EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02016R0429-20160331

Consolidated text: Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ( diergezondheidswetgeving ) (Voor de EER relevante tekst)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/429/2016-03-31

02016R0429 — NL — 31.03.2016 — 000.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) 2016/429 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 9 maart 2016

betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid („diergezondheidswetgeving”)

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 084 van 31.3.2016, blz. 1)


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 057, 3.3.2017, blz.  65 (2016/429)




▼B

VERORDENING (EU) 2016/429 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 9 maart 2016

betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid („diergezondheidswetgeving”)

(Voor de EER relevante tekst)



DEEL I

ALGEMENE REGELS



HOOFDSTUK 1

Onderwerp, doel, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp en doel

1.  Bij deze verordening worden regels vastgesteld met betrekking tot de preventie en bestrijding van dierziekten die kunnen worden overgedragen op dieren of mensen.

Die regels voorzien in:

a) het stellen van prioriteiten voor en de indeling in categorieën van ziekten die voor de Unie van belang zijn en de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor de diergezondheid (deel I: artikelen 1 tot en met 17);

b) de vroegtijdige opsporing, melding en rapportage van ziekten, bewaking, uitroeiingsprogramma's en de ziektevrije status (deel II: artikelen 18 tot en met 42);

c) waakzaamheid en paraatheid voor en bestrijding van ziekten (deel III: artikelen 43 tot en met 83);

d) de registratie en goedkeuring van inrichtingen en vervoerders en de verplaatsingen en de traceerbaarheid van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong binnen de Unie (deel IV: artikelen 84 tot en met 228 en deel VI: artikelen 244 tot en met 248, en artikelen 252 tot en met 256);

e) de binnenkomst van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong in de Unie en de uitvoer van die zendingen uit de Unie (deel V: artikelen 229 tot en met 243 en deel VI: artikelen 244 tot en met 246, en artikelen 252 tot en met 256);

f) het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar een lidstaat uit een andere lidstaat of uit een derde land of gebied (deel VI: artikelen 244 tot en met 256);

g) de noodmaatregelen die in een noodsituatie bij ziekten moeten worden genomen (deel VII: artikelen 257 tot en met 262).

2.  De in lid 1 bedoelde regels:

a) moeten zorgen voor:

i) een betere diergezondheid ter ondersteuning van een duurzame landbouw- en aquacultuurproductie in de Unie;

ii) een doeltreffend functionerende interne markt;

iii) een vermindering van de schadelijke effecten op de diergezondheid, de volksgezondheid en het milieu van:

 bepaalde ziekten;

 de maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten;

b) houden rekening met:

i) het verband tussen diergezondheid en

 volksgezondheid;

 het milieu, waaronder biodiversiteit en waardevolle genetische hulpbronnen, alsmede de gevolgen van klimaatverandering;

 voedsel- en diervoederveiligheid;

 dierenwelzijn, waaronder het besparen van vermijdbare pijn, spanning of lijden;

 antimicrobiële resistentie;

 voedselzekerheid;

ii) de economische, sociale, culturele en milieueffecten van de toepassing van maatregelen ter bestrijding en preventie van ziekten;

iii) de toepasselijke internationale normen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze verordening is van toepassing op:

a) gehouden dieren en wilde dieren;

b) levende producten;

c) producten van dierlijke oorsprong;

d) dierlijke bijproducten en afgeleide producten, onverminderd de regels van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

e) voorzieningen, vervoermiddelen, uitrusting en alle andere bronnen van besmetting en materialen die bij de verspreiding van overdraagbare dierziekten betrokken zijn of kunnen zijn.

2.  Deze verordening is van toepassing op overdraagbare ziekten, inclusief zoönosen, onverminderd de regels van:

a) Besluit nr. 1082/2013/EU;

b) Verordening (EG) nr. 999/2001;

c) Richtlijn 2003/99/EG;

d) Verordening (EG) nr. 2160/2003.

Artikel 3

Toepassingsgebied van delen IV, V en VI

1.  Deel IV, titel I (artikelen 84 tot en met 171), is van toepassing op:

a) landdieren en dieren die geen landdieren zijn maar die ziekten van landdieren kunnen overdragen;

b) van landdieren afkomstige levende producten;

c) van landdieren afkomstige producten van dierlijke oorsprong.

2.  Deel IV, titel II (artikelen 172 tot en met 226), is van toepassing op:

a) waterdieren en dieren die geen waterdieren zijn maar die ziekten van waterdieren kunnen overdragen;

b) van waterdieren afkomstige producten van dierlijke oorsprong.

3.  Deel IV, titel III (artikelen 227 en 228), is van toepassing op:

a) andere dieren;

b) levende producten en producten van dierlijke oorsprong, afkomstig van de andere onder a) bedoelde dieren.

4.  Delen IV en V zijn niet van toepassing op het in lid 6 van dit artikel bedoelde niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren of het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren binnen een lidstaat.

5.  Het verkeer van gezelschapsdieren, met uitzondering van het niet-commerciële verkeer, is onderworpen aan de diergezondheidsvoorschriften van delen IV en V.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de wijzigingen die nodig zijn om te waarborgen dat de delen IV en V correct op gezelschapsdieren worden toegepast, met name om rekening te houden met het feit dat de dieren door houders van gezelschapsdieren in huishoudens worden gehouden.

6.  Deel VI is uitsluitend van toepassing op het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren dat voldoet aan de voorschriften van artikelen 245 en 246, wat betreft het maximumaantal dieren dat de eigenaar mag vergezellen en het maximumaantal dagen dat verloopt tussen de verplaatsing van de eigenaar en die van het gezelschapsdier.

Artikel 4

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1)

„dieren” : gewervelde en ongewervelde dieren;

2)

„landdieren” : vogels, landzoogdieren, bijen en hommels;

3)

„waterdieren” :

dieren van de volgende soorten, in alle levensfasen, inclusief eieren, zaadcellen en gameten:

a) vissen die behoren tot de superklasse Agnatha en de klassen Chondrichthyes, Sarcopterygii en Actinopterygii;

b) waterweekdieren van het phylum Mollusca;

c) waterschaaldieren van het subphylum Crustacea;

4)

„andere dieren” : dieren van andere soorten dan die welke vallen onder de definitie van landdieren of van waterdieren;

5)

„gehouden dieren” : dieren die door de mens worden gehouden, met inbegrip van, in het geval van waterdieren, aquacultuurdieren;

6)

„aquacultuur” : het houden van waterdieren, waarbij de dieren in alle fasen van de kweek of de teelt, tot en met de oogst, eigendom blijven van één of meer natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van het verzamelen of de vangst voor menselijke consumptie van wilde waterdieren die vervolgens in afwachting van de slacht tijdelijk worden gehouden zonder te worden gevoederd;

7)

„aquacultuurdieren” : alle waterdieren die het voorwerp zijn van aquacultuur;

8)

„wilde dieren” : dieren die geen gehouden dieren zijn;

9)

„pluimvee” :

vogels die worden gekweekt of in gevangenschap worden gehouden voor:

a) de productie van

i) vlees;

ii) eieren voor consumptie;

iii) andere producten;

b) het uitzetten in het wild;

c) het kweken van vogels die worden gebruikt voor de onder a) en b) genoemde soorten productie;

10)

„in gevangenschap levende vogels” : andere vogels dan pluimvee die om andere dan de in punt 9 vermelde redenen in gevangenschap worden gehouden, waaronder vogels die voor voorstellingen, races, tentoonstellingen, wedstrijden, de kweek of de verkoop worden gehouden;

11)

„gezelschapsdier” : een gehouden dier van de in bijlage I vermelde soorten dat gehouden wordt voor niet-commerciële privédoeleinden;

12)

„houder van een gezelschapsdier” : een natuurlijk persoon, eventueel met inbegrip van een eigenaar van een gezelschapsdier die een gezelschapsdier houdt;

13)

„eigenaar van een gezelschapsdier” : een natuurlijk persoon die in de identificatiedocumenten als bedoeld in artikel 247, onder c), artikel 248, lid 2, onder c), artikel 249, lid 1, onder c), en artikel 250, lid 2, onder c), als eigenaar is vermeld;

14)

„niet-commercieel verkeer” :

elke verplaatsing van een gezelschapsdier dat zijn eigenaar vergezelt, die:

a) niet tot doel heeft om het betrokken gezelschapsdier te verkopen of om de eigendom ervan op een andere wijze over te dragen; en

b) onderdeel is van de verplaatsing van de eigenaar van het gezelschapsdier

i) onder zijn directe verantwoordelijkheid, of

ii) onder de verantwoordelijkheid van een gemachtigd persoon in gevallen waarin het gezelschapsdier en de eigenaar van het gezelschapsdier fysiek van elkaar gescheiden zijn;

15)

„gemachtigde persoon” : een natuurlijke persoon die schriftelijk door de eigenaar van het gezelschapsdier gemachtigd is namens hem het niet-commerciële verkeer van het gezelschapsdier te verrichten;

16)

„ziekte” : het zich voordoen van besmettingen en plagen bij dieren, die worden veroorzaakt door één of meer ziekteverwekkers, al dan niet gepaard gaand met klinische of pathologische verschijnselen;

17)

„ziekteverwekker” : een op dieren of mensen overdraagbare pathogeen die een ziekte kan veroorzaken bij dieren;

18)

„in de lijst opgenomen ziekten” : ziekten die in de lijst zijn opgenomen overeenkomstig artikel 5, lid 1;

19)

„ziekteprofiel” : de in artikel 7, onder a), bedoelde ziektecriteria;

20)

„in de lijst opgenomen soort” : een diersoort of groep diersoorten die is opgenomen in de in artikel 8, lid 2, bedoelde lijst of, in het geval van nieuwe ziekten, een diersoort of groep van diersoorten die voldoet aan de in artikel 8, lid 2, bedoelde criteria voor in de lijst opgenomen soorten;

21)

„gevaar” : een ziekteverwekker in of een toestand van een dier of product die een schadelijk effect kan hebben voor de gezondheid van mensen of dieren;

22)

„risico” : de waarschijnlijkheid dat een schadelijk effect biologische en economische gevolgen voor de diergezondheid of volksgezondheid kan hebben, en de vermoedelijke omvang daarvan;

23)

„biobeveiliging” :

de som van de beheers- en fysieke maatregelen die zijn bedoeld om het risico te verminderen dat ziekten worden geïntroduceerd, zich ontwikkelen en zich verspreiden naar, in of uit:

a) een dierenpopulatie, of

b) een inrichting, zone, compartiment, vervoermiddel of enige andere voorziening, ruimte of locatie;

24)

„exploitant” : iedere natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor dieren of producten, ook als dat voor beperkte duur is, met uitzondering van houders van een gezelschapsdier en dierenartsen;

25)

„vervoerder” : een exploitant die voor eigen rekening of voor rekening van een derde dieren vervoert;

26)

„persoon die zich beroepsmatig met dieren bezighoudt” : een natuurlijke of rechtspersoon die beroepshalve met dieren of producten bezig is, anders dan een exploitant of dierenarts;

27)

„inrichting” :

een ruimte, structuur of, in geval van een veehouderij waar dieren buiten worden gehouden, een milieu of plaats waar dieren of levende producten worden gehouden, op tijdelijke of permanente basis, met uitzondering van:

a) huishoudens waar gezelschapsdieren worden gehouden;

b) dierenartspraktijken en veterinaire klinieken;

28)

„levende producten” :

a) sperma, oöcyten en embryo's, bestemd voor kunstmatige voortplanting;

b) broedeieren;

29)

„producten van dierlijke oorsprong” :

a) levensmiddelen van dierlijke oorsprong, inclusief honing en bloed;

b) levende tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen, bestemd voor menselijke consumptie;

c) andere dan de onder b) genoemde dieren die bestemd zijn om behandeld te worden teneinde levend aan de eindverbruiker te worden geleverd;

30)

„dierlijke bijproducten” : hele kadavers of delen van dieren, producten van dierlijke oorsprong of andere van dieren afkomstige producten, die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, met uitzondering van levende producten;

31)

„afgeleide producten” : producten die zijn verkregen door één of meer behandelingen, omzettingen of verwerkingsfasen van dierlijke bijproducten;

32)

„producten” :

a) levende producten;

b) producten van dierlijke oorsprong;

c) dierlijke bijproducten en afgeleide producten;

33)

„officiële controle” : elke vorm van controle die een bevoegde autoriteit verrichtt om de naleving van deze verordening te verifiëren;

34)

„gezondheidsstatus” :

de ziektestatus voor de in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor een in de lijst opgenomen soort wat betreft:

a) een dier;

b) dieren in:

i) een epidemiologische eenheid;

ii) een inrichting;

iii) een zone;

iv) een compartiment;

v) een lidstaat;

vi) een derde land of gebied;

35)

„zone” :

a) voor landdieren, een geografisch nauwkeurig afgebakend gebied van een lidstaat, derde land of gebied met een subpopulatie dieren met een afwijkende gezondheidsstatus voor één of meer specifieke ziekten waarop passende bewakings-, ziektebestrijdings- en biobeveiligingsmaatregelen van toepassing zijn;

b) voor waterdieren, een aaneengesloten hydrologisch systeem met een afwijkende gezondheidsstatus voor één of meer specifieke ziekten dat een van de volgende gebieden vormt:

i) een volledig stroomgebied, van de bron van een waterloop tot de monding of een meer;

ii) meer dan één stroomgebied;

iii) een deel van een stroomgebied, van de bron van een waterloop tot een barrière die de introductie van één of meer specifieke ziekten belet;

iv) een geografisch nauwkeurig afgebakend deel van een kustgebied;

v) een geografisch nauwkeurig afgebakende riviermonding;

36)

„stroomgebied” : een door natuurlijke elementen, zoals heuvels of bergen, omsloten gebied of bekken waar alle water in afvloeit;

37)

„compartiment” : een subpopulatie dieren in één of meer inrichtingen en, in het geval van waterdieren, één of meer aquacultuurinrichtingen, met een gemeenschappelijk biobeveiligingsbeheerssysteem en een afwijkende gezondheidsstatus voor één of meer specifieke ziekten, waarop passende bewakings-, ziektebestrijdings- en biobeveiligingsmaatregelen van toepassing zijn;

38)

„quarantaine” : het geïsoleerd houden van dieren ter voorkoming van direct of indirect contact met dieren buiten de epidemiologische eenheid, teneinde de verspreiding van één of meer specifieke ziekten te voorkomen terwijl de geïsoleerde dieren voor een bepaalde tijdsduur worden geobserveerd en in voorkomend geval worden getest en behandeld;

39)

„epidemiologische eenheid” : een groep dieren die dezelfde kans op blootstelling aan een ziekteverwekker lopen;

40)

„uitbraak” : de officiële bevestiging dat een in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte voorkomt bij één of meer dieren in een inrichting of op een andere plaats waar dieren worden gehouden of zich bevinden;

41)

„beperkingszone” : zone waarin beperkende maatregelen voor verplaatsingen van bepaalde dieren of producten en andere ziektebestrijdingsmaatregelen gelden, teneinde te voorkomen dat een bepaalde ziekte wordt verspreid naar gebieden waar geen beperkende maatregelen gelden; een beperkingszone kan in voorkomend geval beschermings- en bewakingszones omvatten;

42)

„beschermingszone” : zone rond en met inbegrip van de plaats van een uitbraak waarin ziektebestrijdingsmaatregelen van toepassing zijn om de verspreiding van de ziekte vanuit die zone te voorkomen;

43)

„bewakingszone” : rond de beschermingszone ingestelde zone waarin ziektebestrijdingsmaatregelen van toepassing zijn om de verspreiding van de ziekte vanuit de beschermingszone te voorkomen;

44)

„broedeieren” : eieren van pluimvee of in gevangenschap levende vogels, bestemd om te worden uitgebroed;

45)

„hoefdieren” : de in bijlage II genoemde dieren;

46)

„inrichting voor levende producten” :

a) wat betreft sperma, een inrichting waar sperma wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen;

b) wat betreft oöcyten en embryo's, een groep beroepsbeoefenaars of een structuur onder leiding van een teamdierenarts die bevoegd is oöcyten en embryo's te winnen, te produceren, te verwerken of op te slaan;

c) wat betreft broedeieren, een broederij;

47)

„broederij” :

een inrichting waar eieren worden verzameld, opgeslagen en uitgebroed met het oog op de levering van:

a) broedeieren;

b) eendagskuikens of pas uitgekomen vogels van andere soorten;

48)

„geconsigneerde inrichting” :

elke permanente, geografisch beperkte inrichting die op vrijwillige basis tot stand is gekomen en die is erkend met het oog op verplaatsingen, waar dieren:

a) worden gehouden of gefokt met het oog op tentoonstellingen, onderwijs, de instandhouding van soorten of onderzoek;

b) zijn ingesloten en afgezonderd van het omringende milieu; en

c) zijn onderworpen aan diergezondheidsbewaking en biobeveiligingsmaatregelen;

49)

„verzameling” : het verzamelen van gehouden landdieren uit meer dan één inrichting gedurende kortere tijd dan de voor de betrokken diersoort vereiste verblijfsduur;

50)

„verblijfsduur” : de minimumtijd die nodig is om ervoor te zorgen dat een in een inrichting binnengebracht dier geen lagere gezondheidsstatus heeft dan de status van de dieren in die inrichting;

51)

„TRACES” : het in één enkele opmaak geïntegreerd veterinair computersysteem waarin is voorzien in Beschikkingen 2003/24/EG en 2004/292/EG;

52)

„ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen” : een levensmiddelenbedrijf dat is erkend overeenkomstig artikel 179;

53)

„officiële dierenarts” : een door de bevoegde autoriteit gemachtigde dierenarts die over de passende kwalificaties beschikt om officiële activiteiten te verrichten overeenkomstig deze verordening;

54)

„officiële dierenarts in een derde land of gebied” : een dierenarts in een derde land of gebied wiens functie overeenstemt met die van een in punt 53) bedoelde officiële dierenarts;

55)

„bevoegde autoriteit” : de centrale veterinaire autoriteit van een lidstaat die verantwoordelijk is voor de organisatie van de officiële controles en andere officiële activiteiten overeenkomstig deze verordening, of elke andere autoriteit waaraan die verantwoordelijkheid is gedelegeerd;

56)

„bevoegde autoriteit van een derde land of gebied” : de autoriteit in een derde land of gebied die overeenstemt met de in punt 55) bedoelde bevoegde autoriteit.



HOOFDSTUK 2

In de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten, en in de lijst opgenomen soorten

Artikel 5

Opnemen van ziekten in een lijst

1.  De ziektespecifieke voorschriften voor de preventie en bestrijding van ziekten waarin deze verordening voorziet, zijn van toepassing op:

a) de volgende in de lijst opgenomen ziekten:

i) mond-en-klauwzeer;

ii) klassieke varkenspest;

iii) Afrikaanse varkenspest;

iv) hoogpathogene aviaire influenza;

v) Afrikaanse paardenpest; en

b) de in de lijst opgenomen ziekten als vermeld in de lijst in bijlage II.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van de in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde lijst.

3.  Een ziekte wordt in de in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde lijst opgenomen wanneer die overeenkomstig artikel 7 is beoordeeld en voldoet aan:

a) alle van de volgende voorwaarden:

i) er is wetenschappelijk bewijs dat er op wijst dat de ziekte overdraagbaar is;

ii) diersoorten zijn gevoelig voor de ziekte, of er zijn vectoren of reservoirs daarvan in de Unie aanwezig;

iii) de ziekte heeft negatieve gevolgen voor de diergezondheid of vormt wegen haar zoönotische aard een risico voor de volksgezondheid;

iv) er bestaan diagnostische middelen voor de ziekte, en

v) de risicobeperkingsmaatregelen en, waar passend, bewaking van de ziekte zijn doeltreffend en staan in verhouding tot het risico dat de ziekte in de Unie vormt; en

b) ten minste een van de volgende criteria:

i) de ziekte heeft in de Unie aanzienlijke negatieve gevolgen voor de diergezondheid of kan die hebben, of vormt wegens haar zoönotische aard een significant risico voor de volksgezondheid, of kan dat vormen;

ii) de ziekteverwekker heeft tegen de behandeling een resistentie opgebouwd en vormt een aanzienlijk gevaar voor de volksgezondheid en/of diergezondheid in de Unie;

iii) die ziekte heeft aanzienlijke negatieve gevolgen op economisch gebied voor de landbouw- of aquacultuurproductie in de Unie, of kan dat hebben;

iv) de ziekte heeft het potentieel om een crisis te veroorzaken of de ziekteverwekker kan bij bioterrorisme worden gebruikt, of

v) de ziekte heeft aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu van de Unie, waaronder de biodiversiteit, of kan die hebben.

4.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast betreffende de schrapping van een ziekte van de in lid 1, onder b), van dit artikel genoemde lijst wanneer die ziekte niet langer aan de voorwaarden van lid 3 van dit artikel voldoet.

5.  De Commissie evalueert de opneming in de lijst van elke ziekte in het licht van nieuwe beschikbare significante wetenschappelijke gegevens.

Artikel 6

Nieuwe ziekten

1.  De regels inzake preventie en bestrijding van ziekten zijn van toepassing op nieuwe ziekten zoals bepaald in deze verordening.

2.  Een andere dan de in de lijst opgenomen ziekte wordt beschouwd als een nieuwe ziekte („nieuwe ziekte”) op voorwaarde dat deze ziekte kan voldoen aan de in artikel 5, lid 3, bedoelde criteria voor het opnemen van ziekten in de lijst en

a) het gevolg is van de ontwikkeling of verandering van een bestaande ziekteverwekker;

b) een bekende ziekte is die zich naar een nieuw geografisch gebied, nieuwe soorten of een nieuwe populatie verspreidt;

c) voor het eerst in de Unie wordt gediagnosticeerd; of

d) wordt veroorzaakt door een onbekende of voorheen onbekende ziekteverwekker.

3.  De Commissie neemt door middel van uitvoeringshandelingen de nodige maatregelen met betrekking tot een nieuwe ziekte die aan de in lid 2 van dit artikel vastgestelde criteria voldoet. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een ziekte die een nieuw risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, stelt de Commissie volgens de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

5.  Elke verplichting in verband met nieuwe ziekten die bij deze verordening aan exploitanten wordt opgelegd, is uitsluitend van toepassing indien de Commissie voor die ziekte overeenkomstig lid 3 van dit artikel een uitvoeringshandeling heeft vastgesteld, of indien de ziekte overeenkomstig artikel 43 in een noodplan is opgenomen.

Artikel 7

Beoordelingsparameters voor het opnemen van ziekten in de lijst

De Commissie gebruikt de volgende beoordelingsparameters om te bepalen of een ziekte voldoet aan de voorwaarden om overeenkomstig artikel 5, lid 2, te worden opgenomen in de lijst:

a) het ziekteprofiel, dat het volgende omvat:

i) de diersoorten die door de ziekte worden getroffen;

ii) het ziekte- en het sterftecijfer van de ziekte in dierpopulaties;

iii) de zoönotische aard van de ziekte;

iv) behandelingsresistentie, waaronder antimicrobiële resistentie;

v) de persistentie van de ziekte in een dierpopulatie of het milieu;

vi) de routes waarlangs en de snelheid waarmee de ziekte van het ene op het andere dier en, in voorkomend geval, van dieren op mensen overgaat;

vii) de afwezigheid of de aanwezigheid en verspreiding van de ziekte in de Unie en, als de ziekte niet voorkomt in de Unie, het risico van de insleep ervan in de Unie;

viii) het bestaan van middelen voor diagnose en ziektebestrijding;

b) de gevolgen van de ziekte voor:

i) de landbouw- of aquacultuurproductie en andere delen van de economie, wat betreft:

 de mate waarin de ziekte in de Unie voorkomt;

 het productieverlies ten gevolge van de ziekte;

 andere verliezen;

ii) de gezondheid van de mens, wat betreft:

 de overdraagbaarheid van dieren op de mens;

 de overdraagbaarheid van de ene op de andere mens;

 de ernst van de vormen van de ziekte bij de mens;

 de beschikbaarheid van een doeltreffende preventie of medische behandeling bij de mens;

iii) het dierenwelzijn;

iv) de biodiversiteit en het milieu;

c) de mogelijkheid om een crisissituatie te veroorzaken en het mogelijke gebruik bij bioterrorisme;

d) de haalbaarheid, beschikbaarheid en doeltreffendheid van de volgende maatregelen ter preventie en bestrijding van de ziekte:

i) diagnosemiddelen en -capaciteit;

ii) vaccinatie;

iii) medische behandelingen;

iv) biobeveiligingsmaatregelen;

v) beperkingen van de verplaatsing van dieren en producten;

vi) het doden van dieren;

vii) het verwijderen van kadavers en andere dierlijke bijproducten in dat verband;

e) de gevolgen van maatregelen ter preventie en bestrijding van de ziekte, wat betreft:

i) de directe en indirecte kosten voor de getroffen sectoren en de economie als geheel;

ii) de maatschappelijke aanvaarding ervan;

iii) het welzijn van de getroffen subpopulaties van gehouden en wilde dieren;

iv) het milieu en de biodiversiteit.

Artikel 8

Opnemen van soorten in een lijst

1.  De ziektespecifieke voorschriften voor in de lijst opgenomen ziekten waarin deze verordening voorziet en de krachtens deze verordening vastgestelde regels zijn van toepassing op in de lijst opgenomen soorten.

2.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een in lid 1 van dit artikel bedoelde lijst op van soorten die voldoen aan de in lid 3 van dit artikel genoemde criteria. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Die lijst bevat de diersoorten of groepen van diersoorten die een groot risico op verspreiding van specifieke in de lijst opgenomen ziekten vormen, uitgaande van de volgende criteria:

a) de gevoeligheid van de risicolopende dierpopulatie;

b) de duur van de incubatietijd en de besmettingstijd voor de desbetreffende dieren;

c) het vermogen van die dieren om drager te zijn van die specifieke ziekten.

3.  Diersoorten of groepen van diersoorten worden aan de lijst toegevoegd indien zij door een specifieke in de lijst opgenomen ziekten getroffen zijn, of een risico op verspreiding ervan vormen omdat:

a) zij gevoelig zijn voor een specifieke in de lijst opgenomen ziekte of wetenschappelijk bewijs erop wijst dat deze gevoeligheid waarschijnlijk is; of

b) zij vectorsoorten of reservoirs voor deze ziekte zijn, of wetenschappelijk bewijs erop wijst dat deze rol waarschijnlijk is.

4.  De Commissie schrapt diersoorten of groepen diersoorten van de lijst door middel van uitvoeringshandelingen indien:

a) de betrokken in de lijst opgenomen ziekte waarvoor de betrokken diersoort of groep van diersoorten in de lijst is opgenomen, van de lijst van ziekten, is geschrapt; of

b) wetenschappelijk bewijst erop wijst dat de betrokken diersoort of groep van diersoorten niet langer aan de criteria van lid 3 voldoet.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 9

Regels inzake preventie en bestrijding van ziekten die moeten worden toegepast op verschillende categorieën van in de lijst opgenomen ziekten

1.  De regels inzake preventie en bestrijding van ziekten zijn als volgt van toepassing op in de lijst opgenomen ziekten.

a) Wat betreft in de lijst opgenomen ziekten die gewoonlijk niet in de Unie voorkomen en waarvoor onmiddellijk uitroeiingsmaatregelen moeten worden genomen zodra zij zijn ontdekt, zijn naargelang het geval de volgende regels van toepassing:

i) de regels voor waakzaamheid en paraatheid voor de ziekte als bedoeld in deel III, titel I (artikelen 43 tot en met 52);

ii) de ziektebestrijdingsmaatregelen als bedoeld in deel III, titel II, hoofdstuk 1 (artikelen 53 tot en met 71); en

iii) de regels voor de in artikel 37, lid 1, bedoelde compartimentering.

Voor deze in de lijst opgenomen ziekten gelden ook, naargelang het geval, de onder b) bedoelde maatregelen, voorzover toepasselijk, en de onder d) en e) bedoelde maatregelen.

b) Wat betreft de in de lijst opgenomen ziekten die moeten worden bestreden in alle lidstaten met als doel ze in de gehele Unie uit te roeien, zijn, naargelang het geval, de volgende regels van toepassing:

i) de regels voor de in artikel 31, lid 1, bedoelde verplichte uitroeiingsprogramma's;

ii) de regels voor de in artikel 36 bedoelde ziektevrije lidstaten en zones;

iii) de regels voor de in artikel 37, lid 2, bedoelde compartimentering; en

iv) de ziektebestrijdingsmaatregelen als bedoeld in artikelen 72 tot en met 75, artikelen 77 tot en met 79, en artikelen 81 en 83.

Voor deze in de lijst opgenomen ziekten gelden ook, naargelang het geval, de onder d) en e) bedoelde maatregelen.

c) Wat betreft de in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor sommige lidstaten en waarvoor maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat zij zich verspreiden naar andere delen van de Unie die officieel ziektevrij zijn of waarin een uitroeiingsprogramma voor de betrokken in de lijst opgenomen ziekte loopt, zijn naargelang het geval de volgende regels van toepassing:

i) de regels voor de in artikel 31, lid 2, bedoelde optionele uitroeiing;

ii) de regels voor de in artikel 36 bedoelde ziektevrije lidstaten en zones;

iii) de regels voor de in artikel 37, lid 2, bedoelde compartimentering; en

iv) regels voor ziektebestrijdingsmaatregelen als bedoeld in artikelen 76, 77, 78, 80, 82 en 83.

Voor deze in de lijst opgenomen ziekten gelden ook, naargelang het geval, de onder d) en e) bedoelde maatregelen.

d) Wat betreft de in de lijst opgenomen ziekten waarvoor maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat zij zich verspreiden wegens binnenkomst in de Unie of verplaatsingen tussen de lidstaten, zijn naargelang het geval de volgende regels van toepassing:

i) de regels voor verplaatsing binnen de Unie als bedoeld in deel IV, titel I, hoofdstuk 3 tot en met 6 (artikelen 124 tot en met 169), titel II, hoofdstuk 2 en 3 (artikelen 191 tot en met 225) en deel VI, hoofdstuk 2 en 3 (artikelen 247 tot en met 251); en

ii) de regels voor binnenkomst in de Unie en uitvoer uit de Unie als bedoeld in deel V (artikelen 229 tot en met 243).

De in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld onder a), b) en c) worden eveneens aangemerkt als in de lijst opgenomen ziekten uit hoofde van dit punt en ook als die in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld onder e), indien het door de desbetreffende ziekte gestelde risico doeltreffend en proportioneel kan worden beperkt door maatregelen met betrekking tot de verplaatsingen van dieren en producten.

e) Wat betreft de in de lijst opgenomen ziekten waarvoor bewaking nodig is binnen de Unie zijn, naargelang het geval, de volgende regels van toepassing:

i) de regels voor de in deel II, hoofdstuk 1 (artikelen 18 tot en met 23) bedoelde melding en rapportage; en

ii) de regels voor de in deel II, hoofdstuk 2 (artikelen 24 tot en met 30) bedoelde bewaking.

De in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld onder a), b) en c) worden ook aangemerkt als in de lijst opgenomen ziekten uit hoofde van dit punt.

2.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarbij zij bepaalt op welke wijze de in lid 1 bedoelde regels inzake de preventie en bestrijding van ziekten worden toegepast op de respectieve in de lijst opgenomen ziekten; zij doet zulks op basis van de criteria van bijlage IV en in het licht van nieuwe beschikbare significante wetenschappelijke gegevens.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot wijziging van de wijze waarop de in lid 2 bedoelde regels inzake de preventie en bestrijding van ziekten worden toegepast op de respectieve in de lijst opgenomen ziekten, wanneer de desbetreffende ziekten niet langer voldoen aan de criteria van de desbetreffende afdeling van bijlage IV; zij doet zulks mede in het licht van nieuwe beschikbare significante wetenschappelijke gegevens.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een in de lijst opgenomen ziekte die een nieuw risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen inhoudt, stelt de Commissie volgens de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.



HOOFDSTUK 3

Verantwoordelijkheid voor de diergezondheid



Afdeling 1

Exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren

Artikel 10

Verantwoordelijkheid voor de diergezondheid en voor biobeveiligingsmaatregelen

1.  Exploitanten:

a) zijn, wat betreft gehouden dieren en producten die onder hun verantwoordelijkheid vallen, verantwoordelijk voor:

i) de gezondheid van de gehouden dieren;

ii) het zorgvuldig en verantwoord gebruik van diergeneesmiddelen, onverminderd de rol en verantwoordelijkheid van dierenartsen;

iii) het zoveel mogelijk beperken van het risico op verspreiding van de ziekten;

iv) goede dierhouderij;

b) nemen, waar passend, ten aanzien van gehouden dieren en producten die onder hun verantwoordelijkheid vallen biobeveiligingsmaatregelen, afhankelijk van:

i) de soorten en categorieën gehouden dieren en producten;

ii) het soort productie; en

iii) het betrokken risico, met inachtneming van:

 de geografische ligging en de klimatologische omstandigheden; en

 de lokale omstandigheden en praktijken;

c) nemen, naargelang het geval, maatregelen betreffende wilde dieren.

2.  Personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden, nemen maatregelen om het risico op de verspreiding van ziekten in het kader van hun beroepsmatige bezigheden met dieren en producten tot een minimum te beperken.

3.  Lid 1, onder a), is ook van toepassing op houders van gezelschapsdieren.

4.  De in lid 1, onder b), bedoelde biobeveiligingsmaatregelen worden, naargelang het geval, uitgevoerd door middel van:

a) fysieke beschermingsmaatregelen, waaronder:

i) insluiten, omheinen, overdekken, van netten voorzien, naargelang het geval;

ii) schoonmaak, desinfectie en bestrijding van insecten en knaagdieren;

iii) in het geval van waterdieren, aquacultuurdieren, naargelang het geval:

 maatregelen betreffende de watervoorziening en afvoer;

 natuurlijke of kunstmatige barrières tegen omliggende waterlopen die verhinderen dat waterdieren de betrokken inrichting binnenkomen of verlaten, met inbegrip van maatregelen tegen overstroming of infiltratie van water uit omliggende waterlopen;

b) beheersmaatregelen, waaronder eventueel:

i) procedures voor het betreden en verlaten van inrichtingen voor dieren, producten, voertuigen en personen;

ii) procedures voor het gebruik van uitrusting;

iii) voorwaarden voor verplaatsing, op basis van de betrokken risico's;

iv) voorwaarden voor het binnenbrengen van dieren of producten in de inrichting;

v) quarantaine, het isoleren of scheiden van nieuwe of zieke dieren;

vi) een systeem voor veilige verwijdering van dode dieren en andere dierlijke bijproducten.

5.  Exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren werken samen met de bevoegde autoriteit en de dierenartsen bij de toepassing van de maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten waarin deze verordening voorziet.

6.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen minimumvoorschriften vaststellen die nodig zijn voor de uniforme toepassing van dit artikel.

Dergelijke uitvoeringshandelingen corresponderen met de in lid 1, onder b), bedoelde elementen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 11

Kennis van diergezondheid

1.  Exploitanten en personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden beschikken over voldoende kennis van:

a) dierziekten, met inbegrip van die welke op de mens kunnen worden overgedragen;

b) beginselen van biobeveiliging;

c) de interactie tussen diergezondheid, dierenwelzijn en gezondheid van de mens;

d) goede dierhouderijpraktijk voor de dieren onder hun hoede;

e) behandelingsresistentie, waaronder antimicrobiële resistentie, en de gevolgen daarvan.

2.  De overeenkomstig lid 1 vereiste kennis en de omvang daarvan zijn afhankelijk van:

a) de soorten en categorieën gehouden dieren of producten waarvoor de exploitanten en personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden verantwoordelijkheid dragen en de aard van hun beroepsmatige bezigheden in verband met die dieren of producten;

b) het soort productie;

c) de taken die worden verricht.

3.  De in lid 1 bedoelde kennis wordt verworven op een van de volgende manieren:

a) door beroepservaring of -opleiding;

b) door bestaande programma's in de landbouw- of de aquacultuursector die relevant zijn voor de diergezondheid;

c) door formeel onderwijs;

d) door ervaring of opleiding die hetzelfde kennisniveau als bedoeld onder a), b) of c) oplevert.

4.  Exploitanten die toekomstige gezelschapsdieren verkopen of op een andere wijze de eigendom ervan overdragen, verstrekken de toekomstige houder van het gezelschapsdier de basisinformatie over de in lid 1 genoemde aangelegenheden, voor zover die voor het betrokken gezelschapsdier relevant zijn.



Afdeling 2

Dierenartsen en gezondheidswerkers voor waterdieren

Artikel 12

Verantwoordelijkheid van dierenartsen en gezondheidswerkers voor waterdieren

1.  Tijdens hun activiteiten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, verrichten dierenartsen de volgende handelingen:

a) zij nemen alle dienstige maatregelen om de insleep, de ontwikkeling en de verspreiding van ziekten te beletten;

b) zij nemen maatregelen om te zorgen voor de vroegtijdige opsporing van ziekten door het stellen van precieze en differentiële diagnosen teneinde de aanwezigheid van een ziekte uit te sluiten of te bevestigen;

c) zij spelen een actieve rol bij:

i) het vergroten van de waakzaamheid inzake diergezondheid en inzake de interactie tussen diergezondheid, dierenwelzijn en gezondheid van de mens;

ii) ziektepreventie;

iii) de vroegtijdige opsporing van en een snelle reactie op ziekten;

iv) het vergroten van de waakzaamheid inzake behandelingsresistentie, waaronder antimicrobiële resistentie, en de gevolgen daarvan;

d) zij werken samen met de bevoegde autoriteit, exploitanten, personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden en houders van gezelschapsdieren, bij de uitvoering van de in deze verordening bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten.

2.  Gezondheidswerkers voor waterdieren kunnen ten aanzien van waterdieren activiteiten verrichten die bij deze verordening aan dierenartsen worden toegewezen indien zij daartoe naar nationaal recht gemachtigd zijn door de betrokken lidstaat. In dat geval is lid 1 op hen van toepassing.

3.  Dierenartsen en personen die zich beroepsmatig met de gezondheid van waterdieren bezighouden houden hun beroepsvaardigheden met betrekking tot activiteiten die onder deze verordening vallen op peil en ontwikkelen die verder.



Afdeling 3

Lidstaten

Artikel 13

Verantwoordelijkheid van de lidstaten

1.  Om te garanderen dat de voor diergezondheid bevoegde autoriteit de noodzakelijke en dienstige maatregelen kan nemen en de activiteiten kan uitvoeren die op grond van deze verordening zijn vereist, zorgt elke lidstaat op het passende administratieve niveau ervoor dat de bevoegde autoriteit:

a) beschikt over gekwalificeerd personeel, voorzieningen, uitrusting, financiële middelen en een doeltreffende organisatie die het hele grondgebied van de lidstaat bestrijkt;

b) toegang heeft tot laboratoria met gekwalificeerd personeel, voorzieningen, uitrusting en financiële middelen die een snelle en juiste diagnose en differentiële diagnose van in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten garanderen;

c) beschikt over voldoende geschoolde dierenartsen voor de in artikel 12 bedoelde activiteiten.

2.  De lidstaten zetten de exploitanten en personen die zich beroepsmatig met dieren bezighouden ertoe aan voldoende kennis van diergezondheid als bedoeld in artikel 11 te verwerven, te onderhouden en te ontwikkelen via ter zake dienende programma's in de landbouw- of aquacultuursector of via formeel onderwijs.

Artikel 14

Delegatie van officiële activiteiten door de bevoegde autoriteit

1.  De bevoegde autoriteit kan aan andere dan officiële dierenartsen één of meer van de volgende activiteiten delegeren:

a) de praktische toepassing van de maatregelen in het kader van de uitroeiingsprogramma's, bedoeld in artikel 32;

b) ondersteuning van de bevoegde autoriteit bij het uitvoeren van de in artikel 26 bedoelde bewaking of in het kader van de in artikel 28 bedoelde bewakingsprogramma's;

c) activiteiten met betrekking tot:

i) de in deel III bedoelde waakzaamheid, paraatheid en bestrijding, inzake:

 bemonsteringsactiviteiten en de uitvoering van onderzoeken en epidemiologische onderzoeken in het kader van artikel 54, artikel 55, lid 1, onder b) tot en met g), en de artikelen 57, 73, 74, 79 en 80 in geval van de vermoedelijke aanwezigheid van een ziekte, en krachtens deze artikelen vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen;

 de uitvoering van activiteiten met betrekking tot ziektebestrijdingsmaatregelen in geval van een uitbraak van een ziekte, ►C1  wat betreft de activiteiten die worden genoemd in artikel 61, artikel 65, lid 1, onder a), b), e) en f) en onder i), artikel 70, lid 1, de artikelen 79, 80, 81, en 82, en ◄ krachtens deze artikelen vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen;

 de uitvoering van noodvaccinatie overeenkomstig artikel 69;

ii) de in deel IV bedoelde registratie, erkenning, traceerbaarheid en verplaatsingen;

iii) de afgifte en invulling van de identificatiedocumenten voor gezelschapsdieren zoals bedoeld in artikel 247, onder c), artikel 248, lid 2, onder c), artikel 249, lid 1, onder c), en artikel 250, lid 2, onder c);

iv) de toepassing en het gebruik van identificatiemiddelen bedoeld in artikel 252, lid 1, onder a), ii).

2.  De lidstaten kunnen natuurlijke of rechtspersonen machtigen activiteiten als bedoeld in lid 1, onder a) en b), en lid 1, onder c), i), ii) en iv), uit te voeren voor nader bepaalde taken waarvoor die personen over voldoende specifieke kennis beschikken. In dat geval zijn het bepaalde in lid 1 van dit artikel en de in artikel 12 vastgestelde verantwoordelijkheden op die personen van toepassing.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot andere dan de in lid 1 bedoelde activiteiten die aan dierenartsen kunnen worden gedelegeerd, en, in voorkomend geval, met betrekking tot de noodzakelijke omstandigheden en voorwaarden voor een dergelijke delegatie.

Bij de vaststelling van die gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de aard van die activiteiten en met de desbetreffende internationale normen.

Artikel 15

Informatie voor het publiek

Wanneer op redelijke gronden kan worden vermoed dat dieren of producten die afkomstig zijn vanuit de Unie of de Unie zijn binnengekomen een risico inhouden, neemt de bevoegde autoriteit de nodige stappen om het publiek te informeren over de aard van het risico en de maatregelen die zijn genomen of zullen worden genomen om dat risico te voorkomen of te beheersen, gelet op de aard, de ernst en de omvang van dat risico en het belang van het publiek om te worden geïnformeerd.



Afdeling 4

Laboratoria, voorzieningen en andere natuurlijke en rechtspersonen die werken met ziekteverwekkers, vaccins en andere biologische producten

Artikel 16

Verplichtingen van laboratoria, voorzieningen en anderen die werken met ziekteverwekkers, vaccins en andere biologische producten

1.  Laboratoria, voorzieningen en andere natuurlijke of rechtspersonen die met het oog op onderzoek, onderwijs, diagnosticering of de productie van vaccins en andere biologische producten werken met ziekteverwekkers gaan, rekening houdend met alle toepasselijke internationale normen, als volgt te werk:

a) zij nemen passende biobeveiligings-, bioveiligheids- en biologische-inperkingsmaatregelen om te voorkomen dat de ziekteverwekkers ontsnappen en vervolgens in contact komen met dieren buiten het laboratorium of de andere voorziening waar voor deze doeleinden wordt gewerkt met ziekteverwekkers;

b) zij zorgen ervoor dat de verplaatsing van ziekteverwekkers, vaccins en andere biologische producten tussen laboratoria of andere voorzieningen geen risico inhoudt op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de veiligheidsmaatregelen voor de preventie en bestrijding van in de lijst opgenomen en nieuwe ziekten met betrekking tot laboratoria, voorzieningen en andere natuurlijke of rechtspersonen die werken met ziekteverwekkers, vaccins en andere biologische producten wat betreft:

a) biobeveiligings-, bioveiligheids- en biologische-inperkingsmaatregelen;

b) verplaatsingsvoorschriften voor ziekteverwekkers, vaccins en andere biologische producten.

Artikel 17

Laboratoria voor diergezondheid

1.  Officiële laboratoria voor diergezondheid, zijnde onder meer referentielaboratoria van de Unie, nationale referentielaboratoria en officiële laboratoria voor diergezondheid, moeten bij het vervullen van hun taken en verantwoordelijkheden samenwerken binnen een netwerk van Unielaboratoria voor diergezondheid.

2.  De in lid 1 bedoelde laboratoria werken samen onder coördinatie van de referentielaboratoria van de Unie, om ervoor te zorgen dat de bewaking, melding en rapportage van ziekten, uitroeiingsprogramma's en de omschrijving van een ziektevrije status, de verplaatsingen van dieren en producten binnen de Unie, hun binnenkomst in de Unie en de uitvoer naar derde landen of gebieden, als bedoeld in deze verordening, gebaseerd zijn op de meest geavanceerde, solide en betrouwbare laboratoriumanalysen, -tests en -diagnosen.

3.  Op de resultaten en verslagen van de officiële laboratoria zijn de beginselen vertrouwelijkheid en beroepsgeheim van toepassing en geldt de verplichting tot kennisgeving aan de bevoegde instantie die hen heeft aangewezen, onafhankelijk van de natuurlijke of rechtspersoon die om de laboratoriumanalysen, -tests of -diagnosen heeft verzocht.

4.  In het geval dat een officieel laboratorium in een lidstaat diagnostische analysen verricht op monsters van dieren uit een andere lidstaat, stelt dat officiële laboratorium de bevoegde autoriteit van de lidstaat waaruit het monster afkomstig is daarvan als volgt in kennis:

a) onmiddellijk indien uit de resultaten blijkt dat een in de lijst opgenomen ziekte, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), vermoedelijk aanwezig is of wordt geconstateerd;

b) onverwijld indien uit de resultaten blijkt dat een andere dan de in artikel 9, lid 1, onder a), in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in artikel 9, lid 1, onder e), vermoedelijk aanwezig is of wordt geconstateerd.



DEEL II

MELDING VAN ZIEKTEN EN RAPPORTAGE, BEWAKING, UITROEIINGSPROGRAMMA'S, ZIEKTEVRIJE STATUS



HOOFDSTUK 1

Melding van ziekten en rapportage

Artikel 18

Melding binnen de lidstaten

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en andere betrokken natuurlijke of rechtspersonen:

a) onmiddellijk bij de bevoegde autoriteit melding doen indien er redenen bestaan om te vermoeden dat een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), bij dieren aanwezig is, of een dergelijke ziekte bij dieren wordt geconstateerd;

b) zo snel als praktisch mogelijk bij de bevoegde autoriteit melding doen indien er redenen bestaan om te vermoeden dat een in een lijst opgenomen ziekte als bedoeld onder artikel 9, lid 1, onder e), anders dan de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), bij dieren aanwezig is, of indien een dergelijke ziekte bij dieren wordt geconstateerd;

c) bij een dierenarts melding doen van abnormale sterftegevallen en andere symptomen van ernstige ziekte of van een sterk verlaagde productie bij dieren met onbekende oorzaak, zodat verder onderzoek kan worden verricht, waaronder bemonstering voor laboratoriumonderzoek indien de situatie dat vereist.

2.  De lidstaten kunnen beslissen dat de in lid 1, onder c), bedoelde meldingen tot de bevoegde autoriteit kunnen worden gericht.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de criteria om uit te maken of sprake is van de in lid 1, onder c), van dit artikel bedoelde omstandigheden die melding vereisen;

b) nadere regels voor het in lid 1, onder c) bedoelde verdere onderzoek.

Artikel 19

Melding in de Unie

1.  De lidstaten melden de Commissie en de andere lidstaten onmiddellijk elke uitbraak van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder e), waarvoor een onmiddellijke melding is vereist om, rekening houdend met het ziekteprofiel, tijdig de nodige risicobeheersmaatregelen te kunnen nemen.

2.  De in lid 1 bedoelde melding bevat de volgende informatie over de uitbraak:

a) de ziekteverwekker en in voorkomend geval het subtype;

b) de relevante datums, in het bijzonder de datums waarop de uitbraak werd vermoed en bevestigd;

c) het soort uitbraak en de plaats van de uitbraak;

d) eventuele daarmee samenhangende uitbraken;

e) de bij de uitbraak betrokken dieren;

f) eventuele ziektebestrijdingsmaatregelen die in verband met de uitbraak zijn getroffen;

g) de mogelijke of bekende oorsprong van de in de lijst opgenomen ziekte;

h) de gehanteerde diagnosemethoden.

Artikel 20

Rapportage in de Unie

1.  De lidstaten rapporteren bij de Commissie en de andere lidstaten informatie over in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder e), waarvoor:

a) geen onmiddellijke uitbraakmelding in de zin van artikel 19, lid 1, is vereist;

b) een onmiddellijke uitbraakmelding in de zin van artikel 19, lid 1, is vereist, maar waarvoor aan de Commissie en de andere lidstaten aanvullende informatie moet worden meegedeeld betreffende:

i) bewaking overeenkomstig de bepalingen van een krachtens artikel 30 vastgestelde uitvoeringshandeling;

ii) een uitroeiingsprogramma overeenkomstig de bepalingen van een krachtens artikel 35 vastgestelde uitvoeringshandeling.

2.  De in lid 1 bedoelde rapporten bevatten informatie over:

a) de opsporing van de in lid 1 bedoelde in de lijst opgenomen ziekten;

b) de bewakingsresultaten indien dat overeenkomstig de krachtens artikel 29, onder d), ii), of artikel 30, lid 1, onder b), ii), vastgestelde bepalingen is vereist;

c) de resultaten van bewakingsprogramma's indien dat overeenkomstig artikel 28, lid 3, en krachtens artikel 29, onder d), ii), of artikel 30, lid 1, onder b), ii), vastgestelde bepalingen is vereist;

d) uitroeiingsprogramma's indien dat overeenkomstig artikel 34 en de bepalingen van een krachtens artikel 35 vastgestelde uitvoeringshandeling is vereist.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot bepalingen ter aanvulling van de voorschriften in lid 2 en betreffende de rapportage over andere aangelegenheden betreffende bewakings- en uitroeiingsprogramma's wanneer dat noodzakelijk is voor een doeltreffende toepassing van de bepalingen van deze verordening inzake preventie en bestrijding van ziekten.

Artikel 21

Meldings- en rapportageregio's

Met het oog op de in artikel 19 en 20 bedoelde melding en rapportage voorzien de lidstaten in meldings- en rapportageregio's.

Artikel 22

Geautomatiseerd informatiesysteem voor ziektemelding en -rapportage in de Unie

De Commissie creëert en beheert een geautomatiseerd informatiesysteem voor de werking van de mechanismen en instrumenten voor het in de artikelen 19, 20 en 21 bedoelde meldings- en rapportagevereiste.

Artikel 23

Uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de melding en rapportage in de Unie en het geautomatiseerd informatiesysteem

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen regels vast voor de meldings- en rapportagevereisten en het geautomatiseerd informatiesysteem, bedoeld in de artikelen 19 tot en met 22, inzake:

a) de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 9, lid 1, onder e), welke onmiddellijk door de lidstaten moeten worden gemeld en waarvoor de nodige maatregelen met betrekking tot de melding moeten worden genomen, in overeenstemming met artikel 19;

b) de informatie die de lidstaten moeten verstrekken bij de in artikel 20 bedoelde rapportage;

c) de procedures voor het creëren en het gebruik van het in artikel 22 bedoelde geautomatiseerd informatiesysteem, en overgangsmaatregelen voor de migratie van de gegevens en de informatie van de bestaande systemen naar het nieuwe, en voor de volledige werking ervan;

d) de opmaak en de structuur van de gegevens die moeten worden ingevoerd in het in artikel 22 bedoelde geautomatiseerd informatiesysteem;

e) de termijnen voor en de frequentie van de in artikel 19 en artikel 20 bedoelde melding en rapportage, welke plaatsvinden op tijdstippen en met frequenties die transparantie en tijdige toepassing van de nodige risicomanagementmaatregelen garanderen, op basis van het ziekteprofiel en het soort uitbraak;

f) het opstellen van een lijst van de in artikel 21 bedoelde meldings- en rapportageregio's.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.



HOOFDSTUK 2

Bewaking

Artikel 24

Bewakingsplicht van de exploitanten

Teneinde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten op te sporen,

a) observeren de exploitanten de gezondheid en het gedrag van de dieren waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen;

b) gaan zij na of zich in de normale productieparameters van de inrichtingen, dieren of levende producten waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen, veranderingen voordoen die het vermoeden kunnen wekken dat zij worden veroorzaakt door een in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte;

c) houden zij in het oog of zich bij dieren waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen, abnormale sterftegevallen of andere symptomen van ernstige ziekte voordoen.

Artikel 25

Diergezondheidsinspecties

1.  Exploitanten zorgen ervoor dat in de inrichtingen waarvoor zij verantwoordelijk zijn een dierenarts diergezondheidsinspecties uitvoert wanneer dat wegens de aan de desbetreffende inrichting verbonden risico's verantwoord is, rekening houdend met:

a) het soort inrichting;

b) de soorten en categorieën gehouden dieren in de inrichting;

c) de epidemiologische situatie in de zone of regio met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten waarvoor de dieren in de inrichting gevoelig zijn;

d) elke andere relevante bewaking of officiële controles waaraan de gehouden dieren en het soort inrichting onderworpen zijn.

Dergelijke diergezondheidsinspecties worden verricht met een frequentie die in verhouding staat tot de aan de desbetreffende inrichting verbonden risico's.

Zij kunnen worden gecombineerd met andere inspecties.

2.  De in lid 1 bedoelde diergezondheidsinspecties worden verricht met het oogmerk ziekten te voorkomen, in het bijzonder door:

a) het verstrekken aan de betrokken exploitant van advies over biobeveiliging en andere diergezondheidskwesties, voor zover dat relevant is voor het soort inrichting en de soorten en categorieën gehouden dieren in de inrichting;

b) het opsporen van en verstrekken van informatie over mogelijke aanwijzingen voor in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten.

3.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen minimumvoorschriften vaststellen die noodzakelijk zijn voor de uniforme toepassing van dit artikel.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 26

Bewakingsplicht van de bevoegde autoriteit

1.  De bevoegde autoriteit verricht bewaking ter opsporing van de aanwezigheid van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder e), en van relevante nieuwe ziekten.

2.  De bewaking wordt aldus opgezet dat de aanwezigheid van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder e), en van nieuwe ziekten tijdig wordt opgespoord door het inwinnen, vergelijken en analyseren van relevante informatie betreffende de ziektesituatie.

3  De bevoegde autoriteit maakt, indien mogelijk en passend, gebruik van de resultaten van de bewaking door de exploitanten en van de informatie die via diergezondheidsinspecties is verkregen, overeenkomstig artikel 24 respectievelijk 25.

4  De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de bewaking voldoet aan de voorschriften van artikel 27 en in alle krachtens artikel 29, onder a), vastgestelde regels.

5.  De bevoegde autoriteit ziet erop toe dat de via in lid 1 bedoelde bewaking verkregen gegevens doeltreffend en efficiënt worden ingewonnen en verwerkt.

Artikel 27

Methodiek, frequentie en intensiteit van de bewaking

De opzet, de middelen, de diagnosemethoden, de frequentie, de intensiteit, de betrokken dierpopulatie en de bemonsteringspatronen van de in artikel 26, bedoelde bewaking zijn dienstig voor en evenredig met de doelstellingen van de bewaking, rekening houdend met:

a) het ziekteprofiel;

b) de betrokken risicofactoren;

c) de gezondheidsstatus in:

i) de lidstaat, de zone of het compartiment daarvan dat aan bewaking onderworpen is;

ii) de lidstaten en derde landen of gebieden die grenzen aan die lidstaat, die zone of dat compartiment of waaruit dieren en producten er binnenkomen;

d) de door exploitanten overeenkomstig artikel 24 verrichte bewaking, met inbegrip van diergezondheidsinspecties als bedoeld in artikel 25, of door andere overheidsinstellingen.

Artikel 28

Bewakingsprogramma's van de Unie

1.  De bevoegde autoriteit verricht de in artikel 26, lid 1, bedoelde bewaking in het kader van een bewakingsprogramma, indien de ziekte voor de Unie relevant is overeenkomstig artikel 29, onder c).

2.  Lidstaten die een bewakingsprogramma in de zin van lid 1 opstellen, leggen dat voor aan de Commissie.

3.  Lidstaten die uitvoering geven aan een bewakingsprogramma in de zin van lid 1, leggen aan de Commissie regelmatig verslagen voor over de resultaten van de uitvoering van dat bewakingsprogramma.

Artikel 29

Bevoegdheidsdelegatie

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de opzet, de middelen, de diagnosemethoden, de frequentie, de intensiteit, de betrokken dierpopulatie en de bemonsteringspatronen van de in artikel 27 bedoelde bewaking;

b) de criteria voor de officiële bevestiging en casusdefinities van in artikel 9, lid 1, onder e), bedoelde in de lijst opgenomen ziekten en, in voorkomend geval, van nieuwe ziekten;

c) de criteria die worden gebruikt om de relevantie te bepalen van een ziekte die voor de toepassing van artikel 30, lid 1, onder a), aan een desbetreffend bewakingsprogramma voor de Unie moet worden onderworpen, rekening houdend met het ziekteprofiel en de betrokken risicofactoren;

d) de voorschriften voor de in artikel 28, lid 1, bedoelde bewakingsprogramma's inzake:

i) de inhoud van de bewakingsprogramma's;

ii) de informatie die moet worden verstrekt bij de indiening van bewakingsprogramma's overeenkomstig artikel 28, lid 2, en van de overeenkomstig artikel 28, lid 3, regelmatig in te dienen verslagen;

iii) de tijd gedurende welke bewakingsprogramma's worden toegepast.

Artikel 30

Uitvoeringsbevoegdheden

1.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen voorschriften vast met betrekking tot bewaking en bewakingsprogramma's, als bedoeld in de artikelen 26 en 28 en in de krachtens artikel 29 vastgestelde regels, wat betreft:

a) de vaststelling voor welke van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder e), bewakingsprogramma's overeenkomstig artikel 28 moeten gelden, met inbegrip van het geografisch toepassingsgebied van dergelijke programma's;

b) de vorm en de procedure om:

i) die bewakingsprogramma's ter informatie in te dienen bij de Commissie en andere lidstaten;

ii) aan de Commissie rapport uit te brengen over de resultaten van de bewaking.

2.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de criteria vaststellen voor de evaluatie van de in artikel 28 bedoelde bewakingsprogramma's.

3.  De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 3

Uitroeiingsprogramma's

Artikel 31

Verplichte en optionele uitroeiingsprogramma's

1.  Lidstaten die voor hun gehele grondgebied of zones of compartimenten daarvan niet vrij zijn, of waarvan niet bekend is of zij vrij zijn, van één of meer van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b):

a) stellen een programma op om die in de lijst opgenomen ziekte uit te roeien of om aan te tonen dat zij vrij zijn van die ziekte, dat moet worden uitgevoerd in de dierpopulaties die met die ziekte te maken hebben en dat de relevante delen van hun grondgebied of de relevante zones of compartimenten daarvan bestrijkt („verplicht uitroeiingsprogramma”); dit programma is van toepassing totdat is voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van de ziektevrije status aan het betrokken grondgebied van de lidstaat of aan een betrokken zone, als bedoeld in artikel 36, lid 1, of van een compartiment als bedoeld in artikel 37, lid 2;

b) leggen het ontwerp van het verplichte uitroeiingsprogramma ter goedkeuring voor aan de Commissie.

2.  Lidstaten die niet vrij zijn, of waarvan niet bekend of zij vrij zijn, van één of meer van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder c), en die besluiten om een programma voor de uitroeiing van die in de lijst opgenomen ziekte op te stellen dat moet worden uitgevoerd in de dierpopulaties die met de betrokken ziekte te maken hebben en dat de relevante delen van hun grondgebied of zones of compartimenten daarvan bestrijkt („optionele uitroeiingsprogramma”) en waarvoor de betrokken lidstaat vraagt om erkenning binnen de Unie van diergezondheidswaarborgen voor die ziekte met betrekking tot verplaatsingen van dieren of producten, leggen een ontwerp van dat programma ter goedkeuring voor aan de Commissie.

Een dergelijk optioneel uitroeiingsprogramma is van toepassing totdat:

a) de voorwaarden voor het verlenen van de ziektevrije status van het betrokken grondgebied van de lidstaat of van de betrokken zone als bedoeld in artikel 36, lid 1, of van een compartiment als bedoeld in artikel 37, lid 2, zijn vervuld; of

b) wordt vastgesteld dat de voorwaarden voor het verlenen van de ziektevrije status niet kunnen worden vervuld en het programma niet langer aan zijn doel beantwoordt; of

c) de betrokken lidstaat het programma intrekt.

3.  De Commissie verleent door middel van uitvoeringshandelingen goedkeuring voor:

a) ontwerpen van verplichte uitroeiingsprogramma's die haar overeenkomstig lid 1 ter goedkeuring zijn voorgelegd;

b) ontwerpen van optionele uitroeiingsprogramma's die haar overeenkomstig lid 2 ter goedkeuring zijn voorgelegd,

indien aan de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden is voldaan.

Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een in de lijst opgenomen ziekte die een risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, stelt de Commissie volgens de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen als bedoeld in lid 3, onder a), van dit artikel vast.

De Commissie kan om naar behoren gemotiveerde redenen door middel van uitvoeringshandelingen een door de betrokken lidstaat voorgestelde wijziging goedkeuren, of de goedkeuring van overeenkomstig lid 3, onder a) en b), van dit artikel goedgekeurde uitroeiingsprogramma's intrekken. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) de ziektebestrijdingsstrategieën, de tussentijdse en einddoelstellingen voor specifieke ziekten en de uitvoeringstermijn van uitroeiingsprogramma's;

b) afwijkingen van de in lid 1, onder b), van dit artikel en lid 2 daarvan bedoelde verplichting om uitroeiingsprogramma's ter goedkeuring in te dienen, wanneer die goedkeuring niet nodig is omdat met betrekking tot die programma's bepalingen zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 32, lid 2, en artikel 35;

c) de informatie die de lidstaten aan de Commissie en aan de andere lidstaten moeten verstrekken over de in dit lid, onder b), bedoelde afwijkingen van het vereiste van goedkeuring van uitroeiingsprogramma's.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de krachtens dit lid, onder b), vastgestelde bepalingen te wijzigen of in te trekken.

Artikel 32

Maatregelen in het kader van de verplichte en optionele uitroeiingsprogramma's

1.  Uitroeiingsprogramma's omvatten ten minste de volgende maatregelen:

a) ziektebestrijdingsmaatregelen om de ziekteverwekker uit te roeien in inrichtingen, compartimenten en zones waar een ziekte voorkomt en om herinfectie te voorkomen;

b) bewaking die moet worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 26 tot en met 30, ten bewijze van:

i) de doeltreffendheid van de onder a) bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen;

ii) het vrij zijn van de in de lijst opgenomen ziekte;

c) ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen indien de bewakingsresultaten bewakingpositief zijn.

2.  De Commissie stelt, met het oog op de doeltreffendheid van de uitroeiingsprogramma's, overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de volgende elementen:

a) de in lid 1, onder a), bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen;

b) ziektebestrijdingsmaatregelen om te voorkomen dat de betrokken dierpopulatie opnieuw met de betrokken ziekte wordt besmet in inrichtingen, zones en compartimenten;

c) de opzet, de middelen, de diagnosemethoden, de frequentie, de intensiteit, de betrokken dierpopulatie en de bemonsteringspatronen van de bewaking;

d) de in lid 1, onder c), bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen in geval van positieve bewakingsresultaten voor de in de lijst opgenomen ziekte;

e) criteria voor vaccinatie, indien dit voor de betreffende ziekte of soort relevant en dienstig is.

Artikel 33

Inhoud van de voor goedkeuring bij de Commissie in te dienen verplichte en optionele uitroeiingsprogramma's

Wanneer de lidstaten overeenkomstig artikel 31, leden 1 en 2, verplichte of optionele uitroeiingsprogramma's ter goedkeuring aan de Commissie voorleggen, nemen zij daarin de volgende informatie op:

a) een beschrijving van de epidemiologische situatie van de in de lijst opgenomen ziekte waarop het betrokken verplichte of optionele uitroeiingsprogramma betrekking heeft;

b) een beschrijving en afbakening van het geografische en bestuurlijke gebied of het compartiment waarop het uitroeiingsprogramma betrekking heeft;

c) een beschrijving van de ziektebestrijdingsmaatregelen in het uitroeiingsprogramma, bedoeld in artikel 32, lid 1, en in de krachtens artikel 32, lid 2, vastgestelde regels;

d) een beschrijving van de organisatie van, het toezicht op en de rol van de betrokken partijen in het uitroeiingsprogramma;

e) de geschatte looptijd van het uitroeiingsprogramma;

f) de tussentijdse doelstellingen en de ziektebestrijdingsstrategieën ter uitvoering van het uitroeiingsprogramma.

Artikel 34

Rapportage

De lidstaten die een uitroeiingsprogramma uitvoeren, verstrekken de Commissie:

a) verslagen die de Commissie in staat stellen het bereiken van de in artikel 33, onder f), bedoelde tussentijdse doelstellingen van de lopende uitroeiingsprogramma's te monitoren;

b) een eindverslag na afloop van het betreffende uitroeiingsprogramma.

Artikel 35

Uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen regels vast met betrekking tot de voorschriften voor de informatie, vorm en procedure als bedoeld in de artikelen 31 tot en met 34 wat betreft:

a) het ter goedkeuring indienen van ontwerpen van verplichte en optionele uitroeiingsprogramma's;

b) prestatie-indicatoren;

c) de rapportage aan de Commissie en aan andere lidstaten over de resultaten van de uitvoering van verplichte of optionele uitroeiingsprogramma's.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 4

Ziektevrije status

Artikel 36

Ziektevrije lidstaten en zones

1.  Een lidstaat kan de Commissie verzoeken om zijn gehele grondgebied of één of meer zones daarvan voor één of meer van de betrokken diersoorten vrij te verklaren van één of meer van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) en c), mits aan één of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) op het gehele grondgebied van de betrokken lidstaat of in de desbetreffende zone(s) waarop het verzoek betrekking heeft, komt geen enkele diersoort voor die is opgenomen in de lijst voor de ziekte waarop het verzoek voor het verkrijgen van de ziektevrije status betrekking heeft;

b) van de ziekteverwekker is bekend dat hij op het gehele grondgebied van de lidstaat, of in de desbetreffende zone(s) waarop het verzoek betrekking heeft, niet kan overleven, overeenkomstig de in artikel 39, onder a), ii), bedoelde criteria;

c) in het geval van in de lijst opgenomen ziekten die enkel door vectoren worden overgedragen, komt op het gehele grondgebied van de lidstaat of in de desbetreffende zone(s) waarop het verzoek betrekking heeft geen van de vectoren voor of is bekend dat die daar niet kunnen overleven, overeenkomstig de in artikel 39, onder a), ii), bedoelde criteria;

d) het vrij zijn van de in de lijst opgenomen ziekte is aangetoond door middel van:

i) een uitroeiingsprogramma dat voldoet aan de regels van artikel 32, lid 1, en van krachtens lid 2 van dat artikel vastgestelde regels; of

ii) historische gegevens en bewakingsgegevens.

2.  Verzoeken van lidstaten voor het verkrijgen van de ziektevrije status bevatten bewijsmateriaal waaruit blijkt dat aan de in lid 1 gestelde voorwaarden voor het verkrijgen van de ziektevrije status is voldaan.

3.  Een lidstaat kan in bepaalde specifieke gevallen de Commissie verzoeken om voor één of meer van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), zijn gehele grondgebied of één of meer zones daarvan ziektevrije te verklaren, of in het bijzonder daarvoor de non-vaccinatiestatus goed te keuren, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) het vrij zijn van de in de lijst opgenomen ziekte is aangetoond door middel van:

i) een uitroeiingsprogramma dat voldoet aan de regels van artikel 32, lid 1, en van krachtens lid 2 van dat artikel vastgestelde regels; of

ii) historische gegevens en bewakingsgegevens;

b) er is aangetoond dat vaccinatie tegen de ziekte tot meer kosten zou leiden dan het handhaven van de ziektevrije status zonder vaccinatie.

4.  Wanneer aan de in de leden 1 en 2, en in voorkomend geval lid 3, bedoelde voorwaarden is voldaan, willigt de Commissie, na zo nodig wijzigingen te hebben aangebracht, door middel van uitvoeringshandelingen de verzoeken van lidstaten voor het verkrijgen van de ziektevrije of non-vaccinatiestatus in.

Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 37

Compartimenten

1.  Een lidstaat kan de Commissie verzoeken om voor in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), de ziektevrije status van compartimenten te erkennen, en de ziektevrije status van een dergelijk compartiment te beschermen in geval van uitbraken van één of meer van die in de lijst opgenomen ziekten op zijn grondgebied, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de insleep van de in de lijst opgenomen ziekte of ziekten waarop het verzoek betrekking heeft, kan, rekening houdend met het ziekteprofiel, op het niveau van het compartiment doeltreffend worden voorkomen;

b) het compartiment waarop het verzoek betrekking heeft, is onderworpen aan één gemeenschappelijk biobeveiligingsbeheerssysteem dat is ontworpen om de ziektevrije status van alle daarvan deel uitmakende inrichtingen te garanderen; en

c) het compartiment waarop het verzoek betrekking heeft, is door de bevoegde autoriteit erkend voor verplaatsingen van dieren en producten daarvan overeenkomstig:

i) de artikelen 99 en 100 voor compartimenten waar landdieren en producten daarvan worden gehouden;

ii) de artikelen 183 en 184 voor compartimenten waar aquacultuurdieren en producten daarvan worden gehouden.

2.  Een lidstaat kan de Commissie verzoeken om voor één of meer in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) en c), de ziektevrije status van compartimenten te erkennen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de insleep van de in de lijst opgenomen ziekte of ziekten waarop het verzoek betrekking heeft, kan, rekening houdend met het ziekteprofiel, op het niveau van het compartiment doeltreffend worden voorkomen;

b) er is voldaan aan één of meer van de volgende voorwaarden:

i) de in artikel 36, lid 1, neergelegde voorwaarden zijn vervuld;

ii) de inrichtingen van het compartiment waarop het verzoek betrekking heeft, hebben hun activiteiten aangevat of hervat en hebben een gemeenschappelijk biobeveiligingsbeheerssysteem opgezet dat is ontworpen om te garanderen dat dat compartiment ziektevrij is;

c) het compartiment waarop het verzoek betrekking heeft, is onderworpen aan één gemeenschappelijk biobeveiligingsbeheerssysteem dat is ontworpen ter waarborging van de ziektevrije status van alle daarvan deel uitmakende inrichtingen; en

d) het compartiment waarop het verzoek betrekking heeft, is door de bevoegde autoriteit erkend voor verplaatsingen van dieren en producten daarvan overeenkomstig:

i) de artikelen 99 en 100 voor compartimenten waar landdieren en producten daarvan worden gehouden;

ii) de artikelen 183 en 184 voor compartimenten waar aquacultuurdieren en producten daarvan worden gehouden.

3.  Verzoeken van lidstaten voor de erkenning van de ziektevrije status van compartimenten overeenkomstig de leden 1 en 2 bevatten bewijsmateriaal waaruit blijkt dat aan de in die leden gestelde voorwaarden is voldaan.

4.  De Commissie:

a) erkent, door middel van uitvoeringshandelingen, indien aan de in lid 1 of lid 2 en in lid 3 gestelde voorwaarden is voldaan en na, zo nodig, wijzigingen te hebben aangebracht, de ziektevrije status van compartimenten;

b) bepaalt, door middel van uitvoeringshandelingen, voor welke van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), b) en c), ziektevrije compartimenten mogen worden ingesteld.

Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende bepalingen ter aanvulling van de bepalingen van dit artikel betreffende:

a) de voorschriften voor de erkenning van de ziektevrije status van compartimenten, bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel, op basis van het profiel van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), b) en c), betreffende ten minste:

i) bewakingsresultaten en ander bewijsmateriaal ter staving van het ziektevrij zijn;

ii) biobeveiligingsmaatregelen;

b) de nadere regels voor de erkenning van de ziektevrije status van compartimenten door de bevoegde autoriteit, als bedoeld in de leden 1 en 2; en

c) regels betreffende compartimenten die zich op het grondgebied van meer dan één lidstaat bevinden.

Artikel 38

Lijst van ziektevrije lidstaten, zones of compartimenten

Elke lidstaat maakt en handhaaft een actuele lijst van zijn grondgebied of zones met ziektevrije status als bedoeld in artikel 36, leden 1 en 3, en zijn compartimenten met ziektevrije status als bedoeld in artikel 37, leden 1 en 2, naargelang het geval.

De lidstaten maken die lijsten openbaar. De Commissie helpt de lidstaten bij het ter beschikking van het publiek stellen van de in deze lijsten vervatte informatie, door op haar internetpagina de links naar de internetinformatiepagina's van de lidstaten op te nemen.

Artikel 39

Bevoegdheidsdelegatie inzake de ziektevrije status van lidstaten en zones

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) nadere regels inzake de ziektevrije status van lidstaten en zones daarvan, op basis van de verschillende ziekteprofielen, met betrekking tot:

i) de criteria die moeten worden gehanteerd ter staving van beweringen van lidstaten dat geen in de lijst opgenomen soorten voorkomen of kunnen overleven op hun grondgebied, en het bewijsmateriaal dat ter staving van dergelijke beweringen is vereist, als bedoeld in artikel 36, lid 1, onder a);

ii) de criteria die moeten worden gehanteerd en het bewijsmateriaal dat is vereist ter staving van dat een ziekteverwekker of ziektevector niet kan overleven, als bedoeld in artikel 36, lid 1, onder b) en c);

iii) de criteria die moeten worden gehanteerd en de voorwaarden die moeten worden toegepast om het vrij zijn van de desbetreffende ziekte te bepalen, als bedoeld in artikel 36, lid 1, onder d);

iv) bewakingsresultaten en ander bewijsmateriaal ter staving van het ziektevrij zijn;

v) biobeveiligingsmaatregelen;

vi) beperkingen van en voorwaarden voor vaccinatie in ziektevrije lidstaten en zones daarvan;

vii) de instelling van zones tussen de ziektevrije zones of zones waar een uitroeiingsprogramma van toepassing is, en de beperkingszones („bufferzones”);

viii) zones die zich bevinden in het grondgebied van meer dan één lidstaat;

b) afwijkingen van het in artikel 36, lid 1, vastgelegde vereiste dat de Commissie voor één of meer in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) en c), de ziektevrije status erkent wanneer die erkenning niet nodig is omdat voor het ziektevrij zijn nadere bepalingen zijn vastgesteld in krachtens punt a) van dit artikel vastgestelde regels;

c) de informatie die de lidstaten aan de Commissie en aan de andere lidstaten moeten verstrekken ter staving van verklaringen betreffende de ziektevrije status, zonder dat overeenkomstig artikel 36, lid 4, een uitvoeringshandeling is vastgesteld, zoals bepaald in punt b) van dit artikel.

Artikel 40

Uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen nadere voorschriften vast inzake de informatie die de lidstaten aan de Commissie en aan de andere lidstaten moeten verstrekken ter staving van verklaringen betreffende de ziektevrije status van grondgebieden, zones en compartimenten in overeenstemming met de artikelen 36 tot en met 39, en de vorm van en de procedures voor:

a) verzoeken om erkenning van de ziektevrije status voor het gehele grondgebied van de betrokken lidstaat of voor zones of compartimenten daarvan;

b) de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie over ziektevrije lidstaten of zones en compartimenten daarvan.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 41

Handhaving van de ziektevrije status

1.  De lidstaten handhaven de ziektevrije status van hun grondgebied of van zones of compartimenten daarvan slechts zolang is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a) aan de in artikel 36, lid 1, artikel 37, leden 1 en 2, gestelde voorwaarden voor het verkrijgen van de ziektevrije status en aan de krachtens lid 3 van dit artikel en artikel 39 vastgestelde regels is blijvend voldaan;

b) er wordt met inachtneming van de voorschriften van artikel 27, bewaking verricht om te controleren dat het betrokken grondgebied, de betrokken zone of het betrokken compartiment vrij blijft van de in de lijst opgenomen ziekte waarvoor de ziektevrije status was goedgekeurd of erkend;

c) overeenkomstig de regels in de delen IV en V gelden beperkingen op verplaatsingen naar het betrokken grondgebied, de betrokken zone of het betrokken compartiment van dieren, en in voorkomend geval van daarvan afgeleide producten, van soorten die in de lijst zijn opgenomen voor de in de lijst opgenomen ziekte waarvoor de ziektevrije status was goedgekeurd of erkend;

d) er worden andere biobeveiligingsmaatregelen toegepast om de insleep te voorkomen van de in de lijst opgenomen ziekte waarvoor de ziektevrije status was goedgekeurd of erkend.

2.  Wanneer niet langer is voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor het handhaven van de ziektevrije status, stelt een lidstaat de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis.

3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de volgende voorwaarden voor de handhaving van de ziektevrije status:

a) bewaking als bedoeld in lid 1, onder b);

b) biobeveiligingsmaatregelen als bedoeld in lid 1, onder d).

Artikel 42

Opschorting, intrekking en herinvoering van de ziektevrije status

1.  Een lidstaat die tot de bevinding komt of redenen heeft om aan te nemen dat een van de voorwaarden voor de handhaving van zijn status als ziektevrije lidstaat, ziektevrije zone of compartiment daarvan is geschonden, neemt onmiddellijk de volgende maatregelen:

a) hij schorst of beperkt, indien dat, afhankelijk van het risico, dienstig is, de verplaatsingen van de in de lijst opgenomen soort voor de in de lijst opgenomen ziekte waarvoor de ziektevrije status is goedgekeurd of erkend, naar andere lidstaten, zones of compartimenten met een voor die in de lijst opgenomen ziekte hogere gezondheidsstatus;

b) hij neemt, indien dat dienstig is ter voorkoming van de verspreiding van een in de lijst opgenomen ziekte waarvoor de ziektevrije status is goedgekeurd of erkend, de in deel III, titel II, bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen.

2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen worden opgeheven wanneer nader onderzoek het volgende bevestigt:

a) de vermoede schending heeft niet plaatsgevonden; of

b) de vermoede schending heeft geen significant effect gehad en de betrokken lidstaat kan garanderen dat opnieuw is voldaan aan de voorwaarden voor handhaving van zijn ziektevrije status.

3.  Wanneer nader onderzoek door de betrokken lidstaat bevestigt dat zich een uitbraak heeft voorgedaan van de in de lijst opgenomen ziekte waarvoor hij de ziektevrije status had verkregen, of dat andere ernstige schendingen van de voorwaarden voor de handhaving van de in artikel 41, lid 1, bedoelde ziektevrije status hebben plaatsgevonden, of wanneer het zeer aannemelijk is dat dit is gebeurd, deelt de lidstaat dat onmiddellijk mee aan de Commissie.

4.  Wanneer de Commissie van de betrokken lidstaat de mededeling heeft ontvangen dat de voorwaarden voor de handhaving van de ziektevrije status niet langer zijn vervuld, gaat zij onverwijld bij uitvoeringshandelingen over tot intrekking van de krachtens artikel 36, lid 4, verleende goedkeuring van de ziektevrije status van een lidstaat of zone of van de krachtens artikel 37, lid 4, verleende erkenning van de ziektevrije status van een compartiment.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van uiterste urgentie, stelt de Commissie, wanneer in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in lid 3 van dit artikel zich snel verspreidt, wat het risico met zich brengt van zeer ernstige gevolgen voor de diergezondheid of de volksgezondheid, de economie of de samenleving, volgens de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende bepalingen tot aanvulling van de regels inzake de in de leden 1 en 2 van dit artikel, bedoelde schorsing, intrekking en herinvoering van de ziektevrije status.



DEEL III

WAAKZAAMHEID EN PARAATHEID VOOR ZIEKTEN EN ZIEKTEBESTRIJDING



TITEL I

WAAKZAAMHEID EN PARAATHEID VOOR ZIEKTEN



HOOFDSTUK 1

Noodplannen en simulatieoefeningen

Artikel 43

Noodplannen

1.  De lidstaten redigeren en actualiseren, na passend overleg met deskundigen en betrokken belanghebbenden, noodplannen en, waar nodig, gedetailleerde handleidingen met de maatregelen die in de betrokken lidstaat moeten worden genomen wanneer zich een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), of, naargelang het geval, nieuwe ziekten voordoen, zodat grote waakzaamheid en paraatheid voor ziekten en het vermogen tot een snelle respons worden gewaarborgd.

2.  Deze noodplannen en, in voorkomend geval, de gedetailleerde handleidingen voorzien ten minste in:

a) de instelling van een besluitvormingsketen binnen de bevoegde autoriteit en met andere overheidsinstellingen om te zorgen voor een snelle en doeltreffende besluitvorming op nationaal, regionaal en lokaal niveau;

b) het kader voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteit en de andere betrokken overheidsinstanties en relevante betrokken belanghebbenden, om ervoor te zorgen dat maatregelen op een samenhangende en gecoördineerde wijze worden genomen;

c) toegang tot

i) voorzieningen;

ii) laboratoria;

iii) uitrusting;

iv) personeel;

v) noodfondsen;

vi) alle andere dienstige materialen en middelen die nodig zijn voor de snelle en efficiënte uitroeiing van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), of nieuwe ziekten;

d) de beschikbaarheid van de volgende centra en groepen met de nodige deskundigheid om de bevoegde autoriteit te helpen:

i) een functioneel centraal ziektebestrijdingscentrum;

ii) regionale en lokale ziektebestrijdingscentra, naargelang de administratieve en geografische situatie in de betrokken lidstaat;

iii) operationele groepen van deskundigen;

e) de uitvoering van de ziektebestrijdingsmaatregelen in de zin van titel II, hoofdstuk 1, voor de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), en voor nieuwe ziekten;

f) waar passend, bepalingen inzake noodvaccinatie;

g) beginselen voor de geografische afbakening van door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 64, lid 1, ingestelde beperkingszones;

h) waar passend, coördinatie met naburige lidstaten en aangrenzende derde landen en gebieden.

Artikel 44

Uitvoeringsbevoegdheden inzake noodplannen

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de nodige maatregelen vast met betrekking tot de uitvoering in de lidstaten van de in artikel 43, lid 1, bedoelde noodplannen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 45

Simulatieoefeningen

1.  De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat regelmatig of met passende tussenpozen simulatieoefeningen voor de in artikel 43, lid 1, bedoelde noodplannen worden gehouden:

a) teneinde in de betrokken lidstaat te zorgen voor een grote waakzaamheid en paraatheid voor ziekten en het vermogen tot een snelle respons;

b) teneinde de doelmatigheid van die noodplannen te verifiëren.

2.  Voor zover dat haalbaar en dienstig is, worden simulatieoefeningen gehouden in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de naburige lidstaten en aangrenzende derde landen en gebieden.

3.  De lidstaten verstrekken de Commissie en de andere lidstaten op hun verzoek een verslag over de voornaamste resultaten van de verrichte simulatieoefeningen.

4.  Indien zulks dienstig en noodzakelijk is, stelt de Commissie voor de praktische uitvoering van simulatieoefeningen in de lidstaten door middel van uitvoeringshandelingen regels vast met betrekking tot:

a) de frequentie van simulatieoefeningen;

b) simulatieoefeningen betreffende meer dan één in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a).

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 2

Gebruik van diergeneesmiddelen voor de preventie en bestrijding van ziekten

Artikel 46

Gebruik van diergeneesmiddelen voor de preventie en bestrijding van ziekten

1.  De lidstaten kunnen maatregelen nemen betreffende het gebruik van diergeneesmiddelen voor in de lijst opgenomen ziekten, om te zorgen voor een zo efficiënt mogelijke preventie of bestrijding van die ziekten, mits die maatregelen passend en noodzakelijk zijn.

Die maatregelen kunnen het volgende omvatten:

a) het verbod en de beperking van het gebruik van diergeneesmiddelen;

b) het verplichte gebruik van diergeneesmiddelen.

2.  Wanneer de lidstaten beoordelen of ter preventie en bestrijding van een bepaalde in de lijst opgenomen ziekte al dan niet diergeneesmiddelen mogen worden gebruikt, en zo ja, hoe, houden zij rekening met de volgende criteria:

a) het ziekteprofiel;

b) de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte in:

i) de betrokken lidstaat;

ii) de Unie;

iii) in voorkomend geval, aangrenzende derde landen en gebieden;

iv) derde landen en gebieden van waaruit dieren en producten de Unie worden binnengebracht;

c) de beschikbaarheid en de doeltreffendheid van de betrokken diergeneesmiddelen en de daaraan verbonden risico's;

d) de beschikbaarheid van diagnostische tests voor het opsporen van besmettingen bij dieren die met de betrokken diergeneesmiddelen worden behandeld;

e) de economische, sociale en milieueffecten en de gevolgen voor het dierenwelzijn van het gebruik van de betrokken diergeneesmiddelen in vergelijking met andere beschikbare strategieën voor de preventie en bestrijding van ziekten.

3.  De lidstaten treffen passende preventiemaatregelen voor het gebruik van diergeneesmiddelen voor wetenschappelijk onderzoek, of voor het onder gecontroleerde omstandigheden ontwikkelen en testen daarvan, teneinde de diergezondheid en de volksgezondheid te beschermen.

Artikel 47

Bevoegdheidsdelegatie inzake het gebruik van diergeneesmiddelen

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wat kan worden verstaan onder passende en noodzakelijke maatregelen als bedoeld in artikel 46 met betrekking tot:

a) het verbod en de beperking van het gebruik van diergeneesmiddelen;

b) specifieke voorwaarden voor het gebruik van diergeneesmiddelen voor een specifieke in de lijst opgenomen ziekte;

c) risicobeperkingsmaatregelen ter voorkoming van de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten door dieren die zijn behandeld met de diergeneesmiddelen of door producten van die dieren;

d) bewaking voor specifieke ziekten na het gebruik van vaccins en andere diergeneesmiddelen.

2.  Bij de vaststelling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde regels, houdt de Commissie rekening met de criteria van artikel 46, lid 2.

3.  Indien dit bij nieuwe risico's om dwingende redenen van urgentie is vereist, is de procedure van artikel 265 van toepassing op krachtens lid 1 van dit artikel vastgestelde regels.



HOOFDSTUK 3

Antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken

Artikel 48

Oprichting van antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie

1.  Voor in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), waarvoor vaccinatie niet verboden is bij een krachtens artikel 47, vastgestelde gedelegeerde handeling, kan de Commissie antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie oprichten en daarvoor beheersverantwoordelijkheid dragen, teneinde voorraden van één of meer van de volgende biologische producten op te slaan en te vervangen:

a) antigenen;

b) vaccins;

c) bronmateriaal voor vaccins;

d) diagnosereagentia.

2.  De Commissie zorgt ervoor dat de in lid 1 bedoelde antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie:

a) voldoende grote voorraden van de juiste soorten antigenen, vaccins, bronmateriaal voor vaccins en diagnosereagentia voor de betrokken specifieke in de lijst opgenomen ziekte aanhouden, rekening houdend met de in het kader van de in artikel 43, lid 1, bedoelde noodplannen geraamde behoeften van de lidstaten;

b) regelmatig voorraden antigenen, vaccins, bronmateriaal voor vaccins en diagnosereagentia ontvangen en die tijdig vervangen;

c) worden beheerd en verplaatst overeenkomstig de passende vereisten voor biobeveiliging, bioveiligheid en biologische inperking, als vastgelegd in artikel 16, lid 1, en in overeenstemming met krachtens artikel 16, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) het beheer, de opslag en de vervanging van voorraden van de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie, bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel;

b) de voorschriften op het gebied van biobeveiliging, bioveiligheid en biologische inperking voor de werking van die banken, met inachtneming van de voorschriften in artikel 16, lid 1, en rekening houdend met de krachtens artikel 16, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Artikel 49

Toegang tot de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie

1.  Voor zover voorraden beschikbaar zijn, levert de Commissie op verzoek de in artikel 48, lid 1, bedoelde biologische producten uit de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie aan:

a) op de eerste plaats, de lidstaten; en

b) derde landen of gebieden, mits dergelijke levering primair gericht is op het voorkomen van de verspreiding van een ziekte naar de Unie.

2.  Indien slechts beperkte voorraden beschikbaar zijn, stelt de Commissie prioriteiten vast voor de toegang tot de krachtens lid 1 te leveren voorraden, op basis van:

a) de ziekteomstandigheden waarin het verzoek wordt ingediend;

b) het bestaan van een nationale antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbank in de verzoekende lidstaat of het verzoekende derde land of gebied;

c) het bestaan van Uniemaatregelen voor verplichte vaccinatie, voorgeschreven in krachtens artikel 47, vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Artikel 50

Uitvoeringsbevoegdheden inzake de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie

1.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen regels vast inzake de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie, waarin voor de in artikel 48, lid 1, bedoelde biologische producten wordt bepaald:

a) welke van die biologische producten in de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie moeten worden opgenomen, en voor welke van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a);

b) welke soorten van die biologische producten in de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie moeten worden opgenomen, en in welke hoeveelheden voor elke in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), waarvoor de betrokken bank bestaat;

c) welke voorschriften gelden met betrekking tot de levering, de opslag en de vervanging van die biologische producten;

d) op welke wijze de levering van die biologische producten uit de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie aan de lidstaten en aan derde landen en gebieden geschiedt;

e) welke procedurele en technische voorschriften gelden voor het opnemen van die biologische producten in de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie, en voor het aanvragen van toegang ertoe.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), die een risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, stelt de Commissie volgens de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

Artikel 51

Vertrouwelijkheid van informatie inzake de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie

De informatie over de hoeveelheden en subtypes van de in artikel 48, lid 1, bedoelde biologische producten die zijn opgeslagen in de antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie wordt door de Commissie als gerubriceerde informatie beschouwd en wordt niet bekendgemaakt.

Artikel 52

Nationale antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken

1.  Lidstaten die een nationale antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbank hebben opgericht voor in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), waarvoor antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken van de Unie bestaan, zorgen ervoor dat hun nationale antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken voldoen aan de voorschriften op het gebied van biobeveiliging, bioveiligheid en biologische inperking zoals neergelegd in artikel 16, lid 1, onder a), en in overeenkomstig artikel 16, lid 2, en artikel 48, lid 3, onder b), vastgestelde gedelegeerde handelingen.

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie bijgewerkte informatie over:

a) het bestaan of de oprichting van de in lid 1 bedoelde nationale antigeen-, vaccin- en diagnosereagensbanken;

b) de soorten antigenen, vaccins, bronmateriaal voor vaccins en diagnosereagentia en de hoeveelheden daarvan in die banken;

c) eventuele wijzigingen in de werking van dergelijke banken.

Deze informatie wordt door de Commissie als gerubriceerde informatie behandeld en wordt niet bekendgemaakt.

3.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen met betrekking tot de inhoud, de frequentie en de vorm van de in lid 2 bedoelde informatieverstrekking.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



TITEL II

ZIEKTEBESTRIJDINGSMAATREGELEN



HOOFDSTUK 1

Ziektebestrijdingsmaatregelen voor in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a)



Afdeling 1

Ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden van een in de lijst opgenomen ziekte bij gehouden dieren

Artikel 53

Verplichtingen van exploitanten en andere betrokken natuurlijke en rechtspersonen

1.  Wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), voorkomt bij gehouden dieren en ingeval is voldaan aan de meldingsverplichting zoals neergelegd in artikel 18, lid 1, nemen de lidstaten, in afwachting van ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 54, lid 1, en artikel 55, lid 1, maatregelen om ervoor te zorgen dat exploitanten en andere betrokken natuurlijke en rechtspersonen de passende ziektebestrijdingsmaatregelen als bedoeld in artikel 55, lid 1, onder c), d) en e), nemen om de verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte van de getroffen dieren, inrichtingen en locaties die onder hun verantwoordelijkheid vallen, naar andere niet-getroffen dieren of naar mensen te voorkomen.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende nadere regels ter aanvulling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen.

Artikel 54

Onderzoek door de bevoegde autoriteit bij vermoeden van een in de lijst opgenomen ziekte

1.  Wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), voorkomt bij gehouden dieren, verricht de bevoegde autoriteit onverwijld een onderzoek om de aanwezigheid van die in de lijst opgenomen ziekte al dan niet te bevestigen.

2.  Met het oog op het in lid 1 bedoelde onderzoek zorgt de bevoegde autoriteit er in voorkomend geval voor dat:

a) officiële dierenartsen een klinisch onderzoek verrichten op een representatieve steekproef van de gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten voor de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekte;

b) officiële dierenartsen passende steekproeven van die gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten en andere steekproeven nemen voor onderzoek in door de bevoegde autoriteit daartoe aangewezen laboratoria;

c) dergelijke aangewezen laboratoria verrichten laboratoriumonderzoeken om de aanwezigheid van de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekte al dan niet te bevestigen.

3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot nadere regels ter aanvulling van de bepalingen inzake de in lid 1 van dit artikel bedoelde onderzoeken door de bevoegde autoriteiten.

Artikel 55

Voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteiten

1.  Indien de bevoegde autoriteit vermoedt dat een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), voorkomt bij gehouden dieren, neemt zij de volgende voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen, met inachtneming van de nationale voorschriften voor de toegang tot particuliere woningen, in afwachting van de resultaten van het in artikel 54, lid 1, bedoelde onderzoek en van de toepassing van de ziektebestrijdingsmaatregelen als bepaald in artikel 61, lid 1:

a) het instellen van officiële bewaking op de betrokken inrichting, het betrokken levensmiddelen- of diervoederbedrijf of de betrokken inrichting voor dierlijke bijproducten, of iedere andere plaats waar de ziekte vermoed wordt voor te komen, met inbegrip van de plaatsen waar de ziekte vermoedelijk is ontstaan;

b) het opstellen van een inventaris van:

i) de in de betrokken inrichting, het betrokken levensmiddelen- of diervoederbedrijf of de betrokken inrichting voor dierlijke bijproducten, of op iedere andere plaats gehouden dieren;

ii) de producten in die inrichting, dat levensmiddelen- of diervoederbedrijf of die inrichting voor dierlijke bijproducten, of iedere andere plaats, indien dat relevant is voor de verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte;

c) ervoor zorgen dat passende biobeveiligingsmaatregelen worden toegepast ter voorkoming van de verspreiding van die verwekker van de in de lijst opgenomen ziekte naar andere dieren of de mens;

d) wanneer dit zinvol is om verdere verspreiding van de ziekteverwekker te voorkomen, ervoor zorgen dat de gehouden dieren van voor die in de lijst opgenomen ziekte in de lijst opgenomen soorten geïsoleerd worden, en dat wordt verhinderd dat zij in contact komen met wilde dieren;

e) beperking van de verplaatsingen van gehouden dieren, producten en, in voorkomend geval, personen, voertuigen en elk ander materiaal of middel waardoor de ziekteverwekker kan zijn verspreid naar of uit de inrichting, levensmiddelen- en diervoederbedrijf, of inrichting voor dierlijke bijproducten of uit enige andere plaats waar die in de lijst opgenomen ziekte wordt vermoed voor te komen, voor zover dit nodig is om de verspreiding daarvan te voorkomen;

f) alle andere nodige ziektebestrijdingsmaatregelen, rekening houdend met de in afdeling 4 van dit hoofdstuk bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen, met betrekking tot:

i) het verrichten van het in artikel 54, lid 1, bedoelde onderzoek door de bevoegde autoriteit en de toepassing van de in dit lid, onder a) tot en met d), bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen op andere inrichtingen, levensmiddelen- en diervoederbedrijven of inrichtingen voor dierlijke bijproducten of op enige andere locatie;

ii) het instellen van tijdelijke beperkingszones die zijn afgestemd op het ziekteprofiel;

g) het inleiden van het in artikel 57, lid 1, bedoelde epidemiologisch onderzoek.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast houdende nadere regels ter aanvulling van die in lid 1 van dit artikel, met betrekking tot de specifieke en gedetailleerde ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen naargelang van de in de lijst opgenomen ziekte, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), op basis van de risico's die dit inhoudt voor:

a) de betrokken soort of categorie dieren;

b) het betrokken soort productie.

Artikel 56

Evaluatie en uitbreiding van de voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen

De in artikel 55, lid 1, bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen:

a) worden in voorkomend geval door de bevoegde autoriteit geëvalueerd naar aanleiding van de bevindingen van:

i) het in artikel 54, lid 1, bedoelde onderzoek;

ii) het in artikel 57, lid 1, bedoelde epidemiologisch onderzoek;

b) worden zo nodig uitgebreid tot andere locaties als bedoeld in artikel 55, lid 1, onder a).



Afdeling 2

Epidemiologisch onderzoek

Artikel 57

Epidemiologisch onderzoek

1.  De bevoegde autoriteit voert een epidemiologisch onderzoek uit wanneer wordt bevestigd dat een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), voorkomt bij dieren.

2.  Het in lid 1 bedoelde epidemiologisch onderzoek heeft tot doel:

a) de vermoedelijke oorsprong van de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekte en de wijze van verspreiding ervan op te sporen;

b) de vermoedelijke duur van het voorkomen van de in de lijst opgenomen ziekte te berekenen;

c) te bepalen in welke inrichtingen en epidemiologische eenheden daarvan, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of op welke andere plaatsen dieren van in de lijst opgenomen soorten voor de verdachte in de lijst opgenomen ziekte geïnfecteerd, geïnfesteerd of besmet kunnen zijn;

d) informatie te verkrijgen over de verplaatsingen van gehouden dieren, personen, producten, voertuigen en elk ander materiaal of middel waardoor de ziekteverwekker kan zijn verspreid gedurende de periode voorafgaande aan de melding van het vermoeden of de bevestiging van het voorkomen van de in de lijst opgenomen ziekte;

e) informatie te verkrijgen over de waarschijnlijke verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte in het omliggende milieu, inclusief de aanwezigheid en de verspreiding van de vectoren van de ziekte.



Afdeling 3

Bevestiging van ziekte bij gehouden dieren

Artikel 58

Officiële bevestiging door de bevoegde autoriteit van een in de lijst opgenomen ziekte, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a)

1.  De bevoegde autoriteit baseert de officiële bevestiging van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), op de volgende informatie:

a) de resultaten van de klinische en laboratoriumonderzoeken, bedoeld in artikel 54, lid 2;

b) de voorlopig of eindresultaaten van het in artikel 57, lid 1, bedoelde epidemiologisch onderzoek;

c) andere beschikbare epidemiologische gegevens.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast betreffende de voorschriften waaraan moet zijn voldaan om de in lid 1 van dit artikel bedoelde officiële bevestiging te geven.

Artikel 59

Opheffing van voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen wanneer de aanwezigheid van de in de lijst opgenomen ziekte is uitgesloten

De bevoegde autoriteit blijft de in artikel 55, lid 1, en artikel 56 bedoelde voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen toepassen totdat op grond van de informatie, bedoeld in artikel 58, lid 1, of krachtens artikel 58, lid 2, vastgestelde regels, de aanwezigheid van de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), is uitgesloten.



Afdeling 4

Ziektebestrijdingsmaatregelen bij bevestiging van ziekte bij gehouden dieren

Artikel 60

Door de bevoegde autoriteit te nemen onmiddellijke ziektebestrijdingsmaatregelen

Indien een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), bij gehouden dieren overeenkomstig artikel 58, lid 1, officieel wordt bevestigd wordt:

a) verklaart de bevoegde autoriteit de inrichting, het levensmiddelen- of diervoederbedrijf, de inrichting voor dierlijke bijproducten of iedere andere plaats die getroffen is, onmiddellijk officieel besmet met die in de lijst opgenomen ziekte;

b) stelt de bevoegde autoriteit onmiddellijk een voor die in de lijst opgenomen ziekte passende beperkingszone in;

c) past de bevoegde autoriteit onmiddellijk het in artikel 43, lid 1, bedoelde noodplan toe teneinde de ziektebestrijdingsmaatregelen ten volle te coördineren.

Artikel 61

Getroffen inrichtingen en andere locaties

1.  In geval van een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), bij gehouden dieren, neemt de bevoegde autoriteit onmiddellijk één of meer van de volgende ziektebestrijdingsmaatregelen, met inachtneming van de nationale voorschriften voor de toegang tot particuliere woningen, in een inrichting, het levensmiddelen- of diervoederbedrijf, de inrichting voor dierlijke bijproducten, of op iedere andere plaats bedoeld in artikel 60, onder a), teneinde de verdere verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte te voorkomen:

a) het opleggen van verplaatsingsbeperkingen voor personen, dieren, producten, voertuigen of alle andere materialen of stoffen die besmet kunnen zijn en kunnen bijdragen aan de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte;

b) het doden en de opruiming of het slachten van dieren die besmet kunnen zijn of kunnen bijdragen aan de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte;

c) vernietiging, verwerking, bewerking of behandeling van producten, diervoeder of alle andere stoffen, of de behandeling van uitrusting, vervoermiddelen, planten of plantaardige producten, of water die besmet kunnen zijn, zoals vereist is om te verzekeren dat een ziekteverwekker of vector van de ziekteverwekker is vernietigd;

d) vaccinatie of behandeling met andere diergeneesmiddelen van gehouden dieren overeenkomstig artikel 46, lid 1, en artikel 69, en krachtens artikel 47, vastgestelde gedelegeerde handelingen;

e) isolering, quarantaine of behandeling van dieren en producten die waarschijnlijk besmet zijn en bijdragen aan de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte;

f) reiniging, ontsmetting, bestrijding van insecten en knaagdieren, of toepassing van andere noodzakelijke biobeveiligingsmaatregelen op de inrichting, het levensmiddelen- of diervoederbedrijf, de inrichting voor dierlijke bijproducten of andere locaties die getroffen zijn, om het risico van verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte te beperken;

g) het nemen van een voldoende aantal geschikte monsters om het in artikel 57, lid 1, bedoelde epidemiologisch onderzoek te voltooien;

h) laboratoriumonderzoek van monsters;

i) andere passende maatregelen.

2.  Wanneer de bevoegde autoriteit bepaalt welke van de in lid 1 bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen aangewezen zijn, houdt zij rekening met:

a) het ziekteprofiel;

b) het soort productie, en epidemiologische eenheden in de getroffen inrichtingen, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere locaties;

3.  De bevoegde autoriteit verleent slechts toestemming voor de herbevolking van de betrokken inrichting, of van andere locaties wanneer:

a) alle dienstige ziektebestrijdingsmaatregelen en laboratoriumonderzoeken, bedoeld in lid 1, met succes zijn beëindigd;

b) voldoende tijd is verstreken om te beletten dat de getroffen inrichtingen, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere locaties, opnieuw worden besmet met de in de lijst opgenomen ziekte die de in lid 1 bedoelde uitbraak heeft veroorzaakt.

Artikel 62

Epidemiologisch verbonden inrichtingen en locaties

1.  De bevoegde autoriteit breidt de in artikel 61, lid 1, bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen uit tot andere inrichtingen, epidemiologische eenheden daarvan, levensmiddelen- of diervoederbedrijven of inrichtingen voor dierlijke bijproducten, of andere plaatsen of vervoermiddelen waar het in artikel 57, lid 1, bedoelde epidemiologisch onderzoek of de uitslagen van klinische of laboratoriumonderzoeken of andere epidemiologische gegevens het vermoeden wekken dat de in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), waartegen die maatregelen zijn getroffen, daarnaar, daarvan of daardoor wordt verspreid.

2.  Indien uit het in artikel 57, lid 1, bedoelde epidemiologisch onderzoek blijkt dat de in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), waarschijnlijk afkomstig is uit een andere lidstaat of indien het waarschijnlijk is dat die in de lijst opgenomen ziekte zich naar een andere lidstaat heeft verspreid, deelt de bevoegde autoriteit dat onverwijld mee aan die lidstaat en de Commissie.

3.  Ingeval de in lid 2 bedoelde gevallen zich voordoen, werken de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten samen bij een verder epidemiologisch onderzoek en bij de toepassing van ziektebestrijdingsmaatregelen.

Artikel 63

Bevoegdheidsdelegatie inzake ziektebestrijdingsmaatregelen in getroffen en epidemiologisch verbonden inrichtingen en andere locaties

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast houdende nadere regels over de ziektebestrijdingsmaatregelen die de bevoegde autoriteit overeenkomstig de artikelen 61 en 62 in de getroffen en epidemiologisch verbonden inrichtingen, levensmiddelen- of diervoederbedrijven of inrichtingen voor dierlijke bijproducten en andere locaties moet nemen inzake elke in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), met inbegrip van bepalingen betreffende de vraag welke van de in artikel 61, lid 1, bedoelde maatregelen ten aanzien van elke in de lijst opgenomen ziekte moeten worden toegepast.

Die nadere regels betreffen:

a) de voorwaarden en voorschriften voor de in artikel 61, lid 1, onder a) tot en met e), bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen;

b) de procedures voor de in artikel 61, lid 1, onder f), bedoelde reiniging, ontsmetting en bestrijding van insecten en knaagdieren of andere noodzakelijke biobeveiligingsmaatregelen, in voorkomend geval met vermelding van de daartoe gebruikte biociden;

c) de voorwaarden en voorschriften voor de in artikel 61, lid 1, onder g) en h), bedoelde bemonstering en laboratoriumonderzoeken;

d) de gedetailleerde voorwaarden en voorschriften voor de herbevolking als bedoeld in artikel 61, lid 3;

e) de in artikel 62 bedoelde noodzakelijke ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen in epidemiologisch verbonden inrichtingen, andere locaties en vervoermiddelen.

Artikel 64

Het instellen van beperkingszones door de bevoegde autoriteit

1.  De bevoegde autoriteit stelt rond de getroffen inrichtingen, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere locaties waar de uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), bij gehouden dieren is opgetreden, een beperkingszone als bedoeld in artikel 60, onder b), en, in voorkomend geval rekening houdend met:

a) het ziekteprofiel;

b) de geografische ligging van de beperkingszone;

c) de ecologische en hydrologische kenmerken van de beperkingszone;

d) de meteorologische omstandigheden;

e) de aanwezigheid, de verspreiding en het type van de vectoren in de beperkingszone;

f) de resultaten van het epidemiologisch onderzoek, bedoeld in artikel 57, lid 1, en andere studies en epidemiologische gegevens;

g) de resultaten van laboratoriumonderzoeken;

h) de toegepaste ziektebestrijdingsmaatregelen;

i) andere epidemiologische factoren.

De beperkingszone omvat in voorkomend geval een beschermings- en bewakingszone van een bepaalde omvang en configuratie.

2.  De bevoegde autoriteit beoordeelt en onderzoekt de situatie voortdurend en, wanneer dat nodig is ter voorkoming van de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a):

a) past zij de grenzen van de beperkingszone aan;

b) stelt zij extra beperkingszones in.

3.  Indien de in lid 1 voorgeschreven beperkingszones op het grondgebied van verschillende lidstaten zijn gelegen, werken de bevoegde autoriteiten van die lidstaten samen om deze in te stellen.

4.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast houdende nadere regels voor de vaststelling en de aanpassing van beperkingszones, met inbegrip van beschermings- en bewakingszones.

Artikel 65

Ziektebestrijdingsmaatregelen in beperkingszones

1.  Ter voorkoming van de verdere verspreiding van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), zorgt debevoegde autoriteit ervoor dat, met inachtneming van de nationale voorschriften voor de toegang tot particuliere woningen, in de betrokken beperkingszone één of meer van de volgende ziektebestrijdingsmaatregelen worden genomen:

a) identificatie van inrichtingen, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere plaatsen waar zich gehouden dieren van voor die in de lijst opgenomen ziekte in de lijst opgenomen soorten bevinden;

b) inspecties bij inrichtingen, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere plaatsen waar zich gehouden dieren van voor die in de lijst opgenomen ziekte in de lijst opgenomen soorten bevinden, en zo nodig onderzoeken, bemonsteringen en laboratoriumonderzoeken van de genomen monsters;

c) oplegging van voorwaarden voor de verplaatsing van personen, dieren, producten, diervoeder, voertuigen of andere materialen of stoffen die besmet kunnen zijn of kunnen bijdragen tot de verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte in en vanuit de beperkingszones, en voor het vervoer door de beperkingszones;

d) biobeveiligingsvoorschriften voor:

i) de productie, verwerking en distributie van producten van dierlijke oorsprong;

ii) de inzameling en verwijdering van dierlijke bijproducten;

iii) de winning, opslag en behandeling van levende producten;

e) vaccinatie en behandeling met andere diergeneesmiddelen van gehouden dieren overeenkomstig artikel 46, lid 1, en krachtens artikel 47, vastgestelde gedelegeerde handelingen;

f) reiniging, ontsmetting, bestrijding van insecten en knaagdieren, of toepassing van andere noodzakelijke biobeveiligingsmaatregelen;

g) de aanwijzing of, in voorkomend geval, de goedkeuring van een levensmiddelenbedrijf voor het slachten van dieren of het behandelen van producten van dierlijke oorsprong afkomstig uit de beperkingszone;

h) de identificatie en traceerbaarheidsvoorschriften voor verplaatsingen van dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong;

i) andere noodzakelijke biobeveiligings- en risicobeperkingsmaatregelen om het risico van verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte te beperken.

2.  De bevoegde autoriteit:

a) neemt alle nodige maatregelen om personen in de beperkingszone volledig op de hoogte te stellen van de geldende beperkingen en van de aard van de ziektebestrijdingsmaatregelen;

b) legt de nodige verplichtingen op aan exploitanten ter voorkoming van de verdere verspreiding van de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekte.

3.  Wanneer de bevoegde autoriteit bepaalt welke van de in lid 1 bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen moeten worden genomen, houdt zij rekening met:

a) het ziekteprofiel;

b) de soorten productie;

c) de haalbaarheid, beschikbaarheid en doeltreffendheid van die ziektebestrijdingsmaatregelen.

Artikel 66

Verplichtingen van exploitanten met betrekking tot verplaatsingen in beperkingszones

1.  In de in artikel 64, lid 1, bedoelde beperkingszones verplaatsen exploitanten gehouden dieren en producten uitsluitend na toestemming en overeenkomstig de instructies van de bevoegde autoriteit.

2.  Exploitanten die dieren en producten houden in een in artikel 64, lid 1, bedoelde beperkingszone, stellen de bevoegde autoriteit ervan in kennis wanneer zij voornemens zijn gehouden dieren of producten binnen of buiten de betrokken beperkingszone te verplaatsen. Voor zover de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 65, lid 2, onder b), kennisgevingsverplichtingen heeft opgelegd, geven de betrokken exploitanten kennis overeenkomstig deze verplichtingen.

Artikel 67

Bevoegdheidsdelegatie inzake ziektebestrijdingsmaatregelen in beperkingszones

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast houdende nadere regels over de in artikel 65, lid 1, bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen die in beperkingszones moeten worden genomen voor elke in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), met inbegrip van bepalingen betreffende de vraag welke van de in artikel 65, lid 1, bedoelde maatregelen ten aanzien van elke in de lijst opgenomen ziekte moeten worden toegepast.

Die nadere regels betreffen:

a) de voorwaarden en voorschriften voor de in artikel 65, lid 1, onder a), c), d), e), g), h) en i), bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen;

b) de procedures voor de in artikel 65, lid 1, onder f), bedoelde reiniging, ontsmetting, bestrijding van insecten en knaagdieren, of andere noodzakelijke biobeveiligingsmaatregelen, in voorkomend geval met vermelding van de daartoe gebruikte biociden;

c) de bewaking die noodzakelijk is na de toepassing van de ziektebestrijdingsmaatregelen en de in artikel 65, lid 1, onder b), bedoelde laboratoriumonderzoeken;

d) andere specifieke ziektebestrijdingsmaatregelen om de verspreiding van specifieke in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), te beperken.

Artikel 68

Handhaving van ziektebestrijdingsmaatregelen in beperkingszones en gedelegeerde handelingen

1.  De bevoegde autoriteit past de in deze afdeling bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen toe totdat aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de ziektebestrijdingsmaatregelen die passend zijn voor de in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), ten gevolge waarvan de beperkingen zijn ingesteld, zijn uitgevoerd;

b) de definitieve reiniging, ontsmetting, bestrijding van insecten en knaagdieren, of andere noodzakelijke biobeveiligingsmaatregelen zijn op passende wijze uitgevoerd voor:

i) de in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), waarvoor de ziektebestrijdingsmaatregelen zijn toegepast;

ii) de getroffen soorten gehouden dieren;

iii) het soort vervoer;

c) afhankelijk van de in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), waarvoor de ziektebestrijdingsmaatregelen zijn toegepast en van het betrokken soort inrichting of de betrokken locatie, is in de beperkingszone passende bewaking verricht waaruit blijkt dat die in de lijst opgenomen ziekte is uitgeroeid.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot nadere regels inzake de in lid 1 bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen die de bevoegde autoriteit moet nemen met betrekking tot:

a) de definitieve procedures voor reiniging, ontsmetting, bestrijding van insecten en knaagdieren, of andere noodzakelijke biobeveiligingsmaatregelen, in voorkomend geval met vermelding van de daartoe gebruikte biociden;

b) de opzet, de middelen, de methoden, de frequentie, de intensiteit, de betrokken dierpopulatie en de bemonsteringspatronen van de bewaking met het oog op het opnieuw verwerven van de ziektevrije status na de uitbraak;

c) de herbevolking van de betrokken beperkingszone na voltooiing van de in lid 1 van dit artikel bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen, rekening houdend met de herbevolkingsvoorwaarden van artikel 61, lid 3.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere regels inzake de in lid 1 bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen die de bevoegde autoriteit moet nemen met betrekking tot andere ziektebestrijdingsmaatregelen die noodzakelijk zijn om opnieuw de ziektevrije status te verwerven.

Artikel 69

Noodvaccinatie

1.  Indien dat nodig is voor een doeltreffende bestrijding van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), waarvoor ziektebestrijdingsmaatregelen van toepassing zijn, kan de bevoegde autoriteit:

a) een vaccinatieprogramma opstellen;

b) vaccinatiezones instellen.

2.  Bij haar beslissing over het vaccinatieprogramma en het instellen van vaccinatiezones, als bedoeld in lid 1, houdt de bevoegde autoriteit rekening met:

a) de voorschriften voor noodvaccinatie in de noodplannen, bedoeld in artikel 43;

b) de voorschriften voor het gebruik van vaccins in artikel 46, lid 1, en krachtens artikel 47, vastgestelde gedelegeerde handelingen.

3.  De in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde vaccinatiezones voldoen aan de voorschriften inzake risicobeperkingsmaatregelen ter voorkoming van de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten en inzake bewaking, neergelegd in krachtens artikel 47, lid 1, onder c) en d), vastgestelde gedelegeerde handelingen.



Afdeling 5

Wilde dieren

Artikel 70

Wilde dieren

1.  Wanneer de bevoegde autoriteit van een getroffen lidstaat de aanwezigheid van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), bij wilde dieren vermoedt of officieel bevestigt:

a) verricht zij, voor zover dat voor die in de lijst opgenomen ziekte relevant is, bewaking van de populatie wilde dieren;

b) neemt zij de noodzakelijke maatregelen ter preventie en bestrijding van de ziekte.

2.  De in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van de ziekte kunnen één of meer van de maatregelen van artikel 53 tot en met 69 omvatten en houden rekening met het ziekteprofiel, met welke wilde dieren getroffen zijn en met het risico van overdracht van ziekten naar dieren en mensen.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) criteria en procedures voor de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde bewaking in het geval een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), in overeenstemming met artikel 27 is bevestigd;

b) nadere regels ter aanvulling van de in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde maatregelen die moeten worden genomen ter preventie en bestrijding van de ziekte, in het geval een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), officieel is bevestigd.

Wanneer de Commissie die gedelegeerde handelingen vaststelt, houdt zij rekening met het ziekteprofiel en de in de lijst opgenomen soorten voor de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in lid 1 van dit artikel.



Afdeling 6

Aanvullende ziektebestrijdingsmaatregelen van de lidstaten, coördinatie door de commissie en tijdelijke bijzondere ziektebestrijdingsvoorschriften

Artikel 71

Aanvullende ziektebestrijdingsmaatregelen, coördinatie van maatregelen en tijdelijke bijzondere ziektebestrijdingsvoorschriften inzake de afdelingen 1 tot en met 5 (artikelen 53 tot en met 70)

1.  De lidstaten kunnen ziektebestrijdingsmaatregelen nemen ter aanvulling van die van artikel 55, artikel 61, lid 1, artikel 62, artikel 65, leden 1 en 2, en artikel 68, lid 1, en in krachtens artikelen 63 en 67 en artikel 68, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen, mits dergelijke maatregelen de bepalingen van deze verordening in acht nemen en noodzakelijk en evenredig zijn om de verspreiding van een in de lijst opgenomen ziekte bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), tegen te gaan, rekening houdend met:

a) de specifieke epidemiologische omstandigheden;

b) het betrokken soort inrichting, andere betrokken locaties en productie;

c) de getroffen soorten en categorieën dieren;

d) economische of sociale omstandigheden.

2.  De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van:

a) de door hun bevoegde autoriteit genomen ziektebestrijdingsmaatregelen, bedoeld in de artikelen 58, 59, 61, 62, 64 en 65, artikel 68, lid 1, artikel 69, artikel 70, leden 1 en 2, en krachtens artikel 63, artikel 67, artikel 68, lid 2, en artikel 70, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handelingen;

b) eventuele door hen genomen aanvullende ziektebestrijdingsmaatregelen, bedoeld in lid 1.

3.  De Commissie evalueert de ziektesituatie en de overeenkomstig dit hoofdstuk getroffen ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit en aanvullende ziektebestrijdingsmaatregelen van de betrokken lidstaat, en kan onder voorwaarden die passend zijn voor de epidemiologische situatie, bij uitvoeringshandelingen voor een beperkte termijn bijzondere ziektebestrijdingsmaatregelen voorschrijven in de volgende gevallen:

a) die ziektebestrijdingsmaatregelen blijken niet geschikt voor de epidemiologische situatie;

b) de in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), lijkt zich ondanks de overeenkomstig dit hoofdstuk genomen ziektebestrijdingsmaatregelen te verspreiden.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een ziekte die een nieuw risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, stelt de Commissie volgens de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.



HOOFDSTUK 2

Ziektebestrijdingsmaatregelen voor in de lijst opgenomen ziekten, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) en c)



Afdeling 1

Ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden van een ziekte bij gehouden dieren

Artikel 72

Verplichtingen van exploitanten en andere betrokken natuurlijke en rechtspersonen met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b)

1.  Wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), voorkomt bij gehouden dieren en ingeval is voldaan aan de meldingsverplichting zoals neergelegd in artikel 18, lid 1, nemen de lidstaten, in afwachting van ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 74, lid 1, maatregelen om ervoor te zorgen dat exploitanten en andere betrokken natuurlijke en rechtspersonen de ziektebestrijdingsmaatregelen als bedoeld in artikel 74, lid 1, onder a), nemen en de overeenkomstig artikel 74, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handelingen uitvoeren om verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte van de getroffen dieren, inrichtingen en andere locaties die onder hun verantwoordelijkheid vallen, naar andere niet-getroffen dieren of naar mensen te voorkomen.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende nadere regels ter aanvulling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen.

Artikel 73

Onderzoek door de bevoegde autoriteit bij vermoeden van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b)

1.  Wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), voorkomt bij gehouden dieren, verricht de bevoegde autoriteit onverwijld een onderzoek om de aanwezigheid van die in de lijst opgenomen ziekte al dan niet te bevestigen.

2.  Ter uitvoering van het in lid 1 bedoelde onderzoek zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat:

a) officiële dierenartsen een klinisch onderzoek verrichten op een representatieve steekproef van de gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten voor de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekte;

b) officiële dierenartsen passende steekproeven van die gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten en andere steekproeven nemen voor onderzoek in door de bevoegde autoriteit daartoe aangewezen laboratoria;

c) dergelijke aangewezen laboratoria voeren onderzoeken uit om de aanwezigheid van de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekte al dan niet te bevestigen.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen houdende nadere regels ter aanvulling van de regels betreffende het in lid 1 van dit artikel bedoelde onderzoek.

Artikel 74

Voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen door bevoegde autoriteit met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b)

1.  Indien de bevoegde autoriteit vermoedt dat een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), voorkomt bij gehouden dieren, neemt zij de volgende voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen, met inachtneming van de nationale voorschriften voor de toegang tot particuliere woningen, in afwachting van de resultaten van het in artikel 73, lid 1, bedoelde onderzoek en van de toepassing van de ziektebestrijdingsmaatregelen als bepaald in artikel 79:

a) toepassing van ziektebestrijdingsmaatregelen om de verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekte vanuit de getroffen gebieden, inrichtingen, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere plaatsen te beperken;

b) zo nodig instelling van een epidemiologisch onderzoek, rekening houdend met de regels voor dat in artikel 57, lid 1, vastgelegde onderzoek.

2.  Naast de in lid 1 bedoelde maatregelen, kan de bevoegde autoriteit in de gevallen bedoeld in dat lid, aanvullende voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen nemen, op voorwaarde dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze verordening en met het recht van de Unie.

3.  De voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen, bedoeld in leden 1 en 2, zijn passend en evenredig aan het risico dat verbonden is aan de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekte, rekening houdend met:

a) het ziekteprofiel;

b) de getroffen gehouden dieren;

c) de gezondheidsstatus van de lidstaat, de zone, het compartiment of de inrichting waar wordt vermoed dat die in de lijst opgenomen ziekte voorkomt;

d) de voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen, bedoeld in artikel 55, lid 1, en artikel 56 en elke krachtens artikel 55, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling.

4.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot regels voor de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), ter aanvulling van die in lid 1 van dit artikel, rekening houdend met het bepaalde in lid 3, ten aanzien van:

a) de voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen om de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte, bedoeld in lid 1, onder a), te voorkomen;

b) de toepassing van de voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen, bedoeld in lid 1, onder a), op andere inrichtingen, epidemiologische eenheden daarvan, levensmiddelen- of diervoederbedrijven of inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere plaatsen;

c) de instelling van tijdelijke beperkingszones die gelet op het ziekteprofiel passend zijn.

Artikel 75

Evaluatie en verlenging van ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b)

De in artikel 74, lid 1, bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen:

a) worden zo nodig door de bevoegde autoriteit geëvalueerd naar aanleiding van de bevindingen van het in artikel 73, lid 1, bedoelde onderzoek en, in voorkomend geval, het in artikel 74, lid 1, onder b), bedoelde epidemiologisch onderzoek;

b) worden zo nodig uitgebreid tot andere locaties als bedoeld in artikel 74, lid 4, onder b).

Artikel 76

Verplichtingen van exploitanten en andere betrokken natuurlijke en rechtspersonen en door de bevoegde autoriteit te nemen maatregelen bij vermoeden van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder c)

1.  Wanneer een vermoeden bestaat dat een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder c), voorkomt in een lidstaat die heeft gekozen voor het uitroeiingsprogramma dat de desbetreffende delen van zijn grondgebied of zones of compartimenten daarvan bestrijkt, bedoeld in artikel 31, lid 2, neemt die lidstaat maatregelen om ervoor te zorgen dat exploitanten en andere betrokken natuurlijke en rechtspersonen de in artikel 72, lid 1, bedoelde passende maatregelen nemen in afwachting van ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 2 van dit artikel.

2.  Ingeval de bevoegde autoriteit van een lidstaat de desbetreffende ziekte bij gehouden dieren vermoedt, neemt de bevoegde autoriteit van een lidstaat die heeft gekozen voor de uitroeiing van een in lid 1 bedoelde in de lijst opgenomen ziekte, de volgende maatregelen:

a) zij verricht onverwijld een onderzoek om de aanwezigheid van die in de lijst opgenomen ziekte overeenkomstig artikel 73, leden 1 en 2, te bevestigen of uit te sluiten;

b) zij neemt, in afwachting van de resultaten van het onder a) bedoelde onderzoek en van de toepassing van de in artikel 80, lid 1, bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen, de voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen, bedoeld in artikel 74, leden 1 en 2.

3.  De bevoegde autoriteit evalueert de voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen als bedoeld in lid 2, onder b), en breidt deze uit overeenkomstig artikel 75.

4.  De leden 1, 2 en 3 van dit artikel zijn ook van toepassing op lidstaten of zones die een ziektevrije status hebben verkregen, teneinde die status te houden, overeenkomstig artikel 36, of op compartimenten overeenkomstig artikel 37, lid 2.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere regels ter aanvulling van de regels betreffende:

a) de in lid 1 bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen;

b) het in lid 2, onder a), bedoelde onderzoek;

c) de voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen die moeten worden genomen om de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte te voorkomen, bedoeld in lid 2, onder b).



Afdeling 2

Bevestiging van ziekte bij gehouden dieren

Artikel 77

Officiële bevestiging van ziekte door de bevoegde autoriteit

1.  De bevoegde autoriteit baseert de officiële bevestiging van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) of c), op de volgende informatie:

a) de resultaten van de klinische en laboratoriumonderzoeken, bedoeld in artikel 73, lid 2;

b) in voorkomend geval, het in artikel 74, lid 1, onder b), bedoelde epidemiologisch onderzoek;

c) andere beschikbare epidemiologische gegevens.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast betreffende de voorschriften waaraan moet zijn voldaan om de in lid 1 bedoelde officiële bevestiging te geven.

Artikel 78

Opheffing van voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen wanneer is uitgesloten dat een ziekte voorkomt

De bevoegde autoriteit blijft de in artikel 74, lid 1, artikel 75 en artikel 76, lid 2, onder b), bedoelde voorlopige ziektebestrijdingsmaatregelen toepassen totdat de aanwezigheid van de betreffende in de lijst opgenomen ziekte is uitgesloten overeenkomstig artikel 77, lid 1, en de krachtens artikel 77, lid 2, vastgestelde regels.



Afdeling 3

Ziektebestrijdingsmaatregelen bij bevestiging van ziekte bij gehouden dieren

Artikel 79

Ziektebestrijdingsmaatregelen door de bevoegde autoriteit met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b)

Wanneer een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), bij gehouden dieren officieel overeenkomstig artikel 77, lid 1, is bevestigd, neemt de bevoegde autoriteit de volgende maatregelen in een lidstaat, zone of compartiment, voor zover dit voor de uitbraak relevant is:

a) zij past de ziektebestrijdingsmaatregelen toe zoals die voor die in de lijst opgenomen ziekte zijn neergelegd in het verplichte uitroeiingsprogramma als bedoeld in artikel 31, lid 1; of

b) indien de lidstaat of zone overeenkomstig artikel 36 of het compartiment overeenkomstig artikel 37 een ziektevrije status heeft verkregen:

i) zij neemt één of meer van de in de artikelen 53 tot en met 69 bedoelde maatregelen, die in verhouding staan tot het risico dat verbonden is aan de betreffende in de lijst opgenomen ziekte, en

ii) zij vangt, waar nodig, aan met het verplichte uitroeiingsprogramma voor die in de lijst opgenomen ziekte.

Artikel 80

Ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder c)

1.  Wanneer een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder c), bij gehouden dieren officieel bevestigd is overeenkomstig artikel 77, lid 1, in een lidstaat die heeft gekozen voor een uitroeiingsprogramma dat de desbetreffende delen van zijn grondgebied of zones of compartimenten daarvan bestrijkt, als bedoeld in artikel 31, lid 2, voor zover dit voor die in de lijst opgenomen ziekte relevant is, neemt de bevoegde autoriteit de in het optionele uitroeiingsprogramma vastgelegde ziektebestrijdingsmaatregelen.

2.  De bevoegde autoriteit kan ziektebestrijdingsmaatregelen nemen die een aanvulling vormen op de in lid 1 bedoelde maatregelen, en die één of meer van de maatregelen van de artikelen 53 tot en met 69 omvatten en in verhouding staan tot het risico dat verbonden is aan de betreffende in de lijst opgenomen ziekte en de volgende aspecten in aanmerking nemen:

a) het ziekteprofiel;

b) de getroffen gehouden dieren;

c) economische en sociale gevolgen.

3.  Wanneer een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder c), bij gehouden dieren officieel bevestigd is overeenkomstig artikel 77, lid 1, in een lidstaat die een ziektevrije status heeft verkregen overeenkomstig artikel 36 of artikel 37, neemt de bevoegde autoriteit teneinde die status te behouden één of meer van de maatregelen bedoeld in de artikelen 53 tot en met 69. Die maatregelen zijn evenredig aan het risico dat verbonden is aan de in de lijst opgenomen ziekte en houden rekening met:

a) het ziekteprofiel;

b) de getroffen gehouden dieren;

c) economische en sociale gevolgen.



Afdeling 4

Wilde dieren

Artikel 81

Ziektebestrijdingsmaatregelen voor in de lijst opgenomen ziekten, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), bij wilde dieren

Wanneer de bevoegde autoriteit van een getroffen lidstaat het uitbreken van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), bij wilde dieren vermoedt of officieel bevestigt, neemt zij op het gehele grondgebied van de lidstaat, of in het betrokken gebied of de betrokken zone, voor zover dit voor de uitbraak relevant is, de volgende maatregelen:

a) zij past de ziektebestrijdingsmaatregelen toe zoals die voor die in de lijst opgenomen ziekte zijn neergelegd in het verplichte uitroeiingsprogramma als bedoeld in artikel 30, lid 1; of

b) zij vangt aan met een verplicht uitroeiingsprogramma, wanneer het in artikel 31, lid 1, bedoelde uitroeiingsprogramma dat voor die in de lijst opgenomen ziekte geldt, nog niet is toegepast omdat die ziekte eerder niet voorkwam of was uitgeroeid en indien maatregelen voor wilde dieren noodzakelijk zijn om de ziekte te bestrijden en de verspreiding ervan te voorkomen.

Artikel 82

Ziektebestrijdingsmaatregelen voor in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder c), bij wilde dieren

1.  Ingeval de bevoegde autoriteit vermoedt of officieel bevestigt dat een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder c), voorkomt bij wilde dieren en de getroffen lidstaat heeft gekozen voor de uitroeiing van de betreffende ziekte, en op voorwaarde dat maatregelen voor wilde dieren zijn gepland in het in artikel 31, lid 2, bedoelde optionele uitroeiingsprogramma dat voor die in de lijst opgenomen ziekte geldt, past de bevoegde autoriteit de voorgeschreven ziektebestrijdingsmaatregelen in dat optionele uitroeiingsprogramma toe op het gehele grondgebied van de betrokken lidstaat, het betrokken gebied of de betrokken zone, naargelang de relevantie van dat vermoeden of die officiële bevestiging.

2.  De bevoegde autoriteit kan ziektebestrijdingsmaatregelen nemen die een aanvulling vormen op die welke bedoeld zijn in lid 1, en die één of meer van de maatregelen van de artikelen 53 tot en met 69 omvatten en in verhouding staan tot het risico dat verbonden is aan de betreffende in de lijst opgenomen ziekte en de volgende aspecten in aanmerking nemen:

a) het ziekteprofiel;

b) de getroffen wilde dieren en het risico van overdracht van ziekten naar dieren en mensen; en

c) economische, sociale en milieugevolgen.

3.  Wanneer een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder c), bij wilde dieren officieel bevestigd is in een lidstaat die een ziektevrije status heeft verkregen overeenkomstig artikel 36 of artikel 37, en teneinde die status te behouden, neemt de bevoegde autoriteit één of meer van de maatregelen bedoeld in de artikelen 53 tot en met 69. Die maatregelen zijn evenredig aan het risico dat verbonden is aan de betreffende in de lijst opgenomen ziekte en houden rekening met:

a) het ziekteprofiel;

b) de getroffen wilde dieren en het risico van overdracht van ziekten naar dieren en mensen; en

c) de relevantie van de aanwezigheid van de ziekte bij wilde dieren voor de gezondheidsstatus van gehouden dieren; en

d) economische, sociale en milieugevolgen.



Afdeling 5

Coördinatie door de commissie en tijdelijke bijzondere ziektebestrijdingsvoorschriften

Artikel 83

Coördinatie van maatregelen door de Commissie en tijdelijke bijzondere voorschriften inzake de afdelingen 1 tot en met 4

1.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van:

a) de ziektebestrijdingsmaatregelen van hun bevoegde autoriteiten, overeenkomstig artikel 77, lid 1, en de artikelen 78, 79 en 81, en de krachtens artikel 77, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen betreffende een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b);

b) de ziektebestrijdingsmaatregelen van hun bevoegde autoriteiten, overeenkomstig artikel 77, lid 1, artikel 78, artikel 80, lid 1, en artikel 82, en de krachtens artikel 77, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen betreffende een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder c);

2.  De Commissie evalueert de ziektesituatie en de overeenkomstig dit hoofdstuk getroffen ziektebestrijdingsmaatregelen van de bevoegde autoriteit, en kan onder voorwaarden die passend zijn voor de epidemiologische situatie, door middel van uitvoeringshandelingen voor een beperkte termijn voor een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) of c), bijzondere voorschriften inzake ziektebestrijdingsmaatregelen vaststellen, wanneer:

a) die ziektebestrijdingsmaatregelen van de betrokken bevoegde autoriteit niet geschikt worden bevonden voor de epidemiologische situatie;

b) in voorkomend geval, die in de lijst opgenomen ziekte zich ondanks de overeenkomstig dit hoofdstuk genomen ziektebestrijdingsmaatregelen lijkt te verspreiden.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in van artikel 9, lid 1, onder b) of c), die een nieuw risico voor bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, stelt de Commissie volgens de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.



DEEL IV

REGISTRATIE, ERKENNING, TRACEERBAARHEID EN VERPLAATSINGEN



TITEL I

LANDDIEREN, LEVENDE PRODUCTEN EN VAN LANDDIEREN AFKOMSTIGE PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG



HOOFDSTUK 1

Registratie, erkenning, documentatie en registers



Afdeling 1

Registratie van inrichtingen en bepaalde soorten exploitanten

Artikel 84

Verplichting voor de exploitanten om inrichtingen te registreren

1.  Exploitanten van inrichtingen waar landdieren worden gehouden of waar levende producten worden gewonnen, geproduceerd, behandeld of opgeslagen, moeten met het oog op de registratie van hun inrichtingen overeenkomstig artikel 93, alvorens zij die activiteiten aanvatten:

a) de bevoegde autoriteit in kennis stellen van alle soortgelijke inrichtingen waarvoor zij verantwoordelijk zijn;

b) de bevoegde autoriteit gegevens verstrekken over:

i) de naam en het adres van de betrokken exploitant;

ii) de locatie van de inrichting en een beschrijving van de voorzieningen ervan;

iii) de categorieën, soorten en aantallen of hoeveelheden van de gehouden landdieren of levende producten die zij voornemens zijn te houden in de inrichting en de capaciteit van de inrichting;

iv) het soort inrichting; en

v) andere aspecten van de inrichting die relevant zijn voor het bepalen van het risico dat ermee verbonden is.

2.  De in lid 1 bedoelde exploitanten van inrichtingen stellen de bevoegde autoriteit in kennis van:

a) wijzigingen in de desbetreffende inrichting wat de in lid 1, onder b), bedoelde aspecten betreft;

b) de stopzetting van de activiteiten door de betrokken exploitant of van de betrokken inrichting.

3.  Inrichtingen die moeten worden erkend overeenkomstig artikel 94, lid 1, hoeven de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie niet te verstrekken.

Artikel 85

Afwijkingen van de verplichting voor exploitanten om inrichtingen te registreren

In afwijking van artikel 84, lid 1, kunnen de lidstaten bepaalde categorieën inrichtingen die geen significant risico inhouden van de registratieverplichting vrijstellen, als bedoeld in een uitvoeringshandeling overeenkomstig artikel 86, lid 2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke vrijstellingen.

Artikel 86

Uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de verplichting voor exploitanten om inrichtingen te registreren

1.  De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, regels vaststellen met betrekking tot de gegevens die exploitanten moeten verstrekken voor de registratie van inrichtingen, als bedoeld in artikel 84, lid 1, met inbegrip van de termijnen waarbinnen dergelijke informatie moet worden verstrekt.

2.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, regels vast met betrekking tot de soorten inrichtingen die overeenkomstig artikel 85 door de lidstaten kunnen worden vrijgesteld van de verplichting tot registratie op basis van:

a) de soorten, categorieën en aantallen gehouden landdieren en levende producten die in de desbetreffende inrichting aanwezig zijn en de capaciteit van die inrichting;

b) het soort inrichting; en

c) de verplaatsingen van gehouden landdieren of levende producten naar en uit de inrichting.

3.  De in dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 87

Registratieverplichtingen van vervoerders van gehouden hoefdieren, en gedelegeerde handelingen

1.  Vervoerders van gehouden hoefdieren die zich bezighouden met het vervoer van deze dieren tussen lidstaten of tussen een lidstaat en een derde land, verrichten de volgende handelingen met het oog op hun registratie overeenkomstig artikel 93 alvorens zij die activiteiten aanvatten:

a) de bevoegde autoriteit in kennis stellen van hun activiteiten;

b) die bevoegde autoriteit informatie verstrekken over:

i) de naam en het adres van de betrokken vervoerder;

ii) de categorieën, soorten en aantallen van de geplande te vervoeren gehouden hoefdieren;

iii) het soort vervoer;

iv) het vervoermiddel.

2.  De in lid 1 bedoelde vervoerders stellen de bevoegde autoriteit in kennis van:

a) wijzigingen met betrekking tot de in lid 1, onder b), bedoelde aspecten;

b) stopzetting van de vervoersactiviteiten.

3.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot aanvulling van de regels van lid 1 van dit artikel waarbij andere soorten vervoerders waarvan de vervoersactiviteit specifieke en significante risico's voor bepaalde soorten of categorieën dieren inhoudt, verplicht worden om de voor de registratie van hun activiteiten vereiste informatie te verstrekken.

Artikel 88

Afwijkingen van de registratieverplichting voor vervoerders van gehouden hoefdieren

In afwijking van artikel 87, lid 1, kunnen de lidstaten bepaalde categorieën vervoerders waarvan de vervoersactiviteit geen significant risico inhoudt van de registratieverplichting vrijstellen, als bedoeld in een overeenkomstig artikel 89, lid 2, vastgestelde uitvoeringshandeling. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke vrijstellingen.

Artikel 89

Uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de registratieverplichting voor vervoerders

1.  De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, regels vaststellen met betrekking tot de gegevens die vervoerders moeten verstrekken voor de registratie van hun activiteit, bedoeld in artikel 87, leden 1 en 3, met inbegrip van de termijnen waarbinnen deze informatie moet worden verstrekt.

2.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, regels vast met betrekking tot de soorten vervoerders die door de lidstaten kunnen worden vrijgesteld van de registratieverplichting overeenkomstig artikel 86, op basis van:

a) de afstanden waarover zij de desbetreffende gehouden hoefdieren vervoeren; en

b) de categorieën, soorten en aantallen gehouden hoefdieren die zij vervoeren.

3.  De in dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 90

Registratieverplichting voor onafhankelijk van een inrichting werkende exploitanten van verzamelingen

1.  Exploitanten van onafhankelijk van een inrichting werkende verzamelingen van gehouden hoefdieren en pluimvee, met inbegrip van de personen die dieren kopen en verkopen, verstrekken met het oog op hun registratie overeenkomstig artikel 93, alvorens zij met hun activiteiten aanvangen, aan de bevoegde autoriteit informatie over:

a) de naam en het adres van de betrokken exploitant;

b) de soorten en categorieën gehouden hoefdieren en pluimvee waarop hun activiteit betrekking heeft;

2.  De in lid 1 bedoelde exploitanten stellen de bevoegde autoriteit in kennis van:

a) wijzigingen met betrekking tot de in lid 1 bedoelde aspecten;

b) stopzetting van de activiteit door de betrokken exploitant.

Artikel 91

Afwijkingen van de registratieverplichting voor exploitanten van verzamelingen

In afwijking van artikel 90, lid 1, kunnen de lidstaten bepaalde categorieën exploitanten van verzamelingen die geen significant risico inhouden, vrijstellen van de registratieverplichting als bedoeld in een overeenkomstig artikel 92, lid 2, vastgestelde uitvoeringshandeling. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke vrijstellingen.

Artikel 92

Uitvoeringsbevoegdheden betreffende de registratieverplichting voor exploitanten van verzamelingen

1.  De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, regels vaststellen met betrekking tot de gegevens die exploitanten moeten verstrekken voor de registratie, als bedoeld in artikel 90, lid 1, met inbegrip van de termijnen waarbinnen deze informatie moet worden verstrekt.

2.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, regels vast met betrekking tot de soorten exploitanten die door de lidstaten kunnen worden vrijgesteld van de registratieverplichting overeenkomstig artikel 91, mits de activiteit van dergelijke exploitanten geen significant risico inhoudt en op basis van de soorten, categorieën en aantallen gehouden landdieren waarop hun activiteit betrekking heeft.

3.  De in dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 93

Verplichting voor de bevoegde autoriteit met betrekking tot registratie

Een bevoegde autoriteit registreert:

a) inrichtingen in het register, bedoeld in artikel 101, lid 1, indien de betrokken exploitant de overeenkomstig artikel 84, lid 1, vereiste informatie heeft verstrekt;

b) vervoerders in het register, bedoeld in artikel 101, lid 1, indien de betrokken vervoerder de overeenkomstig artikel 87, leden 1 en 3, vereiste informatie heeft verstrekt;

c) onafhankelijk van een inrichting werkende exploitanten van verzamelingen in het register, bedoeld in artikel 101, lid 1, indien de betrokken exploitant de overeenkomstig artikel 90, lid 1, vereiste informatie heeft verstrekt.

De bevoegde autoriteit kent aan elke in de punten a), b) of c) van de eerste alinea bedoelde inrichting, vervoerder en exploitant een uniek registratienummer toe.



Afdeling 2

Erkenning van bepaalde soorten inrichtingen

Artikel 94

Erkenning van bepaalde inrichtingen en gedelegeerde handelingen

1.  De exploitanten van de volgende soorten inrichtingen dienen bij de bevoegde autoriteit een aanvraag tot erkenning in overeenkomstig artikel 96, lid 1, en beginnen hun activiteiten pas wanneer hun inrichting overeenkomstig artikel 97, lid 1, is erkend;

a) inrichtingen voor het verzamelen van hoefdieren en pluimvee van waaruit die dieren worden verplaatst naar een andere lidstaat of die dieren ontvangen uit een andere lidstaat;

b) inrichtingen voor levende producten voor runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen, van waaruit levende producten van die dieren worden verplaatst naar een andere lidstaat;

c) broederijen van waaruit broedeieren of pluimvee worden verplaatst naar een andere lidstaat;

d) inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden van waaruit pluimvee dat bestemd is voor andere doeleinden dan de slacht of het uitbroeden van eieren wordt vervoerd naar een andere lidstaat;

e) elke andere soort inrichting voor gehouden landdieren die een significant risico inhoudt en erkenning behoeft op grond van regelgeving in een krachtens lid 3, onder b), vastgestelde gedelegeerde handeling.

2.  De exploitanten beëindigen de activiteiten in een inrichting, als bedoeld in lid 1, wanneer:

a) de erkenning overeenkomstig artikel 100, lid 2, door de bevoegde autoriteit wordt ingetrokken of geschorst; of

b) in geval van een voorwaardelijke erkenning overeenkomstig artikel 99, lid 3, de desbetreffende inrichting niet voldoet aan de overblijvende voorwaarden van artikel 99, lid 3, en geen definitieve erkenning krijgt krachtens artikel 97, lid 1.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) afwijkingen van de verplichting voor exploitanten van de soorten inrichtingen, bedoeld in lid 1, onder a) tot en met d), om bij de bevoegde autoriteit erkenning aan te vragen, wanneer die inrichtingen geen significant risico inhouden;

b) de soorten inrichtingen die overeenkomstig lid 1, onder e), moeten worden erkend;

c) bijzondere regels voor de beëindiging van de activiteiten van inrichtingen voor levende producten, bedoeld in lid 1, onder b).

4.  Bij de vaststelling van in lid 3 bedoelde gedelegeerde handelingen, hanteert de Commissie de volgende criteria:

a) de soorten en categorieën gehouden landdieren of levende producten in een inrichting;

b) het aantal soorten en het aantal gehouden landdieren of levende producten in een inrichting;

c) het soort inrichting en het soort productie; en

d) de verplaatsingen van gehouden landdieren of levende producten naar en uit die soorten inrichtingen.

Artikel 95

Erkenning van de status van geconsigneerde inrichtingen

De exploitanten van inrichtingen die de status van geconsigneerde inrichting wensen te verkrijgen:

a) dienen bij de bevoegde autoriteit een aanvraag in tot erkenning overeenkomstig artikel 96, lid 1;

b) verplaatsen gehouden dieren pas naar of uit hun inrichting als bedoeld in de voorschriften van artikel 137, lid 1, en in de krachtens artikel 137, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen, nadat hun inrichting van de bevoegde autoriteit de erkenning van die status heeft verkregen overeenkomstig de artikelen 97 en 99.

Artikel 96

Plicht van exploitanten tot het verstrekken van informatie voor het verkrijgen van een erkenning en uitvoeringshandelingen

1.  Bij hun aanvraag tot erkenning van hun inrichting overeenkomstig artikel 94, lid 1, en artikel 95, onder a), verstrekken de exploitanten de bevoegde autoriteit informatie betreffende:

a) de naam en het adres van de betrokken exploitant;

b) de locatie van de betrokken inrichting en een beschrijving van de voorzieningen ervan;

c) de categorieën, de soorten en het aantal gehouden landdieren of levende producten die relevant zijn voor de erkenning die worden gehouden in de inrichting;

d) het soort inrichting;

e) andere aspecten in verband met de specifieke kenmerken van de inrichting die relevant zijn voor de beoordeling van enig daarmee verbonden risico.

2.  De in lid 1 bedoelde exploitanten van inrichtingen stellen de bevoegde autoriteit in kennis van:

a) wijzigingen in de inrichtingen met betrekking tot de in lid 1, onder a), b) of c), bedoelde aspecten;

b) de stopzetting van de activiteiten door de betrokken exploitant of inrichting.

3.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen met betrekking tot de informatie die de exploitanten overeenkomstig lid 1 moeten verstrekken in hun aanvraag tot erkenning van hun inrichtingen, en de termijnen waarbinnen de in lid 1 en lid 2, onder b), bedoelde informatie moet worden verstrekt.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 97

Verlening van en voorwaarden voor de erkenning van inrichtingen en gedelegeerde handelingen

1.  De bevoegde autoriteiten verlenen inrichtingen slechts de in artikel 94, lid 1, en artikel 95, onder a), bedoelde erkenning wanneer deze inrichtingen:

a) voor zover van toepassing, voldoen aan de volgende voorschriften betreffende:

i) quarantaine, isolering en andere biobeveiligingsmaatregelen, rekening houdend met de voorschriften, bedoeld in artikel 10, lid 1, onder b), en de regels vastgesteld krachtens artikel 10, lid 2;

ii) bewakingsvoorschriften als bedoeld in artikel 24 en, indien van toepassing, voor het betrokken soort inrichting en het daarmee verbonden risico, bedoeld in artikel 25;

iii) documentatie als bedoeld in de artikelen 102 en 103 en in de krachtens de artikelen 106 en 107 vastgestelde regels;

b) beschikken over voorzieningen en uitrusting die:

i) geschikt zijn om het risico op het binnenbrengen en het verspreiden van ziekten tot een aanvaardbaar niveau terug te dringen, rekening houdend met het betrokken soort inrichting;

ii) voldoende capaciteit hebben voor het betrokken aantal gehouden landdieren of volume levende producten;

c) geen onaanvaardbaar risico voor verspreiding van ziekten inhouden, rekening houdend met de geldende risicobeperkingsmaatregelen;

d) beschikken over goed opgeleid personeel voor de activiteit van de betrokken inrichting;

e) voorzien zijn van een systeem waarmee de betrokken exploitant aan de bevoegde autoriteit kan aantonen dat de punten a) tot en met d) worden nageleefd.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) quarantaine, isolering en andere biobeveiligingsmaatregelen als bedoeld in lid 1, onder a), i);

b) bewaking als bedoeld in lid 1, onder a), ii);

c) voorzieningen en uitrusting als bedoeld in lid 1, onder b);

d) de verantwoordelijkheid, vakkundigheid en gespecialiseerde opleiding van het personeel en de dierenartsen, bedoeld in lid 1, onder d), voor de activiteit van inrichtingen voor levende producten en inrichtingen voor verzamelingen van hoefdieren en pluimvee;

e) het nodige toezicht door de bevoegde autoriteit op inrichtingen van levende producten en inrichtingen voor verzamelingen van hoefdieren en pluimvee.

3.  Bij de vaststelling van de uitvoeringsregels voor de overeenkomstig lid 2 vast te stellen gedelegeerde handelingen, baseert de Commissie zich op de volgende aspecten:

a) de risico's die met elk soort inrichting verbonden zijn;

b) de soorten en categorieën gehouden landdieren in de inrichting die relevant zijn voor de erkenning;

c) het betrokken soort productie;

d) typische verplaatsingspatronen voor het soort inrichting en voor de soorten en de categorieën dieren die in deze inrichtingen worden gehouden.

Artikel 98

Toepassingsgebied van de erkenning van inrichtingen

Bij de overeenkomstig artikel 97, lid 1, verleende erkenning van een inrichting op grond van een overeenkomstig artikel 94, lid 1, of artikel 95, onder a), ingediende aanvraag bepaalt de bevoegde autoriteit uitdrukkelijk:

a) voor welke van de soorten inrichtingen, bedoeld in artikel 94, lid 1, en artikel 95, en de krachtens artikel 94, lid 3, onder b), vastgestelde regels, de erkenning geldig is;

b) voor welke soorten en categorieën gehouden landdieren of levende producten van die soorten de erkenning geldig is.

Artikel 99

Procedures voor het verlenen van de erkenning door de bevoegde autoriteit

1.  De bevoegde autoriteit stelt procedures op die exploitanten moeten volgen wanneer zij een aanvraag indienen voor de erkenning van hun inrichtingen overeenkomstig artikel 94, lid 1, artikel 95 of artikel 96, lid 1.

2.  Na ontvangst van een aanvraag tot erkenning van een exploitant overeenkomstig artikel 94, lid 1, of artikel 95, onder a), verricht de bevoegde autoriteit een inspectiebezoek ter plaatse.

3.  Indien aan de in artikel 97 en de in leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde voorschriften is voldaan, verleent de bevoegde autoriteit de erkenning.

4.  In het geval waarin een instelling niet voldoet aan alle in artikel 97 genoemde voorwaarden voor de erkenning, kan de bevoegde autoriteit een voorwaardelijke erkenning geven, als op basis van de aanvraag van de betrokken exploitant en het daaropvolgende inspectiebezoek ter plaatse als bedoeld in lid 2 van dit artikel blijkt dat de inrichting voldoet aan alle voornaamste voorschriften die voldoende garanties bieden dat de inrichting geen significant risico vormt.

5.  Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 4 van dit artikel een voorwaardelijke erkenning heeft verleend, verleent zij de definitieve erkenning pas na een volgende inspectie ter plaatse, die wordt uitgevoerd binnen drie maanden na de voorwaardelijke erkenning, of na de ontvangst binnen drie maanden na die datum van documentatie van de exploitant, waaruit blijkt dat de inrichting voldoet aan alle voorwaarden voor de erkenning als bedoeld in artikel 97, lid 1, en in de krachtens artikel 97, lid 2, vastgestelde regels.

Indien uit de inspectie ter plaatse of uit de in de eerste alinea bedoelde documentatie blijkt dat de inrichting duidelijk vooruitgang heeft geboekt, maar nog steeds niet aan alle voorwaarden voldoet, dan kan de bevoegde autoriteit de voorwaardelijke erkenning verlengen. De voorwaardelijke erkenning mag echter in totaal niet meer dan zes maanden geldig zijn.

Artikel 100

Herziening, schorsing en intrekking van erkenningen door de bevoegde autoriteit

1.  De bevoegde autoriteit evalueert de erkenningen van inrichtingen die zijn verleend overeenkomstig de artikelen 97 en 99 met passende tussenpozen op basis van het risico.

2.  Indien een bevoegde autoriteit bij een inrichting ernstige tekortkomingen vaststelt inzake de naleving van de vereisten van artikel 97, lid 1, en van de krachtens artikel 97, lid 2, vastgestelde regels en indien de exploitant van die inrichting geen afdoende garanties kan bieden dat deze tekortkomingen zullen worden verholpen, leidt de bevoegde autoriteit de procedure tot intrekking van de erkenning van de inrichting in.

De bevoegde autoriteit kan evenwel de erkenning van een inrichting slechts opschorten in plaats van intrekken, indien de exploitant kan garanderen die tekortkomingen binnen een redelijke termijn te zullen verhelpen.

3.  Een overeenkomstig lid 2 opgeschorte of ingetrokken erkenning wordt enkel opnieuw verleend wanneer de bevoegde autoriteit zich ervan heeft vergewist dat de inrichting volledig voldoet aan alle voorschriften van deze verordening die op dat soort inrichting van toepassing zijn.



Afdeling 3

Door de bevoegde autoriteit gehouden registers

Artikel 101

Door de bevoegde autoriteit te houden registers

1.  Elke bevoegde autoriteit legt registers aan en houdt daarin actuele gegevens bij over:

a) alle inrichtingen en exploitanten die overeenkomstig artikel 93 bij haar zijn geregistreerd;

b) alle inrichtingen die overeenkomstig de artikelen 97 en 99 door haar zijn erkend.

Zij maakt de in de punten a) en b) van de eerste alinea bedoelde registers toegankelijk voor de Commissie en de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten voor zover de daarin vervatte informatie relevant is voor de verplaatsingen van gehouden landdieren en levende producten daarvan tussen de lidstaten.

Zij maakt het in punt b) van de eerste alinea bedoelde register van erkende inrichtingen toegankelijk voor het publiek voor zover de daarin vervatte informatie relevant is voor de verplaatsingen van gehouden landdieren en levende producten daarvan tussen de lidstaten.

2.  Wanneer dit passend en relevant is, kan een bevoegde autoriteit de in lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde registratie en de in lid 1, eerste alinea, onder b), bedoelde erkenningen combineren met een registratie voor andere doeleinden.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de in de registers te vermelden nadere gegevens als bedoeld in lid 1, eerste alinea, onder a) en b), en de toegankelijkheid van het register voor het publiek, bedoeld in lid 1, eerste alinea, onder b).



Afdeling 4

Documentatie

Artikel 102

Documentatieverplichtingen voor exploitanten van andere inrichtingen dan inrichtingen voor levende producten

1.  De exploitanten van inrichtingen die moeten worden geregistreerd overeenkomstig artikel 93, of die moeten worden erkend overeenkomstig artikel 97, lid 1, zorgen voor het bewaren en bijhouden van documentatie, die ten minste de volgende gegevens bevat:

a) de soorten, de categorieën, het aantal en, in voorkomend geval, de identificatie van in hun inrichting gehouden landdieren;

b) de verplaatsingen van gehouden landdieren van en naar hun inrichting, naargelang het geval onder vermelding van:

i) de plaats van herkomst en de plaats van bestemming;

ii) de data waarop deze verplaatsingen plaatsvinden;

c) de documenten die gehouden landdieren die in hun inrichting aankomen of die verlaten, dienen te vergezellen overeenkomstig artikel 112, onder b), artikel 113, lid 1, onder b), artikel 114, lid 1, onder c), artikel 115, onder b), artikel 117, onder b), artikel 143, leden 1 en 2, artikel 164, lid 2, en de krachtens artikelen 118 en 120 en artikel 144, lid 1, onder b) en c), vastgestelde regels;

d) het sterftecijfer van in hun inrichting gehouden landdieren;

e) biobeveiligingsmaatregelen, bewaking, behandelingen, testresultaten en ander relevante gegevens indien van toepassing voor:

i) de soorten en categorieën in de inrichting gehouden landdieren;

ii) het soort productie;

iii) het soort en de grootte van de inrichting;

f) de resultaten van de diergezondheidsinspecties die op grond van artikel 25, lid 1, zijn vereist.

De documentatie wordt bewaard en bijgehouden op papier of in elektronische vorm.

2.  Inrichtingen die een gering risico op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten inhouden, kunnen door de betrokken lidstaat worden vrijgesteld van de verplichting om documentatie bij te houden van alle of een deel van de informatie als bedoeld in lid 1.

3.  De exploitanten van inrichtingen bewaren de in de leden 1 en 2 bedoelde documentatie in hun betrokken inrichting en:

a) stellen die op verzoek onmiddellijk ter beschikking van de bevoegde autoriteit;

b) bewaren die gedurende een door de bevoegde autoriteit voor te schrijven minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.

4.  In afwijking van lid 3 kunnen exploitanten worden vrijgesteld van de verplichting documentatie betreffende enkele of alle in lid 1 bedoelde gegevens bij te houden, wanneer de betrokken exploitant:

a) voor de desbetreffende soort toegang heeft tot het in artikel 109 bedoelde geautomatiseerde gegevensbestand en het gegevensbestand reeds de in de documentatie op te nemen informatie bevat; en

b) de bijgewerkte informatie rechtstreeks in het geautomatiseerde gegevensbestand laat opnemen.

Artikel 103

Documentatieverplichtingen voor inrichtingen voor levende producten

1.  De exploitanten van inrichtingen voor levende producten zorgen voor het bewaren en bijhouden van documentatie, die ten minste de volgende gegevens bevat:

a) het ras, de leeftijd, de identificatie en de gezondheidsstatus van de voor de productie van levende producten gebruikte donordieren;

b) het tijdstip en de plaats van winning, en de verwerking en opslag van de gewonnen, geproduceerde of verwerkte levende producten;

c) de identificatie van de levende producten en nadere gegevens over hun bestemming, indien die beschikbaar zijn;

d) de documenten die levende producten die in de desbetreffende inrichting aankomen of die verlaten, dienen te vergezellen overeenkomstig artikel 162, artikel 164, lid 2, en krachtens artikel 162, leden 3 en 4, vastgestelde regels;

e) indien relevant, de resultaten van klinische en laboratoriumonderzoeken;

f) de gebruikte laboratoriumtechnieken.

2.  Inrichtingen die een gering risico op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten inhouden, kunnen door de betrokken lidstaat worden vrijgesteld van de verplichting om documentatie bij te houden van alle of een deel van de informatie als bedoeld in lid 1.

3.  De exploitanten van inrichtingen voor levende producten bewaren de in de leden 1 en 2 bedoelde documentatie in hun inrichting en:

a) stellen die op verzoek onmiddellijk ter beschikking van de bevoegde autoriteit;

b) bewaren die gedurende een door de bevoegde autoriteit voor te schrijven minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.

Artikel 104

Documentatieverplichtingen voor vervoerders

1.  Vervoerders zorgen voor het bewaren en bijhouden van documentatie, die ten minste de volgende gegevens bevat:

a) de door hen aangedane inrichtingen;

b) de categorieën, soorten en het aantal vervoerde gehouden landdieren;

c) de reiniging, ontsmetting en desinfestatie van de gebruikte vervoermiddelen;

d) nadere gegevens over de documenten die de betrokken dieren begeleiden, met inbegrip van de documentnummers.

De documentatie wordt bijgehouden en bewaard in papieren of elektronische vorm.

2.  Vervoerders die een gering risico voor verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten inhouden, kunnen door de betrokken lidstaat worden vrijgesteld van de verplichting om documentatie bij te houden van alle of een deel van de informatie als bedoeld in lid 1.

3.  De vervoerders bewaren de in de leden 1 en 2 bedoelde documentatie:

a) op een dusdanige wijze dat de bevoegde autoriteit er op haar verzoek onmiddellijk toegang toe kan krijgen;

b) gedurende een door de bevoegde autoriteit voor te schrijven minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.

Artikel 105

Documentatieverplichtingen voor de exploitanten van verzamelingen

1.  Exploitanten van verzamelingen, die onderworpen zijn aan de registratieverplichting neergelegd in artikel 93, zorgen voor het bewaren en bijhouden van documentatie, die ten minste de volgende gegevens bevat:

a) de soorten, de categorieën, de aantallen en de identificatie van gehouden landdieren die onder hun verantwoordelijkheid vallen;

b) de verplaatsingen van gehouden landdieren die onder hun verantwoordelijkheid vallen, naargelang het geval onder vermelding van:

i) de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming;

ii) de data waarop deze verplaatsingen plaatsvinden;

c) de documenten die gehouden landdieren die onder hun verantwoordelijkheid vallen, dienen te vergezellen overeenkomstig artikel 112, onder b), artikel 113, lid 1, onder b), artikel 114, lid 1, onder c), artikel 115, onder b), artikel 117, onder b), artikel 143, leden 1 en 2, artikel 164, lid 2, en krachtens de artikelen 118 en 120 en artikel 144, lid 1, onder b) en c), vastgestelde regels;

d) het sterftecijfer van gehouden landdieren die onder hun verantwoordelijkheid vallen;

e) biobeveiligingsmaatregelen, bewaking, behandelingen, testresultaten en andere relevante gegevens indien van toepassing voor de soorten en categorieën gehouden landdieren die onder hun verantwoordelijkheid vallen.

De documentatie wordt bewaard en bijgehouden op papier of in elektronische vorm.

2.  Exploitanten die een gering risico op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten inhouden, kunnen door de betrokken lidstaat worden vrijgesteld van de verplichting om documentatie bij te houden over alle of een deel van de informatie als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

3.  De exploitanten:

a) stellen de in lid 1 bedoelde documentatie op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit;

b) bewaren deze documentatie gedurende een door de bevoegde autoriteit voor te schrijven minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.

Artikel 106

Bevoegdheidsdelegatie inzake documentatie

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot regels ter aanvulling van de documentatievoorschriften van de artikelen 102, 103, 104 en 105 inzake:

a) gegevens die moeten worden bijgehouden ter aanvulling van de gegevens, bedoeld in artikel 102, lid 1, artikel 103, lid 1, artikel 104, lid 1 en artikel 105, lid 1;

b) aanvullende documentatievoorschriften met betrekking tot levende producten die zijn gewonnen, geproduceerd of verwerkt in een inrichting voor levende producten, nadat deze inrichting haar activiteiten heeft beëindigd.

2.  Bij de vaststelling van de regels voor de gedelegeerde handelingen, als bedoeld in lid 1, baseert de Commissie zich op de volgende aspecten:

a) de risico's die met elk soort inrichting of activiteit verbonden zijn;

b) de soorten en categorieën gehouden landdieren of levende producten die zich in de betrokken inrichting bevinden of worden vervoerd naar of uit die inrichting;

c) het soort productie in de inrichting of het soort activiteit;

d) de typische verplaatsingspatronen en de betrokken categorieën dieren;

e) het aantal gehouden landdieren of het volume levende producten waarvoor de betrokken exploitant verantwoordelijk is.

Artikel 107

Uitvoeringsbevoegdheid met betrekking tot vrijstellingen van de documentatievoorschriften

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen betreffende de soorten inrichtingen en exploitanten die door de lidstaten kunnen worden vrijgesteld van de bij de artikelen 102, 103, 104 en 105 vastgestelde documentatievoorschriften wat betreft:

a) inrichtingen of exploitanten die een klein aantal gehouden landdieren of een kleine hoeveelheid levende producten houden, daarmee werken of deze vervoeren;

b) de soorten of categorieën gehouden landdieren of levende producten.

Bij de vaststelling van deze uitvoeringshandelingen baseert de Commissie zich op de in artikel 106, lid 2, neergelegde criteria.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 2

Traceerbaarheidsvoorschriften voorgehouden landdieren en levende producten



Afdeling 1

Gehouden landdieren

Artikel 108

Verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de vaststelling van een identificatie- en registratiesysteem voor gehouden landdieren

1.  De lidstaten beschikken over een identificatie- en registratiesysteem voor de soorten gehouden landdieren waarvoor een dergelijk systeem krachtens deze verordening en op grond daarvan vastgestelde regels is vereist. Een dergelijk systeem voorziet, in voorkomend geval, in de registratie van de verplaatsingen van die dieren.

2.  Bij het opzetten van het in lid 1 bedoelde systeem houden de lidstaten rekening met:

a) de betrokken soorten of categorieën gehouden landdieren;

b) het aan die soort of categorie verbonden risico.

3.  Het in lid 1 bedoelde systeem bevat de volgende elementen:

a) de middelen om gehouden landdieren individueel of groepsgewijs te identificeren;

b) de in artikel 110 bedoelde identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten en andere documenten voor het identificeren en traceren van gehouden landdieren;

c) actuele documentatie in inrichtingen als bedoeld in artikel 102, lid 1, onder a) en b);

d) een in artikel 109, lid 1, bedoeld geautomatiseerd gegevensbestand van gehouden landdieren.

4.  Het in lid 1 bedoelde systeem wordt zo ontworpen dat:

a) de efficiënte toepassing van de in deze verordening bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten is gewaarborgd;

b) de traceerbaarheid van gehouden landdieren, hun verplaatsingen in en tussen de lidstaten en hun binnenkomst in de Unie wordt vergemakkelijkt;

c) de efficiënte interoperabiliteit, de integratie en de compatibiliteit van de elementen van dat systeem zijn gewaarborgd;

d) wordt gewaarborgd dat het systeem, voor zover nodig, is aangepast aan:

i) het in artikel 22 bedoelde geautomatiseerd informatiesysteem voor melding en rapportage in de Unie;

ii) het TRACES-systeem;

e) er met betrekking tot de verschillende onder het systeem vallende diersoorten een samenhangende aanpak wordt gewaarborgd.

5.  De lidstaten kunnen, wanneer dat passend is:

a) het gehele of een deel van het in lid 1 bedoelde systeem gebruiken voor andere doeleinden dan die van lid 4, onder a) en b);

b) de in artikel 110 bedoelde identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten en andere documenten samenvoegen met de diergezondheidscertificaten of documenten met de eigen verklaring, bedoeld in artikel 143, leden 1 en 2, en in artikel 151, lid 1, en met krachtens artikel 144, lid 1, onder b) en c), en artikel 151, leden 3 en 4, vastgestelde regels;

c) een andere autoriteit aanwijzen of een andere instantie of een natuurlijke persoon machtiging verlenen om de praktische toepassing van het in lid 1 van dit artikel bedoelde identificatie- en registratiesysteem te waarborgen, waaronder het afgeven van identificatiedocumenten en het opstellen van modellen, bedoeld in artikel 110, lid 1, onder a), b) en c).

Artikel 109

Verplichting voor de lidstaten om een geautomatiseerd gegevensbestand van gehouden landdieren op te zetten en bij te houden

1.  De lidstaten zetten een geautomatiseerd gegevensbestand op, en houden het bij, voor het opslaan van ten minste:

a) de volgende gegevens in verband met gehouden dieren die tot een rundersoort behoren:

i) hun individuele identificatie, bedoeld in artikel 112, onder a);

ii) de inrichtingen waar zij worden gehouden;

iii) hun verplaatsingen van en naar die inrichtingen;

b) de volgende gegevens in verband met gehouden dieren die tot een schapen- of geitensoort behoren:

i) gegevens over hun identificatie, bedoeld in artikel 113, lid 1, onder a), en het aantal dieren in de inrichtingen waar zij worden gehouden;

ii) de inrichtingen waar zij worden gehouden;

iii) hun verplaatsingen van en naar die inrichtingen;

c) de volgende gegevens over gehouden dieren die tot een varkenssoort behoren:

i) gegevens over hun identificatie, bedoeld in artikel 115, en het aantal dieren in de inrichtingen waar zij worden gehouden;

ii) de inrichtingen waar zij worden gehouden;

iii) hun verplaatsingen van en naar die inrichtingen;

d) de volgende gegevens in verband met gehouden dieren die tot een paardachtigensoort behoren:

i) hun unieke code, bedoeld in artikel 114;

ii) de identificatiemethode, bedoeld in artikel 114, lid 1, onder b), die het betrokken dier verbindt met het in punt iii) bedoelde identificatiedocument, indien van toepassing;

iii) de ter zake doende identificatiegegevens uit het in artikel 114, lid 1, onder c), bedoelde identificatiedocument, overeenkomstig de krachtens de artikelen 118 en 120 vastgestelde regels;

iv) de inrichtingen waar die dieren gewoonlijk worden gehouden;

e) gegevens inzake gehouden landdieren van andere dan de in de onder a), b), c) en d) van dit lid bedoelde soorten, indien daarin in de krachtens lid 2 vastgestelde regels is voorzien.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot het waar nodig registreren van gegevens inzake andere dan de in lid 1, onder a), b), c) en d), van dit artikel bedoelde diersoorten in het in dat lid bedoelde geautomatiseerd gegevensbestand, gelet op de specifieke en significante risico's welke die diersoorten opleveren, om:

a) de efficiënte toepassing van de in deze verordening bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten te waarborgen;

b) de traceerbaarheid van gehouden landdieren, hun verplaatsingen tussen de lidstaten en hun binnenkomst in de Unie te vergemakkelijken.

Artikel 110

Verplichting voor de bevoegde autoriteit met betrekking tot identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten en andere documenten voor het identificeren en traceren van gehouden landdieren

1.  Elke bevoegde autoriteit:

a) geeft identificatiedocumenten met betrekking tot gehouden landdieren af indien die documenten zijn voorgeschreven bij artikel 114, lid 1, en artikel 117, onder b), of overeenkomstig de krachtens de artikelen 118 en 120 vastgestelde regels;

b) geeft identificatiedocumenten met betrekking tot runderen af, als voorgeschreven krachtens artikel 112, onder b), tenzij lidstaten onderling elektronische gegevens uitwisselen in een systeem voor elektronische gegevensuitwisseling, vanaf de datum waarop de Commissie vaststelt dat dit systeem volledig operationeel is;

c) stelt modellen op van verplaatsingsdocumenten en andere documenten voor het identificeren en traceren van gehouden landdieren wanneer dat is vereist krachtens artikel 113, lid 1, onder b), artikel 115, onder b), of artikel 117, onder b), of overeenkomstig de krachtens de artikelen 118 en 120 vastgestelde regels.

2.  Lid 1, onder b), doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten nationale regels vast te stellen inzake de afgifte van paspoorten voor dieren die niet bestemd zijn voor verplaatsingen tussen de lidstaten.

Artikel 111

Openbaarheid van gegevens over identificatiemiddelen

Elke bevoegde autoriteit stelt de Commissie in kennis van en maakt gegevens openbaar over:

a) contactpunten voor de overeenkomstig artikel 109, lid 1, door de lidstaten ingestelde geautomatiseerde gegevensbestanden;

b) de autoriteiten of instanties die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten en andere documenten overeenkomstig artikel 110, met inaanmerkingneming van artikel 108, lid 5, onder c);

c) de identificatiemiddelen die moeten worden gebruikt voor elke soort en categorie gehouden landdieren overeenkomstig artikel 112, onder a), artikel 113, lid 1, onder a), artikel 114, lid 1, artikel 115, onder a), en artikel 117, onder a), en overeenkomstig de krachtens de artikelen 118 en 120 vastgestelde regels;

d) het voorgeschreven model voor de afgifte van de in artikel 110 bedoelde identificatiedocumenten en andere documenten.

Artikel 112

Verplichting voor de exploitanten met betrekking tot identificatie van gehouden dieren die tot een rundersoort behoren

De exploitanten die tot een rundersoort behorende dieren houden:

a) zorgen ervoor dat die gehouden dieren individueel geïdentificeerd zijn door een fysiek identificatiemiddel;

b) zorgen ervoor dat voor die gehouden dieren bij verplaatsingen tussen lidstaten, door de bevoegde autoriteit of een daartoe aangewezen autoriteit of een gemachtigde instantie van oorsprong een identificatiedocument is afgegeven, tenzij is voldaan aan de in artikel 110, lid 1, onder b), gestelde voorwaarden);

c) zorgen ervoor dat dit identificatiedocument:

i) door de betrokken exploitant wordt bewaard, correct wordt ingevuld en wordt bijgewerkt; en

ii) die gehouden landdieren bij verplaatsingen vergezelt, wanneer een dergelijk document krachtens punt b) is vereist;

d) geven de gegevens over de verplaatsingen van die gehouden dieren van en naar de betrokken inrichting, en alle geboorten en sterftegevallen in die inrichting, door aan het geautomatiseerde gegevensbestand, bedoeld in artikel 109, lid 1.

Artikel 113

Verplichting voor de exploitanten met betrekking tot identificatie van gehouden dieren die tot een schapen- of geitensoort behoren

1.  De exploitanten die tot een schapen- of geitensoort behorende gehouden dieren houden:

a) zorgen ervoor dat die gehouden dieren elk geïdentificeerd zijn door een fysiek identificatiemiddel;

b) zorgen ervoor dat wanneer die gehouden dieren binnen dezelfde betrokken lidstaat worden verplaatst uit de inrichting waar zij worden gehouden, zij vergezeld gaan van een correct ingevuld verplaatsingsdocument dat gebaseerd is op het overeenkomstig artikel 110 door de bevoegde autoriteit opgestelde model;

c) geven de gegevens over de verplaatsingen van die gehouden dieren van en naar de inrichting door aan het geautomatiseerde gegevensbestand, bedoeld in artikel 109, lid 1.

2.  De lidstaten kunnen exploitanten vrijstellen van de verplichting om ervoor te zorgen dat gehouden dieren die tot een schapen- of geitensoort behoren, tijdens verplaatsingen binnen hun grondgebied vergezeld gaan van verplaatsingsdocumenten, mits:

a) de gegevens uit het relevante verplaatsingsdocument zijn opgenomen in het in artikel 109, lid 1, bedoelde geautomatiseerd gegevensbestand;

b) het identificatie- en registratiesysteem voor gehouden dieren die tot een schapen- of geitensoort behoren dezelfde mate van traceerbaarheid garandeert als verplaatsingsdocumenten.

Artikel 114

Verplichting voor de exploitanten met betrekking tot identificatie en registratie van gehouden dieren die tot een tot de paardachtigen behorende soort behoren

1.  De exploitanten die tot een tot de paardachtigen behorende soort gehouden dieren houden, zorgen ervoor dat die dieren individueel geïdentificeerd zijn door:

a) een unieke code, die wordt geregistreerd in het in artikel 109, lid 1, bedoelde geautomatiseerd gegevensbestand;

b) een fysiek identificatiemiddel of een andere methode die het gehouden dier ondubbelzinnig verbindt met het in punt c) van dit lid bedoelde identificatiedocument dat door de bevoegde autoriteit is afgegeven overeenkomstig artikel 110;

c) een correct ingevuld uniek, levenslang geldig identificatiedocument.

2.  De exploitanten van gehouden dieren die tot een tot de paardachtigen behorende soort behoren, zorgen ervoor dat de gegevens over die dieren worden doorgegeven aan het geautomatiseerde gegevensbestand, bedoeld in artikel 109, lid 1.

Artikel 115

Verplichting voor de exploitanten met betrekking tot identificatie en registratie van gehouden dieren die tot een varkenssoort behoren

De exploitanten die tot een varkenssoort behorende gehouden dieren houden:

a) zorgen ervoor dat die gehouden dieren elk geïdentificeerd zijn door een fysiek identificatiemiddel;

b) zorgen ervoor dat wanneer die gehouden dieren binnen de betrokken lidstaat worden verplaatst uit de inrichting waar zij worden gehouden, zij vergezeld gaan van een correct ingevuld verplaatsingsdocument dat gebaseerd is op het overeenkomstig artikel 110, lid 1, onder b), door de bevoegde autoriteit opgestelde model;

c) geven de gegevens over de inrichting waar die dieren worden gehouden door aan het geautomatiseerde gegevensbestand, bedoeld in artikel 109, lid 1.

Artikel 116

Afwijkingen inzake de verplaatsingen van gehouden dieren die tot een varkenssoort behoren

In afwijking van artikel 115, onder b), kunnen de lidstaten exploitanten vrijstellen van de verplichting om ervoor te zorgen dat gehouden dieren die tot een varkenssoort behoren, tijdens verplaatsingen binnen de betrokken lidstaat vergezeld gaan van correct ingevulde verplaatsingsdocumenten die gebaseerd zijn op het door de bevoegde autoriteit opgestelde model, mits:

a) de gegevens uit die verplaatsingsdocumenten zijn opgenomen in het geautomatiseerde gegevensbestand dat die lidstaat overeenkomstig artikel 109, lid 1, heeft ingesteld;

b) het identificatie- en registratiesysteem voor gehouden landdieren die tot de varkenssoort behoren dezelfde mate van traceerbaarheid garandeert als die verplaatsingsdocumenten.

Artikel 117

Verplichting voor de exploitanten met betrekking tot identificatie van andere gehouden landdieren dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen

De exploitanten zorgen ervoor dat gehouden landdieren van andere soorten dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen aan de onderstaande voorschriften voldoen wanneer dat volgens de krachtens de artikelen 118 en 120 vastgestelde regels is vereist:

a) zij worden individueel of groepsgewijs geïdentificeerd;

b) zij gaan vergezeld van correct ingevulde en bijgewerkte identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten of andere documenten voor de identificatie en tracering van dieren, naargelang de betrokken diersoort.

Artikel 118

Uitvoeringsbevoegdheden inzake identificatie en registratie

1.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) nadere voorschriften voor de in artikel 112, onder a), artikel 113, lid 1, onder a), artikel 114, lid 1, artikel 115, onder a), en artikel 117, onder a), bedoelde middelen en methoden ter identificatie van gehouden landdieren, met inbegrip van de toepassing en het gebruik daarvan;

b) regels betreffende de gegevens die moeten worden opgenomen in:

i) de in artikel 109, lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde geautomatiseerde gegevensbestanden;

ii) de identificatie- en verplaatsingsdocumenten bedoeld in de artikelen 112, onder b), artikel 113, lid 1, onder b), artikel 114, lid 1, onder c), en artikel 115, onder b),

c) regels betreffende de uitwisseling van elektronische gegevens tussen de geautomatiseerde gegevensbestanden van de lidstaten als bedoeld in artikel 110, lid 1, onder b).

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) nadere voorschriften voor alternatieve identificatiemiddelen en -methoden, anders dan bedoeld in lid 1, onder a), van dit artikel, en vrijstellingen en bijzondere bepalingen voor bepaalde categorieën dieren of omstandigheden en voorwaarden voor die vrijstellingen;

b) specifieke bepalingen voor de identificatie- en verplaatsingsdocumenten als bedoeld in artikel 112, onder b), artikel 113, lid 1, onder b), artikel 114, lid 1, onder c), artikel 115, onder b), en artikel 117, onder b), die dieren bij verplaatsingen moeten vergezellen;

c) nadere voorschriften voor de identificatie en registratie van gehouden landdieren van andere soorten dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen, rekening houdende met de risico's die de betrokken soort oplevert, om:

i) de efficiënte toepassing van de in deze verordening bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten te waarborgen;

ii) de traceerbaarheid van gehouden landdieren, hun verplaatsingen in en tussen de lidstaten en hun binnenkomst in de Unie te vergemakkelijken;

d) regels betreffende de gegevens die moeten worden opgenomen in:

i) de in artikel 109, lid 1, onder e), bedoelde geautomatiseerde gegevensbestanden;

ii) de identificatie- en verplaatsingsdocumenten als bedoeld in artikel 117, onder b);

e) regels betreffende de identificatie en de registratie van gehouden landdieren als bedoeld in de artikelen 112 tot en met 117 na hun binnenkomst in de Unie.

3.  Bij de vaststelling van de regels voor de in dit artikel bedoelde gedelegeerde handelingen, baseert de Commissie zich op de in artikel 119, lid 2, bedoelde overwegingen.

Artikel 119

Bevoegdheidsdelegatie inzake afwijkingen van de traceerbaarheidsvoorschriften

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen voor exploitanten van de in de artikelen 112, 113, 114 en 115 bedoelde identificatie- en registratievoorschriften:

a) in gevallen waarin één of meer van de in artikel 108, lid 3, opgesomde elementen niet noodzakelijk zijn om te voldoen aan de voorschriften van artikel 108, lid 4, onder a) en b); en

b) wanneer andere traceerbaarheidsmaatregelen in de lidstaten garanderen dat de mate van traceerbaarheid van de betrokken dieren niet in het gedrang wordt gebracht,

alsook overgangsmaatregelen die nodig zijn voor de praktische toepassing van dergelijke afwijkingen.

2.  Bij de vaststelling van in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen, baseert de Commissie die regels op de volgende aspecten:

a) de betrokken soorten en categorieën gehouden landdieren;

b) de risico's voor die gehouden landdieren;

c) het aantal dieren in de betrokken inrichtingen;

d) het soort productie in de inrichtingen waar die landdieren worden gehouden;

e) de verplaatsingspatronen van de betrokken soorten en categorieën gehouden landdieren;

f) overwegingen betreffende de bescherming en het behoud van de betrokken soorten gehouden landdieren;

g) de kwaliteit van de andere traceerbaarheidselementen van het identificatie- en registratiesysteem voor gehouden landdieren, bedoeld in artikel 108, lid 3.

Artikel 120

Uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de traceerbaarheid van gehouden landdieren

1.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen regels vast:

a) voor de uniforme toegang tot gegevens in en de technische specificaties en de operationele regels voor de geautomatiseerde gegevensbestanden bedoeld in artikel 109, lid 1, onder a) tot en met d);

b) betreffende de technische voorwaarden en modaliteiten voor de uitwisseling van elektronische gegevens tussen de geautomatiseerde gegevensbestanden van de lidstaten, en de vaststelling dat het gegevensuitwisselingssysteem volledig operationeel is als bedoeld in artikel 110, lid 1, onder b).

2.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen betreffende:

a) de uniforme toepassing van het in artikel 108, lid 1, bedoelde identificatie- en registratiesysteem voor verschillende soorten en categorieën gehouden landdieren, om de efficiënte werking ervan te waarborgen;

b) de uniforme toepassing van artikel 108, lid 5, onder c), betreffende de gemachtigde instanties of natuurlijke personen, bedoeld in artikel 108, lid 5, en de voorwaarden voor de aanwijzing daarvan;

c) de technische specificaties en procedures, modellen, ontwerpen en operationele regels voor de identificatiemiddelen en -methoden, waaronder:

i) de termijnen voor het aanbrengen van de identificatiemiddelen en -methoden;

ii) de verwijdering, wijziging of vervanging van de identificatiemiddelen en -methoden en de termijnen voor dergelijke handelingen; en

iii) de structuur van de identificatiecode;

d) de technische specificaties, formaten en operationele regels voor de identificatie- en verplaatsingsdocumenten bedoeld in artikel 112, onder b), artikel 113, lid 1, onder b), artikel 114, lid 1, onder c), artikel 115, onder b), en artikel 117, onder b);

e) de uniforme toegang tot gegevens in en de technische specificaties en de operationele regels voor de geautomatiseerde gegevensbestanden bedoeld in artikel 109, lid 1, onder e);

f) de termijnen, verplichtingen en procedures voor de doorgifte van gegevens door exploitanten of andere natuurlijke of rechtspersonen en voor de registratie van gehouden landdieren in de geautomatiseerde gegevensbestanden;

g) richtsnoeren en procedures voor de elektronische identificatie van dieren, indien van toepassing;

h) de praktische toepassing van vrijstellingen van de identificatie- en registratievereisten waarin is voorzien in de krachtens artikel 119, lid 1, vastgestelde regels.

3.  De in dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 2

Levende producten

Artikel 121

Traceerbaarheidsvoorschriften voor levende producten van gehouden dieren die tot een runder-, schapen-, geiten-, varkens- of paardachtigensoort behoren

1.  De exploitanten die levende producten produceren, verwerken of opslaan, merken levende producten van gehouden dieren die tot een runder-, schapen-, geiten-, varkens- of paardachtigensoort behoren op zodanige wijze dat een duidelijke tracering mogelijk is van:

a) de donordieren;

b) de datum van verzameling; en

c) de inrichtingen voor levende producten waar zij zijn gewonnen, geproduceerd, verwerkt en opgeslagen.

2.  Het in lid 1 bedoelde merkteken wordt aldus ontworpen dat wordt gezorgd voor:

a) de efficiënte toepassing van de in deze verordening bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten;

b) de traceerbaarheid van die levende producten, van hun verplaatsingen in en tussen de lidstaten en van hun binnenkomst in de Unie.

Artikel 122

Bevoegdheidsdelegaties inzake de traceerbaarheidsvoorschriften voor levende producten

1.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot traceerbaarheidsvoorschriften voor levende producten van gehouden landdieren die tot een runder-, schapen-, geiten-, varkens- of paardachtigensoort behoren, ter aanvulling van de in artikel 121 neergelegde regels;

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot traceerbaarheidsvoorschriften voor levende producten van andere gehouden landdieren dan runderen, geiten, schapen, varkens en paardachtigen, waar dit nodig is voor:

a) de efficiënte toepassing van de in deze verordening bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten;

b) de traceerbaarheid van die levende producten, van hun verplaatsingen in en tussen de lidstaten en van hun binnenkomst in de Unie.

3.  Bij de vaststelling van in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen, baseert de Commissie deze op de volgende aspecten:

a) de soorten gehouden landdieren waarvan de levende producten afkomstig zijn;

b) de gezondheidsstatus van de donordieren;

c) de risico's die met die levende producten verbonden zijn;

d) het soort levende producten;

e) het soort winning, productie, behandeling of opslag van levende producten;

f) de verplaatsingspatronen van de relevante soorten en categorieën gehouden landdieren en hun levende producten;

g) overwegingen betreffende de bescherming en het behoud van soorten gehouden landdieren;

h) andere elementen die kunnen bijdragen tot de traceerbaarheid van levende producten.

Artikel 123

Uitvoeringsbevoegdheden inzake de traceerbaarheidsvoorschriften voor levende producten

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen regels vast met betrekking tot:

a) technische voorschriften en specificaties voor de in artikel 121, lid 1, bedoelde merking;

b) operationele voorschriften voor de traceerbaarheid in krachtens artikel 122, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 3

Verplaatsingen binnen de Unie van gehouden landdieren



Afdeling 1

Algemene voorschriften voor verplaatsingen

Artikel 124

Algemene voorschriften voor verplaatsingen van gehouden landdieren

1.  De exploitanten treffen passende preventieve maatregelen om erop toe te zien dat door de verplaatsing van gehouden landdieren de gezondheidsstatus op de plaats van bestemming geen gevaar loopt met betrekking tot:

a) in de lijst opgenomen ziekten, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

b) nieuwe ziekten.

2.  De exploitanten verplaatsen gehouden landdieren slechts uit hun inrichtingen, en ontvangen slechts gehouden landdieren indien de desbetreffende dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) zij zijn afkomstig van inrichtingen die:

i) overeenkomstig artikel 93 door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd; of

ii) indien artikel 94, lid 1, of artikel 95 dat vereist, door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 97, lid 1, en artikel 98 zijn erkend; of

iii) een vrijstelling van het registratievereiste op grond van artikel 84 hebben verkregen;

b) zij voldoen aan de identificatie- en registratievoorschriften van de artikelen 112, 113, 114, 115 en 117 en aan de krachtens de artikelen 118 en 120 vastgestelde regels.

Artikel 125

Ziektepreventiemaatregelen in verband met vervoer

1.  De exploitanten treffen passende en noodzakelijke preventieve maatregelen om het volgende te waarborgen:

a) de gezondheidsstatus van de gehouden landdieren loopt geen gevaar tijdens het vervoer;

b) het vervoer van gehouden landdieren veroorzaakt niet de mogelijke verspreiding onder mensen en dieren van in de lijst opgenomen ziekten, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

c) er worden maatregelen getroffen tot reiniging en ontsmetting van, en tot bestrijding van insecten en knaagdieren met betrekking tot, uitrusting en vervoermiddelen, alsmede andere passende biobeveiligingsmaatregelen in overeenstemming met de risico's die verbonden zijn aan het betrokken vervoer.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de voorwaarden en voorschriften voor de reiniging en ontsmetting van, en voor de bestrijding van insecten en knaagdieren met betrekking tot, uitrusting en vervoermiddelen en het gebruik van biociden voor deze doeleinden;

b) andere passende biobeveiligingsmaatregelen als bedoeld in lid 1, onder c), van dit artikel.



Afdeling 2

Verplaatsingen tussen lidstaten

Artikel 126

Algemene voorschriften voor verplaatsingen van gehouden landdieren tussen lidstaten

1.  De exploitanten verplaatsen gehouden landdieren slechts naar een andere lidstaat indien de betrokken dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) zij vertonen geen ziektesymptomen;

b) zij zijn afkomstig van een geregistreerde of erkende inrichting:

i) waar geen abnormale sterftegevallen met onbekende oorzaak voorkomen;

ii) waarvoor met betrekking tot de soorten die worden verplaatst geen verplaatsingsbeperkingen gelden overeenkomstig de regels van artikel 55, lid 1, artikel 61, lid 1, onder a), artikel 62, artikel 65, lid 1, onder c), artikel 74, lid 1, en artikel 79, en overeenkomstig de krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 3, en artikel 83, lid 2, vastgestelde regels of overeenkomstig de noodmaatregelen van de artikelen 257 en 258 en de krachtens artikel 259 vastgestelde regels, tenzij in overeenstemming met deze regels afwijkingen van verplaatsingsbeperkingen zijn toegestaan;

iii) die niet gelegen is in een beperkingszone overeenkomstig de regels van artikel 55, lid 1, onder f), ii), de artikelen 64 en 65, artikel 74, lid 1, artikel 79, en overeenkomstig de krachtens artikel 67, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 4, en artikel 83, lid 2, vastgestelde regels of overeenkomstig de noodmaatregelen van de artikelen 257 en 258 en de krachtens artikel 259 vastgestelde regels, tenzij in overeenstemming met deze regels afwijkingen zijn toegestaan;

c) zij zijn vóór de datum van de geplande verplaatsing naar een andere lidstaat gedurende een passende periode niet in contact geweest met gehouden landdieren waarvoor verplaatsingsbeperkingen gelden als bedoeld in punt b), ii) en iii), of met gehouden landdieren van in de lijst opgenomen soorten waarvoor een lagere gezondheidsstatus geldt; om de kans op de verspreiding van ziekten te beperken wordt daarbij rekening gehouden met de volgende aspecten:

i) de incubatieperiode en de overdrachtwijzen van de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekten en van nieuwe ziekten;

ii) het betrokken soort inrichting;

iii) de soorten en categorieën gehouden landdieren die worden verplaatst;

iv) andere epidemiologische factoren;

d) zij voldoen aan de desbetreffende voorschriften in de afdelingen 3 tot en met 8 (artikelen 130 tot en met 154).

2.  De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om erop toe te zien dat gehouden landdieren die naar een andere lidstaat worden verplaatst, rechtstreeks naar hun plaats van bestemming in de andere lidstaat worden verzonden, tenzij de dieren met het oog op het dierenwelzijn moeten stoppen op een rustplaats.

Artikel 127

Verplichtingen voor de exploitanten op de plaats van bestemming

1.  De exploitanten van inrichtingen en slachthuizen die gehouden landdieren uit een andere lidstaat ontvangen:

a) controleren:

i) de aanwezigheid van de identificatiemiddelen of -methoden bedoeld in artikel 112, onder a), artikel 113, lid 1, onder a), artikel 114, lid 1, onder a) en b), artikel 115, onder a), en artikel 117, onder a), en in de krachtens de artikelen 118 en 120 vastgestelde regels;

ii) de aanwezigheid en de correcte invulling van de identificatie- of verplaatsingsdocumenten bedoeld in artikel 112, onder b), artikel 113, lid 1, onder b), artikel 114, lid 1, onder c), en artikel 117, onder b), en in de krachtens de artikelen 118 en 120 vastgestelde regels;

b) controleren de aanwezigheid van de diergezondheidscertificaten bedoeld in artikel 143 en in de krachtens artikel 144, lid 1, onder b) en c), vastgestelde regels, of van de eigen verklaringen bedoeld in artikel 151 en de krachtens artikel 151, leden 3 en 4, vastgestelde regels;

c) stellen, na controle van de ontvangen gehouden landdieren, de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming in kennis van elke onregelmatigheid met betrekking tot:

i) de ontvangen gehouden landdieren;

ii) de onder a), i), bedoelde identificatiemiddelen of -methoden;

iii) de onder a), ii), en onder b) bedoelde documenten.

2.  Bij onregelmatigheden als bedoeld in lid 1, onder c), isoleert de exploitant de dieren waarop de onregelmatigheid betrekking heeft, tot de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming over deze dieren een beslissing heeft genomen.

Artikel 128

Verbod op verplaatsingen van gehouden landdieren buiten het grondgebied van een lidstaat met oog op uitroeiing van ziekten

In het geval van gehouden landdieren die bestemd zijn voor de slacht ter uitroeiing van een ziekte in het kader van een uitroeiingsprogramma als bedoeld in artikel 31, lid 1 of lid 2, verplaatsen de exploitanten deze dieren niet naar een andere lidstaat tenzij de lidstaat van bestemming en, in voorkomend geval, de lidstaat van doorgang, vóór die verplaatsing daartoe toestemming verlenen.

Artikel 129

Algemene voorschriften die van toepassing zijn op exploitanten met betrekking tot verplaatsingen van gehouden landdieren door lidstaten maar bestemd voor uitvoer uit de Unie naar derde landen of gebieden

De exploitanten zien erop toe dat gehouden landdieren die bestemd zijn voor uitvoer naar een derde land of gebied en over het grondgebied van een andere lidstaat gaan, voldoen aan de voorschriften van de artikelen 124, 125, 126 en 128.



Afdeling 3

Specifieke voorschriften met betrekking tot verplaatsingen van hoefdieren en pluimvee naar andere lidstaten

Artikel 130

Verplaatsingen van gehouden hoefdieren en pluimvee naar andere lidstaten

De exploitanten verplaatsen gehouden hoefdieren en pluimvee slechts van een inrichting in de ene lidstaat naar een andere lidstaat indien de betrokken dieren met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) zij vertonen op het ogenblik van de verplaatsing geen klinische symptomen of tekenen van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

b) zij hebben voldaan aan een passende verblijfsduur voor de in de lijst opgenomen ziekten, rekening houdend met de soorten en categorieën van gehouden hoefdieren en pluimvee die worden verplaatst;

c) in de inrichting van oorsprong zijn geen gehouden hoefdieren of pluimvee binnengebracht gedurende een periode die passend is voor de in de lijst opgenomen ziekten en voor de soorten en categorieën hoefdieren of pluimvee die worden verplaatst, indien zulks is vereist in de overeenkomstig artikel 131 of artikel 135 vastgestelde regels;

d) zij worden vermoed op de plaats van bestemming geen significant risico op verspreiding van die in de lijst opgenomen ziekten te vormen, uitgaande van:

i) de gezondheidsstatus wat betreft relevante ziekten voor soorten of categorieën gehouden hoefdieren en pluimvee die worden verplaatst, rekening houdend met de gezondheidsstatus op de plaats van bestemming;

ii) de resultaten van laboratorium- of andere onderzoeken die nodig zijn voor het verstrekken van garanties in verband met de voor de betrokken verplaatsing vereiste gezondheidsstatus;

iii) de toepassing van vaccinatie of andere maatregelen ter preventie van ziekten of beperking van risico's, bedoeld om de verspreiding van de desbetreffende ziekte tot de plaats van bestemming of de plaats van doorgang te beperken.

Artikel 131

Bevoegdheidsdelegatie met betrekking tot verplaatsingen van gehouden hoefdieren en pluimvee naar andere lidstaten

1.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) de verblijfsduur als bedoeld in artikel 130, onder b);

b) de periode vóór de verplaatsing, bedoeld in artikel 130, onder c), waarin het nodig is het binnenbrengen van gehouden hoefdieren of pluimvee in inrichtingen te beperken;

c) aanvullende voorschriften om overeenkomstig artikel 130, onder d), te waarborgen dat gehouden hoefdieren en pluimvee geen significant risico vormen op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

d) andere noodzakelijke risicobeperkingsmaatregelen ter aanvulling van de voorschriften van artikel 130.

2.  Bij de vaststelling van de regels voor de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen baseert de Commissie deze regels op de volgende overwegingen:

a) de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), die relevant zijn voor de in de lijst opgenomen soorten of categorieën gehouden hoefdieren of pluimvee die worden verplaatst;

b) de gezondheidsstatus voor in de lijst opgenomen ziekten, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), in de inrichtingen, compartimenten, zones en lidstaten van oorsprong en bestemming;

c) het betrokken soort inrichting en het soort productie op de plaats van oorsprong en bestemming;

d) het betrokken soort verplaatsing;

e) de soorten en categorieën gehouden hoefdieren of pluimvee die worden verplaatst;

f) de leeftijd van de gehouden hoefdieren die worden verplaatst of van het pluimvee dat wordt verplaatst;

g) andere epidemiologische factoren.

Artikel 132

Gehouden hoefdieren en pluimvee, verplaatst naar een andere lidstaat en bestemd voor de slacht

1.  De exploitanten van slachthuizen die uit een andere lidstaat gehouden hoefdieren en pluimvee ontvangen, slachten deze dieren zo snel mogelijk na hun aankomst, uiterlijk binnen een termijn die wordt bepaald in krachtens lid 2 vastgestelde gedelegeerde handelingen.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot het in lid 1 bedoelde tijdstip van slachting.



Afdeling 4

Verzamelingen van gehouden hoefdieren en pluimvee

Artikel 133

Afwijking met betrekking tot verzamelingen

1.  In afwijking van artikel 126, lid 2, mogen exploitanten voor gehouden hoefdieren en pluimvee ten hoogste drie verzamelingen inplannen gedurende een verplaatsing van een lidstaat van oorsprong naar een andere lidstaat.

2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde verzamelingen vinden slechts plaats in een inrichting die daartoe is erkend overeenkomstig artikel 97, lid 1, en artikel 99, leden 3 en 4.

De lidstaat van oorsprong mag echter op zijn grondgebied toestaan dat een verzameling plaatsheeft op een vervoermiddel waarmee gehouden hoefdieren of pluimvee rechtstreeks van de inrichting van oorsprong worden opgehaald, op voorwaarde dat de dieren tijdens dat proces niet worden afgeladen en voordat:

a) zij bij de inrichting of de uiteindelijke plaats van bestemming zijn aangekomen; of

b) de volgende verzameling plaatsvindt in een inrichting die daartoe is erkend overeenkomstig artikel 97, lid 1, en artikel 99, leden 4 en 5.

Artikel 134

Voorschriften met betrekking tot ziektepreventie voor verzamelingen

De exploitanten zien bij verzamelingen toe op het volgende:

a) de gehouden hoefdieren en het pluimvee hebben bij een verzameling dezelfde gezondheidsstatus; wanneer dat niet het geval is, wordt de lagere gezondheidsstatus toegepast op alle aldus verzamelde dieren;

b) de gehouden hoefdieren en het pluimvee worden zo snel mogelijk na het verlaten van de inrichting van oorsprong en uiterlijk binnen een krachtens artikel 135, onder c), vastgestelde gedelegeerde handelingen te bepalen termijn, verzameld en naar hun uiteindelijke plaats van bestemming in een andere lidstaat verplaatst;

c) er worden de noodzakelijke biobeveiligingsmaatregelen getroffen om te waarborgen dat de gehouden hoefdieren en het pluimvee bij een verzameling:

i) niet in contact komen met gehouden hoefdieren of pluimvee met een lagere gezondheidsstatus;

ii) geen significant risico vormen op verspreiding onder gehouden hoefdieren of pluimvee op de plaats van verzameling van in de lijst opgenomen ziekten, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

d) de gehouden hoefdieren en het pluimvee zijn, voor zover deze verordening dat vereist, geïdentificeerd en gaan vergezeld van de volgende documenten:

i) identificatie- en verplaatsingsdocumenten als voorgeschreven in artikel 112, onder b), artikel 113, lid 1, onder b), artikel 114, lid 1, onder c), artikel 115, onder b), en artikel 117, onder b), en in de krachtens de artikelen 118 en 120 vastgestelde regels, tenzij overeenkomstig artikel 113, lid 2, en artikel 119 afwijkingen zijn toegestaan;

ii) diergezondheidscertificaten als voorgeschreven in artikel 143 en in artikel 144, lid 1, onder c), tenzij in overeenstemming met de krachtens artikel 144, lid 1, onder a), vastgestelde regels afwijkingen zijn toegestaan;

iii) een document met eigen verklaring als voorgeschreven in artikel 151.

Artikel 135

Bevoegdheidsdelegatie met betrekking tot verzamelingen

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) specifieke regels voor verzamelingen, wanneer er andere risicobeperkingsmaatregelen zijn getroffen ter aanvulling van die bedoeld in artikel 134, onder b) en c);

b) de voorwaarden waaronder de lidstaten van oorsprong toestemming kunnen verlenen voor verzamelingen op vervoermiddelen, als bedoeld in artikel 133, lid 2, tweede alinea;

c) de termijn tussen het tijdstip van vertrek van gehouden hoefdieren of pluimvee uit de inrichting van oorsprong en het tijdstip van vertrek uit de verzameling naar hun eindbestemming in een andere lidstaat, als bedoeld in artikel 134, onder b);

d) nadere regels betreffende de in artikel 134, onder c), bedoelde beveiligingsmaatregelen.



Afdeling 5

Verplaatsingen van andere gehouden landdieren dan gehouden hoefdieren en pluimvee naar andere lidstaten

Artikel 136

Verplaatsingen van andere gehouden landdieren dan gehouden hoefdieren en pluimvee naar andere lidstaten en gedelegeerde handelingen

1.  De exploitanten verplaatsen andere gehouden landdieren dan gehouden hoefdieren of pluimvee slechts van een inrichting in de ene lidstaat naar een andere lidstaat wanneer de betrokken dieren op de plaats van bestemming geen significant risico vormen op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d).

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen om te waarborgen dat andere gehouden landdieren dan gehouden hoefdieren of pluimvee geen in lid 1 van dit artikel bedoeld significant risico vormen op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), van dit artikel.

3.  Bij de vaststelling van de nadere bepalingen voor de gedelegeerde handelingen, bedoeld in lid 2, baseert de Commissie zich op de volgende overwegingen:

a) de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), die relevant zijn voor de in de lijst opgenomen soorten of categorieën gehouden landdieren die worden verplaatst;

b) de gezondheidsstatus met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), in de inrichtingen, compartimenten, zones en lidstaten van oorsprong en op de plaats van bestemming;

c) de soorten inrichting en de soorten productie op de plaats van oorsprong en op de plaats van bestemming;

d) de soorten verplaatsing met betrekking tot het einddoel waarvoor de dieren op hun plaats van bestemming worden gebruikt;

e) de soorten en categorieën gehouden landdieren die worden verplaatst;

f) de leeftijd van de gehouden landdieren die moeten worden verplaatst;

g) andere epidemiologische factoren.



Afdeling 6

Afwijking en aanvulling van risicobeperkingsmaatregelen voor het verplaatsen van gehouden landdieren

Artikel 137

Gehouden landdieren bestemd voor geconsigneerde inrichtingen en gedelegeerde handelingen

1.  De exploitanten verplaatsen gehouden landdieren slechts naar een geconsigneerde inrichting indien de betrokken dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) zij zijn afkomstig van een andere geconsigneerde inrichting;

b) zij vormen geen significant risico op verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekten, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), naar de in de lijst opgenomen soorten of categorieën dieren in de geconsigneerde inrichting van bestemming, tenzij de betrokken verplaatsing voor wetenschappelijke doeleinden is toegestaan.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) nadere regels voor het verplaatsen van gehouden landdieren naar geconsigneerde inrichtingen ter aanvulling van die bedoeld in lid 1 van dit artikel;

b) specifieke regels voor verplaatsingen van gehouden landdieren naar geconsigneerde inrichtingen waar de getroffen risicobeperkingsmaatregelen waarborgen dat dergelijke verplaatsingen geen significant risico vormen voor de gezondheid van de gehouden landdieren binnen die geconsigneerde inrichting of in naburige inrichtingen.

Artikel 138

Verplaatsingen van gehouden landdieren voor wetenschappelijke doeleinden en gedelegeerde handelingen

1.  De bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming kan, mits de bevoegde autoriteit van de plaats van herkomst daarmee instemt, toestemming verlenen voor verplaatsingen van gehouden landdieren voor wetenschappelijke doeleinden naar het grondgebied van die lidstaat die niet voldoen aan de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met 5 (artikelen 124 tot en met 136), met uitzondering van de artikelen 124 en 125, artikel 126, lid 1, onder b), ii), en artikel 127.

2.  De bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming staat de in lid 1 bedoelde afwijkingen slechts toe onder de volgende voorwaarden:

a) de bevoegde autoriteiten van de plaats van bestemming en van de plaats van herkomst:

i) hebben overeenstemming bereikt over de voorwaarden voor dergelijke verplaatsingen;

ii) waarborgen dat de noodzakelijke risicobeperkingsmaatregelen zijn getroffen die waarborgen dat deze verplaatsingen geen gevaar opleveren voor de gezondheidsstatus onderweg en op de plaats van bestemming met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d); en

iii) hebben, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van doorgang in kennis gesteld van de toegestane afwijking en van de voorwaarden waaronder deze is toegestaan; en

b) deze verplaatsingen van deze dieren verlopen onder toezicht van de bevoegde autoriteiten van de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming en, indien van toepassing, van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van doorgang.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de regels voor het toestaan van afwijkingen door de bevoegde autoriteiten, als aanvulling op de in de leden 1 en 2 bedoelde regels.

Artikel 139

Afwijkingen met betrekking tot recreatief gebruik, sportieve en culturele evenementen, werken in grensgebied, en begrazing

1.  De bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming kan afwijkingen toestaan van de voorschriften van de afdelingen 2 tot en met 5 (artikelen 126 tot en met 136), met uitzondering van artikel 126, lid 1, onder a), b) en c), en de artikelen 127 en 128, voor verplaatsingen van gehouden landdieren tussen lidstaten binnen de Unie, indien deze verplaatsingen plaatsvinden:

a) voor recreatief gebruik in grensgebied;

b) voor in grensgebied georganiseerde tentoonstellingen en sportieve, culturele of soortgelijke evenementen;

c) voor het laten grazen van gehouden landdieren op door lidstaten gedeeld weiland; of

d) voor het laten werken van gehouden landdieren in grensgebied van lidstaten.

2.  De bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming staat afwijkingen toe voor de in lid 1 bedoelde verplaatsingen van gehouden landdieren indien de lidstaten van oorsprong en bestemming hierover overeenstemming hebben bereikt en passende risicobeperkingsmaatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat dergelijke verplaatsingen geen significant risico vormen.

3.  De in lid 2 bedoelde lidstaten stellen de Commissie in kennis van de in lid 1 bedoelde toegestane afwijkingen.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de regels voor het toestaan van afwijkingen door de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming, als aanvulling op de in de lid 1 bedoelde regels.

Artikel 140

Bevoegdheidsdelegatie met betrekking tot circussen, tentoonstellingen, sportieve evenementen, recreatief gebruik, dierentuinen, dierenwinkels, dierenasiels en groothandelaars

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) specifieke voorschriften ter aanvulling van de regels van de afdelingen 2 tot en met 5 (artikelen 126 tot en met 136) met betrekking tot de verplaatsingen van gehouden landdieren voor de volgende doeleinden:

i) voor circussen, dierentuinen, dierenwinkels, dierenasiels en groothandelaars;

ii) voor tentoonstellingen en voor sportieve, culturele en soortgelijke evenementen;

b) afwijkingen van de voorschriften van de afdelingen 2 tot en met 5 (artikelen 126 tot en met 136), met uitzondering van artikel 126, lid 1, onder a), b) en c), en de artikelen 127 en 128, voor de onder a) van dit artikel bedoelde verplaatsingen van gehouden landdieren.

Artikel 141

Uitvoeringsbevoegdheid inzake het vaststellen van tijdelijke regels voor verplaatsingen van specifieke soorten of categorieën gehouden landdieren

1.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen tijdelijke regels vaststellen ter aanvulling van of als alternatief voor de regels van dit hoofdstuk betreffende verplaatsingen van specifieke soorten of categorieën gehouden landdieren in de volgende gevallen:

a) de met de verplaatsing van dergelijke dieren verbonden risico's worden niet doeltreffend beperkt door de verplaatsingsvoorschriften, bedoeld in artikel 130, artikel 132, lid 1, de artikelen 133 en 134, artikel 136, lid 1, artikel 137, lid 1, artikel 138, leden 1 en 2, en artikel 139, en de regels vastgesteld krachtens artikel 131, lid 1, artikel 132, lid 2, artikel 135, artikel 136, lid 2, artikel 137, lid 2, artikel 138, lid 3, artikel 139, lid 4, en artikel 140, of

b) een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), lijkt zich ondanks de verplaatsingsvoorschriften van de afdelingen 1 tot en met 6 (artikelen 124 tot en met 142) te verspreiden.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met ziekten die een risico op bijzonder zwaarwegende gevolgen opleveren en rekening houdend met de in artikel 142 bedoelde aspecten stelt de Commissie volgens de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

Artikel 142

Aspecten waarmee rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van de in deze afdeling bedoelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen

Bij de vaststelling van de regels voor de gedelegeerde handelingen en de uitvoeringshandelingen, bedoeld in artikel 137, lid 2, artikel 138, lid 3, en artikel 139, lid 4, en de artikelen 140 en 141, baseert de Commissie zich op de volgende zaken:

a) de risico's die verbonden zijn aan de in deze bepalingen bedoelde verplaatsingen;

b) de gezondheidsstatus met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), op de plaats van oorsprong, de plaats van doorgang en de plaats van bestemming;

c) de in de lijst opgenomen diersoorten voor de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

d) de getroffen biobeveiligingsmaatregelen op de plaats van oorsprong, de plaats van doorgang en de plaats van bestemming;

e) eventuele specifieke omstandigheden waarin de gehouden landdieren in inrichtingen worden gehouden;

f) specifieke verplaatsingspatronen voor het soort inrichting en de soorten en categorieën van de betrokken gehouden landdieren;

g) andere epidemiologische factoren.



Afdeling 7

Diergezondheidscertificering

Artikel 143

Verplichting voor de exploitanten om ervoor te zorgen dat dieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat

1.  Exploitanten verplaatsen gehouden landdieren slechts naar een andere lidstaat indien de betrokken dieren vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 149, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong uitgereikt diergezondheidscertificaat en de dieren behoren tot de volgende soorten en categorieën:

a) hoefdieren;

b) pluimvee;

c) andere gehouden landdieren dan hoefdieren en pluimvee, bestemd voor een geconsigneerde inrichting;

d) andere gehouden landdieren dan die bedoeld in de punten a), b), en c) van dit lid, indien van toepassing overeenkomstig de krachtens artikel 144, lid 1, onder c), vastgestelde gedelegeerde handelingen.

2.  In gevallen waarin gehouden landdieren mogen worden verplaatst uit een beperkingszone als bedoeld in artikel 55, lid 1, onder f), ii), artikel 56 en artikel 64, lid 1, en voor de dieren ziektebestrijdingsmaatregelen gelden als bedoeld in artikel 55, lid 1, artikel 65, lid 1, artikel 74, lid 1, artikel 79 of artikel 80, of regels vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, artikel 67, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 4, artikel 83, lid 3, of artikel 259; en de betrokken dieren behoren tot soorten waarvoor deze ziektebestrijdingsmaatregelen gelden, verplaatsen exploitanten deze gehouden landdieren slechts binnen een lidstaat of van de ene lidstaat naar een andere lidstaat wanneer de te verplaatsen dieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat in overeenstemming met artikel 149, lid 1, is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong.

De bevoegde autoriteit kan besluiten dat een dergelijk certificaat niet hoeft te worden uitgereikt voor verplaatsingen van gehouden landdieren binnen de betrokken lidstaat, wanneer die autoriteit van mening is dat er een alternatief systeem bestaat dat waarborgt dat de zending van dergelijke dieren traceerbaar is en dat die dieren aan de diergezondheidsvoorschriften voor een dergelijke verplaatsing voldoen.

3.  De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat het in lid 1 van dit artikel bedoelde diergezondheidscertificaat de gehouden landdieren vergezelt van hun plaats van oorsprong tot hun uiteindelijke plaats van bestemming, tenzij in de krachtens artikel 147 vastgestelde regels specifieke maatregelen zijn vastgesteld.

Artikel 144

Bevoegdheidsdelegatie in verband met de verplichting voor de exploitanten om ervoor te zorgen dat dieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) afwijkingen van de voorschriften inzake diergezondheidscertificering, bedoeld in artikel 143, lid 1, voor verplaatsingen van gehouden landdieren die geen significant risico vormen op verspreiding van een ziekte door:

i) de soorten of categorieën gehouden landdieren die worden verplaatst en de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), waarvoor deze soorten in de lijst zijn opgenomen;

ii) de houderijmethoden en het soort productie voor deze soorten en categorieën gehouden landdieren;

iii) het beoogde gebruik van de gehouden landdieren; of

iv) de plaats van bestemming van de gehouden landdieren, met inbegrip van de gevallen waarin hun plaats van bestemming zich in hun lidstaat van herkomst bevindt maar zij door een andere lidstaat reizen om hun plaats van bestemming te bereiken;

b) bijzondere regels inzake diergezondheidscertificering als bedoeld in artikel 143, lid 1, waarbij, rekening houdend met de aspecten van lid 2 van dit artikel, specifieke risicobeperkingsmaatregelen worden getroffen voor bewaking of biobeveiliging die:

i) de traceerbaarheid waarborgen van de gehouden landdieren die worden verplaatst;

ii) waarborgen dat de gehouden landdieren die worden verplaatst, voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van de afdelingen 1 tot en met 6 (artikelen 124 tot en met 142);

c) de verplichte diergezondheidscertificering voor verplaatsingen van andere soorten en categorieën gehouden landdieren dan die bedoeld in artikel 143, lid 1, onder a), b) en c), wanneer de diergezondheidscertificering verplicht is om te waarborgen dat de betrokken verplaatsing voldoet aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van de afdelingen 1 tot en met 6 (artikelen 124 tot en met 142).

2.  Wanneer de Commissie bijzondere regels vaststelt als bedoeld in lid 1, onder b), houdt zij rekening met de volgende aspecten:

a) de beoordeling door de bevoegde autoriteit van de biobeveiliging van de exploitanten, bedoeld in artikel 10, lid 1, onder b), en in de regels vastgesteld krachtens artikel 10, lid 6;

b) het vermogen van de bevoegde autoriteit, voor zover als nodig en passend, om maatregelen te treffen en acties te ondernemen als vereist volgens artikel 13, lid 1, van deze verordening;

c) het kennisniveau inzake diergezondheid, bedoeld in artikel 11, en de stimulering daarvan, bedoeld in artikel 13, lid 2;

d) de uitvoering van de diergezondheidsinspecties, bedoeld in artikel 25 of andere relevante systemen voor bewaking of officiële controles die worden toegepast;

e) de uitvoering door de bevoegde autoriteit van haar verplichtingen uit hoofde van de Unieregeling inzake kennisgeving en rapportage, bedoeld in de artikelen 19 tot en met 22 en de regels vastgesteld krachtens artikel 20, lid 3, en artikel 23;

f) de toepassing van bewaking, bedoeld in artikel 26, en van bewakingsprogramma's, bedoeld in artikel 28 en in de krachtens de artikelen 29 en 30 vastgestelde regels.

3.  De Commissie houdt bij de vaststelling van de voorschriften inzake diergezondheidscertificering als bedoeld in lid 1, onder c), rekening met de in lid 1, onder a), i) tot en met iv), bedoelde aspecten.

Artikel 145

Inhoud van diergezondheidscertificaten

1.  Het in artikel 143 bedoelde diergezondheidscertificaat bevat ten minste de volgende gegevens:

a) de inrichting of plaats van oorsprong, de inrichting of plaats van bestemming en, indien van toepassing, de inrichtingen voor het verzamelen of voor het laten rusten van de betrokken gehouden landdieren;

b) de vervoermiddelen en de vervoerder;

c) een beschrijving van de gehouden landdieren;

d) het aantal gehouden landdieren;

e) de identificatie en de registratie van de gehouden landdieren, indien vereist overeenkomstig de artikelen 112, 113, 114, 115 en 117 en overeenkomstig de krachtens de artikelen 118 en 120 vastgestelde regels, tenzij in overeenstemming met artikel 119 afwijkingen zijn toegestaan; en

f) de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de gehouden landdieren voldoen aan de desbetreffende diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van de afdelingen 1 tot en met 6 (artikelen 124 tot en met 142).

2.  Het diergezondheidscertificaat kan andere gegevens bevatten die uit hoofde van andere wetgeving van de Unie zijn vereist.

Artikel 146

Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringshandelingen met betrekking tot de inhoud van diergezondheidscertificaten

1.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) nadere regels met betrekking tot de inhoud van diergezondheidscertificaten als bedoeld in artikel 145, lid 1, voor verschillende soorten en categorieën gehouden landdieren en met betrekking tot specifieke soorten verplaatsingen als bedoeld in de krachtens artikel 147 vastgestelde regels;

b) aanvullende gegevens die in het in artikel 145, lid 1, bedoelde diergezondheidscertificaat moeten worden opgenomen.

2.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen voor modelformulieren van diergezondheidscertificaten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 147

Bevoegdheidsdelegatie in verband met specifieke soorten verplaatsingen van gehouden landdieren

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot specifieke maatregelen in afwijking van of ter aanvulling van de verplichting voor de exploitanten om ervoor te zorgen dat dieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 143 en in de krachtens artikel 144 vastgestelde regels, voor de volgende soorten verplaatsingen van gehouden landdieren:

a) verplaatsingen van gehouden hoefdieren en pluimvee, waarbij dieren worden verzameld, als bedoeld in artikel 133, voordat de uiteindelijke plaats van bestemming wordt bereikt;

b) verplaatsingen van gehouden landdieren die naar hun plaats van oorsprong moeten terugkeren of die naar een andere bestemming moeten worden verplaatst om één of meer van de volgende redenen:

i) de geplande weg werd onverwachts onderbroken omwille van het dierenwelzijn;

ii) onvoorziene ongelukken of gebeurtenissen onderweg;

iii) zij werden geweigerd op de plaats van bestemming in een lidstaat of aan de buitengrens van de Unie;

iv) zij werden geweigerd op een verzamel- of rustplaats;

v) zij werden geweigerd in een derde land of gebied;

c) verplaatsingen van gehouden landdieren voor tentoonstellingen en sportieve, culturele en soortgelijke evenementen, en daarna de terugkeer van die dieren naar hun plaats van oorsprong.

Artikel 148

Verplichtingen van exploitanten tot samenwerking met de bevoegde autoriteit voor diergezondheidscertificering

De exploitanten:

a) verstrekken de bevoegde autoriteit, voorafgaandelijk aan de beoogde verplaatsing, alle noodzakelijke gegevens voor het invullen van het diergezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 143, leden 1 en 2, en in de krachtens artikel 146, lid 1, of artikel 147 vastgestelde regels;

b) zorgen er indien nodig voor dat de desbetreffende gehouden landdieren worden onderworpen aan de in artikel 149, lid 3, bedoelde documentencontroles, overeenstemmingscontroles en materiële controles.

Artikel 149

Verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit voor diergezondheidscertificering

1.  De bevoegde autoriteit geeft op verzoek van een exploitant een diergezondheidscertificaat af voor de verplaatsing van gehouden landdieren, wanneer dat is vereist overeenkomstig artikel 143 of de krachtens artikel 144, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handelingen, op voorwaarde dat aan de volgende verplaatsingsvoorschriften is voldaan:

a) de voorschriften, bedoeld in artikel 124, artikel 125, lid 1, de artikelen 126, 128, 129, 130, 133 en 134, artikel 136, lid 1, artikel 137, lid 1, en de artikelen 138 en artikel 139;

▼C1

b) de voorschriften, bedoeld in de krachtens artikel 125, lid 2, artikel 131, lid 1, artikel 135, artikel 136, lid 2, artikel 137, lid 2, artikel 138, lid 3, artikel 139, lid 4, en artikel 140 vastgestelde gedelegeerde handelingen;

▼B

c) de voorschriften, bedoeld in krachtens artikel 141 vastgestelde uitvoeringshandelingen.

2.  Diergezondheidscertificaten

a) worden gecontroleerd, van een stempel voorzien en ondertekend door een officiële dierenarts;

b) blijven geldig voor een periode als bedoeld in de regels vastgesteld krachtens lid 4, onder c), waarin de gecertificeerde gehouden landdieren de in het certificaat vervatte diergezondheidsgaranties moeten blijven bieden.

3.  Voordat de officiële dierenarts het diergezondheidscertificaat ondertekent controleert hij door middel van de documentencontroles, overeenstemmingscontroles en materiële controles als bedoeld in de krachtens lid 4 vastgestelde gedelegeerde handelingen, of de in het certificaat bedoelde gehouden landdieren voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk.

4.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) de soorten documenten-, overeenstemmings- en materiële controles en -onderzoeken voor verschillende soorten en categorieën gehouden landdieren die de officiële dierenarts moet uitvoeren overeenkomstig lid 3 om na te gaan of aan de voorschriften van dit hoofdstuk is voldaan;

b) de termijnen voor de uitvoering van dergelijke documenten-, overeenstemmings- en materiële controles en -onderzoeken, en voor de afgifte van diergezondheidscertificaten door de officiële dierenarts voorafgaand aan de verplaatsing van zendingen gehouden landdieren;

c) de geldigheidsduur van diergezondheidscertificaten.

Artikel 150

Elektronische diergezondheidscertificaten

Elektronische diergezondheidscertificaten die worden opgesteld, verwerkt en doorgestuurd via TRACES, kunnen de in artikel 149, lid 1, bedoelde begeleidende diergezondheidscertificaten vervangen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) deze elektronische diergezondheidscertificaten bevatten alle gegevens die het modelformulier van diergezondheidscertificaten moet bevatten overeenkomstig artikel 145 en de krachtens artikel 146 vastgestelde regels;

b) de traceerbaarheid van de desbetreffende gehouden landdieren en het verband tussen die dieren en het elektronische diergezondheidscertificaat zijn gewaarborgd;

c) de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst, doorgang en bestemming hebben tijdens het vervoer te allen tijde toegang tot de elektronische documenten.

Artikel 151

Eigen verklaring van de exploitanten voor verplaatsingen naar andere lidstaten

1.  Indien voor de gehouden landdieren niet is vereist dat zij vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 143, leden 1 en 2, geven de exploitanten op de plaats van oorsprong een document met eigen verklaring af voor verplaatsingen van gehouden landdieren van hun plaats van oorsprong in de ene lidstaat naar hun plaats van bestemming in een andere lidstaat en zorgen zij ervoor dat het document de dieren vergezelt.

2.  Het in lid 1 bedoelde document met eigen verklaring bevat over de desbetreffende gehouden landdieren de volgende gegevens:

a) hun plaats van oorsprong, hun plaats van bestemming, en indien van toepassing, alle verzamel- of rustplaatsen;

b) de vervoermiddelen en de vervoerder;

c) een beschrijving van de gehouden landdieren, hun soort, categorie en aantal;

d) identificatie en registratie, indien dat is vereist overeenkomstig de artikelen 112, 113, 114 en 115, en artikel 117, onder a), en de krachtens de artikelen 118 en 120 vastgestelde regels;

e) de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de gehouden landdieren voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van de afdelingen 1 tot en met 6 (artikelen 124 tot en met 142).

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) nadere regels betreffende de inhoud van het document met eigen verklaring als bedoeld in lid 2 van dit artikel voor verschillende soorten en categorieën dieren;

b) gegevens die in het document met eigen verklaring moeten worden opgenomen ter aanvulling van de in lid 2 van dit artikel bedoelde gegevens.

4.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen voor modelformulieren van het document met eigen verklaring als bedoeld in lid 2 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 8

Kennisgeving Van Verplaatsingen Van Gehouden Landdieren Naar Andere Lidstaten

Artikel 152

Verplichting voor de exploitanten met betrekking tot de kennisgeving van verplaatsingen van gehouden landdieren naar andere lidstaten

De exploitanten, met uitzondering van vervoerders, stellen de bevoegde autoriteit in hun lidstaat van oorsprong vooraf in kennis van geplande verplaatsingen van gehouden landdieren van die lidstaat naar een andere lidstaat wanneer:

a) de dieren moeten vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig de artikelen 149 en 150 en de krachtens artikel 149, lid 4, vastgestelde regels;

b) de dieren moeten vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat voor gehouden landdieren indien zij als bedoeld in artikel 143, lid 2, uit een beperkingszone worden verplaatst en op deze dieren ziektebestrijdingsmaatregelen van toepassing zijn;

c) de dieren zijn vrijgesteld van de verplichting tot diergezondheidscertificering, bedoeld in artikel 144, lid 1, onder a), of zijn onderworpen aan bijzondere regels, bedoeld in artikel 144, lid 1, onder b);

d) kennisgeving is vereist overeenkomstig de krachtens artikel 154, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel verstrekken de exploitanten de bevoegde autoriteit van hun lidstaat van oorsprong alle noodzakelijke gegevens om deze in staat te stellen overeenkomstig artikel 153, lid 1, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis te stellen van de verplaatsingen van de gehouden landdieren.

Artikel 153

Verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit om kennisgeving te doen van verplaatsingen naar andere lidstaten

1.  De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis van de in artikel 152 bedoelde verplaatsingen van gehouden landdieren.

2.  De in lid 1 bedoelde kennisgeving geschiedt voorafgaandelijk aan de betrokken verplaatsing en indien mogelijk via TRACES.

3.  Voor het beheer van de in lid 1 bedoelde kennisgevingen van verplaatsingen, wijzen de lidstaten regio's aan.

4.  In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong de betrokken exploitant toestemming verlenen de kennisgeving van verplaatsingen van gehouden landdieren geheel of gedeeltelijk via TRACES naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming te versturen.

Artikel 154

Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringshandelingen voor de kennisgeving van verplaatsingen door de exploitanten en door de bevoegde autoriteit

1.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) de verplichting voor de exploitanten om overeenkomstig artikel 152 vooraf kennisgeving te doen van verplaatsingen van gehouden landdieren tussen lidstaten voor andere categorieën of soorten dieren dan die bedoeld onder a) en b) van dat artikel, wanneer de traceerbaarheid van dergelijke verplaatsingen van die soorten of categorieën dieren noodzakelijk is om te waarborgen dat aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van de afdelingen 1 tot en met 6 (artikelen 124 tot en met 142) is voldaan;

b) de gegevens die noodzakelijk zijn om kennisgeving te doen van verplaatsingen van gehouden landdieren als bedoeld in de artikelen 152 en 153;

c) de noodprocedures voor de kennisgeving van verplaatsingen van gehouden landdieren bij stroomonderbrekingen en andere storingen in TRACES;

d) de voorschriften inzake de aanwijzing van regio's door de lidstaten voor het beheer van de kennisgevingen van verplaatsingen, als bedoeld in artikel 153, lid 3.

2.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen met betrekking tot:

a) nadere gegevens inzake de kennisgeving van verplaatsingen van gehouden landdieren door:

i) de exploitanten aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong, overeenkomstig artikel 152;

ii) de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong aan de lidstaat van bestemming, overeenkomstig artikel 153;

b) de uiterste termijnen voor:

i) het verstrekken door de exploitant van de in artikel 152 bedoelde noodzakelijke gegevens aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong;

ii) de kennisgeving van verplaatsingen van gehouden landdieren door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong, als bedoeld in artikel 153, lid 1.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 4

Verplaatsingen van wilde landdieren

Artikel 155

Wilde landdieren

1.  Exploitanten verplaatsen wilde dieren slechts van een habitat in een lidstaat naar een habitat of inrichting in een andere lidstaat indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de verplaatsingen van de betrokken wilde dieren uit hun habitat worden zodanig verricht dat zij onderweg of op de plaats van bestemming geen significant risico vormen op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), of van nieuwe ziekten;

b) de wilde dieren zijn niet afkomstig uit een habitat in een beperkingszone waarvoor voor de diersoort waartoe zij behoren verplaatsingsbeperkingen gelden omdat er een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), of een nieuwe ziekte voorkomt, als voorzien in artikel 70, lid 2, en in de regels vastgesteld krachtens artikel 70, lid 3, onder b), artikel 71, lid 3, en artikel 83, lid 3, of de noodmaatregelen als bedoeld in de artikelen 257 en 258 en de krachtens artikel 259 vastgestelde regels, tenzij overeenkomstig deze regels afwijkingen zijn toegestaan;

c) de wilde dieren gaan vergezeld van een diergezondheidscertificaat of van andere documenten, indien diergezondheidscertificering noodzakelijk is om te waarborgen dat is voldaan aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen, bedoeld onder a) en b) van dit lid en aan de regels vastgesteld krachtens artikel 156, lid 1, onder c) en d);

d) de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong heeft de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis gesteld van de verplaatsingen, wanneer overeenkomstig de krachtens artikel 156, lid 1, onder c), vastgestelde regels een diergezondheidscertificaat is vereist, en

e) de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming hebben overeenstemming bereikt over een dergelijke verplaatsing.

2.  Wanneer overeenkomstig de krachtens artikel 156, lid 1, onder c), vastgestelde regels een diergezondheidscertificaat is vereist, gelden voor verplaatsingen van wilde landdieren de voorschriften van de artikelen 145 en 148, artikel 149, leden 1, 2 en 3, en artikel 150, en de regels vastgesteld krachtens de artikelen 146 en 147 en artikel 149, lid 4.

3.  Wanneer overeenkomstig lid 1, onder d), van dit artikel de kennisgeving van verplaatsingen is vereist, gelden voor verplaatsingen van wilde landdieren de voorschriften van de artikelen 152 en 153 en de regels vastgesteld krachtens de in artikel 154, lid 1, bedoelde gedelegeerde handelingen.

Artikel 156

Bevoegdheden inzake verplaatsingen van wilde landdieren

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van wilde landdieren, bedoeld in artikel 155, lid 1, onder a) en b);

b) de diergezondheidsvoorschriften voor het binnenbrengen van wilde landdieren wanneer zij uit het wild worden overgebracht;

c) de soorten verplaatsingen van wilde landdieren waarvoor, of de situaties waarin een diergezondheidscertificaat of een ander document dergelijke verplaatsingen moet begeleiden, en de voorschriften met betrekking tot de inhoud van dergelijke diergezondheidscertificaten of andere documenten;

d) de kennisgeving door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming bij verplaatsingen van wilde landdieren tussen lidstaten, en de gegevens die een dergelijke kennisgeving moet bevatten.

2.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen ter specificatie van de voorschriften, bedoeld in artikel 155 en in de gedelegeerde handelingen vastgesteld krachtens lid 1 van dit artikel, met betrekking tot:

a) modelformulieren van diergezondheidscertificaten en andere documenten die de verplaatsingen van wilde landdieren moeten vergezellen, indien dat is bepaald in de krachtens lid 1, onder c), van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen;

b) nadere gegevens inzake de kennisgeving die is te verrichten door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong en de termijnen voor dergelijke kennisgevingen, indien dat is bepaald in de krachtens lid 1, onder d), van dit artikel vastgestelde regels.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 5

Verplaatsingen binnen de Unie van levende producten



Afdeling 1

Algemene voorschriften

Artikel 157

Algemene voorschriften voor verplaatsingen van levende producten

1.  De exploitanten treffen passende preventieve maatregelen om ervoor te zorgen dat door de verplaatsingen van levende producten de gezondheidsstatus van gehouden landdieren op de plaats van bestemming geen gevaar loopt met betrekking tot:

a) in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

b) nieuwe ziekten.

2.  De exploitanten verplaatsen levende producten slechts uit hun inrichtingen en ontvangen slechts dergelijke levende producten indien de betrokken producten voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) zij zijn afkomstig van inrichtingen die:

i) overeenkomstig artikel 93, lid 1, onder a), door de bevoegde autoriteit zijn ingeschreven in het register van inrichtingen en waarvoor de lidstaat van oorsprong geen afwijking heeft toegestaan overeenkomstig artikel 85;

ii) indien artikel 94, lid 1, of artikel 95 dat vereist, door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 97, lid 1, zijn erkend;

b) voldoen aan de traceerbaarheidsvoorschriften van artikel 121, lid 1, en aan de krachtens artikel 122, lid 1, vastgestelde regels.

3.  De exploitanten leven de voorschriften van artikel 125 na voor het vervoer van levende producten van gehouden landdieren.

4.  De exploitanten verplaatsen levende producten niet van een inrichting in een lidstaat naar een inrichting in een andere lidstaat, tenzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming daartoe de uitdrukkelijke toestemming verleent, wanneer die levende producten moeten worden vernietigd ter uitroeiing van een ziekte in het kader van een uitroeiingsprogramma als bedoeld in artikel 31, leden 1 en 2.

Artikel 158

Verplichtingen van de exploitanten op de plaats van bestemming

1.  De exploitanten van inrichtingen op de plaats van bestemming die levende producten ontvangen van een inrichting uit een andere lidstaat:

a) controleren de aanwezigheid van:

i) merktekens overeenkomstig artikel 121 en de krachtens artikel 122 vastgestelde regels;

ii) diergezondheidscertificaten als bedoeld in artikel 161;

b) stellen, na controle van de ontvangen levende producten, de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming in kennis van elke onregelmatigheid met betrekking tot:

i) de ontvangen levende producten;

ii) de merktekens als bedoeld onder a), i);

iii) de diergezondheidscertificaten als bedoeld onder a), ii).

2.  Bij een onregelmatigheid als bedoeld in lid 1, onder b), houdt de betrokken exploitant de levende producten apart tot de bevoegde autoriteit over deze producten een beslissing heeft genomen.



Afdeling 2

Verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee naar andere lidstaten

Artikel 159

Verplichtingen van de exploitanten met betrekking tot verplaatsingen naar andere lidstaten van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee

1.  De exploitanten verplaatsen levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee slechts naar een andere lidstaat indien deze levende producten voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) zij worden gewonnen, geproduceerd, behandeld en opgeslagen in inrichtingen voor levende producten die daartoe overeenkomstig artikel 97, lid 1, en artikel 99 zijn erkend;

b) zij zijn gewonnen van donordieren die voldoen aan de noodzakelijke diergezondheidsvoorschriften om te waarborgen dat de levende producten geen in de lijst opgenomen ziekten verspreiden;

c) zij zijn gewonnen, geproduceerd, behandeld, opgeslagen en vervoerd op een manier die waarborgt dat geen in artikel 9, lid 1, onder d), vermelde ziekten worden verspreid.

2.  De exploitanten verplaatsen geen levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee van een inrichting voor levende producten waarvoor met betrekking tot de desbetreffende in de lijst opgenomen soorten verplaatsingsbeperkingen gelden overeenkomstig:

a) artikel 55, lid 1, onder a), c) en e), artikel 55, lid 1, onder f), ii), artikel 56, artikel 61, lid 1, onder a), artikel 62, lid 1, artikel 65, lid 1, onder c), artikel 74, lid 1, en de artikelen 79 en 80;

b) de regels vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 4, en artikel 83, lid 2;

c) de noodmaatregelen als bedoeld in de artikelen 257 en 258 en in de regels vastgesteld krachtens artikel 259, tenzij in de regels vastgesteld krachtens artikel 258 afwijkingen zijn toegestaan.

De in dit lid bedoelde beperkingen zijn niet van toepassing op gevallen waarin de levende producten zijn gewonnen vóór de betrokken uitbraak is geconstateerd, en deze producten bij de opslag gescheiden zijn gehouden van andere levende producten.

Artikel 160

Bevoegdheidsdelegatie met betrekking tot verplaatsingen naar andere lidstaten van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee

1.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de diergezondheidsvoorschriften voor de in artikel 159 bedoelde verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee naar andere lidstaten ter specificatie van:

a) regels voor de winning, productie, behandeling en opslag van levende producten van deze gehouden dieren in erkende inrichtingen als bedoeld in artikel 159, lid 1, onder a);

b) diergezondheidsvoorschriften als bedoeld in artikel 159, lid 1, onder b), voor gehouden donordieren waarvan levende producten werden gewonnen, en met betrekking tot de isolering of quarantaine voor die dieren;

c) laboratoriumtests en andere tests die moeten worden uitgevoerd op gehouden donordieren en levende producten;

d) diergezondheidsvoorschriften voor de winning, productie, behandeling, opslag of voor andere bewerkingen en voor vervoer als bedoeld in artikel 159, lid 1, onder c).

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de diergezondheidsvoorschriften voor de in artikel 159 bedoelde verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee naar andere lidstaten, ter specificatie van afwijkingen van de regels van artikel 159 voor exploitanten, rekening houdend met de risico's die verbonden zijn aan dergelijke levende producten en de getroffen risicobeperkingsmaatregelen.



Afdeling 3

Diergezondheidscertificering en kennisgeving van verplaatsingen

Artikel 161

Verplichtingen van de exploitanten met betrekking tot diergezondheidscertificering voor verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee en gedelegeerde handelingen

1.  De exploitanten verplaatsen levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee slechts naar een andere lidstaat wanneer dergelijke producten vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig lid 3 is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong;

2.  Wanneer levende producten van gehouden dieren mogen worden verplaatst uit een beperkingszone:

a) waarvoor ziektebestrijdingsmaatregelen gelden als bedoeld in artikel 55, lid 1, onder f), ii), de artikelen 56, 64 en 65, artikel 74, lid 1, en artikel 79 en in de regels vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, artikel 67, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 4, en artikel 83, lid 2; of

b) waarvoor noodmaatregelen gelden, als bedoeld in de artikelen 257 en 258 en in de krachtens artikel 259 vastgestelde regels,

en deze levende producten afkomstig zijn van soorten waarvoor die ziektebestrijdings- of noodmaatregelen gelden, verplaatsen exploitanten die levende producten slechts binnen een lidstaat of van de ene lidstaat naar de andere, indien deze vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 149, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong afgegeven diergezondheidscertificaat, tenzij overeenkomstig de in deze alinea bedoelde regels afwijkingen van de verplichting tot diergezondheidscertificering zijn toegestaan.

De bevoegde autoriteit kan besluiten dat een dergelijk certificaat niet hoeft te worden afgegeven voor verplaatsingen van levende producten binnen de betrokken lidstaat, wanneer die autoriteit van mening is dat er een alternatief systeem bestaat dat waarborgt dat de zendingen van dergelijke levende producten traceerbaar zijn en dat die levende producten voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor dergelijke verplaatsingen.

3.  De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat het in lid 1 bedoelde diergezondheidscertificaat de levende producten vergezelt van de plaats van oorsprong tot de plaats van bestemming.

4.  De bevoegde autoriteit geeft op verzoek van een exploitant een diergezondheidscertificaat af voor de verplaatsingen van de in lid 1 bedoelde levende producten, mits aan de geldende voorschriften, bedoeld in hoofdstuk 5 van titel I van deel IV, is voldaan.

5.  Voor de diergezondheidscertificering van de in lid 1 van dit artikel bedoelde levende producten gelden de artikelen 148, 149 en 150 en de regels vastgesteld krachtens de artikelen 146 en 147 en artikel 149, lid 4, en voor eigen verklaringen betreffende verplaatsingen van levende producten gelden artikel 151, lid 1, en de regels vastgesteld krachtens artikel 151, lid 3.

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van de voorschriften inzake diergezondheidscertificering, bedoeld in lid 1 van dit artikel, wat betreft de verplaatsingen van levende producten van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee die geen significant risico vormen op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten door:

a) de aard van de betrokken levende producten of de diersoort waarvan deze producten afkomstig zijn;

b) de methoden voor productie en behandeling die in de inrichting voor levende producten worden toegepast;

c) het beoogde gebruik van de levende producten;

d) andere getroffen risicobeperkingsmaatregelen voor het soort en de categorie levende producten en de inrichtingen voor levende producten;

e) de plaats van bestemming van de levende producten, wanneer die plaats van bestemming zich in de lidstaat van herkomst bevindt maar de levende producten door een andere lidstaat verplaatst worden om hun plaats van bestemming te bereiken.

Artikel 162

Inhoud van diergezondheidscertificaten

1.  Het diergezondheidscertificaat voor levende producten, bedoeld in artikel 161, bevat ten minste de volgende gegevens:

a) de inrichting voor levende producten van herkomst en de inrichting of plaats van bestemming;

b) het soort levende producten en de soorten gehouden donordieren;

c) het volume of het aantal levende producten;

d) het merkteken van de levende producten, wanneer artikel 121, lid 1, en de krachtens artikel 122, lid 1, vastgestelde regels dat vereisen;

e) de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de levende producten voldoen aan de verplaatsingsvoorschriften voor de desbetreffende soorten als bedoeld in de artikelen 157 en 159 en in de krachtens artikel 160 vastgestelde regels.

2.  Het diergezondheidscertificaat voor levende producten, als bedoeld in artikel 161, mag andere gegevens bevatten die overeenkomstig andere Uniewetgeving zijn vereist.

3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de gegevens die krachtens lid 1 van dit artikel in het diergezondheidscertificaat moeten worden vermeld.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot diergezondheidscertificering voor verschillende soorten levende producten en van verschillende diersoorten.

5.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen voor modelformulieren van diergezondheidscertificaten voor levende producten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 163

Kennisgeving van verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee naar andere lidstaten

1.  De exploitanten:

a) stellen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst vooraf in kennis van de geplande verplaatsing van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee naar een andere lidstaat in de volgende gevallen:

i) de betrokken levende producten moeten vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig artikel 161, lid 1 of lid 2;

ii) rekening houdend met lid 3 van dit artikel is kennisgeving van de verplaatsing voor levende producten vereist overeenkomstig de krachtens lid 5, onder a), van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen;

b) verstrekken de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong alle noodzakelijke gegevens om de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming overeenkomstig lid 2 in kennis te stellen van de verplaatsing van de levende producten.

2.  De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst stelt, voorafgaandelijk aan de betrokken verplaatsing en, zo veel mogelijk, via TRACES, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming overeenkomstig de krachtens de leden 5 en 6 vastgestelde regels in kennis van verplaatsingen van levende producten afkomstig van gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee.

3.  Voor het beheer van kennisgevingen maken de lidstaten gebruik van de overeenkomstig artikel 153, lid 3, aangewezen regio's.

4.  Artikel 153, lid 4, is van toepassing op de kennisgeving van levende producten door exploitanten.

5.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) de verplichting voor de exploitanten om overeenkomstig lid 1, onder a), ii), van dit artikel, kennisgeving te doen van verplaatsingen van levende producten tussen lidstaten, wanneer de traceerbaarheid van dergelijke verplaatsingen noodzakelijk is om te waarborgen dat aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van de afdelingen 1 en 2 (artikelen 157 tot en met 160) is voldaan;

b) de gegevens die noodzakelijk zijn om kennisgeving te doen van verplaatsingen van levende producten als bedoeld in lid 1 van dit artikel;

c) de noodprocedures voor de kennisgeving van verplaatsingen van levende producten bij stroomonderbrekingen en andere storingen in TRACES.

6.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen met betrekking tot:

a) het verstrekken van nadere gegevens betreffende verplaatsingen van levende producten door exploitanten aan de bevoegde autoriteit van hun lidstaat van oorsprong overeenkomstig lid 1;

b) de kennisgeving door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong aan de lidstaat van bestemming betreffende verplaatsingen van levende producten overeenkomstig artikel 2;

c) de uiterste termijnen voor:

i) de verstrekking door de exploitant aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong van de in lid 1 bedoelde gegevens;

ii) de kennisgeving door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong van in lid 2 bedoelde verplaatsingen van levende producten.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 4

Verplaatsingen van levende producten afkomstig van andere soorten gehouden landdieren dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee naar andere lidstaten

Artikel 164

Levende producten afkomstig van andere gehouden landdieren dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee

1.  De exploitanten verplaatsen levende producten afkomstig van andere soorten gehouden landdieren dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee slechts naar een andere lidstaat, indien deze producten, naargelang de gezondheidsstatus op de plaats van bestemming, geen significant risico vormen op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), naar de in de lijst opgenomen diersoorten op de plaats van bestemming.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften inzake diergezondheid, diergezondheidscertificering en kennisgeving van verplaatsingen van levende producten afkomstig van andere soorten gehouden landdieren dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en levende producten van pluimvee. Zij houdt daarbij rekening met de volgende aspecten:

a) in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), voor de betrokken in de lijst opgenomen soorten;

b) de soorten dieren waarvan de levende producten zijn gewonnen en het soort levende producten;

c) de gezondheidsstatus op de plaats van herkomst en de plaats van bestemming;

d) het soort winning, productie, behandeling en opslag;

e) andere epidemiologische factoren.

3.  Wanneer overeenkomstig lid 2 diergezondheidscertificering en kennisgeving van verplaatsingen van levende producten zijn vereist:

a) gelden voor dergelijke certificering de regels van artikel 161, leden 1 tot en met 5, artikel 162, leden 1 en 2, en de krachtens artikel 161, lid 6, en artikel 162, leden 3 tot en met 5, vastgestelde regels;

b) gelden voor kennisgeving van verplaatsingen de regels van artikel 163, leden 1, 2 en 4, en de krachtens artikel 163, lid 5, vastgestelde regels.



Afdeling 5

Afwijkingen

Artikel 165

Levende producten bestemd voor wetenschappelijke doeleinden en gedelegeerde handelingen

1.  De bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming kan, mits de bevoegde autoriteit van de plaats van herkomst daarmee instemt, toestemming verlenen voor verplaatsingen van levende producten voor wetenschappelijke doeleinden naar het grondgebied van de lidstaat van bestemming, wanneer deze verplaatsingen niet voldoen aan de voorschriften van de artikelen 159 tot en met 164.

2.  De bevoegde autoriteit staat de in lid 1 bedoelde afwijkingen slechts toe onder de volgende voorwaarden:

a) de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming en die van de plaats van herkomst:

i) hebben overeenstemming bereikt over de voorwaarden voor de voorgestelde verplaatsingen;

ii) waarborgen dat de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen zijn getroffen die waarborgen dat deze verplaatsingen geen gevaar opleveren voor de gezondheidsstatus onderweg en op de plaats van bestemming met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als, bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

iii) hebben in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van doorgang in kennis gesteld van de toegestane afwijking en van de voorwaarden waaronder deze is toegestaan;

b) deze verplaatsingen verlopen onder toezicht van de bevoegde autoriteiten van de plaats van herkomst en de plaats van bestemming en, in voorkomend geval, van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van doorgang.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de regels voor het toestaan van afwijkingen door de bevoegde autoriteiten, als aanvulling op de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde afwijkingen.



HOOFDSTUK 6

Productie, verwerking en distributie van producten van dierlijke oorsprong binnen de Unie

Artikel 166

Algemene verplichtingen van de exploitanten inzake diergezondheid en gedelegeerde handelingen

1.  De exploitanten treffen passende preventieve maatregelen om te waarborgen dat producten van dierlijke oorsprong in geen enkel stadium van de productie, de verwerking en van de distributie ervan in de Unie de verspreiding veroorzaken van:

a) in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), rekening houdend met de gezondheidsstatus van de plaats van productie, verwerking of bestemming;

b) nieuwe ziekten.

2.  De exploitanten zorgen ervoor dat producten van dierlijke oorsprong niet afkomstig zijn van inrichtingen of levensmiddelenbedrijven of niet worden verkregen van dieren die afkomstig zijn van inrichtingen:

a) waarvoor noodmaatregelen gelden als bedoeld in de artikelen 257 en 258 of regels vastgesteld krachtens artikel 259, tenzij in de regels vastgesteld krachtens artikel 259 afwijkingen zijn toegestaan van de voorschriften van lid 1 van dit artikel;

b) waarvoor verplaatsingsbeperkingen gelden voor de gehouden landdieren en voor de producten van dierlijke oorsprong als bedoeld in artikel 32, lid 1, onder c), artikel 55, lid 1, onder e), artikel 56, artikel 61, lid 1, onder a), artikel 62, lid 1, artikel 65, lid 1, onder c), artikel 70, lid 1, onder b), artikel 74, lid 1, onder a), artikel 76, lid 2, onder b), artikel 76, lid 3, de artikelen 79 en 81, en artikel 82, leden 2 en 3, en in de regels vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 70, lid 3, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 4, artikel 76, lid 5, en artikel 83, lid 2, tenzij overeenkomstig deze regels afwijkingen van deze verplaatsingsbeperkingen zijn toegestaan.

3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast houdende nadere voorschriften ter aanvulling van de voorschriften bedoeld in:

a) lid 1 van dit artikel, inzake de preventieve maatregelen, waaronder risicobeperkingsmaatregelen, en

b) lid 2 van dit artikel in verband met beperkingen inzake verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong.

4.  Bij de vaststelling van de in lid 3 bedoelde gedelegeerde handelingen baseert de Commissie deze handelingen op de volgende aspecten:

a) de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekten bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), en de betrokken diersoorten en

b) de daaraan verbonden risico's.

Artikel 167

Verplichtingen van de exploitanten met betrekking tot diergezondheidscertificaten en gedelegeerde handelingen

1.  De exploitanten verplaatsen de volgende producten van dierlijke oorsprong binnen een lidstaat of naar een andere lidstaat slechts indien de betrokken producten vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig lid 3 is afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst:

a) producten van dierlijke oorsprong:

i) waarvan de verplaatsing uit een beperkingszone waarvoor noodmaatregelen gelden als bedoeld in de krachtens artikel 259 vastgestelde regels, is toegestaan;

ii) die afkomstig zijn van diersoorten waarop deze noodmaatregelen van toepassing zijn;

b) producten van dierlijke oorsprong:

i) waarvan de verplaatsing uit een beperkingszone waarvoor ziektebestrijdingsmaatregelen gelden, overeenkomstig artikel 32, lid 1, artikel 55, lid 1, onder f), ii), artikel 56, artikel 61, lid 1, onder a), artikel 62, lid 1, artikel 64, artikel 65, lid 1, onder c), artikel 70, lid 1, onder b), artikel 74, lid 1, onder a), en de artikelen 79 en 80, en de regels vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 4, en artikel 83, lid 2, is toegestaan;

ii) die afkomstig zijn van diersoorten waarop deze ziektebestrijdingsmaatregelen van toepassing zijn.

De bevoegde autoriteit kan besluiten dat een dergelijk certificaat niet hoeft te worden afgegeven voor verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong binnen de betrokken lidstaat wanneer die autoriteit van oordeel is dat er een alternatief systeem bestaat dat waarborgt dat de zendingen van dergelijke producten traceerbaar zijn en dat die producten voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor dergelijke verplaatsingen.

2.  De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat het in lid 1 bedoelde diergezondheidscertificaat de producten van dierlijke oorsprong vergezelt van hun plaats van herkomst tot hun plaats van bestemming.

3.  De bevoegde autoriteit geeft op verzoek van de betrokken exploitant een diergezondheidscertificaat af voor verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong als bedoeld in lid 1, op voorwaarde dat aan de toepasselijke voorschriften als bedoeld in dit artikel is voldaan.

4.  De artikelen 148,149 en 150 en de regels vastgesteld krachtens de artikelen 146 en 147 en artikel 149, lid 4, zijn van toepassing op de diergezondheidscertificering van verplaatsingen van de producten van dierlijke oorsprong, bedoeld in lid 1 van dit artikel.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van de voorschriften met betrekking tot diergezondheidscertificaten van lid 1 van dit artikel en de voorwaarden voor die afwijkingen, met betrekking tot verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong die geen significant risico vormen op verspreiding van ziekten door:

a) de betrokken soorten producten van dierlijke oorsprong;

b) de risicobeperkingsmaatregelen die van toepassing zijn op de producten van dierlijke oorsprong, waardoor het risico op verspreiding van ziekten wordt beperkt;

c) het beoogde gebruik van de producten van dierlijke oorsprong;

d) de plaats van bestemming van de producten van dierlijke oorsprong.

Artikel 168

Inhoud van diergezondheidscertificaten en gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen

1.  Het diergezondheidscertificaat voor producten van dierlijke oorsprong, bedoeld in artikel 167, lid 1, bevat ten minste de volgende gegevens:

a) de inrichting of plaats van herkomst en de inrichting of plaats van bestemming;

b) een beschrijving van de betrokken producten van dierlijke oorsprong;

c) de hoeveelheid producten van dierlijke oorsprong;

d) de identificatie van de producten van dierlijke oorsprong, wanneer dat is vereist overeenkomstig artikel 65, lid 1, onder h), of overeenkomstig de regels vastgesteld krachtens artikel 67, tweede alinea, onder a);

e) de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de producten van dierlijke oorsprong voldoen aan de voorschriften inzake verplaatsingsbeperkingen, bedoeld in artikel 166, lid 2, en in de krachtens artikel 166, lid 3, vastgestelde regels.

2.  Het in lid 1 bedoelde diergezondheidscertificaat kan andere gegevens bevatten die uit hoofde van andere Uniewetgeving zijn vereist.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de gegevens die in het diergezondheidscertificaat moeten worden vermeld, als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

4.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen voor modelformulieren van diergezondheidscertificaten voor producten van dierlijke oorsprong, als bedoeld in lid 1 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 169

Kennisgeving van verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong naar andere lidstaten

1.  De exploitanten:

a) stellen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst vooraf in kennis van de geplande verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong wanneer de betrokken zendingen vergezeld moeten gaan van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig artikel 167, lid 1;

b) verstrekken de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst alle noodzakelijke gegevens om de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming overeenkomstig lid 2 in kennis te stellen van de betrokken verplaatsing van producten van dierlijke oorsprong.

2.  De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst stelt, voorafgaandelijk aan de verplaatsing en, waar mogelijk, via TRACES, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming overeenkomstig de krachtens de leden 5 en 6 vastgestelde regels in kennis van verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong.

3.  Voor het beheer van de kennisgevingen maken de lidstaten gebruik van de overeenkomstig artikel 153, lid 3, aangewezen regio's.

4.  Artikel 153, lid 4, is van toepassing op de kennisgeving van verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong door exploitanten.

5.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) de gegevens die noodzakelijk zijn om kennisgeving te doen van verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong als bedoeld in lid 1 van dit artikel;

b) de noodprocedures voor de kennisgeving van verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong bij stroomonderbrekingen en andere storingen in TRACES.

6.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen met betrekking tot:

a) de gegevens die exploitanten moeten verstrekken aan de bevoegde autoriteit van hun lidstaat van oorsprong betreffende verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong overeenkomstig lid 1;

b) de kennisgeving van verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong die de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong moet doen aan de lidstaat van bestemming overeenkomstig lid 2;

c) de uiterste termijnen voor:

i) de verstrekking van de in lid 1 bedoelde gegevens door de betrokken exploitant aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong;

ii) de kennisgeving van verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong die de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong als bedoeld in lid 2 moet doen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 7

Toepassingsgebied van nationale maatregelen

Artikel 170

Nationale maatregelen met betrekking tot ziektebestrijding en verplaatsingen van dieren en levende producten

1.  Het staat de lidstaten vrij nationale maatregelen te treffen ter bestrijding van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d) en e), betreffende het verkeer van landdieren en levende producten daarvan op hun eigen grondgebied.

2.  Deze nationale maatregelen:

a) houden rekening met de regels inzake verplaatsingen van dieren en levende producten van hoofdstuk 3 (artikelen 124 tot en met 154), hoofdstuk 4 (artikelen 155 en 156) en hoofdstuk 5 (artikelen 157 tot en met 165), en zijn niet strijdig met die regels;

b) vormen geen belemmering voor het verplaatsen van dieren en producten tussen de lidstaten;

c) gaan niet verder dan wenselijk en noodzakelijk is om de insleep en de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d) en e), te voorkomen.

Artikel 171

Nationale maatregelen ter beperking van de gevolgen van andere ziekten dan de in de lijst opgenomen ziekten

Indien een andere ziekte dan een in de lijst opgenomen ziekte een significant risico vormt voor de gezondheid van gehouden landdieren in een lidstaat, kan de betrokken lidstaat nationale maatregelen treffen ter bestrijding van die ziekte en verplaatsingen van gehouden landdieren en levende producten beperken, op voorwaarde dat deze maatregelen:

a) geen belemmering vormen voor verplaatsingen van dieren en producten tussen lidstaten;

b) niet verder gaan dan wenselijk en noodzakelijk is om die ziekte te bestrijden.



TITEL II

WATERDIEREN EN VAN WATERDIEREN AFKOMSTIGE PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG



HOOFDSTUK 1

Registratie, erkenning, documentatie en registers



Afdeling 1

Registratie van aquacultuurinrichtingen

Artikel 172

Verplichting voor de exploitanten tot registratie van aquacultuurinrichtingen

1.  Om hun inrichtingen te laten registreren overeenkomstig artikel 173 moeten de exploitanten van aquacultuurinrichtingen voordat zij dergelijke activiteiten starten:

a) de bevoegde autoriteit in kennis stellen van alle aquacultuurinrichtingen waarvoor zij verantwoordelijk zijn;

b) de bevoegde autoriteit de volgende gegevens verstrekken:

i) de naam en het adres van de betrokken exploitant;

ii) de locatie van de inrichting en een beschrijving van de voorzieningen ervan;

iii) de soorten, categorieën en hoeveelheid (aantal, volume of gewicht) aquacultuurdieren die zij in de aquacultuurinrichting willen houden en het volume van de aquacultuurdieren en de capaciteit van de aquacultuurinrichting;

iv) het soort aquacultuurinrichting; en

v) andere aspecten van de inrichting die relevant zijn voor de vaststelling van het daarmee verbonden risico.

2.  De in lid 1 bedoelde exploitanten van aquacultuurinrichtingen stellen de bevoegde autoriteit vooraf in kennis van:

a) belangrijke wijzigingen in de betrokken aquacultuurinrichting met betrekking tot de in lid 1, onder b), bedoelde aspecten;

b) de stopzetting van de activiteiten door de exploitant of van de betrokken aquacultuurinrichting.

3.  Op aquacultuurinrichtingen die erkenningsplichtig zijn overeenkomstig artikel 176, lid 1, en artikel 177 is de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichting tot informatieverstrekking niet van toepassing.

4.  Een exploitant kan een aanvraag tot registratie als bedoeld in lid 1 indienen voor een groep aquacultuurinrichtingen, op voorwaarde dat deze voldoen aan één van de volgende voorwaarden:

a) zij zijn gelegen in een epidemiologisch verbonden gebied en alle exploitanten in dat gebied werken met een gemeenschappelijk biobeveiligingssysteem;

b) zij staan onder de verantwoordelijkheid van dezelfde exploitant en worden geëxploiteerd onder een gemeenschappelijk biobeveiligingssysteem, en de aquacultuurdieren van de betrokken inrichtingen behoren tot eenzelfde epidemiologische eenheid.

De regels van de leden 1 tot en met 3 van dit artikel, de regels van artikel 173, eerste alinea, onder b), en de krachtens artikel 175 vastgestelde regels, die van toepassing zijn op afzonderlijke aquacultuurinrichtingen, gelden bij een aanvraag tot registratie voor een groep inrichtingen voor de gehele groep aquacultuurinrichtingen.

Artikel 173

Verplichtingen van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de registratie van aquacultuurinrichtingen

Een bevoegde autoriteit registreert:

a) aquacultuurinrichtingen in het register van aquacultuurinrichtingen, bedoeld in artikel 185, lid 1, indien de betrokken exploitant de overeenkomstig artikel 172, lid 1, vereiste gegevens heeft verstrekt;

b) groepen aquacultuurinrichtingen in dat register, indien aan de in artikel 172, lid 4, bedoelde voorwaarden is voldaan.

De bevoegde autoriteit kent aan elke in dit artikel bedoelde inrichting of groep inrichtingen een uniek registratienummer toe.

Artikel 174

Afwijkingen van de verplichting voor de exploitanten tot registratie van aquacultuurinrichtingen

In afwijking van artikel 172, lid 1, kunnen de lidstaten bepaalde aquacultuurinrichtingen die geen significant risico vormen, vrijstellen van de verplichting tot registratie, door middel van een overeenkomstig artikel 175 vastgestelde uitvoeringshandeling.

Artikel 175

Uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot afwijkingen van de verplichting om aquacultuurinrichtingen te registreren

1.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen met betrekking tot de gegevens die exploitanten moeten verstrekken voor de registratie van aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 172, lid 1, met inbegrip van de termijnen waarbinnen deze informatie moet worden verstrekt.

2.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen regels vast met betrekking tot de soorten aquacultuurinrichtingen die door de lidstaten kunnen worden vrijgesteld van de verplichting tot registratie overeenkomstig artikel 174, op basis van:

a) de soorten, categorieën en hoeveelheid (aantal, volume of gewicht) aquacultuurdieren die in de betrokken aquacultuurinrichting aanwezig zijn en de capaciteit van die inrichting;

b) de verplaatsingen van aquacultuurdieren naar en uit de aquacultuurinrichting.

3.  De in dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 2

Erkenning van bepaalde soorten aquacultuurinrichtingen

Artikel 176

Erkenning van bepaalde aquacultuurinrichtingen en gedelegeerde handelingen

1.  De exploitanten van de volgende soorten aquacultuurinrichtingen dienen bij de bevoegde autoriteit een aanvraag tot erkenning in overeenkomstig artikel 180, lid 1:

a) aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren worden gehouden om van daaruit levend of als producten van dierlijke oorsprong van aquacultuurdieren te worden verplaatst;

b) andere aquacultuurinrichtingen die een significant risico vormen door:

i) de soorten, categorieën en aantallen aquacultuurdieren die daar worden gehouden;

ii) het betrokken soort aquacultuurinrichting;

iii) de verplaatsingen van aquacultuurdieren naar en uit de betrokken aquacultuurinrichting.

2.  In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten exploitanten van de volgende typen inrichtingen vrijstellen van de verplichting om erkenning aan te vragen:

a) aquacultuurinrichtingen die kleine hoeveelheden aquacultuurdieren produceren voor levering ten behoeve van menselijke consumptie:

i) rechtstreeks aan de eindgebruiker; of

ii) aan plaatselijke kleinhandelszaken die rechtstreeks leveren aan de eindgebruiker;

b) vijvers en andere voorzieningen waar het bestand van waterdieren uitsluitend voor de recreatievisserij in stand wordt gehouden door de aanvulling met aquacultuurdieren die ingesloten zijn en niet kunnen ontsnappen;

c) aquacultuurinrichtingen waar aquacultuurdieren voor sierdoeleinden in gesloten voorzieningen worden gehouden,

op voorwaarde dat de betrokken inrichting geen significant risico vormt.

3.  Tenzij een afwijking is toegestaan uit hoofde van lid 4 van dit artikel starten exploitanten geen activiteiten in een aquacultuurinrichting als bedoeld in lid 1 van dit artikel, totdat die inrichting is erkend overeenkomstig artikel 181, lid 1, en beëindigen zij dergelijke activiteiten in een aquacultuurinrichting als bedoeld in lid 1 van dit artikel in de volgende gevallen:

a) de erkenning wordt overeenkomstig artikel 184, lid 2, door de bevoegde autoriteit ingetrokken of geschorst; of

b) de betrokken aquacultuurinrichting kan in geval van een voorwaardelijke erkenning, die is verleend overeenkomstig artikel 183, lid 3, niet aan de resterende voorwaarden van artikel 183, lid 4, voldoen en krijgt geen definitieve erkenning overeenkomstig artikel 183, lid 3.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) afwijkingen van de verplichting voor exploitanten om voor de in lid 1, onder a), bedoelde soorten aquacultuurinrichtingen bij de bevoegde autoriteit een aanvraag tot erkenning in te dienen, met betrekking tot andere soorten inrichtingen dan bedoeld in lid 2, onder a), i) en ii), wanneer die inrichtingen geen significant risico vormen;

b) de soorten aquacultuurinrichtingen die overeenkomstig artikel 1, onder b), moeten worden erkend.

5.  Bij de vaststelling van in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen, hanteert de Commissie de volgende criteria:

a) de soorten en categorieën aquacultuurdieren die in een aquacultuurinrichting worden gehouden;

b) het soort aquacultuurinrichting en het soort productie; en

c) typische verplaatsingspatronen voor het betrokken soort aquacultuurinrichting en de betrokken soort of categorie aquacultuurdieren.

6.  Een exploitant kan een aanvraag tot erkenning indienen voor een groep aquacultuurinrichtingen indien aan de voorwaarden van artikel 177, eerste alinea, onder a) en b), is voldaan.

Artikel 177

Erkenning van groepen aquacultuurinrichtingen door de bevoegde autoriteit

De bevoegde autoriteit kan een erkenning verlenen als bedoeld in artikel 181, lid 1, voor een groep aquacultuurinrichtingen, mits de betrokken aquacultuurinrichtingen voldoen aan één van de volgende voorwaarden:

a) zij zijn gelegen in een epidemiologisch verbonden gebied en alle exploitanten in dat gebied werken met een gemeenschappelijk biobeveiligingssysteem; op het land gevestigde of drijvende inrichtingen, die zijn bedoeld voor ontvangst, verwatering, wassen, reiniging, sortering, onmiddellijke verpakking, en verpakking van levende tweekleppige weekdieren bestemd voor menselijke consumptie (zogenaamde „verzendingscentra”), inrichtingen die over waterbekkens beschikken die van schoon zeewater worden voorzien en waarin levende tweekleppige weekdieren worden gehouden gedurende de tijd die nodig is om de verontreiniging te verminderen, zodat zij geschikt worden voor menselijke consumptie (zogenaamde „zuiveringscentra”) en soortgelijke inrichtingen die in een dergelijk epidemiologisch verbonden gebied gelegen zijn, moeten echter afzonderlijk worden erkend;

b) zij staan onder de verantwoordelijkheid van dezelfde exploitant, en

i) zijn actief onder een gemeenschappelijk biobeveiligingssysteem; en

ii) de aquacultuurdieren van de betrokken inrichtingen behoren tot dezelfde epidemiologische eenheid.

De regels opgenomen in artikel 178 en de artikelen 180 tot en met 184 en de regels vastgesteld krachtens artikel 180, lid 2, en artikel 181, lid 2, die van toepassing zijn op afzonderlijke aquacultuurinrichtingen, gelden bij de erkenning van een groep aquacultuurinrichtingen voor de gehele groep aquacultuurinrichtingen.

Artikel 178

Erkenning van de status van geconsigneerde aquacultuurinrichtingen

De exploitanten van aquacultuurinrichtingen die de status van geconsigneerde inrichting wensen te verkrijgen:

a) dienen bij de bevoegde autoriteit een aanvraag in tot erkenning overeenkomstig artikel 180, lid 1;

b) verplaatsen aquacultuurdieren naar of uit hun inrichting in overeenstemming met artikel 203, lid 1, en de krachtens artikel 203, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen pas nadat hun inrichting de erkenning van die status heeft verkregen van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 181 of artikel 183.

Artikel 179

Erkenning van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen

De exploitanten van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen:

a) vergewissen zich ervan dat de noodzakelijke goedkeuring overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) is verkregen; en

b) verzoeken de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 180, lid 1, om te worden erkend voor het slachten of behandelen van waterdieren voor ziektebestrijding overeenkomstig artikel 61, lid 1, onder b), artikel 62, artikel 68, lid 1, en de artikelen 79 en 80 en de regels vastgesteld krachtens artikel 63, artikel 70, lid 3 en artikel 71, lid 3.

Artikel 180

Verplichting voor de exploitanten om informatie te verstrekken met het oog op erkenning

1.  Bij hun aanvraag tot erkenning van hun inrichting overeenkomstig artikel 176, lid 1, artikel 177, artikel 178, onder a), en artikel 179 verstrekken de exploitanten de bevoegde autoriteit de volgende gegevens:

a) de naam en het adres van de betrokken exploitant;

b) de locatie van de betrokken inrichting en een beschrijving van de voorzieningen ervan;

c) de soorten, categorieën en hoeveelheid (aantal, volume of gewicht) aquacultuurdieren die relevant zijn voor de erkenning die in de inrichting worden gehouden;

d) het soort aquacultuurinrichting;

e) nadere gegevens betreffende de erkenning van een groep aquacultuurinrichtingen die nodig zijn om aan te tonen dat de betrokken groep voldoet aan de voorwaarden van artikel 177, indien het een erkenning als groep betreft;

f) andere aspecten van de werkwijze van de betrokken aquacultuurinrichting die relevant zijn voor het bepalen van het daarmee verbonden risico;

g) de methode van watervoorziening en -afvoer die in de inrichting wordt toegepast;

h) de biobeveiligingsmaatregelen van de inrichting.

2.  De in lid 1 bedoelde exploitanten van inrichtingen stellen de bevoegde autoriteit vooraf in kennis van:

a) wijzigingen in de inrichting met betrekking tot de in lid 1 bedoelde aspecten;

b) de stopzetting van de activiteiten door de betrokken exploitant of inrichting.

3.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen met betrekking tot de gegevens die de exploitanten moeten verstrekken in hun aanvraag tot erkenning van hun inrichtingen, overeenkomstig lid 1, met inbegrip van de termijnen waarbinnen deze informatie moet worden verstrekt.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 181

Verlening van en voorwaarden voor de erkenning en gedelegeerde handelingen

1.  De bevoegde autoriteit verleent de erkenning voor aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 176, lid 1, en artikel 178, onder a), groepen aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 177 en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen als bedoeld in artikel 179 slechts indien dergelijke inrichtingen:

a) voldoen aan de volgende voorschriften, voor zover van toepassing, in verband met:

i) quarantaine, isolering en andere biobeveiligingsmaatregelen, rekening houdend met de voorschriften, bedoeld in artikel 10, lid 1, onder b), en krachtens artikel 10, lid 6, vastgestelde regels;

ii) bewakingsvoorschriften als bedoeld in artikel 24 en, indien van toepassing, voor het betrokken soort inrichting en het daarmee verbonden risico, als bedoeld in artikel 25;

iii) documentatie als bedoeld in de artikelen 186 tot en met 188 en in krachtens de artikelen 189 en 190 vastgestelde regels;

b) beschikken over voorzieningen en uitrusting die:

i) geschikt zijn om het risico op insleep en verspreiding van ziekten tot een aanvaardbaar niveau terug te dringen, rekening houdend met het betrokken soort inrichting;

ii) voldoende capaciteit bieden voor de betrokken soorten, categorieën en hoeveelheid (aantal, volume of gewicht) waterdieren;

c) geen onaanvaardbaar risico vormen voor verspreiding van ziekten, rekening houdend met de getroffen risicobeperkingsmaatregelen;

d) beschikken over een systeem dat de betrokken exploitant in staat stelt om aan de bevoegde autoriteit aan te tonen dat aan de voorschriften onder a), b) en c) is voldaan.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) quarantaine, isolering en andere biobeveiligingsmaatregelen als bedoeld in lid 1, onder a), i);

b) bewaking als bedoeld in lid 1, onder a), ii);

c) voorzieningen en uitrusting als bedoeld in lid 1, onder b).

3.  Bij de vaststelling van de uitvoeringsregels voor de overeenkomstig lid 2 vast te stellen gedelegeerde handelingen, baseert de Commissie deze op de volgende zaken:

a) de met elk soort inrichting verbonden risico's;

b) de soorten en categorieën aquacultuurdieren of waterdieren die relevant zijn voor de erkenning;

c) het betrokken soort productie;

d) typische verplaatsingspatronen voor het soort aquacultuurinrichting en voor de soorten en categorieën dieren die in deze inrichtingen worden gehouden.

Artikel 182

Geldingsbereik van de erkenning van inrichtingen

Bij de overeenkomstig artikel 181, lid 1, verleende erkenning van een aquacultuurinrichting of een ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen op grond van een overeenkomstig artikel 176, artikel 177, artikel 178, onder a), of artikel 179 ingediende aanvraag bepaalt de bevoegde autoriteit uitdrukkelijk:

a) voor welke soorten aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 176, lid 1, en artikel 178, onder a), groepen aquacultuurinrichtingen als bedoeld in artikel 177, en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen als bedoeld in artikel 179 en in de regels vastgesteld krachtens artikel 176, lid 4, onder b), de erkenning geldig is;

b) voor welke soorten en categorieën aquacultuurdieren de erkenning geldig is.

Artikel 183

Procedures voor het verlenen van de erkenning door de bevoegde autoriteit

1.  De bevoegde autoriteit stelt procedures op die de exploitanten moeten volgen wanneer zij een aanvraag indienen voor de erkenning van hun inrichtingen overeenkomstig artikel 176, lid 1, en de artikelen 178 en 179.

2.  Na ontvangst van een aanvraag tot erkenning van een exploitant overeenkomstig artikel 176, lid 1, artikel 178 of artikel 179 voert de bevoegde autoriteit een inspectie ter plaatse uit.

3.  Op voorwaarde dat aan de in artikel 181 bedoelde voorschriften is voldaan, verleent de bevoegde autoriteit de erkenning.

4.  In het geval waarin een instelling niet voldoet aan alle voorwaarden voor erkenning als bedoeld in artikel 181, kan de bevoegde autoriteit een voorwaardelijke erkenning verlenen als, op basis van de aanvraag van de betrokken exploitant en het daaropvolgende inspectiebezoek ter plaatse, bedoeld in lid 2 van dit artikel, blijkt dat de inrichting voldoet aan de voornaamste voorschriften die voldoende garanties bieden dat de inrichting geen significant risico vormt.

5.  Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 4 van dit artikel een voorwaardelijke erkenning heeft verleend, kan zij de definitieve erkenning pas verlenen na een volgende inspectie ter plaatse, die wordt uitgevoerd binnen drie maanden na de voorwaardelijke erkenning, of na de ontvangst van documentatie van de exploitant binnen drie maanden na die datum, waaruit blijkt dat de inrichting voldoet aan alle voorwaarden voor de erkenning als bedoeld in artikel 181, lid 1, en in de krachtens artikel 181, lid 2, vastgestelde regels.

Indien uit de inspectie ter plaatse of uit de in de eerste alinea bedoelde documentatie blijkt dat de inrichting duidelijk vooruitgang heeft geboekt, maar nog steeds niet aan alle voorwaarden voldoet, kan de bevoegde autoriteit de voorwaardelijke erkenning verlengen. De voorwaardelijke erkenning mag echter in totaal niet meer dan zes maanden geldig zijn.

Artikel 184

Herziening, schorsing en intrekking van erkenningen door de bevoegde autoriteit

1.  De bevoegde autoriteit evalueert de erkenningen van inrichtingen die zijn verleend overeenkomstig artikel 181, lid 1, met passende tussenpozen op basis van het risico.

2.  Indien een bevoegde autoriteit bij een inrichting ernstige tekortkomingen vaststelt inzake de naleving van de vereisten van artikel 181, lid 1, en van de krachtens artikel 181, lid 2, vastgestelde regels en indien de exploitant van die inrichting geen afdoende garanties kan bieden dat deze tekortkomingen zullen worden verholpen, leidt de bevoegde autoriteit de procedure tot intrekking van de erkenning van de inrichting in.

De bevoegde autoriteit kan evenwel de erkenning van een inrichting slechts schorsen in plaats van intrekken, indien de exploitant kan garanderen de tekortkomingen binnen een redelijke termijn te zullen verhelpen.

3.  Een overeenkomstig lid 2 geschorste of ingetrokken erkenning wordt enkel opnieuw verleend wanneer de bevoegde autoriteit zich ervan heeft vergewist dat de inrichting volledig voldoet aan alle voorschriften van deze verordening die op dat soort inrichting van toepassing zijn.



Afdeling 3

Register van aquacultuurinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen

Artikel 185

Register van aquacultuurinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen

1.  Elke bevoegde autoriteit stelt registers op en houdt de registers bij van:

a) alle aquacultuurinrichtingen die zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 173;

b) alle aquacultuurinrichtingen die zijn erkend overeenkomstig artikel 181, lid 1;

c) alle ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen die zijn erkend overeenkomstig artikel 181, lid 1.

2.  Het register van aquacultuurinrichtingen, bedoeld in lid 1, bevat de volgende gegevens:

a) de naam en het adres van de exploitant en het registratienummer van de betrokken inrichting;

b) de locatie van de betrokken aquacultuurinrichting of, indien van toepassing, van de betrokken groep aquacultuurinrichtingen;

c) het in de inrichting toegepaste soort productie;

d) indien van toepassing, de in de inrichting toegepaste methode van watervoorziening en -afvoer;

e) de soorten aquacultuurdieren die in de inrichting worden gehouden;

f) actuele gegevens over de gezondheidsstatus van de geregistreerde aquacultuurinrichting of, indien van toepassing, van de groep van inrichtingen, met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d).

3.  Van de overeenkomstig artikel 181, lid 1, erkende inrichtingen maakt de bevoegde autoriteit ten minste de gegevens van lid 2, onder a), c), e) en f), van dit artikel, op elektronische wijze openbaar, onder voorbehoud van de voorschriften inzake gegevensbescherming.

4.  Waar nodig en relevant kan een bevoegde autoriteit de in lid 1 bedoelde registratie combineren met de registratie voor andere doeleinden.

5.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) de in het in lid 1 van dit artikel bedoelde register van aquacultuurinrichtingen te vermelden relevante gedetailleerde gegevens;

b) de toegankelijkheid voor het publiek van dat register.



Afdeling 4

Documentatie en traceerbaarheid

Artikel 186

Documentatieverplichtingen van de exploitanten van aquacultuurinrichtingen

1.  De exploitanten van aquacultuurinrichtingen die moeten worden geregistreerd overeenkomstig artikel 173, of die moeten worden erkend overeenkomstig artikel 181, lid 1, zorgen voor het bijhouden en bewaren van documentatie, die ten minste de volgende gegevens bevat:

a) de soorten, categorieën, en hoeveelheden (aantal, volume of gewicht) aquacultuur-dieren in hun inrichting;

b) de verplaatsingen van aquacultuurdieren en van producten van dierlijke oorsprong die van die dieren afkomstig zijn naar en uit hun inrichting, zo nodig onder opgave van:

i) de plaats van herkomst en de plaats van bestemming;

ii) de data waarop dergelijke verplaatsingen plaatsvinden;

c) de papieren of elektronische diergezondheidscertificaten die overeenkomstig artikel 208 en de regels vastgesteld krachtens artikel 211, lid 1, onder a) en c), en artikel 213, lid 2, de verplaatsingen van aquacultuurdieren bij aankomst in de aquacultuurinrichting dienen te vergezellen;

d) de sterfte in elke epidemiologische eenheid en andere ziekteproblemen in de aquacultuurinrichting die relevant zijn voor het soort productie;

e) biobeveiligingsmaatregelen, bewaking, behandelingen, testresultaten en andere relevante gegevens indien van toepassing voor:

i) de soorten en categorieën aquacultuurdieren in de inrichting;

ii) het in de aquacultuurinrichting toegepaste soort productie;

iii) de soort en de grootte van de aquacultuurinrichting;

f) de resultaten van de diergezondheidsinspecties vereist in overeenstemming met artikel 25, lid 1.

De documentatie wordt bijgehouden en bewaard in papieren of elektronische vorm.

2.  Aquacultuurinrichtingen die een laag risico op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten inhouden, kunnen door de betrokken lidstaat worden vrijgesteld van de verplichting documentatie bij te houden van alle of een deel van de informatie als bedoeld in lid 1, onder c), d) en e), op voorwaarde dat de traceerbaarheid gewaarborgd is.

3.  De exploitanten van aquacultuurinrichtingen houden de in lid 1 bedoelde documentatie bij in hun betrokken aquacultuurinrichting en:

a) houden ze op zodanige wijze bij dat het traceren van de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming van de waterdieren kunnen waarborgen;

b) stellen die op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit;

c) bewaren die gedurende een door de bevoegde autoriteit voor te schrijven minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.

In afwijking van het voorschrift dat de documentatie moet worden bewaard in hun betrokken inrichting als bedoeld in de eerste alinea wordt deze, wanneer bewaring in die inrichting fysiek onmogelijk is, bewaard in het kantoor van waaruit de onderneming wordt beheerd.

Artikel 187

Documentatieverplichtingen van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen

1.  De exploitanten van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen die moeten worden erkend overeenkomstig artikel 179 bewaren documentatie, en houden deze bij, betreffende:

a) alle verplaatsingen van en naar hun inrichting van aquacultuurdieren en van producten van dierlijke oorsprong die afkomstig zijn van dergelijke dieren;

b) waterafvoer en relevante biobeveiligingsmaatregelen.

2.  De exploitanten van ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen:

a) bewaren de in lid 1 bedoelde documentatie in hun inrichting en stellen die op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit;

b) bewaren deze documentatie gedurende een door de bevoegde autoriteit voor te schrijven minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.

De documentatie wordt bijgehouden en bewaard in papieren of elektronische vorm.

Artikel 188

Documentatieverplichtingen van vervoerders

1.  Vervoerders van waterdieren bestemd voor aquacultuurinrichtingen of voor vrijlating in het wild bewaren documentatie, en houden deze bij, in verband met:

a) de soorten, categorieën en hoeveelheid (aantal, volume of gewicht) waterdieren die door hen worden vervoerd;

b) sterftecijfers van de betrokken aquacultuurdieren en wilde waterdieren tijdens het vervoer, voor zover dit haalbaar is voor het soort vervoer en de soort vervoerde aquacultuurdieren en wilde waterdieren;

c) de aquacultuurinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen die het vervoermiddel heeft aangedaan;

d) elke waterverversing tijdens het vervoer, met vermelding van de herkomst van het nieuwe water en de plaatsen van lozing van gebruikt water;

e) de reiniging en ontsmetting van de vervoermiddelen.

De documentatie wordt bijgehouden en bewaard in papieren of elektronische vorm.

2.  De vervoerders die een laag risico op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten inhouden, kunnen door de betrokken lidstaat worden vrijgesteld van de verplichting documentatie te bewaren van alle of een deel van de in lid 1 bedoelde informatie, op voorwaarde dat de traceerbaarheid is gewaarborgd.

3.  De vervoerders bewaren de in lid 1 bedoelde documentatie:

a) op dusdanige wijze dat de bevoegde autoriteit er op haar verzoek onmiddellijk toegang toe kan krijgen;

b) gedurende een door de bevoegde autoriteit voor te schrijven minimumduur, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.

Artikel 189

Bevoegdheidsdelegatie met betrekking tot documentatie

1.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot regels ter aanvulling van de documentatievoorschriften in de artikelen 186, 187 en 188, wat betreft gegevens die exploitanten moeten bijhouden ter aanvulling van de gegevens, bedoeld in de artikelen 186, lid 1, 187, lid 1, en 188, lid 1.

2.  Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de volgende elementen:

a) de risico's die met elk soort aquacultuurinrichting of vervoer verbonden zijn;

b) de soorten en categorieën waterdieren die in de betrokken aquacultuurinrichting worden gehouden of die naar of vanuit die inrichting worden vervoerd;

c) het in de inrichting toegepaste soort productie;

d) typische verplaatsingspatronen voor het soort aquacultuurinrichting of ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen;

e) de aantallen, het volume of gewicht van waterdieren die in de inrichting worden gehouden of naar of vanuit die inrichting worden vervoerd.

Artikel 190

Uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot vrijstellingen van de documentatievoorschriften

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen betreffende de soorten aquacultuurinrichtingen en exploitanten die door de lidstaten kunnen worden vrijgesteld van de bij de artikelen 186 en 188 vastgestelde documentatievoorschriften wat betreft:

a) de exploitanten van bepaalde categorieën aquacultuurinrichtingen en vervoerders;

b) aquacultuurinrichtingen die een klein aantal aquacultuurdieren houden of vervoerders die een klein aantal waterdieren vervoeren;

c) bepaalde soorten en categorieën waterdieren.

Bij de vaststelling van deze uitvoeringshandelingen baseert de Commissie deze op de criteria van artikel 189, lid 2.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 2

Verplaatsingen van waterdieren binnen de Unie



Afdeling 1

Algemene voorschriften voor verplaatsingen

Artikel 191

Algemene voorschriften voor verplaatsingen van waterdieren

1.  De exploitanten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat door de verplaatsing van waterdieren de gezondheidsstatus op de plaats van bestemming geen gevaar loopt met betrekking tot:

a) de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

b) nieuwe ziekten.

2.  De exploitanten verplaatsen waterdieren slechts naar een aquacultuurinrichting of voor menselijke consumptie of laten waterdieren slechts vrij in het wild, wanneer de betrokken dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) zij zijn, met uitzondering van wilde waterdieren, afkomstig uit inrichtingen die:

i) door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 173;

ii) door die bevoegde autoriteit zijn erkend overeenkomstig de artikelen 181 en 182, indien vereist uit hoofde van artikel 176, lid 1, artikel 177 of artikel 178, of

iii) een afwijking genieten van de registratievereiste in artikel 173;

b) zij vallen niet onder:

i) de verplaatsingsbeperkingen voor de betrokken soorten en categorieën overeenkomstig de regels van artikel 55, lid 1, artikel 56, artikel 61, lid 1, de artikelen 62, 64 en 65, artikel 70, lid 1, onder b), artikel 74, lid 1, en de artikelen 79 en 81, en de regels vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 70, lid 3, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 4, en artikel 83, lid 2; of

ii) de noodmaatregelen van de artikelen 257 en 258 en de krachtens artikel 259 vastgestelde regels.

De exploitanten kunnen deze waterdieren echter wel verplaatsen indien voor dergelijke verplaatsingen afwijkingen van de verplaatsingsbeperkingen zijn toegestaan in deel III, titel II (artikelen 53 tot en met 83), of van de noodmaatregelen, in regels vastgesteld krachtens artikel 259.

3.  De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat waterdieren na het verlaten van hun plaats van oorsprong rechtstreeks naar hun eindbestemming worden verzonden.

Artikel 192

Ziektepreventiemaatregelen in verband met vervoer

1.  De exploitanten treffen passende en noodzakelijke preventieve maatregelen tegen ziekten om het volgende te waarborgen:

a) de gezondheidsstatus van de waterdieren loopt geen gevaar tijdens het vervoer;

b) het vervoer van waterdieren veroorzaakt onderweg en op de plaatsen van bestemming geen mogelijke verspreiding onder mensen of dieren van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

c) er worden maatregelen betreffende reiniging en ontsmetting van uitrusting en vervoermiddelen en andere passende biobeveiligingsmaatregelen getroffen in overeenstemming met de risico's die verbonden zijn aan het betrokken vervoer;

d) iedere verversing en afvoer van water tijdens het vervoer van waterdieren bestemd voor aquacultuur of vrijlating in het wild gebeurt op plaatsen en onder voorwaarden die geen gevaar vormen voor de gezondheidsstatus met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), van:

i) de vervoerde waterdieren;

ii) eventuele waterdieren op de weg naar de plaats van bestemming;

iii) waterdieren op de plaats van bestemming.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de voorwaarden en voorschriften voor de reiniging en ontsmetting van uitrusting en vervoermiddelen overeenkomstig lid 1, onder c), van dit artikel en het gebruik van biociden voor deze doeleinden;

b) andere passende biobeveiligingsmaatregelen tijdens het vervoer als bedoeld in lid 1, onder c), van dit artikel;

c) verversing en afvoer van water tijdens het vervoer als bedoeld in lid 1, onder d), van dit artikel.

Artikel 193

Wijziging van het beoogde gebruik

1.  Waterdieren die worden vervoerd om te worden vernietigd of geslacht overeenkomstig de volgende maatregelen, mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt

a) een van de ziektebestrijdingsmaatregelen als bedoeld in artikel 32, lid 1, onder c), artikel 55, lid 1, de artikelen 56, 61, 62, 64, 65 en 70, artikel 74, leden 1 en 2, en de artikelen 79, 80, 81 en 82 en de regels vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 70, lid 3, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 3, en artikel 83, lid 2;

b) noodmaatregelen als bedoeld in de artikelen 257 en 258 en de krachtens artikel 259 vastgestelde regels.

2.  Waterdieren die worden vervoerd voor menselijke consumptie, aquacultuur, vrijlating in het wild of voor enig ander doel, worden uitsluitend voor de beoogde doeleinden gebruikt.

3.  In afwijking van lid 2 kan de bevoegde autoriteit op de plaats van bestemming toestaan dat waterdieren worden gebruikt voor een ander doel dan dan het aanvankelijk beoogde doel, op voorwaarde dat het nieuwe gebruik op de plaats van bestemming geen groter risico vormt voor de gezondheidsstatus van de waterdieren dan het oorspronkelijk beoogde gebruik.

Artikel 194

Verplichtingen van de exploitanten op de plaats van bestemming

1.  Exploitanten van aquacultuurinrichtingen en ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen die waterdieren ontvangen en exploitanten die waterdieren ontvangen met het oog op vrijlating in het wild, verrichten vóór het afladen van de waterdieren de volgende handelingen:

a) controleren, indien nodig, de aanwezigheid van een van de volgende documenten:

i) de diergezondheidscertificaten als bedoeld in artikel 208, lid 1, artikel 209 en artikel 223, lid 1, en de krachtens de artikelen 189, 211 en 213 vastgestelde regels;

ii) de documenten met eigen verklaring als bedoeld in artikel 218, lid 1, en in de krachtens artikel 218, leden 3 en 4, vastgestelde regels;

b) stellen, na controle van de ontvangen waterdieren, de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming in kennis van elke onregelmatigheid met betrekking tot:

i) de ontvangen waterdieren;

ii) de onder a), i) en ii), bedoelde documenten.

2.  Bij een onregelmatigheid als bedoeld in lid 1, onder b), isoleert de exploitant de waterdieren waarop de onregelmatigheid betrekking heeft totdat de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming over deze dieren een beslissing heeft genomen.

Artikel 195

Algemene voorschriften voor verplaatsingen van aquacultuurdieren door lidstaten maar bestemd voor uitvoer uit de Unie naar derde landen of gebieden

De exploitanten zorgen ervoor dat aquacultuurdieren die bestemd zijn voor uitvoer naar een derde land of gebied en die over het grondgebied van een andere lidstaat worden vervoerd, voldoen aan de voorschriften van de artikelen 191, 192 en 193.



Afdeling 2

Waterdieren bestemd voor aquacultuurinrichtingen of voor vrijlating in het wild

Artikel 196

Abnormale sterftegevallen of andere ernstige symptomen

1.  De exploitanten verplaatsen waterdieren slechts van een aquacultuurinrichting of uit het wild naar een andere aquacultuurinrichting of laten deze slechts vrij in het wild, wanneer de betrokken dieren:

a) geen symptomen van ziekte vertonen; en

b) afkomstig zijn van een aquacultuurinrichting of omgeving zonder abnormale sterftegevallen met onbekende oorzaak.

2.  In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit op basis van een risicobeoordeling toestemming verlenen voor een in dat lid bedoelde verplaatsing of vrijlating van waterdieren, op voorwaarde dat de betrokken dieren afkomstig zijn van een afdeling van de aquacultuurinrichting of een omgeving in het wild die niet is verbonden met de epidemiologische eenheid waarin de abnormale sterftegevallen of andere symptomen zich hebben voorgedaan.

Indien de in dit lid bedoelde verplaatsing of vrijlating naar een andere lidstaat geschiedt, verleent de bevoegde autoriteit slechts toestemming voor dergelijke verplaatsingen indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming en, in voorkomend geval, van de lidstaten van doorgang, ermee hebben ingestemd.

Artikel 197

Verplaatsingen van aquacultuurdieren bestemd voor lidstaten, zones of compartimenten die ziektevrij zijn verklaard of waarvoor een uitroeiingsprogramma geldt, en gedelegeerde handelingen

1.  De exploitanten verplaatsen in de lijst opgenomen soorten aquacultuurdieren die vatbaar zijn voor één of meer in de lijst opgenomen ziektes als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) of c), slechts naar een aquacultuurinrichting of voor vrijlating in het wild in een lidstaat, zone of compartiment die/dat overeenkomstig artikel 36, lid 4, of artikel 37, lid 4, verklaard is vrij te zijn van de in de lijst opgenomen ziekten, indien de betrokken dieren afkomstig zijn van een lidstaat, of een zone of een compartiment daarvan, die/dat verklaard is vrij te zijn van die ziekten.

2.  De exploitanten verplaatsen in de lijst opgenomen soorten aquacultuurdieren die vatbaar zijn voor één of meer in de lijst opgenomen ziektes als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) of c), slechts naar een aquacultuurinrichting of voor vrijlating in het wild in een lidstaat, zone of compartiment waarvoor overeenkomstig artikel 31, lid 1 of lid 2, een uitroeiingsprogramma voor één of meer van de in de lijst opgenomen ziekten geldt, indien de desbetreffende dieren afkomstig zijn van een lidstaat, of een zone of een compartiment daarvan, die/dat verklaard is vrij te zijn van die in de lijst opgenomen ziekten.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van de in de leden 1 en 2 van dit artikel neergelegde verplaatsings- en vrijlatingsvoorschriften die geen significant risico vormen op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), vanwege:

a) de soorten, categorieën en de levensfase van de betrokken aquacultuurdieren;

b) het soort inrichting van oorsprong en het soort inrichting van bestemming;

c) het beoogde gebruik van de aquacultuurdieren;

d) de plaats van bestemming van de aquacultuurdieren;

e) de behandelingen, bewerkingsmethoden en andere bijzondere risicobeperkingsmaatregelen die op de plaats van oorsprong of op de plaats van bestemming worden toegepast.

Artikel 198

Afwijkingen door de lidstaten met betrekking tot de verplichtingen van de exploitanten voor verplaatsingen van aquacultuurdieren tussen lidstaten, zones of compartimenten waarvoor een uitroeiingsprogramma geldt

In afwijking van artikel 197, leden 1 en 2, kunnen lidstaten aan exploitanten toestemming verlenen voor het verplaatsen van aquacultuurdieren naar een zone of een compartiment waarvoor overeenkomstig artikel 31, leden 1 en 2, een uitroeiingsprogramma is vastgesteld met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) en c), vanuit een andere zone of compartiment waarvoor eveneens een dergelijk programma voor dezelfde in de lijst opgenomen ziekten is vastgesteld, op voorwaarde dat een dergelijke verplaatsing geen gevaar vormt voor de gezondheidsstatus van de lidstaat, de zone of het compartiment van bestemming.

Indien dergelijke verplaatsingen naar een andere lidstaat moeten geschieden, verleent de bevoegde autoriteit daarvoor slechts toestemming indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming en, in voorkomend geval, van de lidstaten van doorgang, daarmee hebben ingestemd.

Artikel 199

Maatregelen van de lidstaten met betrekking tot het in het wild vrijlaten van waterdieren

De lidstaten kunnen voorschrijven dat waterdieren slechts in het wild worden vrijgelaten wanneer zij afkomstig zijn van een lidstaat, of een zone of compartiment daarvan, die/dat overeenkomstig artikel 36, lid 1, of artikel 37, lid 1, ziektevrij is verklaard wat betreft één of meer van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) en c), waarvoor de soort waterdieren die wordt verplaatst een in de lijst opgenomen soort is, ongeacht de gezondheidsstatus van het gebied waar de waterdieren worden vrijgelaten.

Artikel 200

Verplaatsingen van wilde waterdieren bestemd voor lidstaten, of zones of compartimenten daarvan, die ziektevrij zijn verklaard of waarvoor een uitroeiingsprogramma geldt, en gedelegeerde handelingen

1.  De artikelen 196, 197 en 198 zijn ook van toepassing op verplaatsingen van wilde waterdieren bestemd voor aquacultuurinrichtingen of voor vrijlating in het wild.

2.  De exploitanten treffen de passende en noodzakelijke preventieve maatregelen tegen ziekten bij verplaatsingen van wilde waterdieren tussen habitats om ervoor te zorgen dat:

a) deze verplaatsingen op de plaats van bestemming geen significant risico vormen voor waterdieren voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d); en

b) waar nodig, risicobeperkings- of andere passende biobeveiligingsmaatregelen worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden onder a) is voldaan.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de preventieve maatregelen tegen ziekten en de risicobeperkingsmaatregelen die de exploitanten moeten treffen als bedoeld in lid 2 van dit artikel. In afwachting van de vaststelling van dergelijke gedelegeerde handelingen, kan de bevoegde autoriteit op de plaats van bestemming tot dergelijke maatregelen besluiten.



Afdeling 3

Waterdieren bestemd voor menselijke consumptie

Artikel 201

Verplaatsingen van levende aquacultuurdieren bestemd voor menselijke consumptie in lidstaten, of in zones of compartimenten daarvan, die ziektevrij zijn verklaard of waarvoor een uitroeiingsprogramma geldt, en gedelegeerde handelingen

1.  De exploitanten verplaatsen levende en voor menselijke consumptie bestemde aquacultuurdieren van in de lijst opgenomen soorten die vatbaar zijn voor in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) of c), naar een lidstaat,of naar een zone of compartiment daarvan, die/dat ziektevrij is verklaard overeenkomstig de artikel 36, lid 4, of artikel 37, lid 4, of waarvoor overeenkomstig artikel 31, leden 1 of 2, een uitroeiingsprogramma is vastgesteld met betrekking tot één of meer van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) en c), slechts indien de betrokken dieren afkomstig zijn van een lidstaat, of van een zone of compartiment daarvan, die/dat overeenkomstig artikel 36, lid 4, of artikel 37, lid 4, ziektevrij is verklaard.

2.  In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen lidstaten aan exploitanten toestemming verlenen voor het binnenbrengen van levende aquacultuurdieren in een zone of een compartiment waarvoor overeenkomstig artikel 31, lid 1 of lid 2, een uitroeiingsprogramma is vastgesteld met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) en c), vanuit een andere zone of compartiment waarvoor eveneens een dergelijk programma voor dezelfde in de lijst opgenomen ziekten is vastgesteld, op voorwaarde dat een dergelijke verplaatsing geen gevaar vormt voor de gezondheidsstatus van de lidstaat, of de zone of het compartiment daarvan.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de afwijkingen in lid 2 van dit artikel met betrekking tot verplaatsingen van levende aquacultuurdieren die geen significant risico vormen op verspreiding van ziekten vanwege:

a) de soorten, categorieën en de levensfase van de betrokken aquacultuurdieren;

b) de houderijmethoden voor de aquacultuurdieren en het soort productie in de aquacultuurinrichting van oorsprong en van bestemming;

c) het beoogde gebruik van de aquacultuurdieren;

d) de plaats van bestemming van de aquacultuurdieren;

e) de behandelingen, verwerkingsmethoden en andere bijzondere risicobeperkingsmaatregelen die op de plaats van oorsprong of op de plaats van bestemming worden toegepast.

Artikel 202

Verplaatsingen van levende wilde waterdieren bestemd voor lidstaten, of zones of compartimenten daarvan, die ziektevrij zijn verklaard of waarvoor een uitroeiingsprogramma geldt, en gedelegeerde handelingen

1.  Artikel 201, leden 1 en 2, en de regels vastgesteld krachtens artikel 201, lid 3, zijn tevens van toepassing op verplaatsingen van levende wilde waterdieren bestemd voor menselijke consumptie en voor lidstaten, of zones of compartimenten daarvan, die overeenkomstig artikel 36, lid 4, of artikel 37, lid 4, ziektevrij zijn verklaard of waarvoor een uitroeiingsprogramma geldt overeenkomstig artikel 31, leden 1 of 2, indien de op grond daarvan vastgestelde maatregelen noodzakelijk zijn om te waarborgen dat de betrokken dieren geen significant risico vormen op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1 onder d), naar waterdieren op de plaats van bestemming.

2.  Lid 1 van dit artikel is ook van toepassing op levende waterdieren die niet onder de definitie van aquacultuurdieren in artikel 4, punt 7, vallen.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van de leden 1 en 2 van dit artikel met betrekking tot verplaatsingsvoorschriften voor wilde waterdieren bestemd voor menselijke consumptie.



Afdeling 4

Afwijkingen van afdelingen 1 tot en met 3 (artikelen 191 tot en met 202) en aanvullende risicobeperkingsmaatregelen

Artikel 203

Waterdieren bestemd voor geconsigneerde inrichtingen voor aquacultuur, en gedelegeerde handelingen

1.  De exploitanten verplaatsen waterdieren slechts naar een geconsigneerde inrichting voor aquacultuur indien de betrokken dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) zij zijn afkomstig van een andere geconsigneerde inrichting voor aquacultuur;

b) zij vormen geen significant risico op verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), naar de in de lijst opgenomen soorten en categorieën dieren in de geconsigneerde inrichting voor aquacultuur van bestemming, tenzij de desbetreffende verplaatsing voor wetenschappelijke doeleinden is toegestaan.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) nadere regels voor het verplaatsen van aquacultuurdieren naar geconsigneerde inrichtingen voor aquacultuur ter aanvulling van die bedoeld in lid 1 van dit artikel;

b) specifieke regels voor het verplaatsen van aquacultuurdieren naar geconsigneerde inrichtingen voor aquacultuur waar de getroffen risicobeperkingsmaatregelen waarborgen dat dergelijke verplaatsingen geen significant risico vormen voor de gezondheid van aquacultuurdieren binnen de geconsigneerde inrichting voor aquacultuur of in de naburige inrichtingen.

Artikel 204

Verplaatsingen van waterdieren voor wetenschappelijke doeleinden, en gedelegeerde handelingen

1.  De bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming kan, mits de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong daarmee instemt, toestemming verlenen voor verplaatsingen van waterdieren naar het grondgebied van de lidstaat van bestemming, voor wetenschappelijke doeleinden, wanneer die verplaatsingen niet voldoen aan de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met 3 van dit hoofdstuk (artikelen 191 tot en met 202), met uitzondering van artikel 191, leden 1 en 3, en de artikelen 192, 193 en 194.

2.  De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit staat de in dat lid bedoelde afwijkingen slechts toe onder de volgende voorwaarden:

a) de bevoegde autoriteiten van de plaats van bestemming en de plaats van oorsprong:

i) hebben overeenstemming bereikt betreffende de voorwaarden voor dergelijke verplaatsingen;

ii) zorgen ervoor dat de noodzakelijke risicobeperkingsmaatregelen zijn getroffen die waarborgen dat de verplaatsingen van de betrokken waterdieren geen gevaar opleveren voor de gezondheidsstatus in plaatsen onderweg en op de plaats van bestemming met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

iii) hebben indien nodig de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van doorgang in kennis gesteld van de toegestane afwijking en van de voorwaarden waaronder zij is verleend;

b) die verplaatsingen verlopen onder toezicht van de bevoegde autoriteiten van de plaatsen van oorsprong en de plaats van bestemming en, indien van toepassing, van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van doorgang.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de regels voor het verlenen van afwijkingen door de bevoegde autoriteiten, als aanvulling op de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde regels.

Artikel 205

Overig specifiek gebruik van waterdieren, specifieke voorschriften en afwijkingen en bevoegdheidsdelegatie

1.  De exploitanten treffen de noodzakelijke preventieve maatregelen om ervoor te zorgen dat verplaatsingen van waterdieren die bestemd zijn voor de in lid 2, onder a), i) tot en met vi), van dit artikel genoemde specifieke doeleinden of gebruikswijzen geen risico vormen op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), naar waterdieren op de plaats van bestemming.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) een specifiek voorschrift ter aanvulling van de regels van de afdelingen 1 tot en met 3 (artikelen 191 tot en met 202) met betrekking tot de verplaatsingen van waterdieren voor de volgende doeleinden:

i) dierentuinen, dierenwinkels, groothandels en tuinvijvers;

ii) tentoonstellingen;

iii) sportvisserij, onder meer op aas voor de visvangst;

iv) culturele en soortgelijke evenementen;

v) commerciële aquaria; of

vi) gezondheidszorg en andere vergelijkbare doeleinden;

b) afwijkingen van de afdelingen 1 tot en met 3 (artikelen 191 tot en met 202), met uitzondering van artikel 191, leden 1 en 3, en de artikelen 192, 193 en 194, voor de onder a) van dit lid bedoelde verplaatsingen van waterdieren, mits passende biobeveiligingsbepalingen ervoor zorgen dat de verplaatsingen geen aanzienlijk risico vormen voor de gezondheidsstatus van de plaats van bestemming.

Artikel 206

Uitvoeringsbevoegdheid om tijdelijke regels vast te stellen voor verplaatsingen van specifieke soorten of categorieën waterdieren

1.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen tijdelijke regels vaststellen ter aanvulling van of als alternatief voor die welke in dit hoofdstuk zijn neergelegd met betrekking tot verplaatsingen van specifieke soorten of categorieën waterdieren in de volgende gevallen:

a) de met de verplaatsingen van die waterdieren verbonden risico's worden niet op efficiënte wijze beperkt door de verplaatsingsvoorschriften, bedoeld in artikel 196, artikel 197, lid 1, de artikelen 198 en 199, artikel 200, leden 1 en 2, artikel 201, artikel 202, lid 1, artikel 203, lid 1, en artikel 204, leden 1 en 2, en de regels vastgesteld krachtens artikel 197, lid 3, artikel 200, lid 3, artikel 202, lid 3, artikel 203, lid 2, artikel 204, lid 3, en artikel 205; of

b) een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), lijkt zich ondanks de verplaatsingsvoorschriften van de afdelingen 1 tot en met 4 (artikelen 191 tot en met 207) te verspreiden.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een in de lijst opgenomen ziekte die een risico op bijzonder zwaarwegende gevolgen oplevert, en rekening houdend met de in artikel 205 bedoelde aspecten, stelt de Commissie volgens de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

Artikel 207

Aspecten waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de in deze afdeling bedoelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen

Bij de vaststelling van de regels voor de gedelegeerde handelingen en de uitvoeringshandelingen, bedoeld in artikel 203, lid 2, artikel 204, lid 3, en de artikelen 205 en 206, baseert de Commissie die regels op de volgende elementen:

a) de risico's die aan de in die bepalingen bedoelde verplaatsingen verbonden zijn;

b) de gezondheidsstatus met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), op de plaats van oorsprong, doorgang en bestemming;

c) de in de lijst opgenomen soorten waterdieren voor de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

d) de op de plaatsen van oorsprong, doorgang en bestemming getroffen biobeveiligingsmaatregelen;

e) eventuele specifieke omstandigheden waarin de aquacultuurdieren worden gehouden;

f) specifieke verplaatsingspatronen voor het soort aquacultuurinrichting en de betrokken soorten of categorieën waterdieren;

g) andere epidemiologische factoren.



Afdeling 5

Diergezondheidscertificering

Artikel 208

Verplichting voor de exploitanten om ervoor te zorgen dat aquacultuurdieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat

1.  De exploitanten verplaatsen aquacultuurdieren slechts als deze vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig artikel 216, lid 1, is afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong, als de betrokken dieren behoren tot in de lijst opgenomen soorten voor de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) en c), en zij zijn bestemd om te worden binnengebracht in een lidstaat, of een zone of compartiment daarvan, die of dat overeenkomstig artikel 36, lid 4, of artikel 37, lid 4, ziektevrij is verklaard of waarvoor overeenkomstig artikel 31, leden 1 of 2, een uitroeiingsprogramma is vastgesteld voor één of meer in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) en c).

2.  De exploitanten verplaatsen aquacultuurdieren slechts indien deze vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig artikel 216, lid 1, is afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong, indien de betrokken dieren behoren tot in de lijst opgenomen soorten voor de relevante ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a) en b), en het is toegestaan dat zij een beperkingszone verlaten waar ziektebestrijdingsmaatregelen gelden als bedoeld in artikel 55, lid 1, onder f), ii), de artikelen 56 en 64, artikel 65, lid 1, artikel 74, lid 1, en artikel 79, en regels vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 67 en 68, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 4, en artikel 83, lid 2, en artikel 259 voor één of meer in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a) en b).

3.  De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat het diergezondheidscertificaat de aquacultuurdieren vergezelt van de plaats van oorsprong tot de plaats van eindbestemming, tenzij in de krachtens artikel 214 vastgestelde regels specifieke maatregelen zijn vastgesteld.

Artikel 209

▼C1

Verplichting voor de exploitanten om ervoor te zorgen dat andere waterdieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat

▼B

1.  In gevallen waarin,wegens het risico dat met het verplaatsen van andere waterdieren dan aquacultuurdieren verbonden is, diergezondheidscertificering is vereist overeenkomstig de voorschriften van artikel 211, lid 1, onder a), verplaatsen de exploitanten die waterdieren slechts indien de betrokken dieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig artikel 216, lid 1, is afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong.

2.  Artikel 208 is ook van toepassing op andere waterdieren dan aquacultuurdieren bestemd voor een aquacultuurinrichting of voor vrijlating in het wild. Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong van oordeel is dat certificering niet mogelijk is door de aard van de plaats van oorsprong van de betrokken waterdieren, kan zij toestemming verlenen voor het verplaatsen daarvan zonder een diergezondheidscertificaat, onder voorbehoud van goedkeuring door de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming.

3.  Dit artikel is niet van toepassing op verzamelde of gevangen in het wild levende waterdieren die rechtstreeks voor menselijke consumptie bestemd zijn.

Artikel 210

Verlenen van afwijkingen met betrekking tot de nationale diergezondheidscertificering door de lidstaten

In afwijking van de voorschriften voor diergezondheidscertificering van de artikelen 208 en 209 kunnen de lidstaten afwijkingen toestaan voor verplaatsingen binnen hun grondgebied van bepaalde zendingen waterdieren zonder diergezondheidscertificaat, op voorwaarde dat zij beschikken over een alternatief systeem om te waarborgen dat zendingen van dergelijke dieren traceerbaar zijn en dat deze zendingen voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor dergelijke verplaatsingen, bedoeld in de afdelingen 1 tot en met 4 (artikelen 191 tot en met 207).

Artikel 211

Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringshandelingen met betrekking tot diergezondheidscertificering met betrekking tot waterdieren

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de verplichting van diergezondheidscertificering voor verplaatsingen van andere waterdieren dan aquacultuurdieren als bedoeld in artikel 209, lid 1, in gevallen waarin diergezondheidscertificering noodzakelijk is om te waarborgen dat de verplaatsing in kwestie voldoet aan de volgende diergezondheidsvoorschriften voor de betrokken in de lijst opgenomen diersoorten:

i) de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met 4 (artikelen 191 tot en met 207) en de krachtens die afdelingen vastgestelde regels;

ii) ziektebestrijdingsmaatregelen als bedoeld in artikel 55, lid 1, artikel 56, artikel 61, lid 1, de artikelen 62 en 64, artikel 65, lid 1, artikel 74, lid 1, en de artikelen 79 en 80 of de regels vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63, 67 en 68, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 4, en artikel 83, lid 2;

iii) noodmaatregelen als waarin de krachtens artikel 259 vastgestelde regels voorzien;

b) bijzondere regels voor diergezondheidscertificering als bedoeld in de artikelen 208 en 209, waarbij de bevoegde autoriteit specifieke risicobeperkingsmaatregelen treft die:

i) de traceerbaarheid van de waterdieren die worden verplaatst waarborgen;

ii) waarborgen dat de waterdieren die worden verplaatst, voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften van de afdelingen 1 tot en met 4 (artikelen 191 tot en met 207).

c) afwijkingen van de voorschriften met betrekking tot diergezondheidscertificaten als bedoeld in de artikelen 208 en 209 en de voorwaarden voor die afwijkingen voor verplaatsingen van waterdieren waaraan geen significant risico op verspreiding van ziekten is verbonden vanwege:

i) de soorten, categorieën of de levensfase van de betrokken waterdieren;

ii) de houderijmethoden en het soort productie voor deze soorten en categorieën aquacultuurdieren;

iii) het beoogde gebruik van de waterdieren; of

iv) de plaats van bestemming van de waterdieren.

2.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen regels vast met betrekking tot de in artikel 209, lid 2, bedoelde verplichting voor de exploitanten, teneinde te waarborgen dat wilde waterdieren bestemd voor een aquacultuurinrichting vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 212

Inhoud van diergezondheidscertificaten

1.  Het in de artikelen 208, 209 en 210, bedoelde diergezondheidscertificaat bevat ten minste de volgende gegevens:

a) de inrichting of de plaats van oorsprong, de inrichting of de plaats van bestemming en, indien nodig in verband met de verspreiding van ziekten, elke onderweg bezochte inrichting of plaats;

b) een beschrijving van de betrokken waterdieren, met vermelding van de soort en de categorie;

c) de hoeveelheid (aantal, volume of gewicht) waterdieren;

d) de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de waterdieren voldoen aan de desbetreffende diergezondheidsvoorschriften met betrekking tot voor verplaatsingen, bedoeld in de afdelingen 1 tot en met 4 (artikelen 191 tot en met 207).

2.  Het diergezondheidscertificaat kan andere gegevens bevatten die uit hoofde van andere Uniewetgeving zijn vereist.

Artikel 213

Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringshandelingen met betrekking tot de inhoud van diergezondheidscertificaten

1.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de inhoud van diergezondheidscertificaten als bedoeld in artikel 212, lid 1:

a) nadere bepalingen met betrekking tot de inhoud van die diergezondheidscertificaten, als bedoeld in artikel 212, lid 1, voor verschillende soorten en categorieën waterdieren;

b) aanvullende gegevens die in het in artikel 212, lid 1, bedoelde diergezondheidscertificaat moeten worden opgenomen.

2.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen voor modelformulieren van de diergezondheidscertificaten.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 214

Bevoegdheidsdelegatie betreffende specifieke types verplaatsingen van waterdieren naar de plaats van bestemming

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot specifieke maatregelen ter aanvulling van de voorschriften voor diergezondheidscertificering, bedoeld in artikel 208 en 209, voor de volgende soorten verplaatsingen van waterdieren:

a) verplaatsingen van waterdieren die naar hun plaats van oorsprong moeten terugkeren of naar een andere bestemming moeten worden verplaatst om één of meer van de volgende redenen:

i) de geplande weg werd onverwachts onderbroken omwille van het dierenwelzijn;

ii) onvoorziene problemen of gebeurtenissen onderweg;

iii) zij werden geweigerd op de plaats van bestemming in een lidstaat of aan de buitengrens van de Unie;

iv) zij werden geweigerd in een derde land of gebied;

b) verplaatsingen van aquacultuurdieren voor tentoonstellingen en voor sportieve, culturele of soortgelijke evenementen, en daarna de terugkeer naar hun plaats van oorsprong.

Artikel 215

Verplichting voor de exploitanten tot samenwerking met de bevoegde autoriteiten voor diergezondheidscertificering

De exploitanten:

a) verstrekken de bevoegde autoriteit, voorafgaandelijk aan de beoogde verplaatsing, alle noodzakelijke gegevens voor het invullen van het diergezondheidscertificaat, bedoeld in de artikelen 208 en 209, en in de krachtens de artikelen 211, 213 en 214 vastgestelde regels;

b) zorgen ervoor dat de betrokken waterdieren indien nodig worden onderworpen aan documentencontroles, overeenstemmingscontroles en materiële controles als bedoeld in artikel 216, lid 3, en in de krachtens artikel 216, lid 4, vastgestelde regels.

Artikel 216

Verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit voor diergezondheidscertificering en gedelegeerde handelingen

1.  De bevoegde autoriteit geeft op verzoek van een exploitant een diergezondheidscertificaat af voor de verplaatsing van waterdieren, wanneer dat is vereist overeenkomstig de artikelen 208 en 209 of de krachtens de artikelen 211 en 214 vastgestelde regels, op voorwaarde dat in voorkomend geval aan de volgende diergezondheidsvoorschriften is voldaan:

a) de voorschriften, bedoeld in artikel 191, artikel 192, lid 1, de artikelen 193, 195 en 196, artikel 197, lid 1, de artikelen 198 en 199, artikel 200, leden 1 en 2, artikel 201, artikel 203, lid 1, en artikel 204, leden 1 en 2;

b) de voorschriften, bedoeld in de gedelegeerde handelingen, vastgesteld krachtens artikel 192, lid 2, artikel 197, lid 3, artikel 200, lid 3, artikel 201, lid 3, artikel 202, lid 3, artikel 203, lid 2, artikel 204, lid 3, en artikel 205;

c) de voorschriften, bedoeld in de krachtens artikel 206 vastgestelde uitvoeringshandelingen.

2.  Diergezondheidscertificaten

a) worden gecontroleerd, van een stempel voorzien en ondertekend door een officiële dierenarts;

b) blijven geldig voor de periode die is vermeld in de krachtens lid 4, onder c), vastgestelde regels, waarin de in het certificaat vermelde waterdieren aan de diergezondheidsgaranties van het certificaat moeten blijven voldoen.

3.  Voordat de officiële dierenarts het diergezondheidscertificaat ondertekent controleert hij door middel van de documentencontroles, overeenstemmingscontroles en materiële controles als bedoeld in de krachtens lid 4 vastgestelde gedelegeerde handelingen, of de in het certificaat bedoelde gehouden waterdieren voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk, in voorkomend geval rekening houdend met de betrokken soorten en categorieën waterdieren en de diergezondheidsvoorschriften.

4.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) de soorten documentencontroles, overeenstemmingscontroles, materiële controles en onderzoeken in verband met verschillende soorten en categorieën waterdieren die de officiële dierenarts overeenkomstig lid 3 moet uitvoeren om na te gaan of aan de voorschriften van dit hoofdstuk is voldaan;

b) de termijnen voor de uitvoering van dergelijke documentencontroles, overeenstemmingscontroles, materiële controles en onderzoeken, en voor de afgifte van diergezondheidscertificaten door de officiële dierenarts voorafgaand aan de verplaatsing van zendingen waterdieren;

c) de geldigheidsduur van diergezondheidscertificaten.

Artikel 217

Elektronische diergezondheidscertificaten

Elektronische diergezondheidscertificaten die worden opgesteld, verwerkt en doorgestuurd via TRACES, kunnen de in artikel 216, lid 1, bedoelde begeleidende diergezondheidscertificaten vervangen, indien deze elektronische diergezondheidscertificaten:

a) alle gegevens bevatten die het modelformulier van diergezondheidscertificaten moet bevatten overeenkomstig artikel 212, lid 1, en de krachtens artikel 213 vastgestelde regels;

b) de traceerbaarheid van de betrokken waterdieren en het verband tussen die dieren en het elektronische diergezondheidscertificaat waarborgen;

c) waarborgen dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst, doorgang en bestemming tijdens het vervoer te allen tijde toegang tot de elektronische documenten kunnen hebben.

Artikel 218

Eigen verklaring van de exploitanten voor verplaatsingen van aquacultuurdieren naar andere lidstaten, en gedelegeerde handelingen

1.  Indien voor de aquacultuurdieren niet is vereist dat zij vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat als bedoeld in de artikelen 208 en 209 of in de krachtens de artikelen 211 en 214 vastgestelde regels, geven de exploitanten op de plaats van oorsprong een document met eigen verklaring af voor verplaatsingen van aquacultuurdieren van hun plaats van oorsprong in de ene lidstaat naar de plaats van bestemming in een andere lidstaat en zorgen zij ervoor dat het document de aquacultuurdieren vergezelt.

2.  Het in lid 1 bedoelde document met eigen verklaring bevat over de betrokken aquacultuurdieren ten minste de volgende gegevens:

a) hun plaats van oorsprong en hun plaats van bestemming en, indien van toepassing, alle plaatsen onderweg;

b) de vervoermiddelen;

c) een beschrijving van de aquacultuurdieren, en hun categorie, hun soort en hoeveelheid (aantal, volume of gewicht), naargelang de relevantie voor de betrokken dieren;

d) de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de aquacultuurdieren voldoen aan de verplaatsingsvoorschriften van de afdelingen 1 tot en met 4 (artikelen 191 tot en met 207).

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) nadere bepalingen betreffende de inhoud van het document met eigen verklaring als bedoeld in lid 2 van dit artikel voor verschillende soorten en categorieën aquacultuurdieren;

b) gegevens die in het document met eigen verklaring moeten worden opgenomen ter aanvulling van de in lid 2 van dit artikel bedoelde gegevens.

4.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen voor modelformulieren van documenten met eigen verklaring als bedoeld in lid 1.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 6

Kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren naar andere lidstaten

Artikel 219

Verplichting voor de exploitanten met betrekking tot de kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren naar andere lidstaten

1.  De exploitanten, met uitzondering van vervoerders, stellen de bevoegde autoriteit in hun lidstaat van oorsprong vooraf in kennis van geplande verplaatsingen van waterdieren van de ene lidstaat naar een andere lidstaat in de volgende gevallen:

a) de waterdieren moeten vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat is afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig de artikelen 208 en 209 ►C1  en regels vastgesteld krachtens de artikelen 211 en 214; ◄

b) de waterdieren moeten vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat voor waterdieren ►C1  indien zij uit een beperkingszone worden verplaatst als bedoeld in artikel 208, lid 2; ◄

c) de verplaatste aquacultuurdieren en wilde waterdieren zijn bestemd voor:

i) een instelling die moet worden geregistreerd overeenkomstig artikel 173 of moet worden erkend overeenkomstig de artikelen 176 tot en met 179;

ii) vrijlating in het wild;

d) kennisgeving is vereist overeenkomstig de krachtens artikel 221 vastgestelde gedelegeerde handelingen.

2.  Voor de in lid 1 van dit artikel beschreven kennisgeving verstrekken de exploitanten de bevoegde autoriteit in hun lidstaat van oorsprong alle noodzakelijke gegevens om deze in staat te stellen overeenkomstig artikel 220, lid 1, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis te stellen van de verplaatsing.

Artikel 220

Verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit om kennisgeving te doen van verplaatsingen van waterdieren naar andere lidstaten

1.  De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis van verplaatsingen van waterdieren als bedoeld in artikel 219, tenzij voor een dergelijke kennisgeving overeenkomstig artikel 221, lid 1, onder c), een afwijking is toegestaan.

2.  De in lid 1 bedoelde kennisgeving geschiedt voorafgaand aan de betrokken verplaatsing en, indien mogelijk, via TRACES.

3.  Voor het beheer van de kennisgevingen van verplaatsingen, bedoeld in lid 1, wijzen de lidstaten regio's aan.

4.  In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong de exploitant toestemming verlenen de kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren geheel of gedeeltelijk via TRACES naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming te versturen.

Artikel 221

Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringshandelingen voor de kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren door exploitanten en door de bevoegde autoriteit

1.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a) de verplichting voor de exploitanten om overeenkomstig artikel 219 voorafgaande kennisgeving te doen van verplaatsingen tussen lidstaten van waterdieren van andere soorten of categorieën dan die bedoeld in artikel 219, lid 1, onder a), b) en c), wanneer de traceerbaarheid van dergelijke verplaatsingen noodzakelijk is om de naleving van de diergezondheidsvoorschriften van dit hoofdstuk te waarborgen;

b) de gegevens die noodzakelijk zijn voor de kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren, als bedoeld in artikel 219 en artikel 220, lid 1;

c) afwijkingen van de kennisgevingsvoorschriften als bedoeld in artikel 219, lid 1, onder c), voor soorten en categorieën waterdieren of soorten verplaatsingen die geen significant risico vormen;

d) de noodprocedures voor kennisgeving van verplaatsingen van waterdieren bij stroomonderbrekingen of andere storingen in TRACES;

e) de voorschriften inzake de aanwijzing van regio's door de lidstaten, als bedoeld in artikel 220, lid 3.

2.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen met betrekking tot:

a) de bijzonderheden van de kennisgevingen:

i) van verplaatsingen van waterdieren door de exploitanten aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig artikel 219;

ii) van verplaatsingen van waterdieren door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong aan de lidstaat van bestemming, overeenkomstig artikel 220, lid 1;

b) de uiterste termijnen voor:

i) het verstrekken door exploitanten van de in artikel 219, lid 2, bedoelde noodzakelijke gegevens aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong;

ii) de kennisgeving van verplaatsingen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong, bedoeld in artikel 220, lid 1.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 3

Productie, verwerking en distributie van andere producten van dierlijke oorsprong van waterdieren dan levende waterdieren binnen de Unie

Artikel 222

Algemene verplichtingen van de exploitanten inzake diergezondheid, en gedelegeerde handelingen

1.  De exploitanten treffen passende preventieve maatregelen om te waarborgen dat andere producten van dierlijke oorsprong van waterdieren dan levende waterdieren in geen enkel stadium van de productie, de verwerking en van de distributie ervan de verspreiding veroorzaken van:

a) in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), rekening houdend met de gezondheidsstatus van de plaats van productie, verwerking en bestemming;

b) nieuwe ziekten.

2.  De exploitanten zorgen ervoor dat andere producten van dierlijke oorsprong van waterdieren dan levende waterdieren niet afkomstig zijn van inrichtingen of levensmiddelenbedrijven of niet worden verkregen van dieren die afkomstig zijn van dergelijke inrichtingen of levensmiddelenbedrijven:

a) waarvoor noodmaatregelen gelden als bedoeld in de artikelen 257 en 258 en in de krachtens artikel 259 vastgestelde regels, tenzij afwijkingen met betrekking tot die regels zijn toegestaan overeenkomstig deel VII (artikelen 257 tot en met 262);

b) waar verplaatsingsbeperkingen gelden voor waterdieren en producten van dierlijke oorsprong van waterdieren, bedoeld in artikel 32, lid 1, onder c), artikel 55, lid 1, onder e), artikel 56, artikel 61, lid 1, onder a), artikel 62, lid 1, artikel 65, lid 1, onder c), artikel 70, lid 1, onder b), en artikel 74, lid 1, onder a), artikel 76, lid 2, onder b), artikel 76, lid 3, de artikelen 79 en 81, en artikel 82, leden 2 en 3, en de regels vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 70, lid 3, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 4, artikel 76, lid 5, en artikel 83, lid 2, tenzij overeenkomstig die regels afwijkingen van deze verplaatsingsbeperkingen zijn toegestaan.

3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot nadere voorschriften ter aanvulling van die welke worden bedoeld in lid 2 van dit artikel in verband met verplaatsingen van andere producten van dierlijke oorsprong van waterdieren dan levende waterdieren, wat betreft:

a) de ziekten en de soorten waterdieren waarbij de ziekten voorkomen, waarvoor noodmaatregelen of verplaatsingsbeperkingen gelden als bedoeld in lid 2 van dit artikel;

b) het soort producten van dierlijke oorsprong van waterdieren;

c) de risicobeperkingsmaatregelen die op de plaats van oorsprong en op de plaats van bestemming worden toegepast op de producten van dierlijke oorsprong van waterdieren;

d) het beoogde gebruik van de producten van dierlijke oorsprong van waterdieren;

e) de plaats van bestemming van de producten van dierlijke oorsprong van waterdieren.

4.  Dit artikel is niet van toepassing op producten van dierlijke oorsprong van verzamelde of gevangen in het wild levende waterdieren die rechtstreeks voor menselijke consumptie zijn bestemd.

Artikel 223

Diergezondheidscertificaten en gedelegeerde handelingen

1.  De exploitanten verplaatsen de volgende andere producten van dierlijke oorsprong van waterdieren dan levende waterdieren slechts indien deze producten vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig lid 3 is uitgereikt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong:

a) van waterdieren afkomstige producten van dierlijke oorsprong:

i) waarvan de verplaatsing uit een beperkingszone waarvoor noodmaatregelen gelden als bedoeld in de krachtens artikel 259 vastgestelde regels, is toegestaan; en

ii) die afkomstig zijn van waterdieren van soorten waarop deze noodmaatregelen van toepassing zijn;

b) van waterdieren afkomstige producten van dierlijke oorsprong:

i) waarvan de verplaatsing uit een beperkingszone waarvoor ziektebestrijdingsmaatregelen gelden overeenkomstig artikel 32, lid 1, onder c), artikel 55, lid 1, onder c), artikel 56, ►C1  artikel 61, lid 1, onder a), artikel 62, lid 1, artikel 65, lid 1, onder c), ◄ onder c), artikel 70, lid 1, onder b), artikel 74, lid 1, onder a), en artikel 79, en de regels vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 4, en artikel 83, lid 2, is toegestaan; en

ii) die afkomstig zijn van waterdieren van soorten waarop deze ziektebestrijdingsmaatregelen van toepassing zijn.

2.  In afwijking van lid 1 is een dergelijk certificaat niet nodig voor de verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong van wilde waterdieren, op voorwaarde dat:

a) er alternatieve, door de bevoegde autoriteit toegestane risicobeperkingsmaatregelen van kracht zijn die waarborgen dat deze verplaatsingen geen risico voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten vormen;

b) zendingen van dergelijke producten traceerbaar zijn.

3.  De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat het in lid 1 bedoelde diergezondheidscertificaat de producten van dierlijke oorsprong vergezelt van hun plaats van herkomst tot hun plaats van bestemming.

4.  De bevoegde autoriteit geeft op verzoek van de betrokken exploitant een diergezondheidscertificaat af voor de verplaatsingen van andere producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren als bedoeld in lid 1, op voorwaarde dat aan de toepasselijke voorschriften als bedoeld in dit artikel is voldaan.

5.  Artikel 212 en de artikelen 214 tot en met 217 en de regels vastgesteld krachtens artikel 213 en artikel 216, lid 4, zijn van toepassing op de diergezondheidscertificering van verplaatsingen van andere producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren, als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften en nadere uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het diergezondheidscertificaat dat andere producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren dient te vergezellen, als bedoeld in lid 1 van dit artikel, rekening houdend met de volgende aspecten:

a) het betrokken soort producten van dierlijke oorsprong;

b) de risicobeperkingsmaatregelen die van toepassing zijn op de betrokken producten, ter beperking van het risico op verspreiding van ziekten;

c) het beoogde gebruik van deze producten;

d) de plaats van bestemming van deze producten.

Artikel 224

Inhoud van diergezondheidscertificaten en gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen

1.  Het diergezondheidscertificaat voor andere van waterdieren afkomstige producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren bevat ten minste de volgende gegevens:

a) de inrichting of plaats van oorsprong en de inrichting of plaats van bestemming;

b) een beschrijving van de betrokken producten van dierlijke oorsprong;

c) de hoeveelheid (aantallen, volume of gewicht) van de producten van dierlijke oorsprong;

d) de identificatie van de producten van dierlijke oorsprong, wanneer dat is vereist overeenkomstig artikel 65, lid 1, onder h), of overeenkomstig de krachtens artikel 67 vastgestelde regels;

e) de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de betrokken producten voldoen aan de voorschriften inzake verplaatsingsbeperkingen als bedoeld in artikel 222, lid 2, en in de krachtens artikel 222, lid 3, vastgestelde regels.

2.  Het in lid 1 bedoelde diergezondheidscertificaat kan andere gegevens bevatten die uit hoofde van andere Uniewetgeving zijn vereist.

3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de wijziging en de aanvulling van de gegevens die in het diergezondheidscertificaat als bedoeld in lid 1 van dit artikel moeten worden vermeld.

4.  De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regelgeving vaststellen voor modelformulieren van diergezondheidscertificaten, als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 225

Kennisgeving van verplaatsingen van producten van dierlijke oorsprong naar andere lidstaten

1.  De exploitanten:

a) stellen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong vooraf in kennis van de geplande verplaatsingen van andere van waterdieren afkomstige producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren, wanneer de betrokken zendingen vergezeld moeten gaan van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig artikel 223, lid 1;

b) verstrekken de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong alle noodzakelijke gegevens om de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming overeenkomstig lid 2 van dit artikel in kennis te stellen van de verplaatsing van de betrokken producten.

2.  De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis van verplaatsingen van andere van waterdieren afkomstige producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren overeenkomstig artikel 220, lid 1.

3.  De artikelen 219 en 220 en de krachtens artikel 221 vastgestelde regels zijn van toepassing op de kennisgeving van andere van waterdieren afkomstige producten van dierlijke oorsprong dan levende waterdieren.



HOOFDSTUK 4

Nationale maatregelen

Artikel 226

Nationale maatregelen ter beperking van de gevolgen van andere ziekten dan de in de lijst opgenomen ziekten

1.  Wanneer een andere ziekte dan de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), een significant risico vormt voor de gezondheid van waterdieren in een lidstaat, kan de betrokken lidstaat nationale maatregelen treffen om te voorkomen dat die ziekte wordt binnengebracht of om de verspreiding ervan te bestrijden.

De lidstaten zorgen ervoor dat die nationale maatregelen niet verder gaan dan wenselijk en noodzakelijk is om binnen de lidstaat de insleep van de betrokken ziekte te voorkomen of de verspreiding ervan te bestrijden.

2.  De lidstaten stellen de Commissie vooraf in kennis van alle voorgestelde nationale maatregelen als bedoeld in lid 1 die een nadelige invloed kunnen hebben op verplaatsingen tussen lidstaten van waterdieren en producten van dierlijke oorsprong van waterdieren.

3.  De in lid 2 van dit artikel bedoelde nationale maatregelen worden door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen goedgekeurd en indien nodig gewijzigd. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.  De in lid 3 bedoelde goedkeuring wordt slechts gegeven indien verplaatsingsbeperkingen tussen lidstaten noodzakelijk zijn om de insleep van de in lid 1 bedoelde ziekte te voorkomen of de verspreiding ervan te bestrijden, rekening houdend met de globale gevolgen van de betrokken ziekte en van de maatregelen voor de Unie.



TITEL III

DIEREN VAN ANDERE SOORTEN DAN DIE WELKE VALLEN ONDER DE DEFINITIE VAN LANDDIEREN EN WATERDIEREN, EN LEVENDE PRODUCTEN EN PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG VAN DEZE ANDERE DIEREN

Artikel 227

Diergezondheidsvoorschriften voor andere dieren, en levende producten en producten van dierlijke oorsprong van deze andere dieren

Wanneer andere dieren tot een in de lijst opgenomen soort voor een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), behoren en wanneer deze andere dieren of daarvan afkomstige levende producten of producten van dierlijke oorsprong een risico vormen voor de volksgezondheid of de diergezondheid in de Unie, zijn één of meer van de volgende voorschriften van toepassing:

a) de voorschriften met betrekking tot registratie, erkenning, documentatie en registers voor inrichtingen en vervoerders als bedoeld in titel I, hoofdstuk 1, en titel II, hoofdstuk 1 (artikelen 84 tot en met 101 en artikelen 172 tot en met 175);

b) de voorschriften met betrekking tot traceerbaarheid als bedoeld in de artikelen 108 tot en met 111 en artikel 117 voor andere dieren, en artikel 122 voor levende producten;

c) verplaatsingsvoorschriften:

i) wat betreft andere dieren die voornamelijk in een terrestrisch milieu leven of die gewoonlijk worden getroffen door ziekten van landdieren, rekening houdend met de criteria van artikel 228, lid 3, onder d) en e), de voorschriften van deel IV, titel I, hoofdstuk 3, afdeling 1 (artikelen 124 en 125) en afdeling 6 (artikelen 137 tot en met 142), en deel IV, titel I, hoofdstuk 4 (artikelen 155 en 156);

ii) wat betreft andere dieren die voornamelijk in een aquatisch milieu leven of gewoonlijk worden getroffen door ziekten van waterdieren, rekening houdend met de criteria van artikel 228, lid 3, onder d) en e), de voorschriften van deel IV, titel II, hoofdstuk 2, afdelingen 1 tot en met 4 (artikelen 191 tot en met 207);

iii) wat betreft levende producten: de algemene voorschriften voor verplaatsingen als bedoeld in de artikelen 157 en 158 en de bijzondere voorschriften voor verplaatsingen naar andere lidstaten als bedoeld in de artikelen 164 en 165;

iv) wat betreft producten van dierlijke oorsprong: de algemene verplichtingen van exploitanten inzake diergezondheid met betrekking tot de productie, de verwerking en de distributie van producten van dierlijke oorsprong binnen de Unie als bedoeld in de artikelen 166 en 222;

d) de verplichtingen van exploitanten en de bevoegde autoriteiten inzake diergezondheidscertificering en de verplichtingen van exploitanten inzake eigen verklaringen:

i) wat betreft andere dieren: krachtens de regels als bedoeld in de artikelen 143 tot en met 151 of de artikelen 208 tot en met 218;

ii) wat betreft levende producten: krachtens de regels als bedoeld in de artikelen 161 en 162;

iii) wat betreft producten van dierlijke oorsprong: krachtens de regels als bedoeld in de artikelen 165 en 168 of de artikelen 223 en 224;

e) de verplichting voor exploitanten en de bevoegde autoriteiten kennisgeving te doen van verplaatsingen: de voorschriften als bedoeld in de artikelen 152, 153, 154, 163 en 169, en de artikelen 219 tot en met 221 en artikel 225.

Artikel 228

Bevoegdheidsdelegatie en uitvoeringshandelingen met betrekking tot diergezondheidsvoorschriften voor andere dieren, en levende producten en producten van dierlijke oorsprong van andere dieren

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot eventuele specifieke voorschriften voor andere dieren, en de daarvan afkomstige levende producten of producten van dierlijke oorsprong als bedoeld in artikel 227, die nodig zijn om het risico van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), te beperken.

2.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met betrekking tot nadere uitvoeringsbepalingen voor de tenuitvoerlegging van de in lid 1 bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.  Bij de vaststelling van de in de leden 1 en 2 bedoelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, baseert de Commissie deze handelingen op de volgende criteria:

a) de soorten of categorieën andere dieren behorende tot overeenkomstig artikel 8, lid 2, in de lijst opgenomen soorten voor één of meer in de lijst opgenomen ziekten, waarop bepaalde maatregelen van deze verordening ter preventie en bestrijding van de ziekten van toepassing zijn;

b) het profiel van de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekte waardoor soorten en categorieën van onder a) bedoelde andere dieren kunnen worden getroffen;

c) de haalbaarheid, beschikbaarheid en de doeltreffendheid van de maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten voor de in de lijst opgenomen soorten waarop die maatregelen betrekking hebben;

d) het voornaamste terrestrische of aquatische milieu waarin deze andere dieren leven;

e) de soorten ziekten waardoor deze andere dieren kunnen worden getroffen, namelijk ziekten die gewoonlijk landdieren of waterdieren treffen, ongeacht het onder d) bedoelde voornaamste leefmilieu.



DEEL V

BINNENKOMST IN DE UNIE EN UITVOER



HOOFDSTUK 1

Binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen en gebieden



Afdeling 1

Voorschriften voor binnenkomst in de unie

Artikel 229

Voorschriften voor binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong

1.  Lidstaten geven slechts toestemming voor de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of gebieden indien die zendingen aan de volgende voorschriften voldoen, tenzij voor die dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong een overeenkomstig artikel 239, lid 2, toegekende afwijking geldt:

a) zij zijn, onverminderd artikel 230, lid 2, afkomstig uit een derde land of gebied dat overeenkomstig artikel 230, lid 1, is opgenomen in de lijst voor de betrokken specifieke soort en categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong, of uit een zone of een compartiment daarvan;

b) zij zijn afkomstig van erkende en in de lijst opgenomen inrichtingen, indien een erkenning en een inschrijving op de lijst op grond van artikel 233 worden vereist;

c) zij voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie als bedoeld die zijn omschreven in artikel 234, lid 1, en in overeenkomstig artikel 234, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen, indien voor de betrokken dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong van de zending dergelijke voorschriften zijn vastgesteld;

d) zij gaan vergezeld van een diergezondheidscertificaat en van verklaringen en andere documenten, indien dat is vereist volgens artikel 237, lid 1, of de krachtens artikel 237, lid 4, vastgestelde regels.

2.  De voor de betrokken zending verantwoordelijke exploitanten bieden zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of gebieden aan voor officiële controle als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 91/496/EEG en artikel 3 van Richtlijn 97/78/EG.



Afdeling 2

Inschrijving op de lijst van derde landen en gebieden

Artikel 230

Lijst van derde landen en gebieden waaruit de binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong is toegestaan, en uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen

1.  De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, lijsten opstellen van derde landen en gebieden waaruit de binnenkomst in de Unie van specifieke soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong is toegestaan op grond van de volgende criteria:

a) de wetgeving inzake diergezondheid van het betrokken derde land of gebied en de regels inzake binnenkomst in dat derde land of gebied van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit andere derde landen en gebieden;

b) de garanties die de bevoegde autoriteit van het betrokken derde land of gebied verstrekt met betrekking tot de efficiëntie van de toepassing en de controle van de onder a) bedoelde wetgeving inzake diergezondheid;

c) de organisatie, structuur, middelen en juridische bevoegdheid van de bevoegde autoriteit in het betrokken derde land of gebied;

d) de procedures voor diergezondheidscertificering in het betrokken derde land of gebied;

e) de diergezondheidsstatus van het betrokken derde land of gebied, of van zones en compartimenten daarvan, met betrekking tot:

i) in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten;

ii) elk aspect van diergezondheid en volksgezondheid of van de milieutoestand in het betrokken derde land of gebied, of in een zone of compartiment daarvan, dat een risico kan inhouden voor de diergezondheid, de volksgezondheid of voor de milieutoestand van de Unie;

f) de garanties die de bevoegde autoriteit van het betrokken derde land of gebied kan bieden inzake de naleving van of de gelijkwaardigheid met de relevante in de Unie geldende diergezondheidsvoorschriften;

g) de regelmaat en de snelheid waarmee het betrokken derde land of gebied aan de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) gegevens verstrekt met betrekking tot infectieuze of besmettelijke dierziekten op zijn grondgebied, met name gegevens met betrekking tot ziekten die worden vermeld in de OIE-codes;

h) de resultaten van de controles die de Commissie in het betrokken derde land of gebied heeft uitgevoerd;

i) alle ervaring inzake binnenkomst van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit het betrokken derde land of gebied en de resultaten van officiële controles van dergelijke dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong bij het punt van binnenkomst in de Unie.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  In afwachting van de vaststelling van de lijsten als bedoeld in lid 1, en op voorwaarde dat dergelijke lijsten niet reeds eerder zijn opgesteld krachtens de Uniewetgeving als bedoeld in artikel 270, lid 2, bepalen de lidstaten de derde landen en gebieden waaruit specifieke soorten en categorieën dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong de Unie mogen binnenkomen.

Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid houden de lidstaten rekening met de in lid 1, onder a) tot en met i), van dit artikel bedoelde criteria voor opname in de lijsten van derde landen en gebieden.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen van lid 2, om de mogelijkheid te beperken dat de lidstaten bepalen uit welke derde landen en gebieden een specifieke soort en categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong de Unie mogen binnenkomen, indien dit noodzakelijk is wegens het risico dat een specifieke soort en categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong vormt.

Artikel 231

In de lijsten van derde landen en gebieden op te nemen gegevens

De Commissie verstrekt voor elk derde land of gebied van de in artikel 230, lid 1, bedoelde lijst de volgende gegevens:

a) de soorten en categorieën dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong die de Unie uit dat derde land of gebied mogen binnenkomen;

b) of de overeenkomstig onder a) vermelde dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong de Unie mogen binnenkomen vanuit het volledige grondgebied van dat derde land of gebied of slechts vanuit één of meer zones of compartimenten daarvan;

c) specifieke voorwaarden en diergezondheidswaarborgen betreffende in de lijst opgenomen ziekten.

Artikel 232

Schorsing en intrekking van de inschrijving op de lijsten van derde landen en gebieden en uitvoeringshandelingen

1.  Door middel van uitvoeringshandelingen trekt de Commissie de inschrijving op de in artikel 230, lid 1, bedoelde lijst van een derde land of gebied in, of schorst zij de binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong vanuit een derde land of gebied, of vanuit een zone of compartiment daarvan, om een van de volgende redenen:

a) het betrokken derde land of gebied, of één of meer zones of compartimenten daarvan, voldoen niet langer aan de criteria van artikel 230, lid 1, indien deze relevant zijn voor de binnenkomst in de Unie van een specifieke soort en categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong;

b) de diergezondheidssituatie in het betrokken derde land of gebied, of in een zone of compartiment daarvan, vereist een schorsing of intrekking van de inschrijving op de lijsten om de diergezondheidsstatus van de Unie te beschermen;

c) de Commissie heeft het betrokken derde land of gebied verzocht actuele gegevens over de diergezondheidssituatie en over andere in artikel 230, lid 1, bedoelde aspecten te verstrekken, en dat derde land of gebied heeft deze gegevens niet verstrekt;

d) het betrokken derde land of gebied weigert op zijn grondgebied de Commissie controles namens de Unie te laten uitvoeren.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een ernstig risico op de insleep in de Unie van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), stelt de Commissie volgens de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

3.  De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, een derde land of gebied, of een zone of compartiment daarvan, waarvan de inschrijving op de in artikel 230, lid 1, bedoeld lijst was ingetrokken, opnieuw in de lijst opnemen of de eerder geschorste binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong vanuit een derde land of gebied, of een zone of compartiment daarvan, opnieuw toestaan, om een van de volgende redenen:

a) om de redenen als bedoeld in lid 1, onder a) of c), van dit artikel op voorwaarde dat het betrokken derde land of gebied aantoont dat het voldoet aan de criteria om in de lijst te worden opgenomen als bedoeld in artikel 230, lid 1;

b) om de redenen als bedoeld in lid 1, onder b), van dit artikel, op voorwaarde dat het betrokken derde land of gebied passende garanties biedt dat een oplossing werd gevonden voor de diergezondheidssituatie die de schorsing of intrekking had veroorzaakt, of dat deze diergezondheidssituatie niet langer een bedreiging vormt voor de diergezondheid of de volksgezondheid in de Unie;

c) om de reden als bedoeld in lid 1, onder d), op voorwaarde dat:

i) het betrokken derde land of gebied heeft ingestemd met controles op zijn grondgebied door de Commissie namens de Unie; en

ii) uit de resultaten van die controles door de Commissie blijkt dat het betrokken derde land of gebied, en de zones of compartimenten daarvan, voldoen aan de criteria om te worden opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 230, lid 1.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 3

Erkenning en inschrijving op de lijst van inrichtingen in derde landen en gebieden

Artikel 233

Erkenning en inschrijving op de lijst van inrichtingen

1.  De lidstaten verlenen slechts toestemming voor binnenkomst in de Unie van landdieren en levende producten daarvan die afkomstig zijn van een soort inrichting waarvoor in de Unie een erkenning is vereist overeenkomstig artikel 94, lid 2, en de regelgeving vastgesteld krachtens artikel 94, lid 3, en artikel 95, indien de desbetreffende inrichting in het betrokken derde land of gebied:

a) voldoet aan de diergezondheidsvoorschriften in dat derde land of gebied die gelijkwaardig zijn aan de geldende regels voor dat soort inrichting in de Unie;

b) erkend is en door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van verzending in de lijst is opgenomen, tenzij er alternatieve risicobeperkingsmaatregelen in dat derde land of gebied van kracht zijn die gelijkwaardige garanties bieden voor de diergezondheid in de Unie.

2.  De Commissie verzamelt de lijsten van de in lid 1, onder b), bedoelde erkende inrichtingen die zij van de bevoegde autoriteiten van de betrokken derde landen of gebieden heeft ontvangen.

3.  De Commissie verstrekt de lidstaten elke nieuwe of bijgewerkte lijst van erkende inrichtingen die zij van de betrokken derde landen of gebieden ontvangt en maakt deze openbaar.

4.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de noodzakelijke regels voor de uniforme toepassing van lid 1, onder b), vast.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



Afdeling 4

Binnenkomst in de unie van soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong

Artikel 234

Diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong

1.  De diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of gebieden:

a) zijn even streng als de diergezondheidsvoorschriften van deze verordening en in de regels die krachtens deze verordening is vastgesteld en die van toepassing is op verplaatsingen binnen de Unie van de desbetreffende soorten en categorieën dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong; of

b) bieden gelijkwaardige garanties voor de diergezondheidsvoorschriften die van toepassing zijn op de soorten en categorieën dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong van deel IV (artikelen 84 tot en met 228) van deze verordening.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de diergezondheidsvoorschriften voor:

a) de binnenkomst in de Unie van soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of gebieden;

b) de verplaatsing binnen de Unie van en het werken met deze dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong na binnenkomst in de Unie, indien dit nodig is om het betrokken risico te beperken.

3.  In afwachting van de vaststelling van gedelegeerde handelingen tot vaststelling van diergezondheidsvoorschriften voor een specifieke soort en categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong als bedoeld in lid 1 van dit artikel, kunnen de lidstaten, na een risicobeoordeling, nationale regels toepassen, op voorwaarde dat deze regels voldoen aan de voorschriften van dat lid en op voorwaarde dat daarin rekening wordt gehouden met de aspecten als bedoeld in de artikelen 235 en 236.

Artikel 235

Aspecten waarmee rekening wordt gehouden in de in artikel 234 bedoelde gedelegeerde handelingen met betrekking tot de binnenkomst in de Unie van dieren

Bij de vaststelling van diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van specifieke soorten en categorieën dieren in de in artikel 234, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen, houdt de Commissie rekening met de volgende aspecten:

a) de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten;

b) de gezondheidsstatus van de Unie met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten;

c) de in de lijst opgenomen soorten met betrekking tot die in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten;

d) de leeftijd en het geslacht van de betrokken dieren;

e) de oorsprong van de betrokken dieren;

f) het betrokken soort inrichting en het soort productie op de plaats van oorsprong en op de plaats van bestemming;

g) de beoogde plaats van bestemming;

h) het beoogde gebruik van de betrokken dieren;

i) risicobeperkingsmaatregelen die zijn getroffen in de derde landen of gebieden van oorsprong of van doorvoer, of na aankomst van de betrokken dieren op het grondgebied van de Unie;

j) de diergezondheidsvoorschriften die van toepassing zijn op verplaatsingen van die dieren binnen de Unie;

k) andere epidemiologische factoren;

l) internationale handelsnormen met betrekking tot diergezondheid die van toepassing zijn op die soorten en categorieën dieren.

Artikel 236

Aspecten waarmee rekening wordt gehouden in de in artikel 234 bedoelde gedelegeerde handelingen met betrekking tot de binnenkomst in de Unie van levende producten en producten van dierlijke oorsprong

Bij de vaststelling van diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van levende producten en producten van dierlijke oorsprong in de in artikel 234, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen, houdt de Commissie rekening met de volgende aspecten:

a) de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten;

b) de gezondheidsstatus van de dieren waarvan de levende producten of de producten van dierlijke oorsprong afkomstig zijn en die van de Unie met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten;

c) het soort en de aard van specifieke levende producten of producten van dierlijke oorsprong, de behandelingen, bewerkingsmethoden en andere risicobeperkingsmaatregelen die op de plaats van oorsprong, de plaats van doorzending van de zending, of op de plaats van bestemming zijn toegepast;

d) het soort inrichting en het soort productie op de plaats van oorsprong en op de plaats van bestemming;

e) de beoogde plaats van bestemming;

f) het beoogde gebruik van de betrokken levende producten of producten van dierlijke oorsprong;

g) de diergezondheidsvoorschriften die van toepassing zijn op verplaatsingen van de betrokken levende producten en producten van dierlijke oorsprong binnen de Unie;

h) andere epidemiologische factoren;

i) internationale handelsnormen met betrekking tot diergezondheid die van toepassing zijn op de desbetreffende levende producten en producten van dierlijke oorsprong.



Afdeling 5

Diergezondheidscertificaten, verklaringen en andere documenten

Artikel 237

Diergezondheidscertificaten, verklaringen en andere documenten voor binnenkomst in de Unie

1.  De lidstaten verlenen slechts toestemming voor binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong wanneer deze zendingen vergezeld gaan van één of beide van de onderstaande documenten:

a) een door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong uitgereikt diergezondheidscertificaat, tenzij lid 4, onder a), voorziet in een afwijking;

b) verklaringen of andere documenten, indien deze overeenkomstig de krachtens lid 4, onder b), vastgestelde regels zijn vereist.

2.  De lidstaten staan de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong slechts toe indien het in lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertificaat door een officiële dierenarts in een derde land of gebied is gecontroleerd en ondertekend overeenkomstig certificeringsvoorschriften die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van artikel 149, lid 3, of artikel 216, lid 3, en de regels vastgesteld krachtens artikel 149, lid 4, of artikel 216, lid 4.

3.  De lidstaten staan toe dat elektronische diergezondheidscertificaten die worden opgesteld, verwerkt en doorgestuurd via TRACES de in lid 1 bedoelde begeleidende diergezondheidscertificaten vervangen, indien deze elektronische diergezondheidscertificaten:

a) alle gegevens bevatten die de in lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertificaten overeenkomstig artikel 238, lid 1, en de krachtens artikel 238, lid 3, vastgestelde regels moeten bevatten;

b) de traceerbaarheid waarborgen van de betrokken zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong en deze zendingen en het elektronische diergezondheidscertificaat aan elkaar koppelen.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) afwijkingen van de voorschriften betreffende diergezondheidscertificaten als bedoeld in lid 1, onder a), en lid 2 van dit artikel, voor zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong, en in specifieke regels voor de diergezondheidscertificering van zendingen, indien de betrokken zendingen geen significant risico vormen voor de diergezondheid of de volksgezondheid binnen de Unie, om één of meer van de volgende factoren:

i) de betrokken soorten en categorieën dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong;

ii) de houderijmethoden en de soorten productie voor de betrokken dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong;

iii) het beoogde gebruik ervan;

iv) andere getroffen risicobeperkingsmaatregelen in de derde landen of gebieden van oorsprong of van doorvoer of na aankomst op het grondgebied van de Unie, die dezelfde bescherming van de diergezondheid en volksgezondheid in de Unie bieden als die waarin deze verordening voorziet;

v) de door het betrokken derde land of gebied verstrekte garanties dat de naleving van de voorschriften voor binnenkomst in de Unie wordt aangetoond met andere middelen dan met een diergezondheidscertificaat;

b) regels die voorschrijven dat zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong bij binnenkomst in de Unie vergezeld moeten gaan van verklaringen of andere documenten die nodig zijn om aan te tonen dat de betrokken dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die de Unie binnenkomen, voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie van de krachtens artikel 234, lid 2, vastgestelde regels.

Artikel 238

Inhoud van diergezondheidscertificaten

1.  Het in artikel 237, lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertificaat bevat ten minste de volgende gegevens:

a) de naam en het adres van:

i) de inrichting of plaats van oorsprong;

ii) de inrichting of plaats van bestemming;

iii) indien van toepassing, de inrichtingen voor het verzamelen of het laten rusten van de betrokken gehouden dieren;

b) een beschrijving van de betrokken dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong;

c) het aantal of het volume van de betrokken dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong;

d) indien van toepassing, de identificatie en de registratie van de betrokken dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong;

e) de gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat de betrokken dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong van de zending voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie als bedoeld in artikel 229 en artikel 234, lid 1, en in de krachtens artikel 234, lid 2, en artikel 239 vastgestelde regels.

2.  Het in artikel 237, lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertificaat kan andere gegevens bevatten die uit hoofde van andere wetgeving van de Unie vereist zijn.

3.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen met betrekking tot:

a) gegevens die het in artikel 237, lid 1, onder a), bedoelde diergezondheidscertificaat moet bevatten ter aanvulling van de gegevens als bedoeld in lid 1;

b) gegevens die de in artikel 237, lid 1, onder b), bedoelde verklaringen of andere documenten moeten bevatten;

c) modelformulieren van diergezondheidscertificaten, verklaringen en andere documenten als bedoeld in artikel 237, lid 1.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.  In afwachting van de vaststelling van regels door middel van uitvoeringshandelingen krachtens lid 3 voor een specifieke soort en categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong, kunnen de lidstaten, na een risicobeoordeling, nationale regels toepassen, op voorwaarde dat deze nationale regels voldoen aan de voorwaarden van lid 1.



Afdeling 6

Afwijkingen en aanvullende voorschriften met betrekking tot bepaalde categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong

Artikel 239

Afwijkingen en aanvullende voorschriften met betrekking tot bepaalde categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong

1.  Voor sommige specifieke vormen van binnenkomst van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong is de toepassing van de regels van artikel 229, lid 1, en de artikelen 233 en 237 mogelijk niet passend en kan de Commissie genoodzaakt zijn door middel van gedelegeerde handelingen bijzondere regels vast te stellen die rekening houden met de specifieke risico's, de eindbestemming, het soort eindgebruik en andere omstandigheden.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde bijzondere regels inzake afwijkingen van de voorschriften als bedoeld in artikel 229, lid 1, en de artikelen 233 en 237, en waarin aanvullende voorschriften worden opgelegd voor de binnenkomst in de Unie van:

a) dieren:

i) bestemd voor circussen, evenementen, tentoonstellingen, voorstellingen, shows en geconsigneerde inrichtingen;

ii) bestemd om voor wetenschappelijke of diagnostische doeleinden te worden gebruikt;

iii) waarvan de eindbestemming niet de Unie is;

iv) die afkomstig zijn uit de Unie en die worden verplaatst naar een derde land of gebied, en daarna uit dat derde land of gebied naar de Unie terugkeren;

v) die afkomstig zijn uit de Unie en die op hun weg naar een ander deel van de Unie door een derde land of gebied worden vervoerd;

vi) die bestemd zijn voor tijdelijke begrazing in de nabijheid van de grenzen van de Unie;

vii) die geen significant risico vormen voor de diergezondheidsstatus binnen de Unie;

b) producten van dierlijke oorsprong:

i) bestemd voor persoonlijk gebruik;

ii) voor consumptie door personeel en passagiers aan boord van vervoermiddelen die uit derde landen of gebieden binnenkomen;

c) levende producten en producten van dierlijke oorsprong:

i) bestemd voor gebruik als handelsmonster;

ii) bestemd voor gebruik als monster voor onderzoek en diagnose;

iii) waarvan de eindbestemming niet de Unie is;

iv) die afkomstig zijn uit de Unie en worden verplaatst naar een derde land of gebied, en daarna uit dat derde land of gebied naar de Unie terugkeren;

v) die afkomstig zijn uit de Unie en die op hun weg naar een ander deel van de Unie over het grondgebied van een derde land of gebied worden vervoerd;

vi) die geen significant risico vormen voor de diergezondheidsstatus binnen de Unie.

Deze gedelegeerde handelingen houden rekening met de aspecten als bedoeld in de artikelen 235 en 236.

3.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen:

a) betreffende modelformulieren voor diergezondheidscertificaten, verklaringen en andere documenten voor de in lid 2 van dit artikel bedoelde categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong;

b) waarin voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde producten de codes uit de Gecombineerde nomenclatuur worden aangegeven, indien deze codes niet worden vermeld in andere toepasselijke regels van de Unie.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 2

Binnenkomst in de Unie van bepaalde andere goederen dan dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen en gebieden

Artikel 240

Ziekteverwekkers en gedelegeerde handelingen

1.  Exploitanten, veeartsen, gezondheidswerkers voor waterdieren en personen die zich beroepsmatig bezighouden met dieren die ziekteverwekkers binnenbrengen in de Unie:

a) moeten passende maatregelen nemen om te waarborgen dat de binnenkomst van die ziekteverwekkers in de Unie geen risico vormt voor de diergezondheid of de volksgezondheid in de Unie met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten;

b) treffen passende maatregelen ter preventieve en bestrijding van ziekten om te waarborgen dat de binnenkomst van die ziekteverwekkers in de Unie geen risico van bioterrorisme oplevert.

Dit lid is ook van toepassing op elke andere natuurlijke of rechtspersoon die opzettelijk dergelijke verwekkers in de Unie binnenbrengt.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften voor binnenkomst in de Unie van ziekteverwekkers inzake:

a) de verpakking van ziekteverwekkers;

b) andere risicobeperkingsmaatregelen die noodzakelijk zijn om het vrijkomen en het verspreiden van ziekteverwekkers te voorkomen.

Artikel 241

Plantaardig materiaal en gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen

1.  De lidstaten nemen maatregelen ter beperking van de binnenkomst in de Unie van zendingen plantaardig materiaal in geval van een ongunstige ziektesituatie in derde landen of gebieden met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), of nieuwe ziekten, wanneer dit vereist is volgens de regels die overeenkomstig lid 3 van dit artikel worden vastgesteld.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomst artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen inzake:

a) specifieke diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van plantaardig materiaal, waarlangs in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten kunnen worden overgedragen;

b) voorschriften in verband met:

i) diergezondheidscertificering, rekening houdend met de regels als bedoeld in artikel 237, lid 1, onder a), en artikel 237, leden 2 en 3; of

ii) verklaringen of andere documenten, rekening houdend met de in artikel 237, lid 1, onder b), bedoelde regels.

3.  De Commissie stelt de in lid 2 bedoelde diergezondheidsvoorschriften vast op basis van de volgende criteria:

a) de vraag of een in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte die via plantaardig materiaal kan worden overgedragen een ernstig risico vormt voor de diergezondheid of de volksgezondheid in de Unie;

b) de waarschijnlijkheid dat dieren van in de lijst opgenomen soorten voor een specifieke in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte rechtstreeks of onrechtstreeks in contact zullen komen met het in lid 2 bedoelde plantaardige materiaal;

c) de beschikbaarheid en de doeltreffendheid van alternatieve risicobeperkingsmaatregelen in verband met dat plantaardig materiaal, die het in punt a), bedoelde risico op overdracht kunnen uitschakelen of beperken.

4.  De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen waarin voor het in lid 2 van dit artikel bedoelde plantaardige materiaal de codes uit de Gecombineerde nomenclatuur worden aangegeven, indien deze codes niet worden vermeld in andere relevante regels van de Unie.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 242

Vervoermiddelen, uitrusting, verpakkingsmateriaal, transportwater, dier- en veevoeders en gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen

1.  De exploitanten die dieren en producten in de Unie binnenbrengen, treffen passende en noodzakelijke maatregelen ter preventie van ziekten tijdens het vervoer, als bedoeld in artikel 125, lid 1, en artikel 192, lid 1.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) specifieke diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van:

i) vervoermiddelen voor dieren en producten;

ii) uitrusting, verpakkingsmateriaal of transportwater voor dieren en of dier- en veevoeders die dierziekten kunnen overdragen;

b) voorschriften in verband met:

i) diergezondheidscertificering, rekening houdend met de regels als bedoeld in artikel 237, lid 1, onder a), en artikel 237, leden 2 en 3; of

ii) verklaringen of andere documenten, rekening houdend met de in artikel 237, lid 1, onder b), bedoelde regels.

3.  De Commissie stelt de in lid 2 van dit artikel bedoelde diergezondheidsvoorschriften vast in geval van een ongunstige ziektesituatie met betrekking tot één of meer in de lijst opgenomen ziekten, als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), of nieuwe ziekten die een ernstig risico vormen voor de diergezondheid en de volksgezondheid in de Unie, in

a) een aangrenzend derde land of gebied;

b) het derde land of gebied van oorsprong;

c) een derde land of gebied van doorvoer.

4.  De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen regels vaststellen waarin voor de in lid 2, onder a), van dit artikel bedoelde goederen de codes uit de Gecombineerde nomenclatuur worden aangegeven, indien deze codes niet worden vermeld in andere toepasselijke voorschriften van de Unie.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 3

Uitvoer

Artikel 243

Uitvoer uit de Unie

1.  De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitvoer en de wederuitvoer uit de Unie naar een derde land of gebied van dieren en producten plaatsvindt in overeenstemming met de regels voor de verplaatsingen van dieren en producten tussen lidstaten als bedoeld in deel IV (artikelen 84 tot en met 228), rekening houdend met de diergezondheidsstatus in het derde land of gebied van bestemming, of de relevante zone of het relevante compartiment daarvan, met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), en nieuwe ziekten.

2.  Op verzoek van de bevoegde autoriteit van een derde land of gebied dat de betrokken dieren en producten invoert, of indien dat zo is vastgesteld in de geldende juridische en administratieve procedures in dat derde land of gebied, kan, in afwijking van lid 1, de uitvoer en de wederuitvoer uit de Unie overeenkomstig de in dat derde land of gebied van kracht zijnde bepalingen plaatsvinden, op voorwaarde dat die uitvoer of wederuitvoer de volksgezondheid en diergezondheid niet in gevaar brengt.

3.  Indien de bepalingen van een bilaterale overeenkomst tussen de Unie en een derde land of gebied van toepassing zijn, moeten de dieren en de producten die uit de Unie naar dat derde land of gebied worden uitgevoerd, aan die bepalingen voldoen.



DEEL VI

NIET-COMMERCIEEL VERKEER VAN GEZELSCHAPSDIEREN NAAR EEN LIDSTAAT UIT EEN ANDERE LIDSTAAT OF UIT EEN DERDE LAND OF GEBIED



HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 244

Toepassingsgebied van deel VI

1.  Dit deel is van toepassing op het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar een lidstaat uit een andere lidstaat of uit een derde land of gebied.

2.  Het is van toepassing onverminderd:

a) Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad ( 2 );

b) alle nationale door de lidstaten aangenomen, bekendgemaakte en aan het publiek beschikbaar gestelde maatregelen om het verkeer van bepaalde soorten of rassen van gezelschapsdieren te beperken op grond van andere overwegingen dan die welke betrekking hebben op de diergezondheid.

Artikel 245

Algemene bepalingen

1.  Niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren dat voldoet aan de diergezondheidsvoorschriften van dit deel mag niet worden verboden, beperkt of belemmerd om andere diergezondheidsredenen dan die welke voortvloeien uit de toepassing van dit deel.

2.  Wanneer het niet-commerciële verkeer van een gezelschapsdier door een gemachtigde persoon wordt verricht, moet dat niet-commerciële verkeer binnen vijf dagen na de verplaatsing van de eigenaar van het gezelschapsdier plaatsvinden.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften ter aanvulling van de regels van lid 2 van dit artikel in verband met:

a) de documentatie van het door een gemachtigde persoon verrichte niet-commerciële verkeer van een gezelschapsdier;

b) het toestaan van afwijkingen van de in lid 2 van dit artikel vermelde termijn.

4.  De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, voorschriften vastleggen voor de lay-out, talen en geldigheid van de verklaring op grond waarvan de gemachtigde persoon namens de eigenaar de schriftelijke toestemming krijgt om het niet-commerciële verkeer van een gezelschapsdier te verrichten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, vermelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 246

Maximaal aantal gezelschapsdieren

1.  Het aantal gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten dat tijdens een eenmalige verplaatsing in het kader van niet-commercieel verkeer wordt verplaatst, mag niet groter zijn dan vijf.

2.  In afwijking van lid 1 mag het aantal gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten groter zijn dan vijf, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a) het betrokken niet-commerciële verkeer vindt plaats met het oog op deelname aan een wedstrijd, tentoonstelling of sportactiviteit, of aan trainingen voor een dergelijk evenement;

b) de betrokken eigenaar van het gezelschapsdier of gemachtigde persoon legt het schriftelijke bewijs over dat de gezelschapsdieren zijn geregistreerd met het oog op het bijwonen van een onder a) genoemd evenement, of zijn geregistreerd bij een vereniging die dergelijke evenementen organiseert;

c) de gezelschapsdieren zijn ouder dan zes maanden.

3.  Om te vermijden dat het commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten op frauduleuze wijze als niet-commercieel verkeer wordt verhuld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking het maximaal aantal gezelschapsdieren van deze soorten dat tijdens een eenmalige verplaatsing in het kader van niet-commercieel verkeer mag worden verplaatst.



HOOFDSTUK 2

Voorwaarden voor niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren van een lidstaat naar een andere lidstaat

Artikel 247

Voorwaarden voor niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten

Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten mogen niet van een lidstaat naar een andere lidstaat worden verplaatst, tenzij zij:

a) individueel zijn geïdentificeerd door een fysiek identificatiemiddel overeenkomstig de op grond van artikel 252, lid 1, onder a), aangenomen bepalingen;

b) voldoen aan de desbetreffende op grond van artikel 252, lid 1, onder b), aangenomen preventie- en risicobeperkingsmaatregelen in verband met in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

c) gaan vergezeld van een naar behoren ingevuld identificatiedocument dat is afgegeven overeenkomstig de krachtens artikel 254, onder d), aangenomen regels.

Artikel 248

Voorwaarden voor niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten

1.  Voor zover de Commissie op grond van artikel 252, lid 1, onder b), gedelegeerde handelingen betreffende gezelschapsdieren van één van de in deel B van bijlage I vermelde soorten heeft vastgesteld, is het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van die soort van een lidstaat naar een andere lidstaat onderworpen aan de naleving van de in lid 2 van dit artikel genoemde voorwaarden.

2.  Het verkeer van de in lid 1 genoemde soorten gezelschapsdieren van een lidstaat naar een andere lidstaat is alleen toegestaan, indien zij:

a) hetzij individueel, hetzij via groepsidentificatie geïdentificeerd of beschreven zijn overeenkomstig de op grond van artikel 252, lid 1, onder a), aangenomen bepalingen;

b) voldoen aan de desbetreffende op grond van artikel 252, lid 1, onder b), aangenomen preventie- en risicobeperkingsmaatregelen in verband met in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

c) vergezeld gaan van een naar behoren ingevuld identificatiedocument dat is afgegeven overeenkomstig de krachtens artikel 254, onder d), vastgestelde regels.

3.  Zolang de in lid 1 bedoelde betrokken gedelegeerde handelingen niet zijn vastgesteld, kunnen lidstaten nationale regels toepassen op het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten naar hun grondgebied uit een andere lidstaat, mits die regels:

a) zodanig worden toegepast dat zij in verhouding staan tot het risico voor de volks- en diergezondheid dat het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van deze soorten met zich meebrengt, en

b) niet verder gaan dan die welke op het verkeer van dieren van die soorten overeenkomstig deel IV worden toegepast.



HOOFDSTUK 3

Voorwaarden voor niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren naar een lidstaat uit een derde land of gebied

Artikel 249

Voorwaarden voor niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten

1.  Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten mogen niet uit een derde land of gebied naar een lidstaat worden verplaatst, tenzij zij:

a) individueel zijn geïdentificeerd door een fysiek identificatiemiddel overeenkomstig de op grond van artikel 252, lid 1, onder a), aangenomen regels;

b) voldoen aan de desbetreffende op grond van artikel 252, lid 1, onder b), aangenomen preventie- en risicobeperkingsmaatregelen met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b);

c) vergezeld gaan van een naar behoren ingevuld identificatiedocument dat is afgegeven overeenkomstig de krachtens artikel 254, onder d), aangenomen regels.

2.  Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten uit een ander derde land of gebied dan die welke vermeld zijn in de op grond van artikel 253, lid 1, onder d), vastgestelde lijst mogen een lidstaat uitsluitend binnenkomen via een daartoe op een lijst geplaatst punt van binnenkomst. Elke lidstaat stelt voor zijn grondgebied een lijst van die punten van binnenkomst op en maakt deze lijst openbaar.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor het toestaan van afwijkingen van lid 2 van dit artikel.

Artikel 250

Voorwaarden voor niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten

1.  Voor zover de Commissie op grond van artikel 252, lid 1, onder b), gedelegeerde handelingen over gezelschapsdieren van één van de in deel B van bijlage I vermelde soorten heeft vastgesteld, is niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren van die soorten naar een lidstaat vanuit een derde land of gebied onderworpen aan de naleving van de in lid 2 van dit artikel genoemde voorwaarden.

2.  Het verkeer van de in lid 1 genoemde soorten gezelschapsdieren naar een lidstaat vanuit een derde land of gebied is alleen toegestaan, indien zij:

a) individueel dan wel via groepsidentificatie zijn geïdentificeerd of beschreven overeenkomstig de op grond van artikel 252, lid 1, onder a), aangenomen regels;

b) voldoen aan de desbetreffende op grond van artikel 252, lid 1, onder b), aangenomen preventie- en risicobeperkingsmaatregelen in verband met in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);

c) vergezeld gaan van een naar behoren ingevuld identificatiedocument dat is afgegeven overeenkomstig de krachtens artikel 254, onder d), aangenomen voorschriften;

d) wanneer zij afkomstig zijn uit een ander derde land of gebied dan die welke vermeld zijn in de op grond van artikel 253, lid 1, onder d), vastgestelde lijst, binnenkomen via een daartoe op een lijst geplaatst punt van binnenkomst. Elke lidstaat stelt een lijst van die punten van binnenkomst binnen zijn grondgebied op en maakt deze lijst openbaar.

3.  Zolang de in lid 1 bedoelde betrokken gedelegeerde handelingen niet zijn vastgesteld, kunnen lidstaten nationale regels toepassen op niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten naar hun grondgebied uit een derde land of gebied, mits die regels:

a) worden toegepast op een wijze die in verhouding staat tot het risico voor de volks- en diergezondheid dat niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren van deze soorten met zich meebrengt; en

b) niet stringenter zijn dan die welke worden toegepast op de binnenkomst in de Unie van dieren van die soorten overeenkomstig deel V.

Artikel 251

Afwijking van de voorwaarden voor niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren tussen bepaalde landen en gebieden

In afwijking van de artikelen 249 en 250 kan niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren tussen de volgende landen en gebieden blijven doorgaan onder de voorwaarden van de nationale regels van deze landen en gebieden:

a) San Marino en Italië;

b) Vaticaanstad en Italië;

c) Monaco en Frankrijk;

d) Andorra en Frankrijk;

e) Andorra en Spanje;

f) Noorwegen en Zweden;

g) De Faeröer en Denemarken;

h) Groenland en Denemarken.



HOOFDSTUK 4

Identificatie en preventie- en risicobeperkingsmaatregelen

Artikel 252

Delegatie van bevoegdheden met betrekking tot de identificatie van gezelschapsdieren en preventie- en risicobeperkingsmaatregelen

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) bijzondere soortspecifieke voorschriften inzake:

i) de identificatiemiddelen voor gezelschapsdieren van de in bijlage I vermelde soorten, zoals bepaald in artikel 247, onder a), artikel 248, lid 2, onder a), artikel 249, lid 1, onder a), en artikel 250, lid 2, onder a);

ii) de toepassing en het gebruik van deze identificatiemiddelen;

b) bijzondere soortspecifieke voorschriften voor preventieve en risicobeperkende maatregelen om ervoor te zorgen dat gezelschapsdieren geen significant risico vormen op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), door het verkeer van gezelschapsdieren van de in bijlage I vermelde soorten, zoals bedoeld in artikel 247, onder b), artikel 248, lid 2, onder b), artikel 249, lid 1, onder b), en artikel 250, lid 2, onder b).

2.  Indien dit bij nieuwe risico's om dwingende redenen van urgentie is vereist, is de procedure van artikel 265 van toepassing op krachtens lid 1, onder b), van dit artikel vastgestelde regels.

3.  De soortspecifieke preventie- en risicobeperkingsmaatregelen die worden toegestaan door een overeenkomstig lid 1, onder b), van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling, worden gebaseerd op adequate, betrouwbare en gevalideerde wetenschappelijke informatie en toegepast op een wijze die in verhouding staat tot het risico voor de volks- en de diergezondheid dat niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren die gevoelig zijn voor in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), met zich meebrengt.

4.  De in lid 1, onder b), bedoelde gedelegeerde handelingen kunnen ook het volgende omvatten:

a) regels voor de indeling van de lidstaten of delen daarvan, naargelang hun diergezondheidsstatus en hun bewakings- en rapportagesystemen in verband met bepaalde ziekten die waarschijnlijk zullen worden verspreid door het verkeer van gezelschapsdieren van de in bijlage I vermelde soorten;

b) de voorwaarden waaraan de lidstaten moeten voldoen om in aanmerking te blijven komen voor de toepassing van de in lid 1, onder b), vermelde preventie- en risicobeperkingsmaatregelen;

c) de voorwaarden voor het toepassen en documenteren van de in lid 1, onder b), vermelde preventie- en risicobeperkingsmaatregelen;

d) de voorwaarden voor het toekennen en, in voorkomend geval, documenteren van afwijkingen, in bepaalde nader omschreven omstandigheden, van de toepassing van de in lid 1, onder b), vermelde preventie- en risicobeperkingsmaatregelen;

e) de criteria voor het toekennen en documenteren van afwijkingen, in bepaalde nader omschreven omstandigheden, van de in de artikelen 247 tot en met 250 vermelde voorwaarden.

Artikel 253

Uitvoeringshandelingen met betrekking tot preventie- en risicobeperkingsmaatregelen

1.  De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen in verband met gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten:

a) voorschriften vast voor het formaat, de lay-out en de talen van alle op grond van artikel 252, lid 4, onder c) en d), vereiste documenten;

b) een lijst vast van lidstaten die voldoen aan de in artikel 252, lid 4, onder d), vermelde voorwaarden en schrapt lidstaten van die lijst indien er zich enige wijziging met betrekking tot deze voorwaarden voordoet;

c) een lijst vast van lidstaten die voldoen aan de in artikel 252, lid 4, onder a), vermelde voorschriften voor de indeling van de lidstaten of delen daarvan en schrapt lidstaten van die lijst indien er zich enige wijziging met betrekking tot deze voorschriften voordoet;

d) een lijst vast van derde landen en gebieden die voldoen aan de in artikel 252, lid 4, onder d), vermelde voorwaarden en schrapt derde landen of gebieden van die lijst indien er zich enige wijziging met betrekking tot deze voorwaarden voordoet.

2.  De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen in verband met gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten, een lijst van derde landen en gebieden die voldoen aan de in artikel 252, lid 4, onder d), vermelde voorwaarden vaststellen en derde landen of gebieden van die lijst schrappen indien er zich enige wijziging met betrekking tot deze voorwaarden voordoet.

3.  De in de leden 1 en 2 van dit artikel vermelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met ernstige risico's, stelt de Commissie onmiddellijk toepasbare uitvoeringshandelingen die de in lid 1, onder b) en d), van dit artikel bedoelde lijsten actualiseren vast overeenkomstig de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure.



HOOFDSTUK 5

Identificatiedocumenten

Artikel 254

Delegatie van bevoegdheden met betrekking tot identificatiedocumenten

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de rubrieken ten behoeve van de informatie die moet worden opgenomen in de identificatiedocumenten bedoeld in artikel 247, onder c), artikel 248, lid 2, onder c), artikel 249, lid 1, onder c), en artikel 250, lid 2, onder c);

b) de verspreiding van blanco identificatiedocumenten zoals bedoeld in artikel 247, onder c);

c) de voorwaarden voor het toestaan van afwijkingen in verband met het formaat van de identificatiedocumenten zoals bedoeld in artikel 247, onder c), en artikel 249, lid 1, onder c);

d) de afgifte, de voltooiing en, in voorkomend geval, de goedkeuring van de identificatiedocumenten zoals bedoeld in artikel 247, onder c), artikel 248, lid 2, onder c), artikel 249, lid 1, onder c), en artikel 250, lid 2, onder c).

Artikel 255

Uitvoeringshandelingen met betrekking tot identificatiedocumenten

1.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot het model van identificatiedocumenten zoals bedoeld in artikel 247, onder c), en artikel 249, lid 1, onder c). In dat model worden de in artikel 254, onder a), vermelde respectieve rubrieken opgenomen, alsmede voorschriften in verband met de taal, de lay-out, de geldigheid of de beveiligingskenmerken van deze identificatiedocumenten.

2.  De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, het volgende vaststellen:

a) het model van identificatiedocumenten zoals bedoeld in artikel 248, lid 2, onder c), en artikel 250, lid 2, onder c), waarin de in artikel 254, onder a), vermelde respectieve rubrieken zijn opgenomen, alsmede voorschriften in verband met de taal, de lay-out, de geldigheid of de beveiligingskenmerken van deze identificatiedocumenten;

b) de nodige regels voor de overgang naar het model van het in artikel 247, onder c), bedoelde identificatiedocument.

3.  De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.



HOOFDSTUK 6

Informatieverplichtingen

Artikel 256

Informatieverplichtingen

1.  De lidstaten stellen het publiek duidelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie ter beschikking over de diergezondheidsvoorschriften voor niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren, waaronder:

a) voorwaarden voor het toestaan van bepaalde afwijkingen zoals bedoeld in artikel 252, lid 4, onder d);

b) voorwaarden voor het toestaan van afwijkingen zoals bedoeld in artikel 252, lid 4, onder e);

c) voorschriften voor de toepassing van de identificatiemiddelen zoals bedoeld in artikel 252, lid 1, onder a), ii);

d) in hun nationale regels vastgestelde voorwaarden die gelden voor de binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten van niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten, als bepaald in artikel 248, lid 3, en artikel 250, lid 3;

e) door hun nationale voorschriften vastgestelde voorwaarden die gelden voor niet-commercieel verkeer naar het grondgebied van de lidstaten van gezelschapsdieren uit bepaalde landen en gebieden, als bedoeld in artikel 251;

f) alle relevante informatie betreffende bepaalde preventie- en risicobeperkingsmaatregelen bedoeld in artikel 252, lid 1, onder b).

2.  De lidstaten stellen internetgebaseerde informatiepagina's ter beschikking met de in lid 1 bedoelde informatie en delen de Commissie het internetadres daarvan mee.

3.  De Commissie ondersteunt de lidstaten bij het ter beschikking stellen van deze informatie voor het publiek, door op haar internetpagina het volgende te vermelden:

a) de links naar de internetgebaseerde informatiepagina's van de lidstaten;

b) de in lid 1, onder a) en d), bedoelde informatie, alsook de aan het publiek beschikbaar gestelde informatie zoals bedoeld in artikel 244, lid 2, onder b), naargelang het geval in bijkomende talen.



DEEL VII

NOODMAATREGELEN



Afdeling 1

Noodmaatregelen met betrekking tot verplaatsingen van dieren en producten binnen de unie en vervoermiddelen en andere materialen die met dergelijke dieren en producten in contact kunnen zijn gekomen

Artikel 257

Noodmaatregelen die moeten worden getroffen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte of van een nieuwe ziekte, of een gevaar voordoet

1.  Bij een uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte of van een nieuwe ziekte, of indien zich een gevaar voordoet dat waarschijnlijk een ernstig risico vormt voor de diergezondheid of de volksgezondheid, treft de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het gevaar zich voordoet, afhankelijk van de ernst van de situatie en van de desbetreffende ziekte of het desbetreffende gevaar onverwijld één of meer van de volgende noodmaatregelen om de verspreiding van de ziekte of van het gevaar te voorkomen:

a) voor in de lijst opgenomen ziekten:

i) als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a): de ziektebestrijdingsmaatregelen van deel III, titel II, hoofdstuk 1 (artikelen 53 tot en met 71);

ii) als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b): de ziektebestrijdingsmaatregelen in de artikelen 72 tot en met 75 en de artikelen 77 tot en met 81 van deel III, titel II, hoofdstuk 2;

iii) als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder c): de ziektebestrijdingsmaatregelen in de artikelen 76 tot en met 78, en de artikelen 80 en 82 van deel III, titel II, hoofdstuk 2;

b) bij nieuwe ziekten en gevaren:

i) verplaatsingsbeperkingen voor dieren en producten afkomstig uit de inrichtingen of, indien van toepassing, uit de beperkingszones of compartimenten waar de uitbraak of het gevaar zich voordoet, en voor vervoermiddelen en andere materialen die met die dieren of producten in contact kunnen zijn gekomen;

ii) quarantaine van dieren en het isoleren van producten;

iii) bewakings- en traceerbaarheidsmaatregelen;

iv) de in deel III, titel II, hoofdstuk 1 (artikelen 53 tot en met 71), bedoelde passende noodmaatregelen ter bestrijding van ziekten;

c) andere noodmaatregelen die passend worden geacht om op doeltreffende en efficiënte wijze de verspreiding van de ziekte of het gevaar te voorkomen en te bestrijden.

2.  De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit stelt de Commissie en de overige lidstaten:

a) onmiddellijk in kennis van een uitbraak of een gevaar dat zich voordoet als bedoeld in lid 1;

b) onverwijld in kennis van de krachtens lid 1 getroffen noodmaatregelen.

Artikel 258

Noodmaatregelen die moeten worden getroffen door een andere lidstaat dan de lidstaat waar de uitbraak of het gevaar zich voordoet

1.  De bevoegde autoriteit van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de uitbraak of het gevaar, zoals bedoeld in artikel 257, lid 1, zich voordoet, treft, afhankelijk van de ernst van de situatie en van de desbetreffende ziekte of het desbetreffende gevaar, één of meer in artikel 257, lid 1, bedoelde noodmaatregelen wanneer zij vaststelt dat op haar grondgebied dieren of producten afkomstig uit de in artikel 257, lid 1, bedoelde lidstaat voorkomen, of vervoermiddelen of andere materialen die met dergelijke dieren of goederen in contact kunnen zijn geweest.

2.  In afwachting van de vaststelling van noodmaatregelen door de Commissie overeenkomstig artikel 259, kan de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegde autoriteit bij een ernstig risico op tijdelijke basis de in artikel 257, lid 1, bedoelde noodmaatregelen treffen, afhankelijk van de ernst van de situatie met betrekking tot de dieren of producten die afkomstig zijn van de inrichtingen of van andere locaties of, indien van toepassing, van de beperkingszones van de lidstaat, waar de ziekte of het gevaar, zoals bedoeld in artikel 257, lid 1, zich voordoet, of van de vervoermiddelen of de andere materialen die met dergelijke dieren in contact kunnen zijn gekomen.

3.  Een lidstaat kan de in artikel 257, lid 1, bedoelde maatregelen nemen wanneer een uitbraak van een ernstige ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), of een nieuwe ziekte zich voordoet in een derde land of in een aan de Unie grenzend gebied, voor zover die maatregelen nodig zijn om te vermijden dat de ziekte zich op het grondgebied van de Unie verspreid.

4.  De in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit en de bevoegde autoriteit van de in lid 3 bedoelde lidstaat, stellen de Commissie en de overige lidstaten:

a) onmiddellijk in kennis van de uitbraak of het gevaar dat zich voordoet zoals bedoeld in lid 1;

b) onverwijld in kennis van de krachtens de leden 1 en 2 getroffen noodmaatregelen.

Artikel 259

Noodmaatregelen van de Commissie

1.  Bij een uitbraak of gevaar zoals bedoeld in artikel 257, lid 1, en wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig artikel 257, lid 1, en artikel 258, leden 1, 2 en 3, noodmaatregelen hebben getroffen, beoordeelt de Commissie de situatie en de getroffen noodmaatregelen en stelt zij door middel van een uitvoeringshandeling één of meer in artikel 257, lid 1, bedoelde noodmaatregelen vast met betrekking tot de betrokken dieren en producten en de vervoermiddelen en andere materialen die met deze dieren of producten in contact kunnen zijn gekomen, in de volgende gevallen:

a) wanneer de Commissie niet in kennis is gesteld van krachtens artikel 257, lid 1, en artikel 258, leden 1, 2 en 3, getroffen maatregelen;

b) wanneer de Commissie de krachtens artikel 257, lid 1, en artikel 258, leden 1, 2 en 3, getroffen maatregelen ontoereikend acht;

c) wanneer de Commissie het noodzakelijk acht de krachtens artikel 257, lid 1, en artikel 258, leden 1, 2 en 3, door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten getroffen maatregelen goed te keuren of te vervangen om ongerechtvaardigde belemmeringen voor verplaatsingen van dieren en producten te voorkomen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met ernstige risico's op verspreiding van een ziekte of van een gevaar, kan de Commissie volgens artikel 266, lid 3, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen.



Afdeling 2

Noodmaatregelen met betrekking tot zendingen dieren en producten uit derde landen en gebieden, en vervoermiddelen en andere materialen, die met dergelijke zendingen in contact kunnen zijn gekomen

Artikel 260

Noodmaatregelen die de bevoegde autoriteit moet treffen

Indien de bevoegde autoriteit van een lidstaat kennis krijgt van dieren of producten uit een derde land of gebied, of van vervoermiddelen of materialen die in contact kunnen zijn gekomen met dieren of producten die waarschijnlijk in de Unie een ernstig risico zullen vormen door een mogelijke infectie of besmetting met in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten of gevaren, moet die autoriteit:

a) onmiddellijk, afhankelijk van de ernst van de situatie, één of meer van de volgende noodmaatregelen treffen om het risico te beperken:

i) vernietiging van de betrokken dieren of producten;

ii) quarantaine van dieren en isolering van producten;

iii) bewakings- en traceerbaarheidsmaatregelen;

iv) de in deel III, titel II, hoofdstuk 1 (artikelen 53 tot en met 71), bedoelde passende ziektebestrijdingsmaatregelen;

v) andere noodmaatregelen die zij passend acht om de verspreiding van de ziekte of het gevaar in de Unie te voorkomen;

b) onmiddellijk de Commissie en de andere lidstaten via TRACES in kennis stellen van de risico's die met de betrokken dieren en producten verbonden zijn, alsook van de oorsprong van deze dieren en producten, en onverwijld van de noodmaatregelen die op grond van punt a) genomen zijn.

Artikel 261

Noodmaatregelen van de Commissie

1.  Wanneer een in de lijst opgenomen ziekte, een nieuwe ziekte of een gevaar dat waarschijnlijk een ernstig risico zal vormen, zich voordoet of zich verspreidt in een derde land of gebied, of om gewichtige redenen van diergezondheid of volksgezondheid, kan de Commissie afhankelijk van de ernst van de situatie op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat door middel van een uitvoeringshandeling één of meer van de volgende noodmaatregelen vaststellen:

a) de schorsing van de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, producten en vervoermiddelen of andere materialen, die in contact kunnen zijn gekomen met dergelijke zendingen, die de ziekte of het gevaar in de Unie kunnen verspreiden;

b) de vaststelling van bijzondere voorschriften voor de binnenkomst in de Unie van dieren, producten, vervoermiddelen of andere materialen die in contact kunnen zijn gekomen met deze dieren en producten, die de ziekte of het gevaar in de Unie kunnen verspreiden;

c) elke andere passende noodmaatregel ter bestrijding van ziekten om de verspreiding van de ziekte of het gevaar in de Unie te voorkomen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met ernstige risico's, stelt de Commissie na overleg met de betrokken lidstaat volgens de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasbare uitvoeringshandelingen vast.

Artikel 262

Noodmaatregelen die de lidstaten moeten nemen indien de Commissie niet optreedt

1.  Indien een lidstaat de Commissie verzoekt noodmaatregelen te treffen overeenkomstig artikel 261, en de Commissie dit niet heeft gedaan:

a) kan die lidstaat in afwachting van de vaststelling van noodmaatregelen door de Commissie overeenkomstig lid 2 van dit artikel op tijdelijke basis één of meer van de in artikel 260, onder a), bedoelde noodmaatregelen treffen voor de dieren, producten, vervoermiddelen en andere materialen die in contact kunnen zijn gekomen met deze dieren en producten, afkomstig uit het in artikel 261, lid 1, bedoelde derde land of gebied, afhankelijk van de ernst van de situatie op het grondgebied;

b) stelt die lidstaat onverwijld de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten in kennis van deze noodmaatregelen, onder vermelding van de reden waarom deze maatregelen werden vastgesteld.

2.  De Commissie beoordeelt de situatie en de door de betrokken lidstaat overeenkomstig lid 1 getroffen noodmaatregelen en zij stelt, indien nodig, door middel van een uitvoeringshandeling één of meer in artikel 261 bedoelde noodmaatregelen vast.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 266, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.  Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met ernstige risico's, stelt de Commissie volgens de in artikel 266, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasbare uitvoeringshandelingen vast.



DEEL VIII

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN



TITEL I

PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 263

Wijzigingen van bijlage III

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van bijlage III die uitsluitend bedoeld zijn om rekening te houden met wijzigingen in de taxonomie.

Artikel 264

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  Het is van bijzonder belang dat de Commissie, alvorens deze gedelegeerde handelingen vast te stellen, deskundigen raadpleegt, onder wie deskundigen van de lidstaten.

3.  De in artikel 3, lid 5, artikel 5, lid 2, artikel 5, lid 4, artikel 14, lid 3, artikel 16, lid 2, artikel 18, lid 3, artikel 20, lid 3, artikel 29, artikel 31, lid 5, artikel 32, lid 2, artikel 37, lid 5, artikel 39, artikel 41, lid 3, ►C1  artikel 42, lid 6, artikel 47, lid 1, artikel 48, lid 3, artikel 53, lid 2, artikel 54, lid 3, artikel 55, lid 2, artikel 58, lid 2, artikel 63, artikel 64, lid 4, artikel 67, artikel 68, leden 2 en 3, artikel 70, lid 3, artikel 72, lid 2, artikel 73, lid 3, artikel 74, lid 4, artikel 76, lid 5, artikel 77, lid 2, artikel 87, lid 3, artikel 94, lid 3, artikel 97, lid 2, artikel 101, lid 3, artikel 106, lid 1, artikel 109, lid 2, artikel 118, lid 1, artikel 118, lid 2, artikel 119, lid 1, artikel 122, leden 1 en 2, artikel 125, lid 2, artikel 131, lid 1, artikel 132, lid 2, artikel 135, artikel 136, lid 2, artikel 137, lid 2, artikel 138, lid 3, artikel 139, lid 4, artikel 140, artikel 144, lid 1, artikel 146, lid 1, artikel 147, artikel 149, lid 4, artikel 151, lid 3, artikel 154, lid 1, artikel 156, lid 1, artikel 160, leden 1 en 2, artikel 161, lid 6, artikel 162, lid 3, artikel 162, lid 4 ◄ , artikel 163, lid 5, artikel 164, lid 2, artikel 165, lid 3, artikel 166, lid 3, artikel 167, lid 5, artikel 168, lid 3, artikel 169, lid 5, artikel 176, lid 4, artikel 181, lid 2, artikel 185, lid 5, artikel 189, lid 1, artikel 192, lid 2, artikel 197, lid 3, artikel 200, lid 3, artikel 201, lid 3, artikel 202, lid 3, artikel 203, lid 2, artikel 204, lid 3, artikel 205, lid 2, artikel 211, lid 1, artikel 213, lid 1, artikel 214, artikel 216, lid 4, artikel 218, lid 3, artikel 221, lid 1 artikel 222, lid 3, artikel 223, lid 6, artikel 224, lid 3, artikel 228, lid 1, artikel 230, lid 3, artikel 234, lid 2, artikel 237, lid 4, artikel 239, lid 2, artikel 240, lid 2, artikel 241, lid 2, artikel 242, lid 2, artikel 245, lid 3, artikel 246, lid 3, artikel 249, lid 3, artikel 252, lid 1, de artikelen 254 en 263, artikel 271, lid 2, artikel 272, lid 2, artikel 279, lid 2, en artikel 280, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 20 april 2016.

De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag over de bevoegdheidsdelegatie op. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

4.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in lid 3 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig de bepalingen in lid 3 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

7.  De Commissie voorziet in een periode van ten minste zes maanden tussen de vaststelling van de respectieve initiële gedelegeerde handelingen, als bedoeld in artikel 3, lid 5, artikel 14, lid 3, artikel 16, lid 2, artikel 20, lid 3, artikel 122, lid 2, artikel 164, lid 2, en artikel 228, lid 1, en de datum waarop zij toepasselijk worden.

Artikel 265

Spoedprocedure

1.  Overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen treden onverwijld in werking en zijn van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van een gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.  Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 264, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

Artikel 266

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders ingesteld bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing.

4.  De Commissie voorziet in een periode van ten minste zes maanden tussen de vaststelling van de respectieve initiële uitvoeringshandelingen, als bedoeld in artikel 25, lid 3, artikel 120 en artikel 228, lid 2, wanneer deze uitvoeringshandelingen betrekking hebben op de uitvoering van artikel 117, en de datum waarop zij toepasselijk worden.

Artikel 267

Gegevensbescherming

1.  De lidstaten passen Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 3 ) toe op de verwerking van persoonsgegevens die overeenkomstig deze verordening in de lidstaten plaatsvindt.

2.  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad ( 4 ) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de Commissie overeenkomstig deze verordening.



TITEL II

SANCTIES

Artikel 268

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast inzake sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat deze regels wordt uitgevoerd. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 22 april 2022 in kennis van deze bepalingen en delen haar eventuele latere wijzigingen onverwijld mee.



TITEL III

MAATREGELEN VAN DE LIDSTATEN

Artikel 269

Aanvullende of strengere maatregelen van de lidstaten

1.  Naast hetgeen voortvloeit uit andere bepalingen in deze verordening, op grond waarvan de lidstaten nationale maatregelen kunnen vaststellen, kunnen de lidstaten binnen hun grondgebied aanvullende of strengere maatregelen dan die van deze verordening treffen inzake:

a) verantwoordelijkheden voor de diergezondheid als bedoeld in deel I, hoofdstuk 3 (artikelen 10 tot en met 17);

b) melding binnen de lidstaten als bedoeld in artikel 18;

c) bewaking als bedoeld in deel II, hoofdstuk 2 (artikelen 24 tot en met 30);

d) registratie, erkenning, documentatie en registers zoals bedoeld in titel I, hoofdstuk 1 (artikelen 84 tot en met 107) en deel IV, titel II, hoofdstuk 1 (artikelen 172 tot en met 190);

e) traceerbaarheidsvoorschriften voor gehouden landdieren en levende producten zoals bedoeld in deel IV, titel I, hoofdstuk 2 (artikelen 108 tot en met 123).

2.  De in lid 1 bedoelde nationale maatregelen zijn in overeenstemming met de regels van deze verordening en:

a) mogen geen belemmering vormen voor verplaatsingen van dieren en producten tussen lidstaten;

b) mogen niet in strijd zijn met de in lid 1 bedoelde regels.



DEEL IX

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 270

Intrekkingen

1.  Beschikkingen 78/642/EEG, 89/455/EEG en 90/678/EEG en Richtlijnen 79/110/EEG, 81/6/EEG, 90/423/EEG, 92/36/EEG en 98/99/EG worden ingetrokken.

2.  De volgende handelingen worden met ingang van 21 april 2021 ingetrokken:

 Richtlijn 64/432/EEG,

 Richtlijn 77/391/EEG,

 Richtlijn 78/52/EEG,

 Richtlijn 80/1095/EEG,

 Richtlijn 82/894/EEG,

 Richtlijn 88/407/EEG,

 Richtlijn 89/556/EEG,

 Richtlijn 90/429/EEG,

 Richtlijn 91/68/EEG,

 Beschikking 91/666/EEG,

 Richtlijn 92/35/EEG,

 Richtlijn 92/65/EEG,

 Richtlijn 92/66/EEG,

 Richtlijn 92/118/EEG,

 Richtlijn 92/119/EEG,

 Beschikking 95/410/EG,

 Richtlijn 2000/75/EG,

 Beschikking 2000/258/EG,

 Richtlijn 2001/89/EG,

 Richtlijn 2002/60/EG,

 Richtlijn 2002/99/EG,

 Richtlijn 2003/85/EG,

 Verordening (EG) nr. 21/2004,

 Richtlijn 2004/68/EG,

 Richtlijn 2005/94/EG,

 Richtlijn 2006/88/EG,

 Richtlijn 2008/71/EG,

 Richtlijn 2009/156/EG,

 Richtlijn 2009/158/EG,

 Verordening (EU) nr. 576/2013.

Verwijzingen naar de ingetrokken handelingen gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 271

Overgangsmaatregelen in verband met de wijziging van Verordening (EG) nr. 1760/2000 en de intrekking van Verordening (EG) nr. 21/2004 en Richtlijn 2008/71/EG

1.  Niettegenstaande artikel 270, lid 2, en artikel 278 van deze verordening blijven de artikelen 1 tot en met 10 van Verordening (EG) nr. 1760/2000, Verordening (EG) nr. 21/2004 en Richtlijn 2008/71/EG, evenals de op basis daarvan vastgestelde handelingen, van toepassing in de plaats van de overeenkomstige artikelen van onderhavige verordening tot drie jaar na de datum waarop onderhavige verordening wordt toegepast of een eerdere datum die wordt bepaald in een overeenkomstig lid 2 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde datum.

Die datum is de datum waarop de overeenkomstige regels die moet worden vastgesteld krachtens de gedelegeerde handelingen, bedoeld in artikel 109, lid 2, en artikel 119 ►C1  en de uitvoeringshandelingen in artikel 120 van deze verordening, ◄ van toepassing worden.

Artikel 272

Overgangsmaatregelen in verband met de intrekking van de Richtlijnen 92/66/EEG, 2000/75/EG, 2001/89/EG, 2002/60/EG, 2003/85/EG en 2005/94/EG

1.  Niettegenstaande artikel 270, lid 2, van deze verordening blijven de Richtlijnen 92/66/EEG, 2000/75/EG, 2001/89/EG, 2002/60/EG, 2003/85/EG en 2005/94/EG, evenals de op basis daarvan vastgestelde handelingen, van toepassing in de plaats van de overeenkomstige artikelen van onderhavige verordening tot drie jaar na de datum waarop onderhavige verordening wordt toegepast of een eerdere datum die moet worden bepaald in een overeenkomstig lid 2 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde datum.

Die datum is de datum waarop de overeenkomstige regels die moeten worden vastgesteld krachtens de gedelegeerde handelingen bedoeld in artikel 47, artikel 48, lid 3, artikel 53, lid 2, artikel 54, lid 3, artikel 55, lid 2, artikel 58, lid 2, artikel 63, artikel 64, lid 4, artikel 67, artikel 68, lid 2, en artikel 70, lid 3, van deze verordening, van toepassing worden.

Artikel 273

Wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/2003

In artikel 9, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2160/2003 wordt het volgende toegevoegd:

„Deze speciale maatregelen omvatten maatregelen op basis van de bepalingen in Beschikking 95/410/EG in de laatste versie vóór de intrekking daarvan en Beschikkingen 2003/644/EG ( *1 ) en 2004/235/EG ( *2 ) van de Commissie in de versies daarvan op het ogenblik van de intrekking van Richtlijn 90/539/EEG.

Artikel 274

Overgangsmaatregelen met betrekking tot de datum waarop bepaalde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen worden vastgesteld

Onverminderd de datum van toepassing genoemd in artikel 283 stelt ►C1  de Commissie de gedelegeerde handelingen als bedoeld in artikel 31, lid 5, eerste alinea, artikel 32, lid 2, artikel 39, artikel 41, lid 3, artikel 54, lid 3, artikel 55, lid 2, artikel 58, lid 2, artikel 64, lid 4, artikel 67, artikel 68, lid 2, artikel 74, lid 4, artikel 77, lid 2, artikel 97, lid 2, artikel 122, lid 1, artikel 131, lid 1, artikel 132, lid 2, artikel 135, artikel 137, lid 2, artikel 146, lid 1, artikel 149, lid 4, artikel 154, lid 1, artikel 162, lid 3, artikel 163, lid 4, artikel 166, lid 3, artikel 169, lid 4, artikel 181, lid 2, artikel 185, lid 5, artikel 213, lid 1, artikel 216, lid 4, artikel 221, lid 1, artikel 222, lid 3, artikel 224, lid 3, artikel 234, lid 2, en artikel 239, lid 2, alsmede ◄ de in de artikelen 8 en 9 bedoelde uitvoeringshandelingen, uiterlijk op 20 april 2019 vast. Overeenkomstig artikel 283 zijn deze gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen van toepassing vanaf de in dat artikel vermelde datum.

Artikel 275

Evaluatie vooraf en wijziging van bijlage II

De Commissie evalueert uiterlijk op 20 april 2019 de ziekten als vermeld in de lijst in bijlage II. Wanneer uit deze evaluatie blijkt dat de toepassing van de regels in deze verordening een wijziging van bijlage II vergt door ziekten in de lijst daarin op te nemen of eruit te schrappen, stelt de Commissie deze wijzigingen vast uiterlijk op de in de eerste zin van dit artikel vermelde einddatum.

Artikel 276

Evaluatie

De Commissie evalueert uiterlijk op 20 april 2019 de bestaande wetgeving met betrekking tot de identificatie en registratie van gehouden dieren die tot een paardachtigensoort behoren.

De Commissie houdt rekening met de resultaten van deze evaluatie in het kader van de toepassing van de artikelen 118, 119 en 120.

Artikel 277

Overgangsmaatregelen in verband met de intrekking van Verordening (EU) nr. 576/2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren

Onverminderd artikel 270, lid 2, van deze verordening blijft Verordening (EU) nr. 576/2013, in de plaats van deel VI van deze verordening, van toepassing op niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren tot 21 april 2026.

Artikel 278

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 1760/2000

Verordening (EG) nr. 1760/2000 wordt als volgt gewijzigd:

1) De artikelen 1 tot en met 10 worden geschrapt.

2) Artikel 22 wordt vervangen door:

„Artikel 22

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de naleving van deze verordening te garanderen.

De betrokken controles staan los van de controles die de Commissie op grond van artikel 9 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 kan uitvoeren.

Sancties die door de lidstaat worden opgelegd aan een exploitant of een organisatie die rundvlees in de handel brengen, moeten doeltreffend, afschrikkend en evenredig zijn.

2.  In afwijking van het bepaalde in lid 1 eisen de lidstaten, wanneer exploitanten en organisaties die rundvlees verhandelen rundvlees hebben geëtiketteerd zonder inachtneming van hun in titel II vastgestelde verplichtingen, naargelang het geval en in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, dat het rundvlees uit de markt wordt genomen. Naast de in lid 1 bedoelde sancties, kunnen de lidstaten:

a) als het betrokken vlees voldoet aan de toepasselijke veterinaire en hygiënische voorschriften, toestaan dat dergelijk vlees:

i) in de handel wordt gebracht nadat het correct en in overeenstemming met de vereisten van de Unie is geëtiketteerd, of

ii) rechtstreeks wordt verzonden voor verwerking tot andere dan de in artikel 12, punt 1, genoemde producten;

b) de opschorting of intrekking van de erkenning van de betrokken exploitanten en organisaties gelasten.

3.  Deskundigen van de Commissie, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten:

a) gaan na of de lidstaten de bepalingen van deze verordening naleven;

b) verrichten controles ter plaatse om na te gaan of de controles overeenkomstig deze verordening worden uitgevoerd.

4.  Indien op het grondgebied van een lidstaat een controle ter plaatse wordt uitgevoerd, verleent die lidstaat de deskundigen van de Commissie alle medewerking die deze deskundigen bij het verrichten van hun taak nodig kunnen hebben. De controleresultaten worden met de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat besproken voordat er een eindverslag wordt opgesteld en verspreid. Indien nodig bevat dit verslag aanbevelingen aan de lidstaten voor een betere naleving van deze verordening.”.

3) Artikel 22 ter wordt vervangen door:

„Artikel 22 ter

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.  De in artikel 13, lid 6, artikel 14, lid 4, en artikel 15 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 20 april 2016. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 13, lid 6, artikel 14, lid 4, en artikel 15 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 13, lid 6, artikel 14, lid 4, en artikel 15 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”.

4) Artikel 23 wordt vervangen door:

„Artikel 23

Comitéprocedure

1.  Voor de uitvoeringshandelingen die overeenkomstig artikel 13, lid 6, van deze verordening worden vastgesteld wordt de Commissie bijgestaan door het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad ingestelde Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders ( *3 ).

Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( *4 ).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, door de voorzitter van het comité daartoe wordt besloten of door een gewone meerderheid van de leden van het comité daarom wordt verzocht.

Artikel 279

Bestaande exploitanten en inrichtingen

1.  Inrichtingen en exploitanten die vóór de datum van toepassing van deze verordening zijn geregistreerd of erkend overeenkomstig Richtlijn 64/432/EEG, Richtlijn 88/407/EEG, Richtlijn 89/556/EEG, Richtlijn 90/429/EEG, Richtlijn 91/68/EEG, Richtlijn 92/65/EEG, Verordening (EG) nr. 1760/2000, Verordening (EG) nr. 21/2004, Richtlijn 2006/88/EG, Richtlijn 2008/71/EG, Richtlijn 2009/156/EG of Richtlijn 2009/158/EG, worden respectievelijk beschouwd als geregistreerd of erkend, in overeenstemming met deze verordening en zijn als zodanig onderworpen aan de desbetreffende verplichtingen uit hoofde van deze verordening.

2.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften die nodig zijn voor een vlotte overgang van de in lid 1 van dit artikel bedoelde regels die vóór deze verordening bestonden, in het bijzonder voor de bescherming van verworven rechten en het gewettigd vertrouwen van de betrokken natuurlijke en rechtspersonen.

Artikel 280

Bestaande ziektevrije lidstaten, zones en compartimenten, alsmede bestaande, uitroeiings- en bewakingsprogramma's

1.  Lidstaten en zones met een overeenkomstig Richtlijn 64/432/EEG, Richtlijn 91/68/EEG, Richtlijn 92/65/EEG, Richtlijn 2006/88/EG, Richtlijn 2009/156/EG of Richtlijn 2009/158/EG goedgekeurde ziektevrije status voor één of meer van de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) en c), voor één of meer van de betrokken diersoorten, worden geacht over een goedgekeurde ziektevrije status te beschikken overeenkomstig deze verordening en zijn derhalve onderworpen aan de betrokken verplichtingen waarin deze verordening voorziet.

2.  Lidstaten en zones met een overeenkomstig Richtlijn 64/432/EEG, Richtlijn 91/68/EEG, Richtlijn 92/65/EEG, Richtlijn 2006/88/EG, Richtlijn 2009/156/EG of Richtlijn 2009/158/EG goedgekeurd uitroeiings- of bewakingsprogramma voor één of meer van de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b) en c), voor één of meer van de betrokken diersoorten, worden geacht over een goedgekeurd uitroeiingsprogramma te beschikken overeenkomstig deze verordening en zijn derhalve onderworpen aan de betrokken verplichtingen waarin deze verordening voorziet.

3.  Compartimenten met een overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG en Richtlijn 2006/88/EG goedgekeurde ziektevrije status voor één of meer van de in de lijst opgenomen ziekten, bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), b) of c), worden geacht over een erkende ziektevrije status te beschikken overeenkomstig artikel 37 van deze verordening en zijn derhalve onderworpen aan de betrokken verplichtingen waarin deze verordening voorziet.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot regels die nodig zijn voor een vlotte overgang van de in leden 1, 2 en 3 bedoelde regels die vóór deze verordening bestonden.

Artikel 281

Verband met handelingen betreffende officiële controles

In geval van conflict tussen de bepalingen van deze verordening en die van Verordening (EG) nr. 882/2004, de Richtlijnen 89/608/EEG ( 5 ), 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/93/EG ( 6 ) en 97/78/EG van de Raad en Beschikking 92/438/EEG, hebben de bepalingen van deze verordening voorrang.

Artikel 282

Evaluatie

De Commissie voert een evaluatie uit van deze verordening en van de in artikel 264 bedoelde gedelegeerde handelingen, en legt uiterlijk op 22 april 2026 het resultaat daarvan in een verslag aan het Europees Parlement en de Raad voor.

Artikel 283

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 21 april 2021, met uitzondering van artikel 270, lid 1, en artikel 274, die van toepassing zijn vanaf de datum van inwerkingtreding.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

SOORTEN GEZELSCHAPSDIEREN

DEEL A

Honden (Canis lupus familiaris)

Katten (Felis silvestris catus)

Fretten (Mustela putorius furo)

DEEL B

Ongewervelde dieren (met uitzondering van bijen, weekdieren van het phylum Mollusca en schaaldieren van het subphylum Crustacea)

Waterdieren voor sierdoeleinden

Amfibieën

Reptielen

Vogels: andere vogelsoorten dan kippen, kalkoenen, parelhoen, eenden, ganzen, kwartels, duiven, fazanten, patrijzen en loopvogels (Ratitae).

Zoogdieren: andere knaagdieren en konijnen dan die welke voor de voedselproductie zijn bestemd.




BIJLAGE II

LIJST VAN ZIEKTEN

 Runderpest

 Pest bij kleine herkauwers

 Vesiculaire varkensziekte

 Blauwtong

 Teschener-ziekte

 Schapenpokken of geitenpokken

 Riftvalleykoorts

 Nodulaire dermatose

 Vesiculaire stomatitis

 Venezolaanse virale paarde-encefalomyelitis

 Enzoötische hemorragische ziekte bij herten

 Besmettelijke runderperipneumonie

 Ziekte van Newcastle

 Rundertuberculose

 Runderbrucellose (B. abortus)

 Schapen- en geitenbrucellose (B. melitensis)

 Miltvuur

 Rabiës

 Echinococcose

 Overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE)

 Campylobacteriose

 Listeriose

 Salmonellose (zoönotische salmonella)

 Trichinellose

 Verotoxische E. coli

 Virale hemorragische septicaemie (VHS)

 Infectieuze hematopoëtische necrose (IHN)

 Epizoötische hematopoïetische necrose bij vissen (EHN)

 Epizoötisch ulceratief syndroom bij vissen (EUS)

 Besmetting met Bonamia exitiosa

 Besmetting met Perkinsus marinus

 Besmetting met Microcytos mackini

 Taura-syndroom bij schaaldieren

 Yellowhead-ziekte bij schaaldieren

 Koi-herpesvirus (KHV)

 Infectieuze zalmanemie (ISA)

 Besmetting met Marteilia refringens

 Besmetting met Bonamia exitiosa

 Ichthyophthiriasis bij schaaldieren




BIJLAGE III

SOORTEN HOEFDIEREN



Taxonomie

Orde

Familie

Geslacht/Soort

Perissodactyla

Onevenhoevigen Equidae

Equus spp.

Tapiridae

Tapirus spp.

Rhinoceritidae

Ceratotherium spp., Dicerorhinus spp., Diceros spp., Rhinoceros spp.

Artiodactyla

Evenhoevigen

Antilocapra ssp.

Bovidae

Addax ssp., Aepyceros ssp., Alcelaphus ssp., Ammelaphus ssp., Ammodorcas ssp., Ammotragus ssp., Antidorcas ssp., Antilope ssp., Arbitragus ssp., Beatragus ssp., Bison ssp., Bos ssp. (inclusief Bibos, Novibos, Poephagus), Boselaphus ssp., Bubalus ssp. (inclusief Anoa), Budorcas ssp., Capra ssp., Cephalophus ssp., Connochaetes ssp., Damaliscus ssp. (inclusief Beatragus), Dorcatragus ssp., Eudorcas ssp., Gazella ssp., Hemitragus ssp., Hippotragus ssp., Kobus ssp., Litocranius ssp., Madoqua ssp., Naemorhedus ssp. (inclusief Nemorhaedus en Capricornis), Nanger ssp., Neotragus ssp., Nilgiritragus ssp., Oreamnos ssp., Oreotragus ssp., Oryx ssp., Ourebia ssp., Ovibos ssp., Ovis ssp., Pantholops ssp., Philantomba ssp., Pelea ssp., Procapra ssp., Pseudois ssp., Pseudoryx ssp., Raphicerus ssp., Redunca ssp., Rupicapra ssp., Saiga ssp., Sigmoceros-Alecelaphus ssp., Strepticeros ssp., Sylvicapra ssp., Syncerus ssp., Taurotragus ssp., Tetracerus ssp., Tragelaphus ssp. (inclusief Boocerus).

Camelidae

Camelus ssp., Lama ssp., Vicugna ssp.

Cervidae

Alces ssp., Axis-Hyelaphus ssp., Blastocerus ssp., Capreolus ssp., Cervus ssp., Dama ssp., Elaphodus ssp., Elaphurus ssp., Hippocamelus ssp., Hydropotes ssp., Mazama ssp., Megamuntiacus ssp., Muntiacus ssp., Odocoileus ssp., Ozotoceros ssp., Przewalskium ssp., Pudu ssp., Rangifer ssp., Rucervus ssp., Rusa ssp.

Giraffidae

Giraffa ssp., Okapia ssp.

Hippopotamidae

Hexaprotodon-Choeropsis ssp., Hippopotamus ssp.

Moschidae

Moschus ssp.

Suidae

Babyrousa ssp., Hylochoerus ssp., Phacochoerus ssp., Porcula ssp., Potamochoerus ssp., Sus ssp.,

Tayassuidae

Catagonus ssp., Pecari-Tayassu ssp.

Tragulidae

Hyemoschus ssp., Tragulus-Moschiola ssp.

Proboscidea

Elephantidae

Elephas ssp., Loxodonta ssp.




BIJLAGE IV

CRITERIA VOOR DE TOEPASSING VAN DE IN ARTIKEL 9, LID 1, BEDOELDE REGELS TER PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 5 IN DE LIJST OPGENOMEN ZIEKTEN

In deze bijlage wordt beoogd de criteria te bepalen die de Commissie in overweging moet nemen wanneer zij de regels vaststelt ter preventie en bestrijding van ziekten die moeten worden toegepast op de verschillende categorieën van overeenkomstig artikel 5 in de lijst opgenomen ziekten.

Bij de indeling in categorieën wordt rekening gehouden met het profiel van de desbetreffende ziekte, de omvang van de gevolgen van die ziekte voor de dier- en volksgezondheid, het dierenwelzijn en de economie, en de beschikbaarheid, haalbaarheid en doeltreffendheid van diagnosemiddelen en verscheidene reeksen van maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten waarin deze verordening ten aanzien van de ziekte voorziet.

Afdeling 1

Criteria voor de toepassing van de in artikel 9, lid 1, onder a), bedoelde regels ter preventie en bestrijding van ziekten

De ziekten waarop de in artikel 9, lid 1, onder a), bedoelde regels ter preventie en bestrijding van ziekten van toepassing zijn, worden beschouwd als ziekten die voor de Unie de meest ernstige gevolgen hebben voor de diergezondheid, de volksgezondheid, de economie, de samenleving of het milieu. Die ziekten moeten aan de volgende criteria voldoen:

a) de desbetreffende ziekte:

i) is niet aanwezig op het grondgebied van de Unie;

ii) is alleen aanwezig in uitzonderlijke gevallen (uitzonderlijke insleep); of

iii) is alleen aanwezig op een zeer beperkt deel van het grondgebied van de Unie;

en

b) de desbetreffende ziekte is zeer overdraagbaar; naast de rechtstreekse en onrechtstreekse overdracht kan de ziekte zich ook via de lucht, water of vectoren verspreiden. De ziekte kan meerdere soorten gehouden en wilde dieren treffen, of één soort gehouden dieren van economisch belang, en kan tot hoge ziektecijfers en significante sterftecijfers leiden.

Naast de criteria in de punten a) en b) moeten deze ziekten aan één of meer van de volgende criteria voldoen:

c) de desbetreffende ziekte heeft een zoönotisch potentieel met significante gevolgen voor de volksgezondheid, en kan tot een epidemie of pandemie leiden of een ernstige bedreiging voor de voedselveiligheid vormen;

d) de desbetreffende ziekte heeft significante gevolgen voor de economie van de Unie en veroorzaakt aanzienlijke kosten, die hoofdzakelijk verband houden met de rechtstreekse gevolgen voor de gezondheid en de productiviteit van dieren;

e) de desbetreffende ziekte heeft significante gevolgen op één of meer van de volgende gebieden:

i) de samenleving, en met name de arbeidsmarkten;

ii) het dierenwelzijn, vanwege het leed bij een groot aantal dieren;

iii) het milieu, vanwege de rechtstreekse gevolgen van de ziekte of de bestrijdingsmaatregelen daarvoor;

iv) de biodiversiteit of de bescherming van bedreigde soorten of rassen op lange termijn, waaronder de mogelijke verdwijning of beschadiging van deze soorten of rassen op lange termijn.

Afdeling 2

Criteria voor de toepassing van de in artikel 9, lid 1, onder b), bedoelde regels ter preventie en bestrijding van ziekten

De ziekten waarop de in artikel 9, lid 1, onder b), bedoelde regels ter preventie en bestrijding van ziekten van toepassing zijn, moeten in alle lidstaten worden bestreden met het oog op uitroeiing in de gehele Unie.

Die ziekten moeten aan de volgende criteria voldoen:

a) de desbetreffende ziekte is in endemische vorm aanwezig op een deel van of het gehele grondgebied van de Unie. Meerdere lidstaten of zones in de Unie zijn evenwel vrij van de ziekte; en

b) de ziekte is matig tot zeer overdraagbaar; naast de rechtstreekse en onrechtstreekse overdracht kan de ziekte zich ook via de lucht, water of vectoren verspreiden. De ziekte kan één of meer diersoorten treffen en kan tot hoge ziektecijfers leiden; de sterftecijfers zijn in het algemeen laag.

Naast de criteria in de punten 1 en 2 moeten deze ziekten aan één of meer van de volgende criteria voldoen.

c) de desbetreffende ziekte heeft een zoönotisch potentieel met significante gevolgen voor de volksgezondheid, en kan tot een epidemie leiden of een ernstige bedreiging voor de voedselveiligheid vormen;

d) de desbetreffende ziekte heeft significante gevolgen voor de economie van de Unie en veroorzaakt aanzienlijke kosten, die hoofdzakelijk verband houden met de rechtstreekse gevolgen voor de gezondheid en de productiviteit van dieren;

e) de desbetreffende ziekte heeft significante gevolgen op één of meer van de volgende gebieden:

i) de samenleving, en met name de arbeidsmarkten;

ii) het dierenwelzijn, vanwege het leed bij een groot aantal dieren;

iii) het milieu, vanwege de rechtstreekse gevolgen van de ziekte of de bestrijdingsmaatregelen daarvoor;

iv) de biodiversiteit of de bescherming van bedreigde soorten of rassen op lange termijn, waaronder de mogelijke verdwijning of beschadiging van deze soorten of rassen op lange termijn.

Een ziekte waarop de in artikel 9, lid 1, onder a), bedoelde maatregelen van toepassing zijn, waarvan de uitroeiing in een deel van de Unie niet geslaagd of niet snel uitgevoerd is en die in dat deel van de Unie een endemische vorm aanneemt, kan in dat deel van de Unie aan de in artikel 9, lid 1, onder b), bedoelde maatregelen ter preventie en bestrijding van ziekten worden onderworpen.

Afdeling 3

Criteria voor de toepassing van de in artikel 9, lid 1, onder c), bedoelde regels ter preventie en bestrijding van ziekten

De ziekten waarvoor de in artikel 9, lid 1, onder c), bedoelde regels ter preventie en bestrijding van ziekten gelden, zijn relevant voor sommige lidstaten en er zijn maatregelen nodig om te vermijden dat zij zich verspreiden naar delen van de Unie die officieel ziektevrij zijn of die voor de desbetreffende in de lijst opgenomen ziekten over uitroeiingsprogramma's beschikken.

Die ziekten moeten aan de volgende criteria voldoen:

a) bij landdieren is de desbetreffende ziekte in endemische vorm aanwezig op een deel van of het gehele grondgebied van de Unie; bij waterdieren zijn meerdere lidstaten of zones in de Unie vrij van de ziekte; en

b)

 

i) bij landdieren is de desbetreffende ziekte matig tot zeer overdraagbaar, hoofdzakelijk via rechtstreekse en onrechtstreekse overdracht. De ziekte treft hoofdzakelijk één of meerdere diersoorten, leidt gewoonlijk niet tot hoge ziektecijfers en gaat niet gepaard met sterfte, of de sterftecijfers zijn verwaarloosbaar. Productieverlies is vaak het meest voorkomende gevolg;

ii) bij waterdieren is de ziekte matig tot zeer overdraagbaar, hoofdzakelijk via rechtstreekse en onrechtstreekse overdracht. De ziekte treft één of meerdere diersoorten en kan tot hoge ziektecijfers leiden; de sterftecijfers zijn doorgaans laag. Productieverlies is vaak het meest voorkomende gevolg.

Naast de criteria in de punten a) en b) moeten deze ziekten aan één of meer van de volgende criteria voldoen:

c) de desbetreffende ziekte heeft een zoönotisch potentieel met significante gevolgen voor de volksgezondheid, en kan een bedreiging voor de voedselveiligheid vormen;

d) de desbetreffende ziekte heeft significante gevolgen voor de economie in delen van de Unie, die hoofdzakelijk verband houden met de rechtstreekse gevolgen voor bepaalde types dierproductiesystemen;

e) de desbetreffende ziekte heeft significante gevolgen op één of meer van de volgende gebieden:

i) de samenleving, en met name de arbeidsmarkten;

ii) het dierenwelzijn, vanwege het leed bij een groot aantal dieren;

iii) het milieu, vanwege de rechtstreekse gevolgen van de ziekte of de bestrijdingsmaatregelen daarvoor;

iv) de biodiversiteit of de bescherming van bedreigde soorten of rassen op lange termijn, waaronder de mogelijke verdwijning of beschadiging van deze soorten of rassen op lange termijn.

Afdeling 4

Criteria voor de toepassing van de in artikel 9, lid 1, onder d), bedoelde regels ter preventie en bestrijding van ziekten

De in artikel 9, lid 1, onder d), bedoelde regels ter preventie en bestrijding van ziekten zijn van toepassing op de ziekten die voldoen aan de criteria van afdeling 1, 2 of 3, en op andere ziekten die voldoen aan de criteria van afdeling 5 voor zover het aan de betrokken ziekte verbonden risico doeltreffend en evenredig kan worden beperkt door maatregelen ten aanzien van de verplaatsing van dieren en producten teneinde te voorkomen of te beperken dat de ziekte zich voordoet of zich verspreidt.

Afdeling 5

Criteria voor de toepassing van de in artikel 9, lid 1, onder e), bedoelde regels ter preventie en bestrijding van ziekten

De in artikel 9, lid 1, onder e), bedoelde regels ter preventie en bestrijding van ziekten zijn van toepassing op de ziekten die voldoen aan de criteria van afdeling 1, 2 of 3, en op andere ziekten waarvoor bewaking nodig is om redenen die verband houden met diergezondheid, dierenwelzijn, de gezondheid van de mens, de economie, de samenleving of het milieu.




BIJLAGE V

CONCORDANTIETABEL ALS BEDOELD IN ARTIKEL 270, LID 2

1.   Richtlijn 64/432/EEG



Richtlijn 64/432/EEG

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 2

Artikelen 4 (gedeeltelijk) en 21, artikel 153, lid 3, en artikel 220, lid 3

Artikel 3, lid 1

Artikelen 124 en 126

Artikel 3, lid 2

Artikelen 124, lid 2, artikel 126, lid 1, en artikel 149, leden 3 en 4

Artikel 4, lid 1

Artikel 126, lid 1, onder c)

Artikel 4, leden 2 en 3

Artikel 125, leden 1 en 2

Artikel 5, lid 1

Artikel 143, lid 1, artikelen 145 en 146

Artikel 5, lid 2

Artikel 149, leden 3 en 4,

Artikel 5, lid 2, onder a)

Artikel 147, onder a)

Artikel 5, lid 2, onder b)

Artikel 144, lid 1, onder b)

Artikel 5, lid 3

Artikel 5, lid 4

Artikel 153, leden 1 en 2

Artikel 5, lid 5

Artikel 147, onder a)

Artikel 6

Artikelen 130, 131 en 132

Artikel 6 bis

Artikel 7

Artikel 126, lid 1, onder c), artikel 132, artikel 134, onder a), en artikel 135

Artikel 8

Artikelen 18, 19 en 20, artikel 18, lid 3, artikel 20, lid 3, en artikel 23, onder a)

Artikel 9

Artikel 31, lid 1, artikelen 32 en 33, artikel 31, lid 3, onder a), en lid 5, artikel 32, lid 2, en artikel 36

Artikel 10

Artikel 31, lid 2, artikel 31, lid 3, onder b), en artikelen 32, 33 en 36

Artikel 11, lid 1

Artikel 94, lid 1, onder a), artikelen 97 en 98 en artikel 97, lid 2

Artikel 11, lid 2

Artikelen 102, 106 en 107

Artikel 11, lid 3

Artikel 98 en 99

Artikel 11, lid 4

Artikel 100

Artikel 11, leden 5 en 6

Artikel 97, lid 1, onder d), en lid 2, onder d)

Artikel 12, lid 1

Artikel 125,

Artikel 12, lid 2

Artikelen 104 en 106

Artikel 12, lid 3

Artikel 125, lid 1, onder a) en b)

Artikel 12, lid 4

Artikel 143

Artikel 12, leden 5 en 6

Artikel 13, leden 1 en 2

Artikelen 90 en 92, artikel 93, onder c), en artikelen 94, 97, 98, 99, 102, 106 en 107

Artikel 13, lid 3

Artikel 100

Artikel 13, lid 4

Artikel 13, leden 5 en 6

Artikel 101

Artikel 14, leden 1 en 2

Artikel 14, leden 3A en B

Artikel 14, lid 3 C

Artikel 109, lid 1, onder a) en c)

Artikel 14, leden 4 tot en met 6

Artikel 15, lid 1

Artikel 268

Artikel 15, leden 2 tot en met 4

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 17 bis

Artikel 18

Artikel 109, lid 1, onder a) en c)

Artikel 19

Artikel 20

2.   Richtlijn 77/391/EEG



Richtlijn 77/391/EEG

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 31, lid 1

Artikel 2, lid 2

Artikelen 32 en 33, en artikel 36, lid 1

Artikel 2, lid 3

Artikel 34

Artikel 2, lid 4

Artikelen 36 en 41

Artikel 3, lid 1

Artikel 31, lid 1

Artikel 3, lid 2

Artikelen 32 en 33, en artikel 36, lid 1

Artikel 3, lid 3

Artikel 34

Artikel 3, lid 4

Artikelen 36 en 41

Artikel 4

Artikel 31, lid 1, en artikelen 32, 33, 34, 36 en 41

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

3.   Richtlijn 78/52/EEG



Richtlijn 78/52/EEG

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 4 (gedeeltelijk)

Artikel 3, lid 1

Artikel 31, lid 1, en artikel 32

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 4

Artikel 31, lid 1, en artikel 32

Artikel 4

Artikelen 32 en 35, artikel 102, leden 2 en 4 en artikel 112

Artikel 5

Artikelen 18, 46 en 47

Artikel 6, lid 1

Artikelen 72 tot en met 76

Artikel 6, lid 2

Artikelen 77 en 78

Artikel 6, lid 3

Artikelen 79 en 80

Artikel 7

Artikelen 79 en 80

Artikel 8

Artikelen 79 en 80

Artikel 9

Artikelen 79 en 80

Artikel 10

Artikelen 79 en 80

Artikel 11

Artikelen 79 en 80

Artikel 12

Artikelen 79 en 80

Artikel 13

Artikelen 18,46 en 47

Artikel 14, lid 1

Artikelen 72 tot en met 76

Artikel 14, lid 2

Artikelen 77 en 78

Artikel 14, lid 3

Artikelen 79 en 80

Artikel 15

Artikelen 79 en 80

Artikel 16

Artikelen 79 en 80

Artikel 17

Artikelen 79 en 80

Artikel 18

Artikelen 79 en 80

Artikel 19

Artikelen 79 en 80

Artikel 20

Artikelen 79 en 80

Artikel 21

Artikel 22

Artikelen 18, 19, 20, 46 en 47

Artikel 23

Artikelen 79 en 80

Artikel 24

Artikelen 79 en 80

Artikel 25

Artikelen 79 en 80

Artikel 26

Artikelen 79 en 80

Artikel 27

Artikel 124, lid 1, en artikel 126, lid 1, onder c)

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 30

4.   Richtlijn 80/1095/EEG



Richtlijn 80/1095/EEG

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 31, lid 1, en artikel 36

Artikel 2

Artikel 4 (gedeeltelijk)

Artikel 3

Artikel 31, lid 1, en artikel 35

Artikel 3 bis

Artikel 31, lid 1, en artikel 35

Artikel 4

Artikelen 32, 33 en 35

Artikel 4 bis

Artikelen 32, 33 en 35

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 31, lid 1, onder b), artikel 31, lid 3, en artikel 32

Artikel 7

Artikelen 36, 39 en 40

Artikel 8

Artikelen 41 en 42

Artikel 9

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12 bis

Artikel 13

5.   Richtlijn 82/894/EEG



Richtlijn 82/894/EEG

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 4 (gedeeltelijk)

Artikel 3

Artikelen 19, 21, 22 en 23

Artikel 4

Artikelen 19, 20, 21, 22 en 23

Artikel 5

Artikel 23

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

6.   Richtlijn 88/407/EEG



Richtlijn 88/407/EEG

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 4 (gedeeltelijk)

Artikel 3

Artikelen 159 en 160

Artikel 4

Artikel 160

Artikel 5

Artikel 94, 97, 100 en 101

Artikel 6, lid 1

Artikelen 161 en 162

Artikel 6, leden 2, 3 en 4

Artikel 258

Artikel 8

Artikel 229, lid 1, onder a), en artikel 230

Artikel 9

Artikel 229, lid 1, onder b), en artikel 233

Artikel 10

Artikel 229, lid 1, onder c), en artikelen 234 en 236

Artikel 11

Artikel 229, lid 1, onder d), en artikelen 237 en 238

Artikel 12

Artikelen 260 tot en met 262

Artikel 15

Artikelen 257 tot en met 259

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 22

7.   Richtlijn 89/556/EEG



Richtlijn 89/556/EEG

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 4 (gedeeltelijk)

Artikel 3

Artikelen 159, 160 en 161

Artikel 5, lid 1

Artikelen 94 en 97

Artikel 5, lid 2

Artikel 101

Artikel 5, leden 2 bis en 3

Artikelen 97, 98 en 100

Artikel 6

Artikel 161 en 162

Artikel 7

Artikel 229, lid 1, onder a), en artikel 230

Artikel 8

Artikel 229, lid 1, onder b), en artikel 233

Artikel 9

Artikel 229, lid 1, onder c), en artikelen 234 en 236

Artikel 10

Artikel 229, lid 1, onder d), en artikelen 237 en 238

Artikel 11

Artikelen 260 tot en met 262

Artikel 14

Artikelen 257 tot en met 259

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

8.   Richtlijn 90/429/EEG



Richtlijn 90/429/EEG

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 4 (gedeeltelijk)

Artikel 3

Artikelen 159 en 160

Artikel 4

Artikel 5, lid 1

Artikelen 94, 97, 98 en 100

Artikel 5, lid 2

Artikel 101

Artikel 6, lid 1

Artikelen 161 en 162

Artikel 6, lid 2

Artikel 258

Artikel 7

Artikel 229, lid 1, onder a), en artikel 230

Artikel 8

Artikel 229, lid 1, onder b), en artikel 233

Artikel 9

Artikel 229, lid 1, onder c), en artikelen 234 en 236

Artikel 10

Artikel 229, lid 1, onder d), en artikelen 237 en 238

Artikel 11, lid 1

Artikel 229

Artikel 11, leden 2 en 3

Artikel 260

Artikel 12

Artikel 237

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikelen 257 tot en met 262

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 22

9.   Richtlijn 91/68/EEG



Richtlijn 91/68/EEG

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 2

Artikelen 4 (gedeeltelijk) en 21, artikel 153, lid 3, en artikel 220, lid 3

Artikel 3, leden 1, 2, 3 en 5

Artikelen 126, lid 1, onder b), en artikelen 130 en 131

Artikel 3, lid 4

Artikel 139

Artikel 4, lid 1

Artikelen 124, lid 2, onder b), artikel 126, lid 1, artikelen 130 en 131, en artikel 149, lid 3, en lid 4, onder a) en b)

Artikel 4, lid 2

Artikel 128

Artikel 4, lid 3

Artikel 131

Artikel 4 bis

Artikelen 130 en 131

Artikel 4 ter, leden 1 en 2

Artikelen 130 en 131

Artikel 4 ter, lid 3

Artikel 126, lid 2

Artikel 4 ter, lid 4

Artikel 133

Artikel 4 ter, lid 5

Artikel 132

Artikel 4 ter, lid 6

Artikelen 124, lid 1, artikel 125 en artikel 126, lid 1, onder b)

Artikel 4 quater, leden 1 en 2

Artikelen 130 en 131

Artikel 4 quater, lid 3

Artikelen 133 en 135

Artikel 5

Artikel 131

Artikel 6

Artikel 131en artikel 145, lid 1, onder e)

Artikel 7, leden 1 tot en met 3

Artikelen 31, 32, 33 en 35

Artikel 7, lid 4

Artikel 8, leden 1 tot en met 3

Artikelen 36, 39 en 40

Artikel 8, lid 4

Artikel 8 bis, lid 1

Artikelen 94, lid 1, onder a), en artikelen 97, 98 en 134

Artikel 8 bis, lid 2

Artikel 102 en 106

Artikel 8 bis, lid 3

Artikelen 98, 99 en 101

Artikel 8 bis, lid 4

Artikel 100

Artikel 8 bis, lid 5

Artikel 97, lid 1, onder d), en lid 2, onder d)

Artikel 8 ter, lid 1

Artikelen 84, 90 en 92, artikel 93, onder c), artikel 94, lid 1, onder a), en artikelen 97, 98, 102, 105 en 134

Artikel 8 ter, lid 2

Artikel 94, lid 1, onder a), en artikelen 97 en 98

Artikel 8 ter, lid 3

Artikel 100

Artikel 8 ter, lid 4