EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 21988A1031(01)

Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag

OJ L 297, 31.10.1988, p. 10–20 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 11 Volume 014 P. 148 - 158
Special edition in Swedish: Chapter 11 Volume 014 P. 148 - 158
Special edition in Czech: Chapter 11 Volume 016 P. 208 - 218
Special edition in Estonian: Chapter 11 Volume 016 P. 208 - 218
Special edition in Latvian: Chapter 11 Volume 016 P. 208 - 218
Special edition in Lithuanian: Chapter 11 Volume 016 P. 208 - 218
Special edition in Hungarian Chapter 11 Volume 016 P. 208 - 218
Special edition in Maltese: Chapter 11 Volume 016 P. 208 - 218
Special edition in Polish: Chapter 11 Volume 016 P. 208 - 218
Special edition in Slovak: Chapter 11 Volume 016 P. 208 - 218
Special edition in Slovene: Chapter 11 Volume 016 P. 208 - 218
Special edition in Bulgarian: Chapter 11 Volume 005 P. 88 - 98
Special edition in Romanian: Chapter 11 Volume 005 P. 88 - 98
Special edition in Croatian: Chapter 11 Volume 037 P. 5 - 15

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/convention/1988/540/oj

21988A1031(01)

Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag

Publicatieblad Nr. L 297 van 31/10/1988 blz. 0010 - 0020
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 11 Deel 14 blz. 0148
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 11 Deel 14 blz. 0148


BIJLAGE I

VERDRAG VAN WENEN TER BESCHERMING VAN DE OZONLAAG

PREAMBULE

DE PARTIJEN BIJ DIT VERDRAG,

ZICH BEWUST van de schadelijke invloed die elke verandering van de ozonlaag zou kunnen hebben op de gezondheid van de mens en op het milieu,

GELET op de desbetreffende bepalingen in de Verklaring van de Conferentie van de Verenigde Naties met betrekking tot het leefmilieu van de mens, en in het bijzonder op Beginsel 21, waarin wordt bepaald dat "de Staten, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van het internationale recht, het soevereine recht hebben hun eigen hulpbronnen te exploiteren volgens hun eigen milieubeleid, alsmede ervoor verantwoordelijk zijn dat activiteiten, verricht onder hun rechtsmacht of toezicht, geen schade veroorzaken aan het milieu van andere Staten of van gebieden die buiten de grenzen van de nationale rechtsmacht vallen'',

REKENING HOUDEND met de omstandigheden en de bijzondere behoeften van de ontwikkelingslanden,

GEZIEN de werkzaamheden en studies die thans worden verricht door zowel internationale als nationale organisaties en, in het bijzonder, gezien het wereldactieplan betreffende de ozonlaag in het kader van het milieuprogramma van de Verenigde Naties,

VOORTS GEZIEN de voorzorgsmaatregelen die reeds op nationaal en internationaal niveau zijn getroffen ter bescherming van de ozonlaag,

ZICH ERVAN BEWUST zijnde dat maatregelen ter bescherming van de ozonlaag tegen veranderingen die te wijten zijn aan activiteiten van de mens, internationale samenwerking en actie vereisen en behoren te worden gebaseerd op ter zake doende wetenschappelijke en technische overwegingen,

ZICH VOORTS BEWUST zijnde van de noodzaak van voortgezet wetenschappelijk onderzoek en van systematische waarnemingen ter vergroting van de wetenschappelijke kennis van de ozonlaag en van mogelijke schadelijke gevolgen die uit de verandering van de ozonlaag voortvloeien,

VASTBESLOTEN de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke gevolgen die uit de veranderingen van de ozonlaag voortvloeien,

HEBBEN ALS VOLGT BESLOTEN:

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

1. "de ozonlaag'': de laag ozon in de atmosfeer boven de planetaire grenslaag;

2. "schadelijke gevolgen'': de veranderingen in het fysische milieu of de biota, met inbegrip van klimatologische veranderingen, die in belangrijke mate schadelijke invloed uitoefenen op de gezondheid van de mens of op de samenstelling, het weerstandsvermogen en de produktiviteit van natuurlijke en beheerde ecosystemen, of op materialen die voor de mensheid van nut zijn;

3. "alternatieve technologieën of apparaten'': technologieën of apparaten door het gebruik waarvan het mogelijk wordt de uitworp van stoffen die schadelijke gevolgen hebben of vermoedelijk hebben voor de ozonlaag, te verminderen of doeltreffend te beëindigen;

4. "alternatieve stoffen'': stoffen die de schadelijke gevolgen voor de ozonlaag verminderen, tenietdoen of voorkomen;

5. "partijen'': partijen bij dit Verdrag, tenzij uit de tekst anderszins blijkt;

6. "organisatie voor regionale economische integratie'': een door soevereine Staten in een bepaald gebied opgerichte organisatie die bevoegdheden bezit met betrekking tot zaken die in dit Verdrag of in de protocollen daarbij worden geregeld, en waaraan naar behoren volmacht is verleend, in overeenstemming met haar interne procedures, tot ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Verdrag of de protocollen daarbij of tot toetreding daartoe;

7. "protocollen'': protocollen bij dit Verdrag.

Artikel 2

Algemene verplichtingen

1. De partijen treffen, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en van de van kracht zijnde protocollen waarbij zij partij zijn, passende maatregelen ter bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu tegen de schadelijke gevolgen, voortvloeiend of vermoedelijk voortvloeiend uit menselijke activiteiten die veranderingen veroorzaken of vermoedelijk veroorzaken in de ozonlaag.

2. Daartoe zullen de partijen, in overeenstemming met de hun ten dienste staande middelen en naar vermogen:

a) samenwerken bij de uitvoering van systematische waarnemingen en wetenschappelijk onderzoek en door middel van de uitwisseling van informatie ten einde tot een beter begrip en een betere beoordeling te komen van de invloed die de menselijke activiteiten op de ozonlaag hebben, alsmede van de invloed die de veranderingen in de ozonlaag op de gezondheid van de mens en op het milieu uitoefenen;

b) passende wettelijke of administratieve maatregelen treffen en samenwerken bij het harmoniseren van geschikte beleidsplannen, gericht op het controleren, beperken, verminderen of voorkomen van menselijke activiteiten, verricht onder hun rechtsmacht of toezicht, indien wordt vastgesteld dat deze activiteiten schadelijke gevolgen hebben of vermoedelijk hebben die voortvloeien uit veranderingen of vermoedelijke veranderingen in de ozonlaag;

c) samenwerken bij de formulering van overeengekomen maatregelen, procedures en normen voor de uitvoering van dit Verdrag met het oog op de aanvaarding van protocollen en bijlagen;

d) samenwerken met de bevoegde internationale organen ten behoeve van de doeltreffende uitvoering van dit Verdrag en de protocollen waarbij zij partij zijn.

3. De bepalingen van dit Verdrag tasten in geen enkel opzicht het recht van de partijen aan, in overeenstemming met het internationale recht, binnenlandse maatregelen te treffen als aanvulling op de in het eerste en tweede lid hierboven bedoelde, en zij zijn evenmin van invloed op de reeds door een partij getroffen aanvullende maatregelen, mits deze niet onverenigbaar zijn met hun uit dit Verdrag voortvloeiende verplichtingen.

4. De toepassing van dit artikel wordt gebaseerd op ter zake dienende wetenschappelijke en technische overwegingen.

Artikel 3

Wetenschappelijk onderzoek en systematische

waarnemingen

1. De partijen verplichten zich ertoe, al naar gelang zulks van toepassing is, rechtstreeks of via bevoegde internationale organen het initiatief te nemen tot en mede te werken aan de uitvoering van wetenschappelijke onderzoekingen en wetenschappelijke evaluaties betreffende:

a) de fysische en chemische processen die van invloed zijn op de ozonlaag;

b) de gevolgen voor de gezondheid van de mens en andere biologische gevolgen van een verandering in de ozonlaag,

in het bijzonder die welke voortvloeien uit veranderingen in de ultraviolette straling van de zon die biologische effecten veroorzaakt (UV-B);

c) de klimatologische gevolgen van een verandering in de ozonlaag;

d) de gevolgen die voortvloeien uit een verandering in de ozonlaag en uit een daardoor ontstane verandering in de UV-B-straling, voor de natuurlijke en synthetische materialen die voor de mensheid van nut zijn;

e) de stoffen, handelingen, processen en activiteiten die van invloed kunnen zijn op de ozonlaag, en de cumulatieve gevolgen daarvan;

f) de alternatieve stoffen en technologieën;

g) verwante sociaal-economische onderwerpen;

en zoals voorts is uitgewerkt in de bijlagen I en II.

2. De partijen verplichten zich ertoe, al naar gelang zulks van toepassing is, rechtstreeks of via de bevoegde internationale organen en daarbij volledig rekening houdend met de nationale wetgeving en de aan de gang zijnde activiteiten ter zake op zowel nationaal als internationaal niveau, gemeenschappelijke of aanvullende programma's voor de systematische waarneming van de toestand van de ozonlaag en andere ter zake dienende parameters te steunen of op te stellen, overeenkomstig het bepaalde in bijlage I.

3. De partijen verplichten zich tot samenwerking, rechtstreeks of via de bevoegde internationale organen, ten behoeve van het geregeld en tijdig verzamelen, beoordelen en verzenden van wetenschappelijke gegevens en gegevens van waarnemingen via de desbetreffende informatiecentra in de wereld.

Artikel 4

Samenwerking op juridisch, wetenschappelijk en technisch gebied

1. De partijen vergemakkelijken en bevorderen de uitwisseling van wetenschappelijke, technische, sociaal-economische, commerciële en juridische informatie met betrekking tot dit Verdrag, zoals nader is uitgewerkt in bijlage II. Deze informatie wordt verschaft aan door de partijen overeengekomen organen. Elk orgaan dat informatie ontvangt die als vertrouwelijk wordt beschouwd door de partij die deze informatie verschaft, zorgt ervoor dat de informatie niet wordt bekendgemaakt en voegt deze samen, ten einde het vertrouwelijke karakter daarvan te beschermen, alvorens de informatie aan alle partijen ter beschikking wordt gesteld.

2. De partijen werken samen, in overeenstemming met hun nationale wetgeving, voorschriften en gewoonten en daarbij in het bijzonder rekening houdend met de behoeften

van de ontwikkelingslanden, bij het bevorderen, rechtstreeks of via de bevoegde internationale organen, van de ontwikkeling en de overdracht van technologie en kennis. Deze samenwerking vindt in het bijzonder plaats door:

a) het vergemakkelijken van de verwerving van alternatieve technologieën door andere partijen;

b) het verschaffen van informatie over alternatieve technologieën en uitrusting, alsmede het verstrekken van speciale handleidingen of richtlijnen aan deze partijen;

c) het verschaffen van de noodzakelijke uitrusting en voorzieningen voor wetenschappelijk onderzoek en systematische waarnemingen;

d) passende opleiding van wetenschappelijk en technisch personeel.

Artikel 5

Verstrekking van informatie

De partijen verstrekken, via het secretariaat, aan de krachtens het bepaalde in artikel 6 in het leven geroepen Conferentie der partijen informatie over de door hen getroffen maatregelen ter uitvoering van dit Verdrag en van de protocollen waarbij zij partij zijn, in zodanige vorm en met zodanige tussenruimten als in de vergaderingen van de partijen bij de desbetreffende akten wordt vastgesteld.

Artikel 6

Conferentie der partijen

1. Een Conferentie der partijen wordt hierbij ingesteld. De eerste vergadering van de Conferentie der partijen wordt bijeengeroepen door het secretariaat dat krachtens het bepaalde in artikel 7 voorlopig is aangewezen, ten hoogste één jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag. Daarna worden de gewone vergaderingen van de Conferentie der partijen gehouden met door de Conferentie tijdens haar eerste vergadering vastgestelde geregelde tussenruimten.

2. Buitengewone vergaderingen van de Conferentie der partijen worden op zodanige andere tijdstippen gehouden als door de Conferentie noodzakelijk worden geacht, of op schriftelijk verzoek van een partij, met dien verstande dat, binnen zes maanden nadat het secretariaat daarvan kennis heeft gegeven aan de partijen, dit verzoek wordt ondersteund door ten minste een derde van de partijen.

3. Met eenparigheid van stemmen worden door de Conferentie der partijen haar eigen huishoudelijke en financiële reglement en dat van elk door haar ingestelde hulporgaan, alsmede de financiële bepalingen betreffende het functioneren van het secretariaat, vastgesteld en aanvaard.

4. De Conferentie der partijen dient de uitvoering van dit Verdrag voortdurend kritisch te beoordelen en dient voorts:

a) de vorm en de tijdstippen van de overdracht van de krachtens het bepaalde in artikel 5 over te leggen informatie vast te stellen en deze informatie, alsmede de door elk hulporgaan overgelegde rapporten, te beoordelen;

b) de wetenschappelijke informatie over de ozonlaag, betreffende de mogelijke verandering daarvan en betreffende de mogelijke gevolgen van deze veranderingen, te beoordelen;

c) overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 de harmonisering te bevorderen van passende beleidslijnen, strategieën en maatregelen, gericht op het zo ver mogelijk verminderen van de lozing van stoffen die veranderingen in de ozonlaag veroorzaken of vermoedelijk veroorzaken en aanbevelingen te doen omtrent alle andere maatregelen die betrekking hebben op dit Verdrag;

d) overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3 en 4 programma's voor wetenschappelijk onderzoek, systematische waarnemingen, wetenschappelijke en technologische samenwerking, de uitwisseling van informatie en de overdracht van technologie en kennis goed te keuren;

e) overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 9 en 10 wijzigingen van dit Verdrag en de bijlagen daarbij voor zover van toepassing in overweging te nemen en aan te nemen;

f) wijzigingen van een protocol en van de bijlagen daarbij in overweging te nemen en, indien tot goedkeuring wordt besloten, de aanneming daarvan aan de partijen bij het desbetreffende protocol aan te bevelen;

g) overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 voor zover van toepassing aanvullende bijlagen bij dit Verdrag in overweging te nemen en aan te nemen;

h) overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 voor zover van toepassing protocollen in overweging te nemen en aan te nemen;

i) de voor de uitvoering van dit Verdrag noodzakelijk geachte hulporganen op te richten;

j) waar nodig zich te verzekeren van de diensten van bevoegde internationale organen en wetenschappelijke commissies, in het bijzonder van de Wereld Meteorologische Organisatie en van de Wereldgezondheidsorganisatie, alsmede van de Coördinatiecommissie inzake de ozonlaag, bij het wetenschappelijk onderzoek, de systematische waarnemingen en andere activiteiten met betrekking tot de doeleinden van dit Verdrag, en zo nodig gebruik te maken van de informatie van deze organen en commissies;

k) elke andere maatregel die nodig mocht zijn voor het verwezenlijken van de doeleinden van dit Verdrag te overwegen en uit te voeren.

5. De Verenigde Naties, hun gespecialiseerde organisaties en de Internationale Organisatie voor atoomenergie, alsmede elke Staat die geen partij bij dit Verdrag is, kunnen door waarnemers worden vertegenwoordigd op de vergaderingen van de Conferentie der partijen. Alle organen of instellingen, hetzij nationaal of internationaal, gouvernementeel of niet gouvernementeel, welke bevoegd zijn op gebieden die betrekking hebben op de bescherming van de ozonlaag, die aan het secretariaat hebben medegedeeld dat zij door waarnemers op een vergadering van de Conferentie der partijen wensen te worden vertegenwoordigd, kunnen worden toegelaten, tenzij ten minste een derde deel van de aanwezige partijen daartegen bezwaar maakt. De toelating en deelneming van waarnemers zijn onderworpen aan het huishoudelijk reglement dat door de Conferentie der partijen is aanvaard.

Artikel 7

Secretariaat

1. Het secretariaat heeft de volgende taken:

a) het organiseren en het verlenen van diensten aan de vergaderingen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6, 8, 9 en 10;

b) het opstellen en verzenden van rapporten, gebaseerd op de ingevolge het bepaalde in de artikelen 4 en 5 ontvangen informatie, alsmede op informatie die verkregen wordt naar aanleiding van vergaderingen van de krachtens het bepaalde in artikel 6 opgerichte hulporganen;

c) het verrichten van de taken die het op grond van een protocol worden opgedragen;

d) het opstellen van rapporten over zijn werkzaamheden, verricht ten behoeve van de uitvoering van zijn taken ingevolge dit Verdrag en het overleggen daarvan aan de Conferentie der partijen;

e) het verzekeren van de noodzakelijke coördinatie met andere bevoegde internationale organen en in het bijzonder het treffen van alle administratieve en contractuele regelingen die nodig mochten zijn voor de doeltreffende uitvoering van zijn taken;

f) het verrichten van alle andere taken die door de Conferentie der partijen kunnen worden vastgesteld.

2. De taken van het secretariaat worden voorlopig verricht door het Milieuprogramma van de Verenigde Naties tot na afloop van de eerste gewone vergadering van de Conferentie der partijen die ingevolge het bepaalde in artikel 6 wordt gehouden. Tijdens de eerste gewone vergadering kiest de Conferentie der partijen het secretariaat uit de bestaande bevoegde internationale organisaties die zich bereid hebben verklaard de secretariaatszaken krachtens dit Verdrag te verrichten.

Artikel 8

Aanneming van protocollen

1. De Conferentie der partijen kan tijdens een vergadering protocollen krachtens het bepaalde in artikel 2 aanvaarden.

2. De tekst van elk voorgesteld protocol wordt ten minste zes maanden vóór deze vergadering door het secretariaat aan de partijen medegedeeld.

Artikel 9

Wijziging van het Verdrag of de protocollen

1. Elke partij kan wijzigingen in dit Verdrag of in een protocol voorstellen. In deze wijzigingen wordt onder andere naar behoren rekening gehouden met van belang zijnde wetenschappelijke en technische overwegingen.

2. Wijzigingen van dit Verdrag worden tijdens een vergadering van de Conferentie der partijen aangenomen. Wijzigingen van een protocol worden tijdens een vergadering van de partijen bij het desbetreffende protocol aangenomen. De tekst van een voorgestelde wijziging van dit Verdrag of van een protocol, tenzij anders is bepaald in dat protocol, wordt door het secretariaat ten minste zes maanden vóór de vergadering waarop de wijziging voor aanneming wordt voorgesteld, aan de partijen medegedeeld. Het secretariaat deelt eveneens de voorgestelde wijzigingen aan de ondertekenaars van dit Verdrag ter kennisneming mede.

3. De partijen doen hun uiterste best met eenparigheid van stemmen overeenstemming te bereiken over een voorgestelde wijziging van dit Verdrag. Indien alle pogingen tot eensgezindheid vruchteloos zijn gebleken en er geen overeenstemming is bereikt, wordt de wijziging in laatste instantie aangenomen met een meerderheid van driekwart van de stemmen van de partijen die op de vergadering aanwezig zijn en hun stem uitbrengen, en door de depositaris voorgelegd aan alle partijen ter bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding.

4. De in het derde lid genoemde procedure is van toepassing op wijzigingen van elk protocol, met dien verstande dat een meerderheid van twee derde van de stemmen van de partijen bij dit protocol die op de vergadering aanwezig zijn en hun stem uitbrengen, voldoende is voor de aanneming daarvan.

5. De bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding van wijzigingen wordt schriftelijk ter kennis van de depositaris gebracht. Wijzigingen die in overeenstemming met het bepaalde in het derde of het vierde lid zijn aangenomen, worden van kracht tussen de partijen die deze hebben aanvaard, op de negentigste dag na ontvangst door de depositaris van de kennisgeving van hun bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding door ten minste driekwart van de partijen bij dit Verdrag of door ten minste twee derde van de partijen bij het desbetreffende protocol, tenzij anders is overeengekomen in dat protocol. Daarna worden de wijzigingen van kracht voor alle andere partijen op de negentigste dag nadat deze partij haar akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding van de wijzigingen heeft nedergelegd.

6. Voor de uitvoering van het bepaalde in dit artikel wordt verstaan onder "partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen'': partijen die aanwezig zijn en hun stem vóór of tegen een voorstel uitbrengen.

Artikel 10

Aanneming en wijziging van bijlagen

1. De bijlagen bij dit Verdrag of bij een protocol vormen een wezenlijk bestanddeel van dit Verdrag of van dat protocol, naar gelang het geval is, en een verwijzing naar dit Verdrag of de protocollen daarvan betekent tegelijkertijd een verwijzing naar de bijlagen daarbij, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald. Deze bijlagen worden beperkt tot wetenschappelijke, technische en administratieve aangelegenheden.

2. Tenzij anders bepaald in een protocol met betrekking tot de bijlagen daarbij, is de volgende procedure van toepassing op het voorstellen, aannemen en van kracht worden van aanvullende bijlagen bij dit Verdrag of van bijlagen bij een protocol:

a) bijlagen bij dit Verdrag worden voorgesteld en aangenomen overeenkomstig de in artikel 9, leden 2 en 3, vastgestelde procedure, terwijl bijlagen bij een protocol worden voorgesteld en aangenomen overeenkomstig de in artikel 9, leden 2 en 4, vastgestelde procedure;

b) een partij die een aanvullende bijlage bij dit Verdrag of een bijlage bij een protocol waarbij zij partij is, niet kan goedkeuren, deelt dit de depositaris schriftelijk mede binnen zes maanden, te rekenen van de datum waarop de depositaris kennis heeft gegeven van de aanneming. De depositaris geeft alle partijen onverwijld kennis van de ontvangst van een zodanige mededeling. Een partij kan te allen tijde een bijlage aanvaarden waartegen zij eerder verklaard heeft bezwaar te hebben, waarna de bijlage voor deze partij van kracht wordt;

c) na afloop van een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van de verzending van de mededeling door de depositaris, wordt de bijlage van kracht voor alle partijen bij dit Verdrag of bij het desbetreffende protocol die geen mededeling overeenkomstig het bepaalde in letter b) hebben gedaan.

3. Met betrekking tot het voorstellen, aannemen en van kracht worden van wijzigingen van bijlagen bij dit Verdrag of bij een protocol geldt dezelfde procedure als voor het voorstellen, aannemen en van kracht worden van bijlagen bij dit Verdrag of bijlagen bij een protocol. In bijlagen en wijzigingen daarvan wordt zorgvuldig rekening gehouden met, onder andere, van belang zijnde wetenschappelijke en technische overwegingen.

4. Indien een aanvullende bijlage of een wijziging van een bijlage een wijziging van dit Verdrag of van een protocol tot gevolg heeft, wordt de aanvullende bijlage of de gewijzigde bijlage pas van kracht als de wijziging van dit Verdrag of het desbetreffende protocol van kracht wordt.

Artikel 11

Regeling van geschillen

1. In geval van een geschil tussen de partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag zoeken de betrokken partijen naar een oplossing door middel van onderhandelingen.

2. Indien de betrokken partijen niet tot overeenstemming kunnen komen door middel van onderhandelingen, kunnen zij gezamenlijk de goede diensten trachten te verwerven van, of verzoeken om bemiddeling door, een derde partij.

3. Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van, of toetreding tot, dit Verdrag, of op enig tijdstip daarna, kan een Staat of een organisatie voor regionale economische

integratie schriftelijk aan de depositaris mededelen dat met betrekking tot een niet overeenkomstig het bepaalde in het eerste of tweede lid opgelost geschil elk van de twee volgende wijzen voor de regeling van geschillen, of beide, als bindend word(t)(en) aanvaard:

a) arbitrage in overeenstemming met de procedures die door de Conferentie der partijen tijdens haar eerste gewone vergadering worden aangenomen;

b) voorlegging van het geschil aan het Internationale Gerechtshof.

4. Indien de partijen niet overeenkomstig het bepaalde in het derde lid dezelfde of een andere procedure hebben aanvaard, wordt het geschil ter conciliatie voorgelegd in overeenstemming met het bepaalde in het vijfde lid, tenzij de partijen anders overeenkomen.

5. Een conciliatiecommissie wordt ingesteld op verzoek van een der partijen bij het geschil. De commissie bestaat uit een gelijk aantal leden dat door elk der betrokken partijen wordt aangewezen en een voorzitter, die gezamenlijk wordt gekozen door de aldus aangewezen leden. De commissie doet een definitieve en als aanbeveling geldende uitspraak, die de partijen te goeder trouw in overweging dienen te nemen.

6. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op elk protocol, tenzij dit in het desbetreffende protocol anders is overeengekomen.

Artikel 12

Ondertekening

Dit Verdrag staat open voor ondertekening in het Bondsministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Oostenrijk te Wenen van 22 maart tot en met 21 september 1985 en op het Hoofdkantoor van de Verenigde Naties te New York van 22 september 1985 tot en met 21 maart 1986.

Artikel 13

Bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring

1. Dit Verdrag en eventuele protocollen dienen te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door Staten en door organisaties voor regionale economische integratie. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de depositaris.

2. Elke in het eerste lid bedoelde organisatie die partij bij dit Verdrag of bij een protocol wordt zonder dat een van haar Lid-Staten partij daarbij is, is gebonden door alle verplichtingen die voortvloeien uit dit Verdrag of uit een protocol, naar gelang het geval is. Indien een of meer Lid-Staten van een van deze organisaties partij zijn bij dit Verdrag of bij het

desbetreffende protocol, nemen de organisatie en haar Lid-Staten een beslissing inzake hun onderscheiden bevoegdheden betreffende de uitvoering van hun verplichtingen die voortvloeien uit dit Verdrag of uit het protocol, naar gelang het geval is. In zulke gevallen zijn de organisatie en de Lid-Staten niet bevoegd hun rechten uit hoofde van dit Verdrag of het desbetreffende protocol gelijktijdig uit te oefenen.

3. In hun akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring geven de in het eerste lid bedoelde organisaties aan, in welke mate zij bevoegd zijn met betrekking tot de aangelegenheden die door dit Verdrag of het desbetreffende protocol zijn geregeld. Deze organisaties geven de depositaris voorts kennis van elke belangrijke wijziging in de omvang van hun bevoegdheden.

Artikel 14

Toetreding

1. Dit Verdrag en elk protocol daarbij staat open voor toetreding door Staten en door organisaties voor regionale economische integratie vanaf de datum waarop dit Verdrag of het desbetreffende protocol niet meer voor ondertekening openstaat. De akten van toetreding worden bij de depositaris nedergelegd.

2. In hun akten van toetreding geven de in het eerste lid bedoelde organisaties aan, in welke mate zij bevoegd zijn met betrekking tot de aangelegenheid die door dit Verdrag of door het desbetreffende protocol zijn geregeld. Deze organisaties geven de depositaris voorts kennis van elke belangrijke wijziging in de omvang van hun bevoegdheden.

3. De bepalingen van artikel 13, lid 2, zijn van toepassing op organisaties voor regionale economische integratie die tot dit Verdrag of een protocol toetreden.

Artikel 15

Stemrecht

1. Elke partij bij dit Verdrag of bij een protocol brengt één stem uit.

2. Behoudens het bepaalde in het eerste lid brengen de organisaties voor regionale economische integratie bij de uitoefening van hun stemrecht in aangelegenheden die binnen hun bevoegdheden vallen, zoveel stemmen uit als overeenkomen met het aantal van hun Lid-Staten dat partij is bij dit Verdrag of bij het desbetreffende protocol. Deze organisaties oefenen hun stemrecht niet uit, indien hun Lid-Staten het hunne uitoefenen, en omgekeerd.

Artikel 16

Betrekking tussen dit Verdrag en de protocollen daarbij

1. Een Staat of een organisatie voor regionale economische integratie kan geen partij bij een protocol worden zonder tegelijkertijd partij bij dit Verdrag te zijn of te worden.

2. Besluiten betreffende een protocol worden uitsluitend genomen door de partijen bij het desbetreffende protocol.

Artikel 17

Inwerkingtreding

1. Dit Verdrag treedt in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de twintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

2. Een protocol, tenzij daarin anders is bepaald, treedt in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de elfde akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dat protocol of van toetreding daartoe.

3. Voor elke partij die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of daartoe toetreedt na de nederlegging van de twintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt dit Verdrag in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging door die partij van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

4. Een protocol, tenzij daarin anders bepaald, treedt in werking voor een partij die dat protocol bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of daartoe toetreedt na de inwerkingtreding daarvan ingevolge het bepaalde in het tweede lid, op de negentigste dag na de datum waarop de partij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nederlegt, of op de datum waarop dit Verdrag in werking treedt voor die partij, welke van deze beide data het laatst valt.

5. Voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt een akte die door een organisatie voor regionale economische integratie wordt nedergelegd, niet geteld bij die welke door de Lid-Staten van deze organisatie zijn nedergelegd.

Artikel 18

Voorbehoud

Er mogen geen voorbehouden worden gemaakt ten aanzien van dit Verdrag.

Artikel 19

Opzegging

1. Na afloop van een termijn van vier jaar, te rekenen vanaf de datum waarop dit Verdrag in werking is getreden voor een partij, kan deze partij op elk tijdstip dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris.

2. Tenzij in het desbetreffende protocol anders bepaald, kan een partij op elk tijdstip na afloop van een termijn van vier jaar, te rekenen vanaf de datum waarop dit protocol in werking is getreden voor die partij, dat protocol opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris.

3. De opzegging wordt van kracht één jaar na de datum van ontvangst daarvan door de depositaris, of zoveel later als wordt aangegeven in de kennisgeving van opzegging.

4. Elke partij die dit Verdrag opzegt, wordt geacht tevens de protocollen waarbij zij partij is, te hebben opgezegd.

Artikel 20

Depositaris

1. De Secretaris-generaal van de Verenigde Naties neemt de functie van depositaris van dit Verdrag en eventuele protocollen op zich.

2. De depositaris doet de partijen in het bijzonder mededeling van:

a) de ondertekening van dit Verdrag en van elk protocol, alsmede de nederlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 13 en 14;

b) de datum waarop dit Verdrag en een eventueel protocol

in werking treden overeenkomstig het bepaalde in artikel 17;

c) kennisgevingen van opzegging overeenkomstig het bepaalde in artikel 19;

d) de aanneming van wijzigingen met betrekking tot dit Verdrag en eventuele protocollen, de aanvaarding daarvan door de partijen, alsmede de datum waarop deze wijzigingen van kracht worden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 9;

e) alle mededelingen betreffende de aanneming en goedkeuring van bijlagen en betreffende de wijziging van bijlagen overeenkomstig het bepaalde in artikel 10;

f) kennisgevingen van organisaties voor regionale economische integratie inzake de omvang van hun bevoegdheden met betrekking tot aangelegenheden die door dit Verdrag en eventuele protocollen worden geregeld, alsmede eventuele wijzigingen daarvan;

g) verklaringen overeenkomstig het bepaalde in artikel 11, lid 3.

Artikel 21

Authentieke teksten

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

Gedaan te Wenen op 22 maart 1985.

Bijlage I

WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK EN SYSTEMATISCHE WAARNEMINGEN

1. De partijen bij dit Verdrag stellen vast dat de belangrijkste wetenschappelijke vraagstukken zijn:

a) de verandering van de ozonlaag die zou kunnen leiden tot wijziging van de hoeveelheid ultraviolette zonnestraling met biologische effecten (UV-B) die het aardoppervlak bereikt, alsmede de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens, voor organismen, ecosystemen en voor materialen die voor de mensheid van nut zijn;

b) de verandering van de verticale verdeling van ozon, waardoor de temperatuurstructuur van de atmosfeer zou kunnen worden gewijzigd, alsmede de mogelijke gevolgen daarvan voor het weer en het klimaat.

2. De partijen bij dit Verdrag werken krachtens het bepaalde in artikel 3 samen bij de uitvoering van wetenschappelijk onderzoek en systematische waarnemingen, alsmede bij de opstelling van aanbevelingen voor toekomstige wetenschappelijke onderzoekingen en waarnemingen op de volgende gebieden:

a) Onderzoek naar de fysische en chemische processen in de atmosfeer

iii) Uitgebreide theoretische modellen: nadere uitwerking van modellen betreffende de interactie tussen stralingsprocessen, dynamische processen en chemische processen; bestudering van de gelijktijdig optredende inwerking van de diverse door de mens geproduceerde of natuurlijk voorkomende chemische stoffen op atmosferisch ozon; interpretatie van de met behulp van satellieten of anderszins verkregen reeksen meetgegevens; waardebepaling van tendensen in atmosferische en geofysische parameters; alsmede het ontwerpen van methoden voor het verklaren van wijzigingen in deze parameters uit specifieke oorzaken;

iii) Laboratoriumonderzoek naar reactieconstanten, absorptiedoorsneden en de mechanismen van chemische en fotochemische processen in de troposfeer en de stratosfeer; spectroscopische gegevens ten behoeve van veldmetingen in alle van belang zijnde spectrale gebieden;

iii) Veldmetingen: de concentraties en massastromen van de voornaamste gassen die in de lucht worden gebracht, zowel van natuurlijke als van antropogene oorsprong; bestudering van de atmosferische dynamica; gelijktijdige metingen van fotochemische verwante stoffen boven de planetaire grenslaag met behulp van apparatuur voor metingen ter plaatse en op afstand; onderlinge vergelijking van verschillende sensoren, met inbegrip van gecoördineerde correlatieve metingen ten behoeve van de satellietinstrumenten; driedimensionale velden van de voornaamste atmosferische sporengassen, de spectrale flux van de zon en de meteorologische parameters;

iv) Ontwikkeling van instrumenten, met inbegrip van sensoren aan boord van satellieten of andere sensoren voor het meten van de atmosferische sporengassen, de spectrale flux van de zon en de meteorologische parameters.

b) Onderzoek naar invloeden op de gezondheid, naar biologische effecten en naar de afbraak van stoffen

door licht

iii) Het verband tussen de blootstelling van de mens aan zichtbare en ultraviolette zonnestraling en a) het ontstaan van zowel melanome als niet-melanome huidkanker en b) de invloed op het immunologische systeem;

iii) De invloed van de UV-B-straling, met inbegrip van de golflengteafhankelijkheid, op a) landbouwgewassen, bossen en andere ecosystemen op het land, en b) de aquatische voedselketens en de visserij, alsmede de eventuele belemmering van de zuurstofproduktie door het mariene fytoplankton;

iii) De mechanismen volgens welke de UV-B-straling inwerkt op biologische stoffen, soorten en ecosystemen, met inbegrip van het verband tussen dosis, intensiteit en reactie; fotoherstel, aanpassing en bescherming;

iv) Bestudering van de biologische actiespectra en de van de golflengte afhankelijke reactie met behulp van polychromatische straling om mogelijke interacties van de diverse golflengtegebieden vast te stellen;

iv) De invloed van de UV-B-straling op de gevoeligheid en de activiteit van biologische soorten die van belang zijn voor het evenwicht in de biosfeer; primaire processen, zoals fotosynthese en biosynthese;

vi) De invloed van de UV-B-straling op de afbraak door licht van verontreinigende stoffen, landbouwchemicaliën en andere stoffen.

c) Onderzoek naar de invloed op het klimaat

ii) Theoretische studies en observatiestudies betreffende de stralingseffecten van ozon en andere sporengassen en de invloed op de klimaatparameters, zoals de temperaturen van het aardoppervlak en het zeeoppervlak, neerslagpatronen, de uitwisseling tussen de troposfeer en de stratosfeer;

ii) Onderzoek naar de gevolgen van deze klimatologische invloeden voor de diverse aspecten van de activiteiten van de mens.

d) Systematische waarnemingen van:

iivi) de toestand van de ozonlaag (dat wil zeggen de ruimtelijke en de in de tijd optredende variabiliteit van de totale kolominhoud en de verticale verdeling), door het "Global Ozone Observing System'' (mondiaal ozonwaarnemingssysteem), gebaseerd op de integratie van satelliet- en grondstationssystemen, volledig operationeel te maken;

ivii) de concentraties van sporengassen, in de troposfeer en de atmosfeer die de bron vormen van de HOx-, NOx-, ClOx- en koolstof-"families'';

viii) de temperatuurverdeling tussen de aarde en de mesosfeer met behulp van zowel satellietsystemen als grondstationssystemen;

iiiv) de zonnestralingsflux, uitgesplitst naar golflengte, die doordringt in de atmosfeer, en de warmtestraling vanuit de atmosfeer, met behulp van satellietmetingen;

iiiv) de zonnestralingsflux, uitgesplitst naar golflengte, die doordringt tot het aardoppervlak in het ultraviolette-stralingsgebied met biologische effecten (UV-B);

iivi) de eigenschappen van aërosols en de verdeling daarvan vanaf de aarde tot de mesosfeer, met behulp van systemen op de grond en in de lucht en van satellietsystemen;

ivii) klimatologisch van belang zijnde variabelen met behulp van voortgezette programma's voor meteorologische oppervlaktemetingen van hoge waarde;

viii) sporengassen, temperaturen, zonnestralingsflux en aërosols met behulp van verbeterde methoden voor het analyseren van gegevens op wereldschaal.

3. Rekening houdend met de bijzondere behoeften van de ontwikkelingslanden, werken de partijen bij dit Verdrag samen bij het bevorderen van een passende wetenschappelijke en technische opleiding die nodig is om aan de uitvoering van het wetenschappelijk onderzoek en de systematische waarnemingen, zoals in deze bijlage zijn beschreven, deel te nemen. Er dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan de vergelijkende ijking van de instrumenten en de waarnemingsmethoden ten behoeve van de verkrijging van vergelijkbare en gestandaardiseerde wetenschappelijke-gegevensverzamelingen.

4. Van de volgende chemische stoffen van natuurlijke en antropogene oorsprong, die niet in volgorde van belangrijkheid zijn vermeld, wordt aangenomen dat zij het vermogen bezitten de chemische en fysische eigenschappen van de ozonlaag te wijzigen:

a) Koolstofverbindingen

iii) Koolstofmonoxide (CO)

Koolstofmonoxide heeft belangrijke natuurlijke en antropogene bronnen en speelt vermoedelijk rechtstreeks een belangrijke rol in de fotochemische processen in de troposfeer en speelt indirect een rol in de fotochemische processen in de stratosfeer.

iii) Koolstofdioxide (CO2)

Koolstofdioxide heeft belangrijke natuurlijke en antropogene bronnen en beïnvloedt het ozon in de stratosfeer doordat het de thermische structuur van de atmosfeer beïnvloedt.

iii) Methaan (CH4)

Methaan is zowel van natuurlijke als antropogene oorsprong en beïnvloedt het ozon in de troposfeer en de stratosfeer.

iv) Andere koolwaterstoffen dan methaan

Deze koolwaterstoffen, die een groot aantal chemische stoffen omvatten, zijn zowel van natuurlijke als antropogene oorsprong en spelen rechtstreeks een rol in de fotochemische processen in de troposfeer en indirect in de fotochemische processen in de stratosfeer.

b) Stikstofverbindingen

iii) Distikstofoxide (N2O)

Het N2O is voornamelijk van natuurlijke oorsprong, maar de antropogene emissies worden steeds belangrijker. Distikstofoxide is de voornaamste bron van het NOx in de stratosfeer, dat een zeer belangrijke rol speelt bij de beperking van het ozongehalte van de stratosfeer.

ii) Stikstofoxiden (NOx)

De NOx-bronnen op grondniveau spelen rechtstreeks slechts een belangrijke rol in de fotochemische processen in de troposfeer en spelen indirect een rol in de fotochemische processen in de stratosfeer, terwijl de emissie van NOx dicht bij de tropopauze rechtstreeks kan leiden tot wijziging van het ozongehalte in de bovenste lagen van de troposfeer en in de stratosfeer.

c) Chloorverbindingen

iii) Volledige gehalogeneerde alkanen, bij voorbeeld CCl4, CFCl3 (CFK-11), CF2Cl2 (CFK-12), C2F3Cl3 (CFK-113), C2F4Cl2 (CFK-114)

Volledig gehalogeneerde alkanen zijn van antropogene oorsprong en fungeren als bron van ClOx, dat een zeer belangrijke rol speelt in de fotochemische processen in de ozonlaag, in het bijzonder in het gebied op een hoogte tussen 30 en 50 km.

ii) Gedeeltelijk gehalogeneerde alkanen, bij voorbeeld CH3Cl, CHF2Cl (CFK-22), CH3CCl3, CHFCl2 (CFK-21)

Het CH3Cl is van natuurlijke oorsprong, terwijl de overige gedeeltelijk gehalogeneerde alkanen die hierboven genoemd zijn, van antropogene oorsprong zijn. Deze gassen fungeren tevens als bron van ClOx in de stratosfeer.

d) Broomverbindingen

Volledig gehalogeneerde alkanen, bij voorbeeld CF3Br

Deze gassen zijn van antropogene oorsprong en fungeren als bron van BrOx, dat zich op dezelfde wijze als ClOx gedraagt.

e) Waterstofverbindingen

ii) Waterstof (H2)

Waterstof is van natuurlijke en antropogene oorsprong en speelt een onbetekenende rol in de fotochemische processen in de stratosfeer.

ii) Water (H2O)

Water, dat van natuurlijke oorsprong is, speelt een essentiële rol in de fotochemische processen in zowel de troposfeer als de stratosfeer. Stratosferische bronnen van waterdamp worden onder andere gevormd door de oxidatie van methaan en, in mindere mate, van waterstof.

Bijlage II UITWISSELING VAN INFORMATIE

1. De partijen bij dit Verdrag erkennen dat het verzamelen en het ter beschikking stellen van informatie belangrijke middelen zijn om de doeleinden van dit Verdrag te verwezenlijken en te verzekeren dat alle maatregelen die kunnen worden genomen, passend en billijk zijn. De partijen wisselen derhalve wetenschappelijke, technische, sociaal-economische, commerciële en juridische informatie uit.

2. Bij het nemen van een beslissing welke informatie dient te worden verzameld en uitgewisseld, houden de partijen bij dit Verdrag rekening met de bruikbaarheid van de informatie en met de kosten van verwerving daarvan. De partijen erkennen voorts dat de samenwerking krachtens het bepaalde in deze bijlage in overeenstemming dient te zijn met de nationale wetten, voorschriften en gewoonten met betrekking tot octrooien, fabrieksgeheimen en bescherming van vertrouwelijke informatie omtrent eigendomsrechten.

3. Wetenschappelijke informatie

Deze omvat informatie omtrent:

a) voorgenomen en lopend wetenschappelijk onderzoek, zowel door gouvernementele als door niet gouvernementele organisaties, om de coördinatie te bevorderen van de programma's voor wetenschappelijk onderzoek, ten einde op de doeltreffendste wijze gebruik te maken van de beschikbare nationale en internationale middelen;

b) de voor het wetenschappelijk onderzoek benodigde gegevens over uitworpen;

c) de wetenschappelijke resultaten, gepubliceerd, na kwaliteitsbeoordeling, in tijdschriften die zich hebben gespecialiseerd op het gebied van de fysische en chemische processen in de atmosfeer en de gevoeligheid daarvan voor veranderingen, in het bijzonder op het gebied van de toestand van de ozonlaag en de gevolgen voor de gezondheid van de mens, het milieu en het klimaat die zouden kunnen voortvloeien uit veranderingen op alle tijdschalen in zowel de totale inhoud van de kolom als de verticale verdeling van de ozon;

d) de beoordeling van de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek en de aanbevelingen voor het toekomstige wetenschappelijke onderzoek.

4. Technische informatie

Deze omvat informatie omtrent:

a) de beschikbaarheid en de kosten van chemische vervangingsmiddelen en van alternatieve technologieën ter vermindering van de uitworpen van stoffen die de ozonlaag aantasten, alsmede het daarmede verband houdende toekomstige en lopende wetenschappelijke onderzoek;

b) de beperkingen en de eventuele risico's bij het gebruik van chemische of andere vervangingsmiddelen en alternatieve technologieën.

5. Sociaal-economische en commerciële informatie over de in bijlage I genoemde stoffen

Deze omvat informatie omtrent:

a) produktie en produktiecapaciteit;

b) gebruik en wijze van gebruik;

c) invoer/uitvoer;

d) de kosten, risico's en voordelen van menselijke activiteiten die indirect de ozonlaag kunnen aantasten, en van de invloed van regulerende maatregelen die genomen zijn of worden overwogen voor de beheersing van deze activiteiten.

6. Juridische informatie

Deze omvat informatie omtrent:

a) nationale wetten, administratieve maatregelen en juridisch onderzoek van belang voor de bescherming van de ozonlaag;

b) internationale overeenkomsten, met inbegrip van bilaterale overeenkomsten, van belang voor de bescherming van de ozonlaag;

c) methoden en voorwaarden voor de licentiëring van octrooien van belang voor de bescherming van de ozonlaag, alsmede de beschikbaarheid van octrooien met betrekking daartoe.

Top