EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02020R0464-20201215

Consolidated text: Uitvoeringsverordening (EU) 2020/464 van de Commissie van 26 maart 2020 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de documenten die nodig zijn voor de erkenning met terugwerkende kracht van perioden in het kader van de omschakeling, de productie van biologische producten en de door de lidstaten te verstrekken informatie (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2020/464/2020-12-15

02020R0464 — NL — 15.12.2020 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/464 VAN DE COMMISSIE

van 26 maart 2020

tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de documenten die nodig zijn voor de erkenning met terugwerkende kracht van perioden in het kader van de omschakeling, de productie van biologische producten en de door de lidstaten te verstrekken informatie

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 098 van 31.3.2020, blz. 2)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/2042 VAN DE COMMISSIE van 11 december 2020

  L 420

9

14.12.2020




▼B

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/464 VAN DE COMMISSIE

van 26 maart 2020

tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de documenten die nodig zijn voor de erkenning met terugwerkende kracht van perioden in het kader van de omschakeling, de productie van biologische producten en de door de lidstaten te verstrekken informatie

(Voor de EER relevante tekst)



HOOFDSTUK I

OMSCHAKELING

Artikel 1

Documenten die moeten worden verstrekt voor het doel van een erkenning met terugwerkende kracht van een eerdere periode

1.  
Voor de toepassing van artikel 10, lid 3, onder a), van Verordening (EU) 2018/848 dient de exploitant bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de activiteit plaatsvindt en waarin het bedrijf van die exploitant onderworpen is aan het controlesysteem, de officiële documenten van de relevante bevoegde autoriteiten in waaruit blijkt dat de percelen grond waarvoor de erkenning met terugwerkende kracht van een eerdere periode wordt gevraagd, onderworpen zijn geweest aan maatregelen van een krachtens Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) uitgevoerd programma en dat op die percelen grond geen andere producten of stoffen zijn gebruikt dan die welke in de biologische productie mogen worden gebruikt.
2.  

Voor de toepassing van artikel 10, lid 3, onder b), van Verordening (EU) 2018/848 dient de exploitant bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de activiteit plaatsvindt en waarin het bedrijf van die exploitant onderworpen is aan het controlesysteem, de volgende documenten in waaruit blijkt dat de percelen grond natuur- of landbouwgebieden waren die gedurende een periode van ten minste drie jaar niet zijn behandeld met producten of stoffen die overeenkomstig Verordening (EU) 2018/848 niet in de biologische productie mogen worden gebruikt:

a) 

kaarten waarop duidelijk elk perceel grond is aangegeven waarop het verzoek om erkenning met terugwerkende kracht betrekking heeft, en informatie over de totale oppervlakte van die percelen grond, en indien van toepassing, over de aard en het volume van de lopende productie en, indien beschikbaar, de geolocatiecoördinaten ervan;

b) 

een gedetailleerde risicoanalyse die de controleautoriteit of het controleorgaan heeft verricht om na te gaan of een perceel grond waarop het verzoek om erkenning met terugwerkende kracht betrekking heeft, ten minste drie jaar lang niet is behandeld met producten of stoffen die niet toegelaten zijn voor gebruik in de biologische productie, waarbij vooral rekening is gehouden met de totale oppervlakte waarop het verzoek betrekking heeft, en met de agronomische praktijken die in die periode hebben plaatsgevonden op elk perceel grond waarop het verzoek betrekking heeft;

c) 

de resultaten van de door geaccrediteerde laboratoria verrichte analysen van grond- en/of plantenmonsters die de controleautoriteit of het controleorgaan heeft genomen van elk perceel grond dat na de onder b) bedoelde gedetailleerde risicoanalyse is aangemerkt als grond die mogelijk is besmet als gevolg van de behandeling met producten en stoffen die niet in de biologische productie mogen worden gebruikt;

d) 

een inspectieverslag van de controleautoriteit of het controleorgaan naar aanleiding van een fysieke inspectie van de exploitant ter verificatie van de consistentie van de informatie die is verzameld over de percelen grond waarop het verzoek om erkenning met terugwerkende kracht betrekking heeft;

e) 

elk ander document dat door de controleautoriteit of het controleorgaan nodig wordt geacht voor de beoordeling van het verzoek om erkenning met terugwerkende kracht;

f) 

een definitieve schriftelijke verklaring van de controleautoriteit of het controleorgaan waarin wordt aangegeven of een erkenning met terugwerkende kracht van een eerdere periode als deel van de omschakelingsperiode gegrond is en waarin voor elk perceel grond in kwestie de als biologisch aangemerkte beginperiode wordt vermeld, alsmede de totale oppervlakte van de percelen grond die in aanmerking komen voor een erkenning met terugwerkende kracht van een periode.



HOOFDSTUK II

VEE



AFDELING 1

RUNDEREN, SCHAPEN, GEITEN EN PAARDACHTIGEN

Artikel 2

Minimumperiode voor het voeden van dieren met moedermelk

De in bijlage II, deel II, punt 1.4.1, onder g), bij Verordening (EU) 2018/848 bedoelde minimumperiode voor het voeden van te zogen dieren met bij voorkeur moedermelk bedraagt:

a) 

90 dagen, gerekend vanaf de geboorte, voor runderen en paardachtigen;

b) 

45 dagen, gerekend vanaf de geboorte, voor schapen en geiten.

Artikel 3

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte van de binnen- en de buitenruimte

Voor runderen, schapen, geiten en paardachtigen voldoen de bezettingsdichtheid en de minimumoppervlakte van de binnen- en buitenruimten aan de voorschriften van bijlage I, deel I.

Artikel 4

Kenmerken van en technische vereisten voor de minimumoppervlakte van de binnenruimte

Tenminste de helft van de minimumoppervlakte van de binnenruimte, zoals vastgelegd in bijlage I, deel I, voor runderen, schapen, geiten en paardachtigen, is dicht, dat wil zeggen, niet voorzien van een latten- of roosterconstructie.



AFDELING 2

HERTACHTIGEN

Artikel 5

Minimumperiode voor het voeden van dieren met moedermelk

De in bijlage II, deel II, punt 1.4.1, onder g), bij Verordening (EU) 2018/848 bedoelde minimumperiode voor het voeden van te zogen hertachtigen met bij voorkeur moedermelk bedraagt 90 dagen, gerekend vanaf de geboorte.

Artikel 6

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte van de buitenruimte

Voor hertachtigen is de bezettingsdichtheid en de minimumoppervlakte van de buitenruimte zoals voorzien in bijlage I, deel II.

Artikel 7

Kenmerken van en technische vereisten voor de omheinde buitenruimten of rennen

1.  
Hertachtigen worden gehouden in omheinde buitenruimten of rennen met weidegrond voor zover de omstandigheden dat toelaten.
2.  
De omheinde buitenruimten of rennen zijn zo ingericht dat de verschillende soorten hertachtigen zo nodig kunnen worden gescheiden.
3.  
Elke omheinde buitenruimte of ren is hetzij in twee gebieden onder te verdelen óf grenst aan een andere omheinde buitenruimte of ren zodat onderhoudsmaatregelen op elk gebied of elke omheinde buitenruimte of ren na elkaar kunnen worden uitgevoerd.

Artikel 8

Begroeiingsvereisten en kenmerken van schuilvoorzieningen en openluchtruimten

1.  
Voor hertachtigen worden visuele en weerbeschermingsvoorzieningen getroffen, bij voorkeur in de vorm van natuurlijke beschutting, zoals groepen bomen en struiken, delen van bossen of houtzomen die deel uitmaken van de omheinde buitenruimte of ren; als dit niet het gehele jaar door voldoende haalbaar is, wordt overdekte kunstmatige beschutting geboden.
2.  
Omheinde buitenruimten of rennen voor hertachtigen zijn uitgerust met voorzieningen of bedekt met begroeiing die de dieren de mogelijkheid bieden huid af te schuren van hun gewei.
3.  
In de laatste fase van de dracht en gedurende twee weken na de geboorte hebben vrouwelijke hertachtigen toegang tot gebieden met begroeiing waarin hun kalveren kunnen worden verstopt.
4.  
Hekken rond omheinde buitenruimten of rennen zijn zo geconstrueerd dat de hertachtigen niet kunnen ontsnappen.



AFDELING 3

VARKENS

Artikel 9

Minimumperiode voor het voeden van dieren met moedermelk

De in bijlage II, deel II, punt 1.4.1, onder g), bij Verordening (EU) 2018/848 bedoelde minimumperiode voor het voeden van te zogen biggen met bij voorkeur moedermelk bedraagt 40 dagen, gerekend vanaf de geboorte.

Artikel 10

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte van de binnen- en de buitenruimten

Voor varkens is de bezettingsdichtheid en de minimumoppervlakte van de binnen- en buitenruimten vastgesteld in bijlage I, deel III.

Artikel 11

Kenmerken van en technische vereisten voor de minimumoppervlakte van de binnen- en de buitenruimten

Tenminste de helft van de minimumoppervlakte van zowel de binnen- als de buitenruimte, zoals vastgelegd in bijlage I, deel III, is dicht, dat wil zeggen, niet voorzien van een latten- of roosterconstructie.

Artikel 12

Begroeiingsvereisten en kenmerken van openluchtruimten

1.  
Openluchtruimten zijn aantrekkelijk voor varkens. Waar mogelijk wordt de voorkeur gegeven aan velden met bomen of bossen.
2.  
Openluchtruimten bieden een buitenklimaat, alsmede toegang tot beschutting en middelen waarmee varkens hun lichaamstemperatuur kunnen reguleren.



AFDELING 4

PLUIMVEE

Artikel 13

Definities

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a) 

“mestpluimvee”: pluimvee dat bestemd is voor de vleesproductie;

b) 

“koppel”: in het kader van compartimenten in pluimveestallen: een groep vogels die samen worden gehouden zonder zich te vermengen met andere pluimveesoorten, en die een eigen binnen- en buitenruimte hebben;

c) 

“leghaan”: mannelijke kip van leghenrassen die bestemd is voor de vleesproductie;

d) 

“poularde”: vrouwelijke Gallus die bestemd is voor de vleesproductie en geslacht wordt als ze ten minste 120 dagen oud is.

Artikel 14

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte van de binnen- en de buitenruimten

Voor pluimvee is de bezettingsdichtheid en de minimumoppervlakte van de binnen- en buitenruimten zoals voorgeschreven in bijlage I, deel IV.

Artikel 15

Kenmerken van en technische vereisten voor pluimveestallen

1.  

Pluimveestallen zijn zo zijn ontworpen dat alle dieren gemakkelijk toegang hebben tot openluchtruimten. Daartoe gelden de volgende regels:

a) 

de buitenbegrenzing van de pluimveestal heeft openingen die rechtstreeks toegang bieden tot openluchtruimten;

b) 

elke afzonderlijke opening is groot genoeg voor de dieren;

c) 

de dieren hebben een onbelemmerde toegang tot de openingen;

d) 

de openingen van de buitenbegrenzing van de pluimveestal hebben samen een totale lengte van ten minste 4 meter per 100 m2 bruikbare oppervlakte van het minimumoppervlak van de binnenruimte van de pluimveestal;

e) 

hoger gelegen openingen zijn voorzien van een loopplank.

2.  

Voor pluimveestallen met veranda’s gelden de volgende regels:

a) 

de buitenbegrenzing van de pluimveestal, zowel van de binnenstal naar de veranda als van de veranda naar de openluchtruimte, heeft openingen via welke naar binnen of naar buiten kan worden gegaan en die gemakkelijk toegang bieden tot respectievelijk de veranda en de openluchtruimte;

b) 

de openingen van de binnenstal naar de veranda hebben samen een totale lengte van ten minste 2 meter per 100 m2 bruikbare oppervlakte van het minimumoppervlak van de binnenruimte van de pluimveestal en de openingen van de veranda naar de openluchtruimte hebben samen een totale lengte van ten minste 4 meter per 100 m2 bruikbare oppervlakte van het minimumoppervlak van de binnenruimte van de pluimveestal;

c) 

de bruikbare oppervlakte van de veranda telt niet mee bij de berekening van de bezettingsdichtheid en het minimumoppervlak van de binnen- en buitenruimte zoals vastgelegd in bijlage I, deel IV. Wel mag een extra, overdekt buitengedeelte van een gebouw dat bestemd is voor pluimvee en zodanig geïsoleerd is dat het geen buitenklimaat heeft, meetellen bij de berekening van de bezettingsdichtheid en het minimumoppervlak van de binnenruimten als vastgelegd in bijlage I, deel IV, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i) 

het is 24 uur per dag volledig toegankelijk;

ii) 

het voldoet aan de vereisten van bijlage II, deel II, punten 1.6.1 en 1.6.3, bij Verordening (EU) 2018/848;

iii) 

de openingen ervan voldoen aan dezelfde vereisten als die welke onder a) en b) van dit lid gelden voor veranda’s;

d) 

de bruikbare oppervlakte van de veranda maakt geen deel uit van de totale bruikbare oppervlakte van pluimveestallen voor mestpluimvee als bedoeld in bijlage II, deel II, punt 1.9.4.4, onder m), bij Verordening (EU) 2018/848.

3.  

Voor pluimveestallen die zijn onderverdeeld in afzonderlijke compartimenten bedoeld om meerdere koppels te houden, geldt het volgende:

a) 

de compartimenten zorgen ervoor dat contact met andere koppels beperkt is en dat dieren uit verschillende koppels zich in de pluimveestal niet kunnen mengen;

b) 

de volgende maximale grootten van koppels in een enkel compartiment van een pluimveestal zijn van toepassing:

i) 

3 000 ouderdieren Gallus gallus;

ii) 

10 000 jonge hennen;

iii) 

4 800 stuks mestpluimvee Gallus gallus;

iv) 

2 500 kapoenen;

v) 

4 000 poulardes;

vi) 

2 500 kalkoenen;

vii) 

2 500 ganzen;

viii) 

3 200 mannelijke pekingeenden of 4 000 vrouwelijke pekingeenden;

ix) 

3 200 mannelijke Barbarijse eenden of 4 000 vrouwelijke Barbarijse eenden;

x) 

3 200 mannelijke mulardeenden of 4 000 vrouwelijke mulardeenden;

xi) 

5 200 parelhoenders;

c) 

voor ander mestpluimvee dan Gallus gallus zijn de compartimenten gescheiden door dichte tussenschotten. Dergelijke dichte tussenschotten zorgen voor een volledige fysieke afscheiding, van de vloer tot het dak van het gebouw, van elk compartiment van de pluimveestal;

d) 

voor ouderdieren Gallus gallus, leghennen, jonge hennen, leghanen en mestpluimvee Gallus gallus zijn de compartimenten gescheiden door dichte tussenschotten of halfdichte tussenschotten of netten of gaas.

4.  

In pluimveestallen mag gebruik worden gemaakt van etagesystemen. Waar etagesystemen worden gebruikt, gelden de volgende regels:

a) 

ze mogen alleen worden gebruikt voor ouderdieren Gallus gallus, leghennen, jonge hennen voor de toekomstige eierproductie, jonge hennen als toekomstige ouderdieren en leghanen;

b) 

ze bestaan uit maximaal drie etages bruikbare oppervlakte, inclusief de begane grond;

c) 

de hogere etages zijn zo geconstrueerd dat er geen uitwerpselen vallen op de dieren eronder, en zijn uitgerust met een efficiënt mestverwijderingssysteem;

d) 

alle etages bieden de mogelijkheid tot een eenvoudige inspectie van de dieren;

e) 

alle dieren kunnen zich vrij en gemakkelijk bewegen naar de verschillende niveaus of tussenliggende ruimten;

f) 

etagesystemen zijn zo geconstrueerd dat alle dieren gemakkelijk en gelijke toegang hebben tot openluchtruimten.

5.  
Pluimveestallen zijn uitgerust met zitstokken of verhoogde zitniveaus of beide. Stokken of verhoogde zitniveaus of beide moeten beschikbaar zijn als de dieren nog jong zijn, in afmetingen of verhoudingen die passen bij de grootte van de groep en van de dieren zoals vastgelegd in bijlage I, deel IV.
6.  
Mobiele pluimveestallen mogen voor pluimvee worden gebruikt, mits deze tijdens de productiecyclus geregeld worden verplaatst zodat er begroeiing beschikbaar blijft voor de dieren; deze stallen worden ten minste tussen twee partijen pluimvee in verplaatst. De bezettingsdichtheid voor mestpluimvee, zoals vastgelegd in bijlage I, deel IV, punten 4 tot en met 9, kan worden verhoogd tot maximaal 30 kg levend gewicht per m2, mits het vloeroppervlak van de mobiele stal niet groter is dan 150 m2.

Artikel 16

Begroeiingsvereisten en kenmerken van openluchtruimten

1.  
Openluchtruimten zijn aantrekkelijk voor het pluimvee en zijn volledig toegankelijk voor alle dieren.
2.  
Bij pluimveestallen die in afzonderlijke compartimenten zijn onderverdeeld om meerdere koppels te herbergen, zijn de openluchtruimten van de afzonderlijke compartimenten van elkaar gescheiden zodat het contact tussen de koppels beperkt blijft en dieren uit verschillende koppels zich niet kunnen mengen.
3.  
De openluchtruimten van pluimvee zijn voor het grootste deel bedekt met een gevarieerde begroeiing.
4.  
De openluchtruimten bieden de dieren over de gehele open ruimte voldoende schuilvoorzieningen of beschutting of struiken of bomen zodat de dieren de gehele openluchtruimte gelijkmatig benutten.
5.  
De begroeiing van de openluchtruimte wordt geregeld onderhouden om een mogelijk overschot aan nutriënten te voorkomen.
6.  
De openluchtruimte strekt zich niet verder uit dan 150 m van de dichtstbij gelegen opening van de pluimveestal. Echter, een uitbreiding tot 350 m van de dichtstbijzijnde opening van het gebouw is toegestaan mits voldoende plekken die beschutting bieden tegen slecht weer en roofdieren, gelijkmatig over de openluchtruimte zijn verdeeld, met ten minste vier beschutte plekken per hectare. De openluchtruimte biedt ganzen de mogelijkheid om te voorzien in hun behoefte om gras te eten.



AFDELING 5

KONIJNEN

Artikel 17

Minimumperiode voor het voeden van dieren met moedermelk

De in bijlage II, deel II, punt 1.4.1, onder g), bij Verordening (EU) 2018/848 bedoelde minimumperiode voor het voeden van jonge konijnen met bij voorkeur moedermelk bedraagt 42 dagen, gerekend vanaf de geboorte.

Artikel 18

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte van de binnen- en de buitenruimten

Voor konijnen is de bezettingsdichtheid en het minimumoppervlak van de binnen- en buitenruimten zoals voorzien in bijlage I, deel V.

Artikel 19

Kenmerken van en technische vereisten voor mobiele en vaste huisvesting

1.  
Tijdens het graasseizoen worden konijnen in mobiele huisvesting op weidegrond of in vaste huisvesting met toegang tot weidegrond gehouden.
2.  
Buiten het graasseizoen mogen konijnen worden gehouden in vaste huisvesting met toegang tot een buitenren met begroeiing, bij voorkeur weidegrond.
3.  
Mobiele huisvesting op weidegrond wordt zo vaak mogelijk verplaatst zodat optimaal gebruik wordt gemaakt van de graasweidegrond, en is zo geconstrueerd dat konijnen de weidegrond op de vloer kunnen afgrazen.

Artikel 20

Kenmerken van en technische vereisten voor de binnen- en de buitenruimten

1.  

De binnenruimte van mobiele en vaste huisvesting is zodanig geconstrueerd dat:

a) 

de hoogte voldoende is om konijnen rechtop te laten staan met gespitste oren;

b) 

de ruimte verschillende groepen konijnen kan herbergen en de mogelijkheid biedt om de jongen uit één nest bijeen te houden bij de overgang naar de mestfase;

c) 

het voor rammen en drachtige en geslachtsrijpe fokvoedsters mogelijk is om om specifieke dierenwelzijnsredenen en voor een beperkte periode te worden gescheiden van de groep, mits ze oogcontact kunnen houden met andere konijnen;

d) 

het voor de voedster mogelijk is om weg te gaan van het nest en terug te keren naar het nest om de jongen te zogen;

e) 

de binnenruimte voorziet in:

i) 

beschutte plekken, met inbegrip van donkere schuilplaatsen in voldoende aantal voor alle categorieën van konijnen;

ii) 

toegang tot de nesten van alle voedsters ten minste één week vóór de verwachte datum van de worp en ten minste tot aan het eind van de zoogperiode;

iii) 

toegang tot voldoende nesten voor de jongen, met ten minste één nest per zogende voedster met jongen;

iv) 

knaagmateriaal voor de konijnen.

2.  

De buitenruimte van vaste huisvesting wordt als volgt geconstrueerd:

a) 

de ruimte bevat voldoende verhoogde platforms die gelijkelijk zijn verdeeld over de minimumoppervlakte ervan;

b) 

de ruimte is omsloten met hekken die hoog en diep genoeg zijn om te voorkomen dat de dieren ontsnappen door er overheen te springen of er onderdoor te graven;

c) 

is de ruimte deels van beton, dan is er gemakkelijk toegang tot het deel van de buitenren dat begroeiing bevat. Zonder zo’n gemakkelijke toegang telt het oppervlak van het betonnen gedeelte niet mee bij de berekening van het minimumoppervlak van de buitenruimte;

d) 

de buitenruimte biedt:

i) 

alle categorieën konijnen voldoende beschutte plekken, met inbegrip van donkere schuilplaatsen;

ii) 

knaagmateriaal voor de konijnen.

Artikel 21

Begroeiingsvereisten en kenmerken van openluchtruimten

1.  
De begroeiing van de buitenrennen worden regelmatig onderhouden, en zodanig dat deze aantrekkelijk is voor konijnen.
2.  
Tijdens het graasseizoen wordt geregeld gewisseld van weidegrond, die zodanig wordt beheerd dat de konijnen optimaal kunnen grazen.



HOOFDSTUK III

AQUACULTUURDIEREN

Artikel 22

Uitvoeringsvoorschriften voor aquacultuurdieren per soort of groep van soorten

Exploitanten die aquacultuurdieren produceren, voldoen aan de in bijlage II per soort of groep van soorten vastgelegde gedetailleerde regels voor de bezettingsdichtheid en de specifieke kenmerken van productiesystemen en inperkingssystemen.



HOOFDSTUK IV

VERWERKTE LEVENSMIDDELEN EN VERWERKTE DIERVOEDERS

Artikel 23

Technieken die zijn toegestaan bij de verwerking van levensmiddelen

1.  
Alleen technieken die voldoen aan de beginselen van hoofdstuk II van Verordening (EU) 2018/848, en met name aan de in artikel 7 vastgelegde relevante specifieke beginselen voor de verwerking van biologische levensmiddelen, aan de relevante voorschriften van hoofdstuk III van die verordening en aan de gedetailleerde productievoorschriften van bijlage II, deel IV, bij die verordening, zijn in de biologische productie toegestaan bij de verwerking van levensmiddelen.
2.  

Onverminderd bijlage II, deel VI, punt 3, bij Verordening (EU) 2018/848 zijn technieken met ionenwisselaar- en adsorptieharsen toegestaan wanneer deze worden gebruikt bij de bereiding van biologische grondstoffen voor:

a) 

producten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder respectievelijk a) en b), van Verordening (EU) nr. 609/2013, mits het gebruik van die technieken nodig is om te voldoen aan die verordening en aan handelingen die voor de betrokken producten zijn vastgesteld op basis van artikel 11, lid 1, van die verordening, en

b) 

producten die onder Richtlijn 2006/125/EG vallen, mits het gebruik van die technieken nodig is om te voldoen aan die richtlijn.

3.  
Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een specifieke techniek moet worden beoordeeld op de naleving van de beginselen en voorschriften van lid 1 of dat bepaalde specifieke voorwaarden voor het gebruik van die techniek moeten worden opgenomen in deze verordening, kan hij de Commissie verzoeken om een dergelijke beoordeling te verrichten. Daartoe doet hij de Commissie en de andere lidstaten een dossier toekomen met opgave van de redenen voor een dergelijke naleving of die specifieke voorwaarden en zorgt hij ervoor dat het dossier openbaar wordt gemaakt, met inachtneming van de nationale en Uniewetgeving inzake gegevensbescherming.

De Commissie publiceert regelmatig alle in de eerste alinea bedoelde verzoeken.

4.  
De Commissie onderwerpt het in lid 3 bedoelde dossier aan een analyse. Wijst de analyse van de Commissie uit dat de in het dossier beschreven techniek voldoet aan de in lid 1 bedoelde beginselen en voorschriften, dan wijzigt de Commissie deze verordening en wordt de in het dossier genoemde techniek uitdrukkelijk toegestaan of worden de specifieke voorwaarden voor het gebruik ervan in deze verordening opgenomen.
5.  
De Commissie evalueert de goedkeuring van de technieken voor de verwerking van biologische levensmiddelen, met inbegrip van de beschrijving en voorwaarden voor het gebruik ervan, wanneer nieuw bewijs beschikbaar komt of door een lidstaat geleverd wordt.

Artikel 24

Technieken die zijn toegestaan bij de verwerking van diervoeders

1.  
Alleen technieken die voldoen aan de beginselen van hoofdstuk II van Verordening (EU) 2018/848, en met name aan de in artikel 8 vastgelegde relevante specifieke beginselen voor de verwerking van biologische diervoeders, aan de relevante voorschriften van hoofdstuk III van die verordening en aan de gedetailleerde productievoorschriften van bijlage II, deel V, bij die verordening en die geen eigenschappen herstellen die bij de verwerking en opslag van biologische diervoeders verloren zijn gegaan, die de gevolgen van nalatigheid bij de verwerking van deze producten niet ongedaan maken of die anderszins misleidend kunnen zijn met betrekking tot de ware aard van deze producten, zijn in de biologische productie toegestaan bij de verwerking van diervoeders.
2.  
Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een specifieke techniek moet worden beoordeeld op de naleving van de beginselen en voorschriften van lid 1 of dat bepaalde specifieke voorwaarden voor het gebruik van die techniek moeten worden opgenomen in deze verordening, kan hij de Commissie verzoeken om een dergelijke beoordeling te verrichten. Daartoe doet hij de Commissie en de andere lidstaten een dossier toekomen met opgave van de redenen voor een dergelijke naleving of die specifieke voorwaarden en zorgt hij ervoor dat het dossier openbaar wordt gemaakt, met inachtneming van de nationale en Uniewetgeving inzake gegevensbescherming.

De Commissie publiceert regelmatig alle in de eerste alinea bedoelde verzoeken.

3.  
De Commissie onderwerpt het in lid 2 bedoelde dossier aan een analyse. Wijst de analyse van de Commissie uit dat de in het dossier beschreven techniek voldoet aan de in lid 1 bedoelde beginselen en voorschriften, dan wijzigt de Commissie deze verordening en wordt de in het dossier genoemde techniek uitdrukkelijk toegestaan of worden de specifieke voorwaarden voor het gebruik ervan in deze verordening opgenomen.
4.  
De Commissie evalueert de goedkeuring van de technieken voor de verwerking van biologische diervoeders, met inbegrip van de beschrijving en voorwaarden voor het gebruik ervan, wanneer nieuw bewijs beschikbaar komt of door een lidstaat geleverd wordt.



HOOFDSTUK V

INFORMATIE OVER DE BESCHIKBAARHEID OP DE MARKT VAN BIOLOGISCH PLANTAARDIG TEELTMATERIAAL EN PLANTAARDIG OMSCHAKELINGSTEELTMATERIAAL, BIOLOGISCHE DIEREN EN BIOLOGISCHE AQUACULTUURJUVENIELEN

Artikel 25

Door de lidstaten te verstrekken informatie

1.  
De lidstaten verstrekken de informatie die krachtens artikel 53, lid 6, onder a), van Verordening (EU) 2018/848 beschikbaar moet worden gesteld uit de databank, als bedoeld in artikel 26, lid 1, en de systemen als bedoeld in artikel 26, lid 2, en in voorkomend geval in artikel 26, lid 3, van die verordening, overeenkomstig de specificaties van bijlage III, deel I, bij de onderhavige verordening.
2.  
De lidstaten verstrekken de krachtens artikel 53, lid 6, onder b), van Verordening (EU) 2018/848 beschikbaar te stellen informatie over de afwijkingen die overeenkomstig bijlage II, deel I, punt 1.8.5, bij die verordening en overeenkomstig diezelfde bijlage, deel II, punten 1.3.4.3 en 1.3.4.4, zijn toegekend, overeenkomstig de specificaties van bijlage III, deel II, bij de onderhavige verordening.
3.  
De lidstaten verstrekken de krachtens artikel 53, lid 6, onder c), van Verordening (EU) 2018/848 beschikbaar te stellen informatie over de beschikbaarheid op de Uniemarkt van biologische eiwithoudende diervoeders voor pluimvee en varkens en over de goedkeuring die is verleend overeenkomstig bijlage II, deel II, punten 1.9.3.1, onder c), en 1.9.4.2, onder c), bij die verordening, in een door hen ingevulde vragenlijst die de Commissie jaarlijks aan hen toezendt.
4.  
De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde informatie wordt verstrekt in het formaat en via het systeem zoals beschikbaar gesteld door de Commissie. ►M1  Die informatie wordt jaarlijks uiterlijk op 30 juni en voor het eerst uiterlijk op 30 juni 2023 over het jaar 2022 verstrekt. ◄
5.  
De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie die overeenkomstig artikel 53, lid 6, van Verordening (EU) 2018/848 is ontvangen van de lidstaten, wordt opgenomen in de databank als bedoeld in artikel 26, lid 1, en in de systemen als bedoeld in artikel 26, lid 2, en in voorkomend geval artikel 26, lid 3, van die verordening.



HOOFDSTUK VI

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 26

Overgangsbepalingen

1.  
In afwijking van hoofdstuk II, afdeling 3, van deze verordening voldoen bedrijven of productie-eenheden met varkens in voorzieningen die overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 834/2007 en (EG) nr. 889/2008 zijn gebouwd, heringericht of in gebruik zijn genomen vóór de datum van toepassing van de onderhavige verordening en waarvoor een ingrijpende reconstructie van externe voorzieningen nodig is om te voldoen aan het vereiste van artikel 11 van de onderhavige verordening dat ten minste de helft van het oppervlak van de buitenruimte uit een dichte constructie moet bestaan, ►M1  uiterlijk met ingang van 1 januari 2030 ◄ aan dat artikel.
2.  
In afwijking van hoofdstuk II, afdeling 4, van deze verordening voldoen bedrijven of productie-eenheden met pluimveestallen die overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 834/2007 en (EG) nr. 889/2008 zijn gebouwd, heringericht of in gebruik zijn genomen vóór de datum van toepassing van de onderhavige verordening en waarvoor een vernieuwing van het dierenverblijf nodig is om te voldoen aan het in artikel 15, lid 2, onder b), van deze verordening vastgelegde vereiste inzake de totale lengte van luiken van de binnenstal naar de veranda, ►M1  uiterlijk met ingang van 1 januari 2025 ◄ aan dat punt.
3.  
In afwijking van hoofdstuk II, afdeling 4, van deze verordening voldoen bedrijven of productie-eenheden met pluimveestallen met een buitengedeelte die overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 834/2007 en (EG) nr. 889/2008 zijn gebouwd, heringericht of in gebruik zijn genomen vóór de datum van toepassing van de onderhavige verordening en waarvoor een aanzienlijke verlaging van de bezettingsdichtheid van de binnenruimte of een vernieuwing van de gebouwen nodig is om te voldoen aan de bijlage I, deel IV, bij deze verordening vastgelegde vereisten inzake de berekening van de bezettingsdichtheid en de minimumbinnenruimte met inachtneming van artikel 15, lid 2, onder c), ►M1  uiterlijk met ingang van 1 januari 2025 ◄ aan die bepalingen.
4.  
In afwijking van hoofdstuk II, afdeling 4, van deze verordening voldoen bedrijven of productie-eenheden met pluimveestallen die overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 834/2007 en (EG) nr. 889/2008 zijn gebouwd, heringericht of in gebruik zijn genomen vóór de datum van toepassing van de onderhavige verordening en waarvoor een vernieuwing van het dierenverblijf of een vervanging van de uitrusting nodig is om te voldoen aan het in artikel 15, lid 3, onder c), vastgelegde vereiste inzake dichte tussenschotten of aan het in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgelegde vereiste inzake zitstokken of verhoogde zitniveaus, ►M1  uiterlijk met ingang van 1 januari 2025 ◄ aan die bepalingen.
5.  
In afwijking van hoofdstuk II, afdeling 4, van deze verordening voldoen bedrijven of productie-eenheden met pluimveestallen met etagesystemen die overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 834/2007 en (EG) nr. 889/2008 zijn gebouwd, heringericht of in gebruik zijn genomen vóór de datum van toepassing van de onderhavige verordening en waarvoor een ingrijpende herinrichting van het dierenverblijf of een vervanging van de uitrusting nodig is om te voldoen aan de vereisten inzake het maximumaantal etages en inzake het mestverwijderingssysteem, zoals vastgelegd in artikel 15, lid 4, onder respectievelijk b) en c), van de onderhavige verordening, ►M1  uiterlijk met ingang van 1 januari 2030 ◄ aan die punten.
6.  
In afwijking van hoofdstuk II, afdeling 4, van deze verordening voldoen bedrijven of productie-eenheden met pluimveestallen met een openluchtruimte waarvan de buitengrens meer dan 150 m verwijderd is van het dichtstbij gelegen luik van de pluimveestal om naar binnen of naar buiten te gaan, die overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 834/2007 en (EG) nr. 889/2008 zijn gebouwd, heringericht of in gebruik zijn genomen vóór de datum van toepassing van de onderhavige verordening en waarvoor ingrijpende aanpassingen van de structuur van de voorzieningen nodig zijn of extra grond moet worden verworven om te voldoen aan het in artikel 16, lid 6, van deze verordening vastgelegde vereiste inzake de maximale buitengrens, ►M1  uiterlijk met ingang van 1 januari 2030 ◄ aan die bepaling.
7.  
In afwijking van bijlage I, deel IV, punt 2, bij de onderhavige verordening voldoen bedrijven of productie-eenheden die jonge hennen produceren in pluimveevoorzieningen die overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 834/2007 en (EG) nr. 889/2008 zijn gebouwd, heringericht of in gebruik zijn genomen vóór de datum van toepassing van de onderhavige verordening en waarvoor ingrijpende aanpassingen van de structuur van de pluimveestallen nodig zijn of extra grond moet worden verworven om te voldoen aan de voorschriften van bijlage I, deel IV, punt 2, bij de onderhavige verordening, ►M1  uiterlijk met ingang van 1 januari 2030 ◄ aan de bezettingsdichtheid en het minimumoppervlak van de binnen- en buitenruimte voor jonge hennen en leghanen, zoals vastgelegd in bijlage I, deel IV, punt 2, bij de onderhavige verordening.

Artikel 27

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

▼M1

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2022.

▼B

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

VOORSCHRIFTEN VOOR DE BEZETTINGSDICHTHEID EN DE MINIMUMOPPERVLAKTE VAN DE BINNEN- EN DE BUITENRUIMTE VOOR DIEREN ALS BEDOELD IN HOOFDSTUK II

Deel I: Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte van de binnen- en de buitenruimte voor runderen, schapen, geiten en paardachtigen als bedoeld in artikel 3

1.   Runderen



 

Binnenruimte

(voor de dieren beschikbare nettoruimte)

Buitenruimte

(bewegingsruimte, behalve weidegrond)

 

levend gewicht (kg)

m2/dier

m2/dier

 

t/m 100

1,5

1,1

t/m 200

2,5

1,9

t/m 350

4,0

3

meer dan 350

5 en ten minste 1 m2/100 kg

3,7 en ten minste 0,75 m2/100 kg

Melkkoeien

 

6

4,5

Fokstieren

 

10

30

2.   Schapen en geiten



 

Binnenruimte

(voor de dieren beschikbare nettoruimte)

Buitenruimte

(bewegingsruimte, behalve weidegrond)

 

m2/dier

m2/dier

Schapen

1,5

2,5

Lammeren

0,35

0,5

Geiten

1,5

2,5

Jonge geiten

0,35

0,5

3.   Paardachtigen



 

Binnenruimte

(voor de dieren beschikbare nettoruimte)

Buitenruimte

(bewegingsruimte, behalve weidegrond)

 

levend gewicht (kg)

m2/dier [grootte van de boxen afhankelijk van de schofthoogte van de paarden]

m2/dier

Paardachtigen voor fok- en mestdoeleinden

t/m 100

1,5

1,1

t/m 200

2,5

1,9

t/m 350

4,0

3

meer dan 350

5 en ten minste 1 m2/100 kg

3,7 en ten minste 0,75 m2/100 kg

Deel II: Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte van de buitenruimte voor hertachtigen als bedoeld in artikel 6



Soort

hertachtige

Minimumoppervlakte buitenruimte per omheinde ruimte

Bezettingsdichtheid — maximumaantal volwassen dieren (*1) per ha

Sikahert

Cervus nippon

1 ha

15

Damhert

Dama dama

1 ha

15

Edelhert

Cervus elaphus

2 ha

7

Paterdavidshert

Elaphurus davidianus

2 ha

7

Meer dan één soort hertachtige

3 ha

7 indien edelherten of paterdavidsherten deel uitmaken van de kudde;

15 indien edelherten noch paterdavidsherten deel uitmaken van de kudde

(*1)   

Twee hertachtigen van ten hoogste 18 maanden oud tellen voor één hertachtige.

Deel III: Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte van de binnen- en de buitenruimte voor varkens als bedoeld in artikel 10



 

 

Binnenruimte (voor varkens beschikbare nettoruimte, d.w.z. binnenafmetingen, inclusief troggen, maar exclusief feeders waarin de varkens niet kunnen liggen)

Buitenruimte

 

levend gewicht (kg)

m2/dier

m2/dier

Zogende zeugen met biggen tot de spening

 

7,5 per zeug

2,5

Mestvarkens,

gespeende varkens, mannelijke en vrouwelijke gebruiksvarkens, gelten

t/m 35 kg

0,6

0,4

meer dan 35 kg doch niet meer dan 50 kg

0,8

0,6

meer dan 50 kg doch niet meer dan 85 kg

1,1

0,8

meer dan 85 kg doch niet meer dan 110 kg

1,3

1

meer dan 110 kg/m2

1,5

1,2

Vrouwelijke fokvarkens,

guste en drachtige zeugen

 

2,5

1,9

Mannelijke fokvarkens,

beren

 

6

10, indien de boxen worden gebruikt voor natuurlijke dekking

8

Deel IV: Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte van de binnen- en de buitenruimte voor pluimvee als bedoeld in artikel 14 en artikel 15, lid 2, onder c), en lid 6, en zitstokken en verhoogde zitniveaus als bedoeld in artikel 15, lid 5

1.   Ouderdieren Gallus gallus bestemd voor de productie van broedeieren voor toekomstige leghennen en ouderdieren bestemd voor de productie van broedeieren voor toekomstige mestkippen Gallus gallus



Leeftijd

≥ 18 weken

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte binnenruimte

Maximumaantal broedvogels per m2 bruikbare oppervlakte van de binnenruimte van de pluimveestal

6

Zitstokken voor broedvogels voor toekomstige leghennen

Minimumlengte zitstok in cm/vogel

18

Nesten

7 vrouwelijke dieren per nest of, in geval van een gemeenschappelijk nest, 120 cm2/vrouwelijk dier

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte buitenruimte

Minimumoppervlakte buitenruimte in m2 per dier

4

2.   Jonge hennen en leghanen



Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte binnenruimte

Bezettingsdichtheid per m2 bruikbare oppervlakte van de binnenruimte van de pluimveestal

21 kg levend gewicht/m2

Zitstokken of verhoogde zitniveaus of beide

Elke combinatie van zitstokken of verhoogde zitniveaus of beide, met:

minimaal 10 cm zitstok/vogel

of

minimaal 100 cm2 verhoogd zitniveau/vogel

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte buitenruimte

Minimumoppervlakte buitenruimte in m2 per vogel

1

3.   Leghennen, inclusief dubbeldoelrassen voor de vlees- en eierproductie



Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte binnenruimte

Maximumaantal vogels per m2 bruikbare oppervlakte van de binnenruimte van de pluimveestal

6

Zitstokken

Minimumlengte zitstok in cm/vogel

18

Nesten

7 leghennen per nest of, in geval van een gemeenschappelijk nest, 120 cm2/leghen

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte buitenruimte

Minimumoppervlakte buitenruimte in m2 per vogel

4

4.   Mestpluimvee Gallus gallus



Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte binnenruimte

Bezettingsdichtheid per m2 bruikbare oppervlakte van de binnenruimte van de pluimveestal

21 kg levend gewicht/m2

Zitstokken of verhoogde zitniveaus of beide

Elke combinatie van zitstokken of verhoogde zitniveaus of beide, met:

minimaal 5 cm zitstok/vogel

of minimaal 25 cm2 verhoogd zitniveau/vogel

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte buitenruimte van vaste stal

Minimumoppervlakte buitenruimte in m2 per vogel

4

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte buitenruimte van mobiele stal

Minimumoppervlakte buitenruimte in m2 per vogel

2,5

5.   Mestpluimvee Gallus gallus: kapoenen en poulardes



Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte binnenruimte

Bezettingsdichtheid per m2 bruikbare oppervlakte van de binnenruimte van de pluimveestal

21 kg levend gewicht/m2

Zitstokken of verhoogde zitniveaus of beide

Elke combinatie van zitstokken of verhoogde zitniveaus of beide, met:

minimaal 5 cm zitstok/vogel

of minimaal 25 cm2 verhoogd zitniveau/vogel

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte buitenruimte

Minimumoppervlakte buitenruimte in m2 per vogel

4

6.   Ander mestpluimvee dan Gallus gallus: kalkoenen Meleagris gallopavo die als hele braadkalkoen op de markt worden gebracht of bestemd zijn om te worden versneden



Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte binnenruimte

Bezettingsdichtheid per m2 bruikbare oppervlakte van de binnenruimte van de pluimveestal

21 kg levend gewicht/m2

Zitstokken of verhoogde zitniveaus of beide

Elke combinatie van zitstokken of verhoogde zitniveaus of beide, met:

minimaal 10 cm zitstok/vogel

of minimaal 100 cm2 verhoogd zitniveau/vogel

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte buitenruimte

Minimumoppervlakte buitenruimte in m2 per vogel

10

7.   Ander mestpluimvee dan Gallus gallus: ganzen Anser anser domesticus



Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte binnenruimte

Bezettingsdichtheid per m2 bruikbare oppervlakte van de binnenruimte van de pluimveestal

21 kg levend gewicht/m2

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte buitenruimte

Minimumoppervlakte buitenruimte in m2 per vogel

15

8.   Ander mestpluimvee dan Gallus gallus: pekingeenden Anas platyrhynchos domesticus, Barbarijse eenden Cairina moschata en hybriden en mulardeenden Cairina moschata × Anas platyrhynchos



Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte binnenruimte

Bezettingsdichtheid per m2 bruikbare oppervlakte van de binnenruimte van de pluimveestal

21 kg levend gewicht/m2

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte buitenruimte

Minimumoppervlakte buitenruimte in m2 per vogel

4,5

9.   Ander mestpluimvee dan Gallus gallus: parelhoenders Numida meleagris f. domestica



Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte binnenruimte

Bezettingsdichtheid per m2 bruikbare oppervlakte van de binnenruimte van de pluimveestal

21 kg levend gewicht/m2

Zitstokken of verhoogde zitniveaus of beide

Elke combinatie van zitstokken of verhoogde zitniveaus of beide, met:

minimaal 5 cm zitstok/vogel

of minimaal 25 cm2 verhoogd zitniveau/vogel

Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte buitenruimte

Minimumoppervlakte buitenruimte in m2 per vogel

4

Deel V: Bezettingsdichtheid en minimumoppervlakte van de binnen- en de buitenruimte voor konijnen als bedoeld in artikel 18

1.   Binnenruimte



 

Binnenruimte

(netto bruikbare oppervlakte per dier, exclusief platforms, in m2/dier) als rustruimte

Vaste huisvesting

Binnenruimte

(netto bruikbare oppervlakte per dier, exclusief platforms, in m2/dier) als rustruimte

Mobiele huisvesting

Zogende voedsters met jongen tot de spening

0,6 m2/voedster met jongen, bij een levend gewicht van de voedster van minder dan 6 kg

0,72 m2/voedster met jongen, bij een levend gewicht van de voedster van meer dan 6 kg

0,6 m2/voedster met jongen, bij een levend gewicht van de voedster van minder dan 6 kg

0,72 m2/voedster met jongen, bij een levend gewicht van de voedster van meer dan 6 kg

Drachtige voedsters en geslachtsrijpe vrouwelijke fokkonijnen

0,5 m2/drachtige voedster of geslachtsrijp vrouwelijk fokkonijn bij een levend gewicht van minder dan 6 kg

0,62 m2/drachtige voedster of geslachtsrijp vrouwelijk fokkonijn bij een levend gewicht van meer dan 6 kg

0,5 m2/drachtige voedster of geslachtsrijp vrouwelijk fokkonijn bij een levend gewicht van minder dan 6 kg

0,62 m2/drachtige voedster of geslachtsrijp vrouwelijk fokkonijn bij een levend gewicht van meer dan 6 kg

Mestkonijnen vanaf de spening tot de slacht

Vervangende konijnen (eind van de mest tot zes maanden)

0,2

0,15

Volwassen rammen

0,6

1, indien de ram de ruimte deelt met voedsters die moeten worden gedekt

0,6

1, indien de ram de ruimte deelt met voedsters die moeten worden gedekt

2.   Buitenruimte



 

Buitenruimte (buitenren met begroeiing, bij voorkeur weidegrond)

(netto bruikbare oppervlakte per dier, exclusief platforms, in m2/dier)

Vaste huisvesting

Buitenruimte

(netto bruikbare oppervlakte per dier, exclusief platforms, in m2/dier)

Mobiele huisvesting

Zogende voedsters met jongen tot de spening

2,5 m2/voedster met jongen

2,5 m2/voedster met jongen

Drachtige voedsters/geslachtsrijpe vrouwelijke fokkonijnen

2,5

2,5

Mestkonijnen vanaf de spening tot de slacht

Vervangende konijnen (eind van de mest tot zes maanden)

0,5

0,4

Volwassen rammen

2,5

2,5




BIJLAGE II

GEDETAILLEERDE VOORSCHRIFTEN VOOR DE BEZETTINGSDICHTHEID EN DE SPECIFIEKE KENMERKEN VAN PRODUCTIESYSTEMEN EN INPERKINGSSYSTEMEN VOOR AQUACULTUURDIEREN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 22

Deel I: Salmonidae in zoet water

Zeeforel (Salmo trutta) — Regenboogforel (Oncorhynchus mykiss) — Bronforel (Salvelinus fontinalis) — Zalm (Salmo salar) — Riddervis (Salvelinus alpinus) — Vlagzalm (Thymallus thymallus) — Amerikaanse meerforel (Salvelinus namaycush) — Donauzalm (Hucho hucho)



Productiesysteem

Het water in opkweeksystemen moet afkomstig zijn uit een open circuit. Het stroomniveau moet een zuurstofsaturatie in het bestand van ten minste 60 % opleveren en moet borg staan voor het welbevinden van de dieren en de afvoer van effluenten.

Maximale bezettingsdichtheid

Andere dan hieronder genoemde salmonidae: 15 kg/m3

Zalm: 20 kg/m3

Zeeforel en regenboogforel: 25 kg/m3

Riddervis: 25 kg/m3

Deel II: Salmonidae in zeewater

Zalm (Salmo salar) — zeeforel (Salmo trutta) — regenboogforel (Oncorhynchus mykiss)



Maximale bezettingsdichtheid

10 kg/m3 in pens

Deel III: Kabeljauw (Gadus morhua) en andere gadidae, zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudbrasem (Sparus aurata), ombervis (Argyrosomus regius), tarbot ((Psetta maxima [= Scopthalmus maximux]), gewone zeebrasem (Pagrus pagrus [= Sparus pagrus]), rode ombervis (Sciaenops ocellatus) en andere sparidae, en konijnvissen (Siganus spp.)



Productiesysteem

In open water gelegen inperkingssystemen (pens/kooien) met een minimumzeestroming die zorgt voor een optimaal welzijn van de vis, of open systemen aan land.

Maximale bezettingsdichtheid

Andere vis dan tarbot: 15 kg/m3

Tarbot: 25 kg/m2

Deel IV: Zeebaars, goudbrasem, ombervis, harder (Liza, Mugil) en paling (Anguilla spp.) in in getijdengebieden en kustlagunes gelegen aarden vijvers



Inperkingssysteem

Traditionele zoutpannen, ingericht als aquacultuurproductie-eenheden en soortgelijke aarden vijvers in getijdengebieden

Productiesysteem

Het water moet voldoende worden vernieuwd om het welzijn van de soort te waarborgen. Ten minste 50 % van de boorden moet met planten begroeid zijn. In waterrijk gebied gelegen zuiveringsvijvers zijn vereist.

Maximale bezettingsdichtheid

4 kg/m3

Deel V: Steur in zoet water

Betrokken soorten: Acipenser-familie



Productiesysteem

Er moet voldoende stroming in elke kweekeenheid zijn om het welzijn van de dieren te waarborgen.

De waterkwaliteit van de effluenten moet dezelfde zijn als die van het instromende water.

Maximale bezettingsdichtheid

30 kg/m3

Deel VI: Vis in binnenwateren

Betrokken soorten: de karperfamilie (Cyprinidae) en andere verwante soorten in het kader van polycultuur, met inbegrip van baars, snoek, zeewolf, coregonidae en steur.

Baars (Perca fluviatilis) in monocultuur.



Productiesysteem

In visvijvers die geregeld volledig moeten worden geleegd, en in meren. In en om de meren mag uitsluitend biologisch worden geproduceerd (dit geldt dus ook voor de eventuele teelt van gewassen).

Het vangstgebied moet uitgerust zijn met een klep waarlangs schoon water instroomt en moet met het oog op het welbevinden van de vis voldoende groot zijn. De vis moet na de oogst worden bewaard in schoon water.

Rond de in de binnenwateren gelegen eenheden moeten gebieden met natuurlijke vegetatie worden onderhouden als buffer tegen terreinen waar niet overeenkomstig de voorschriften van de biologische aquacultuur wordt gekweekt.

Bij de opkweek moet gebruik worden gemaakt van “polycultuur” indien de criteria die in deze specificaties zijn vastgesteld voor andere meersoorten, in acht zijn genomen.

Maximale bezettingsdichtheid

De totale productie van de soorten blijft beperkt tot 1 500 kg vis per hectare per jaar (aangegeven als kweekopbrengst vanwege de specifieke kenmerken van het productiesysteem).

Maximale bezettingsdichtheid alleen voor baars in monocultuur

20 kg/m3

Deel VII: Peneïdegarnalen en zoetwatergarnalen (Macrobrachium spp.)



Productiesysteem

In steriele kleigebieden om de impact van de vijveraanleg op het milieu tot een minimum te beperken. De vijvers moeten worden aangelegd met de op de locatie voorkomende natuurklei.

Maximale bezettingsdichtheid

Broed: maximaal 22 post-larven/m2

Maximale biomassa per eenheidsgebied: 240 g/m2

Deel VIII: Rivierkreeft

Betrokken soort: Astacus astacus.



Maximale bezettingsdichtheid

Voor kleine rivierkreeften (< 20 mm): 100 individuen per m2.

Voor middelgrote rivierkreeften (20-50 mm): 30 individuen per m2.

Voor volwassen rivierkreeften (> 50 mm): 5 individuen per m2, op voorwaarde dat de dieren over adequate schuilplaatsen beschikken.

Deel IX: Weekdieren en stekelhuidigen



Productiesysteem

Beugen, vlotten, bodemteelt, zakken, kooien, bakken, lantaarnnetten, bouchotpalen en andere inperkingssystemen. Voor de mosselkweek op vlotten mag per vierkante meter oppervlakte niet meer dan één touw worden gebruikt. De touwlengte mag maximaal 20 meter bedragen. De mosselen mogen tijdens de productiecyclus niet van de touwen worden gesplitst, maar de touwen mogen worden opgesplitst mits de bezettingsdichtheid niet wordt verhoogd.

Deel X: Tropische zoetwatervis: melkvis (Chanos chanos), tilapia (Oreochromis spp.), pangasius (Pangasius spp.)



Productiesysteem

Vijvers en pens

Maximale bezettingsdichtheid

Pangasius: 10 kg/m3

Oreochromis: 20 kg/m3




BIJLAGE III

DOOR DE LIDSTATEN TE VERSTREKKEN INFORMATIE ALS BEDOELD IN ARTIKEL 25

Deel I: Informatie uit de databank als bedoeld in artikel 26, lid 1, en de systemen als bedoeld in artikel 26, lid 2, en in voorkomend geval artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) 2018/848

1. 

De informatie over de beschikbaarheid van biologisch plantaardig teeltmateriaal en plantaardig omschakelingsteeltmateriaal, met uitsluiting van zaailingen maar met inbegrip van pootaardappelen, bevat voor elke specifieke categorie die is opgeslagen in de databank als bedoeld in artikel 26, lid 1, of in de systemen als bedoeld in 26, lid 2, onder a), van Verordening (EU) 2018/848, de volgende elementen:

— 
de wetenschappelijke en gewone naam (gewone en Latijnse naam);
— 
de soort of de benaming van het heterogeen materiaal;
— 
de beschikbare omschakelingshoeveelheid volgens de ramingen van de exploitanten (totaal aantal eenheden of zaaizaadgewicht);
— 
de beschikbare biologische hoeveelheid volgens de ramingen van de exploitanten (totaal aantal eenheden of zaaizaadgewicht);
— 
het aantal exploitanten dat op vrijwillige basis informatie uit hoofde van artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) 2018/848 heeft geüpload.

Voor de toepassing van dit punt wordt onder “zaailing” verstaan een jonge plant die niet is gestekt, maar uit zaaizaad is voortgekomen.

2. 

De informatie over de beschikbaarheid van biologische aquacultuurjuvenielen bevat voor elke soort die is opgeslagen in de systemen als bedoeld in 26, lid 2, onder c), van Verordening (EU) 2018/848, de volgende elementen:

— 
de soort en het geslacht (gewone en Latijnse naam);
— 
de rassen en stammen, indien van toepassing;
— 
de levensfase (zoals eieren, broed, juvenielen) van het als biologisch te koop aangeboden product;
— 
de beschikbare hoeveelheid volgens de ramingen van de exploitanten;
— 
de gezondheidsstatus als bedoeld in Richtlijn 2006/88/EG van de Raad ( 2 );
— 
het aantal exploitanten dat op vrijwillige basis informatie uit hoofde van artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) 2018/848 heeft geüpload.
3. 

De informatie over de beschikbaarheid van biologische dieren bevat voor elke soort die is opgeslagen in de systemen als bedoeld in 26, lid 2, onder b), van Verordening (EU) 2018/848, de volgende elementen:

— 
de soort en het geslacht (gewone en Latijnse naam);
— 
de rassen en stammen;
— 
de productiedoeleinden: vlees, zuivel, dubbeldoel of fokkerij;
— 
de levensfase: volwassenen of jonge dieren (d.w.z. runderen van minder dan zes maanden oud, volwassen runderen);
— 
de beschikbare hoeveelheid (totaal aantal dieren) volgens de ramingen van de exploitanten;
— 
de gezondheidsstatus volgens de horizontale diergezondheidsregelgeving;
— 
het aantal exploitanten dat op vrijwillige basis informatie uit hoofde van artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) 2018/848 heeft geüpload.
4. 

Indien van toepassing, bevat de informatie over de beschikbaarheid van aan de biologische productie aangepaste rassen en stammen voor soorten als bedoeld in artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) 2018/848 de volgende elementen:

— 
de soort en het geslacht (gewone en Latijnse naam);
— 
de rassen en stammen;
— 
de productiedoeleinden: vlees, zuivel, dubbeldoel of fokkerij;
— 
de beschikbare hoeveelheid (totaal aantal dieren) volgens de ramingen van de exploitanten;
— 
de gezondheidsstatus volgens de horizontale diergezondheidsregelgeving;
— 
het aantal exploitanten dat op vrijwillige basis informatie uit hoofde van artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) 2018/848 heeft geüpload.
5. 

Indien van toepassing, bevat de informatie over de beschikbaarheid van biologische jonge hennen als bedoeld in artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) 2018/848 de volgende elementen:

— 
de soort en het geslacht (gewone en Latijnse naam);
— 
de rassen en stammen;
— 
de productiedoeleinden: vlees, zuivel, dubbeldoel of fokkerij;
— 
de beschikbare hoeveelheid (totaal aantal dieren) volgens de ramingen van de exploitanten;
— 
het opfoksysteem (met vermelding of er een etagesysteem is);
— 
de gezondheidsstatus volgens de horizontale diergezondheidsregelgeving;
— 
het aantal exploitanten dat op vrijwillige basis informatie uit hoofde van artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) 2018/848 heeft geüpload.

Deel II: Informatie over de afwijkingen die zijn toegekend overeenkomstig bijlage II, deel I, punt 1.8.5, bij Verordening (EU) 2018/848 en diezelfde bijlage II, deel II, punten 1.3.4.3 en 1.3.4.4

1. 

De informatie over de afwijkingen die overeenkomstig bijlage II, deel I, punt 1.8.5, bij Verordening (EU) 2018/848 zijn toegekend, bevat de volgende elementen:

— 
de wetenschappelijke en gewone naam (gewone en Latijnse naam);
— 
het ras;
— 
het aantal afwijkingen en het totale gewicht van het zaaizaad of het aantal planten waarvoor de afwijking is toegekend;
— 
de reden(en) van de afwijking: wetenschappelijke doeleinden, ontbreken van een geschikt ras, instandhoudingsdoeleinden of andere redenen;
— 
indien van toepassing, voor afwijkingen die betrekking hebben op andere redenen dan wetenschappelijke doeleinden: een lijst van soorten waarvoor geen afwijking is toegekend omdat ze in voldoende mate beschikbaar zijn in biologische vorm.
2. 

Voor elke conventionele diersoort (runderen, paardachtigen, schapen, geiten, varkens, hertachtigen, konijnen, pluimvee) bevat de informatie over de afwijkingen die zijn toegekend overeenkomstig bijlage II, deel II, punten 1.3.4.3 en 1.3.4.4, bij Verordening (EU) 2018/848 de volgende elementen:

— 
de wetenschappelijke en gewone naam (gewone en Latijnse naam, d.w.z. soort en geslacht);
— 
de rassen en stammen;
— 
de productiedoeleinden: vlees, zuivel, dubbeldoel of fokkerij;
— 
het aantal afwijkingen en het totale aantal dieren waarvoor een afwijking is toegekend;
— 
de reden(en) van de afwijking: gebrek aan geschikte dieren of andere redenen.



( 1 ) Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

( 2 ) Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14).

Top