EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02020H1475-20210202

Consolidated text: Aanbeveling (EU) 2020/1475 van de Raad van 13 oktober 2020 betreffende een gecoördineerde aanpak van de beperking van het vrije verkeer in reactie op de COVID-19-pandemie (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst

ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2020/1475/2021-02-02

02020H1475 — NL — 02.02.2021 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

AANBEVELING (EU) 2020/1475 VAN DE RAAD

van 13 oktober 2020

betreffende een gecoördineerde aanpak van de beperking van het vrije verkeer in reactie op de COVID-19-pandemie

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 337 van 14.10.2020, blz. 3)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

AANBEVELING (EU) 2021/119 VAN DE RAAD van 1 februari 2021

  L 36I

1

2.2.2021




▼B

AANBEVELING (EU) 2020/1475 VAN DE RAAD

van 13 oktober 2020

betreffende een gecoördineerde aanpak van de beperking van het vrije verkeer in reactie op de COVID-19-pandemie

(Voor de EER relevante tekst)



Algemene beginselen

Bij het vaststellen en toepassen van maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid in reactie op de COVID-19-pandemie zouden de lidstaten hun acties zoveel mogelijk moeten coördineren op basis van de volgende beginselen:

1. Beperkingen van het vrije verkeer van personen binnen de Unie die worden ingevoerd om de verspreiding van COVID-19 in te dijken, zouden op specifieke en welomschreven redenen van openbaar belang, met name de bescherming van de volksgezondheid, moeten zijn gebaseerd. Dergelijke beperkingen moeten worden toegepast met inachtneming van de algemene beginselen van het Unierecht, met name evenredigheid en non‐discriminatie. Maatregelen die worden genomen, zouden dus niet verder mogen gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is om de volksgezondheid te beschermen.

2. Beperkingen zouden moeten worden opgeheven zodra de epidemiologische situatie het toelaat.

3. Tussen lidstaten mag niet worden gediscrimineerd, door bijvoorbeeld voor het reizen naar en vanuit een aangrenzende lidstaat ruimere regels toe te passen dan voor andere lidstaten die in dezelfde epidemiologische situatie verkeren.

4. Beperkingen mogen niet op de nationaliteit van de betrokkene gebaseerd zijn, maar zouden op de locatie(s) van die persoon in de 14 dagen vóór haar of zijn aankomst gebaseerd moeten zijn.

5. Elke lidstaat zou eigen onderdanen en Unieburgers, en de op zijn grondgebied verblijvende familieleden van onderdanen en Unieburgers, op zijn grondgebied moeten toelaten en zou een vlotte doorreis over zijn grondgebied moeten faciliteren.

6. De lidstaten zouden bijzondere aandacht moeten hebben voor de specifieke kenmerken van grensoverschrijdende regio’s, ultraperifere regio’s, exclaves en geografisch geïsoleerde gebieden en de noodzaak om op lokaal en regionaal niveau samen te werken.

7. De lidstaten zouden regelmatig informatie moeten uitwisselen over alle aspecten die in deze aanbeveling aan bod komen.

Gemeenschappelijke criteria

8. De lidstaten zouden met de volgende essentiële criteria rekening moeten houden wanneer zij overwegen het vrije verkeer te beperken in reactie op de COVID-19-pandemie:

a) 

het “totale aantal COVID-19-meldingen over een periode van 14 dagen”, d.w.z. het totale aantal nieuwe COVID-19-meldingen per 100 000 in de afgelopen 14 dagen op regionaal niveau;

b) 

het “percentage positieve testen”, d.w.z. het percentage testen op COVID-19-besmettingen dat de afgelopen week positief was;

c) 

het “aantal testen”, d.w.z. het aantal testen op COVID-19-besmettingen per 100 000 inwoners dat de afgelopen week is uitgevoerd.

Data over de gemeenschappelijke criteria

9. Om ervoor te zorgen dat complete en vergelijkbare data beschikbaar zijn, zouden de lidstaten het ECDC wekelijks de beschikbare gegevens over de in punt 8 genoemde gemeenschappelijke criteria moeten aanleveren.

De lidstaten zouden deze data ook op regionaal niveau moeten aanleveren, zodat maatregelen kunnen worden genomen in regio’s waar ze strikt noodzakelijk zijn.

De lidstaten zouden informatie moeten uitwisselen over alle teststrategieën die ze toepassen.

In kaart brengen van risicogebieden

10. Op basis van de door de lidstaten aangeleverde data zou het ECDC een kaart van de EU-lidstaten moeten publiceren, onderverdeeld in regio’s, ter onderbouwing van de besluitvorming door de lidstaten. Deze kaart zou ook data van IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en, zodra de omstandigheden dit toelaten ( 1 ), de Zwitserse Bondsstaat moeten bevatten. Op deze kaart zou een gebied de volgende kleurcode moeten krijgen:

a) 

groen: indien het totale aantal COVID-19-meldingen over een periode van 14 dagen minder dan 25 bedraagt en het percentage positieve testen voor COVID-19-besmetting minder dan 4 % is;

b) 

oranje: indien het totale aantal-COVID 19-meldingen over een periode van 14 dagen minder dan 50 bedraagt maar het percentage positieve testen voor COVID-19-besmetting 4 % of meer is, dan wel indien het totale aantal COVID-19-meldingen over een periode van 14 dagen tussen 25 en 150 ligt, maar het percentage positieve testen voor COVID-19-besmetting minder dan 4 % is;

▼M1

c) 

rood: indien het totale aantal COVID-19-meldingen over een periode van 14 dagen 50 tot 150 bedraagt en het percentage positieve tests voor COVID-19-besmetting 4 % of meer is, dan wel indien het totale aantal COVID-19-meldingen over een periode van 14 dagen meer dan 150 maar minder dan 500 bedraagt,

▼M1

c bis) 

donkerrood: indien het totale aantal COVID-19-meldingen over een periode van 14 dagen 500 of meer bedraagt;

▼B

d) 

grijs: indien onvoldoende informatie beschikbaar is om de criteria van punten a) tot en met c) te kunnen toetsen of indien het aantal testen op COVID-19-besmetting 300 of minder per 100 000 inwoners bedraagt.

Het ECDC zou ook aparte kaarten moeten publiceren voor elke essentiële indicator die in de totale kaart is opgenomen: het aantal meldingen over een periode van 14 dagen per regio, alsook het aantal testen en het percentage positieve testen op nationaal niveau in de afgelopen week. Zodra data op regionaal niveau beschikbaar zijn, zouden alle kaarten op deze gegevens moeten worden gebaseerd.

11. Het ECDC zou wekelijks geactualiseerde versies van de kaarten en de onderliggende gegevens moeten publiceren.

Gemeenschappelijke drempelwaarden indien omwille van de volksgezondheid beperkingen van het vrije verkeer worden overwogen

12. De lidstaten zouden het vrije verkeer van personen die reizen naar of vanuit overeenkomstig punt 10 met de kleurcode groen aangeduide gebieden van een andere lidstaat, niet mogen beperken.

13. Wanneer zij beperkingen overwegen voor gebieden die overeenkomstig punt 10 niet de kleurcode “groen” hebben,

▼M1

a) 

zouden de lidstaten de verschillen op het vlak van de epidemiologische situatie tussen “oranje”, “rood” of “donkerrood” ingekleurde gebieden moeten respecteren en proportioneel moeten handelen;

▼B

b) 

zouden de lidstaten rekening kunnen houden met aanvullende criteria en tendensen. Daartoe zal het ECDC wekelijks data verstrekken over de bevolkingsomvang, het aantal ziekenhuisopnames, het aantal ic-opnames en het sterftecijfer, indien beschikbaar;

c) 

zouden de lidstaten rekening moeten houden met de epidemiologische situatie op hun eigen grondgebied, met inbegrip van het testbeleid, het aantal uitgevoerde testen en het percentage positieve testen, alsook andere epidemiologische indicatoren;

▼M1

d) 

zouden de lidstaten rekening moeten houden met teststrategieën en bijzondere aandacht moeten besteden aan de situatie van gebieden met hoge testaantallen;

▼M1

e) 

zouden de lidstaten rekening moeten houden met de prevalentie van zorgwekkende SARS-CoV-2-varianten, vooral varianten die gemakkelijker overdraagbaar en dodelijker zijn, en met het niveau van de uitgevoerde genoomsequentieanalyse, ongeacht hoe het betrokken gebied is ingekleurd.

▼B

Coördinatie tussen de lidstaten

14. De lidstaten die voornemens zijn om, op basis van hun eigen besluitvormingsprocedures, beperkingen toe te passen op personen die reizen naar of vanuit gebieden die overeenkomstig punt 10 niet de kleurcode “groen” hebben, zouden, voorafgaand aan de inwerkingtreding, eerst de betrokken lidstaat daarvan in kennis moeten stellen. Bijzondere aandacht zou moeten worden besteed aan grensoverschrijdende samenwerking, ultraperifere regio’s, exclaves en geografisch geïsoleerde gebieden. Andere lidstaten en de Commissie zouden eveneens voorafgaand aan de inwerkingtreding in kennis gesteld moeten worden van dat voornemen. Indien mogelijk moet deze kennisgeving 48 uur op voorhand worden gedaan.

Voor de kennisgeving aan de andere lidstaten en de Commissie zouden de lidstaten gebruik moeten maken van bestaande communicatienetwerken zoals de geïntegreerde regeling politieke crisisrespons (IPCR). De IPCR-contactpunten zouden ervoor moeten zorgen dat de informatie onverwijld aan hun bevoegde autoriteiten wordt doorgegeven.

15. De lidstaten zouden de overige lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis moeten stellen van de opheffing of versoepeling van voordien ingestelde beperkende maatregelen, die zo spoedig mogelijk moet ingaan.

Beperkingen van het vrije verkeer zouden moeten worden opgeheven wanneer een gebied opnieuw, overeenkomstig punt 10, de kleurcode “groen” heeft gekregen, op voorwaarde dat ten minste 14 dagen zijn verstreken sinds de invoering van die beperkingen.

16. Uiterlijk zeven dagen na de vaststelling van deze aanbeveling zouden de lidstaten beperkingen moeten uitfaseren die gelden voor gebieden die vóór de vaststelling van deze aanbeveling overeenkomstig punt 10 de kleurcode “groen” hebben.

Gemeenschappelijk raamwerk voor mogelijke maatregelen ten aanzien van reizigers uit gebieden met een groter risico

▼M1

16 bis. De lidstaten zouden alle niet-essentiële reizen naar en vanuit overeenkomstig punt 10 “donkerrood” ingekleurde gebieden sterk moeten ontmoedigen en zouden alle niet-essentiële reizen naar en vanuit overeenkomstig punt 10 “rood” ingekleurde gebieden moeten ontmoedigen.

Tegelijkertijd zouden de lidstaten ernaar moeten streven verstoringen van essentiële reizen te voorkomen, de vervoersstromen volgens het systeem van “green lanes” in beweging te houden en verstoringen van de toeleveringsketens en van het verkeer van werknemers en zelfstandigen die om professionele of zakelijke redenen reizen, te voorkomen.

▼B

17. De lidstaten zouden in beginsel de inreis van personen die vanuit een andere lidstaat reizen, niet mogen weigeren.

De lidstaten die het nodig achten om, op basis van hun eigen besluitvormingsprocedures, beperkingen van het vrije verkeer in te stellen, zouden van personen die reizen vanuit gebieden die overeenkomstig punt 10 niet de kleurcode “groen” hebben, kunnen eisen dat die personen:

▼M1

a) 

in quarantaine/zelfisolatie gaan, zoals aanbevolen door het Gezondheidsbeveiligingscomité ( 2 ), en/of

b) 

zich vóór en/of na aankomst op COVID-19-besmetting laten testen. Het kan gaan om een RT-PCR-test of een snelle antigeentest als opgenomen in de gemeenschappelijke en bijgewerkte lijst van snelle COVID-19-antigeentests die is opgesteld op basis van de Aanbeveling van de Raad van 21 januari 2021 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het gebruik en de validering van snelle antigeentests en de wederzijdse erkenning van COVID-19-testresultaten in de EU ( 3 ), zoals bepaald door de nationale volksgezondheidsinstanties.

▼M1 —————

▼B

De lidstaten zouden de coördinatie-inspanningen met betrekking tot de duur van quarantaine/zelfisolatie en vervangingsmogelijkheden moeten versterken. Waar mogelijk, en in overeenstemming met de strategieën van de lidstaten, zou moeten worden aangespoord tot testontwikkeling.

▼M1

De lidstaten zouden voldoende testcapaciteit moeten aanbieden en digitale testcertificaten moeten aanvaarden, waarbij zij er tegelijkertijd voor moeten zorgen dat dit geen afbreuk doet aan de verlening van essentiële gezondheidsdiensten, met name wat de laboratoriumcapaciteit betreft.

17bis De lidstaten zouden personen die vanuit een overeenkomstig punt 10, onder c bis), “donkerrood” ingekleurd gebied reizen, moeten verplichten om zowel vóór aankomst een COVID-19-test te laten afnemen als in quarantaine/zelfisolatie te gaan zoals aanbevolen door het Gezondheidsbeveiligingscomité. Soortgelijke maatregelen zouden kunnen worden toegepast voor gebieden met een hoge prevalentie van zorgwekkende varianten.

De lidstaten zouden niet-farmaceutische interventies moeten invoeren, handhaven of versterken, met name in “donkerrood” ingekleurde gebieden, de inspanningen op het gebied van testen en contactopsporing moeten versterken en het niveau van bewaking en sequentieanalyse van een representatieve steekproef van binnen een gemeenschap geconstateerde COVID-19-gevallen moeten verhogen, teneinde de verspreiding en de impact van opkomende, gemakkelijker overdraagbare SARS-CoV-2-varianten onder controle te houden.

17 ter. De lidstaten zouden personen die op hun grondgebied verblijven, de mogelijkheid moeten bieden om zich, in aanvulling op de eventuele toepasselijke quarantaine-/zelfisolatievoorschriften, na aankomst op COVID-19-besmetting te laten testen in plaats van vóór aankomst een test als bedoeld in punt 17, onder b), en punt 17 bis te ondergaan.

▼B

18. De lidstaten zouden de resultaten van tests op COVID-19-besmetting die in andere lidstaten door gecertificeerde gezondheidsinstanties zijn uitgevoerd, onderling moeten erkennen. De lidstaten zouden nauwer moeten samenwerken rond verschillende aspecten in verband met testen, waaronder de verificatie van testcertificaten, en daarbij rekening houden met onderzoek en advies van epidemiologisch deskundigen en beste praktijken.

19. Van reizigers met een cruciale functie of behoefte zou niet mogen worden geëist dat zij tijdens de uitoefening van deze cruciale functie in quarantaine gaan, met name:

a) 

werknemers of zelfstandigen in een vitaal beroep, waaronder gezondheidswerkers, grensarbeiders en gedetacheerde werknemers, alsmede seizoensarbeiders als bedoeld in de richtsnoeren betreffende de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers tijdens de uitbraak van COVID-19 ( 4 );

b) 

transportwerkers of vervoeraanbieders, met inbegrip van vrachtwagenchauffeurs die goederen voor gebruik op hun grondgebied vervoeren en die voertuigen besturen die alleen maar op doorreis door het land zijn;

c) 

patiënten die om dringende medische redenen reizen;

d) 

scholieren, studenten en stagiairs die dagelijks naar het buitenland reizen;

e) 

personen die om dwingende gezins- of zakelijke redenen reizen;

f) 

diplomaten, personeel van internationale organisaties en door internationale organisaties uitgenodigde personen van wie de fysieke aanwezigheid vereist is voor de goede werking van deze organisaties, militair personeel, politiebeambten, humanitaire hulpverleners en civielebeschermingspersoneel bij het uitoefenen van hun functie;

g) 

passagiers op doorreis;

h) 

zeevarenden;

i) 

journalisten bij het uitoefenen van hun taken.

▼M1

19 bis. Overeenkomstig punt 17 bis zouden reizigers met een essentiële functie of behoefte die vanuit een “donkerrood” ingekleurd gebied reizen, aan de testvoorschriften moeten voldoen en in quarantaine/zelfisolatie moeten gaan, mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de uitoefening van hun functie of behoefte.

Bij wijze van afwijking zouden transportwerkers en vervoeraanbieders op grond van punt 19, onder b), in beginsel niet mogen worden verplicht zich op COVID-19-besmetting te laten testen overeenkomstig punt 17, onder b), en punt 17 bis. Wanneer een lidstaat van transportwerkers en vervoeraanbieders eist dat zij zich op COVID-19-besmetting laten testen, zouden daarvoor snelle antigeentests moeten worden gebruikt en zou dit niet tot verstoringen van het vervoer mogen leiden. Indien zich verstoringen van het vervoer of van de toeleveringsketen voordoen, zouden de lidstaten dergelijke systematische testvoorschriften onmiddellijk moeten opheffen of intrekken zodat de “green lanes” kunnen blijven functioneren. Transportwerkers en vervoeraanbieders zouden niet mogen worden verplicht om bij de uitoefening van deze essentiële functie in quarantaine te gaan overeenkomstig punt 17, onder a), en punt 17 bis.

19 ter. In aanvulling op de vrijstellingen in punt 19 bis zouden de lidstaten personen die in grensregio’s wonen en dagelijks of vaak de grens oversteken voor werk, zaken, onderwijs, familie, medische zorg of mantelzorg, niet mogen verplichten zich te laten testen of in quarantaine/zelfisolatie te gaan, en met name geen personen die kritieke functies vervullen of van essentieel belang zijn voor kritieke infrastructuur. Indien in deze regio’s een testplicht voor grensoverschrijdende reizen wordt ingevoerd, zou de frequentie van de tests op dergelijke personen evenredig moeten zijn. Indien de epidemiologische situatie aan weerszijden van de grens vergelijkbaar is, zou er voor reizen geen testplicht mogen worden opgelegd. Personen die beweren dat hun situatie onder dit punt valt, kunnen worden verplicht bewijsstukken of een verklaring in die zin over te leggen.

▼B

20. De lidstaten zouden van personen die hun grondgebied binnenkomen kunnen eisen dat zij een traceringsformulier voor passagiers (Passenger Locator Form) indienen, in overeenstemming met de vereisten inzake gegevensbescherming. Er zou een gemeenschappelijk traceringsformulier voor passagiers moeten worden ontwikkeld voor eventueel gebruik door de lidstaten. Voor zover mogelijk zou een digitale optie voor passagierstraceringsinformatie moeten worden gebruikt, om de verwerking ervan te vereenvoudigen, terwijl gelijke toegang voor alle burgers wordt gewaarborgd.

▼M1

21. Maatregelen die worden toegepast op personen die aankomen uit gebieden die overeenkomstig punt 10 “donkerrood”, “rood”, “oranje” of “grijs” zijn ingekleurd, mogen niet discriminerend zijn, d.w.z. deze moeten evenzeer gelden voor onderdanen van de betrokken lidstaat die terugkeren.

▼B

22. De lidstaten zouden erop moeten toezien dat formele eisen die aan burgers en bedrijven worden opgelegd, een concreet voordeel opleveren voor de inspanningen op het gebied van de volksgezondheid in de strijd tegen de pandemie en dat deze geen buitensporige en onnodige regeldruk doen ontstaan.

23. Indien een persoon bij aankomst op de bestemming symptomen vertoont, zouden testen, diagnose, isolatie en contactopsporing moeten plaatsvinden overeenkomstig de lokale praktijken, en zou de toegang niet mogen worden geweigerd. Informatie over gevallen die bij aankomst worden opgespoord, zouden, via het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen (EWRS), onverwijld met de volksgezondheidsinstanties van de landen waar de betrokken persoon gedurende de 14 dagen voordien heeft verbleven, moeten worden gedeeld ten behoeve van contactopsporing.

24. Beperkingen zouden niet de vorm mogen hebben van een verbod op de exploitatie van bepaalde vervoersdiensten.

Communicatie en informatie voor het publiek

25. De lidstaten zouden de betrokken stakeholders en het brede publiek, zo lang mogelijk voordat nieuwe maatregelen in werking treden, in kennis moeten stellen van heldere, complete en tijdige informatie over eventuele beperkingen van het vrije verkeer, eventuele nevenvoorwaarden (bijvoorbeeld negatief testen op COVID-19-besmetting of traceringsformulieren voor passagiers indienen), alsook van de maatregelen die gelden voor reizigers naar risicogebieden. In de regel moet deze informatie 24 uur daarvóór worden gepubliceerd, hoewel enige flexibiliteit vereist is voor epidemiologische noodgevallen.

Deze informatie zou ook beschikbaar moeten worden gesteld op het webplatform “Re-open EU”, met een kruisverwijzing naar de kaart die regelmatig door het ECDC overeenkomstig de punten 10 en 11 wordt gepubliceerd.

De inhoud van de maatregelen, de geografische reikwijdte ervan en de categorieën personen op wie zij van toepassing zijn, zouden duidelijk moeten worden beschreven.

Evaluatie

26. Deze aanbeveling zou regelmatig door de Commissie moeten worden geëvalueerd, met steun van het ECDC. De Commissie zou hierover regelmatig verslag moeten uitbrengen bij de Raad.



( 1 ) Nadat er een overeenkomst is gesloten tussen de EU en de Zwitserse Bondsstaat over samenwerking op het gebied van de volksgezondheid, en over de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding overeenkomstig Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1).

( 2 ) Door het Gezondheidsbeveiligingscomité op 11 januari 2021 aangenomen aanbevelingen voor een gemeenschappelijke EU-aanpak met betrekking tot isolatie voor COVID-19-patiënten en quarantaine voor contacten en reizigers, https://ec.europa.eu/health/sites/health/files/preparedness_response/docs/hsc_quarantine-isolation_recomm_en.pdf

( 3 ) https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-5451-2021-INIT/nl/pdf

( 4 ) PB C 102I van 30.3.2020, blz. 12.

Top