EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02018R1046-20180730

Consolidated text: Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/2018-07-30

  The HTML format is unavailable in your User interface language.

02018R1046 — NL — 30.07.2018 — 000.003


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU, Euratom) 2018/1046 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 juli 2018

tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012

(PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1)


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 060, 28.2.2019, blz.  36 (2018/1046)




▼B

VERORDENING (EU, Euratom) 2018/1046 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 juli 2018

tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012



DEEL ÉÉN

FINANCIEEL REGLEMENT



TITEL I

ONDERWERP, DEFINITIES EN ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening regelt de opstelling en uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie en van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie („de begroting”) en de indiening en controle van hun rekeningen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„aanvrager” : een natuurlijke persoon of een entiteit met of zonder rechtspersoonlijkheid die een aanvraag heeft ingediend in een procedure voor toekenning van subsidies of in een wedstrijd voor prijzen;

2.

„aanvraagdocument” : een inschrijving, een verzoek tot deelname, een subsidieaanvraag of een aanvraag in een wedstrijd voor prijzen;

3.

„toekenningsprocedure” : een aanbestedingsprocedure, een procedure voor toekenning van subsidies, een wedstrijd voor prijzen, of een procedure voor het selecteren van deskundigen of personen of entiteiten die de begroting uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c);

4.

„basishandeling” :

een rechtshandeling, met uitzondering van een aanbeveling of een advies, die een rechtsgrondslag geeft voor een actie en voor de uitvoering van de desbetreffende in de begroting opgenomen uitgave of van de door de begroting gedekte begrotingsgarantie of financiële bijstand, en die een van de volgende vormen kan aannemen:

a) ter uitvoering van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het Euratomverdrag) een verordening, een richtlijn of een besluit in de zin van artikel 288 VWEU, of

b) ter uitvoering van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) een van de in artikel 28, lid 1, artikel 31, lid 2, artikel 33, artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2, VEU genoemde vormen;

5.

„begunstigde” : een natuurlijke persoon met wie of een entiteit met of zonder rechtspersoonlijkheid waarmee een subsidieovereenkomst is getekend;

▼C1

6.

„blendingfaciliteit of -platform” : een kader voor samenwerking dat tussen de Commissie en instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen is opgezet met de bedoeling niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten en/of begrotingsgaranties uit de begroting en terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van particuliere financiële instellingen en investeerders te combineren;

▼B

7.

„uitvoering van de begroting” : de uitoefening van activiteiten inzake beheer, monitoring, controles en audits van begrotingskredieten volgens de in artikel 62 bepaalde methoden;

8.

„vastlegging in de begroting” : de verrichting waarmee de bevoegde ordonnateur in de begroting de begrotingskredieten vastlegt die nodig zijn voor de latere betalingen ter uitvoering van juridische verbintenissen;

9.

„begrotingsgarantie” : een juridische verbintenis van de Unie om een actieprogramma te ondersteunen door in de begroting een financiële verplichting op te nemen waarop een beroep kan worden gedaan ingeval zich tijdens de uitvoering van het programma een specifieke gebeurtenis voordoet, en die geldig blijft tot wanneer de toezeggingen in het kader van het ondersteunde programma komen te vervallen;

10.

„onroerendgoedovereenkomst” : een overeenkomst met betrekking tot aankoop, ruil, erfpacht, vruchtgebruik, leasing, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie, van grond, gebouwen of ander onroerend goed. Dit heeft betrekking op zowel bestaande gebouwen als nog niet afgewerkte gebouwen op voorwaarde dat de gegadigde een geldige bouwvergunning heeft. Dit heeft geen betrekking op overeenkomstig de specificaties van de aanbestedende dienst ontworpen gebouwen waarvoor overeenkomsten voor werken gelden;

11.

„gegadigde” : een ondernemer die heeft verzocht om een uitnodiging, of is uitgenodigd, om deel te nemen aan een niet-openbare procedure, een mededingingsprocedure met onderhandeling, een concurrentiegerichte dialoog, een innovatiepartnerschap, een prijsvraag of een onderhandelingsprocedure;

12.

„aankoopcentrale” : een aanbestedende dienst die gecentraliseerde aankoopactiviteiten en, waar van toepassing, aanvullende aankoopactiviteiten verricht;

13.

„toets” : de verificatie van een specifiek aspect van een uitgaven- of ontvangstenverrichting;

14.

„concessieovereenkomst” :

een overeenkomst onder bezwarende titel die schriftelijk tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten in de zin van de artikelen 174 en 178 wordt gesloten om de uitvoering van werken of de verrichting en het beheer van diensten toe te vertrouwen aan een ondernemer (de „concessie”), en waarbij.

a) de vergoeding bestaat hetzij uitsluitend in het recht om de werken of diensten te exploiteren, hetzij in dit recht en een betaling.

b) de gunning van de concessieovereenkomst voor werken of diensten inhoudt dat aan de concessiehouder het operationeel risico wordt overgedragen dat inherent is aan de exploitatie van deze werken of diensten en dat het vraagrisico, het aanbodrisico of beide omvat. De concessiehouder wordt geacht het operationeel risico op zich te nemen indien er in normale exploitatieomstandigheden geen garantie voorhanden is dat de investeringen die gedaan zijn of de kosten die gemaakt zijn bij het exploiteren van de betrokken werken of diensten, kunnen worden terugverdiend;

15.

„voorwaardelijke verplichting” : een mogelijke financiële verplichting die afhangt van de uitkomst van een toekomstige gebeurtenis;

16.

„overeenkomst” : een overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht of een concessieovereenkomst;

17.

„contractant” : een ondernemer met wie een overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht is ondertekend;

18.

„bijdrageovereenkomst” : een overeenkomst die gesloten is met personen of entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren krachtens artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punten ii) tot en met viii);

19.

„controle” : alle maatregelen ter verkrijging van redelijke zekerheid inzake de doeltreffendheid, efficiëntie en zuinigheid van verrichtingen, de betrouwbaarheid van de verslaglegging, de bescherming van activa en informatie, de voorkoming en opsporing en de correctie van fraude en onregelmatigheden en de follow-up daarvan, en de adequate beheersing van de risico’s in verband met de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de programma’s en met de aard van de betrokken betalingen. De controle hiervan kan diverse toetsen inhouden, alsmede de uitvoering van beleid en procedures om de in de eerste zin bedoelde doelstellingen te verwezenlijken;

20.

„tegenpartij” : de partij die een begrotingsgarantie heeft gekregen;

21.

„crisis” :

a) een situatie van onmiddellijk of imminent gevaar die dreigt in een gewapend conflict te ontaarden of een land of zijn buurlanden te destabiliseren;

b) een situatie die het gevolg is van natuurrampen, door de mens veroorzaakte crisissen zoals oorlogen en andere conflicten, of uitzonderlijke omstandigheden met vergelijkbare gevolgen die verband houden met, onder andere, de klimaatverandering, de verslechtering van het leefmilieu, energie- en grondstoffenschaarste of extreme armoede;

22.

„vrijmaking” : een verrichting waarbij de bevoegde ordonnateur de reservering van eerder in de begroting vastgelegde kredieten geheel of gedeeltelijk annuleert;

23.

„dynamisch aankoopsysteem” : een geheel elektronisch proces voor aankopen voor courant gebruik van algemeen op de markt beschikbare goederen;

24.

„ondernemer” : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, met inbegrip van een publieke entiteit, of een groep van dergelijke personen, die de levering van producten, de uitvoering van werken of de verrichting van diensten, dan wel de levering van onroerend goed aanbiedt;

25.

„investering in eigen vermogen” : de verschaffing van kapitaal aan een vennootschap, via directe of indirecte investeringen, in ruil voor geheel of gedeeltelijk eigenaarschap van die vennootschap, waarbij de investeerder in zekere mate zeggenschap krijgt over het beheer van de vennootschap en deelt in de eventuele toekomstige winst;

26.

„Europees bureau” : een administratieve structuur die door de Commissie of door de Commissie en één of meer andere instellingen van de Unie is opgezet om specifieke horizontale taken uit te voeren;

27.

„definitief administratief besluit” : een besluit van een administratieve autoriteit dat onherroepelijk en bindend is overeenkomstig het toepasselijke recht;

28.

„financieel actief” : elk actief in de vorm van geldmiddelen, een eigenvermogensinstrument van een andere publieke of private entiteit of een contractueel recht om geldmiddelen of een ander financieel actief van een dergelijke entiteit te ontvangen;

29.

„financieringsinstrument” : een met begrotingsmiddelen bekostigde en voor één of meer specifieke beleidsdoelen van de Unie bestemde financiële steunmaatregel van de Unie die de vorm kunnen aannemen van investeringen in eigen vermogen, investeringen in quasi-eigenvermogen, leningen, garanties, of andere risicodelingsinstrumenten, en mogen, in voorkomend geval, worden gecombineerd met andere vormen van financiële steun of met middelen in gedeeld beheer of middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

30.

„financiële verplichting” : een contractuele verplichting om geldmiddelen of een ander financieel actief aan een andere entiteit te leveren;

31.

„raamovereenkomst” : een overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten met het doel de voorwaarden van de specifieke, daaruit voortvloeiende overeenkomsten die gedurende een bepaalde periode kunnen worden gegund, vast te leggen, met name wat betreft de prijs en, in voorkomend geval, de beoogde hoeveelheid;

32.

„totale voorziening” : het totaalbedrag aan middelen dat nodig wordt geacht voor de volledige looptijd van een begrotingsgarantie als gevolg van de toepassing van het voorzieningspercentage als bedoeld in artikel 211, lid 1, op het bedrag van de begrotingsgarantie dat in de basishandeling is toegestaan als bedoeld in artikel 210, lid 1, onder b);

33.

„subsidie” : een financiële bijdrage bij wijze van schenking. Indien die bijdrage in direct beheer wordt verleend, valt zij onder titel VIII;

34.

„garantie” : een schriftelijke aansprakelijkheidsverklaring voor het geheel of een deel van een schuld of een verplichting van een derde of voor de succesvolle nakoming door die derde van zijn verplichtingen indien deze garantie naar aanleiding van een bepaalde gebeurtenis in werking treedt, bijvoorbeeld in geval van wanbetaling;

35.

„afroepgarantie” : een garantie die door de borg op verzoek van de tegenpartij moet worden gehonoreerd, ondanks tekortkomingen in de uitvoerbaarheid van de onderliggende verplichting;

36.

„bijdrage in natura” : middelen, niet in geld, die door derden kosteloos ter beschikking van de begunstigde worden gesteld;

37.

„juridische verbintenis” : een verrichting waarmee de bevoegde ordonnateur een verplichting aangaat of doet ontstaan die leidt tot een betaling of betalingen en de erkenning van uitgaven ten laste van de begroting, en met inbegrip van specifieke overeenkomsten die zijn gesloten in het kader van overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap en raamovereenkomsten;

38.

„hefboomeffect” : het voor in aanmerking komende eindontvangers ter beschikking gestelde vergoedbare bedrag aan financiering te delen door de bijdrage van de Unie;

39.

„liquiditeitsrisico” : het risico dat een in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds aangehouden financieel actief niet kan worden verkocht gedurende een bepaalde termijn zonder aanzienlijk verlies;

40.

„lening” : een overeenkomst die de kredietverschaffer verplicht een overeengekomen hoeveelheid geld voor een overeengekomen termijn ter beschikking te stellen aan de kredietnemer en waarbij de kredietnemer verplicht is dat bedrag binnen de overeengekomen termijn terug te betalen;

41.

„subsidie van een klein bedrag” : een subsidie van ten hoogste 60 000  EUR;

42.

„lidstaatsorganisatie” : een in een lidstaat als publiekrechtelijke instantie of privaatrechtelijke instantie opgerichte entiteit waaraan een openbaredienstverleningstaak is toevertrouwd en passende door de lidstaat verstrekte financiële garanties zijn gegeven;

43.

„wijze van uitvoering” : de wijzen voor de uitvoering van de begroting als bedoeld in artikel 62, te weten direct beheer, indirect beheer en gedeeld beheer;

44.

„multidonoractie” : een actie waarbij middelen van de Unie met die van minstens één andere donor worden samengevoegd;

45.

„multiplicatoreffect” : de investering door in aanmerking komende eindontvangers gedeeld door het bedrag van de bijdrage van de Unie;

46.

„output” : de overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving bepaalde deliverables van de actie;

47.

„deelnemer” : een gegadigde of inschrijver in een aanbestedingsprocedure, een aanvrager in een procedure voor toekenning van subsidies, een deskundige in een procedure voor de selectie van deskundigen, een aanvrager in een wedstrijd voor prijzen of een persoon of een entiteit die deelneemt aan een procedure voor de uitvoering van middelen van de Unie overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c);

48.

„prijs” : een financiële bijdrage die wordt geschonken als een beloning die wordt toegekend naar aanleiding van een wedstrijd. Indien die bijdrage in direct beheer wordt verleend, valt zij onder titel IX;

49.

„aanbesteding” : de verwerving door middel van een overeenkomst voor werken, voor leveringen of voor diensten, en de verwerving of huur van grond, gebouwen of ander onroerend goed, door een of meer aanbestedende diensten van door deze aanbestedende diensten gekozen ondernemers;

50.

„aanbestedingsstukken” :

alle stukken die door de aanbestedende dienst worden opgesteld of vermeld ter omschrijving of bepaling van onderdelen van de aanbestedingsprocedure, met inbegrip van:

a) de in artikel 163 bedoelde publiciteitsmaatregelen;

b) de uitnodiging tot inschrijving;

c) het bestek, dat de technische specificaties en de relevante criteria bevat, of de beschrijvende stukken in het geval van een concurrentiegerichte dialoog;

d) de ontwerpovereenkomst;

51.

„overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht” :

een overeenkomst onder bezwarende titel die schriftelijk tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten in de zin van de artikelen 174 en 178 worden gesloten om tegen een geheel of gedeeltelijk ten laste van de begroting komende prijs de levering van roerende of onroerende zaken, de uitvoering van werken of de verrichting van diensten te verkrijgen, bestaande uit:

a) onroerendgoedovereenkomsten;

b) overeenkomsten voor leveringen;

c) overeenkomsten voor werken;

d) overeenkomsten voor diensten;

52.

„investering in quasi-eigenvermogen” : de financieringswijze die zich bevindt tussen eigen vermogen en vreemd vermogen, met een hoger risico dan een senior schuld en een lager risico dan kernkapitaal, en die kan worden gestructureerd als vreemd vermogen, kenmerkend ongedekt en achtergesteld en in sommige gevallen converteerbaar in eigen vermogen, of in preferent eigen vermogen;

53.

„ontvanger” : een begunstigde, een contractant, een bezoldigd extern deskundige of een persoon of entiteit die prijzen of middelen ontvangt uit hoofde van een financieringsinstrument of die middelen van de Unie uitvoert overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c);

54.

„retrocessieovereenkomst” : de verkoop van effecten voor geldmiddelen waarbij is overeengekomen deze op een vastgesteld tijdstip in de toekomst of op verzoek terug te kopen;

55.

„krediet voor onderzoek en technologische ontwikkeling” : een krediet dat, hetzij in een van de begrotingstitels voor het beleidsterrein „onderzoek onder contract” of „eigen onderzoek”, hetzij in een hoofdstuk voor onderzoeksactiviteiten dat deel uitmaakt van een andere titel zijn opgenomen;

56.

„resultaat” : de overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving bepaalde gevolgen van de uitvoering van een actie;

57.

„risicodelingsinstrument” : een financieringsinstrument dat de deling van een bepaald risico tussen twee of meer entiteiten mogelijk maakt, in voorkomend geval in ruil voor een overeengekomen vergoeding;

58.

„overeenkomst voor diensten” : een overeenkomst die betrekking heeft op alle andere intellectuele en niet-intellectuele diensten dan die waarop overeenkomsten voor leveringen, overeenkomsten voor werken en onroerendgoedovereenkomsten betrekking hebben;

59.

„goed financieel beheer” : de uitvoering van de begroting met inachtneming van de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid;

60.

„Statuut van de ambtenaren” : het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, die zijn vastgelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68;

61.

„subcontractant” : een ondernemer die door een gegadigde, inschrijver of contractant is voorgesteld als uitvoerder van een deel van een overeenkomst of door een begunstigde om een deel van de door een subsidie medegefinancierde taken uit te voeren;

62.

„deelnamevergoeding” : de bedragen die aan organen waarvan de Unie lid is, worden overgemaakt overeenkomstig de begrotingsbesluiten en de betalingsvoorwaarden die door het betrokken orgaan zijn vastgesteld;

63.

„overeenkomst voor leveringen” : een overeenkomst die betrekking heeft op de aankoop, leasing, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie, van producten, en die als bijkomstig element plaatsing- en installatiewerkzaamheden kan omvatten;

64.

„technische bijstand” : ondersteunende en capaciteitsopbouwende werkzaamheden die, onverminderd sectorspecifieke regelgeving, nodig zijn met het oog op de uitvoering van een programma of een actie, en in het bijzonder werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, beheer, monitoring, evaluatie, audit en controle;

65.

„inschrijver” : een ondernemer die een inschrijving heeft ingediend;

66.

„Unie” : de Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, of beide samen, al naargelang de context;

67.

„instelling van de Unie” : het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of de Europese dienst voor extern optreden („EDEO”); de Europese Centrale Bank wordt niet beschouwd als een instelling van de Unie;

68.

„verkoper” : een ondernemer die staat vermeld op een lijst van verkopers die zullen worden uitgenodigd om verzoeken tot deelname of inschrijvingen in te dienen;

69.

„vrijwilliger” : persoon die op niet-verplichte basis onbezoldigd voor een organisatie werkt;

70.

„werk” : het product van bouw- of wegen- en waterbouwkundige werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of technische functie te vervullen;

71.

„overeenkomst voor werken” :

een overeenkomst die betrekking heeft op:

a) de uitvoering, of zowel de uitvoering of het ontwerp, van een werk;

b) de uitvoering, of zowel de uitvoering of het ontwerp, van een werk dat verband houdt met een van de in bijlage II bij Richtlijn 2014/24/EU genoemde werkzaamheden, of

c) het laten uitvoeren, met welke middelen dan ook, van een werk dat voldoet aan de eisen die zijn vastgesteld door de aanbestedende dienst die een beslissende invloed uitoefent op het soort werk of op het ontwerp van het werk.

Artikel 3

Overeenstemming van afgeleid recht met deze verordening

1.  Bepalingen betreffende de uitvoering van de begroting aan de ontvangsten- of uitgavenzijde en vervat in een basishandeling zijn in overeenstemming met de in titel II vermelde begrotingsbeginselen.

2.  Onverminderd lid 1 worden in bij de wetgevende autoriteit ingediende voorstellen of wijzigingen van voorstellen die afwijkingen bevatten van de bepalingen van deze verordening met uitzondering van de bepalingen in titel II, of van gedelegeerde handelingen die overeenkomstig deze verordening zijn vastgesteld, die afwijkingen duidelijk vermeld en worden in de overwegingen en de toelichting bij die voorstellen of wijzigingen de specifieke redenen genoemd die deze afwijkingen rechtvaardigen.

Artikel 4

Termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden

Tenzij anders bepaald in deze verordening is Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad ( 1 ) van toepassing op de termijnen die in deze verordening zijn vastgelegd.

Artikel 5

Bescherming van persoonsgegevens

Deze verordening laat Verordeningen (EG) nr. 45/2001 en (EU) 2016/670 onverlet.



TITEL II

BEGROTING EN BEGROTINGSBEGINSELEN

Artikel 6

Eerbiediging van begrotingsbeginselen

Bij de opstelling en de uitvoering van de begroting worden het eenheids-, het begrotingswaarachtigheids-, het jaarperiodiciteits-, het evenwichts-, het rekeneenheids-, het universaliteits- en het specialiteitsbeginsel, het beginsel van goed financieel beheer en het transparantiebeginsel, zoals vastgelegd in deze verordening, in acht genomen.



HOOFDSTUK 1

Eenheidsbeginsel en begrotingswaarachtigheidsbeginsel

Artikel 7

Toepassingsgebied van de begroting

1.  Voor elk begrotingsjaar worden alle noodzakelijk geachte ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting geraamd en goedgekeurd. Hierin worden opgenomen:

a) de uitgaven en de ontvangsten van de Unie, met inbegrip van de administratieve uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van de bepalingen van het VEU op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), alsmede beleidsuitgaven die uit de uitvoering van die bepalingen voortvloeien wanneer deze ten laste van de begroting komen;

b) de ontvangsten en de uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

2.  De begroting bevat gesplitste kredieten, die aanleiding geven tot vastleggingskredieten en betalingskredieten, en niet-gesplitste kredieten.

De kredieten die voor het begrotingsjaar zijn toegestaan, bestaan uit:

a) de in de begroting, met inbegrip van de gewijzigde begrotingen, opgenomen kredieten;

b) de overgedragen kredieten uit voorgaande begrotingsjaren;

c) de kredieten die overeenkomstig artikel 15 worden wederopgevoerd;

d) de kredieten die afkomstig zijn van terugbetalingen van voorfinancieringen overeenkomstig artikel 12, lid 4, onder b);

e) de kredieten die worden opgenomen na de inning van de bestemmingsontvangsten tijdens het begrotingsjaar of van bestemmingsontvangsten die zijn overgedragen uit voorgaande begrotingsjaren.

3.  Vastleggingskredieten dekken de totale kosten van de juridische verbintenissen die tijdens het begrotingsjaar worden aangegaan, behoudens het bepaalde in artikel 114, lid 2.

4.  Betalingskredieten dekken de betalingen die voortvloeien uit de uitvoering van de juridische verbintenissen die in het begrotingsjaar of voorgaande begrotingsjaren zijn aangegaan.

5.  De leden 2 en 3 van dit artikel doen niets af aan de mogelijkheid kredieten globaal vast te leggen of vastleggingen in de begroting in jaartranches te verdelen, zoals bepaald in artikel 112, lid 1, eerste alinea, onder b), respectievelijk artikel 112, lid 2.

Artikel 8

Specifieke regels betreffende het eenheidsbeginsel en het begrotingswaarachtigheidsbeginsel

1.  Alle ontvangsten en uitgaven worden in een begrotingsonderdeel opgenomen.

2.  Onverminderd toegestane uitgaven uit hoofde van voorwaardelijke verplichtingen waarin bij artikel 210, lid 2, is voorzien kan voor geen enkele uitgave een verplichting worden aangegaan of een betalingsopdracht gegeven boven het bedrag van de toegestane kredieten.

3.  Een krediet wordt slechts in de begroting opgenomen wanneer er een noodzakelijk geachte uitgave tegenover staat.

4.  De rente op uit de begroting betaalde voorfinancieringen is niet verschuldigd aan de Unie tenzij anders is bepaald in de betreffende bijdrage- of financieringsovereenkomsten.



HOOFDSTUK 2

Jaarperiodiciteitsbeginsel

Artikel 9

Definitie

De in de begroting opgenomen kredieten worden toegestaan voor de duur van een begrotingsjaar, dat begint op 1 januari en sluit op 31 december.

Artikel 10

De begrotingsboekhouding voor ontvangsten en kredieten

1.  De ontvangsten van een begrotingsjaar worden in de rekening van dat jaar geboekt op basis van de in dat jaar geïnde bedragen. De eigen middelen voor de maand januari van het volgende begrotingsjaar kunnen evenwel op voorhand worden verstrekt overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

2.  De boekingen met betrekking tot de eigen middelen op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) en het bruto nationaal inkomen kunnen overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad worden aangepast.

3.  De vastleggingen voor een begrotingsjaar worden geboekt op basis van de juridische verbintenissen die tot en met 31 december van dat jaar zijn aangegaan. De in artikel 112, lid 4, bedoelde globale vastleggingen worden echter in de begroting voor een begrotingsjaar geboekt op basis van de tot 31 december van dat jaar in de begroting verrichte vastleggingen.

4.  De betalingen worden voor een begrotingsjaar geboekt op basis van de uiterlijk op 31 december van dat begrotingsjaar door de rekenplichtige verrichte betalingen.

5.  In afwijking van de leden 3 en 4:

a) worden de uitgaven van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) voor een begrotingsjaar geboekt op basis van de terugbetalingen van de Commissie aan de lidstaten tot en met 31 december van dat jaar, voor zover de rekenplichtige uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar de betalingsopdracht heeft ontvangen;

b) worden in gedeeld beheer uitgevoerde uitgaven, het ELGF uitgezonderd, in de rekening van een begrotingsjaar geboekt op basis van de terugbetalingen van de Commissie aan de lidstaten tot en met 31 december van dat jaar, met inbegrip van de uitgaven die uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar worden gedaan, zoals bepaald in de artikelen 30 en 31.

Artikel 11

Vastlegging van kredieten

1.  De kredieten die in de begroting zijn opgenomen, kunnen met ingang van 1 januari worden vastgelegd zodra de begroting definitief is vastgesteld.

2.  Voor de volgende uitgaven mogen vanaf 15 oktober van het begrotingsjaar vervroegde vastleggingen worden verricht ten laste van de kredieten van het volgende begrotingsjaar:

a) lopende uitgaven van administratieve aard, op voorwaarde dat zulke uitgaven in de laatste op regelmatige wijze vastgestelde begroting zijn goedgekeurd, en maximaal een kwart bedragen van de totale overeenkomstige kredieten die door het Europees Parlement en door de Raad zijn goedgekeurd voor het lopende begrotingsjaar;

b) lopende uitgaven van administratieve aard van het ELGF, op voorwaarde dat de basis voor zulke uitgaven in een bestaande basishandeling is vastgesteld, en ze maximaal drie kwart bedragen van de totale overeenkomstige kredieten die door het Europees Parlement en de Raad zijn goedgekeurd voor het lopende begrotingsjaar.

Artikel 12

Annulering en overdracht van kredieten

1.  Kredieten die aan het einde van het begrotingsjaar waarvoor ze waren uitgetrokken niet zijn gebruikt, worden geannuleerd, tenzij ze overeenkomstig de leden 2 tot en met 8 worden overgedragen.

2.  De volgende kredieten kunnen bij een besluit overeenkomstig lid 3 worden overgedragen, zulks bij uitsluiting naar het volgende begrotingsjaar:

a) de vastleggingskredieten en de niet-gesplitste kredieten, waarvoor de meeste voorbereidende stadia van de vastleggingsprocedure op 31 december van het begrotingsjaar zijn voltooid. Zulke kredieten kunnen tot en met 31 maart van het volgende begrotingsjaar worden vastgelegd, met uitzondering van niet-gesplitste kredieten met betrekking tot onroerendgoedprojecten, die tot en met 31 december van het volgende begrotingsjaar kunnen worden vastgelegd;

b) kredieten die nodig blijken wanneer de wetgevende autoriteit een basishandeling in het laatste kwartaal van het begrotingsjaar heeft vastgesteld, zonder dat de Commissie per 31 december van dat jaar de daartoe in de begroting uitgetrokken kredieten heeft kunnen vastleggen. Deze kredieten kunnen tot en met 31 december van het volgende begrotingsjaar worden vastgelegd;

c) betalingskredieten die nodig zijn ter dekking van vastleggingen van voorgaande begrotingsjaren of die betrekking hebben op overgedragen vastleggingskredieten, wanneer de betalingskredieten van de betrokken begrotingsonderdelen in de begroting van het volgende begrotingsjaar ontoereikend zijn;

d) niet-vastgelegde kredieten voor de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ) bedoelde acties.

Wat de eerste alinea, onder c), betreft, gebruikt de betrokken instelling van de Unie bij voorrang de voor het lopende begrotingsjaar toegestane kredieten en pas na de besteding daarvan de overgedragen kredieten.

Overdrachten van niet-vastgelegde kredieten als bedoeld in punt d) van de eerste alinea van dit lid mogen, binnen het maximum van 2 % van de oorspronkelijke door het Europees Parlement en door de Raad goedgekeurde kredieten, niet hoger zijn dan het bedrag van de overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 verrichte aanpassing van de rechtstreekse betalingen die in het vorige begrotingsjaar is toegepast. Overgedragen kredieten worden opgevoerd op de begrotingsonderdelen die betrekking hebben op de in artikel 4, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde acties.

3.  De betrokken instelling van de Unie neemt het in lid 2 bedoelde overdrachtsbesluit uiterlijk op 15 februari van het volgende begrotingsjaar. De instelling stelt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 15 maart van dat jaar van haar overdrachtbesluit in kennis. Ook wordt daarin, voor ieder begrotingsonderdeel, aangegeven hoe de criteria onder a), b) en c) voor elke overdracht zijn toegepast.

4.  Kredieten worden automatisch overgedragen in het geval van:

a) vastleggingskredieten voor de reserve voor noodhulp en voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie. Die kredieten mogen alleen naar het volgende begrotingsjaar worden overgedragen en mogen tot en met 31 december van dat jaar worden vastgelegd;

b) kredieten die overeenkomen met interne bestemmingsontvangsten. Die kredieten mogen alleen naar het volgende begrotingsjaar worden overgedragen en mogen tot en met 31 december van dat jaar worden vastgelegd, met uitzondering van de interne bestemmingsontvangsten uit verhuur en de verkoop van gebouwen en grond, die mogen worden overgedragen totdat ze volledig zijn gebruikt. De in Verordening (EU) nr. 1303/2013 en in Verordening (EU) nr. 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad ( 3 ) bedoelde en op 31 december beschikbare vastleggingskredieten die afkomstig zijn van de terugbetaling van voorfinancieringen, mogen worden overgedragen totdat het programma wordt afgesloten en worden gebruikt wanneer daaraan behoefte is, op voorwaarde dat er geen andere vastleggingskredieten meer beschikbaar zijn;

c) kredieten die overeenkomen met externe bestemmingsontvangsten. Die kredieten worden volledig gebruikt totdat alle verrichtingen betreffende het programma of de actie waarvoor zij bestemd zijn, zijn uitgevoerd of kunnen worden overgedragen en voor het vervolgprogramma of de vervolgactie worden gebruikt. Dit geldt niet voor de in artikel 21, lid 2, onder g), iii), bedoelde ontvangsten, waarvoor niet binnen vijf jaar vastgelegde kredieten worden geannuleerd;

d) betalingskredieten in verband met het ELGF die voortvloeien uit schorsingen overeenkomstig artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

5.  De behandeling van externe bestemmingsontvangsten als bedoeld in lid 4, onder c), van dit artikel die voortvloeien uit de deelname van de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) aan bepaalde programma’s van de Unie overeenkomstig artikel 21, lid 2, onder e), geschiedt in overeenstemming met Protocol nr. 32 bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-overeenkomst).

6.  De betrokken instelling van de Unie verstrekt het Europees Parlement en de Raad naast de in lid 3 bedoelde informatie, informatie over de automatisch overgedragen kredieten, met inbegrip van de betrokken bedragen en de bepaling van dit artikel uit hoofde waarvan de kredieten zijn overgedragen.

7.  Niet-gesplitste kredieten waarvoor een juridische verbintenis is aangegaan aan het einde van het begrotingsjaar worden tot het einde van het volgende begrotingsjaar uitbetaald.

8.  Onverminderd lid 4 worden in een reserve opgenomen kredieten en de kredieten voor personeelsuitgaven niet overgedragen. Voor de toepassing van dit artikel omvatten personeelsuitgaven bezoldigingen en vergoedingen van de leden en van het personeel van de instellingen van de Unie waarop het Statuut van de ambtenaren van toepassing is.

Artikel 13

Gedetailleerde voorschriften inzake de annulering en overdracht van kredieten

1.  De in artikel 12, lid 2, eerste alinea, onder a), bedoelde vastleggingskredieten en niet-gesplitste kredieten kunnen slechts worden overgedragen indien de vastleggingen niet vóór 31 december van het begrotingsjaar konden worden verricht om redenen die de ordonnateur niet kunnen worden aangerekend, en indien de voorbereidingen zo ver gevorderd zijn dat redelijkerwijs mag worden verwacht dat de vastlegging uiterlijk op 31 maart van het volgende begrotingsjaar kan worden verricht, of op 31 december van het volgende begrotingsjaar wanneer het onroerendgoedprojecten betreft.

2.  De in artikel 12, lid 2, eerste alinea, onder a), bedoelde voorbereidende stadia, die op 31 december van het begrotingsjaar moeten zijn voltooid met het oog op een overdracht naar het volgende begrotingsjaar, zijn met name:

a) voor de individuele vastleggingen in de zin van artikel 112, lid 1, eerste alinea, onder a), de voltooiing van de selectie van potentiële contractanten, begunstigden, prijswinnaars of delegatiehouders;

b) voor de globale vastleggingen in de begroting in de zin van artikel 112, eerste alinea, lid 1, onder b), de vaststelling van een financieringsbesluit of de afsluiting van het overleg tussen de betrokken diensten binnen elke instelling van de Unie met het oog op de vaststelling van een dergelijk begrotingsbesluit.

3.  De overeenkomstig artikel 12, lid 2, eerste alinea, onder a), overgedragen kredieten die op 31 maart van het volgende begrotingsjaar, of op 31 december van het volgende begrotingsjaar voor bedragen in verband met onroerendgoedprojecten, niet zijn vastgelegd, worden automatisch geannuleerd.

De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad binnen één maand na de in de voorgaande alinea bedoelde annulering in kennis van de aldus geannuleerde kredieten.

Artikel 14

Vrijmakingen

1.  Vrijmakingen van vastleggingen in latere begrotingsjaren dan het jaar waarin de die werd gedaan wegens gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van de acties waarvoor ze bestemd waren, leiden tot annulering van de met die vrijmakingen overeenstemmende kredieten, tenzij anders is bepaald in Verordening (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 514/2014, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 15 van deze verordening.

2.  De in Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 514/2014 bedoelde vastleggingskredieten worden automatisch vrijgemaakt overeenkomstig die verordeningen.

3.  Dit artikel is niet van toepassing op externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 2.

Artikel 15

Wederopvoering van met vrijmakingen overeenstemmende kredieten

1.  De in Verordeningen (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 223/2014 en (EU) nr. 514/2014 bedoelde met vrijmakingen overeenstemmende kredieten kunnen worden wederopgevoerd in geval van een uitsluitend aan de Commissie toe te rekenen kennelijke fout.

De Commissie onderzoekt daartoe de vrijmakingen van het voorgaande begrotingsjaar en neemt, naargelang de behoeften, uiterlijk op 15 februari van het lopende begrotingsjaar een besluit over de noodzaak tot wederopvoering van de betrokken kredieten.

2.  In aanvulling op het in lid 1 van dit artikel bedoelde geval worden de met vrijmakingen overeenstemmende kredieten wederopgevoerd in geval van:

a) de vrijmaking uit een programma dat valt onder de regelingen voor de uitvoering van de prestatiereserve die is ingesteld overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1303/2013;

b) de vrijmaking uit een programma dat bestemd is voor een specifiek financieringsinstrument ten behoeve van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) als gevolg van de beëindiging van de deelname van een lidstaat aan het financieringsinstrument, zoals bedoeld in artikel 39, lid 2, zevende alinea, van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

3.  Vastleggingskredieten die overeenkomen met het bedrag aan vrijmakingen die het gevolg zijn van gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van onderzoeksprojecten waarvoor zij bestemd waren, kunnen ook in het kader van de begrotingsprocedure worden wederopgevoerd ten gunste van het onderzoeksprogramma waartoe de projecten behoren of de opvolger ervan.

Artikel 16

Regels bij vaststelling van de begroting met vertraging

1.  Indien de begroting bij het begin van het begrotingsjaar niet definitief is vastgesteld, is de in de eerste alinea van artikel 315 VWEU bedoelde procedure (het systeem van voorlopige twaalfden) van toepassing. Vastleggingen en betalingen kunnen worden verricht binnen de in lid 2 van dit artikel bepaalde grenzen.

2.  Vastleggingen kunnen per hoofdstuk worden verricht, tot maximaal een kwart van het totaal van de kredieten die in het betrokken hoofdstuk voor de begroting van het voorgaande begrotingsjaar zijn toegestaan, vermeerderd met een twaalfde voor elke verstreken maand.

Het maximum van de kredieten die zijn voorzien in de ontwerpbegroting, wordt niet overschreden.

Betalingen kunnen maandelijks per hoofdstuk worden verricht, tot maximaal een twaalfde van de kredieten die in het betrokken hoofdstuk voor de begroting van het voorgaande begrotingsjaar zijn toegestaan. Die betalingen mogen evenwel niet meer dan een twaalfde bedragen van de in hetzelfde hoofdstuk van de ontwerpbegroting voorziene kredieten.

3.  Onder de in de leden 1 en 2 bedoelde kredieten die voor de begroting van het voorgaande begrotingsjaar in het betrokken hoofdstuk zijn toegestaan wordt verstaan de kredieten die na stemming in de begroting zijn opgenomen, ook door middel van gewijzigde begrotingen, na aanpassing voor overschrijvingen tijdens dat begrotingsjaar.

4.  Indien de continuïteit van het optreden van de Unie en het beheer zulks vereisen, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, zowel voor de vastleggingen als voor de betalingen, uitgaven ter hoogte van meer dan één voorlopige twaalfde, maar niet meer dan een totaal van vier voorlopige twaalfden toestaan, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, boven die welke automatisch beschikbaar komen ingevolge de leden 1 en 2. De Raad zendt zijn desbetreffende besluit onverwijld aan het Europees Parlement.

Het in de eerste alinea genoemde besluit treedt in werking 30 dagen na de vaststelling ervan, tenzij het Europees Parlement:

a) bij meerderheid van zijn leden besluit de betrokken uitgaven vóór het verstrijken van de termijn van 30 dagen te verminderen, in welk geval de Commissie een nieuw voorstel indient;

b) de Raad en de Commissie meedeelt dat het de uitgaven niet wenst te verminderen, in welk geval het besluit vóór het verstrijken van de termijn van 30 dagen in werking treedt.

De bijkomende twaalfden worden als een geheel toegestaan en kunnen niet worden opgedeeld.

5.  Indien voor een bepaald hoofdstuk vier voorlopige twaalfden die in overeenstemming met lid 4 zijn toegestaan, niet toereikend zijn ter dekking van de uitgaven die nodig zijn om een breuk in de continuïteit van het optreden van de Unie op het door het betrokken hoofdstuk bestreken gebied te voorkomen, kan bij wijze van uitzondering een overschrijding van het aan kredieten geboekte bedrag in het overeenkomstige hoofdstuk van de begroting voor het voorgaande begrotingsjaar worden toegestaan. Het Europees Parlement en de Raad besluiten overeenkomstig de procedure van lid 4. Het totale bedrag van de in de begroting van het voorgaande begrotingsjaar of in de voorgestelde ontwerpbegroting opgenomen kredieten mag evenwel in geen geval worden overschreden.



HOOFDSTUK 3

Evenwichtsbeginsel

Artikel 17

Definitie en toepassingsgebied

1.  De begroting is wat ontvangsten en betalingskredieten betreft in evenwicht.

2.  De Unie en de organen van de Unie bedoeld in de artikelen 70 en 71 mogen binnen het kader van de begroting geen leningen aangaan.

Artikel 18

Saldo van het begrotingsjaar

1.  Het saldo van elk begrotingsjaar wordt, naargelang het een overschot of een tekort betreft, in de begroting van het volgende begrotingsjaar als ontvangst of als betalingskrediet opgenomen.

2.  De ramingen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde ontvangsten of betalingskredieten worden tijdens de begrotingsprocedure in de begroting opgenomen en door middel van de procedure van de nota van wijzigingen die wordt ingediend overeenkomstig artikel 42 van deze verordening. De ramingen worden opgesteld overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 van de Raad ( 4 ).

3.  Na de indiening van de voorlopige rekeningen van het begrotingsjaar wordt het eventuele verschil tussen deze rekeningen en de ramingen in de begroting van het volgende begrotingsjaar opgenomen door middel van een gewijzigde begroting, die uitsluitend voor dat doel wordt opgesteld en wordt aangewend. In dat geval dient de Commissie het ontwerp van gewijzigde begroting binnen 15 dagen na de indiening van de voorlopige rekeningen tegelijkertijd in bij het Europees Parlement en bij de Raad.



HOOFDSTUK 4

Rekeneenheidsbeginsel

Artikel 19

Gebruik van de euro

1.  Het meerjarig financieel kader en de begroting worden in euro opgesteld, uitgevoerd en onderworpen aan rekening en verantwoording. De rekenplichtige en, in het geval van beheer van gelden ter goede rekening, de beheerders van gelden ter goede rekening en, ten behoeve van het administratieve beheer van de Commissie en de EDEO, de bevoegde ordonnateur zijn evenwel gemachtigd voor de in artikel 77 bedoelde kasbehoeften transacties in andere valuta’s te verrichten.

2.  Onverminderd de specifieke bepalingen uit sectorspecifieke regelgeving, of uit specifieke overeenkomsten, subsidieovereenkomsten, bijdrageovereenkomsten en financieringsovereenkomsten, geschiedt de omrekening door de bevoegde ordonnateur tegen de in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, gepubliceerde dagkoers van de euro, op de dag waarop de opdrachtgevende dienst de betalings- of invorderingsopdracht opstelt.

Indien geen dagkoers is gepubliceerd, gebruikt de bevoegde ordonnateur de in lid 3 bedoelde dagkoers.

3.  Voor de in de artikelen 82, 83 en 84 bedoelde boekhouding geschiedt de omrekening tussen de euro en een andere valuta tegen de maandelijkse boekhoudkundige wisselkoers van de euro. Deze boekhoudkundige koers wordt door de rekenplichtige van de Commissie met gebruikmaking van alle betrouwbaar geachte informatiebronnen vastgesteld op basis van de koers van de voorlaatste werkdag van de maand die voorafgaat aan de maand waarvoor de koers wordt bepaald.

4.  Valutaomrekeningen worden op zodanige wijze uitgevoerd dat ze geen significante invloed op de hoogte van de medefinanciering door de Unie of een nadelig effect op de begroting hebben. Waar passend kan de gemiddelde dagkoers binnen een bepaalde periode voor de omrekening tussen de euro en andere valuta’s worden gebruikt.



HOOFDSTUK 5

Universaliteitsbeginsel

Artikel 20

Toepassingsgebied

Onverminderd artikel 21 dienen de gezamenlijke ontvangsten ter dekking van de gezamenlijke betalingskredieten. Onverminderd artikel 27 mogen de ontvangsten en de uitgaven in de begroting niet met elkaar worden gecompenseerd.

Artikel 21

Bestemmingsontvangsten

1.  Externe bestemmingsontvangsten en interne bestemmingsontvangsten worden gebruikt voor de financiering van bepaalde specifieke uitgaven.

2.  Externe bestemmingsontvangsten zijn:

a) specifieke aanvullende financiële bijdragen van lidstaten aan de onderstaande soorten acties en programma’s:

i) bepaalde aanvullende programma’s voor onderzoek en technologische ontwikkeling,

ii) bepaalde projecten of programma’s voor externe steun die door de Unie worden gefinancierd en door de Commissie worden beheerd;

b) kredieten met betrekking tot de ontvangsten uit het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, dat is ingesteld bij het aan het VEU en aan het VWEU gehechte Protocol nr. 37 betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal;

c) de rente op deposito’s en boeten waarin Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad ( 5 ) voorziet;

d) ontvangsten die voor een bepaald doel ter beschikking zijn gesteld, zoals inkomsten van stichtingsvermogens, subsidies, giften en legaten, daaronder begrepen de specifiek aan elke instelling van de Unie vooraf toegewezen ontvangsten;

e) financiële bijdragen van derde landen en andere dan bij het VWEU of het Euratom-Verdrag opgerichte organen aan activiteiten van de Unie;

f) interne bestemmingsontvangsten als bedoeld in lid 3, voor zover deze een aanvulling vormen op in dit lid bedoelde externe bestemmingsontvangsten;

g) ontvangsten uit activiteiten in mededinging van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (Joint Research Centre-JRC), bestaande uit:

i) procedures voor het toekennen van subsidies of aanbestedingsprocedures waaraan het JRC deelneemt,

ii) activiteiten van het JRC voor rekening van derden,

iii) activiteiten uit hoofde van een administratieve overeenkomst met andere instellingen van de Unie of andere diensten van de Commissie, overeenkomstig artikel 59, voor de verstrekking van technische en wetenschappelijke diensten.

3.  Interne bestemmingsontvangsten zijn:

a) ontvangsten afkomstig van derden wegens op hun verzoek verrichte leveringen, diensten en werken;

b) ontvangsten afkomstig van terugbetalingen overeenkomstig artikel 101 van onverschuldigd betaalde bedragen;

c) opbrengsten van leveringen van goederen, diensten en werken ten behoeve van andere diensten in een instelling van de Unie, of van andere instellingen of organen van de Unie, met inbegrip van vergoedingen voor dienstreizen betaald voor rekening van en terugbetaald door andere instellingen of organen van de Unie;

d) ontvangen verzekeringsuitkeringen;

e) ontvangsten uit verhuur en de verkoop van gebouwen en grond;

f) terugbetalingen aan financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties op grond van artikel 209, tweede alinea, lid 3;

g) ontvangsten van achteraf terugbetaalde belastingen ingevolge artikel 27, lid 3, eerste alinea, onder b).

4.  Bestemmingsontvangsten worden overgedragen en overgeschreven overeenkomstig artikel 12, lid 4, onder b) en c), en artikel 32.

5.  Een basishandeling kan de ontvangsten waarin zij voorziet, voor specifieke uitgavenposten bestemmen. Tenzij in de basishandeling anders is bepaald, vormen die ontvangsten interne bestemmingsontvangsten.

6.  De begroting voorziet in een structuur voor de opname van externe en interne bestemmingsontvangsten, alsmede, voor zover mogelijk, in een raming.

Artikel 22

Structuur voor de opneming van de bestemmingsontvangsten en opvoering van de betrokken kredieten

1.  Onverminderd lid 2, eerste alinea, onder c), van dit artikel en artikel 24 omvat de structuur voor de opneming van de bestemmingsontvangsten in de begroting:

a) in de staat van ontvangsten van de afdeling van elke instelling van de Unie, een begrotingsonderdeel waarin het bedrag van deze ontvangsten kan worden opgenomen;

b) in de staat van uitgaven, de toelichting, die ook algemene opmerkingen bevat, met vermelding van de begrotingsonderdelen waarin de kredieten kunnen worden opgenomen die met de ter beschikking gestelde bestemmingsontvangsten overeenkomen.

In het in de eerste alinea, onder a), bedoelde geval wordt het begrotingsonderdeel voorzien van de vermelding „pro memorie” en worden de geraamde ontvangsten ter informatie in de toelichting vermeld.

2.  De kredieten die met bestemmingsontvangsten overeenkomen, worden automatisch als vastleggingskredieten en als betalingskredieten opgevoerd wanneer de ontvangsten door de instelling van de Unie zijn geïnd, behalve:

a) in het in artikel 21, lid 2, onder a), bedoelde geval voor financiële bijdragen van lidstaten waarvan de bijdrageovereenkomst in euro luidt, kunnen de vastleggingskredieten worden opgevoerd bij de ondertekening van de bijdrageovereenkomst door de lidstaat;

b) in de in artikel 21, lid 2, onder b), en het in artikel 21, lid 2, onder g), punten i) en iii), bedoelde gevallen worden de vastleggingskredieten opgevoerd zodra de schuldvordering is geraamd;

c) in het in artikel 21, lid 2, onder c), bedoelde geval geeft de opneming van de bedragen in de staat van ontvangsten aanleiding tot de opneming van vastleggings- en betalingskredieten in de staat van uitgaven.

De in de eerste alinea, onder c), van dit lid bedoelde kredieten worden besteed overeenkomstig artikel 20.

3.  De in artikel 21, lid 2, onder b), en g), bedoelde ramingen van schuldvorderingen worden voor registratie aan de rekenplichtige toegezonden.

Artikel 23

Bijdragen van de lidstaten voor onderzoeksprogramma’s

1.  De bijdragen van de lidstaten voor de financiering van bepaalde aanvullende onderzoeksprogramma’s zoals bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014, worden betaald als volgt:

a) zeven twaalfden van het in de begroting opgenomen bedrag uiterlijk op 31 januari van het lopende begrotingsjaar;

b) de resterende vijf twaalfden uiterlijk op 15 juli van het lopende begrotingsjaar.

2.  Wanneer de begroting aan het begin van het begrotingsjaar niet definitief is vastgesteld, worden de in lid 1 bedoelde bijdragen betaald op basis van het in de begroting van het voorgaande begrotingsjaar opgenomen bedrag.

3.  Elke bijdrage of aanvullende betaling die de lidstaten uit hoofde van de begroting verschuldigd zijn, wordt binnen dertig kalenderdagen na afroeping op de rekening of rekeningen van de Commissie geboekt.

4.  De gedane betalingen worden op de in Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 bedoelde rekening geboekt en zijn onderworpen aan de voorwaarden van die verordening.

Artikel 24

Bestemmingsontvangsten die voortvloeien uit de deelname van de EVA-staten aan bepaalde programma’s van de Unie

1.  De structuur voor de opneming in de begroting van ontvangsten die voortvloeien uit de deelname van de EVA-staten aan bepaalde programma’s van de Unie is als volgt:

a) in de staat van ontvangsten wordt een „pro memorie”-begrotingsonderdeel gecreëerd voor het totale bedrag van de bijdragen van elke EVA-staat voor het begrotingsjaar;

b) de staat van uitgaven krijgt een bijlage die integraal deel van de begroting uitmaakt en alle begrotingsonderdelen vermeldt die betrekking hebben op activiteiten van de Unie waaraan EVA-staten deelnemen, en omvat informatie over het geraamde bedrag van de bijdrage van elke EVA-staat.

2.  Krachtens artikel 82 van de EER-overeenkomst leiden de bedragen met betrekking tot de jaarlijkse deelname van EVA-staten, zoals overeenkomstig artikel 1, lid 5, van Protocol nr. 32 bij deze overeenkomst aan de Commissie bevestigd door het Gemengd Comité van de Europese Economische Ruimte, ertoe dat de desbetreffende vastleggingskredieten en betalingskredieten aan het begin van het begrotingsjaar integraal in de begroting worden opgenomen.

3.  Het gebruik van de ontvangsten die uit de financiële bijdrage van EVA-staten voortvloeien, wordt apart gemonitord.

Artikel 25

Schenkingen

1.  De instellingen van de Unie kunnen alle schenkingen ten gunste van de Unie, zoals inkomsten uit stichtingen, subsidies, giften en legaten, aanvaarden.

2.  Voor het aanvaarden van een schenking ter waarde van 50 000  EUR of meer die financiële lasten, inclusief follow-upkosten, kan meebrengen welke hoger zijn dan 10 % van de waarde van de gedane schenking, is de goedkeuring vereist van het Europees Parlement en de Raad. Het Europees Parlement en de Raad spreken zich binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek om zulke goedkeuring van de betrokken instellingen van de Unie uit. Indien binnen deze termijn geen bezwaar kenbaar wordt gemaakt, nemen de betrokken instellingen van de Unie een definitieve beslissing over de aanvaarding van de schenking. De betrokken instellingen van de Unie geven in hun verzoek aan het Europees Parlement en de Raad een toelichting op de financiële lasten als gevolg van de aanvaarding van schenkingen aan de Unie.

Artikel 26

Sponsoring door bedrijven

1.  Sponsoring door bedrijven behelst een overeenkomst waarbij een rechtspersoon voor promotiedoeleinden of in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen steun in natura verleent aan een evenement of activiteit.

2.  Instellingen en organen van de Unie kunnen, op basis van specifieke interne regels, die op hun eigen website worden bekendgemaakt, bij wijze van uitzondering bedrijfssponsoring ontvangen, mits:

a) de beginselen van non-discriminatie, evenredigheid, gelijke behandeling en transparantie in alle stadia van de procedure voor de aanvaarding van bedrijfssponsoring in acht worden genomen;

b) de sponsoring bijdraagt tot het positieve imago van de Unie en rechtstreeks verband houdt met de kerndoelstelling van een evenement of activiteit;

c) de sponsoring geen belangenconflict creëert en niet uitsluitend sociale evenementen betreft;

d) het evenement of de activiteit niet uitsluitend via bedrijfssponsoring wordt gefinancierd;

e) de tegenprestatie voor de bedrijfssponsoring beperkt blijft tot zichtbaarheid voor het publiek van het handelsmerk of de naam van de sponsor;

f) de sponsor ten tijde van de sponsoringprocedure niet in een van de in artikel 136, lid 1, en artikel 141, lid 1, bedoelde situaties verkeert en evenmin opgenomen is in de in artikel 142, lid 1, bedoelde databank.

3.  Wanneer de bedrijfssponsoring meer dan 5 000  EUR bedraagt, worden de naam van de sponsor en de aard van het gesponsorde evenement of de gesponsorde activiteit opgenomen in een openbaar register.

Artikel 27

Regels betreffende inhoudingen en verrekening van koersverschillen

1.  Op het bedrag van betalingsverzoeken kunnen de volgende bedragen in mindering worden gebracht, waarvoor in dat geval een betalingsopdracht voor het nettobedrag wordt gegeven:

a) de aan partijen bij overeenkomsten of begunstigden opgelegde boeten;

b) de op facturen en kostendeclaraties in mindering gebrachte kortingen, terugbetalingen en rabatten;

c) rente op betaalde voorfinancieringen;

d) verrekeningen voor onverschuldigd betaalde bedragen.

De in de eerste alinea, onder d), bedoelde verrekeningen kunnen plaatsvinden door rechtstreekse inhouding op een nieuwe tussentijdse betaling of saldobetaling aan dezelfde begunstigde ten laste van het hoofdstuk, het artikel en het begrotingsjaar waarop het teveel betaalde is geboekt.

Op de in de eerste alinea, onder c) en d), genoemde inhoudingen zijn de boekhoudregels van de Unie van toepassing.

2.  De prijzen van aan de Unie geleverde goederen en diensten waarin belastingen zijn begrepen die op grond van het Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat aan het VEU en aan het VWEU is gehecht, worden terugbetaald door lidstaten, worden exclusief belastingen ten laste van de begroting gebracht.

3.  De prijzen van aan de Unie geleverde goederen en diensten waarin belastingen zijn begrepen die op grond van overeenkomsten ter zake door derde landen worden terugbetaald, kunnen ten laste van de begroting worden gebracht voor de volgende bedragen:

a) het bedrag exclusief belastingen;

b) het bedrag inclusief belastingen.

In het in de eerste alinea, onder b), bedoelde geval worden de achteraf terugbetaalde belastingen als interne bestemmingsontvangsten behandeld.

4.  De tijdens de uitvoering van de begroting geregistreerde koersverschillen mogen worden verrekend. Het positieve of negatieve resultaat wordt opgenomen in het saldo van het begrotingsjaar.



HOOFDSTUK 6

Specialiteitsbeginsel

Artikel 28

Algemene bepalingen

1.  De kredieten worden gespecificeerd per titel en hoofdstuk. De hoofdstukken worden onderverdeeld in artikelen en posten.

2.  Onder de in de artikelen 29 tot en met 32 vastgelegde specifieke voorwaarden kunnen de Commissie en de andere instellingen van de Unie binnen de begroting kredieten overschrijven.

Slechts begrotingsonderdelen waarvoor in de begroting een krediet is toegestaan of die de vermelding „pro memorie” (p.m.) dragen, kunnen door middel van overschrijvingen van kredieten worden voorzien.

De in de artikelen 29, 30 en 31 bedoelde limieten worden berekend op het tijdstip van het verzoek om overschrijving en op de grondslag van de in de begroting, met inbegrip van de gewijzigde begrotingen, opgenomen kredieten.

Het in aanmerking te nemen bedrag voor de berekening van de in de artikelen 29, 30 en 31 bedoelde limieten is de som van de overschrijvingen van het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven, na correctie voor eerder verrichte overschrijvingen. Het bedrag van de overschrijvingen die autonoom, zonder besluit van het Europees Parlement en de Raad, door de Commissie of een andere betrokken instelling van de Unie worden verricht, wordt niet in aanmerking genomen.

Voorstellen voor kredietoverschrijvingen en alle voor het Europees Parlement en de Raad bestemde informatie met betrekking tot de overeenkomstig de artikelen 29, 30 en 31 uitgevoerde overschrijvingen gaan vergezeld van passende en gedetailleerde bewijsstukken met de meest recente informatie waaruit de besteding van de kredieten en de verwachte behoeften tot het einde van het begrotingsjaar blijken, zowel voor de begrotingsonderdelen waarnaar de kredieten worden overgeschreven als die waarvan deze worden overgeschreven.

Artikel 29

Overschrijvingen door andere instellingen van de Unie dan de Commissie

1.  Iedere andere instelling van de Unie dan de Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting kredietoverschrijvingen verrichten:

a) van de ene titel naar de andere, tot maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar dat vermeld staat op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven;

b) van het ene hoofdstuk naar het andere, zonder beperking.

2.  Onverminderd lid 4 van dit artikel, stelt de instelling van de Unie het Europees Parlement en de Raad drie weken van tevoren in kennis van haar voornemen een overschrijving als bedoeld in lid 1 te verrichten. Indien het Europees Parlement of de Raad in die periode naar behoren gemotiveerde bezwaren aanvoert, treedt de procedure van artikel 31 in werking.

3.  Iedere andere instelling van de Unie dan de Commissie kan aan het Europees Parlement en de Raad binnen haar eigen afdeling van de begroting overschrijvingen voorstellen van de ene titel naar de andere boven de grens, als bedoeld in lid 1, onder a), van dit artikel. Deze overschrijvingen geschieden volgens de procedure van artikel 31.

4.  Iedere andere instelling van de Unie dan de Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting overschrijvingen binnen artikelen verrichten zonder het Europees Parlement en de Raad hiervan van tevoren in kennis te stellen.

Artikel 30

Overschrijvingen door de Commissie

1.  De Commissie kan binnen haar afdeling van de begroting autonoom:

a) in ieder hoofdstuk kredieten overschrijven;

b) wat de personeelskosten en de huishoudelijke uitgaven betreft die gemeenschappelijk zijn voor verschillende titels, kredieten overschrijven van de ene naar de andere titel, tot maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar dat staat vermeld op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven, en tot maximaal 30 % van de kredieten van het begrotingsjaar dat staat vermeld op het begrotingsonderdeel waarnaar de kredieten worden overgeschreven;

c) wat de beleidsuitgaven betreft, kredieten overschrijven tussen hoofdstukken binnen eenzelfde titel tot maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar dat staat vermeld op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven;

d) wat de door het JRC bestede kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling betreft, binnen de begrotingstitel voor het beleidsterrein „eigen onderzoek” kredieten overschrijven tussen hoofdstukken, tot maximaal 15 % van de kredieten in het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven;

e) wat onderzoek en technologische ontwikkeling betreft, beleidskredieten overschrijven van de ene titel naar de andere titel, voor zover het gaat om kredieten met hetzelfde doel;

f) met betrekking tot beleidsuitgaven van de middelen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd, met uitzondering van het ELGF, kredieten overschrijven van de ene naar de andere titel, voor zover het gaat om kredieten voor hetzelfde doel in de zin van de verordening waarbij het betrokken fonds wordt opgericht of om uitgaven voor technische ondersteuning;

g) kredieten overschrijven van de begrotingspost van een begrotingsgarantie naar de begrotingspost van een andere begrotingsgarantie, in de uitzonderlijke gevallen dat de voorzieningen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds van de begrotingspost van laatstgenoemde begrotingsgarantie niet toereikend zijn om een beroep op de garantie te dekken„ en zulks onder voorwaarde dat het overgeschreven bedrag nadien wordt teruggestort overeenkomstig de procedure van artikel 212, lid 4.

Onder de in de eerste alinea, onder b), van dit lid bedoelde uitgaven vallen voor elk beleidsterrein de in artikel 47, lid 4, bedoelde rubrieken.

Wanneer de Commissie na 31 december ELGF-kredieten overschrijft overeenkomstig de eerste alinea, neemt zij haar besluit daartoe uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad binnen twee weken na haar besluit van deze overschrijvingen in kennis.

De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad drie weken van tevoren in kennis van haar voornemen de in de eerste alinea, onder b), van dit lid bedoelde overschrijvingen te verrichten. Indien het Europees Parlement of de Raad in die periode naar behoren gemotiveerde bezwaren aanvoert, treedt de procedure van artikel 31 in werking.

Bij wijze van afwijking van de vierde alinea mag de Commissie tijdens de laatste twee maanden van het begrotingsjaar autonoom kredieten met betrekking tot uitgaven voor personeel, extern personeel en andere personeelsleden van de ene titel naar de andere overschrijven, tot in totaal 5 % van de kredieten voor dat jaar. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad binnen twee weken na haar besluit van deze overschrijvingen in kennis.

2.  De Commissie kan, mits zij het Europees Parlement en de Raad onmiddellijk in kennis stelt van haar besluit, binnen haar afdeling van de begroting de volgende overschrijvingen van kredieten van de ene naar de andere titel verrichten:

a) overschrijvingen van kredieten van de in artikel 49 van deze verordening genoemde titel „Voorzieningen”, wanneer de vaststelling van een basishandeling overeenkomstig artikel 294 VWEU de enige voorwaarde is om de reserve op te heffen;

b) in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen zoals internationale humanitaire rampen en crises die zich na 1 december van het begrotingsjaar voordoen, overschrijvingen van ongebruikte kredieten die voor dat jaar nog beschikbaar zijn in titels die onder de voor extern optreden van de Unie aangewezen rubriek van het meerjarig financieel kader vallen, naar de titels die voor crisisbeheersingssteun en humanitaire hulpoperaties zijn bedoeld.

Artikel 31

Aan het Europees Parlement en aan de Raad door instellingen van de Unie voorgelegde voorstellen voor overschrijvingen

1.  Elke instelling van de Unie dient haar voorstellen voor overschrijvingen tegelijkertijd bij het Europees Parlement en bij de Raad in.

2.  De Commissie kan het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 10 januari van het volgende begrotingsjaar voorstellen doen voor overschrijvingen van betalingskredieten naar de middelen die onder gedeeld beheer worden uitgevoerd, met uitzondering van het ELGF. De overschrijving van betalingskredieten kan van elke begrotingspost geschieden. In dergelijke gevallen wordt de in lid 4 vermelde periode van zes weken ingekort tot drie weken.

Indien de overschrijving niet of slechts gedeeltelijk door het Europees Parlement en de Raad wordt goedgekeurd, wordt het desbetreffende deel van de uitgaven als bedoeld in artikel 10, lid 5, onder b), ten laste gelegd van de betalingskredieten van het volgende begrotingsjaar.

3.  Het Europees Parlement en de Raad nemen besluiten over kredietoverschrijvingen overeenkomstig de leden 4 tot en met 8.

4.  Behoudens in dringende omstandigheden wordt door het Europees Parlement en de Raad, die handelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, een besluit over elk voorstel tot overschrijving genomen binnen zes weken vanaf de datum waarop beide instellingen het voorstel hebben ontvangen. In dringende omstandigheden nemen het Europees Parlement en de Raad binnen drie weken na ontvangst van het voorstel een besluit.

5.  Indien de Commissie overweegt ELGF-kredieten over te schrijven overeenkomstig dit artikel, stelt zij de overschrijvingen uiterlijk op 10 januari van het volgende begrotingsjaar aan het Europees Parlement en de Raad voor. In deze gevallen wordt de in lid 4 vermelde periode van zes weken ingekort tot drie weken.

6.  Een voorstel tot overschrijving wordt goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd indien binnen de termijn van zes weken:

a) het Europees Parlement en de Raad ermee instemmen;

b) het Europees Parlement of de Raad ermee instemt en de andere instelling zich van een besluit onthoudt;

c) het Europees Parlement noch de Raad een besluit neemt dat het voorstel tot overschrijving wijzigt of weigert.

7.  Tenzij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt, bedraagt de termijn niet zes weken zoals bedoeld in lid 4, maar slechts drie weken indien:

a) de overschrijving minder dan 10 % vertegenwoordigt van de kredieten van het begrotingsonderdeel van waaruit de overschrijving plaatsvindt, en niet meer dan 5 000 000  EUR bedraagt;

b) de overschrijving alleen betrekking heeft op betalingskredieten en het totaalbedrag van de overschrijving niet meer dan 100 000 000  EUR bedraagt.

8.  Indien het Europees Parlement of de Raad het bedrag van de overschrijving heeft gewijzigd terwijl de andere instelling ermee heeft ingestemd of zich van een besluit onthoudt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad het bedrag van de overschrijving heeft gewijzigd, wordt het laagste bedrag geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de instelling van de Unie in kwestie haar voorstel voor overschrijving intrekt.

Artikel 32

Overschrijvingen onderworpen aan bijzondere bepalingen

1.  De kredieten die overeenkomen met bestemmingsontvangsten kunnen slechts worden overgeschreven voor zover die ontvangsten voor hun bestemming worden gebruikt.

2.  Besluiten betreffende overschrijvingen die het gebruik van de reserve voor noodhulp mogelijk moeten maken, worden genomen door het Europees Parlement en de Raad op voorstel van de Commissie.

Voor de toepassing van dit lid is de in artikel 31, leden 3 en 4, bepaalde procedure van toepassing. Indien het Europees Parlement en de Raad het Commissievoorstel niet goedkeuren en zij niet tot een Gemeenschappelijk Standpunt inzake het gebruik van de reserve voor noodhulp komen, onthouden zij zich van een besluit inzake dat voorstel.

Voorstellen voor overschrijvingen uit de reserve voor noodhulp gaan vergezeld van passende en gedetailleerde bewijsstukken, met:

a) de meest recente informatie over de besteding van de kredieten en verwachte behoeften tot het einde van het begrotingsjaar voor het begrotingsonderdeel waarnaar wordt overgeschreven;

b) een analyse van de mogelijkheden om de kredieten een andere bestemming te geven.



HOOFDSTUK 7

Beginsel van goed financieel beheer en prestaties

Artikel 33

Prestaties en beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid

1.  Kredieten worden gebruikt overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer en worden bijgevolg besteed met inachtneming van de volgende beginselen:

a) zuinigheid: de door de betrokken instelling van de Unie voor haar activiteiten ingezette middelen worden tijdig, in passende hoeveelheid en kwaliteit en tegen de best mogelijke prijs beschikbaar gesteld;

b) efficiëntie: de beste verhouding tussen de ingezette middelen, de uitgevoerde activiteiten en de verkregen resultaten;

c) doeltreffendheid: de mate waarin de nagestreefde doelstellingen door de activiteiten worden verwezenlijkt.

2.  In overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer staan bij de besteding van kredieten prestaties centraal en daartoe:

a) worden doelstellingen van programma’s en activiteiten vooraf vastgesteld;

b) wordt de voortgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen gemonitord aan de hand van prestatie-indicatoren;

c) worden de voortgang bij en problemen met de verwezenlijking van doelstellingen gerapporteerd aan het Europees Parlement en aan de Raad overeenkomstig artikel 41, lid 3, eerste alinea, onder h), en artikel 247, lid 1, onder e).

3.  In voorkomend geval worden specifieke, meetbare, haalbare, relevante en tijdgebonden doelstellingen als bedoeld in de leden 1 en 2 en relevante, aanvaarde, geloofwaardige, eenvoudige en robuuste indicatoren bepaald.

Artikel 34

Evaluaties

1.  Programma’s en activiteiten die aanzienlijke uitgaven met zich brengen, worden aan een evaluatie vooraf en achteraf onderworpen, die in verhouding staat tot de doelstellingen en de uitgaven.

2.  Evaluaties vooraf ter ondersteuning van de voorbereiding van programma’s en activiteiten zijn gebaseerd op gegevens betreffende de prestaties van verwante programma’s of activiteiten en bieden een overzicht en een analyse van de problemen die moeten worden aangepakt, de meerwaarde van de rol van de Unie, de doelstellingen, de verwachte effecten van verschillende opties en monitoring- en evaluatieregelingen.

Voor grootschalige programma’s of activiteiten die naar verwachting aanzienlijke economische, milieu- of sociale effecten zullen sorteren, kan de evaluatie vooraf, met inachtneming van de hierboven beschreven voorschriften, de vorm van een effectbeoordeling aannemen die de diverse opties betreffende de uitvoeringsmethoden analyseert.

3.  Evaluaties achteraf betreffen de prestaties van het programma of de activiteit, met inbegrip van aspecten als doeltreffendheid, efficiëntie, samenhang, relevantie en EU-meerwaarde. Evaluaties achteraf zijn gebaseerd op de informatie die voortkomt uit de monitoringregelingen en de voor de betreffende actie gecreëerde indicatoren. Deze evaluaties worden ten minste eenmaal gedurende de periode van elk meerjarig financieel kader en waar mogelijk tijdig genoeg uitgevoerd om de bevindingen te kunnen meenemen in evaluaties vooraf of effectbeoordelingen ter voorbereiding van verwante programma’s en activiteiten.

Artikel 35

Verplicht financieel memorandum

1.  Bij ieder voorstel of initiatief dat door de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid („de hoge vertegenwoordiger”) of een lidstaat wordt ingediend bij de wetgevende autoriteit en dat gevolgen kan hebben voor de begroting, daaronder begrepen wijzigingen in het aantal ambten, wordt een financieel memorandum gevoegd dat schattingen bevat van de betalings- en vastleggingskredieten vermeldt, door middel van een beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties en de evaluatie vooraf of effectbeoordeling waarin artikel 34 voorziet.

Bij iedere wijziging van een voorstel of initiatief dat wordt ingediend bij de wetgevende autoriteiten dat een aanzienlijk gevolg kan hebben voor de begroting, met inbegrip van het aantal ambten, wordt een financieel memorandum gevoegd dat is opgesteld door de instelling van de Unie die de wijziging voorstelt.

Het financieel memorandum bevat de nodige financiële en economische gegevens op grond waarvan de wetgevende autoriteit kan beoordelen of een optreden van de Unie noodzakelijk is. Voorts bevat het nuttige informatie over de samenhang met andere activiteiten van de Unie en eventuele synergie.

Voor meerjarenacties omvat het financieel memorandum een tijdschema met een raming van de jaarlijks benodigde vastleggings- en betalingskredieten en ambten, met inbegrip van extern personeel, alsmede een evaluatie van de financiële gevolgen op middellange en, indien mogelijk, lange termijn.

2.  Tijdens de begrotingsprocedure verstrekt de Commissie de nodige informatie voor een vergelijking tussen de ontwikkeling van de kredietbehoeften en de oorspronkelijke ramingen in het financieel memorandum, op basis van de stand van de beraadslagingen over het voorstel of initiatief dat is ingediend bij de wetgevende autoriteit.

3.  Om het gevaar van fraude, onregelmatigheden en het niet-behalen van de doelstellingen te verkleinen, worden in het financieel memorandum informatie betreffende het ingestelde internecontrolesysteem, een raming van de kosten en baten van door een dergelijk systeem uitgevoerde controles en een evaluatie van het verwachte foutenrisico verstrekt, en wordt informatie inzake bestaande en geplande maatregelen inzake fraudepreventie en bescherming tegen fraude opgegeven.

Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de verwachte omvang en soort fouten, de specifieke omstandigheden van het beleidsterrein in kwestie en met de daarop toepasselijke regels.

4.  Wanneer de Commissie herziene of nieuwe voorstellen voor uitgaven indient, raamt zij de kosten en baten van de controlesystemen en het verwachte foutenrisico als bedoeld in lid 3.

Artikel 36

Interne controle op de begrotingsuitvoering

1.  Op grond van het beginsel van goed financieel beheer wordt de begroting uitgevoerd met de doeltreffende en efficiënte interne controle naargelang elke wijze van uitvoering, en in overeenstemming met de toepasselijke sectorspecifieke regelgeving.

2.  Voor de uitvoering van de begroting is interne controle van toepassing op alle niveaus van het beheer en dient het redelijke zekerheid te verschaffen over de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

a) doeltreffendheid, efficiëntie en zuinigheid van de operaties;

b) betrouwbaarheid van de verslaglegging;

c) bescherming van activa en informatie;

d) preventie, opsporing, correctie en follow-up van fraude en onregelmatigheden;

e) adequate beheersing van de risico’s in verband met de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de programma’s en met de aard van de betrokken betalingen.

3.  Een doeltreffende interne controle is gebaseerd op beproefde internationale methoden en omvat in het bijzonder de volgende elementen:

a) een scheiding van taken;

b) een adequate risicobeheersings- en controlestrategie, inclusief controles op het niveau van de ontvangers;

c) de vermijding van belangenconflicten;

d) adequate auditsporen en de integriteit van de gegevens in gegevenssystemen;

e) procedures voor het monitoren van de doeltreffendheid en de efficiëntie;

f) procedures voor de follow-up van vastgestelde zwakheden van de interne controle, en uitzonderingen;

g) een periodieke evaluatie van de goede werking van het interne controlesysteem.

4.  Een efficiënte interne controle is gebaseerd op de volgende elementen:

a) de uitvoering van een adequate, door de relevante bij de controleketen betrokken actoren onderling gecoördineerde risicobeheersings- en controlestrategie;

b) de toegankelijkheid van de controleresultaten voor alle relevante, bij de controleketen betrokken actoren;

c) vertrouwen, waar passend, op beheersverklaringen van uitvoeringspartners en op onafhankelijke auditadviezen, mits de kwaliteit van de onderliggende werkzaamheden adequaat en aanvaardbaar is en dat het werd verricht overeenkomstig gevestigde normen;

d) de tijdige toepassing van corrigerende maatregelen, waaronder passende en afschrikkende sancties;

e) duidelijke en ondubbelzinnige wetgeving als grondslag voor het betreffende beleid, met inbegrip van basishandelingen betreffende de elementen van de interne controle;

f) het wegnemen van dubbele controles;

g) de verbetering van de kosten-batenverhouding van controles.

5.  Indien het foutenpercentage bij de uitvoering aanhoudend hoog is, brengt de Commissie de zwakke punten in de controlesystemen in kaart, onderzoekt zij de kosten en baten van eventuele corrigerende maatregelen en neemt zij passende maatregelen of stelt deze voor, bijvoorbeeld een vereenvoudiging van de toepasselijke bepalingen, verbetering van de controlesystemen en bijsturing van het programma of uitvoeringssystemen.



HOOFDSTUK 8

Transparantiebeginsel

Artikel 37

Bekendmaking van de rekeningen en begrotingen

1.  De begroting wordt opgesteld, uitgevoerd en aan rekening en verantwoording onderworpen in overeenstemming met het transparantiebeginsel.

2.  De begroting en de gewijzigde begrotingen worden in hun definitief vastgestelde vorm op initiatief van de voorzitter van het Europees Parlement bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze bekendmaking geschiedt binnen drie maanden na de datum waarop de definitieve vaststelling van de begroting wordt geconstateerd.

Zo spoedig mogelijk en uiterlijk vier weken na de definitieve vaststelling van de begroting worden de definitieve gedetailleerde begrotingscijfers op initiatief van de Commissie in alle talen bekendgemaakt op de website van de instellingen van de Unie, in afwachting van de officiële bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De geconsolideerde jaarrekening wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de website van de instellingen van de Unie.

Artikel 38

Bekendmaking van informatie over ontvangers en andere informatie

1.  De Commissie stelt op passende en tijdige wijze haar informatie over ontvangers van middelen uit de begroting ter beschikking indien de begroting door haar overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder a), worden uitgevoerd.

De eerste alinea van dit lid geldt ook voor andere instellingen van de Unie wanneer zij krachtens artikel 59, lid 1, de begroting uitvoeren.

2.  Behoudens de in de leden 3 en 4 bedoelde gevallen wordt de volgende informatie bekendgemaakt met inachtneming van de vereisten inzake geheimhouding en beveiliging, met name inzake de bescherming van persoonsgegevens:

a) de naam van de ontvanger;

b) de locatie van de ontvanger, te weten:

i) het adres van de ontvanger, wanneer deze een rechtspersoon is;

ii) de regio op NUTS 2-niveau, wanneer de ontvanger een natuurlijke persoon is;

c) het bedrag waarvoor een juridische verbintenis is aangegaan;

d) de aard en het doel van de maatregel.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde informatie wordt alleen openbaar gemaakt voor prijzen, subsidies en overeenkomsten die zijn toegekend dan wel gegund als gevolg van wedstrijden, procedures voor toekenning van subsidies of aanbestedingsprocedures, en voor deskundigen die zijn geselecteerd overeenkomstig artikel 237, lid 2.

3.  De in lid 2, eerste alinea, bedoelde informatie wordt niet bekendgemaakt wanneer het gaat om:

a) onderwijssteun uitbetaald aan natuurlijke personen en andere rechtstreekse steunbetalingen die worden betaald aan de meest behoeftige natuurlijke personen als bedoeld in artikel 191, lid 4, onder b);

b) overeenkomsten van zeer geringe waarde toegekend aan overeenkomstig artikel 237, lid 2, geselecteerde deskundigen, alsmede overeenkomsten van zeer geringe waarde onder het in punt 14.4 van bijlage I bedoelde bedrag;

c) financiële steun verleend door middel van financieringsinstrumenten voor een bedrag van minder dan 500 000  EUR;

d) wanneer bekendmaking afbreuk dreigt te doen aan de bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beschermde rechten en vrijheden van betrokken personen of entiteiten of de commerciële belangen van ontvangers dreigt te schaden.

In de in de eerste alinea, onder c), bedoelde gevallen wordt de ter beschikking gestelde informatie beperkt tot op basis van relevante criteria geaggregeerde statistische gegevens, zoals geografische ligging, economische typologie van ontvangers, het type steun en het beleidsterrein van de Unie waarop deze steun werd verleend.

Wanneer het gaat om natuurlijke personen geschiedt de bekendmaking van de in lid 2, eerste alinea, bedoelde informatie op basis van relevante criteria, zoals de frequentie of het soort maatregel en de bedragen in kwestie.

4.  Personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren krachtens artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), maken de informatie over ontvangers bekend volgens de op hen toepasselijke regelgeving en procedures, voor zover die regelgeving geacht wordt gelijkwaardig te zijn op grond van een beoordeling door de Commissie overeenkomstig artikel 154, lid 4, eerste alinea, onder e), en op voorwaarde dat er voor de bekendmaking van persoonsgegevens waarborgen gelden die gelijkwaardig zijn aan de in dit artikel uiteengezette waarborgen.

De overeenkomstig artikel 63, lid 3, aangewezen organen maken informatie bekend overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving. Die sectorspecifieke regelgeving mag, waar de relevante rechtsgrondslag hierin voorziet, afwijken van de leden 2 en 3 van dit artikel, met name voor wat de bekendmaking van persoonsgegevens betreft, wanneer dit op grond van de in lid 3, derde alinea, van dit artikel vermelde criteria gerechtvaardigd is, rekening houdend met de specifieke kenmerken van die sector.

5.  De in lid 1 bedoelde informatie wordt uiterlijk op 30 juni van het jaar na het begrotingsjaar waarin voor de middelen een juridische verbintenis is aangegaan, op een websites van de instellingen van de Unie bekendgemaakt.

Op de websites van de instellingen van de Unie wordt het adres van de website vermeld waar de in lid 1 bedoelde informatie te vinden is, behalve wanneer die rechtstreeks op een specifiek daartoe bestemde website van de instellingen van de Unie wordt bekendgemaakt.

De Commissie stelt op passende en tijdige wijze informatie ter beschikking over een enkele website, met verwijzing naar het adres ervan, waarop de informatie die door de in lid 4 bedoelde personen, entiteiten of organen is verstrekt, te vinden is.

6.  Bekendgemaakte persoonsgegevens worden gewist twee jaar na het einde van het begrotingsjaar waarin voor de middelen een juridische verbintenis werd aangegaan. Hetzelfde geldt voor persoonsgegevens betreffende rechtspersonen waarvan de officiële benaming één of meer natuurlijke personen identificeert.



TITEL III

OPSTELLING EN STRUCTUUR VAN DE BEGROTING



HOOFDSTUK 1

Opstelling van de begroting

Artikel 39

Raming van uitgaven en ontvangsten

1.  Elke andere instelling van de Unie dan de Commissie stelt een raming op van haar ontvangsten en uitgaven, die zij vóór 1 juli van elk jaar aan de Commissie en tegelijkertijd ter informatie aan het Europees Parlement en aan de Raad toezendt.

2.  De hoge vertegenwoordiger pleegt overleg, betreffende hun respectieve bevoegdheidsgebieden, met de leden van de Commissie die bevoegd zijn voor ontwikkeling, nabuurschapsbeleid, internationale samenwerking, humanitaire hulp en crisisrespons.

3.  De Commissie stelt haar eigen raming op en zendt deze onverwijld na goedkeuring ervan aan het Europees Parlement en aan de Raad toe. Bij de opstelling van haar eigen raming maakt de Commissie gebruik van de in artikel 40 bedoelde informatie.

Artikel 40

Geraamde begroting van de in artikel 70 bedoelde organen van de Unie

Uiterlijk op 31 januari van elk jaar zendt elk in artikel 70 bedoeld orgaan van de Unie de Commissie, het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig zijn oprichtingsbesluit het ontwerp van zijn enkelvoudig programmeringsdocument toe met daarin zijn jaarlijkse en meerjarige programmering en de desbetreffende planning van de personele en financiële middelen.

Artikel 41

Ontwerpbegroting

1.  De Commissie dient uiterlijk op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de begroting moet worden uitgevoerd, bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in dat de ontwerpbegroting bevat. Zij zendt dit voorstel ter informatie aan de nationale parlementen toe.

De ontwerpbegroting bevat een algemene, samenvattende staat van de ontvangsten en uitgaven van de Unie en de in artikel 39 bedoelde ramingen. De ontwerpbegroting kan tevens ramingen bevatten die afwijken van de door de instellingen van de Unie opgestelde ramingen.

De ontwerpbegroting wordt gestructureerd en ingericht zoals in de artikelen 47 tot en met 52 is uiteengezet.

Elke afdeling van de ontwerpbegroting wordt voorafgegaan door een inleiding van de betrokken instelling van de Unie zelf.

De Commissie stelt de algemene inleiding tot de ontwerpbegroting op. De algemene inleiding bestaat uit tabellen met de belangrijkste financiële gegevens per titel en toelichtingen bij de variaties in de kredieten van het ene begrotingsjaar tot het andere, per uitgavencategorie van het meerjarig financieel kader.

2.  Teneinde nauwkeurigere en betrouwbaardere ramingen te kunnen verstrekken over de gevolgen voor de begroting van geldende wetgeving en wetgevingsvoorstellen die in behandeling zijn, voegt de Commissie bij de ontwerpbegroting een indicatieve financiële programmering voor de volgende jaren, ingedeeld naar uitgavencategorie, beleidsterrein en begrotingsonderdeel. De volledige financiële programmering omvat de uitgavencategorieën die vallen onder punt 30 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer ( 6 ). Samenvattende gegevens worden verstrekt voor de uitgavencategorieën die niet onder punt 30 van dat Interinstitutioneel Akkoord vallen.

De indicatieve financiële programmering wordt na de vaststelling van de begroting op basis van de uitkomst van de begrotingsprocedure en eventuele andere relevante besluiten bijgewerkt.

3.  Bij de ontwerpbegroting voegt de Commissie:

a) een vergelijkende tabel met de ontwerpbegroting voor de andere instellingen van de Unie en de oorspronkelijke aan de Commissie toegezonden ramingen van de andere instellingen van de Unie en, in voorkomend geval, met de redenen waarom de ontwerpbegroting ramingen bevat die afwijken van door andere instellingen van de Unie opgestelde ramingen;

b) ieder nuttig geacht werkdocument over de personeelsformaties van de instellingen van de Unie, dat de laatste goedgekeurde personeelsformatie bevat en een overzicht geeft van:

i) al het personeel dat bij de Unie in dienst is, per soort arbeidsovereenkomst;

ii) een toelichting op het beleid inzake vast en extern personeel en genderevenwicht;

iii) het aantal posten dat is vervuld op de laatste dag van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de ontwerpbegroting wordt gepresenteerd, en het jaarlijkse gemiddelde van voltijdsequivalenten dat daadwerkelijk in dienst is voor dat voorgaande jaar, waarbij de verdeling per rang, per geslacht en per administratieve eenheid wordt aangegeven;

iv) een uitsplitsing van het personeel naar beleidsterrein;

v) voor elke categorie van extern personeel, het oorspronkelijk geraamde aantal voltijdsequivalenten op basis van de toegestane kredieten, alsmede het aantal personen dat aan het begin van het jaar waarin de ontwerpbegroting wordt gepresenteerd, daadwerkelijk in dienst is, waarbij de uitsplitsing per functiegroep wordt weergeven en waar passend per rang;

c) voor de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie, een werkdocument met een overzicht van de ontvangsten en uitgaven, alsmede alle informatie over het in deze alinea, onder b), bedoelde personeel.

d) een werkdocument over de geplande besteding van kredieten voor het begrotingsjaar en over nog betaalbaar te stellen vastleggingen;

e) met betrekking tot kredieten voor administratie, een werkdocument met de administratieve uitgaven die door de Commissie moeten worden verricht in het kader van haar afdeling van de begroting;

f) een werkdocument over proefprojecten en voorbereidende acties dat eveneens een beoordeling van de resultaten en de geplande follow-up bevat;

g) met betrekking tot de financiering van internationale organisaties, een werkdocument met daarin:

i) een overzicht van al deze bijdragen, gerangschikt per Unieprogramma of -fonds en per internationale organisatie;

ii) een uiteenzetting van de reden waarom het voor de Unie efficiënter is deze internationale organisaties te financieren in plaats van rechtstreeks zelf op te treden;

h) programmaverklaringen of andere toepasselijke documenten met de volgende toelichting:

i) een vermelding van het beleid en de doelstellingen van de Unie waartoe het programma dient bij te dragen;

ii) een duidelijke rechtvaardiging van maatregelen op het niveau van de Unie overeenkomstig, onder meer, het subsidiariteitsbeginsel;

iii) voortgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, als bedoeld in artikel 33;

iv) een volledige motivering, met inbegrip van een kosten-batenanalyse van voorgestelde wijzigingen in het niveau van de kredieten;

v) informatie over de uitvoeringsgraad van het programma in het lopende en het voorgaande begrotingsjaar;

i) een overzicht van de tijdschema’s voor de betalingen met een samenvatting per programma en per rubriek van de in latere begrotingsjaren te verrichten betalingen uit hoofde van in de ontwerpbegroting voorgestelde vastleggingen voor voorgaande begrotingsjaren.

Indien publiek-private partnerschappen gebruikmaken van financieringsinstrumenten, wordt de informatie met betrekking tot deze instrumenten opgenomen in het in lid 4 bedoelde werkdocument.

4.  Indien de Commissie gebruikmaakt van financieringsinstrumenten, voegt zij bij de ontwerpbegroting een werkdocument met voor elk financieringsinstrument een overzicht van het volgende:

a) een verwijzing naar het financieringsinstrument en de basishandeling ervan, samen met een algemene beschrijving van het instrument, de gevolgen ervan voor de begroting, de looptijd ervan en de meerwaarde van de bijdrage van de Unie;

b) de financiële instellingen die zijn betrokken bij de uitvoering, met inbegrip van eventuele kwesties in verband met de toepassing van artikel 155, lid 2;

c) de bijdrage van het financieringsinstrument aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het desbetreffende programma zoals gemeten op basis van de vastgestelde indicatoren, met inbegrip van, in voorkomend geval, de geografische diversificatie;

d) de voorgenomen verrichtingen, met inbegrip van doelvolumes gebaseerd op het beoogde hefboomeffect en het privékapitaal dat naar verwachting zal worden aangetrokken, of indien niet beschikbaar, op het hefboomeffect dat voortvloeit uit de bestaande financieringsinstrumenten;

e) de met de betrokken verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen en de samengevoegde vastleggingen in de begroting en betalingen uit de begroting;

f) de gemiddelde periode tussen de vastlegging in de begroting voor de financieringsinstrumenten en de juridische verbintenissen voor individuele projecten in de vorm van eigen vermogen of schuld, indien de duur daarvan langer is dan drie jaar;

g) ontvangsten en terugbetalingen overeenkomstig artikel 209, lid 3, apart vermeld, met inbegrip van een beoordeling van het gebruik ervan;

h) de waarde van investeringen in eigen vermogen, met betrekking tot voorgaande jaren;

i) het totaal aan voorzieningen voor risico’s en aansprakelijkheden, alsmede enige informatie over de blootstelling van de Unie aan financieel risico, met inbegrip van eventuele voorwaardelijke verplichtingen;

j) de waardevermindering van activa en beroepen op garanties, zowel voor het voorgaande jaar als de respectievelijke geaccumuleerde cijfers;

k) de prestaties van het financieringsinstrument, met inbegrip van de verwezenlijkte investeringen, de beoogde en verwezenlijkte hefboom- en multiplicatoreffecten, alsmede het volume aangetrokken privékapitaal;

l) de in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds voorziene middelen en, in voorkomend geval, het saldo op de trustrekening.

Het in de eerste alinea bedoelde werkdocument bevat eveneens een overzicht van de administratieve uitgaven in verband met de beheerskosten en andere financiële en huishoudelijke lasten betaald voor het beheer van financieringsinstrumenten in totaal en per beherende partij en per beheerd financieringsinstrument.

De Commissie zet de redenen uiteen voor de in de eerste alinea, onder f), bedoelde periode en formuleert indien nodig een actieplan voor de verkorting van de periode in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure.

In het in de eerste alinea bedoelde werkdocument wordt de informatie per financieringsinstrument samengevat in een duidelijke en beknopte tabel.

5.  Indien de Unie een begrotingsgarantie heeft verstrekt, voegt de Commissie bij de ontwerpbegroting een werkdocument met voor elke begrotingsgarantie en voor het gemeenschappelijk voorzieningsfonds:

a) een verwijzing naar de begrotingsgarantie en de basishandeling ervan, samen met een algemene beschrijving van de begrotingsgarantie en de gevolgen ervan voor de financiële verplichtingen van de begroting, de looptijd ervan en de meerwaarde van de steun van de Unie;

b) de tegenpartijen voor de begrotingsgarantie, met inbegrip van eventuele kwesties die verband houden met de toepassing van artikel 155, lid 2;

c) de bijdrage van de begrotingsgarantie tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de begrotingsgarantie zoals gemeten op basis van de vastgestelde indicatoren, met inbegrip van, in voorkomend geval, de geografische diversificatie en het aantrekken van middelen uit de particuliere sector;

d) informatie over onder de begrotingsgarantie vallende verrichtingen op geaggregeerde basis naar sectoren, landen en instrumenten, in voorkomend geval met inbegrip van portefeuilles en steun in combinatie met andere acties van de Unie;

e) het bedrag dat aan de ontvangers is overgemaakt en een beoordeling van het hefboomeffect van de uit hoofde van de begrotingsgarantie ondersteunde projecten;

f) op dezelfde basis als de onder d) bedoelde geaggregeerde informatie over het beroep op de begrotingsgarantie, verliezen, rendement, invorderingen en andere ontvangen betalingen;

g) informatie over het financieel beheer, de resultaten en het risico van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds aan het einde van het voorgaande kalenderjaar;

h) het effectieve voorzieningspercentage van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds en, in voorkomend geval, de daaropvolgende verrichtingen overeenkomstig artikel 213, lid 4;

i) de financiële stromen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds tijdens het voorgaande kalenderjaar alsmede de significante verrichtingen en relevante informatie over de blootstelling van de Unie aan financieel risico;

j) overeenkomstig artikel 210, lid 3, een beoordeling van de houdbaarheid van de voorwaardelijke verplichtingen ten laste van de begroting als gevolg van begrotingsgaranties of financiële bijstand.

6.  Indien de Commissie gebruikmaakt van trustfondsen van de Unie voor extern optreden, voegt zij bij de ontwerpbegroting een gedetailleerd werkdocument over de door die trustfondsen ondersteunde activiteiten, onder meer over:

a) de uitvoering ervan, met onder meer informatie over de monitoringregelingen met de entiteiten die trustfondsen uitvoeren;

b) de beheerskosten ervan;

c) de bijdragen van andere donoren dan de Unie;

d) een voorlopige beoordeling van de prestaties ervan op basis van de in artikel 234, lid 3, vastgelegde voorwaarden;

e) een beschrijving van de wijze waarop hun activiteiten hebben bijgedragen tot de doelstellingen die zijn neergelegd in de basishandeling van het instrument waaruit de bijdrage van de Unie aan het trustfonds is verstrekt.

7.  De Commissie voegt bij de ontwerpbegroting een lijst van haar besluiten waarbij boeten op het gebied van het mededingingsrecht worden opgelegd, met vermelding van het bedrag van elke opgelegde boete, vergezeld van informatie over de vraag of die boeten definitief zijn geworden of dat ze het voorwerp zijn van beroep, of dat nog kunnen worden, bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsmede, waar mogelijk, informatie over wanneer elke boete naar verwachting definitief zal worden.

8.  De Commissie voegt bij de ontwerpbegroting een werkdocument met daarin vermeld, voor elk begrotingsonderdeel waarvoor interne of externe bestemmingsontvangsten worden ontvangen:

a) het geraamde bedrag van die te ontvangen ontvangsten;

b) het geraamde bedrag van die van voorgaande jaren overgedragen ontvangsten.

9.  Bij de ontwerpbegroting voegt de Commissie tevens alle andere werkdocumenten die zij dienstig acht voor het Europees Parlement en voor de Raad ter beoordeling van de begrotingsverzoeken.

10.  Overeenkomstig artikel 8, lid 5, van Besluit 2010/427/EU van de Raad ( 7 ), zendt de Commissie het Europees Parlement en de Raad samen met de ontwerpbegroting een werkdocument toe met een volledig overzicht van:

a) alle uit de begroting gefinancierde administratieve en beleidsuitgaven in verband met het extern optreden van de Unie, met inbegrip van de taken op het gebied van het GBVB en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

b) alle administratieve uitgaven van de EDEO in het voorgaande jaar, uitgesplitst in uitgaven per delegatie van de Unie en uitgaven van het hoofdkantoor van de EDEO; samen met beleidsuitgaven, uitgesplitst naar geografisch gebied (regio’s, landen), thematisch gebied, delegaties van de Unie en missies.

11.  Het in lid 10 bedoelde werkdocument bevat tevens de volgende gegevens:

a) het aantal ambten in elke categorie en rang, en het aantal vaste en tijdelijke ambten, met inbegrip van arbeidscontractanten en plaatselijke functionarissen waarvoor de uitgaven zijn toegestaan binnen de grenzen van de kredieten in elke delegatie van de Unie, alsmede in het hoofdkantoor van de EDEO;

b) mutaties, vergeleken met het voorgaande begrotingsjaar, in het aantal ambten per categorie en rang, in het hoofdkantoor van de EDEO en in alle delegaties van de Unie;

c) het aantal voor het begrotingsjaar toegestane ambten en, voor het voorgaande begrotingsjaar, alsmede het aantal ambten dat wordt bezet door gedetacheerde diplomaten uit de lidstaten en door ambtenaren van de Unie;

d) al het personeel in de delegaties van de Unie op het moment van indiening van de ontwerpbegroting, uitgesplitst naar geografisch gebied, geslacht, afzonderlijk land en missie, met opgave van het aantal ambten in de personeelsformatie, arbeidscontractanten, lokale functionarissen en gedetacheerde nationale deskundigen, alsmede de in de ontwerpbegroting gevraagde kredieten voor dergelijke soorten personeel met de bijbehorende ramingen van het aantal voltijdsequivalenten op basis van de gevraagde kredieten.

Artikel 42

Nota van wijzigingen bij de ontwerpbegroting

Op grond van nieuwe informatie die ten tijde van de opstelling van de ontwerpbegroting niet bekend was, kan de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van een andere instelling van de Unie met betrekking tot hun respectieve afdeling, gelijktijdig bij het Europees Parlement en de Raad één of meer nota’s van wijzigingen indienen waarmee de ontwerpbegroting wordt gewijzigd, voordat het in artikel 314 VWEU genoemde bemiddelingscomité is bijeengekomen. Dergelijke nota’s kunnen onder meer een nota van wijzigingen omvatten tot actualisering van met name de geraamde landbouwuitgaven.

Artikel 43

Verplichtingen van de lidstaten als gevolg van de vaststelling van de begroting

1.  De voorzitter van het Europees Parlement constateert volgens de procedure van artikel 314, lid 9, VWEU en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag dat de begroting definitief is vastgesteld.

2.  De constatering van de definitieve vaststelling van de begroting brengt, met ingang van 1 januari van het volgende begrotingsjaar of met ingang van de datum van de constatering van de definitieve vaststelling van de begroting als die na 1 januari valt, voor elke lidstaat de verplichting met zich mee de Unie de verschuldigde bedragen ter beschikking te stellen op de wijze bepaald in Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

Artikel 44

Ontwerpen van gewijzigde begroting

1.  De Commissie kan in de volgende omstandigheden ontwerpen van gewijzigde begroting indienen die vooral op ontvangsten zijn gericht:

a) om in de begroting het saldo van het voorgaande begrotingsjaar op te nemen overeenkomstig de procedure van artikel 18;

b) om de raming van de eigen middelen te herzien op basis van aangepaste economische prognoses;

c) om de herziene raming van de eigen middelen en andere inkomsten te actualiseren alsmede om de beschikbaarheid van en de behoeften aan betalingskredieten te herzien.

De Commissie kan in geval van onvermijdbare, uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden, met name met het oog op de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, ontwerpen van gewijzigde begroting indienen die vooral op uitgaven zijn gericht.

2.  Verzoeken om gewijzigde begrotingen die in de in lid 1 genoemde omstandigheden door andere instellingen van de Unie dan de Commissie worden gedaan, worden doorgegeven aan de Commissie.

Alvorens een ontwerp van gewijzigde begroting in te dienen, onderzoeken de Commissie en de andere betrokken instellingen van de Unie de mogelijkheid om de desbetreffende kredieten te herschikken, met name met betrekking tot de verwachting dat bepaalde kredieten niet volledig zullen worden opgebruikt.

Artikel 43 is van toepassing op gewijzigde begrotingen. Gewijzigde begrotingen worden gemotiveerd onder verwijzing naar de begroting waarvan zij de ramingen wijzigen.

3.  De Commissie dient haar ontwerpen van gewijzigde begroting uiterlijk op 1 september van elk begrotingsjaar gelijktijdig bij het Europees Parlement en bij de Raad in, behoudens in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden of in geval van de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Solidariteitsfonds waarvoor op elk moment van het jaar een ontwerp van gewijzigde begroting kan worden ingediend. Zij kan bij de door andere instellingen van de Unie ingediende verzoeken om gewijzigde begrotingen een advies voegen.

4.  De ontwerpen van gewijzigde begroting gaan vergezeld van de ten tijde van de opstelling ervan beschikbare motiveringen en gegevens over de uitvoering van de begroting van het voorgaande en het lopende begrotingsjaar.

Artikel 45

Vervroegde indiening van de ramingen en ontwerpbegrotingen

De Commissie, het Europees Parlement en de Raad kunnen overeenkomen bepaalde data voor de indiening van de ramingen en voor de aanneming en de indiening van de ontwerpbegroting te vervroegen. Deze overeenkomst leidt er evenwel niet toe dat de termijnen voor de behandeling van die teksten, als voorgeschreven in artikel 314 VWEU en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag, worden verkort of verlengd.



HOOFDSTUK 2

Structuur en inrichting van de begroting

Artikel 46

Structuur van de begroting

De begroting omvat:

a) een algemene staat van uitgaven en ontvangsten;

b) aparte afdelingen voor elke instelling van de Unie, behalve voor de Europese Raad en voor de Raad die onder dezelfde afdeling ressorteren, verdeeld in staten van uitgaven en ontvangsten.

Artikel 47

Begrotingsnomenclatuur

1.  De ontvangsten van de Commissie en de uitgaven en ontvangsten van de overige instellingen van de Unie worden door het Europees Parlement en door de Raad ingedeeld in titels, hoofdstukken, artikelen en posten al naar hun aard of bestemming.

2.  De staat van uitgaven van de begrotingsafdeling betreffende de Commissie wordt ingericht volgens de door het Europees Parlement en de Raad vastgestelde nomenclatuur met een indeling naar de bestemming van de uitgave.

Elke titel komt overeen met een beleidsterrein en elk hoofdstuk als regel met een programma of een activiteit.

Elke titel kan beleidskredieten en administratieve kredieten bevatten. Binnen een zelfde titel worden de administratieve kredieten samengebracht in één hoofdstuk.

De begrotingsnomenclatuur voldoet aan de beginselen van specialiteit, goed financieel beheer en transparantie. Zij zorgt voor de voor het begrotingsproces benodigde duidelijkheid en transparantie, helpt de hoofddoelstellingen die in de respectieve rechtsgrondslagen zijn vastgesteld, te bepalen, maakt het mogelijk politieke prioriteiten te stellen en deze op een efficiënte en doeltreffende wijze te implementeren.

3.  De Commissie kan om de opname van een vermelding „pro memorie” in een begrotingsonderdeel zonder toegestane kredieten verzoeken. Een dergelijk verzoek zal overeenkomstig de in artikel 31 vastgestelde procedure worden goedgekeurd.

4.  In geval van indiening per bestemming worden de administratieve kredieten voor afzonderlijke titels als volgt ingericht:

a) uitgaven voor het door de personeelsformatie toegestane aantal personeelsleden, die de kredieten en het aantal ambten voor de personeelsformatie omvatten;

b) uitgaven voor extern personeel en andere uitgaven als bedoeld in artikel 30, lid 1, eerste alinea, onder b), en gefinancierd uit hoofde van de rubriek „Administratie” van het meerjarig financieel kader;

c) uitgaven voor gebouwen en andere, hiermee verband houdende uitgaven, waaronder die voor schoonmaak en onderhoud, huur, telecommunicatie, water, gas en elektriciteit;

d) uitgaven voor extern personeel en technische ondersteuning, direct verband houdend met de uitvoering van programma’s.

Administratieve uitgaven van de Commissie die in verschillende titels voorkomen, worden opgenomen in een afzonderlijke samenvattende staat, ingedeeld naar aard.

Artikel 48

Negatieve ontvangsten

1.  De begroting bevat geen negatieve ontvangsten, behalve als gevolg van negatieve rente op deposito’s in totaal.

2.  De op grond van Besluit 2014/335/EU, Euratom geïnde eigen middelen zijn nettobedragen en worden in de samenvattende staat van ontvangsten van de begroting als zodanig vermeld.

Artikel 49

Voorzieningen

1.  Iedere afdeling van de begroting kan een titel „voorzieningen” bevatten. Kredieten worden in elk van de volgende gevallen in die titel opgenomen:

a) ontbreken van een basishandeling voor de betrokken actie op het tijdstip van opstelling van de begroting;

b) op ernstige gronden bestaande onzekerheid over de toereikendheid of de mogelijkheid tot besteding, onder voorwaarden overeenkomstig het beginsel goed financieel beheer, van de op de begrotingsonderdelen opgevoerde kredieten.

De kredieten van die titel kunnen alleen door middel van overschrijvingen volgens de procedure van artikel 30, lid 1, eerste alinea, onder c), van deze verordening worden gebruikt in de gevallen waarin voor de vaststelling van de basishandeling de procedure van artikel 294 VWEU geldt, en volgens de procedure van artikel 31 van deze verordening in alle andere gevallen.

2.  In geval van ernstige uitvoeringsmoeilijkheden kan de Commissie tijdens het begrotingsjaar voorstellen kredieten over te schrijven naar de titel „voorzieningen”. Het Europees Parlement en de Raad beslissen over deze overschrijvingen op de in artikel 31 beschreven wijze.

Artikel 50

Negatieve reserve

De afdeling van de begroting betreffende de Commissie mag een „negatieve reserve” bevatten van ten hoogste 200 000 000  EUR. Deze reserve wordt in een afzonderlijke titel opgenomen en bevat uitsluitend betalingskredieten.

Het gebruik van die negatieve reserve moet vóór het einde van het begrotingsjaar plaatsvinden door middel van overschrijvingen volgens de procedure van de artikelen 30 en 31.

Artikel 51

Reserve voor noodhulp

1.  De afdeling van de begroting betreffende de Commissie bevat een reserve voor noodhulp aan derde landen.

2.  De in lid 1 genoemde reserve wordt vóór het einde van het begrotingsjaar gebruikt door middel van overschrijvingen volgens de procedure van de artikelen 30 en 32.

Artikel 52

Inrichting van de begroting

1.  In de begroting worden opgenomen:

a) in de algemene staat van ontvangsten en uitgaven:

i) de geraamde ontvangsten van de Unie voor het lopende begrotingsjaar („jaar n”);

ii) de geraamde ontvangsten van het voorgaande begrotingsjaar en de ontvangsten van het jaar n-2;

iii) de vastleggings- en betalingskredieten voor jaar n;

iv) de vastleggings- en betalingskredieten van het voorgaande begrotingsjaar;

v) de in het jaar n-2 vastgelegde uitgaven en gedane betalingen, waarbij de betalingen tevens worden uitgedrukt als een percentage van de begroting van het jaar n;

vi) een passende toelichting bij elk in artikel 47, lid 1, bedoeld onderdeel, met inbegrip van de eventuele basishandeling alsook een passende uitleg over de aard en de bestemming van de kredieten;

b) in elke afdeling de ontvangsten en uitgaven volgens dezelfde structuur als beschreven onder a);

c) met betrekking tot het personeelsbestand:

i) een personeelsformatie waarin, voor elke afdeling, per rang in elke categorie en in elke groep, het aantal binnen de grenzen van de kredieten toegestane vaste en tijdelijke ambten is vastgesteld;

ii) een personeelsformatie van de uit de kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling bezoldigde personeelsleden voor eigen werkzaamheden, en een personeelsformatie van de uit dezelfde kredieten bezoldigde personeelsleden voor werkzaamheden onder contract; de personeelsformaties zijn onderverdeeld naar categorie en naar rang, met onderscheid tussen vaste en tijdelijke ambten, waarvoor de uitgaven zijn toegestaan binnen de grenzen van de kredieten;

iii) een personeelsformatie waarin voor alle in artikel 70 bedoelde organen van de Unie die bijdragen ten laste van de begroting ontvangen, per rang voor elke categorie het aantal ambten wordt vastgesteld. In de personeelsformaties wordt naast het aantal voor het begrotingsjaar toegestane ambten het aantal ambten vermeld dat voor het voorgaande begrotingsjaar was toegestaan. Het personeel van het Voorzieningsagentschap van Euratom wordt afzonderlijk in de personeelsformatie van de Commissie opgenomen;

d) met betrekking tot financiële bijstand en begrotingsgaranties:

i) in de algemene staat van ontvangsten, de met deze verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen die dienen voor het boeken van de eventuele aflossingen door ontvangers die aanvankelijk in gebreke waren gebleven. Die begrotingsonderdelen worden van de vermelding „pro memorie” (p.m.) en van de passende toelichtingen voorzien;

ii) in de begrotingsafdeling betreffende de Commissie:

 de begrotingsonderdelen met de begrotingsgaranties met betrekking tot de betrokken verrichtingen. Die onderdelen worden van de vermelding „pro memorie” (p.m.) voorzien zolang uit dien hoofde geen daadwerkelijke last is gebleken die uit de definitieve middelen moet worden gedekt;

 toelichtingen met verwijzing naar de basishandeling en vermelding van het bedrag van de overwogen verrichtingen, de duur ervan en de financiële garantie die de Unie voor de afwikkeling van zulke verrichtingen verstrekt;

iii) in een bijlage bij de begrotingsafdeling betreffende de Commissie, ter indicatie, ook van de betrokken risico’s:

 de lopende kapitaalverrichtingen en het lopende beheer van de schulden;

 de kapitaalverrichtingen en het beheer van de schulden voor jaar n;

e) met betrekking tot zonder een basishandeling in te stellen financieringsinstrumenten:

i) de met deze verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen;

ii) een algemene beschrijving van de financieringsinstrumenten, met inbegrip van de looptijd en de gevolgen ervan voor de begroting;

iii) de beoogde verrichtingen, waaronder de beoogde volumes op basis van het verwachte multiplicator- en hefboomeffect;

f) met betrekking tot de door personen of entiteiten krachtens artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), uitgevoerde middelen:

i) een verwijzing naar de basishandeling van het desbetreffende programma;

ii) de overeenkomstige begrotingsonderdelen;

iii) een algemene beschrijving van de actie, met inbegrip van de looptijd en de gevolgen voor de begroting;

g) alle GBVB-uitgaven in een hoofdstuk, „GBVB” getiteld, met specifieke artikelen die betrekking hebben op GBVB-uitgaven en specifieke begrotingsonderdelen bevatten waarin in ieder geval de belangrijkste missies worden vermeld.

2.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen naast de in lid 1 genoemde documenten nog ieder ander ter zake dienend document bij de begroting voegen.

Artikel 53

Regels betreffende de personeelsformaties

1.  De in artikel 52, lid 1, onder c), bedoelde personeelsformaties vormen voor iedere instelling en elk orgaan van de Unie een strikt maximum. Boven dit maximum wordt geen enkele aanstelling verricht.

Iedere instelling en ieder orgaan van de Unie mag evenwel wijzigingen in zijn personeelsformaties aanbrengen voor 10 % van de toegestane ambten, behalve voor de rangen AD 14, AD 15 en AD 16, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) de wijziging heeft geen gevolgen voor de omvang van de personeelskredieten overeenkomend met een volledig begrotingsjaar;

b) het totale aantal toegestane ambten per personeelsformatie wordt niet overschreden;

c) de instelling of het orgaan van de Unie heeft deelgenomen aan een benchmark-studie met andere instellingen en organen van de Unie, waarmee is begonnen met de personeelsscreening van de Commissie.

Drie weken voordat zij de in de tweede alinea bedoelde wijzigingen aanbrengt, brengt de instelling van de Unie het Europees Parlement en de Raad op de hoogte van haar voornemen dit te doen. Worden binnen deze termijn door hetzij het Europees Parlement, hetzij de Raad naar behoren gemotiveerde bezwaren aangevoerd, dan ziet de instelling van de Unie af van het aanbrengen van deze wijzigingen en wordt de in artikel 44 vastgestelde procedure gevolgd.

2.  In afwijking van lid 1, eerste alinea, kunnen de gevallen van arbeid in deeltijd waarvoor het tot aanstelling bevoegde gezag overeenkomstig de bepalingen van het statuut toestemming heeft verleend, worden gecompenseerd met andere aanstellingen.



HOOFDSTUK 3

Begrotingsdiscipline

Artikel 54

Overeenstemming met het meerjarig financieel kader en met Besluit 2014/335/EU, Euratom

De begroting is in overeenstemming met het meerjarig financieel kader en met Besluit 2014/335/EU, Euratom.

Artikel 55

Overeenstemming van handelingen van de Unie met de begroting

Wanneer bij de uitvoering van een handeling van de Unie de in de begroting beschikbare kredieten worden overschreden, wordt die handeling in financieel opzicht niet uitgevoerd totdat de begroting dienovereenkomstig is gewijzigd.



TITEL IV

UITVOERING VAN DE BEGROTING



HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 56

Begrotingsuitvoering volgens het beginsel van goed financieel beheer

1.  De Commissie voert de begroting aan de ontvangsten- en uitgavenzijde uit overeenkomstig deze verordening, onder haar eigen verantwoordelijkheid en binnen de grenzen van de toegestane kredieten.

2.  De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de kredieten worden besteed volgens het beginsel van goed financieel beheer.

Artikel 57

Kennisgeving van de doorgifte van persoonsgegevens voor auditdoeleinden

Bij elke oproep in het kader van subsidies, aanbestedingen of prijzen die in direct beheer worden uitgevoerd, worden potentiële begunstigden, gegadigden, inschrijvers en deelnemers overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 ervan in kennis gesteld dat, met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de persoonsgegevens aan interneauditdiensten, de Rekenkamer of het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tussen ordonnateurs van de Commissie en de in artikel 69 van deze verordening genoemde uitvoerende agentschappen en de in artikelen 70 en 71 van deze verordening genoemde organen van de Unie kunnen worden doorgegeven.

Artikel 58

Basishandeling en uitzonderingen

1.  De in de begroting opgenomen kredieten kunnen alleen voor een optreden van de Unie worden besteed indien een basishandeling is aangenomen.

2.  In afwijking van lid 1 en onder de in de leden 3, 4 en 5 bepaalde voorwaarden, mogen de volgende kredieten zonder basishandeling worden besteed, voor zover de gefinancierde acties onder de bevoegdheid van de Unie vallen:

a) kredieten voor proefprojecten van experimentele aard om de haalbaarheid en het nut van een actie te bepalen;

b) kredieten voor voorbereidende acties op gebieden die onder het toepassingsgebied van het VWEU en het Euratom-Verdrag vallen, om voorstellen voor te bereiden met het oog op de vaststelling van toekomstige acties;

c) kredieten voor voorbereidende maatregelen op het gebied van titel V van het VEU;

d) kredieten voor incidentele acties, of voor acties van onbepaalde duur, die de Commissie uitvoert op grond van de taken die voortvloeien uit haar andere prerogatieven op institutioneel vlak uit hoofde van het VWEU en het Euratom-Verdrag dan haar in punt b) van dit lid bedoelde recht om wetgevingsvoorstellen in te dienen, alsmede uit de bijzondere bevoegdheden die haar rechtstreeks door de artikelen 154, 156, 159 en 160, artikel 168, lid 2, artikel 171, lid 2, artikel 173, lid 2, artikel 175, tweede alinea, artikel 181, lid 2, artikel 190 en artikel 210, lid 2, en artikel 214, lid 6, VWEU en de artikelen 70 en 77 tot en met 85 van het Euratomverdrag zijn toegekend;

e) kredieten die bestemd zijn voor de werking van elke instelling van de Unie uit hoofde van haar administratieve autonomie.

3.  Met betrekking tot de in lid 2, onder a), bedoelde kredieten, mogen de desbetreffende vastleggingskredieten voor ten hoogste twee opeenvolgende begrotingsjaren in de begroting worden opgenomen. Het totale bedrag van de kredieten voor proefprojecten is niet hoger dan 40 000 000  EUR per begrotingsjaar.

4.  Met betrekking tot de in lid 2, onder b), bedoelde kredieten, wordt bij voorbereidende acties, die uiteenlopende vormen kunnen hebben, een samenhangende aanpak gevolgd. De desbetreffende vastleggingskredieten mogen voor ten hoogste drie opeenvolgende begrotingsjaren in de begroting worden opgenomen. De procedure voor de vaststelling van de relevante basishandeling wordt vóór het einde van het derde begrotingsjaar voltooid. In de loop van die procedure stemt de vastlegging van de kredieten overeen met de eigen kenmerken van de voorbereidende actie met betrekking tot de beoogde activiteiten en doelstellingen en de ontvangers. Bijgevolg stemt de omvang van de vastgestelde kredieten niet overeen met de voor de financiering van de definitieve actie zelf voorziene omvang.

Het totale bedrag van de kredieten voor de in lid 2, onder b), bedoelde nieuwe voorbereidende acties is niet hoger dan 50 000 000  EUR per begrotingsjaar en het totale bedrag van de daadwerkelijk vastgelegde kredieten voor voorbereidende acties is niet hoger dan 100 000 000  EUR.

5.  Met betrekking tot de in lid 2, onder c), bedoelde kredieten, worden voorbereidende maatregelen beperkt tot een korte periode en dienen zij om de voorwaarden vast te stellen voor het optreden van de Unie ter verwezenlijking van de doelstellingen van het GBVB en voor de vaststelling van de nodige juridische instrumenten.

Voorbereidende maatregelen voor crisisbeheersingsoperaties van de Unie dienen onder meer om na te gaan wat de operationele behoeften zijn, te zorgen voor een snelle terbeschikkingstelling van de eerste middelen of ter plaatse de voorwaarden voor de start van de operatie te scheppen. Voorbereidende maatregelen worden overeengekomen door de Raad, op voorstel van de hoge vertegenwoordiger.

Met het oog op een snelle uitvoering van de voorlopige maatregelen worden het Europees Parlement en de Commissie zo spoedig mogelijk door de hoge vertegenwoordiger geïnformeerd over het voornemen van de Raad om tot een voorbereidende maatregel over te gaan en in het bijzonder over de hiervoor naar raming benodigde middelen. De Commissie neemt alle nodige maatregelen om een snelle terbeschikkingstelling van de middelen te waarborgen.

De financiering van door de Raad overeengekomen maatregelen ter voorbereiding van crisisbeheersingsoperaties van de Unie uit hoofde van titel V van het VEU dekt de bijkomende kosten die rechtstreeks het gevolg zijn van een specifieke inzet ter plaatse van een missie of team waarbij onder meer personeelsleden van instellingen van de Unie betrokken zijn, met inbegrip van een verzekering tegen grote risico’s, reis- en verblijfkosten en dagvergoedingen.

Artikel 59

Uitvoering van de begroting door andere instellingen van de Unie dan de Commissie

1.  De Commissie kent de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toe die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting.

2.  Om de besteding van hun kredieten te bevorderen kunnen instellingen van de Unie overeenkomsten op dienstverleningsniveau met elkaar sluiten, met daarin de voorwaarden voor de verlening van diensten, de levering van producten, de uitvoering van werken of van onroerendgoedovereenkomsten.

Deze overeenkomsten maken de overschrijving van kredieten of de invordering van kosten die voortvloeien uit de uitvoering ervan, mogelijk.

3.  Overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau als bedoeld in lid 2 kunnen ook worden gesloten tussen afdelingen van de instellingen van de Unie, organen van de Unie, Europese bureaus, organen of personen belast met de uitvoering van specifieke acties in het GBVB op grond van titel V van het VEU en het bureau van de secretaris-generaal van de raad van bestuur van de Europese scholen. De Commissie en de andere instellingen van de Unie brengen regelmatig bij het Europees Parlement en bij de Raad verslag uit over de overeenkomsten op dienstverleningsniveau die zij met andere instellingen van de Unie sluiten.

Artikel 60

Delegatie van bevoegdheden tot uitvoering van de begroting

1.  De Commissie en elk van de overige instellingen van de Unie kunnen hun bevoegdheden tot uitvoering van de begroting binnen hun diensten delegeren onder de in deze verordening en hun interne voorschriften bepaalde voorwaarden en binnen de in de akte van delegatie vastgestelde grenzen. Deze delegatieverkrijgers handelen binnen de grenzen van de hun uitdrukkelijk verleende bevoegdheden.

2.  In aanvulling op lid 1 kan de Commissie haar bevoegdheden tot uitvoering van de begroting met betrekking tot de beleidskredieten van haar eigen begrotingsafdeling delegeren aan de hoofden van de delegaties van de Unie en, om tijdens hun afwezigheid de continuïteit van de werkzaamheden te waarborgen, aan de adjunct-hoofden van de delegaties van de Unie. Dergelijke bevoegdheidsdelegatie laat de verantwoordelijkheid van de hoofden van de delegaties van de Unie tot uitvoering van de begroting onverlet. Indien een hoofd van een delegatie van de Unie langer dan vier weken afwezig is, herziet de Commissie haar besluit om bevoegdheden tot uitvoering van de begroting te delegeren. Wanneer de hoofden van de delegaties van de Unie en, in hun afwezigheid, de adjunct-hoofden, als gesubdelegeerd ordonnateur van de Commissie optreden, passen zij de voorschriften van de Commissie voor de uitvoering van de begroting toe en worden zij onderworpen aan dezelfde taken, verplichtingen en aansprakelijkheid als elke andere gesubdelegeerd ordonnateur van de Commissie.

De Commissie kan de in de eerste alinea bedoelde delegatie van bevoegdheden intrekken overeenkomstig haar eigen regels.

Voor de toepassing van de eerste alinea neemt de hoge vertegenwoordiger de nodige maatregelen om de samenwerking tussen de delegaties van de Unie en de diensten van de Commissie te bevorderen.

3.  De EDEO kan zijn bevoegdheid tot uitvoering van de begroting met betrekking tot de administratieve kredieten van zijn eigen begrotingsafdeling bij wijze van uitzondering delegeren aan Commissiemedewerkers van de delegaties van de Unie indien dit nodig is om de continuïteit in het bestuur van die delegaties in afwezigheid van de bevoegde ordonnateur van de EDEO uit het land van de standplaats van zijn delegatie te verzekeren. In de uitzonderlijke gevallen waarin Commissiepersoneelsleden van delegaties van de Unie als gesubdelegeerd ordonnateur van de EDEO optreden, passen zij de interne EDEO-regels voor de uitvoering van de begroting toe en hebben zij dezelfde taken en verplichtingen, onder meer inzake verantwoording, als elke andere gesubdelegeerde ordonnateur van de EDEO.

De EDEO kan de in de eerste alinea bedoelde delegatie van bevoegdheden intrekken overeenkomstig zijn eigen regels.

Artikel 61

Belangenconflict

1.  Financiële actoren in de zin van hoofdstuk 4 van deze titel en andere personen, daaronder begrepen nationale autoriteiten op alle niveaus, die bij de uitvoering van de begroting onder direct, indirect en gedeeld beheer, met inbegrip van voorbereidende handelingen op dit gebied, de audit of de controle betrokken zijn, verrichten geen handelingen waarbij hun eigen belangen in conflict kunnen komen met die van de Unie. Zij nemen ook passende maatregelen om te voorkomen dat een belangenconflict ontstaat in de functies onder hun verantwoordelijkheid en om situaties te verhelpen die objectief als belangenconflict kunnen worden beschouwd.

2.  Indien er een risico bestaat op een belangenconflict waarbij een personeelslid van een nationale autoriteit betrokken is, brengt de betrokken persoon deze zaak ter kennis van zijn hiërarchieke meerdere. Indien een dergelijk risico bestaat voor aan het statuut onderworpen personeel brengt de betrokken persoon deze zaak ter kennis van de bevoegde gedelegeerde ordonnateur. De bevoegde hiërarchieke meerdere of de verantwoordelijk gedelegeerde ordonnateur bevestigt schriftelijk of er sprake is van een belangenconflict. Indien een belangenconflict wordt vastgesteld, zorgt het tot aanstelling bevoegde gezag of de bevoegde nationale autoriteit ervoor dat de betrokken persoon al zijn activiteiten in verband met de zaak beëindigt. De betrokken gedelegeerde ordonnateur of de betrokken nationale autoriteit zorgt ervoor dat de nodige verdere maatregelen worden genomen in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving.

3.  Voor de toepassing van lid 1 doet een belangenconflict zich voor wanneer de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van de in lid 1 bedoelde financiële actor of andere persoon in gevaar wordt gebracht als gevolg van familiebanden, persoonlijke relaties, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander direct of indirect persoonlijk belang.



HOOFDSTUK 2

Wijzen van uitvoering

Artikel 62

Wijzen van uitvoering van de begroting

1.  De Commissie voert de begroting op een of meer van de volgende wijzen uit:

a) op directe wijze („direct beheer”) zoals beschreven in de artikelen 125 tot en met 153, via haar diensten, met inbegrip van haar personeel in de delegaties van de Unie onder leiding van het respectievelijke delegatiehoofd, overeenkomstig artikel 60, lid 2, of via uitvoerende agentschappen als bedoeld in artikel 69;

b) in gedeeld beheer met de lidstaten („gedeeld beheer”) zoals beschreven in de artikelen 63 en 125 tot en met 129;

c) op indirecte wijze („indirect beheer”) zoals beschreven in de artikelen 125 tot en met 149 en de artikelen 154 tot en met 159, wanneer de basishandeling daarin voorziet of in de in artikel 58, lid 2, onder a) tot en met d), genoemde gevallen, door taken tot uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan:

i) derde landen of de door hen aangewezen organen;

ii) internationale organisaties of hun agentschappen, in de zin van artikel 156;

iii) de Europese Investeringsbank („EIB”) of het Europees Investeringsfonds („EIF”) of beide optredend als groep („de EIB-groep”);

iv) de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie;

v) publiekrechtelijke organen, met inbegrip van lidstaatsorganisaties;

vi) privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, met inbegrip van lidstaatsorganisaties, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties;

vii) privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die zijn voorzien van voldoende financiële garanties;

viii) organen of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

Met betrekking tot eerste alinea, onder c), vi), kan het bedrag van de vereiste financiële garanties in de betrokken basishandeling zijn opgenomen en kan dit beperkt zijn tot het maximumbedrag van de bijdrage van de Unie aan het betrokken orgaan. In het geval van meervoudige borgen wordt de verdeling van het bedrag van de totale verplichting die door de garanties wordt gedekt, gespecificeerd in de bijdrageovereenkomst, die kan bepalen dat de aansprakelijkheid voor elke borg evenredig moet zijn met het aandeel van de respectieve bijdrage ervan aan het orgaan.

2.  Voor direct beheer kan de Commissie de in de titels VII, VIII, IX, X en XII genoemde instrumenten gebruiken.

Voor gedeeld beheer worden de instrumenten voor de uitvoering van de begroting in sectorspecifieke regelgeving bepaald.

Voor indirect beheer past de Commissie titel VI en, in het geval van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties, de titels VI en X toe. De uitvoerende entiteiten gebruiken de instrumenten voor de uitvoering van de begroting die in de betrokken bijdrageovereenkomst staan.

3.  De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de begroting overeenkomstig artikel 317 VWEU en delegeert die taken niet aan derden indien deze taken een ruime beoordelingsmarge inhouden die door politieke keuzen kan worden bepaald.

De Commissie kan niet, door middel van overeenkomsten in overeenstemming met titel VII van deze verordening, taken uitbesteden die het uitoefenen van openbaar gezag en discretionaire beoordelingsbevoegdheden met zich brengen.

Artikel 63

Gedeeld beheer met de lidstaten

1.  Wanneer de Commissie de begroting in gedeeld beheer uitvoert, worden taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting aan de lidstaten gedelegeerd. De Commissie en de lidstaten nemen de beginselen van goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie in acht en geven zichtbaarheid aan het optreden van de Unie wanneer zij middelen van de Unie beheren. Daartoe komen de Commissie en de lidstaten hun respectieve controle- en auditverplichtingen na en nemen zij de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden op zich die in deze verordening zijn vastgesteld. Aanvullende voorschriften worden vastgesteld in sectorspecifieke regelgeving.

2.  De lidstaten nemen, wanneer zij taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting uitoefenen, alle nodige maatregelen, met inbegrip van wetgevende, regelgevende, en administratieve maatregelen, ter bescherming van de financiële belangen van de Unie, met name door:

a) ervoor te zorgen dat uit de begroting gefinancierde acties naar behoren en effectief en in overeenstemming met de toepasselijke sectorspecifieke regelgeving worden uitgevoerd;

b) organen aan te wijzen voor het beheer en de controle van middelen van de Unie, overeenkomstig lid 3, en toezicht te houden op deze organen;

c) te voorzien in de preventie, opsporing en correctie van onregelmatigheden en fraude;

d) overeenkomstig deze verordening en sectorspecifieke regelgeving samen te werken met de Commissie, OLAF, de Rekenkamer) en, voor de lidstaten die deelnemen aan de nauwere samenwerking overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad ( 8 ), met het Europees Openbaar Ministerie (EOM) zodra het is opgericht.

Teneinde de financiële belangen van de Unie te beschermen, verrichten de lidstaten, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel en in toepassing van dit artikel en de desbetreffende sectorspecifieke regelgeving, vooraf en achteraf controles, met inbegrip van controles ter plaatse, waar zulks dienstig is, op representatieve en/of risicogerichte steekproeven van verrichtingen. Daarnaast gaan zij over tot terugvordering van onterecht betaalde bedragen en stellen zij in voorkomend geval gerechtelijke procedures in.

De lidstaten leggen de ontvangers doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties op indien hierin is voorzien bij sectorspecifieke regelgeving of bij specifieke bepalingen in het nationale recht.

In het kader van haar risicobeoordeling en overeenkomstig de sectorspecifieke regelgeving, houdt de Commissie toezicht op de door de lidstaten vastgestelde beheers- en controlesystemen. Bij haar auditwerkzaamheden eerbiedigt de Commissie het proportionaliteitsbeginsel en houdt zij rekening met het overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving beoordeelde risiconiveau.

3.  Overeenkomstig de criteria en procedures die zijn vastgelegd in sectorspecifieke regelgeving wijzen de lidstaten op het passende niveau organen aan die bevoegd zijn om de middelen van de Unie te beheren en te controleren. Deze organen kunnen naast het beheer van middelen van de Unie andere taken verrichten en kunnen sommige taken aan andere organen toevertrouwen.

Bij het nemen van een besluit inzake de aanwijzing van organen kunnen de lidstaten zich laten leiden door de vraag of de beheers- en controlesystemen in wezen dezelfde zijn als die welke reeds golden voor de vorige periode en of deze afdoende gefunctioneerd hebben.

Indien uit de audit- en controleresultaten blijkt dat de aangewezen organen niet langer voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld in sectorspecifieke regelgeving, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van de taken van deze organen worden verholpen, onder meer door een eind te maken aan de aanwijzing in overeenstemming met sectorspecifieke regelgeving.

Sectorspecifieke regelgeving legt de rol van de Commissie in het in dit lid omschreven proces vast.

4.  De overeenkomstig lid 3 aangewezen organen:

a) stellen een doeltreffend en efficiënt interneauditsysteem in en zien toe op de werking ervan;

b) gebruiken een boekhoudsysteem dat tijdig nauwkeurige, volledige en betrouwbare informatie verstrekt;

c) verschaffen de uit hoofde van de leden 5, 6 en 7 verlangde informatie;

d) zorgen voor een bekendmaking achteraf overeenkomstig artikel 38, leden 2 tot en met lid 6.

De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats met inachtneming van Verordening (EU) 2016/679.

5.  De overeenkomstig lid 3 aangewezen organen verstrekken de Commissie vóór 15 februari van het volgende begrotingsjaar:

a) hun rekeningen betreffende de uitgaven die zij tijdens de relevante referentieperiode, als bepaald in sectorspecifieke regelgeving, hebben gedaan bij de uitvoering van hun taken en met het oog op vergoeding bij de Commissie hebben ingediend;

b) een jaarlijkse samenvatting van de definitieve auditverslagen en van de verrichte controles, met een analyse van de aard en de omvang van de vastgestelde fouten en tekortkomingen in de systemen en een overzicht van de reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen.

6.  In de in lid 5, onder a), genoemde rekeningen zijn de prefinanciering en de bedragen waarvoor terugvorderingsprocedures lopen of zijn afgerond, opgenomen. Zij gaan vergezeld van een beheersverklaring waarin wordt bevestigd dat naar de mening van degenen die met het beheer van de middelen belast zijn:

a) de informatie op juiste, volledige en accurate wijze is gepresenteerd;

b) de uitgaven voor het beoogde, in sectorspecifieke regelgeving omschreven doel zijn gebruikt;

c) de ingevoerde controlesystemen de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen waarborgen.

7.  De in de lid 5, onder a), bedoelde rekeningen en de in dat lid, onder b), bedoelde samenvatting gaan vergezeld van een advies van een onafhankelijk auditorgaan dat overeenkomstig de internationaal aanvaarde auditnormen is opgesteld. In dat advies wordt vastgesteld of de rekeningen een juist en getrouw beeld geven, of de uitgaven waarvoor bij de Commissie om vergoeding is verzocht, wettig en regelmatig zijn en of de ingevoerde controlesystemen naar behoren functioneren. In het advies wordt ook vastgesteld of de beweringen in de in lid 6 genoemde beheersverklaring in de auditwerkzaamheden in twijfel worden getrokken.

De in lid 5 bepaalde termijn van 15 februari kan bij uitzondering door de Commissie worden verlengd tot 1 maart na kennisgeving door de betrokken lidstaat.

De lidstaten kunnen de in de leden 5 en 6 en in onderhavig lid genoemde informatie op het daarvoor geëigende niveau publiceren.

Bovendien kunnen de lidstaten aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Commissie op het daarvoor geëigende niveau ondertekende verklaringen afgeven gebaseerd op de leden 5 en 6 en in dit lid genoemde informatie.

8.  Om ervoor te zorgen dat de middelen van de Unie worden gebruikt in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften dient de Commissie:

a) procedures toe te passen voor het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen van de aangewezen organen, om te waarborgen dat de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarheidsgetrouw zijn;

b) betalingen die in strijd met het toepasselijk recht zijn verricht, uit te sluiten van financiering door de Unie;

c) betalingstermijnen te onderbreken of betalingen te schorsen indien daarin is voorzien in sectorspecifieke regelgeving.

De Commissie maakt de onderbreking van betalingstermijnen of schorsing van betalingen geheel of gedeeltelijk ongedaan nadat een lidstaat zijn opmerkingen heeft ingediend en zodra deze alle nodige maatregelen heeft genomen. In het in artikel 74, lid 9, bedoelde jaarlijks activiteitenverslag komen alle verplichtingen uit hoofde van dit lid aan bod.

9.  In de sectorspecifieke regelgeving wordt rekening gehouden met de behoeften van programma’s voor Europese territoriale samenwerking, met name wat betreft de inhoud van de beheersverklaring, het in lid 3 genoemde proces en de auditfunctie.

10.  De Commissie stelt een register samen van organen die verantwoordelijk zijn voor het beheer, de certificering en de auditactiviteiten uit hoofde van sectorspecifieke regelgeving.

11.  De lidstaten kunnen de hun in gedeeld beheer toegewezen middelen gebruiken in combinatie met verrichtingen en instrumenten die worden uitgevoerd krachtens Verordening (EU) 2015/1017, in overeenstemming met de voorwaarden in de toepasselijke sectorspecifieke regelgeving.



HOOFDSTUK 3

Europese bureaus en organen van de Unie



Afdeling 1

Europese bureaus

Artikel 64

Bevoegdheden van Europese bureaus

1.  Voordat een nieuw Europees bureau wordt opgericht, maakt de Commissie een kasten-batenanalyse en een beoordeling van de eraan verbonden risico’s, stelt zij het Europees Parlement en de Raad van de resultaten daarvan in kennis, en stelt zij voor de nodige kredieten op te voeren in een bijlage bij de afdeling van de begroting van de Commissie.

2.  Binnen de grenzen van hun bevoegdheden:

a) verrichten Europese bureaus de in hun oprichtingsakte of in andere rechtshandelingen van de Unie opgenomen verplichte taken;

b) kunnen Europese bureaus overeenkomstig artikel 66, niet-verplichte taken verrichten die zijn toegestaan door hun directiecomités na afweging van de kosten-baten en de eraan verbonden risico’s voor de betrokken partijen.

3.  Deze afdeling is van toepassing op de werking van OLAF, met uitzondering van lid 4 van dit artikel, artikel 66 en artikel 67, leden 1, 2 en 3.

4.  De intern controleur van de Commissie kwijt zich van alle in hoofdstuk 8 van deze titel vastgestelde verantwoordelijkheden.

Artikel 65

Kredieten voor Europese bureaus

1.  De kredieten die zijn toegestaan ter uitvoering van de verplichte taken van elk Europees bureau, worden opgevoerd op een specifiek begrotingsonderdeel binnen de begrotingsafdeling van de Commissie en worden in detail vermeld in een bijlage bij die afdeling.

De in de eerste alinea bedoelde bijlage heeft de vorm van een staat van uitgaven en ontvangsten die op dezelfde wijze is onderverdeeld als de begrotingsafdelingen.

De in die bijlage opgevoerde kredieten:

a) dekken de totale financiële behoeften van elk Europees bureau in de uitoefening van zijn verplichte taken op grond van zijn oprichtingsakte of van andere rechtshandelingen van de Unie;

b) kunnen financiële behoeften van een Europees bureau dekken bij de uitoefening van taken waarom wordt verzocht door de instellingen van de Unie, organen van de Unie, andere Europese bureaus en agentschappen die bij of op grond van de Verdragen zijn ingesteld, en die zijn toegestaan overeenkomstig de oprichtingsakte van het bureau.

2.  De Commissie delegeert voor de in de bijlage voor elk Europees bureau opgevoerde kredieten de bevoegdheden van ordonnateur aan de directeur van het betrokken Europees bureau, overeenkomstig artikel 73.

3.  De personeelsformatie van elk Europees bureau wordt toegevoegd aan die van de Commissie.

4.  De directeur van elk Europees bureau beslist over de overschrijvingen binnen de in lid 1 bedoelde bijlage. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van deze overschrijvingen.

Artikel 66

Niet-verplichte taken

1.  Voor de in artikel 64, lid 2, onder b), bedoelde niet-verplichte taken kan een Europees bureau:

a) via zijn directeur delegatie van bevoegdheid ontvangen van instellingen van de Unie, organen van de Unie en andere Europese bureaus, samen met een delegatie van de bevoegdheid van ordonnateur voor kredieten in de begrotingsafdeling van de instelling van de Unie, het orgaan van de Unie of ander Europees bureau;

b) op ad-hocbasis overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau sluiten met instellingen van de Unie, organen van de Unie, andere Europese bureaus of derden.

2.  In het in lid 1, onder a), bedoelde gevallen stellen de betrokken instellingen van de Unie, organen van de Unie en andere Europese bureaus de grenzen en voorwaarden voor de delegatie van bevoegdheid vast. Een dergelijke delegatie wordt goedgekeurd overeenkomstig de oprichtingsakte van het Europees bureau, met name wat betreft de voorwaarden en modaliteiten van de delegatie.

3.  In de in lid 1, onder b), bedoelde gevallen stelt de directeur van het Europees bureau overeenkomstig de oprichtingsakte de bijzondere bepalingen vast voor de uitvoering van de taken, de terugvordering van kosten en het bijhouden van de desbetreffende boekhoudbescheiden. Het Europees bureau brengt over de resultaten van deze boekhouding verslag uit aan de betrokken instellingen van de Unie, organen van de Unie of andere Europese bureaus.

Artikel 67

Boekhoudbescheiden van de Europese bureaus

1.  Elk Europees bureau stelt boekhoudbescheiden van zijn uitgaven op waaruit het aandeel van de voor elk van de instellingen van de Unie, organen van de Unie of andere Europese bureaus verrichte diensten kan worden afgeleid. De directeur van het betrokken Europees bureau stelt, na goedkeuring door het directiecomité, de criteria vast op basis waarvan deze boekhoudbescheiden worden opgesteld.

2.  De toelichting bij het specifieke begrotingsonderdeel waarop het totaal van de kredieten is opgevoerd van elk Europees bureau waaraan overeenkomstig artikel 66, lid 1, onder a), de bevoegdheid van ordonnateur is gedelegeerd, bevat een raming van de kosten van de diensten die door dat bureau voor elk van de instellingen van de Unie, de organen van de Unie en andere betrokken Europese bureaus worden verricht. Die raming is gebaseerd op de boekhoudbescheiden als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

3.  Elk Europees bureau waaraan overeenkomstig artikel 66, lid 1, onder a), de bevoegdheid van ordonnateur is gedelegeerd, stelt de betrokken instellingen van de Unie, organen van de Unie en andere Europese bureaus in kennis van de resultaten van de boekhoudbescheiden als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

4.  De boekhoudbescheiden van elk Europees bureau maken integrerend deel uit van de rekeningen van de Unie overeenkomstig artikel 241.

5.  De rekenplichtige van de Commissie kan op voorstel van het directiecomité van het betrokken Europees bureau sommige van de taken van rekenplichtige betreffende de inning van de ontvangsten en de betaling van de uitgaven die het betrokken Europees bureau rechtstreeks verricht, aan een personeelslid van het Europees bureau delegeren.

6.  Voor de kasbehoeften van het Europees bureau kunnen op voorstel van zijn directiecomité door de Commissie bank- of postrekeningen op naam van het bureau worden geopend. Het jaarlijkse kassaldo wordt aan het einde van het begrotingsjaar afgestemd en vereffend tussen het betrokken Europees bureau en de Commissie.



Afdeling 2

agentschappen en organen van de unie

Artikel 68

Toepassing op het Voorzieningsagentschap van Euratom

Deze verordening is van toepassing op de uitvoering van de begroting voor het Voorzieningsagentschap van Euratom.

Artikel 69

Uitvoerende agentschappen

1.  De Commissie kan bevoegdheden delegeren aan uitvoerende agentschappen om overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad ( 9 ), voor haar rekening en onder haar verantwoordelijkheid, programma’s of projecten van de Unie geheel of gedeeltelijk uit te voeren, met inbegrip van proefprojecten, voorbereidende acties en de uitvoering van administratieve uitgaven. Uitvoerende agentschappen worden opgericht door middel van een besluit van de Commissie en hebben rechtspersoonlijkheid naar Unierecht. Zij ontvangen een jaarlijkse bijdrage.

2.  De directeuren van uitvoerende agentschappen treden op als gedelegeerd ordonnateur voor de besteding van de beleidskredieten van de programma’s van de Unie die zij geheel of gedeeltelijk beheren.

3.  Het directiecomité van een uitvoerend agentschap kan met de Commissie overeenkomen dat de rekenplichtige van de Commissie eveneens optreedt als de rekenplichtige van het betrokken uitvoerend agentschap. Het directiecomité kan de rekenplichtige van de Commissie ook een deel van de taken van de rekenplichtige van het betrokken uitvoerend agentschap toevertrouwen, rekening houdend met kosten-batenoverwegingen. In beide gevallen worden de nodige maatregelen getroffen om belangenconflicten te voorkomen.

Artikel 70

Bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 269 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening met een financiële kaderregeling voor de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid die bijdragen uit de begroting ontvangen.

2.  De financiële kaderregeling is gebaseerd op de in deze verordening vervatte beginselen en regels, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de in lid 1 bedoelde organen.

3.  De financiële regels voor de in lid 1 bedoelde organen wijken slechts van de financiële kaderregeling af voor zover hun specifieke behoeften zulks vereisen, en onder voorbehoud van voorafgaande instemming van de Commissie.

4.  De kwijting voor de uitvoering van de begroting van de in lid 1 bedoelde organen wordt verleend door het Europees Parlement, op aanbeveling van de Raad. De in lid 1 bedoelde organen werken volledig samen met de instellingen van de Unie die bij de kwijtingsprocedure betrokken zijn, en verstrekken, waar nodig, de vereiste aanvullende informatie, onder meer door deel te nemen aan de vergaderingen van de relevante organen.

5.  Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde organen oefent de intern controleur van de Commissie dezelfde bevoegdheden uit als die welke hij uitoefent met betrekking tot de Commissie.

6.  Een onafhankelijke extern controleur verifieert dat de jaarrekeningen van elk van de in lid 1 van dit artikel bedoelde organen de inkomsten, uitgaven en financiële positie van het desbetreffende orgaan correct weergeven, voordat deze in de eindrekeningen van de Commissie worden geconsolideerd. Tenzij anders is bepaald in de betrokken basishandeling, stelt de Rekenkamer een speciaal jaarverslag op over elk orgaan overeenkomstig de eisen van artikel 287, lid 1, VWEU. Bij het opstellen van dat verslag houdt de Rekenkamer rekening met de auditwerkzaamheden van de onafhankelijke extern controleur en de maatregelen die naar aanleiding van zijn bevindingen zijn genomen.

7.  Alle aspecten van de in lid 6 bedoelde onafhankelijke externe audits, met inbegrip van de gerapporteerde bevindingen, blijven geheel onder de verantwoordelijkheid van de Rekenkamer vallen.

Artikel 71

Publiek-private partnerschapsorganen

Bij een basishandeling opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd, stellen hun eigen financiële regels vast.

Deze regels omvatten een geheel van beginselen dat een goed financieel beheer van de middelen van de Unie waarborgt.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 269 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening met een financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen op basis van artikel 154, waarin de beginselen worden vastgelegd die noodzakelijk zijn om te komen tot een goed financieel beheer van de middelen van de Unie.

De financiële regels voor de publiek-private partnerschapsorganen wijken slechts van de financiële modelregeling af voor zover hun specifieke behoeften zulks vereisen, en zijn onderworpen aan voorafgaande instemming van de Commissie.

Artikel 70, leden 4 tot en met 7, zijn van toepassing op publiek-private partnerschapsorganen.



HOOFDSTUK 4

Financiële actoren



Afdeling 1

beginsel van scheiding van functies

Artikel 72

Scheiding van functies

1.  De functies van ordonnateur en rekenplichtige zijn gescheiden en zijn onderling onverenigbaar.

2.  Elke instelling van de Unie stelt aan elke financiële actor het personeel en de middelen ter beschikking die voor de vervulling van diens taak nodig zijn, en geeft hem een dienstorder met een gedetailleerde omschrijving van zijn taken, rechten en verplichtingen.



Afdeling 2

de ordonnateur

Artikel 73

De ordonnateur

1.  Elke instelling van de Unie oefent de functies van ordonnateur uit.

2.  Voor de toepassing van deze titel wordt onder „personeelsleden” verstaan personen die zijn onderworpen aan het Statuut.

3.  Elke instelling van de Unie delegeert, met inachtneming van de in haar reglement van orde bepaalde voorwaarden, de functies van ordonnateur aan personeelsleden op het gepaste niveau. Zij bepaalt in haar interne administratieve voorschriften aan welke personeelsleden zij deze functies delegeert, alsmede de omvang van de gedelegeerde bevoegdheden en de mogelijkheid voor de delegatieverkrijgers om hun bevoegdheden verder te subdelegeren.

4.  De bevoegdheid van ordonnateur wordt alleen aan personeelsleden gedelegeerd of gesubdelegeerd.

5.  De bevoegde ordonnateur handelt binnen de in het delegatie- of subdelegatie besluit gestelde grenzen. De bevoegde ordonnateur kan worden bijgestaan door één of meer personeelsleden die onder zijn verantwoordelijkheid belast zijn met bepaalde voor de uitvoering van de begroting en de verstrekking van informatie over financiën en beheer benodigde handelingen.

6.  Elke instelling van de Unie en elk in artikel 70 bedoeld orgaan van de Unie brengt de aanstelling en de functiebeëindiging van gedelegeerde ordonnateurs, interne controleurs en rekenplichtigen, alsmede alle interne voorschriften die zij op financieel gebied vaststelt, binnen twee weken ter kennis van het Europees Parlement, de Raad, de Rekenkamer en de rekenplichtige van de Commissie.

7.  Elke instelling van de Unie brengt de delegatiebesluiten en de aanstelling van beheerders van gelden ter goede rekening krachtens de artikelen 79 en 88 ter kennis van de Rekenkamer.

Artikel 74

Bevoegdheden en taken van de ordonnateur

1.  De ordonnateur is bij de betrokken instelling van de Unie belast met het innen van de ontvangsten en het verrichten van de uitgaven overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer, onder meer door te zorgen voor verslaglegging over de prestaties, en zorgt voor de wettigheid en regelmatigheid ervan en de gelijke behandeling van de ontvangers.

2.  Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel stelt de gedelegeerde ordonnateur, overeenkomstig artikel 36 en de door elke instelling van de Unie vastgestelde minimumnormen en rekening houdend met de aan de beheeromstandigheden en de aard van de gefinancierde acties verbonden risico’s, de organisatorische structuur en de systemen voor interne controle in die passen bij de uitvoering van zijn taken. De inrichting van die structuur en die systemen geschiedt op basis van een uitvoerige risicoanalyse, waarin rekening wordt gehouden met kosteneffectiviteits- en prestatieoverwegingen.

3.  Voor het verrichten van de uitgaven gaat de bevoegde ordonnateur vastleggingen in de begroting en juridische verbintenissen aan, stelt hij de uitgaven betaalbaar, geeft hij betalingsopdrachten en verricht hij de voor de besteding van de kredieten vereiste voorafgaande handelingen.

4.  Met het oog op de inning van de ontvangsten stelt de bevoegde ordonnateur ramingen van schuldvorderingen op, stelt hij de te innen rechten vast en geeft hij invorderingsopdrachten af. In voorkomend geval ziet de bevoegde ordonnateur af van het innen van een vastgestelde schuldvordering.

5.  Met het oog op het voorkomen van fouten en onregelmatigheden voordat verrichtingen worden toegestaan, en teneinde minder het risico te lopen dat doelstellingen niet worden verwezenlijkt, wordt elke verrichting ten minste onderworpen aan een controle vooraf met betrekking tot de operationele en de financiële aspecten ervan, op basis van een meerjarige controlestrategie die rekening houdt met het risico.

De frequentie en de reikwijdte van de controles vooraf worden door de bevoegde ordonnateur bepaald op basis van zijn eigen risicoanalyse, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van voorafgaande controles en van risico- en kosteneffectiviteitsoverwegingen. In geval van twijfel vraagt de voor de betaalbaarstelling van de verrichtingen bevoegde ordonnateur in het kader van de controle vooraf aanvullende informatie of voert hij een controle ter plaatse uit om redelijke zekerheid te verkrijgen.

Voor een bepaalde verrichting wordt de verificatie gedaan door andere personeelsleden dan diegenen die de verrichting hebben ingeleid. De verificatie wordt niet gedaan door personeelsleden die de ondergeschikten zijn van degenen die de verrichting hebben ingeleid.

6.  De gedelegeerde ordonnateur kan voorzien in controles achteraf om fouten en onregelmatigheden bij verrichtingen na validering op te sporen en te corrigeren. Deze controles kunnen steekproefsgewijs volgens het risico worden ingericht en houden rekening met de resultaten van eerdere controles en met kosteneffectiviteits- en prestatieoverwegingen.

De controles achteraf en de controles vooraf worden niet door dezelfde personeelsleden uitgevoerd. De voor de controles achteraf verantwoordelijke personeelsleden zijn geen ondergeschikten van de voor de controles vooraf verantwoordelijke personeelsleden.

De regels en modaliteiten, met inbegrip van termijnen, voor het uitvoeren van audits van de begunstigden, zijn duidelijk, samenhangend en transparant en worden bij de ondertekening van de subsidieovereenkomst ter beschikking van de begunstigden gesteld.

7.  Bevoegde ordonnateurs en voor de uitvoering van de begroting bevoegd personeel beschikken over de vereiste beroepsbekwaamheden.

Bij elke instelling van de Unie zorgt de gedelegeerde ordonnateur ervoor dat:

a) de gesubdelegeerde ordonnateurs en hun personeel regelmatig geactualiseerde en passende informatie en opleiding krijgen over de controlenormen, alsmede over de daartoe beschikbare methoden en technieken;

b) indien nodig maatregelen worden genomen om de doeltreffende en efficiënte werking van de controlesystemen te waarborgen overeenkomstig lid 2.

8.  Indien een bij het financieel beheer en de controle van de verrichtingen betrokken personeelslid van oordeel is dat een besluit dat zijn meerdere hem verplicht toe te passen of te accepteren onregelmatig is of strijdig met het beginsel van goed financieel beheer of de beroepscode die dat personeelslid gehouden is te respecteren, deelt hij dit aan zijn hiërarchieke meerdere mee. Indien het personeelslid dit schriftelijk doet, antwoordt de hiërarchieke meerdere schriftelijk. Indien de hiërarchieke meerdere niet optreedt of het aanvankelijke besluit of voorschrift bevestigt en het personeelslid van oordeel is dat een dergelijke bevestiging geen redelijk antwoord vormt op zijn bezorgdheid, stelt het personeelslid de gedelegeerde ordonnateur schriftelijk hiervan in kennis. Wanneer deze geen antwoord geeft binnen een redelijke termijn gelet op de omstandigheden van het betrokken geval, die in ieder geval niet langer is dan één maand, licht het personeelslid de in artikel 143 bedoelde instantie in.

Gevallen van onwettige activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, worden door het personeelslid gemeld bij de autoriteiten en instanties die zijn aangewezen bij het Statuut en bij de besluiten van instellingen van de Unie betreffende de voorwaarden en modaliteiten voor interne onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en alle andere onwettige activiteiten die de belangen van de Unie schaden. Overeenkomsten met externe controleurs die audits verrichten inzake het financieel beheer van de Unie bevatten een verplichting voor de externe controleur om de gedelegeerde ordonnateur in kennis te stellen van elk vermoeden van onwettige activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden.

9.  De gedelegeerde ordonnateur legt aan zijn instelling van de Unie verantwoording over de uitoefening van zijn taken af in de vorm van een jaarlijks activiteitenverslag met informatie over de financiën en het beheer, inclusief de resultaten van controles, waarin hij verklaart, tenzij anders staat vermeld in voorbehouden betreffende bepaalde gebieden van uitgaven en ontvangsten, redelijke zekerheid te hebben dat:

a) de in het verslag opgenomen informatie een juist en getrouw beeld geeft;

b) de middelen die zijn bestemd voor de activiteiten waarover verslag wordt uitgebracht, zijn gebruikt voor het opgegeven doel en in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer, en

c) de ingevoerde controleprocedures de nodige garanties bieden in verband met de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

Het jaarlijks activiteitenverslag bevat informatie over de gedane verrichtingen in het licht van de doelstellingen en prestatieoverwegingen in de strategische plannen, de met deze verrichtingen verbonden risico’s, het gebruik van de ter beschikking gestelde middelen en de efficiëntie en de doeltreffendheid van interne controlesystemen. Het verslag omvat een globale beoordeling van de kosten en baten van controles en informatie over de mate waarin de goedgekeurde beleidsuitgaven bijdragen tot het verwezenlijken van de strategische doelstellingen van de Unie en meerwaarde van de EU opleveren. De Commissie stelt een samenvatting op van de jaarlijkse activiteitenverslagen voor het voorgaande jaar.

De jaarlijkse activiteitenverslagen van het begrotingsjaar van de ordonnateurs en, indien van toepassing, de gedelegeerde ordonnateurs van instellingen van de Unie, organen van de Unie, Europese bureaus en agentschappen van de Unie worden uiterlijk op 1 juli van het volgende begrotingsjaar op een vlot toegankelijke wijze bekendgemaakt op de website van de respectieve instelling van de Unie, orgaan van de Unie, Europees bureaus of agentschap van de Unie, onder voorbehoud van naar behoren gemotiveerde vertrouwelijkheids- en veiligheidsoverwegingen.

10.  De gedelegeerde ordonnateur houdt voor elk begrotingsjaar bij hoeveel overeenkomsten overeenkomstig punt 11.1, onder a) tot en met f), en punt 39 van bijlage I worden gesloten door middel van onderhandelingsprocedures. Indien het aantal onderhandelingsprocedures in verhouding tot het aantal door dezelfde gedelegeerde ordonnateur gegunde overeenkomsten aanzienlijk stijgt ten opzichte van voorgaande begrotingsjaren of indien deze verhouding aanmerkelijk hoger is dan het gemiddelde van zijn instelling van de Unie, brengt de bevoegde ordonnateur verslag uit aan zijn instelling van de Unie, en vermeldt hij daarbij de maatregelen die, in voorkomend geval, zijn genomen om deze tendens om te buigen. Elke instelling van de Unie zendt het Europees Parlement en de Raad een verslag over de onderhandelingsprocedures toe. In het geval van de Commissie wordt dit verslag gevoegd bij de in lid 9 van dit artikel bedoelde samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen.

Artikel 75

Bewaring van bewijsstukken door de ordonnateurs

De ordonnateur stelt op papier gebaseerde of elektronische systemen in voor de bewaring van originele bewijsstukken met betrekking tot de uitvoering van de begroting. Deze bewijsstukken worden bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaar na de datum waarop het Europees Parlement kwijting verleent voor het begrotingsjaar waarop de bewijsstukken betrekking hebben.

Onverminderd de eerste alinea worden bewijsstukken met betrekking tot verrichtingen bewaard tot het einde van het jaar dat volgt op de definitieve afsluiting van die verrichtingen.

Persoonsgegevens in de bewijsstukken worden, waar mogelijk, verwijderd, wanneer deze gegevens niet noodzakelijk zijn voor begrotingskwijting, controle en audit. Artikel 37, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 is van toepassing wat de bewaring van verkeersgegevens betreft.

Artikel 76

Bevoegdheden en taken van de hoofden van de delegaties van de Unie

1.  Wanneer de hoofden van de delegaties van de Unie overeenkomstig artikel 60, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, vallen zij onder de Commissie als de instelling van de Unie die verantwoordelijk is voor de omschrijving, uitvoering, monitoring en beoordeling van hun taken en verantwoordelijkheden als gesubdelegeerd ordonnateur en werken zij nauw samen met de Commissie voor de daadwerkelijke uitvoering van de middelen, om met name te zorgen voor de wettigheid en de regelmatigheid van de financiële verrichtingen, de naleving van het beginsel van goed financieel beheer bij het beheer van de middelen en de doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie. Zij handelen in overeenstemming met de interne regels van de Commissie en het charter van de Commissie voor de uitvoering van de aan hen gesubdelegeerde taken op het gebied van financieel beheer. Zij kunnen bij de uitoefening van hun taken worden bijgestaan door personeel van de Commissie in de delegaties van de Unie.

Hiertoe nemen de hoofden van de delegaties van de Unie de maatregelen die nodig zijn om elke situatie te voorkomen waarbij het vermogen van de Commissie om haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de aan hen gesubdelegeerde begroting te vervullen in het gedrang kan komen, alsmede elk conflict van prioriteiten dat gevolgen kan hebben voor de uitvoering van de aan hen gesubdelegeerde taken op het gebied van financieel beheer.

Wanneer een in de tweede alinea bedoelde situatie of conflict zich voordoet, stellen de hoofden van de delegaties van de Unie de betrokken directeuren-generaal van de Commissie en van de EDEO hiervan onverwijld in kennis. De betrokken directeuren-generaal nemen passende maatregelen om de situatie op te lossen.

2.  Wanneer hoofden van de delegaties van de Unie zich in een in artikel 74, lid 8, bedoelde situatie bevinden, brengen zij dit ter kennis van de in artikel 143 genoemde instantie. In geval van onwettige activiteiten, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, waarschuwen zij de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties.

3.  Hoofden van de delegaties van de Unie die overeenkomstig artikel 60, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, brengen verslag uit aan hun gedelegeerde ordonnateur, opdat deze laatste hun verslagen in zijn in artikel 74, lid 9, bedoelde jaarlijks activiteitenverslag kan opnemen. De verslagen van de hoofden van de delegaties van de Unie bevatten informatie over de efficiëntie en de doeltreffendheid van de in hun delegatie ingestelde internecontrolesystemen en over het beheer van de aan hen gesubdelegeerde verrichtingen, en verstrekken de in de derde alinea van artikel 92, lid 5, bedoelde zekerheid. Die verslagen worden bij het jaarlijkse activiteitenverslag van de gedelegeerde ordonnateur gevoegd en ter beschikking gesteld van het Europees Parlement en van de Raad, in voorkomend geval met inachtneming van het vertrouwelijke karakter ervan.

De hoofden van de delegaties van de Unie werken volledig samen met de instellingen van de Unie die bij de kwijtingsprocedure betrokken zijn en verstrekken waar nodig de vereiste aanvullende informatie. In deze context kan hun worden gevraagd vergaderingen van de betrokken organen bij te wonen en bijstand te verlenen aan de verantwoordelijke gedelegeerde ordonnateur.

Hoofden van de delegaties van de Unie die overeenkomstig artikel 60, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, beantwoorden elk verzoek van de gedelegeerde ordonnateur van de Commissie, hetzij op verzoek van de Commissie zelf, hetzij, in het kader van de kwijtingsprocedure, op verzoek van het Europees Parlement.

De Commissie zorgt ervoor dat het subdelegeren van bevoegdheden aan de hoofden van de delegaties van de Unie de kwijtingsprocedure uit hoofde van artikel 319 VWEU niet belemmert.

4.  De leden 1, 2 en 3 gelden eveneens voor de adjunct-hoofden van delegaties van de Unie die optreden als gesubdelegeerde ordonnateurs in afwezigheid van de hoofden van delegaties van de Unie.



Afdeling 3

de rekenplichtige

Artikel 77

Bevoegdheden en taken van de rekenplichtige

1.  Elke instelling van de Unie stelt een rekenplichtige aan, die binnen die instelling wordt belast met:

a) de goede uitvoering van de betalingen, de inning van de ontvangsten en de invordering van de vastgestelde schuldvorderingen;

b) het opstellen en presenteren van de rekeningen overeenkomstig titel XIII;

c) het voeren van de boekhouding overeenkomstig de artikelen 82 en 84;

d) het vaststellen van de boekhoudregels, -procedures en het rekeningstelsel overeenkomstig de artikelen 80 tot en met 84;

e) het vaststellen en valideren van de boekhoudsystemen, alsmede, waar van toepassing, het valideren van de door de ordonnateur vastgelegde systemen die tot doel hebben boekhoudinformatie te verstrekken of te motiveren;

f) het beheer van de kasmiddelen.

Wat betreft de in de eerste alinea, onder e), bedoelde taken is de rekenplichtige bevoegd om te allen tijde na te gaan of de valideringscriteria zijn nageleefd.

2.  De verantwoordelijkheden van de rekenplichtige van de EDEO hebben alleen betrekking op de door de EDEO uitgevoerde begrotingsafdeling betreffende de EDEO. De rekenplichtige van de Commissie blijft verantwoordelijk voor de volledige begrotingsafdeling betreffende de Commissie, met inbegrip van de boekhoudkundige verrichtingen die betrekking hebben op de aan de hoofden van de delegaties van de Unie gesubdelegeerde kredieten.

De rekenplichtige van de Commissie treedt voor de uitvoering van de begrotingsafdeling betreffende de EDEO ook op als rekenplichtige van de EDEO.

Artikel 78

Aanstelling en beëindiging van de functie van de rekenplichtige

1.  De rekenplichtige wordt door elke instelling van de Unie aangesteld uit de ambtenaren op wie het Statuut van toepassing is.

De rekenplichtige wordt door de instelling van de Unie gekozen op grond van zijn of haar specifieke bekwaamheid, die door diploma’s wordt aangetoond of uit een gelijkwaardige beroepservaring blijkt.

2.  Twee of meer instellingen of organen van de Unie kunnen dezelfde rekenplichtige aanstellen.

In dat geval nemen zij alle nodige maatregelen om belangenconflicten te voorkomen.

3.  Bij de beëindiging van de functie van rekenplichtige wordt onverwijld een staat van de rekeningen opgemaakt.

4.  De staat van de rekeningen, vergezeld van een overdrachtsrapport, wordt door de rekenplichtige die zijn of haar functie beëindigt, of, indien dit niet mogelijk is, door een ambtenaar van zijn of haar dienst aan de nieuwe rekenplichtige toegezonden.

De nieuwe rekenplichtige ondertekent de staat van de rekeningen binnen een maand na de datum van toezending voor aanvaarding, waarbij hij een voorbehoud kan maken.

Het overdrachtsrapport bevat het resultaat van elke opgemaakte staat van de rekeningen alsmede eventuele voorbehouden.

Artikel 79

Bevoegdheden die de rekenplichtige kan delegeren

De rekenplichtige kan voor de uitoefening van zijn functie een aantal van zijn taken delegeren aan ondergeschikte personeelsleden en aan overeenkomstig artikel 89, lid 1, aangestelde beheerders van gelden ter goede rekening.

In het delegatiebesluit worden die taken omschreven.

Artikel 80

Boekhoudregels

1.  De boekhoudregels die moeten worden toegepast door instellingen van de Unie, Europese bureaus en de agentschappen en organen van de Unie als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel zijn gebaseerd op internationaal aanvaarde standaarden voor overheidsboekhouding. Deze regels worden vastgesteld door de rekenplichtige van de Commissie na raadpleging van de rekenplichtigen van de andere instellingen van de Unie, de Europese bureaus en de organen van de Unie.

2.  De rekenplichtige kan van de in lid 1 bedoelde normen afwijken indien hij zulks nodig acht om een getrouwe weergave te kunnen geven van de activa en passiva, de lasten en baten en de kasstromen. Wanneer een boekhoudregel substantieel van die normen afwijkt, wordt dat in de toelichtingen bij de financiële staten gemeld en gemotiveerd.

3.  In de in lid 1 bedoelde boekhoudregels worden de structuur en inhoud van de financiële staten vastgesteld, alsmede de boekhoudkundige beginselen die aan de rekeningen ten grondslag liggen.

4.  De in artikel 241 bedoelde verslagen over de begrotingsuitvoering is in overeenstemming met de begrotingsbeginselen van deze verordening. Deze maakt het mogelijk de uitvoering van de begroting in detail te volgen. Ze registreert alle verrichtingen aan de ontvangsten- en de uitgavenzijde als bedoeld in deze titel en geeft een getrouwe weergave daarvan.

Artikel 81

Organisatie van de boekhouding

1.  De rekenplichtige van elke instelling of van elk orgaan van de Unie stelt documentatiemateriaal samen waarin de boekhoudkundige organisatie en procedures van zijn of haar instelling en orgaan van de Unie worden beschreven, en werkt dit materiaal regelmatig bij.

2.  De ontvangsten en -uitgaven worden volgens de economische aard van de verrichting in een computersysteem geregistreerd als lopende uitgaven of ontvangsten of als kapitaal.

Artikel 82

Het voeren van de boekhouding

1.  De rekenplichtige van de Commissie is bevoegd om het geharmoniseerde rekeningstelsel vast te stellen dat moet worden toegepast door instellingen van de Unie, door Europese bureaus en door de agentschappen en de organen van de Unie als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel.

2.  De rekenplichtigen ontvangen van de ordonnateurs alle gegevens die nodig zijn voor de opstelling van rekeningen die een getrouwe weergave zijn van de financiële situatie van de instellingen van de Unie en de uitvoering van de begroting. De ordonnateurs garanderen de betrouwbaarheid van deze gegevens.

3.  Voordat de rekeningen door de instelling van de Unie of het in artikel 70 bedoelde orgaan van de Unie worden goedgekeurd, tekent de rekenplichtige ze af, waarmee hij verklaart dat hij een redelijke zekerheid heeft dat de rekeningen een getrouwe weergave van de financiële situatie van de instelling van de Unie of het in artikel 70 bedoelde orgaan van de Unie bieden.

Daartoe vergewist de rekenplichtige zich ervan dat de rekeningen zijn opgesteld in overeenstemming met de in artikel 80 genoemde boekhoudregels en met de in artikel 77, lid 1, eerste alinea, onder d), bedoelde boekhoudprocedures en dat alle uitgaven en ontvangsten in de rekeningen zijn geboekt.

4.  De gedelegeerde ordonnateur zendt de rekenplichtige, met inachtneming van de door de rekenplichtige vastgestelde regels, alle informatie over financiën en beheer toe die nodig is voor de vervulling van diens taken.

De rekenplichtige ontvangt van de ordonnateur regelmatig, en minstens vóór het afsluiten van de rekeningen, de dienstige financiële gegevens betreffende de bancaire trustrekeningen teneinde het gebruik van middelen van de Unie in de boekhouding van de Unie tot uiting te brengen.

De ordonnateurs blijven volledig verantwoordelijk voor het juiste gebruik van de door hen beheerde middelen, de wettigheid en de regelmatigheid van de door hen beheerde uitgaven en de volledigheid en juistheid van de aan de rekenplichtige verzonden informatie.

5.  De bevoegde ordonnateur stelt de rekenplichtige in kennis van alle ontwikkelingen of significante wijzigingen van financiële beheerssystemen, inventarisatiesystemen of systemen voor de waardering van activa en passiva die gegevens leveren voor de boekhouding van de instelling van de Unie of worden gebruikt om boekhoudgegevens te onderbouwen, teneinde de rekenplichtige in staat te stellen de overeenstemming ervan met de valideringscriteria te verifiëren.

De rekenplichtige kan op ieder moment een reeds gevalideerd financieel beheerssysteem opnieuw onderzoeken en kan verlangen dat de bevoegde ordonnateur een actieplan opstelt om eventuele tekortkomingen tijdig te verhelpen.

De ordonnateur is verantwoordelijk voor de volledigheid van de informatie die aan de rekenplichtige wordt verzonden.

6.  De rekenplichtige is bevoegd de ontvangen informatie te controleren en alle verdere toetsen uit te voeren die hij noodzakelijk acht om de rekeningen te kunnen aftekenen.

Zo nodig maakt de rekenplichtige voorbehouden, waarbij hij de aard en de draagwijdte van de voorbehouden precies omschrijft.

7.  De boekhouding van een instelling van de Unie is een systeem van ordening van budgettaire en financiële informatie om kwantitatieve gegevens te boeken, in te delen en te registreren.

8.  Het boekhoudsysteem bestaat uit een algemene boekhouding en een begrotingsboekhouding. De boekhoudingen worden per kalenderjaar en in euro gevoerd.

9.  De gedelegeerde ordonnateur kan tevens een gedetailleerde beheersboekhouding voeren.

10.  De bewijsstukken met betrekking tot de boekhouding en de opstelling van de in artikel 241 bedoelde rekeningen worden bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop het Europees Parlement kwijting verleent voor het begrotingsjaar waarop de bewijsstukken betrekking hebben.

De bewijsstukken met betrekking tot verrichtingen die niet definitief zijn afgesloten, worden bewaard tot het einde van het jaar dat volgt op de afsluiting van die verrichtingen. Artikel 37, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 is van toepassing wat de bewaring van verkeersgegevens betreft.

Elke instelling van de Unie bepaalt bij welke dienst de bewijsstukken worden bewaard.

Artikel 83

Inhoud en bijhouden van de begrotingsboekhouding

1.  In de begrotingsboekhouding worden voor elk onderdeel van de begroting geregistreerd:

a) wat betreft de uitgaven:

i) de in de begroting uitgetrokken kredieten, met inbegrip van de kredieten van de gewijzigde begrotingen, de overgedragen kredieten, de kredieten die beschikbaar zijn als gevolg van de inning van bestemmingsontvangsten, de overgeschreven kredieten en het totale bedrag van de beschikbaar gestelde kredieten;

ii) de vastleggingskredieten en de betalingskredieten van het begrotingsjaar;

b) wat betreft de ontvangsten:

i) de ramingen van de begroting, met inbegrip van de ramingen van de gewijzigde begrotingen, de bestemmingsontvangsten en het totale bedrag van de geraamde ontvangsten;

ii) de vastgestelde rechten en de invorderingen van het begrotingsjaar;

c) de nog te betalen vastleggingen en de nog te innen ontvangsten van de voorgaande begrotingsjaren.

De in de eerste alinea, onder a), bedoelde vastleggingskredieten en betalingskredieten worden afzonderlijk geregistreerd en gevolgd.

2.  De begrotingsboekhouding maakt afzonderlijk toezicht mogelijk op:

a) het gebruik van de overgedragen kredieten en de kredieten van het begrotingsjaar;

b) de betaalbaarstelling van nog te betalen vastleggingen.

Aan de ontvangstenzijde wordt op de nog te innen schuldvorderingen van voorgaande begrotingsjaren afzonderlijk toezicht gehouden.

Artikel 84

Algemene boekhouding

1.  De algemene boekhouding volgt op chronologische wijze, volgens de methode van dubbel boekhouden, alle gebeurtenissen en verrichtingen die van invloed zijn op de economische, financiële en vermogenssituatie van de instellingen van de Unie en van de in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel bedoelde agentschappen en organen van de Unie.

2.  De saldi en de mutaties op de rekeningen worden in de boekhouding geregistreerd.

3.  Iedere boeking, inclusief de boekhoudkundige correcties, wordt gestaafd met bewijsstukken waarnaar zij verwijst.

4.  Het boekhoudsysteem maakt het mogelijk van alle boekingen een duidelijk auditspoor terug te vinden.

Artikel 85

Bankrekeningen

1.  De rekenplichtige kan voor de behoeften in verband met het beheer van de kasmiddelen bij financiële instellingen of nationale centrale banken rekeningen op naam van zijn of haar instelling van de Unie openen of verzoeken om de opening van dergelijke rekeningen. De rekenplichtige is ook verantwoordelijk voor het sluiten of laten sluiten van deze rekeningen.

2.  In de voorwaarden voor het openen, de werking en het gebruik van bankrekeningen wordt bepaald dat, naargelang van de internecontrolebehoeften, voor cheques, overschrijvingsopdrachten en alle andere bankverrichtingen de handtekening van één of meer naar behoren gemachtigde personeelsleden vereist is. De manuele opdrachten worden ondertekend door ten minste twee naar behoren gemachtigde personeelsleden, of door de rekenplichtige.

3.  Namens de Commissie kunnen trustrekeningen worden geopend in het kader van de uitvoering van een programma of actie, om het beheer daarvan door een entiteit krachtens artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punt ii), iii), v) of vi), mogelijk te maken.

Zulke rekeningen worden geopend onder verantwoordelijkheid van de ordonnateur die bevoegd is voor de uitvoering van het programma of de actie en met het akkoord van de rekenplichtige van de Commissie.

Zulke rekeningen worden beheerd onder de verantwoordelijkheid van de ordonnateur.

4.  De rekenplichtige van de Commissie stelt regels vast voor het openen, het beheer en het sluiten van de trustrekeningen en voor het gebruik ervan.

Artikel 86

Beheer van de kasmiddelen

1.  Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is de rekenplichtige als enige bevoegd het beheer te voeren over de geldmiddelen en de kasequivalenten. De rekenplichtige is verantwoordelijk voor de bewaring ervan.

2.  De rekenplichtige ziet erop toe dat zijn of haar instelling van de Unie voldoende middelen ter beschikking heeft om de kasbehoeften te dekken die voortvloeien uit de uitvoering van de begroting onder de toepasselijke regelgeving, en stelt procedures in om ervoor te zorgen dat geen van de op grond van artikel 85, lid 1, en artikel 89, lid 3, geopende rekeningen een negatief saldo vertoont.

3.  De betalingen geschieden door bankoverschrijving, door middel van een cheque, uit gelden ter goede rekening of — wanneer dit specifiek is toegestaan door de rekenplichtige — met debetkaarten, door middel van directe debitering of op andere wijze, overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de rekenplichtige.

Vóór het aangaan van een verbintenis jegens een derde bevestigt de ordonnateur de identiteit van de betalingsbegunstigden, stelt hij de juridische entiteit en de betalingsgegevens van de betalingsbegunstigde vast en neemt hij deze op in een gemeenschappelijk bestand van de instelling van de Unie waarvoor de rekenplichtige bevoegd is, om te zorgen voor transparantie, verantwoording en de goede uitvoering van betalingen.

De rekenplichtige kan alleen betalingen verrichten indien de juridische entiteit en de betalingsgegevens van de betalingsbegunstigde van tevoren zijn opgenomen in een gemeenschappelijk bestand per instelling van de Unie waarvoor de rekenplichtige bevoegd is.

De ordonnateurs delen de rekenplichtige alle wijzigingen mee in de door de betalingsbegunstigde meegedeelde rechtspersoon en betalingsgegevens en onderzoeken of die gegevens geldig zijn voordat zij betalingen goedkeuren.

Artikel 87

Inventaris van activa

1.  Instellingen van de Unie en in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel bedoelde agentschappen of organen van de Unie houdt van alle materiële, immateriële en financiële activa die tot hun vermogen behoren, naar aantal en waarde gespecificeerde inventarislijsten bij volgens het door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde model.

Zij toetsen ook of de stand op hun respectieve inventarislijsten overeenkomt met de werkelijkheid.

Alle aankopen van goederen waarvan de gebruiksduur meer dan een jaar is, die niet het karakter van een verbruiksgoed hebben en waarvan de aankoopprijs of de kostprijs hoger is dan die welke in de overeenkomstig artikel 77 vastgestelde boekhoudprocedures is vermeld, worden in de inventaris en de rekeningen van de vaste activa opgenomen.

2.  Verkoop van materiële activa van de Unie wordt op een daartoe geëigende wijze bekendgemaakt.

3.  Instellingen van de Unie en in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel bedoelde agentschappen en organen van de Unie stelt bepalingen vast betreffende het behoud van de in hun respectieve inventarislijsten opgenomen activa en wijst de administratieve diensten aan die voor het inventarissysteem verantwoordelijk zijn.



Afdeling 4

de beheerder van gelden ter goede rekening

Artikel 88

Beheer van gelden ter goede rekening

1.  Voor de betaling van uitgaven kunnen, wanneer het door de geringe omvang van de bedragen materieel onmogelijk of inefficiënt is betalingen volgens begrotingsprocedures te verrichten, gelden ter goede rekening worden ingesteld. Voor de inning van andere ontvangsten dan eigen middelen kan ook beheer van gelden ter goede rekening worden ingesteld.

Bij de delegaties van de Unie kan beheer van gelden ter goede rekening eveneens worden gebruikt voor betalingen van kleine bedragen volgens begrotingsprocedures, indien dat efficiënt en doeltreffend is op grond van lokale vereisten.

Het maximumbedrag dat door de beheerder van gelden ter goede rekening mag worden betaald wanneer betaling volgens begrotingsprocedures materieel onmogelijk of inefficiënt is, wordt door de rekenplichtige vastgesteld en mag in geen geval hoger zijn dan 60 000  EUR per uitgave.

Op het gebied van hulp in crisissituaties en humanitaire hulp mag evenwel beheer van gelden ter goede rekening worden gebruikt voor de betaling van grotere bedragen zonder beperking ten aanzien van het bedrag, mits het niveau van de door het Europees Parlement en de Raad toegestane kredieten van het betrokken begrotingsonderdeel voor het lopende begrotingsjaar in acht wordt genomen en overeenkomstig de interne regels van de Commissie.

2.  Bij de delegaties van de Unie wordt, met waarborging van de volledige traceerbaarheid van de uitgaven, beheer van gelden ter goede rekening ingesteld voor het betalen van uitgaven uit zowel de afdeling van de begroting betreffende de Commissie als die betreffende de EDEO.

Artikel 89

Instelling en beheer van gelden ter goede rekening

1.  De instelling van beheer van gelden ter goede rekening en de aanwijzing van een beheerder van gelden ter goede rekening geschieden bij besluit van de rekenplichtige van de instelling van de Unie op basis van een met redenen omkleed voorstel van de bevoegde ordonnateur. In dit besluit worden de respectieve verantwoordelijkheden en verplichtingen van de beheerder van gelden ter goede rekening en de ordonnateur vastgesteld.

Beheerders van gelden ter goede rekening worden gekozen uit ambtenaren of, indien nodig en slechts in gerechtvaardigde gevallen, uit andere personeelsleden of overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de interne regels van de Commissie, uit personeelsleden van de Commissie die actief zijn op het gebied van hulp in crisissituaties en humanitaire hulp, op voorwaarde dat hun arbeidsovereenkomsten een gelijkwaardig niveau van bescherming op het gebied van aansprakelijkheid bieden als dat wat krachtens artikel 95 voor personeelsleden geldt. Beheerders van gelden ter goede rekening worden gekozen op grond van hun kennis, bekwaamheid en vaardigheden ter zake die zij blijkens diploma’s of een passende beroepservaring of na een passend opleidingsprogramma bezitten.

2.  Bij de voorstellen voor besluiten tot het instellen van beheer van gelden ter goede rekening ziet de bevoegde ordonnateur erop toe dat:

a) bij voorkeur de budgettaire weg wordt gebruikt wanneer de toegang tot het centrale geautomatiseerde boekhoudsysteem voorhanden is;

b) slechts in naar behoren gerechtvaardigde gevallen gebruik wordt gemaakt van beheer van gelden ter goede rekening.

Bij het nemen van een besluit om gelden ter goede rekening in te stellen, bepaalt de rekenplichtige de voorwaarden voor het gebruik van de gelden ter goede rekening.

De wijziging van de voorwaarden voor het beheer van gelden ter goede rekening geschiedt eveneens bij besluit van de rekenplichtige op een met redenen omkleed voorstel van de bevoegde ordonnateur.

3.  Bankrekeningen voor het beheer van de gelden ter goede rekening worden geopend en gemonitord door de rekenplichtige, die ook de handtekeningen bij volmacht goedkeurt op basis van een met redenen omkleed voorstel van de bevoegde ordonnateur.

4.  Gelden ter goede rekening worden door de rekenplichtige van de instelling van de Unie ter beschikking gesteld en vallen onder de verantwoordelijkheid van de beheerders van gelden ter goede rekening.

5.  Verrichte betalingen worden gevolgd door formele besluiten tot definitieve betaalbaarstelling of regularisatiebetalingsopdrachten die door de bevoegde ordonnateur zijn ondertekend.

De verrichtingen in het kader van het beheer van gelden ter goede rekening worden uiterlijk aan het einde van de volgende maand door de ordonnateur geregulariseerd, om te zorgen voor afstemming van het boeksaldo en het banksaldo.

6.  De rekenplichtige verricht toetsen, of laat die verrichten door een speciaal daartoe gemachtigd personeelslid van zijn of haar dienst of de ordonnateursdienst. Die toetsen van de aanwezigheid van de aan beheerders van gelden ter goede rekening toevertrouwde middelen, de desbetreffende boekhouding en de regularisatie van de verrichtingen binnen de voorgeschreven termijnen worden in de regel ter plaatse en, waar nodig, zonder aankondiging, verricht. De rekenplichtige deelt de bevoegde ordonnateur de resultaten van die toetsen mede.



HOOFDSTUK 5

Verantwoordelijkheid van financiële actoren



Afdeling 1

algemene regels

Artikel 90

Intrekking van de bevoegdheidsdelegatie en ontheffing van functies van financiële actoren

1.  De bevoegde ordonnateurs kunnen te allen tijde door het gezag dat hen heeft benoemd tijdelijk of definitief hun delegatie of subdelegatie worden ontnomen.

2.  Rekenplichtigen of beheerders van gelden ter goede rekening, of beiden, kunnen te allen tijde door het gezag dat hen heeft benoemd tijdelijk of definitief van hun functies worden ontheven.

3.  De leden 1 en 2 doen geen afbreuk aan eventuele tuchtmaatregelen die worden genomen ten aanzien van de in die leden bedoelde financiële actoren.

Artikel 91

Verantwoordelijkheid van de financiële actoren voor onwettige activiteiten, fraude of corruptie

1.  Dit hoofdstuk doet niet af aan de eventuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de in artikel 90 genoemde financiële actoren krachtens het toepasselijke nationale recht en de geldende bepalingen aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Unie of van de lidstaten betrokken zijn.

2.  Onverminderd het bepaalde in de artikelen 92, 94 en 95 van deze verordening, is elke bevoegde ordonnateur, rekenplichtige of beheerder van gelden ter goede rekening tuchtrechtelijk verantwoordelijk en geldelijk aansprakelijk onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut of, voor de in artikel 89, lid 1, van deze verordening bedoelde personeelsleden van de Commissie die actief zijn op het gebied van hulp in crisissituaties en humanitaire hulp, in hun arbeidsovereenkomsten. Gevallen van onwettige activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, worden voorgelegd aan de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties, met name aan OLAF.



Afdeling 2

regels betreffende de bevoegde ordonnateurs

Artikel 92

Regels betreffende de ordonnateurs

1.  De bevoegde ordonnateur is geldelijk aansprakelijk onder de in het statuut vastgestelde voorwaarden.

2.  De verplichting tot schadevergoeding bestaat in het bijzonder wanneer de bevoegde ordonnateur opzettelijk of met grove nalatigheid:

a) de in te vorderen rechten vaststelt of invorderingsopdrachten afgeeft, een betalingsverplichting aangaat of een betalingsopdracht ondertekent in afwijking van deze verordening;

b) verzuimt een document op te stellen waarbij een schuldvordering wordt vastgesteld, verzuimt een invorderingsopdracht af te geven of deze te laat afgeeft, of een betalingsopdracht te laat afgeeft, waardoor de instelling van de Unie civiel aansprakelijk wordt jegens derden.

3.  Wanneer een gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur oordeelt dat een aan hem of haar gegeven instructie onregelmatig is of tegen het beginsel van goed financieel beheer indruist, met name omdat de uitvoering ervan onverenigbaar is met de hoeveelheid aan hem verstrekte middelen, deelt hij of zij dat de autoriteit waarvan hij of zij de delegatie of subdelegatie heeft ontvangen, schriftelijk mede. Indien de instructie tijdig schriftelijk wordt bevestigd en nauwkeurig genoeg is, dat wil zeggen dat zij uitdrukkelijk naar de aspecten verwijst die door de gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur betwistbaar worden geacht, is de gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur van zijn of haar verantwoordelijkheid ontslagen. Hij of zij voert de instructie uit, tenzij deze kennelijk in strijd is met de wet of de geldende veiligheidsnormen.

Dezelfde procedure is van toepassing ingeval een ordonnateur oordeelt dat een door hem of haar te nemen besluit onregelmatig is of tegen het beginsel van goed financieel beheer indruist, of indien een ordonnateur tijdens de uitvoering van een bindende instructie verneemt dat de omstandigheden van het dossier tot een dergelijke situatie zou kunnen leiden.

De in de in dit lid bedoelde omstandigheden bevestigde instructies worden door de bevoegde gedelegeerde ordonnateur bijgehouden en in zijn of haar jaarlijks activiteitenverslag vermeld.

4.  In geval van subdelegatie binnen zijn of haar dienst blijft de gedelegeerde ordonnateur verantwoordelijk voor de efficiëntie en de doeltreffendheid van de ingestelde internebeheers- en controlesystemen en de keuze van de gesubdelegeerd ordonnateur.

5.  In geval van subdelegatie aan de hoofden en adjunct-hoofden van de delegaties van de Unie is de gedelegeerde ordonnateur verantwoordelijk voor de afbakening van de opgerichte internebeheers- en controlesystemen alsmede de efficiëntie en de doeltreffendheid van die systemen. De hoofden van de delegaties van de Unie zijn verantwoordelijk voor het adequaat instellen en de goede werking van die systemen, overeenkomstig de richtlijnen van de gedelegeerde ordonnateur, alsmede voor het beheer van de middelen en de verrichtingen die zij binnen de delegatie van de Unie onder hun verantwoordelijkheid uitvoeren. Vóór hun ambtsaanvaarding volgen zij specifieke opleidingen inzake de taken en verantwoordelijkheden van ordonnateurs en de uitvoering van de begroting.

Hoofden van de delegaties van de Unie brengen overeenkomstig artikel 76, lid 3, verslag uit over hun in de eerste alinea van dit lid bedoelde verantwoordelijkheden.

De hoofden van de delegaties van de Unie verstrekken jaarlijks aan de gedelegeerde ordonnateur van de Commissie zekerheid over de in hun delegatie ingestelde internebeheers- en controlesystemen, alsmede over het beheer van de verrichtingen die aan hen zijn gesubdelegeerd en de resultaten daarvan, om de ordonnateur in staat te stellen de betrouwbaarheidsverklaring als bedoeld in artikel 74, lid 9, af te leggen.

Dit lid geldt eveneens voor de adjunct-hoofden van de delegaties van de Unie die optreden als gesubdelegeerde ordonnateurs in afwezigheid van de hoofden van de delegaties van de Unie.

Artikel 93

Behandeling van door een personeelslid veroorzaakte financiële onregelmatigheden

1.  Onverminderd de bevoegdheden van OLAF en de administratieve autonomie van de instellingen van de Unie, organen van de Unie, Europese bureaus of organen of personen die krachtens Titel V van het VEU met de uitvoering van specifieke acties in het GBVB zijn belast, ten aanzien van hun personeel en met inachtneming van de bescherming van klokkenluiders wordt elke overtreding van deze verordening of van een bepaling inzake financieel beheer of toetsing van de verrichtingen die het gevolg is van een handeling of verzuim van een personeelslid voor een advies voorgelegd aan de in artikel 143 bedoelde instantie door:

a) het tot aanstelling bevoegde gezag verantwoordelijk voor tuchtzaken;

b) de bevoegde ordonnateur, met inbegrip van de hoofden van de delegaties van de Unie en de adjunct-hoofden die in hun afwezigheid als gesubdelegeerde ordonnateurs optreden overeenkomstig artikel 60, lid 2.

Wanneer de instantie rechtstreeks door een personeelslid wordt ingelicht, zendt zij het dossier aan het tot aanstelling bevoegde gezag van de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon toe en stelt zij het personeelslid dat haar heeft ingelicht, hiervan in kennis. Het tot aanstelling bevoegde gezag kan de instantie om advies over de zaak vragen.

2.  Een verzoek om advies van de instantie op grond van lid 1, eerste alinea, gaat vergezeld van een beschrijving van de feiten en de handeling of het verzuim om de beoordeling waarvan de instantie wordt verzocht, en van de bijbehorende bewijsstukken, daaronder begrepen verslagen over eventueel verrichte onderzoeken. Waar mogelijk wordt de informatie in geanonimiseerde vorm verstrekt.

Alvorens een verzoek of aanvullende informatie bij de instantie in te dienen, stelt het tot aanstelling bevoegde gezag of de ordonnateur, naargelang het geval, het betrokken personeelslid in de gelegenheid opmerkingen te maken, nadat het dit personeelslid kennis heeft gedaan van de in de eerste alinea bedoelde bewijsstukken, voor zover die kennisgeving het voeren van verder onderzoek niet ernstig ondermijnt.

3.  In de in lid 1 van dit artikel bedoelde gevallen is de in artikel 143 bedoelde instantie bevoegd te beoordelen of zich, op basis van de op grond van lid 2 van dit artikel aan haar verstrekte informatie en eventuele door haar ontvangen aanvullende elementen, een financiële onregelmatigheid heeft voorgedaan. Op grond van het advies van de instantie neemt de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon een beslissing over een passende follow-up overeenkomstig het statuut. Indien de instantie systeemproblemen ontdekt, doet zij de ordonnateur en de gedelegeerde ordonnateur, tenzij deze laatste het betrokken personeelslid is, alsmede de intern controleur een aanbeveling.

4.  Wanneer de instantie het in lid 1 van dit artikel bedoelde advies geeft, is zij samengesteld uit de in artikel 143, lid 2, bedoelde leden en de volgende drie extra leden, die worden aangesteld met inachtneming van de noodzaak om belangenconflicten te voorkomen:

a) een vertegenwoordiger van het tot aanstelling bevoegde gezag, bevoegd voor tuchtzaken, van de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon,

b) een lid dat is aangewezen door het personeelscomité van de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon,

c) een lid van de juridische dienst van de instelling van de Unie waarbij het betrokken personeelslid in dienst is.

Het in lid 1 bedoelde advies van de instantie wordt gericht tot het tot aanstelling bevoegde gezag van de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon.

5.  De instantie heeft geen onderzoeksbevoegdheid. De instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon werken met de instantie samen om ervoor te zorgen dat deze over alle nodige informatie beschikt om haar advies te geven.

6.  Wanneer de instantie tijdens haar onderzoek tot de slotsom komt dat het geval onder de bevoegdheid van OLAF valt, zendt zij het dossier overeenkomstig lid 1 onverwijld naar het betrokken tot aanstelling bevoegde gezag en stelt zij OLAF onmiddellijk in kennis.

7.  De lidstaten ondersteunen de Unie volledig bij de tenuitvoerlegging van de aansprakelijkheid, overeenkomstig artikel 22 van het Statuut, van tijdelijke functionarissen op wie artikel 2, onder e), van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, van toepassing is.



Afdeling 3

regels betreffende de rekenplichtigen en de beheerders van gelden ter goede rekening

Artikel 94

Regels betreffende de rekenplichtigen

De rekenplichtige is, onder de voorwaarden en volgens de procedures vastgesteld bij het statuut, tuchtrechtelijk verantwoordelijk en geldelijk aansprakelijk. Hij kan met name aansprakelijk worden gesteld als gevolg van de volgende fouten:

a) middelen, waarden en documenten die hij onder zijn hoede heeft, verloren laten gaan of aantasten;

b) bankrekeningen of postrekeningen ten onrechte wijzigen;

c) invorderingen of betalingen verrichten die niet in overeenstemming zijn met de invorderings- of betalingsopdrachten;

d) nalaten verschuldigde ontvangsten te innen.

Artikel 95

Regels betreffende de beheerders van gelden ter goede rekening

Een beheerder van gelden ter goede rekening kan met name aansprakelijk worden gesteld als gevolg van de volgende fouten:

a) middelen, waarden en documenten die hij onder zijn hoede heeft, verloren laten gaan of aantasten;

b) verrichte betalingen niet met deugdelijke bewijsstukken kunnen verantwoorden;

c) aan een ander dan de daarop rechthebbende betalen;

d) nalaten verschuldigde ontvangsten te innen.



HOOFDSTUK 6

Ontvangsten



Afdeling 1

terbeschikkingstelling van eigen middelen

Artikel 96

Eigen middelen

1.  De ontvangsten gevormd door de eigen middelen bedoeld in Besluit 2014/335/EU, Euratom worden als raming in euro in de begroting opgenomen. De overeenkomstige eigen middelen worden ter beschikking gesteld overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

2.  De ordonnateur stelt een tijdschema op voor de terbeschikkingstelling aan de Commissie van de eigen middelen bedoeld in Besluit 2014/335/EU, Euratom.

De vaststelling en de inning van de eigen middelen geschieden volgens de voorschriften die ter uitvoering van dat besluit zijn vastgesteld.

Om boekhoudkundige redenen geeft de ordonnateur een invorderingsopdracht af voor inkomsten en uitgaven op de rekening voor de eigen middelen als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.



Afdeling 2

raming van schuldvorderingen

Artikel 97

Raming van schuldvorderingen

1.  Wanneer de bevoegde ordonnateur over voldoende en betrouwbare informatie beschikt met betrekking tot een maatregel of situatie waardoor een schuldvordering van de Unie ontstaat, maakt hij een raming van het verschuldigde bedrag.

2.  De raming van de schuldvordering wordt door de bevoegde ordonnateur aangepast zodra hij kennis krijgt van een feit dat de maatregel of de situatie die tot de raming heeft geleid, verandert.

Bij de opstelling van een invorderingsopdracht met betrekking tot een maatregel of situatie die eerder tot een raming van de schuldvordering heeft geleid, wordt die raming dienovereenkomstig aangepast door de bevoegde ordonnateur.

Wanneer de invorderingsopdracht wordt opgesteld voor hetzelfde bedrag als de oorspronkelijke raming van de schuldvordering, wordt die raming verlaagd tot nul.

3.  In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt voor de eigen middelen omschreven in Besluit 2014/335/EU, Euratom die door de lidstaten op vaste vervaldagen worden afgedragen, geen schuldvorderingsraming opgesteld vóór de terbeschikkingstelling van de bedragen door de lidstaten aan de Commissie. Voor deze middelen geeft de bevoegde ordonnateur een invorderingsopdracht af.



Afdeling 3

vaststelling van schuldvorderingen

Artikel 98

Vaststelling van schuldvorderingen

1.  Om een schuldvordering vast te stellen, doet de bevoegde ordonnateur het volgende:

a) het bestaan van de schuld verifiëren;

b) het bestaan en het bedrag van de schuld vaststellen of verifiëren, en

c) de opeisbaarheid van de schuld verifiëren.

De vaststelling van een schuldvordering is de erkenning van het recht van de Unie jegens een debiteur en de opstelling van de titel waarmee van deze debiteur betaling van zijn schuld kan worden geëist.

2.  Elke als vaststaand, liquide en opeisbaar aangemerkte schuldvordering wordt vastgesteld door middel van een invorderingsopdracht waarbij de bevoegde ordonnateur de rekenplichtige opdraagt de schuldvordering te innen. Deze wordt gevolgd door een aan de debiteur gerichte debetnota, behalve voor de gevallen waarin onmiddellijk een ontheffingsprocedure wordt toegepast overeenkomstig lid 4, tweede alinea. Zowel de invorderingsopdracht als de debetnota worden door de bevoegde ordonnateur opgesteld.

De ordonnateur verzendt de debetnota onmiddellijk na de vaststelling van de schuldvordering en uiterlijk binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het moment waarop de instelling van de Unie, onder normale omstandigheden, haar schuldvordering geldend had kunnen maken. Deze termijn geldt niet wanneer de bevoegde ordonnateur aantoont dat, ondanks de inspanningen die de instelling van de Unie heeft gedaan, het late optreden toe te schrijven is aan het gedrag van de debiteur.

3.  Om een schuldvordering vast te stellen, vergewist de bevoegde ordonnateur zich van het volgende:

a) de schuldvordering staat vast, wat inhoudt dat zij niet aan voorwaarden onderworpen is;

b) de hoogte van de schuldvordering staat vast, en wordt uitgedrukt in een nauwkeurig geldbedrag;

c) de schuldvordering is opeisbaar en niet onderworpen aan een betalingstermijn;

d) de gegevens van de debiteur zijn correct;

e) het bedrag is in de juiste begrotingspost geboekt;

f) de bewijsstukken zijn in orde, en

g) het beginsel van goed financieel beheer wordt in acht genomen, met name wat betreft de in artikel 101, lid 2, eerste alinea, onder a) of b), bedoelde criteria.

4.  De debetnota is de mededeling aan de debiteur dat:

a) de Unie de schuldvordering heeft vastgesteld;

b) geen achterstandsrente verschuldigd is, indien de schuld binnen de in de debetnota vastgestelde termijn wordt betaald;

c) bij gebreke van betaling van de schuld bij het verstrijken van de onder b) van deze alinea bedoelde termijn, over de schuld rente verschuldigd is tegen het in artikel 99 bedoelde percentage, onverminderd de geldende specifieke voorschriften;

d) de instelling van de Unie bij gebreke van betaling van de schuld bij het verstrijken van de onder b) bedoelde termijn, tot inning overgaat door middel van verrekening of door een beroep te doen op van tevoren verstrekte garanties;

e) de rekenplichtige, nadat de debiteur van de gronden en de datum van inning door middel van verrekening in kennis is gesteld, in uitzonderlijke omstandigheden vóór de onder b) bedoelde termijn tot inning door middel van verrekening kan overgaan, indien dit ter bescherming van de financiële belangen van de Unie nodig is, omdat hij of zij gerechtvaardigde redenen heeft om aan te nemen dat het aan de Unie verschuldigde bedrag anders verloren zou gaan;

f) de instelling van de Unie, indien nog geen volledige inning heeft kunnen geschieden nadat alle onder a) tot en met e) van deze alinea beschreven stappen zijn ondernomen, tot inning overgaat door gedwongen tenuitvoerlegging van de titel die overeenkomstig artikel 100, lid 2, dan wel langs gerechtelijke weg is verkregen.

Wanneer het na verificatie van de gegevens van de debiteur of op grond van andere relevante informatie die op dat moment beschikbaar was, duidelijk is dat de schuld valt onder de in artikel 101, lid 2, eerste alinea, onder a) of b), bedoelde gevallen of dat de debetnota niet is verzonden overeenkomstig lid 2 van dit artikel, besluit de ordonnateur na vaststelling van de schuldvordering om onmiddellijk van invordering af te zien overeenkomstig artikel 101 zonder een debetnota te sturen, met het akkoord van de rekenplichtige.

In alle andere gevallen wordt de debetnota door de ordonnateur afgedrukt en aan de debiteur toegezonden. De rekenplichtige wordt van de verzending van de debetnota in kennis gesteld via het financiële-informatiesysteem.

5.  Ten onrechte betaalde bedragen worden teruggevorderd.

Artikel 99

Achterstandsrente

1.  Onverminderd de specifieke bepalingen die voortvloeien uit de toepassing van specifieke regelingen, is elke schuldvordering die bij het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn niet is voldaan, rentedragend overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel.

2.  Met uitzondering van het in lid 4 van dit artikel bedoelde geval, is de rentevoet voor schuldvorderingen die bij het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn niet zijn voldaan, het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste kalenderdag van de maand waarin de genoemde termijn valt en dat is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, vermeerderd met:

a) acht procentpunten wanneer de schuldvordering voortvloeit uit een overeenkomst voor leveringen of een overeenkomst voor diensten;

b) drieënhalf procentpunten in alle andere gevallen.

3.  De rente wordt berekend vanaf de kalenderdag die volgt op de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn, tot en met de kalenderdag waarop de schuld volledig is betaald.

De invorderingsopdracht voor de achterstandsrente wordt gedateerd op de dag waarop die rente daadwerkelijk is ontvangen.

4.  In het geval van boeten of andere sancties is de rentevoet voor schuldvorderingen die bij het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn niet zijn voldaan, het door de Europese Centrale Bank op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste percentage dat geldt op de eerste kalenderdag van de maand waarin het besluit tot het opleggen van een boete of andere sanctie is genomen, en dat is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, vermeerderd met:

a) anderhalf procentpunt indien de debiteur een financiële garantie verstrekt die door de rekenplichtige in plaats van betaling wordt aanvaard;

b) drieënhalf procentpunten in alle andere gevallen.

Indien het Hof van Justitie van de Europese Unie krachtens zijn op artikel 261 VWEU gebaseerde bevoegdheid het bedrag van een boete of andere sanctie verhoogt, wordt vanaf de datum van het arrest van het Hof rente berekend op de verhoging van het bedrag.

5.  In gevallen waarin de totale rente negatief zou zijn, wordt deze op nul procent vastgesteld.



Afdeling 4

invorderingsopdrachten

Artikel 100

Invorderingsopdrachten

1.  De bevoegde ordonnateur draagt de rekenplichtige, door de afgifte van een invorderingsopdracht, op een door die bevoegde ordonnateur vastgestelde schuldvordering in te vorderen („de invorderingsopdracht”).

2.  Een instelling van de Unie kan de vaststelling van een schuldvordering jegens andere personen dan lidstaten formeel neerleggen in een besluit dat een executoriale titel in de zin van artikel 299 VWEU vormt.

Indien de doelmatige en tijdige bescherming van de financiële belangen van de Unie dit vereist, kunnen andere instellingen van de Unie de Commissie in uitzonderlijke omstandigheden verzoeken een dergelijk uitvoerbaar besluit ten behoeve van hen goed te keuren inzake vorderingen betreffende personeelsleden of betreffende leden of voormalige leden van een instelling van de Unie, mits die instellingen de praktische regels voor de toepassing van dit artikel met de Commissie zijn overeengekomen.

Er is sprake van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden wanneer er geen uitzicht bestaat op invordering van de schuld door de betrokken instelling van de Unie door middel van vrijwillige betaling of door middel van verrekening overeenkomstig artikel 101, lid 1, van deze verordening en de voorwaarden om af te zien van invordering krachtens artikel 101, leden 2 en 3, niet zijn vervuld. Het besluit dat executoriale titel vormt, bevat in alle gevallen de bepaling dat de ingevorderde bedragen worden geboekt in de begrotingsafdeling van de betrokken instelling van de Unie, die als ordonnateur optreedt. De ontvangsten worden geboekt als algemene ontvangsten, tenzij zij bestemmingsontvangsten vormen in de zin van artikel 21, lid 3.

De verzoekende instelling van de Unie stelt de Commissie in kennis van iedere gebeurtenis die de invordering kan beïnvloeden en intervenieert ter ondersteuning van de Commissie wanneer tegen het besluit dat executoriale titel vormt beroep wordt aangetekend.



Afdeling 5

invordering

Artikel 101

Regels betreffende de invordering

1.  De rekenplichtige neemt de door de bevoegde ordonnateur naar behoren opgestelde invorderingsopdrachten in behandeling. De rekenplichtige is gehouden zorg te dragen voor het innen van de ontvangsten van de Unie en toe te zien op het behoud van de rechten van de Unie.

Gedeeltelijke betaling door een debiteur tegen wie verschillende invorderingsopdrachten zijn afgegeven, wordt eerst in mindering gebracht op de oudste schuldvordering, tenzij door de debiteur anders wordt aangegeven. Elke gedeeltelijke betaling dekt in de eerste plaats de verschuldigde rente.

De rekenplichtige gaat over tot invordering van aan de begroting verschuldigde bedragen door verrekening overeenkomstig artikel 102.

2.  De bevoegde ordonnateur kan slechts geheel of gedeeltelijk van de invordering van een vastgestelde schuldvordering afzien in de volgende gevallen:

a) wanneer de verwachte kosten van de invordering hoger zijn dan het te innen bedrag en het afzien van invordering geen afbreuk zou doen aan de reputatie van de Unie;

b) wanneer het niet mogelijk is de schuldvordering te innen wegens de leeftijd ervan, vertraging bij de verzending van de debetnota, zoals omschreven in artikel 98, lid 2, of de insolventie van de debiteur, of als gevolg van andere insolventieprocedures;

c) wanneer de invordering afbreuk doet aan het evenredigheidsbeginsel.

Wanneer de bevoegde ordonnateur overweegt geheel of gedeeltelijk af te zien van het invorderen van een vastgestelde schuldvordering, verifieert hij of dit regelmatig is en strookt met het beginsel van goed financieel beheer en het evenredigheidsbeginsel. Het besluit van invordering af te zien wordt gemotiveerd. De ordonnateur kan de bevoegdheid tot het nemen van dat besluit delegeren.

3.  In het in lid 2, eerste alinea, onder c), bedoelde geval neemt de bevoegde ordonnateur de procedures die van tevoren bij zijn of haar instelling van de Unie zijn vastgesteld, in acht en past hij of zij de volgende verplichte criteria toe, die onder alle omstandigheden moeten worden toegepast:

a) de aard van de feiten gelet op de ernst van de onregelmatigheid die aanleiding heeft gegeven tot de vaststelling van de schuldvordering (fraude, recidive, opzet, medewerking, goede trouw, kennelijke dwaling);

b) de gevolgen die het afzien van invordering van de schuldvordering voor het functioneren en de financiële belangen van de Unie zou hebben (betrokken bedrag, risico een precedent te scheppen, afbreuk aan het gezag van de norm).

4.  Afhankelijk van de omstandigheden van het geval neemt de bevoegde ordonnateur, waar passend, de volgende aanvullende criteria in aanmerking:

a) de eventuele vervalsing van de mededinging die het afzien van invordering van de schuldvordering zou meebrengen;

b) de economische en sociale schade die de volledige inning van de schuldvordering tot gevolg zou hebben.

5.  Elke instelling van de Unie zendt het Europees Parlement en de Raad elk jaar een verslag toe over de gevallen waarin door haar uit hoofde van de leden 2, 3 en 4 van dit artikel is afgezien van de inning van schuldvorderingen. De informatie over het afzien van de inning van schuldvorderingen onder 60 000  EUR wordt verstrekt in de vorm van een totaalbedrag. In het geval van de Commissie wordt dit verslag gevoegd bij de in artikel 74, lid 9, bedoelde samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen.

6.  De bevoegde ordonnateur kan een vastgestelde schuldvordering geheel of gedeeltelijk annuleren. De gedeeltelijke annulering van een vastgestelde schuldvordering leidt niet tot afstand van het resterend ten gunste van de Unie vastgesteld recht.

In geval van een dwaling annuleert de bevoegde ordonnateur geheel of gedeeltelijk de vastgestelde schuldvorderingen en omkleedt hij deze annulering naar behoren met redenen.

Elke instelling van de Unie bepaalt in haar interne regels de voorwaarden en de wijze waarop de bevoegdheid tot annulering van een vastgestelde schuldvordering kan worden gedelegeerd.

7.  De lidstaten zijn primair verantwoordelijk voor het verrichten van controles en audits en voor het invorderen van ten onrechte uitgegeven bedragen, als bepaald in sectorspecifieke regelgeving. Voor zover lidstaten onregelmatigheden ontdekken en corrigeren voor eigen rekening, zijn zij vrijgesteld van financiële correcties door de Commissie in verband met deze onregelmatigheden.

8.  De Commissie maakt financiële correcties ten aanzien van lidstaten om uitgaven die in strijd zijn met het toepasselijk recht, van financiering door de Unie uit te sluiten. De Commissie baseert haar financiële correcties op de vaststelling van ten onrechte uitgegeven bedragen, en de financiële gevolgen voor de begroting. Wanneer zulke bedragen niet nauwkeurig kunnen worden vastgesteld kan de Commissie geëxtrapoleerde of forfaitaire correcties toepassen overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving.

De Commissie houdt bij het besluit over het bedrag van een financiële correctie rekening met de aard en de ernst van de inbreuk op het toepasselijk recht en de financiële gevolgen voor de begroting, met inbegrip van tekortkomingen in beheers- en controlesystemen.

De criteria voor de vaststelling van financiële correcties en de te volgen procedure kunnen in sectorspecifieke regelgeving worden vastgelegd.

9.  De methode voor de toepassing van geëxtrapoleerde of forfaitaire correcties wordt vastgesteld overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving teneinde de Commissie in staat te stellen de financiële belangen van de Unie te beschermen.

Artikel 102

Invordering door verrekening

1.  Wanneer de debiteur een als in artikel 98, lid 3, onder a), bedoelde vaststaande, liquide en opeisbare vordering heeft op de Unie of op een uitvoerend agentschap dat de begroting uitvoert, die betrekking heeft op een door een betalingsopdracht vastgesteld bedrag, gaat de rekenplichtige na het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn over tot de inning van de vastgestelde schuldvorderingen door middel van verrekening.

In uitzonderlijke omstandigheden kan de rekenplichtige echter vóór het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn overgaan tot inning door middel van verrekening, indien dit ter bescherming van de financiële belangen van de Unie nodig is en hij gerechtvaardigde redenen heeft om aan te nemen dat het aan de Unie verschuldigde bedrag anders verloren zou gaan.

De rekenplichtige kan ook overgaan tot inning door middel van verrekening vóór het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn wanneer de debiteur daarmee instemt.

2.  Voordat hij overeenkomstig lid 1 van dit artikel tot inning overgaat, raadpleegt de rekenplichtige de bevoegde ordonnateur en stelt hij de betrokken debiteuren hiervan in kennis, met inbegrip van de corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 133.

Wanneer de debiteur een nationale autoriteit of een van haar administratieve entiteiten is, stelt de rekenplichtige de betrokken lidstaat ten minste tien werkdagen van tevoren in kennis van zijn of haar voornemen door middel van verrekening tot inning over te gaan. In overleg met de betrokken lidstaat of administratieve entiteit mag de rekenplichtige echter vóór het verstrijken van die termijn door middel van verrekening tot inning overgaan.

3.  De in lid 1 bedoelde verrekening heeft dezelfde gevolgen als een betaling en geldt voor de Unie als kwijting voor het bedrag van de schuld en, in voorkomend geval, de verschuldigde rente.

Artikel 103

Inningsprocedure bij uitblijven van vrijwillige betaling

1.  Onverminderd artikel 102 stelt de rekenplichtige, indien bij het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn geen volledige inning is geschied, de bevoegde ordonnateur hiervan in kennis, en tracht hij onverwijld de inning alsnog te bewerkstelligen met aanwending van passende rechtsmiddelen, onder meer, in voorkomend geval, door een beroep te doen op van tevoren verstrekte garanties.

2.  Onverminderd artikel 102 gaat de rekenplichtige, indien de in lid 1 van dit artikel genoemde wijze van inning niet mogelijk is en de debiteur na een door de rekenplichtige verzonden aanmaning de betaling niet heeft verricht, over tot invordering door middel van tenuitvoerlegging van een overeenkomstig artikel 100, lid 2, dan wel langs gerechtelijke weg verkregen titel.

Artikel 104

Aanvullende betalingstermijnen

Aanvullende betalingstermijnen mag de rekenplichtige, in overleg met de bevoegde ordonnateur, slechts toestaan op schriftelijk, met redenen omkleed verzoek van de debiteur en op voorwaarde dat de debiteur:

a) zich ertoe verbindt, voor de gehele toegekende aanvullende termijn, te rekenen vanaf de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn, rente te betalen tegen de in artikel 99 bedoelde rentevoet;

b) ter bescherming van de rechten van de Unie een door de rekenplichtige van de instelling van de Unie aanvaarde financiële garantie stelt die de hoofdsom en de rente van de nog niet geïnde schuld dekt.

De in lid 1, onder b), bedoelde garantie kan worden vervangen door een gezamenlijke en hoofdelijke garantie door een door de rekenplichtige van de instelling van de Unie goedgekeurde derde.

In uitzonderlijke omstandigheden kan de rekenplichtige op verzoek van de debiteur ervan afzien de in lid 1, onder b), bedoelde garantie te vragen wanneer hij oordeelt dat de debiteur bereid en in staat is om de schuld binnen de aanvullende betalingstermijn te voldoen, maar niet in staat is om dergelijke garantie te stellen en in een financieel moeilijke situatie verkeert.

Artikel 105

Verjaringstermijn

1.  Onverminderd de bijzondere verordeningen en de toepassing van Besluit 2014/335/EU, Euratom geldt voor vorderingen van de Unie op derden en vorderingen van derden op de Unie een verjaringstermijn van vijf jaar.

2.  De verjaringstermijn voor schuldvorderingen van de Unie op derden begint te lopen bij het verstrijken van de in artikel 98, lid 4, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn.

De verjaringstermijn voor schuldvorderingen van derden op de Unie begint te lopen op de datum waarop de schuldvordering van de betrokken derde krachtens de onderliggende juridische verbintenis opeisbaar is.

3.  De verjaringstermijn voor schuldvorderingen van de Unie op derden wordt geschorst door elke handeling van een instelling van de Unie of van een door een op verzoek van een instelling van de Unie handelende lidstaat, waarvan aan de derde kennis is gegeven en die strekt tot inning van de schuld.

De verjaringstermijn voor schuldvorderingen van derden op de Unie wordt geschorst door elke handeling waarvan door haar crediteur of namens haar crediteuren aan de Unie kennis is gegeven en die strekt tot inning van de schuld.

4.  Een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen op de dag volgend op die van de in lid 3 bedoelde schorsingen.

5.  Rechtsvorderingen betreffende de in lid 2 bedoelde schuldvorderingen, met inbegrip van rechtsvorderingen waarbij de rechter zich uiteindelijk onbevoegd verklaart, schorsen de verjaringstermijn. Een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begint pas te lopen na een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing of na een buitengerechtelijke schikking tussen de partijen over dezelfde vordering.

6.  Wanneer de rekenplichtige de debiteur overeenkomstig artikel 104 een aanvullende betalingstermijn toestaat, wordt dit als een schorsing van de verjaringstermijn beschouwd. Een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaat in op de dag volgende op die waarop de aanvullende betalingstermijn verstrijkt.

7.  Na het verstrijken van de in de leden 2 tot en met 6 bepaalde verjaringstermijn worden de schuldvorderingen van de Unie niet meer geïnd.

Artikel 106

Nationale behandeling voor vorderingen van de Unie

In het geval van een insolventieprocedure krijgen vorderingen van de Unie in de lidstaat waar de invorderingsprocedure plaatsvindt dezelfde voorrangsbehandeling als vorderingen van dezelfde aard van publiekrechtelijke organen van die lidstaat.

Artikel 107

Door instellingen van de Unie opgelegde boeten, andere dwangsommen, sancties en rente hierover

1.  De bedragen uit boeten, andere dwangsommen en sancties, alsmede de rente hierover en andere hieruit voortvloeiende inkomsten, worden niet in de begroting opgenomen zolang de desbetreffende besluiten het voorwerp van beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn of nog kunnen worden.

2.  De in lid 1 bedoelde bedragen worden zo spoedig mogelijk nadat alle juridische verweermiddelen zijn uitgeput, in de begroting opgenomen. In naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden of wanneer alle juridische verweermiddelen pas na 1 september van het lopende begrotingsjaar zijn uitgeput, mogen de bedragen in het volgende begrotingsjaar in de begroting worden opgenomen.

Bedragen die moeten worden terugbetaald aan de betalende entiteit als gevolg van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, worden niet in de begroting opgenomen.

3.  Lid 1 is niet van toepassing op de besluiten inzake goedkeuring van de rekeningen of financiële correcties.

Artikel 108

Inning van boeten, andere dwangsommen of sancties opgelegd door instellingen van de Unie

1.  Wanneer bij het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep is ingesteld tegen een besluit van een instelling van de Unie waarbij krachtens het VWEU of het Euratom-Verdrag een boete, andere dwangsom of sanctie is opgelegd, stort de debiteur, zolang niet alle rechtsmiddelen zijn uitgeput, de betrokken bedragen voorlopig op de door de rekenplichtige van de Commissie aangewezen bankrekening of stelt hij een financiële garantie die voor de rekenplichtige van de Commissie aanvaardbaar is. De garantie staat los van de verplichting tot betaling van de boete, andere dwangsom of sanctie en is op verzoek opeisbaar. Zij dekt de vordering voor de hoofdsom en de in artikel 99, lid 4, bedoelde verschuldigde rente.

2.  De Commissie waarborgt de veiligheid en de liquiditeit van de voorlopig geïnde bedragen, en streeft daarbij tegelijkertijd naar een positief rendement, door deze bedragen in financiële activa te beleggen.

3.  Nadat alle rechtsmiddelen zijn uitgeput en de boete, andere dwangsom of sanctie is bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, of wanneer het besluit waarbij een dergelijke boete, andere dwangsom of sanctie is opgelegd, niet meer het voorwerp van beroep kunnen worden bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, wordt één van de volgende maatregelen genomen:

a) de voorlopig geïnde bedragen en het rendement daarvan overeenkomstig artikel 107, lid 2, worden in de begroting opgenomen;

b) indien een financiële garantie is gesteld, wordt deze aangesproken en worden de overeenkomstige bedragen in de begroting opgenomen.

Wanneer het bedrag van de boete, andere dwangsom of sanctie door het Hof van Justitie van de Europese Unie is verhoogd, zijn de punten a) en b) van de eerste alinea van dit lid van toepassing tot de bedragen in het oorspronkelijke besluit van de instelling van de Unie of, in voorkomend geval, tot het in een eerder arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in dezelfde zaak vastgesteld bedrag. De rekenplichtige van de Commissie int het bedrag van de verhoging en de in artikel 99, lid 4, bedoelde verschuldigde rente, die in de begroting worden opgenomen.

4.  Nadat alle juridische verweermiddelen zijn uitgeput en de boete, andere dwangsom of sanctie nietig is verklaard of het bedrag is verlaagd, wordt één van de volgende maatregelen genomen:

a) de voorlopig geïnde bedragen, of in geval van een verlaging, het desbetreffende deel daarvan, worden met inbegrip van het eventuele rendement, terugbetaald aan de betrokken derde, of

b) een eventuele financiële garantie wordt naar evenredigheid vrijgegeven.

In de in de eerste alinea, onder a), bedoelde gevallen, wanneer het totale rendement op het voorlopig geïnde bedrag negatief is, het geleden verlies afgetrokken van het terug te betalen bedrag.

Artikel 109

Compensatierente

Indien onverminderd het bepaalde in artikel 99, lid 2, en artikel 116, lid 5, en voor andere gevallen dan boeten, andere dwangsommen en sancties, als bedoeld in de artikelen 107 en 108, een bedrag moet worden terugbetaald na een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie of als gevolg van een minnelijke schikking, geldt als rentevoet de rentevoet die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. De rentevoet mag echter niet negatief zijn. De rente loopt vanaf de datum van betaling van het terug te betalen bedrag tot de datum waarop de terugbetaling verschuldigd is.

In gevallen waarin de totale rente negatief zou zijn, wordt deze op nul procent vastgesteld.



HOOFDSTUK 7

Uitgaven

Artikel 110

Financieringsbesluiten

1.  Een vastlegging in de begroting wordt voorafgegaan door een financieringsbesluit van de instelling van de Unie of van de autoriteit waaraan zij bevoegdheid heeft gedelegeerd. De financieringsbesluiten zijn jaarlijks of meerjarig.

De eerste alinea van dit lid geldt niet voor kredieten die bestemd zijn voor de werking van elke instelling van de Unie uit hoofde van haar administratieve autonomie en die zonder basishandeling kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 58, lid 2, onder e), voor uitgaven voor administratieve ondersteuning en bijdragen voor de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie.

2.  Het financieringsbesluit vormt tegelijkertijd het jaarlijks of meerjarig werkprogramma en wordt, in voorkomend geval, zo spoedig mogelijk na de goedkeuring van de ontwerpbegroting vastgesteld en in beginsel niet later dan 31 maart van het jaar van uitvoering. Indien de desbetreffende basishandeling voorziet in specifieke voorwaarden voor de vaststelling van een financieringsbesluit of een werkprogramma of beide, gelden deze voorwaarden voor het deel van het financieringsbesluit dat het werkprogramma vormt (vormen), met inachtneming van de vereisten van die basishandeling. Het deel dat het werkprogramma vormt, wordt onmiddellijk na de vaststelling ervan en vóór de uitvoering ervan bekendgemaakt op de website van de betrokken instelling van de Unie. Het financieringsbesluit vermeldt het totale bedrag dat het betreft en bevat een beschrijving van de te financieren acties. Het besluit specificeert de volgende elementen:

a) de basishandeling en het begrotingsonderdeel;

b) de beoogde doelstellingen en verwachte resultaten;

c) de wijzen van uitvoering;

d) alle in de basishandeling vereiste aanvullende informatie voor het werkprogramma.

3.  Het financieringsbesluit bevat in aanvulling op de in lid 2 genoemde elementen de volgende informatie:

a) voor subsidies: het type aanvragers voor wie de oproep tot het indienen van voorstellen of de toekenning zonder selectieprocedure is bedoeld en het begrote totaalbedrag voor de subsidies;

b) voor aanbestedingen: het begrote totaalbedrag voor aanbestedingen;

c) voor bijdragen aan de in artikel 234 bedoelde trustfondsen van de Unie: de voor het begrotingsjaar voor het trustfonds gereserveerde kredieten, en de voor de gehele duur geplande bedragen uit de begroting en van andere donoren;

d) voor prijzen: het type deelnemers voor wie de wedstrijd is bedoeld, het begrote totaalbedrag voor de wedstrijd en een specifieke verwijzing naar prijzen met een eenheidswaarde van 1 000 000  EUR of meer;

e) voor financieringsinstrumenten: het aan het financieringsinstrument toegewezen bedrag;

f) in het geval van indirect beheer: de persoon of entiteit die middelen van de Unie uitvoert overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), of de criteria voor de selectie van de persoon of entiteit;

g) voor bijdragen aan blendingfaciliteiten of -platforms: het bedrag dat is toegewezen aan de blendingfaciliteit of -platform en de lijst van entiteiten die deelnemen aan de blendingfaciliteit of -platform;

h) voor begrotingsgaranties: het jaarlijkse voorzieningsbedrag en, in voorkomend geval, het bedrag van de vrij te geven begrotingsgarantie.

4.  De gedelegeerde ordonnateur kan eventuele passend bevonden extra informatie toevoegen hetzij in het desbetreffende financieringsbesluit dat het werkprogramma vormt, hetzij in alle andere documenten die op de website van de instelling van de Unie worden bekendgemaakt.

Een meerjarig financieringsbesluit is in overeenstemming met de financiële programmering als bedoeld in artikel 41, lid 2, en vermeldt dat de tenuitvoerlegging van het besluit afhangt van de beschikbaarheid van kredieten voor de betrokken begrotingsjaren na de vaststelling van de begroting of als voorzien in het systeem van voorlopige twaalfden.

5.  Onverminderd specifieke bepalingen van een basishandeling, wordt voor elke belangrijke wijziging van een reeds vastgesteld financieringsbesluit dezelfde procedure gevolgd als voor het besluit zelf.

Artikel 111

Uitgaven

1.  Elke uitgave is voorwerp van een vastlegging, een betaalbaarstelling, een betalingsopdracht en een betaling.

Aan het einde van de in artikel 114 bedoelde termijnen wordt het niet-gebruikte saldo van de vastleggingen in de begroting vrijgemaakt.

Bij het uitvoeren van verrichtingen vergewist de bevoegde ordonnateur zich ervan dat de uitgaven in overeenstemming zijn met de bepalingen van de Verdragen, de begroting, deze verordening en andere handelingen die zijn vastgesteld uit hoofde van de Verdragen, alsmede met het beginsel van goed financieel beheer.

2.  De vastleggingen in de begroting en de juridische verbintenissen worden door dezelfde ordonnateur gedaan respectievelijk aangegaan, behoudens in naar behoren gemotiveerde gevallen. Met name op het gebied van crisisbeheersingssteun en humanitaire hulp kunnen juridische verbintenissen worden aangegaan door de hoofden van de delegaties van de Unie of, in hun afwezigheid, door de adjunct-hoofden, in opdracht van de bevoegde ordonnateur van de Commissie, die echter volledig verantwoordelijk blijft voor de onderliggende verrichting. Het personeel van de Commissie dat actief is op het gebied van crisisbeheersingssteun en humanitaire hulp kan juridische verbintenissen tekenen in verband met verrichte betalingen uit gelden ter goede rekening voor een bedrag van niet meer dan 2 500  EUR.

De bevoegde ordonnateur verricht een vastlegging in de begroting alvorens een juridische verbintenis met derden te sluiten of middelen over te schrijven naar een trustfonds van de Unie als bedoeld in artikel 234.

De tweede alinea van dit lid is niet van toepassing op:

a) juridische verbintenissen die worden aangegaan nadat in het kader van een bedrijfscontinuïteitsplan een crisissituatie is uitgeroepen, overeenkomstig de procedures die door de Commissie of enige andere instelling van de Unie zijn vastgesteld uit hoofde van haar administratieve autonomie;

b) operaties op het gebied van humanitaire hulp, civiele bescherming en crisisbeheersingssteun, wanneer het voor een efficiënte interventie van de Unie vereist is onmiddellijk een juridische verbintenis met derden te sluiten en wanneer het niet mogelijk is eerder de individuele vastlegging in de begroting te verrichten.

In de gevallen bedoeld in de derde alinea, onder b), wordt de begroting onverwijld na het aangaan van een juridische verbintenis met derden vastgelegd.

3.  De bevoegde ordonnateur stelt een uitgave betaalbaar door te aanvaarden dat deze ten laste van de begroting wordt gebracht, na de bewijsstukken te hebben gecontroleerd waaruit de rechten van de crediteur blijken overeenkomstig de voorwaarden in de juridische verbintenis, wanneer deze bestaat. Daartoe doet de ordonnateur het volgende:

a) het bestaan van de rechten van de crediteur verifiëren;

b) het bestaan of het bedrag van de schuldvordering vaststellen of verifiëren door middel van de vermelding „voor conform”;

c) de opeisbaarheid van de schuldvordering verifiëren.

Niettegenstaande de eerste alinea is de betaalbaarstelling van uitgaven ook van toepassing op tussentijdse en eindverslagen die geen verband houden met een betalingsverzoek in welk geval de gevolgen voor het boekhoudsysteem zijn beperkt tot de algemene boekhouding.

4.  Het besluit tot betaalbaarstelling wordt uitgedrukt door middel van een elektronisch beveiligde handtekening overeenkomstig artikel 146 door de bevoegde ordonnateur, of door een personeelslid dat technisch bevoegd en naar behoren gemachtigd is door een formeel besluit van de bevoegde ordonnateur, of, bij wijze van uitzondering, op papier in de vorm van een stempel met daarin die handtekening.

Met de vermelding „voor conform verklaard” door de bevoegde ordonnateur of een technisch bevoegd personeelslid dat door de bevoegde ordonnateur naar behoren is gemachtigd, verklaart de bevoegde ordonnateur:

a) voor voorfinanciering: dat aan de in de juridische verbintenis gestelde voorwaarden voor de betaling van de voorfinanciering is voldaan;

b) voor tussentijdse betalingen en saldobetalingen bij overeenkomsten: dat de diensten waarin de overeenkomst voorziet, naar behoren zijn verstrekt, de goederen naar behoren zijn geleverd of dat het werk naar behoren is uitgevoerd;

c) voor tussentijdse en saldobetalingen bij subsidies: dat de actie of het door de begunstigde uitgevoerde werkprogramma op alle punten in overeenstemming is met de subsidieovereenkomst, en dat, in voorkomend geval, de door de begunstigde gedeclareerde kosten subsidiabel zijn.

In het geval bedoeld in de tweede alinea, onder c), worden kostenramingen niet geacht te voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden van artikel 186, lid 3. Hetzelfde beginsel is ook van toepassing op de tussentijdse en eindverslagen die geen verband houden met een verzoek om betaling.

5.  Om opdracht te geven tot de betaling draagt de bevoegde ordonnateur, nadat hij heeft geverifieerd of de kredieten beschikbaar zijn, de rekenplichtige door middel van een betalingsopdracht op het bedrag van de betaalbaar gestelde uitgaven te betalen.

Wanneer periodieke betalingen worden gedaan met betrekking tot verleende diensten, inclusief verhuurdiensten, of geleverde goederen kan de ordonnateur, afhankelijk van de risicoanalyse die hij maakt, opdracht geven tot de uitvoering van automatische incasso’s uit gelden ter goede rekening. De uitvoering van automatische incasso’s kan ook opgedragen indien dat specifiek is toegestaan door de ordonnateur overeenkomstig artikel 86, lid 3.

Artikel 112

Soorten vastleggingen in de begroting

1.  Vastleggingen in de begroting vallen onder een van de volgende categorieën:

a) individueel: wanneer de ontvanger en het bedrag van de uitgave bepaald zijn;

b) globaal: wanneer ten minste een van de elementen die nodig zijn voor de identificatie van de individuele vastlegging, niet is bepaald;

c) voorlopig: voor de uitgaven van dagelijks beheer van het ELGF als bedoeld in artikel 11, lid 2, en de lopende uitgaven van administratieve aard waarvan hetzij het bedrag, hetzij de eindbegunstigden niet definitief zijn bepaald.

Niettegenstaande de eerste alinea, onder c), kunnen lopende uitgaven van administratieve aard van delegaties van de Unie en vertegenwoordigingen van de Unie kunnen ook door voorlopige vastleggingen in de begroting worden gedekt wanneer het bedrag en de eindbegunstigde wel bepaald zijn.

2.  Vastleggingen in de begroting voor acties waarvan de tenuitvoerlegging zich over meer dan een begrotingsjaar uitstrekt, mogen slechts in jaartranches worden verdeeld wanneer de basishandeling daarin voorziet, of wanneer zij betrekking hebben op administratieve uitgaven.

3.  De globale vastlegging in de begroting wordt verricht op grond van een financieringsbesluit.

Deze globale vastlegging in de begroting geschiedt uiterlijk vóór het besluit inzake de ontvangers en de bedragen en, wanneer de besteding van de betrokken kredieten een werkprogramma vereist, ten vroegste na de goedkeuring van dat programma.

4.  Een globale vastlegging in de begroting wordt uitgevoerd ofwel door het sluiten van een financieringsovereenkomst waarin is bepaald dat later een of verscheidene juridische verbintenissen worden aangegaan, ofwel door het aangaan van een of verscheidene juridische verbintenissen.

De financieringsovereenkomsten op het gebied van rechtstreekse financiële bijstand aan derde landen, met inbegrip van begrotingssteun, die juridische verbintenissen vormen, kunnen aanleiding geven tot betalingen zonder het aangaan van andere juridische verbintenissen.

Lid 3, tweede alinea, is niet van toepassing in het geval waarin de globale vastlegging in de begroting wordt uitgevoerd door de sluiting van een financieringsovereenkomst.

5.  Elke individuele juridische verbintenis die is aangegaan ingevolge een globale vastlegging in de begroting wordt, vóór ondertekening, door de bevoegde ordonnateur in de centrale begrotingsboekhouding ingeschreven ten laste van de globale vastlegging in de begroting.

6.  Voorlopige vastleggingen in de begroting worden uitgevoerd door het aangaan van een of meer juridische verbintenissen die recht geven op latere betalingen. In gevallen die verband houden met de uitgaven voor personeelsbeheer, uitgaven voor leden of voormalige leden van een instelling van de Unie of de uitgaven voor communicatie van de instellingen over evenementen van de Unie of in de in punt 14.5 van bijlage I bedoelde gevallen, mogen deze vastleggingen rechtstreeks zonder aangaan van eerdere juridische verbintenissen door betalingen worden uitgevoerd.

Artikel 113

Vastleggingen voor ELGF-kredieten

1.  Voor elk begrotingsjaar omvatten de ELGF-kredieten niet-gesplitste kredieten voor uitgaven betreffende maatregelen bedoeld in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013. De uitgaven voor de in artikel 4, lid 2, en artikel 6 van die verordening bedoelde maatregelen, met uitzondering van uit niet-operationele technische bijstand gefinancierde maatregelen en bijdragen aan uitvoerende agentschappen, worden door gesplitste kredieten gedekt.

2.  De besluiten van de Commissie houdende vaststelling van het bedrag van de terugbetaling van door de lidstaten gedane uitgaven in verband met het ELGF vormen globale voorlopige vastleggingen in de begroting, waarbij het totaalbedrag van de ELGF-kredieten in de begroting niet wordt overschreden.

3.  De globale voorlopige vastleggingen in de begroting voor het ELGF uit hoofde van een begrotingsjaar die vóór 1 februari van het volgende begrotingsjaar niet hebben geleid tot een vastlegging in specifieke begrotingsonderdelen, worden uit hoofde van het betrokken begrotingsjaar vrijgemaakt.

4.  De uitgaven die door de in de regelgeving inzake het ELGF bedoelde diensten en organen worden verricht, worden binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van de door de lidstaten toegezonden staten per hoofdstuk, artikel en post vastgelegd. Deze vastleggingen mogen na het verstrijken van deze termijn van twee maanden worden verricht wanneer een procedure voor de overschrijving van kredieten met betrekking tot de betrokken begrotingsonderdelen nodig is. Behalve in gevallen waarin de betaling door de lidstaten nog niet is geschied of de subsidiabiliteit onzeker is, worden de betalingen binnen dezelfde termijn van twee maanden geboekt.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde vastleggingen worden in mindering gebracht op de in lid 1 bedoelde globale voorlopige vastlegging in de begroting.

5.  De leden 2 en 3 zijn van toepassing onder voorbehoud van het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen.

Artikel 114

Termijnen voor vastleggingen

1.  Onverminderd het bepaalde in artikel 111, lid 2, en artikel 264, lid 3, worden de juridische verbintenissen betreffende individuele of voorlopige vastleggingen in de begroting uiterlijk tot 31 december van het jaar n aangegaan, n zijnde het jaar waarin de vastlegging in de begroting werd gedaan.

2.  De globale vastleggingen in de begroting hebben betrekking op de totale kosten van de betrokken juridische verbintenissen aangegaan tot 31 december van het jaar n + 1.

Wanneer de globale vastlegging in de begroting leidt tot de toekenning van een prijs als bedoeld in titel IX, wordt de in artikel 207, lid 4, bedoelde juridische verbintenis uiterlijk op 31 december van het jaar n + 3 aangegaan.

Wanneer de globale vastlegging in de begroting op het gebied van extern optreden leidt tot een financieringsovereenkomst met een derde land, worden de financieringsovereenkomsten uiterlijk op 31 december van het jaar n + 1 gesloten. In dat geval dekt de globale vastlegging in de begroting de totale kosten van juridische verbintenissen ter uitvoering van de financieringsovereenkomst aangegaan binnen een periode van drie jaar na de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst.

In de volgende gevallen dekt de globale vastlegging in de begroting evenwel de totale kosten van juridische verbintenissen aangegaan tot het einde van de periode van uitvoering van de financieringsovereenkomst:

a) multidonoracties;

b) blendingverrichtingen;

c) juridische verbintenissen die betrekking hebben op audit en evaluatie;

d) de volgende uitzonderlijke omstandigheden:

i) wijzigingen aan reeds aangegane juridische verbintenissen;

ii) juridische verbintenissen die moeten worden aangegaan na de vervroegde beëindiging van een bestaande juridische verbintenis;

iii) wijzigingen in de uitvoerende entiteit.

3.  Lid 2, derde en vierde alinea, is niet van toepassing op de voor meerjarenprogramma’s die uit gesplitste vastleggingskredieten worden uitgevoerd:

a) het instrument voor pretoetredingssteun dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad ( 10 );

b) het Europees nabuurschapsinstrument dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad ( 11 ).

In de in de eerste alinea bedoelde gevallen worden de kredieten automatisch door de Commissie vrijgemaakt overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving.

4.  Voor individuele en voorlopige vastleggingen in de begroting voor acties waarvan de tenuitvoerlegging zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, behalve wanneer het personeelskosten betreft, geldt een uiterste uitvoeringsdatum overeenkomstig de voorwaarden in de juridische verbintenissen waarop ze betrekking hebben en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer.

5.  De delen van vastleggingen in de begroting die zes maanden na de uiterste uitvoeringsdatum niet door betalingen zijn uitgevoerd, worden vrijgemaakt.

6.  Het bedrag van een vastlegging in de begroting waarvoor binnen twee jaar, te rekenen vanaf het aangaan van de juridische verbintenis, geen enkele betaling in de zin van artikel 115 is verricht, wordt vrijgemaakt tenzij dat bedrag een zaak betreft waarvoor een procedure loopt bij het gerecht of een arbitrage-instantie, indien de juridische verbintenis een financieringsovereenkomst met een derde land is of indien specifieke bepalingen zijn vastgelegd in de sectorspecifieke regelgeving.

Artikel 115

Soorten betalingen

1.  De betalingen worden door de rekenplichtige verricht binnen de grenzen van de beschikbare middelen.

2.  Een betaling wordt slechts uitgevoerd indien is aangetoond dat de actie in overeenstemming is met de overeenkomst of de basishandeling en betrekking heeft op een of meer van de volgende verrichtingen:

a) betaling van het volledige verschuldigde bedrag;

b) betaling van het verschuldigde bedrag op een van de volgende wijzen:

i) voorfinanciering ter verstrekking van kasmiddelen die kunnen worden verdeeld in verschillende stortingen overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer; dat voorfinancieringsbedrag wordt uitbetaald op grond van hetzij de overeenkomst of de basishandeling, hetzij op grond van bewijsstukken aan de hand waarvan kan worden getoetst of aan de voorwaarden van de betrokken overeenkomst is voldaan;

ii) een of meer tussentijdse betalingen als tegenprestatie voor de gedeeltelijke uitvoering van de actie of de overeenkomst, die de voorfinanciering geheel of gedeeltelijk kan vereffenen, onverminderd de basishandeling;

iii) een betaling van het saldo van de verschuldigde bedragen wanneer de actie of de overeenkomst volledig is uitgevoerd;

c) betaling van een voorziening in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds dat is ingesteld op grond van artikel 212.

De betaling van het saldo vereffent alle voorgaande uitgaven. Er wordt een invorderingsopdracht afgegeven om ongebruikte bedragen terug te vorderen.

3.  In de begrotingsboekhouding wordt een onderscheid gemaakt tussen de in lid 2 genoemde soorten betalingen op het ogenblik waarop iedere betaling wordt verricht.

4.  De in artikel 80 bedoelde boekhoudregels omvatten regels voor de vereffening van voorfinanciering in de boekhouding en voor de erkenning van de subsidiabiliteit van kosten.

5.  De voorfinancieringsbetalingen worden door de bevoegde ordonnateur regelmatig vereffend, overeenkomstig de economische aard van het project en uiterlijk aan het einde van het project. De vereffening gebeurt op basis van informatie over de gemaakte kosten of de bevestiging dat aan de voorwaarden voor betaling is voldaan overeenkomstig artikel 125, als gevalideerd door de ordonnateur overeenkomstig artikel 111, lid 3.

Voor subsidieovereenkomsten, overeenkomsten of bijdrageovereenkomsten boven 5 000 000  EUR ontvangt de ordonnateur aan het einde van elk jaar ten minste de informatie die nodig is voor de berekening van een redelijke raming van deze kosten. Die informatie mag niet worden gebruikt voor de vereffening van de voorfinanciering, maar kan door de ordonnateur en de rekenplichtige worden gebruikt om te voldoen aan artikel 82, lid 2.

Voor de toepassing van de tweede alinea worden de nodige bepalingen opgenomen in de aangegane juridische verbintenissen.

Artikel 116

Betalingstermijnen

1.  Betalingen worden verricht binnen:

a) 90 kalenderdagen voor bijdrageovereenkomsten, overeenkomsten en subsidieovereenkomsten waarvan de geleverde technische prestaties of acties bijzonder moeilijk te evalueren zijn en waarvan de betaling afhankelijk wordt gesteld van de goedkeuring van een verslag of certificaat;

b) 60 kalenderdagen voor alle andere bijdrageovereenkomsten, overeenkomsten en subsidieovereenkomsten waarvan de betaling afhankelijk wordt gesteld van de goedkeuring van een verslag of certificaat;

c) 30 kalenderdagen voor alle andere bijdrageovereenkomsten, overeenkomsten en subsidieovereenkomsten.

2.  De betalingstermijn omvat de betaalbaarstelling, de betalingsopdracht en de betaling van de uitgaven.

De termijn gaat in op het tijdstip van ontvangst van het betalingsverzoek.

3.  Ontvangen verzoeken om betaling worden door de gemachtigde dienst van de bevoegde ordonnateur zo spoedig mogelijk ingeschreven en worden geacht te zijn ontvangen op de datum van inschrijving.

Onder datum van betaling wordt verstaan de datum waarop de rekening van de instelling van de Unie wordt gedebiteerd.

Verzoeken om betaling bevatten de volgende essentiële elementen:

a) de identificatie van de crediteur;

b) het bedrag;

c) de valuta;

d) de datum.

Wanneer één of meer van de essentiële elementen ontbreken, wordt het betalingsverzoek afgewezen.

De crediteur wordt zo spoedig mogelijk met opgave van redenen schriftelijk in kennis gesteld van een afwijzing, in elk geval binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van het verzoek om betaling.

4.  De bevoegde ordonnateur kan de betalingstermijn opschorten wanneer:

a) het bedrag niet verschuldigd is, of

b) de vereiste bewijsstukken niet zijn overgelegd.

Wanneer de bevoegde ordonnateur kennis neemt van informatie op grond waarvan de subsidiabiliteit van in een betalingsverzoek opgenomen uitgaven kan worden betwijfeld, kan hij de betalingstermijn opschorten, zodat geverifieerd kan worden, onder andere door middel van controles ter plaatse, dat de uitgaven subsidiabel zijn. De resterende betalingstermijn gaat in op de datum waarop de gevraagde inlichtingen of de herziene documenten zijn ontvangen, of waarop de vereiste aanvullende verificaties, waaronder controles ter plaatse, zijn verricht.

De betreffende crediteuren worden schriftelijk in kennis gesteld van de redenen voor een opschorting.

5.  Behalve in het geval van lidstaten, het EIB en het EIF heeft de crediteur bij het verstrijken van de in lid 1 vastgelegde termijnen onder de volgende voorwaarden recht op rente:

a) als rentevoeten worden de in artikel 99, lid 2, bedoelde percentages gehanteerd;

b) de rente is verschuldigd over de tijd die is verstreken vanaf de kalenderdag volgende op het verstrijken van de in lid 1 genoemde betalingstermijn tot de dag van betaling.

In het geval dat de overeenkomstig de eerste alinea berekende rente evenwel lager dan of gelijk is aan 200 EUR, wordt deze rente uitsluitend op een binnen twee maanden na de ontvangst van de te late betaling ingediend verzoek aan de crediteur betaald.

6.  Elke instelling van de Unie dient bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de naleving en de opschorting van de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel vastgestelde termijnen. Het verslag van de Commissie wordt gevoegd bij de in artikel 74, lid 9, bedoelde samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen.



HOOFDSTUK 8

Intern controleur

Artikel 117

Aanwijzing van een intern controleur

1.  Iedere instelling van de Unie stelt een interneauditfunctie in, die moet worden uitgeoefend met inachtneming van de ter zake doende internationale normen. De door de betrokken instelling van de Unie aangewezen intern controleur is haar verantwoording schuldig voor de verificatie van de goede werking van de systemen en de procedures voor de uitvoering van de begroting. De intern controleur is noch ordonnateur noch rekenplichtige.

2.  Met het oog op de interne audit van de EDEO worden de hoofden van de delegaties van de Unie die overeenkomstig artikel 60, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, onderworpen aan de controlebevoegdheden van de intern controleur van de Commissie voor het aan hen gesubdelegeerde financieel beheer.

De intern controleur van de Commissie treedt voor de uitvoering van de begrotingsafdeling betreffende de EDEO ook op als intern controleur van de EDEO.

3.  Elke instelling van de Unie stelt haar intern controleur aan volgens bepalingen die op haar specifieke karakter en behoeften zijn afgestemd. Elke instelling van de Unie stelt het Europees Parlement en de Raad van de aanstelling van haar intern controleur in kennis.

4.  Elke instelling van de Unie omschrijft aan de hand van haar specifieke karakter en behoeften de taak van haar intern controleur en stelt in detail de doelstellingen en de procedures van de uitoefening van de interneauditfunctie vast, met inachtneming van de geldende internationale normen op het gebied van interne audit.

5.  Elke instelling van de Unie kan een uit de onderdanen van de lidstaten geselecteerde ambtenaar of ander aan het Statuut onderworpen personeelslid op grond van zijn bijzondere bekwaamheden als intern controleur aanwijzen.

6.  Wanneer verscheidene instellingen van de Unie dezelfde intern controleur aanwijzen, nemen zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de intern controleur aansprakelijk gesteld kan worden voor zijn of haar handelen als bepaald in artikel 121.

7.  Wanneer de functie van de intern controleur wordt beëindigd, stelt elke instelling van de Unie het Europees Parlement en de Raad hiervan in kennis.

Artikel 118

Bevoegdheden en taken van de intern controleur

1.  De intern controleur adviseert zijn instelling van de Unie bij het beheersen van de risico’s door onafhankelijke adviezen uit te brengen over de kwaliteit van de beheer- en controlesystemen en aanbevelingen te formuleren ter verbetering van de uitvoeringsvoorwaarden van de verrichtingen en ter bevordering van een goed financieel beheer.

De intern controleur is met name belast met:

a) het beoordelen van de toereikendheid en doeltreffendheid van de internebeheersystemen, alsmede de prestaties van de diensten bij de uitvoering van de beleidsmaatregelen, programma’s en acties in relatie met de ermee verbonden risico’s;

b) het beoordelen van de efficiëntie en de doeltreffendheid van de systemen voor interne controle en audit die worden toegepast op elke verrichting tot uitvoering van de begroting.

2.  De werkzaamheden van de intern controleur strekken zich uit tot alle activiteiten en diensten van de betrokken instelling van de Unie. Hij heeft volledige en onbeperkte toegang tot alle informatie die hij voor de uitvoering van zijn taken nodig heeft, zo nodig ook toegang ter plaatse, ook in de lidstaten en in derde landen.

De intern controleur neemt kennis van het jaarlijks activiteitenverslag van de ordonnateurs en van de andere geïdentificeerde informatie.

3.  De intern controleur brengt aan de betrokken instelling van de Unie verslag uit over zijn bevindingen en aanbevelingen. De betrokken instelling van de Unie zorgt ervoor dat de uit de audits voortvloeiende aanbevelingen worden opgevolgd.

Elke instelling van de Unie gaat na of de in de verslagen van haar intern controleur gedane aanbevelingen in aanmerking komen voor een uitwisseling van goede werkwijzen met de andere instellingen van de Unie.

4.  De intern controleur dient jaarlijks een interneauditverslag in bij de betrokken instelling van de Unie waarin het aantal en de soorten uitgevoerde interne audits, de belangrijkste gedane aanbevelingen en het gevolg dat aan die aanbevelingen is gegeven, worden vermeld.

In dit jaarlijkse interneauditverslag wordt melding gemaakt van de systeemproblemen waarop de overeenkomstig artikel 143 opgerichte instantie heeft gewezen, wanneer deze het in artikel 93 bedoelde advies verstrekt.

5.  De intern controleur besteedt bij het opstellen van het verslag bijzondere aandacht aan de algemene naleving van de beginselen goed financieel beheer en prestaties, en zorgt ervoor dat passende maatregelen voorhanden zijn met het oog op een gestage verbetering en versterking van de toepassing van deze beginselen.

6.  Elk jaar legt de Commissie in het kader van de kwijtingsprocedure en overeenkomstig artikel 319 VWEU desgevraagd haar jaarlijks interneauditverslag voor met inachtneming van vertrouwelijkheidsvereisten.

7.  Elke instelling van de Unie stelt de contactgegevens van haar intern controleur beschikbaar aan elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij uitgavenverrichtingen, zodat er vertrouwelijk contact kan worden opgenomen met de intern controleur.

8.  Elke instelling van de Unie stelt ieder jaar een verslag op met een samenvatting van het aantal en de soorten uitgevoerde interne audits, een synthese van de gedane aanbevelingen en het gevolg dat aan die aanbevelingen is gegeven, en zendt dit verslag toe aan het Europees Parlement en de Raad als bepaald in artikel 247.

9.  De verslagen en de bevindingen van de intern controleur evenals het verslag van de betrokken instelling van de Unie zijn slechts voor het publiek toegankelijk nadat de intern controleur de maatregelen voor uitvoering ervan heeft gevalideerd.

10.  Elke instelling van de Unie stelt haar intern controleur de middelen ter beschikking die ter vervulling van de interneauditfunctie nodig zijn, en geeft hem een dienstorder met een nauwkeurige omschrijving van de taken, rechten en verplichtingen van haar intern controleur.

Artikel 119

Werkprogramma van de intern controleur

1.  De intern controleur stelt het werkprogramma op en legt dit aan de betrokken instelling van de Unie voor.

2.  Elke instelling van de Unie kan haar intern controleur verzoeken audits uit te voeren die niet in het in lid 1 bedoelde werkprogramma zijn opgenomen.

Artikel 120

Onafhankelijkheid van de intern controleur

1.  De intern controleur is bij het uitvoeren van de audits geheel onafhankelijk. Voor de intern controleur wordt door de betrokken instelling van de Unie een bijzondere regeling bepaald om de volledige onafhankelijkheid in de uitvoering van zijn taken te garanderen en zijn verantwoordelijkheid vast te stellen.

2.  De intern controleur ontvangt met betrekking tot de uitoefening van de hem of haar wegens zijn aanstelling op grond van deze verordening opgedragen taken geen enkele instructie, noch worden hem of haar in dat verband beperkingen opgelegd.

3.  Wanneer de intern controleur een personeelslid is, oefent hij zijn exclusieve auditfuncties in volledige onafhankelijkheid uit en is hij verantwoordelijk onder de in het Statuut vastgestelde voorwaarden.

Artikel 121

Aansprakelijkheid van de intern controleur

De aansprakelijkheid van haar intern controleur als personeelslid kan slechts door elke instelling van de Unie zelf in het geding worden gebracht, onder de in dit artikel genoemde voorwaarden.

Elke instelling van de Unie neemt een met redenen omkleed besluit tot instelling van een onderzoek. Dit besluit wordt aan de betrokkene betekend. De betrokken instelling van de Unie kan één of meer ambtenaren van dezelfde rang als of van een hogere rang dan de betrokkene onder haar rechtstreekse verantwoordelijkheid met het onderzoek belasten. Tijdens dit onderzoek wordt de betrokkene gehoord.

Het onderzoeksverslag wordt meegedeeld aan de betrokkene, die vervolgens door de betrokken instelling van de Unie over dit verslag wordt gehoord.

Op de grondslag van het verslag en het horen van de betrokkene neemt de betrokken instelling van de Unie hetzij een met redenen omkleed besluit tot beëindiging van de procedure, hetzij een met redenen omkleed besluit overeenkomstig de artikelen 22 en 86 van en bijlage IX bij het Statuut. De besluiten waarbij tuchtrechtelijke of geldelijke sancties worden opgelegd, worden de betrokkene ter kennis gebracht en de andere instellingen van de Unie en de Rekenkamer ter kennisneming meegedeeld.

De betrokkene kan volgens de bepalingen van het Statuut bij het Hof van Justitie van de Europese Unie tegen deze besluiten beroep instellen.

Artikel 122

Beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie

Onverminderd de beroepsmogelijkheden waarin het Statuut voorziet, kan de intern controleur rechtstreeks bij het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep instellen tegen elke handeling die de uitoefening van zijn of haar controlefunctie betreft. Hij of zij stelt zulk beroep in binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop hij of zij van de betrokken handeling kennis kreeg.

Het beroep wordt overeenkomstig artikel 91, lid 5, van het Statuut behandeld.

Artikel 123

Comités follow-up interne audit

1.  Elke instelling van de Unie stelt een comité follow-up interne audit in dat tot taak heeft de onafhankelijkheid van de intern controleur te waarborgen, de kwaliteit van de interneauditwerkzaamheden te bewaken en ervoor te zorgen dat interne en externe auditaanbevelingen naar behoren in aanmerking worden genomen en dat haar diensten er gevolg aan geven.

2.  Elke instelling van de Unie neemt een besluit over de samenstelling van het comité follow-up interne audit, rekening houdend met haar organisatorische autonomie en het belang van advies van onafhankelijke deskundigen.



TITEL V

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS



HOOFDSTUK 1

Regels betreffende direct, indirect en gedeeld beheer

Artikel 124

Toepassingsgebied

Met uitzondering van artikel 138 gelden verwijzingen in deze titel naar juridische verbintenissen als verwijzingen naar juridische verbintenissen, raamovereenkomsten en overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap.

Artikel 125

Vormen van bijdragen van de Unie

1.  De bijdragen van de Unie in direct, gedeeld en indirect beheer helpen een beleidsdoelstelling van de Unie en gespecificeerde resultaten te verwezenlijken en kunnen elk van de volgende vormen aannemen:

a) financiering die niet gekoppeld is aan de kosten van de desbetreffende verrichtingen op basis van:

i) de vervulling van voorwaarden in sectorspecifieke regelgeving of besluiten van de Commissie, hetzij

ii) het bereiken van resultaten gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde mijlpalen of door middel van prestatie-indicatoren;

b) vergoeding van subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt;

c) eenheidskosten die alle of bepaalde van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekken op basis van een vast bedrag per eenheid;

d) vaste bedragen die alle of bepaalde van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekken;

e) financiering volgens een vast percentage die, door toepassing van een percentage, van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekt;

f) een combinatie van de onder a) tot en met e) genoemde vormen.

De in de eerste alinea van dit lid, onder a) bedoelde bijdragen van de Unie worden, in geval van direct en indirect beheer, vastgesteld overeenkomstig artikel 181, sectorspecifieke regelgeving of een besluit van de Commissie, en, in geval van gedeeld beheer, overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving. De in de eerste alinea van dit lid, onder c), d) en e), bedoelde bijdragen van de Unie worden, in geval van direct en indirect beheer, vastgesteld overeenkomstig artikel 181 of sectorspecifieke regelgeving en, in geval van gedeeld beheer, overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving.

2.  Bij de vaststelling van de passende vorm van een bijdrage wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de belangen en boekhoudmethoden van de potentiële ontvangers.

3.  De bevoegde ordonnateur brengt in het jaarlijks activiteitenverslag als bedoeld in artikel 74, lid 9, verslag uit over financiering die niet gekoppeld is aan kosten als vermeld in lid 1, eerste alinea, onder a) en f), van dit artikel.

Artikel 126

Wederzijds vertrouwen in beoordelingen

De Commissie mag volledig of gedeeltelijk vertrouwen op eigen beoordelingen of op beoordelingen van andere entiteiten, met inbegrip van donoren, voor zover dergelijke beoordelingen zijn verricht over de naleving van voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden in deze verordening voor de specifieke wijze van uitvoering. Daartoe bevordert de Commissie de erkenning van internationaal aanvaarde normen of internationale beste praktijken.

Artikel 127

Wederzijds vertrouwen in audits

Indien de financiële staten en verslagen over het gebruik van een bijdrage van de Unie ter verkrijging van redelijke zekerheid op basis van internationaal aanvaarde auditnormen door een onafhankelijk controleur aan een audit zijn onderworpen, vormt deze audit, onverminderd bestaande mogelijkheden voor het verrichten van verdere audits, de basis van de algemene zekerheid, zoals, in voorkomend geval, nader bepaald in sectorspecifieke voorschriften, op voorwaarde dat de onafhankelijkheid en de bekwaamheid van de controleur voldoende zijn aangetoond. Daartoe worden het verslag van de onafhankelijk controleur en de daarmee verband houdende auditdocumentatie op verzoek ter beschikking gesteld van het Europees Parlement, de Commissie, de Rekenkamer en de auditautoriteiten van de lidstaten.

Artikel 128

Gebruik van reeds beschikbare informatie

Om te voorkomen dat personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, meer dan eens om dezelfde informatie wordt gevraagd, gebruiken de instellingen van de Unie, de beheerautoriteiten of andere organen en entiteiten die middelen uitvoeren, voor zover mogelijk de informatie waarover zij reeds beschikken.

Artikel 129

Samenwerking ter bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.  Een persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, werkt ten volle mee aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie en verleent, als voorwaarde voor het ontvangen van deze middelen, de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, aan EOM ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939, aan OLAF, aan de Rekenkamer en, in voorkomend geval, aan de bevoegde nationale autoriteiten, zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 12 ).

2.  Een persoon of entiteit die middelen van de Unie in direct en indirect beheer ontvangt, verbindt zich er schriftelijk toe de nodige in lid 1 bedoelde rechten te verlenen en zorgt ervoor dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.



HOOFDSTUK 2

Regels betreffende direct en indirect beheer



Afdeling 1

regels betreffende procedures en beheer

Artikel 130

Financiële kaderpartnerschappen

1.  De Commissie kan overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap sluiten voor een langdurige samenwerking met personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), of met begunstigden. Onverminderd lid 4, onder c), van dit artikel worden overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap in de loop van elk meerjarig financieel kader ten minste één keer geëvalueerd. In het kader van dergelijke overeenkomsten kunnen bijdrage- of subsidieovereenkomsten worden ondertekend.

2.  Het doel van een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap is om bij te dragen tot het behalen van beleidsdoelstellingen van de Unie door de contractuele voorwaarden van de samenwerking vast te leggen. De overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap vermeldt de vormen van financiële samenwerking en bevat een verplichting om in de specifieke overeenkomsten die onder de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap worden gesloten, monitoringregelingen op te nemen met betrekking tot het behalen van specifieke doelstellingen. In die overeenkomsten wordt, op basis van de uitkomsten van een beoordeling vooraf, ook vermeld of de Commissie mag vertrouwen op de systemen en procedures van de personen of entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), of van begunstigden, met inbegrip van auditprocedures.

3.  Met het oog op het optimaliseren van de kosten en baten van audits en het faciliteren van de coördinatie kunnen audit- of verificatie-overeenkomsten worden gesloten met personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), of met begunstigden. Dergelijke overeenkomsten laten het bepaalde in de artikelen 127 en 129 onverlet.

4.  In het geval van financiële kaderpartnerschappen die worden uitgevoerd door middel van specifieke subsidies, geldt het volgende:

a) de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap specificeert, naast de in lid 2 genoemde informatie, de volgende elementen:

i) de aard van de geplande acties of werkprogramma’s;

ii) de procedure voor toekenning van specifieke subsidies, met inachtneming van de procedurele beginselen en voorschriften van titel VIII;

b) de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap en de specifieke subsidieovereenkomst als geheel genomen voldoen aan de vereisten van artikel 201;

c) de duur van het financieel kaderpartnerschap mag niet langer zijn dan vier jaar, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, die duidelijk vermeld worden in het in artikel 74, lid 9, bedoelde jaarlijks activiteitenverslag;

d) het financieel kaderpartnerschap wordt uitgevoerd in overeenstemming met de beginselen van transparantie en gelijke behandeling van de aanvragers;

e) het financieel kaderpartnerschap wordt gelijkgesteld met een subsidie wat betreft programmering, bekendmaking vooraf en toekenning;

f) specifieke subsidies op basis van het financieel kaderpartnerschap zijn onderworpen aan de procedures inzake de bekendmaking achteraf als bepaald in artikel 38.

5.  Een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap die door middel van specifieke subsidies wordt uitgevoerd, kan erin voorzien dat mag worden vertrouwd op de systemen en procedures van de begunstigde overeenkomstig lid 2 van dit artikel, wanneer die systemen en procedures zijn beoordeeld overeenkomstig artikel 154, leden 2, 3 en 4. In dat geval is artikel 196, lid 1, onder d), niet van toepassing. Wanneer de procedures van de begunstigde voor het verstrekken van financiering aan derden als bedoeld in artikel 154, lid 4, eerste alinea, onder d), door de Commissie positief zijn beoordeeld, zijn de artikelen 204 en 205 niet van toepassing.

6.  In het geval van een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap die door middel van specifieke subsidies wordt uitgevoerd, geschiedt de in artikel 198 bedoelde verificatie van de financiële en operationele capaciteiten vóór de ondertekening van de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap. De Commissie mag vertrouwen op een gelijkwaardige verificatie van de financiële en operationele capaciteiten door andere donoren.

7.  In het geval van financiële kaderpartnerschappen die worden uitgevoerd door middel van bijdrageovereenkomsten voldoen de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap en de bijdrageovereenkomst als geheel genomen aan artikel 129 en artikel 155, lid 6.

Artikel 131

Schorsing, beëindiging en verlaging

1.  Wanneer een toekenningsprocedure met onregelmatigheden of fraude gepaard is gegaan, schorst de bevoegde ordonnateur de procedure en kan hij alle nodige maatregelen nemen, waaronder annulering van de procedure. De bevoegde ordonnateur stelt OLAF onmiddellijk in kennis van vermoedelijke fraudegevallen.

2.  Indien na de toekenning blijkt dat de toekenningsprocedure gepaard is gegaan met onregelmatigheden of fraude, kan de bevoegde ordonnateur:

a) weigeren de juridische verbintenis aan te gaan of de toekenning van een prijs annuleren;

b) betalingen schorsen;

c) de uitvoering van de juridische verbintenis schorsen;

d) in voorkomend geval, de juridische verbintenis geheel of ten aanzien van één of meer ontvangers beëindigen.

3.  De bevoegde ordonnateur kan betalingen of de uitvoering van de juridische verbintenis schorsen indien:

a) de uitvoering van de juridische verbintenis gepaard is gegaan met onregelmatigheden, fraude of niet-nakoming van verplichtingen;

b) het noodzakelijk is te verifiëren of vermeende onregelmatigheden, fraude of niet-nakoming van verplichtingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden;

c) onregelmatigheden, fraude of niet-nakoming van verplichtingen vragen doen rijzen over de betrouwbaarheid of doeltreffendheid van de internecontrolesystemen van een persoon of entiteit die middelen van de Unie uitvoert overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste lid, onder c), of over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

Wanneer de vermeende onregelmatigheden, fraude of niet-nakoming van verplichtingen als bedoeld in de eerste alinea, onder b), niet worden bevestigd, worden de uitvoering of de betalingen zo snel mogelijk hervat.

In de in de eerste alinea, onder a) en c), bedoelde gevallen kan de bevoegde ordonnateur de juridische verbintenis geheel of ten aanzien van één of meerdere ontvangers beëindigen.

4.  Naast de in de leden 2 of 3 bedoelde maatregelen kan de bevoegde ordonnateur de subsidie, de prijs, de bijdrage in het kader van de bijdrageovereenkomst of de te betalen prijs in een overeenkomst verlagen in verhouding tot de ernst van de onregelmatigheden, fraude of niet-nakoming van verplichtingen, onder meer wanneer de betrokken activiteiten niet of slecht, gedeeltelijk of te laat zijn uitgevoerd.

In het geval van financiering als bedoeld in artikel 125, lid 1, eerste lid, eerste alinea, onder a), kan de bevoegde ordonnateur de bijdrage evenredig verlagen indien de resultaten slecht, gedeeltelijk of te laat zijn verwezenlijkt of indien niet aan de voorwaarden is voldaan.

5.  Lid 2, onder b), c) en d), en lid 3 zijn niet van toepassing op aanvragers in een wedstrijd voor prijzen.

Artikel 132

Bijhouden van gegevens

1.  Ontvangers houden gegevens en bewijsstukken, waaronder statistische gegevens en andere informatie bij met betrekking tot de financiering, alsmede gegevens en documenten in elektronische vorm, gedurende vijf jaar na de betaling van het saldo of, bij ontstentenis van een dergelijke betaling, verrichting. Deze termijn bedraagt drie jaar bij de financiering van een bedrag van ten hoogste 60 000  EUR.

2.  Gegevens en documenten met betrekking tot audits, beroepsprocedures, geschillen, claims met betrekking tot juridische verbintenissen of met betrekking tot onderzoeken van OLAF worden bijgehouden totdat deze audits, beroepsprocedures, geschillen, claims of onderzoeken zijn afgerond. Voor gegevens en documenten met betrekking tot onderzoeken door OLAF is de verplichting tot het bijhouden van toepassing zodra de ontvanger van die onderzoeken in kennis is gesteld.

3.  Gegevens en documenten worden bewaard in de vorm van originelen of gewaarmerkte kopieën van de originelen, dan wel op algemeen aanvaarde gegevensdragers, met inbegrip van elektronische versies van originele documenten of documenten waarvan uitsluitend een elektronische versie bestaat. Wanneer elektronische versies voorhanden zijn, zijn er geen originelen vereist wanneer dergelijke documenten voldoen aan de toepasselijke wettelijke vereisten om als gelijkwaardig aan de originelen en als geschikt voor auditdoeleinden te kunnen worden beschouwd.

Artikel 133

Procedure op tegenspraak en beroepsmogelijkheden

1.  Vóór het vaststellen van een maatregel met negatieve gevolgen voor de rechten van een deelnemer of een ontvanger zorgt de bevoegde ordonnateur ervoor dat de deelnemer of de ontvanger in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen kenbaar te maken.

2.  Wanneer een maatregel van een ordonnateur negatieve gevolgen heeft voor de rechten van een deelnemer of een ontvanger, vermeldt de handeling waarbij deze maatregel wordt ingesteld, de beschikbare administratieve en/of gerechtelijke beroepsmogelijkheden om deze maatregel aan te vechten.

Artikel 134

Rentesubsidies en subsidies voor garantievergoedingen

1.  Rentesubsidies en subsidies voor garantievergoedingen die in één maatregel worden gecombineerd met financieringsinstrumenten, worden verstrekt overeenkomstig titel X.

2.  Rentesubsidies of subsidies voor garantievergoedingen die niet in één maatregel worden gecombineerd met financieringsinstrumenten, kunnen worden verstrekt overeenkomstig titel VI of VIII.



Afdeling 2

systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting

Artikel 135

Bescherming van de financiële belangen van de Unie door opsporing van risico’s, uitsluiting en oplegging van financiële sancties

1.  Ter bescherming van de financiële belangen van de Unie zet de Commissie een systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting op, dat zij beheert.

Dit systeem heeft ten doel het volgende te vergemakkelijken:

a) de vroegtijdige opsporing van in lid 2 bedoelde personen of entiteiten die een risico vormen voor de financiële belangen van de Unie;

b) de uitsluiting van in lid 2 bedoelde personen of entiteiten die in een van de in artikel 136, lid 1, genoemde uitsluitingssituaties verkeren;

c) het opleggen van een financiële sanctie aan een ontvanger overeenkomstig artikel 138.

2.  Het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting is van toepassing op:

a) deelnemers en ontvangers;

b) entiteiten waarop de gegadigde of inschrijver voornemens is een beroep te doen, of subcontractanten van een contractant;

c) elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt bij de uitvoering van de begroting overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), en artikel 154, lid 4, aan de hand van informatie die is meegedeeld overeenkomstig artikel 155, lid 6;

d) elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt uit hoofde van financieringsinstrumenten die bij wijze van uitzondering worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder a);

e) deelnemers of ontvangers over wie entiteiten die de begroting overeenkomstig artikel 63 uitvoeren, informatie hebben verstrekt, zoals die conform sectorspecifieke regelgeving door de lidstaten is doorgegeven, overeenkomstig artikel 142, lid 2, onder d);

f) sponsors als bedoeld in artikel 26.

3.  Het besluit tot registratie van informatie over vroegtijdige opsporing met betrekking tot de in lid 1, tweede lid, onder a), van dit artikel bedoelde risico’s, tot uitsluiting van in lid 2 bedoelde personen of entiteiten en/of tot oplegging van een financiële sanctie aan een ontvanger, wordt genomen door de bevoegde ordonnateur. Informatie met betrekking tot dergelijke besluiten wordt opgenomen in de in artikel 142, lid 1, bedoelde databank. Indien dergelijke besluiten op basis van artikel 136, lid 4, worden genomen, omvat de informatie in de databank ook de gegevens betreffende dat lid bedoelde personen.

4.  Het besluit tot uitsluiting van in lid 2 van dit artikel bedoelde personen of entiteiten of tot oplegging van financiële sancties aan een ontvanger wordt gebaseerd op een definitieve rechterlijke beslissing of, in de in artikel 136, lid 1, bedoelde uitsluitingssituaties, op een definitief administratief besluit, of op een voorlopige juridische kwalificatie door de in artikel 143 bedoelde instantie in de in artikel 136, lid 2, bedoelde situaties met het oog op een gecentraliseerde beoordeling van die situaties. In de in artikel 141, lid 1, bedoelde gevallen wijst de bevoegde ordonnateur een deelnemer in een bepaalde toekenningsprocedure af.

Onverminderd artikel 136, lid 5, mag de bevoegde ordonnateur een besluit tot uitsluiting van een deelnemer of ontvanger en/of tot oplegging van een financiële sanctie aan een ontvanger, alsmede een besluit tot bekendmaking van de desbetreffende informatie, op basis van een in artikel 136, lid 2, bedoelde voorlopige kwalificatie alleen nemen nadat hij een aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie heeft ontvangen.

Artikel 136

Uitsluitingscriteria en besluiten inzake uitsluiting

1.  De bevoegde ordonnateur sluit een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit uit van deelname aan onder deze verordening vallende toekenningsprocedures of van selectie voor de uitvoering van middelen van de Unie wanneer die persoon of entiteit zich in één of meer van de volgende uitsluitingssituaties bevindt:

a) de persoon of entiteit is failliet, onderworpen aan insolventie- of liquidatieprocedures, zijn activa worden beheerd door een curator of een gerecht, hij een regeling met schuldeisers heeft getroffen, zijn bedrijfsactiviteiten zijn geschorst of hij in een andere vergelijkbare toestand verkeert als gevolg van een soortgelijke procedure uit hoofde van Unierecht of nationaal recht;

b) in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit zijn verplichtingen, overeenkomstig het toepasselijke recht, tot betaling van belastingen of socialezekerheidsbijdragen niet nakomt;

c) in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit een ernstige beroepsfout heeft gemaakt doordat hij/zij de toepasselijke wet- of regelgeving of de ethische normen van de beroepsgroep waartoe hij/zij behoort, heeft overtreden of doordat hij/zij onrechtmatig gedrag heeft vertoond dat zijn professionele geloofwaardigheid aantast wanneer dit gedrag blijk geeft van kwaad opzet of grove nalatigheid, waaronder met name:

i) het op frauduleuze of nalatige wijze afleggen van valse verklaringen met betrekking tot de informatie die wordt verlangd voor de verificatie van de afwezigheid van gronden voor uitsluiting of de vervulling van subsidiabiliteits- of selectiecriteria of bij de uitvoering van de juridische verbintenis;

ii) het sluiten van een overeenkomst met andere personen of entiteiten met als doel de mededinging te vervalsen;

iii) het schenden van intellectuele-eigendomsrechten;

iv) het pogen de besluitvorming van de bevoegde ordonnateur tijdens de toekenningsprocedure te beïnvloeden;

v) het pogen vertrouwelijke informatie te verkrijgen die de persoon of entiteit onrechtmatige voordelen kan opleveren in de toekenningsprocedure;

d) in een definitieve rechterlijke beslissing is vastgesteld dat de persoon of entiteit zich schuldig heeft gemaakt aan een van de volgende feiten:

i) fraude in de zin van artikel 3 van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad ( 13 ) en artikel 1 van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, vastgesteld bij akte van de Raad van 26 juli 1995 ( 14 );

ii) corruptie, als omschreven in artikel 4, lid 2, van Richtlijn (EU) 2017/1371 of actieve corruptie in de zin van artikel 3 van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, vastgesteld bij akte van de Raad van 26 mei 1997 ( 15 ), of gedragingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad ( 16 ), of corruptie als omschreven in andere toepasselijke regelgeving;

iii) gedragingen die verband houden met een criminele organisatie als bedoeld in artikel 2 van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad ( 17 );

iv) witwassen van geld of terrorismefinanciering in de zin van artikel 1, leden 3, 4 en 5, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad ( 18 );

v) terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten in de zin van respectievelijk de artikelen 1 en 3 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad ( 19 ), dan wel uitlokking van, medeplichtigheid aan of poging tot het plegen van zodanig misdrijf of strafbaar feit, als bedoeld in artikel 4 van genoemd besluit;

vi) kinderarbeid of andere strafbare feiten op het gebied van mensenhandel als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 20 );

e) de persoon of entiteit aanzienlijk is tekortgeschoten in de nakoming van belangrijke verplichtingen bij de uitvoering van een uit de begroting gefinancierde juridische verbintenis, hetgeen tot

i) de vroegtijdige beëindiging van een juridische verbintenis heeft geleid;

ii) oplegging van een schadevergoeding of andere contractuele sancties heeft geleid, of

iii) na toetsen en audits of onderzoeken door een ordonnateur, OLAF of de Rekenkamer aan het licht is gekomen;

f) in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit een onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad ( 21 ) heeft begaan;

g) in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit in een andere jurisdictie een entiteit heeft opgericht met de bedoeling om fiscale, sociale of enige andere wettelijke verplichtingen te omzeilen die in de jurisdictie waar de statutaire zetel, het hoofdbestuur of de hoofdvestiging is gevestigd.

h) in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat er een entiteit is opgericht met de bedoeling als vermeld onder g).

2.  Indien er geen definitieve rechterlijke beslissing of, indien van toepassing, geen definitief administratief besluit voorhanden is in de in lid 1, onder c), d), f), g) en h) van dit artikel bedoelde gevallen of in het in lid 1, onder e), van dit artikel bedoelde geval, sluit de bevoegde ordonnateur een in artikel 135, lid 2, genoemde persoon of entiteit uit op basis van een voorlopige juridische kwalificatie van een in die punten bedoeld gedrag, rekening houdend met vastgestelde feiten of andere bevindingen in de aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde voorlopige kwalificatie laat de beoordeling van het gedrag van de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit door de bevoegde instanties van de lidstaten op grond van het nationale recht onverlet. De bevoegde ordonnateur herziet onmiddellijk na de kennisgeving van een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit zijn of haar besluit om de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit uit te sluiten en/of de ontvanger een financiële sanctie op te leggen. Indien de duur van de uitsluiting niet is vastgelegd in de definitieve rechterlijke beslissing of het definitief administratief besluit, stelt de bevoegde ordonnateur die duur vast op basis van vastgestelde feiten en bevindingen, met inachtneming van de aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie.

Indien in die definitieve rechterlijke beslissing of dat definitief administratief besluit wordt geoordeeld dat de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit zich niet schuldig heeft gemaakt aan het voorlopig juridisch gekwalificeerde gedrag op basis waarvan die persoon of entiteit is uitgesloten, maakt de bevoegde ordonnateur onverwijld een einde aan die uitsluiting en/of betaalt hij, in voorkomend geval, alle opgelegde financiële sancties terug.

Tot de in de eerste alinea bedoelde feiten en bevindingen behoren met name:

a) feiten die zijn vastgesteld in het kader van audits of onderzoeken door het EOM ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939, de Rekenkamer, OLAF of de intern controleur, of enige andere toets, audit of controle uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de bevoegde ordonnateur;

b) niet-definitieve administratieve besluiten die tuchtmaatregelen kunnen omvatten welke zijn genomen door het bevoegde toezichthoudende orgaan dat verantwoordelijk is voor de verificatie van de toepassing van normen inzake beroepsethiek;

c) feiten die worden vermeld in besluiten van personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c);

d) informatie die overeenkomstig artikel 142, lid 2, onder d), wordt doorgegeven door entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder b),;

e) besluiten van de Commissie betreffende schending van het mededingingsrecht van de Unie of van een nationale bevoegde instantie betreffende de schending van het mededingingsrecht van de Unie of van het nationale mededingingsrecht.

3.  Elk op grond van de artikelen 135 tot en met 142 genomen besluit van de bevoegde ordonnateur of, in voorkomend geval, elke aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie wordt genomen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, waarbij met name rekening wordt gehouden met:

a) de ernst van de situatie, met inbegrip van de gevolgen voor de financiële belangen en het imago van de Unie;

b) de tijd die is verstreken sinds het betrokken gedrag;

c) de duur van het gedrag en de herhaling ervan;

d) de vraag of het gedrag opzettelijk was of de mate van aangetoonde nalatigheid;

e) in de gevallen bedoeld in lid 1, onder b), de vraag of het gaat om een beperkt bedrag;

f) andere verzachtende omstandigheden zoals:

i) de mate waarin de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit met de bevoegde instantie meewerkt en de bijdrage van die persoon of entiteit aan het onderzoek, zoals erkend door de bevoegde ordonnateur, of

ii) de openbaarmaking van de uitsluitingssituatie door middel van een in artikel 137, lid 1, bedoelde verklaring.

4.  De bevoegde ordonnateur sluit een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit uit indien:

a) een nаtuurlijke persoon of rechtspersoon die lid is van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid heeft ten aanzien van die persoon of entiteit, zich in een of meer van de situaties bevindt als bedoeld in lid 1, onder c) tot en met h), van dit artikel;

b) een natuurlijke persoon of rechtspersoon die onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit, zich in een of meer van de situaties bevindt als bedoeld in lid 1, onder a) of b), van dit artikel;

c) een natuurlijke persoon die essentieel is voor de toekenning of voor de uitvoering van de juridische verbintenis zich in een of meer van de situaties bevindt als bedoeld in lid 1, onder c) tot en met h).

5.  In de in lid 2 van dit artikel bedoelde gevallen kan de bevoegde ordonnateur een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit voorlopig uitsluiten zonder voorafgaande aanbeveling van de instantie als bedoeld in artikel 143, indien hun deelname aan een toekenningsprocedure of hun selectie voor het uitvoeren van middelen van de Unie een ernstige en imminente dreiging voor de financiële belangen van de Unie zou vormen. De bevoegde ordonnateur verwijst de zaak in dergelijke gevallen onmiddellijk naar de in artikel 143 bedoelde instantie en neemt uiterlijk 14 dagen na ontvangst van de aanbeveling van de instantie een definitief besluit.

6.  Rekening houdend, in voorkomend geval, met de aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie, sluit de bevoegde ordonnateur een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit niet uit van deelname aan een toekenningsprocedure of van selectie voor uitvoering van middelen van de Unie, indien:

a) de persoon of entiteit corrigerende maatregelen heeft genomen als vermeld in lid 7, van dit artikel en wel in voldoende mate om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Dit punt geldt niet in het in lid 1, onder d), van dit artikel bedoelde geval;

b) het onontbeerlijk is om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen, voor een beperkte periode en in afwachting van de vaststelling van corrigerende maatregelen als vermeld in lid 7 van dit artikel;

c) die uitsluiting buiten verhouding zou zijn op basis van de in lid 3 van dit artikel bedoelde criteria.

Bovendien is lid 1, onder a), van dit artikel niet van toepassing op de aankoop van leveringen tegen bijzonder gunstige voorwaarden, hetzij bij een leverancier die zijn handelsactiviteit definitief stopzet, hetzij bij vereffenaars in een insolventieprocedure, een regeling met schuldeisers, of een soortgelijke procedure volgens Unierecht- of nationaal recht.

In de gevallen van niet-uitsluiting als bedoeld in de eerste en tweede alinea van dit lid specificeert de bevoegde ordonnateur de redenen waarom de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit niet wordt uitgesloten en stelt hij de in artikel 143 bedoelde instantie in kennis van die redenen.

7.  Tot de in lid 6, eerste alinea, onder a), bedoelde corrigerende maatregelen behoren met name:

a) maatregelen om de oorsprong van de situaties die aanleiding geven tot uitsluiting, in kaart te brengen en concrete technische, organisatorische en personeelsgebonden maatregelen binnen het betrokken werkterrein of de activiteit van de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit waarmee het gedrag kan worden gecorrigeerd en herhaling daarvan kan worden voorkomen;

b) het bewijs dat de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit corrigerende maatregelen heeft genomen om de schade te vergoeden of te herstellen die aan de financiële belangen van de Unie is toegebracht door de onderliggende feiten die aanleiding geven tot de uitsluitingssituatie;

c) het bewijs dat de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit de door de bevoegde instantie opgelegde boete of de in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde belastingen of socialezekerheidsbijdragen heeft betaald of de betaling daarvan heeft gewaarborgd.

8.  Rekening houdend, in voorkomend geval, met de herziene aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie, herziet de bevoegde ordonnateur ambtshalve of op verzoek van de uitgesloten in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit onverwijld zijn besluit tot uitsluiting van die persoon of entiteit, indien deze corrigerende maatregelen heeft genomen die volstaan om zijn/haar betrouwbaarheid aan te tonen of nieuwe elementen heeft verstrekt waaruit blijkt dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitsluitingssituatie niet langer bestaat.

9.  In de in artikel 135, lid 2, onder b), bedoelde gevallen verlangt de bevoegde ordonnateur dat de gegadigde of inschrijver een entiteit of subcontractant waarop hij voornemens is een beroep te doen en die zich in een in lid 1 van dit artikel bedoelde uitsluitingssituatie bevindt, vervangt.

Artikel 137

Verklaring en bewijs dat er geen sprake is van een uitsluitingssituatie

1.  Een deelnemer verklaart of hij al dan niet in een van de in artikel 136, lid 1, en in artikel 141, lid 1, bedoelde situaties verkeert en, in voorkomend geval, of hij al dan niet de in artikel 136, lid 6, eerste alinea, onder a), bedoelde corrigerende maatregelen heeft getroffen.

Een deelnemer verklaart tevens of de volgende personen of entiteiten zich al dan niet in een van de in artikel 136, lid 1, onder c) tot en met h) bedoelde uitsluitingssituaties bevinden:

a) natuurlijke personen of rechtspersonen die lid zijn van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de deelnemer of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid hebben ten aanzien van die deelnemer;

b) uiteindelijk begunstigden van de deelnemer in de zin van artikel 3, punt 6, van Richtlijn (EU) 2015/849.

De deelnemer of ontvanger stelt de bevoegde ordonnateur onverwijld in kennis van veranderingen in de gemelde situaties.

In voorkomend geval verstrekt de gegadigde of inschrijver dezelfde verklaringen welke bedoeld zijn in de eerste en tweede alinea, ondertekend door een subcontractant of door enige andere entiteit waarop hij voornemens is een beroep te doen, naargelang het geval.

De bevoegde ordonnateur verlangt de in de eerste en de tweede alinea bedoelde verklaringen niet wanneer dergelijke verklaringen reeds in het kader van een andere toekenningsprocedure zijn ingediend, op voorwaarde dat de situatie niet is veranderd en dat sinds de datum van afgifte van de verklaringen niet meer dan een jaar is verstreken.

De bevoegde ordonnateur mag voor overeenkomsten van zeer geringe waarde die het in punt 14.4 van bijlage I bedoelde bedrag niet overschrijden, vrijstelling toekennen van de bepalingen van de eerste en tweede alinea.

2.  Wanneer de bevoegde ordonnateur erom verzoekt en dit noodzakelijk is voor het goede verloop van de procedure verstrekken de deelnemer, de subcontractant of de entiteit waarop de gegadigde of inschrijver voornemens is een beroep te doen:

a) afdoend bewijs dat hij/zij niet in een van de in artikel 136, lid 1, vermelde uitsluitingssituaties verkeert;

b) informatie over natuurlijke personen of rechtspersonen die lid zijn van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de deelnemer of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid ten aanzien van die deelnemer hebben, met inbegrip van personen en entiteiten binnen de eigendoms- en controlestructuur en uiteindelijk begunstigden, en afdoend bewijs dat geen van deze personen in een van de in artikel 136, lid 1, onder c) tot en met f), vermelde uitsluitingssituaties verkeren;

c) afdoend bewijs dat natuurlijke personen of rechtspersonen die onbeperkt aansprakelijk zijn voor de schulden van die deelnemer, niet in een in artikel 136, lid 1, onder a) of b), vermelde uitsluitingssituatie verkeren.

3.  In voorkomend geval en overeenkomstig het nationale recht mag de bevoegde ordonnateur als afdoende bewijs dat een in lid 2 bedoelde deelnemer of entiteit niet in een van de in artikel 136, lid 1, onder a), c), d), f) g) en h), bedoelde uitsluitingssituaties verkeert, een recent uittreksel uit het strafregister aanvaarden of, bij gebreke daarvan, een recent gelijkwaardig document van een gerechtelijke of administratieve autoriteit van het land van vestiging waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan.

De bevoegde ordonnateur mag als afdoende bewijs dat een in lid 2 bedoelde deelnemer of entiteit niet in één van de in artikel 136, lid 1, onder a) en b), bedoelde uitsluitingssituatie verkeert, een recent door de bevoegde autoriteit van het land van vestiging afgegeven getuigschrift aanvaarden. Wanneer dergelijke getuigschriften niet in het land van vestiging worden afgegeven, mag de deelnemer een ten overstaan van een notaris of een gerechtelijke autoriteit onder ede afgelegde verklaring verstrekken of, bij gebreke daarvan, een ten overstaan van een administratieve autoriteit of een gekwalificeerde beroepsorganisatie in zijn land van vestiging afgelegde plechtige verklaring.

4.  De bevoegde ordonnateur stelt een in lid 2 bedoelde deelnemer of entiteit vrij van de verplichting bewijsstukken in te dienen, als bedoeld in de leden 2 en 3:

a) indien hij of zij toegang kan krijgen tot die bewijsstukken in een gratis toegankelijke nationale databank;

b) indien deze bewijsstukken reeds in het kader van een andere procedure zijn ingediend en mits de documenten nog geldig zijn en er sinds de datum van afgifte van de documenten niet meer dan een jaar is verstreken;

c) indien hij of zij erkent dat het materieel onmogelijk is dergelijk bewijs te verschaffen.

5.  De leden 1 tot en met 4 van dit artikel zijn niet van toepassing op personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), of op organen van de Unie als bedoeld in de artikelen 70 en 71.

Voor financieringsinstrumenten, bij ontstentenis van regels en procedures die volledig gelijkwaardig zijn aan de in artikel 154, lid 4, eerste alinea, onder d), bedoelde regels en procedures, verstrekken eindbegunstigden en intermediairs de persoon of entiteit die middelen van de Unie uitvoert overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), een ondertekende verklaring op erewoord ter bevestiging dat zij niet in een van de in artikel 136, lid 1, onder a) tot en met d), g) en h), of artikel 141, lid 1, eerste alinea, onder b) en c), bedoelde situaties verkeren noch in een situatie die na de overeenkomstig artikel 154, lid 4, uitgevoerde beoordeling daarmee gelijk wordt bevonden.

Indien financieringsinstrumenten bij wijze van uitzondering worden uitgevoerd op grond van artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder a), verstrekken eindontvangers aan financieel intermediairs een ondertekende verklaring op erewoord ter bevestiging dat zij niet in een van de in artikel 136, lid 1, onder a) tot en met d), g) en h), of artikel 141, lid 1, eerste alinea, onder b) en c), bedoelde situaties verkeren.

Artikel 138

Financiële sancties

1.  Met het oog op een afschrikkende werking kan de bevoegde ordonnateur, rekening houdend, in voorkomend geval, met de aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie, een financiële sanctie opleggen aan een ontvanger ten aanzien van wie een juridische verbintenis is aangegaan en die in een uitsluitingssituatie verkeert als bedoeld in artikel 136, lid 1, onder c), d), e) of f).

Wat de in artikel 136, lid 1, onder c) tot en met f), bedoelde uitsluitingssituaties betreft, kan de financiële sanctie worden opgelegd als alternatief voor een besluit tot uitsluiting van een ontvanger, indien die uitsluiting buiten verhouding zou zijn op basis van de criteria in artikel 136, lid 3.

Wat de in artikel 136, lid 1, onder c), d) en e), bedoelde uitsluitingssituaties betreft, kan de financiële sanctie worden opgelegd naast een uitsluiting, wanneer dit nodig is om de financiële belangen van de Unie te beschermen omdat de ontvanger systematisch en herhaald gedrag heeft vertoond met het voornemen op onrechtmatige wijze middelen van de Unie te verkrijgen.

Niettegenstaande de eerste, de tweede en de derde alinea van dit lid wordt een financiële sanctie niet opgelegd aan een ontvanger die overeenkomstig artikel 137 heeft bekendgemaakt dat hij zich in een uitsluitingssituatie bevindt.

2.  Het bedrag van de financiële sanctie is niet hoger dan 10 % van de totale waarde van de juridische verbintenis. In het geval van een met meerdere begunstigden ondertekende subsidieovereenkomst is de financiële sanctie niet hoger dan 10 % van het bedrag van de subsidie waarop de betrokken begunstigde overeenkomstig de subsidieovereenkomst recht heeft.

Artikel 139

Duur van de uitsluiting en verjaringstermijn

1.  De duur van de uitsluiting bedraagt niet meer dan:

a) de duur die eventueel is vastgesteld in de definitieve rechterlijke beslissing of het definitief administratief besluit van een lidstaat;

b) bij ontstentenis van een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit:

i) vijf jaar voor de in artikel 136, lid 1, onder d), bedoelde gevallen;

ii) drie jaar voor de in artikel 136, lid 1, onder c) en e) tot en met h), bedoelde gevallen.

Een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit wordt uitgesloten zolang hij in een van de in artikel 136, lid 1, onder a) en b), bedoelde uitsluitingssituaties verkeert.

2.  De verjaringstermijn voor uitsluiting en/of het opleggen van financiële sancties aan een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit bedraagt vijf jaar, gerekend vanaf een van de volgende data:

a) de datum waarop het gedrag dat aanleiding geeft tot uitsluiting, is vertoond of, bij voortduring of herhaling, de datum waarop het gedrag ophoudt, in de in artikel 136, lid 1, onder b) tot en met e) en g) en h), vermelde gevallen;

b) de datum van de definitieve rechterlijke beslissing van een nationale rechterlijke instantie of van het definitief administratief besluit in de in artikel 136, lid 1, onder b), c), d), g) en h) vermelde gevallen.

De verjaringstermijn wordt gestuit door enige handeling van een nationale autoriteit, van de Commissie, van OLAF, van EOM ten aanzien van de lidstaten die uit hoofde van Verordening (EU) 2017/1939 deelnemen aan nauwere samenwerking, van de in artikel 143 van deze verordening bedoelde instantie of enige bij de uitvoering van de begroting betrokken entiteit, wanneer de in artikel 135, lid 2, van deze verordening bedoelde persoon of entiteit van deze handeling in kennis wordt gesteld en de handeling betrekking heeft op het onderzoek of de gerechtelijke procedure. Een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen op de dag volgend op de stuiting.

Voor de toepassing van artikel 136, lid 1, onder f), van deze verordening geldt de verjaringstermijn voor het uitsluiten van een in artikel 135, lid 2, van deze verordening bedoelde persoon of entiteit en/of het opleggen van financiële sancties aan een ontvanger die is vastgelegd in artikel 3 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95.

Wanneer het gedrag van een in artikel 135, lid 2, van deze verordening bedoelde persoon of entiteit onder verschillende van de in artikel 136, lid 1, van deze verordening genoemde redenen valt, geldt de verjaringstermijn van toepassing op de meest zwaarwegende reden.

Artikel 140

Bekendmaking van uitsluiting en financiële sancties

1.  Om, indien nodig, het afschrikkend effect van de uitsluiting en/of de financiële sanctie te versterken, maakt de Commissie, onder voorbehoud van een besluit van de bevoegde ordonnateur, de volgende informatie betreffende de uitsluiting en, in voorkomend geval, betreffende de financiële sanctie voor de in artikel 136, lid 1, onder c) tot en met h) bedoelde gevallen bekend op haar website:

a) de naam van de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit;

b) de uitsluitingssituatie;

c) de duur van de uitsluiting en/of het bedrag van de financiële sanctie.

Indien het besluit over de uitsluiting en/of de financiële sanctie is genomen op basis van een voorlopige kwalificatie als bedoeld in artikel 136, lid 2, wordt bij de bekendmaking aangegeven dat er geen definitieve rechterlijke beslissing of, in voorkomend geval, geen definitief administratief besluit is. In dergelijke gevallen wordt informatie over beroepsprocedures en de status en het resultaat daarvan, alsmede elk herzien besluit van de bevoegde ordonnateur, onverwijld bekendgemaakt. Indien een financiële sanctie is opgelegd, wordt bij de bekendmaking aangegeven of het sanctiebedrag is betaald.

Het besluit om de informatie bekend te maken, wordt genomen door de bevoegde ordonnateur, hetzij ingevolge de betrokken definitieve rechterlijke beslissing of, in voorkomend geval, het definitieve administratieve besluit, hetzij ingevolge de aanbeveling van de in artikel 143 bedoelde instantie, naargelang het geval. Dat besluit wordt van kracht drie maanden na de kennisgeving ervan aan de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit in kwestie.

De bekendgemaakte informatie wordt verwijderd zodra de uitsluiting is beëindigd. In het geval van een financiële sanctie wordt de bekendmaking zes maanden na de betaling van het sanctiebedrag verwijderd.

Wanneer er sprake is van persoonsgegevens, informeert de bevoegde ordonnateur overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 de in artikel 135, lid 2, van deze verordening bedoelde betrokken persoon of entiteit over hun rechten op grond van de toepasselijke gegevensbeschermingsregelgeving en over de voor de uitoefening van die rechten beschikbare procedures.

2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie wordt in geen enkele van de volgende omstandigheden bekendgemaakt:

a) indien het vertrouwelijke karakter van een onderzoek of een nationale gerechtelijke procedure moet worden gewaarborgd;

b) indien bekendmaking onevenredige schade zou toebrengen aan de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit of anderszins buiten verhouding zou zijn op basis van de evenredigheidscriteria van artikel 136, lid 3, en gelet op het bedrag van de financiële sanctie;

c) indien het een natuurlijk persoon betreft, tenzij de bekendmaking van persoonsgegevens door uitzonderlijke omstandigheden gerechtvaardigd is, onder meer door de ernst van het gedrag of het effect daarvan op de financiële belangen van de Unie. In dergelijke gevallen wordt in het besluit om de informatie bekend te maken naar behoren rekening gehouden met het recht op persoonlijke levenssfeer en andere rechten waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 45/2001.

Artikel 141

Afwijzing in een toekenningsprocedure

1.  De bevoegde ordonnateur wijst een deelnemer bij een toekenningsprocedure af indien deze:

a) in een uitsluitingssituatie verkeert die overeenkomstig artikel 136 is vastgesteld;

b) valse verklaringen heeft afgelegd in de informatie die wordt verlangd als voorwaarde voor deelname aan de procedure of die informatie niet heeft verstrekt;

c) voorheen betrokken was bij het opstellen van in de toekenningsprocedure gebruikte documenten, indien zulks een schending van het beginsel van gelijke behandeling inhoudt, met inbegrip van vervalsing van de mededinging die niet op een andere wijze kan worden verholpen.

De bevoegde ordonnateur stelt de overige deelnemers aan de toekenningsprocedure de relevante informatie ter beschikking die is uitgewisseld in het kader van of ten gevolge van de betrokkenheid van de deelnemer bij de voorbereiding van de toekenningsprocedure als bedoeld in de eerste alinea, onder c). Voorafgaand aan een dergelijke afwijzing krijgt de deelnemer de kans te bewijzen dat zijn betrokkenheid bij de voorbereiding van de toekenningsprocedure niet in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling.

2.  Artikel 133, lid 1, is van toepassing, tenzij de afwijzing overeenkomstig lid 1, eerste alinea, onder a), van dit artikel werd gerechtvaardigd door een besluit tot uitsluiting ten aanzien van de deelnemer, na analyse van diens opmerkingen.

Artikel 142

Systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting

1.  De informatie die wordt uitgewisseld binnen het in artikel 135 bedoelde systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting, wordt gecentraliseerd in een door de Commissie opgezette databank („de databank”) en wordt beheerd met inachtneming van het recht op persoonlijke levenssfeer en andere rechten waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 45/2001.

Informatie over gevallen van vroegtijdige opsporing, uitsluiting en/of financiële sancties wordt door de bevoegde ordonnateur na kennisgeving aan de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit in kwestie in de gegevensbank opgenomen. Deze kennisgeving kan in uitzonderlijk omstandigheden worden uitgesteld indien er zwaarwegende legitieme redenen zijn om het vertrouwelijke karakter van een onderzoek of van een nationale gerechtelijke procedure te waarborgen, totdat die zwaarwegende legitieme redenen om het vertrouwelijke karakter te waarborgen, vervallen.

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 informeert de Commissie op verzoek de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit die onderworpen is aan het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting, over de in de databank bewaarde gegevens met betrekking tot die persoon of entiteit.

De in de databank vervatte informatie wordt, waar passend, geactualiseerd na rectificatie, verwijdering of wijziging van gegevens. Ze wordt alleen bekendgemaakt overeenkomstig artikel 140.

2.  Het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting berust op feiten en bevindingen als bedoeld in artikel 136, lid 2, vierde alinea, en op de doorgifte van informatie aan de Commissie door, met name:

a) EOM ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking uit hoofde van Verordening (EU) 2017/1939, of OLAF, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, indien uit een lopend of afgerond onderzoek blijkt dat het ter bescherming van de financiële belangen van de Unie passend zou kunnen zijn uit voorzorg maatregelen te nemen of acties te ondernemen, waarbij terdege wordt gelet op de eerbiediging van procedurele en grondrechten, en op de bescherming van klokkenluiders;

b) een ordonnateur van de Commissie, van een door de Commissie opgericht Europees bureau of van een uitvoerend agentschap;

c) een instelling van de Unie, een Europees bureau, een agentschap, anders dan bedoeld onder b), of een orgaan dat of een persoon die belast is met de uitvoering van GBVB-acties;

d) entiteiten die de begroting overeenkomstig artikel 63 uitvoeren, in het geval van vastgestelde fraude en/of onregelmatigheden en de follow-up ervan, indien de doorgifte van informatie vereist is overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving;

e) personen of entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), in het geval van vastgestelde fraude en/of onregelmatigheden en de follow-up ervan.

3.  Behalve wanneer informatie moet worden ingediend overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving, omvat de krachtens lid 2 van dit artikel door te geven informatie:

a) de identificatie van de entiteit of persoon in kwestie;

b) een overzicht van de opgespoorde risico’s of de desbetreffende feiten;

c) informatie die voor de ordonnateur nuttig kan zijn bij het verrichten van de in lid 4 van dit artikel bedoelde verificatie of bij het nemen van een besluit tot uitsluiting als bedoeld in artikel 136, lid 1 of lid 2, of een besluit tot oplegging van een financiële sanctie als bedoeld in artikel 138;

d) in voorkomend geval, informatie over speciale maatregelen die nodig zijn om het vertrouwelijke karakter van de doorgegeven informatie te waarborgen, met inbegrip van maatregelen voor het vrijwaren van bewijs ter bescherming van het onderzoek of de nationale gerechtelijke procedures.

4.  De Commissie geeft de in lid 3 bedoelde informatie onverwijld door aan haar ordonnateurs en aan die van haar uitvoerende agentschappen, alle andere instellingen en organen van de Unie en Europese bureaus en agentschappen door middel van de in lid 1 bedoelde databank, teneinde deze in staat te stellen de nodige verificatie te verrichten met betrekking tot hun lopende toekenningsprocedures en bestaande juridische verbintenissen.

Bij het verrichten van die verificatie oefent de bevoegde ordonnateur zijn bevoegdheden uit als bepaald in artikel 74 en gaat hij niet verder dan hetgeen is bepaald in de voorwaarden van de toekenningsprocedure en de juridische verbintenissen.

De overeenkomstig lid 3 van dit artikel verstrekte informatie betreffende de vroegtijdige opsporing wordt niet langer dan een jaar bewaard. Indien de bevoegde ordonnateur tijdens die termijn de instantie verzoekt een aanbeveling te doen in een geval betreffende uitsluiting of een financiële sanctie, kan de bewaringstermijn worden verlengd totdat de bevoegde ordonnateur een besluit heeft genomen.

5.  Alle personen en entiteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van de begroting overeenkomstig artikel 62, krijgen van de Commissie toegang tot de informatie over besluiten inzake uitsluiting krachtens artikel 136 teneinde hen in staat te stellen na te gaan of er in het systeem een uitsluiting is opgenomen, zodat zij in voorkomend geval en op eigen verantwoordelijkheid rekening kunnen houden met deze informatie bij het gunnen van overeenkomsten in het kader van de uitvoering van de begroting.

6.  In het kader van het jaarlijkse verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, uit hoofde van artikel 325, lid 5, VWEU, verstrekt de Commissie geaggregeerde informatie over de besluiten die uit hoofde van de artikelen 135 tot en met 142 van deze verordening door de ordonnateurs zijn genomen. Dat verslag verstrekt ook verdere informatie over besluiten die uit hoofde van artikel 136, lid 6, eerste alinea, onder b), en artikel 140, lid 2, van deze verordening door de ordonnateurs zijn genomen en over besluiten van de ordonnateurs om af te wijken van de aanbeveling van de instantie uit hoofde van artikel 143, lid 6, derde alinea, van deze verordening.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde informatie wordt verstrekt met inachtneming van vertrouwelijkheidsvereisten en mag het met name niet mogelijk maken de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit in kwestie te identificeren.

Artikel 143

Instantie

1.  Een instantie wordt bijeengeroepen op verzoek van een ordonnateur van een instelling van de Unie, een orgaan van de Unie, een Europese bureau of een orgaan of persoon aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd.

2.  De instantie is samengesteld uit:

a) een vaste, onafhankelijke voorzitter op hoog niveau die is aangesteld door de Commissie;

b) twee permanente vertegenwoordigers van de Commissie als eigenaar van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting, die een Gemeenschappelijk Standpunt naar voren brengen, en

c) een vertegenwoordiger van de verzoekende ordonnateur.

De samenstelling van de instantie waarborgt de juiste juridische en technische expertise. De instantie wordt bijgestaan door een vast secretariaat, dat door de Commissie wordt verstrekt, en dat voor de lopende administratie van de instantie zorgt.

3.  De voorzitter wordt gekozen uit voormalige leden van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer of voormalige ambtenaren die ten minste de rang van directeur-generaal bij een instelling van de Unie, met uitzondering van de Commissie, hebben bekleed. Hij wordt gekozen op grond van zijn persoonlijke en professionele kwaliteiten, uitgebreide ervaring op juridisch en financieel gebied en bewezen deskundigheid, onafhankelijkheid en integriteit. De ambtstermijn bedraagt vijf jaar en is niet verlengbaar. De voorzitter wordt aangesteld als bijzonder adviseur in de zin van artikel 5 van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie. De voorzitter zit alle vergaderingen van de instantie voor. Hij of zij oefent het ambt onafhankelijk uit. Er mag geen belangenconflict zijn tussen de taak als voorzitter en andere officiële taken.

4.  De Commissie stelt het reglement van orde van de instantie vast.

5.  Alvorens haar aanbevelingen te formuleren, eerbiedigt de instantie het recht van de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit in kwestie om opmerkingen in te dienen over de in artikel 136, lid 2, bedoelde feiten of bevindingen en over de voorlopige juridische kwalificatie. Het recht om opmerkingen te maken kan in uitzonderlijke omstandigheden worden uitgesteld indien er zwaarwegende legitieme redenen bestaan om het vertrouwelijke karakter van een onderzoek of van een nationale gerechtelijke procedure te waarborgen, totdat die zwaarwegende legitieme redenen vervallen.

6.  De aanbeveling van de instantie inzake uitsluiting en/of oplegging van een financiële sanctie bevat in voorkomend geval de volgende elementen:

a) de in artikel 136, lid 2, bedoelde feiten of bevindingen en de voorlopige juridische kwalificatie ervan;

b) een beoordeling van de noodzaak om een financiële sanctie op te leggen en het bedrag daarvan;

c) een beoordeling van de noodzaak om de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit uit te sluiten en, in dat geval, de voorgestelde duur van die uitsluiting;

d) een beoordeling van de noodzaak om de informatie betreffende de in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit die is uitgesloten en/of aan wie een financiële sanctie is opgelegd, bekend te maken;

e) een beoordeling van eventuele door de in artikel 135, lid 2 bedoelde persoon of entiteit getroffen corrigerende maatregelen.

Indien de bevoegde ordonnateur voornemens is een strenger besluit te nemen dan hetwelk was aanbevolen door de instantie, zorgt hij of zij ervoor dat dat besluit wordt genomen met inachtneming van het recht om te worden gehoord en van de voorschriften inzake bescherming van persoonsgegevens.

Indien de bevoegde ordonnateur beslist af te wijken van de aanbeveling van de instantie, verantwoordt hij of zij die beslissing tegenover de instantie.

7.  De instantie herziet haar aanbeveling tijdens de periode van uitsluiting op verzoek van de bevoegde ordonnateur in de in artikel 136, lid 8, bedoelde gevallen of na de kennisgeving van een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit tot vaststelling van de redenen voor uitsluiting wanneer de duur van de uitsluiting niet is vastgelegd in die rechterlijke beslissing of dat besluit, als bedoeld in artikel 136, lid 2, tweede alinea.

8.  De instantie geeft de verzoekende ordonnateur onverwijld kennis van haar herziene aanbeveling, waarna de ordonnateur zijn of haar besluit herziet.

9.  Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft onbeperkte rechtsmacht om een besluit waarbij de ordonnateur een in artikel 135, lid 2, bedoelde persoon of entiteit uitsluit en/of een ontvanger een financiële sanctie oplegt, te herzien, waarbij het ook de uitsluiting kan annuleren of de duur ervan verkorten of verlengen en/of de opgelegde financiële sanctie kan annuleren, verlagen of verhogen. Artikel 22, lid 1, van Verordening (EG) nr. 58/2003 is niet van toepassing wanneer het besluit van de ordonnateur tot uitsluiting of oplegging van een financiële sanctie wordt genomen op basis van een aanbeveling van de instantie.

Artikel 144

Werking van de databank voor het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting

1.  Verzoeken om informatie gericht aan de in artikel 142, lid 2, onder d), bedoelde entiteiten worden uitsluitend ingediend via het geautomatiseerde informatiesysteem van de Commissie dat momenteel wordt gebruikt voor de melding van fraude en onregelmatigheden („beheerssysteem voor onregelmatigheden”), en overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving.

2.  Bij het gebruik van de via het beheerssysteem voor onregelmatigheden ontvangen gegevens wordt rekening gehouden met de status van de nationale procedure op het tijdstip van verstrekking van de informatie. Dergelijk gebruik wordt voorafgegaan door een raadpleging van de lidstaat die de betrokken gegevens via het beheerssysteem voor onregelmatigheden heeft verstrekt.

Artikel 145

Voor het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek geldende uitzonderingen

De artikelen 135 tot en met 144 zijn niet van toepassing op het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC).



Afdeling 3

computersystemen en e-bestuur

Artikel 146

Elektronisch beheer van verrichtingen

1.  Wanneer de uitgaven en ontvangsten of de uitwisseling van documenten met behulp van computersystemen worden beheerd, kunnen de handtekeningen worden aangebracht door middel van een geautomatiseerde of elektronische procedure mits de ondertekenaars worden geauthentificeerd. Deze computersystemen omvatten een volledige en actuele beschrijving van het systeem tot vaststelling van de inhoud van alle gegevensvelden, met een beschrijving van de wijze waarop iedere afzonderlijke verrichting wordt behandeld en waarin uitvoerig wordt uiteengezet hoe het computersysteem voor elke verrichting een volledig auditspoor waarborgt.

2.  Mits de betrokken instellingen van de Unie en lidstaten daarmee van tevoren instemmen, kan elke verzending van documenten tussen hen via elektronische weg plaatsvinden.

Artikel 147

e-bestuur

1.  De instellingen van de Unie, de uitvoerende agentschappen en de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie zorgen voor de invoering en toepassing van uniforme normen voor de elektronische uitwisseling van informatie met deelnemers. Meer in het bijzonder ontwerpen en implementeren zij, in de grootst mogelijke mate, oplossingen voor de indiening, opslag en verwerking van gegevens in het kader van toekenningsprocedures, en wijzen zij hiertoe één „elektronisch gegevensuitwisselingsterrein” aan voor deelnemers. De Commissie brengt geregeld verslag uit aan het Europees Parlement en aan de Raad over de voortgang hiermee.

2.  In gedeeld beheer vindt alle officiële uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie via in sectorspecifieke regelgeving aangeduide middelen plaats. Die regelgeving zorgt bij het beheer van de begroting voor interoperabiliteit van de verzamelde of ontvangen en doorgezonden gegevens.

Artikel 148

Elektronische uitwisselingssystemen

1.  Alle contacten met ontvangers, met inbegrip van het aangaan van juridische verbintenissen en het aanbrengen van wijzigingen daarin, kunnen via elektronische uitwisselingssystemen verlopen.

2.  Elektronische uitwisselingssystemen voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) uitsluitend gemachtigde personen hebben toegang tot het systeem en tot de documenten die ermee worden verzonden;

b) uitsluitend gemachtigde personen kunnen documenten elektronisch ondertekenen of verzenden via het systeem;

c) de gemachtigde personen zijn via gevestigde middelen door het systeem geïdentificeerd;

d) het tijdstip en de datum van de elektronische transactie zijn exact aangeduid;

e) de integriteit van de documenten is gewaarborgd;

f) de beschikbaarheid van de documenten is gewaarborgd;

g) in voorkomend geval is de vertrouwelijkheid van de documenten gewaarborgd;

h) de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 is gewaarborgd.

3.  Voor gegevens die via een dergelijk systeem worden verstuurd of ontvangen, geldt het wettelijk vermoeden dat de gegevens correct zijn en dat de datum en het tijdstip van verzending of ontvangst van de gegevens zoals aangeduid door het systeem betrouwbaar zijn.

Een document dat door middel van een dergelijk systeem wordt verstuurd of betekend, wordt beschouwd als origineel en gelijkwaardig aan een papieren document, is toelaatbaar als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures en geniet het wettelijk vermoeden van authenticiteit en integriteit op voorwaarde dat het document geen dynamische kenmerken heeft die automatische wijziging van het document tot gevolg kunnen hebben.

Een elektronische handtekening als bedoeld in lid 2, onder b), heeft dezelfde rechtsgeldigheid als een handgeschreven handtekening.

Artikel 149

Indiening van aanvraagdocumenten

1.  De voorwaarden inzake de indiening van aanvraagdocumenten worden bepaald door de bevoegde ordonnateur, die voor één enkele wijze van indiening kan kiezen.

De gekozen communicatiemiddelen waarborgen een werkelijke mededinging en zorgen ervoor dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) elke aanvraag bevat alle nodige informatie voor de beoordeling ervan;

b) de integriteit van de gegevens blijft behouden;

c) de vertrouwelijkheid van de aanvraagdocumenten wordt gewaarborgd;

d) de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 wordt gewaarborgd.

2.  De Commissie waarborgt met passende middelen en overeenkomstig artikel 147, lid 1, dat deelnemers de aanvraagdocumenten en alle bewijsstukken in elektronisch formaat kunnen indienen. De elektronische communicatiesystemen die worden gebruikt ter ondersteuning van communicatie en informatie-uitwisseling, zijn niet-discriminerend en algemeen beschikbaar, alsmede interoperabel met algemeen gebruikte informatie- en communicatietechnologieproducten, en beperken de toegang van deelnemers tot de toekenningsprocedure niet.

De Commissie brengt geregeld verslag uit aan het Europees Parlement en aan de Raad over de voortgang in de toepassing van dit lid.

3.  Apparaten voor de elektronische ontvangst van aanvraagdocumenten waarborgen door middel van technische oplossingen en adequate procedures dat:

a) de deelnemer met zekerheid kan worden geauthentificeerd;

b) het exacte tijdstip en de exacte datum van ontvangst van de aanvraagdocumenten nauwkeurig kunnen worden vastgesteld;

c) alleen gemachtigde personen toegang hebben tot de verzonden gegevens en de datum kunnen bepalen of wijzigen waarop de aanvraagdocumenten worden geopend;

d) tijdens de verschillende fasen van de toekenningsprocedure alleen de gemachtigde personen toegang hebben tot alle verstrekte gegevens en toegang kunnen geven tot de gegevens, voor zover dat nodig is voor de procedure;

e) redelijkerwijs is gewaarborgd dat pogingen tot inbreuken op de onder a) tot en met d) vastgestelde voorwaarden kunnen worden opgespoord.

De eerste alinea is niet van toepassing op overeenkomsten beneden de drempels die zijn vastgesteld in artikel 175, lid 1.

4.  Wanneer de bevoegde ordonnateur toestaat dat aanvraagdocumenten langs elektronische weg worden ingediend, worden de aldus ingediende documenten in elektronische vorm als origineel beschouwd.

5.  Wanneer aanvraagdocumenten bij brief worden ingediend, kunnen de deelnemers kiezen:

a) hetzij per post of per besteldienst, in welke gevallen het poststempel of de datum van het ontvangstbewijs als bewijs geldt;

b) hetzij door indiening bij de diensten van de bevoegde ordonnateur door de deelnemer in persoon of door een gemachtigde, in welk geval het ontvangstbewijs als bewijs geldt.

6.  Door het indienen van aanvraagdocumenten gaan deelnemers ermee akkoord langs elektronische weg in kennis te worden gesteld van het resultaat van de procedure.

7.  De leden 1 tot en met 6 van dit artikel zijn niet van toepassing op de selectie van personen of entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c).



HOOFDSTUK 3

Regels betreffende direct beheer

Artikel 150

Evaluatiecomité

1.  Aanvraagdocumenten worden geëvalueerd door een evaluatiecomité.

2.  Het evaluatiecomité wordt door de bevoegde ordonnateur benoemd.

Het evaluatiecomité is samengesteld uit ten minste drie personen.

3.  De leden van het evaluatiecomité dat subsidieaanvragen of inschrijvingen evalueert, vertegenwoordigen ten minste twee organisatorische eenheden van de in de artikelen 68, 70 en 71 bedoelde instellingen van de Unie of organen van de Unie die ten opzichte van elkaar niet in een hiërarchische verhouding staan, en waarvan er ten minste één niet onder de bevoegde ordonnateur ressorteert. Indien de vertegenwoordigingen en plaatselijke entiteiten buiten de Unie, bijvoorbeeld delegaties, bureaus of bijkantoren van de Unie in derde landen, en in de in de artikelen 68, 70 en 71 bedoelde organen van de Unie niet over verschillende eenheden beschikken, geldt de verplichting van organisatorische eenheden zonder hiërarchische verhouding niet.

De bevoegde ordonnateur kan besluiten dat het evaluatiecomité door externe deskundigen wordt bijgestaan.

De leden van het evaluatiecomité kunnen externe deskundigen zijn indien de basishandeling in die mogelijkheid voorziet.

4.  De leden van het evaluatiecomité dat de aanvragen in een wedstrijd voor prijzen evalueert, mogen de in de eerste alinea van lid 3 bedoelde personen of externe deskundigen zijn.

5.  De leden van het evaluatiecomité en de externe deskundigen voldoen aan artikel 61.

Artikel 151

Opheldering en correctie van aanvraagdocumenten

De bevoegde ordonnateur mag duidelijke administratieve fouten in aanvraagdocumenten corrigeren, na bevestiging van de beoogde correctie door de deelnemer.

Wanneer een deelnemer nalaat bewijsstukken over te leggen of verklaringen af te leggen, verzoekt het evaluatiecomité of, in voorkomend geval, de bevoegde ordonnateur, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, de deelnemer de ontbrekende informatie te verstrekken of opheldering te verschaffen omtrent de bewijsstukken.

Dergelijke informatie, opheldering of bevestiging mag geen substantiële wijziging van aanvraagdocumenten inhouden.

Artikel 152

Garanties

1.  Behalve voor overeenkomsten en subsidies waarvan de waarde 60 000  EUR niet overschrijdt, kan de bevoegde ordonnateur, indien evenredig en op voorwaarde dat deze een risicoanalyse verricht, verlangen dat zekerheid wordt gesteld:

a) door contractanten of begunstigden ter beperking van de aan de voorfinanciering verbonden financiële risico’s („garantie voor voorfinancieringen”);

b) door contractanten om de inachtneming van essentiële contractuele verplichtingen te waarborgen in het geval van werken, leveringen of complexe diensten („uitvoeringsgarantie”);

c) door contractanten om tijdens de termijn van contractuele aansprakelijkheid de volledige uitvoering van de overeenkomst te waarborgen („retentiegarantie”).

Het JRC is vrijgesteld van het stellen van garanties.

Als alternatief voor een garantie voor voorfinanciering kan de bevoegde ordonnateur voor subsidies besluiten de betaling in verschillende tranches op te splitsen.

2.  De bevoegde ordonnateur beslist of de garantie in euro of in de munteenheid van de overeenkomst of de subsidieovereenkomst dient te worden gesteld.

3.  De garantie wordt verstrekt door een bank of door een erkende financiële instelling die door de bevoegde ordonnateur wordt aanvaard.

Op verzoek van de contractant of de begunstigde en mits de bevoegde ordonnateur ermee instemt:

a) kan de in lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c), bedoelde garanties worden vervangen door een gezamenlijke en hoofdelijke garantie van de contractant of de begunstigde en een derde;

b) kan de in lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde garantie worden vervangen door een onherroepelijke en onvoorwaardelijke gezamenlijke garantie van de begunstigden die partijen zijn bij dezelfde subsidieovereenkomst.

4.  De garantie heeft tot gevolg dat de bank of de financiële instelling of de derde onherroepelijk hoofdelijk zekerheid stelt of op eerste verzoek garant staat voor de verplichtingen van de contractant of de begunstigde.

5.  Wanneer de bevoegde ordonnateur tijdens de uitvoering van de overeenkomst of de subsidieovereenkomst ontdekt dat een borg niet of niet langer gemachtigd is tot het verstrekken van garanties in overeenstemming met het toepasselijke nationale recht, eist hij of zij dat de contractant of de begunstigde de door de borg verstrekte garantie vervangt.

Artikel 153

Garantie voor voorfinancieringen

1.  Een garantie voor voorfinancieringen wordt gesteld voor een bedrag dat niet hoger is dan het bedrag van de voorfinanciering en heeft betrekking op een periode die toereikend is om uitwinning mogelijk te maken.

2.  De garantie voor voorfinancieringen wordt vrijgegeven wanneer de voorfinanciering in mindering wordt gebracht op de tussentijdse betalingen of saldobetalingen aan de contractant of de begunstigde onder de in de overeenkomst of de subsidieovereenkomst vastgestelde voorwaarden.



TITEL VI

INDIRECT BEHEER

Artikel 154

Indirect beheer

1.  De keuze van de personen en entiteiten waaraan de uitvoering van de middelen van de Unie of begrotingsgaranties wordt toevertrouwd overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), is transparant, wordt gerechtvaardigd door de aard van de actie en geeft geen aanleiding tot belangenconflicten. Voor de in artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punten ii), v), vi) en vii), bedoelde entiteiten wordt bij de keuze ook terdege rekening gehouden met hun financiële en operationele capaciteit.

Wanneer de persoon of entiteit in een basishandeling wordt aangewezen, wordt de keuze voor die specifieke persoon of entiteit gemotiveerd in het in artikel 35 genoemde financieel memorandum.

In geval van uitvoering door een netwerk waarbij ten minste een orgaan of entiteit per betrokken lidstaat of land moet worden aangewezen, wordt deze aanwijzing overeenkomstig de basishandeling verricht door de lidstaat of het land in kwestie. In alle andere gevallen wijst de Commissie deze organen of entiteiten aan in overleg met de betrokken lidstaten of landen.

2.  Personen en entiteiten waaraan de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties wordt toevertrouwd overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), eerbiedigen de beginselen van goed financieel beheer, transparantie, non-discriminatie en zichtbaarheid van het optreden van de Unie. Indien de Commissie overeenkomstig artikel 130 overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap sluit, worden die beginselen verder in die overeenkomsten beschreven.

3.  Voorafgaand aan de ondertekening van bijdrageovereenkomsten, financieringsovereenkomsten of garantieovereenkomsten, zorgt de Commissie voor een niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie dat gelijkwaardig is aan het niveau waarin wordt voorzien wanneer de Commissie de begroting uitvoert overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder a). De Commissie doet dit door een beoordeling te verrichten van de systemen, regels en procedures van de personen of entiteiten die de middelen van de Unie uitvoeren indien zij voornemens is op deze systemen, regels en procedures een beroep te doen voor de uitvoering van de actie, of door passende toezichtmaatregelen te nemen overeenkomstig lid 5 van dit artikel.

4.  De Commissie beoordeelt overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel en rekening houdend met de aard van de actie en de daaraan verbonden financiële risico’s, of de personen en entiteiten die overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), middelen van de Unie besteden:

a) op basis van internationale beste praktijken een doeltreffend en efficiënt internecontrolesysteem opzetten en de werking daarvan garanderen, waarmee met name preventie, opsporing en correctie van onregelmatigheden en fraude mogelijk zijn;

b) een boekhoudsysteem gebruiken dat tijdig nauwkeurige, volledige en betrouwbare informatie verstrekt;

c) zich onderwerpen aan een onafhankelijke externe audit, uitgevoerd volgens internationaal aanvaarde auditnormen door een auditinstantie die functioneel onafhankelijk is van de betrokken persoon of entiteit;

d) passende regels en procedures toepassen om derden financiering te verstrekken, met inbegrip van transparante, niet-discriminerende, doelmatige en doeltreffende evaluatieprocedures, regels om onterecht betaalde bedragen terug te vorderen en regels om de toegang tot financiering uit te sluiten;

e) passende informatie over hun ontvangers bekendmaken, gelijkwaardig aan de informatie die uit hoofde van artikel 38 bekend wordt gemaakt;

f) voorzien in een bescherming van persoonsgegevens die gelijkwaardig is aan de in artikel 5 bedoelde bescherming.

Daarnaast mag de Commissie, met het akkoord van de betrokken personen en entiteiten andere regels en procedures beoordelen, zoals de administratiekosten voor de boekhoudingspraktijken van de personen of entiteiten. Op basis van de resultaten van die beoordeling kan de Commissie besluiten om zich op die regels en procedures te baseren.

Personen of entiteiten die overeenkomstig de eerste en de tweede alinea zijn beoordeeld, stellen de Commissie zonder onnodige vertraging in kennis van alle wezenlijke veranderingen aan hun systemen, regels of procedures die van invloed kunnen zijn op de betrouwbaarheid van de beoordeling van de Commissie.

5.  Indien de betrokken personen of entiteiten slechts gedeeltelijk aan lid 4 voldoen, neemt de Commissie passende toezichtmaatregelen om de bescherming van de financiële belangen van de Unie te garanderen. Die maatregelen worden nader bepaald in de desbetreffende overeenkomsten. De informatie over dergelijke maatregelen wordt aan het Europees Parlement en aan de Raad beschikbaar gesteld indien zij daarom verzoeken.

6.  De Commissie kan besluiten geen beoordeling vooraf als bedoeld in de leden 3 en 4te verlangen voor:

a) de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie en de in artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punt viii), bedoelde organen of personen die met voorafgaande instemming van de Commissie financiële regels hebben vastgesteld;

b) derde landen of de organen die zij aanwijzen, in zoverre de Commissie verantwoordelijkheden voor het financieel beheer blijft behouden die een voldoende bescherming van de financiële belangen van de Unie waarborgen, of

c) die procedures die specifiek door de Commissie worden verlangd, met inbegrip van haar eigen procedures en de procedures die nader worden bepaald in basishandelingen.

7.  Indien de systemen, regels of procedures van de in artikel 62, lid 1, onder c), bedoelde personen of entiteiten passend worden geacht, mogen de bijdragen van de Unie aan die personen en entiteiten overeenkomstig deze titel worden uitgevoerd. Indien dergelijke personen of entiteiten deelnemen aan een oproep tot het indienen van voorstellen, leven zij de in titel VIII vervatte regels van de oproep tot het indienen van voorstellen na. In een dergelijk geval kan de ordonnateur besluiten een bijdrageovereenkomst of een financieringsovereenkomst te ondertekenen in plaats van een subsidieovereenkomst.

Artikel 155

Uitvoering van middelen van de Unie en begrotingsgaranties

1.  Personen en entiteiten die middelen van de Unie of begrotingsgaranties uitvoeren, verstrekken de Commissie:

a) een verslag over de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgarantie, onder meer betreffende het vervullen van de voorwaarden of het bereiken van resultaten als bedoeld in artikel 125, lid 1, eerste alinea, onder a);

b) ingeval met de bijdrage uitgaven worden vergoed, de rekeningen betreffende de gedane uitgaven;

c) een beheersverklaring betreffende de onder a) en zo nodig de onder b) bedoelde informatie, waarin wordt bevestigd dat:

i) de informatie op juiste, volledige en accurate wijze is gepresenteerd;

ii) de middelen van de Unie zijn gebruikt voor het beoogde doel als omschreven in de bijdrageovereenkomsten, de financieringsovereenkomsten of de garantieovereenkomsten of, in voorkomend geval, in de desbetreffende sectorspecifieke regelgeving;

iii) de ingevoerde controlesystemen de nodige garanties bieden in verband met de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

d) een samenvatting van de definitieve auditverslagen en van de verrichte controles, met een analyse van de aard en de omvang van de vastgestelde fouten en tekortkomingen in de systemen en een overzicht van de reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen.

Wanneer, zoals omschreven in artikel 127, wederzijds in audits wordt vertrouwd, bevat de in dit lid, eerste alinea, onder d), bedoelde samenvatting alle relevante auditdocumentatie waarop een beroep moet worden gedaan.

Voor acties die worden beëindigd vóór het einde van het betrokken begrotingsjaar, mag het eindverslag in de plaats komen van de in de eerste alinea, onder c), bedoelde beheersverklaring, op voorwaarde dat dat verslag wordt ingediend vóór 15 februari van het volgende begrotingsjaar.

De in de eerste alinea genoemde documenten gaan vergezeld van een volgens internationaal erkende auditnormen opgesteld advies van een onafhankelijk auditorgaan. In dat advies wordt vastgesteld of de ingevoerde controlesystemen naar behoren functioneren en kosteneffectief zijn, en of de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn. In het advies wordt ook vastgesteld of de verklaringen in de in de eerste alinea, onder c), bedoelde beheersverklaring in de auditwerkzaamheden in twijfel worden getrokken. Indien een dergelijk advies ontbreekt, mag de ordonnateur op andere onafhankelijke middelen een beroep doen om een gelijkwaardige mate van zekerheid te verkrijgen.

De in de eerste alinea bedoelde documenten worden uiterlijk op 15 februari van het volgende begrotingsjaar aan de Commissie bezorgd. Het in de derde alinea bedoelde advies wordt uiterlijk op 15 maart van dat jaar aan de Commissie bezorgd.

De bij dit lid opgelegde verplichtingen gelden onverminderd met de EIB, het EIF, lidstaatsorganisaties, internationale organisaties en derde landen gesloten overeenkomsten. Met betrekking tot de beheersverklaring wordt in dergelijke overeenkomsten ten minste de verplichting voor die entiteiten opgenomen om de Commissie jaarlijks een verklaring te bezorgen dat de middelen van de Unie in het betrokken begrotingsjaar zijn gebruikt, en dat daarover rekening en verantwoording is afgelegd met inachtneming van artikel 154, leden 3 en 4, en van de in zulke overeenkomsten vastgelegde verplichtingen. Die verklaring mag in het eindverslag worden opgenomen indien de uitgevoerde actie tot 18 maanden beperkt is.

2.  Personen en entiteiten nemen bij het uitvoeren van middelen van de Unie het volgende in acht:

a) zij houden zich aan de toepasselijke recht van de Unie en aan overeengekomen internationale normen en normen van de Unie, en ondersteunen derhalve geen acties die bijdragen aan witwassen, de financiering van terrorisme, belastingontwijking, belastingfraude of belastingontduiking;

b) zij gaan bij het uitvoeren van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties overeenkomstig Titel X geen nieuwe verrichtingen aan en verlengen geen verrichtingen met entiteiten die zijn geregistreerd of gevestigd in rechtsgebieden die in het kader van het desbetreffende Uniebeleid op de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voorkomen of die krachtens artikel 9, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/849 als derde landen met een hoog risico zijn aangemerkt of die in de praktijk niet voldoen aan op Unieniveau of internationaal niveau overeengekomen fiscale normen inzake transparantie en informatie-uitwisseling.

Entiteiten mogen alleen van de eerste alinea, onder b), afwijken indien de actie fysiek wordt uitgevoerd in een van die rechtsgebieden en er geen enkele aanwijzing bestaat dat de betrokken verrichting onder een van de categorieën van de eerste alinea, onder a), valt.

Bij het sluiten van overeenkomsten met financiële intermediairs nemen de entiteiten die financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties uitvoeren overeenkomstig Titel X, de in dit lid bedoelde eisen op in de desbetreffende overeenkomsten, en zij verlangen van de financiële tussenpersonen dat zij verslag uitbrengen over de naleving daarvan.

3.  Bij het uitvoeren van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties overeenkomstig Titel X nemen de personen en entiteiten de beginselen en normen van het Unierecht inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme in acht, met name Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad ( 22 ) en Richtlijn (EU) 2015/849. Zij maken financiering in het kader van deze verordening afhankelijk van de bekendmaking van informatie over de uiteindelijk begunstigden in de zin van Richtlijn (EU) 2015/849, en maken verslagleggingsgegevens per land bekend overeenkomstig artikel 89, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 23 ).

4.  De Commissie verifieert of de middelen van de Unie of de begrotingsgarantie gebruikt zijn overeenkomstig de voorwaarden die in de desbetreffende overeenkomsten zijn vastgelegd. Wanneer de kosten van de persoon of entiteit worden vergoed op basis van een vereenvoudigde kostenoptie overeenkomstig artikel 125, lid 1, eerste alinea, onder c), d) en e), zijn artikel 181, leden 1 tot en met 5, en de artikelen 182 tot en met 185 van overeenkomstige toepassing. Wanneer middelen van de Unie of de begrotingsgarantie zijn gebruikt in strijd met de in de desbetreffende overeenkomsten vastgelegde verplichtingen, is artikel 131 van toepassing.

5.  Wanneer met de bijdrage van de Unie in het geval van multidonoracties uitgaven worden vergoed, bestaat de in lid 4 bepaalde procedure erin te verifiëren dat een bedrag dat overeenkomt met het bedrag dat de Commissie voor de betrokken actie heeft betaald, door de persoon of entiteit is gebruikt overeenkomstig de voorwaarden die in de desbetreffende subsidieovereenkomst, bijdrageovereenkomst of financieringsovereenkomst zijn vastgelegd.

6.  Bijdrageovereenkomsten, financieringsovereenkomsten en garantieovereenkomsten omschrijven duidelijk de verantwoordelijkheden en verplichtingen van de persoon of entiteit die de middelen van de Unie uitvoert, met inbegrip van de in artikel 129 bepaalde verplichtingen en de voorwaarden voor betaling van de bijdrage. In dergelijke overeenkomsten wordt, indien van toepassing, tevens de onderling overeengekomen vergoeding bepaald die in verhouding moet staan tot de voorwaarden waaronder de acties moeten worden uitgevoerd, waarbij terdege rekening wordt gehouden met onstabiele en crisissituaties, en die in voorkomend geval op resultaten moet worden gebaseerd. Die overeenkomsten omvatten ook regels voor de verslaglegging aan de Commissie over de uitvoering van de taken, de verwachte resultaten met inbegrip van indicatoren om de resultaten te meten, en de verplichting voor personen en entiteiten die -middelen van de Unie uitvoeren, om de Commissie onverwijld kennis te geven van vastgestelde fraude en onregelmatigheden en het gevolg dat daaraan wordt gegeven.

7.  Alle bijdrageovereenkomsten, financieringsovereenkomsten en garantieovereenkomsten worden aan het Europees Parlement en aan de Raad beschikbaar gesteld indien zij daarom verzoeken.

8.  Dit artikel is niet van toepassing op de bijdrage van de Unie aan organen van de Unie die het voorwerp zijn van een afzonderlijke kwijtingsprocedure uit hoofde van de artikelen 70 en 71, met uitzondering van mogelijke ad-hocbijdrageovereenkomsten.

Artikel 156

Indirect beheer met internationale organisaties

1.  De Commissie kan, overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punt ii), de begroting indirect uitvoeren met internationale publiekrechtelijke organisaties die zijn opgericht bij internationale overeenkomsten („internationale organisaties”) en met de door die organisaties opgerichte gespecialiseerde agentschappen. Die overeenkomsten worden aan de Commissie toegezonden in het kader van de overeenkomstig artikel 154, lid 3, door de Commissie verrichte beoordeling.

2.  De volgende organisaties worden gelijkgesteld met internationale organisaties:

a) het Internationale Comité van het Rode Kruis;

b) de Internationale Federatie van de nationale verenigingen van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan.

3.  De Commissie kan een naar behoren gemotiveerd besluit nemen waarbij een non-profitorganisatie wordt gelijkgesteld met een internationale organisatie, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoet:

a) zij heeft rechtspersoonlijkheid en autonome bestuursorganen;

b) zij is opgericht voor de uitvoering van specifieke taken van algemeen internationaal belang;

c) ten minste zes lidstaten zijn lid van de non-profitorganisatie;

d) zij beschikt over voldoende financiële garanties;

e) zij heeft een permanente structuur en werkt volgens systemen, regels en procedures die kunnen worden beoordeeld overeenkomstig artikel 154, lid 3.

4.  Wanneer internationale organisaties middelen uitvoeren in indirect beheer, zijn met hen gesloten verificatieovereenkomsten van toepassing.

Artikel 157

Indirect beheer met lidstaatsorganisaties

1.  De Commissie kan, overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punten v) en vi), de begroting indirect uitvoeren met lidstaatsorganisaties.

2.  Wanneer de Commissie de begroting indirect met lidstaatsorganisaties uitvoert, verlaat zij zich op de systemen, regels en procedures van die organisaties die overeenkomstig artikel 154, leden 3 en 4, zijn beoordeeld.

3.  In overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap met lidstaatsorganisaties conform artikel 130 worden de mate en de voorwaarden van het wederzijds vertrouwen in systemen, regels en procedures van lidstaatsorganisaties nader gespecificeerd, en zij kunnen specifieke bepalingen bevatten inzake het wederzijds vertrouwen in beoordelingen en audits als bedoeld in de artikelen 126 en 127.

Artikel 158

Indirect beheer met derde landen

1.  De Commissie kan de begroting indirect uitvoeren met een derde land of met de door dat land aangewezen organen als bedoeld in artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), i), door middel van de sluiting van een financieringsovereenkomst waarin de interventie van de Unie in het derde land wordt beschreven en de wijze van uitvoering voor elk deel van de actie wordt vastgelegd.

2.  Voor het deel van de actie dat indirect met het derde land of met de door dat land aangewezen organen wordt uitgevoerd, worden in de financieringsovereenkomst, naast de in artikel 155, lid 5, bedoelde elementen, duidelijk de taken en verantwoordelijkheden van het derde land en van de Commissie in de uitvoering van de middelen omschreven. In de financieringsovereenkomst worden ook de regels en procedures bepaald die het derde land bij de uitvoering van middelen van de Unie dient toe te passen.

Artikel 159

Blendingverrichtingen

1.  Blendingverrichtingen worden hetzij door de Commissie, hetzij door personen of entiteiten die overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), middelen van de Unie uitvoeren, beheerd.

2.  Wanneer financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties binnen een blendingfaciliteit of -platform worden uitgevoerd, is titel X van toepassing.

3.  Voor financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties die binnen blendingfaciliteiten of -platforms worden uitgevoerd, wordt ervan uitgegaan dat aan artikel 209, lid 2, eerste alinea, onder h), is voldaan indien er voorafgaand aan de oprichting van de betrokken blendingfaciliteit of het betrokken blendingplatform een evaluatie is verricht;

4.  De jaarverslagen in de zin van artikel 249 worden opgesteld op het niveau van de blendingfaciliteit of het blendingplatform, rekening houdend met alle financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties die onder de faciliteit of platform gegroepeerd zijn, en met duidelijke vermelding van de verschillende soorten financiële steun daarbinnen.



TITEL VII

AANBESTEDINGEN EN CONCESSIES



HOOFDSTUK 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 160

Op overeenkomsten toepasselijke beginselen en toepassingsgebied

1.  Bij alle geheel of gedeeltelijk uit de begroting gefinancierde overeenkomsten worden het transparantiebeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van non-discriminatie in acht genomen.

2.  Bij de totstandkoming van alle overeenkomsten wordt gezorgd voor een zo ruim mogelijke mededinging, behalve wanneer de in artikel 164, lid 1, onder d), bedoelde procedure wordt toegepast.

De geraamde waarde van een overeenkomst wordt niet bepaald met het voornemen de toepasselijke regels te omzeilen, noch wordt een overeenkomst met dezelfde bedoeling opgesplitst.

De aanbestedende dienst verdeelt een overeenkomst in percelen indien dat passend is, met inachtneming van een brede mededinging.

3.  De aanbestedende diensten gebruiken raamovereenkomsten niet oneigenlijk en evenmin op een wijze die ertoe strekt of ten gevolge heeft dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

4.  Het JRC kan financiering ontvangen uit andere kredieten dan de kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling, zulks in het kader van zijn deelname aan aanbestedingsprocedures die geheel of gedeeltelijk uit de begroting worden gefinancierd.

5.  De in deze verordening vastgestelde regels voor aanbestedingen zijn niet van toepassing op de activiteiten van het JRC voor rekening van derden, met uitzondering van het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling.

Artikel 161

Bijlage over aanbestedingen en bevoegdheidsdelegatie

In bijlage I bij deze verordening worden nadere regels voor aanbestedingen vastgesteld. Teneinde ervoor te zorgen dat instellingen van de Unie bij het gunnen van overeenkomsten voor eigen rekening dezelfde normen toepassen als die welke gelden voor aanbestedende diensten die vallen onder Richtlijnen 2014/23/EU en 2014/24/EU, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 269 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I bij deze verordening te wijzigen, teneinde deze aan te passen aan de wijzigingen van voornoemde richtlijnen en daarmee samenhangende technische aanpassingen aan te brengen.

Artikel 162

Gemengde overeenkomsten en gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten

1.  Een gemengde overeenkomst die betrekking heeft op twee of meer soorten aanbestedingen (werken, leveringen of diensten) of concessies (werken of diensten) of beide, wordt gegund overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het soort aanbestedingen dat kenmerkend is voor het centrale onderwerp van de overeenkomst in kwestie.

2.  In het geval van gemengde overeenkomsten voor leveringen en diensten wordt het hoofdvoorwerp bepaald door een vergelijking van de waarde van de betrokken diensten of leveringen.

Een overeenkomst die betrekking heeft op één soort aanbestedingen (werken, leveringen of diensten) en concessies (werken of diensten) wordt gegund overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op de betrokken overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht.

3.  Deze titel is niet van toepassing op overeenkomsten betreffende technische bijstand met de EIB of het EIF.

4.  Verwijzingen naar nomenclaturen in het kader van aanbestedingen geschiedt op grond van de referentienomenclatuur van de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) van Verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad ( 24 ).

Artikel 163

Publiciteitsmaatregelen

1.  Voor procedures met een waarde gelijk aan of hoger dan de in artikel 175, lid 1, of artikel 178 bedoelde drempelwaarden, maakt de aanbestedende dienst in het Publicatieblad van de Europese Unie het volgende bekend:

a) bij de aanvang van een procedure, een aanbestedingsbericht, behalve bij de in artikel 164, lid 1, onder d), bedoelde procedure;

b) een gunningsbericht, die betrekking heeft op de resultaten van de procedure.

2.  Procedures waarvan de waarde lager is dan de in artikel 175, lid 1, of artikel 178 bedoelde drempelwaarden worden op passende wijze bekendgemaakt.

3.  Bekendmaking van bepaalde informatie over de gunning van een overeenkomst kan achterwege blijven indien zulks de rechtshandhaving zou belemmeren, in strijd zou zijn met het openbaar belang, afbreuk zou doen aan rechtmatige commerciële belangen van ondernemers of een eerlijke mededinging tussen hen zou kunnen belemmeren.

Artikel 164

Aanbestedingsprocedures

1.  Voor de gunning van concessieovereenkomsten of overeenkomsten tot uitvoering van overheidsopdrachten, waaronder raamovereenkomsten, kan een van de volgende aanbestedingsprocedures worden gevolgd:

a) openbare procedure;

b) niet-openbare procedure, onder meer via een dynamisch aankoopsysteem;

c) prijsvraag;

d) onderhandelingsprocedure, ook zonder voorafgaande bekendmaking;

e) concurrentiegerichte dialoog;

f) mededingingsprocedure met onderhandeling;

g) innovatiepartnerschap;

h) procedures na een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling.

2.  In openbare procedures mag elke belangstellende ondernemer een inschrijving indienen.

3.  In niet-openbare procedures, concurrentiegerichte dialogen, mededingingsprocedures met onderhandeling en innovatiepartnerschappen mag elke ondernemer een verzoek tot deelname indienen en daartoe de door de aanbestedende dienst verlangde informatie verstrekken. De aanbestedende dienst nodigt alle gegadigden die aan de selectiecriteria voldoen en die niet verkeren in een situatie als bedoeld in artikel 136, lid 1, en artikel 141, lid 1, uit tot het indienen van een inschrijving.

Niettegenstaande de eerste alinea kan de aanbestedende dienst het aantal gegadigden dat tot deelname aan de procedure wordt uitgenodigd, beperken op grond van objectieve en niet-discriminerende selectiecriteria, die worden vermeld in het aanbestedingsbericht of in de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling. Het aantal gegadigden dat wordt uitgenodigd, moet voldoende zijn om een werkelijke mededinging te garanderen.

4.  In alle procedures met onderhandeling onderhandelt de aanbestedende dienst met de inschrijvers over de oorspronkelijke en eventuele daaropvolgende inschrijvingen of delen daarvan, uitgezonderd hun definitieve inschrijvingen, teneinde de inhoud ervan te verbeteren. Over de in de aanbestedingsstukken gespecificeerde minimumvereisten en criteria kan niet worden onderhandeld.

Een aanbestedende dienst kan een overeenkomst gunnen op basis van de oorspronkelijke inschrijving zonder onderhandeling, mits in de aanbestedingsstukken in die mogelijkheid is voorzien.

5.  De aanbestedende dienst kan gebruikmaken van:

a) de openbare of de niet-openbare procedure, voor elke aankoop;

b) de procedures na een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor overeenkomsten waarvan de waarde lager is dan de in artikel 175, lid 1, bedoelde drempelwaarden, voor een eerste selectie van de gegadigden die zullen worden uitgenodigd tot het indienen van inschrijvingen in het licht van toekomstige niet-openbare uitnodigingen tot inschrijving, of met als doel te komen tot een lijst van verkopers die zullen worden uitgenodigd om verzoeken tot deelname of inschrijvingen in te dienen;

c) de prijsvraag, voor het verwerven van een plan of ontwerp dat op basis van vergelijking door een jury wordt geselecteerd;

d) het innovatiepartnerschap, voor het ontwikkelen van een innovatief product, een innovatieve dienst of innovatieve werken en voor de daaropvolgende aankoop van de daaruit resulterende levering, dienstverlening of verrichting van werken;

e) de mededingingsprocedure met onderhandeling of de concurrentiegerichte dialoog voor concessieovereenkomsten, voor de in bijlage XIV bij Richtlijn 2014/24/EU bedoelde overeenkomsten voor diensten, in gevallen waarin er in antwoord op een openbare of een niet-openbare procedure na afsluiting van de oorspronkelijke procedure slechts onregelmatige of onaanvaardbare inschrijvingen zijn ingediend, en voor gevallen waarin dat wordt gerechtvaardigd door de bijzondere omstandigheden onder meer in verband met de aard of de complexiteit van het onderwerp van de overeenkomst, dan wel met de specifieke soort overeenkomst, zoals nader omschreven in bijlage I bij deze verordening;

f) de onderhandelingsprocedure voor overeenkomsten waarvan de waarde lager is dan de in artikel 175, lid 1, bedoelde drempelwaarde of de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, voor bepaalde soorten aankopen die niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/24/EU vallen of in de duidelijk omschreven uitzonderlijke omstandigheden die zijn bepaald in bijlage I bij deze verordening.

6.  Een dynamisch aankoopsysteem staat gedurende de gehele looptijd open voor elke ondernemer die aan de selectiecriteria voldoet.

De aanbestedende dienst volgt de regels van de niet-openbare procedure voor aanbestedingen via een dynamisch aankoopsysteem.

Artikel 165

Interinstitutionele aanbesteding en gezamenlijke aanbesteding

1.  Indien een overeenkomst of een raamovereenkomst van belang is voor twee of meer instellingen van de Unie, uitvoerende agentschappen of organen van de Unie in de zin van de artikelen 70 en 71 en zulks de efficiëntie ten goede kan komen, kunnen de betrokken aanbestedende diensten de procedure en het beheer van de daaruit voortvloeiende overeenkomst of raamovereenkomst op interinstitutionele basis uitvoeren onder de leiding van een van de aanbestedende diensten.

De organen en personen aan wie de uitvoering van specifieke acties in het GBVB overeenkomstig titel V van het VEU is toevertrouwd, alsmede de secretaris van de Raad van bestuur van de Europese Scholen kunnen ook aan de interinstitutionele procedures deelnemen.

De voorwaarden van een raamovereenkomst zijn alleen van toepassing tussen de aanbestedende diensten die in de aanbestedingsstukken met het oog daarop zijn aangewezen, en de ondernemers die partij zijn bij de raamovereenkomst.

2.  Indien een overeenkomst of raamovereenkomst nodig is voor de uitvoering van een gezamenlijke actie van een instelling van de Unie en een of meer aanbestedende diensten van lidstaten, kan de aanbestedingsprocedure gezamenlijk door die instelling van de Unie en de aanbestedende diensten worden uitgevoerd.

Gezamenlijke aanbesteding mag plaatsvinden met de EVA-staten, alsmede met de kandidaat-lidstaten van de Unie, indien die mogelijkheid uitdrukkelijk is vastgelegd in een bilateraal of multilateraal verdrag.

De voor de instellingen van de Unie geldende procedurele bepalingen van toepassing op de gezamenlijke aanbesteding.

Indien het aandeel van, of beheerd door, de aanbestedende dienst van een lidstaat in de geraamde totale waarde van de overeenkomst gelijk is aan of hoger is dan 50 %, of in naar behoren gemotiveerde gevallen, kan de instelling van de Unie besluiten dat de voor de aanbestedende dienst van een lidstaat geldende procedurele bepalingen op de gezamenlijke aanbesteding van toepassing zijn, op voorwaarde dat die bepalingen als gelijkwaardig met die van de instelling van de Unie kunnen worden beschouwd.

De instelling van de Unie en de aanbestedende dienst van een lidstaat, een EVA-staat of een kandidaat-lidstaat van de Unie die bij de gezamenlijke aanbesteding betrokken zijn, maken met name afspraken over de praktische nadere regelingen voor de evaluatie van de verzoeken tot deelname of van de inschrijvingen, de gunning van de overeenkomst, het recht dat op de overeenkomst van toepassing is, en de in geval van geschil bevoegde rechter.

Artikel 166

Voorbereiding van een aanbestedingsprocedure

1.  Vóór de aanvang van een aanbestedingsprocedure kan de aanbestedende dienst, ter voorbereiding van de procedure, een marktconsultatie houden.

2.  In de aanbestedingsstukken bepaalt de aanbestedende dienst het onderwerp van de aanbesteding door een beschrijving te geven van zijn behoeften en van de vereiste kenmerken van de aan te kopen werken, leveringen of diensten, en legt hij de toepasselijke uitsluitings-, selectie- en gunningscriteria vast. De aanbestedende dienst geeft ook aan welke elementen de minimumeisen zijn waaraan alle inschrijvingen moeten voldoen. Een van de minimumeisen is dat wordt voldaan aan de verplichtingen van de toepasselijke milieu-, sociaal- en arbeidsrechtelijke regels van het Unierecht, nationaal recht, collectieve overeenkomsten of de in bijlage X bij Richtlijn 2014/24/EU opgenomen toepasselijke internationale sociale en milieuovereenkomsten.

Artikel 167

Gunning van overeenkomsten

1.  Overeenkomsten worden gegund op basis van gunningscriteria, mits door de aanbestedende dienst het volgende is nagegaan:

a) de inschrijving voldoet aan de minimumeisen die zijn vastgesteld in de aanbestedingsstukken;

b) de gegadigde of inschrijver is niet uitgesloten op grond van artikel 136 en is evenmin afgewezen op grond van artikel 141;

c) de gegadigde of inschrijver voldoet aan de selectiecriteria die zijn vastgesteld in de aanbestedingsstukken en heeft geen belangenconflict die de uitvoering van de overeenkomst negatief kunnen beïnvloeden.

2.  De aanbestedende dienst past de selectiecriteria toe om de geschiktheid van de gegadigde of de inschrijver te evalueren. De selectiecriteria hebben alleen betrekking op de juridische en regelgevende bevoegdheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen, de economische en financiële draagkracht, en de technische en beroepsbekwaamheid. Het JRC wordt geacht te voldoen aan de eisen inzake financiële draagkracht.

3.  De aanbestedende dienst past de gunningscriteria toe om de inschrijving te evalueren.

4.  Voor de gunning van overeenkomsten baseert de aanbestedende dienst zich op de economisch meest voordelige inschrijving, die wordt bepaald volgens één van deze drie gunningsmethoden: laagste prijs, laagste kosten of beste prijs-kwaliteitverhouding.

Voor de methode met betrekking tot de laagste kosten hanteert de aanbestedende dienst een kosteneffectiviteitsbenadering, met inbegrip van levenscycluskostenberekening.

Voor de beste prijs-kwaliteitverhouding houdt de aanbestedende dienst rekening met de prijs of de kosten en andere kwaliteitscriteria in verband met het voorwerp van de overeenkomst.

Artikel 168

Indiening, elektronische communicatie en beoordeling

1.  De aanbestedende dienst stelt voor de ontvangst van de inschrijvingen en de verzoeken tot deelname termijnen vast overeenkomstig punt 24 van bijlage I en rekening houdend met de complexiteit van de aankoop, en laat ondernemers daarbij voldoende tijd om hun inschrijvingen voor te bereiden.

2.  Indien dit passend en evenredig wordt geacht, kan de aanbestedende dienst, teneinde te waarborgen dat de inschrijvers de door hen ingediende inschrijvingen gestand doen tot de ondertekening van de overeenkomst, verlangen dat een garantie wordt gesteld. De verlangde garantie is gelijk aan 1 tot 2 % van de totale geraamde waarde van de overeenkomst.

De aanbestedende dienst geeft de garanties vrij:

a) ten aanzien van inschrijvers of afgewezen inschrijvingen als bedoeld in punt 30.2, onder b) of c), van bijlage I, na kennisgeving van het resultaat van de procedure;

b) ten aanzien van inschrijvers gerangschikt als bedoeld in punt 30.2, onder e), van bijlage I, na de ondertekening van de overeenkomst.

3.  De aanbestedende dienst opent alle verzoeken tot deelname en inschrijvingen. Hij wijst evenwel af:

a) verzoeken tot deelname en inschrijvingen waarbij de uiterste datum voor ontvangst niet in acht is genomen, zonder deze te openen;

b) reeds bij ontvangst geopende inschrijvingen, zonder bestudering van de inhoud daarvan.

4.  Alle verzoeken tot deelname of inschrijvingen die niet tijdens de in lid 3 bedoelde openingsfase zijn afgewezen, worden door de aanbestedende dienst beoordeeld op grond van de in de aanbestedingsstukken vastgestelde criteria, teneinde de overeenkomst te gunnen of tot een elektronische veiling over te gaan.

5.  De ordonnateur mag afzien van de aanstelling van een evaluatiecomité overeenkomstig artikel 150, lid 2, in de volgende gevallen:

a) de waarde van de overeenkomst ligt onder de in artikel 175, lid 1, bedoelde drempels;

b) op basis van een risicoanalyse voor de gevallen bedoeld in punt 11.1, tweede alinea, onder c), onder e), onder f), punt i), onder f), punt iii), en onder h), van bijlage I;

c) op basis van een risicoanalyse wanneer in het kader van een raamovereenkomst tot een hernieuwde oproep tot mededinging wordt overgegaan;

d) voor procedures op het gebied van extern optreden met een waarde van minder dan of gelijk aan 20 000  EUR.

6.  Verzoeken tot deelname en inschrijvingen die niet aan alle minimumeisen van de aanbestedingsstukken voldoen, worden afgewezen.

Artikel 169

Contacten tijdens de aanbestedingsprocedure

1.  Vóór de uiterste datum voor ontvangst van verzoeken tot deelname of inschrijvingen kan de aanbestedende dienst aanvullende informatie verstrekken over de aanbestedingsstukken indien hij een fout of een omissie in de tekst ontdekt of op verzoek van gegadigden of inschrijvers. Verstrekte informatie wordt aan alle gegadigden of inschrijvers meegedeeld.

2.  Na de uiterste datum voor ontvangst van verzoeken tot deelname of inschrijvingen wordt in alle gevallen waarin er contacten zijn geweest, en in de naar behoren gemotiveerde gevallen waarin geen contact heeft plaatsgevonden op de in artikel 151 beschreven wijze, in het aanbestedingsdossier een aantekening gemaakt.

Artikel 170

Gunningsbesluit en informatieverstrekking aan gegadigden en inschrijvers

1.  De bevoegde ordonnateur beslist aan wie de overeenkomst wordt gegund, met inachtneming van de selectie- en gunningscriteria die in de aanbestedingsstukken zijn vastgesteld.

2.  De aanbestedende dienst deelt aan elke afgewezen gegadigde of inschrijver de redenen mee waarom zijn verzoek tot deelname of inschrijving is afgewezen evenals de duur van de in artikel 175, lid 2, en artikel 178, lid 1, bedoelde wachttermijn.

Wat betreft de gunning van specifieke overeenkomsten in het kader van een raamovereenkomst met hernieuwde oproep tot mededinging, stelt de aanbestedende dienst de inschrijvers in kennis van het resultaat van de evaluatie.

3.  De aanbestedende dienst stelt op schriftelijk verzoek elke inschrijver die niet in een in artikel 136, lid 1, bedoelde uitsluitingssituatie verkeert, die niet overeenkomstig artikel 141 afgewezen is en waarvan de inschrijving conform is met de aanbestedingsstukken, in kennis van:

a) de naam van de inschrijver, of inschrijvers in het geval van een raamovereenkomst, aan wie de overeenkomst wordt gegund en, behalve in het geval van een specifieke overeenkomst in het kader van een raamovereenkomst met hernieuwde oproep tot mededinging, de kenmerken en relatieve voordelen van de geselecteerde inschrijving, de betaalde prijs of de waarde van de overeenkomst, naargelang wat passend is;

b) de voortgang bij de onderhandelingen en de dialoog met de inschrijvers.

De aanbestedende dienst kan echter beslissen bepaalde informatie niet mee te delen indien bekendmaking ervan de rechtshandhaving zou belemmeren, in strijd zou zijn met het openbaar belang, afbreuk zou doen aan rechtmatige commerciële belangen van ondernemers of een eerlijke mededinging tussen hen zou vervalsen.

Artikel 171

Annulering van de aanbestedingsprocedure

De aanbestedende dienst kan tot op het ogenblik van de ondertekening van de overeenkomst de aanbestedingsprocedure annuleren, zonder dat de gegadigden of inschrijvers aanspraak kunnen maken op enige schadevergoeding.

Dit besluit wordt gemotiveerd en zo spoedig mogelijk ter kennis van de gegadigden of inschrijvers gebracht.

Artikel 172

Uitvoering en wijzigingen van de overeenkomst

1.  Met de uitvoering van de overeenkomst wordt niet begonnen voordat deze is ondertekend.

2.  De aanbestedende dienst mag, zonder een aanbestedingsprocedure, een overeenkomst of raamovereenkomst slechts wijzigen in de gevallen die zijn vastgesteld in lid 3 en mits de wijziging het voorwerp van de overeenkomst of de raamovereenkomst niet wijzigt.

3.  Een overeenkomst, een raamovereenkomst of een specifieke overeenkomst in het kader van een raamovereenkomst kan zonder nieuwe aanbestedingsprocedure worden gewijzigd in de volgende gevallen:

a) voor aanvullende werken, leveringen of diensten door de oorspronkelijke contractant die noodzakelijk zijn geworden, en die niet in de oorspronkelijke aanbesteding waren opgenomen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i) een verandering van contractant is niet mogelijk om technische redenen in verband met eisen van uitwisselbaarheid of interoperabiliteit met bestaande uitrusting, diensten of installaties;

ii) een verandering van contractant zou voor de aanbestedende dienst aanzienlijke extra kosten veroorzaken;

iii) prijsverhogingen, inclusief de netto cumulatieve waarde van achtereenvolgende wijzigingen, bedragen niet meer dan 50 % van de oorspronkelijke waarde van de overeenkomst;

b) indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

i) de behoefte aan wijziging is het gevolg van omstandigheden die een zorgvuldige aanbestedende dienst niet kon voorzien;

ii) prijsverhogingen bedragen niet meer dan 50 % van de oorspronkelijke waarde van de overeenkomst;

c) indien het bedrag dat de wijziging met zich meebrengt, lager is dan de volgende drempelwaarden:

i) de ten tijde van de wijziging op het gebied van extern optreden toepasselijke drempelwaarden bedoeld in artikel 175, lid 1, en in punt 38 van bijlage I, en

ii) 10 % van de oorspronkelijke waarde van de overeenkomst tot uitvoering van overheidsopdrachten voor diensten en leveringen en van de concessieovereenkomsten voor werken of diensten en 15 % van de oorspronkelijke waarde van de overeenkomst tot uitvoering van overheidsopdrachten voor werken;

d) indien aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan:

i) worden de minimumeisen van de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure niet gewijzigd;

ii) voldoet elke navolgende waardewijziging aan de in deze alinea, onder c), bepaalde voorwaarden, tenzij deze waardewijziging voortvloeit uit een strikte toepassing van de aanbestedingsstukken of de contractuele bepalingen.

In de oorspronkelijke waarde van de overeenkomst wordt geen rekening gehouden met prijswijzigingen.

De netto cumulatieve waarde van meerdere achtereenvolgende wijzigingen op grond van de eerste alinea, onder c), bedraagt niet meer dan de daarin vermelde drempelwaarden.

De aanbestedende dienst past de in artikel 163 vermelde publiciteitsmaatregelen achteraf toe.

Artikel 173

Uitvoeringsgaranties en retentiegaranties

1.  Een uitvoeringsgarantie bedraagt maximaal 10 % van de totale waarde van de overeenkomst.

Zij wordt volledig vrijgegeven na de definitieve oplevering van de werken, leveringen of complexe diensten, binnen een in de overeenkomst overeenkomstig artikel 116, lid 1, te bepalen termijn. Zij kan geheel of gedeeltelijk worden vrijgegeven na de voorlopige oplevering van de werken, leveringen of complexe diensten.

2.  Een retentiegarantie van ten hoogste 10 % van de totale waarde van de overeenkomst kan worden gevormd door inhoudingen op eventuele tussentijdse betalingen of door een inhouding op de eindbetaling.

Het bedrag van de retentiegarantie wordt bepaald door de aanbestedende dienst en is evenredig aan de geïdentificeerde risico’s wat betreft de uitvoering van de overeenkomst, rekening houdende met het voorwerp van de overeenkomst en met de in de betrokken sector gebruikelijke commerciële voorwaarden.

Een retentiegarantie mag niet worden gebruikt in een overeenkomst waarbij een uitvoeringsgarantie is gevraagd en niet is vrijgegeven.

3.  Onder voorbehoud van goedkeuring door de aanbestedende dienst, kan de contractant verzoeken de retentiegarantie te vervangen door een andere soort garantie als bedoeld in artikel 152.

4.  De aanbestedende dienst geeft de retentiegarantie vrij nadat de termijn van contractuele aansprakelijkheid is verstreken, binnen een in de overeenkomst overeenkomstig artikel 116, lid 1, te bepalen termijn.



HOOFDSTUK 2

Bepalingen betreffende de door instellingen van de Unie voor eigen rekening gegunde overeenkomsten

Artikel 174

De aanbestedende dienst

1.  Instellingen van de Unie, uitvoerende agentschappen en organen van de Unie als bedoeld in de artikelen 70 en 71 worden als aanbestedende diensten beschouwd met betrekking tot voor eigen rekening gegunde overeenkomsten, behalve ingeval zij aankopen doen bij een aankoopcentrale. Ingeval diensten van instellingen van de Unie onderling overeenkomsten op dienstniveau sluiten, worden zij niet als aanbestedende diensten aangemerkt.

Instellingen van de Unie die overeenkomstig de eerste alinea als aanbestedende diensten worden beschouwd, delegeren overeenkomstig artikel 60 de nodige bevoegdheden voor de uitoefening van de functie van de aanbestedende dienst.

2.  Bij elke instelling van de Unie moet elke gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur nagaan of de in artikel 175, lid 1, bedoelde drempelwaarden worden bereikt.

Artikel 175

Toepasselijke drempelwaarden en wachttermijn

1.  Bij de gunning van overeenkomsten tot uitvoering van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten neemt de aanbestedende dienst bij de keuze van een in artikel 164, lid 1, bedoelde procedure de in artikel 4, onder a) en b), van Richtlijn 2014/24/EU vastgestelde drempelwaarden in acht. Deze drempelwaarden zijn bepalend voor de publiciteitsmaatregelen die zijn vastgesteld in artikel 163, leden 1 en 2.

2.  Onder voorbehoud van de uitzonderingen en voorwaarden die zijn vastgesteld in bijlage I bij deze verordening, wordt bij overeenkomsten die de in lid 1 bedoelde drempelwaarden overschrijden de overeenkomst of de raamovereenkomst met de geselecteerde inschrijver pas door de aanbestedende dienst ondertekend wanneer een wachttermijn is verstreken.

3.  Bij gebruik van elektronische communicatiemiddelen bedraagt de wachttermijn tien dagen, en vijftien dagen bij gebruik van andere middelen.

Artikel 176

Regels inzake toegang tot aanbestedingen

1.  De deelname aan aanbestedingsprocedures staat onder gelijke voorwaarden open voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen die binnen de werkingssfeer van de Verdragen vallen en voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen, gevestigd in een derde land dat met de Unie een bijzondere overeenkomst op het gebied van aanbestedingen heeft gesloten, zulks onder de voorwaarden van een dergelijke overeenkomst. Deelname staat ook open voor internationale organisaties.

2.  Voor de toepassing van artikel 160, lid 4, wordt het JRC beschouwd als een in een lidstaat gevestigde rechtspersoon.

Artikel 177

Aanbestedingsregels van de Wereldhandelsorganisatie

Indien de in het kader van de Wereldhandelsorganisatie gesloten plurilaterale overeenkomst inzake overheidsopdrachten van toepassing is, staat de aanbestedingsprocedure ook open voor ondernemers, gevestigd in de staten die deze overeenkomst hebben geratificeerd, zulks onder de daarin vastgelegde voorwaarden.



HOOFDSTUK 3

Bepalingen betreffende aanbestedingen op het gebied van extern optreden

Artikel 178

Aanbestedingen voor extern optreden

1.  De in hoofdstuk 1 van deze titel vervatte algemene bepalingen inzake aanbestedingen zijn van toepassing op de overeenkomsten die onder dit hoofdstuk vallen, behoudens de in bijlage I, hoofdstuk 3, opgenomen specifieke bepalingen betreffende de modaliteiten voor het gunnen van externe overeenkomsten. De artikelen 174 tot en met 177 zijn niet van toepassing op de onder dit hoofdstuk vallende aanbestedingen.

Onder voorbehoud van de in bijlage I vastgestelde uitzonderingen en voorwaarden wordt de overeenkomst of de raamovereenkomst met de geselecteerde inschrijver pas door de aanbestedende dienst ondertekend wanneer een wachttermijn is verstreken. Bij gebruik van elektronische communicatiemiddelen bedraagt de wachttermijn tien dagen, en vijftien dagen bij gebruik van andere middelen.

Artikel 163 en artikel 164, lid 1, onder a) en b), en de tweede alinea van dit lid zijn pas van toepassing vanaf:

a) 300 000  EUR voor overeenkomsten voor diensten en leveringen;

b) 5 000 000  EUR voor overeenkomsten voor werken.

2.  Dit hoofdstuk is van toepassing op:

a) aanbestedingen waarbij de Commissie overeenkomsten niet voor eigen rekening gunt;

b) aanbestedingen door in artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), bedoelde personen of entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren, indien dat is vastgesteld in de bijdrage- of financieringsovereenkomsten als bedoeld in artikel 154.

3.  De aanbestedingsprocedures worden vastgesteld in de in artikel 158 bedoelde financieringsovereenkomsten.

4.  Dit hoofdstuk is niet van toepassing op maatregelen die op grond van sectorspecifieke basishandelingen worden genomen in het kader van hulp bij de beheersing van humanitaire crises, alsmede van operaties op het gebied van civiele bescherming en humanitaire hulp.

Artikel 179

Regels inzake toegang tot aanbestedingen op het gebied van extern optreden

1.  De deelname aan aanbestedingsprocedures staat onder gelijke voorwaarden open voor alle personen die vallen onder het toepassingsgebied van de Verdragen en voor alle andere natuurlijke personen en rechtspersonen overeenkomstig de specifieke bepalingen van de basisinstrumenten betreffende het betrokken samenwerkingsterrein. Deelname staat ook open voor internationale organisaties.

2.  Er kan worden beslist dat andere onderdanen van derde landen dan die bedoeld in lid 1 van dit artikel onder door de bevoegde ordonnateur naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden aan aanbestedingen kunnen deelnemen.

3.  Indien een overeenkomst inzake de openstelling van de markt voor de aanbesteding van goederen en diensten waarbij de Unie partij is, van toepassing is, staan de uit de begroting gefinancierde aanbestedingsprocedures voor overeenkomsten onder de in die overeenkomst vastgestelde voorwaarden eveneens open voor natuurlijke personen en rechtspersonen die zijn gevestigd in andere derde landen dan die bedoeld in de leden 1 en 2.



TITEL VIII

SUBSIDIES



HOOFDSTUK 1

Toepassingsgebied en vorm van subsidies

Artikel 180

Toepassingsgebied en vorm van subsidies

1.  Deze titel is van toepassing op subsidies die in direct beheer worden toegekend.

2.  Subsidies mogen worden toegekend voor de financiering van:

a) een actie die beoogt bij te dragen tot de verwezenlijking van een beleidsdoelstelling van de Unie („actiesubsidies”);

b) de werking van een orgaan dat een in het kader en ter ondersteuning van het beleid van de Unie passende doelstelling nastreeft („exploitatiesubsidies”).

Exploitatiesubsidies nemen de vorm aan van een financiële bijdrage tot het werkprogramma van het in de eerste alinea, onder b) bedoelde orgaan.

3.  Subsidies kunnen een van de vormen aannemen waarin bij artikel 125, lid 1, is voorzien.

Indien de subsidie de vorm van financiering aanneemt die niet gekoppeld is aan kosten uit hoofde van artikel 125, lid 1, eerste alinea, onder a):

a) zijn de in deze titel, met name de artikelen 182, 184 en 185, artikel 186, leden 2 tot en met 4, artikel 190, artikel 191, lid 3, en artikel 203, lid 4, vastgestelde bepalingen betreffende de subsidiabiliteit en de verificatie van kosten niet van toepassing.

b) wat betreft artikel 181 zijn uitsluitend de in dat artikel, leden 2 en 3, lid 4, eerste alinea, onder a) en d), lid 4, tweede alinea, en lid 5, bedoelde procedure en vereisten van toepassing.

4.  Elke instelling van de Unie kan overeenkomsten tot uitvoering van een overheidsopdracht of subsidies voor communicatieactiviteiten toekennen. Indien het gebruik van aanbestedingen vanwege de aard van de activiteiten niet geschikt is, kunnen subsidies worden toegekend.

5.  Het JRC kan financiering ontvangen uit andere kredieten dan de kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling, zulks in het kader van zijn deelname aan procedures voor de toekenning van subsidies die geheel of gedeeltelijk uit de begroting worden gefinancierd. In dergelijke gevallen zijn artikel 198, lid 4, in zoverre het de financiële draagkracht betreft, en artikel 196, lid 1, onder a) tot en met d), niet van toepassing.

Artikel 181

Vaste bedragen, eenheidskosten en financiering volgens een vast percentage

1.  In geval van een subsidie in de vorm van vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage als bedoeld in artikel 125, lid 1, eerste alinea, onder c), d) of e) is deze titel van toepassing, met uitzondering van de bepalingen of delen van de bepalingen in verband met de verificatie van werkelijk gemaakte subsidiabele kosten.

2.  Waar mogelijk en passend, worden vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages zodanig bepaald dat ze kunnen worden betaald bij het bereiken van concrete outputs en/of resultaten.

3.  Tenzij anders bepaald in de basishandeling, wordt het gebruik van vaste bedragen, eenheidskosten en financiering volgens een vast percentage toegestaan bij een besluit van de bevoegde ordonnateur, die handelt volgens de interne regels van de betrokken instelling van de Unie.

4.  Het besluit waarbij toestemming wordt verleend, bevat ten minste:

a) een motivering met betrekking tot de geschiktheid van dergelijke financieringsvormen ten aanzien van de aard van de gesteunde acties of werkprogramma’s en ten aanzien van de mogelijke onregelmatigheden en fraude en van de controlekosten;

b) een identificatie van de kosten of categorieën kosten die worden gedekt door vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage, die overeenkomstig artikel 186, lid 3, onder c), e) en f), en artikel 186, lid 4, subsidiabel worden geacht, met uitsluiting van niet-subsidiabele kosten uit hoofde van de toepasselijke regels van de Unie;

c) een beschrijving van de methoden ter vaststelling van vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage. Die methoden zijn gebaseerd op:

i) statistische gegevens, even objectieve hulpmiddelen of een deskundig oordeel dat door intern beschikbare deskundigen is verstrekt of overeenkomstig de toepasselijke regels is verkregen, of

ii) een aanpak per begunstigde, met verwijzing naar gecertificeerde of controleerbare gegevens van de begunstigde uit het verleden of naar zijn gebruikelijke kostenberekeningsmethoden;

d) waar mogelijk, de wezenlijke voorwaarden die aanleiding geven tot betaling, met inbegrip van, in voorkomend geval, het verwezenlijken van outputs en/of resultaten;

e) indien vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages niet op output en/of resultaat gebaseerd zijn, een motivering waarom een aanpak op basis van output en/of resultaat niet mogelijk of passend is.

De in de eerste alinea, onder c), bedoelde methoden garanderen:

a) de inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer, met name de geschiktheid van de respectieve bedragen ten aanzien van de vereiste outputs en/of resultaten, rekening houdend met de voorzienbare ontvangsten die door de acties of werkprogramma’s worden voortgebracht;

b) een redelijke naleving van de beginselen van medefinanciering en verbod op dubbele financiering.

5.  Het besluit waarbij toestemming wordt verleend geldt voor de duur van het programma of de programma’s tenzij anders bepaald in dat besluit.

Het besluit waarbij toestemming wordt verleend kan slaan op het gebruik van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages voor meer dan één specifiek financieringsprogramma, indien de aard van de activiteiten of van de uitgaven een gemeenschappelijke aanpak mogelijk maken. In dat geval kan het besluit waarbij toestemming wordt verleend, worden vastgesteld door:

a) de bevoegde ordonnateurs wanneer alle betrokken activiteiten onder hun bevoegdheid vallen;

b) de Commissie indien dit passend is in het licht van de aard van de activiteiten of de uitgaven of in het licht van het aantal betrokken ordonnateurs.

6.  De bevoegde ordonnateur kan een financiering volgens een vast percentage toestaan of opleggen voor de indirecte kosten van de begunstigde tot maximaal 7 % van de totale subsidiabele directe kosten van de actie. Een hoger vast percentage kan worden toegestaan bij een met redenen omkleed besluit van de Commissie. De bevoegde ordonnateur rapporteert in het jaarlijks activiteitenverslag als bedoeld in artikel 74, lid 9, over het genomen besluit, het toegestane vaste percentage en de redenen voor het nemen van dat besluit.

7.  Kmo-eigenaren en andere natuurlijke personen die geen salaris ontvangen mogen subsidiabele personeelskosten opgeven voor de in het kader van een actie of werkprogramma door henzelf verrichte werkzaamheden, op basis van overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 toegestane eenheidskosten.

8.  Begunstigden mogen personeelskosten opgeven voor de in het kader van een actie of werkprogramma door vrijwilligers verrichte werkzaamheden, op basis van overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 toegestane eenheidskosten.

Artikel 182

Eenmalige vaste bedragen

1.  Een vast bedrag als bedoeld in artikel 125, lid 1, eerste alinea, onder d), kan alle subsidiabele kosten van een actie of een werkprogramma dekken („eenmalig vast bedrag”).

2.  Overeenkomstig artikel 181, lid 4, kunnen eenmalige vaste bedragen op basis van de geraamde begroting van de actie of het werkprogramma worden vastgesteld. Die geraamde begroting moet voldoen aan de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid. De inachtneming van die beginselen wordt vooraf geverifieerd op het ogenblik van de evaluatie van de subsidieaanvraag.

3.  Bij het toestaan van eenmalige vaste bedragen leeft de bevoegde ordonnateur artikel 181 na.

Artikel 183

Toetsen en controles van begunstigden met betrekking tot vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages

1.  De bevoegde ordonnateur controleert, uiterlijk vóór de betaling van het saldo, of de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling van vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages, met inbegrip van, waar vereist, het verwezenlijken van outputs en/of resultaten, zijn vervuld. Daarnaast kan de vervulling van die voorwaarden ook aan controles achteraf worden onderworpen.

De grootte van vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage die vooraf zijn bepaald volgens de methode die overeenkomstig artikel 181 door de bevoegde ordonnateur of de Commissie is toegestaan, wordt niet door controles achteraf betwist. Dit doet niet af aan het recht van de bevoegde ordonnateur om te controleren of de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling, als bedoeld in de eerste alinea van dit lid, zijn vervuld, en de subsidie overeenkomstig artikel 131, lid 4, te verlagen in geval van niet-vervulling van die voorwaarden of in geval van onregelmatigheden, fraude of een schending van andere verplichtingen. Indien vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages zijn vastgesteld op basis van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde, is artikel 185, lid 2, van toepassing.

2.  De frequentie en de reikwijdte van toetsen en controles kunnen onder meer afhangen van de aard van de actie of de begunstigde, met inbegrip van aan die begunstigde toe te schrijven onregelmatigheden of fraude uit het verleden.

3.  De voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages, houden geen verplichting in tot verslaglegging over de kosten die de begunstigde daadwerkelijk heeft gemaakt.

4.  Betaling van de subsidie op basis van vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage is niet van invloed op het recht om de boeken van de begunstigden in te kijken voor de in de artikelen 129 en 184 bedoelde doeleinden.

5.  Met het oog op de in lid 1 van dit artikel bedoelde toetsen en controles is artikel 186, lid 3, onder a) en b), van toepassing.

Artikel 184

Periodieke beoordeling van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages

De methode om vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages te bepalen, de onderliggende gegevens en de daaruit voortvloeiende bedragen evenals de geschiktheid van die bedragen ten aanzien van de voortgebrachte output en/of resultaten worden periodiek beoordeeld en, zo nodig, aangepast overeenkomstig artikel 181. De frequentie en de reikwijdte van de beoordelingen hangen af van de ontwikkeling en de aard van de kosten, met name rekening houdend met belangrijke wijzigingen in de marktprijzen en andere relevante omstandigheden.

Artikel 185

Gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde

1.  Wanneer hantering van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde is toegestaan, kan de bevoegde ordonnateur de overeenstemming van die methoden met de in artikel 181, lid 4, vastgestelde voorwaarden. Die beoordeling kan vooraf geschieden of door middel van een geschikte strategie voor controles achteraf.

2.  Wanneer de overeenstemming van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde met de in artikel 181, lid 4, bepaalde voorwaarden vooraf is bevestigd, zijn voor de grootte van de vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage die aan de hand van deze methoden zijn vastgesteld, geen controles achteraf meer nodig. Dit laat het recht van de bevoegde ordonnateur om de subsidie overeenkomstig artikel 131, lid 4, te verlagen, onverlet.

3.  De bevoegde ordonnateur mag ervan uitgaan dat de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde aan de in artikel 181, lid 4, bepaalde voorwaarden voldoen, indien deze door de nationale autoriteiten onder vergelijkbare financieringsstelsels worden aanvaard.

Artikel 186

Subsidiabele kosten

1.  Voor de absolute waarde van subsidies wordt een algemeen maximum („maximale subsidiebedrag”) in acht genomen, dat wordt vastgesteld op basis van:

a) het totale bedrag van niet aan financiering gekoppelde kosten, in het geval als bedoeld in artikel 125, lid 1, eerste alinea, onder a);

b) de geraamde subsidiabele kosten, waar mogelijk, in het in artikel 125, lid 1, eerste alinea, onder b), bedoelde geval;

c) het totale bedrag van de duidelijk vooraf vastgelegde geraamde subsidiabele kosten in de vorm van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages als bedoeld in artikel 125, lid 1, eerste alinea, onder c), d) en e).

Onverminderd de basishandeling kunnen subsidies daarnaast worden weergegeven als een percentage van de geraamde subsidiabele kosten, zulks indien de subsidie de in de eerste alinea, onder b), bedoelde vorm aanneemt, of als een percentage van de in de eerste alinea, onder c), bedoelde vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage.

Wanneer de subsidie de in de eerste alinea, onder b), van dit lid bedoelde vorm aanneemt en wanneer de subsidie vanwege de specifieke kenmerken van een actie slechts als een absolute waarde kan worden uitgedrukt, vindt de controle van de subsidiabele kosten plaats overeenkomstig artikel 155, lid 4, en, waar van toepassing, lid 5.

2.  Onverminderd het in de basishandeling vastgestelde maximale medefinancieringspercentage, geldt het volgende:

a) de subsidie bedraagt niet meer dan de subsidiabele kosten;

b) wanneer de subsidie de in lid 1, eerste alinea, onder b), bedoelde vorm aanneemt en indien de geraamde subsidiabele kosten de in artikel 181, lid 8, bedoelde kosten voor vrijwilligerswerk omvatten, bedraagt de subsidie niet meer dan de andere geraamde subsidiabele kosten dan de kosten voor vrijwilligerswerk.

3.  Subsidiabele kosten die daadwerkelijk door de begunstigde als bedoeld in artikel 125, lid 1, eerste alinea, onder b), zijn gemaakt, voldoen aan elk van de volgende criteria:

a) zij worden gemaakt tijdens de looptijd van de actie of het werkprogramma, met uitzondering van de kosten die betrekking hebben op de eindverslagen en auditcertificaten;

b) zij zijn aangegeven in de geraamde totale begroting van de actie of het werkprogramma;

c) zij zijn noodzakelijk ter uitvoering van de actie die of het werkprogramma dat het voorwerp is van de subsidie;

d) zij zijn aanwijsbaar en verifieerbaar, zijn met name opgenomen in de boekhoudbescheiden van de begunstigde en zijn vastgesteld overeenkomstig de boekhoudkundige normen die van toepassing zijn in het land waar de begunstigde is gevestigd en overeenkomstig de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde;

e) zij voldoen aan de bepalingen van de toepasselijke fiscale en sociale wetgeving;

f) zij zijn redelijk en gerechtvaardigd en voldoen aan het beginsel van goed financieel beheer, met name wat zuinigheid en efficiëntie betreft.

4.  In oproepen tot het indienen van voorstellen wordt nader bepaald welke categorieën kosten in aanmerking komen voor financiering door de Unie.

Tenzij anders bepaald in de basishandeling en in aanvulling op lid 3 van dit artikel, zijn de volgende categorieën kosten subsidiabel voor zover de bevoegde ordonnateur deze als zodanig heeft aangemerkt in het kader van de oproep tot het indienen van voorstellen:

a) kosten die verband houden met een door de begunstigde verstrekte garantie voor voorfinancieringen, indien die garantie overeenkomstig artikel 152, lid 1, door de bevoegde ordonnateur wordt vereist;

b) kosten die verband houden met certificaten betreffende de financiële staten en operationele auditverslagen, indien dergelijke certificaten of verslagen door de bevoegde ordonnateur worden vereist;

c) btw, indien deze krachtens de nationale btw-wetgeving niet terugvorderbaar is en wordt betaald door een begunstigde die geen niet-belastingplichtige is in de zin van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad ( 25 );

d) afschrijvingskosten, op voorwaarde dat de begunstigde die werkelijk heeft gemaakt;

e) salariskosten van personeel van de nationale overheid, voor zover deze verband houden met de kosten van activiteiten die de betrokken overheidsinstantie niet zou ondernemen indien het betrokken project niet zou worden uitgevoerd.

Voor de toepassing van de tweede alinea, onder c):

a) wordt btw als niet terugvorderbaar beschouwd wanneer zij volgens het nationale recht toerekenbaar is aan een van de volgende activiteiten:

i) vrijgestelde activiteiten zonder recht op aftrek;

ii) activiteiten die buiten het toepassingsgebied van de btw vallen;

iii) activiteiten als bedoeld in punt i) of ii) waarvoor de btw niet aftrekbaar is, maar wordt terugbetaald via specifieke terugbetalingsregelingen of compensatiefondsen die niet onder Richtlijn 2006/112/EG vallen, ook indien de regeling of het fonds bij de nationale btw-wetgeving is ingesteld;

b) wordt btw betreffende de in artikel 13, lid 2, van Richtlijn 2006/112/EG genoemde werkzaamheden geacht door een begunstigde, andere dan een niet-belastingplichtige in de zin van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn, te zijn betaald, ongeacht of de werkzaamheden door de betrokken lidstaat worden beschouwd als zijnde verricht door publiekrechtelijke lichamen die als overheid optreden.

Artikel 187

Verbonden entiteiten en enige begunstigde

1.  Voor de toepassing van deze titel worden de volgende entiteiten beschouwd als aan de begunstigde verbonden entiteiten:

a) entiteiten die overeenkomstig lid 2 samen de enige begunstigde vormen;

b) entiteiten die voldoen aan de subsidiabiliteitscriteria en zich niet in een van de in artikel 136, lid 1, en artikel 141, lid 1, vermelde situaties bevinden, en die een band hebben met de begunstigde, met name een juridische of financiële band, welke niet beperkt blijft tot de actie noch slechts tot stand is gebracht met als enige doel de uitvoering ervan.

Titel V, hoofdstuk 2, afdeling 2, is ook van toepassing op verbonden entiteiten.

2.  Indien meerdere entiteiten aan de criteria voor toekenning van een subsidie voldoen en zij samen één entiteit vormen, mag deze entiteit als de enige begunstigde worden behandeld, ook wanneer de entiteit speciaal is opgericht met als doel de door de subsidie te financieren actie uit te voeren.

3.  Tenzij anders bepaald in de oproep tot het indienen van voorstellen kunnen aan de begunstigde verbonden entiteiten deelnemen aan de uitvoering van de actie, mits de beide volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) de desbetreffende entiteiten worden in de subsidieovereenkomst vermeld;

b) de desbetreffende entiteiten houden zich aan de regels die krachtens de subsidieovereenkomst op de begunstigde van toepassing zijn met betrekking tot:

i) de subsidiabiliteit van kosten of de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling;

ii) de rechten van toetsen en audits door de Commissie, OLAF en de Rekenkamer.

Door dergelijke entiteiten gemaakte kosten kunnen als werkelijk gemaakte subsidiabele kosten worden aanvaard of door vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage worden gedekt.



HOOFDSTUK 2

Beginselen

Artikel 188

Algemene beginselen van toepassing op subsidies

Met betrekking tot subsidies gelden de volgende beginselen:

a) het beginsel van gelijke behandeling;

b) het transparantiebeginsel;

c) het medefinancieringsbeginsel;

d) het beginsel van niet-cumuleerbaarheid en verbod op dubbele financiering;

e) het verbod op terugwerkende kracht;

f) het winstverbod.

Artikel 189

Transparantiebeginsel

1.  Subsidies worden toegekend na bekendmaking van een oproep tot het indienen van voorstellen, tenzij in de in artikel 195 bedoelde gevallen.

2.  Van alle in de loop van een begrotingsjaar toegekende subsidies wordt een overzicht bekendgemaakt overeenkomstig artikel 38, leden 1 tot en met 4.

3.  Na de in de leden 1 en 2 bedoelde bekendmaking zendt de Commissie op verzoek aan het Europees Parlement en de Raad een verslag toe over:

a) het aantal aanvragers in het voorgaande begrotingsjaar;

b) het aantal en het percentage gehonoreerde aanvragen per oproep tot het indienen van voorstellen;

c) de gemiddelde tijdsduur van de procedure vanaf de uiterste datum voor het indienen van voorstellen tot de toekenning van de subsidie;

d) het aantal subsidies en de betrokken bedragen waarvoor overeenkomstig artikel 38, lid 4, in het voorgaande begrotingsjaar is afgezien van bekendmaking achteraf.

e) subsidies die overeenkomstig artikel 195, eerste alinea, onder g), zijn toegekend aan financiële instellingen, waaronder de EIB of het EIF.

Artikel 190

Medefinancieringsbeginsel

1.  Subsidies gaan gepaard met medefinanciering. De middelen die voor de uitvoering van de actie of het werkprogramma nodig zijn, zijn dientengevolge niet uitsluitend van de subsidie afkomstig.

Medefinanciering kan worden verstrekt in de vorm van eigen middelen van de begunstigde, door de actie of het werkprogramma voortgebrachte inkomsten, of bijdragen in geld of in natura van derden.

2.  Bijdragen in natura van derden in de vorm van vrijwilligerswerk, dat overeenkomstig artikel 181, lid 8, wordt gewaardeerd, worden in de geraamde begroting opgenomen als subsidiabele kosten. Ze worden apart van andere subsidiabele kosten vermeld. Vrijwilligerswerk mag tot 50 % van de medefinanciering uitmaken. Voor de berekening van dat percentage wordt voor bijdragen in natura en andere vormen van medefinanciering uitgegaan van de ramingen van de aanvrager.

Andere bijdragen in natura van derden worden in de geraamde begroting apart van de bijdragen aan de subsidiabele kosten vermeld. Hun waarde wordt bij benadering in de geraamde begroting opgegeven en is niet onderworpen aan latere wijzigingen.

3.  In afwijking van lid 1 kan een externe actie volledig door de subsidie worden gefinancierd indien dat voor de uitvoering ervan noodzakelijk is. In een dergelijk geval wordt in het toekenningsbesluit de rechtvaardiging daarvoor opgegeven.

4.  Dit artikel is niet van toepassing op rentesubsidies en subsidies voor garantievergoedingen.

Artikel 191

Beginsel van niet-cumuleerbaarheid en verbod op dubbele financiering

1.  Voor eenzelfde actie kan slechts één subsidie ten laste van de begroting aan eenzelfde begunstigde worden toegekend, tenzij in de betrokken basishandeling anders is bepaald.

Per begrotingsjaar kan aan een begunstigde slechts één exploitatiesubsidie ten laste van de begroting worden toegekend.

Een actie kan door verschillende bevoegde ordonnateurs gezamenlijk worden gefinancierd uit verschillende begrotingsonderdelen.

2.  De aanvrager stelt de ordonnateurs onmiddellijk ervan in kennis wanneer voor dezelfde actie of hetzelfde werkprogramma meer dan één aanvraag is gedaan en meer dan één subsidie is toegekend.

3.  Dezelfde kosten worden in geen geval tweemaal uit de begroting gefinancierd.

4.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing en de Commissie kan, in voorkomend geval, besluiten niet na te gaan of dezelfde kosten tweemaal zijn gefinancierd met betrekking tot de volgende soorten steun:

a) aan natuurlijke personen betaalde studie-, onderzoeks-, opleidings- of onderwijssteun;

b) directe steun die wordt betaald aan de meest behoeftige natuurlijke personen, zoals werklozen en vluchtelingen.

Artikel 192

Winstverbod

1.  Subsidies mogen niet tot doel of tot gevolg hebben dat zij de begunstigde binnen het kader van de actie of het werkprogramma winst opleveren („winstverbod”).

2.  Voor de toepassing van lid 1 wordt winst gedefinieerd als een overschot van de ontvangsten ten opzichte van de subsidiabele kosten van de actie of het werkprogramma, berekend bij de betaling van het saldo, indien de ontvangsten beperkt zijn tot de subsidie van de Unie en de inkomsten die bij die actie of dat werkprogramma zijn gegenereerd.

In het geval van een exploitatiesubsidie worden de bedragen die zijn bestemd voor de opbouw van reserves, buiten beschouwing gelaten voor de toetsing van het winstverbod.

3.  Lid 1 is niet van toepassing op:

a) acties die beogen de financiële capaciteit van een begunstigde te vergroten, of acties die inkomsten voortbrengen om de actie te laten voortbestaan na de periode van financiering door de Unie die in de subsidieovereenkomst is vastgesteld;

b) aan natuurlijke personen betaalde studie-, onderzoeks-, opleidings- of onderwijssteun of andere directe steun die wordt betaald aan de meest behoeftige natuurlijke personen, zoals werklozen en vluchtelingen;

c) door non-profitorganisaties uitgevoerde acties;

d) subsidies in de in artikel 125, lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde vorm;

e) subsidies van kleine bedragen.

4.  Wanneer winst wordt gemaakt, heeft de Commissie het recht het percentage van de winst terug te vorderen dat overeenkomt met de bijdrage van de Unie in de subsidiabele kosten die de begunstigde bij de uitvoering van de actie of het werkprogramma werkelijk heeft gemaakt.

Artikel 193

Verbod op terugwerkende kracht

1.  Tenzij anders bepaald in dit artikel worden subsidies niet met terugwerkende kracht toegekend.

2.  Subsidiëring van reeds begonnen acties kan slechts worden toegestaan indien de aanvrager kan aantonen dat het noodzakelijk was met de actie te beginnen vóór de ondertekening van de subsidieovereenkomst.

In die gevallen zijn de kosten die vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag zijn gemaakt, niet subsidiabel, tenzij:

a) in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke gevallen als in de basishandeling bepaald, of

b) in geval van extreme urgentie voor de in artikel 195, eerste alinea, onder a) en b), bedoelde maatregelen, waarin een vroegtijdige interventie van de Unie van groot belang zou zijn.

In de in de tweede alinea, onder b), bedoelde gevallen komen de kosten die door een begunstigde vóór de datum van indiening van zijn aanvraag zijn gemaakt, voor financiering door de Unie in aanmerking mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de redenen voor de afwijking zijn naar behoren toegelicht door de bevoegde ordonnateur;

b) in de subsidieovereenkomst wordt uitdrukkelijk een subsidiëringsdatum vastgesteld die vroeger valt dan de datum van indiening van de aanvraag.

De gedelegeerde ordonnateur brengt over elk van de in dit lid bedoelde gevallen verslag uit in de rubriek „Afwijkingen van het verbod op terugwerkende kracht uit hoofde van artikel 193 van het Financieel Reglement” van het in artikel 74, lid 9, bedoelde jaarlijkse activiteitenverslag.

3.  Subsidiëring met terugwerkende kracht van reeds voltooide acties is niet toegestaan.

4.  In het geval van exploitatiesubsidies vindt de ondertekening van de subsidieovereenkomst plaats binnen vier maanden na het begin van het boekjaar van de begunstigde. De uitgaven gedaan vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag of vóór het begin van het boekjaar van de begunstigde, komen niet in aanmerking voor financiering. De eerste tranche wordt binnen 30 kalenderdagen na de ondertekening van de subsidieovereenkomst aan de begunstigde betaald.



HOOFDSTUK 3

Procedure voor het toekennen van subsidies en subsidieovereenkomst

Artikel 194

Inhoud en bekendmaking van de oproepen tot het indienen van voorstellen

1.  In een oproep tot het indienen van voorstellen worden aangegeven:

a) de doelstellingen;

b) de subsidiabiliteits-, uitsluitings-, selectie- en toekenningscriteria, alsmede de bijbehorende bewijsstukken;

c) de wijzen van financiering door de Unie, met vermelding van alle soorten bijdragen van de Unie, met name de vormen van subsidie;

d) de regelingen en uiterste datum voor de indiening van voorstellen;

e) de beoogde datum waarop alle aanvragers op de hoogte moeten zijn gesteld van de uitkomst van de beoordeling van hun aanvraag evenals de indicatieve datum waarop de subsidieovereenkomsten worden ondertekend.

2.  De in lid 1, onder e), bedoelde data worden vastgesteld op grond van de volgende termijnen:

a) voor wat betreft de inkennisstelling van alle aanvragers betreffende de uitkomst van de beoordeling van hun aanvraag, ten hoogste zes maanden na de uiterste datum voor de indiening van volledige voorstellen;

b) voor wat betreft de ondertekening van subsidieovereenkomsten met aanvragers, ten hoogste drie maanden vanaf de datum van de inkennisstelling van aanvragers dat zij succesvol zijn geweest.

Deze termijnen mogen worden aangepast om rekening te houden met de tijd die nodig is om te voldoen aan eventuele door de basishandeling vereiste specifieke procedures overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011, en zij mogen in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen worden overschreden, in het bijzonder wanneer het complexe acties betreft, er een groot aantal voorstellen is ingediend of er sprake is van aan de aanvragers te wijten vertraging.

De gedelegeerde ordonnateur vermeldt in zijn jaarlijkse activiteitenverslag de gemiddelde termijnen voor de inkennisstelling van aanvragers en de ondertekening van subsidieovereenkomsten. Ingeval de in de eerste alinea vermelde termijnen worden overschreden, geeft de gedelegeerde ordonnateur hiervoor redenen op en stelt hij, indien deze niet naar behoren zijn gemotiveerd overeenkomstig de tweede alinea, corrigerende maatregelen voor.

3.  De oproepen tot het indienen van voorstellen worden bekendgemaakt op de website van de instellingen van de Unie en eventueel op een andere gepaste wijze, onder meer in het Publicatieblad van de Europese Unie, wanneer het nodig is er bij potentiële begunstigden meer bekendheid aan te geven. Bekendmaking van de oproepen tot het indienen van voorstellen kan plaatsvinden vanaf de vaststelling van het financieringsbesluit in de zin van artikel 110, eventueel al in het jaar voorafgaand aan de uitvoering van de begroting. Wijzigingen van de inhoud van oproepen tot het indienen van voorstellen worden onder dezelfde voorwaarden bekendgemaakt.

Artikel 195

Uitzonderingen op de oproepen tot het indienen van voorstellen

Subsidies kunnen alleen in de volgende gevallen zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend:

a) voor humanitaire hulp, noodhulpoperaties, civielebeschermingsoperaties of crisisbeheersingssteun;

b) in andere uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde noodgevallen;

c) aan organen die zich rechtens of feitelijk in een monopoliepositie bevinden, of aan organen die door de lidstaten op hun verantwoordelijkheid worden aangewezen, indien de betrokken lidstaten zich rechtens of feitelijk in een monopoliepositie bevinden;

d) aan organen waarvan in een basishandeling in de zin van artikel 58 is vastgesteld dat zij begunstigden van een subsidie zijn, of aan organen die door de lidstaten op hun verantwoordelijkheid worden aangewezen, indien de betrokken lidstaten in een basishandeling als begunstigden zijn genoemd;

e) op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling, aan organen die worden aangewezen in het in artikel 110 bedoelde werkprogramma, mits de basishandeling uitdrukkelijk in die mogelijkheid voorziet en het project niet valt onder het bereik van een oproep tot het indienen van voorstellen;

f) voor activiteiten met specifieke eigenschappen die vanwege de benodigde technische vakkennis, hoge mate van specialisatie of administratieve bevoegdheden een specifiek soort orgaan vergen, op voorwaarde dat de desbetreffende acties niet vallen onder het bereik van een oproep tot het indienen van voorstellen;

g) aan de EIB of het EIF voor acties van technische bijstand. In dergelijke gevallen is artikel 196, lid 1, onder a) tot en met d), niet van toepassing.

Indien het in de eerste alinea, onder f), bedoelde specifiek soort orgaan een lidstaat is, kan de subsidie ook zonder een oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend aan het orgaan dat door de lidstaat op zijn verantwoordelijkheid wordt aangewezen met het oog op de uitvoering van de actie;

De in de eerste alinea, onder c) en f), bedoelde gevallen worden in het toekenningsbesluit naar behoren gemotiveerd.

Artikel 196

Inhoud van de subsidieaanvragen

1.  De subsidieaanvraag omvat:

a) informatie over de juridische status van de aanvrager;

b) een verklaring op erewoord van de aanvrager overeenkomstig artikel 137, lid 1, en over het vervullen van de criteria om in aanmerking te komen en de selectiecriteria;

c) informatie waarmee de financiële draagkracht en de operationele capaciteit van de aanvrager om de voorgestelde actie of het voorgestelde werkprogramma uit te voeren, worden aangetoond en, indien daartoe is besloten door de bevoegde ordonnateur op basis van een risicobeoordeling, bewijsstukken welke die informatie bevestigen, zoals de jaarrekening en de balans van maximaal de laatste drie afgesloten boekjaren.

Die informatie en bewijsstukken worden niet verlangd van aanvragers waarvoor de verificatie van de financiële draagkracht of de operationele capaciteit niet van toepassing is overeenkomstig artikel 198, lid 5 of 6. Daarnaast worden geen bewijsstukken vereist voor subsidies van kleine bedragen;

d) wanneer de aanvraag betrekking heeft op een subsidie voor een actie waarvoor het bedrag hoger is dan 750 000  EUR of een exploitatiesubsidie van meer dan 100 000  EUR, een auditverslag dat door een erkende externe controleur is opgesteld wanneer het beschikbaar is, en altijd in gevallen waarin op grond van Unie- of nationaal recht een audit verplicht is, waarin de rekeningen van maximaal de laatste drie beschikbare boekjaren wordt gecertificeerd. In alle andere gevallen verstrekt de aanvrager een eigen verklaring, ondertekend door zijn gemachtigde vertegenwoordiger, waarin de geldigheid van zijn rekeningen van maximaal de laatste drie beschikbare boekjaren wordt gecertificeerd.

De eerste alinea geldt uitsluitend voor de eerste aanvraag die een begunstigde tijdens een bepaald begrotingsjaar bij een bevoegde ordonnateur indient.

Bij overeenkomsten van de Commissie met verschillende begunstigden moeten de in de eerste alinea vermelde drempelbedragen per begunstigde worden toegepast.

In het geval van de in artikel 130, lid 4, bedoelde partnerschappen wordt het in de eerste alinea van dit punt bedoelde auditverslag over de laatste twee beschikbare boekjaren overgelegd voordat de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap wordt ondertekend.

De bevoegde ordonnateur mag, afhankelijk van een risicobeoordeling, instellingen voor onderwijs en opleiding en, in geval van overeenkomsten met verschillende begunstigden, begunstigden die gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn of die geen financiële aansprakelijkheid dragen, van de in de eerste alinea bedoelde verplichting vrijstellen.

De eerste alinea is niet van toepassing op personen en entiteiten die in het kader van indirect beheer in aanmerking komen, voor zover zij aan de voorwaarden van artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), en van artikel 154 voldoen;

e) een beschrijving van de actie of het werkprogramma en een geraamde begroting die aan de volgende voorwaarden voldoet:

i) inkomsten en uitgaven zijn in evenwicht, en

ii) de geraamde subsidiabele kosten van de actie of het werkprogramma zijn aangegeven.

De punten i) en ii) gelden niet voor multidonoracties.

In afwijking van punt i) mag de geraamde begroting in naar behoren gemotiveerde gevallen voorzieningen voor noodgevallen of eventuele wisselkoersschommelingen omvatten.

f) de bronnen en bedragen van financiering van de Unie die tijdens hetzelfde boekjaar voor dezelfde actie of een deel van de actie of voor de exploitatie van de aanvrager wordt ontvangen of aangevraagd, zijn vermeld evenals alle andere voor dezelfde actie ontvangen of aangevraagde financieringen.

2.  De aanvraag mag in verschillende delen worden opgesplitst die in verschillende fasen mogen worden ingediend overeenkomstig artikel 200, lid 2.

Artikel 197

Criteria om in aanmerking te komen

1.  De criteria om in aanmerking te komen behelzen de voorwaarden waarop aan een oproep tot het indienen van voorstellen kan worden deelgenomen.

2.  Elk van de volgende aanvragers komt in aanmerking om aan een oproep tot het indienen van voorstellen deel te nemen:

a) rechtspersonen;

b) natuurlijke personen, voor zover de aard of de kenmerken van de actie of het door de aanvrager nagestreefde doel zulks vereisen;

c) entiteiten die volgens het toepasselijke nationale recht geen rechtspersoonlijkheid hebben, mits hun vertegenwoordigers bevoegd zijn om in naam van de entiteiten juridische verbintenissen aan te gaan en dat de entiteiten garanties bieden voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie die gelijkwaardig zijn aan die welke door rechtspersonen worden geboden. De aanvrager heeft met name een financiële draagkracht en een operationele capaciteit die gelijkwaardig zijn aan die van een rechtspersoon. De vertegenwoordigers van de aanvrager tonen aan dat aan die voorwaarden voldaan is.

3.  De oproep tot het indienen van voorstellen kan aanvullende criteria om in aanmerking te komen vastleggen die worden vastgesteld met inachtneming van de doelstellingen van de actie, het transparantiebeginsel en het beginsel van non-discriminatie.

4.  Voor de toepassing van artikel 180, lid 5, en van dit artikel wordt het JRC beschouwd als een in een lidstaat gevestigde rechtspersoon.

Artikel 198

Selectiecriteria

1.  De selectiecriteria maken het mogelijk te beoordelen of de aanvrager de voorgestelde actie of het voorgestelde werkprogramma tot een goed einde kan brengen.

2.  De aanvrager beschikt over stabiele en toereikende financieringsbronnen om zijn of haar activiteit gedurende de periode waarvoor de subsidie wordt toegekend, te handhaven en aan de financiering ervan bij te dragen („financiële draagkracht”).

3.  De aanvrager beschikt over de vereiste beroepsbekwaamheden en -kwalificaties om de voorgestelde actie of het voorgestelde werkprogramma tot een goed einde te brengen, behoudens specifieke andersluidende bepalingen in de basishandeling („operationele capaciteit”).

4.  De verificatie van de financiële draagkracht en de operationele capaciteit is met name gebaseerd op een onderzoek van de in artikel 196 bedoelde informatie of bewijsstukken.

Indien in de oproep tot het indienen van voorstellen geen bewijsstukken zijn gevraagd en de bevoegde ordonnateur gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de financiële draagkracht en de operationele capaciteit van een aanvrager, verzoekt hij of zij de aanvrager alle passende documenten te verstrekken.

In het geval van partnerschappen wordt de verificatie verricht overeenkomstig artikel 130, lid 6.

5.  De verplichting om de financiële draagkracht te verifiëren geldt niet voor:

a) natuurlijke personen die onderwijssteun ontvangen;

b) natuurlijke personen die het meeste behoefte hebben aan directe steun en deze ontvangen, zoals werklozen en vluchtelingen;

c) overheidsinstanties, met inbegrip van lidstaatsorganisaties;

d) internationale organisaties;

e) personen of entiteiten die rentesubsidies en garantievergoedingen aanvragen wanneer die subsidies en vergoedingen tot doel hebben de financiële draagkracht van een begunstigde te versterken of een inkomen te genereren.

6.  De bevoegde ordonnateur kan, afhankelijk van een risicobeoordeling, overheidsinstanties, lidstaatsorganisaties of internationale organisaties van de verplichting inzake verificatie van de operationele capaciteit vrijstellen.

Artikel 199

Toekenningscriteria

De toekenningscriteria maken het mogelijk:

a) de kwaliteit van de ingediende voorstellen te beoordelen in het licht van de vastgelegde doelstellingen en prioriteiten en van de verwachte resultaten;

b) subsidies toe te kennen voor de acties of de werkprogramma’s die de algehele doeltreffendheid van de financiering van de Unie maximaliseren.

c) de subsidieaanvragen te evalueren.

Artikel 200

Evaluatieprocedure

1.  De voorstellen worden op basis van de vooraf bekendgemaakte selectie- en toekenningscriteria geëvalueerd om te bepalen welke voorstellen voor financiering in aanmerking komen.

2.  De bevoegde ordonnateur verdeelt, zo nodig, het evaluatieproces in verschillende procedurele fasen. De regels die van toepassing zijn op het evaluatieproces, worden in de oproep tot het indienen van voorstellen bekendgemaakt.

De aanvragers wier voorstellen in een van de fasen worden afgewezen, worden ingelicht overeenkomstig lid 7.

Dezelfde documenten en informatie mogen gedurende dezelfde procedure niet meer dan eenmaal worden gevraagd.

3.  Het in artikel 150 bedoelde evaluatiecomité of, zo nodig, de bevoegde ordonnateur kan een aanvrager verzoeken aanvullende informatie te verstrekken of overeenkomstig artikel 151 opheldering te verschaffen omtrent de bewijsstukken. De ordonnateur houdt een passend register bij van al zijn contacten met aanvragers gedurende de procedure.

4.  Wanneer de werkzaamheden van het evaluatiecomité zijn voltooid, tekenen de leden ervan een proces-verbaal waarin alle onderzochte voorstellen worden opgenomen, de kwaliteit ervan wordt beoordeeld en wordt vastgesteld welke voor financiering in aanmerking komen.

Zo nodig wordt in dit proces-verbaal een rangorde van de onderzochte voorstellen opgesteld en worden aanbevelingen gedaan inzake het maximaal toe te kennen bedrag en eventuele niet-essentiële aanpassingen van de subsidieaanvraag.

Het proces-verbaal wordt bewaard zodat het later kan worden geraadpleegd.

5.  De bevoegde ordonnateur kan een aanvrager uitnodigen zijn aanvraag aan te passen in het licht van de aanbevelingen van het evaluatiecomité. De ordonnateur houdt een passend register bij van al zijn contacten met aanvragers gedurende de procedure.

6.  De bevoegde ordonnateur neemt op basis van de evaluatie een besluit waarin ten minste worden vermeld:

a) het voorwerp en het totale bedrag van het besluit;

b) de namen van de geselecteerde aanvragers, de omschrijving van de acties, de toegekende bedragen en de redenen voor deze keuze, met inbegrip van de gevallen waarin hij van het advies van het evaluatiecomité afwijkt;

c) de namen van de afgewezen aanvragers en de redenen voor deze afwijzing.

7.  De bevoegde ordonnateur brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van het gevolg dat aan zijn aanvraag is gegeven. Indien de gevraagde subsidie niet wordt toegekend, deelt de desbetreffende instelling van de Unie de redenen voor de afwijzing van de aanvraag mee. De afgewezen aanvragers worden zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen 15 kalenderdagen nadat de geselecteerde aanvragers zijn geïnformeerd, in kennis gesteld van de uitkomst van de evaluatie van hun aanvraag.

8.  Voor subsidies toegekend overeenkomstig artikel 195 kan de bevoegde ordonnateur:

a) besluiten de leden 2 en 4 van dit artikel en artikel 150 niet toe te passen;

b) de inhoud van het evaluatieverslag en het toekenningsbesluit samenvoegen in één document en het ondertekenen.

Artikel 201

Subsidieovereenkomst

1.  Voor de subsidies wordt een schriftelijke overeenkomst gesloten.

2.  In de subsidieovereenkomst wordt ten minste het volgende opgenomen:

a) het onderwerp;

b) de begunstigde;

c) de duur, namelijk:

i) de datum waarop de overeenkomst in werking treedt;

ii) de aanvangsdatum en de duur van de gesubsidieerde actie of het begrotingsjaar van de financiering;

d) een beschrijving van de actie of, voor een exploitatiesubsidie, van het werkprogramma, vergezeld van een beschrijving van de verwachte resultaten;

e) het maximumbedrag aan financiering door de Unie, uitgedrukt in euro, de geraamde begroting van de actie of het werkprogramma en de vorm van de subsidie;

f) de regels betreffende verslaglegging en betalingen en de aanbestedingsregels waarin artikel 205 voorziet;

g) de aanvaarding door de begunstigde van de in artikel 129 bedoelde verplichtingen;

h) bepalingen om zichtbaarheid te geven aan de financiële steun van de Unie, behalve in gerechtvaardigde gevallen waar publiciteit niet mogelijk of passend is;

i) het toepasselijke recht, dat het recht van de Unie is, aangevuld met, waar nodig, het nationale recht zoals aangegeven in de subsidieovereenkomst. Hiervan kan worden afgeweken in subsidieovereenkomsten met internationale organisaties;

j) de in geval van geschillen bevoegde rechter of scheidsrechter.

3.  Geldelijke verplichtingen van entiteiten of personen andere dan staten die uit de uitvoering van een subsidieovereenkomst voortvloeien, vormen executoriale titel overeenkomstig artikel 100, lid 2.

4.  Wijzigingen in subsidieovereenkomsten mogen niet als doel of tot gevolg hebben dat het besluit tot toekenning van de subsidie ter discussie wordt gesteld, noch in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling van aanvragers.



HOOFDSTUK 4

Uitvoering van subsidies

Artikel 202

Bedrag van de subsidie en uitbreiding van auditbevindingen

1.  Het bedrag van de subsidie wordt pas definitief vastgesteld nadat de bevoegde ordonnateur de eindverslagen en, in voorkomend geval, de rekeningen heeft goedgekeurd, onverminderd latere audits, toetsen en onderzoeken door de betrokken instelling van de Unie, OLAF of de Rekenkamer. Artikel 131, lid 4, is van toepassing ook nadat het bedrag van de subsidie definitief is geworden.

2.  Wanneer controles of audits stelselmatige of terugkerende onregelmatigheden, fraude of niet-nagekomen verplichtingen aan het licht brengen die aan de begunstigde zijn toe te schrijven en van grote invloed zijn op een aantal subsidies die aan deze begunstigde onder soortgelijke voorwaarden zijn toegekend, kan de bevoegde ordonnateur de uitvoering van de subsidieovereenkomst of betalingen op grond van alle betrokken subsidies schorsen of, zo nodig, de betrokken subsidieovereenkomsten met die begunstigde beëindigen, gelet op de ernst van de bevindingen.

Daarnaast kan de bevoegde ordonnateur de subsidies verlagen, niet-subsidiabele kosten afwijzen en ten onrechte betaalde bedragen terugvorderen met betrekking tot alle subsidies die door de in de eerste alinea bedoelde stelselmatige of terugkerende onregelmatigheden, fraude of niet-nagekomen verplichtingen zijn getroffen, welke overeenkomstig de getroffen subsidieovereenkomsten kunnen worden onderworpen aan audits, toetsen en onderzoeken.

3.  De bevoegde ordonnateur bepaalt de bedragen die in mindering moeten worden gebracht of moeten worden teruggevorderd, voor zover mogelijk en haalbaar, op basis van de ten onrechte als subsidiabel aangemerkte kosten voor elke betrokken subsidie, na aanvaarding van de door de begunstigde ingediende herziene verslagen en financiële staten.

4.  Wanneer het niet mogelijk of haalbaar is om het bedrag van de niet-subsidiabele kosten voor elke betrokken subsidie nauwkeurig te becijferen, kunnen de in mindering te brengen of terug te vorderen bedragen worden bepaald door het verminderings- of terugvorderingstarief dat wordt toegepast op subsidies waarvoor stelselmatige of terugkerende onregelmatigheden, fraude of niet-nagekomen verplichtingen zijn vastgesteld, te extrapoleren of, indien de niet-subsidiabele kosten niet als basis kunnen dienen voor de bepaling van de in mindering te brengen of terug te vorderen bedragen, door een forfaitaire heffing toe te passen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De begunstigde krijgt de gelegenheid om een terdege gemotiveerde alternatieve methode of heffing voor te stellen alvorens de mindering of terugvordering plaatsvindt.

Artikel 203

Bewijsstukken voor betalingsverzoeken

1.  De bevoegde ordonnateur bepaalt van welke bewijsstukken betalingsverzoeken vergezeld moeten gaan.

2.  Voor elke subsidie mag de voorfinanciering in verschillende tranches worden opgesplitst, overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer. Het verzoek om een verdere tranche van de voorfinanciering gaat vergezeld van een verklaring van de begunstigde over het verbruik van de vorige voorfinanciering. De tranche wordt volledig betaald wanneer ten minste 70 % van het totale bedrag van alle vroegere voorfinanciering is verbruikt. Zo niet wordt de tranche verminderd met de nog te verbruiken bedragen totdat die drempel is bereikt.

3.  De begunstigde verklaart op erewoord dat de in zijn betalingsverzoeken verstrekte informatie volledig, betrouwbaar en waarheidsgetrouw is, onverminderd de verplichting bewijsstukken te verstrekken. De begunstigde verklaart tevens dat de gemaakte kosten volgens de bepalingen van de subsidieovereenkomst subsidiabel zijn en dat de betalingsverzoeken worden gestaafd door toereikende bewijsstukken die aan een controle kunnen worden onderworpen.

4.  Een certificaat betreffende de financiële staten van de actie of het werkprogramma en de onderliggende rekeningen kan door de bevoegde ordonnateur worden gevraagd ter staving van tussentijdse betalingen of betalingen van saldi van alle bedragen. Een dergelijk certificaat wordt gevraagd op basis van een risicobeoordeling, waarin met name rekening wordt gehouden met het bedrag van de subsidie, het bedrag van de betaling, de aard van de begunstigde en de aard van de ondersteunde activiteiten.

Het certificaat wordt opgesteld door een goedgekeurde externe controleur of, in het geval van overheidsinstanties, door een bevoegde en onafhankelijke overheidsfunctionaris.

Het certificaat certificeert, volgens een door de bevoegde ordonnateur goedgekeurde methode en overeengekomen procedures die aan internationale normen voldoen, dat de kosten die de begunstigde heeft gedeclareerd in de financiële staten waarop het betalingsverzoek is gebaseerd, werkelijk gemaakt en precies geboekt zijn en op grond van de subsidieovereenkomst subsidiabel zijn. In bijzondere, naar behoren gemotiveerde gevallen kan de bevoegde ordonnateur het certificaat vragen in de vorm van een accountantsverklaring of een andere aan internationale normen beantwoordende vorm.

5.  Ter rechtvaardiging van de betalingen kan de bevoegde ordonnateur op basis van een risicobeoordeling een operationeel auditverslag van een door de bevoegde ordonnateur erkende onafhankelijke derde partij eisen. In het operationeel auditverslag wordt verklaard dat de operationele audit is uitgevoerd overeenkomstig een door de bevoegde ordonnateur goedgekeurde methode en uitsluitsel gegeven over de vraag of de actie of het werkprogramma daadwerkelijk volgens de voorwaarden van de subsidieovereenkomst ten uitvoer is gelegd.

Artikel 204

Financiële steun aan derden

Wanneer voor de uitvoering van een actie of een werkprogramma financiële steun aan derden moet worden verleend, mag de begunstigde dergelijke financiële steun verlenen mits de voorwaarden voor de verlening van deze steun in de subsidieovereenkomst tussen de begunstigde en de Commissie zijn vastgelegd, zonder discretionaire bevoegdheid voor de begunstigde.

Er wordt geen discretionaire bevoegdheid geacht te bestaan indien in de subsidieovereenkomst het volgende is bepaald:

a) het maximumbedrag aan financiële steun dat aan een derde kan worden uitbetaald, dat ten hoogste 60 000  EUR bedraagt, alsmede de criteria voor het vaststellen van het precieze bedrag.;

b) een vaste lijst van de verschillende soorten activiteiten waarvoor financiële steun kan worden toegekend;

c) een omschrijving van de personen of de categorieën van personen die voor dergelijke financiële steun in aanmerking komen, en de criteria voor de verlening ervan.

De in de tweede alinea, onder a), bedoelde drempel mag worden overschreden wanneer het verwezenlijken van de doelstellingen van de acties anders onmogelijk of te moeilijk zou zijn.

Artikel 205

Uitvoeringsovereenkomsten

1.  Onverminderd Richtlijn 2014/24/EG en Richtlijn 2014/25/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 26 ) kan de begunstigde, wanneer voor de uitvoering van de actie of het werkprogramma een overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht moet worden gegund, de overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht overeenkomstig zijn gebruikelijke aankooppraktijken gunnen, mits de overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht wordt gegund aan de economisch voordeligste inschrijving dan wel, als zulks dienstig is, aan de goedkoopste inschrijving, en vermijdt hij daarbij belangenconflicten.

2.  Wanneer voor de uitvoering van de actie of het werkprogramma een overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht moet worden gegund met een waarde van meer dan 60 000  EUR, kan de bevoegde ordonnateur, indien naar behoren gemotiveerd, de begunstigden specifieke regels opleggen naast die welke in lid 1 worden bedoeld.

Die specifieke regels zijn gebaseerd op de regels in deze verordening en staan in verhouding tot de waarde van de betrokken overeenkomsten tot uitvoering van een overheidsopdracht, het relatieve belang van de bijdrage van de Unie in de totale kosten van de actie en het risico. Deze specifieke regels worden opgenomen in de subsidieovereenkomst.



TITEL IX

PRIJZEN

Artikel 206

Algemene regels

1.  Prijzen worden toegekend overeenkomstig het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling en bevorderen de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen van de Unie.

2.  Prijzen worden niet direct, zonder wedstrijd, toegekend.

Wedstrijden voor prijzen met een eenheidswaarde van 1 000 000  EUR of meer mogen uitsluitend bekend worden gemaakt wanneer ze in het in artikel 110 bedoelde financieringsbesluit zijn vermeld en nadat bij het Europees Parlement en de Raad informatie over dergelijke prijzen is ingediend.

3.  Het prijzengeld wordt niet gekoppeld aan de kosten die de winnaar heeft gemaakt.

4.  Wanneer een begunstigde voor de uitvoering van een actie of een werkprogramma prijzen aan derden moet toekennen, kan die begunstigde deze prijzen toekennen, op voorwaarde dat de criteria om in aanmerking te komen en de toekenningscriteria, het prijzengeld en de betalingsregelingen nauwkeurig zijn vastgelegd in de subsidieovereenkomst tussen de begunstigde en de Commissie, zonder discretionaire bevoegdheid.

Artikel 207

Wedstrijdreglementen, toekenning en bekendmaking

1.  In wedstrijdreglementen:

a) worden de criteria om in aanmerking te komen vastgesteld;

b) worden de wijze en de uiterste datum vermeld voor de inschrijving van aanvragers, indien dat van toepassing is, en voor de indiening van aanvragen;

c) worden de uitsluitingscriteria als bedoeld in artikel 136 en de gronden voor weigering als bedoeld in artikel 141 vastgesteld;

d) wordt bepaald dat uitsluitend de aanvrager aansprakelijk is voor eventuele claims die verband houden met de in het kader van de wedstrijd verrichte werkzaamheden;

e) wordt bepaald dat de winnaars de in artikel 129 bedoelde verplichtingen en de in het wedstrijdreglement vastgestelde publiciteitsverplichtingen aanvaarden;

f) worden de toekenningscriteria gespecificeerd die het mogelijk maken de kwaliteit van de aanvragen te beoordelen aan de hand van de nagestreefde doelstellingen en de vooropgestelde resultaten en op een objectieve wijze te bepalen of aanvragen succesvol zijn;

g) wordt het bedrag van de prijs of prijzen gespecificeerd;

h) wordt de regeling gespecificeerd voor uitbetaling van prijzen na toekenning aan de winnaars.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder a), komen begunstigden in aanmerking, tenzij in het wedstrijdreglement anders is bepaald.

Artikel 194, lid 3, is van overeenkomstige toepassing op de bekendmaking van wedstrijden.

2.  In wedstrijdreglementen mogen de voorwaarden voor annulering van de wedstrijd worden vastgesteld, met name wanneer de doelstellingen ervan niet kunnen worden bereikt.

3.  De prijzen worden toegekend door de bevoegde ordonnateur na een evaluatie door het in artikel 150 bedoelde evaluatiecomité.

Artikel 200, leden 4 en 6, is van overeenkomstige toepassing op het toekenningsbesluit.

4.  De aanvragers worden zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen 15 kalenderdagen nadat het toekenningsbesluit door de ordonnateur is genomen, in kennis gesteld van de uitkomst van de evaluatie van hun aanvraag.

Het besluit om de prijs toe te kennen wordt aan de winnende aanvrager ter kennis gegeven en geldt als de juridische verbintenis.

5.  Van alle in de loop van een begrotingsjaar toegekende prijzen wordt een overzicht bekendgemaakt overeenkomstig artikel 38, leden 1 tot en met 4.

Na de bekendmaking brengt de Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad desgevraagd verslag uit over:

a) het aantal aanvragers in het afgelopen jaar;

b) het aantal aanvragers en het percentage succesvolle aanvragen per wedstrijd;

c) een lijst van de deskundigen die in het afgelopen jaar deel hebben uitgemaakt van evaluatiecomités, met een vermelding van de procedure die voor hun selectie is gevolgd.



TITEL X

FINANCIERINGSINSTRUMENTEN, BEGROTINGSGARANTIES EN FINANCIËLE BIJSTAND



HOOFDSTUK 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 208

Toepassingsgebied en uitvoering

1.  Wanneer dit de beste manier blijkt te zijn om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken, kan de Unie financieringsinstrumenten instellen of begrotingsgaranties of financiële bijstand uit de begroting verstrekken door middel van een basishandeling waarin het toepassingsgebied en de uitvoeringsperiode worden bepaald.

2.  De lidstaten kunnen bijdragen aan de financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties of financiële bijstand van de Unie. Indien de basishandeling dat toestaat, kunnen derden ook bijdragen.

3.  Indien financieringsinstrumenten in gedeeld beheer met de lidstaten worden uitgevoerd, zijn sectorspecifieke regels van toepassing.

4.  Indien financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties in indirect beheer worden uitgevoerd, sluit de Commissie overeenkomsten met entiteiten overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punten ii), iii), v) en vi). Indien de systemen, regels en procedures van die entiteiten zijn beoordeeld overeenkomstig artikel 154, lid 4, mogen de entiteiten volledig op die systemen, regels en procedures vertrouwen. Die entiteiten kunnen bij de uitvoering van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties in indirect beheer overeenkomsten sluiten met financieel intermediairs die worden geselecteerd overeenkomstig procedures die gelijkwaardig zijn aan die van de Commissie. Die entiteiten zetten de eisen uit hoofde van artikel 155, lid 2, in die overeenkomsten om.

De Commissie blijft de verantwoordelijkheid houden om ervoor te zorgen dat het uitvoeringskader voor financieringsinstrumenten voldoet aan het beginsel van goed financieel beheer en bijdraagt aan de verwezenlijking van gedefinieerde en aan een termijn gebonden beleidsdoelstellingen, welke meetbaar zijn voor wat betreft outputs en/of resultaten. De Commissie is aansprakelijk voor de uitvoering van de financieringsinstrumenten, onverlet de krachtens de toepasselijke wetgeving en artikel 129 geldende wettelijke en contractuele verantwoordelijkheid van de entiteit waaraan de uitvoering is toevertrouwd.

Wanneer derde landen overeenkomstig lid 2 aan financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties bijdragen, kan de basishandeling toestaan dat in aanmerking komende uitvoerende entiteiten of tegenpartijen uit de betrokken landen worden aangewezen.

5.  De Rekenkamer heeft volledige inzage in informatie betreffende financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties en financiële bijstand, onder meer door middel van controles ter plaatse.

De Rekenkamer is de verantwoordelijke extern controleur voor projecten en programma’s die worden ondersteund door een financieringsinstrument, een begrotingsgarantie of financiële bijstand.

Artikel 209

Op financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties toepasselijke beginselen en voorwaarden

1.  Financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties worden aangewend met inachtneming van de beginselen goed financieel beheer, transparantie, evenredigheid, non-discriminatie, gelijke behandeling en subsidiariteit, en met inachtneming van de doelstellingen ervan.

2.  Financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties:

a) pakken tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties aan en verstrekken op evenredige wijze alleen steun aan eindontvangers die volgens internationaal aanvaarde normen economisch levensvatbaar worden geacht op het ogenblik van de financiële steun van de Unie;

b) bewerkstelligen additionaliteit door te voorkomen dat potentiële steun en investeringen uit andere overheids- of particuliere bronnen worden vervangen;

c) verstoren de concurrentie op de interne markt niet en stroken met de regels inzake staatssteun;

d) bewerkstelligen een hefboom- en een multiplicatoreffect, met de richtwaarden vastgesteld op basis van een evaluatie vooraf voor het desbetreffende financieringsinstrument of de desbetreffende begrotingsgarantie, in die zin dat een globale investering wordt aangetrokken die de bijdrage of de garantie van de Unie in omvang overtreft, waarbij in voorkomend geval particuliere investeringen worden gemaximaliseerd.;

e) worden zodanig uitgevoerd dat de uitvoerende entiteiten of de bij de uitvoering betrokken tegenpartijen een gemeenschappelijk belang hebben bij het bereiken van de in de desbetreffende basishandeling vastgelegde beleidsdoelstellingen, met bepalingen inzake bijvoorbeeld mede-investering, risicodeling of met financiële stimulansen, terwijl een belangenconflict met andere activiteiten van de entiteiten of tegenpartijen wordt voorkomen;

f) voorzien in een vergoeding van de Unie die is afgestemd op het delen van het risico tussen de financiële deelnemers en de beleidsdoelstellingen van het financieringsinstrument of de begrotingsgarantie;

g) bepalen, ingeval een vergoeding van de uitvoerende entiteiten of de bij de uitvoering betrokken tegenpartijen verschuldigd is, dat die vergoeding op prestaties is gebaseerd en het volgende omvat:

i) administratieve vergoedingen om de entiteit of de tegenpartij te vergoeden voor het verrichte werk in de uitvoering van het financieringsinstrument of de begrotingsgarantie, waarbij deze vergoedingen zo veel mogelijk zijn gebaseerd op de uitgevoerde verrichtingen of de uitgekeerde bedragen, en

ii) zo nodig, beleidsgerelateerde stimulansen om het verwezenlijken van de beleidsdoelstellingen te bevorderen of de financiële prestatie van het financieringsinstrument of de begrotingsgarantie te stimuleren.

Uitzonderlijke uitgaven kunnen worden vergoed in naar behoren gemotiveerde gevallen;

h) zijn gebaseerd op evaluaties vooraf, afzonderlijk of als onderdeel van een programma, overeenkomstig artikel 34, die toelichtingen bevatten met betrekking tot de keuze van het soort financiële verrichting, rekening houdend met de nagestreefde beleidsdoelstellingen en de daarmee gepaarde gaande financiële risico’s en besparingen voor de begroting.

De in de eerste alinea, onder h), bedoelde evaluaties worden opnieuw bezien en geactualiseerd om rekening te houden met het effect van belangrijke sociaal-economische wijzigingen op de rechtvaardiging van het financieringsinstrument of de begrotingsgarantie.

3.  Onverminderd de sectorspecifieke regelgeving met betrekking tot gedeeld beheer, worden ontvangsten, waaronder dividend, vermogenswinst, garantieprovisies en rente op leningen, en op bedragen op trustrekeningen die worden terugbetaald aan de Commissie of op trustrekeningen die zijn geopend voor financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties en zijn toe te schrijven aan steun uit de begroting uit hoofde van een financieringsinstrument of een begrotingsgarantie, in de begroting opgevoerd na aftrek van beheerskosten en provisies.

Jaarlijkse terugbetalingen, met inbegrip van terugbetaald kapitaal, vrijgegeven garanties en aflossingen van de hoofdsom van de leningen, die worden terugbetaald aan de Commissie of aan de trustrekeningen die zijn geopend voor financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties en zijn toe te schrijven aan steun uit de begroting uit hoofde van een financieringsinstrument of een begrotingsgarantie, vormen overeenkomstig artikel 21, lid 3, onder f), interne bestemmingsontvangsten en worden gebruikt voor het hetzelfde financieringsinstrument of dezelfde begrotingsgarantie, onverminderd artikel 215, lid 5, gedurende een termijn die niet langer duurt dan de termijn voor de begrotingsvastlegging plus twee jaar, tenzij in een basishandeling anders is bepaald.

De Commissie houdt rekening met zulke interne bestemmingsontvangsten wanneer zij het bedrag voor toekomstige toewijzingen ten behoeve van financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties voorstelt.

Niettegenstaande de tweede alinea kan het uitstaande bedrag van bestemmingsontvangsten die op grond van een in te trekken of te beëindigen basishandeling zijn toegestaan, tevens worden toegewezen aan een ander financieringsinstrument met dezelfde doelstellingen, mits de basishandeling tot instelling van laatstgenoemd financieringsinstrument hierin voorziet.

4.  De voor een financieringsinstrument, een begrotingsgarantie of financiële bijstand bevoegde ordonnateur stelt een financiële staat op voor de periode van 1 januari tot en met 31 december, overeenkomstig artikel 243 en in overeenstemming met de in artikel 80 bedoelde boekhoudregels en de internationale standaarden voor overheidsboekhouding (IPSAS — International Public Sector Accounting Standards).

Met betrekking tot financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties die in indirect beheer worden uitgevoerd, zorgt de bevoegde ordonnateur ervoor dat de in artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punten ii), iii), v) en vi), bedoelde entiteiten uiterlijk op 15 februari van het volgende begrotingsjaar niet-gecontroleerde financiële staten voor de periode van 1 januari tot en met 31 december verstrekken die zijn opgesteld overeenkomstig de in artikel 80 bedoelde boekhoudregels en de IPSAS, samen met alle informatie die nodig is om financiële staten overeenkomstig artikel 82, lid 2, op te stellen, en uiterlijk op 15 mei van het volgende begrotingsjaar gecontroleerde financiële staten verstrekken.

Artikel 210

Financiële verplichting van de Unie

1.  De financiële verplichting en de totale nettobetalingen uit de begroting mogen op geen enkel ogenblik hoger zijn dan:

a) voor financieringsinstrumenten: het bedrag van de vastlegging die daarvoor in de begroting is gedaan;

b) voor begrotingsgaranties: het bedrag van de begrotingsgarantie dat in de basishandeling is toegestaan;

c) voor financiële bijstand: het maximumbedrag aan middelen dat de Commissie mag lenen ter financiering van de financiële bijstand die in de basishandeling is toegestaan, en de desbetreffende rente.

2.  Begrotingsgaranties en financiële bijstand mogen een voorwaardelijke verplichting voor de Unie genereren die de financiële activa die ter dekking van de financiële verplichting van de Unie zijn verstrekt slechts overschrijdt, wanneer een basishandeling tot instelling van een begrotingsgarantie of financiële bijstand hierin voorziet en onder de in de basishandeling vastgestelde voorwaarden.

3.  Ten behoeve van de in artikel 41, lid 5, onder j), bedoelde jaarlijkse beoordeling, worden de voorwaardelijke verplichtingen ten laste van de begroting als gevolg van begrotingsgaranties of financiële bijstand houdbaar geacht indien hun geraamde meerjarige evolutie verenigbaar is met de grenzen die zijn vastgesteld in de in artikel 312, lid 2, VWEU bedoelde verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader en het plafond van de jaarlijkse betalingskredieten als bepaald in artikel 3, lid 1, van Besluit 2014/335/EU, Euratom.

Artikel 211

Voorziening van financiële verplichtingen

1.  Voor begrotingsgaranties en financiële bijstand aan derde landen wordt in een basishandeling een voorzieningspercentage vastgesteld als een percentage van het bedrag van de toegestane financiële verplichting. In dat bedrag worden de in artikel 208, lid 2, bedoelde bijdragen niet opgenomen.

De basishandeling voorziet in de herziening van het voorzieningspercentage ten minste om de drie jaar.

2.  Het voorzieningspercentage wordt vastgesteld op basis van een door de Commissie uitgevoerde kwalitatieve en kwantitatieve beoordeling van de financiële risico’s als gevolg van een begrotingsgarantie of een financiële bijstand aan een derde land volgens het voorzichtigheidsbeginsel, waarbij activa en winsten niet worden overschat en verplichtingen en verliezen niet worden onderschat.

Tenzij anders is bepaald in de basishandeling tot vaststelling van de begrotingsgarantie of financiële bijstand aan een derde land, wordt het voorzieningspercentage gebaseerd op de totale voorziening die van tevoren nodig is om de verwachte nettoverliezen te dekken en daarnaast een toereikende veiligheidsbuffer aan te leggen. Onverminderd de bevoegdheden van het Europees Parlement en van de Raad wordt de totale voorziening opgebouwd gedurende de periode waarin het betrokken financieel memorandum als bedoeld in artikel 35 voorziet.

3.  Voor financieringsinstrumenten wordt een voorziening aangelegd om zo nodig te reageren op toekomstige betalingen in verband met een vastlegging in de begroting van dat financieringsinstrument.

4.  De volgende middelen dragen bij tot de voorziening:

a) bijdragen uit de begroting, met volledige inachtneming van de verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader en na te hebben onderzocht of herschikkingen mogelijk zijn;

b) rendementen op investeringen van de middelen die worden aangehouden in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds;

c) nabetalingen door in gebreke gebleven debiteurs volgens de invorderingsprocedure die in de garantie- of de leningsovereenkomst is vastgelegd;

d) ontvangsten en andere betalingen die door de Unie zijn ontvangen overeenkomstig de garantie- of de leningsovereenkomst;

e) in voorkomend geval, geldelijke bijdragen door de lidstaten en derden overeenkomstig artikel 208, lid 2.

Voor het berekenen van de middelen die volgen uit het in lid 1 bedoelde voorzieningspercentage wordt alleen rekening gehouden met de voorzieningen als bedoeld in de eerste alinea, onder a) tot en met d), van dit lid.

5.  Voorzieningen worden gebruikt voor de betaling van:

a) een beroep op de begrotingsgarantie;

b) betalingsverplichtingen met betrekking tot een vastlegging in de begroting voor een financieringsinstrument;

c) financiële verplichtingen als gevolg van het lenen van middelen overeenkomstig artikel 220, lid 1;

d) in voorkomend geval, andere uitgaven in verband met de uitvoering van financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties en financiële bijstand aan derde landen.

6.  Indien de voorzieningen voor een begrotingsgarantie hoger zijn dan het in lid 1 bedoelde bedrag van de voorziening dat volgt uit het in lid 1 van dit artikel bedoelde voorzieningspercentage, worden de in lid 4, eerste alinea, onder b), c) en d), van dit artikel bedoelde middelen in verband met die garantie, binnen de grenzen van de in aanmerking komende periode waarin de basishandeling voorziet maar niet buiten de opbouwperiode van de voorziening, en onverminderd artikel 213, lid 4, gebruikt om de begrotingsgarantie tot haar initiële bedrag te herstellen.

7.  De Commissie stelt onmiddellijk het Europees Parlement en de Raad in kennis en kan toereikende aanvullingsmaatregelen of een verhoging van het voorzieningspercentage voorstellen indien:

a) het niveau van de voorzieningen voor een begrotingsgarantie als gevolg van een beroep op die begrotingsgarantie onder 50 % van het in lid 1 bedoelde voorzieningspercentage valt, en opnieuw wanneer het onder 30 % van dat voorzieningspercentage valt of wanneer het volgens een risicobeoordeling van de Commissie binnen een jaar onder een van die percentages kan vallen;

b) een land dat financiële bijstand van de Unie geniet, niet betaalt op een vervaldag.

Artikel 212

Gemeenschappelijk voorzieningsfonds

1.  De aangelegde voorzieningen om de financiële verplichtingen ten gevolge van financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties of financiële bijstand te dekken, worden aangehouden in een gemeenschappelijk voorzieningsfonds.

Uiterlijk op 30 juni 2019 dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een onafhankelijke externe evaluatie in over de voor- en nadelen van het toevertrouwen van het financieel beheer van de activa van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds aan de Commissie, de EIB, of een combinatie van beide, rekening houdend met de relevante technische en institutionele criteria die worden gehanteerd bij het vergelijken van vermogensbeheersdiensten, met inbegrip van de technische infrastructuur, een vergelijking van de kosten voor de verleende diensten, de institutionele structuur, verslaglegging, prestaties, verantwoordingsplicht en deskundigheid van de Commissie en het EIB en de overige mandaten voor het beheren van activa voor de begroting. Zo nodig gaat de evaluatie vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

2.  De totale winsten of verliezen uit de belegging van de in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds aangehouden middelen worden evenredig toegewezen aan de respectieve financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties of financiële bijstand.

De financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds houdt een minimumbedrag aan middelen van het fonds in geldmiddelen of kasequivalenten aan overeenkomstig prudentiële regels en de betalingsprognoses die door de ordonnateurs van de financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties of financiële bijstand worden verstrekt.

De financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds kan retrocessieovereenkomsten sluiten, met de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds als zekerheid, om betalingen uit het fonds te doen, indien redelijkerwijs mag worden verwacht dat die procedure gunstiger is voor de begroting dan de afstoting van middelen binnen de termijn van het betalingsverzoek. De duur of de doorrolperiode van retrocessieovereenkomsten met betrekking tot een betaling is beperkt tot het strikte minimum om een verlies voor de begroting zo klein mogelijk te houden.

3.  Overeenkomstig artikel 77, lid 1, eerste alinea, onder d), en artikel 86, leden 1 en 2, stelt de rekenplichtige procedures in die moeten worden toegepast voor de ontvangsten- en uitgavenverrichtingen en, in akkoord met de financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds, voor de activa en verplichtingen met betrekking tot het gemeenschappelijk voorzieningsfonds.

4.  In de uitzonderlijke gevallen waarin de Commissie een overschrijving als bedoeld in artikel 30, lid 1, eerste alinea, onder g), heeft verricht, stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad hiervan onmiddellijk in kennis en stelt zij dringend de nodige maatregelen voor om de begrotingspost van de garantie waaruit de middelen werden overgeschreven, te herstellen, met volledige inachtneming van de plafonds waarin de verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader voorziet.

Artikel 213

Effectief voorzieningspercentage

1.  De voorziening van begrotingsgaranties en financiële bijstand aan derde landen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds is gebaseerd op een effectief voorzieningspercentage. Dat percentage biedt een beschermingsniveau tegen de financiële verplichtingen van de Unie dat gelijkwaardig is aan het niveau dat door de respectieve voorzieningspercentages zou worden geboden indien de middelen afzonderlijk werden aangehouden en beheerd.

2.  Het toepasselijke effectieve voorzieningspercentage is een percentage van elk oorspronkelijk voorzieningspercentage als bepaald overeenkomstig artikel 211, lid 2, tweede alinea. Het wordt uitsluitend toegepast op het bedrag van de middelen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds dat is bedoeld voor betalingen ter dekking van beroepen op de garantie in een periode van één jaar. Het betreft een verhouding — in de vorm van een percentage — tussen het bedrag aan geldmiddelen en kasequivalenten in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds dat nodig is om beroepen op de garantie te honoreren, enerzijds, en het totaalbedrag aan geldmiddelen en kasequivalenten dat per garantiefonds nodig zou zijn om beroepen op de garantie te honoreren indien de middelen afzonderlijk zouden worden aangehouden en beheerd, anderzijds, waarbij beide bedragen een gelijkwaardig liquiditeitsrisico vertegenwoordigen. Die verhouding mag niet lager zijn dan 95 %. Bij de berekening van het effectieve voorzieningspercentage wordt rekening gehouden met:

a) de raming van in- en uitstromen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds, rekening houdend met de initiële fase van opbouw van de totale voorziening overeenkomstig artikel 211, lid 2, tweede alinea;

b) de risicocorrelatie tussen de begrotingsgaranties en de financiële bijstand aan derde landen;

c) de marktomstandigheden.

De Commissie stelt uiterlijk op 1 juli 2020 overeenkomstig artikel 269 gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze verordening met nadere voorwaarden voor de berekening van het effectieve voorzieningspercentage, met inbegrip van een methode voor die berekening.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 269 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde minimale verhouding, in het licht van de opgedane ervaring met de werking van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds, waarbij een voorzichtige aanpak wordt aangehouden die strookt met het beginsel van goed financieel beheer. De minimale verhouding wordt niet onder 85 % vastgesteld.

3.  Het effectieve voorzieningspercentage wordt jaarlijks berekend door de financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds, en het is de referentie voor de berekening door de Commissie van de bijdragen uit de begroting overeenkomstig artikel 211, lid 4, onder a), en vervolgens lid 4, onder b), van dit artikel.

4.  Na de berekening van het jaarlijkse effectieve voorzieningspercentage overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel, worden de volgende verrichtingen in het kader van de begrotingsprocedure gedaan en gepresenteerd in het in artikel 41, lid 5, onder h), bedoelde werkdocument:

a) alle overschotten van voorzieningen voor een begrotingsgarantie of een financiële bijstand aan een derde land worden teruggestort in de begroting;

b) alle aanvullingen van het fonds vinden plaats in jaarlijkse tranches tijdens een maximumperiode van drie jaar, onverminderd artikel 211, lid 6.

5.  Na raadpleging van de rekenplichtige stelt de Commissie de richtsnoeren vast voor het beheer van de middelen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds overeenkomstig passende prudentiële regels, waarbij derivatenverrichtingen voor speculatieve doeleinden worden uitgesloten. Deze richtsnoeren worden gehecht aan de overeenkomst met de financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds.

Om de drie jaar wordt een onafhankelijke evaluatie van de toereikendheid van de richtsnoeren verricht en toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 214

Jaarlijkse verslaglegging

1.  In aanvulling op de verslagleggingsverplichting op grond van artikel 250 brengt de Commissie jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en aan de Raad over het gemeenschappelijk voorzieningsfonds.

2.  De financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds brengt jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en aan de Raad over het gemeenschappelijk voorzieningsfonds.



HOOFDSTUK 2

Specifieke bepalingen



Afdeling 1

financieringsinstrumenten

Artikel 215

Regels en uitvoering

1.  Niettegenstaande artikel 208, lid 1, mogen financieringsinstrumenten, in naar behoren gemotiveerde gevallen, worden vastgesteld zonder toestemming daarvoor door middel van een basishandeling, op voorwaarde dat dergelijke instrumenten worden opgenomen in de ontwerpbegroting overeenkomstig artikel 41, lid 4, eerste alinea, onder e).

2.  Indien financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties binnen één overeenkomst worden gecombineerd met aanvullende steun uit de begroting, met inbegrip van subsidies, is deze titel van toepassing op de volledige maatregel. De verslaglegging vindt plaats overeenkomstig artikel 250 en geeft duidelijk aan welke onderdelen van de maatregel financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties zijn.

3.  De Commissie zorgt voor een geharmoniseerd en vereenvoudigd beheer van financieringsinstrumenten, met name op het gebied van boekhouding, verslaglegging, monitoring en financieel risicobeheer.

4.  Wanneer de Unie aan een financieringsinstrument deelneemt als minderheidsaandeelhouder, zorgt de Commissie ervoor dat deze titel wordt nageleefd volgens het evenredigheidsbeginsel, op basis van de omvang en de waarde van de deelname van de Unie in het instrument. Ongeacht de omvang en de waarde van de deelname van de Unie in het instrument zorgt de Commissie echter voor de naleving van de artikelen 129 en 155, artikel 209, leden 2 en 4, en artikel 250 en, voor zover het de uitsluitingssituaties als bedoeld in artikel 136, lid 1, onder d), betreft, van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 2.

5.  Wanneer het Europees Parlement of de Raad van mening is dat een financieringsinstrument zijn doelstellingen niet doeltreffend heeft verwezenlijkt, kunnen zij de Commissie vragen een voorstel voor een herziene basishandeling in te dienen om het instrument te liquideren. In geval van liquidatie van het financieringsinstrument worden alle nieuwe bedragen die aan dat instrument overeenkomstig artikel 209, lid 3, worden terugbetaald, als algemene ontvangsten beschouwd en in de begroting teruggestort.

6.  Het doel van de financieringsinstrumenten of een groepering van financieringsinstrumenten op het niveau van een faciliteit en, in voorkomend geval, de specifieke rechtsvorm en de plaats van registratie ervan worden gepubliceerd op de website van de Commissie.

7.  Entiteiten die zijn belast met de uitvoering van financieringsinstrumenten mogen namens de Unie trustrekeningen in de zin van artikel 85, lid 3, openen. Zij zenden de desbetreffende rekeningstaten toe aan de bevoegde dienst van de Commissie. Betalingen aan trustrekeningen worden door de Commissie gedaan op basis van betalingsverzoeken die vergezeld gaan van een betalingsraming, rekening houdend met het beschikbare saldo op de trustrekeningen en de noodzaak om buitensporige saldi op dergelijke rekeningen te voorkomen.

Artikel 216

Financieringsinstrumenten die direct door de Commissie worden uitgevoerd

1.  Financieringsinstrumenten kunnen direct worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder a), door middel van:

a) een specifiek investeringsinstrument waarin de Commissie samen met andere publiek- of privaatrechtelijke investeerders participeert om het hefboomeffect van de bijdrage van de Unie te versterken;

b) leningen, garanties, deelnemingen en andere risicodelingsinstrumenten die geen investeringen in specifieke investeringsinstrumenten zijn, die rechtstreeks aan de eindontvangers of via financiële intermediairs worden verstrekt.

2.  Specifieke investeringsinstrumenten in de zin van lid 1, onder a), worden opgericht overeenkomstig het recht van een lidstaat. Op het gebied van het extern optreden kunnen ze ook worden opgericht overeenkomstig de wetgeving van een ander land dan een lidstaat. De beheerders van dergelijke instrumenten worden wettelijk of contractueel verplicht met de nodige professionele zorgvuldigheid en te goeder trouw te handelen.

3.  De beheerders van in lid 1, onder a), bedoelde specifieke investeringsinstrumenten en de financiële intermediairs of de eindontvangers van financieringsinstrumenten worden geselecteerd op basis van de aard van het uit te voeren financieringsinstrument, de ervaring en de financiële en operationele capaciteit van de betrokken entiteiten en de economische levensvatbaarheid van de projecten van de eindontvangers. De selectie geschiedt op een transparante, objectief onderbouwde manier en zonder dat een belangenconflict kan rijzen.

Artikel 217

Behandeling van bijdragen uit in gedeeld beheer uitgevoerde middelen

1.  Er wordt een afzonderlijke boekhouding gevoerd voor de bijdragen aan financieringsinstrumenten die overeenkomstig deze afdeling uit in gedeeld beheer uitgevoerde middelen zijn ingesteld.

2.  De bijdragen uit middelen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd, worden op afzonderlijke rekeningen geplaatst en in overeenstemming met de doelstellingen van de respectieve middelen gebruikt ten behoeve van acties en eindontvangers die passen in het programma of de programma’s waarvan de bijdragen afkomstig zijn.

3.  Met betrekking tot bijdragen uit in gedeeld beheer u middelen aan financieringsinstrumenten die overeenkomstig deze afdeling zijn ingesteld, is sectorspecifieke regelgeving van toepassing. Niettegenstaande de eerste zin kunnen de beheerautoriteiten zich baseren op een bestaande evaluatie vooraf, verricht overeenkomstig artikel 209, lid 2, eerste alinea en tweede alinea, onder h), voordat zij aan een bestaand financieringsinstrument bijdragen.



Afdeling 2

begrotingsgaranties

Artikel 218

Regels voor begrotingsgaranties

1.  In de basishandeling wordt het volgende vastgesteld:

a) het bedrag van de begrotingsgarantie dat op geen enkel ogenblik mag worden overschreden, onverminderd artikel 208, lid 2;

b) de soorten verrichtingen die door de begrotingsgarantie worden gedekt.

2.  De bijdragen van lidstaten aan begrotingsgaranties overeenkomstig artikel 208, lid 2, kunnen worden verstrekt in de vorm van garanties of geldmiddelen.

De bijdragen van derden aan begrotingsgaranties overeenkomstig artikel 208, lid 2, kunnen worden verstrekt in de vorm van geldmiddelen.

De begrotingsgarantie wordt vermeerderd met de in de eerste en de tweede alinea bedoelde bijdragen. Betalingen voor beroepen op de garantie worden, zo nodig, pari passu gedaan door de bijdragende lidstaten of derden. De Commissie ondertekent een overeenkomst met de bijdragers waarin met name bepalingen betreffende de betalingsvoorwaarden zijn opgenomen.

Artikel 219

Uitvoering van begrotingsgaranties

1.  Begrotingsgaranties zijn onherroepelijk, onvoorwaardelijk en afroepbaar voor de soorten gedekte verrichtingen.

2.  Begrotingsgaranties worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), of, in uitzonderlijke gevallen, overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder a).

3.  Een begrotingsgarantie dekt slechts financierings- en investeringsverrichtingen die voldoen aan de in artikel 209, lid 2, eerste alinea, onder a) tot en met d).

4.  De tegenpartijen dragen uit eigen middelen bij aan de verrichtingen die door de begrotingsgarantie worden gedekt.

5.  De Commissie sluit een garantieovereenkomst met de tegenpartij. De toekenning van de begrotingsgarantie is afhankelijk van de inwerkingtreding van de garantieovereenkomst.

6.  De tegenpartijen verstrekken de Commissie jaarlijks:

a) een risicobeoordeling en -rating betreffende de verrichtingen die door de begrotingsgarantie worden gedekt, alsmede de verwachte wanbetalingen;

b) informatie over de uitstaande financiële verplichting voor de Unie als gevolg van de begrotingsgarantie, uitgesplitst per afzonderlijke verrichting, gemeten volgens de in artikel 80 bedoelde boekhoudregels van de Unie of volgens IPSAS;

c) de totale winsten of verliezen die voortvloeien uit de verrichtingen die door de begrotingsgarantie worden gedekt.



Afdeling 3

financiële bijstand

Artikel 220

Regels en uitvoering

1.  Financiële bijstand door de Unie aan lidstaten of derde landen is in overeenstemming met vooraf bepaalde voorwaarden en neemt de vorm aan van een lening of een kredietlijn of enig ander instrument dat passend wordt geacht om de doeltreffendheid van de steun te garanderen. Daartoe wordt de Commissie in de desbetreffende basishandeling gemachtigd om op de kapitaalmarkten of bij financiële instellingen de nodige middelen namens de Unie te lenen.

2.  Bij het opnemen en verstrekken van leningen wordt de Unie niet bij looptijdtransformaties betrokken en wordt zij evenmin blootgesteld aan renterisico’s of aan andere commerciële risico’s.

3.  De financiële bijstand wordt in euro verleend, tenzij in naar behoren gemotiveerde gevallen.

4.  De financiële bijstand wordt direct door de Commissie uitgevoerd.

5.  De Commissie sluit een overeenkomst met het begunstigde land waarin de volgende bepalingen worden opgenomen:

a) het begunstigde land gaat regelmatig na of de verstrekte financiering naar behoren is gebruikt overeenkomstig de vooraf bepaalde voorwaarden, neemt passende maatregelen ter voorkoming van onregelmatigheden en fraude, en onderneemt zo nodig gerechtelijke stappen om de uit hoofde van de financiële bijstand verstrekte middelen waaraan geen wettige bestemming is gegeven, terug te vorderen;

b) de bescherming van de financiële belangen van de Unie wordt gegarandeerd;

c) de Commissie, OLAF en de Rekenkamer wordt uitdrukkelijk toegestaan hun rechten uit hoofde van artikel 129 uit te oefenen;

d) de Unie heeft recht op vervroegde terugbetaling van de lening indien is vastgesteld dat het begunstigde land zich, met betrekking tot het beheer van de financiële bijstand, heeft ingelaten met fraude, corruptie of een andere onwettige activiteit die nadelig is voor de financiële belangen van de Unie;

e) alle kosten die de Unie met betrekking tot financiële bijstand heeft gemaakt, worden door het begunstigde land gedragen.

6.  Indien mogelijk geeft de Commissie de leningen vrij in tranches, mits aan de voorwaarden voor de financiële bijstand is voldaan. Wanneer die voorwaarden niet vervuld zijn, schorst de Commissie tijdelijk de uitbetaling van de financiële bijstand of annuleert zij die.

7.  Gegenereerde maar nog niet uitbetaalde middelen mogen niet voor een ander doel worden gebruikt dan het verstrekken van financiële bijstand aan het betrokken begunstigde land. Overeenkomstig artikel 86, leden 1 en 2, voert de rekenplichtige procedures in voor de bewaring van de middelen.



TITEL XI

BIJDRAGEN VOOR EUROPESE POLITIEKE PARTIJEN

Artikel 221

Algemene bepalingen

Rechtstreekse financiële bijdragen uit de begroting kunnen aan Europese politieke partijen worden toegekend in de zin van artikel 2, punt 3), van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 („Europese politieke partijen”) met het oog op hun bijdrage tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie overeenkomstig die verordening.

Artikel 222

Beginselen

1.  Bijdragen worden alleen gebruikt voor het vergoeden van het in artikel 17, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bepaalde percentage van de werkingskosten van Europese politieke partijen die rechtstreeks verband houden met de doelstellingen van deze partijen, als nader bepaald in artikel 17, lid 5, van die verordening en artikel 21 van die verordening.

2.  Bijdragen mogen worden gebruikt voor het vergoeden van uitgaven met betrekking tot door Europese politieke partijen gesloten overeenkomsten op voorwaarde dat er geen belangenconflicten waren, toen de contracten werden gegund.

3.  Bijdragen worden niet gebruikt om rechtstreeks of onrechtstreeks een persoonlijk voordeel, in geld of in natura, toe te kennen aan een individueel lid of personeelslid van een Europese politieke partij. Bijdragen worden niet gebruikt voor het rechtstreeks of onrechtstreeks financieren van activiteiten van derden, in het bijzonder nationale politieke partijen of politieke stichtingen op Europees of nationaal niveau, ongeacht of dit in de vorm van subsidies, donaties, leningen of andere soortgelijke regelingen gebeurt. Voor de toepassing van dit lid worden verbonden entiteiten van Europese politieke partijen niet beschouwd als derden wanneer die entiteiten deel uitmaken van de administratieve organisatie van Europese politieke partijen zoals bepaald in de statuten van laatstgenoemden. Bijdragen worden niet gebruikt voor een van de doeleinden die bij artikel 22 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 zijn uitgesloten.

4.  Met betrekking tot bijdragen gelden het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, in overeenstemming met de in Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 vastgestelde criteria.

5.  Bijdragen worden jaarlijks door het Europees Parlement toegekend en overeenkomstig artikel 38, leden 1 tot en met 4, van deze verordening en overeenkomstig artikel 32, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bekendgemaakt.

6.  Europese politieke partijen die een bijdrage ontvangen, ontvangen geen andere financiering uit de begroting, rechtstreeks noch onrechtstreeks. In het bijzonder zijn donaties uit de begrotingen van fracties in het Europees Parlement verboden. Dezelfde kosten mogen in geen geval tweemaal uit de begroting worden gefinancierd.

Bijdragen laten onverlet dat de Europese politieke partijen reserves kunnen opbouwen met bedragen uit hun eigen middelen overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

7.  Wanneer een Europese politieke stichting als gedefinieerd in artikel 2, punt 4), van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 aan het einde van een begrotingsjaar waarvoor zij een exploitatiesubsidie heeft ontvangen, meer inkomsten dan uitgaven telt, mag zij een gedeelte van het overschot dat overeenkomt met maximaal 25 % van de totale inkomsten voor dat jaar, overdragen naar het volgende begrotingsjaar, op voorwaarde dat het overschot vóór het einde van het eerste kwartaal van dat volgende jaar wordt gebruikt.

Artikel 223

Begrotingsaspecten

Bijdragen en kredieten die worden gereserveerd voor onafhankelijke externe auditinstanties of -deskundigen als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 worden betaald uit de begrotingsafdeling van het Europees Parlement. De komen rechtstreeks ten laste van de afdeling van de begroting van het Europees Parlement.

Artikel 224

Oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen

1.  Bijdragen worden toegekend op basis van een oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen, die jaarlijks ten minste op de website van het Europees Parlement wordt gepubliceerd.

2.  Aan een Europese politieke partij kan slechts één bijdrage per jaar worden toegekend.

3.  Een Europese politieke partij komt alleen in aanmerking voor een bijdrage indien zij een verzoek om financiering indient overeenkomstig de voorwaarden die in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen zijn vastgesteld.

4.  In de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen worden de voorwaarden bepaald waaronder de aanvrager een bijdrage kan ontvangen overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, alsmede de uitsluitingscriteria.

5.  In de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen wordt ten minste de aard bepaald van de uitgaven die met de bijdrage kunnen worden terugbetaald.

6.  Voor de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen is een geraamde begroting vereist.

Artikel 225

Toekenningsprocedure

1.  Verzoeken om bijdragen worden tijdig schriftelijk en eventueel in een beveiligd elektronisch formaat ingediend.

2.  Aan aanvragers die ten tijde van de toekenningsprocedure in een of meer van de in artikel 136, lid 1, en artikel 141, lid 1, bedoelde situaties verkeren of in de in artikel 142 bedoelde databank als uitgesloten zijn opgenomen, worden geen bijdragen toegekend.

3.  Aanvragers zijn verplicht te bewijzen dat zij in geen van de in lid 2 bedoelde situaties verkeren.

4.  De bevoegde ordonnateur kan worden bijgestaan door een comité om de aanvragen voor bijdragen te evalueren. De bevoegde ordonnateur stelt de regels vast met betrekking tot de samenstelling, benoeming en werking van een dergelijk comité, alsmede de regels ter voorkoming van belangenconflicten.

5.  Aanvragen die voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen en de uitsluitingscriteria worden geselecteerd op basis van de toekenningscriteria die in artikel 19 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1141/2014 zijn vastgesteld.

6.  In het besluit van de bevoegde ordonnateur met betrekking tot de verzoeken wordt ten minste het volgende vermeld:

a) het voorwerp en het totale bedrag van de bijdragen;

b) de naam van de geselecteerde aanvragers en de bedragen die voor elk van hen zijn aanvaard;

c) de namen van de afgewezen aanvragers en de redenen voor deze afwijzing.

7.  De bevoegde ordonnateur brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven. Indien het verzoek om financiering wordt afgewezen of de gevraagde bedragen niet deels of volledig worden toegekend, deelt de bevoegde ordonnateur de redenen mee voor de afwijzing van het verzoek of het niet toekennen van de gevraagde bedragen, met name onder verwijzing naar de in lid 5 van dit artikel en artikel 224, lid 4, bedoelde criteria om in aanmerking te komen en toekenningscriteria. Indien het verzoek wordt afgewezen, stelt de bevoegde ordonnateur de aanvrager in kennis van de beschikbare administratieve en/of gerechtelijke beroepsmogelijkheden als bepaald in artikel 133, lid 2.

8.  Bijdragen worden geregeld bij schriftelijke overeenkomst.

Artikel 226

Vorm van bijdragen

1.  Bijdragen kunnen de volgende vorm hebben:

a) vergoeding van een percentage van de werkelijk gedane uitgaven die voor vergoeding in aanmerking komen;

b) vergoeding op basis van eenheidskosten;

c) vaste bedragen;

d) financiering volgens een vast percentage;

e) een combinatie van de onder a) tot en met d) genoemde vormen.

2.  Alleen uitgaven die aan de criteria in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen voldoen en niet vóór de datum van indiening van het verzoek zijn gedaan, kunnen worden vergoed.

3.  De in artikel 225, lid 8, bedoelde overeenkomst omvat bepalingen op basis waarvan kan worden geverifieerd of de voorwaarden voor de toekenning van vaste bedragen, financiering volgens een vast percentage of eenheidskosten zijn nageleefd.

4.  De bijdragen worden volledig betaald in het kader van één enkele voorfinanciering, tenzij de bevoegde ordonnateur hierover in naar behoren gemotiveerde gevallen anders beslist.

Artikel 227

Garanties

De bevoegde ordonnateur kan, wanneer hij zulks in individuele gevallen en na een risicoanalyse passend en evenredig acht, van een Europese politieke partij een voorafgaande garantiestelling verlangen om de aan de betaling van de voorfinanciering verbonden financiële risico’s te beperken; dit kan alleen wanneer op basis van de risicoanalyse blijkt dat er een dreigend risico bestaat dat de Europese politieke partij zich in een van de in artikel 136, lid 1, onder a) en d), van deze verordening bedoelde uitsluitingssituaties bevindt of wanneer een besluit van de krachtens artikel 6 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 opgerichte Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen („de Autoriteit”) is meegedeeld aan het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig artikel 10, lid 4, van die verordening.

Artikel 153 is van overeenkomstige toepassing op garanties die kunnen worden verlangd in de gevallen waarin is voorzien in de eerste alinea van dit artikel voor voorfinanciering die aan Europese politieke partijen wordt betaald.

Artikel 228

Gebruik van bijdragen

1.  Bijdragen worden gebruikt overeenkomstig artikel 222.

2.  Elk gedeelte van de bijdrage dat niet is gebruikt binnen het begrotingsjaar waarop deze bijdrage betrekking heeft (jaar n), wordt gebruikt voor uiterlijk op 31 december van het jaar n + 1 gedane uitgaven die voor vergoeding in aanmerking komen. Het resterende gedeelte van de bijdrage, dat niet binnen die termijn is gebruikt, wordt overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 6, teruggevorderd.

3.  Europese politieke partijen nemen het in artikel 17, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 vastgestelde maximale medefinancieringspercentage in acht. De resterende bedragen van de bijdragen uit het voorgaande jaar worden niet gebruikt voor het gedeelte dat de Europese politieke partijen met hun eigen middelen moeten financieren. Bijdragen van derden aan gezamenlijke evenementen worden niet beschouwd als een deel van de eigen middelen van een Europese politieke partij.

4.  Europese politieke partijen gebruiken het gedeelte van de bijdrage dat niet is gebruikt binnen het begrotingsjaar waarop die bijdrage betrekking heeft, alvorens bijdragen te gebruiken die na dat jaar zijn toegekend.

5.  Alle rente op de voorfinancieringsbetalingen wordt beschouwd als deel van de bijdrage.

Artikel 229

Verslag over het gebruik van de bijdragen

1.  Overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 dient een Europese politieke partij haar jaarlijkse verslag over het gebruik van de bijdrage en haar jaarrekeningen ter goedkeuring in bij de bevoegde ordonnateur.

2.  Op basis van het jaarlijkse verslag en de jaarrekeningen bedoeld in lid 1 van dit artikel stelt de bevoegde ordonnateur zijn in artikel 74, lid 9, bedoeld jaarlijks activiteitenverslag op. Voor het opstellen van dat verslag mag hij andere bewijsstukken gebruiken.

Artikel 230

Bedrag van de bijdrage

1.  Het bedrag van de bijdrage wordt pas definitief vastgesteld nadat het jaarlijkse verslag en de jaarrekeningen bedoeld in artikel 229, lid 1, door de bevoegde ordonnateur zijn goedgekeurd. De goedkeuring van het jaarlijkse verslag en de jaarrekeningen laat latere controles door de Autoriteit onverlet.

2.  Het bedrag aan ongebruikte voorfinanciering wordt pas definitief vastgesteld nadat het door de Europese politieke partij is gebruikt voor het betalen van vergoedbare uitgaven die voldoen aan de in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen gedefinieerde criteria.

3.  Indien de Europese politieke partij haar verplichtingen met betrekking tot het gebruik van de bijdrage niet nakomt, wordt de bijdrage geschorst, verlaagd of ingetrokken nadat de Europese politieke partij in de gelegenheid is gesteld haar opmerkingen te formuleren.

4.  De bevoegde ordonnateur verifieert vóór een betaling of de Europese politieke partij nog steeds in het in artikel 7 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bedoelde register is opgenomen en vanaf de datum van haar verzoek tot het einde van het begrotingsjaar waarop de bijdrage betrekking heeft aan geen van de in artikel 27 van die verordening genoemde sancties is onderworpen.

5.  Indien de Europese politieke partij niet langer in het in artikel 7 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bedoelde register is opgenomen of aan een in artikel 27 van die verordening genoemde sanctie is onderworpen, kan de bevoegde ordonnateur de bijdrage schorsen, verlagen of intrekken en het bedrag terugvorderen dat op grond van de in artikel 225, lid 8, van deze verordening bedoelde overeenkomst ten onrechte was uitbetaald; dit beslist hij in verhouding tot de ernst van de fouten, onregelmatigheden, fraude of andere schendingen van de verplichtingen met betrekking tot het gebruik van de bijdrage en nadat de Europese politieke partij in de gelegenheid is gesteld haar opmerkingen te formuleren.

Artikel 231

Controle en sancties

1.  In elke in artikel 225, lid 8, bedoelde overeenkomst wordt uitdrukkelijk bepaald dat het Europees Parlement bevoegd is controles op stukken en controles ter plaatse uit te voeren, alsmede dat OLAF en de Rekenkamer hun respectieve in artikel 129 bedoelde bevoegdheden kunnen uitoefenen over alle Europese politieke partijen die financiering van de Unie hebben ontvangen, hun contractanten en subcontractanten.

2.  De bevoegde ordonnateur kan overeenkomstig de artikelen 136 en 137 van deze verordening en artikel 27 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties opleggen.

3.  De in lid 2 bedoelde sancties kunnen ook worden opgelegd aan Europese politieke partijen die ten tijde van de indiening van het verzoek om een bijdrage of na ontvangst van de bijdrage valse verklaringen hebben afgelegd bij het verstrekken van de door de bevoegde ordonnateur gevraagde informatie of hebben nagelaten die informatie te verstrekken.

Artikel 232

Bewaren van gegevens

1.  Europese politieke partijen bewaren alle gegevens en bewijsstukken met betrekking tot de bijdrage gedurende vijf jaar na de laatste betaling in verband met de bijdrage.

2.  Dossiers met betrekking tot audits, beroepen, geschillen en regelingen van claims die voortvloeien uit het gebruik van de bijdrage, of met betrekking tot onderzoeken van OLAF indien die aan de ontvanger zijn meegedeeld, worden bijgehouden totdat die audits, beroepen, geschillen, regelingen van claims of onderzoeken zijn afgelopen.

Artikel 233

Selectie van externe auditinstanties of -deskundigen

De in artikel 23 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bedoelde onafhankelijke externe auditinstanties of -deskundigen worden geselecteerd door middel van een aanbestedingsprocedure. De looptijd van hun overeenkomst bedraagt ten hoogste vijf jaar. Na twee opeenvolgende termijnen worden zij geacht tegenstrijdige belangen te hebben die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de uitvoering van de audit.



TITEL XII

OVERIGE INSTRUMENTEN TER UITVOERING VAN DE BEGROTING

Artikel 234

Trustfondsen van de Unie voor extern optreden

1.  Voor acties in en na noodsituaties die nodig zijn om te reageren op een crisis, of voor thematische acties, kan de Commissie trustfondsen van de Unie voor extern optreden („trustfondsen van de Unie”) oprichten in het kader van een met andere donoren gesloten overeenkomst.

Trustfondsen van de Unie worden uitsluitend opgericht wanneer overeenkomsten met andere donoren voor bijdragen uit andere bronnen dan de begroting hebben gezorgd.

De Commissie raadpleegt het Europees Parlement en de Raad over haar voornemen om een trustfonds van de Unie ten behoeve van acties in en na noodsituaties op te richten.

Voor de oprichting van een trustfonds van de Unie voor thematische acties is goedkeuring door het Europees Parlement en door de Raad vereist.

Voor de toepassing van de derde en vierde alinea van dit lid stelt de Commissie het ontwerpbesluit betreffende de oprichting van een trustfonds van de Unie ter beschikking van het Europees Parlement en de Raad. Een dergelijk ontwerpbesluit omvat een beschrijving van de doelstellingen van het trustfonds van de Unie, de redenen voor de oprichting ervan overeenkomstig lid 3, een indicatieve duur en de voorlopige overeenkomsten met andere donoren. De ontwerpbesluiten omvatten tevens een ontwerp van oprichtingsovereenkomst die moet worden gesloten met andere donoren.

2.  De Commissie legt de ontwerpbesluiten betreffende de financiering van een trustfonds van de Unie voor aan het bevoegde comité indien daarin is voorzien in de basishandeling op grond waarvan de bijdrage van de Unie aan het trustfonds van de Unie wordt verstrekt. Het bevoegde comité wordt niet verzocht zich uit te spreken over de aspecten die reeds ter raadpleging of ter goedkeuring aan het Europees Parlement en de Raad zijn voorgelegd uit hoofde van respectievelijk de derde, vierde en vijfde alinea van lid 1.

3.  Trustfondsen van de Unie worden alleen opgericht en uitgevoerd onder de volgende voorwaarden:

a) de interventie van de Unie heeft meerwaarde: de doelstellingen van trustfondsen van de Unie, met name vanwege de omvang of de mogelijke gevolgen, beter op het niveau van de Unie dan op nationaal niveau kunnen worden bereikt en het gebruik van de bestaande financieringsinstrumenten niet voldoende zou zijn om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken;

b) trustfondsen van de Unie leveren duidelijke politieke zichtbaarheid van de Unie en voordelen met betrekking tot het beheer op, evenals betere controle door de Unie op de risico’s en het gebruik van de bijdragen van de Unie en andere donoren.

c) trustfondsen van de Unie vormen geen doublure van andere financieringskanalen of vergelijkbare instrumenten, zonder enige additionaliteit op te leveren;

d) de doelstellingen van trustfondsen van de Unie zijn afgestemd op de doelstellingen van het instrument van de Unie of de begrotingspost waaruit zij gefinancierd worden.

4.  Bij elk trustfonds van de Unie wordt een door de Commissie voorgezeten raad van bestuur opgericht om de donoren billijk te vertegenwoordigen en te beslissen hoe de middelen worden gebruikt. In de raad van bestuur is elke niet-bijdragende lidstaat vertegenwoordigd als waarnemer De regels voor de samenstelling van de raad van bestuur en zijn reglement van orde worden vastgesteld in de oprichtingsovereenkomst van het trustfonds van de Unie. Die regels schrijven onder meer voor dat voor de uiteindelijke aanname van het besluit over het gebruik van de middelen van het fonds de goedkeurende stem van de Commissie vereist is.

5.  Trustfondsen van de Unie worden opgericht voor een bepaalde duur als bepaald in de oprichtingsovereenkomst ervan. Die duur kan bij besluit van de Commissie volgens de procedure van lid 1 worden verlengd op verzoek van de raad van bestuur van het betrokken trustfonds van de Unie en na voorlegging door de Commissie van een verslag ter verantwoording van de verlenging, waarin met name wordt bevestigd dat aan de voorwaarden van lid 3 is voldaan.

Het Europees Parlement en/of de Raad kan/kunnen de Commissie verzoeken de kredieten voor het trustfonds van de Unie stop te zetten of de oprichtingsovereenkomst te herzien om het trustfonds van de Unie zo nodig te liquideren, met name op basis van de informatie die wordt verstrekt in het in artikel 41, lid 6, bedoelde werkdocument. In dat geval worden de resterende middelen pro rata in de begroting als algemene inkomsten en aan de bijdragende lidstaten en andere donoren teruggestort.

Artikel 235

Uitvoering van trustfondsen van de Unie voor extern optreden

1.  Trustfondsen van de Unie worden uitgevoerd met inachtneming van de beginselen van goed financieel beheer, transparantie, evenredigheid, non-discriminatie en gelijke behandeling, en met inachtneming van de in de oprichtingsovereenkomst vastgestelde specifieke doelstellingen, alsmede met volledige eerbiediging van de rechten van het Europees Parlement en de Raad in verband met het toezicht op en de controle van de bijdrage van de Unie.

2.  Acties die in het kader van de trustfondsen van de Unie worden gefinancierd, kunnen direct door de Commissie worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder a), en indirect met de entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren uit hoofde van artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punten i), ii), iii), v) en vi).

3.  De middelen worden vastgelegd en betaald door de financiële actoren van de Commissie in de zin van titel IV, hoofdstuk 4. De rekenplichtige van de Commissie dient als rekenplichtige van het trustfonds van de Unie. Hij is belast met het vaststellen van boekhoudprocedures en een rekeningstelsel die alle trustfondsen van de Unie gemeenschappelijk hebben. De intern controleur van de Commissie, OLAF en de Rekenkamer oefenen ten aanzien van de trustfondsen van de Unie dezelfde bevoegdheden uit als ten aanzien van andere acties die door de Commissie worden uitgevoerd.

4.  De bijdragen van de Unie en van andere donoren worden niet in de begroting opgenomen en worden op een specifiek daartoe bestemde bankrekening geplaatst. De specifieke bankrekening van het trustfonds van de Unie wordt geopend en afgesloten door de rekenplichtige. Alle verrichtingen die in de loop van het jaar op de specifieke bankrekening hebben plaatsgevonden, worden naar behoren in de boekhouding van het trustfonds van de Unie opgenomen.

Bijdragen van de Unie worden op de specifieke bankrekening gestort op basis van betalingsverzoeken die vergezeld gaan van betalingsramingen, rekening houdend met het saldo op de rekening en de daaruit voortvloeiende noodzaak van aanvullende betalingen. Betalingsramingen worden jaarlijks of zo nodig halfjaarlijks verstrekt.

De bijdragen van andere donoren worden in rekening gebracht wanneer ze worden geboekt op de specifieke bankrekening van het trustfonds van de Unie, voor het bedrag in euro zoals het bij ontvangst op die bankrekening is omgerekend. Rente op de specifieke bankrekening van het trustfonds van de Unie wordt in het trustfonds van de Unie belegd, tenzij in de oprichtingsovereenkomst van het trustfonds van de Unie anders is bepaald.

5.  De Commissie mag maximaal 5 % van de in het trustfonds van de Unie samengebrachte bedragen gebruiken ter dekking van haar beheerskosten vanaf de jaren waarin de in lid 4 bedoelde bijdragen voor het eerst werden gebruikt. Niettegenstaande de eerste zin en om dubbele aanrekening van kosten te voorkomen, worden de beheerskosten als gevolg van de bijdrage van de Unie aan het trustfonds van de Unie alleen door die bijdrage gedekt voor zover die kosten nog niet door andere begrotingsonderdelen zijn gedekt. Deze beheersvergoedingen worden voor de duur van het trustfonds van de Unie gelijkgesteld met bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 2, onder a), punt ii).

Naast het in artikel 252 bedoelde jaarverslag, stelt de ordonnateur tweemaal per jaar een financieel verslag op over de verrichtingen van elk trustfonds van de Unie.

De Commissie brengt tevens maandelijks verslag uit over de stand van uitvoering van elk trustfonds van de Unie.

De trustfondsen van de Unie worden jaarlijks aan een onafhankelijke externe audit onderworpen.

Artikel 236

Gebruik van begrotingssteun

1.  Wanneer de relevante basishandelingen hierin voorzien, kan de Commissie begrotingssteun verlenen aan een derde land op voorwaarde dat:

a) het beheer van de overheidsfinanciën van het derde land voldoende transparant, betrouwbaar en doeltreffend is;

b) het derde land op sectoraal of nationaal niveau een beleid voert dat voldoende geloofwaardig en effectief is;

c) het derde land macro-economische beleidsmaatregelen heeft ingesteld die op stabiliteit zijn gericht;

d) het derde land heeft gezorgd voor voldoende en tijdige toegang tot allesomvattende en solide begrotingsinformatie.

2.  De betaling van de bijdrage van de Unie hangt af van het vervullen van de in lid 1 bedoelde voorwaarden, met inbegrip van de verbetering van het beheer van de overheidsfinanciën. Daarnaast kunnen sommige betalingen ook afhankelijk worden gesteld van het bereiken van mijlpalen, hetgeen wordt gemeten aan de hand van objectieve prestatie-indicatoren, waaruit de resultaten en de voortgang met de hervorming in de desbetreffende sector gaandeweg blijken.

3.  De Commissie steunt in derde landen de eerbiediging van de rechtsstaat, de ontwikkeling van parlementaire controle en audit- en corruptiebestrijdingsbevoegdheden en streeft naar grotere transparantie en openbare toegankelijkheid van informatie.

4.  De overeenkomstige financieringsovereenkomsten die met het derde land worden gesloten, omvatten:

a) een verplichting voor het derde land om de Commissie tijdig betrouwbare informatie te verstrekken op basis waarvan zij kan nagaan of de in lid 2 bedoelde voorwaarden zijn vervuld;

b) een recht van de Commissie om de financieringsovereenkomst te schorsen indien het derde land een verplichting in verband met de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen of de rechtsstaat niet nakomt, en in ernstige gevallen van corruptie;

c) passende bepalingen, die inhouden dat het derde land moet toezeggen om de relevante financiering voor acties onmiddellijk geheel of gedeeltelijk te zullen terugbetalen, indien wordt vastgesteld dat de betaling van de desbetreffende middelen van de Unie geschaad is door ernstige, aan dat land toe te schrijven onregelmatigheden.

Voor de verwerking van de terugbetaling bedoeld in de eerste alinea, onder c), van dit lid kan artikel 101, lid 1, tweede alinea, worden toegepast.

Artikel 237

Bezoldigde externe deskundigen

1.  Voor waarden onder de in artikel 175, lid 1, bedoelde drempelwaarden en volgens de in lid 3 van dit artikel vastgestelde procedure, kunnen de instellingen van de Unie bezoldigde externe deskundigen selecteren om hen bij te staan bij de evaluatie van subsidieaanvragen, projecten en inschrijvingen, en om in specifieke gevallen adviezen en raad te verstrekken.

2.  Bezoldigde externe deskundigen worden bezoldigd op basis van een vast, van tevoren meegedeeld bedrag en geselecteerd op basis van hun beroepsbekwaamheid. De selectie geschiedt aan de hand van criteria die beantwoorden aan de beginselen non-discriminatie, gelijke behandeling en afwezigheid van belangenconflicten.

3.  Een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling wordt bekendgemaakt op de website van de betrokken instelling van de Unie.

De oproep tot het indienen van blijken van belangstelling bevat een beschrijving van de taken, de duur daarvan en de vaste bezoldigingsvoorwaarden.

Na de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling wordt een lijst van deskundigen opgesteld. De lijst is niet langer geldig dan vijf jaar vanaf de bekendmaking ervan of niet langer dan de looptijd van een meerjarenprogramma waarop de taken betrekking hebben.

4.  Belangstellende natuurlijke personen kunnen zich op elk tijdstip van de geldigheidsduur van de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling aanmelden, behalve tijdens de laatste drie maanden.

5.  De uit de kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling bezoldigde deskundigen worden aangeworven volgens de procedures die door het Europees Parlement en de Raad worden vastgesteld bij de goedkeuring van elk kaderprogramma voor onderzoek of volgens de overeenkomstige regels voor deelname. Voor de toepassing van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 2, worden dergelijke deskundigen behandeld als ontvangers.

Artikel 238

Niet-bezoldigde deskundigen

De instellingen van de Unie kunnen reis- en verblijfkosten vergoeden van personen die door hen zijn uitgenodigd of uitgezonden, of hun zo nodig andere vergoedingen betalen.

Artikel 239

Lidmaatschapsgelden en andere betalingen van deelnamevergoedingen

De Unie mag bijdragen als deelnamevergoedingen betalen aan organen waarvan zij lid is of waarbij zij waarnemer is.

Artikel 240

Uitgaven voor de leden en het personeel van de instellingen van de Unie

De instellingen van de Unie kunnen uitgaven doen voor de leden en het personeel van de instellingen van de Unie, met inbegrip van de bijdragen voor verenigingen van huidige en vroegere leden van het Europees Parlement, en bijdragen voor de Europese scholen;



TITEL XIII

JAARREKENING EN ANDERE FINANCIËLE VERSLAGLEGGING



HOOFDSTUK 1

Jaarrekening



Afdeling 1

kader voor verslaglegging

Artikel 241

Structuur van de rekening

De jaarrekening van de Unie wordt opgesteld voor elk begrotingsjaar, dat begint op 1 januari en sluit op 31 december. Die jaarrekening omvat het volgende:

a) de geconsolideerde financiële staten, waarin, overeenkomstig de in artikel 80 bedoelde boekhoudregels, de consolidatie wordt weergegeven van de financiële informatie die is vervat in de financiële staten van instellingen van de Unie, van in artikel 70 bedoelde organen van de Unie en van andere organen die aan de consolidatiecriteria voldoen;

b) de geaggregeerde verslagen over de begrotingsuitvoering, waarin de informatie wordt weergegeven die is vervat in de verslagen over de begrotingsuitvoering van de instellingen van de Unie.

Artikel 242

Bewijsstukken

Iedere boeking in de jaarrekening wordt gestaafd met passende bewijsstukken overeenkomstig artikel 75.

Artikel 243

Financiële staten

1.  De financiële staten zijn uitgedrukt in miljoen euro en bestaan overeenkomstig de in artikel 80 bedoelde boekhoudregels uit:

a) de balans, die alle activa en passiva en de financiële situatie op 31 december van het voorgaande begrotingsjaar weergeeft;

b) de staat van de financiële resultaten, die het economische resultaat voor het voorgaande begrotingsjaar weergeeft;

c) het kasstroomoverzicht, dat de inningen en uitbetalingen van het begrotingsjaar en de afsluitende kaspositie weergeeft;

d) het mutatieoverzicht van de netto-activa, dat een overzicht geeft van de gedurende het begrotingsjaar opgetreden mutaties van de reserves en van de gecumuleerde resultaten.

2.  De opmerkingen bij de financiële staten vullen de in de in lid 1 bedoelde staten opgenomen informatie aan, lichten deze toe, en verstrekken alle aanvullende informatie die wordt voorgeschreven bij de in artikel 80 bedoelde boekhoudregels en de internationaal aanvaarde boekhoudpraktijk wanneer die informatie relevant is voor de activiteiten van de Unie. De opmerkingen moeten ten minste de volgende informatie bevatten:

a) de boekhoudbeginselen, -regels en -methoden;

b) de toelichtingen die aanvullende informatie verstrekken die niet in de financiële staten zelf is opgenomen, maar die nodig is voor een getrouwe weergave van de boekhouding.

3.  De rekenplichtige brengt tussen de afsluiting van het begrotingsjaar en de dag van overlegging van de algemene boekhouding de correcties aan die, zonder tot een betaling of inning voor het begrotingsjaar te leiden, nodig zijn voor een getrouw beeld van die boekhouding.



Afdeling 2

verslagen over de begrotingsuitvoering

Artikel 244

Verslagen over de begrotingsuitvoering

1.  De verslagen over de begrotingsuitvoering zijn uitgedrukt in miljoen euro en zijn per jaar vergelijkbaar. Zij bestaan uit:

a) verslagen die een samenvatting zijn van alle begrotingsverrichtingen van het begrotingsjaar aan de ontvangsten- en de uitgavenzijde;

b) het begrotingsresultaat, dat wordt berekend op basis van de jaarlijkse begrotingsbalans als bedoeld in Besluit 2014/335/EU, Euratom;

c) verklarende opmerkingen, die de in de verslagen opgenomen informatie aanvullen en toelichten.

2.  De verslagen over de begrotingsuitvoering worden opgesteld volgens dezelfde structuur als voor de begroting zelf.

3.  De verslagen over de begrotingsuitvoering bevatten:

a) informatie over de ontvangsten, in het bijzonder de ontwikkeling van de ramingen van de ontvangsten, de uitvoering van de ontvangstenbegroting en de vastgestelde rechten;

b) informatie over de ontwikkeling van alle beschikbare vastleggings- en betalingskredieten;

c) informatie over het gebruik van alle beschikbare vastleggings- en betalingskredieten;

d) informatie over de nog te betalen vastleggingen, de van het voorgaande begrotingsjaar overgedragen vastleggingen en de gedurende het begrotingsjaar gedane vastleggingen.

4.  Aan de informatie over de ontvangsten wordt een staat het verslag over de begrotingsuitvoering toegevoegd waarin per lidstaat de verdeling wordt gegeven van de aan het einde van het begrotingsjaar nog te innen bedragen aan eigen middelen waarvoor een invorderingsopdracht is gegeven.



Afdeling 3

Tijdschema voor de jaarrekening

Artikel 245

Voorlopige rekeningen

1.  De rekenplichtigen van de andere instellingen van de Unie dan de Commissie en van de in artikel 241 bedoelde organen zenden uiterlijk op 1 maart van het volgende begrotingsjaar hun voorlopige rekeningen toe aan de rekenplichtige van de Commissie en aan de Rekenkamer.

2.  De rekenplichtigen van de andere instellingen van de Unie dan de Commissie en van de in artikel 241 bedoelde organen zenden uiterlijk op 1 maart van het volgende begrotingsjaar de voor consolidatiedoeleinden vereiste boekhoudinformatie toe aan de rekenplichtige van de Commissie, op de wijze en in het formaat die door die laatste zijn vastgesteld.

3.  De rekenplichtige van de Commissie consolideert de in lid 2 bedoelde voorlopige rekeningen met de voorlopige rekeningen van de Commissie en zendt uiterlijk op 31 maart van het volgende begrotingsjaar de voorlopige rekeningen van de Commissie en de geconsolideerde voorlopige rekeningen van de Unie langs elektronische weg toe aan de Rekenkamer.

Artikel 246

Goedkeuring van de definitieve geconsolideerde rekeningen

1.  De Rekenkamer formuleert uiterlijk op 1 juni haar opmerkingen over de voorlopige rekeningen van de andere instellingen van de Unie dan de Commissie, en van elk van de in artikel 241 bedoelde organen, en uiterlijk op 15 juni haar opmerkingen over de voorlopige rekeningen van de Commissie en de geconsolideerde voorlopige rekeningen van de Unie.

2.  De rekenplichtigen van de andere instellingen van de Unie dan de Commissie en van de in artikel 241 bedoelde organen zenden uiterlijk op 15 juni de vereiste boekhoudinformatie toe aan de rekenplichtige van de Commissie, op de wijze en in het formaat die door die laatste zijn vastgesteld, met het oog op de opstelling van de definitieve geconsolideerde rekeningen.

De andere instellingen van de Unie dan de Commissie en elk van de in artikel 241 bedoelde organen zenden uiterlijk op 1 juli hun definitieve rekeningen toe aan het Europees Parlement, aan de Raad, aan de Rekenkamer en aan de rekenplichtige van de Commissie.

3.  De rekenplichtige van elke instelling van de Unie en van elk in artikel 241 bedoeld orgaan zendt op dezelfde dag als die waarop hij de definitieve rekeningen toezendt, een begeleidende brief („representation letter”) betreffende die definitieve rekeningen toe aan de Rekenkamer, met kopie aan de rekenplichtige van de Commissie.

De definitieve rekeningen gaan vergezeld van een nota van de rekenplichtige waarin deze verklaart dat de definitieve rekeningen zijn opgesteld overeenkomstig deze titel en de in de opmerkingen bij de financiële staten beschreven toepasselijke boekhoudbeginselen, -regels en -methoden.

4.  De rekenplichtige van de Commissie stelt op grond van de informatie die de andere instellingen van de Unie dan de Commissie en de in artikel 241 bedoelde organen overeenkomstig lid 2 van dit artikel hebben verstrekt, de definitieve geconsolideerde rekeningen op.

De definitieve geconsolideerde rekeningen gaan vergezeld van een nota van de rekenplichtige van de Commissie waarin deze verklaart dat de definitieve geconsolideerde rekeningen zijn opgesteld overeenkomstig deze titel en de in de opmerkingen bij de financiële staten beschreven toepasselijke boekhoudbeginselen, -regels en -methoden.

5.  De Commissie keurt de definitieve geconsolideerde rekeningen en haar eigen definitieve rekeningen goed en zendt deze uiterlijk op 31 juli langs elektronische weg toe aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Rekenkamer.

De rekenplichtige van de Commissie zendt op dezelfde dag een begeleidende brief („representation letter”) betreffende die definitieve geconsolideerde rekeningen toe aan de Rekenkamer.

6.  De definitieve geconsolideerde rekeningen worden uiterlijk op 15 november in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt, vergezeld van de betrouwbaarheidsverklaring die door de Rekenkamer wordt verstrekt overeenkomstig artikel 287 VWEU en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag.



HOOFDSTUK 2

Geïntegreerde financiële en verantwoordingsverslagen

Artikel 247

Geïntegreerde financiële en verantwoordingsverslagen

1.  De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 31 juli van het volgende begrotingsjaar een geïntegreerde reeks financiële en verantwoordingsverslagen over, bestaande uit:

a) de definitieve geconsolideerde rekeningen als bedoeld in artikel 246;

b) het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag, dat bestaat uit een duidelijke en beknopte samenvatting van de resultaten inzake interne controle en financieel beheer die zijn opgenomen in de jaarlijkse activiteitenverslagen van elke gedelegeerde ordonnateur en bevat informatie over de belangrijkste governanceregelingen in de Commissie, alsmede:

i) een raming van het foutenpercentage in de uitgaven van de Unie op basis van een consistente methode en een raming van de toekomstige correcties;

ii) informatie over de preventieve en corrigerende acties met betrekking tot de begroting, die het financiële effect weergeeft van de acties die zijn verricht om de begroting te beschermen tegen uitgaven die in strijd zijn met de wetgeving;

iii) informatie over de uitvoering van de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie;

c) een langetermijnraming van toekomstige in- en uitstromen voor de volgende vijf jaar die is gebaseerd op de toepasselijke meerjarige financiële kaders en Besluit 2014/335/EU, Euratom;

d) de in artikel 118, lid 4, bedoelde jaarlijks internecontroleverslagen;

e) de evaluatie van de financiën van de Unie op basis van de bereikte resultaten, als bedoeld in artikel 318 VWEU, waarbij met name de voortgang bij de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen wordt beoordeeld rekening houdend met de in artikel 33 van deze verordening bedoelde prestatie-indicatoren;

f) het in artikel 261, lid 3, bedoelde verslag over de follow-up die aan de kwijting is gegeven.

2.  De in lid 1 bedoelde geïntegreerde financiële en verantwoordingsverslaglegging presenteert elk verslag op afzonderlijke en duidelijk herkenbare wijze. Elk individueel verslag wordt uiterlijk op 30 juni beschikbaar gesteld aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Rekenkamer, met uitzondering van de definitieve geconsolideerde rekeningen.



HOOFDSTUK 3

Begrotingsverslagen en andere financiële verslaglegging

Artikel 248

Maandelijkse verslaglegging over de uitvoering van de begroting

Naast de in de artikelen 243 en 244 bedoelde jaarlijkse staten en verslagen zendt de rekenplichtige van de Commissie het Europees Parlement en de Raad eenmaal per maand, zowel voor de ontvangsten als voor de uitgaven betreffende alle beschikbare kredieten, minstens per hoofdstuk samengevoegde en naar hoofdstuk, artikel en post uitgesplitste kwantitatieve gegevens over de uitvoering van de begroting toe. Die gegevens omvatten ook bijzonderheden over het gebruik van de overgedragen kredieten.

De kwantitatieve gegevens worden binnen tien werkdagen na het einde van elke maand beschikbaar gesteld via de website van de Commissie.

Artikel 249

Jaarlijks verslag over het begrotings- en financieel beheer

1.  Alle in artikel 241 bedoelde instellingen van de Unie en organen stellen een verslag over het begrotings- en financieel beheer van het begrotingsjaar op.

Zij stellen het verslag uiterlijk op 31 maart van het jaar volgende op het begrotingsjaar beschikbaar aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.

2.  Het in lid 1 bedoelde verslag bevat beknopte informatie over de kredietoverschrijvingen tussen begrotingsposten.

Artikel 250

Jaarlijks verslag over financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties en financiële bijstand

De Commissie brengt jaarlijks overeenkomstig artikel 41, leden 4 en 5, en artikel 52, lid 1, onder d) en e), aan het Europees Parlement en aan de Raad verslag uit over de financieringsinstrumenten, de begrotingsgaranties, de financiële bijstand en de voorwaardelijke verplichtingen. Die informatie wordt tegelijkertijd beschikbaar gesteld aan de Rekenkamer.

Artikel 251

Statusverslag over boekhoudkundige vraagstukken

Uiterlijk op 15 december van elk begrotingsjaar zendt de rekenplichtige van de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag toe met informatie over vastgestelde actuele risico’s, waargenomen algemene trends, nieuwe boekhoudkundige vraagstukken, en voortgang inzake boekhoudkwesties, met inbegrip van eventuele door de Rekenkamer geïdentificeerde punten, alsmede informatie over terugvorderingen.

Artikel 252

Verslaglegging over trustfondsen van de Unie voor extern optreden

De Commissie brengt jaarlijks overeenkomstig artikel 41, lid 6, aan het Europees Parlement en aan de Raad verslag uit over de activiteiten die door in artikel 234 bedoelde trustfondsen van de Unie worden gesteund, over de uitvoering en de prestaties ervan, alsmede over hun rekeningen.

De raad van bestuur van het betrokken trustfonds van de Unie keurt het door de ordonnateur opgestelde jaarverslag van het trustfonds van de Unie goed. De raad van bestuur keurt ook de door de rekenplichtige opgestelde definitieve rekeningen goed. De definitieve rekeningen worden door de raad van bestuur aan het Europees Parlement en de Raad meegedeeld in het kader van de kwijtingsprocedure voor de Commissie.

Artikel 253

Bekendmaking van informatie over ontvangers

De Commissie maakt informatie over ontvangers bekend overeenkomstig artikel 38.



TITEL XIV

EXTERNE AUDIT EN KWIJTING



HOOFDSTUK 1

Externe audit

Artikel 254

Externe audit door de Rekenkamer

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie stellen de Rekenkamer zo spoedig mogelijk in kennis van alle besluiten en regels die zij ter uitvoering van de artikelen 12, 16, 21, 29, 30, 32 en 43 hebben aangenomen.

Artikel 255

Regels en procedure voor de audit

1.  De controle door de Rekenkamer van de wettigheid en de regelmatigheid van de uitgaven en ontvangsten vindt plaats in het licht van de Verdragen, de begroting, deze verordening, de gedelegeerde handelingen die volgens deze verordening zijn vastgesteld, en alle andere relevante ter uitvoering van de Verdragen vastgestelde handelingen. Bij die controle kan rekening worden gehouden met het meerjarige karakter van programma’s en de bijbehorende toezichts- en controlesystemen.

2.  Bij de vervulling van haar taak kan de Rekenkamer onder de in artikel 257 vastgestelde voorwaarden kennis nemen van alle documenten en informatie betreffende het financieel beheer door diensten en organen met betrekking tot alle door de Unie gefinancierde of medegefinancierde maatregelen. Zij is bevoegd ieder personeelslid dat verantwoordelijkheid draagt voor uitgaven- of ontvangstenverrichtingen te horen en gebruik te maken van alle voor die diensten of organen geschikte auditprocedures. De audit in de lidstaten geschiedt in overleg met de nationale auditinstanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in overleg met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale auditinstanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen, doch met behoud van hun onafhankelijkheid.

Teneinde alle gegevens te verzamelen die nodig zijn voor de vervulling van de taak die haar bij de Verdragen of bij de ter uitvoering daarvan vastgestelde handelingen is opgedragen, kan de Rekenkamer op haar verzoek aanwezig zijn bij de auditverrichtingen die in het kader van de uitvoering van de begroting door of voor rekening van een instelling van de Unie worden uitgevoerd.

Op verzoek van de Rekenkamer geeft elke instelling van de Unie de financiële instellingen die houder zijn van tegoeden van de Unie, toestemming om de Rekenkamer in staat te stellen na te gaan of de externe gegevens overeenstemmen met de boekhoudkundige situatie.

3.  Ter vervulling van haar taak deelt de Rekenkamer aan de instellingen en autoriteiten van de Unie waarop deze verordening van toepassing is, de namen mede van de personeelsleden die bevoegd zijn bij hen audits te verrichten.

Artikel 256

Toetsen betreffende effecten en geldmiddelen

De Rekenkamer ziet erop toe dat alle effecten en geldmiddelen welke gedeponeerd zijn of zich in kas bevinden, worden gecontroleerd aan de hand van verklaringen, ondertekend door de depothouders, of van processen-verbaal van de aangehouden geldmiddelen en effecten. Zij kan deze toets zelf verrichten.

Artikel 257

Recht van toegang van de Rekenkamer

1.  De instellingen van de Unie, de organen die ontvangsten of uitgaven namens de Unie beheren en de ontvangers verlenen de Rekenkamer alle faciliteiten en verstrekken haar alle informatie welke zij bij de vervulling van haar taak nodig meent te hebben. Zij houden op verzoek van de Rekenkamer alle documenten inzake gunning en uitvoering van overeenkomsten die uit de begroting worden gefinancierd, en alle geld- en goederenrekeningen, alle boekhoudbescheiden en bewijsstukken ter harer beschikking, alsmede de daarop betrekking hebbende administratieve documenten, alle documentatie betreffende de ontvangsten en uitgaven van de Unie, alle inventarislijsten en alle organigrammen welke de Rekenkamer voor de controle, aan de hand van stukken of ter plaatse, van de jaarrekeningen en de verslagen over de begrotingsuitvoering nodig meent te hebben en, voor hetzelfde doel, alle elektronisch opgestelde of bewaarde documenten en gegevens. Indien dat relevant is voor de audit, omvat het recht van toegang van de Rekenkamer toegang tot het IT-systeem dat wordt gebruikt voor het beheer van de ontvangsten of uitgaven die het voorwerp van haar audit vormen.

De interne auditorganen en andere diensten van de betrokken nationale diensten verstrekken de Rekenkamer alle faciliteiten welke zij voor de vervulling van haar taak nodig meent te hebben.

2.  De aan de controle van de Rekenkamer onderworpen personeelsleden zijn gehouden:

a) hun gegevens betreffende geldmiddelen die zich in kas bevinden, hun andere geldmiddelen, effecten en goederen van enigerlei aard te tonen, alsmede de bewijsstukken van hun beheer van middelen die hun zijn toevertrouwd, alsmede elk boek, register of ander document dat daarop betrekking heeft;

b) inzage te geven in de correspondentie en elk ander document dat noodzakelijk is voor de volledige uitvoering van de in artikel 255 bedoelde audit.

Alleen de Rekenkamer kan verzoeken om mededeling van de in de eerste alinea, onder b), bedoelde informatie.

3.  De Rekenkamer is bevoegd de documenten betreffende de ontvangsten en uitgaven van de Unie te controleren die berusten bij de diensten van de instellingen van de Unie, met name bij de diensten die verantwoordelijk zijn voor de beslissingen omtrent deze ontvangsten en uitgaven, bij de organen die ontvangsten en uitgaven namens de Unie beheren en bij de natuurlijke personen aan wie of de rechtspersonen waaraan de overmakingen uit de begroting ten goede komen.

4.  De controle van de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en de controle van het goed financieel beheer strekken zich uit tot het gebruik van als bijdragen ontvangen middelen van de Unie door niet onder de instellingen van de Unie ressorterende organen.

5.  Financieringen van de Unie waarvan de ontvangers niet onder de instellingen van de Unie ressorteren, worden slechts toegekend na schriftelijke instemming door deze ontvangers of, wanneer deze niet instemmen, de contractanten en subcontractanten, met de audit door de Rekenkamer van het gebruik van de toegekende middelen.

6.  De Commissie verstrekt de Rekenkamer op diens verzoek alle informatie over de opgenomen en verstrekte leningen.

7.  Het gebruik van geïntegreerde computersystemen heeft niet tot gevolg dat de toegang van de Rekenkamer tot bewijsstukken wordt beperkt. Wanneer het technisch mogelijk is, wordt aan de Rekenkamer in haar eigen gebouwen en overeenkomstig de toepasselijke veiligheidsvoorschriften elektronische toegang gegeven tot de voor de audit noodzakelijke gegevens en documenten.

Artikel 258

Jaarverslag van de Rekenkamer

1.  De Rekenkamer doet uiterlijk op 30 juni aan de Commissie en de betrokken andere instellingen van de Unie de opmerkingen toekomen die naar haar mening in haar jaarverslag dienen te worden opgenomen. Die opmerkingen zijn vertrouwelijk en het voorwerp van een contradictoire procedure. Alle instellingen van de Unie zenden hun antwoorden uiterlijk op 15 oktober toe aan de Rekenkamer. Tegelijkertijd zenden de andere instellingen van de Unie dan de Commissie hun antwoord aan de Commissie.

2.  Het jaarverslag van de Rekenkamer bevat een beoordeling van de deugdelijkheid van het financiële beheer.

3.  Het jaarverslag van de Rekenkamer bevat een afdeling voor elke instelling van de Unie en voor het gemeenschappelijk voorzieningsfonds. De Rekenkamer kan elke door haar dienstig geachte samenvatting of opmerking van algemene aard toevoegen.

4.  De Rekenkamer zendt haar jaarverslag met de antwoorden van de instellingen van de Unie uiterlijk op 15 november toe aan de autoriteiten die kwijting verlenen en aan de andere instellingen van de Unie, en draagt zorg voor de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 259

Speciale verslagen van de Rekenkamer

1.  De Rekenkamer deelt aan de betrokken instelling of het betrokken orgaan van de Unie alle opmerkingen mede die naar haar mening in een speciaal verslag dienen te worden opgenomen. Die opmerkingen zijn vertrouwelijk en het voorwerp van een contradictoire procedure.

De betrokken instelling of het betrokken orgaan van de Unie stelt de Rekenkamer in het algemeen binnen zes weken na toezending van deze opmerkingen in kennis van haar eventuele antwoorden op deze opmerkingen. Deze termijn wordt in naar behoren gemotiveerde gevallen geschorst, in het bijzonder ingeval het voor de betrokken instelling of het betrokken orgaan van de Unie tijdens de contradictoire procedure nodig is om ten behoeve van de afronding van haar of zijn antwoord inlichtingen in te winnen bij lidstaten.

In de antwoorden van de betrokken instelling of het betrokken orgaan van de Unie wordt rechtstreeks en uitsluitend ingegaan op de opmerkingen van de Rekenkamer.

Op verzoek van de Rekenkamer of van de betrokken instelling of het betrokken orgaan van de Unie, kunnen de antwoorden worden besproken door het Europees Parlement en door de Raad na de bekendmaking van het verslag.

De Rekenkamer zorgt ervoor dat speciale verslagen opgesteld en vastgesteld worden binnen een passende termijn die, in het algemeen, niet langer duurt dan 13 maanden.

De speciale verslagen worden samen met de antwoorden van de betrokken instellingen of organen van de Unie onverwijld ter kennis gebracht van het Europees Parlement en van de Raad, die elk, eventueel samen met de Commissie, bepalen welk gevolg eraan moet worden gegeven.

De Rekenkamer neemt de nodige maatregelen opdat de antwoorden van de betrokken instellingen en organen van de Unie op haar opmerkingen, alsmede het tijdschema voor het opstellen van het speciaal verslag, samen met het speciaal verslag worden gepubliceerd.

2.  De in artikel 287, lid 4, tweede alinea, VWEU bedoelde adviezen kunnen door de Rekenkamer in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt, voor zover zij geen betrekking hebben op voorstellen of ontwerpen in het kader van de wetgevingsprocedure. De Rekenkamer besluit tot publicatie na raadpleging van de instelling van de Unie die het advies heeft gevraagd of waarop het advies betrekking heeft. De gepubliceerde adviezen gaan vergezeld van de eventuele opmerkingen van de betrokken instellingen van de Unie.



HOOFDSTUK 2

Kwijting

Artikel 260

Tijdschema voor de kwijtingsprocedure

1.  Vóór 15 mei van het jaar n + 2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar n.

2.  Indien de in lid 1 bedoelde termijn niet in acht kan worden genomen, deelt het Europees Parlement of de Raad de Commissie de redenen daarvoor mee.

3.  Ingeval het Europees Parlement het besluit waarbij kwijting wordt verleend, uitstelt, tracht de Commissie zo spoedig mogelijk maatregelen te treffen om de factoren die dat besluit in de weg staan, op te heffen of het opheffen ervan te faciliteren.

Artikel 261

De kwijtingsprocedure

1.  Het kwijtingsbesluit betreft de rekeningen van alle uitgaven en ontvangsten van de Unie, alsmede het saldo dat daaruit resulteert, en de in de financiële balans beschreven activa en passiva van de Unie.

2.  Met het oog op het verlenen van kwijting onderzoekt het Europees Parlement na de Raad de rekeningen, de financiële balans en het in artikel 318 VWEU genoemde evaluatieverslag. Het Parlement onderzoekt tevens het jaarverslag van de Rekenkamer met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen van de Unie en alle relevante speciale verslagen van de Rekenkamer met betrekking tot het betrokken begrotingsjaar, alsmede haar verklaring waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd.

3.  De Commissie verstrekt het Europees Parlement desgevraagd alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar, overeenkomstig artikel 319 VWEU.

Artikel 262

Follow-upmaatregelen

1.  Overeenkomstig artikel 319 VWEU en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag stellen de andere instellingen van de Unie en de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie alles in het werk om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat en aan de opmerkingen waarvan de door de Raad aangenomen aanbeveling tot kwijting vergezeld gaat.

2.  Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad brengen de in de artikelen 70 en 71 bedoelde instellingen en organen van de Unie verslag uit over de maatregelen die naar aanleiding van deze opmerkingen zijn genomen, met name over de instructies die zij hebben gegeven aan hun diensten die met de uitvoering van de begroting zijn belast. De lidstaten werken met de Commissie samen door haar de maatregelen mee te delen die zij hebben genomen om aan deze opmerkingen gevolg te geven, zodat de Commissie hiermee in haar verslag rekening kan houden. De verslagen van de instellingen van de Unie en de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie worden ook aan de Rekenkamer toegezonden.

Artikel 263

Specifieke bepalingen voor de EDEO

De EDEO is onderworpen aan de procedures van artikel 319 VWEU en van de artikelen 260, 261 en 262 van deze verordening. De EDEO werkt volledig samen met de instellingen van de Unie die bij de kwijtingsprocedure betrokken zijn, en verstrekt, waar nodig, de vereiste aanvullende informatie, onder meer in de vergaderingen van de relevante organen.



TITEL XV

ADMINISTRATIEVE KREDIETEN

Artikel 264

Algemene bepalingen

1.  Administratieve kredieten zijn niet-gesplitste kredieten.

2.  Deze titel is van toepassing op de in artikel 47, lid 4, bedoelde administratieve kredieten en op die van andere instellingen van de Unie dan de Commissie.

Vastleggingen in de begroting voor administratieve kredieten die in verschillende titels voorkomen en die globaal worden beheerd, mogen globaal in de begrotingsboekhouding worden opgenomen volgens de in artikel 47, lid 4, bedoelde samenvattende indeling naar aard.

De bijbehorende uitgaven worden op de begrotingsonderdelen van elke titel geboekt volgens dezelfde verdeling als voor kredieten.

3.  De administratieve uitgaven die voortvloeien uit overeenkomsten voor perioden welke de duur van het begrotingsjaar overschrijden, hetzij overeenkomstig de plaatselijke gebruiken, hetzij met betrekking tot de levering van materieel, worden geboekt ten laste van de begroting voor het begrotingsjaar waarin zij worden gedaan.

4.  Onder de in het Statuut en in de specifieke bepalingen betreffende de leden van de instellingen van de Unie genoemde voorwaarden kunnen voorschotten aan het personeel en aan de leden van de instellingen van de Unie worden betaald.

Artikel 265

Vooruitbetalingen

De in artikel 11, lid 2, onder a), bedoelde uitgaven die op grond van wettelijke of contractuele bepalingen vooruit worden betaald, mogen vanaf 1 december worden betaald ten laste van de kredieten van het volgende begrotingsjaar. In dat geval is het in artikel 11, lid 2, bepaalde maximum niet van toepassing.

Artikel 266

Specifieke bepalingen voor onroerendgoedprojecten

1.  Elke instelling van de Unie verstrekt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 1 juni van elk jaar een werkdocument over haar onroerendgoedbeleid, dat de volgende informatie bevat:

a) voor elk gebouw, de uitgaven en oppervlakte die gedekt zijn door de kredieten van de overeenkomstige begrotingsonderdelen. De uitgaven omvatten de kosten van de inrichting en uitrusting van gebouwen maar geen andere lasten;

b) de verwachte evolutie van de globale programmering van oppervlakte en locaties voor de komende jaren, met een beschrijving van de onroerendgoedprojecten in de planningfase die reeds geïdentificeerd zijn;

c) de definitieve voorwaarden en kosten evenals relevante informatie betreffende de uitvoering van nieuwe onroerendgoedprojecten die reeds overeenkomstig de in de leden 2 en 3 vastgestelde procedure aan het Europees Parlement en de Raad zijn voorgelegd en niet in werkdocumenten van de voorgaande jaren zijn opgenomen.

2.  In het geval van onroerendgoedprojecten die wellicht aanzienlijke financiële gevolgen hebben voor de begroting stelt de betrokken instelling van de Unie het Europees Parlement en de Raad zo vroeg mogelijk en in ieder geval vóór het verkennen van de lokale markt in het geval van onroerendgoedovereenkomsten, of vóór het publiceren van de uitnodigingen tot inschrijving in het geval van bouwwerkzaamheden, in kennis van de vereiste bouwoppervlakte en de voorlopige planning.

3.  In het geval van onroerendgoedprojecten die wellicht aanzienlijke financiële gevolgen hebben voor de begroting presenteert de betrokken instelling van de Unie het onroerendgoedproject, met name de gedetailleerde kostenraming en de financiering ervan, met inbegrip van het mogelijke gebruik van de in artikel 21, lid 3, onder e), bedoelde interne bestemmingsontvangsten, alsmede een lijst van de geplande ontwerpovereenkomsten, aan het Europees Parlement en de Raad en verzoekt zij hun om toestemming alvorens de overeenkomsten worden gesloten. Op verzoek van de betrokken instelling van de Unie worden documenten die met betrekking tot het onroerendgoedproject worden ingediend, vertrouwelijk behandeld.

Behoudens in geval van overmacht als bedoeld in lid 4 wordt het voorstel betreffende het onroerendgoedproject door het Europees Parlement en de Raad besproken binnen vier weken nadat beide instellingen het voorstel hebben ontvangen.

Na het verstrijken van de periode van vier weken wordt het voorstel betreffende het onroerendgoedproject geacht te zijn goedgekeurd, tenzij het Europees Parlement of de Raad binnen deze termijn een besluit heeft genomen dat ingaat tegen het voorstel.

Indien het Europees Parlement en/of de Raad binnen deze periode van vier weken redenen aanvoert/aanvoeren, wordt de termijn eenmaal met twee weken verlengd.

Indien het Europees Parlement of de Raad een besluit heeft genomen dat ingaat tegen het onroerendgoedproject, trekt de betrokken instelling van de Unie haar voorstel in en kan zij een nieuw voorstel indienen.

4.  In geval van naar behoren gemotiveerde overmacht kan de in lid 2 bepaalde informatie tezamen met het onroerendgoedproject worden ingediend. Het voorstel betreffende het onroerendgoedproject wordt door het Europees Parlement en de Raad besproken binnen twee weken nadat beide instellingen het voorstel hebben ontvangen. Na het verstrijken van de periode van twee weken wordt het voorstel betreffende het onroerendgoedproject geacht te zijn goedgekeurd, tenzij het Europees Parlement en/of de Raad binnen deze termijn een besluit hebben/heeft genomen dat ingaat tegen het voorstel.

5.  De volgende projecten worden beschouwd als onroerendgoedprojecten die aanzienlijke financiële gevolgen voor de begroting kunnen hebben:

a) de verwerving van grond;

b) de verwerving, verkoop, structurele renovatie of bouw van onroerend goed of projecten die deze elementen combineren en binnen eenzelfde termijn worden uitgevoerd, voor een bedrag van meer dan 3 000 000  EUR;

c) de verwerving, structurele renovatie of bouw van onroerend goed of projecten die deze elementen combineren en binnen eenzelfde termijn worden uitgevoerd, voor een bedrag van meer dan 2 000 000  EUR indien de prijs meer dan 110 % bedraagt van de lokale prijs van vergelijkbare onroerende goederen zoals geraamd door een onafhankelijke deskundige;

d) de verkoop van grond of onroerend goed indien de prijs minder dan 90 % bedraagt van de lokale prijs van vergelijkbare onroerende goederen zoals geraamd door een onafhankelijke deskundige;

e) nieuwe onroerendgoedovereenkomsten, met inbegrip van vruchtgebruik, erfpacht en een hernieuwde sluiting van bestaande onroerendgoedovereenkomsten tegen minder gunstige voorwaarden, die niet onder b) vallen, voor een jaarlijks bedrag van ten minste 750 000  EUR;

f) de verlenging of hernieuwde sluiting van bestaande onroerendgoedovereenkomsten, met inbegrip van vruchtgebruik en erfpacht, tegen dezelfde of gunstigere voorwaarden, voor een jaarlijks bedrag van ten minste 3 000 000  EUR.

Dit lid is tevens van toepassing op onroerendgoedprojecten van interinstitutionele aard, alsmede op delegaties van de Unie.

De in de eerste alinea, onder b) tot en met f), bedoelde drempelwaarden omvatten de kosten voor het inrichten en uitrusten van gebouwen. In het geval van huur- en vruchtgebruikovereenkomsten omvatten die drempelwaarden de kosten voor het inrichten en uitrusten van gebouwen, maar niet de andere gebruikslasten.

6.  Onverminderd artikel 17 kan een project tot verwerving van onroerend goed worden gefinancierd via een lening, mits het Europees Parlement en de Raad hiervoor toestemming hebben gegeven.

Leningen worden opgenomen en terugbetaald overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer en met behoorlijke inachtneming van de financiële belangen van de Unie.

Indien de instelling van de Unie voorstelt onroerend goed te verwerven met behulp van een lening, worden in het financieringsplan, dat tezamen met het verzoek om voorafgaande toestemming door de desbetreffende instelling van de Unie moet worden ingediend, met name het maximale financieringspeil, de financieringstermijn, het soort financiering, de financieringsvoorwaarden en de besparingen ten opzichte van andere soorten contractuele regelingen vermeld.

Het verzoek om voorafgaande toestemming wordt door het Europees Parlement en de Raad besproken binnen vier weken nadat beide instellingen het voorstel hebben ontvangen, met een mogelijke eenmalige verlenging met twee weken. Verwerving van onroerend goed gefinancierd via een lening wordt geacht te zijn afgewezen indien het Europees Parlement en de Raad binnen deze termijn het verzoek niet uitdrukkelijk hebben ingewilligd.

Artikel 267

Procedure van vroegtijdige kennisgeving en procedure van voorafgaande toestemming

1.  De procedure van vroegtijdige kennisgeving als bedoeld in artikel 266, lid 2, en de procedure van voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 266, leden 3 en 4, zijn niet van toepassing op de verwerving van grond die gratis of tegen een symbolisch bedrag gebeurt.

2.  De in artikel 266, lid 2, bedoelde procedure van vroegtijdige kennisgeving en de in artikel 266, leden 3 tot en met 4, bedoelde procedure van voorafgaande toestemming zijn ook van toepassing op woongebouwen indien de prijs voor de verwerving, structurele renovatie of bouw van onroerend goed of projecten die deze elementen binnen eenzelfde termijn combineren, meer dan 2 000 000  EUR bedraagt, en meer dan 110 % van de lokale prijs of de huurindex van vergelijkbare onroerende goederen. Het Europees Parlement en de Raad kunnen de bevoegde instelling van de Unie vragen alle informatie met betrekking tot woongebouwen te verstrekken.

3.  In uitzonderlijke of spoedeisende politieke omstandigheden kan voor onroerendgoedprojecten van delegaties van de Unie of kantoren in derde landen de vroegtijdige kennisgeving als bedoeld in artikel 266, lid 2, samen met de presentatie van het onroerendgoedproject als bedoeld in artikel 266, lid 3, worden gedaan. De procedures van vroegtijdige kennisgeving en voorafgaande toestemming krijgen in dat geval zo gauw mogelijk hun beslag.

Voor projecten in verband met woongebouwen in derde landen worden de procedure van vroegtijdige kennisgeving en de procedure van voorafgaande toestemming gezamenlijk gevolgd.

4.  De procedure van voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 266, leden 3 en 4, is niet van toepassing op voorbereidende overeenkomsten of studies ter beoordeling van de precieze kosten en de financiering van het onroerendgoedproject.



TITEL XVI

VERZOEKEN OM INFORMATIE EN GEDELEGEERDE HANDELINGEN

Artikel 268

Verzoeken om informatie van het Europees Parlement en de Raad

Het Europees Parlement en de Raad zijn gerechtigd alle informatie en verantwoordingen te verkrijgen die betrekking hebben op tot hun respectieve bevoegdheden behorende begrotingsvraagstukken.

Artikel 269

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De bevoegdheid om de in de artikel 70, lid 1, artikel 71, derde alinea, artikel 161 en artikel 213, lid 2, tweede en derde alinea, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode die eindigt op 31 december 2020. De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2018 een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met de looptijd van de daarop volgende meerjarige financiële kaders, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van de looptijd van het overeenkomstig meerjarig financieel kader, tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 70, lid 1, artikel 71, derde alinea, artikel 161 en artikel 213, lid 2, tweede en derde alinea, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 70, lid 1, artikel 71, derde alinea, artikel 161 en artikel 213, lid 2, tweede en derde alinea, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.



DEEL TWEE

WIJZIGINGEN VAN SECTORSPECIFIEKE REGELGEVING

Artikel 270

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1296/2013

Verordening (EU) nr. 1296/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1. in artikel 5 wordt lid 2 vervangen door:

„2.  De volgende indicatieve percentages gelden gemiddeld voor de hele programmaperiode voor de in artikel 3, lid 1, bedoelde pijlers:

a) ten minste 55 % voor de Progress-pijler;

b) ten minste 18 % voor de EURES-pijler;

c) ten minste 18 % voor de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap.”;

2. artikel 14 wordt vervangen door:

„Artikel 14

Thematische onderdelen en financiering

1.  De Progress-pijler steunt activiteiten binnen de onder a), b) en c) bedoelde thematische onderdelen. Voor de gehele looptijd van het programma worden bij de indicatieve verdeling van de algehele toewijzing voor de Progress-pijler over de verschillende thematische onderdelen de volgende minimumpercentages in acht genomen:

a) werkgelegenheid, in het bijzonder in het kader van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid: 20 %;

b) sociale bescherming, sociale inclusie en de bestrijding en preventie van armoede: 45 %;

c) arbeidsvoorwaarden: 7 %.

Resterende bedragen worden toegewezen aan een of meer van de eerste alinea, onder a), b) of c), bedoelde thematische onderdelen, dan wel een combinatie daarvan.;

2.  Van de totale toewijzing voor Progress wordt een belangrijk deel toegewezen voor de bevordering van sociale experimenten als methode voor het toetsen en evalueren van innovatieve oplossingen met het oog op de toepassing daarvan op grotere schaal.”;

3. artikel 19 wordt vervangen door:

„Artikel 19

Thematische onderdelen en financiering

De EURES-pijler steunt activiteiten binnen de onder a), b) en c) bedoelde thematische onderdelen. Voor de gehele looptijd van het programma worden bij de indicatieve verdeling van de algehele toewijzing voor de EURES-pijler over de verschillende thematische onderdelen de volgende minimumpercentages in acht genomen:

a) transparantie van aanvragen om en aanbiedingen van werk en alle gerelateerde informatie voor werkzoekenden en werkgevers: 15 %;

b) ontwikkeling van diensten voor de werving en plaatsing van werknemers door het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk op Europees niveau, in het bijzonder gerichte mobiliteitsregelingen: 15 %;

c) grensoverschrijdende partnerschappen: 18 %.

Resterende bedragen worden toegewezen aan een of meer van de eerste alinea, onder a), b) of c), bedoelde thematische onderdelen, dan wel een combinatie daarvan.”;

4. artikel 25 wordt vervangen door:

„Artikel 25

Thematische onderdelen en financiering

De pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap steunt activiteiten binnen de onder a) en b) bedoelde thematische onderdelen. Voor de gehele looptijd van het programma worden bij de indicatieve verdeling van de algehele toewijzing voor de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap over de verschillende thematische onderdelen de volgende minimumpercentages in acht genomen:

a) microfinanciering voor kwetsbare groepen en micro-ondernemingen: 35 %;

b) sociaal ondernemerschap: 35 %.

Resterende bedragen worden toegewezen aan de in de eerste alinea, onder a) of b), bedoelde thematische onderdelen.”;

5. in artikel 34 wordt de tweede alinea vervangen door:

„De werkprogramma’s gelden, indien van toepassing, voor een periode van drie jaren bevatten een omschrijving van de te financieren acties, de selectieprocedures van de door de Unie te steunen acties, het geografische bereik, de doelgroep en een indicatie van het tijdsbestek voor de uitvoering. De werkprogramma’s bevatten tevens het indicatieve bedrag dat voor iedere specifieke doelstelling is toegewezen. De werkprogramma’s versterken de samenhang van het programma door het verband tussen drie pijlers te vermelden.”;

6. de artikelen 33 en 34 worden geschrapt.

Artikel 271

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1301/2013

Verordening (EU) nr. 1301/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1. in artikel 3 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

a) punt e) wordt vervangen door:

„e) investeringen in de ontwikkeling van het eigen potentieel door middel van permanente investeringen in installaties en infrastructuur, inclusief culturele en duurzame toerisme-infrastructuur, diensten aan bedrijven, steun voor instellingen voor onderzoek en innovatie en investeringen in technologie en toegepast onderzoek in bedrijven;”;

b) de volgende alinea wordt toegevoegd:

„De in de eerste alinea van dit lid, onder e), bedoelde investeringen in culturele en duurzame toerisme-infrastructuur worden beschouwd als kleinschalig en komen in aanmerking voor steun mits de bijdrage aan de verrichting van het EFRO niet hoger is dan 10 000 000  EUR. Dat plafond wordt verhoogd tot 20 000 000  EUR voor infrastructuur die wordt beschouwd als cultureel erfgoed in de zin van artikel 1 van de Unesco-Overeenkomst van 1972 inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld.”;

2. aan artikel 5, punt 9, wordt het volgende punt toegevoegd:

„e) het ondersteunen van de opvang en de sociale en economische integratie van migranten en vluchtelingen;”;

3. in de tabel in bijlage I wordt de tekst vanaf de kop „Sociale Infrastructuur” tot het einde vervangen door de volgende tekst:



„Sociale infrastructuur

Kinderopvang en onderwijs

personen

Capaciteit van gesubsidieerde kinderopvang of onderwijsinfrastructuur

Gezondheid

personen

Inwoners die gedekt zijn door verbeterde gezondheidsdiensten

Huisvesting

huisvestingseenheden

Gerenoveerde huisvesting

 

huisvestingseenheden

Gerenoveerde huisvesting, waarvan voor migranten en vluchtelingen (opvangcentra niet inbegrepen)

Migranten en vluchtelingen

personen

Capaciteit van de infrastructuur ter ondersteuning van migranten en vluchtelingen (andere dan huisvesting)

Specifieke indicatoren voor stedelijke ontwikkeling

 

personen

Inwoners van gebieden met strategieën voor geïntegreerde stedelijke ontwikkeling

 

vierkante meter

Open ruimte die is gecreëerd of hersteld in stedelijke gebieden

 

vierkante meter

Openbare of bedrijfsgebouwen die zijn gebouwd of gerenoveerd in stedelijke gebieden”.

Artikel 272

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013

Verordening (EU) nr. 1303/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1. in overweging 10 wordt de tweede zin vervangen door:

„Dankzij deze voorwaarden moet de Commissie zekerheid kunnen krijgen dat de lidstaten de ESI-fondsen aanwenden op legale en regelmatige wijze en in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer in de zin van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad ( *1 ) (het „Financieel Reglement”).

2. artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a) punt 10) wordt vervangen door:

„10. „begunstigde”: een publiek- of privaatrechtelijke instantie, of een natuurlijke persoon, die belast is met het opzetten, of met het opzetten en uitvoeren, van concrete acties, en:

a) in de context van staatssteun de instantie die de steun ontvangt, behalve wanneer de steun per onderneming minder dan 200 000  EUR bedraagt; in dat geval kan de betrokken lidstaat besluiten dat de steunverlenende instantie de begunstigde is, onverminderd Verordeningen (EU) nr. 1407/2013 ( *2 ) en (EU) nr. 1408/2013 ( *3 ) en (EU) nr. 717/2014 ( *4 ) van de Commissie, en

b) in de context van financieringsinstrumenten uit hoofde van deel 2, titel IV van deze verordening, de instantie die het financieringsinstrument, of, voor zover dat geschikt is, het fonds van fondsen, ten uitvoer legt;

b) punt 31) wordt vervangen door:

„31. „macroregionale strategie”: een door de Raad overeengekomen integraal kader, in voorkomend geval bekrachtigd door de Europese Raad, dat door onder meer de ESI-fondsen kan worden gesteund met het oog op het aanpakken van gemeenschappelijke uitdagingen waarmee een afgebakend geografisch gebied wordt geconfronteerd, met betrekking tot in datzelfde geografisch gebied gelegen lidstaten en derde landen die aldus voordeel halen uit nauwere samenwerking welke tot verwezenlijking van economische, sociale en territoriale samenhang bijdraagt;”;

3. artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 7 wordt de verwijzing naar „artikel 59 van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 63 van het Financieel Reglement”;

b) lid 8 wordt vervangen door:

„8.  De Commissie en de lidstaten nemen overeenkomstig artikel 33, artikel 36, lid 1, en artikel 61 van het Financieel Reglement het beginsel van goed financieel beheer in acht.”;

4. aan artikel 9 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„De in de fondsspecifieke regels voor elk van de ESI-fondsen vastgestelde prioriteiten omvatten met name het passend gebruik van elk ESI-fonds op het gebied van asiel en migratie. In die context wordt, waar passend, gezorgd voor coördinatie met het Fonds voor asiel, migratie en integratie dat is ingesteld bij Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad ( *5 ).

5. in artikel 16 wordt het volgende lid ingevoegd:

„4 bis.  Indien van toepassing dient de lidstaat ieder jaar uiterlijk op 31 januari een gewijzigde partnerschapsovereenkomst in, wanneer de Commissie in de loop van het voorgaande kalenderjaar wijzigingen aan een of meer programma’s heeft goedgekeurd.

De Commissie stelt jaarlijks uiterlijk op 31 maart een besluit vast waarin wordt bevestigd dat de wijzigingen van de partnerschapsovereenkomst in overeenstemming zijn met door de Commissie tijdens het voorgaande kalenderjaar goedgekeurde programmawijziging(en).

Dat besluit kan ook voorzien in de wijziging van andere elementen van de partnerschapsovereenkomst overeenkomstig een in lid 4 bedoelde voorstel, op voorwaarde dat dit voorstel uiterlijk op 31 december van het voorafgaande kalenderjaar bij de Commissie is ingediend.”;

6. artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 2 wordt de tweede alinea vervangen door:

„Wanneer de wijziging van een programma gevolgen heeft voor de in de partnerschapsovereenkomst verstrekte informatie, is de procedure van artikel 16, lid 4 bis, van toepassing.”;

b) in lid 3 wordt de derde zin geschrapt;

7. in artikel 32 wordt lid 4 vervangen door:

„4.  Indien het bij artikel 33, lid 3, opgerichte selectiecomité voor strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling bepaalt dat voor de uitvoering van de geselecteerde strategie voor lokale ontwikkeling steun uit meer dan één fonds vereist is, kan het conform de nationale regels en procedures een hoofdfonds aanwijzen ter financiering van alle voorbereidende, lopende en dynamiseringskosten uit hoofde van artikel 35, lid 1, punten a), d) en e), voor de strategie voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling.”;

8. in artikel 34 wordt lid 3 als volgt gewijzigd:

a) de punten a), b), c) en d) worden vervangen door:

„a) de opbouw van capaciteit van plaatselijke actoren, met inbegrip van potentiële begunstigden, om concrete acties te ontwikkelen en uit te voeren met inbegrip van het bevorderen van hun vermogen om hun projecten voor te bereiden en te beheren;

b) de opstelling van een niet-discriminerende en transparante selectieprocedure die ervoor zorgt dat belangenconflicten worden vermeden, dat bij selectiebeslissingen ten minste 50 % van de stemmen afkomstig is van partners die geen overheidsinstanties zijn en die een selectie volgens schriftelijke procedure mogelijk maakt;

c) de opstelling en goedkeuring van niet-discriminerende objectieve criteria voor de selectie van concrete acties die de samenhang met de strategie voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling waarborgen door de prioriteit van die acties te bepalen op basis van hun bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van die strategie;

d) de opstelling en publicatie van oproepen tot het indienen van voorstellen of een permanente procedure voor de indiening van projecten;”;

b) de volgende alinea wordt toegevoegd:

„Wanneer plaatselijke actiegroepen onder de verantwoordelijkheid van de management- of certificeringsautoriteit of het betaalorgaan taken uitvoeren die niet onder de eerste alinea, onder a) tot en met g), vallen, worden die plaatselijke actiegroepen overeenkomstig de fondsspecifieke voorschriften aangewezen als intermediaire instanties.”;

9. in artikel 36 wordt lid 3 vervangen door:

„3.  De lidstaat of de managementautoriteit kan bepaalde taken in verband met het beheer en de uitvoering van een geïntegreerde territoriale investering conform de fondsspecifieke voorschriften delegeren aan een of meer intermediaire instanties, waaronder lokale overheden, instanties voor regionale ontwikkeling of niet-gouvernementele organisaties.”;

10. artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 2 wordt punt c) vervangen door:

„c) een raming van aanvullende publieke en private middelen die met het financieringsinstrument kunnen worden gegenereerd, tot op het niveau van de eindontvanger (het verwachte hefboomeffect), waaronder, in voorkomend geval, een beoordeling van de behoefte aan en de mate van gedifferentieerde behandeling als bedoeld in artikel 43 bis waarmee corresponderende middelen van investeerders die volgens het beginsel van de markteconomie werken worden aangetrokken en/of een omschrijving van de mechanismen — bijvoorbeeld procedures van concurrerende of voldoende onafhankelijke beoordeling — waarmee zal worden bepaald welke gedifferentieerde behandeling er nodig is, en in welke mate;”;

b) in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:

„3.  De in lid 2 van dit artikel bedoelde ex-antebeoordeling kan gefaseerd worden uitgevoerd en daarbij kan rekening worden gehouden met de in artikel 209, lid 2, eerste en tweede alinea, onder h), van het Financieel Reglement bedoelde evaluatie vooraf. Zij wordt in ieder geval voltooid voordat de managementautoriteit besluit een financieringsinstrument te voorzien van programmabijdragen.”;

c) lid 8 wordt vervangen door:

„8.  Eindontvangers van een financieringsinstrument van een ESI-fonds komen tevens in aanmerking voor steun van een prioriteit of programma van een ander ESI-fonds of van een ander instrument dat gedragen wordt door de begroting van de Unie, waaronder het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) ingesteld bij Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad ( *6 ), in voorkomend geval in overeenstemming met de staatssteunregels van de Unie. In dit geval wordt voor elke bron van steun een aparte administratie bijgehouden en de steun van de ESI-fondsen dient onderdeel uit te maken van een concrete actie met subsidiabele uitgaven die losstaan van andere bronnen van bijstand.

11. artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:

„c) financieringsinstrumenten welke die bijdrage combineren met financiële producten van de EIB in het kader van het EFSI overeenkomstig artikel 39 bis.”;

b) lid 4 wordt als volgt gewijzigd:

i) in de eerste alinea worden de punten b) en c) vervangen door:

„b) uitvoeringstaken via een onderhands gegunde overeenkomst toevertrouwen aan:

i) de EIB;

ii) een internationale financiële instelling waarvan een lidstaat aandeelhouder is;

iii) een bank of instelling in handen van de overheid, opgericht als juridische entiteit die op professionele basis financiële activiteiten uitvoert en die aan de volgende voorwaarden voldoet:

 er is geen directe participatie van privékapitaal, met uitzondering van geen controle of blokkerende macht opleverende vormen van participatie van privékapitaal die vereist zijn krachtens de nationale wet- en regelgeving, in overeenstemming met de Verdragen, en die geen beslissende invloed uitoefenen op de betrokken bank of instelling, en met uitzondering van vormen van participatie van privékapitaal die geen invloed hebben op besluiten inzake het dagelijks beheer van het door de ESI-fondsen ondersteund financieringsinstrument;

 zij opereert op grond van een overheidsmandaat, verleend door de betrokken nationale of regionale autoriteit van een lidstaat, dat onder meer betrekking heeft op het verrichten, als haar enige activiteit of als een van haar activiteiten, van economische-ontwikkelingsactiviteiten die bijdragen tot de doelstellingen van de ESI-fondsen;

 zij verricht, als haar enige activiteit of als een van haar activiteiten, economische-ontwikkelingsactiviteiten die bijdragen tot de doelstellingen van de ESI-fondsen in regio’s, op beleidsterreinen of in sectoren waarvoor op de markt doorgaans geen of niet voldoende financiering beschikbaar is;

 zij handelt niet in de eerste plaats met het oogmerk van winstmaximalisatie, maar waarborgt de financiële houdbaarheid van haar activiteiten op de lange termijn;

 zij waarborgt met passende maatregelen, overeenkomstig het toepasselijke recht, dat de rechtstreekse gunning van een in punt b) bedoelde opdracht geen directe of indirecte voordelen voor commerciële activiteiten oplevert;

 zij staat overeenkomstig het toepasselijk recht onder toezicht van een onafhankelijke autoriteit.

c) uitvoeringstaken toevertrouwen aan een andere publiek- of privaatrechtelijke instantie, of

d) rechtstreeks uitvoeringstaken verrichten voor financieringsinstrumenten die uitsluitend leningen of garanties verstrekken. In dat geval geldt de managementautoriteit als begunstigde in de zin van artikel 2, punt 10).”;

ii) de tweede alinea wordt vervangen door:

„Bij de uitvoering van het financieringsinstrument zien de instanties bedoeld in de eerste alinea van dit lid, onder a) tot en met d), erop toe dat het toepasselijke recht en de in artikel 155, leden 2 en 3, van het Financieel Reglement vastgestelde vereisten worden nageleefd.”

c) de leden 5 en 6 worden vervangen door:

„5.  Wanneer de in lid 4, eerste alinea, onder a), b) en c), van dit artikel bedoelde instanties fondsen van fondsen uitvoeren, mogen zij een deel van de uitvoering op hun beurt toevertrouwen aan financiële intermediairs, op voorwaarde dat zij onder hun verantwoordelijkheid waarborgen dat die financiële intermediairs voldoen aan de criteria van artikel 33, lid 1, en artikel 209, lid 2, van het Financieel Reglement. Financiële intermediairs worden geselecteerd volgens openbare, transparante, evenredige en niet-discriminerende procedures, waarbij belangenconflicten worden vermeden.

6.  De in lid 4, eerste alinea, onder b) en c), bedoelde instanties waaraan uitvoeringstaken zijn toevertrouwd, openen namens de managementautoriteit fiduciaire rekeningen op hun eigen naam, of stellen het financieringsinstrument in als afzonderlijk financieel geheel binnen de instelling. In het geval van een afzonderlijk financieel geheel wordt er in de boekhouding een onderscheid gemaakt tussen in het financieringsinstrument geïnvesteerde programmamiddelen en de overige in de instelling beschikbare middelen. De activa op fiduciaire rekeningen en de afzonderlijke financiële gehelen worden beheerd volgens het beginsel van goed financieel beheer, met inachtneming van passende prudentiële voorschriften, en hebben een passende liquiditeit.”;

d) in de eerste alinea van lid 7 wordt de inleidende zin vervangen door:

„7.  In geval van uitvoering van een financieringsinstrument op grond van lid 4, eerste alinea, onder a), b) en c), worden, onverminderd de uitvoeringsstructuur van dat instrument, de algemene en bijzondere voorwaarden inzake de programmabijdragen voor het financieringsinstrument in overeenstemming met bijlage IV vastgelegd in financieringsovereenkomsten op de volgende niveaus:”;

e) lid 8 wordt vervangen door:

„8.  Met betrekking tot financieringsinstrumenten die op grond van lid 4, eerste alinea, onder d), worden uitgevoerd, worden de algemene en bijzondere voorwaarden inzake de programmabijdragen voor het financieringsinstrument in overeenstemming met bijlage IV vastgelegd in een strategiedocument, dat door het toezichtcomité wordt besproken.”;

f) lid 10 wordt vervangen door:

„10.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen eenvormige voorwaarden vast betreffende gedetailleerde regelingen voor de overdracht en het beheer van programmabijdragen die worden beheerd door de in lid 4, eerste alinea, van dit artikel en in artikel 39a, lid 5, bedoelde instanties. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 150, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.”;

12. artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 2, eerste alinea, wordt de inleidende zin vervangen door:

„2.  De lidstaten mogen het EFRO en het Elfpo tijdens de in artikel 65, lid 2, van deze verordening bepaalde subsidiabiliteitsperiode gebruiken om een financiële bijdrage te verlenen aan de in artikel 38, lid 1, onder a), van deze verordening bedoelde financieringsinstrumenten die indirect door de Commissie en de EIB overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), iii), van het Financieel Reglement en artikel 208, lid 4, van het Financieel Reglement worden uitgevoerd voor de volgende activiteiten:”;

b) in lid 4, eerste alinea:

i) wordt punt a) vervangen door:

„a) als afwijking van artikel 37, lid 2, is zij gebaseerd op een ex-antebeoordeling op het niveau van de Unie uitgevoerd door de EIB en de Commissie of, wanneer recentere gegevens beschikbaar zijn, een ex-antebeoordeling op het niveau van de Unie of op nationaal of regionaal niveau.

Op basis van de beschikbare gegevens over door banken verstrekte schuldfinanciering en mkb-bedrijven omvat de ex-antebeoordeling onder andere een analyse van de financieringsbehoeften van mkb-bedrijven op het relevante niveau, de financieringsvoorwaarden en -behoeften van mkb-bedrijven, alsmede een indicatie van het financieringstekort van mkb-bedrijven, een schets van de economische en financiële situatie van de mkb-sector op het relevante niveau, de kritische minimummassa van de gecombineerde bijdragen, een geraamde bandbreedte voor het totale leningvolume dat door deze bijdragen wordt gegenereerd en de meerwaarde;”;

ii) wordt punt b) vervangen door:

„b) zij wordt door elke deelnemende lidstaat geleverd in het kader van een afzonderlijke prioriteitsas binnen een programma in geval van een financiële bijdrage door het EFRO, of een specifiek nationaal programma voor elke financiële bijdrage door het EFRO en het Elfpo ter ondersteuning van de in artikel 9, eerste alinea, punt 3), bedoelde thematische doelstelling;”;

c) de leden 7 en 8 worden vervangen door:

„7.  In afwijking van artikel 41, leden 1 en 2, wat de in lid 2 van dit artikel bedoelde financiële bijdrage betreft, wordt de door de lidstaat aan de Commissie gerichte betalingsaanvraag gebaseerd op 100 % van de bedragen die door de lidstaat moeten worden betaald aan de EIB overeenkomstig de regeling die in de in lid 4, eerste alinea, onder c), van dit artikel bedoelde financieringsovereenkomst is vastgesteld. Deze betalingsaanvragen zijn gebaseerd op de door de EIB gevraagde bedragen die nodig worden geacht ter dekking van vastleggingen voor garantieovereenkomsten of securitisatietransacties die binnen de drie volgende maanden moeten worden afgewerkt. De betalingen van de lidstaten aan de EIB worden onverwijld verricht, in elk geval vóór de EIB verplichtingen met betrekking tot de vastleggingen aangaat.

8.  Bij afsluiting van een programma zijn de subsidiabele uitgaven als bedoeld in artikel 42, lid 1, eerste alinea, onder a) en b), het totaalbedrag van de programmabijdragen die voor het financieringsinstrument zijn betaald, dat overeenkomt:

a) voor de in lid 2, eerste alinea, onder a), van dit artikel bedoelde activiteiten, met de in artikel 42, lid 1, eerste alinea, onder b), bedoelde middelen;

b) voor de in lid 2, eerste alinea, onder b), van dit artikel bedoelde activiteiten, met het bedrag van de gecombineerde nieuwe schuldfinanciering als gevolg van de securitisatietransacties, betaald aan of ten gunste van subsidiabele mkb-bedrijven binnen de in artikel 65, lid 2, bepaalde subsidiabiliteitsperiode.”;

13. het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 39 bis

Bijdragen van ESI-fondsen aan financieringsinstrumenten welke die bijdrage combineren met financiële producten van de EIB in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen

1.  Om aanvullende investeringen van de particuliere sector aan te trekken mogen de managementautoriteiten de ESI-fondsen gebruiken om een bijdrage te leveren aan de financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 38, lid 1, onder c), mits dat onder meer bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de ESI-fondsen en de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei.

2.  De in lid 1 bedoelde bijdrage mag in geen geval meer bedragen dan 25 % van de totale steun die aan de eindontvangers wordt verleend. In de minder ontwikkelde regio’s en overgangsregio’s als bedoeld in artikel 120, lid 3, eerste alinea, onder b), mag de financiële bijdrage in gevallen waarin dat blijkens de beoordeling als bedoeld in artikel 37, lid 2, of in lid 3 van dit artikel gerechtvaardigd is, hoger liggen dan 25 %, doch niet meer bedragen dan 40 %. De totale steun als bedoeld in dit lid omvat het totale bedrag van de aan eindontvangers verstrekte nieuwe leningen, gegarandeerde leningen en investeringen in eigen vermogen en in quasi-eigenvermogen. Met de in dit lid bedoelde gegarandeerde leningen wordt alleen rekening gehouden in de mate waarin de middelen uit de ESI-fondsen zijn vastgelegd voor garantiecontracten die zijn berekend op basis van een prudente ex-antebeoordeling van een meervoudig bedrag van nieuwe leningen.

3.  Als afwijking van artikel 37, lid 2, mogen de bijdragen overeenkomstig lid 1 van dit artikel worden gebaseerd op de voorbereidende beoordeling, met inbegrip van zorgvuldig onderzoek, die de EIB heeft uitgevoerd met het oog op haar bijdrage aan het financiële product in het kader van het EFSI.

4.  De verslaglegging door managementautoriteiten op grond van artikel 46 van deze verordening over verrichtingen die financieringsinstrumenten omvatten overeenkomstig dit artikel, gebeurt op basis van de informatie die door de EIB met het oog op haar verslaglegging overeenkomstig artikel 16, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2015/1017 wordt bijgehouden, aangevuld met de op grond van artikel 46, lid 2, van deze verordening vereiste aanvullende informatie. De in dit lid bepaalde vereisten laten ruimte voor eenvormige verslagleggingsvoorwaarden overeenkomstig artikel 46, lid 3, van deze verordening.

5.  De managementautoriteit kan in het kader van haar bijdrage aan financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 38, lid 1, onder c), het volgende doen:

a) het kapitaal investeren in een bestaande of een met het oog op de uitvoering van investeringen in eindontvangers nieuw opgerichte juridische entiteit overeenkomstig de doelstellingen van het ESI-fonds dat de uitvoeringstaken zal uitvoeren;

b) uitvoeringstaken toevertrouwen overeenkomstig artikel 38, lid 4, eerste alinea, onder b) en c).

De instantie waaraan de in de eerste alinea, onder b), van dit lid bedoelde uitvoeringstaken zijn toevertrouwd, opent in eigen naam en namens de managementautoriteit een fiduciaire rekening of creëert binnen de instelling voor de programmabijdrage een afzonderlijk financieel geheel. In het geval van een afzonderlijk financieel geheel wordt er in de boekhouding een onderscheid gemaakt tussen in het financieringsinstrument geïnvesteerde programmamiddelen en de overige in de instelling beschikbare middelen. De activa op fiduciaire rekeningen en de afzonderlijke financiële gehelen worden beheerd volgens het beginsel van goed financieel beheer, met inachtneming van passende prudentiële voorschriften, en hebben een passende liquiditeit.

Voor de toepassing van dit artikel kan een financieringsinstrument ook de vorm aannemen of overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EU) 2015/1017 deel uitmaken van een investeringsplatform dat is opgericht als een special purpose vehicle of een beheerde rekening.

6.  Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 38, lid 1, onder c), van deze verordening zien de instanties bedoeld in lid 5 van dit artikel erop toe dat het toepasselijke recht en de in artikel 155, leden 2 en 3 van het Financieel Reglement bepaalde vereisten worden nageleefd.

7.  Uiterlijk op 3 november 2018 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 149 gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze verordening met bijkomende specifieke voorschriften inzake de rol, de aansprakelijkheid en de verantwoordelijkheid van de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren, de bijbehorende selectiecriteria en de producten die via financieringsinstrumenten kunnen worden geleverd overeenkomstig artikel 38, lid 1, onder c).

8.  Wanneer de in lid 5 van dit artikel bedoelde instanties fondsen van fondsen uitvoeren, mogen zij een deel van de uitvoering op hun beurt toevertrouwen aan financiële intermediairs, op voorwaarde dat dergelijke instanties onder hun verantwoordelijkheid waarborgen dat die financiële intermediairs voldoen aan de criteria van artikel 33, lid 1, en artikel 209, lid 2, van het Financieel Reglement. Financiële intermediairs worden geselecteerd volgens openbare, transparante, evenredige en niet-discriminerende procedures, waarbij belangenconflicten worden vermeden.

9.  Indien managementautoriteiten voor het uitvoeren van financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 38, lid 1, onder c), programmamiddelen van ESI-fondsen bijdragen aan een bestaand instrument waarvan de fondsbeheerder reeds is geselecteerd door de EIB, een internationale financiële instelling waarvan een lidstaat aandeelhouder is, of een bank of instelling in handen van de overheid die is opgericht als juridische entiteit en op professionele basis financiële activiteiten uitvoert en aan de voorwaarden van artikel 38, lid 4, eerste alinea, onder b), punt iii), voldoet, vertrouwen zij de uitvoeringstaken door middel van een onderhandse overeenkomst toe aan die fondsbeheerder.

10.  Als afwijking van artikel 41, leden 1 en 2, worden aanvragen om tussentijdse betalingen voor bijdragen aan financieringsinstrumenten op grond van lid 9 van dit artikel gefaseerd overeenkomstig het in de financieringsovereenkomst vastgestelde betalingsschema. Het in de eerste zin van dit lid bedoelde betalingsschema stemt overeen met het voor andere investeerders in hetzelfde financieringsinstrument overeengekomen betalingsschema.

11.  De voorwaarden voor bijdragen op grond van artikel 38, lid 1, onder c), worden in financieringsovereenkomsten overeenkomstig bijlage IV vastgesteld op de volgende niveaus:

a) in voorkomend geval tussen de naar behoren gemachtigde vertegenwoordigers van de managementautoriteit en de instantie die het fonds van fondsen uitvoert;

b) tussen de naar behoren gemachtigde vertegenwoordigers van de managementautoriteit of, in voorkomend geval, tussen de instantie die het fonds van fondsen uitvoert, en de instantie die het financieringsinstrument uitvoert.

12.  Voor bijdragen overeenkomstig lid 1 van dit artikel aan investeringsplatforms die bijdragen ontvangen uit op het niveau van de Unie ingestelde instrumenten wordt de inachtneming van de regels inzake staatssteun gewaarborgd overeenkomstig artikel 209, lid 2, eerste alinea, onder c), van het Financieel Reglement.

13.  Indien de financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 38, lid 1, onder c), opgezet zijn als garantie-instrument, kunnen de lidstaten beslissen dat de ESI-fondsen in voorkomend geval bijdragen aan verschillende tranches van leningportefeuilles die ook worden gedekt door de EU-garantie overeenkomstig Verordening (EU) 2015/1017.

14.  Voor het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds en het EFMZV mag binnen een programma een afzonderlijke prioriteit worden vastgesteld, en voor het Elfpo een afzonderlijke soort concrete actie, met een medefinancieringspercentage tot 100 %, ter ondersteuning van concrete acties die worden uitgevoerd door middel van financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 38, lid 1, onder c).

15.  Niettegenstaande artikel 70 en artikel 93, lid 1, kunnen bijdragen overeenkomstig lid 1 van dit artikel worden gebruikt voor nieuwe financiering met eigen of vreemd vermogen op het volledige grondgebied van de lidstaat, ongeacht de categorie waartoe de regio behoort, tenzij in de financieringsovereenkomst anders is bepaald.

16.  Uiterlijk op 31 december 2019 evalueert de Commissie de tenuitvoerlegging van dit artikel en dient zij in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.”;

14. artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

a) de leden 1 en 2 worden vervangen door:

„1.  De autoriteiten die overeenkomstig artikel 124 van deze verordening en artikel 65 van de Elfpo-verordening zijn aangewezen, verrichten geen verificaties ter plaatse op het niveau van de EIB of andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is, voor de door hen uitgevoerde financieringsinstrumenten.

Zij verrichten echter verificaties overeenkomstig artikel 125, lid 5, van deze verordening en controles overeenkomstig artikel 59, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 op het niveau van andere instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren in het rechtsgebied van hun respectieve lidstaat.

De EIB en andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is, bezorgen de aangewezen autoriteiten bij elke betalingsaanvraag een controleverslag. Zij dienen tevens jaarlijks bij de Commissie en de aangewezen autoriteiten een door hun externe controleurs opgesteld auditverslag in. Die verslagleggingsverplichtingen laten de in artikel 46, leden 1 en 2, van deze verordening bepaalde verslagleggingsverplichtingen, met inbegrip van die betreffende de prestaties van de financieringsinstrumenten, onverlet.

De Commissie wordt gemachtigd een uitvoeringshandeling vast te stellen met betrekking tot de modellen voor de controleverslagen en de jaarlijkse auditverslagen als bedoeld in de derde alinea van dit lid.

Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 150, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

2.  Onverminderd artikel 127 van deze verordening en artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 verrichten de met de audit van de programma’s belaste instanties geen audits op het niveau van de EIB of andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is, voor de door hen uitgevoerde financieringsinstrumenten.

De instanties die met de audit van de programma’s zijn belast, voeren audits uit van de concrete acties en van de beheers- en controlesystemen op het niveau van andere instanties die de financieringsinstrumenten in hun respectieve lidstaten uitvoeren en op het niveau van de eindontvangers mits de voorwaarden van lid 3 zijn vervuld.

De Commissie kan audits uitvoeren op het niveau van de in lid 1 bedoelde instanties wanneer zij van oordeel is dat dit noodzakelijk is om redelijke zekerheid te verkrijgen in het licht van de vastgestelde risico’s.

2 bis.  In afwijking van de leden 1 en 2 van dit artikel gelden met betrekking tot financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 38, lid 1, onder a), en artikel 39 die zijn ingesteld op grond van een vóór 2 augustus 2018 ondertekende financieringsovereenkomst, de voorschriften van dit artikel die op het moment van ondertekening van die financieringsovereenkomst van kracht zijn.”;

b) lid 4 wordt vervangen door:

„4.  Uiterlijk op 3 november 2018 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 149 gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze verordening met bijkomende specifieke voorschriften inzake het beheer en de controle van financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 38, lid 1, onder b) en c), de soorten controles die de management- en auditautoriteiten moeten uitvoeren, de regelingen voor de bewaring van bewijsstukken, en de met bewijsstukken te staven elementen.”;

c) het volgende lid wordt ingevoegd:

„5 bis.  In afwijking van artikel 143, lid 4, van deze verordening en artikel 56, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 mag een overeenkomstig artikel 143, lid 2, van deze verordening of artikel 56, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 naar aanleiding van individuele onregelmatigheden ingetrokken bijdrage, bij concrete acties die financieringsinstrumenten omvatten, opnieuw voor dezelfde concrete actie worden gebruikt onder de volgende voorwaarden:

a) wanneer de onregelmatigheid die de aanleiding vormt voor de intrekking van de bijdrage is vastgesteld op het niveau van de eindontvanger, mag de ingetrokken bijdrage slechts opnieuw worden gebruikt voor andere eindontvangers binnen hetzelfde financieringsinstrument;

b) wanneer de onregelmatigheid die de aanleiding vormt voor de intrekking van de bijdrage is vastgesteld op het niveau van een financiële intermediair binnen een fonds van fondsen, mag de ingetrokken bijdrage slechts opnieuw worden gebruikt voor andere financiële intermediairs.

Wanneer de onregelmatigheid die de aanleiding vormt voor de intrekking van de bijdrage is vastgesteld op het niveau van de instantie die het fonds van fondsen uitvoert, of op het niveau van de instantie die financieringsinstrumenten via een structuur zonder fonds van fondsen uitvoert, mag de ingetrokken bijdrage niet opnieuw binnen dezelfde concrete actie worden gebruikt.

Indien een financiële correctie wordt doorgevoerd naar aanleiding van een systemische onregelmatigheid, mag de ingetrokken bijdrage niet opnieuw worden gebruikt voor door de systemische onregelmatigheid getroffen concrete acties.”;

15. artikel 41 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1, eerste alinea, wordt de inleidende zin vervangen door:

„1.  Met betrekking tot de in artikel 38, lid 1, onder a) en c), bedoelde financieringsinstrumenten, en de in artikel 38, lid 1, onder b), bedoelde financieringsinstrumenten die in overeenstemming met artikel 38, lid 4, eerste alinea, onder a), b), en c) worden uitgevoerd, worden gedurende de in artikel 65, lid 2, bepaalde subsidiabiliteitsperiode (de „subsidiabiliteitsperiode”) gefaseerde aanvragen gedaan voor tussentijdse betaling van programmabijdragen aan het financieringsinstrument overeenkomstig de volgende voorwaarden:”;

b) lid 2 wordt vervangen door:

„2.  Met betrekking tot de in artikel 38, lid 1, onder b), bedoelde financieringsinstrumenten die overeenkomstig artikel 38, lid 4, eerste alinea, onder d), worden uitgevoerd, omvatten de aanvragen voor tussentijdse betaling en voor de betaling van het eindsaldo het totaalbedrag van de betalingen die de managementautoriteit heeft verricht voor investeringen in eindontvangers in de zin van artikel 42, lid 1, eerste alinea, onder a) en b).”;

16. artikel 42 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:

„3.  Bij voor de in artikel 37, lid 4, bedoelde ondernemingen bestemde op eigen vermogen gebaseerde instrumenten waarvoor de in artikel 38, lid 7, onder b), bedoelde financieringsovereenkomst is ondertekend vóór 31 december 2018 en die aan het einde van de subsidiabiliteitsperiode op zijn minst 55 % van de in de financieringsovereenkomst in kwestie vastgelegde programmamiddelen hebben geïnvesteerd, mag een beperkte hoeveelheid betalingen voor investeringen in eindontvangers, die moeten worden gedaan gedurende een periode van maximum vier jaar na het einde van de subsidiabiliteitsperiode, worden beschouwd als subsidiabele uitgave, wanneer de betalingen op een specifiek voor dit doel ingestelde geblokkeerde rekening worden gezet, op voorwaarde dat de regels inzake staatssteun worden nageleefd en dat aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan.”;

b) in lid 5 wordt de eerste alinea vervangen door:

„5.  Wanneer de instantie die het fonds van fondsen uitvoert of de op grond van artikel 38, lid 1, onder c), en artikel 38, lid 4, eerste alinea, onder a), b), en c), met de uitvoering van de financieringsinstrumenten belaste instanties beheerskosten en -vergoedingen als bedoeld in lid 1, eerste alinea, onder d), en lid 2 van dit artikel, in rekening brengen, mogen die niet hoger liggen dan de maxima die zijn bepaald in de in lid 6 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling. Aangezien de beheerskosten directe en indirecte kosten omvatten die tegen overlegging van betalingsbewijzen worden terugbetaald, zijn zij in voorkomend geval gerelateerd aan een prijs die voor op een concurrentiemarkt verleende diensten is overeengekomen. De beheerskosten en -vergoedingen worden volgens een prestatiegerelateerde methode berekend.”;

17. het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 43 bis

Gedifferentieerde behandeling van investeerders

1.  Steun uit de ESI-fondsen voor financieringsinstrumenten die in eindontvangers wordt geïnvesteerd, en voordelen en andere inkomsten of opbrengsten, zoals rente, garantievergoedingen, dividenden, kapitaalwinsten of andere door die investeringen gegenereerde inkomsten, en die toe te schrijven zijn aan de steun uit de ESI-fondsen, kunnen worden gebruikt voor een gedifferentieerde behandeling van investeerders die volgens het beginsel van de markteconomie werken, en van de EIB bij gebruik van de EU-garantie overeenkomstig Verordening (EU) 2015/1017. Die gedifferentieerde behandeling wordt gerechtvaardigd door de behoefte om corresponderende private middelen aan te trekken en om overheidsmiddelen te benutten.

2.  De in artikel 37, lid 2, en artikel 39 bis, lid 3, bedoelde beoordelingen omvatten waar nodig een beoordeling van de behoefte aan en de mate van de gedifferentieerde behandeling als bedoeld in lid 1 van dit artikel en/of een omschrijving van het mechanisme waarmee zal worden bepaald of die gedifferentieerde behandeling nodig is, en in welke mate.

3.  De gedifferentieerde behandeling gaat niet verder dan nodig is om stimulansen te creëren voor het aantrekken van corresponderende private middelen. Het gebruik van de EU-garantie krachtens Verordening (EU) 2015/1017 mag niet leiden tot overcompensatie van de investeerders die volgens het beginsel van de markteconomie werken of de EIB. De afstemming van de rente wordt gewaarborgd door een passende deling van de risico’s en de winsten.

4.  De gedifferentieerde behandeling van investeerders die volgens het beginsel van de markteconomie werken laat de EU-regels inzake staatssteun onverlet.”;

18. in artikel 44 wordt lid 1 vervangen door:

„1.  Onverminderd artikel 43 bis, worden kapitaalmiddelen die aan financieringsinstrumenten worden terugbetaald uit investeringen of doordat middelen vrijkomen die voor garantiecontracten zijn vastgelegd, met inbegrip van terugbetaald kapitaal, voordelen en andere inkomsten en opbrengsten, zoals rente, garantievergoedingen, dividenden, kapitaalwinsten of andere door investeringen gegenereerde inkomsten, en die toe te schrijven zijn aan de steun uit de ESI-fondsen, hergebruikt voor de volgende doeleinden, tot het noodzakelijke maximumbedrag en in de volgorde die bij de desbetreffende financieringsovereenkomsten is overeengekomen:

a) nadere investeringen door dezelfde of andere financieringsinstrumenten, overeenkomstig de specifieke doelstellingen van een prioriteit;

b) in voorkomend geval, ter dekking van de verliezen in het nominale bedrag van de bijdrage uit de ESI-fondsen aan het financieringsinstrument ten gevolge van negatieve rente, indien dergelijke verliezen zich voordoen ondanks een actief beheer van de kasmiddelen door de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren;

c) in voorkomend geval, de vergoeding van gemaakte beheerskosten en de betaling van beheersvergoedingen van het financieringsinstrument.”;

19. in artikel 46, lid 2, wordt de eerste alinea als volgt gewijzigd:

a) punt c) wordt vervangen door:

„c) vermelding van de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren en, in voorkomend geval, de instanties die fondsen van fondsen uitvoeren, als bedoeld in artikel 38, lid 1, onder a), b), en c);”;

b) de punten g) en h) worden vervangen door:

„g) rente en andere voordelen als gevolg van steun uit de ESI-fondsen aan het financieringsinstrument en programmamiddelen die zijn terugbetaald aan financieringsinstrumenten uit investeringen zoals bedoeld in de artikelen 43 en 44, en bedragen die zijn gebruikt voor de gedifferentieerde behandeling als bedoeld in artikel 43 bis;

h) voortgang met het bewerkstelligen van het verwachte hefboomeffect van de door het financieringsinstrument gedane investeringen;”;

20. in artikel 49 wordt lid 4 vervangen door:

„4.  Het toezichtcomité kan ten behoeve van de managementautoriteit opmerkingen maken over de uitvoering en evaluatie van het programma, met inbegrip van maatregelen om de administratieve last voor de begunstigden te verminderen. Het kan ook opmerkingen maken over de zichtbaarheid van de steun uit de ESI-fondsen en over het vergroten van de bekendheid van de resultaten van die steun. Het houdt toezicht op de maatregelen die naar aanleiding van zijn opmerkingen worden genomen.”;

21. in artikel 51 wordt lid 1 vervangen door:

„1.  Van 2016 tot en met 2023 wordt een jaarlijkse evaluatievergadering tussen de Commissie en elke lidstaat gehouden om de prestaties van elk programma te onderzoeken, waarbij rekening wordt gehouden met het jaarverslag over de uitvoering en de eventuele opmerkingen en aanbevelingen van de Commissie. Tijdens de vergadering worden ook de communicatie- en voorlichtingsactiviteiten van het programma geëvalueerd, in het bijzonder de resultaten en de doeltreffendheid van de maatregelen die werden getroffen om het publiek te informeren over de resultaten en de meerwaarde van de steun uit de ESI-fondsen.”;

22. in artikel 56 wordt lid 5 geschrapt;

23. in artikel 57 wordt lid 3 vervangen door:

„3.  De leden 1 en 2 van dit artikel zijn ook van toepassing op de bijdragen van het EFRO of het Elfpo aan de specifieke programma’s bedoeld in artikel 39, lid 4, eerste alinea, onder b).”;

24. in artikel 58 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

a) in de tweede alinea wordt de verwijzing naar „artikel 60 van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 154 van het Financieel Reglement”;

b) in de derde alinea wordt punt f) vervangen door:

„f) acties om informatie te verspreiden, netwerkvorming te ondersteunen, communicatieactiviteiten uit te voeren met het accent op de resultaten en meerwaarde van de steun uit de ESI-fondsen, te zorgen voor bewustmaking, en samenwerking en uitwisseling van ervaringen, ook met derde landen, te bevorderen;”;

c) de vierde alinea wordt vervangen door:

„De Commissie zet ten minste 15 % van de in dit artikel bedoelde middelen in om de communicatie met het publiek efficiënter te maken en de synergie tussen de op initiatief van de Commissie verrichte communicatieactiviteiten te versterken, door de kennisbasis uit te breiden, met name via een effectievere gegevensvergaring en -verspreiding, evaluaties en rapportage, en vooral door de bijdrage van de ESI-fondsen aan de verbetering van het leven van de burgers te benadrukken en door de zichtbaarheid van de steun uit de ESI-fondsen te vergroten, alsmede door het publiek beter bekend te maken met de resultaten en de meerwaarde van die steun. De informatie-, communicatie- en zichtbaarheidsmaatregelen met betrekking tot de resultaten en de meerwaarde van de steun uit de ESI-fondsen, met het accent op concrete acties, worden in voorkomend geval voortgezet na beëindiging van de programma’s. Dergelijke maatregelen dragen ook bij tot de institutionele communicatie betreffende de politieke prioriteiten van de Unie voor zover zij verband houden met de algemene doelstellingen van deze verordening.”;

d) de volgende alinea wordt toegevoegd:

„Afhankelijk van hun doel kunnen de in dit artikel bedoelde maatregelen worden gefinancierd als beleids- of administratieve uitgaven.”;

25. artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:

a) het volgende lid wordt toegevoegd:

„1 bis.  Ieder ESI-fonds kan concrete acties inzake technische bijstand steunen die voor steun uit een ander ESI-fonds in aanmerking komen.”;

b) het volgende lid wordt toegevoegd:

„3.  Onverminderd lid 2 kunnen lidstaten de in lid 1 bedoelde acties uitvoeren door middel van de onderhandse gunning van een overeenkomst aan:

a) de EIB;

b) een internationale financiële instelling waarvan een lidstaat aandeelhouder is;

c) een bank of instelling in handen van de overheid, als bedoeld in artikel 38, lid 4, eerste alinea, onder b), iii).”;

26. artikel 61 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

„1.  Dit artikel is van toepassing op concrete acties die na voltooiing ervan netto-inkomsten genereren. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „netto-inkomsten” de instroom van kasmiddelen verstaan die de gebruikers genereren door rechtstreeks te betalen voor de door middel van de concrete actie verstrekte goederen of diensten, zoals rechtstreeks door de gebruikers betaalde vergoedingen voor het gebruik van infrastructuur, de verkoop of de verhuur van land of gebouwen, of betalingen voor diensten, minus alle operationele kosten en kosten voor de vervanging van uitrusting met een korte levensduur die in de overeenkomstige periode zijn gemaakt. Door de concrete actie gegenereerde besparingen op de operationele kosten, met uitzondering van besparingen die het gevolg zijn van de uitvoering van maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie, worden als netto-inkomsten behandeld, tenzij deze worden tenietgedaan door een evenredige verlaging van de exploitatiesubsidies.”;

b) in lid 3, eerste alinea, wordt het volgende punt ingevoegd:

„a bis) toepassing van een door een lidstaat vastgesteld vast netto-inkomstenpercentage voor een sector of een subsector die niet onder a) valt. Alvorens het vaste percentage wordt toegepast, verifieert de verantwoordelijke auditautoriteit dat het vaste percentage is bepaald aan de hand van een eerlijke, billijke en verifieerbare methode op basis van historische gegevens en objectieve criteria;”;

c) lid 5 wordt vervangen door:

„5.  Als alternatief voor de toepassing van de in lid 3 van dit artikel omschreven methoden, kan het in artikel 60, lid 1, bedoelde maximale medefinancieringspercentage op verzoek van een lidstaat worden verlaagd voor een prioriteit of maatregel met betrekking tot welke voor alle ondersteunde concrete acties een uniform vast percentage overeenkomstig lid 3, eerste alinea, onder a), van dit artikel kan worden toegepast. De verlaging is minstens gelijk aan het bedrag dat wordt verkregen door het maximale medefinancieringspercentage van de Unie dat op grond van de fondsspecifieke voorschriften van toepassing is, te vermenigvuldigen met het betrokken vaste percentage als bedoeld in lid 3, eerste alinea, onder a).”;

d) in lid 7, eerste alinea, wordt punt h) vervangen door:

„h) concrete acties waarvoor de steunbedragen of steunpercentages zijn vastgesteld in bijlage II bij de Elfpo-verordening of in de EFMZV-verordening.”;

e) lid 8 wordt vervangen door:

„8.  Voorts zijn de leden 1 tot en met 6 niet van toepassing op concrete acties waarvoor steun in het kader van het programma is aangemerkt als staatssteun.”;

27. artikel 65 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 8 wordt de derde alinea als volgt gewijzigd:

i) punt h) wordt vervangen door:

„h) concrete acties waarvoor de steunbedragen of steunpercentages zijn vastgesteld in bijlage II bij de Elfpo-verordening of in de EMFZV-verordening, met uitzondering van concrete acties waarvoor in de EFMZV-verordening naar dit lid wordt verwezen, of”

ii) punt i) wordt vervangen door:

„i) concrete acties waarvoor de totale subsidiabele kosten ten hoogste 100 000  EUR bedragen.”;

b) lid 11 wordt vervangen door:

„11.  Voor een concrete actie mag steun uit een of meer ESI-fondsen of uit een of meer programma’s en uit andere instrumenten van de Unie worden ontvangen op voorwaarde dat de uitgaven die in een betalingsaanvraag voor een van de ESI-fondsen worden gedeclareerd, niet worden gedeclareerd voor steun uit een ander fonds of instrument van de Unie, noch uit hetzelfde fonds in het kader van een ander programma. Het bedrag van de in de betalingsaanvraag voor een ESI-fonds op te nemen uitgave kan voor elk ESI-fonds en voor het betrokken programma of de betrokken programma’s pro rata worden berekend overeenkomstig het document waarin de steunvoorwaarden zijn vastgesteld.”;

28. artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i) punt c) wordt vervangen door:

„c) forfaitaire bedragen;”

ii) het volgende punt wordt ingevoegd:

„e) financiering die niet gekoppeld is aan de kosten van de betrokken concrete acties, maar wordt verleend op basis van de naleving van voorwaarden met betrekking tot het boeken van vooruitgang bij de uitvoering of de verwezenlijking van de programmadoelstellingen zoals uiteengezet in de overeenkomstig lid 5 bis vastgestelde gedelegeerde handeling.”;

iii) de volgende alinea wordt toegevoegd:

„Voor de in de eerste alinea, onder e), bedoelde financieringsvorm heeft de audit uitsluitend tot doel te verifiëren of de voorwaarden voor terugbetaling zijn vervuld.”;

b) het volgende lid wordt ingevoegd:

„2 bis.  Voor een concrete actie die of een project dat niet onder de eerste zin van lid 4 valt en waarvoor steun uit het EFRO en het ESF wordt verleend, nemen subsidies en terugvorderbare bijstand waarvoor de overheidssteun niet meer dan 100 000  EUR bedraagt, de vorm aan van standaardschalen van eenheidskosten, forfaitaire bedragen of vaste percentages, behalve voor concrete acties waarvoor in het kader van staatssteun steun wordt verleend die geen de-minimissteun vormt.

Indien er gebruik wordt gemaakt van financiering volgens een vast percentage, mogen de kostencategorieën waarop de vaste percentages van toepassing zijn, worden terugbetaald in overeenstemming met lid 1, eerste alinea, onder a).

Voor door het Elfpo, het EFRO of het ESF gesteunde concrete acties waarvoor het in artikel 68 ter, lid 1, bedoelde vaste percentage wordt gehanteerd, mogen de aan deelnemers betaalde vergoedingen en lonen worden terugbetaald in overeenstemming met lid 1, eerste alinea, onder a), van dit artikel.

Op dit lid zijn de overgangsbepalingen van artikel 152, lid 7, van toepassing.”;

c) lid 4 wordt vervangen door:

„4.  Wanneer een concrete actie of een project dat deel uitmaakt van een concrete actie uitsluitend door middel van overheidsopdrachten voor werken, goederen of diensten wordt uitgevoerd, zijn uitsluitend de punten a) en e) van de eerste alinea van lid 1 van toepassing. Indien de openbare aanbesteding in het kader van een concrete actie of een project dat deel uitmaakt van een concrete actie slechts betrekking heeft op een aantal kostencategorieën, kunnen alle in lid 1 bedoelde opties worden toegepast voor de volledige concrete actie of het project dat deel uitmaakt van een concrete actie.”;

d) lid 5 wordt als volgt gewijzigd:

i) punt a) wordt vervangen door:

„a) een eerlijke, billijke en verifieerbare berekeningsmethode op basis van:

i) statistische gegevens, andere objectieve informatie of een deskundige beoordeling, of

ii) de geverifieerde historische gegevens van individuele begunstigden, of

iii) de toepassing van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van individuele begunstigden;”;

ii) het volgende punt wordt ingevoegd:

„a bis) een ontwerpbegroting, vastgesteld per individueel geval en van tevoren overeengekomen door de managementautoriteit of, in het geval van het Elfpo, de autoriteit belast met de selectie van concrete acties, wanneer de overheidssteun niet meer dan 100 000  EUR bedraagt;”;

e) het volgende lid wordt ingevoegd:

„5 bis.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 149 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen wat betreft de vaststelling van de standaardschalen van eenheidskosten of de financiering volgens een vast percentage als bedoeld in lid 1, eerste alinea, onder b) en d), van dit artikel, de gerelateerde methoden als bedoeld in lid 5, onder a), van dit artikel en de vorm van de steun als bedoeld in lid 1, eerste alinea, onder e), van dit artikel door nadere bepalingen op te stellen inzake de financieringsvoorwaarden en de toepassing daarvan.”;

29. artikel 68 wordt vervangen door:

„Artikel 68

Financiering volgens een vast percentage voor indirecte kosten betreffende subsidies en terugvorderbare bijstand

Wanneer de uitvoering van een concrete actie indirecte kosten oplevert, mogen deze worden berekend door middel van een van de volgende vaste percentages:

a) een vast percentage van maximaal 25 % van de subsidiabele directe kosten, mits het percentage wordt berekend volgens een eerlijke, billijke en verifieerbare methode of volgens een methode die wordt toegepast op grond van regelingen voor volledig door de lidstaat gefinancierde subsidies voor soortgelijke soorten concrete acties en begunstigden;

b) een vast percentage van maximaal 15 % van de subsidiabele directe personeelskosten waarbij er geen vereiste is voor de lidstaat om te berekenen welk percentage van toepassing is;

c) een vast percentage dat wordt toegepast op de subsidiabele directe kosten op basis van bestaande methoden en overeenkomstige percentages, die van toepassing zijn voor beleidsmaatregelen van de Unie voor soortgelijke soorten concrete acties en begunstigden.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 149 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de aanvulling van de bepalingen betreffende het vaste percentage en de methoden daarvoor, als bedoeld onder c) van de eerste alinea van dit lid.”;

30. de volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 68 bis

Personeelskosten betreffende subsidies en terugvorderbare bijstand

1.  De directe personeelskosten van een concrete actie kunnen worden berekend als een vast percentage, met een maximum van 20 % van de andere directe kosten dan de personeelskosten van die concrete actie. lidstaten zijn niet verplicht om te berekenen welk percentage van toepassing is, mits de directe kosten van de concrete actie geen overheidsopdrachten voor werken omvatten waarvan de waarde de drempel overschrijdt die is vastgesteld in artikel 4, onder a), van Richtlijn 2014/24/EU.

2.  Om de personeelskosten te bepalen mag een uurtarief worden berekend door de meest recente met documenten gestaafde jaarlijkse bruto arbeidskosten te delen door 1 720 uren voor voltijdse werknemers, of door een overeenkomstig pro rata van 1 720 uren voor deeltijdse werknemers.

3.  Bij de toepassing van het overeenkomstig lid 2 berekende uurtarief mag het totale aantal voor een bepaald jaar per persoon gedeclareerde uren niet hoger liggen dan het aantal uren dat voor de berekening van dat uurtarief is gebruikt.

De eerste alinea is niet van toepassing op programma’s in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” voor personeelskosten voor personen die deeltijds aan de concrete actie werken.

4.  Wanneer de jaarlijkse bruto arbeidskosten niet bekend zijn, mogen die kosten worden afgeleid uit de beschikbare met documenten gestaafde bruto arbeidskosten of uit het arbeidscontract, omgerekend naar een periode van twaalf maanden.

5.  Personeelskosten voor personen die deeltijds aan de concrete actie werken mogen worden berekend als een vast percentage van de bruto arbeidskosten, overeenkomstig het vaste percentage van de tijd dat zij per maand aan de concrete actie hebben gewerkt en zonder verplichting om een afzonderlijk arbeidstijdregistratiesysteem op te zetten. De werkgever stelt voor de werknemers een document op met vermelding van dat vaste percentage.

Artikel 68 ter

Financiering volgens een vast percentage van andere kosten dan personeelskosten

1.  Een vast percentage van maximaal 40 % van de subsidiabele directe personeelskosten mag worden gebruikt om de overige subsidiabele kosten van een concrete actie te dekken, zonder verplichting voor de lidstaat om te berekenen welk percentage van toepassing is.

Voor concrete acties die door het ESF, het EFRO of het Elfpo worden ondersteund, worden lonen en aan deelnemers betaalde vergoedingen beschouwd als extra subsidiabele kosten, bovenop het vaste percentage.

2.  Het in lid 1 bedoelde vaste percentage wordt niet toegepast op personeelskosten die op basis van een vast percentage zijn berekend.”;

31. artikel 70 wordt vervangen door:

„Artikel 70

Subsidiabiliteit van concrete acties afhankelijk van de plaats van uitvoering

1.  Behoudens de afwijkingen in lid 2 en de fondsspecifieke voorschriften, worden concrete acties die door de ESI-fondsen worden ondersteund uitgevoerd in het programmagebied.

Concrete acties die betrekking hebben op het verlenen van diensten aan burgers of ondernemingen op het hele grondgebied van een lidstaat worden geacht plaats te vinden in alle programmagebieden binnen een lidstaat. In dat geval worden de uitgaven pro rata aan de betrokken programmagebieden toegewezen op basis van objectieve criteria.

De tweede alinea van dit lid is niet van toepassing op het nationale programma als bedoeld in artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of het specifieke programma voor het opzetten en het functioneren van het nationale netwerk voor het platteland als bedoeld in artikel 54, lid 1, van die Verordening.

2.  De managementautoriteit kan aanvaarden dat een concrete actie buiten het programmagebied, maar binnen de Unie, wordt uitgevoerd als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) de concrete actie komt ten goede aan het programmagebied;

b) het totaalbedrag uit het EFRO, het Cohesiefonds, het Elfpo of het EFMZV dat in het kader van het programma aan concrete acties buiten het programmagebied wordt toegewezen, bedraagt niet meer dan 15 % van de steun uit het EFRO, het Cohesiefonds, het Elfpo of het EFMZV op het niveau van de prioriteit op het tijdstip van de aanneming van het programma;

c) het toezichtcomité heeft met de betrokken concrete actie of soorten concrete acties ingestemd;

d) de verplichtingen van de autoriteiten voor het programma in verband met beheer, controle en audit van de concrete actie worden vervuld door de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het programma in het kader waarvan de concrete actie wordt ondersteund, of zij sluiten overeenkomsten met autoriteiten in het gebied waar de concrete actie wordt uitgevoerd.

Wanneer uit de fondsen en het EFMZV gefinancierde concrete acties overeenkomstig dit lid buiten het programmagebied worden uitgevoerd en zowel het programmagebied als gebieden daarbuiten ten goede komen, worden de betrokken uitgaven pro rata aan die gebieden toegewezen op basis van objectieve criteria.

Wanneer concrete acties betrekking hebben op de in artikel 9, eerste alinea, punt (1), genoemde thematische doelstelling en buiten de lidstaat, maar binnen de Unie, worden uitgevoerd, zijn alleen de punten b) en d) van de eerste alinea van dit lid van toepassing.

3.  Uitgaven voor concrete acties die betrekking hebben op technische bijstand of voorlichtings-, communicatie- en zichtbaarheidsmaatregelen en promotieactiviteiten, en voor concrete acties met betrekking tot de in artikel 9, eerste alinea, punt 1, bedoelde thematische doelstelling, mogen buiten de Unie worden gedaan, mits de uitgaven noodzakelijk zijn om de concrete actie naar behoren uit te voeren.

4.  De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op programma’s in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking”. De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op door het ESF ondersteunde concrete acties.”;

32. in artikel 71 wordt lid 4 vervangen door:

„4.  De leden 1, 2 en 3 van dit artikel zijn niet van toepassing op bijdragen aan of door financieringsinstrumenten of huurkoop op grond van artikel 45, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013, noch op concrete acties waarvan een productieactiviteit wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement.”;

33. Artikel 75 wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 75, lid 1, wordt de verwijzing naar „artikel 59, lid 5, van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 63, leden 5, 6 en 7, van het Financieel Reglement”;

b) het volgende lid wordt ingevoegd:

„2 bis.  De Commissie verstrekt de bevoegde nationale autoriteit:

a) het ontwerpverslag van de audit of controle ter plaatse, uiterlijk drie maanden na het van die audit of controle ter plaatse;

b) het eindverslag van de audit, uiterlijk drie maanden na de ontvangst van een volledig antwoord van de bevoegde nationale autoriteit op het ontwerpverslag van de betrokken audit of controle ter plaatse;

de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde verslagen worden binnen de in die punten bepaalde termijnen beschikbaar gesteld in ten minste één van de officiële talen van de instellingen van de Unie.

Onder de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde termijn is niet begrepen de periode die aanvangt op de datum volgend op de datum waarop de Commissie haar verzoek om aanvullende informatie aan de lidstaat toezendt, en eindigt op de datum waarop de lidstaat op dat verzoek reageert

Dit lid is niet van toepassing op het Elfpo.”;

34. in artikel 76, tweede alinea, wordt de verwijzing naar „artikel 84, lid 2, van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 110, lid 1, van het Financieel Reglement”;

35. in artikel 79, lid 2, wordt de verwijzing naar „artikel 68, lid 3, van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 82, lid 2, van het Financieel Reglement”;

36. in artikel 83, lid 1, onder c), wordt de verwijzing naar „artikel 59, lid 5, van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 63, leden 5, 6 en 7, van het Financieel Reglement”;

37. in artikel 84 wordt de verwijzing naar „artikel 59, lid 6, van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 63, lid 8, van het Financieel Reglement”;

38. in artikel 98 wordt lid 2 vervangen door:

„2.  Het EFRO en het ESF kunnen op complementaire wijze en met inachtneming van een maximum van 10 % voor de financiering van de Unie voor elke prioriteitsas van een operationeel programma, financiering verlenen voor een deel van een concrete actie waarvan de kosten volgens de desbetreffende regels in aanmerking komen voor steun uit het ander Fonds, op voorwaarde dat deze kosten noodzakelijk zijn om de concrete actie naar behoren uit te voeren en rechtstreeks in verband staan met die actie.”;

39. artikel 102 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 6 wordt vervangen door:

„6.  De uitgaven voor grote projecten kunnen worden opgenomen in een betalingsaanvraag na de in lid 2 bedoelde indiening ter goedkeuring. Indien de Commissie het door de managementautoriteit geselecteerde grote project niet goedkeurt, wordt de uitgavendeclaratie na de intrekking van de aanvraag door de lidstaat of de vaststelling van het besluit van de Commissie dienovereenkomstig gerectificeerd.”;

b) het volgende lid wordt toegevoegd:

„7.  Wanneer de kwaliteit van een groot project overeenkomstig lid 1 van dit artikel door onafhankelijke deskundigen wordt beoordeeld, kunnen de uitgaven voor dat groot project in een betalingsaanvraag worden opgenomen nadat de managementautoriteit de Commissie ervan in kennis heeft gesteld dat de op grond van artikel 101 vereiste informatie bij de onafhankelijke deskundigen is ingediend.

Binnen zes maanden na de indiening van die informatie bij de onafhankelijke deskundigen wordt een onafhankelijke kwaliteitsevaluatie afgegeven.

De overeenkomstige uitgaven worden ingetrokken en de uitgavendeclaratie wordt dienovereenkomstig gerectificeerd in de volgende gevallen:

a) wanneer de Commissie niet binnen drie maanden na het verstrijken van de in de tweede alinea bedoelde termijn in kennis is gesteld van die evaluatie;

b) wanneer de indiening van de informatie wordt ingetrokken door de lidstaat, of

c) wanneer de beoordeling negatief is.”;

40. in artikel 104 worden de leden 2 en 3 vervangen door:

„2.  De overheidsmiddelen die aan een gezamenlijk actieplan worden toegewezen, bedragen ten minste 5 000 000  EUR of, als dit minder is, 5 % van de overheidssteun van het operationele programma of één van de bijdragende programma’s.

3.  Lid 2 is niet van toepassing op concrete acties die worden gefinancierd in het kader van het YEI, op het eerste gezamenlijke actieplan dat door een lidstaat wordt ingediend in het kader van de doelstelling „investeren in groei en werkgelegenheid” of het eerste gezamenlijke actieplan dat door een programma wordt ingediend in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking.” ”;

41. in artikel 105, lid 2, wordt de tweede zin geschrapt;

42. in artikel 106 wordt de eerste alinea als volgt gewijzigd:

a) punt 1) wordt vervangen door:

„1. een beschrijving van de doelstellingen van het gezamenlijke actieplan en van de manier waarop dat bijdraagt aan de doelstellingen van het programma of de relevante landspecifieke aanbevelingen en de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie krachtens artikel 121, lid 2, VWEU en de relevante aanbevelingen van de Raad waarmee de lidstaten bij hun werkgelegenheidsbeleid rekening moeten houden krachtens artikel 148, lid 4, VWEU;”;

b) punt 2) wordt geschrapt;

c) punt 3) wordt vervangen door:

„3. een beschrijving van de voorgenomen projecten of soorten projecten, samen met, in voorkomend geval, de mijlpalen en, in voorkomend geval, de aan de gemeenschappelijke indicatoren gekoppelde streefdoelen inzake outputs en resultaten per prioriteitsas.”;

d) punten 6), 7) en 8) worden vervangen door:

„6. de bevestiging dat het zal bijdragen aan de aanpak voor het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, als vervat in het desbetreffende programma of de desbetreffende partnerschapsovereenkomst;

7. de bevestiging dat het zal bijdragen aan de aanpak inzake duurzame ontwikkeling, als vervat in het desbetreffende programma of de desbetreffende partnerschapsovereenkomst;

8. de uitvoeringbepalingen, met inbegrip van:

a) informatie over de selectie van het gezamenlijke actieplan door de managementautoriteit overeenkomstig artikel 125, lid 3;

b) de regelingen voor de leiding van het gezamenlijke actieplan, overeenkomstig artikel 108;

c) de regelingen voor het toezicht op en de evaluatie van het gezamenlijke actieplan, met inbegrip van kwaliteitsborging en de verzameling en opslag van gegevens over het bereiken van mijlpalen, outputs en resultaten;”;

e) punt 9) wordt als volgt gewijzigd:

i) punt a) wordt vervangen door:

„a) de kosten van het bereiken van mijlpalen en streefdoelen voor outputs en resultaten, vastgesteld, in het geval van standaardschalen van eenheidskosten en vaste bedragen, aan de hand van de in artikel 67, lid 5, van deze verordening en in artikel 14 van de ESF-verordening bedoelde methoden;”;

ii) punt b) wordt geschrapt;

43. in artikel 107 wordt lid 3 vervangen door:

„3.  In het in lid 2 bedoelde besluit worden de volgende elementen aangeduid: de begunstigde en de doelstellingen van het gezamenlijke actieplan, de mijlpalen, in voorkomend geval, en de streefdoelen voor outputs en resultaten, de kosten van het bereiken van deze mijlpalen en streefdoelen voor outputs en resultaten, en het financieringsplan uitgesplitst naar operationeel programma en prioriteitsas, met inbegrip van het totale subsidiabele bedrag en het bedrag van de overheidsuitgaven, de uitvoeringsperiode van het gezamenlijke actieplan en, in voorkomend geval, de geografische dekking en de doelgroepen van het gezamenlijke actieplan.”;

44. in artikel 108, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

„1.  De lidstaat of de managementautoriteit richt een stuurgroep voor het gezamenlijke actieplan op, die los mag staan van het toezichtcomité van de betrokken operationele programma’s. De stuurgroep vergadert ten minste twee keer per jaar en rapporteert aan de managementautoriteit. In voorkomend geval, stelt de managementautoriteit het betrokken toezichtcomité in kennis van de resultaten van de werkzaamheden van de stuurgroep en van de voortgang bij de uitvoering van het gezamenlijke actieplan, overeenkomstig artikel 110, lid 1, onder e), en artikel 125, lid 2, onder a).”;

45. in artikel 109, lid 1, wordt de tweede zin geschrapt;

46. artikel 110 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1 wordt punt c) vervangen door:

„c) de uitvoering van de communicatiestrategie, met inbegrip van voorlichtings- en communicatiemaatregelen en van maatregelen om de zichtbaarheid van de fondsen te vergroten;”;

b) in lid 2 wordt punt a) vervangen door:

„a) de methoden en criteria gebruikt voor de selectie van concrete acties, behalve wanneer die criteria zijn goedgekeurd door plaatselijke actiegroepen overeenkomstig artikel 34, lid 3, onder c);”;

47. artikel 114 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt vervangen door:

„1.  De managementautoriteit of de lidstaat stelt voor één of meerdere operationele programma’s een evaluatieplan op. Het evaluatieplan wordt uiterlijk een jaar na goedkeuring van het operationele programma bij het toezichtcomité ingediend. Voor specifieke programma’s als bedoeld in artikel 39, lid 4, eerste alinea, onder b), die vóór 2 augustus 2018 zijn vastgesteld, wordt het evaluatieplan uiterlijk een jaar na die datum bij het toezichtcomité ingediend”;

b) lid 4 wordt geschrapt;

48. de titel van hoofdstuk II van titel III van Deel Drie wordt vervangen door:

„Voorlichting, communicatie en zichtbaarheid”;

49. artikel 115 wordt als volgt gewijzigd:

a) de titel wordt vervangen door:

„Voorlichting, communicatie en zichtbaarheid”;

b) in lid 1 wordt punt d) vervangen door:

„d) het bij de burgers van de Unie onder de aandacht brengen van de rol en de verwezenlijkingen van het cohesiebeleid en van de Fondsen door maatregelen ter verhoging van de zichtbaarheid van de resultaten en effecten van partnerschapsovereenkomsten, operationele programma” s en concrete acties.”;

c) lid 3 wordt vervangen door:

„3.  In bijlage XII zijn nadere voorschriften vastgesteld betreffende de op het publiek gerichte voorlichtings-, communicatie- en zichtbaarheidsmaatregelen, alsook betreffende de op potentiële begunstigden en begunstigden gerichte voorlichtingsmaatregelen.”;

50. in artikel 116 wordt lid 3 vervangen door:

„3.  In afwijking van lid 2, derde alinea, van dit artikel brengt de managementautoriteit het (de) verantwoordelijke toezichtcomité(s) ten minste een keer per jaar op de hoogte van de vorderingen bij de uitvoering van de communicatiestrategie als bedoeld in artikel 110, lid 1, onder c), en van haar analyse van de resultaten van die uitvoering, alsmede van de voor het volgende jaar geplande en uit te voeren voorlichtings- en communicatieactiviteiten en maatregelen ter verhoging van de zichtbaarheid van de Fondsen. Het toezichtcomité brengt advies uit over de voor het volgende jaar geplande activiteiten en maatregelen, ook wat betreft manieren om de op het publiek gerichte communicatieactiviteiten doeltreffender te maken.”;

51. in artikel 117 wordt lid 4 vervangen door:

„4.  De Commissie richt netwerken op Unieniveau op waaraan de door de lidstaten aangewezen leden deelnemen om informatie over de resultaten van de uitvoering van de communicatiestrategieën, ervaringen met de uitvoering van voorlichtings- en communicatiemaatregelen en goede werkmethoden uit te wisselen, en om waar passend gezamenlijke planning of coördinatie van communicatieactiviteiten tussen de lidstaten en met de Commissie mogelijk te maken. De netwerken bespreken en beoordelen ten minste eenmaal per jaar de doeltreffendheid van de informatie- en communicatiemaatregelen, en doen aanbevelingen om de reikwijdte en de impact van communicatieactiviteiten te vergroten en om de resultaten en de meerwaarde van die activiteiten onder de aandacht te brengen.”;

52. artikel 119 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

„1.  Het bedrag van de Fondsen dat aan technische bijstand in een lidstaat wordt toegewezen, mag niet meer bedragen dan 4 % van het totale bedrag van de Fondsen dat is toegewezen aan operationele programma’s in het kader van de doelstelling „investeren in groei en werkgelegenheid”.”;

b) in lid 2 wordt de eerste zin geschrapt;

c) lid 4 wordt vervangen door:

„4.  In het geval van de structuurfondsen, indien de toewijzingen als bedoeld in lid 1 worden aangewend ter ondersteuning van concrete acties inzake technische bijstand die samen genomen betrekking hebben op meer dan één regiocategorie, kunnen de uitgaven van de acties worden uitgevoerd krachtens een prioriteitsas waarbij verschillende regiocategorieën worden gecombineerd en kan er een pro rata grondslag worden toegepast, rekening houdend met de respectieve toewijzingen aan de verschillende regiocategorieën van het operationeel programma of de toewijzing aan elke regiocategorie als een aandeel in de totale toewijzing van de lidstaat.”;

d) het volgende lid wordt ingevoegd:

„5 bis.  De beoordeling van de eerbiediging van de percentages wordt op het tijdstip van de vaststelling van het operationale programma uitgevoerd.”;

53. in artikel 122, lid 2, wordt de vierde alinea vervangen door:

„Wanneer bedragen die voor een concrete actie ten onrechte aan een begunstigde zijn betaald, door een fout of nalatigheid van een lidstaat niet kunnen worden teruggevorderd, is die lidstaat verantwoordelijk voor de terugbetaling van de betrokken bedragen aan de begroting van de Unie. De lidstaten kunnen besluiten een onverschuldigd betaald bedrag niet terug te vorderen indien het van de begunstigde terug te vorderen bedrag voor een actie in een boekjaar, zonder rente, niet meer dan 250 EUR aan steun uit de Fondsen bedraagt.”;

54. in artikel 123, lid 5, wordt de eerste alinea vervangen door:

„5.  In het geval van de Fondsen en in het geval van het EFMZV mogen de managementautoriteit, de eventuele certificeringsautoriteit en de auditautoriteit deel uitmaken van dezelfde publieke autoriteit of instantie, mits het beginsel van scheiding van functies wordt nageleefd.”;

55. artikel 125 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 3 wordt punt c) vervangen door:

„c) waarborgen dat de begunstigde een document ontvangt waarin de voorwaarden voor steun voor elke concrete actie zijn vermeld, met inbegrip van de specifieke eisen betreffende de producten of diensten die in het kader van de concrete actie moeten worden geleverd, het financieringsplan, de uitvoeringstermijn, alsmede de vereisten inzake voorlichting, communicatie en zichtbaarheid;”;

b) in lid 4 wordt de eerste alinea als volgt gewijzigd:

i) punt a) wordt vervangen door:

„a) verifiëren of de medegefinancierde producten en diensten zijn geleverd, of de concrete actie voldoet aan het toepasselijke recht, aan het operationele programma en aan de voorwaarden voor steun voor de concrete actie en,

i) voor kosten die worden vergoed overeenkomstig artikel 67, lid 1, eerste alinea, onder a), of de door de begunstigden met betrekking tot die kosten gedeclareerde uitgaven daadwerkelijk zijn betaald;

ii) voor kosten die worden vergoed overeenkomstig artikel 67, lid 1, eerste alinea, onder b) tot en met e), of voldaan is aan de voorwaarden voor de vergoeding van de uitgave aan de begunstigde;”;

ii) in punt e) wordt de verwijzing naar „artikel 59, lid 5, onder a) en b), van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 63, lid 5, onder a) en b), en artikel 63, leden 6 en 7, van het Financieel Reglement”;

56. in artikel 126, onder b), wordt de verwijzing naar „artikel 59, lid 5, onder a), van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 63, lid 5, onder a), en artikel 63, lid 6, van het Financieel Reglement”;

57. artikel 127 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1, derde alinea, wordt de verwijzing naar „artikel 59, lid 5, tweede alinea, van het Financieel Reglement” vervangen door „ artikel 63, lid 7, van het Financieel Reglement”;

b) in lid 5, eerste alinea, onder a), wordt de verwijzing naar „artikel 59, lid 5, tweede alinea, van het Financieel Reglement” vervangen door „ artikel 63, lid 7, van het Financieel Reglement”;

58. artikel 131 wordt vervangen door:

„Artikel 131

Betalingsaanvragen

1.  In betalingsaanvragen wordt voor elke prioriteit het volgende opgenomen:

a) het totaalbedrag van door begunstigden gedane subsidiabele uitgaven dat is betaald voor de uitvoering van concrete acties, zoals opgenomen in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit;

b) het totaalbedrag van voor de uitvoering van concrete acties betaalde overheidsuitgaven, zoals opgenomen in het boekhoudsysteem van de certificeringsautoriteit.

Met betrekking tot de bedragen die moeten worden opgenomen in de betalingsaanvragen voor de vorm van steun als bedoeld in artikel 67, lid 1, eerste alinea, onder e), bevatten de betalingsaanvragen de elementen die worden omschreven in de overeenkomstig artikel 67, lid 5 bis, vastgestelde gedelegeerde handelingen, en wordt gebruikgemaakt van het model voor betalingsaanvragen dat is neergelegd in de overeenkomstig lid 6 van dit artikel vastgestelde uitvoeringhandelingen.

2.  Subsidiabele uitgaven die in een betalingsaanvraag worden opgenomen, worden gestaafd door vereffende facturen of boekhoudkundige documenten met gelijkwaardige bewijskracht, met uitzondering van de vormen van steun bedoeld in artikel 67, lid 1, eerste alinea, onder b) tot en met e), van deze verordening, de artikelen 68, 68 bis en 68 ter van deze verordening, artikel 69, lid 1, van deze verordening en artikel 109 van deze verordening, alsook overeenkomstig artikel 14 van de ESF-verordening. In een betalingsaanvraag voor die vormen van steun worden de kosten opgenomen als berekend volgens de toepasselijke grondslag.

3.  In geval van staatssteun moet de overheidsbijdrage die overeenkomt met de in een betalingsaanvraag vermelde uitgaven door de steunverlenende instantie aan de begunstigden zijn betaald of, indien de lidstaten hebben besloten dat de begunstigde de steunverlenende instantie is overeenkomstig artikel 2, punt 10, onder a), door de begunstigde aan de steunontvangende instantie zijn betaald.

4.  In afwijking van lid 1 van dit artikel kan, in geval van staatssteun, de betalingsaanvraag voorschotten omvatten die door de steunverlenende instantie aan de begunstigde zijn betaald of, indien de lidstaten hebben besloten dat de begunstigde de steunverlenende instantie is overeenkomstig artikel 2, punt 10, onder a), door de begunstigde aan de steunontvangende instantie zijn betaald onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

a) voor die voorschotten moet een garantie van een bank of een andere financiële instelling, gevestigd in een van de lidstaten, worden verstrekt, of zijn gedekt door een voorziening die door een overheidsinstantie of door de lidstaat als garantie is verstrekt;

b) die voorschotten mogen niet meer bedragen dan 40 % van het totaalbedrag van de aan een begunstigde voor een bepaalde concrete actie te verlenen steun of, indien de lidstaten hebben besloten dat de begunstigde de steunverlenende instantie is overeenkomstig artikel 2, punt 10, onder a), van het totaalbedrag van de aan de steunontvangende instantie te verlenen steun als onderdeel van een bepaalde concrete actie;

c) die voorschotten moeten worden gebruikt voor de uitgaven van de begunstigden of, indien de lidstaten hebben besloten dat de begunstigde de steunverlenende instantie is overeenkomstig artikel 2, punt 10, onder a),voor de uitgaven van de steunontvangende instantie voor de uitvoering van de concrete actie en moeten binnen drie jaar na het jaar waarin het voorschot is betaald of, indien dit vroeger is, op 31 december 2023 worden verantwoord door vereffende rekeningen of boekhoudkundige stukken met gelijkwaardige bewijskracht.

Indien de in de eerste alinea, onder c), bepaalde voorwaarden niet zijn vervuld, wordt de volgende betalingsaanvraag dienovereenkomstig gecorrigeerd.

5.  Bij iedere betalingsaanvraag die voorschotten van de soort als bedoeld in lid 4 van dit artikel omvat, worden afzonderlijk vermeld:

a) het totaalbedrag dat als voorschot uit het operationele programma is betaald;

b) het bedrag dat binnen drie jaar na de betaling van het voorschot overeenkomstig lid 4, eerste alinea, onder c), is gebruikt voor de uitgaven van de begunstigde of, indien de lidstaten hebben besloten dat de begunstigde de steunverlenende instantie is overeenkomstig artikel 2, punt 10, onder a), van de steunontvangende instantie, en

c) het bedrag dat niet is gebruikt voor de uitgaven van de begunstigde of, indien de lidstaten hebben besloten dat de begunstigde de steunverlenende instantie is overeenkomstig artikel 2, punt 10, onder a), van de steunontvangende instantie, en waarvoor de termijn van drie jaar nog niet is verstreken.

6.  De Commissie stelt, om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van dit artikel, uitvoeringshandelingen vast ter vastlegging van het model voor betalingsaanvragen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 150, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.”;

59. in artikel 137, lid 1, wordt de verwijzing naar „artikel 59, lid 5, onder a), van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 63, lid 5, onder a), en artikel 63, lid 6, van het Financieel Reglement”;

60. in artikel 138, wordt de verwijzing naar „artikel 59, lid 5, van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 63, lid 5, en artikel 63, lid 7, tweede alinea, van het Financieel Reglement”;

61. aan artikel 140, lid 3, wordt de volgende zin toegevoegd:

„Wanneer documenten op algemeen aanvaarde gegevensdragers worden bijgehouden overeenkomstig de procedure van lid 5, worden er geen originelen verlangd.”;

62. in artikel 145, lid 7, tweede alinea, onder a), wordt de verwijzing naar „artikel 59, lid 5, van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 63, lid 5, leden 6 en 7, van het Financieel Reglement”;

63. in artikel 147, lid 1, wordt de verwijzing naar „artikel 78 van het Financieel Reglement” vervangen door „artikel 98 van het Financieel Reglement”;

64. In artikel 148 wordt lid 1 vervangen door:

„1.  Concrete acties waarvan de totale subsidiabele uitgaven niet meer dan 400 000  EUR voor het EFRO en het Cohesiefonds, 300 000  EUR voor het ESF of 200 000  EUR voor het EFMZV bedragen, worden voorafgaand aan de indiening van de rekeningen voor het boekjaar waarin de concrete actie is voltooid, onderworpen aan niet meer dan één audit, verricht door hetzij de auditautoriteit, hetzij de Commissie. Andere concrete acties worden voorafgaand aan de indiening van de rekeningen voor het boekjaar waarin de concrete actie is voltooid, onderworpen aan niet meer dan één audit per boekjaar, verricht door hetzij de auditautoriteit hetzij de Commissie. Concrete acties worden in een bepaald jaar niet meer door de Commissie of de auditautoriteit aan een audit onderworpen wanneer dat jaar reeds een audit door de Europese Rekenkamer heeft plaatsgevonden, mits de auditautoriteit of de Commissie de resultaten van die audit van de Europese Rekenkamer voor die acties voor de vervulling van hun respectieve taken kunnen gebruiken.

In afwijking van de eerste alinea kunnen concrete acties waarvan de totale subsidiabele uitgaven tussen 200 000  EUR en 400 000  EUR bedragen voor het EFRO en het Cohesiefonds, tussen 150 000  EUR en 300 000  EUR bedragen voor het ESF en tussen 100 000 en 200 000  EUR bedragen voor het EFMZV, worden onderworpen aan meer dan één audit, indien de auditautoriteit op basis van haar professionele oordeel tot de conclusie komt dat geen auditadvies op basis van statistische of niet-statistische steekproefmethoden als bedoeld in artikel 127, lid 1, kan worden afgegeven of opgesteld zonder meer dan één audit van de betrokken concrete actie uit te voeren.”;

65. artikel 149 wordt als volgt gewijzigd:

a) de leden 2 en 3 worden vervangen door:

„2.  De in artikel 5, lid 3, artikel 12, tweede alinea, artikel 22, lid 7, vierde alinea, artikel 37, lid 13, artikel 38, lid 4, derde alinea, artikel 39 bis, lid 7, artikel 40, lid 4, artikel 41, lid 3, artikel 42, lid 1, tweede alinea, artikel 42, lid 6, artikel 61, lid 3, tweede, derde, vierde en zevende alinea, artikel 63, lid 4, artikel 64, lid 4, artikel 67, lid 5 bis, artikel 68, tweede alinea, artikel 101, vierde alinea, lid 4, artikel 122, lid 2, vijfde alinea, artikel 125, lid 8, eerste alinea, artikel 125, lid 9, artikel 127, leden 7 en 8, en artikel 144, lid 6, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend met ingang van 21 december 2013 tot en met 31 december 2020.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 3, artikel 12, tweede alinea, artikel 22, lid 7, vierde alinea, artikel 37, lid 13, artikel 38, lid 4, derde alinea, artikel 39 bis, lid 7, artikel 40, lid 4, artikel 41, lid 3, artikel 42, lid 1, tweede alinea, artikel 42, lid 6, artikel 61, lid 3, tweede, derde, vierde en zevende alinea, artikel 63, lid 4, artikel 64, lid 4, artikel 67, lid 5 bis, artikel 68, tweede alinea, artikel 101, vierde alinea, artikel 122, lid 2, vijfde alinea, artikel 125, lid 8, eerste alinea, artikel 125, lid 9, artikel 127, leden 7 en 8, en artikel 144, lid 6, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet”;

b) het volgende lid wordt ingevoegd:

„3 bis.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.”;

c) lid 5 wordt vervangen door:

„5.  Een overeenkomstig artikel 5, lid 3, artikel 12, tweede alinea, artikel 22, lid 7, vierde alinea, artikel 37, lid 13, artikel 38, lid 4, derde alinea, artikel 39 bis, lid 7, artikel 40, lid 4, artikel 41, lid 3, artikel 42, lid 1, tweede alinea, artikel 42, lid 6, artikel 61, lid 3, tweede, derde, vierde en zevende alinea, artikel 63, lid 4, artikel 64, lid 4, artikel 67, lid 5 bis, artikel 68, tweede alinea, artikel 101, vierde alinea, artikel 122, lid 2, vijfde alinea, artikel 125, lid 8, eerste alinea, artikel 125, lid 9, artikel 127, leden 7 en 8, en artikel 144, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”;

66. aan artikel 152 wordt het volgende lid toegevoegd:

„7.  De managementautoriteit, of het toezichtcomité voor de programma’s in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking”, kan besluiten artikel 67, lid 2 bis, niet toe te passen gedurende een periode van maximum twaalf maanden vanaf 2 augustus 2018.

Wanneer de managementautoriteit, of het toezichtcomité voor de programma’s in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking”, van oordeel is dat artikel 67, lid 2 bis, een onevenredig zware administratieve last meebrengt, kan zij besluiten om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde overgangsperiode te verlengen met een duur die zij passend acht. De managementautoriteit of het toezichtcomité stelt de Commissie vóór het einde van de eerste overgangsperiode in kennis van dat besluit.

De eerste en tweede alinea zijn niet van toepassing op subsidies en terugvorderbare bijstand uit het ESF waarvoor de overheidssteun niet meer dan 50 000  EUR bedraagt.”;

67. bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a) punt 1 wordt als volgt gewijzigd:

i) de inleidende zin wordt vervangen door:

„1. Wanneer een financieringsinstrument overeenkomstig artikel 38, lid 4, eerste alinea, onder a), b) en c), en artikel 39 bis wordt uitgevoerd, bevat de financieringsovereenkomst tevens de algemene en bijzondere voorwaarden voor het verstrekken van bijdragen uit het programma aan het financieringsinstrument, en ten minste de volgende elementen:”;

ii) punt f) wordt vervangen door:

„f) voorschriften en procedures voor het beheer van de gefaseerde bijdragen die in overeenstemming met artikel 41 door het programma worden verstrekt, alsook voor het verwachte investeringsaanbod, met inbegrip van voorschriften inzake fiduciaire of afzonderlijke boekhouding overeenkomstig artikel 38, lid 6, en artikel 39 bis, lid 5, tweede alinea;”;

iii) punt i) wordt vervangen door:

„i) regels betreffende het hergebruik van middelen die kunnen worden toegeschreven aan de steun uit de ESI-fondsen tot de subsidiabiliteitsperiode is verstreken in overeenstemming met artikel 44, en in voorkomend geval regels inzake de gedifferentieerde behandeling als bedoeld in artikel 43 bis;”;

b) punt 2 wordt als volgt gewijzigd:

i) de leidende zin wordt vervangen door:

„2. De in artikel 38, lid 8, bedoelde strategiedocumenten voor financieringsinstrumenten die op grond van artikel 38, lid 4, eerste alinea onder d), worden uitgevoerd, omvatten ten minste de volgende elementen:”;

ii) punt c) wordt vervangen door:

„c) het gebruik en hergebruik van middelen die kunnen worden toegeschreven aan de steun uit de ESI-fondsen, in overeenstemming met de artikelen 43, 44 en 45, en in voorkomend geval regels inzake de gedifferentieerde behandeling als bedoeld in artikel 43 bis;”;

68. bijlage XII wordt als volgt gewijzigd:

a) de titel van bijlage XII wordt vervangen door:

„VOORLICHTING EN COMMUNICATIE OVER EN ZICHTBAARHEID VAN STEUN UIT DE FONDSEN”;

b) de titel van punt 2 wordt vervangen door:

VOORLICHTINGS- EN COMMUNICATIEMAATREGELEN EN MAATREGELEN TER VERHOGING VAN DE ZICHTBAARHEID VOOR HET PUBLIEK”;

c) punt 2.1 wordt als volgt gewijzigd:

i) punt 1 wordt vervangen door:

„1. De lidstaat en de managementautoriteit zien erop toe dat de voorlichtings- en communicatiemaatregelen in overeenstemming met de communicatiestrategie worden uitgevoerd om de zichtbaarheid en de interactie met de burgers te verbeteren, en streven ernaar dat deze maatregelen een zo ruim mogelijke aandacht in de media krijgen, waarbij op het aangewezen niveau en in voorkomend geval aangepast aan de technologische innovatie verschillende vormen en methoden van communicatie worden gebruikt.”;

ii) in punt 2, worden de punten e) en f) vervangen door:

„e) het geven van voorbeelden van concrete acties, met name van concrete acties waarbij de meerwaarde van de interventie van de Fondsen bijzonder goed zichtbaar is, per operationeel programma, op de algemene website of op de site van het operationele programma die via de portaalsite toegankelijk is; de voorbeelden worden gegeven in een door velen gesproken officiële taal van de Unie die niet de officiële taal of een van de officiële talen van de betrokken lidstaat mag zijn;

f) de actualisering van informatie over de uitvoering van de operationele programma’s, met inbegrip van de belangrijkste verwezenlijkingen en resultaten ervan, op de algemene website of op de site van het operationele programma die via de portaalsite toegankelijk is.”;

d) punt 2.2 wordt als volgt gewijzigd:

i) in punt 1 wordt de inleidende zin vervangen door:

„1. Bij alle door de begunstigde genomen voorlichtings- en communicatiemaatregelen en maatregelen ter verhoging van de zichtbaarheid van de Fondsen wordt duidelijk gemaakt dat voor de concrete actie steun is verleend uit de Fondsen:”;

ii) het volgende punt wordt toegevoegd:

„6. De in dit punt omschreven verantwoordelijkheden gelden vanaf het tijdstip waarop de begunstigde het in artikel 125, lid 3, onder c), bedoelde document waarin de voorwaarden voor de toekenning van steun voor de concrete actie zijn opgenomen, heeft ontvangen.”;

e) in punt 3.1, punt 2, wordt punt f) vervangen door:

„f) de taak van de begunstigden het publiek te informeren over het doel van de concrete actie en de steun die uit de Fondsen voor de actie wordt verstrekt, overeenkomstig punt 2.2, vanaf het ogenblik waarop de begunstigde het in artikel 125, lid 3, onder c), bedoelde document waarin de voorwaarden voor de toekenning van steun voor de concrete actie zijn opgenomen, heeft ontvangen. De managementautoriteit kan die potentiële begunstigden verzoeken in hun aanvragen indicatieve communicatieactiviteiten ter verhoging van de zichtbaarheid van de Fondsen voor te stellen die in verhouding staan tot de omvang van de concrete actie.”;

f) in punt 4 wordt punt i) vervangen door:

„i) een jaarlijkse actualisering waarin de in het volgende jaar te nemen voorlichtings- en communicatiemaatregelen, met inbegrip van maatregelen ter verhoging van de zichtbaarheid van de Fondsen, worden uiteengezet, op basis van onder meer geleerde lessen inzake de doeltreffendheid van zulke maatregelen.”.

Artikel 273

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1304/2013

Verordening (EU) nr. 1304/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1. in artikel 13, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Wanneer concrete acties waarop de eerste alinea, onder a), van toepassing is, ook het programmagebied waar ze worden uitgevoerd ten goede komen, worden de uitgaven pro rata aan die programmagebieden toegewezen op basis van objectieve criteria.”;

2. artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a) het volgend lid wordt ingevoegd:

„-1.  De algemene regels die van toepassing zijn op vereenvoudigde kostenopties in het kader van het ESF zijn vastgelegd in de artikelen 67, 68, 68 bis en 68 ter van Verordening (EU) nr. 1303/2013.”;

b) de leden 2, 3 en 4 worden geschrapt;

3. in bijlage I wordt punt 1) vervangen door:

„1. Gemeenschappelijke outputindicatoren voor de deelnemers

Onder „deelnemers” ( 27 ) worden personen verstaan die direct van een ESF-interventie profiteren, die kunnen worden geïdentificeerd en om hun karakteristieken kunnen worden gevraagd en voor wie specifieke uitgaven worden geoormerkt. Andere personen worden niet ingedeeld als deelnemers. Alle gegevens worden naar geslacht uitgesplitst.

De gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers zijn:

 werklozen, onder wie langdurig werklozen*,

 langdurig werklozen*,

 inactieven*,

 inactieven die geen onderwijs of opleiding volgen*,

 werkenden, onder wie zelfstandigen*,

 jonger dan 25 jaar*,

 ouder dan 54 jaar*,

 ouder dan 54 jaar die werkloos zijn, met inbegrip van langdurig werklozen, of die inactief zijn en geen onderwijs of opleiding volgen*,

 met primair (ISCED 1) of lager voortgezet onderwijs (ISCED 2)*,

 met hoger middelbaar (ISCED 3) of postsecundair onderwijs (ISCED 4)*,

 met hoger onderwijs (ISCED 5 tot en met 8)*,

 migranten, deelnemers met een buitenlandse achtergrond, minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma)**,

 deelnemers met een handicap**,

 andere kansarmen**.

Het totale aantal deelnemers wordt automatisch berekend op basis van de outputindicatoren.

Die gegevens over de deelnemers aan een door het ESF gesteunde concrete actie worden verstrekt in de jaarverslagen over de uitvoering, als aangegeven in artikel 50, leden 1 en 2, en artikel 111, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

De volgende gegevens over deelnemers zullen b worden verstrekt in de jaarverslagen over de uitvoering, als aangegeven in artikel 50, van Verordening (EU) nr. 1303/2013:

 daklozen of mensen die van de woningmarkt uitgesloten zijn*,

 deelnemers van het platteland* ( 28 )

De gegevens voor die twee indicatoren worden verzameld op basis van een representatieve steekproef van deelnemers binnen elke investeringsprioriteit. De interne validiteit wordt zodanig gegarandeerd dat de gegevens kunnen worden gegeneraliseerd op het niveau van de investeringsprioriteit.

Artikel 274

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1309/2013

Verordening (EU) nr. 1309/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1. in overweging 24 wordt de eerste zin vervangen door:

„Overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad ( *7 ) (het „Financieel Reglement”) dienen de lidstaten verantwoordelijk te blijven voor de uitvoering van de financiële bijdrage en voor het beheer van en de controle op de door de financiering van de Unie ondersteunde acties.