EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02021R0520-20210702

Consolidated text: Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520 van de Commissie van 24 maart 2021 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/520/2021-07-02

02021R0520 — NL — 02.07.2021 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/520 VAN DE COMMISSIE

van 24 maart 2021

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 104 van 25.3.2021, blz. 39)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1064 VAN DE COMMISSIE van 28 juni 2021

  L 229

8

29.6.2021




▼B

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/520 VAN DE COMMISSIE

van 24 maart 2021

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren

(Voor de EER relevante tekst)



HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

▼M1

In deze verordening worden voorschriften voor lidstaten ( 1 ) vastgesteld inzake:

▼B

1. 

de termijnen voor het doorgeven van informatie door exploitanten voor de registratie van gehouden runderen, schapen, geiten en varkens in geautomatiseerde gegevensbestanden;

2. 

de uniforme toegang tot gegevens over gehouden runderen, schapen, geiten en varkens in geautomatiseerde gegevensbestanden en de technische specificaties en operationele regels van die gegevensbestanden;

3. 

de technische voorwaarden en modaliteiten voor de uitwisseling van elektronische gegevens over gehouden runderen tussen de geautomatiseerde gegevensbestanden van de lidstaten en de vaststelling van de volledige operationaliteit van een systeem voor gegevensuitwisseling;

4. 

de technische specificaties, de formaten en het ontwerp van identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen;

5. 

de technische voorschriften voor de identificatiemiddelen voor gehouden papegaaiachtigen;

6. 

de termijnen voor de aanbrenging van identificatiemiddelen bij gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen na hun geboorte in de Unie of binnenkomst in de Unie;

7. 

de structuur van de identificatiecode van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen;

8. 

de verwijdering, wijziging en vervanging van identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen, en de termijnen daarvoor;

9. 

overgangsmaatregelen betreffende de goedkeuring van identificatiemiddelen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035.



HOOFDSTUK 2

GEAUTOMATISEERDE GEGEVENSBESTANDEN

Artikel 3

Termijnen en procedures voor het doorgeven van informatie door exploitanten voor de registratie van gehouden runderen, schapen, geiten en varkens

1.  
Exploitanten die runderen, schapen, geiten of varkens houden, geven de in artikel 112, onder d), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde informatie over verplaatsingen, geboorten en sterfgevallen, en de in artikel 113, lid 1, onder c), van die verordening en artikel 56, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde informatie over verplaatsingen ter registratie door aan de voor die soorten opgezette geautomatiseerde gegevensbestanden, door binnen een door de lidstaten vast te stellen doorgiftetermijn. De maximale termijn voor het doorgeven van de informatie bedraagt niet meer dan zeven dagen na de verplaatsing, geboorte of dood van de dieren, naargelang van het geval.
2.  
In het geval van geboorten mogen de lidstaten bij het bepalen van de maximale termijn voor het doorgeven van informatie de datum waarop het identificatiemiddel bij het dier is aangebracht als beginpunt van die termijn gebruiken, mits er geen verwarring kan ontstaan tussen die datum en de geboortedatum van het dier.
3.  

In afwijking van lid 1 mag de bevoegde autoriteit de in lid 1 bedoelde maximale termijn voor doorgifte van de informatie over verplaatsingen verlengen tot uiterlijk 14 dagen na het binnen dezelfde lidstaat verplaatsen van runderen van inrichtingen van oorsprong naar geregistreerde weide-inrichtingen in berggebieden om hen te laten grazen. De bevoegde autoriteit kan besluiten lijsten van runderen die naar geregistreerde weide-inrichtingen worden verplaatst van de exploitanten van die inrichtingen te aanvaarden. Die lijsten bevatten:

a) 

het unieke registratienummer van de geregistreerde weide-inrichting;

b) 

de identificatiecode van de dieren;

c) 

het unieke registratienummer van de inrichting van oorsprong;

d) 

de datum van aankomst van de dieren in de geregistreerde weide-inrichting;

e) 

de geschatte datum van vertrek van de dieren van de geregistreerde weide-inrichting.

Artikel 4

Uniforme toegang tot gegevens in geautomatiseerde gegevensbestanden van gehouden runderen, schapen, geiten en varkens

De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten die runderen, schapen, geiten en varkens houden, op verzoek en zonder dat daar kosten aan verbonden zijn, ten minste read-onlytoegang hebben tot een minimum aan de aan hun inrichtingen gerelateerde informatie die is opgeslagen in de geautomatiseerde gegevensbestanden als bedoeld in artikel 109, lid 1, onder a) tot en met c), van Verordening (EU) 2016/429.

Artikel 5

Technische specificaties van geautomatiseerde gegevensbestanden van gehouden runderen, schapen, geiten en varkens

De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 109, lid 1, onder a) tot en met c), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde geautomatiseerde gegevensbestanden van gehouden runderen, schapen, geiten en varkens zo zijn opgezet dat de daarin opgeslagen informatie tussen de geautomatiseerde gegevensbestanden van de lidstaten kan worden uitgewisseld in het in de derde kolom van de tabel in bijlage I bij deze verordening opgenomen formaat.

Artikel 6

Operationele regels voor geautomatiseerde gegevensbestanden van gehouden runderen, schapen, geiten en varkens

De lidstaten nemen passende technische en organisatorische maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 109, lid 1, onder a) tot en met c), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde geautomatiseerde gegevensbestanden van gehouden runderen, schapen, geiten en varkens ook bij mogelijke verstoringen blijven functioneren. Met die maatregelen wordt tevens de beveiliging, integriteit en authenticiteit van de in die gegevensbestanden opgeslagen informatie gewaarborgd.

Artikel 7

Technische voorwaarden en modaliteiten voor de elektronische uitwisseling van gegevens in identificatiedocumenten voor gehouden runderen tussen de geautomatiseerde gegevensbestanden van de lidstaten

1.  
Wanneer lidstaten de in artikel 44, onder a) tot en met c), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde gegevens in het identificatiedocument voor gehouden runderen op elektronische wijze met elkaar uitwisselen, worden die gegevens uitgewisseld in het XML-schemadefinitieformaat, dat door de Commissie ter beschikking van de bevoegde autoriteit wordt gesteld.
2.  
De bevoegde autoriteit in de lidstaat van oorsprong van de te verplaatsen gehouden runderen zorgt ervoor dat de gegevens in de identificatiedocumenten vóór vertrek van de dieren elektronisch worden doorgegeven aan de lidstaat van bestemming en dat iedere doorgifte van een tijdstempel is voorzien.

Artikel 8

Vaststelling van volledige operabiliteit van een systeem voor elektronische uitwisseling van gegevens in het identificatiedocument voor gehouden runderen tussen de geautomatiseerde gegevensbestanden van de lidstaten

1.  
Van lidstaten die op elektronische wijze gegevens in identificatiedocumenten uitwisselen via een door de Commissie opgezet systeem dat voor de uitwisseling van gegevens over runderen tussen gegevensbestanden van de lidstaten is ontworpen, wordt vastgesteld dat zij over een volledig operationeel systeem beschikken.
2.  
De Commissie stelt een lijst op van de lidstaten die via dat systeem gegevens op identificatiedocumenten uitwisselen en publiceert deze lijst op haar website.



HOOFDSTUK 3



IDENTIFICATIEMIDDELEN

Artikel 9

Technische specificaties, formaten en ontwerp van identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen

1.  
De bevoegde autoriteit keurt het gebruik van de in bijlage III, onder a) en b), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde conventionele oormerken of conventionele pootbanden als identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen alleen goed als die identificatiemiddelen voldoen aan de technische specificaties van bijlage II, deel 1, bij deze verordening.
2.  
De bevoegde autoriteit keurt het gebruik van de in bijlage III, onder g), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde tatoeages als identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen alleen goed als die tatoeages overeenkomstig artikel 46, leden 2 en 3, artikel 52, lid 1, onder b), artikel 73, lid 2, onder c), en artikel 76, lid 1, onder c), van die gedelegeerde verordening onuitwisbaar en leesbaar zijn.
3.  
De bevoegde autoriteit keurt het gebruik van de in bijlage III, onder c) tot en met f), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde elektronische identificatiemiddelen als identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen alleen goed als die identificatiemiddelen voldoen aan de technische specificaties van bijlage II, deel 2, bij deze verordening. De in bijlage III, onder c) en f), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde elektronische identificatiemiddelen voldoen tevens aan de technische specificaties van bijlage II, deel 1, van deze verordening.
4.  

In afwijking van lid 3 kan de bevoegde autoriteit het gebruik van elektronische oormerken als identificatiemiddel voor gehouden varkens goedkeuren indien die identificatiemiddelen voldoen aan de technische specificaties als vastgesteld door de lidstaat waar de varkens worden gehouden en daarop zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar de unieke registratienummers zijn aangegeven van:

a) 

de inrichting waar de dieren zijn geboren, of

b) 

de laatste inrichting van de toeleveringsketen als bedoeld in artikel 53 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, wanneer die dieren worden verplaatst naar een inrichting buiten die toeleveringsketen.

Artikel 10

Technische specificaties, formaten en ontwerp van identificatiemiddelen voor gehouden papegaaiachtigen

1.  

Exploitanten die papegaaiachtigen houden, zorgen ervoor dat:

a) 

de in artikel 76, lid 1, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde pootring voldoet aan de technische specificaties van bijlage II, deel 1, bij deze verordening;

b) 

de in artikel 76, lid 1, onder c), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde tatoeage onuitwisbaar en leesbaar is.

2.  
De bevoegde autoriteit keurt het gebruik van de in artikel 76, lid 1, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde injecteerbare transponders als identificatiemiddelen voor gehouden papegaaiachtigen alleen goed als die identificatiemiddelen voldoen aan de technische specificaties van bijlage II, deel 2, punt 2, bij deze verordening.

Artikel 11

Operationele regels voor de goedkeuring van elektronische identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen, hertachtigen en papegaaiachtigen

1.  
Bij de goedkeuring van de in bijlage III, onder c) tot en met f), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde elektronische identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen, hertachtigen en papegaaiachtigen, verzekert de bevoegde autoriteit zich ervan dat de fabrikanten van de elektronische identificatiemiddelen hebben aangetoond dat de in bijlage II, deel 2, punt 4, bij deze verordening bedoelde conformiteits- en prestatietests zijn uitgevoerd in overeenkomstig ISO/IEC-norm 17025 (Algemene eisen voor de competentie van test- en kalibratielaboratoria) geaccrediteerde testcentra.
2.  
Bij de goedkeuring van de van de in lid 1 bedoelde elektronische identificatiemiddelen kan de bevoegde autoriteit van de fabrikanten daarvan eisen dat zij, overeenkomstig de door de desbetreffende lidstaat vastgestelde normen, aanvullende tests voor robuustheid en duurzaamheid uitvoeren om het functioneren van die identificatiemiddelen onder de specifieke geografische of klimaatomstandigheden in die lidstaat te waarborgen.

Artikel 12

Structuur van de identificatiecode van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen

De identificatiecode van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen heeft de volgende structuur:

▼M1

a) 

het eerste element van de identificatiecode bestaat uit de landcode van de lidstaat waar het identificatiemiddel voor het eerst bij de dieren is aangebracht:

i) 

als code van twee letters overeenkomstig ISO-norm 3166-1 alfa-2, behalve voor Griekenland, waarvoor de code van twee letters “EL” wordt gebruikt, en voor het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland, waarvoor de code van twee letters “XI” wordt gebruikt; of

ii) 

als landcode van drie cijfers overeenkomstig ISO-norm 3166-1 numeriek, behalve voor het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland, waarvoor “899” wordt gebruikt;

▼B

b) 

het tweede element van de identificatiecode bestaat uit een unieke code voor elk dier van maximaal twaalf cijfers.

Artikel 13

Termijnen voor het aanbrengen van identificatiemiddelen bij gehouden runderen

1.  
De exploitanten zorgen ervoor dat de in artikel 112, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde identificatiemiddelen vóór het verstrijken van de maximumtermijn na de geboorte van het dier als vastgesteld door de lidstaat waar de dieren zijn geboren, bij de gehouden runderen worden aangebracht. Deze maximumtermijn wordt berekend vanaf de datum van de geboorte van de dieren en bedraagt niet meer dan twintig dagen.
2.  
In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten om redenen die verband houden met de fysiologische ontwikkeling van de dieren exploitanten toestaan de maximumtermijn voor het aanbrengen van een tweede identificatiemiddel te verlengen tot uiterlijk zestig dagen na de geboorte van de dieren indien dat tweede identificatiemiddel een bolustransponder is.
3.  

In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten exploitanten toestaan de in lid 1 bedoelde maximumtermijn tot negen maanden te verlengen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de dieren:

i) 

worden extensief gehouden, waarbij kalveren bij hun moeder blijven;

ii) 

zijn niet gewend aan regelmatig contact met mensen;

b) 

door de ruimte waar de dieren worden gehouden, zijn zij sterk geïsoleerd;

c) 

de verlenging brengt de traceerbaarheid van de dieren niet in het gedrang.

De lidstaten kunnen de in de eerste alinea bedoelde toestemming beperken tot bepaalde geografische gebieden of tot bepaalde soorten of rassen van gehouden runderen.

4.  
De exploitanten zorgen ervoor dat gehouden runderen de inrichting waar zij zijn geboren niet verlaten tenzij bij die dieren een in artikel 112, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 bedoeld identificatiemiddel is aangebracht.

Artikel 14

Termijnen voor het aanbrengen van identificatiemiddelen bij gehouden schapen en geiten

1.  
De exploitanten zorgen ervoor dat de in artikel 113, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde identificatiemiddelen vóór het verstrijken van de maximumtermijn na de geboorte van het dier als vastgesteld door de lidstaat waar de dieren zijn geboren, bij de gehouden schapen en geiten worden aangebracht. Deze maximumtermijn wordt berekend vanaf de datum van de geboorte van de dieren en bedraagt niet meer dan negen maanden.
2.  
De exploitanten zorgen ervoor dat gehouden schapen en geiten de inrichting waar zij zijn geboren niet verlaten tenzij bij die dieren een in artikel 113, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 bedoeld identificatiemiddel is aangebracht.

Artikel 15

Termijnen voor het aanbrengen van identificatiemiddelen bij gehouden varkens

1.  
De exploitanten zorgen ervoor dat de in artikel 115, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde identificatiemiddelen vóór het verstrijken van de maximumtermijn na de geboorte van het dier als vastgesteld door de lidstaat waar de dieren zijn geboren, bij de gehouden varkens worden aangebracht. Deze maximumtermijn wordt berekend vanaf de datum van de geboorte van de dieren en bedraagt niet meer dan negen maanden.
2.  
De exploitanten zorgen ervoor dat gehouden varkens de inrichting waar zij zijn geboren of de toeleveringsketen niet verlaten tenzij bij die dieren een in artikel 115, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 bedoeld identificatiemiddel is aangebracht.

Artikel 16

Termijnen voor het aanbrengen van identificatiemiddelen bij gehouden kameelachtigen en hertachtigen

1.  
De exploitanten zorgen ervoor dat de in artikel 73, leden 1 en 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde identificatiemiddelen vóór het verstrijken van de maximumtermijn na de geboorte van het dier als vastgesteld door de lidstaat waar de dieren zijn geboren, bij de gehouden kameelachtigen en hertachtigen worden aangebracht. Deze maximumtermijn wordt berekend vanaf de datum van de geboorte van de dieren en bedraagt niet meer dan negen maanden.
2.  
De exploitanten zorgen ervoor dat gehouden kameelachtigen of hertachtigen de inrichting waar zij zijn geboren of de inrichting van eerste aankomst indien zij vanuit de habitat waar zij als wilde dieren leefden naar die inrichting zijn verplaatst, niet verlaten tenzij bij die dieren een in artikel 73, leden 1 en 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoeld identificatiemiddel is aangebracht.
3.  
De bevoegde autoriteit kan exploitanten die rendieren houden vrijstellen van de in de leden 1 en 2 vastgelegde verplichtingen indien die vrijstelling de traceerbaarheid van de dieren niet in het gedrang brengt.
4.  

In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten exploitanten die hertachtigen houden, vrijstellen van de in lid 1 vastgelegde verplichtingen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de dieren:

i) 

worden extensief gehouden;

ii) 

zijn niet gewend aan regelmatig contact met mensen;

b) 

door de ruimte waar de dieren worden gehouden, zijn zij sterk geïsoleerd;

c) 

de vrijstelling brengt de traceerbaarheid van de dieren niet in het gedrang.

Artikel 17

Termijnen voor het aanbrengen van identificatiemiddelen bij gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen na binnenkomst in de Unie

1.  
De exploitant zorgt ervoor dat gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen die in de Unie binnenkomen en daar blijven, binnen twintig dagen na hun aankomst in de inrichting van eerste aankomst worden voorzien van de in artikel 81 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde identificatiemiddelen.
2.  
In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten van eerste aankomst om redenen die verband houden met de fysiologische ontwikkeling van de dieren exploitanten toestaan de maximumtermijn voor het aanbrengen van een tweede identificatiemiddel te verlengen tot uiterlijk zestig dagen na de geboorte van de dieren indien dat tweede identificatiemiddel een bolustransponder is.
3.  
De exploitanten zorgen ervoor dat gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen de inrichting van eerste aankomst niet verlaten tenzij bij die dieren de in artikel 81 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde identificatiemiddelen zijn aangebracht.

Artikel 18

Verwijdering en wijziging van identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen

De bevoegde autoriteit mag exploitanten alleen toestemming verlenen om de identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen te verwijderen of te wijzigen indien die verwijdering of wijziging de traceerbaarheid van de dieren, met inbegrip van de traceerbaarheid van de inrichting waar zij zijn geboren, niet in het gedrang brengt en indien identificatie van de individuele dieren in voorkomend geval mogelijk blijft.

Artikel 19

Vervanging van identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen, en termijnen daarvoor

1.  
De bevoegde autoriteit mag exploitanten alleen toestemming verlenen om de identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen te vervangen indien die vervanging de traceerbaarheid van de dieren, met inbegrip van de traceerbaarheid van de inrichting waar zij zijn geboren, niet in het gedrang brengt en indien identificatie van de individuele dieren in voorkomend geval mogelijk blijft.
2.  

Voor de in lid 1 bedoelde vervanging mag in de volgende gevallen toestemming worden verleend:

a) 

als dieren met twee identificatiemiddelen zijn geïdentificeerd en een van die identificatiemiddelen onleesbaar is geworden of verloren is gegaan, mits de identificatiecode van de dieren ongewijzigd blijft en dezelfde blijft als de code op het resterende identificatiemiddel;

b) 

als dieren met een of twee identificatiemiddelen met de identificatiecode van de dieren zijn geïdentificeerd en die identificatiemiddelen onleesbaar zijn geworden of verloren zijn gegaan, mits het mogelijk blijft de identificatiecode van de dieren met redelijke zekerheid vast te stellen en de identificatiecode van de dieren ongewijzigd blijft;

c) 

als gehouden schapen, geiten of varkens met een identificatiemiddel met het unieke registratienummer van een inrichting zijn geïdentificeerd en dat identificatiemiddel onleesbaar is geworden of verloren is gegaan, mits het mogelijk blijft de inrichting waar de dieren zijn geboren of, in voorkomend geval, de laatste inrichting van de toeleveringsketen met redelijke zekerheid vast te stellen en op het vervangende identificatiemiddel het unieke registratienummer van die respectievelijke inrichtingen is aangegeven;

d) 

voor gehouden schapen en geiten mag het vervangen van de in de onder a) en b) bedoelde identificatiemiddelen door een nieuwe identificatiemiddelen met een nieuwe identificatiecode worden toegestaan, mits de traceerbaarheid daardoor niet in het gedrang komt.

3.  
De in lid 1 bedoelde vervanging van de identificatiemiddelen wordt zo snel mogelijk, binnen een maximumtermijn die wordt vastgesteld door de lidstaat waarvan de bevoegde autoriteit de exploitanten toestemming heeft verleend het identificatiemiddel te vervangen, en voordat de dieren naar een andere inrichting worden verplaatst, uitgevoerd.
4.  
Als de identificatiecode van gehouden runderen, schapen, geiten en varkens op de in bijlage III, onder a) en b), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde identificatiemiddelen vanwege technische beperkingen niet kan worden gereproduceerd op een elektronisch identificatiemiddel, verleent de bevoegde autoriteit alleen toestemming voor het aanbrengen van een nieuw elektronisch identificatiemiddel met een nieuwe identificatiecode bij die dieren indien beide identificatiecodes in de in artikel 109, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde geautomatiseerde gegevensbestanden zijn opgeslagen.



HOOFDSTUK 4

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 20

Overgangsmaatregelen betreffende de erkenning van identificatiemiddelen

In afwijking van de artikelen 9, 10 en 11 van deze verordening mogen de lidstaten gedurende een overgangsperiode die eindigt op 20 april 2023 de identificatiemiddelen blijven gebruiken die vóór 21 april 2021 zijn goedgekeurd op grond van Verordening (EG) nr. 1760/2000, Verordening (EG) nr. 21/2004 en Richtlijn 2008/71/EG, en op grond van de overeenkomstig die verordeningen en die richtlijn vastgestelde handelingen.

Artikel 21

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 21 april 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

Technische specificaties voor informatieformaten in geautomatiseerde gegevensbestanden voor gehouden runderen, schapen, geiten en varkens



Soort informatie

Beschrijving

Formaat

Identificatiecode van het dier

Landcode

Eén van de volgende mogelijkheden:

lettercode: ISO 3166-1 alfa-2 code (1)

cijfercode: numerieke ISO 3166-1-code

Unieke code voor elk dier

12 cijfers

Elektronisch identificatiemiddel (optioneel)

 

Een van de volgende mogelijkheden:

— elektronisch oormerk,

— bolustransponder,

— injecteerbare transponder,

— elektronische pootband.

Uniek registratienummer van de inrichting

 

Landcode gevolgd door 12 alfanumerieke tekens

Naam van de exploitant van de inrichting

 

140 alfanumerieke tekens

Adres van de exploitant van de inrichting

Straatnaam en huisnummer

140 alfanumerieke tekens

Postcode

10 alfanumerieke tekens

Plaats

35 alfanumerieke tekens

Datum

 

Datum (JJJJ-MM-DD)

Totaal aantal dieren

 

15 cijfers

(1)   

Behalve voor Griekenland, waarvoor de code van twee letters “EL” wordt gebruikt.




BIJLAGE II

DEEL 1

Technische specificaties voor identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen, hertachtigen en papegaaiachtigen

1. De in bijlage III, onder a), b), c), f) en h), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde identificatiemiddelen van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen, hertachtigen en papegaaiachtigen:

a) 

mogen niet herbruikbaar zijn;

b) 

moeten van niet-afbreekbaar materiaal zijn;

c) 

mogen niet vervalsbaar zijn;

d) 

moeten gedurende het leven van het dier gemakkelijk leesbaar zijn;

e) 

moeten zo zijn ontworpen dat zij stevig aan het dier bevestigd blijven zonder schadelijk te zijn voor het dier;

f) 

moeten gemakkelijk uit de voedselketen kunnen worden verwijderd.

2. Een van de volgende vermeldingen moet zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op de in punt 1 bedoelde identificatiemiddelen zijn weergegeven:

a) 

het eerste en tweede element van de identificatiecode van de dieren als bedoeld in artikel 12;

b) 

het unieke registratienummer van de inrichting van de dieren als bedoeld in artikel 18, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, of

c) 

de alfanumerieke identificatiecode als bedoeld in artikel 76, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035.

3. De in punt 1 bedoelde identificatiemiddelen mogen andere informatie bevatten, mits de bevoegde autoriteit daarvoor toestemming heeft verleend en deze identificatiemiddelen voldoen aan de vereisten van punt 2.

DEEL 2

Technische specificaties voor elektronische identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen

1. Op de in bijlage III, onder c) tot en met f), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde elektronische identificatiemiddelen moeten het eerste element van de identificatiecode van de dieren, in de vorm van een driecijferige landcode, en het tweede element van de identificatiecode van de dieren overeenkomstig artikel 12 zichtbaar zijn.

2. De in punt 1 bedoelde elektronische identificatiemiddelen moeten:

a) 

passieve read-onlytransponders op basis van HDX- of FDX-B-technologie conform ISO-norm 11784 en ISO-norm 11785 zijn, en

b) 

leesbaar zijn voor apparaten die voldoen aan ISO-norm 11785 en HDX- en FDX-B-transponders kunnen aflezen.

3. De in punt 1 bedoelde identificatiemiddelen moeten op ten minste de volgende afstand leesbaar zijn:

a) 

voor gehouden runderen:

i) 

12 centimeter voor oormerken bij gebruik van een draagbaar uitleesapparaat;

ii) 

15 centimeter voor injecteerbare transponders bij gebruik van een draagbaar uitleesapparaat;

iii) 

25 centimeter voor bolustransponders bij gebruik van een draagbaar uitleesapparaat;

iv) 

80 centimeter voor alle elektronische identificatiemiddelen bij gebruik van een vast uitleesapparaat;

b) 

voor gehouden schapen en geiten:

i) 

12 centimeter voor oormerken en pootbanden bij gebruik van een draagbaar uitleesapparaat;

ii) 

20 centimeter voor bolus- en injecteerbare transponders bij gebruik van een draagbaar uitleesapparaat;

iii) 

50 centimeter voor alle elektronische identificatiemiddelen bij gebruik van een vast uitleesapparaat.

4. De in punt 1 bedoelde elektronische identificatiemiddelen moeten met goed gevolg getest zijn met betrekking tot:

a) 

conformiteit met de ISO-normen 11784 en 11785, overeenkomstig de in punt 7 van ISO-norm 24631-1 bedoelde methode, en

b) 

de minimale prestatie wat betreft de in punt 3 van dit deel bedoelde leesafstanden, overeenkomstig de in punt 7 van ISO-norm 24631-3 bedoelde methode.



( 1 ) Voor de toepassing van deze verordening wordt, overeenkomstig het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 5, lid 4, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, in samenhang met bijlage 2 bij dat protocol, bij verwijzingen naar de lidstaten of naar de Unie ook het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland bedoeld.

Top