EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 22020A1231(04)

OVEREENKOMST TUSSEN DE REGERING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE BETREFFENDE SAMENWERKING INZAKE HET VEILIGE EN VREEDZAME GEBRUIK VAN KERNENERGIE

Deze versie is ab initio vervangen door 22021A0430(04).

OJ L 445, 31.12.2020, p. 5–22 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

31.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 445/5


OVEREENKOMST TUSSEN DE REGERING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND EN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE BETREFFENDE SAMENWERKING INZAKE HET VEILIGE EN VREEDZAME GEBRUIK VAN KERNENERGIE


De regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, hierna “het Verenigd Koninkrijk” genoemd, en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom), hierna “de Gemeenschap” genoemd, in het navolgende gezamenlijk als de “Partijen” en individueel als een “Partij” aangeduid;

OVERWEGENDE dat het Verenigd Koninkrijk, de Europese Unie (de “Unie”) en de Gemeenschap op 24 januari 2020 het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het “terugtrekkingsakkoord”) hebben gesloten en dat het Verenigd Koninkrijk zich op basis daarvan op 31 januari 2020 om 23.00 GMT en 00.00 CET uit de Unie heeft teruggetrokken;

OVERWEGENDE dat titel IX van het terugtrekkingsakkoord voorziet in scheidingsaangelegenheden in verband met Euratom;

OPMERKENDE dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk het eens zijn geworden over de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk;

INDACHTIG het niveau van integratie tussen de Gemeenschap en het Verenigd Koninkrijk op nucleair gebied;

ERKENNENDE dat het Verenigd Koninkrijk, de Gemeenschap en haar lidstaten een vergelijkbaar hoog niveau van ontwikkeling hebben bereikt op het gebied van het vreedzame gebruik van kernenergie waarin wordt voorzien door hun respectieve wet- en regelgeving inzake nucleaire veiligheidscontrole en nucleaire beveiliging, volksgezondheid, nucleaire veiligheid, stralingsbescherming, beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof, en milieubescherming;

NOTA NEMENDE VAN de aspiratie van het Verenigd Koninkrijk om kernenergie te ontwikkelen en in te zetten in het kader van zijn gediversifieerde en koolstofarme energiemix;

VERLANGENDE op voorspelbare en praktische wijze langdurige samenwerkingsregelingen op het gebied van een vreedzaam en niet-explosief gebruik van kernenergie te treffen, waarbij met de behoeften van hun respectieve kernenergieprogramma’s rekening wordt gehouden en handel, onderzoek en ontwikkeling en andere vormen van samenwerking tussen het Verenigd Koninkrijk en de Gemeenschap worden bevorderd;

ERKENNENDE dat het Verenigd Koninkrijk en de Gemeenschap baat hebben bij onderlinge samenwerking bij het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden;

HERBEVESTIGEND dat de Partijen eraan hechten dat de internationale ontwikkeling en het internationale gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden erop gericht moeten zijn de doelstelling van non-proliferatie van kernwapens te bevorderen;

HERBEVESTIGEND dat het Verenigd Koninkrijk, de Gemeenschap en haar lidstaten de doelstellingen van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (de “IAEA”) en het IAEA-veiligheidscontrolesysteem steunen en zich samen wensen in te zetten voor een continue doeltreffendheid ervan;

CONSTATERENDE dat het Verenigd Koninkrijk en alle lidstaten van de Gemeenschap partij zijn bij het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, gedaan te Washington, te Londen en te Moskou op 1 juli 1968 en in algemene zin in werking getreden op 5 maart 1970 (het Non-proliferatieverdrag (“NPV”));

HERBEVESTIGEND dat de Partijen de doelstellingen van het NPV steunen en de universele naleving van het NPV wensen te bevorderen;

ERAAN HERINNEREND dat het Verenigd Koninkrijk, de Gemeenschap en haar lidstaten sterk gecommitteerd zijn aan nucleaire non-proliferatie, met inbegrip van de versteviging en efficiënte toepassing van de desbetreffende veiligheidscontrole- en uitvoercontrolestelsels, in het kader waarvan het Verenigd Koninkrijk en de Gemeenschap samenwerken op het gebied van het vreedzame gebruik van kernenergie;

ERKENNENDE dat het Verenigd Koninkrijk, als kernwapenstaat in het kader van het NPV, de Overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie betreffende de toepassing van de veiligheidscontrole in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland in verband met het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en het protocol bij die overeenkomst, beide gedaan te Wenen op 7 juni 2018 (hierna samen de “veiligheidscontroleovereenkomst Verenigd Koninkrijk-IAEA” genoemd), vrijwillig is aangegaan;

OPMERKENDE dat in alle lidstaten van de Gemeenschap een nucleaire veiligheidscontrole wordt toegepast overeenkomstig zowel het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het “Euratom-Verdrag”), als de veiligheidscontroleovereenkomsten gesloten tussen de Gemeenschap, de lidstaten daarvan en de IAEA;

ERAAN HERINNEREND dat het Verenigd Koninkrijk, de Gemeenschap en haar lidstaten als partijen bij het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van nucleair materiaal, gedaan te Wenen en te New York op 3 maart 1980 en in algemene zin in werking getreden op 8 februari 1987, en bij de wijziging van dat verdrag, gedaan te Wenen op 8 juli 2005 en in algemene zin in werking getreden op 8 mei 2016 (hierna samen het “gewijzigde CPPNM” genoemd), sterk gecommitteerd zijn aan het veilige gebruik van nucleair materiaal;

OPMERKENDE dat het Verenigd Koninkrijk en alle lidstaten van de Gemeenschap deelnemen aan de Groep van nucleaire leveranciers (NSG);

OPMERKENDE dat rekening moet worden gehouden met de verbintenissen die het Verenigd Koninkrijk en de lidstaten van de Gemeenschap in het kader van de Groep van nucleaire leveranciers zijn aangegaan;

ERKENNENDE dat deze overeenkomst geen afbreuk doet aan de Overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden inzake samenwerking bij de ontwikkeling en exploitatie van het gasultracentrifugeprocedé voor de productie van verrijkt uranium, gedaan te Almelo op 4 maart 1970, noch aan het Verdrag tussen de regeringen van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek inzake samenwerking op het gebied van ultracentrifugetechnologie, gedaan te Cardiff op 12 juli 2005;

HERBEVESTIGEND dat het Verenigd Koninkrijk, de Gemeenschap en haar lidstaten de internationale verdragen inzake nucleaire veiligheid, beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof, vroegtijdige kennisgeving van een nucleair ongeval en verlening van bijstand in het geval van een nucleair ongeval steunen;

HERBEVESTIGEND dat de Partijen hechten aan het veilige gebruik van nucleair materiaal en nucleaire installaties en aan de bescherming van mens en milieu tegen de schadelijke effecten van ioniserende straling; aan het belang voor de internationale gemeenschap ervoor te zorgen dat het gebruik van kernenergie veilig, goed gereguleerd en milieuverantwoord is; en aan het belang van bilaterale en multilaterale samenwerking bij doeltreffende regelingen inzake nucleaire veiligheid en bij de versterking van dergelijke regelingen;

INDACHTIG het beginsel van voortdurende verbetering van de nucleaire veiligheid en het leiderschap van beide Partijen op dit gebied, met inbegrip van de bevordering van strenge normen wereldwijd, en indachtig het belang voor elke Partij van handhaving van een hoog niveau van nucleaire veiligheid;

OVERWEGENDE dat wetenschappelijk en technologisch onderzoek naar kernsplijting en kernfusie, met betrekking tot zowel energetische als niet-energetische toepassingen, van belang is voor de Partijen en dat samenwerking op dit gebied van wederzijds belang is;

HERBEVESTIGEND dat de Gemeenschap zich met de ondertekening van de Overeenkomst tot oprichting van de Internationale ITER-Organisatie voor fusie-energie voor de gezamenlijke uitvoering van het ITER-project (1) ertoe verbonden heeft deel te nemen aan de bouw en toekomstige exploitatie van het ITER-project (“ITER”); dat de bijdrage van de Gemeenschap beheerd wordt via de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie (Fusion for Energy), opgericht bij Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad (2);

OVERWEGENDE dat specifieke voorwaarden voor de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan het ITER-project en aan andere activiteiten via Fusion for Energy en de deelname van het Verenigd Koninkrijk als geassocieerd land aan het programma voor onderzoek en opleiding van de Gemeenschap, met inbegrip van de financiële bijdrage, afzonderlijk worden bepaald;

INDACHTIG het grondbeginsel van het vrije verkeer van goederen, producten en kapitaal, alsmede de vrije werkgelegenheid voor specialisten binnen de interne nucleaire gemeenschappelijke markt van de Gemeenschap;

ERKENNENDE dat deze overeenkomst in overeenstemming moet zijn met de internationale verplichtingen van de Unie en het Verenigd Koninkrijk in het kader van de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie;

MEMOREREND de verbintenissen van het Verenigd Koninkrijk en de lidstaten van de Gemeenschap in het kader van hun bilaterale overeenkomsten inzake het vreedzame gebruik van kernenergie,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Doel

1.   Doel van deze overeenkomst is een kader te bieden voor samenwerking tussen de Partijen inzake het vreedzame gebruik van kernenergie, op basis van wederzijds voordeel en wederkerigheid en zonder afbreuk te doen aan de respectieve bevoegdheden van elke Partij.

2.   De samenwerking in het kader van deze overeenkomst vindt uitsluitend plaats met het oog op vreedzame doeleinden.

3.   De onder deze overeenkomst vallende goederen worden alleen voor vreedzame doeleinden gebruikt en worden niet gebruikt voor kernwapens of nucleaire explosieven, noch voor onderzoek naar of de ontwikkeling van kernwapens of andere nucleaire explosieven noch voor militaire doeleinden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a)

“bevoegde autoriteit”:

i)

voor het Verenigd Koninkrijk, het Department for Business, Energy and Industrial Strategy en het Office for Nuclear Regulation;

ii)

voor de Gemeenschap, de Europese Commissie;

of elke andere autoriteit die de desbetreffende Partij te eniger tijd schriftelijk aan de andere Partij bekendmaakt;

b)

“uitrusting”: de goederen die worden genoemd in de afdelingen 1, 3, 4, 5, 6 en 7 van NSG-bijlage B;

c)

“richtsnoeren voor de overdracht van nucleair materiaal”: de richtsnoeren van IAEA-document INFCIRC/254/Part 1, die van tijd tot tijd kunnen worden herzien en door de Partijen worden geïmplementeerd tenzij na overleg in het Gezamenlijk Comité anders wordt overeengekomen;

d)

“intellectuele eigendom”: eigendom als omschreven in artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom, gedaan te Stockholm op 14 juli 1967, als gewijzigd op 28 september 1979, die ook andere zaken kan omvatten zoals onderling door de Partijen bepaald;

e)

“Gezamenlijk Comité”: het in het kader van artikel 19 [Gezamenlijk Comité] opgerichte comité;

f)

“niet-nucleair materiaal”: materiaal als omschreven in NSG-bijlage B;

g)

“NSG-Bijlage B”: bijlage B bij de richtsnoeren voor de overdracht van nucleair materiaal;

h)

“nucleair materiaal”: elk basismateriaal of elke bijzondere splijtstof als gedefinieerd in artikel XX van het statuut van de IAEA, goedgekeurd op de hoofdzetel van de Verenigde Naties op 23 oktober 1956 en in werking getreden op 29 juli 1957 (het “statuut van de IAEA”). Elk besluit van de raad van bestuur van de IAEA in het kader van artikel XX van het statuut van de IAEA tot wijziging van de lijst van materialen die als “basismateriaal” of als “bijzondere splijtstof” worden beschouwd, heeft in het kader van deze overeenkomst slechts effect indien beide Partijen na overleg in het Gezamenlijk Comité ermee instemmen;

i)

“vreedzaam doeleinde”: het gebruik van nucleair materiaal, met inbegrip van nucleair materiaal verkregen uit een of meer processen, niet-nucleair materiaal, uitrusting en technologie op gebieden als elektriciteits- en warmteopwekking, geneeskunde, landbouw en industrie, met uitzondering van de vervaardiging van, onderzoek naar of de ontwikkeling van kernwapens of andere nucleaire explosieven en met uitzondering van militaire doeleinden. Onder militaire doeleinden valt niet de levering van stroom aan een militaire basis vanuit een elektriciteitsnet of de productie van radio-isotopen voor medische toepassingen in een militair hospitaal;

j)

“personen”: een natuurlijke persoon, onderneming of andere entiteit waarop de onder de respectieve territoriale jurisdicties van de Partijen vallende wet- en regelgeving van toepassing is, met uitzondering van de Partijen bij deze overeenkomst zelf;

k)

“technologie”: technologie als omschreven in bijlage A bij de richtsnoeren voor de overdracht van nucleair materiaal;

l)

“overgangsperiode”: de periode als omschreven in het terugtrekkingsakkoord; en

m)

“handels- en samenwerkingsovereenkomst”: de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, en

indien in deze overeenkomst wordt verwezen naar artikelen, worden de artikelen van deze overeenkomst bedoeld, tenzij anders bepaald.

Artikel 3

Reikwijdte van de nucleaire samenwerking

1.   De samenwerking op het gebied van het vreedzame gebruik van kernenergie tussen de Partijen in het kader van deze overeenkomst kan het volgende omvatten:

a)

bevordering van handel en commerciële samenwerking;

b)

levering van nucleair materiaal, niet-nucleair materiaal en uitrusting;

c)

overdracht van technologie, met inbegrip van de verstrekking van informatie die van belang is voor dit artikel;

d)

aankoop van uitrusting en instrumenten;

e)

toegang tot en gebruik van uitrusting en faciliteiten;

f)

veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, met inbegrip van geologische berging;

g)

nucleaire veiligheid en stralingsbescherming, met inbegrip van paraatheid in noodsituaties en de monitoring van het radioactiviteitsniveau in het milieu;

h)

nucleaire veiligheidscontrole en fysieke beveiliging;

i)

gebruik van radio-isotopen en straling in landbouw, industrie, geneeskunde en onderzoek, met name om het risico van een tekort aan medische radio-isotopen tot een minimum te beperken en de ontwikkeling van nieuwe technologieën en behandelingen met radio-isotopen te ondersteunen, in het belang van de volksgezondheid;

j)

geologische en geofysische exploratie, ontwikkeling, productie, verdere verwerking en gebruik van uraniumbronnen;

k)

regelgevingsaspecten van het vreedzame gebruik van kernenergie;

l)

onderzoek en ontwikkeling; en

m)

andere gebieden die van belang zijn voor het voorwerp van deze overeenkomst, zoals door de Partijen onderling in schriftelijke vorm bepaald na overleg in het Gezamenlijk Comité.

2.   De samenwerking op de in lid 1 genoemde specifieke gebieden kan indien nodig ten uitvoer worden gelegd door middel van regelingen tussen een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde en een in de Gemeenschap gevestigde juridische entiteit; in dat geval stelt de respectieve bevoegde autoriteit de andere bevoegde autoriteit ervan in kennis dat deze entiteit naar behoren gemachtigd is om die samenwerking ten uitvoer te leggen. Deze regelingen omvatten bepalingen inzake de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten wanneer deze rechten bestaan of ontstaan.

Artikel 4

Vormen van nucleaire samenwerking

De in artikel 3 [Reikwijdte van de nucleaire samenwerking] bedoelde samenwerking kan onder meer de volgende vormen aannemen:

a)

overdracht van nucleair materiaal, niet-nucleair materiaal, uitrusting en technologie;

b)

uitwisseling van informatie op gebieden van wederzijds belang, zoals nucleaire veiligheidscontrole, nucleaire veiligheid, het radioactiviteitsniveau in het milieu en de levering van radio-isotopen;

c)

facilitering van uitwisselingen, bezoeken en opleiding van personeel en deskundigen, met inbegrip van beroepsopleiding en voortgezette opleiding voor administratief, wetenschappelijk en technisch personeel;

d)

organisatie van symposia en seminars;

e)

uitwisseling van wetenschappelijke en technische informatie, bijstand en diensten, onder meer met betrekking tot onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten;

f)

organisatie van en deelname aan gezamenlijke projecten en oprichting van joint ventures en passende bilaterale werkgroepen en studies;

g)

bevordering van commerciële samenwerking op het gebied van de splijtstofcyclus, zoals de levering van diensten in verband met de splijtstofcyclus, met inbegrip van uraniumconversie en isotopische verrijking; en

h)

andere vormen van samenwerking, zoals door de Partijen onderling in schriftelijke vorm bepaald na overleg in het Gezamenlijk Comité.

Artikel 5

Goederen die onder deze overeenkomst vallen

1.   Deze overeenkomst is van toepassing op de in lid 2 genoemde goederen, tenzij:

a)

door de Partijen onderling in schriftelijke vorm anders is bepaald; of

b)

een uitzondering uit hoofde van lid 4 van toepassing is.

2.   De in lid 1 bedoelde goederen zijn:

a)

nucleair materiaal, niet-nucleair materiaal, uitrusting en technologie die rechtstreeks dan wel via een derde worden overgedragen tussen de Partijen of hun respectieve personen. Dergelijk nucleair en niet-nucleair materiaal en dergelijke uitrusting en technologie vallen onder deze overeenkomst zodra de desbetreffende goederen onder de territoriale jurisdictie van de ontvangende Partij zijn gebracht, mits de leverende Partij de ontvangende Partij schriftelijk van de overdracht in kennis heeft gesteld en de ontvangende Partij schriftelijk heeft bevestigd dat bedoelde goederen zullen worden bewaard overeenkomstig deze overeenkomst en dat de voorgestelde ontvanger, indien deze niet de ontvangende Partij is, een gemachtigde persoon is in het kader van de territoriale jurisdictie van de ontvangende Partij;

b)

nucleair materiaal, niet-nucleair materiaal en uitrusting die gebruikt worden in of geproduceerd worden met goederen die onder deze overeenkomst vallen en die verder kunnen worden bepaald in de in het kader van artikel 15 [Administratieve regelingen] ingestelde administratieve regelingen;

c)

nucleair materiaal, niet-nucleair materiaal, uitrusting of technologie die overeenkomstig de procedures van de in het kader van artikel 15 [Administratieve regelingen] ingestelde administratieve regelingen zijn aangemerkt als vallend onder deze overeenkomst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst; en

d)

alle andere goederen die door de Partijen onderling zijn bepaald na overleg in het Gezamenlijk Comité.

3.   Goederen waarop deze overeenkomst van toepassing is als bedoeld in lid 1, blijven onderworpen aan deze overeenkomst totdat overeenkomstig de procedures van de in het kader van artikel 15 [Administratieve regelingen] ingestelde administratieve regelingen is bepaald dat:

a)

het betrokken goed conform de relevante bepalingen van deze overeenkomst opnieuw is overgedragen naar een plaats buiten de jurisdictie van de ontvangende Partij;

b)

wat nucleair materiaal betreft, dit nucleaire materiaal niet langer bruikbaar is voor enige nucleaire activiteit die relevant is vanuit het oogpunt van de in artikel 6 [Veiligheidscontrole], lid 1, bedoelde veiligheidscontrole of niet langer praktisch terug te winnen is. Ter bepaling wanneer onder deze overeenkomst vallend nucleair materiaal niet langer bruikbaar is, dan wel praktisch niet langer terug te winnen is voor verwerking in een vorm waarin het bruikbaar is voor enige nucleaire activiteit die relevant is vanuit het oogpunt van de veiligheidscontrole, aanvaarden beide Partijen een besluit dat de IAEA neemt conform de bepalingen inzake beëindiging van de veiligheidscontrole van de relevante veiligheidscontroleovereenkomst waarbij de IAEA partij is;

c)

wat niet-nucleair materiaal en uitrusting betreft, deze goederen niet langer bruikbaar zijn voor nucleaire doeleinden;

d)

dit goed niet langer onder deze overeenkomst valt volgens de criteria van de in het kader van artikel 15 [Administratieve regelingen] ingestelde administratieve regelingen; of

e)

door de Partijen onderling in schriftelijke vorm anders is bepaald na overleg in het Gezamenlijk Comité.

4.   Technologie valt voor alle lidstaten van de Gemeenschap onder deze overeenkomst, behalve de lidstaten die door de Gemeenschap in een schriftelijke mededeling aan het Verenigd Koninkrijk in het kader van de inwerkingtreding van deze overeenkomst zijn genoemd als lidstaten die kenbaar hebben gemaakt dat zij technologie niet onder deze overeenkomst willen plaatsen. Een dergelijke actie laat het Gemeenschapsrecht, en met name de voorschriften voor de nucleaire gemeenschappelijke markt, onverlet. Een lidstaat ten aanzien waarvan een mededeling uit hoofde van het onderhavige lid is gedaan, staat de bevoegde autoriteit van de Gemeenschap bij in de nakoming van de verplichtingen in het kader van deze overeenkomst wat betreft overdrachten en heroverdrachten van technologie. Na overleg in het Gezamenlijk Comité kan de dit lid bedoelde mededeling te allen tijde voor elke betrokken lidstaat schriftelijk worden ingetrokken, indien die lidstaat daartoe de wens kenbaar heeft gemaakt. De praktische uitvoering van deze bepaling wordt nader bepaald in de in het kader van artikel 15 [Administratieve regelingen] ingestelde administratieve regelingen.

Artikel 6

Veiligheidscontrole

1.   Ten aanzien van het onder deze overeenkomst vallende nucleaire materiaal moet voldaan worden aan het volgende:

a)

in de Gemeenschap: aan de Euratom-veiligheidscontrole overeenkomstig het Euratom-Verdrag en de IAEA-veiligheidscontrole overeenkomstig de volgende veiligheidscontroleovereenkomsten, eventueel als gewijzigd of vervangen, en overeenkomstig het NPV:

i)

de Overeenkomst tussen de niet-kernwapenlidstaten van de Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, gedaan te Brussel op 5 april 1973 en in werking getreden op 21 februari 1977 (IAEA-document INFCIRC/193) en de Overeenkomst tussen Frankrijk, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, gedaan in juli 1978 en in werking getreden op 12 september 1981 (IAEA-document INFCIRC/290); en

ii)

de op 22 september 1998 te Wenen ondertekende aanvullende protocollen IAEA INFCIRC/193/Add.8 en IAEA INFCIRC/290/Add.1, die op 30 april 2004 in werking zijn getreden op basis van IAEA-document INFCIRC/540 (gecorrigeerde versie) (Versterkt veiligheidscontrolesysteem, deel II);

b)

in het Verenigd Koninkrijk:

i)

aan het binnenlandse veiligheidscontrolesysteem zoals toegepast door de nationale bevoegde autoriteit; en

ii)

aan de IAEA-veiligheidscontrole uit hoofde van de veiligheidscontroleovereenkomst Verenigd Koninkrijk-IAEA.

2.   Ingeval de toepassing van een van de in lid 1 genoemde overeenkomsten met de IAEA om eender welke reden in de Gemeenschap of in het Verenigd Koninkrijk wordt geschorst of beëindigd, sluit de desbetreffende Partij onverwijld met de IAEA een overeenkomst die voorziet in een doeltreffendheid en dekking die gelijkwaardig is aan die waarin de in lid 1, punten a) of b), bedoelde relevante veiligheidscontroleovereenkomsten voorzien. Wanneer zulks niet mogelijk is:

a)

past de Gemeenschap, van haar zijde, de veiligheidscontrole toe op basis van het veiligheidscontrolesysteem van Euratom dat voorziet in een doeltreffendheid en dekking die gelijkwaardig is aan die waarin de in lid 1, punt a), bedoelde veiligheidscontroleovereenkomsten voorzien, en past het Verenigd Koninkrijk, van zijn zijde, de veiligheidscontrole toe die voorziet in een doeltreffendheid en dekking die gelijkwaardig is aan die waarin de in lid 1, pun b), bedoelde veiligheidscontroleovereenkomst voorziet;

b)

of, als zulks niet mogelijk is, treffen de Partijen regelingen inzake de toepassing van de veiligheidscontrole die voorziet in een doeltreffendheid en een dekking die gelijkwaardig zijn aan die waarin de in lid 1, punten a) of b), bedoelde veiligheidscontroleovereenkomsten voorzien.

3.   Beide Partijen komen overeen binnen hun respectieve jurisdicties een solide en doeltreffend systeem voor de boekhouding en controle van nucleair materiaal ten uitvoer te leggen om te voorkomen dat onder deze overeenkomst vallend nucleair materiaal wordt gebruikt voor andere dan vreedzame doeleinden. Het toezicht, met inbegrip van inspecties in installaties die nucleair materiaal bevatten waarop deze overeenkomst van toepassing is, wordt zo uitgevoerd dat de respectieve bevoegde autoriteiten onafhankelijke conclusies kunnen trekken en zo nodig passende corrigerende actie kunnen eisen en dergelijke actie kunnen monitoren.

Artikel 7

Fysieke beveiliging

1.   De toepassing van maatregelen inzake fysieke beveiliging geschiedt te allen tijde op niveaus die ten minste voldoen aan de criteria van bijlage C bij de richtsnoeren voor de overdracht van nucleair materiaal. In aanvulling op dat document verwijzen het Verenigd Koninkrijk, de Gemeenschap, in voorkomend geval vertegenwoordigd door de Europese Commissie, en de lidstaten van de Gemeenschap bij de toepassing van maatregelen inzake fysieke beveiliging naar hun verplichtingen uit hoofde van het gewijzigde CPPNM, met inbegrip van de wijzigingen die voor elke Partij van kracht zijn, en de aanbevelingen van IAEA-document INFCIRC/225/Rev.5 (Nuclear Security Recommendations on Physical Protection of Nuclear Material and Nuclear Facilities), met inbegrip van de herzieningen, tenzij door de Partijen onderling anders is bepaald na overleg in het Gezamenlijk Comité.

2.   Het vervoer van nucleair materiaal is onderworpen aan het gewijzigde CPPNM, met inbegrip van de wijzigingen die voor elke Partij van kracht zijn, en aan de IAEA-voorschriften voor het veilig vervoer van radioactief materiaal (IAEA Safety Standards Series nr. TS-R-1), met inbegrip van de herzieningen, tenzij door de Partijen onderling anders is bepaald na overleg in het Gezamenlijk Comité.

Artikel 8

Nucleaire veiligheid

1.   De Gemeenschap en het Verenigd Koninkrijk zijn partijen bij het Verdrag inzake nucleaire veiligheid, gedaan te Wenen op 17 juni 1994 en in werking getreden op 24 oktober 1996 (IAEA-document INFCIRC/449), het Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval, gedaan te Wenen op 5 september 1997 en in werking getreden op 18 juni 2001 (IAEA-document INFCIRC/546), het Verdrag inzake de verlening van bijstand in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen, gedaan te Wenen op 26 september 1986 en in werking getreden op 26 februari 1987 (IAEA-document INFCIRC/336), en het Verdrag inzake de vroegtijdige kennisgeving van een nucleair ongeval, gedaan te Wenen op 26 september 1986 en in werking getreden op 27 oktober 1986 (IAEA-document INFCIRC/335). Elke wijziging van een van bovengenoemde verdragen is van toepassing op deze overeenkomst, tenzij een Partij de andere Partij schriftelijk ervan in kennis stelt dat zij de wijziging niet aanvaardt. De Gemeenschap, haar lidstaten en het Verenigd Koninkrijk hebben ingestemd met de Verklaring van Wenen van 9 februari 2015 inzake nucleaire veiligheid (IAEA-document INFCIRC/872).

2.   De Partijen erkennen dat internationale samenwerking van belang is voor doeltreffende regelingen inzake nucleaire veiligheid, en zij werken, met erkenning van de leidende rol van beide Partijen op dit gebied, samen aan de voortdurende verbetering van de internationale normen en verdragen voor nucleaire veiligheid en van de uitvoering daarvan.

3.   Indachtig het beginsel van voortdurende verbetering van de nucleaire veiligheid en het recht van elke Partij op toepassing van de normen voor nucleaire veiligheid, en voor zover zulks niet strijdig is met ontwikkelingen op het gebied van juridisch bindende internationale normen voor nucleaire veiligheid, zorgt elke Partij er, mede door handhaving, voor dat het beschermingsniveau niet wordt afgezwakt of verlaagd tot een niveau dat lager is dan dat van de beschermingsnormen, zoals gedeeld door de Partijen aan het einde van de overgangsperiode met betrekking tot nucleaire veiligheid, stralingsbescherming, veilig beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof, ontmanteling, veilige overbrenging van nucleair materiaal en paraatheid en respons in noodsituaties.

4.   De Partijen blijven samenwerken, regelmatig contacten onderhouden en informatie uitwisselen met betrekking tot aangelegenheden die van belang zijn voor nucleaire veiligheid, stralingsbescherming, paraatheid en respons in noodsituaties en beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, met inbegrip van de resultaten van internationale collegiale toetsingen, indien van toepassing.

5.   De Partijen blijven samenwerken in kwesties die vallen onder:

a)

gevestigde communautaire systemen voor de monitoring en uitwisseling van informatie aangaande het radioactiviteitsniveau in het milieu, waaronder:

i)

de communautaire regelingen voor snelle uitwisseling van informatie in geval van stralingsgevaar (Ecurie); en

ii)

het EU-platform voor de uitwisseling van radiologische gegevens (Eurdep);

b)

vaste adviesgroepen van deskundigen op het gebied van nucleaire veiligheid, met inbegrip van de Groep Europese regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid; en

c)

andere communautaire systemen en groepen, zoals overeengekomen tussen de Partijen via hun bevoegde autoriteiten.

De Gemeenschap kan via haar bevoegde autoriteit het Verenigd Koninkrijk uitnodigen om als derde land deel te nemen aan deze systemen en groepen.

Artikel 9

Overdrachten, heroverdrachten en bevordering van de handel

1.   Elke overdracht van nucleair materiaal, niet-nucleair materiaal, uitrusting of technologie in het kader van de samenwerkingsactiviteiten uit hoofde van deze overeenkomst geschiedt in overeenstemming met de desbetreffende internationale verbintenissen van de Gemeenschap, de lidstaten van de Gemeenschap en het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot het vreedzame gebruik van kernenergie als bedoeld in artikel 6 [Veiligheidscontrole] en artikel 7 [Fysieke beveiliging] en met betrekking tot de verbintenissen die de afzonderlijke lidstaten van de Gemeenschap en het Verenigd Koninkrijk zijn aangegaan in het kader van de Groep van nucleaire leveranciers, zoals beschreven in de richtsnoeren voor de overdracht van nucleair materiaal.

2.   De Partijen bevorderen de handel in onder deze overeenkomst vallende goederen met elkaar of tussen op het respectieve grondgebied van de Partijen gevestigde personen in het wederzijdse belang van de producenten, de splijtstofkringloopindustrie, de nutsbedrijven en de consumenten.

3.   De Partijen staan elkaar, voor zover haalbaar, bij in de aankoop door een Partij of door personen binnen de Gemeenschap of vallend onder de jurisdictie van het Verenigd Koninkrijk, van nucleair materiaal, niet-nucleair materiaal, uitrusting en technologie.

4.   De voortzetting van de onder deze overeenkomst vallende samenwerking wordt afhankelijk gesteld van de wederzijds bevredigende toepassing van het veiligheidscontrolesysteem dat de Gemeenschap overeenkomstig het Euratom-Verdrag heeft opgezet, en van het veiligheidscontrolesysteem dat het Verenigd Koninkrijk heeft opgezet.

5.   De bepalingen van deze overeenkomst mogen niet worden gebruikt om de integriteit en de goede werking van de gemeenschappelijke nucleaire markt van de Gemeenschap in gevaar te brengen, en mogen met name niet worden gebruikt om het vrije verkeer van goederen en diensten binnen deze markt te belemmeren of het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid van de Gemeenschap op het gebied van kernenergie te dwarsbomen.

6.   Overdrachten van nucleair materiaal, niet-nucleair materiaal, uitrusting en technologie en van passende diensten geschieden onder eerlijke commerciële voorwaarden. De tenuitvoerlegging van het onderhavige lid laat het Euratom-Verdrag en de daarop gebaseerde secundaire wetgeving, alsmede de wet- en regelgeving van het Verenigd Koninkrijk, onverlet.

7.   Heroverdrachten van nucleair materiaal, niet-nucleair materiaal, uitrusting en technologie die onder deze overeenkomst vallend, naar een plaats buiten de jurisdictie van de Partijen geschieden uitsluitend overeenkomstig de verbintenissen van afzonderlijke lidstaten van de Gemeenschap en het Verenigd Koninkrijk binnen de Groep van nucleaire leveranciers. Met name de richtsnoeren voor de overdracht van nucleair materiaal zijn van toepassing op heroverdrachten van alle onder deze overeenkomst vallende goederen.

8.   Wederzijdse schriftelijke kennisgevingen van overdrachten van goederen die onder deze overeenkomst vallen, en van heroverdrachten van niet-nucleair materiaal, uitrusting en technologie die onder deze overeenkomst vallen, geschieden overeenkomstig de procedures van de in het kader van artikel 15 [Administratieve regelingen] ingestelde administratieve regelingen.

9.   Niet-nucleair materiaal, uitrusting en technologie die onder deze overeenkomst vallen, worden uitsluitend naar een plaats buiten de territoriale jurisdictie van de ontvangende Partij overgedragen na voorafgaande schriftelijke toestemming van de leverende Partij, met uitzondering van het bepaalde in lid 11 van dit artikel. Deze bepaling laat artikel 5 [Goederen die onder deze overeenkomst vallen], lid 4, onverlet.

10.   Wanneer overeenkomstig de richtsnoeren voor de overdracht van nucleair materiaal de toestemming van de leverende Partij vereist is, wordt onder deze overeenkomst vallend nucleair materiaal uitsluitend naar een plaats buiten de territoriale jurisdictie van de ontvangende Partij overgedragen na voorafgaande schriftelijke toestemming van de leverende Partij, met uitzondering van het bepaalde in lid 11.

11.   Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst wisselen de Partijen lijsten uit van landen waaraan heroverdrachten van nucleair materiaal, niet-nucleair materiaal, uitrusting en technologie door de andere Partij op grond van de leden 9 en 10 van dit artikel zijn toegestaan. Elke Partij stelt de andere Partij overeenkomstig de procedures van de in het kader van artikel 15 [Administratieve regelingen] ingestelde administratieve regelingen in kennis van wijzigingen in elk van haar lijsten van landen.

12.   Wanneer het Verenigd Koninkrijk of een lidstaat van de Gemeenschap technologie die onder deze overeenkomst valt, overdraagt aan een lidstaat waarop de uitzondering van artikel 5 [Goederen die onder deze overeenkomst vallen], lid 4, van toepassing is, gelden de leden 7 en 9 van dit artikel. De praktische uitvoering van deze bepaling wordt nader bepaald in de in het kader van artikel 15 [Administratieve regelingen] ingestelde administratieve regelingen.

Artikel 10

Verrijking

Een Partij verkrijgt vóór de verrijking van onder deze overeenkomst vallend nucleair materiaal tot 20 % of meer van de isotoop uranium-235 de schriftelijke instemming van de andere Partij. Indien bedoelde instemming wordt verleend, moeten daarin de voorwaarden worden vermeld waaronder het resulterende tot 20 % of meer verrijkte uranium mag worden gebruikt. Verdere bepalingen die nodig zijn om de uitvoering van deze bepaling te vergemakkelijken, kunnen worden opgenomen in de in het kader van artikel 15 [Administratieve regelingen] ingestelde administratieve regelingen.

Artikel 11

Opwerking

Elke Partij geeft de andere Partij toestemming voor de opwerking van splijtstof die onder deze overeenkomst vallend nucleair materiaal bevat, mits een dergelijke opwerking geschiedt overeenkomstig de in de bijlage [Opwerking] vermelde voorwaarden.

Artikel 12

Samenwerking bij onderzoek en ontwikkeling op nucleair gebied

1.   De Partijen werken onderling en via hun instellingen samen bij onderzoek en ontwikkeling van kernenergie voor vreedzaam gebruik, voor zowel energetische als niet-energetische toepassingen, met inbegrip van de ontwikkeling van fusie-energie, wanneer de Partijen gemeenschappelijke belangen hebben en voor zover dit onder hun respectieve programma’s en activiteiten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling valt. De Partijen of hun instellingen, al naar gelang het geval, kunnen toestaan dat aan deze samenwerking wordt deelgenomen door onderzoekers en organisaties uit alle onderzoeksectoren, zoals universiteiten, laboratoria en de particuliere sector. De Partijen trachten een dergelijke samenwerking tussen personen op dit gebied te bevorderen overeenkomstig hun respectieve wet- en regelgeving.

2.   De samenwerking in het kader van dit artikel kan het volgende omvatten:

a)

deelname van het Verenigd Koninkrijk als derde land aan de communautaire programma’s en activiteiten op het gebied van onderzoek en opleiding; en

b)

lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk van Fusion for Energy

overeenkomstig de voorwaarden van de handels- en samenwerkingsovereenkomst.

3.   Voor zover nodig kunnen de Partijen of hun bevoegde autoriteiten afzonderlijke uitvoeringsregelingen treffen waarin het specifieke toepassingsgebied en de specifieke voorwaarden worden bepaald voor de samenwerking waarop dit artikel van toepassing is.

4.   De overeenkomstig lid 3 ingestelde uitvoeringsregelingen kunnen onder meer betrekking hebben op de financiering, de toewijzing van beheers- en operationele verantwoordelijkheden, de verspreiding en uitwisseling van informatie, en intellectuele eigendom.

Artikel 13

Uitwisseling van informatie en technische expertise

1.   De Partijen bevorderen en faciliteren een passende en evenredige uitwisseling van informatie en technische expertise, zowel onderling als tussen hun respectieve bevoegde autoriteiten, met betrekking tot aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen.

2.   De Partijen kunnen de informatie waarover zij beschikken in verband met onder het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallende kwesties aan elkaar, aan hun bevoegde autoriteiten en aan personen binnen de Gemeenschap of onder de jurisdictie van het Verenigd Koninkrijk beschikbaar stellen.

3.   Informatie die van derden wordt ontvangen onder voorwaarden die het doorgeven van dergelijke informatie onmogelijk maakt, is uitgesloten van het toepassingsgebied van deze overeenkomst.

4.   Informatie die door de leverende Partij als van commerciële waarde wordt beschouwd, wordt uitsluitend verstrekt onder de door de leverende Partij gestelde voorwaarden.

5.   De Partijen bevorderen en faciliteren de uitwisseling van informatie tussen personen die onder de jurisdictie van het Verenigd Koninkrijk vallen enerzijds en personen binnen de Gemeenschap anderzijds over aangelegenheden die onder deze overeenkomst vallen.

6.   Informatie die in het bezit is van deze personen, wordt uitsluitend verstrekt met instemming van deze personen en onder de door deze personen gestelde voorwaarden.

7.   De Partijen nemen alle passende voorzorgen om de vertrouwelijkheid te waarborgen van informatie die als gevolg van de werking van deze overeenkomst wordt ontvangen.

Artikel 14

Intellectuele eigendom

1.   De Partijen waarborgen een adequate en doeltreffende bescherming van intellectuele eigendom die is voortgebracht en technologie die is overgedragen bij de samenwerking in het kader van deze overeenkomst overeenkomstig de toepasselijke internationale overeenkomsten en regelingen en overeenkomstig de wet- en regelgeving die in het Verenigd Koninkrijk en in de Unie, de Gemeenschap of hun lidstaten van kracht is.

2.   De overdracht van intellectuele eigendom is geen voorwerp van deze overeenkomst. De intellectuele eigendom die is gegenereerd in het kader van de samenwerking waarin deze overeenkomst voorziet, wordt op ad-hocbasis toegewezen in specifieke regelingen, regelingen of contracten die verband houden met deze overeenkomst.

Artikel 15

Administratieve regelingen

1.   De Partijen stellen via hun respectieve bevoegde autoriteiten administratieve regelingen in die een doeltreffende tenuitvoerlegging van deze overeenkomst waarborgen. Dergelijke regelingen omvatten de procedures die voor de bevoegde autoriteiten nodig zijn om deze overeenkomst uit te voeren en te beheren.

2.   De overeenkomstig dit artikel ingestelde administratieve regelingen kunnen worden gewijzigd zoals door de bevoegde autoriteiten onderling in schriftelijke vorm bepaald.

3.   De administratieve regelingen kunnen voorzien in de uitwisseling van inventarislijsten voor de onder deze overeenkomst vallende goederen.

4.   De administratieve regelingen kunnen voorschriften voor de mechanismen voor overleg tussen de bevoegde autoriteiten bevatten.

5.   De boekhouding van onder deze overeenkomst vallend nucleair en niet-nucleair materiaal wordt gebaseerd op fungibiliteit en de beginselen van evenredigheid en equivalentie van nucleair materiaal en niet-nucleair materiaal als omschreven in de overeenkomstig dit artikel ingestelde administratieve regelingen.

Artikel 16

Tenuitvoerlegging

1.   Deze overeenkomst wordt te goeder trouw ten uitvoer gelegd op zodanige wijze dat belemmering of vertraging van en onnodige inmenging in de nucleaire activiteiten in het Verenigd Koninkrijk en in de Gemeenschap worden vermeden en consistentie met de zorgvuldige beheersmethoden die voor een economische en veilige uitvoering van nucleaire activiteiten vereist zijn, gewaarborgd is.

2.   Deze overeenkomst wordt niet gebruikt om commerciële of industriële voordelen te verkrijgen, noch voor inmenging in de commerciële of industriële belangen, binnenslands dan wel internationaal, van een Partij of van gemachtigde personen, noch voor inmenging in het nucleaire beleid van een Partij of van de lidstaten van de Gemeenschap, noch om de bevordering van vreedzame en niet-explosieve toepassingen van kernenergie te belemmeren, noch om het verkeer van goederen die aan deze overeenkomst onderworpen zijn dan wel met het oog daarop zijn aangemeld, binnen de respectieve territoriale jurisdicties van de Partijen of tussen het Verenigd Koninkrijk en de Gemeenschap te belemmeren.

Artikel 17

Toepasselijk recht

1.   De samenwerking waarin deze overeenkomst voorziet, is in overeenstemming met de respectieve wet- en regelgeving die in het Verenigd Koninkrijk en in de Unie en de Gemeenschap van kracht is, en met de internationale overeenkomsten die de Partijen aangaan, onverminderd artikel 18 [Bestaande overeenkomsten]. In het geval van de Gemeenschap omvat het toepasselijke recht het Euratom-Verdrag en de daarop gebaseerde secundaire wetgeving.

2.   Elke Partij waarborgt ten aanzien van de andere Partij dat deze overeenkomst aanvaard en in acht genomen wordt door, aan de zijde van het Verenigd Koninkrijk, alle onder zijn jurisdictie vallende personen aan wie een machtiging is verleend overeenkomstig deze overeenkomst, en, aan de zijde van de Gemeenschap, alle personen binnen de Gemeenschap aan wie een machtiging is verleend overeenkomstig deze overeenkomst.

Artikel 18

Bestaande overeenkomsten

1.   De bepalingen van alle van kracht zijnde bilaterale overeenkomsten inzake samenwerking op civiel-nucleair gebied tussen het Verenigd Koninkrijk en de lidstaten van de Gemeenschap worden gezien als een aanvulling op het bepaalde in deze overeenkomst en treden in voorkomend geval in de plaats van de bepalingen van deze overeenkomst.

2.   Deze overeenkomst vormt geen aanvulling op de handels- en samenwerkingsovereenkomst.

3.   Deze overeenkomst is van toepassing onverminderd elke eerdere bilaterale overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk enerzijds en de Unie en Euratom anderzijds.

Artikel 19

Gezamenlijk Comité

1.   De Partijen richten hierbij een Gezamenlijk Comité op.

2.   De samenstelling van en de procedures met betrekking tot het Gezamenlijk Comité worden vastgelegd in de in het kader van artikel 15 [Administratieve regelingen] ingestelde administratieve regelingen.

3.   Het Gezamenlijk Comité komt regelmatig en op verzoek van de bevoegde autoriteit van een Partij bijeen om toezicht te houden op de uitvoering van deze overeenkomst.

4.   De taken van het Gezamenlijk Comité omvatten onder meer de volgende werkzaamheden:

a)

uitwisselen van informatie, bespreken van best practices en delen van ervaring op uitvoeringsgebied;

b)

oprichten en coördineren van werkgroepen die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst opereren;

c)

bepalen en bespreken van en overleggen over technische aangelegenheden;

d)

aannemen van aanbevelingen voor gezamenlijke besluiten van de Partijen in de gevallen waarin deze overeenkomst voorziet, met inbegrip van gezamenlijke besluiten tot wijziging van deze overeenkomst;

e)

optreden als overlegforum, onder meer voor geschillenbeslechting;

f)

coördineren van actie inzake samenwerking bij niet-energetische toepassingen van kernenergie, met name om het risico van een tekort aan medische radio-isotopen tot een minimum te beperken en de ontwikkeling van nieuwe technologieën en behandelingen met radio-isotopen te ondersteunen, in het belang van de volksgezondheid; en

g)

optreden als technisch forum voor andere gelegenheden die verband houden met deze overeenkomst.

Artikel 20

Overleg

Op verzoek van een Partij komen vertegenwoordigers van de Partijen wanneer zulks nodig is bijeen om in het kader van het Gezamenlijk Comité met elkaar overleg te plegen over zaken die verband houden met de toepassing van deze overeenkomst, om toezicht te houden op de werking ervan en om regelingen te bespreken voor samenwerking die verder strekt dan die waarin deze overeenkomst voorziet. Dergelijk overleg kan ook de vorm aannemen van correspondentie.

Artikel 21

Regeling van geschillen

1.   De Partijen bespreken in het Gezamenlijk Comité onverwijld elk onderling geschil over de toepassing, uitleg of uitvoering van deze overeenkomst en trachten het geschil door onderhandelingen op te lossen. Dergelijke besprekingen of onderhandelingen kunnen de vorm aannemen van correspondentie.

2.   Een geschil dat niet door onderhandelingen en het verplichte overleg in het kader van het Gezamenlijk Comité wordt opgelost, wordt op verzoek van een Partij voorgelegd aan een scheidsgerecht dat uit drie arbiters bestaat. Elke Partij wijst een arbiter aan en de twee aldus aangewezen arbiters kiezen een derde arbiter, die geen onderdaan is van een Partij, als voorzitter.

3.   Wanneer een Partij binnen dertig dagen na het arbitrageverzoek nog geen arbiter heeft aangewezen, kan de andere Partij bij het geschil de voorzitter van het Internationaal Gerechtshof verzoeken een arbiter aan te stellen voor de Partij die zelf nog geen arbiter heeft aangewezen. Wanneer binnen dertig dagen na de aanwijzing of aanstelling van arbiters voor beide Partijen nog geen derde arbiter is gekozen, kan een Partij de voorzitter van het Internationaal Gerechtshof verzoeken de derde arbiter aan te stellen.

4.   Een meerderheid van de leden van het scheidsgerecht vormt een quorum en alle besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen van alle leden van het scheidsgerecht. Het scheidsgericht voorziet in de arbitrageprocedure. De besluiten van het scheidsgerecht zijn bindend voor beide Partijen en worden door hen ten uitvoer gelegd. De vergoeding van de arbiters wordt bepaald op dezelfde basis als die voor de rechters ad hoc van het Internationaal Gerechtshof. Een arbitraal besluit of arbitrale uitspraak wordt uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de Partijen en overeenkomstig internationaal recht.

Artikel 22

Staking van de samenwerking bij een ernstige inbreuk

1.   Ingeval:

a)

een Partij of een lidstaat van de Gemeenschap ernstig tekortschiet in de nakoming van een van de materiële verplichtingen uit hoofde van artikel 1 [Doel], artikel 5 [Goederen die onder deze overeenkomst vallen], artikel 6 [Veiligheidscontrole], artikel 7 [Fysieke beveiliging], artikel 9 [Overdrachten, heroverdrachten en bevordering van de handel], artikel 10 [Verrijking], artikel 11 [Opwerking] of artikel 15 [Administratieve regelingen] of andere verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst zoals door de Partijen onderling in schriftelijke vorm bepaald na overleg in het Gezamenlijk Comité, of

b)

een lidstaat van de Gemeenschap die niet over kernwapens beschikt, een nucleair explosiemiddel tot ontploffing brengt, of een lidstaat van de Gemeenschap die over kernwapens beschikt, of het Verenigd Koninkrijk een nucleair explosiemiddel tot ontploffing brengt met een goed dat onder deze overeenkomst valt,

kan de andere Partij de samenwerking in het kader van deze overeenkomst bij schriftelijke kennisgeving geheel of gedeeltelijk schorsen of beëindigen. In haar kennisgeving vermeldt de Partij welke maatregelen zij als een ernstige schending van de verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst beschouwt en geeft zij aan welke bepalingen zij voornemens is te schorsen of te beëindigen en vanaf welke datum zij voornemens is de schorsing of beëindiging toe te passen.

2.   Voordat een Partij een dergelijke stap zet, plegen de Partijen in het kader van het Gezamenlijk Comité overleg over een minnelijke schikking, met inbegrip van een besluit waarin wordt bepaald of corrigerende of andere maatregelen nodig zijn en, zo ja, welke maatregelen binnen welke termijn nodig zijn.

3.   Tot schorsing of beëindiging overeenkomstig lid 1 wordt uitsluitend overgegaan bij een verzuim om de corrigerende of andere maatregelen binnen de door het Gezamenlijk Comité gestelde termijn of, ingeval geen minnelijke schikking is gevonden, binnen een redelijke termijn, maar onverwijld uit te voeren.

4.   Een schorsing houdt op van toepassing te zijn wanneer de schorsende Partij ervan overtuigd is dat de andere Partij haar verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst nakomt, hetzij uit eigen beweging, hetzij ingevolge een besluit van een scheidsgerecht.

5.   In geval van schorsing of beëindiging van deze overeenkomst heeft de leverende Partij het recht de teruggave te eisen van de goederen die onder deze overeenkomst vallen.

Artikel 23

Wijzigingen

1.   Op verzoek van een Partij kunnen de Partijen in het kader van het Gezamenlijk Comité overleg plegen over mogelijke wijzigingen in deze overeenkomst, met name in verband met internationale ontwikkelingen op nucleair gebied.

2.   Als de Partijen zulks overeenkomen, kan deze overeenkomst worden gewijzigd.

3.   Wijzigingen treden op de door de Partijen bepaalde datum in werking middels de uitwisseling van diplomatieke nota’s tussen henzelf of, in voorkomend geval, via hun bevoegde autoriteiten, waarin zij elkaar ervan in kennis stellen dat hun respectieve voor de inwerkingtreding van een wijziging noodzakelijke interne procedures zijn afgerond.

4.   De bijlage bij deze overeenkomst vormt een integraal onderdeel van deze overeenkomst en kan worden gewijzigd overeenkomstig dit artikel.

Artikel 24

Inwerkingtreding en duur

1.   Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin beide Partijen elkaar ervan in kennis hebben gesteld dat zij hun respectieve interne vereisten en procedures ter vaststelling dat zij ermee instemmen gebonden te zijn, hebben afgerond.

2.   Deze overeenkomst blijft van kracht gedurende een eerste periode van dertig jaar. Daarna wordt deze overeenkomst automatisch verlengd met telkens tien jaar, tenzij een Partij de andere Partij ten minste zes maanden voor het verstrijken van de eerste periode van dertig jaar of de aanvullende periode van tien jaar middels een uitwisseling van diplomatieke nota’s in kennis stelt van haar voornemen om de overeenkomst te beëindigen.

3.   Onverminderd de schorsing, de beëindiging of het verstrijken van deze overeenkomst of van de samenwerking in het kader van deze overeenkomst ongeacht de reden, blijven artikel 1 [Doel], artikel 5 [Goederen die onder deze overeenkomst vallen], artikel 6 [Veiligheidscontrole], artikel 7 [Fysieke beveiliging], artikel 9 [Overdrachten, heroverdrachten en bevordering van de handel], artikel 10 [Verrijking], artikel 11 [Opwerking], artikel 13 [Uitwisseling van informatie en technische expertise], artikel 14 [Intellectuele eigendom], artikel 15 [Administratieve regelingen], artikel 16 [Tenuitvoerlegging], artikel 17 [Toepasselijk recht], artikel 18 [Bestaande overeenkomsten], artikel 20 [Overleg], artikel 21 [Oplossing van geschillen] en artikel 22 [Staking van de samenwerking bij een ernstige inbreuk] van kracht zolang de goederen die onder die artikelen vallen, op het grondgebied van de andere Partij of eender waar onder haar jurisdictie en controle blijven of totdat de Partijen onderling overeenkomstig artikel 5 [Goederen die onder deze overeenkomst vallen] hebben bepaald dat nucleair materiaal dat onder deze overeenkomst valt, niet langer bruikbaar is, dan wel praktisch niet langer terug te winnen is voor verwerking in een vorm waarin het bruikbaar is voor enige nucleaire activiteit die relevant is vanuit het oogpunt van de veiligheidscontrole.

Artikel 25

Authentieke teksten

Deze overeenkomst is in tweevoud opgesteld in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal. Uiterlijk op 30 april 2021 waarmerken de Partijen de andere taalversies dan de Engelse taalversie door middel van een uitwisseling van diplomatieke nota’s.

Image 1

Image 2

Image 3


(1)  PB L 358 van 16.12.2006, blz. 62.

(2)  Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad van 27 maart 2007 tot oprichting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie van gunsten daaraan (PB EU L 90 van 30.3.2007, blz. 58).


BIJLAGE – OPWERKING

Artikel 1

Nucleair materiaal dat onder deze overeenkomst valt, mag worden opgewerkt onder de volgende voorwaarden:

a)

de opwerking vindt plaats voor het doel van energiegebruik of van het beheer van in verbruikte splijtstof vervat materiaal, in overeenstemming met het splijtstofkringloopprogramma dat in overleg onderling is bepaald tussen de bevoegde autoriteiten;

b)

een beschrijving van elk voorgesteld splijtstofkringloopprogramma, met inbegrip van nadere informatie over het beleid en het wet- en regelgevingskader die van belang zijn voor de opwerking en voor de opslag, het gebruik en het vervoer van plutonium, wordt verstrekt door de bevoegde autoriteit van de Partij die dergelijke activiteiten overweegt;

c)

het afgescheiden plutonium wordt opgeslagen en gebruikt overeenkomstig het in punt a) bedoelde splijtstofkringloopprogramma; en

d)

de opwerking en het gebruik van het afgescheiden plutonium voor niet-explosieve, vreedzame doeleinden, met inbegrip van onderzoek, die niet in het in punt a) bedoelde splijtstofkringloopprogramma zijn vermeld, vinden slechts plaats onder de voorwaarden die tussen de Partijen onderling in schriftelijke vorm zijn bepaald na overleg overeenkomstig artikel 2 van deze bijlage.

Artikel 2

Binnen veertig dagen na ontvangst van een verzoek dienaangaande van een Partij wordt in het Gezamenlijk Comité overleg gepleegd over:

a)

de werking van de bepalingen van deze bijlage;

b)

wijzigingen van het in artikel 1 van deze bijlage bedoelde splijtstofkringloopprogramma in overweging te nemen;

c)

verbeteringen van de internationale veiligheidscontrole en andere controleprocedés, met inbegrip van de invoering van nieuwe en algemeen aanvaarde internationale mechanismen die van belang zijn voor opwerking en voor plutonium; en

d)

voorstellen voor opwerking en gebruik, opslag en vervoer van het afgescheiden plutonium voor andere vreedzame, niet-explosieve doeleinden, met inbegrip van onderzoek.


Top