EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02019R0452-20200919

Consolidated text: Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/452/2020-09-19

02019R0452 — NL — 19.09.2020 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) 2019/452 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 19 maart 2019

tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie

(PB L 079I van 21.3.2019, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/1298 VAN DE COMMISSIE van 13 juli 2020

  L 304

1

18.9.2020




▼B

VERORDENING (EU) 2019/452 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 19 maart 2019

tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie



Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Deze verordening strekt tot vaststelling van een kader voor de screening door de lidstaten van buitenlandse directe investeringen in de Unie om redenen van veiligheid of openbare orde en voor een mechanisme voor samenwerking tussen de lidstaten, en tussen de lidstaten en de Commissie, met betrekking tot buitenlandse directe investeringen die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid of de openbare orde. Binnen dit kader heeft de Commissie de mogelijkheid adviezen over zulke investeringen uit te brengen.

2.  Deze verordening doet geen afbreuk aan de uitsluitende verantwoordelijkheid die elke lidstaat heeft voor zijn nationale veiligheid, als bepaald in artikel 4, lid 2, VEU, noch aan het recht van elke lidstaat om zijn wezenlijke veiligheidsbelangen te verdedigen overeenkomstig artikel 346 VWEU.

3.  Niets in deze verordening beperkt het recht van elke lidstaat om te besluiten een bepaalde buitenlandse directe investering al dan niet te screenen in het kader van deze verordening.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„buitenlandse directe investering” : elke soort investering door een buitenlandse investeerder die gericht is op het vestigen of handhaven van duurzame directe betrekkingen tussen de buitenlandse investeerder en de ondernemer of de onderneming waaraan het kapitaal ter beschikking wordt gesteld met het oog op de uitoefening van een economische activiteit in een lidstaat, met inbegrip van investeringen die de daadwerkelijke deelname aan het beheer van of de zeggenschap over een onderneming die een economische activiteit uitoefent, mogelijk maken;

2.

„buitenlandse investeerder” : een natuurlijke persoon uit een derde land of een onderneming uit een derde land die voornemens is een buitenlandse directe investering te doen of deze heeft gedaan;

3.

„screening” : een procedure in het kader waarvan buitenlandse directe investeringen kunnen worden beoordeeld, onderzocht, toegestaan, aan voorwaarden onderworpen, verboden of afgewikkeld;

4.

„screeningmechanisme” : een algemeen toepasselijk instrument, bijvoorbeeld wet- of regelgeving, en begeleidende administratieve voorschriften, uitvoeringsvoorschriften of richtsnoeren waarin de voorwaarden en procedures worden vastgesteld om buitenlandse directe investeringen te beoordelen, te onderzoeken, toe te staan, aan voorwaarden te onderwerpen, te verbieden of af te wikkelen om redenen van veiligheid of openbare orde;

5.

„aan screening onderworpen buitenlandse directe investering” : een buitenlandse directe investering die in het kader van een screeningmechanisme wordt onderworpen aan een formele beoordeling of een formeel onderzoek;

6.

„screeningbesluit” : een in het kader van de uitvoering van een screeningmechanisme vastgestelde maatregel;

7.

„onderneming uit een derde land” : een naar het recht van een derde land opgerichte of anderszins georganiseerde onderneming.

Artikel 3

Screeningmechanismen van de lidstaten

1.  Overeenkomstig deze verordening kunnen de lidstaten mechanismen voor de screening van buitenlandse directe investeringen om redenen van veiligheid of openbare orde op hun grondgebied handhaven, wijzigen of vaststellen.

2.  De regels en procedures met betrekking tot de screeningmechanismen, met inbegrip van desbetreffende termijnen, zijn transparant en maken geen onderscheid tussen derde landen. De lidstaten stellen met name de omstandigheden die de screening in gang zetten, de redenen voor screening en de geldende gedetailleerde procedurevoorschriften vast.

3.  De lidstaten passen termijnen in het kader van hun screeningmechanismen toe. De screeningmechanismen bieden de lidstaten de mogelijkheid rekening te houden met de in de artikelen 6 en 7 bedoelde opmerkingen van andere lidstaten en met de in de artikelen 6, 7 en 8 bedoelde adviezen van de Commissie.

4.  Vertrouwelijke informatie, met inbegrip van commercieel gevoelige informatie, die ter beschikking wordt gesteld van de lidstaat die de screening uitvoert, wordt beschermd.

5.  Buitenlandse investeerders en de betrokken ondernemingen hebben de mogelijkheid om tegen een screeningbesluit van de nationale autoriteiten in beroep te gaan.

6.  De lidstaten die beschikken over een screeningmechanisme, zorgen voor de handhaving, wijziging of vaststelling van maatregelen die nodig zijn om het omzeilen van screeningmechanismen en screeningbesluiten op te sporen en te voorkomen.

7.  De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 10 mei 2019 in kennis van hun bestaande screeningmechanismen. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van nieuw ingevoerde screeningmechanismen of van wijzigingen in een bestaand screeningmechanisme binnen 30 dagen na de inwerkingtreding van het nieuw ingevoerde screeningmechanisme of van de wijziging in een bestaand screeningmechanisme.

8.  Uiterlijk drie maanden nadat zij de in lid 7 bedoelde kennisgevingen heeft ontvangen maakt de Commissie een lijst van de screeningmechanismen van de lidstaten openbaar. Deze lijst wordt door de Commissie geactualiseerd.

Artikel 4

Factoren waarmee de lidstaten of de Commissie rekening kunnen houden

1.  Bij hun beoordeling of een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde, kunnen de lidstaten en de Commissie rekening houden met de mogelijke gevolgen ervan voor onder meer:

a) 

kritieke infrastructuur, zowel fysiek als virtueel, waaronder infrastructuur voor energie, vervoer, water, gezondheid, communicatie, media, gegevensverwerking of -opslag, lucht- en ruimtevaart en defensie, verkiezingsinfrastructuur of financiële infrastructuur, en gevoelige installaties, alsmede grond en onroerend goed die van cruciaal belang zijn voor het gebruik van zulke infrastructuur;

b) 

kritieke technologieën en producten voor tweeërlei gebruik als bepaald in artikel 2, punt 1, van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad ( 1 ), met inbegrip van artificiële intelligentie, robotica, halfgeleiders, cyberbeveiliging, lucht- en ruimtevaart, defensie, energieopslag, quantum- en nucleaire technologieën alsmede nano- en biotechnologieën;

c) 

de voorziening van kritieke inputs, waaronder energie of grondstoffen, alsmede voedselzekerheid;

d) 

de toegang tot gevoelige informatie, waaronder persoonsgegevens, of de mogelijkheid om zulke informatie te controleren, of

e) 

de vrijheid en pluriformiteit van de media.

2.  Bij hun beoordeling of een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde, kunnen de lidstaten en de Commissie met name ook het volgende in aanmerking nemen:

a) 

of de buitenlandse directe investering direct of indirect onder zeggenschap staat van de overheid, met inbegrip van overheidsinstanties of strijdkrachten in een derde land, onder meer via eigendomsstructuur of aanzienlijke financiering;

b) 

of de buitenlandse investeerder reeds betrokken is geweest bij activiteiten die gevolgen hebben voor de veiligheid of openbare orde van een lidstaat, of

c) 

of er een ernstig risico bestaat dat de buitenlandse investeerder zich bezighoudt met illegale of criminele activiteiten.

Artikel 5

Jaarlijkse verslaglegging

1.  Uiterlijk op 31 maart van elk jaar dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over het vorige kalenderjaar, dat geaggregeerde informatie bevat over buitenlandse directe investeringen die op hun grondgebied hebben plaatsgevonden, op basis van informatie waarover zij beschikken, alsmede geaggregeerde informatie over de van andere lidstaten ontvangen verzoeken overeenkomstig artikel 6, lid 6, en artikel 7, lid 5.

2.  Voor elke verslagleggingsperiode verstrekken de lidstaten die over screeningmechanismen beschikken, naast de in lid 1 bedoelde informatie ook geaggregeerde informatie over de toepassing van hun screeningmechanismen.

3.  De Commissie dient jaarlijks een verslag over de uitvoering van deze verordening in bij het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag wordt openbaar gemaakt.

4.  Het Europees Parlement kan de Commissie op een vergadering van zijn bevoegde commissie uitnodigen om systemische kwesties met betrekking tot de uitvoering van deze verordening uiteen te zetten en toe te lichten.

Artikel 6

Samenwerkingsmechanisme in verband met aan screening onderworpen buitenlandse directe investeringen

1.  De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van een buitenlandse directe investering op hun grondgebied die aan een screening wordt onderworpen, door de in artikel 9, lid 2, van deze verordening bedoelde informatie zo spoedig mogelijk te verstrekken. In de kennisgeving kan een lijst worden opgenomen van lidstaten die naar verwachting gevolgen voor hun veiligheid of openbare orde kunnen ondervinden. In voorkomend geval streeft de lidstaat die de screening uitvoert, ernaar in het kader van de kennisgeving aan te geven of hij van oordeel is dat de buitenlandse directe investering die aan screening wordt onderworpen, allicht binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 valt.

2.  Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een buitenlandse directe investering die in een andere lidstaat aan screening wordt onderworpen, gevolgen kan hebben voor zijn veiligheid of openbare orde, of over relevante informatie voor zulke screening beschikt, kan hij opmerkingen indienen bij de lidstaat die de screening uitvoert. De lidstaat die opmerkingen indient zendt deze opmerkingen tegelijkertijd aan de Commissie toe.

De Commissie deelt de andere lidstaten mede dat opmerkingen werden ingediend.

3.  Wanneer de Commissie van oordeel is dat een buitenlandse directe investering die aan screening wordt onderworpen, gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde in meer dan één lidstaat, of over relevante informatie in verband met die buitenlandse directe investering beschikt, kan zij een advies uitbrengen dat gericht is aan de lidstaat die de screening uitvoert. De Commissie kan een advies uitbrengen ongeacht of andere lidstaten opmerkingen hebben ingediend. De Commissie kan een advies uitbrengen naar aanleiding van opmerkingen van de andere lidstaten. De Commissie brengt dat advies uit indien zulks gerechtvaardigd is, nadat ten minste een derde van de lidstaten van oordeel is dat een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor hun veiligheid of openbare orde.

De Commissie deelt de andere lidstaten mede dat een advies is uitgebracht.

4.  Een lidstaat die terdege van oordeel is dat een buitenlandse directe investering op zijn grondgebied gevolgen kan hebben voor zijn veiligheid of openbare orde, kan de Commissie verzoeken een advies uit te brengen, of kan andere lidstaten verzoeken opmerkingen in te dienen.

5.  De in lid 2 bedoelde opmerkingen en de in lid 3 bedoelde adviezen worden naar behoren gemotiveerd.

6.  Uiterlijk 15 kalenderdagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde informatie, stellen de andere lidstaten en de Commissie de lidstaat die de screening uitvoert, in kennis van hun voornemen opmerkingen krachtens lid 2 in te dienen of een advies krachtens lid 3 uit te brengen. De kennisgeving kan een verzoek om aanvullende informatie op de in lid 1 bedoelde informatie bevatten.

Een verzoek om aanvullende informatie wordt naar behoren gemotiveerd, beperkt zich tot informatie die nodig is om opmerkingen krachtens lid 2 in te dienen of een advies krachtens lid 3 uit te brengen, staat in verhouding tot het doel van het verzoek en mag niet te belastend zijn voor de lidstaat die de screening uitvoert. Verzoeken om informatie en antwoorden van lidstaten worden tegelijkertijd aan de Commissie toegezonden.

7.  Opmerkingen bedoeld in lid 2 of adviezen bedoeld in lid 3 worden gericht aan de lidstaat die de screening uitvoert en worden hem toegezonden binnen een redelijke termijn, en in geen geval later dan 35 kalenderdagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde informatie.

Niettegenstaande de eerste alinea worden, indien krachtens lid 6 om aanvullende informatie is verzocht, deze opmerkingen of adviezen ingediend c.q. uitgebracht uiterlijk 20 kalenderdagen na ontvangst van de aanvullende informatie of de kennisgeving krachtens artikel 9, lid 5.

Niettegenstaande lid 6 kan de Commissie een advies uitbrengen naar aanleiding van opmerkingen van de andere lidstaten, indien mogelijk binnen de in dit lid bedoelde termijnen en in geen geval later dan vijf kalenderdagen na het verstrijken van die termijnen.

8.  In het uitzonderlijke geval dat de lidstaat die de screening uitvoert, van oordeel is dat zijn veiligheid of openbare orde noopt tot een onmiddellijk optreden, stelt hij de andere lidstaten en de Commissie in kennis van zijn voornemen een screeningbesluit te nemen vóór het verstrijken van de in lid 7 bedoelde termijnen, en motiveert hij naar behoren waarom een onmiddellijk optreden noodzakelijk is. De andere lidstaten en de Commissie streven ernaar met bekwame spoed opmerkingen in te dienen of een advies uit te brengen.

9.  De lidstaat die de screening uitvoert, houdt terdege rekening met de in lid 2 bedoelde opmerkingen van de andere lidstaten en met het in lid 3 bedoelde advies van de Commissie. Het definitieve screeningbesluit wordt genomen door de lidstaat die de screening uitvoert.

10.  De samenwerking krachtens dit artikel vindt plaats via de overeenkomstig artikel 11 opgezette contactpunten.

Artikel 7

Samenwerkingsmechanisme in verband met niet aan screening onderworpen buitenlandse directe investeringen

1.  Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een in een andere lidstaat geplande of voltooide buitenlandse directe investering die in die lidstaat niet aan screening wordt onderworpen, gevolgen kan hebben voor zijn veiligheid of openbare orde, of beschikt over relevante informatie in verband met die buitenlandse directe investering, kan hij opmerkingen indienen bij de andere lidstaat. De lidstaat die opmerkingen indient zendt deze opmerkingen tegelijkertijd aan de Commissie toe.

De Commissie deelt de andere lidstaten mede dat opmerkingen werden ingediend.

2.  Wanneer de Commissie van oordeel is dat een in een andere lidstaat geplande of voltooide buitenlandse directe investering die in die lidstaat niet aan screening wordt onderworpen, gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde in meer dan één lidstaat, of beschikt over relevante informatie in verband met die buitenlandse directe investering, kan zij een advies uitbrengen dat gericht is aan de lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid. De Commissie kan een advies uitbrengen ongeacht of andere lidstaten opmerkingen hebben ingediend. De Commissie kan een advies uitbrengen naar aanleiding van opmerkingen van de andere lidstaten. De Commissie brengt dat advies uit indien zulks gerechtvaardigd is, nadat ten minste een derde van de lidstaten van oordeel is dat een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor hun veiligheid of hun openbare orde.

De Commissie deelt de andere lidstaten mede dat een advies is uitgebracht.

3.  Een lidstaat die terdege van oordeel is dat een buitenlandse directe investering op zijn grondgebied gevolgen kan hebben voor zijn veiligheid of openbare orde, kan de Commissie verzoeken een advies uit te brengen, of kan andere lidstaten verzoeken opmerkingen in te dienen.

4.  De in lid 1 bedoelde opmerkingen en de in lid 2 bedoelde adviezen worden naar behoren gemotiveerd.

5.  Indien een lidstaat of de Commissie van oordeel is dat een niet aan screening onderworpen buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde als bedoeld in lid 1 of lid 2, kan zij of hij de lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid, verzoeken om de in artikel 9 bedoelde informatie.

Een verzoek om informatie wordt naar behoren gemotiveerd, beperkt zich tot informatie die nodig is om opmerkingen krachtens lid 1 in te dienen of een advies krachtens lid 2 uit te brengen, staat in verhouding tot het doel van het verzoek en is niet te belastend voor de lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid.

Verzoeken om informatie en antwoorden van lidstaten worden tegelijkertijd aan de Commissie toegezonden.

6.  Opmerkingen overeenkomstig lid 1 of adviezen overeenkomstig lid 2 worden gericht tot de lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid en worden hem toegezonden binnen een redelijke termijn en in geen geval later dan 35 kalenderdagen na ontvangst van de in lid 5 bedoelde informatie of de overeenkomstig artikel 9, lid 5, bedoelde kennisgeving. Wanneer aan het advies van de Commissie opmerkingen van de lidstaten voorafgaan, beschikt de Commissie over 15 extra kalenderdagen om dat advies uit te brengen.

7.  Een lidstaat waarin een buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid, houdt naar behoren rekening met de opmerkingen van de andere lidstaten en het advies van de Commissie.

8.  Lidstaten kunnen opmerkingen krachtens lid 1 indienen en de Commissie kan een advies krachtens lid 2 uitbrengen uiterlijk 15 maanden nadat de buitenlandse directe investering is voltooid.

9.  De samenwerking op grond van dit artikel verloopt via de overeenkomstig artikel 11 opgezette contactpunten.

10.  Dit artikel is niet van toepassing op buitenlandse directe investeringen die zijn voltooid vóór 10 april 2019.

Artikel 8

Buitenlandse directe investeringen die gevolgen kunnen hebben voor projecten of programma's van Uniebelang

1.  Wanneer de Commissie van oordeel is dat een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor projecten of programma's van Uniebelang om redenen van veiligheid of openbare orde, kan zij een advies richten tot de lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid.

2.  De in de artikelen 6 en 7 beschreven procedures zijn van dienovereenkomstige toepassing, zij het met de volgende wijzigingen:

a) 

een lidstaat kan in de in artikel 6, lid 1, bedoelde kennisgeving of in de in artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, bedoelde opmerkingen aangeven of hij van oordeel is dat een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor projecten en programma's van Uniebelang;

b) 

het advies van de Commissie wordt toegezonden aan de andere lidstaten;

c) 

de lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid, houdt zo veel mogelijk rekening met het advies van de Commissie en verstrekt de Commissie uitleg indien haar advies niet wordt opgevolgd.

3.  Voor de toepassing van dit artikel omvatten projecten of programma's van Uniebelang onder meer de projecten en programma's waarbij een substantieel bedrag of een significant aandeel Uniefinanciering is betrokken, of die vallen onder het Unierecht inzake kritieke infrastructuur, kritieke technologieën of kritieke inputs die van essentieel belang zijn voor de veiligheid of de openbare orde. De lijst van projecten of programma's van Uniebelang is opgenomen in de bijlage.

4.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van de lijst van projecten en programma's van Uniebelang.

Artikel 9

Vereisten voor de informatie

1.  De lidstaten waarborgen dat de informatie die overeenkomstig artikel 6, lid 1, ter kennis wordt gegeven, en waarom overeenkomstig artikel 6, lid 6, en artikel 7, lid 5, door de Commissie en de andere lidstaten is verzocht, zonder onnodige vertraging aan de Commissie en de desbetreffende lidstaten ter beschikking wordt gesteld.

2.  De in lid 1 bedoelde informatie omvat:

a) 

de eigendomsstructuur van de buitenlandse investeerder en van de onderneming waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid, inclusief informatie over de uiteindelijke investeerder en deelneming in het kapitaal;

b) 

de waarde bij benadering van de buitenlandse directe investering;

c) 

de producten, diensten en ondernemingsactiviteiten van de buitenlandse investeerder en van de onderneming waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid;

d) 

de lidstaten waarin de buitenlandse investeerder en de onderneming waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid relevante ondernemingsactiviteiten uitvoeren;

e) 

de financiering van de investering en de bron ervan, op basis van de beste informatie waarover de lidstaten beschikken;

f) 

de datum of de geplande datum van voltooiing van de buitenlandse directe investering.

3.  De lidstaten stellen alles in het werk om de verzoekende lidstaten en de Commissie zonder onnodige vertraging informatie te verstrekken naast de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie, indien beschikbaar.

4.  De lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid kan de buitenlandse investeerder of de onderneming waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid, verzoeken de in lid 2 bedoelde informatie te verstrekken. De buitenlandse investeerder of de betrokken onderneming verstrekt de gevraagde informatie zonder onnodige vertraging.

5.  Indien een lidstaat er in uitzonderlijke omstandigheden ondanks al zijn inspanningen niet in slaagt de in lid 1 bedoelde informatie te verkrijgen, stelt hij de Commissie en de andere betrokken lidstaten daarvan onverwijld in kennis. De lidstaat motiveert in zijn kennisgeving naar behoren waarom hij die informatie niet verstrekt en geeft uitleg bij de inspanningen die zijn geleverd om de gevraagde informatie te verkrijgen, waaronder een verzoek op grond van lid 4.

Wanneer geen informatie wordt verstrekt, kunnen de opmerkingen van een andere lidstaat of de adviezen van de Commissie worden gebaseerd op de informatie waarover zij beschikken.

Artikel 10

Vertrouwelijkheid van toegezonden informatie

1.  Informatie die naar aanleiding van de toepassing van deze verordening is ontvangen, wordt slechts gebruikt voor het doel waarvoor zij werd gevraagd.

2.  De lidstaten en de Commissie waarborgen de bescherming van bij de toepassing van deze verordening verzamelde vertrouwelijke informatie overeenkomstig het Unierecht en het toepasselijke nationale recht.

3.  De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat op grond van deze verordening verstrekte of uitgewisselde gerubriceerde informatie geen lagere rubriceringsgraad krijgt of gederubriceerd wordt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opsteller.

Artikel 11

Contactpunten

1.  Elke lidstaat en de Commissie zetten een contactpunt op voor de uitvoering van deze verordening. De lidstaten en de Commissie betrekken deze contactpunten bij alle vraagstukken in verband met de uitvoering van deze verordening.

2.  De Commissie zorgt voor een beveiligd en versleuteld systeem om rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de contactpunten te bevorderen.

Artikel 12

Deskundigengroep inzake de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie

De deskundigengroep inzake de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie, die de Commissie bijstaat met advies en deskundigheid, gaat door met het bespreken van onderwerpen in verband met de screening van buitenlandse directe investeringen, het delen van beste praktijken en getrokken lering en het uitwisselen van opvattingen over tendenzen en onderwerpen van gemeenschappelijk belang in verband met buitenlandse directe investeringen. De Commissie overweegt ook het advies van die groep in te winnen over systemische vraagstukken in verband met de uitvoering van deze verordening.

De in die groep gevoerde discussies worden vertrouwelijk gehouden.

Artikel 13

Internationale samenwerking

De lidstaten en de Commissie kunnen met de bevoegde autoriteiten van derde landen samenwerken op het gebied van vraagstukken in verband met de screening van buitenlandse directe investeringen om redenen van veiligheid en openbare orde.

Artikel 14

Verwerking van persoonsgegevens

1.  Indien op grond van deze verordening persoonsgegevens worden verwerkt, geschiedt dit overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en Verordening (EU) 2018/1725, en slechts voor zover noodzakelijk voor het screenen van buitenlandse directe investeringen door de lidstaten en voor het waarborgen van de doeltreffendheid van de samenwerking waarin deze verordening voorziet.

2.  Persoonsgegevens die verband houden met de uitvoering van deze verordening worden niet langer bewaard dan nodig is om de doeleinden waarvoor ze werden verzameld, te verwezenlijken.

Artikel 15

Toetsing

1.  Uiterlijk op 12 oktober 2023 en nadien om de vijf jaar toetst de Commissie het functioneren en de doeltreffendheid van deze verordening en dient zij een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten worden hierbij betrokken en verstrekken de Commissie indien nodig extra informatie voor de opstelling van dat verslag.

2.  Wanneer in het verslag wordt aanbevolen deze verordening te wijzigen, kan het vergezeld gaan van een passend wetgevingsvoorstel.

Artikel 16

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 8, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 10 april 2019.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 8, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 8, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing met ingang van 11 oktober 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE

Lijst van projecten of programma's van Uniebelang als bedoeld in artikel 8, lid 3

1.   Europese GNSS-programma's (Galileo & Egnos):

Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1).

2.   Copernicus:

Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot instelling van het Copernicus-programma en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 911/2010 (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 44).

▼M1

3.   Horizon 2020, met inbegrip van onderzoek- en ontwikkelingsprogramma’s overeenkomstig artikel 185 VWEU alsmede gemeenschappelijke ondernemingen of andere structuren die zijn opgezet overeenkomstig artikel 187 VWEU:

Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104), inclusief de daarin opgenomen maatregelen met betrekking tot cruciale ontsluitende technologieën zoals kunstmatige intelligentie, robotica, halfgeleiders en cyberbeveiliging.

▼B

4.   trans-Europese vervoersnetwerken (TEN-T):

Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).

5.   trans-Europese energienetwerken (TEN-E):

Verordening (EU) Nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).

6.   trans-Europese telecommunicatienetwerken:

Verordening (EU) nr. 283/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende richtsnoeren voor trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1336/97/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 14).

7.   Industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie:

Verordening (EU) 2018/1092 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot instelling van het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de innovatieve capaciteit van de defensie-industrie van de Unie (PB L 200 van 7.8.2018, blz. 30).

▼M1

8.   Permanente gestructureerde samenwerking (PESCO):

Besluit (GBVB) 2018/340 van de Raad van 6 maart 2018 tot vaststelling van de lijst van projecten die in het kader van de PESCO zullen worden ontwikkeld (PB L 65 van 8.3.2018, blz. 24).

Besluit (GBVB) 2018/1797 van de Raad van 19 november 2018 tot wijziging en actualisering van Besluit (GBVB) 2018/340 tot vaststelling van de lijst van projecten die in het kader van de PESCO zullen worden ontwikkeld (PB L 294 van 21.11.2018, blz. 18).

Besluit (GBVB) 2019/1909 van de Raad van 12 november 2019 tot wijziging en actualisering van Besluit (GBVB) 2018/340 tot vaststelling van de lijst van projecten die in het kader van de PESCO zullen worden ontwikkeld (PB L 293 van 14.11.2019, blz. 113).

▼M1

9.   Voorbereidende actie inzake de voorbereiding van het nieuwe EU-Govsatcom-programma:

Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, en met name artikel 58, lid 2, onder b) (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

10.   Voorbereidende actie inzake defensieonderzoek:

Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, en met name artikel 58, lid 2, onder b) (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

11.   Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER:

Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad van 27 maart 2007 tot oprichting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie en tot toekenning van gunsten daaraan (PB L 90 van 30.3.2007, blz. 58).



( 1 ) Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1).

Top