Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 21994A0207(02)

Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering - Verklaringen

OJ L 33, 7.2.1994, p. 13–28 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 11 Volume 029 P. 29 - 44
Special edition in Swedish: Chapter 11 Volume 029 P. 29 - 44
Special edition in Czech: Chapter 11 Volume 019 P. 169 - 185
Special edition in Estonian: Chapter 11 Volume 019 P. 169 - 185
Special edition in Latvian: Chapter 11 Volume 019 P. 169 - 185
Special edition in Lithuanian: Chapter 11 Volume 019 P. 169 - 185
Special edition in Hungarian Chapter 11 Volume 019 P. 169 - 185
Special edition in Maltese: Chapter 11 Volume 019 P. 169 - 185
Special edition in Polish: Chapter 11 Volume 019 P. 169 - 185
Special edition in Slovak: Chapter 11 Volume 019 P. 169 - 185
Special edition in Slovene: Chapter 11 Volume 019 P. 169 - 185
Special edition in Bulgarian: Chapter 11 Volume 008 P. 134 - 148
Special edition in Romanian: Chapter 11 Volume 008 P. 134 - 148
Special edition in Croatian: Chapter 11 Volume 016 P. 78 - 93

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/convention/1994/69/oj

21994A0207(02)

Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering - Verklaringen

Publicatieblad Nr. L 033 van 07/02/1994 blz. 0013 - 0028
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 11 Deel 29 blz. 0029
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 11 Deel 29 blz. 0029


BIJLAGE A (Vertaling)

RAAMVERDRAG VAN DE VERENIGDE NATIES INZAKE KLIMAATVERANDERING

DE PARTIJEN BIJ DIT VERDRAG,

BESEFFENDE dat veranderingen in het klimaat op aarde en de nadelige gevolgen daarvan een gemeenschappelijke zorg voor de mensheid vormen;

BEZORGD OVER het feit dat door menselijke activiteiten de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer aanzienlijk zijn toegenomen, dat deze toeneming het natuurlijke broeikaseffect vergroot en dat dit gemiddeld zal leiden tot een extra opwarming van het aardoppervlak en de atmosfeer, hetgeen schadelijke invloed kan hebben op natuurlijke ecosystemen en de mens;

VASTSTELLENDE dat het grootste deel van de emissies van broeikasgassen over de gehele wereld, zowel in het verleden als in het heden, afkomstig is uit ontwikkelde landen, dat in ontwikkelingslanden de emissies per hoofd van de bevolking nog betrekkelijk gering zijn en dat het deel van de totale emissies dat afkomstig is uit ontwikkelingslanden zal toenemen naarmate wordt voorzien in hun behoeften van sociale aard en op het gebied van de ontwikkeling;

ZICH BEWUST VAN de rol en het belang van putten en reservoirs van broeikasgassen in ecosystemen op land en in zee;

VASTSTELLENDE dat er veel onzekerheden bestaan in voorspellingen van klimaatverandering, met name met betrekking tot het verloop, de omvang en de regionale patronen daarvan;

BESEFFENDE dat de mondiale aard van klimaatverandering de breedst mogelijke samenwerking tussen alle landen vergt, alsmede hun deelneming in een doeltreffend en passend internationaal optreden, in overeenstemming met hun gezamenlijke, doch verschillende, verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden en hun sociale en economische omstandigheden;

HERINNERENDE AAN de desbetreffende bepalingen van de Verklaring van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake het leefmilieu, aangenomen te Stockholm op 16 juni 1972;

VOORTS ERAAN HERINNERENDE dat staten, in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van internationaal recht, het soevereine recht hebben hun eigen hulpbronnen te exploiteren overeenkomstig hun eigen milieu- en ontwikkelingsbeleid alsook de verantwoordelijkheid erop toe te zien dat activiteiten die binnen hun rechtsmacht of onder hun toezicht vallen, geen schade aanrichten aan het milieu van andere staten of van gebieden die onder geen enkele nationale rechtsmacht vallen;

OPNIEUW BEVESTIGENDE het beginsel van de soevereiniteit van staten in de internationale samenwerking om klimaatverandering tegen te gaan;

ERKENNENDE dat staten doeltreffende milieuwetgeving moeten aannemen, dat milieunormen en doelstellingen en prioriteiten voor milieubeheer een weerspiegeling moeten zijn van de milieu- en ontwikkelingscontext waarop zij van toepassing zijn, en dat normen die door sommige landen worden gehanteerd, ongepast kunnen zijn en te hoge economische en sociale kosten kunnen inhouden voor andere landen, in het bijzonder ontwikkelingslanden;

HERINNERENDE AAN de bepalingen van resolutie 44/228 van de Algemene Vergadering van 22 december 1989 inzake de Conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling en de resoluties 43/53 van 6 december 1988, 44/207 van 22 december 1989, 45/212 van 21 december 1990 en 46/169 van 19 december 1991 inzake de bescherming van het wereldklimaat ten behoeve van huidige en toekomstige generaties;

TEVENS HERINNERENDE AAN de bepalingen van resolutie 44/206 van de Algemene Vergadering van 22 december 1989 inzake de mogelijke nadelige gevolgen van zeespiegelstijging voor eilanden en kustgebieden, met name laaggelegen kustgebieden, en de desbetreffende bepalingen van resolutie 44/172 van de Algemene Vergadering van 19 december 1989 inzake de uitvoering van het Actieplan ter bestrijding van de woestijnvorming;

VOORTS HERINNERENDE AAN het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag van 1985 en het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken van 1987, zoals aangepast en gewijzigd op 29 juni 1990;

WIJZENDE OP de verklaring van de ministers van de Tweede Wereldklimaatconferentie, aangenomen op 7 november 1990;

ZICH BEWUST VAN het waardevolle analytische werk dat door veel staten wordt verricht op het gebied van klimaatverandering en van de belangrijke bijdragen van de Wereld Meteorologische Organisatie, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en andere organen, organisaties en instellingen der Verenigde Naties, alsmede andere internationale en intergouvernementele organisaties, aan de uitwisseling van resultaten van wetenschappelijk onderzoek en de coördinatie van onderzoek;

ERKENNENDE dat de stappen die nodig zijn om klimaatverandering te begrijpen en tegen te gaan, in ecologisch, sociaal en economisch opzicht het meest doeltreffend zijn indien zij zijn gebaseerd op relevante wetenschappelijke, technische en economische overwegingen en voortdurend worden geëvalueerd in het licht van nieuwe bevindingen op deze gebieden;

ERKENNENDE dat verschillende maatregelen tegen klimaatverandering op zichzelf economisch verantwoord kunnen zijn en tevens kunnen bijdragen tot het oplossen van andere milieuproblemen;

TEVENS ERKENNENDE de noodzaak dat de ontwikkelde landen onmiddellijk actie ondernemen, op flexibele wijze op basis van duidelijke prioriteiten, als eerste stap in de richting van een veelomvattend optreden op mondiaal, nationaal en, indien van toepassing, regionaal niveau, dat betrekking heeft op alle broeikasgassen, daarbij hun relatieve bijdrage aan de versterking van het broeikaseffect in aanmerking nemend;

VOORTS ERKENNENDE dat laaggelegen landen en andere kleine eilandstaten, landen met laaggelegen kustgebieden, aride en semi-aride gebieden of gebieden die vatbaar zijn voor overstroming, droogte of woestijnvorming, en ontwikkelingslanden met broze bergecosystemen bijzonder kwetsbaar zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering;

ERKENNENDE de bijzondere problemen van die landen, met name ontwikkelingslanden, waarvan de economieën bijzonder afhankelijk zijn van de winning, het gebruik en de uitvoer van fossiele brandstoffen, ten gevolge van de maatregelen genomen ter beperking van de emissies van broeikasgassen;

BEVESTIGENDE dat het optreden om klimaatverandering tegen te gaan ten nauwste dient te worden gecoördineerd met sociale en economische ontwikkeling, ten einde negatieve effecten daarop te vermijden, hierbij ten volle rekening houdend met de legitieme prioritaire behoeften van ontwikkelingslanden, namelijk duurzame economische groei en het uitroeien van armoede;

ERKENNENDE dat alle landen, met name ontwikkelingslanden, toegang moeten hebben tot hulpbronnen die nodig zijn om duurzame sociale en economische ontwikkeling te verwezenlijken en dat - willen de ontwikkelingslanden vooruitgang kunnen boeken in die richting - hun energieverbruik zal moeten toenemen, met inachtneming van de mogelijkheden om zuiniger om te gaan met energie en om de emissies van broeikasgassen in het algemeen te beheersen, onder andere door middel van de toepassing van nieuwe technologieën op een wijze die ertoe leidt dat die toepassing in economisch en sociaal opzicht voordeel oplevert;

VASTBESLOTEN het klimaatsysteem te beschermen ten behoeve van huidige en toekomstige generaties,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Begripsomschrijvingen (1)

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

1. "nadelige gevolgen van klimaatverandering": veranderingen in de levende omgeving ten gevolge van klimaatverandering die aanzienlijke schadelijke effecten hebben op de samenstelling, het herstellingsvermogen of het voortplantingsvermogen van natuurlijke of beheerste ecosystemen of op de werking van sociaal-economische stelsels of op de gezondheid en het welzijn van de mens;

2. "klimaatverandering": een verandering in het klimaat die direct of indirect wordt toegeschreven aan menselijke activiteit, die de samenstelling van de atmosfeer wijzigt en die naast natuurlijke klimaatwisselingen wordt waargenomen gedurende vergelijkbare perioden;

3. "klimaatsysteem": de atmosfeer, de hydrosfeer, de biosfeer en de geosfeer te zamen, alsmede de onderlinge wisselwerkingen daarvan;

4. "emissies": het vrijkomen van broeikasgassen en/of voorlopers daarvan in de atmosfeer in een bepaald gebied en gedurende een bepaalde tijd;

5. "broeikasgassen": gasvormige bestanddelen van de atmosfeer, zowel natuurlijk als antropogeen, die infrarode straling absorberen en weer uitstralen;

6. "regionale organisatie voor economische integratie": een door soevereine staten in een bepaalde regio opgerichte organisatie die bevoegdheden heeft ten aanzien van aangelegenheden die door dit Verdrag of de protocollen daarbij worden geregeld, en die gemachtigd is, in overeenstemming met haar interne procedures, de desbetreffende akten te ondertekenen, te bekrachtigen, te aanvaarden, goed te keuren of daartoe toe te treden;

7. "reservoir": een onderdeel of onderdelen van het klimaatsysteem waarin een broeikasgas of een voorloper daarvan is opgeslagen;

8. "put": een proces, activiteit of mechanisme waardoor een broeikasgas, een aërosol of een voorloper van een broeikasgas uit de atmosfeer wordt verwijderd;

9. "bron": een proces of activiteit waarbij een broeikasgas, een aërosol of een voorloper van een broeikasgas vrijkomt in de atmosfeer.

Artikel 2

Doelstelling

Het uiteindelijke doel van dit Verdrag en alle daarmee verband houdende rechtskracht hebbende akten die de Conferentie van de partijen aanneemt, is het bewerkstelligen, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag, van een stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau waarop gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen. Dit niveau dient te worden bereikt binnen een tijdsbestek dat toereikend is om ecosystemen in staat te stellen zich op natuurlijke wijze aan te passen aan klimaatverandering, te verzekeren dat de voedselproduktie niet in gevaar komt en de economische ontwikkeling op duurzame wijze te doen voortgaan.

Artikel 3

Beginselen

Bij de stappen ter verwezenlijking van de doelstelling van het Verdrag en ter uitvoering van de bepalingen daarvan, laten de partijen zich, onder andere, leiden door het volgende:

1. De partijen dienen het klimaatsysteem te beschermen ten behoeve van huidige en toekomstige generaties, op basis van billijkheid en in overeenstemming met hun gezamenlijke, doch verschillende, verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden. Partijen die ontwikkelde landen zijn, dienen derhalve het voortouw te nemen bij de bestrijding van klimaatverandering en de nadelige gevolgen daarvan.

2. Er dient ten volle rekening te worden gehouden met de specifieke behoeften en bijzondere omstandigheden van partijen die ontwikkelingslanden zijn, met name die welke bijzonder kwetsbaar zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering, en van partijen, met name partijen die ontwikkelingslanden zijn, die ingevolge het Verdrag een onevenredige of abnormale last zouden moeten dragen.

3. De partijen dienen voorzorgsmaatregelen te nemen om te anticiperen op de oorzaken van klimaatverandering, dan wel deze te voorkomen of in te perken, en de nadelige gevolgen daarvan te beperken. Wanneer ernstige of onherstelbare schade dreigt te ontstaan, mag gebrek aan volledige wetenschappelijke zekerheid niet als grond dienen voor uitstel van die maatregelen, daarbij in aanmerking nemend dat het beleid en de maatregelen ter zake van klimaatverandering een goede kosten/baten-verhouding dienen te hebben, opdat deze mondiaal voordeel opleveren tegen zo laag mogelijke kosten. Om dit te bewerkstelligen, dienen dit beleid en deze maatregelen rekening te houden met de verschillende sociaal-economische contexten, veelomvattend te zijn, betrekking te hebben op alle relevante bronnen, putten en reservoirs van broeikasgassen alsmede aanpassing daarvan, en alle economische sectoren te bestrijken. Inspanningen om klimaatverandering tegen te gaan kunnen door belanghebbende partijen gezamenlijk worden ondernomen.

4. De partijen zijn gerechtigd, en dienen, duurzame ontwikkeling te bevorderen. Het beleid en de maatregelen ter bescherming van het klimaatsysteem tegen door de mens teweeggebrachte verandering dienen geschikt te zijn voor de specifieke omstandigheden van elke partij en dienen te worden geïntegreerd in nationale ontwikkelingsprogramma's, daarbij in aanmerking nemend dat economische ontwikkeling essentieel is voor het nemen van maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan.

5. De partijen dienen samen te werken ter bevordering van een ondersteunend en open internationaal economisch stelsel dat leidt tot een duurzame economische groei en ontwikkeling van alle partijen, met name partijen die ontwikkelingslanden zijn, hen aldus in staat stellend de aan klimaatverandering verbonden problemen beter tegen te gaan. Maatregelen ter bestrijding van klimaatverandering, waaronder eenzijdige maatregelen, mogen niet een middel van willekeurige of niet te verantwoorden discriminatie of een verkapte beperking van de internationale handel vormen.

Artikel 4

Verplichtingen

1. Alle partijen, hun gezamenlijke, doch verschillende verantwoordelijkheden en hun specifieke nationale en regionale ontwikkelingsprioriteiten, doelstellingen en omstandigheden in aanmerking nemend,

a) stellen nationale inventarislijsten op van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van alle broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal, met gebruikmaking van vergelijkbare, door de Conferentie van de partijen overeen te komen methoden, en werken deze inventarislijsten periodiek bij, maken deze openbaar en stellen deze in overeenstemming met artikel 12 ter beschikking van de Conferentie van de partijen;

b) stellen nationale en, indien van toepassing, regionale programma's op die maatregelen bevatten ter beperking van klimaatverandering, toegespitst op antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van alle broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal, alsook maatregelen ter vergemakkelijking van een adequate aanpassing aan klimaatverandering, en voeren deze uit, maken deze openbaar en werken deze regelmatig bij;

c) bevorderen en werken samen bij de ontwikkeling, toepassing en verspreiding, waaronder overdracht, van technologieën, praktijken en processen waarmee antropogene emissies van broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal, kunnen worden beheerst, verminderd of voorkomen in alle relevante sectoren, waaronder de energie-, de vervoers-, de industrie-, de landbouw- en de bosbouwsector en het afvalbeheer;

d) bevorderen een duurzaam beheer en bevorderen en werken samen bij de instandhouding en uitbreiding, indien van toepassing, van putten en reservoirs van alle broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal, waaronder biomassa, bossen en oceanen, alsmede andere ecosystemen op het land, langs de kust en in zee;

e) werken samen bij de voorbereiding op aanpassing aan de effecten van klimaatverandering, stellen passende en geïntegreerde plannen op voor beheer van kustgebieden, watervoorraden en landbouw, en voor de bescherming en het herstel van gebieden, met name in Afrika, die worden getroffen door droogte en woestijnvorming, alsmede overstroming, en werken deze plannen uit;

f) houden, voor zover mogelijk, rekening met aspecten van klimaatverandering in hun desbetreffende beleid en optreden op sociaal en economisch gebied en ten aanzien van het milieu, en maken gebruik van passende methoden, bij voorbeeld op nationale schaal opgestelde en vastgelegde milieu-effectrapportages, ten einde de nadelige gevolgen voor de economie, voor de volksgezondheid of voor de kwaliteit van het milieu, van door hen uitgevoerde projecten of maatregelen ter inperking van of aanpassing aan klimaatverandering, tot een minimum te beperken;

g) bevorderen en werken samen bij wetenschappelijk, technologisch, technisch, sociaal-economisch en ander onderzoek, systematische waarneming en het opzetten van gegevensbestanden betreffende het klimaatsysteem, bedoeld om meer inzicht te verwerven en de resterende onzekerheden met betrekking tot de oorzaken, de gevolgen, de omvang en het verloop van klimaatverandering, alsmede de economische en sociale gevolgen van de verschillende bestrijdingsstrategieën te verkleinen of weg te nemen;

h) bevorderen en werken samen bij de volledige, open en onmiddellijke uitwisseling van relevante wetenschappelijke, technologische, technische, sociaal-economische en juridische informatie met betrekking tot het klimaatsysteem en klimaatverandering en tot de economische en sociale gevolgen van de verschillende bestrijdingsstrategieën;

i) bevorderen en werken samen bij de voorlichting, vorming en bewustmaking met betrekking tot klimaatverandering en stimuleren de breedst mogelijke deelneming aan dit proces, waaronder die van niet-gouvernementele organisaties; en

j) delen aan de Conferentie van de partijen in overeenstemming met artikel 12 informatie over de toepassing mede.

2. De partijen die ontwikkelde landen zijn en de andere in bijlage I opgenomen partijen verplichten zich in het bijzonder tot het volgende:

a) Elk van deze partijen neemt nationaal (2) beleid aan en treft de bijbehorende maatregelen inzake inperking van klimaatverandering, door haar antropogene emissies van broeikasgassen te beperken en putten en reservoirs voor broeikasgassen te beschermen en uit te breiden. Uit dit beleid en deze maatregelen zal blijken dat ontwikkelde landen het voortouw nemen bij het ombuigen van de tendensen op het gebied van antropogene emissies op de lange termijn, overeenkomstig de doelstelling van het Verdrag, erkennend dat de terugkeer aan het einde van dit decennium naar vroegere niveaus van antropogene emissies van kooldioxide en andere broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal, bijdraagt tot die ombuiging, en rekening houdend met de verschillen tussen hun uitgangspunten en benaderingen, economische structuren en rijkdommen, met de noodzaak sterke en duurzame economische groei te handhaven, met beschikbare technologieën en andere individuele omstandigheden, alsmede met de noodzaak dat billijke en passende bijdragen worden geleverd door elk van hen aan de op mondiale schaal ondernomen actie om dat doel te bereiken. Zij kunnen te zamen met andere partijen uitvoering geven aan dit beleid en die maatregelen en kunnen andere partijen helpen bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstelling van het Verdrag en in het bijzonder die van het bepaalde in deze letter.

b) Ten einde vooruitgang in die richting te bevorderen, deelt elk van deze partijen binnen zes maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag ten aanzien van haar, en daarna periodiek, in overeenstemming met artikel 12, gedetailleerde informatie mede over het beleid en de maatregelen bedoeld onder a), alsmede over haar daaruit voortvloeiende prognoses inzake antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal gedurende het onder a) genoemde tijdvak, met het doel afzonderlijk of gezamenlijk terug te keren naar hun niveaus van 1990 van deze antropogene emissies van kooldioxide en andere broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal. Deze informatie zal worden besproken door de Conferentie van de partijen op haar eerste zitting en daarna periodiek, in overeenstemming met artikel 7.

c) Bij berekeningen, voor de toepassing van het onder b) vermelde, van emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen dient rekening te worden gehouden met de best beschikbare wetenschappelijke kennis, onder meer betreffende de effectieve capaciteit van de putten en de mate waarin bedoelde gassen bijdragen tot klimaatverandering. De Conferentie van de partijen bestudeert en komt tot overeenstemming over methoden voor deze berekeningen op haar eerste zitting en toetst deze daarna regelmatig.

d) De Conferentie van de partijen toetst op haar eerste zitting de doelmatigheid van het onder a) en b) vermelde. Deze toetsing vindt plaats in het licht van de best beschikbare wetenschappelijke informatie over en inschatting van klimaatverandering en de effecten daarvan, en aan de hand van ter zake dienende technische, sociale en economische gegevens. Op basis van deze toetsing neemt de Conferentie van de partijen passende maatregelen, waaronder het aannemen van wijzigingen op de verplichtingen vermeld onder a) en b). De Conferentie van de partijen neemt op haar eerste zitting ook besluiten over criteria voor gezamenlijke uitvoering als bedoeld onder a). Een tweede toetsing van het onder a) en b) vermelde vindt uiterlijk op 31 december 1998 plaats en daarna met regelmatige, door de Conferentie van de partijen te bepalen tussenpozen, totdat het doel van het Verdrag is bereikt.

e) Elk van deze partijen:

i) coördineert, indien van toepassing met de andere bedoelde partijen, relevante economische en administratieve instrumenten die tot stand zijn gebracht om de doelstelling van het Verdrag te verwezenlijken, en

ii) inventariseert en toetst periodiek haar eigen beleidslijnen en praktijken die activiteiten stimuleren die leiden tot een verhoging van de niveaus van antropogene emissies van broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal.

f) De Conferentie van de partijen bespreekt uiterlijk op 31 december 1998 de beschikbare informatie ten einde, met goedkeuring van de betrokken partij, de nodige wijzigingen aan te brengen in de lijsten in de bijlagen I en II.

g) Een niet in bijlage I opgenomen partij kan in haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, of op enig tijdstip daarna, de depositaris ervan in kennis stellen dat zij voornemens is te worden gebonden door het onder a) en b) vermelde. De depositaris deelt bedoelde kennisgeving mede aan de andere ondertekenaars en partijen.

3. De partijen die ontwikkelde landen zijn en de andere in bijlage II opgenomen ontwikkelde partijen stellen nieuwe en aanvullende financiële middelen ter beschikking ter dekking van de overeengekomen volledige door de partijen die ontwikkelingslanden zijn te maken kosten ter nakoming van hun verplichtingen ingevolge artikel 12, lid 1. Zij stellen tevens de financiële middelen ter beschikking, waaronder die ten behoeve van de overdracht van technologie, die de partijen die ontwikkelingslanden zijn nodig hebben ter dekking van de volledige overeengekomen meerkosten van de uitvoering van de maatregelen die vallen onder lid 1 van dit artikel en die zijn overeengekomen tussen een partij die een ontwikkelingsland is en de in artikel 11 bedoelde instelling(en), zulks in overeenstemming met dat artikel. Bij de nakoming van deze verplichtingen dient rekening te worden gehouden met de noodzaak van adequaatheid en voorspelbaarheid van de geldstroom en het belang van passende lastenverdeling onder de partijen die ontwikkelde landen zijn.

4. De partijen die ontwikkelde landen zijn en de andere in bijlage II opgenomen ontwikkelde partijen verlenen de partijen die ontwikkelingslanden zijn die bijzonder kwetsbaar zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering, bijstand in de dekking van de kosten van aanpassing aan deze nadelige gevolgen.

5. De partijen die ontwikkelde landen zijn en de andere in bijlage II opgenomen ontwikkelde partijen ondernemen alle mogelijke stappen ter bevordering, vergemakkelijking en financiering, indien van toepassing, van de overdracht van of de toegang tot milieuvriendelijke technologieën en know-how ten gunste van andere partijen, met name partijen die ontwikkelingslanden zijn, om hen in staat te stellen uitvoering te geven aan de bepalingen van het Verdrag. Hierbij steunen de partijen die ontwikkelde landen zijn de verbetering en uitbreiding van de eigen capaciteiten en technologieën van de ontwikkelingslanden. Andere daartoe in staat zijnde partijen en organisaties kunnen ook helpen om de overdracht van zulke technologieën te vergemakkelijken.

6. Bij de nakoming van de verplichtingen ingevolge lid 2 wordt door de Conferentie van de partijen een zekere mate van flexibiliteit toegestaan ten aanzien van de in bijlage I opgenomen partijen die een overgang naar een markteconomie doormaken, ten einde die partijen beter in staat te stellen klimaatverandering tegen te gaan, mede gelet op het historische niveau van antropogene emissies van broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal, dat als uitgangspunt dient.

7. De mate waarin partijen die ontwikkelingslanden zijn hun verplichtingen ingevolge het Verdrag daadwerkelijk zullen nakomen, hangt af van de daadwerkelijke nakoming door de partijen die ontwikkelde landen zijn van hun verplichtingen ingevolge het Verdrag wat betreft de financiële middelen en de overdracht van technologie, in het besef dat economische en sociale ontwikkeling en uitroeiing van armoede de eerste en allerhoogste prioriteiten zijn van de partijen die ontwikkelingslanden zijn.

8. Bij de nakoming van de in dit artikel verwoorde verplichtingen overwegen de partijen grondig welke maatregelen vereist zijn uit hoofde van het Verdrag, waaronder maatregelen verband houdende met de financiering, verzekering en overdracht van technologie, om te voorzien in de specifieke behoeften en belangen van partijen die ontwikkelingslanden zijn, ten gevolge van de nadelige gevolgen van klimaatverandering en/of de effecten van de toepassing van bestrijdingsmaatregelen, met name voor:

a) kleine eilandstaten;

b) landen met laaggelegen kustgebieden;

c) landen met aride en semi-aride gebieden, bosgebieden en gebieden die vatbaar zijn voor aantasting van bossen;

d) landen met gebieden die vatbaar zijn voor natuurrampen;

e) landen met gebieden die vatbaar zijn voor droogte en woestijnvorming;

f) landen met ernstige stedelijke luchtvervuiling;

g) landen met gebieden met broze ecosystemen, waaronder bergecosystemen;

h) landen waarvan de economieën in hoge mate afhankelijk zijn van inkomsten uit de winning, verwerking en uitvoer en/of het verbruik van fossiele brandstoffen en aanverwante energieverslindende produkten, en

i) landen zonder zeekust en doorvoerlanden.

Voorts kan de Conferentie van de partijen maatregelen nemen, indien van toepassing, met betrekking tot dit lid.

9. De partijen houden ten volle rekening met de specifieke behoeften en bijzondere omstandigheden van de minst ontwikkelde landen bij hun maatregelen met betrekking tot de financiering en de overdracht van technologie.

10. De partijen nemen in overeenstemming met artikel 10 bij de nakoming van de verplichtingen ingevolge het Verdrag de situatie van partijen in aanmerking, met name van partijen die ontwikkelingslanden zijn, met economieën die kwetsbaar zijn voor de nadelige gevolgen van de toepassing van maatregelen tegen klimaatverandering. Dit geldt met name voor partijen met economieën die in hoge mate afhankelijk zijn van inkomsten uit de winning, verwerking en uitvoer en/of het verbruik van fossiele brandstoffen en aanverwante energieverslindende produkten en/of het gebruik van fossiele brandstoffen ten aanzien waarvan de partijen ernstige moeilijkheden hebben om op alternatieven over te schakelen.

Artikel 5

Onderzoek en systematische waarneming

Bij de nakoming van hun verplichtingen ingevolge artikel 4, lid 1, onder g), dienen de partijen:

a) internationale en intergouvernementele programma's en netwerken of organisaties gericht op het omschrijven, verrichten, beoordelen en financieren van onderzoek, gegevensvergaring en systematische waarneming, te steunen en, indien van toepassing, verder te ontwikkelen, rekening houdend met de noodzaak dubbel werk tot een minimum te beperken;

b) internationale en intergouvernementele inspanningen te steunen ter uitbreiding van systematische waarneming en capaciteiten en mogelijkheden voor nationaal wetenschappelijk en technisch onderzoek, met name in ontwikkelingslanden, en ter bevordering van de toegang tot en de uitwisseling van gegevens en analyses daarvan, verkregen uit gebieden buiten de nationale rechtsmacht, en

c) rekening te houden met de bijzondere belangen en behoeften van ontwikkelingslanden en samen te werken bij de verbetering van de eigen capaciteiten en mogelijkheden van die landen om deel te nemen aan de onder a) en b) bedoelde inspanningen.

Artikel 6

Voorlichting, vorming en bewustmaking

Bij de nakoming van hun verplichtingen ingevolge artikel 4, lid 1, onder i), dienen de partijen:

a) op nationaal en, indien van toepassing, op subregionaal en regionaal niveau, in overeenstemming met nationale wetten en voorschriften, en voor zover zulks binnen hun vermogen ligt, te bevorderen en te vergemakkelijken:

i) de ontwikkeling en uitvoering van voorlichtings- en bewustmakingsprogramma's inzake klimaatverandering en de gevolgen daarvan;

ii) de toegang van het publiek tot informatie inzake klimaatverandering en de gevolgen daarvan;

iii) de deelneming van het publiek aan het tegengaan van klimaatverandering en de gevolgen daarvan en aan de totstandbrenging van gepaste bestrijdingsmaatregelen, en

iv) de vorming van wetenschappelijk technisch en leidinggevend personeel;

b) op internationaal niveau en, indien van toepassing, met behulp van bestaande organisaties, samen te werken bij en te bevorderen:

i) de ontwikkeling en uitwisseling van voorlichtings- en bewustmakingsmateriaal betreffende klimaatverandering en de gevolgen daarvan, en

ii) de ontwikkeling en uitvoering van voorlichtings- en vormingsprogramma's, waaronder de versterking van nationale instellingen en de uitwisseling of detachering van personeel voor de opleiding van deskundigen op dit gebied, met name voor ontwikkelingslanden.

Artikel 7

Conferentie van de partijen

1. Hierbij wordt een Conferentie van de partijen ingesteld.

2. De Conferentie van de partijen, als hoogste orgaan van dit Verdrag, toetst regelmatig de toepassing van het Verdrag en daarmee verband houdende rechtskracht hebbende akten die de Conferentie van de partijen aanneemt, en neemt, binnen haar mandaat, de besluiten die nodig zijn ter bevordering van de toepassing van het Verdrag. Daartoe:

a) bestudeert zij periodiek de verplichtingen van de partijen en de institutionele regelingen krachtens het Verdrag, in het licht van de doelstelling van het Verdrag, de opgedane ervaring bij de toepassing daarvan en de evolutie van de wetenschappelijke en technologische kennis;

b) bevordert en vergemakkelijkt zij de uitwisseling van informatie betreffende door de partijen genomen maatregelen om klimaatverandering en de gevolgen daarvan tegen te gaan, rekening houdend met de uiteenlopende omstandigheden, verantwoordelijkheden en mogelijkheden van de partijen en hun onderscheiden verplichtingen ingevolge het Verdrag;

c) vergemakkelijkt zij op verzoek van twee of meer partijen de coördinatie van door hen genomen maatregelen om klimaatverandering en de gevolgen daarvan tegen te gaan, rekening houdend met de uiteenlopende omstandigheden, verantwoordelijkheden en mogelijkheden van de partijen en hun onderscheiden verplichtingen ingevolge het Verdrag;

d) bevordert en begeleidt zij, in overeenstemming met de doelstelling en de bepalingen van het Verdrag, de ontwikkeling en periodieke verfijning van door de Conferentie van de partijen overeen te komen vergelijkbare methoden, onder andere voor het opmaken van inventarislijsten van emissies van broeikasgassen per bron en verwijderingen van broeikasgassen per put, en voor het beoordelen van de doelmatigheid van de maatregelen om de emissies van die gassen te beperken en de verwijderingen van die gassen uit te breiden;

e) beoordeelt zij, op basis van de in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag aan haar ter beschikking gestelde informatie, de toepassing van het Verdrag door de partijen, de gevolgen, in het algemeen, van de ingevolge het Verdrag genomen maatregelen, in het bijzonder gevolgen ten aanzien van het milieu en economische en sociale gevolgen, alsook het cumulatieve effect ervan en de mate waarin vooruitgang wordt geboekt in de richting van verwezenlijking van de doelstelling van het Verdrag;

f) bestudeert zij periodieke rapporten inzake de toepassing van het Verdrag, neemt zij deze aan en draagt zij zorg voor de publikatie daarvan;

g) doet zij aanbevelingen inzake aangelegenheden die noodzakelijk zijn voor de toepassing van het Verdrag;

h) tracht zij financiële middelen te werven in overeenstemming met artikel 4, leden 3, 4 en 5, en artikel 11;

i) stelt zij de hulporganen in die nodig worden geacht voor de toepassing van het Verdrag;

j) bestudeert zij de door haar hulporganen ingediende rapporten en geeft zij die organen richtsnoeren;

k) bereikt zij overeenstemming over een reglement van orde en een financieel reglement van haarzelf en van hulporganen en neemt zij deze aan door middel van consensus;

l) verzoekt zij om en, indien van toepassing, maakt zij gebruik van de diensten en de medewerking van en informatie verstrekt door bevoegde internationale, intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, en

m) oefent zij andere taken uit die nodig zijn voor de verwezenlijking van de doelstelling van het Verdrag, alsmede alle andere ingevolge het Verdrag aan haar toegewezen taken.

3. De Conferentie van de partijen neemt op haar eerste zitting haar eigen reglement van orde aan, alsmede die van de bij het Verdrag ingestelde hulporganen, welke procedures voor de besluitvorming dienen te omvatten voor aangelegenheden die niet reeds onder de in het Verdrag bepaalde procedures voor de besluitvorming vallen. Deze procedures kunnen vastgelegde stemmenmeerderheden omvatten die vereist zijn voor het nemen van bepaalde besluiten.

4. De eerste zitting van de Conferentie van de partijen wordt belegd door het in artikel 21 bedoelde tijdelijke secretariaat en vindt uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag plaats. Daarna worden jaarlijks gewone zittingen van de Conferentie van de partijen gehouden, tenzij deze anders beslist.

5. Buitengewone zittingen van de Conferentie van de partijen worden gehouden op elk ander door haar noodzakelijk geacht tijdstip, of op schriftelijk verzoek van een partij, op voorwaarde dat dit verzoek binnen zes maanden nadat het door het secretariaat aan de partijen is medegedeeld, door ten minste een derde van de partijen wordt gesteund.

6. De Verenigde Naties, haar gespecialiseerde organisaties en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, alsmede alle lid-staten daarvan of waarnemers daarbij die geen partij bij het Verdrag zijn, kunnen op zittingen van de Conferentie van de partijen worden vertegenwoordigd als waarnemer. Elke instelling of organisatie, hetzij nationaal of internationaal, hetzij gouvernementeel of niet-gouvernementeel, die bevoegd is ter zake van aangelegenheden waarop dit Verdrag betrekking heeft, en die aan het secretariaat haar wens te kennen heeft gegeven op een zitting van de Conferentie van de partijen te zijn vertegenwoordigd als waarnemer, kan als zodanig worden toegelaten, tenzij ten minste een derde van de partijen hiertegen bezwaar maakt. De toelating en de deelneming van waarnemers wordt geregeld in het door de Conferentie van de partijen aangenomen reglement van orde.

Artikel 8

Secretariaat

1. Hierbij wordt een secretariaat ingesteld.

2. Het secretariaat heeft tot taak:

a) de zittingen van de Conferentie van de partijen en haar krachtens het Verdrag ingestelde hulporganen te organiseren en hun de vereiste diensten te verlenen;

b) ingediende rapporten te verzamelen en door te zenden;

c) de partijen, met name partijen die ontwikkelingslanden zijn, op verzoek bij te staan bij het verzamelen en toezenden van de in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag vereiste informatie;

d) rapporten over zijn werkzaamheden op te stellen en deze voor te leggen aan de Conferentie van de partijen;

e) zorg te dragen voor de noodzakelijke coördinatie met de secretariaten van andere daarvoor in aanmerking komende internationale instellingen;

f) onder de algemene leiding van de Conferentie van de partijen administratieve en contractuele regelingen aan te gaan die nodig zijn voor een doelmatige taakverrichting, en

g) de andere in het Verdrag en alle protocollen daarbij omschreven secretariaatswerkzaamheden en andere door de Conferentie van de partijen te bepalen taken te verrichten.

3. De Conferentie van de partijen stelt op haar eerste zitting een permanent secretariaat aan en treft regelingen voor het functioneren daarvan.

Artikel 9

Hulporgaan voor wetenschappelijk en technologisch advies

1. Hierbij wordt een hulporgaan voor wetenschappelijk en technologisch advies ingesteld dat de Conferentie van de partijen en, indien van toepassing, haar andere hulporganen ter zake dienende informatie en advies dient te verstrekken omtrent wetenschappelijke en technologische aangelegenheden die verband houden met het Verdrag. Dit orgaan staat open voor deelneming door alle partijen en is multidisciplinair. Het dient te zijn samengesteld uit regeringsvertegenwoordigers die bevoegd zijn op het desbetreffende vakgebied. Het dient regelmatig verslag uit te brengen aan de Conferentie van de partijen over alle aspecten van zijn werk.

2. Aan de hand van richtlijnen van de Conferentie van de partijen en met steun van bestaande bevoegde internationale instellingen dient dit orgaan:

a) de stand van zaken te verschaffen betreffende wetenschappelijke kennis met betrekking tot klimaatverandering en de gevolgen daarvan;

b) een beoordeling opmaken van de wetenschappelijke stand van zaken betreffende de gevolgen van de ter toepassing van het Verdrag genomen maatregelen;

c) innoverende, efficiënte en geavanceerde technologieën en know-how te inventariseren en advies uit te brengen over manieren en middelen om ontwikkeling van die technologieën te bevorderen en/of deze over te dragen;

d) advies te geven omtrent wetenschappelijke programma's, internationale samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot klimaatverandering, alsmede omtrent manieren en middelen om het vergroten van de eigen capaciteiten in ontwikkelingslanden te steunen, en

e) te antwoorden op vragen van wetenschappelijke, technologische en methodologische aard, gesteld door de Conferentie van de partijen en haar hulporganen.

3. De taken en bevoegdheden van het orgaan kunnen door de Conferentie van de partijen verder worden uitgewerkt.

Artikel 10

Hulporgaan inzake de uitvoering

1. Hierbij wordt een hulporgaan inzake de uitvoering ingesteld, dat de Conferentie van de partijen dient bij te staan in de beoordeling en toetsing van de uitvoering van het Verdrag. Dit orgaan staat open voor deelneming door alle partijen en dient te zijn samengesteld uit regeringsvertegenwoordigers die deskundig zijn inzake aangelegenheden die verband houden met klimaatverandering. Het dient regelmatig verslag uit te brengen aan de Conferentie van de partijen over alle aspecten van zijn werk.

2. Aan de hand van richtlijnen van de Conferentie van de partijen dient dit orgaan:

a) de in overeenstemming met artikel 12, lid 1, medegedeelde informatie te bestuderen, ten einde de totale gezamenlijke gevolgen van de door de partijen ondernomen stappen te beoordelen in het licht van de laatste wetenschappelijke beoordelingen met betrekking tot klimaatverandering;

b) de in overeenstemming met artikel 12, lid 2, medegedeelde informatie te bestuderen, ten einde de Conferentie van de partijen te helpen de in artikel 4, lid 2, onder d), voorgeschreven toetsing te verrichten, en

c) de Conferentie van de partijen, indien van toepassing, bij te staan bij de voorbereiding en uitvoering van haar beslissingen.

Artikel 11

Financieel mechanisme

1. Hierbij wordt een mechanisme ingesteld voor de verstrekking van financiële middelen in de vorm van giften of onder gunstige voorwaarden, waaronder die voor de overdracht van technologie. Het functioneert aan de hand van richtlijnen van en is verantwoording verschuldigd aan de Conferentie van de partijen, die beslist over de beleidslijnen, de prioriteiten van het programma en de toekenningscriteria verband houdende met het Verdrag. De werking ervan wordt toevertrouwd aan een of meer bestaande internationale instellingen.

2. Het financiële mechanisme kent een rechtvaardige en evenwichtige vertegenwoordiging van alle partijen binnen een doorzichtig systeem van beheer.

3. De Conferentie van de partijen en de met de werking van het financiële mechanisme belaste instelling(en) komen regelingen overeen ter uitvoering van de bovenstaande leden, die dienen te omvatten:

a) voorschriften die moeten waarborgen dat de gefinancierde projecten ter zake van klimaatverandering in overeenstemming zijn met de door de Conferentie van de partijen vastgestelde beleidslijnen, prioriteiten van het programma en toekenningscriteria;

b) voorschriften aan de hand waarvan een bepaald besluit inzake financiering kan worden heroverwogen in het licht van deze beleidslijnen, prioriteiten van het programma en toekenningscriteria;

c) het uitbrengen van regelmatige verslagen door de instelling(en) aan de Conferentie van de partijen over haar financieringswerkzaamheden, zulks overeenkomstig de verschuldigde verantwoording als bedoeld in lid 1, en

d) de vaststelling, op een voorspelbare en traceerbare wijze, van het bedrag van de financiële middelen die benodigd en beschikbaar zijn voor de toepassing van dit Verdrag en de wijze waarop dit bedrag periodiek zal worden herzien.

4. De Conferentie van de partijen treft op haar eerste zitting regelingen ter uitvoering van de bovenstaande bepalingen, daarbij de in artikel 21, lid 3, bedoelde voorlopige regelingen toetsend en in haar beschouwing betrekkend, en besluit of deze voorlopige regelingen worden gehandhaafd. Binnen vier jaar daarna beoordeelt de Conferentie van de partijen het financiële mechanisme en neemt zij passende maatregelen.

5. Door de partijen die ontwikkelde landen zijn en aan partijen die ontwikkelingslanden zijn, kunnen ook met de toepassing van het Verdrag verband houdende middelen ter beschikking worden gesteld langs bilaterale, regionale en andere multilaterale kanalen.

Artikel 12

Mededeling van informatie betreffende de uitvoering

1. In overeenstemming met artikel 4, lid 1, deelt elke partij via het secretariaat aan de Conferentie van de partijen de volgende informatie mede:

a) een nationale inventarislijst van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van alle broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal, voor zover zulks in haar vermogen ligt, met gebruikmaking van vergelijkbare methoden, overeen te komen door de Conferentie van de partijen, die de toepassing ervan bevordert;

b) een algemene beschrijving van door haar ondernomen of voorgenomen stappen ter toepassing van het Verdrag, en

c) alle andere informatie die zij relevant acht voor de verwezenlijking van de doelstelling van het Verdrag en geschikt acht voor opneming in haar mededeling, waaronder, indien mogelijk, materiaal dat relevant is voor de bepaling van tendensen op het gebied van emissies over de gehele wereld.

2. Elke partij die een ontwikkeld land is en elke andere in bijlage I opgenomen partij verwerkt in haar mededeling de volgende informatie:

a) een gedetailleerde beschrijving van de beleidslijnen en maatregelen die zij heeft aangenomen ter nakoming van haar verplichting ingevolge artikel 4, lid 2, onder a) en b), en

b) een nauwkeurige schatting van de gevolgen die de onder a) bedoelde beleidslijnen en maatregelen zullen hebben voor antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen gedurende het in artikel 4, lid 2, onder a), genoemde tijdvak.

3. Daarnaast geeft elke partij die een ontwikkeld land is en elke andere in bijlage II opgenomen partij details betreffende overeenkomstig artikel 4, leden 3, 4 en 5, genomen maatregelen.

4. Het staat partijen die ontwikkelingslanden zijn, vrij projecten voor financiering voor te stellen, onder vermelding van technologieën, materialen, uitrusting, technieken of praktijken die nodig zijn voor de uitvoering van die projecten, te zamen met, indien mogelijk, een schatting van alle meerkosten, van de vermindering van emissies en de toeneming van verwijderingen van broeikasgassen, alsmede een schatting van de daaruit voortvloeiende voordelen.

5. Elke partij die een ontwikkeld land is en elke andere in bijlage I opgenomen partij doet haar eerste mededeling binnen zes maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag ten aanzien van die partij. Elke niet in bijlage I opgenomen partij doet haar eerste mededeling binnen drie jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag ten aanzien van die partij of na het beschikbaar worden van de financiële middelen in overeenstemming met artikel 4, lid 3. Partijen die minst ontwikkelde landen zijn, kunnen hun eerste mededeling naar eigen goeddunken doen. De regelmaat van latere mededelingen van alle partijen wordt vastgesteld door de Conferentie van de partijen, rekening houdend met de verschillende termijnen als gesteld in dit lid.

6. Ingevolge dit artikel door partijen medegedeelde informatie wordt door het secretariaat zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de Conferentie van de partijen en de betrokken hulporganen. Indien nodig kunnen de procedures voor de mededeling van informatie nader worden bestudeerd door de Conferentie van de partijen.

7. Vanaf haar eerste zitting regelt de Conferentie van de partijen de verstrekking van technische en financiële steun aan de partijen die ontwikkelingslanden zijn, op hun verzoek, door informatie uit hoofde van dit artikel te verzamelen en door te zenden, alsmede door de technische en financiële middelen te inventariseren die benodigd zijn voor de uitvoering van de voorgenomen projecten en het optreden ingevolge artikel 4. Deze steun kan worden verleend door andere partijen, bevoegde internationale organisaties en het secretariaat, naar gelang van het geval.

8. Een groep partijen kan, met inachtneming van de door de Conferentie van de partijen aangenomen richtlijnen en na voorafgaande kennisgeving aan de Conferentie van de partijen, een gezamenlijke mededeling doen ter nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van dit artikel, mits die mededeling informatie omvat omtrent de wijze waarop elk van die partijen haar afzonderlijke verplichtingen ingevolge het Verdrag nakomt.

9. Door het secretariaat ontvangen informatie die door een partij als vertrouwelijk is gekwalificeerd, in overeenstemming met door de Conferentie van de partijen vast te stellen criteria, wordt door het secretariaat op zodanige wijze verzameld, dat het vertrouwelijke karakter daarvan behouden blijft, alvorens deze informatie wordt doorgezonden naar de organen die bevoegd zijn deze te ontvangen en te bestuderen.

10. Behoudens lid 9 en onverminderd de mogelijkheid van een partij haar mededeling te allen tijde openbaar te maken, maakt het secretariaat mededelingen van partijen uit hoofde van dit artikel openbaar op het tijdstip waarop deze worden voorgelegd aan de Conferentie van de partijen.

Artikel 13

Oplossing van vraagstukken betreffende de uitvoering

De Conferentie van de partijen bestudeert op haar eerste zitting de instelling van een multilateraal consultatief overleg, dat partijen op hun verzoek ter beschikking staat, voor het oplossen van vraagstukken betreffende de toepassing van het Verdrag.

Artikel 14

Regeling van geschillen

1. Ingeval tussen twee of meer partijen een geschil ontstaat betreffende de uitlegging of toepassing van het Verdrag, trachten de partijen het geschil te regelen door middel van onderhandelingen of op enige andere vreedzame wijze van hun keuze.

2. Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van het Verdrag, of de toetreding hiertoe, dan wel op enig tijdstip daarna, kan een partij die niet een regionale organisatie voor economische integratie is, in een schriftelijke akte ingediend bij de depositaris, verklaren dat zij ten aanzien van een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van het Verdrag van rechtswege en zonder speciale overeenkomst als dwingend erkent ten opzichte van elke partij die ditzelfde aanvaardt:

a) voorlegging van het geschil aan het Internationale Gerechtshof, en/of

b) arbitrage overeenkomstig een zo spoedig mogelijk door de Conferentie van de partijen in een bijlage inzake arbitrage vast te leggen procedure.

Een partij die een regionale organisatie voor economische integratie is, kan een verklaring van soortgelijke strekking afleggen ten aanzien van arbitrage overeenkomstig de onder b) bedoelde procedure.

3. Een verklaring ingevolge lid 2 blijft van kracht totdat zij vervalt overeenkomstig haar eigen bepalingen of tot drie maanden na de datum waarop een schriftelijke kennisgeving bij de depositaris is nedergelegd waarbij zij wordt herroepen.

4. De nederlegging van een nieuwe verklaring, een kennisgeving van herroeping of het vervallen van een verklaring heeft geen enkel gevolg voor een procedure die aanhangig is bij het Internationale Gerechtshof of het scheidsgerecht, tenzij de partijen bij het geschil dit anders overeenkomen.

5. Indien, behoudens lid 2, na het verstrijken van twaalf maanden vanaf de datum waarop een partij een andere partij te kennen heeft gegeven dat tussen hen een geschil bestaat, de betrokken partijen er niet in zijn geslaagd hun geschil te regelen op een van de in lid 1 genoemde wijzen, wordt het geschil op verzoek van een der partijen bij het geschil onderworpen aan conciliatie.

6. Op verzoek van een der partijen bij het geschil wordt een conciliatiecommissie gevormd. De commissie bestaat uit een gelijk aantal leden, benoemd door elke partij bij het geschil, en een voorzitter, gezamenlijk gekozen door de door elke partij benoemde leden. De commissie doet een aanbeveling, die de partijen te goeder trouw in overweging nemen.

7. De Conferentie van de partijen neemt zo spoedig mogelijk aanvullende procedures betreffende conciliatie aan in een bijlage inzake conciliatie.

8. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op elke juridische met het Verdrag verband houdende akte die de Conferentie van de partijen aanneemt, tenzij dit in die akte anders is bepaald.

Artikel 15

Wijzigingen van het Verdrag

1. Elke partij kan wijzigingen van het Verdrag voorstellen.

2. Wijzigingen van het Verdrag worden aangenomen op een gewone zitting van de Conferentie van de partijen. De tekst van een voorgestelde wijziging van het Verdrag wordt door het secretariaat aan de partijen medegedeeld, zulks ten minste zes maanden vóór de bijeenkomst waarop zij tot aanneming wordt voorgesteld. Het secretariaat deelt voorgestelde wijzigingen ook mede aan ondertekenaars van het Verdrag en, ter kennisneming, aan de depositaris.

3. De partijen stellen alles in het werk om over elke voorgestelde wijziging van het Verdrag overeenstemming te bereiken door middel van consensus. Indien alle pogingen om tot consensus te komen mislukken en er geen overeenstemming wordt bereikt, wordt de wijziging in laatste instantie aangenomen met een meerderheid van drie vierde van de aanwezige partijen die hun stem uitbrengen. De aangenomen wijziging wordt door het secretariaat medegedeeld aan de depositaris, die deze ter aanvaarding toezendt aan alle partijen.

4. Akten van aanvaarding betreffende een wijziging worden nedergelegd bij de depositaris. Een in overeenstemming met lid 3 aangenomen wijziging treedt voor de partijen die deze hebben aanvaard in werking op de negentigste dag na de datum van ontvangst door de depositaris van een akte van aanvaarding van ten minste drie vierde van de partijen bij het Verdrag.

5. Een wijziging treedt ten aanzien van elke andere partij in werking op de negentigste dag na de datum waarop die partij haar akte van aanvaarding betreffende bedoelde wijziging heeft nedergelegd bij de depositaris.

6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "aanwezige partijen die hun stem uitbrengen" verstaan partijen die aanwezig zijn en voor- of tegenstemmen.

Artikel 16

Aanneming en wijziging van bijlagen bij het Verdrag

1. Bijlagen bij het Verdrag maken daarvan een integrerend deel uit en een verwijzing naar het Verdrag vormt tegelijkertijd een verwijzing naar de bijlagen daarbij, tenzij dit uitdrukkelijk anders is bepaald. Onverminderd de bepalingen van artikel 14, lid 2, onder b), en lid 7, zijn die bijlagen beperkt tot lijsten, formulieren en andere beschrijvende stukken van wetenschappelijke, technische, procedurele of administratieve aard.

2. Bijlagen bij het Verdrag worden voorgesteld en aangenomen in overeenstemming met de in artikel 15, leden 2, 3 en 4, uiteengezette procedure.

3. Een in overeenstemming met lid 2 aangenomen bijlage treedt voor alle partijen bij het Verdrag in werking zes maanden na de datum waarop de depositaris hun de aanneming van de bijlage heeft medegedeeld, behalve voor de partijen die de depositaris binnen die termijn schriftelijk te kennen hebben gegeven die bijlage niet te aanvaarden. Voor partijen die hun kennisgeving van niet-aanvaarding herroepen, treedt de bijlage in werking op de negentigste dag na de datum waarop de depositaris een kennisgeving van herroeping heeft ontvangen.

4. Voor het voorstellen, het aannemen en het van kracht worden van wijzigingen van bijlagen bij het Verdrag geldt dezelfde procedure als voor het voorstellen, het aannemen en het in werking treden van bijlagen bij het Verdrag in overeenstemming met de leden 2 en 3.

5. Indien de aanneming van een bijlage of een wijziging van een bijlage een wijziging op het Verdrag inhoudt, treedt die bijlage eerst in werking of wordt die wijziging van een bijlage eerst van kracht wanneer de wijziging van het Verdrag van kracht wordt.

Artikel 17

Protocollen

1. De Conferentie van de partijen kan protocollen bij het Verdrag aannemen op een gewone zitting.

2. De tekst van een voorgesteld protocol wordt door het secretariaat medegedeeld aan de partijen, zulks ten minste zes maanden vóór bedoelde zitting.

3. De voorwaarden voor de inwerkingtreding van een protocol worden in het desbetreffende protocol vastgelegd.

4. Alleen partijen bij het Verdrag kunnen partij bij een protocol zijn.

5. Beslissingen ingevolge een protocol worden slechts genomen door partijen bij het desbetreffende protocol.

Artikel 18

Stemrecht

1. Elke partij bij het Verdrag heeft één stem, behoudens het bepaalde in lid 2.

2. Regionale organisaties voor economische integratie beschikken ter zake van binnen hun bevoegdheid vallende aangelegenheden over een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal van hun lid-staten die partij bij het Verdrag zijn. Bedoelde organisaties oefenen hun stemrecht niet uit indien een van hun lid-staten zijn stemrecht uitoefent, en omgekeerd.

Artikel 19

Depositaris

De Secretaris-generaal van de Verenigde Naties is depositaris van het Verdrag en de in overeenstemming met artikel 17 aangenomen protocollen.

Artikel 20

Ondertekening

Dit Verdrag staat open voor ondertekening door staten die lid zijn van de Verenigde Naties of van een van haar gespecialiseerde organisaties of die partij zijn bij het Statuut van het Internationaal Gerechtshof, alsmede door regionale organisaties voor economische integratie, te Rio de Janeiro gedurende de Conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling, en daarna op de zetel van de Verenigde Naties te New York van 20 juni 1992 tot en met 19 juni 1993.

Artikel 21

Voorlopige regelingen

1. De in artikel 8 bedoelde secretariaatswerkzaamheden worden tijdelijk verricht, tot het einde van de eerste zitting van de Conferentie van de partijen, door het secretariaat dat is ingesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bij resolutie 45/212 van 21 december 1990.

2. Het hoofd van het in lid 1 bedoelde secretariaat zal nauw samenwerken met de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, opdat de groep kan voorzien in de behoefte aan objectief wetenschappelijk en technisch advies. Andere daarvoor in aanmerking komende wetenschappelijke instellingen kunnen ook worden geraadpleegd.

3. De Global Environment Facility van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en de Internationale Bank voor herstel en ontwikkeling vormen de internationale instelling die tijdelijk belast is met de werking van het financiële mechanisme bedoeld in artikel 11. In dit verband dient de Global Environment Facility op passende wijze te worden geherstructureerd en dient de samenstelling van de leden universeel te worden, opdat kan worden voldaan aan de vereisten van artikel 11.

Artikel 22

Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding

1. Dit Verdrag behoeft de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door Staten en regionale organisaties voor economische integratie. Het staat open voor toetreding vanaf de dag na de datum waarop het is gesloten voor ondertekening. Akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding worden nedergelegd bij de depositaris.

2. Een regionale organisatie voor economische integratie die partij wordt bij het Verdrag zonder dat een van haar lid-staten partij is, is gebonden aan alle verplichtingen ingevolge het Verdrag. Wanneer een of meer lid-staten van een dergelijke organisatie partij zijn bij het Verdrag, komen de organisatie en haar lid-staten hun onderscheiden verantwoordelijkheden overeen met betrekking tot de nakoming van hun verplichtingen ingevolge het Verdrag. In dergelijke gevallen zijn de organisatie en haar lid-staten niet gerechtigd de uit het Verdrag voortvloeiende rechten gelijktijdig uit te oefenen.

3. In hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geven regionale organisaties voor economische integratie de omvang van hun bevoegdheid ter zake van door het Verdrag geregelde aangelegenheden aan. Deze organisaties doen tevens kennisgeving aan de depositaris, die op zijn beurt de partijen in kennis stelt van belangrijke wijzigingen betreffende de omvang van hun bevoegdheid.

Artikel 23

Inwerkingtreding

1. Het Verdrag treedt in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de vijftigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

2. Voor elke staat of regionale organisatie voor economische integratie die het Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt, dan wel hiertoe toetreedt, na de nederlegging van de vijftigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door die staat of regionale organisatie voor economische integratie.

3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt een door een regionale organisatie voor economische integratie nedergelegde akte niet meegeteld naast de door haar lid-staten nedergelegde akten.

Artikel 24

Voorbehouden

Bij dit Verdrag kan geen enkel voorbehoud worden gemaakt.

Artikel 25

Opzegging

1. Na het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop het Verdrag voor een partij in werking is getreden, kan die partij het Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris.

2. De opzegging wordt van kracht na het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen vanaf de datum waarop de depositaris de kennisgeving van opzegging heeft ontvangen, of op enige latere in bedoelde kennisgeving vermelde datum.

3. Een partij die het Verdrag heeft opgezegd, wordt geacht ook elk protocol waarbij zij partij is te hebben opgezegd.

Artikel 26

Authentieke teksten

Het oorspronkelijke exemplaar van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Franse, de Engelse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te New York op negen mei negentienhonderd tweeënnegentig.

(1) De titels van de artikelen zijn slechts opgenomen voor het gemak van de lezer.

(2) Met inbegrip van beleid en maatregelen aangenomen door regionale organisaties voor economische integratie.

BIJLAGE I

Australië

België

Bulgarije (1a)

Canada

Denemarken

Duitsland

Estland (2a)

Europese Gemeenschap

Finland

Frankrijk

Griekenland

Hongarije

Ierland

Italië

Japan

Letland (3a)

Litouwen (4a)

Luxemburg

Nederland

Nieuw-Zeeland

Noorwegen

Oekraïne (5a)

Oostenrijk

Polen (6a)

Portugal

Roemenië (7a)

Russische Federatie (8a)

Spanje

Tsjechoslowakije (9a)

Turkije

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Verenigde Staten van Amerika

Wit-Rusland (10a)

IJsland

Zweden

Zwitserland

BIJLAGE II

Australië

België

Canada

Denemarken

Duitsland

Europese Gemeenschap

Finland

Frankrijk

Griekenland

Ierland

IJsland

Italië

Japan

Luxemburg

Nederland

Nieuw-Zeeland

Noorwegen

Oostenrijk

Portugal

Spanje

Turkije

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Verenigde Staten van Amerika

Zweden

Zwitserland

(1a) Landen die een overgang naar een markteconomie doormaken.

BIJLAGE B

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 22, LID 3, VAN HET RAAMVERDRAG VAN DE VERENIGDE NATIES INZAKE KLIMAATVERANDERING

Overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van Europese Gemeenschap is de Gemeenschap te zamen met de Lid-Staten bevoegd om maatregelen te treffen ter bescherming van het milieu.

Met betrekking tot de aangelegenheden die onder het Verdrag vallen, heeft de Gemeenschap zowel als onderdeel van haar milieubeleid als in het kader van haar beleid in andere sectoren een aantal wetgevende instrumenten aangenomen, waarvan de meest relevante hierna worden genoemd:

- Verordening (EEG) nr. 2008/90 van de Raad van 29 juni 1990 inzake de bevordering van de technologische ontwikkeling op energiegebied in Europa (Thermie-programma) (PB nr. L 185 van 17. 7. 1990)

- Beschikking 89/364/EEG van de Raad van 5 juni 1989 betreffende een communautair actieprogramma ten behoeve van een efficiënter elektriciteitsgebruik (PB nr. L 157 van 9. 6. 1991)

- Beschikking 91/565/EEG van de Raad van 29 oktober 1991 betreffende de bevordering van energie-efficiëntie in de Gemeenschap (Save-programma) (PB nr. L 307 van 8. 11. 1991)

- Verordening (EEG) nr. 1937/92 van de Raad van 21 mei 1992 inzake de oprichting van een financieel instrument voor het milieu (Life) (PB nr. L 206 van 22. 7. 1992)

- Beschikking 89/625/EEG van de Raad van 20 november 1989 tot vaststelling van:

- een Europees programma voor klimatologie en natuurrampengevaar (Epoch)

- een Europees programma voor wetenschap en technologie ten behoeve van de milieubescherming (Step) (PB nr. L 359 van 8. 12. 1989)

- Beschikking 91/354/EEG van de Raad van 7 juni 1991 tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van het milieu (1990-1994) (PB nr. L 192 van 16. 7. 1991)

- Richtlijn 92/6/EEG van de Raad van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (PB nr. L 57 van 2. 3. 1992)

- Verordening (EEG) nr. 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw (PB nr. L 215 van 30. 7. 1992)

- Beschikking 93/389/EEG van de Raad van 24 juni 1993 inzake een bewakingssysteem voor de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen in de Gemeenschap (PB nr. L 167 van 9. 7. 1993).

BIJLAGE C

VERKLARING OVER DE UITVOERING DOOR DE EUROPESE GEMEENSCHAP VAN HET RAAMVERDRAG VAN DE VERENIGDE NATIES INZAKE KLIMAATVERANDERING

De Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten verklaren dat de in artikel 4, lid 2, van het Raamverdrag neergelegde verbintenis om de antropogene CO2-emissies te beperken, door de Gemeenschap als geheel zal worden nagekomen via maatregelen die de Gemeenschap en haar Lid-Staten binnen hun respectieve bevoegdheden treffen.

In dit perspectief bevestigen de Gemeenschap en haar Lid-Staten de doelstellingen die zijn verwoord in de conclusies van de Raad van 29 oktober 1990, en in het bijzonder de doelstelling om de CO2-emissies tegen het jaar 2000 in de Gemeenschap in haar geheel te stabiliseren op het niveau van 1990.

De Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten zijn doende een coherente strategie uit te werken om dit doel te bereiken.

Top