 171, 173 en 174 te handhaven;

d)

over de regelgevende bevoegdheid en over voldoende financiële en personele middelen beschikt om de in punt c) van dit artikel genoemde taken uit te voeren;

e)

de bevoegdheid heeft ervoor te zorgen dat aanbieders van telecommunicatienetwerken of telecommunicatiediensten haar op verzoek onverwijld alle informatie (25), met inbegrip van financiële informatie, verstrekken die nodig is om de in punt c) van dit artikel genoemde taken uit te voeren, alsmede

f)

haar bevoegdheden op transparante en tijdige wijze uitoefent.

2.   Elke Partij ziet erop toe dat de aan de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie toegewezen taken in een gemakkelijk toegankelijke en duidelijke vorm openbaar worden gemaakt, met name wanneer die taken aan meer dan één instantie zijn toegewezen.

3.   Een Partij die de eigendom van of de zeggenschap over aanbieders van telecommunicatienetwerken of -diensten behoudt, zorgt voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met eigendom of zeggenschap verband houdende activiteiten.

4.   Elke Partij ziet erop toe dat een gebruiker of leverancier van telecommunicatienetwerken of -diensten die gevolgen ondervindt van een besluit van de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie, beroep kan instellen bij een beroepsinstantie die onafhankelijk is van de regelgevende autoriteit en andere betrokken partijen. In afwachting van de uitkomst van het beroep blijft de beslissing gehandhaafd, tenzij overeenkomstig het recht van de Partij voorlopige maatregelen worden verleend.

Artikel 168

Vergunning voor het aanbieden van telecommunicatienetwerken of -diensten

1.   Elke Partij staat het aanbieden van telecommunicatienetwerken of telecommunicatiediensten zonder voorafgaande formele toestemming toe.

2.   Elke Partij maakt alle criteria, toepasselijke procedures en voorwaarden uit hoofde waarvan leveranciers telecommunicatienetwerken of -diensten mogen aanbieden, openbaar.

3.   Alle toelatingscriteria en toepasselijke procedures moeten zo eenvoudig mogelijk, objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn. Alle verplichtingen en voorwaarden die aan een vergunning worden opgelegd of daaraan verbonden zijn, moeten niet-discriminerend, transparant en evenredig zijn en verband houden met de aangeboden diensten of netwerken.

4.   Elke Partij ziet erop toe dat een aanvrager van een vergunning schriftelijk de redenen ontvangt voor de weigering of intrekking van een vergunning of voor het opleggen van specifieke voorwaarden voor de leverancier. In dergelijke gevallen heeft de aanvrager het recht beroep in te stellen bij een beroepsinstantie.

5.   De aan leveranciers opgelegde administratieve vergoedingen moeten objectief, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot de administratieve kosten die redelijkerwijs worden gemaakt bij het beheer, de controle en de handhaving van de in deze afdeling vastgestelde verplichtingen (26).

Artikel 169

Interconnectie

Elke Partij waarborgt dat een leverancier van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten het recht en, op verzoek van een andere leverancier van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten, de verplichting heeft om te onderhandelen over interconnectie met het oog op het aanbieden van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten.

Artikel 170

Toegang en gebruik

1.   Elke Partij ziet erop toe dat alle onder de overeenkomst vallende ondernemingen of dienstverleners uit de andere Partij op redelijke en niet-discriminerende (27) voorwaarden toegang krijgen tot en gebruik kunnen maken van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten. Die verplichting wordt, onder meer, door toepassing van de leden 2 tot en met 5 ten uitvoer gelegd.

2.   Elke Partij ziet erop toe dat onder de overeenkomst vallende ondernemingen of dienstverleners uit de andere Partij toegang hebben tot en gebruik kunnen maken van alle openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten die binnen of over haar grenzen worden aangeboden, met inbegrip van particuliere huurlijnen, en zorgt er daartoe, met inachtneming van lid 5, voor dat het dergelijke ondernemingen en leveranciers is toegestaan om:

a)

eind- of andere apparatuur die met het openbare telecommunicatienetwerk verbonden is en die nodig is om hun diensten te verlenen, te kopen of huren, en aan dat netwerk te koppelen;

b)

interconnectie tot stand te brengen tussen particuliere geleasede of in eigendom zijnde lijnen en openbare telecommunicatienetwerken of lijnen die worden geleased of eigendom zijn van een andere onder de overeenkomst vallende onderneming of dienstverlener, alsmede

c)

exploitatieprotocollen van hun keuze te gebruiken, andere dan die welke noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de telecommunicatienetwerken en -diensten beschikbaar zijn voor het algemene publiek.

3.   Elke Partij ziet erop toe alle dienstverleners uit de andere Partij openbare telecommunicatienetwerken en -diensten kunnen gebruiken voor het verkeer van informatie op haar grondgebied en over haar grenzen heen, daarbij inbegrepen de interne bedrijfscommunicatie van die dienstverleners, en voor toegang tot informatie in gegevensbestanden of tot informatie die op andere wijze in machine-leesbare vorm is opgeslagen op het grondgebied van een der Partijen.

4.   Niettegenstaande lid 3 kan een Partij de nodige maatregelen nemen om de veiligheid en vertrouwelijkheid van de communicatie te waarborgen, mits die maatregelen niet worden toegepast op een wijze die hetzij een verkapte beperking van de handel in diensten, hetzij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie vormt, hetzij de voordelen uit hoofde van deze titel tenietdoet of uitholt.

5.   Elke Partij ziet erop toe dat voor de toegang tot en het gebruik van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten uitsluitend voorwaarden worden gesteld die noodzakelijk zijn:

a)

ter vrijwaring van de verantwoordelijkheid als openbare instantie van leveranciers van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten en met name hun bevoegdheid hun diensten aan het algemene publiek ter beschikking te stellen; dan wel

b)

ter bescherming van de technische integriteit van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten.

Artikel 171

Beslechting van telecommunicatiegeschillen

1.   Elke Partij ziet erop toe dat de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie, in geval van een geschil tussen aanbieders van telecommunicatienetwerken of telecommunicatiediensten in verband met rechten en verplichtingen die voortvloeien uit deze afdeling, en op verzoek van een van de bij het geschil betrokken partijen, binnen een redelijke termijn een bindend besluit neemt om het geschil op te lossen.

2.   De beslissing van de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie wordt openbaar gemaakt, met inachtneming van de vereisten inzake vertrouwelijke bedrijfsgegevens. De betrokken partijen wordt een volledige verklaring verstrekt over de redenen waarop de beslissing is gebaseerd en zij hebben het recht beroep aan te tekenen als bedoeld in artikel 167, lid 4.

3.   De procedure van de leden 1 en 2 laat het recht van elk van de betrokken partijen om bij een rechterlijke instantie een procedure in te leiden, onverlet.

Artikel 172

Concurrentiewaarborgen ten aanzien van grote aanbieders

Elke Partij neemt of handhaaft passende maatregelen om te voorkomen dat aanbieders van telecommunicatienetwerken of -diensten, die, alleen of samen met anderen, grote aanbieders zijn, overgaan tot concurrentiebeperkende praktijken of die voortzetten. In dat verband wordt met name onder "concurrentiebeperkende praktijken" verstaan:

a)

het op concurrentiebeperkende wijze toepassen van kruissubsidiëring;

b)

het op concurrentiebeperkende wijze gebruiken van informatie van concurrenten, alsmede

c)

het niet tijdig aan andere dienstverleners beschikbaar stellen van technische informatie over essentiële faciliteiten en van commercieel relevante informatie die die dienstverleners voor het leveren van hun diensten nodig hebben.

Artikel 173

Interconnectie met grote aanbieders

1.   Elke Partij ziet erop toe dat grote aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten interconnectie aanbieden op elk technisch haalbaar punt in het netwerk. Die interconnectie moet worden geleverd:

a)

onder niet-discriminatoire voorwaarden (onder meer wat betreft tarieven, technische normen, specificaties, kwaliteit en onderhoud), en met een kwaliteit die niet lager is dan die welke wordt geboden voor de eigen soortgelijke diensten van een dergelijke grote aanbieder, voor soortgelijke diensten van dochterondernemingen of andere gelieerde ondernemingen;

b)

binnen een redelijke termijn, op voorwaarden (onder meer wat betreft tarieven, technische normen, specificaties, kwaliteit en onderhoud) die transparant, economisch redelijk en voldoende gescheiden zijn, zodat de aanbieder niet hoeft te betalen voor netwerkonderdelen of -faciliteiten die hij voor de levering van zijn diensten niet nodig heeft, alsmede

c)

op verzoek via extra aansluitpunten, in aanvulling op de aan de meeste gebruikers aangeboden netwerkaansluitpunten, tegen een vergoeding die gebaseerd is op de kosten voor het aanleggen van de noodzakelijke aanvullende faciliteiten.

2.   De procedures voor interconnectie met een grote aanbieder worden algemeen bekendgemaakt.

3.   Grote aanbieders maken hun interconnectieovereenkomsten of hun referentie-aanbiedingen voor interconnectie in voorkomend geval algemeen bekend.

Artikel 174

Toegang tot essentiële faciliteiten van grote aanbieders

Elke Partij ziet erop toe dat grote aanbieders op haar grondgebied hun essentiële faciliteiten tegen redelijke, transparante en niet-discriminerende voorwaarden ter beschikking stellen van aanbieders van telecommunicatienetwerken of telecommunicatiediensten met het oog op het aanbieden van openbare telecommunicatiediensten, tenzij dat niet noodzakelijk is om daadwerkelijke mededinging tot stand te brengen op basis van de verzamelde feiten en de beoordeling van de markt door de regelgevende autoriteit voor telecommunicatie. De essentiële faciliteiten van de grote aanbieder kunnen netwerkelementen, huurlijnen en bijbehorende faciliteiten omvatten.

Artikel 175

Schaarse middelen

1.   Elke Partij ziet erop toe dat de toewijzing en verlening van gebruiksrechten voor schaarse middelen, met inbegrip van radiospectrum, nummers en doorgangsrechten, geschiedt op een open, objectieve, tijdige, transparante, niet-discriminerende en evenredige wijze en met inachtneming van doelstellingen van algemeen belang. De procedures en de aan gebruiksrechten verbonden voorwaarden en verplichtingen zijn gebaseerd op objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria.

2.   Het huidige gebruik van toegewezen frequentiebanden wordt algemeen bekendgemaakt, maar een gedetailleerde vermelding van radiospectra die voor specifiek gebruik door de overheid zijn toegewezen, is niet vereist.

3.   Partijen kunnen gebruikmaken van marktgebaseerde benaderingen, zoals biedprocedures, om spectrum toe te wijzen voor commercieel gebruik.

4.   De Partijen zijn het erover eens dat maatregelen van een Partij voor het toewijzen en verlenen van spectrum- en beheerfrequenties op zich niet in strijd zijn met de artikelen 128 en 135. Elke Partij behoudt het recht maatregelen voor het vaststellen en toepassen van spectra en frequenties te treffen die tot gevolg kunnen hebben dat het aantal aanbieders van elektronische-communicatiediensten wordt beperkt, op voorwaarde dat dat geschiedt op een manier die overeenstemt met deze overeenkomst. Dat recht omvat de mogelijkheid om frequentiebanden toe te wijzen rekening houdend met bestaande en toekomstige behoeften en spectrumbeschikbaarheid.

Artikel 176

Universele dienst

1.   Elke Partij heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij wenst te handhaven en te beslissen over het toepassingsgebied en de uitvoering ervan.

2.   Elke Partij beheert de universeledienstverplichtingen op evenredige, transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze, die neutraal is ten aanzien van de mededinging en niet belastender is dan nodig is voor het soort universele dienst dat door de Partij is gedefinieerd.

3.   Elke Partij ziet erop toe dat de procedures voor de aanwijzing van leveranciers van de universele dienst openstaan voor alle aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten. De aanwijzing geschiedt door middel van een efficiënt, transparant en niet-discriminerend mechanisme.

4.   Indien een Partij besluit de leveranciers van de universele dienst te compenseren, ziet zij erop toe dat die compensatie niet hoger is dan de nettokosten die door de universeledienstverplichting worden veroorzaakt.

Artikel 177

Nummerportabiliteit

Elke Partij draagt er zorg voor dat aanbieders van openbare elektronische-communicatiediensten nummerportabiliteit aanbieden tegen redelijke voorwaarden.

Artikel 178

Open internettoegang

1.   Elke Partij ziet erop toe dat aanbieders van internettoegangsdiensten gebruikers van internettoegangsdiensten in staat stellen om, met inachtneming van haar wet- en regelgeving:

a)

toegang te krijgen tot informatie en inhoud en die te verspreiden, toepassingen en diensten van hun keuze te gebruiken en te verstrekken, op niet-discriminerende, redelijke, transparante en evenredige wijze van netwerkbeheer, alsmede

b)

toestellen van hun keuze te gebruiken, op voorwaarde dat dergelijke apparaten geen afbreuk doen aan de veiligheid van andere apparaten, het netwerk of de diensten die via het netwerk worden geleverd.

2.   Voor alle duidelijkheid: niets in dit artikel belet de Partijen maatregelen te nemen om de openbare veiligheid ten aanzien van gebruikers online te beschermen.

Artikel 179

Vertrouwelijkheid van informatie

1.   Elke Partij ziet erop toe dat aanbieders die bij onderhandelingen over regelingen op grond van de artikelen 169, 170, 173 en 174 informatie van een andere aanbieder ontvangen, die informatie uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor die is verstrekt en de vertrouwelijkheid van de doorgegeven of opgeslagen informatie te allen tijde eerbiedigen.

2.   Elke Partij waarborgt de vertrouwelijkheid van de communicatie en daarmee verband houdende verkeersgegevens die bij het gebruik van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten worden doorgegeven, met dien verstande dat de daartoe genomen maatregelen geen middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte beperking van de handel in diensten vormen.

Artikel 180

Buitenlands aandeelhouderschap

Met betrekking tot het aanbieden van telecommunicatienetwerken of telecommunicatiediensten door vestiging en niettegenstaande artikel 133 legt een Partij geen vereisten voor joint ventures op, noch beperkt zij de deelneming van buitenlands kapitaal in de vorm van maximumpercentages voor buitenlands aandeelhouderschap of de totale waarde van individuele of totale buitenlandse investeringen.

Artikel 181

Internationale mobiele roaming (28)

1.   De Partijen streven ernaar samen te werken ter bevordering van transparante en redelijke tarieven voor internationale mobiele roamingdiensten, op zodanige wijze dat de groei van de handel tussen de Partijen kan worden bevorderd en het consumentenwelzijn kan worden vergroot.

2.   De Partijen kunnen kiezen om stappen te ondernemen ter verbetering van de transparantie en de mededinging op het gebied van internationale mobiele roamingkosten en technologische alternatieven voor roamingdiensten, zoals:

a)

ervoor zorgen dat informatie over retailtarieven gemakkelijk toegankelijk is voor eindgebruikers, alsmede

b)

de belemmeringen voor het gebruik van technologische alternatieven voor roaming tot een minimum herleiden, waarbij consumenten die het grondgebied van een Partij bezoeken vanaf het grondgebied van de andere Partij, toegang hebben tot telecommunicatiediensten met gebruikmaking van het apparaat van hun keuze.

3.   Elke Partij moedigt aanbieders van openbare telecommunicatiediensten op haar grondgebied aan tot het openbaar maken van informatie over de retailtarieven voor internationale mobiele roamingdiensten voor spraak-, data- en sms-verkeer die worden aangeboden aan hun eindgebruikers wanneer zij het grondgebied van de andere Partij bezoeken.

4.   Niets in dit artikel vereist dat een Partij prijzen of voorwaarden voor internationale mobiele roamingdiensten reguleert.

AFDELING 5

FINANCIËLE DIENSTEN

Artikel 182

Toepassingsgebied

1.   Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van een Partij die van invloed zijn op de verlening van financiële diensten in aanvulling op de hoofdstukken 1, 2, 3 en 4 van deze titel en op de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk.

2.   Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder "activiteiten verricht in het kader van de uitoefening van overheidsgezag" als bedoeld in artikel 124, punt f), verstaan (29):

a)

activiteiten van een centrale bank, monetaire autoriteit of andere overheidsinstantie voor de uitvoering van het monetaire of wisselkoersbeleid;

b)

activiteiten in het kader van een wettelijk stelsel van sociale zekerheid of een wettelijke pensioenregeling, alsmede

c)

andere activiteiten die door een overheidsinstantie worden verricht voor rekening of met de garantie of met gebruikmaking van de financiële middelen van de Partij of haar overheidsinstanties.

3.   Voor de toepassing van artikel 124, punt f), op deze afdeling: indien een Partij toestaat dat een van de in lid 2, punt b) of c), van dit artikel bedoelde activiteiten door haar verleners van financiële diensten in concurrentie met een overheidsinstantie of een verlener van financiële diensten wordt uitgevoerd, vallen die activiteiten niet onder "activiteiten verricht in het kader van de uitoefening van overheidsgezag".

4.   Artikel 124, punt a), is niet van toepassing op diensten die onder deze afdeling vallen.

Artikel 183

Definities

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

a)

"financiële dienst": elke dienst van financiële aard, verleend door een aanbieder van financiële diensten van een Partij; dat omvat de volgende activiteiten:

i)

verzekeringen en daarmee verband houdende diensten:

A)

directe verzekering (met inbegrip van medeverzekering):

aa)

levensverzekering;

bb)

schadeverzekering;

B)

herverzekering en retrocessie;

C)

verzekeringsbemiddeling, zoals makelaardij en agentschap, alsmede

D)

ondersteunende diensten in de verzekeringssector, zoals adviesverstrekking, actuariaat, risicobeoordeling en regeling van schade-eisen;

ii)

bankdiensten en andere financiële diensten (behalve verzekeringen):

A)

aanvaarding van deposito's en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek;

B)

alle soorten leningen, waaronder consumentenkrediet en hypotheken, factoring en financiering van commerciële transacties;

C)

financiële leasing;

D)

alle diensten in verband met het betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder creditcards, betaalkaarten, debetkaarten, reischeques en bankwissels;

E)

verlenen van garanties en stellen van borgtochten;

F)

transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten, op de beurs of op de onderhandse markt of anderszins, ten aanzien van:

aa)

geldmarktinstrumenten (met inbegrip van cheques, effecten en depositocertificaten);

bb)

deviezen;

cc)

derivaten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, termijninstrumenten en opties;

dd)

wisselkoers- en rentetariefinstrumenten, waaronder producten als swaps en rentetermijncontracten;

ee)

verhandelbare effecten, alsmede

ff)

andere verhandelbare instrumenten en financiële activa, met inbegrip van edelmetaal;

G)

deelneming in de uitgifte van alle soorten effecten, met inbegrip van garantieverlening en plaatsing in de hoedanigheid van agent (openbaar dan wel particulier) en verlening van diensten in verband met die uitgiften;

H)

geldmakelaarsdiensten;

I)

beheer van activa, zoals beheer van contanten of portefeuillebeheer, alle vormen van beheer van collectieve investeringen, beheer van pensioenfondsen, diensten aangaande bewaarneming, depositodiensten en fiduciaire diensten;

J)

betalings- en compensatiediensten in verband met financiële activa, met inbegrip van effecten, derivaten en andere verhandelbare instrumenten;

K)

verstrekking en doorgifte van financiële informatie, verwerking van financiële gegevens en bijbehorende software, alsmede

L)

advies- en bemiddelingsdiensten en andere ondersteunende financiële diensten voor alle bij de punten A) tot en met K) vermelde activiteiten, met inbegrip van kredietonderzoek en -analyse, onderzoek en advies aangaande investeringen en beleggingen, advies over