EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 22011A0514(04)

Protocol betreffende culturele samenwerking

OJ L 127, 14.5.2011, p. 1418–1426 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 11 Volume 014 P. 1418 - 1426

Date of entry into force unknown (pending notification) or not yet in force., Date of effect: 01/01/1001

ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_prot/2011/265(3)/oj

22011A0514(04)

Protocol betreffende culturele samenwerking

Publicatieblad Nr. L 127 van 14/05/2011 blz. 1418 - 1426


Protocol

betreffende culturele samenwerking

De partijen,

GERATIFICEERD HEBBEND het UNESCO-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, hierna het "Unesco-Verdrag" genoemd, dat op 20 oktober 2005 in Parijs is aangenomen en op 18 maart 2007 in overeenstemming met de in lid 3 van artikel 15.10 (Inwerkingtreding) vastgelegde procedure in werking is getreden, zijnde voornemens het Unesco-verdrag daadwerkelijk ten uitvoer te leggen en in het kader daarvan op basis van de beginselen van dat verdrag samen te werken door middel van acties in overeenstemming met dat verdrag,

ERKENNEND dat de cultuurindustrie en de verscheidenheid van culturele goederen en diensten van belang zijn als activiteiten met een culturele, economische en sociale waarde,

ERKENNEND dat het door deze overeenkomst ondersteunde proces een mondiale strategie ter bevordering van een rechtvaardige groei en een hechtere samenwerking tussen de partijen op economisch, cultureel en handelsgebied behelst,

Eraan HERINNEREND dat de doelstellingen van dit protocol worden aangevuld en ondersteund door al bestaande en toekomstige beleidsinstrumenten die in ander verband worden beheerd, teneinde:

a) de capaciteit en onafhankelijkheid van de cultuurindustrie van de partijen te VERSTERKEN;

b) plaatselijke en regionale culturele inhoud te BEVORDEREN,

c) culturele diversiteit te ERKENNEN, te beschermen en te bevorderen als voorwaarden voor een geslaagde dialoog tussen culturen, en

d) het culturele erfgoed te ERKENNEN, te beschermen en te bevorderen en de erkenning ervan door de plaatselijke bevolking te stimuleren, in het besef dat het een waardevol middel is om uiting te geven aan culturele identiteit,

EROP WIJZEND dat de culturele samenwerking tussen de partijen moet worden vergemakkelijkt en dat daartoe onder meer per geval rekening moet worden gehouden met de ontwikkelingsgraad van hun cultuurindustrie, met het niveau van en de structurele onevenwichtigheden bij culturele uitwisselingen en met het bestaan van regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud,

KOMEN HET VOLGENDE OVEREEN:

Artikel 1

Toepassingsgebied, doelstellingen en definities

1. Onverminderd de andere bepalingen van deze overeenkomst stelt dit protocol het kader vast waarbinnen de partijen samenwerken om de uitwisseling van culturele activiteiten, goederen en diensten, onder meer in de audiovisuele sector, te vergemakkelijken.

2. De uitsluiting van audiovisuele diensten uit het toepassingsgebied van hoofdstuk zeven (Handel in diensten, vestiging en elektronische handel) laat de uit dit protocol voortvloeiende rechten en verplichtingen onverlet. Voor vraagstukken betreffende de tenuitvoerlegging van dit protocol maken de partijen gebruik van de procedures van de artikelen 3 en 3 bis.

3. Zonder afbreuk te doen aan hun capaciteit om hun eigen cultureel beleid op te stellen en uit te voeren en ernaar strevend deze capaciteit verder te ontwikkelen, teneinde de culturele diversiteit te beschermen en te bevorderen, spannen de partijen zich in samen te werken om de voorwaarden voor de uitwisseling van culturele activiteiten, goederen en diensten te verbeteren en eventuele structurele onevenwichtigheden en asymmetrieën bij die uitwisseling te verhelpen.

4. Voor de toepassing van dit protocol:

gelden voor culturele diversiteit, culturele inhoud, cultuuruitingen, culturele activiteiten, goederen en diensten en cultuurindustrie de definities van het Unesco-Verdrag, en

wordt verstaan onder kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars: natuurlijke personen die culturele activiteiten uitvoeren, culturele goederen produceren of in de rechtstreekse verlening van culturele diensten participeren.

AFDELING A

HORIZONTALE BEPALINGEN

Artikel 2

Culturele uitwisseling en dialoog

1. De partijen streven ernaar hun capaciteit voor de vaststelling en ontwikkeling van hun cultuurbeleid te cultiveren, hun cultuurindustrie te ontwikkelen en meer mogelijkheden te bieden voor de uitwisseling van culturele goederen en diensten van de partijen, onder meer door ervoor te zorgen dat aanspraak kan worden gemaakt op regelingen ter bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud.

2. De partijen werken samen bij de bevordering van de ontwikkeling van een gemeenschappelijke benadering en een ruimere uitwisseling van informatie, zowel op het gebied van culturele en audiovisuele aangelegenheden door middel van een dialoog, als op het gebied van goede praktijken bij de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten. Deze dialoog vindt plaats in het Comité voor culturele samenwerking en, waar en wanneer nodig, in andere relevante fora.

Artikel 3

Comité voor culturele samenwerking

1. Uiterlijk zes maanden na de toepassing van dit protocol wordt een Comité voor culturele samenwerking opgericht. Dit comité bestaat uit hoge ambtenaren uit de overheidsdiensten van elk van beide partijen, die over deskundigheid en ervaring op het gebied van culturele aangelegenheden en praktijken beschikken.

2. Het Comité voor culturele samenwerking komt binnen een jaar na de toepassing van dit protocol bijeen, en vervolgens wanneer nodig en ten minste een keer per jaar, teneinde toezicht te houden op de uitvoering van dit protocol.

3. In afwijking van de institutionele bepalingen van hoofdstuk vijftien (Institutionele, algemene en slotbepalingen) is het Handelscomité niet bevoegd voor dit protocol en vervult het Comité voor culturele samenwerking ten aanzien van dit protocol alle taken van het Handelscomité, voor zover deze van belang zijn voor de uitvoering van dit protocol.

4. Elk van beide partijen wijst binnen zijn diensten een bureau aan dat voor de andere partij als contactpunt voor de uitvoering van dit protocol dient.

5. Elk van beide partijen richt (een) interne adviesgroep(en) voor culturele samenwerking op, bestaande uit vertegenwoordigers van de culturele en audiovisuele sector, die actief zijn op de door dit protocol bestreken gebieden; deze groep of groepen worden geraadpleegd over kwesties betreffende de uitvoering van dit protocol.

6. Een partij kan om overleg met de andere partij in het Comité voor culturele samenwerking verzoeken over aangelegenheden van wederzijds belang die zich in verband met dit protocol voordoen. Het comité komt in dat geval onverwijld bijeen en stelt alles in het werk om een voor beide partijen bevredigende oplossing te vinden. Het kan daarbij aan de interne adviesgroep(en) van een van de partijen of van beide partijen advies vragen en elk van beide partijen kan zijn eigen interne adviesgroep(en) om advies vragen.

Artikel 3 bis

Beslechting van geschillen

Tenzij de partijen anders overeenkomen, en alleen wanneer een in artikel 3, lid 6, van dit protocol bedoelde aangelegenheid niet op bevredigende wijze kon worden opgelost door middel van de in dat artikel beschreven overlegprocedure, is hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen) op dit protocol van toepassing, met inachtneming van de volgende wijzigingen:

a) alle verwijzingen in hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen) naar het Handelscomité zijn als verwijzingen naar het Comité voor culturele samenwerking te beschouwen;

b) voor de toepassing van artikel 14.5 (Instelling van het arbitragepanel) trachten de partijen overeenstemming te bereiken over scheidsrechters met de nodige kennis en ervaring op de gebieden die onder dit protocol vallen. Wanneer de partijen geen overeenstemming over de samenstelling van het arbitragepanel bereiken, worden de scheidsrechters volgens de procedure van artikel 14.5, lid 3, door loting aangewezen uit de overeenkomstig c) opgestelde lijst en niet uit de in artikel 14.18 (Lijst van scheidsrechters) bedoelde lijst.

c) het Comité voor culturele samenwerking stelt onmiddellijk na zijn oprichting een lijst van vijftien personen op die bereid en in staat zijn om als scheidsrechter op te treden. Elk van beide partijen stelt vijf personen voor die als scheidsrechter kunnen optreden. De partijen kiezen in onderling overleg bovendien vijf personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en die als voorzitter van het arbitragepanel kunnen fungeren. Het Comité voor culturele samenwerking ziet erop toe dat de lijst te allen tijde uit dit aantal personen blijft bestaan. De scheidsrechters moeten kennis en ervaring op het onder dit protocol vallende gebied hebben. Als scheidsrechters zijn zij onafhankelijk, treden zij op persoonlijke titel op, nemen zij geen instructies aan van enige organisatie of regering ten aanzien van het geschil betreffende aangelegenheden en nemen zij bijlage 14-C (Gedragscode voor leden van arbitragepanels en voor bemiddelaars) in acht;

d) bij het kiezen van verplichtingen die ingevolge lid 2 van artikel 14.11 (Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving) bij een geschil in verband met dit protocol worden opgeschort, beperkt de klagende partij zich tot verplichtingen die uit dit protocol voortvloeien, en

e) onverminderd artikel 14.11, lid 2, mag de klagende partij geen uit dit protocol voortvloeiende verplichtingen opschorten bij geschillen die zich niet in verband met dit protocol voordoen.

Artikel 4

Kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars

1. De partijen streven naar vergemakkelijking, in overeenstemming met hun respectieve wetgeving, van de toegang tot en het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars uit de andere partij, die niet in aanmerking komen voor voordelen uit ingevolge hoofdstuk zeven (Handel in diensten, vestiging en elektronische handel) aangegane verbintenissen en die:

a) als kunstenaar, acteur, technicus of als andere professional uit de cultuursector of als cultuurbeoefenaar uit de andere partij betrokken zijn bij de opname van speelfilms of televisieprogramma's, of die

b) als kunstenaar of andere professional uit de cultuursector of als cultuurbeoefenaar, bijvoorbeeld als beeldend of uitvoerend kunstenaar, kunstleraar, componist, auteur, aanbieder van amusement e.d. van de andere partij betrokken zijn bij culturele activiteiten, zoals bijvoorbeeld de opname van muziek, of een actieve rol spelen bij culturele evenementen zoals, onder meer, boekenbeurzen en festivals,

mits zij hun diensten niet aan het grote publiek verkopen of deze niet zelf verlenen, niet op eigen naam een beloning ontvangen uit een bron binnen de partij waar zij tijdelijk verblijven, en geen diensten verlenen in het kader van een contract tussen een rechtspersoon zonder commerciële aanwezigheid in de partij waar de kunstenaar of andere professional uit de cultuursector of cultuurbeoefenaar tijdelijk verblijft, enerzijds, en een consument in die partij, anderzijds.

2. Wanneer de toegang tot en het tijdelijk verblijf op het grondgebied van de partijen, zoals bedoeld in lid 1, worden toegestaan, geldt deze toestemming voor niet meer dan 90 dagen in een periode van twaalf maanden.

3. De partijen streven ernaar om in overeenstemming met hun respectieve wetgeving de opleiding van en betere contacten tussen kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars te bevorderen; daarbij gaat het om:

a) theaterproducenten, zanggroepen en leden van bands en orkesten;

b) auteurs, componisten, beeldhouwers, entertainers en andere individuele artiesten;

c) kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars die in de rechtstreekse verlening van diensten door circussen, pretparken en dergelijke attracties participeren, en

d) kunstenaars en andere professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars die in de rechtstreekse verlening van diensten door ballrooms, discotheken en dansscholen participeren.

AFDELING B

SECTORSPECIFIEKE BEPALINGEN

ONDERAFDELING A

Bepalingen betreffende audiovisuele werken

Artikel 5

Audiovisuele coproducties

1. Voor de toepassing van dit protocol wordt onder coproductie verstaan een audiovisueel werk dat door producenten uit Korea en de EU gezamenlijk wordt geproduceerd en waarin die producenten in overeenstemming met dit protocol hebben geïnvesteerd [1].

2. De partijen stimuleren onderhandelingen over nieuwe, en de uitvoering van bestaande, coproductieovereenkomsten tussen een of meer lidstaten van de Europese Unie en Korea. Zij herbevestigen dat de lidstaten van de Europese Unie en Korea financiële voordelen kunnen toekennen aan audiovisuele coproducties, zoals omschreven in bestaande of toekomstige bilaterale coproductieovereenkomsten waarbij een of meer lidstaten van de Europese Unie en Korea partij zijn.

3. In overeenstemming met hun respectieve wetgeving bevorderen de partijen coproducties tussen producenten uit de EU en uit Korea, onder meer door ervoor te zorgen dat voor coproducties aanspraak kan worden gemaakt op hun respectieve regelingen ter bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud.

4. Voor audiovisuele coproducties kan aanspraak worden gemaakt op de EU-regeling voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud zoals bedoeld in lid 3, omdat zij beschouwd worden als "Europese productie" in de zin van artikel 1, punt n) i), van Richtlijn 89/552/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007/65/EG of bij latere wijzigingen, met het oog op de in artikel 4, lid 1, en artikel 3 decies, lid 1, van Richtlijn 89/552/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007/65/EG of bij latere wijzigingen [2], bedoelde bevordering van audiovisuele werken.

5. Voor audiovisuele coproducties kan aanspraak worden gemaakt op Koreaanse regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud zoals bedoeld in lid 3, omdat zij voor de toepassing van artikel 40 van de Wet inzake de bevordering van speelfilms en videoproducties (Wet nr. 9676 van 21 mei 2009) of latere wijzigingen daarvan, artikel 71 van de Omroepwet (Wet nr. 9280 van 31 december 2008) of latere wijzigingen daarvan, en het Bericht betreffende de programmaverhouding (Bericht nr. 2008-135 van de Koreaanse Communicatiecommissie van 31 december 2008) of latere wijzigingen daarvan [3] als Koreaans werk worden beschouwd.

6. Voor coproducties kan aanspraak worden gemaakt op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de audiovisuele coproducties komen tot stand door samenwerking tussen ondernemingen die rechtstreeks of door een meerderheidsaandeel in handen zijn en blijven van een lidstaat van de Europese Unie of van Korea en/of van onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie of van Korea;

b) de representatieve directeur(en) of manager(s) van de coproducerende ondernemingen, is (zijn) onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van Korea en kan (kunnen) aantonen dat hij (zij) daar hun wettige verblijfplaats heeft (hebben);

c) voor alle audiovisuele coproducties andere dan tekenfilms is de participatie van producenten uit twee lidstaten van de Europese Unie vereist. Voor tekenfilms is participatie van producenten uit drie lidstaten van de Europese Unie vereist. De financiële bijdrage van de producent of producenten uit elk van die lidstaten van de Europese Unie bedraagt ten minste 10 %;

d) de respectieve financiële bijdrage van alle producenten uit de EU samen en van alle producenten uit Korea samen aan een audiovisuele coproductie andere dan een tekenfilm moet ten minste 30 % van de totale productiekosten van die coproductie bedragen. Voor tekenfilms moet de respectieve bijdrage ten minste 35 % van de totale productiekosten bedragen;

e) de bijdrage van alle producenten samen van elk van de partijen omvat een daadwerkelijke technische en artistieke participatie, waarbij de bijdragen van beide partijen met elkaar in evenwicht zijn. In het bijzonder mag de technische en artistieke bijdrage van alle producenten samen van elk van de partijen bij audiovisuele coproducties andere dan tekenfilms niet meer dan 20 procentpunten afwijken van hun financiële bijdrage en in geen geval meer dan 70 % van de totale bijdrage uitmaken. Bij tekenfilms mag de technische en artistieke bijdrage van alle producenten samen van elk van de partijen niet meer dan 10 procentpunten afwijken van hun financiële bijdrage en in geen geval meer dan 65 % van de totale bijdrage uitmaken;

f) producenten uit derde landen die het Unesco-Verdrag hebben geratificeerd, mogen, waar dat mogelijk is, voor maximaal 20 % in de totale productiekosten en/of de technische en artistieke bijdrage in de audiovisuele coproductie participeren.

7. De partijen herbevestigen dat het recht om voor coproducties aanspraak te maken op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud wederzijdse voordelen meebrengt en dat coproducties die aan de criteria van lid 6 voldoen als Europese/Koreaanse producties in de zin van de leden 4 en 5 worden beschouwd zonder dat verdere voorwaarden dan die van lid 6 worden opgelegd.

8. a) Het recht om voor coproducties aanspraak te maken op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud geldt voor een periode van drie jaar gerekend vanaf de toepassing van dit protocol. Op advies van de interne adviesgroepen zal het Comité voor culturele samenwerking zes maanden voor het verstrijken van die periode in gezamenlijk overleg nagaan of de tenuitvoerlegging van het recht van aanspraak heeft geleid tot een grotere culturele diversiteit en tot een grotere, voor beide partijen voordelige samenwerking inzake coproducties.

b) Het recht van aanspraak wordt met drie jaar verlengd en daarna automatisch telkens met perioden van dezelfde duur, tenzij een van de partijen het recht van aanspraak ten minste drie maanden voor het verstrijken van de aanvankelijke of verlengingsperiode schriftelijk opzegt. Zes maanden voor het verstrijken van elke verlengingsperiode verricht het Comité voor culturele samenwerking een beoordeling zoals die welke onder a) wordt beschreven.

c) Tenzij de partijen anders besluiten, belet opzegging van het recht van aanspraak niet dat coproducties onder de voorwaarden van lid 6 in aanmerking komen voor de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud, wanneer de datum van eerste uitzending of vertoning van die coproducties op het respectieve grondgebied van de partijen vóór het einde van de betrokken periode plaatsheeft.

9. Gedurende de tijd dat voor coproducties aanspraak kan worden gemaakt op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud, houden de partijen, met name via de interne adviesgroepen, regelmatig toezicht op de uitvoering van lid 6 en stellen zij het Comité voor culturele samenwerking in kennis van eventuele problemen ter zake. Op verzoek van een partij kan het Comité voor culturele samenwerking het recht van aanspraak op de in de leden 4 en 5 bedoelde regelingen voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud en/of de criteria van lid 6 aan een nieuw onderzoek onderwerpen.

10. Op voorwaarde dat zij ten minste twee maanden van tevoren hiervan kennis geeft, kan een partij het recht van aanspraak op haar in de leden 4 en 5 bedoelde regeling(en) voor de bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud opschorten indien de rechten die op grond van deze leden aan coproducties zijn voorbehouden negatief beïnvloed worden door een wijziging van de in deze leden bedoelde wetgeving door de andere partij. Voordat zij tot opschorting overgaat, bespreekt en onderzoekt de kennisgevende partij in het Comité voor culturele samenwerking samen met de andere partij de aard en gevolgen van de wetswijzigingen.

Artikel 6

Andere audiovisuele samenwerking

1. De partijen streven ernaar audiovisuele werken van de andere partij door de organisatie van festivals, seminars en dergelijke initiatieven te bevorderen.

2. Afgezien van de in artikel 2, lid 2, van dit protocol bedoelde dialoog vergemakkelijken de partijen de samenwerking op omroepgebied teneinde de culturele uitwisseling te stimuleren, onder meer door middel van:

a) bevordering van de uitwisseling van informatie en van gedachtewisselingen over het omroepbeleid en de omroepregelgeving tussen bevoegde instanties;

b) stimulering van samenwerking en uitwisseling tussen de omroepen;

c) stimulering van de uitwisseling van audiovisuele werken, en

d) stimulering van bezoeken en deelname aan internationale omroepevenementen op het grondgebied van de andere partij.

3. De partijen streven ernaar de toepassing van internationale en regionale normen te vergemakkelijken, teneinde de compatibiliteit en interoperabiliteit van audiovisuele technologieën te waarborgen en daardoor bij te dragen aan een betere culturele uitwisseling. Zij werken hiertoe samen.

4. De partijen streven ernaar de verhuur en lease van technisch materiaal en technische uitrusting, zoals radio- en televisieapparatuur, muziekinstrumenten en studio-opnameapparatuur, die nodig zijn om audiovisuele werken tot stand te brengen en op te nemen, te vergemakkelijken.

5. De partijen streven ernaar de digitalisering van audiovisuele archieven te vergemakkelijken.

Artikel 7

Tijdelijke invoer van materiaal en uitrusting voor de opname van audiovisuele werken

1. Elk van beide partijen stimuleert waar passend de bevordering van zijn grondgebied als locatie voor de opname van speelfilms en televisieprogramma's.

2. In afwijking van de bepalingen over de handel in goederen in deze overeenkomst en in overeenstemming met hun respectieve wetgeving doen de partijen onderzoek naar de tijdelijke invoer uit het grondgebied van de ene partij naar dat van de andere partij van het technische materiaal en de technische uitrusting die door professionals uit de cultuursector en cultuurbeoefenaars voor de opname van speelfilms en televisieprogramma's worden benodigd, en geven zij daarvoor toestemming.

ONDERAFDELING B

Bevordering van culturele sectoren andere dan de audiovisuele sector

Artikel 8

Uitvoerende kunsten

1. De partijen vergemakkelijken door middel van passende programma's en in overeenstemming met hun respectieve wetgeving de totstandbrenging van nauwere contacten tussen beoefenaren van de uitvoerende kunsten op gebieden als beroepsuitwisselingen en –opleiding, onder meer ten aanzien van de deelname aan audities, de ontwikkeling van netwerken en de bevordering van netwerking.

2. De partijen stimuleren gezamenlijke producties op het gebied van de uitvoerende kunsten tussen producenten uit een of meer lidstaten van de Europese Unie en Korea.

3. De partijen stimuleren de ontwikkeling van internationale normen op het gebied van de theatertechnologie en de voor toneeluitvoeringen gebruikte tekens, onder meer via passende normalisatie-instellingen. Zij vergemakkelijken hiertoe de samenwerking.

Artikel 9

Publicaties

De partijen vergemakkelijken, in overeenstemming met hun respectieve wetgeving, de uitwisseling van publicaties met de andere partij en de verspreiding van publicaties van de andere partij door, onder meer:

a) de organisatie van beurzen, seminars en literaire en dergelijke evenementen in verband met publicaties, met inbegrip van mobiele faciliteiten voor openbare lezingen;

b) de vergemakkelijking van gezamenlijke uitgaven en vertalingen, en

c) de vergemakkelijking van beroepsuitwisselingen en –opleiding voor bibliothecarissen, schrijvers, vertalers, boekhandelaren en uitgevers.

Artikel 10

Bescherming van cultureel erfgoed en historische monumenten

De partijen stimuleren, in overeenstemming met hun respectieve wetgeving en onverminderd de voorbehouden in hun verbintenissen in de andere bepalingen van deze overeenkomst, door middel van passende programma's de uitwisseling van kennis en goede praktijken betreffende de bescherming van cultureel erfgoed en historische monumenten met het oog op de werelderfgoedlijst van de Unesco; hiertoe bevorderen zij de uitwisseling van deskundigen, werken zij samen op het gebied van beroepsopleiding, organiseren zij bewustmakingscampagnes onder de plaatselijke bevolking en adviseren zij over de bescherming van historische monumenten en beschermde zones en over wetgeving en maatregelen inzake het culturele erfgoed, en met name de integratie van dat erfgoed in het lokale leven.

[1] In Korea worden coproducties erkend volgens een procedure die voor radio- en televisieprogramma's door de Koreaanse Communicatiecommissie en voor films door de Koreaanse Filmraad wordt afgewikkeld. Deze erkenningsprocedure bestaat slechts uit een technische controle om te zien of de coproductie aan de criteria van lid 6 voldoet. Alle coproducties die aan die criteria voldoen, worden erkend.

[2] Wijzigingen van de wetgeving laten de toepassing van lid 10 onverlet.

[3] Ibidem.

--------------------------------------------------

MEMORANDUM VAN OVEREENSTEMMING OVER DE GRENSOVERSCHRIJDENDE VERLENING VAN VERZEKERINGSDIENSTEN WAARVOOR IN BIJLAGE 7-A (LIJST VAN VERBINTENISSEN) VERBINTENISSEN ZIJN AANGEGAAN

Met betrekking tot de grensoverschrijdende verlening van verzekeringsdiensten waarvoor in bijlage 7-A (Lijst van verbintenissen) verbintenissen zijn aangegaan, te weten de verzekering van risico's in verband met:

a) zeevaart, commerciële luchtvaart, lancering van en vrachtvervoer middels ruimtevaartuigen (satellieten inbegrepen) waarbij het volgende volledig of gedeeltelijk wordt gedekt: de vervoerde goederen, het voertuig waarmee de goederen worden vervoerd en de daaruit voorvloeiende aansprakelijkheid, en

b) goederen in het internationale douanevervoer,

bevestigen de partijen dat, wanneer een lidstaat van de Europese Unie voorschrijft dat dergelijke diensten alleen mogen worden verleend door een in de Europese Unie gevestigde dienstverlener, een Koreaanse financiële dienstverlener via zijn vestiging in een van de lidstaten van de Europese Unie die diensten mag verlenen in de andere lidstaten van de Europese Unie zonder daar gevestigd te zijn. Ter verdere verduidelijking: de verlening van een financiële dienst omvat de productie, distributie, marketing, verkoop en levering van die dienst.

Het overleg tussen de Europese Commissie en de lidstaten van de Europese Unie die vestiging in de Europese Unie als vereiste handhaven, wordt voortgezet met het oog op verdere stappen ter vergemakkelijking van de verlening van deze diensten op hun grondgebied. De EU begroet het Koreaanse voorstel om in de toekomst hierover te onderhandelen teneinde tot een overeenkomst te komen.

Dit memorandum van overeenstemming is een integrerend deel van deze overeenkomst.

--------------------------------------------------

MEMORANDUM VAN OVEREENSTEMMING OVER HET HERVORMINGSPLAN VOOR DE KOREAANSE POSTDIENSTEN [1]

Tijdens de onderhandelingen over deze overeenkomst heeft de Koreaanse delegatie de delegatie van de Europese Unie een toelichting gegeven over de intenties van de Koreaanse regering ten aanzien van haar hervormingsplan voor de postdiensten.

In dit verband wees Korea de delegatie van de Europese Unie op onderstaande aspecten van zijn hervormingsplan.

Korea is voornemens de uitzonderingen op het monopolie van de Koreaanse Post geleidelijk uit te breiden en meer particuliere bezorgingsdiensten toe te staan. Hiertoe zullen de Postwet, alsmede aanverwante wetgeving of ondergeschikte verordeningen worden gewijzigd.

a) Nadat deze wijzigingen in wet zijn vastgelegd, zal door een herdefiniëring van het begrip duidelijker zijn wat onder de brievenpost van de Koreaanse Post valt en zullen de uitzonderingen op het brievenpostmonopolie aan de hand van objectieve normen, zoals gewicht, prijs of een combinatie van beide, worden uitgebreid.

b) Bij het bepalen van de aard en omvang van bovengenoemde wijzigingen zal Korea verschillende factoren in aanmerking nemen, zoals de situatie op de binnenlandse markt, de ervaring van andere landen met het openstellen van de postmarkt en de noodzaak een universele dienst te waarborgen. Korea is voornemens deze wijzigingen binnen drie jaar na ondertekening van deze overeenkomst ten uitvoer te leggen.

Door toepassing van deze gewijzigde criteria zal Korea ervoor zorgen dat alle verleners van postbezorgings- en expresbesteldiensten in Korea zonder onderscheid hun diensten kunnen aanbieden.

Korea zal tevens artikel 3 van het Besluit tot uitvoering van de Postwet wijzigen en daardoor de uitzonderingen op het monopolie van de Koreaanse Post met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst uitbreiden tot alle internationale expresbesteldiensten voor documenten. Om een grotere zekerheid te waarborgen, vallen in de lidstaten van de Europese Unie de internationale en interne expresbesteldiensten voor alle documenten niet onder het monopolie van de postdiensten.

[1] Dit memorandum is niet bindend en hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen) is hierop niet van toepassing.

--------------------------------------------------

MEMORANDUM VAN OVEREENSTEMMING OVER SPECIFIEKE VERBINTENISSEN INZAKE TELECOMMUNICATIE

Tussen de delegatie van Korea en die van de Europese Unie is bij de onderhandelingen over specifieke verbintenissen inzake telecommunicatie in deze overeenkomst over het volgende overeenstemming bereikt:

Indien een partij de verlening van een vergunning voor de levering van openbare telecommunicatiediensten aan een rechtspersoon uit de partij waarin een persoon uit de andere partij een aandelenbelang heeft, afhankelijk stelt van de bevinding dat de levering van die diensten in het algemeen belang is, ziet zij erop toe: i) dat die bevinding en de procedures voor het komen tot die bevinding gebaseerd zijn op objectieve en transparante criteria; ii) dat wordt uitgegaan van een vermoeden dat de verlening van een vergunning aan een persoon uit de partij waarin een persoon uit de andere partij een aandelenbelang heeft, in het algemeen belang is, en iii) dat procedures in dit verband in overeenstemming met de artikelen 7.22 (Transparantie en vertrouwelijke informatie), 7.23 (Interne regelgeving) en 7.36 (Beslechting van telecommunicatiegeschillen) worden ontwikkeld.

Dit memorandum van overeenstemming is een integrerend deel van deze overeenkomst.

--------------------------------------------------

MEMORANDUM VAN OVEREENSTEMMING OVER ZONERING, STADSPLANNING EN MILIEUBESCHERMING

Bij de onderhandelingen over hoofdstuk zeven (Handel in diensten, vestiging en elektronische handel) van deze overeenkomst hebben de partijen overleg gepleegd over de voorschriften betreffende zonering, stadsplanning en milieubescherming die bij de ondertekening van deze overeenkomst in Korea en in de Europese Unie van toepassing zijn.

De partijen zijn het erover eens dat voorschriften, met inbegrip van die over zonering, stadsplanning en milieubescherming, die bestaan in niet-discriminerende en niet-kwantitatieve maatregelen ten aanzien van vestiging, niet in de lijst met verbintenissen worden opgenomen.

Op basis van de hierboven beschreven gemeenschappelijke benadering bevestigen de partijen dat door Korea in het kader van de volgende wetten toegepaste specifieke maatregelen niet in de lijst met verbintenissen worden opgenomen:

- Wet inzake het heraanpassingsplan voor het hoofdstedelijk gebied Seoel

- Wet inzake industriële clusterontwikkeling en fabrieksvestiging

- Bijzondere wet inzake de verbetering van de luchtkwaliteit in het hoofdstedelijk gebied Seoel

De partijen bevestigen hun recht om nieuwe voorschriften inzake zonering, stadsplanning en milieubescherming in te voeren.

Dit memorandum van overeenstemming is een integrerend deel van deze overeenkomst.

--------------------------------------------------

Top