EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02014R0651-20210801

Consolidated text: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/2021-08-01

02014R0651 — NL — 01.08.2021 — 004.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) Nr. 651/2014 VAN DE COMMISSIE

van 17 juni 2014

waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) 2017/1084 VAN DE COMMISSIE van 14 juni 2017

  L 156

1

20.6.2017

►M2

VERORDENING (EU) 2020/972 VAN DE COMMISSIE van 2 juli 2020

  L 215

3

7.7.2020

 M3

VERORDENING (EU) 2021/452 VAN DE COMMISSIE van 15 maart 2021

  L 89

1

16.3.2021

►M4

VERORDENING (EU) 2021/1237 VAN DE COMMISSIE van 23 juli 2021

  L 270

39

29.7.2021


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 349, 5.12.2014, blz.  67 (651/2014)

►C2

Rectificatie, PB L 026, 31.1.2018, blz.  53 (2017/1084)




▼B

VERORDENING (EU) Nr. 651/2014 VAN DE COMMISSIE

van 17 juni 2014

waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard

(Voor de EER relevante tekst)



INHOUDSOPGAVE

HOOFDSTUK I

Gemeenschappelijke bepalingen

HOOFDSTUK II

Monitoring

HOOFDSTUK III

Specifieke bepalingen voor verschillende categorieën steun

Deel 1 —

Regionale steun

Deel 2 —

Kmo-steun

DEEL 2 bis —

Steun voor Europese territoriale samenwerking

Deel 3 —

Steun om kmo's toegang tot financiering te geven

Deel 4 —

Steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie

Deel 5 —

Opleidingssteun

Deel 6 —

Steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap

Deel 7 —

Steun voor milieubescherming

Deel 8 —

Steun tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen

Deel 9 —

Sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden

Deel 10 —

Steun voor breedbandinfrastructuur

Deel 11 —

Steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed

Deel 12 —

Steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur

Deel 13 —

Steun voor lokale infrastructuurvoorzieningen

Deel 14 —

Steun voor regionale luchthavens

Deel 15 —

Steun voor havens

Deel 16 —

Steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten

HOOFDSTUK IV

Slotbepalingen



HOOFDSTUK I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.  

Deze verordening is van toepassing op de volgende categorieën steun:

a) 

regionale steun;

b) 

steun aan kmo's in de vorm van investeringssteun, exploitatiesteun en toegang van kmo's tot financiering;

c) 

steun voor de bescherming van het milieu;

d) 

steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie;

e) 

opleidingssteun;

f) 

steun voor de aanwerving en de tewerkstelling van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap;

g) 

steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen;

h) 

sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden;

i) 

steun voor breedbandinfrastructuur;

j) 

steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed;

▼M1

k) 

steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur;

l) 

steun voor lokale infrastructuurvoorzieningen;

▼M4

m) 

steun voor regionale luchthavens;

n) 

steun voor havens;

▼M4

o) 

steun voor projecten voor Europese territoriale samenwerking, en

p) 

steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten.

▼B

2.  

Deze verordening is niet van toepassing op:

▼M4

a) 

regelingen op grond van deel 1 (met uitzondering van artikel 15), de delen 2, 3 en 4, deel 7 (met uitzondering van artikel 44) en deel 10 van hoofdstuk III van deze verordening en steun in de vorm van financiële producten krachtens deel 16 van dat hoofdstuk, indien het gemiddelde jaarlijkse budget aan staatssteun per lidstaat meer dan 150 miljoen EUR bedraagt, vanaf zes maanden na de inwerkingtreding ervan. Voor steun krachtens deel 16 van hoofdstuk III van deze verordening worden alleen bijdragen van een lidstaat aan het lidstaatcompartiment van de EU-garantie als bedoeld in artikel 9, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) die voor een specifiek financieel product bestemd zijn, in aanmerking genomen bij de beoordeling van de vraag of het gemiddelde jaarlijkse budget aan staatssteun van die lidstaat in verband met het financiële product meer dan 150 miljoen EUR bedraagt. De Commissie kan, nadat zij een beoordeling heeft gemaakt van het door de betrokken lidstaat binnen twintig werkdagen na de inwerkingtreding van de regeling bij de Commissie aangemelde evaluatieontwerp, besluiten dat deze verordening voor een langere periode op die steunregelingen van toepassing blijft. Wanneer de Commissie de toepassing van deze verordening ten aanzien van die regelingen reeds met meer dan de aanvankelijke zes maanden heeft verlengd, kunnen de lidstaten besluiten die regelingen te verlengen tot het einde van de toepassingsperiode van deze verordening, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat een evaluatieverslag heeft ingediend in overeenstemming met het door de Commissie goedgekeurde evaluatieplan. In afwijking hiervan kan op grond van deze verordening verleende regionale steun echter worden verlengd tot het einde van de geldigheidsduur van de desbetreffende regionale-steunkaarten;

▼B

b) 

alle wijzigingen van de in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde regelingen niet zijnde aanpassingen die op de verenigbaarheid van de steunregeling krachtens deze verordening geen invloed kunnen hebben of die de inhoud van het goedgekeurde evaluatieontwerp niet aanzienlijk kunnen veranderen;

c) 

steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, met name steun die direct aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, en steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of andere lopende kosten in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer;

d) 

steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse goederen in plaats van ingevoerde goederen.

▼M1

3.  

Deze verordening is niet van toepassing op:

▼M4

a) 

steun toegekend in de visserij- en aquacultuursector voor zover die onder Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ) valt, met uitzondering van opleidingssteun, steun om kmo’s toegang tot financiering te geven, steun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling, innovatiesteun voor kmo’s, steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap, regionale investeringssteun in ultraperifere gebieden, regelingen inzake regionale exploitatiesteun, steun voor projecten van operationele groepen van het Europese Partnerschap voor Innovatie voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw („EIP”), steun voor projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling („CLLD”), steun voor projecten voor Europese territoriale samenwerking en steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten, uitgezonderd voor acties bedoeld in artikel 1, lid 1, van Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie ( 3 );

b) 

steun toegekend in de sector van de primaire landbouwproductie, met uitzondering van regionale investeringssteun in ultraperifere gebieden, regelingen inzake regionale exploitatiesteun, consultancysteun voor kmo’s, risicofinancieringssteun, steun voor onderzoek en ontwikkeling, innovatiesteun voor kmo’s, milieusteun, opleidingssteun, steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap, steun voor projecten van operationele groepen van het Europese Partnerschap voor Innovatie voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (EIP), steun voor projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD), steun voor projecten voor Europese territoriale samenwerking en steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten;

▼M1

c) 

steun toegekend in de sector van de verwerking en de afzet van landbouwproducten in de volgende gevallen:

i) 

wanneer het steunbedrag wordt vastgesteld op grond van de prijs of de hoeveelheid van deze producten die zijn afgenomen van primaire producenten of door de betrokken ondernemingen op de markt worden gebracht;

ii) 

wanneer de steun afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat deze steun geheel of ten dele aan primaire producenten wordt doorgegeven;

d) 

steun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen, voor zover die onder Besluit 2010/787/EU van de Raad ( 4 ) valt;

e) 

de in artikel 13 genoemde categorieën regionale steun.

▼B

Wanneer een onderneming actief is zowel in de in de punten a), b) of c) van de eerste alinea uitgesloten sectoren als in sectoren die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, is deze verordening van toepassing op steun ten behoeve van activiteiten in die laatste sectoren of activiteiten, mits de lidstaten, met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgen dat de activiteiten in de uitgesloten sectoren geen uit hoofde van deze verordening verleende steun genieten.

▼M4

4.  

Deze verordening is niet van toepassing op:

a) 

steunregelingen die niet uitdrukkelijk voorzien in uitsluiting van betaling van individuele steun aan ondernemingen ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij door dezelfde lidstaat toegekende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard, met uitzondering van steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen en steunregelingen die onder artikel 19 ter en de delen 2 bis en 16 van hoofdstuk III vallen;

b) 

ad-hocsteun ten behoeve van een in punt a) bedoelde onderneming;

c) 

steun aan ondernemingen in moeilijkheden, met uitzondering van steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen, regelingen inzake starterssteun, regelingen inzake regionale exploitatiesteun, steunregelingen die onder artikel 19 ter vallen, steun voor kmo’s op grond van artikel 56 septies en steun aan financiële intermediairs op grond van de artikelen 16, 21, 22 en 39 en deel 16 van hoofdstuk III, mits ondernemingen in moeilijkheden geen gunstigere behandeling krijgen dan andere ondernemingen. In afwijking hiervan is deze verordening evenwel van toepassing op ondernemingen die op 31 december 2019 niet in moeilijkheden verkeerden maar ondernemingen in moeilijkheden werden gedurende de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021.

▼B

5.  

Deze verordening is niet van toepassing op staatssteunmaatregelen die, op zich, door de daaraan verbonden voorwaarden of de methode waarmee zij worden gefinancierd, tot een daarmee onlosmakelijk verbonden schending van het Unierecht leiden, met name:

a) 

steunmaatregelen waarbij aan de steunverlening de verplichting voor de begunstigde verbonden is om zijn hoofdkantoor in de betrokken lidstaat te hebben of om overwegend in die lidstaat te zijn gevestigd. Wel is het toegestaan om te eisen dat een onderneming op het tijdstip van de uitkering van de steun een vaste inrichting of dochteronderneming moet hebben in de steuntoekennende lidstaat;

b) 

steunmaatregelen waarbij aan de steunverlening de verplichting voor de begunstigde is verbonden om binnenlands geproduceerde goederen of binnenlandse diensten te gebruiken;

c) 

steunmaatregelen die beperkingen stellen aan de mogelijkheden voor de begunstigden om de resultaten van onderzoek, ontwikkeling en innovatie in andere lidstaten te exploiteren.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1. 

„steun” of „steunmaatregel”: elke maatregel die aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag voldoet;

2. 

„kleine en middelgrote ondernemingen” of „kmo's”: ondernemingen die aan de in bijlage I vastgestelde criteria voldoen;

3. 

„werknemer met een handicap”: een persoon:

a) 

die volgens het nationale recht als werknemer met een handicap is erkend, of

b) 

die een langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperking heeft die haar/hem in wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving;

4. 

„kwetsbare werknemer”: een persoon die:

a) 

in de voorafgaande zes maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden, of

b) 

tussen 15 en 24 jaar oud is, of

c) 

geen diploma van hoger middelbaar onderwijs heeft behaald of geen beroepsopleiding heeft gevolgd (niveau 3 van de International Standard Classification of Education (ISCED)) of haar/zijn opleiding in het voltijdonderwijs minder dan twee jaar voordien heeft voltooid, en die haar/zijn eerste reguliere betaalde betrekking nog niet heeft gevonden, of

d) 

ouder is dan 50 jaar, of

e) 

als alleenstaande volwassene de zorg heeft voor één of meer ten laste komende personen, of

f) 

werkzaam is in een sector of beroep in een lidstaat waar de genderonbalans ten minste 25 % groter is dan de gemiddelde genderonbalans in alle economische sectoren in die lidstaat indien die persoon tot de ondervertegenwoordigde gendergroep behoort, of

g) 

behoort tot een etnische minderheid in een lidstaat en van wie het profiel met betrekking tot talenkennis, beroepsopleiding of werkervaring moet worden bijgesteld om haar/zijn vooruitzichten op het verkrijgen van vast werk te verbeteren;

5. 

„vervoer”: passagiersvervoer met het vliegtuig, via zeevervoer, over de weg, per spoor of over de binnenwateren, of beroepsgoederenvervoer;

6. 

„vervoerskosten”: de kosten van het beroepsvervoer die door de begunstigden per vervoerstraject daadwerkelijk worden betaald, omvattende:

a) 

vrachttarieven, handlingkosten en kosten voor tijdelijke opslag, voor zover deze kosten met het vervoerstraject verband houden;

b) 

kosten voor het verzekeren van de lading;

c) 

belastingen, rechten of heffingen berekend op de vracht en, in voorkomend geval, het draagvermogen, zowel op het punt van vertrek als het punt van bestemming, en

d) 

kosten voor veiligheids- en beveiligingscontrole, toeslagen voor gestegen brandstofkosten;

7. 

„afgelegen gebieden”: ultraperifere gebieden, Malta, Cyprus, Ceuta en Melilla, eilanden die deel uitmaken van het grondgebied van een lidstaat, en dunbevolkte gebieden;

8. 

„afzet van landbouwproducten”: het in voorraad hebben of uitstallen met het oog op het verkopen, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen, met uitzondering van de eerste verkoop door een primaire producent aan wederverkopers of verwerkingsbedrijven en alle activiteiten waarmee een product voor een dergelijke eerste verkoop wordt voorbereid. De verkoop door een primaire producent aan eindgebruikers geldt als afzet indien deze plaatsvindt in speciaal daartoe voorziene afzonderlijke ruimten;

9. 

„primaire landbouwproductie”: de productie van in bijlage I bij het Verdrag vermelde producten van de bodem en van de veehouderij die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van deze producten wijzigt;

10. 

„verwerking van landbouwproducten”: een bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat nog steeds een landbouwproduct is, met uitzondering van activiteiten op landbouwbedrijven die nodig zijn om een plantaardig of dierlijk product voor de eerste verkoop voor te bereiden;

11. 

„landbouwproduct”: de in bijlage I bij het Verdrag vermelde producten, met uitzondering van visserijproducten en aquacultuurproducten vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013;

12. 

„ultraperifere gebieden”: gebieden in de zin van artikel 349 van het Verdrag. Overeenkomstig Besluit 2010/718/EU van de Europese Raad is Saint-Barthélemy vanaf 1 januari 2012 niet langer een ultraperifeer gebied. Overeenkomstig Besluit 2012/419/EU van de Europese Raad is Mayotte vanaf 1 januari 2014 een ultraperifeer gebied geworden;

13. 

„steenkool” of „kolen”: hoogwaardige steenkool, middelwaardige steenkool en laagwaardige A- en B-kolen, in de zin van het internationale codificatiesysteem voor kolen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE) en zoals verduidelijkt in Besluit 2010/787/EU van de Raad van 10 december 2010 betreffende staatssteun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen ( 5 );

14. 

„individuele steun”:

i) 

ad-hocsteun, en

ii) 

steun die op grond van een steunregeling aan individuele begunstigden wordt toegekend;

15. 

„steunregeling”: elke regeling op grond waarvan aan ondernemingen die in de regeling op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, alsmede elke regeling op grond waarvan steun die niet aan een bepaald project is gebonden, voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan één of meer ondernemingen kan worden toegekend;

16. 

„evaluatieontwerp”: een document dat ten minste de volgende elementen bevat: de doelstellingen van de te evalueren steunregeling; de evaluatievragen; de resultaatindicatoren; de bij het uitvoeren van de evaluatie te hanteren methodiek; de vereisten inzake gegevensverzameling; het voor de evaluatie geplande tijdschema, met onder meer de datum voor het indienen van het eindevaluatierapport; de beschrijving van de onafhankelijke instantie die de evaluatie uitvoert of de criteria die voor de selectie van die instantie zullen worden gebruikt, en de praktische voorwaarden waarop die evaluatie zal worden bekendgemaakt;

17. 

„ad-hocsteun”: steun die niet op grond van een steunregeling wordt toegekend;

18. 

„onderneming in moeilijkheden”: een onderneming ten aanzien waarvan zich ten minste één van de volgende omstandigheden voordoet:

a) 

in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat of, wanneer het erom gaat in aanmerking te komen voor risicofinancieringssteun, een kmo binnen zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop die in aanmerking komt voor risicofinancieringsinvesteringen na een boekenonderzoek door de geselecteerde financiële intermediair): wanneer meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal. Voor de toepassing van deze bepaling worden met „vennootschap met beperkte aansprakelijkheid” met name de in bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU ( 6 ) bedoelde rechtsvormen van ondernemingen bedoeld en omvat het „aandelenkapitaal” ook het eventuele agio;

b) 

in het geval van een onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat of, wanneer het erom gaat in aanmerking te komen voor risicofinancieringssteun, een kmo binnen zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop die in aanmerking komt voor risicofinancieringsinvesteringen na een boekenonderzoek door de geselecteerde financiële intermediair): wanneer meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door de gecumuleerde verliezen is verdwenen. Voor de toepassing van deze bepaling worden met „een onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming” met name de in bijlage II bij Richtlijn 2013/34/EU bedoelde rechtsvormen van ondernemingen bedoeld;

c) 

wanneer tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure loopt of de onderneming volgens het nationale recht aan de criteria voldoet om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;

d) 

wanneer de onderneming reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, dan wel herstructureringssteun heeft ontvangen en nog steeds in een herstructureringsplan zit;

e) 

in het geval van een onderneming die geen kmo is: wanneer de afgelopen twee jaar:

1. 

de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de onderneming, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg, en

2. 

de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,0;

19. 

„territoriale bestedingsverplichtingen”: de verplichtingen die de steuntoekennende overheid oplegt aan begunstigden om binnen een bepaald grondgebied een minimumbedrag te besteden en/of een minimumvolume productieactiviteiten uit te voeren;

20. 

„bijgesteld steunbedrag”: het maximaal toelaatbare steunbedrag voor een groot investeringsproject berekend volgens deze formule:

maximale steunbedrag = R × (A + 0,50 × B + 0 × C),

waarbij R de voor het betrokken gebied toepasselijke maximale steunintensiteit is die is vastgesteld op de op het tijdstip van de steunverlening van kracht zijnde regionale-steunkaart, ongerekend de verhoogde steunintensiteit voor kmo's; A de eerste tranche van 50 miljoen EUR van de in aanmerking komende kosten is, B het gedeelte van de in aanmerking komende kosten tussen 50 miljoen EUR en 100 miljoen EUR is, en C het gedeelte van de in aanmerking komende kosten boven 100 miljoen EUR;

21. 

„terugbetaalbaar voorschot”: een lening voor een project die in één of meer tranches wordt betaald en waarbij de voorwaarden voor terugbetaling afhangen van de uitkomst van het project;

22. 

„bruto-subsidie-equivalent” (BSE): het bedrag van de steun indien deze in de vorm van een subsidie aan de begunstigde was toegekend, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen;

23. 

„aanvang van de werkzaamheden”: hetzij de aanvang van de bouwwerkzaamheden met betrekking tot de investering, hetzij de eerste, juridisch bindende toezegging om uitrusting te bestellen, hetzij een andere toezegging die de investering onomkeerbaar maakt. De aankoop van gronden en voorbereidende werkzaamheden zoals het verkrijgen van vergunningen en de uitvoering van voorbereidende haalbaarheidsstudies worden niet als aanvang van de werkzaamheden beschouwd. Bij overnames is de aanvang van de werkzaamheden het tijdstip van de verwerving van de activa die rechtstreeks met de overgenomen vestiging verband houden;

24. 

„grote ondernemingen”: ondernemingen die niet aan de in bijlage I vastgestelde criteria voldoen;

25. 

„fiscale vervolgregeling”: een regeling in de vorm van belastingvoordelen die een gewijzigde versie is van een reeds bestaande regeling in de vorm van belastingvoordelen en die deze vervangt;

26. 

„steunintensiteit”: het brutosteunbedrag, uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen;

▼M2

27. 

„steungebieden”: gebieden die zijn opgenomen op een op grond van artikel 107, lid 3, onder a) en c), van het Verdrag goedgekeurde regionale-steunkaart voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2021 wat betreft regionale steun die tot 31 december 2021 wordt verleend, en gebieden die zijn opgenomen op een op grond van artikel 107, lid 3, onder a) en c), van het Verdrag goedgekeurde regionale-steunkaart voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2027 wat betreft regionale steun die na 31 december 2021 wordt verleend;

▼B

28. 

„tijdstip van toekenning van de steun”: het tijdstip waarop de wettelijke aanspraak om steun te ontvangen, krachtens de nationale wettelijke regeling aan de begunstigde wordt verleend;

29. 

„materiële activa”: activa bestaande uit gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting;

30. 

„immateriële activa”: fysiek of financieel niet-tastbare activa, zoals octrooien, licenties, knowhow of andere intellectuele-eigendomsrechten;

31. 

„loonkosten”: het totale bedrag dat door de begunstigde van de steun ten aanzien van de desbetreffende werkgelegenheid daadwerkelijk moet worden betaald en dat het brutoloon vóór belastingen en de verplichte bijdragen (zoals sociale premies, kosten voor kinder- en ouderenzorg) over een bepaalde periode omvat;

32. 

„nettotoename van het aantal werknemers”: een nettotoename van het aantal werknemers in de betrokken vestiging ten opzichte van het gemiddelde over een bepaalde periode, d.w.z. dat het aantal arbeidsplaatsen dat in die periode verdwijnt, hierop in mindering moet worden gebracht en dat het aantal werknemers dat gedurende een jaar voltijds, deeltijds of als seizoenarbeider in dienst is, in fracties van hun jaararbeidseenheden (JAE's) wordt uitgedrukt;

33. 

„specifieke infrastructuur”: infrastructuur die is aangelegd voor vooraf identificeerbare ondernemingen en op hun behoeften is toegesneden;

34. 

„financieel intermediair”: een financiële instelling, ongeacht de vorm en eigendomsstructuur ervan, waaronder dakfondsen, private-equityfondsen, overheidsinvesteringsfondsen, banken, microfinancieringsinstellingen en onderlinge waarborgmaatschappijen;

35. 

„vervoerstraject”: het verplaatsen van goederen van het punt van vertrek tot het punt van bestemming, daaronder begrepen deeltrajecten of deelfasen binnen of buiten de betrokken lidstaat, gebruikmakend van één of meer vervoermiddelen;

36. 

„redelijk rendement” (Fair Rate of Return of FRR): het verwachte rendementspercentage dat gelijkwaardig is aan de risicogewogen disconteringsvoet waarin de risicograad van een project en de aard en omvang van het kapitaal dat particuliere investeerders willen investeren, tot uiting komt;

37. 

„totale financiering”: het totale bedrag dat in het kader van deel 3 of de artikelen 16 of 39 van deze verordening in een in aanmerking komende onderneming wordt geïnvesteerd, met uitsluiting van volledig particuliere investeringen op marktvoorwaarden die buiten het toepassingsgebied van de betrokken staatssteunmaatregel vallen;

38. 

„concurrerende biedprocedure”: een niet-discriminerende biedprocedure waaraan voldoende ondernemingen moeten kunnen deelnemen en waarbij de steun wordt toegekend op grond van ofwel de oorspronkelijke offerte van de gegadigde ofwel een toewijzingsprijs. Bovendien moet het met de biedprocedure verband houdende budget of volume een bindende beperking zijn die een situatie doet ontstaan waarin niet alle bieders steun kunnen krijgen;

▼M1

39. 

„exploitatiewinst”: het verschil tussen de gedisconteerde inkomsten en de gedisconteerde exploitatiekosten over de economische levensduur van de investering, wanneer dit verschil positief is. De exploitatiekosten omvatten kosten zoals personeelskosten, kosten voor materialen, uitbestede diensten, communicatie, energie, onderhoud, huur, administratie, doch niet afschrijvingslasten en financieringskosten indien deze zijn gedekt door investeringssteun. Door inkomsten en exploitatiekosten te disconteren tegen een passende disconteringsvoet, kan een redelijke winst worden gemaakt;

▼B

Definities van toepassing op regionale steun

40. 

Definities van toepassing op steun ten behoeve van breedbandinfrastructuur (deel 10) zijn van toepassing op de desbetreffende bepalingen inzake regionale steun.

41. 

„regionale investeringssteun”: regionale steun die wordt toegekend ten behoeve van een initiële investering of een initiële investering in nieuwe economische activiteiten;

▼M1

42. 

„regionale exploitatiesteun”: steun om de lopende uitgaven van een onderneming te verminderen. Daarbij gaat het om kostencategorieën zoals personeelskosten, kosten voor materialen, uitbestede diensten, communicatie, energie, onderhoud, huur, administratie, evenwel met uitsluiting van afschrijvingslasten en financieringskosten indien deze bij de toekenning van investeringssteun zijn opgenomen in de in aanmerking komende kosten;

▼B

43. 

„ijzer- en staalindustrie”: alle activiteiten met betrekking tot de productie van één of meer van de volgende producten:

a) 

ruwijzer en ferrolegeringen:

ruwijzer voor vervaardiging van staal, gieterij-ijzer en andere ruwijzersoorten, spiegelijzer en ferromangaan carburé, niet inbegrepen de andere ferrolegeringen;
b) 

ruwe producten en halffabricaten van ijzer, van gewoon staal of van speciaal staal:

vloeibaar staal al dan niet gegoten tot blokken, waaronder smeedblokken; halffabricaten: bloemen, knuppels, plakken; plaatstrippen; warmgewalst breedband op rollen, behalve de productie van gegoten staal voor staalgietwerk, zoals die van kleine en middelgrote zelfstandige gieterijen;
c) 

warmgewalste walserijproducten van ijzer, van gewoon staal of van speciaal staal:

rails, dwarsliggers, onderlegplaten, klemplaten, balken, zware profielen en staven van 80 mm en meer, damwandstaal, staven en profielen van minder dan 80 mm en plaatstaal van minder dan 150 mm breedte, walsdraad, rond en vierkant staafmateriaal voor buizen, warmgewalst bandstaal en warmgewalste strippen (met inbegrip van buizenstrip), platen met een dikte van 3 mm en meer, universaalstaal van 150 mm en meer, met uitzondering van draadproducten, blanke staven en ijzergietwerk;
d) 

koudgewalste eindproducten:

blik, verlode plaat, zwarte plaat, gegalvaniseerde platen, andere platen met bekleed oppervlak, koudgewalste plaat, op rollen en in platen, dynamo- en transformatorplaat, band bestemd voor het maken van blik;
e) 

buizen:

stalen buizen (naadloos of gelast) met een diameter van meer dan 406,4 mm, van ijzer of staal;
44. 

„synthetischevezelindustrie”:

a) 

de extrusie/texturizering van alle algemene soorten vezels en garens op basis van polyester, polyamide, acryl of polypropeen, ongeacht het eindgebruik ervan, of

b) 

polymerisatie (daaronder begrepen polycondensatie), wanneer deze wordt geïntegreerd met extrusie wat de gebruikte machines betreft, of

c) 

elk nevenprocedé dat verband houdt met de gelijktijdige installatie van extrusie-/texturizeringscapaciteit door de potentiële begunstigde onderneming of door een andere onderneming van het concern waartoe deze behoort, en die in de betrokken specifieke bedrijfsactiviteit normaal gesproken van dit soort capaciteit, wat de gebruikte machines betreft, deel uitmaakt;

45. 

„vervoersector”: passagiersvervoer met het vliegtuig, via zeevervoer, over de weg, per spoor of over de binnenwateren, of beroepsgoederenvervoer. Meer bepaald worden onder „vervoersector” de volgende activiteiten in de zin van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 verstaan:

a) 

NACE 49: Vervoer te land en vervoer via pijpleidingen, met uitzondering van NACE 49.32 Exploitatie van taxi's, 49.42 Verhuisbedrijven en 49.5 Vervoer via pijpleidingen;

b) 

NACE 50: Vervoer over water;

c) 

NACE 51: Luchtvaart, met uitzondering van NACE 51.22 Ruimtevaart;

46. 

„op een beperkt aantal specifieke economische sectoren gerichte regeling”: een regeling die activiteiten bestrijkt in minder dan vijf klassen (viercijferige code) van NACE Rev. 2;

47. 

„toeristische activiteiten”: de volgende activiteiten in de zin van NACE Rev. 2:

a) 

NACE 55: Verschaffen van accommodatie

b) 

NACE 56: Eet- en drinkgelegenheden;

c) 

NACE 79: Reisbureaus, reisorganisatoren, reserveringsbureaus en aanverwante activiteiten;

d) 

NACE 90: Creatieve activiteiten, kunst en amusement;

e) 

NACE 91: Bibliotheken, archieven, musea en overige culturele activiteiten;

f) 

NACE 93: Sport, ontspanning en recreatie;

▼M1

48. 

„dunbevolkte gebieden”: NUTS 2-regio's met minder dan 8 inwoners/km2 of NUTS 3-regio's met minder dan 12,5 inwoners/km2 of gebieden die door de Commissie als dusdanig zijn erkend in een individueel besluit betreffende een regionalesteunkaart die van kracht is op het tijdstip van de steunverlening;

▼M1

48 bis. 

„zeer dunbevolkte gebieden”: NUTS 2-regio's met minder dan 8 inwoners/km2 of gebieden die door de Commissie als dusdanig zijn erkend in een individueel besluit betreffende een regionalesteunkaart die van kracht is op het tijdstip van de steunverlening;

▼B

49. 

„initiële investering”:

a) 

een investering in materiële en immateriële activa die verband houdt met de oprichting van een nieuwe vestiging, met uitbreiding van een bestaande vestiging, diversificatie van de productie van een vestiging naar producten die voordien niet in de vestiging werden vervaardigd, of een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van een bestaande vestiging, of

b) 

de overname van activa die behoren tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen en die wordt verworven door een investeerder zonder banden met de verkoper, met uitsluiting van de enkele verwerving van de aandelen van een onderneming;

50. 

„dezelfde of vergelijkbare activiteit”: activiteiten die behoren tot dezelfde klasse (viercijferige code) van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden ( 7 );

51. 

„initiële investering ten behoeve van nieuwe economische activiteiten”:

a) 

een investering in materiële en immateriële activa die verband houdt met de oprichting van een nieuwe vestiging, of de diversificatie van de activiteit van een vestiging, op voorwaarde dat de nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar met de activiteit die voordien in die vestiging werd uitgeoefend;

b) 

de overname van activa die behoren tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen en die wordt verworven door een investeerder zonder banden met de verkoper, op voorwaarde dat de nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar met de activiteit die in die vestiging werd uitgeoefend vóór de overname ervan;

52. 

„groot investeringsproject”: een initiële investering waarbij de in aanmerking komende uitgaven meer dan 50 miljoen EUR bedragen, berekend in prijzen en wisselkoersen die gelden op het tijdstip van toekenning van de steun;

53. 

„punt van bestemming”: de plaats waar de goederen worden uitgeladen;

54. 

„punt van vertrek”: de plaats waar de goederen worden geladen voor vervoer;

▼M1

55. 

„voor exploitatiesteun in aanmerking komende gebieden”: een ultraperifeer gebied in de zin van artikel 349 van het Verdrag, een dunbevolkt gebied of een zeer dunbevolkt gebied;

▼B

56. 

„vervoermiddelen”: spoorvervoer, vrachtvervoer over de weg, vervoer over de binnenwateren, zeevervoer, luchtvervoer, multimodaal vervoer;

57. 

„stadsontwikkelingsfonds”: een gespecialiseerd investeringsvehikel dat wordt opgezet om te investeren in stadsontwikkelingsprojecten in het kader van een steunmaatregel voor stadsontwikkeling. Stadsontwikkelingsfondsen worden beheerd door een manager van een stadsontwikkelingsfonds;

58. 

„manager van een stadsontwikkelingsfonds”: een professioneel managementbedrijf met rechtspersoonlijkheid dat in aanmerking komende stadsontwikkelingsprojecten selecteert en daarin investeert;

59. 

„stadsontwikkelingsproject”: een investeringsproject dat het potentieel heeft om de tenuitvoerlegging te ondersteunen van initiatieven die in het kader van een geïntegreerde benadering voor duurzame stadsontwikkeling worden overwogen, en om bij te dragen aan het behalen van de daarin vastgestelde doelstellingen, daaronder begrepen projecten met een interne opbrengstvoet die mogelijk niet voldoende is om op louter zakelijke basis financiering aan te trekken. Een stadsontwikkelingsplan kan worden georganiseerd als een afzonderlijk financieel geheel (separate block of finance) binnen de juridische structuren van de begunstigde particuliere investeerder of als een afzonderlijke rechtspersoon, bijvoorbeeld een special purpose vehicle (SPV);

60. 

„geïntegreerde strategie voor duurzame stadsontwikkeling”: een door een betrokken lokale overheid of overheidsagentschap officieel voorgestelde en bekrachtigde strategie die is uitgetekend voor een specifiek stedelijk geografisch gebied en een specifieke periode en waarin geïntegreerde maatregelen worden beschreven om de economische, ecologische, klimatologische, demografische en sociale uitdagingen aan te pakken waarmee stedelijke gebieden worden geconfronteerd;

61. 

„bijdrage in natura”: de inbreng van gronden of vastgoed wanneer die gronden of dat vastgoed deel uitmaken van het stadsontwikkelingsproject;

▼M1

61 bis. 

„verplaatsing”: overbrenging van dezelfde of een vergelijkbare activiteit (of een deel daarvan) van een vestiging in een overeenkomstsluitende partij bij de EER-overeenkomst (initiële vestiging) naar de vestiging in een andere overeenkomstsluitende partij bij de EER-overeenkomst waar de gesteunde investering plaatsvindt (gesteunde vestiging). Van een overbrenging is sprake indien het product of de dienst in de initiële en in de gesteunde vestiging ten minste ten dele voor dezelfde doeleinden dient en aan de vragen of behoeften van hetzelfde type afnemers voldoet en voor dezelfde of een vergelijkbare activiteit in een van de initiële vestigingen van de begunstigde in de EER banen verloren gaan;

▼B

Definities voor kmo-steun

62. 

„rechtstreeks door een investeringsproject geschapen werkgelegenheid”: werkgelegenheid die verband houdt met de activiteit waarop de investering betrekking heeft, daaronder begrepen werkgelegenheid die dankzij een verhoging van de bezettingsgraad van de door de investering gecreëerde capaciteit is geschapen;

▼M4 —————

▼B

Definities voor steun om kmo's toegang tot financiering te geven

66. 

„investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen”: een categorie financiering tussen eigen vermogen en vreemd vermogen in, met een hoger risico dan senior schulden en een lager risico dan gewoon aandelenkapitaal, en waarvan het rendement voor de houder ervan overwegend is gebaseerd op de winst of het verlies van de onderliggende doelonderneming en die bij wanbetaling niet gedekt is. Investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen kunnen zijn gestructureerd als schulden, die niet gegarandeerd en achtergesteld zijn, met inbegrip van mezzanineschulden, en in sommige gevallen converteerbaar zijn in eigen vermogen, dan wel als preferente aandelen;

67. 

„garantie” (in het kader van de delen 1, 3 en 7 van deze verordening): een schriftelijke aansprakelijkheidsverklaring voor het geheel of een deel van nieuw geproduceerde risicofinancieringskrediettransacties zoals schuld- of leasinginstrumenten, alsmede quasi-eigenvermogensinstrumenten;

68. 

„garantiepercentage”: het percentage van de dekking door een publieke investeerder van de verliezen op elke individuele transactie die in het kader van de desbetreffende staatssteunmaatregel in aanmerking komt;

69. 

„uittreding” (exit): liquidatie van een deelneming door een financiële intermediair of een investeerder, met inbegrip van trade sale, afschrijving, terugbetaling van aandelen/leningen, verkoop aan een andere financiële intermediair of andere investeerder, verkoop aan een financiële instelling en verkoop via een openbare aanbieding, met inbegrip van een eerste openbare aanbieding (IPO);

70. 

„financiële dotatie”: een terug te betalen publieke investering in een financiële intermediair met het oog op investeringen in het kader van een risicofinancieringsmaatregel en waarbij alle opbrengsten naar de publieke investeerder moeten terugvloeien;

71. 

„risicofinancieringsinvestering”: investeringen in de vorm van eigen vermogen, quasi-eigen-vermogen, leningen, garanties, of een mix daarvan, in in aanmerking komende ondernemingen met het oog op nieuwe investeringen;

72. 

„onafhankelijke particuliere investeerder”: een particuliere investeerder die geen aandeelhouder is van de in aanmerking komende onderneming waarin hij investeert, met inbegrip van business angels en financiële instellingen, ongeacht hun eigendomsstructuur, voor zover zij het volledige risico van hun investering dragen. Bij de oprichting van een nieuwe onderneming worden particuliere investeerders, met inbegrip van de oprichters, beschouwd als onafhankelijk van die onderneming;

73. 

„natuurlijke persoon” (voor de toepassing van de artikelen 21 en 23): een persoon niet zijnde een rechtspersoon die geen onderneming is voor de toepassing van artikel 107, lid 1, van het Verdrag;

74. 

„investering in de vorm van eigen vermogen”: het verschaffen aan een onderneming van kapitaal, dat direct of indirect wordt geïnvesteerd in ruil voor eigenaarschap van een overeenkomstig deel van die onderneming;

75. 

„eerste commerciële verkoop”: de eerste verkoop door een onderneming op een product- of dienstenmarkt, met uitsluiting van beperkte verkopen om de markt te testen;

76. 

„niet-beursgenoteerde kmo”: een kmo die niet is toegelaten tot de officiële notering van een effectenbeurs, met uitzondering van alternatieve handelsplatforms;

77. 

„vervolginvestering”: verdere risicofinancieringsinvestering in een onderneming na één of meerdere voorafgaande risicofinancieringsinvesteringsrondes;

78. 

„vervangingskapitaal”: de aankoop van bestaande aandelen in een onderneming van een vroegere investeerder of aandeelhouder;

79. 

„met het beheer belaste entiteit”: de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds, een internationale financiële instelling waarin een lidstaat aandeelhouder is, of een in een lidstaat gevestigde financiële instelling die een openbaar belang nastreeft onder toezicht van een overheid, een publiekrechtelijk lichaam of een privaatrechtelijk lichaam met een publieke taak. Deze met het beheer belaste entiteit kan worden geselecteerd of rechtstreeks worden aangesteld overeenkomstig de voorwaarden van Richtlijn 2004/18/EG van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten ( 8 ), of latere wetgeving die deze richtlijn geheel of ten dele vervangt;

80. 

„innovatieve onderneming”: een onderneming:

a) 

die aan de hand van een door een externe deskundige uitgevoerde evaluatie kan aantonen dat zij in de voorzienbare toekomst producten, diensten of procedés zal ontwikkelen die in technologisch opzicht nieuw zijn of een wezenlijke verbetering inhouden ten opzichte van de huidige stand van de techniek in deze sector, en die een risico op technologische of industriële mislukking inhouden, of

b) 

waarvan de kosten voor onderzoek en ontwikkeling ten minste 10 % bedragen van haar totale exploitatiekosten in ten minste één van de drie jaren voorafgaande aan de toekenning van de steun of, in het geval van een startende onderneming zonder enige financiële voorgeschiedenis, bij de audit van haar lopende belastingjaar, gecertificeerd door een onafhankelijke accountant;

81. 

„alternatief handelsplatform”: een multilaterale handelsfaciliteit (Multilateral Trading Facility — MTF) in de zin van artikel 4, lid 1, punt 15, van Richtlijn 2004/39/EG, waarbij de meeste financiële instrumenten die tot de handel zijn toegelaten, zijn uitgegeven door kmo's;

82. 

„lening”: een overeenkomst die de kredietgever verplicht een overeengekomen geldbedrag voor een overeengekomen termijn ter beschikking te stellen aan de kredietnemer en waarbij de kredietnemer verplicht is dat bedrag binnen de overeengekomen termijn terug te betalen. Dit instrument kan de vorm aannemen van leningen of andere financieringsinstrumenten daaronder begrepen leasing, die de leninggever een overheersend bestanddeel van minimumopbrengst bieden. De herfinanciering van bestaande leningen geldt niet als een in aanmerking komende lening;

Definities voor steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie

83. 

►C1  „organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding”: een entiteit (zoals universiteiten of onderzoeksinstellingen, agentschappen voor technologieoverdracht, innovatie-intermediairs, entiteiten voor fysieke of virtuele onderzoeksgerichte samenwerking), ongeacht haar rechtsvorm (publiek- of privaatrechtelijke organisatie) of financieringswijze, die zich in hoofdzaak bezighoudt met het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, of met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht. ◄ Wanneer dit soort entiteit ook economische activiteiten uitoefent, moet met betrekking tot de financiering, de kosten en de inkomsten van die economische activiteiten een gescheiden boekhouding worden gevoerd. Ondernemingen die een beslissende invloed over dit soort entiteit kunnen uitoefenen in hun hoedanigheid van bijvoorbeeld aandeelhouder of lid van de organisatie, mogen geen preferente toegang tot de onderzoekscapaciteit van deze entiteit of tot de door haar verkregen onderzoeksresultaten genieten;

84. 

„fundamenteel onderzoek”: experimentele of theoretische werkzaamheden die voornamelijk worden verricht om nieuwe kennis te verwerven over de fundamentele aspecten van verschijnselen en waarneembare feiten, zonder dat hiermee een directe commerciële toepassing of een direct commercieel gebruik wordt beoogd;

85. 

„industrieel onderzoek”: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving en/of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie;

86. 

„experimentele ontwikkeling”: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten.

Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden.

Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;

87. 

„haalbaarheidsstudie”: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn;

88. 

„personeelskosten”: de kosten van onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het betrokken project of de betrokken activiteit bezighouden;

89. 

„op arm's length”: de voorwaarden van de transactie tussen de contractpartijen wijken niet af van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure wordt geacht te voldoen aan het arm's length-beginsel;

90. 

„daadwerkelijke samenwerking”: samenwerking tussen ten minste twee onafhankelijke partijen om kennis of technologie uit te wisselen of om een gemeenschappelijke doelstelling op basis van een taakverdeling te bereiken, waarbij de partijen samen de omvang van het samenwerkingsproject bepalen, bijdragen aan de tenuitvoerlegging ervan, en het risico en de resultaten ervan delen. Eén of meer partijen kunnen de volledige kosten van het project dragen en zodoende de andere partijen bevrijden van de aan het project verbonden financiële risico's. Contractonderzoek en het verrichten van onderzoeksdiensten worden niet als vormen van samenwerking beschouwd;

91. 

„onderzoeksinfrastructuur”: faciliteiten, middelen en verwante diensten die door de wetenschappelijke gemeenschap worden gebruikt om op hun respectieve vakgebied onderzoek te verrichten. Hierbij gaat het om: wetenschappelijke uitrusting of sets wetenschappelijke instrumenten; kennisgebaseerde hulpbronnen zoals verzamelingen, archieven of gestructureerde wetenschappelijke informatie; ict-gebaseerde enabling infrastructuur zoals gridnetwerken, computers, software en communicatie, of iedere andere entiteit met een uniek karakter die onontbeerlijk is om onderzoek te kunnen verrichten. Dit soort infrastructuur kan zich op één enkele locatie bevinden (single-sited) dan wel verspreid zijn (distributed) (een georganiseerd netwerk van hulpbronnen) in de zin van artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 723/2009 van de Raad van 25 juni 2009 betreffende een communautair rechtskader voor een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC) ( 9 );

92. 

„innovatieclusters”: structuren of georganiseerde groeperingen van onafhankelijke partijen (zoals innovatieve starters, kleine, middelgrote en grote ondernemingen, maar ook organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, niet-commerciële organisaties en andere verwante economische spelers) die tot doel hebben innovatieve activiteiten te stimuleren door het delen van faciliteiten en de uitwisseling van kennis en deskundigheid te bevorderen, en door daadwerkelijk bij te dragen aan technologieoverdracht, netwerking, informatieverspreiding en samenwerking tussen de ondernemingen en andere organisaties binnen het cluster;

93. 

„hooggekwalificeerd personeel”: personeel met een tertiaire opleiding en ten minste vijf jaar relevante beroepservaring, waarin ook doctoraatsopleidingen kunnen meetellen;

94. 

„innovatieadviesdiensten”: consulting, bijstand en opleiding op het gebied van kennisoverdracht, verwerving, bescherming en exploitatie van immateriële activa, het gebruik van standaarden en regels waarin deze zijn vastgelegd;

95. 

„innovatieondersteuningsdiensten”: het verschaffen van kantoorruimte, databanken, bibliotheken, marktonderzoek, laboratoria, diensten in verband met kwaliteitslabels, testen en certificatie met het oog op de ontwikkeling van doeltreffendere producten, procedés of diensten;

96. 

„organisatie-innovatie”: de toepassing van een nieuwe organisatiemethode in de bedrijfsvoering, in de organisatie op de werkvloer of in de externe betrekkingen van een onderneming, maar met uitsluiting van veranderingen die zijn gebaseerd op organisatiemethoden die reeds in gebruik zijn in de onderneming, veranderingen in de managementstrategie, fusies en acquisities, het niet meer gebruiken van een procedé, eenvoudige vervangings- en uitbreidingsinvesteringen, veranderingen die louter het gevolg zijn van prijswijzigingen voor productiefactoren, aanpassingen op maat, lokalisatie, gebruikelijke, seizoens- en andere cyclische veranderingen, het verhandelen van nieuwe of sterk verbeterde producten;

97. 

„procesinnovatie”: de toepassing van een nieuwe of sterk verbeterde productie- of leveringsmethode (daaronder begrepen aanzienlijke veranderingen in technieken, uitrusting of software), maar met uitsluiting van geringe veranderingen of verbeteringen, verhogingen van de productie- of dienstverleningscapaciteit door de toevoeging van productie- of logistieke systemen die sterk gelijken op die welke reeds in gebruik zijn, het niet meer gebruiken van een procedé, eenvoudige vervangings- en uitbreidingsinvesteringen, veranderingen die louter het gevolg van prijswijzigingen voor productiefactoren zijn, aanpassingen op maat, lokalisatie, gebruikelijke seizoens- en andere cyclische veranderingen, het verhandelen van nieuwe of sterk verbeterde producten;

98. 

„detachering”: de tijdelijke indienstneming van personeel door een begunstigde, waarna het personeel het recht heeft naar zijn vorige werkgever terug te keren;

Definities voor steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap

99. 

„uiterst kwetsbare werknemer”: een persoon die:

a) 

gedurende ten minste 24 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gehad, of

b) 

gedurende ten minste twaalf maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gehad en behoort tot één van de categorieën b) tot en met g) vermeld onder de definitie van „kwetsbare werknemer”;

100. 

„sociale werkvoorziening”: werkgelegenheid in een onderneming waarvan het personeelsbestand voor ten minste 30 % uit werknemers met een handicap bestaat;

Definities van toepassing op steun voor milieubescherming

101. 

„milieubescherming”: elke maatregel die is gericht op preventie of herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van een begunstigde, op beperking van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, daaronder begrepen energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

102. 

„Unienorm”:

a) 

een verplichte Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, of

b) 

de verplichting op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 10 ) om de beste beschikbare technieken (BAT's) te gebruiken en ervoor te zorgen dat de emissieniveaus van verontreinigende stoffen niet hoger zijn dan bij de toepassing van de BAT's. Voor de gevallen waarin de met de BAT's geassocieerde emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze verordening. Wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waar de BAT het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn;

▼M4

102 

bis. „oplaadinfrastructuur”: vaste of mobiele infrastructuur om wegvoertuigen van elektriciteit te voorzien;

102ter. 

„tankinfrastructuur”: vaste of mobiele infrastructuur om wegvoertuigen van waterstof te voorzien;

102quater. 

„hernieuwbare waterstof”: waterstof geproduceerd door middel van elektrolyse van water (in een elektrolyser die op elektriciteit uit hernieuwbare bronnen werkt), of door de reforming van biogas of de biochemische omzetting van biomassa, mits aan de duurzaamheidscriteria bedoeld in artikel 29 van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ( 11 ) wordt voldaan;

▼B

103. 

„energie-efficiëntie”: een hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door het verbruik vóór en ná de invoering van een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie te meten en/of te ramen, gecorrigeerd voor externe factoren die het energieverbruik beïnvloeden;

▼M4

103 

bis. „woongebouw”: gebouw dat uitsluitend uit eengezins- of meergezinswoningen bestaat;

103ter. 

„sociale diensten”: duidelijk omschreven diensten die voorzien in sociale behoeften, met name wat betreft gezondheidszorg en langdurige zorg, kinderopvang, toegang tot de arbeidsmarkt en herintreding, sociale huisvesting (huisvesting voor achterstandsgroepen of sociaal zwakkere groepen die, door solvabiliteitsbeperkingen, geen huisvesting tegen marktvoorwaarden kunnen vinden) en de zorg voor en de sociale inclusie van kwetsbare groepen (zoals toegelicht in overweging 11 van Besluit 2012/21/EU van de Commissie ( 12 ));

103quater. 

„digitalisering”: de introductie van technologieën gebaseerd op elektronische apparaten en/of systemen die het mogelijk maken de functionaliteit van producten te vergroten, onlinediensten te ontwikkelen, processen te moderniseren, of te migreren naar bedrijfsmodellen die gebaseerd zijn op de uitschakeling van de tussenhandel bij de productie van goederen en het verrichten van diensten, hetgeen uiteindelijk een transformerend effect zal opleveren;

103quinquies. 

„gereedheid voor slimme toepassingen”: het vermogen van gebouwen (of gebouwunits) om hun werking aan te passen aan de behoeften van de gebruiker, met inbegrip van het optimaliseren van de energie-efficiëntie en de algemene prestaties, en hun werking aan te passen aan signalen van het net;

103sexies. 

„kleine midcaponderneming”: een andere onderneming dan een kmo, met niet meer dan 499 werknemers, berekend overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6 van bijlage I, waarvan de jaaromzet 100 miljoen EUR niet overschrijdt of het jaarlijkse balanstotaal 86 miljoen EUR niet overschrijdt; entiteiten worden als één onderneming beschouwd wanneer aan een van de in artikel 3, lid 3, van bijlage I genoemde voorwaarden is voldaan;

▼B

104. 

„energie-efficiëntieproject”: een investeringsproject dat de energie-efficiëntie van een gebouw verhoogt;

105. 

„energie-efficiëntiefonds”: een gespecialiseerd investeringsvehikel dat is opgezet om te investeren in energie-efficiëntieprojecten ter verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen zowel in als buiten de woningsector. Energie-efficiëntiefondsen worden beheerd door een manager van een energie-efficiëntiefonds;

106. 

„manager van een energie-efficiëntiefonds”: een professioneel managementbedrijf met rechtspersoonlijkheid dat in aanmerking komende energie-efficiëntieprojecten selecteert en daarin investeert;

107. 

„hoogrenderende warmtekrachtkoppeling”: warmtekrachtkoppeling die voldoet aan de definitie van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG ( 13 );

108. 

„warmtekrachtkoppeling” (wkk): gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;

109. 

„energie uit hernieuwbare energiebronnen”: energie geproduceerd met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de energie die met hernieuwbare energiebronnen wordt opgewekt in hybride installaties die ook met conventionele energiebronnen werken. Hieronder valt ook voor accumulatiesystemen gebruikte hernieuwbare elektriciteit, maar niet elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is;

110. 

„hernieuwbare energiebronnen”: de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: windenergie, zonne-energie, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;

111. 

„biobrandstof”: vloeibare of gasvormige transportbrandstof die uit biomassa is gewonnen;

112. 

„duurzame biobrandstoffen”: biobrandstoffen die voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG;

113. 

„biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen”: biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen in de zin van het voorstel van de Commissie voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ( 14 );

114. 

„nieuwe en innovatieve technologie”: een ten opzichte van de huidige stand van de techniek nieuwe en nog niet bewezen technologie, die een risico op technologische of industriële mislukking inhoudt en geen optimalisatie of opschaling is van een bestaande technologie;

115. 

„balanceringstaken”: de verantwoordelijkheid voor alle onderlinge afwijkingen (onbalans) tussen productie, verbruik en commerciële transacties van een marktpartij (of de door deze gekozen vertegenwoordiger), de zogeheten balanceringsverantwoordelijke, binnen een bepaalde periode, de zogeheten periode voor onbalansverrekening;

116. 

„standaardbalanceringstaken”: niet-discriminerende technologieneutrale balanceringstaken waarvan producenten niet kunnen worden vrijgesteld;

117. 

„biomassa”: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede biogas en de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;

118. 

„totale levelized costs van energieproductie” (totale LCOE's): een berekening van de kosten van het opwekken van elektriciteit bij het aansluitpunt op het oplaadnetwerk of elektriciteitsnet. Deze omvatten het initiële kapitaal, de disconteringsvoet en de kosten van de productie in continubedrijf, de brandstof en het onderhoud;

119. 

„milieubelasting”: een belasting met een bijzondere heffingsgrondslag die een duidelijk negatief milieueffect heeft, of die bepaalde activiteiten, goederen of diensten wil belasten zodat de milieukosten in de prijs ervan kunnen worden opgenomen en/of de producenten en verbruikers worden toegeleid naar activiteiten die milieuvriendelijker zijn;

120. 

„Unieminimumbelastingniveau”: het in de Uniewetgeving vastgestelde minimumbelastingniveau. Voor energieproducten en elektriciteit wordt hieronder verstaan het in bijlage I bij Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit ( 15 ) vastgestelde minimumbelastingniveau;

121. 

„verontreinigd terrein”: een terrein waarvan met zekerheid is vastgesteld dat er ten gevolge van menselijk toedoen gevaarlijke stoffen zijn aangetroffen in zodanige concentraties dat zij een ernstig risico voor de volksgezondheid of het milieu vormen, rekening houdende met het huidige en het goedgekeurde toekomstige gebruik van de grond;

122. 

„het beginsel de vervuiler betaalt”: het beginsel dat de kosten van het bestrijden van de vervuiling moeten worden gedragen door de vervuiler die de vervuiling heeft veroorzaakt;

123. 

„vervuiling”: de schade die een vervuiler veroorzaakt door het milieu direct of indirect schade toe te brengen of door de voorwaarden te scheppen die deze schade aan de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen veroorzaken;

124. 

„energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling”: een systeem voor stadsverwarming en -koeling dat voldoet aan de in de punten 41 en 42 van artikel 2 van Richtlijn 2012/27/EU gegeven definitie van een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling. Onder deze definitie vallen de verwarmings-/koelingsinstallaties en het netwerk (met inbegrip van de daarmee verband houdende faciliteiten) die nodig zijn om de warmte/koeling van bij de productie-eenheden tot bij de locatie van de klanten te brengen;

125. 

„vervuiler”: degene die direct of indirect schade toebrengt aan het milieu of de voorwaarden schept die deze schade veroorzaken;

126. 

„hergebruik”: elke handeling waarbij producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld;

127. 

„voorbereiding voor hergebruik”: elke nuttige toepassing bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten die afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze kunnen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is;

128. 

„recycling”: elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden verwerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dit omvat het opnieuw bewerken van organisch afval, maar het omvat niet energieterugwinning, noch het opwerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;

129. 

„huidige stand van de techniek”: een proces waarin het hergebruik van een afvalproduct om een eindproduct te maken, een economisch winstgevende normale praktijk is. Indien nodig, moet het concept „huidige stand van de techniek” worden geïnterpreteerd vanuit een Uniaal technologisch en interne-markt-perspectief.

130. 

„energie-infrastructuur”: alle fysieke uitrusting of faciliteit die gelegen is binnen de Unie of die de Unie verbindt met één of meer derde landen en die onder de volgende categorieën valt:

a) 

wat elektriciteit betreft:

i) 

infrastructuur voor transmissie in de zin van artikel 2, lid 3, van Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit ( 16 );

ii) 

infrastructuur voor distributie in de zin van artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2009/72/EG;

iii) 

„elektriciteitsopslag”: faciliteiten gebruikt voor de permanente of tijdelijke opslag van elektriciteit in boven- of ondergrondse infrastructuur of geologische locaties, mits deze direct zijn aangesloten op hoogspanningstransmissielijnen ontworpen voor een spanning van 110 kV of meer;

iv) 

alle uitrusting of installaties die van essentieel belang zijn om de in punten i) tot en met iii) omschreven systemen op een veilige, betrouwbare en efficiënte wijze te laten functioneren, met inbegrip van beschermings-, monitorings- en toezichtssystemen op alle spanningsniveaus en onderstations, en

v) 

„slimme netten”: alle uitrusting, lijnen, kabels of installaties, zowel op transmissie- als op middenspanningsdistributieniveau, die moet dienen voor digitale tweewegs communicatie, (bijna) realtime, interactieve en intelligente monitoring en sturing van elektriciteitsproductie, -transmissie, -distributie en -verbruik binnen een elektriciteitsnetwerk, met het oog op de ontwikkeling van een netwerk dat op efficiënte wijze het gedrag en de acties van alle op het netwerk aangesloten gebruikers (producenten, verbruikers en producenten-verbruikers) integreert, om zo een economisch doelmatig en duurzaam elektriciteitsnet tot stand te brengen met slechts beperkte verliezen, dat van hoge kwaliteit is, met grote voorzieningszekerheid en goed beveiligd;

b) 

wat gas betreft:

i) 

transmissie- en distributiepijpleidingen voor het transport van aardgas en biogas die deel uitmaken van een netwerk, met uitsluiting van hogedrukpijpleidingen die worden gebruikt voor de upstreamdistributie van aardgas;

ii) 

de met de in punt i) bedoelde hogedrukgaspijpleidingen verbonden ondergrondse opslagfaciliteiten;

iii) 

faciliteiten voor de ontvangst, opslag en hervergassing of decompressie van vloeibaar aardgas (LNG) of gecomprimeerd aardgas (CNG), en

iv) 

alle uitrusting of installaties die van essentieel belang zijn voor een veilige, betrouwbare en efficiënte exploitatie van het net of om een bidirectionele capaciteit mogelijk te maken, met inbegrip van compressorstations;

c) 

wat olie betreft:

i) 

pijpleidingen voor het transport van ruwe aardolie;

ii) 

pompstations en opslagfaciliteiten die nodig zijn voor het functioneren van pijpleidingen voor ruwe aardolie, en

iii) 

alle uitrusting of installaties die van essentieel belang zijn om het net in kwestie op een behoorlijke, betrouwbare en efficiënte wijze te laten functioneren, met inbegrip van beschermings-, monitorings- en toezichtssystemen en reverse-flow-apparatuur;

d) 

wat CO2 betreft: netwerk van pijpleidingen, met inbegrip van de benodigde boosterpompstations, voor het transport van CO2 naar opslaglocaties, om het CO2 daar te injecteren in geschikte ondergrondse geologische formaties met het oog op permanente opslag;

131. 

„wetgeving inzake de interne energiemarkt”: omvat Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit, Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas ( 17 ), Verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators ( 18 ), Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit ( 19 ), en Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten ( 20 ), of latere wetgeving die deze wetgeving geheel of ten dele vervangt;

Definities van toepassing op sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden

132. 

„normale verblijfplaats”: de plaats waar iemand gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen verblijft. In het geval van iemand die haar/zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan haar/zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer lidstaten verblijft, wordt de normale verblijfplaats geacht zich op dezelfde plaats als haar/zijn persoonlijke bindingen te bevinden. Wanneer iemand in een lidstaat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur, wordt de verblijfplaats geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als haar/zijn persoonlijke bindingen, ongeacht of zij/hij daar tijdens die activiteit terugkeert. Het feit dat in een andere lidstaat college wordt gelopen of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst. Het begrip „normale verblijfplaats” kan echter ook de betekenis hebben die in het nationale recht van lidstaten daaraan wordt gegeven;

Definities voor steun ten behoeve van breedbandinfrastructuur

▼M4 —————

▼B

134. 

„civieltechnische werkzaamheden voor breedband”: civieltechnische werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de uitrol van een breedbandnetwerk, zoals het openleggen van een straat om de aanleg van (breedband)buizen mogelijk te maken;

135. 

„buizen”: ondergrondse pijpen of doorvoeren die worden gebruikt om (vezel-, koper- of coax-)kabels van een breedbandnetwerk in onder te brengen;

136. 

„fysieke ontbundeling”: het verlenen van toegang tot de aansluitlijn van de eindgebruiker, hetgeen concurrenten de mogelijkheid biedt om data rechtstreeks en over hun eigen transmissiesystemen door te geven;

▼M4

137. 

„passief netwerk”: een netwerk zonder actieve elementen, zoals: civieltechnische infrastructuur, buizen, leidingen, inspectiekamers, mangaten, dark fibre, kasten, stroomvoorziening, antenne-installaties, passieve antennes, masten, palen en torens;

▼M4 —————

▼B

139. 

„wholesaletoegang”: toegang waarmee een exploitant de faciliteiten van een andere exploitant kan gebruiken. De ruimst mogelijke toegang die via het betrokken netwerk moet worden verleend, omvat, op basis van de huidige technologische ontwikkelingen, ten minste de volgende toegangsproducten: voor FTTH/FTTB-netwerken: toegang tot buizen, toegang tot dark fibre, ontbundelde toegang tot de local loop en bitstroomtoegang; voor kabelnetwerken: toegang tot buizen en bitstroomtoegang; voor FFTC-netwerken: toegang tot buizen, subloopontbundeling (SLU) en bitstroomtoegang; voor passieve netwerkinfrastructuur: toegang tot buizen, toegang tot dark fibre en/of ontbundelde toegang tot de local loop; voor ADSL-gebaseerde breedbandnetwerken: ontbundelde toegang tot de local loop, bitstroomtoegang; voor mobiele of draadloze netwerken: bitstroom, medegebruik van fysieke masten en toegang tot de backhaulnetwerken, en voor satellietplatforms: bitstroomtoegang;

▼M4

139 

bis. „aansluitbare panden”: panden die binnen een korte termijn tegen de normale activeringsvergoeding voor de eindgebruiker kunnen worden aangesloten, ongeacht of deze panden op het netwerk zijn aangesloten. Een exploitant geeft een pand alleen als aansluitbaar op indien hij zich ertoe verbindt om het pand, na een verzoek van een eindgebruiker, aan te sluiten tegen normale activeringsvergoedingen, d.w.z. zonder extra of uitzonderlijke kosten, die in elk geval niet hoger zijn dan de gemiddelde kosten in de betrokken lidstaat. De aanbieder van elektronische-communicatienetwerken en -diensten is in staat de dienst in het specifieke pand binnen vier weken na de datum van het verzoek aan te sluiten en te activeren;

139ter. 

„sociaal-economische actoren”: entiteiten die door hun opdracht, aard of locatie direct of indirect belangrijke sociaal-economische voordelen kunnen genereren voor burgers, bedrijven en lokale gemeenschappen in hun regio of hun invloedssfeer, met inbegrip van overheidsinstanties, publieke of private ondernemingen die belast zijn met het beheer van diensten van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, lid 2, van het Verdrag, alsmede sterk gedigitaliseerde ondernemingen;

139quater. 

„5G-corridor”: vervoerstrajecten, wegen, spoorwegen of binnenwateren, die volledig worden gedekt door infrastructuur voor digitale connectiviteit en met name 5G-systemen, waardoor de ononderbroken levering van digitale synergiediensten in de zin van Verordening (EU) 2021/1153 van het Europees Parlement en de Raad ( 21 ), zoals geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit, soortgelijke slimme mobiliteitsdiensten voor het spoor of digitale connectiviteit op binnenwateren mogelijk is;

▼B

Definities voor steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed

140. 

„moeilijke audiovisuele werken”: de werken die de lidstaten op basis van vooraf vastgestelde criteria als dusdanig hebben geïdentificeerd bij het opzetten van regelingen of de toekenning van steun, waarbij het kan gaan om films waarvan de originele versie alleen bestaat in een taal van een lidstaat met een beperkt grondgebied, laag bevolkingsaantal of klein taalgebied, of om kortfilms, debuutfilms of tweede films van jonge regisseurs, documentaires, lowbudgetfilms of commercieel anderszins moeilijke werken;

141. 

„lijst van het Development Assistance Committee (DAC) van de OESO” (OESO/DAC-lijst): alle landen en territoria die in aanmerking komen voor het ontvangen van officiële ontwikkelingshulp en die zijn opgenomen in de door Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) opgestelde lijst;

142. 

„redelijke winst”: wordt bepaald ten opzichte van de voor de betrokken sector gebruikelijke winst. Hoe dan ook zal een rendement op kapitaal dat niet hoger ligt dan de relevante swaprente, met een opslag van 100 basispunten, als redelijk worden beschouwd;

Definities voor steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur

143. 

„profsport”: sportbeoefening in loondienst uitgeoefend of als bezoldigde dienst verricht, ongeacht of er een formele arbeidsovereenkomst tussen de profsporter en de betrokken sportorganisatie is opgesteld, waarbij de vergoeding hoger ligt dan de deelnemingskosten en een aanzienlijk deel van het inkomen van de sportbeoefenaar vormt. Reis- en verblijfsonkosten om aan een sportevenement deel te nemen, worden voor de toepassing van deze verordening niet als vergoeding beschouwd.

▼M1

Definities voor steun voor regionale luchthavens

144. 

„luchthaveninfrastructuur”: infrastructuur en uitrusting voor het verrichten van luchthavendiensten door de luchthaven voor luchtvaartmaatschappijen en de diverse dienstverrichters, met inbegrip van start- en landingsbanen, terminals, platforms, taxibanen, gecentraliseerde grondafhandelingsinfrastructuur en alle andere voorzieningen die de luchthavendiensten rechtstreeks ondersteunen, evenwel met uitsluiting van infrastructuur en uitrusting die in hoofdzaak noodzakelijk is voor het uitoefenen van niet-luchtvaartgebonden activiteiten;

145. 

„luchtvaartmaatschappij”: een luchtvaartmaatschappij met een geldige exploitatievergunning afgegeven door een lidstaat of een lid van de Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte (ECAA), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad ( 22 );

146. 

„luchthaven”: een entiteit of groep entiteiten die de economische activiteit verricht van het verlenen van luchthavendiensten aan luchtvaartmaatschappijen;

147. 

„luchthavendiensten”: diensten die een luchthaven of een van haar dochterondernemingen voor luchtvaartmaatschappijen verricht, om de afhandeling te verzorgen van vliegtuigen (van landing tot start) en van passagiers en vracht, zodat luchtvaartmaatschappijen luchtvervoersdiensten kunnen aanbieden, met inbegrip van het verrichten van grondafhandelingsdiensten en het beschikbaar stellen van gecentraliseerde grondafhandelingsinfrastructuur;

148. 

„gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom”: een aantal dat wordt bepaald op basis van de stromen inkomende en uitgaande passagiers gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun wordt toegekend;

149. 

„gecentraliseerde grondafhandelingsinfrastructuur”: infrastructuur die normaal gesproken wordt geëxploiteerd door de luchthavenbeheerder en die tegen een vergoeding ter beschikking wordt gesteld van de diverse verrichters van grondafhandelingsdiensten die op de luchthaven werkzaam zijn, met uitzondering van uitrusting die eigendom is van of wordt geëxploiteerd door de verrichters van grondafhandelingsdiensten;

150. 

„hogesnelheidstrein”: een trein die snelheden van meer dan 200 km/h kan halen;

151. 

„grondafhandelingsdiensten”: diensten die op luchthavens voor luchthavengebruikers worden verricht, zoals beschreven in de bijlage bij Richtlijn 96/67/EG van de Raad ( 23 );

152. 

„niet-luchtvaartgebonden activiteiten”: commerciële diensten verricht voor luchtvaartmaatschappijen of andere gebruikers van de luchthaven, met inbegrip van ondersteunende diensten voor passagiers, expediteurs of andere dienstverrichters, het verhuren van kantoren en winkels, parkeerruimten of parkeergarages en hotels;

153. 

„regionale luchthaven”: een luchthaven met een gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom van maximaal drie miljoen passagiers;

Definities voor steun voor havens

154. 

„haven”: een uit land en water bestaand gebied met infrastructuur en uitrusting die dient voor de ontvangst van vaartuigen, het laden en lossen daarvan, de opslag van goederen, het in ontvangst nemen en leveren van die goederen, en het in- en ontschepen van passagiers, bemanning en andere personen, en alle andere voor vervoersbedrijven in de haven noodzakelijke infrastructuur;

155. 

„zeehaven”: een haven die voornamelijk dient voor de ontvangst van zeeschepen;

156. 

„binnenhaven”: een haven niet zijnde een zeehaven die dient voor de ontvangst van binnenvaartschepen;

157. 

„haveninfrastructuur”: infrastructuur en faciliteiten voor het verrichten van vervoergerelateerde havendiensten, zoals ligplaatsen die voor het afmeren van schepen worden gebruikt, kademuren, aanlegsteigers en drijvende pontons in getijdegebieden, dokken, gedempte gronden en landaanwinningen, infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en ontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen;

158. 

„havensuprastructuur”: voorzieningen aan de oppervlakte (zoals voor opslag), vaste installaties (zoals opslagloodsen en terminals) en mobiele installaties (zoals kranen) in een haven voor het verrichten van vervoergerelateerde havendiensten;

159. 

„toegangsinfrastructuur”: alle soorten infrastructuurvoorzieningen die nodig zijn voor de toegang van de gebruikers tot een haven en de binnenkomst in een haven vanaf land of de zee en rivieren, zoals wegen, spoorlijnen, toegangsgeulen en sluizen;

160. 

„baggeren”: het verwijderen van slib van de bodem van een toegangsvaarweg naar een haven of in een haven;

161. 

„infrastructuur voor alternatieve brandstoffen”: vaste, mobiele of offshore haveninfrastructuur waarmee een haven vaartuigen kan voorzien van energiebronnen zoals elektriciteit, waterstof, biobrandstoffen in de zin van artikel 2, onder i), van Richtlijn 2009/28/EG, synthetische en paraffinehoudende brandstoffen, aardgas, met inbegrip van biomethaan, in gasvorm (gecomprimeerd aardgas (cng) en vloeibaar aardgas (lng)) en vloeibaar gemaakt petroleumgas (lpg) die, althans gedeeltelijk, dienen als vervanging van fossiele oliebronnen in de energievoorziening voor vervoer en die ertoe kunnen bijdragen dat de energievoorziening koolstofvrij wordt en de milieuprestaties van de vervoerssector verbeteren;

162. 

„vaartuigen”: drijvende constructies, al dan niet met eigen voortstuwingsvermogen, met waterverplaatsende romp;

163. 

„zeeschepen”: schepen niet zijnde schepen die uitsluitend of hoofdzakelijk varen op de binnenwateren of op wateren binnen of nauw grenzend aan beschutte wateren;

164. 

„binnenvaartschepen”: schepen die uitsluitend of hoofdzakelijk varen op de binnenwateren of op wateren binnen of nauw grenzend aan beschutte wateren;

165. 

„infrastructuur voor de ontvangst van scheepsafval of ladingresiduen”: vaste, drijvende of mobiele havenvoorzieningen die geschikt zijn voor de ontvangst van scheepsafval of ladingresiduen in de zin van Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 24 ).

▼M4

Definities voor steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten (termen die onder andere rubrieken van dit artikel worden gedefinieerd, hebben de daarin vastgestelde betekenis, ook voor steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten)

166. 

„InvestEU-fonds”, „EU-garantie”, „financieel product”„nationale stimuleringsbanken of -instellingen” en „uitvoerende partner” hebben de in artikel 2 van Verordening (EU) 2021/523 gedefinieerde betekenis;

167. 

„financiële intermediair”: voor de toepassing van deel 16, financiële intermediair in de zin van punt 34, met uitzondering van uitvoerende partners;

168. 

„commerciële financiële intermediair”: een financiële intermediair die handelt met winstoogmerk en volledig op eigen risico, zonder overheidsgarantie, waarbij nationale stimuleringsbanken of -instellingen niet als commerciële financiële intermediairs worden beschouwd;

169. 

„TEN-T-stedelijk knooppunt” heeft de in artikel 3, punt p), van Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 25 ) gedefinieerde betekenis;

170. 

„nieuwkomer”: een spoorwegonderneming in de zin van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 26 ), die aan de volgende voorwaarden voldoet:

a) 

zij heeft minder dan twintig jaar voordat de steun is toegekend, een vergunning overeenkomstig artikel 17, lid 3, van Richtlijn 2012/34/EU verkregen voor het desbetreffende marktsegment;

b) 

zij is niet verbonden in de zin van artikel 3, lid 3, van bijlage I bij deze verordening met een spoorwegonderneming die vóór 1 januari 2010 een vergunning in de zin van artikel 3, punt 14, van Richtlijn 2012/34/EU heeft verkregen;

171. 

„stadsvervoer”: vervoer binnen een stad of agglomeratie en de forensengebieden daarvan;

172. 

„ecosysteem”, „biodiversiteit” en „goede staat van een ecosysteem” hebben de betekenis zoals bepaald in artikel 2 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad ( 27 );

▼B

Artikel 3

Vrijstellingsvoorwaarden

Steunregelingen, individuele steun toegekend in het kader van steunregelingen en ad-hocsteun zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 2 of 3, van het Verdrag en zijn vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag mits die steun voldoet aan alle voorwaarden van hoofdstuk I van deze verordening en aan de specifieke voorwaarden die voor de desbetreffende steuncategorie in hoofdstuk III van deze verordening zijn vastgesteld.

Artikel 4

Aanmeldingsdrempels

1.  

Deze verordening is niet van toepassing op steun die de volgende drempels overschrijdt:

a) 

voor regionale investeringssteun: het bijgestelde steunbedrag, berekend volgens het in artikel 2, punt 20, vastgestelde mechanisme, voor een investering met 100 miljoen EUR in aanmerking komende kosten;

b) 

voor regionale stadsontwikkelingssteun: 20 miljoen EUR, zoals vastgesteld in artikel 16, lid 3;

c) 

voor investeringssteun voor kmo's: 7,5 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

d) 

voor consultancysteun voor kmo's: 2 miljoen EUR per onderneming per project;

e) 

voor steun aan kmo's ten behoeve van de deelneming aan beurzen: 2 miljoen EUR per onderneming per jaar;

▼M4

f) 

voor steun aan ondernemingen die aan projecten voor Europese territoriale samenwerking deelnemen: voor steun uit hoofde van artikel 20: 2 miljoen EUR per onderneming per project; voor steun uit hoofde van artikel 20 bis: de in artikel 20 bis, lid 2, vastgestelde bedragen per onderneming, per project;

▼B

g) 

voor risicofinancieringssteun: 15 miljoen EUR per in aanmerking komende onderneming, zoals vastgesteld in artikel 21, lid 9;

h) 

voor steun ten behoeve van startersbedrijven: de per onderneming in artikel 22, leden 3, 4 en 5, vastgestelde bedragen;

i) 

voor steun voor onderzoek en ontwikkeling:

i) 

indien het project overwegend fundamenteel onderzoek is: 40 miljoen EUR per onderneming per project; Dat is het geval wanneer meer dan de helft van de in aanmerking komende kosten van het project wordt gemaakt voor activiteiten die binnen de categorie „fundamenteel onderzoek” vallen;

▼C1

ii) 

indien het project overwegend industrieel onderzoek is: 20 miljoen EUR per onderneming per project; Dat is het geval wanneer meer dan de helft van de in aanmerking komende kosten van het project wordt gemaakt voor activiteiten die binnen de categorie „industrieel onderzoek” vallen of binnen de beide categorieën „industrieel onderzoek” en „fundamenteel onderzoek” samen;

▼B

iii) 

indien het project overwegend experimenteel onderzoek is: 15 miljoen EUR per onderneming per project; Dat is het geval wanneer meer dan de helft van de in aanmerking komende kosten van het project wordt gemaakt voor activiteiten die binnen de categorie „experimenteel onderzoek” vallen;

iv) 

indien het project een EUREKA-project is of ten uitvoer wordt gelegd in het kader van een gemeenschappelijke onderneming opgericht op grond van artikel 185 of artikel 187 van het Verdrag, worden de in de punten i), ii) en iii) genoemde bedragen verdubbeld;

v) 

indien de steun aan onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten wordt toegekend in de vorm van terugbetaalbare voorschotten die, bij gebreke van een geaccepteerde methode om het bruto-subsidie-equivalent ervan te berekenen, worden uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten, en de maatregel erin voorziet dat, ingeval van een succesvolle uitkomst van het project als omschreven op basis van een redelijke en prudente hypothese, de voorschotten zullen worden terugbetaald, vermeerderd met een rente die ten minste gelijk is aan de op het tijdstip van de steunverlening toepasselijke disconteringsvoet, kunnen de in de punten i) tot en met iv) bedoelde bedragen worden verhoogd met 50 %;

vi) 

indien het steun betreft voor technische haalbaarheidsstudies ter voorbereiding van onderzoeksactiviteiten: 7,5 miljoen EUR per studie;

▼M4

vii) 

indien het steun betreft aan kmo’s ten behoeve van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die het kwaliteitslabel „Excellentiekeur” hebben gekregen en die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 25 bis: het in artikel 25 bis genoemde bedrag;

viii) 

indien het steun betreft aan Marie Skłodowska-Curieacties en ERC-Proof of concept-acties die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 25 ter: de in artikel 25 ter bedoelde bedragen;

ix) 

indien het steun betreft welke is vervat in gecofinancierde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 25 quater: de in artikel 25 quater bedoelde bedragen;

x) 

indien het steun betreft voor teamvormingsacties: de in artikel 25 quinquies bedoelde bedragen;

▼B

j) 

voor investeringssteun voor onderzoeksinfrastructuur: 20 miljoen EUR per infrastructuur;

k) 

voor steun voor innovatieclusters: 7,5 miljoen EUR per cluster;

l) 

voor innovatiesteun voor kmo's: 5 miljoen EUR per onderneming per project;

m) 

voor steun voor proces- en organisatie-innovatie: 7,5 miljoen EUR per onderneming per project;

n) 

voor opleidingssteun: 2 miljoen EUR per opleidingsproject;

o) 

voor steun voor de aanwerving van kwetsbare werknemers: 5 miljoen EUR per onderneming per jaar;

p) 

voor steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de tewerkstelling van werknemers met een handicap: 10 miljoen EUR per onderneming per jaar;

q) 

voor steun ter compensatie van de bijkomende kosten voor de tewerkstelling van werknemers met een handicap: 10 miljoen EUR per onderneming per jaar;

r) 

voor steun ter compensatie van de kosten voor de begeleiding van kwetsbare werknemers: 5 miljoen EUR per onderneming per jaar;

▼M4

s) 

voor investeringssteun voor milieubescherming, met uitsluiting van investeringssteun voor publiek toegankelijke oplaad- of tankinfrastructuur voor emissiearme of emissievrije wegvoertuigen, investeringssteun voor de sanering van verontreinigde terreinen en steun voor het distributienetwerkgedeelte van de energie-efficiënte stadsverwarmings- en stadskoelingsinstallatie: 15 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject; 30 miljoen EUR voor steun voor investeringen in energie-efficiëntie in bepaalde gebouwen die binnen het toepassingsgebied van artikel 38, lid 3 bis, vallen; en 30 miljoen EUR van de totale nominale uitstaande financiering voor steun voor investeringen in energie-efficiëntie in bepaalde gebouwen die binnen het toepassingsgebied van artikel 38, lid 7; vallen;

▼M4

sbis) 

voor investeringssteun voor publiek toegankelijke oplaad- of tankinfrastructuur voor emissiearme of emissievrije voertuigen: 15 miljoen EUR per onderneming per project en, in het geval van regelingen, een gemiddeld jaarlijks budget van maximaal 150 miljoen EUR;

▼M4

t) 

voor investeringssteun ten behoeve van energie-efficiëntieprojecten: de in artikel 39, lid 5, vastgestelde bedragen;

▼B

u) 

voor investeringssteun voor de sanering van verontreinigde terreinen: 20 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

v) 

voor exploitatiesteun ten behoeve van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en exploitatiesteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen in kleinschalige installaties: 15 miljoen EUR per onderneming per project. Wanneer de steun wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure op grond van artikel 42: 150 miljoen EUR per jaar, rekening houdende met het gecombineerde budget van alle onder artikel 42 vallende regelingen;

w) 

voor investeringssteun voor het distributienetwerk voor stadsverwarming of -koeling: 20 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

x) 

voor investeringssteun voor energie-infrastructuur: 50 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

▼M4

y) 

voor steun ten behoeve van de uitrol van vaste breedbandnetwerken toegekend in de vorm van een subsidie: 100 miljoen EUR van de totale kosten per project; voor steun ten behoeve van vaste breedbandnetwerken toegekend in de vorm van een financieel instrument mag het nominale bedrag van de totale financiering die aan elke eindbegunstigde per project wordt toegekend, niet hoger zijn dan 150 miljoen EUR;

▼M4

bis) voor steun ten behoeve van de uitrol van mobiele 4G- of 5G-netwerken toegekend in de vorm van een subsidie: 100 miljoen EUR van de totale kosten per project; voor steun ten behoeve van mobiele 4G- of 5G-netwerken toegekend in de vorm van een financieel instrument mag het nominale bedrag van de totale financiering die aan elke eindbegunstigde per project wordt toegekend, niet hoger zijn dan 150 miljoen EUR;

yter) 

voor steun ten behoeve van bepaalde projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van trans-Europese infrastructuur voor digitale connectiviteit die in het kader van Verordening (EU) 2021/1153 wordt gefinancierd of waaraan uit hoofde van die verordening een kwaliteitslabel „Excellentiekeur” is toegekend: 100 miljoen EUR van de totale kosten per project; voor steun ten behoeve van projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van trans-Europese infrastructuur voor digitale connectiviteit toegekend in de vorm van een financieel instrument mag het nominale bedrag van de totale financiering die aan elke eindbegunstigde per project wordt toegekend, niet hoger zijn dan 150 miljoen EUR;

yquater) 

voor steun in de vorm van connectiviteitsvoucherregelingen: het totale staatssteunbudget voor 24 maanden voor alle connectiviteitsvoucherregelingen in een lidstaat mag niet meer bedragen dan 50 miljoen EUR (totaalbedrag met inbegrip van nationale, regionale of lokale voucherregelingen);

▼M1

z) 

voor investeringssteun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed: 150 miljoen EUR per project; voor exploitatiesteun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed: 75 miljoen EUR per onderneming per jaar;

▼B

aa) 

voor steunregelingen voor audiovisuele werken: 50 miljoen EUR per regeling per jaar;

▼M1

bb) 

voor investeringssteun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur: 30 miljoen EUR of de totale kosten indien deze meer dan 100 miljoen EUR per project bedragen; exploitatiesteun voor sportinfrastructuur: 2 miljoen EUR per infrastructuurvoorziening per jaar;

▼B

cc) 

voor investeringssteun voor lokale infrastructuurvoorzieningen: 10 miljoen EUR of de totale kosten indien deze meer dan 20 miljoen EUR bedragen voor dezelfde infrastructuurvoorziening;

▼M1

dd) 

voor steun voor regionale luchthavens: de in artikel 56 bis vastgestelde steunintensiteiten en steunbedragen;

ee) 

voor steun voor zeehavens: 130 miljoen EUR aan in aanmerking komende kosten per project (of 150 miljoen EUR per project in een zeehaven opgenomen in het werkplan van een kernnetwerkcorridor als bedoeld in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 28 )); wat baggeren betreft, wordt een project omschreven als alle baggerwerkzaamheden uitgevoerd binnen één kalenderjaar; en

ff) 

voor steun voor binnenhavens: 40 miljoen EUR aan in aanmerking komende kosten per project (of 50 miljoen EUR per project in een binnenhaven opgenomen in het werkplan van een kernnetwerkcorridor als bedoeld in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013); wat baggeren betreft, wordt een project omschreven als alle baggerwerkzaamheden uitgevoerd binnen één kalenderjaar;

▼M4

gg) 

voor steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten: de in deel 16 van hoofdstuk III vastgestelde bedragen; en

hh) 

voor steun ten behoeve van kmo’s voor kosten gemaakt door de deelname aan projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) en projecten van operationele groepen van het Europees Partnerschap voor Innovatie voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (EIP): voor steun uit hoofde van artikel 19 bis: 2 miljoen EUR per onderneming per project; voor steun uit hoofde van artikel 19 ter: de in artikel 19 ter, lid 2, vastgestelde bedragen per project.

▼B

2.  
De in lid 1 vastgestelde of bedoelde drempels worden niet omzeild door de steunregelingen of steunprojecten kunstmatig op te splitsen.

Artikel 5

Transparantie van steun

1.  
Deze verordening is alleen van toepassing op steun waarvan het bruto-subsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse behoeft te worden uitgevoerd („transparante steun”).
2.  

De volgende categorieën steun worden als transparant aangemerkt:

a) 

steun in de vorm van subsidies en rentesubsidies;

b) 

steun in de vorm van leningen wanneer voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent het referentiepercentage is gebruikt dat van toepassing is op het tijdstip van de steunverlening;

c) 

steun in de vorm van garanties:

i) 

wanneer het bruto-subsidie-equivalent is berekend op basis van de safe-harbour-premies die in een mededeling van de Commissie zijn vastgesteld, of

ii) 

wanneer, voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de maatregel, de methode voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent van de garantie door de Commissie is aanvaard op grond van de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties ( 29 ), of een mededeling die deze vervangt, na aanmelding van die methode bij de Commissie op grond van een op staatssteungebied door de Commissie vastgestelde verordening die op dat moment van toepassing is, en de goedgekeurde methode uitdrukkelijk is toegespitst op het soort garanties en het soort onderliggende transacties die in het kader van de toepassing van deze verordening in het geding zijn;

d) 

steun in de vorm van belastingvoordelen wanneer door de maatregel wordt voorzien in een maximum dat garandeert dat het toepasselijke plafond niet wordt overschreden;

e) 

steun ten behoeve van regionale stadsontwikkeling indien de voorwaarden van artikel 16 zijn vervuld;

▼M4

e bis) 

steun aan ondernemingen voor hun deelname aan projecten voor Europese territoriale samenwerking uit hoofde van artikel 20 bis, wanneer die steun voorziet in een maximum dat garandeert dat de toepasselijke drempel van artikel 20 bis niet wordt overschreden;

▼B

f) 

steun in de vorm van risicofinancieringsmaatregelen indien de voorwaarden van artikel 21 zijn vervuld;

g) 

steun ten behoeve van startersbedrijven indien de voorwaarden van artikel 22 zijn vervuld;

h) 

steun ten behoeve van energie-efficiëntieprojecten indien de voorwaarden van artikel 39 zijn vervuld;

i) 

steun in de vorm van opslagen bovenop de marktprijs indien de voorwaarden van artikel 42 zijn vervuld;

j) 

steun in de vorm van terugbetaalbare voorschotten indien het totale nominale bedrag van het terugbetaalbare voorschot niet uitkomt boven de krachtens deze verordening toepasselijke plafonds of indien, vóór de tenuitvoerlegging van de maatregel, de methode voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent van het terugbetaalbare voorschot door de Commissie is aanvaard nadat die methode bij de Commissie is aangemeld;

▼M1

k) 

steun in de vorm van de verkoop of de verhuring/leasing van materiële activa onder het markttarief wanneer de waarde is vastgesteld door een taxatie van een onafhankelijke deskundige vóór de transactie of aan de hand van een publiek beschikbare, regelmatig bijgewerkte en algemeen aanvaarde benchmark;

▼M4

l) 

steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten, indien de voorwaarden van deel 16 van hoofdstuk III zijn vervuld.

▼B

Artikel 6

Stimulerend effect

1.  
Deze verordening is slechts van toepassing op steun die een stimulerend effect heeft.
2.  

Steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de begunstigde ervan, voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit aanvangen, bij de betrokken lidstaat een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend. De steunaanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:

a) 

de naam en de grootte van de onderneming;

b) 

een beschrijving van het project, met inbegrip van de aanvangs- en einddatum;

c) 

de locatie van het project;

d) 

een lijst van de projectkosten, en

e) 

het soort steun (subsidie, lening, garantie, terugbetaalbaar voorschot, kapitaalinjectie enz.) en het bedrag aan overheidsfinanciering dat voor het project nodig is.

3.  

Ad-hocsteun aan grote ondernemingen wordt geacht een stimulerend effect te hebben, indien, behalve om te voldoen aan de in lid 2 vastgestelde voorwaarde, de lidstaat, voordat hij de betrokken steun toekent, zich ervan heeft vergewist dat uit door de begunstigde onderneming opgestelde documenten blijkt dat de steun zal leiden tot één of meer van de volgende situaties:

a) 

in het geval van regionale investeringssteun: een project wordt uitgevoerd dat — zonder de steun — niet in het betrokken gebied zou zijn uitgevoerd of in het betrokken gebied onvoldoende winstgevend zou zijn geweest voor de begunstigde;

b) 

in alle overige gevallen: wanneer er sprake is van:

— 
een wezenlijke toename van de reikwijdte van het project of de activiteit als gevolg van de steun, of
— 
een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de begunstigde voor het project of de activiteit als gevolg van de steun, of
— 
een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het betrokken project of de betrokken activiteit wordt voltooid.
4.  

In afwijking van de leden 2 en 3 worden maatregelen in de vorm van belastingvoordelen geacht een stimulerend effect te hebben indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) 

de maatregel vestigt overeenkomstig objectieve criteria een aanspraak op steun zonder dat de lidstaat nog een beoordelingsbevoegdheid uitoefent, en

b) 

de maatregel is goedgekeurd en is in werking getreden voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit zijn aangevangen, behalve in het geval van fiscale vervolgregelingen, wanneer de activiteit reeds onder de vroegere regelingen in de vorm van belastingvoordelen viel.

5.  

In afwijking van de leden 2, 3 en 4 hoeven de volgende categorieën steun geen stimulerend effect te hebben of worden zij geacht dat effect te hebben:

▼M1

a) 

bij regionale exploitatiesteun en regionale stadsontwikkelingssteun: wanneer de desbetreffende voorwaarden van de artikelen 15 en 16 zijn vervuld;

▼B

b) 

bij steun om kmo's toegang tot financiering te geven: indien de desbetreffende voorwaarden van de artikelen 21 en 22 zijn vervuld;

c) 

bij steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de aanwerving van kwetsbare werknemers en steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de tewerkstelling van werknemers met een handicap: indien de desbetreffende voorwaarden van, onderscheidenlijk, artikel 32 en 33 zijn vervuld;

▼M1

d) 

bij steun ter compensatie van de bijkomende kosten voor de tewerkstelling van werknemers met een handicap en bij steun ter compensatie van de kosten voor de begeleiding van kwetsbare werknemers: wanneer de desbetreffende voorwaarden van de artikelen 34 en 35 zijn vervuld;

▼B

e) 

bij steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen krachtens Richtlijn 2003/96/EG: indien de voorwaarden van artikel 44 van deze verordening zijn vervuld;

f) 

bij steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen: indien de voorwaarden van artikel 50 zijn vervuld;

g) 

bij sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden: indien de voorwaarden van artikel 51 zijn vervuld;

h) 

bij steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed: indien de voorwaarden van artikel 53 zijn vervuld;

▼M4

i) 

bij steun aan ondernemingen die deelnemen aan projecten voor Europese territoriale samenwerking, indien de desbetreffende voorwaarden van artikel 20 of artikel 20 bis zijn vervuld;

j) 

bij steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die het kwaliteitslabel „Excellentiekeur” hebben gekregen, Marie Skłodowska-Curieacties en ERC-Proof of concept-acties die het kwaliteitslabel „Excellentiekeur” hebben gekregen, en bij steun vervat in gecofinancierde projecten en bij in gecofinancierde teamvormingsacties vervatte steun, indien de desbetreffende voorwaarden van artikel 25 bis, 25 ter, 25 quater of 25 quinquies zijn vervuld;

k) 

bij steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten, indien de voorwaarden van deel 16 van hoofdstuk III zijn vervuld;

l) 

bij steun aan kmo’s die deelnemen aan, of profiteren van projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) en projecten van operationele groepen van het Europees Partnerschap voor Innovatie voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (EIP), indien de desbetreffende voorwaarden van artikel 19 bis of artikel 19 ter zijn vervuld.

▼B

Artikel 7

Steunintensiteit en in aanmerking komende kosten

1.  
Bij de berekening van de steunintensiteit en de in aanmerking komende kosten zijn alle bedragen die worden gebruikt, de bedragen vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. De in aanmerking komende kosten worden gestaafd met bewijsstukken, die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn. ►M4  De bedragen van de in aanmerking komende kosten kunnen worden berekend in overeenstemming met de vereenvoudigde kostenopties bedoeld in Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 30 ) of Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad ( 31 ), naargelang van welke verordening van toepassing is, mits de concrete actie ten minste gedeeltelijk wordt gefinancierd via een Uniefonds dat de mogelijkheid biedt gebruik te maken van die vereenvoudigde kostenopties, en mits de kostencategorie volgens de desbetreffende vrijstellingsbepaling in aanmerking komt. ◄
2.  
Wanneer steun in een andere vorm dan een subsidie wordt toegekend, is het steunbedrag het bruto-subsidie-equivalent van de steun.
3.  
►M1  In de toekomst betaalbare steun, daaronder begrepen steun die in meerdere tranches wordt uitgekeerd, wordt gedisconteerd tot de waarde ervan op het tijdstip van de toekenning ervan. ◄ De in aanmerking komende kosten worden gedisconteerd tot hun waarde op het tijdstip van de toekenning van de steun. De rentevoet die bij discontering wordt gehanteerd, is de disconteringsvoet die op het tijdstip van de toekenning van de steun van toepassing is.

▼M1 —————

▼B

5.  
Wanneer steun wordt toegekend in de vorm van terugbetaalbare voorschotten die, bij gebreke van een geaccepteerde methode om het bruto-subsidie-equivalent ervan te berekenen, worden uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten en de maatregel erin voorziet dat, ingeval van een succesvolle uitkomst van het project als omschreven op basis van een redelijke en prudente hypothese, de voorschotten worden terugbetaald, vermeerderd met een rente die ten minste gelijk is aan de op het tijdstip van de toekenning van de steun toepasselijke disconteringsvoet, kunnen de in hoofdstuk III vastgestelde maximale steunintensiteiten worden verhoogd met 10 procentpunten.
6.  
Wanneer regionale steun wordt toegekend in de vorm van terugbetaalbare voorschotten, mogen de maximale steunintensiteiten die zijn vastgesteld op een regionale-steunkaart welke van kracht is op het tijdstip van de toekenning van de steun, niet worden verhoogd.

Artikel 8

Cumulering

1.  
Om te bepalen of de in artikel 4 voor aanmelding vastgestelde drempels en de maximale steunintensiteiten van hoofdstuk III in acht worden genomen, wordt het totale bedrag aan staatssteun ten behoeve van de gesteunde activiteit of het gesteunde project of de gesteunde onderneming in aanmerking genomen.
2.  
Wanneer centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaten staat, wordt gecumuleerd met staatssteun, wordt alleen met deze laatste rekening gehouden om te bepalen of aanmeldingsdrempels en de maximale steunintensiteiten in acht worden genomen, mits het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, het in de toepasselijke regels van het Unierecht vastgestelde gunstigste financieringspercentage niet overschrijdt.
3.  

Krachtens deze verordening vrijgestelde steun met identificeerbare in aanmerking komende kosten mag worden gecumuleerd met:

a) 

andere staatssteun, zolang die maatregelen andere identificeerbare in aanmerking komende kosten betreffen;

▼M4

b) 

andere staatssteun ten behoeve van dezelfde — geheel of gedeeltelijk overlappende — in aanmerking komende kosten, mits deze cumulering er niet toe leidt dat de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag die krachtens deze verordening voor deze steunmaatregel gelden, wordt overschreden.

Financiering die met steun uit het InvestEU-fonds aan de eindbegunstigden wordt verstrekt en onder deel 16 van hoofdstuk III valt, en de door deze financiering gedekte kosten worden niet in aanmerking genomen om te bepalen of de in de eerste volzin van dit punt vastgestelde cumulatieregels zijn nageleefd. In plaats daarvan wordt het voor de naleving van de in de eerste volzin van dit punt vastgestelde cumulatieregels relevante bedrag berekend als volgt. Eerst wordt het nominale bedrag van de door het InvestEU-fonds gesteunde financiering in mindering gebracht op de totale in aanmerking komende projectkosten, waardoor de totale resterende in aanmerking komende kosten worden verkregen; vervolgens wordt de maximale steun berekend door de desbetreffende hoogste steunintensiteit of het desbetreffende hoogste steunbedrag alleen toe te passen op de totale resterende in aanmerking komende kosten.

Bij artikelen waarvoor de aanmeldingsdrempel als een maximaal steunbedrag is uitgedrukt, wordt het nominale bedrag van de aan de eindbegunstigden met steun uit het InvestEU-fonds toegekende financiering niet in aanmerking genomen om te bepalen of de in artikel 4 genoemde aanmeldingsdrempels in acht zijn genomen.

Als alternatief mag voor niet-achtergestelde leningen of garanties op niet-achtergestelde leningen die uit hoofde van deel 16 van hoofdstuk III door het InvestEU-fonds worden ondersteund, het bruto subsidie-equivalent van de in die leningen of garanties vervatte steun die aan de eindbegunstigden worden verstrekt, worden berekend overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt b) of c), naargelang van het geval. Dit bruto subsidie-equivalent van de steun kan worden gebruikt om ervoor te zorgen dat, overeenkomstig de eerste volzin van dit punt, cumulatie met andere steun voor dezelfde identificeerbare in aanmerking komende kosten niet resulteert in een overschrijding van de hoogste steunintensiteiten of steunbedragen die van toepassing zijn op de steun uit hoofde van deze verordening of de desbetreffende aanmeldingsdrempel uit hoofde van deze verordening.

4.  
Krachtens artikel 19 ter, 20 bis, 21, 22 of 23, artikel 56 sexies, lid 5, punt a), ii) of iii), artikel 56 sexies, lid 8, punt d), artikel 56 sexies, lid 10, en artikel 56 septies vrijgestelde steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten mag worden gecumuleerd met andere staatssteun met identificeerbare in aanmerking komende kosten. Steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten mag worden gecumuleerd met andere staatssteun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten, tot de hoogste desbetreffende totale financieringsdrempel zoals die in de specifieke omstandigheden van elk geval is vastgelegd in deze of een andere groepsvrijstellingsverordening of in een besluit van de Commissie. Krachtens artikel 56 sexies, lid 5, punt a), ii) of iii), artikel 56 sexies, lid 8, punt d), artikel 56 sexies, lid 10, en artikel 56 septies vrijgestelde steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten mag worden gecumuleerd met krachtens die artikelen vrijgestelde steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten.

▼B

5.  
Krachtens deze verordening vrijgestelde steun wordt niet gecumuleerd met de-minimissteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten indien dit soort cumulering ertoe zou leiden dat de steunintensiteit hoger uitkomt dan de steunintensiteiten die in hoofdstuk III van deze verordening zijn vastgesteld.
6.  
In afwijking van lid 3, onder b), mag steun ten behoeve van werknemers met een handicap, zoals bepaald in de artikelen 33 en 34, worden gecumuleerd met andere krachtens deze verordening vrijgestelde steun met betrekking tot diezelfde in aanmerking komende kosten tot boven de hoogste, krachtens deze verordening geldende drempel, mits die cumulering niet resulteert in een steunintensiteit van meer dan 100 % van de desbetreffende kosten gedurende de gehele periode waarin de betrokken werknemers in dienst zijn.

▼M1

7.  
In afwijking van de leden 1 tot en met 6 wordt bij de beoordeling of de plafonds voor regionale exploitatiesteun in ultraperifere gebieden zoals genoemd in artikel 15, lid 4, in acht worden genomen, alleen op grond van deze verordening ten uitvoer gelegde regionale exploitatiesteun in ultraperifere gebieden in aanmerking genomen.

▼B

Artikel 9

Publicatie en informatie

▼M4

1.  

De betrokken lidstaat zorgt ervoor dat op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau, worden gepubliceerd:

a) 

de in artikel 11 bedoelde beknopte informatie in het gestandaardiseerde formaat dat in bijlage II is vastgesteld, of een link die daartoe toegang biedt;

b) 

de volledige tekst van elke steunmaatregel, als bedoeld in artikel 11, of een link die toegang biedt tot de volledige tekst;

c) 

de in bijlage III bedoelde gegevens over elke individuele steunverlening van meer dan 500 000  EUR of, voor niet onder deel 2 bis vallende begunstigden die in de primaire landbouwproductie actief zijn, elke individuele steunverlening voor deze productie van meer dan 60 000  EUR, en voor niet onder deel 2 bis vallende begunstigden die in de visserij en de aquacultuur actief zijn, elke individuele steunverlening van meer dan 30 000  EUR.

Wat betreft steun toegekend aan projecten voor Europese territoriale samenwerking als bedoeld in artikel 20, wordt de in dit lid bedoelde informatie geplaatst op de website van de lidstaat waarin de betrokken managementautoriteit in de zin van artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 32 ) of artikel 45 van Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad ( 33 ), naargelang van de verordening die van toepassing is, is gevestigd. De deelnemende lidstaten kunnen echter beslissen dat elk van hen de gegevens over de steunmaatregelen op zijn grondgebied moet verschaffen op de respectieve websites.

De in de eerste alinea vastgestelde publicatieverplichtingen zijn niet van toepassing op steun toegekend aan projecten voor Europese territoriale samenwerking als bedoeld in artikel 20 bis, noch voor projecten van operationele groepen van het Europees Partnerschap voor Innovatie voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (EIP) en projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) als bedoeld in artikel 19 ter.

2.  

Voor regelingen in de vorm van belastingvoordelen en voor onder artikel 16 en artikel 21 ( 34 ) vallende regelingen worden de in lid 1, eerste alinea, punt c), van dit artikel vastgestelde voorwaarden geacht te zijn vervuld indien de lidstaten de verlangde informatie over individuele steunbedragen publiceren volgens de onderstaande tranches (in miljoen EUR):

0,03-0,5 (alleen voor visserij en aquacultuur);
0,06-0,5 (alleen voor de primaire landbouwproductie),
0,5-1;
1-2;
2-5;
5-10;
10-30, en
30 en meer.

▼B

3.  
Voor regelingen die onder artikel 51 van deze verordening vallen, zijn de in dit artikel vastgestelde publicatieverplichtingen niet van toepassing op eindgebruikers.

▼M4

3 bis.  
Indien een financieel product ten uitvoer is gelegd door een lidstaat in het kader van het InvestEU-lidstaatcompartiment of door een nationale stimuleringsbank die als uitvoerende partner of als financiële intermediair in het kader van InvestEU optreedt, blijft de lidstaat verplicht te zorgen voor de publicatie van de in lid 1, eerste alinea, punt c), bedoelde informatie. Deze verplichting wordt echter geacht te zijn vervuld indien de uitvoerende partner de in lid 1, eerste alinea, punt c), bedoelde informatie uiterlijk op 30 juni van het jaar volgend op het begrotingsjaar waarin de steun werd toegekend, verstrekt en indien de garantieovereenkomst tussen de Commissie en de uitvoerende partner voorziet in de verplichting om de Commissie de in lid 1, punt c), bedoelde informatie te verstrekken.

▼B

4.  
De in lid 1, onder c), van dit artikel bedoelde gegevens worden georganiseerd en toegankelijk gemaakt op een gestandaardiseerde wijze, zoals beschreven in bijlage III, en bieden daadwerkelijke zoekmogelijkheden en downloadfuncties. De in lid 1 bedoelde gegevens worden bekendgemaakt binnen zes maanden vanaf de datum van de toekenning van de steun of, in het geval van steun in de vorm van een belastingvoordeel, binnen één jaar vanaf de datum voor het indienen van de belastingaangifte, en blijven beschikbaar voor ten minste tien jaar vanaf de datum waarop de steun is verleend.
5.  

De Commissie publiceert op haar website:

a) 

de links naar de in lid 1 van dit artikel bedoelde websites;

b) 

de in artikel 11 bedoelde beknopte informatie.

6.  
De lidstaten voldoen uiterlijk binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan het bepaalde in dit artikel.



HOOFDSTUK II

MONITORING

Artikel 10

Intrekking van het voordeel van de groepsvrijstelling

Wanneer een lidstaat steun verleent die beweerdelijk krachtens deze verordening van de verplichting tot aanmelding is vrijgesteld, zonder aan de in de hoofdstukken I, II en III vastgestelde voorwaarden te voldoen, kan de Commissie, nadat zij de betrokken lidstaat in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunt kenbaar te maken, een besluit vaststellen waarin wordt verklaard dat alle of sommige door de betrokken lidstaat in de toekomst vast te stellen steunmaatregelen die anders aan de voorwaarden van deze verordening zouden voldoen, bij de Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag moeten worden aangemeld. De aan te melden maatregelen kunnen worden beperkt tot maatregelen waarmee bepaalde soorten steun worden verleend of maatregelen ten behoeve bepaalde begunstigden of steunmaatregelen die door bepaalde autoriteiten van de betrokken lidstaat worden genomen.

▼M2

Artikel 11

Verslaglegging

▼M4

1.  

De lidstaten of, in het geval van steun toegekend aan projecten voor Europese territoriale samenwerking krachtens artikel 20, de lidstaat waarin de managementautoriteit in de zin van artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1299/2013 of artikel 45 van Verordening (EU) 2021/1059, naargelang van de verordening die van toepassing is, is gevestigd, doen de Commissie toekomen:

a) 

via het elektronische aanmeldingssysteem van de Commissie: de beknopte informatie over elke krachtens deze verordening vrijgestelde steunmaatregel in het gestandaardiseerde formaat dat in bijlage II is vastgesteld, samen met een link die toegang biedt tot de volledige tekst van de steunmaatregel, met inbegrip van de aanpassingen daaraan, binnen 20 werkdagen na de inwerkingtreding ervan, en

b) 

een jaarlijks verslag, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie ( 35 ), in elektronisch formaat, over de toepassing van deze verordening, dat de in die verordening vermelde gegevens bevat, met betrekking tot elk volledig jaar, of deel daarvan, waarin deze verordening van toepassing is. Voor financiële producten die in het kader van het InvestEU-lidstaatcompartiment ten uitvoer zijn gelegd door een lidstaat of door een nationale stimuleringsbank die als uitvoerende partner of als financiële intermediair in het kader van InvestEU optreedt, wordt deze verplichting van de lidstaat geacht te zijn vervuld indien de uitvoerende partner de jaarlijkse verslagen aan de Commissie verstrekt overeenkomstig de desbetreffende verslagleggingsvereisten die in de garantieovereenkomst tussen de Commissie en de uitvoerende partner zijn vastgesteld.

Deze eerste alinea is niet van toepassing op steun toegekend aan projecten voor Europese territoriale samenwerking als bedoeld in artikel 20 bis of aan projecten van operationele groepen van het Europees Partnerschap voor Innovatie voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (EIP) en projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) als bedoeld in artikel 19 ter.

▼M2

2.  
Wanneer, als gevolg van de verlenging van de toepassingsperiode van deze verordening tot 31 december 2023 bij Verordening (EU) 2020/972 ( 36 ), een lidstaat maatregelen wil verlengen ten aanzien waarvan in overeenstemming met lid 1 van dit artikel beknopte informatie bij de Commissie was ingediend, actualiseert de lidstaat deze beknopte informatie met betrekking tot de verlenging van die maatregelen en deelt zij die actualisering mee aan de Commissie binnen 20 werkdagen na de inwerkingtreding van de handeling waarbij de betrokken maatregel door de lidstaat wordt verlengd.

▼M1

Artikel 12

Monitoring

▼M4

1.  
Om de Commissie in staat te stellen de krachtens deze verordening van aanmelding vrijgestelde steun te monitoren, houden de lidstaten of, in het geval van steun toegekend aan projecten voor Europese territoriale samenwerking als bedoeld in artikel 20, de lidstaat waarin de managementautoriteit is gevestigd, gedetailleerde dossiers bij met de gegevens en bewijsstukken die nodig zijn om aan te tonen dat alle in deze verordening vastgestelde voorwaarden zijn vervuld. Deze dossiers worden bijgehouden gedurende tien jaar vanaf de datum waarop de ad-hocsteun werd toegekend of, in het geval van regelingen, de laatste steun is toegekend.

Deze eerste alinea is niet van toepassing op steun toegekend aan projecten voor Europese territoriale samenwerking als bedoeld in artikel 20 bis of aan projecten van operationele groepen van het Europees Partnerschap voor Innovatie voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (EIP) en projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) als bedoeld in artikel 19 ter.

▼M1

2.  
In het geval van regelingen waarbij fiscale steun automatisch wordt toegekend (zoals regelingen op basis van belastingaangiften van de begunstigden) en waarbij er geen ex-ante-verificatie is of alle verenigbaarheidsvoorwaarden voor elke begunstigde zijn vervuld, verifiëren de lidstaten regelmatig, ten minste ex-post en op basis van een steekproef, of alle verenigbaarheidsvoorwaarden zijn vervuld, en trekken zij de nodige conclusies. De lidstaten houden gedetailleerde dossiers over de verificaties bij gedurende ten minste 10 jaar vanaf de datum van de controles.
3.  
De Commissie kan van elke lidstaat alle gegevens en bewijsstukken verlangen die zij nodig acht om de toepassing van deze verordening te kunnen monitoren, met inbegrip van de in de leden 1 en 2 vermelde gegevens. De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie de verlangde gegevens en bewijsstukken binnen een termijn van 20 werkdagen vanaf de ontvangst van het verzoek of binnen de in het verzoek vastgestelde langere termijn.

▼B



HOOFDSTUK III

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR VERSCHILLENDE CATEGORIEËN STEUN



DEEL 1

Regionale steun



Onderdeel A

Regionale investerings- en exploitatiesteun

▼M1

Artikel 13

Toepassingsgebied van regionale steun

Dit deel is niet van toepassing op:

a) 

steun ten behoeve van activiteiten in de ijzer- en staalindustrie, de kolenindustrie, de scheepsbouw en de synthetischevezelindustrie;

b) 

steun ten behoeve van de vervoersector en de daarmee verband houdende infrastructuur, en steun voor de energieproductie, -distributie en -infrastructuur, behalve bij regionale investeringssteun in ultraperifere gebieden en regelingen voor regionale exploitatiesteun;

c) 

regionale steun in de vorm van regelingen die zijn gericht op een beperkt aantal specifieke economische sectoren. Regelingen die zijn gericht op toeristische activiteiten, breedbandinfrastructuur of de verwerking en afzet van landbouwproducten, gelden niet als gericht op specifieke economische sectoren;

d) 

regionale exploitatiesteun toegekend aan ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit valt onder sectie K „Financiële activiteiten en verzekeringen” van NACE Rev. 2, of aan ondernemingen die intragroepsactiviteiten verrichten en waarvan de hoofdactiviteiten vallen onder de klassen 70.10 „Activiteiten van hoofdkantoren” of 70.22 „Overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer; adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering” van NACE Rev. 2.

▼B

Artikel 14

Regionale investeringssteun

1.  
Maatregelen inzake regionale investeringssteun zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De steun wordt toegekend in steungebieden.
3.  
In steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, kan steun worden verleend ten behoeve van een initiële investering, ongeacht de grootte van de begunstigde onderneming. In steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen, kan steun worden verleend aan kmo's ten behoeve van iedere vorm van initiële investering. Steun voor grote ondernemingen wordt toegekend voor een initiële investering ten behoeve van een nieuwe economische activiteit in het betrokken gebied.
4.  

De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) 

de kosten van investeringen in materiële en immateriële activa;

b) 

de geraamde loonkosten die voortvloeien uit banencreatie door een initiële investering, berekend over een periode van twee jaar, of

c) 

een combinatie van de punten a) en b) die het bedrag uit punt a) of b) niet overschrijdt, als dit hoger is.

5.  
Nadat de investering is voltooid, blijft deze in het betrokken gebied behouden gedurende ten minste vijf jaar of, in het geval van kmo's, ten minste drie jaar. Een en ander staat er niet aan in de weg dat installaties of uitrusting die in deze periode verouderd of defect raken, worden vervangen, op voorwaarde dat de economische activiteiten gedurende de betrokken minimumperiode in het bewuste gebied behouden blijven.
6.  

De activa zijn nieuw, behalve bij kmo's en voor de overname van een vestiging. Kosten met betrekking tot de huur/leasing van materiële activa kunnen op de volgende voorwaarden in aanmerking worden genomen:

a) 

voor gronden en gebouwen blijft de huurovereenkomst na het verwachte tijdstip van de voltooiing van het investeringsproject ten minste vijf jaar lopen in het geval van grote ondernemingen of drie jaar in het geval van kmo's;

b) 

voor installaties of machines vindt de huur plaats in de vorm van financiële leasing en houdt deze voor de begunstigde van de steun een verplichting in om de activa na afloop van de leaseovereenkomst te kopen.

►M1  Bij de verwerving van de activa van een vestiging in de zin van artikel 2, punt 49 of 51, worden alleen de kosten voor de aankoop van de activa van derden die geen banden met de koper hebben, in aanmerking genomen. ◄ De transactie vindt op marktvoorwaarden plaats. Indien vóór de aankoop van activa reeds steun is verleend ten behoeve van de verwerving van die activa, worden de kosten van die activa in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten met betrekking tot de verwerving van een vestiging. Wanneer een lid van de familie van de oorspronkelijke eigenaar of een werknemer een kleine onderneming overneemt, vervalt de voorwaarde dat de activa worden verworven van derden zonder banden met de koper. De verwerving van aandelen is geen initiële investering.

7.  
►M1  Voor steun aan grote ondernemingen ten behoeve van een fundamentele verandering in het productieproces moeten de in aanmerking komende kosten hoger liggen dan de in de drie voorgaande belastingjaren doorgevoerde afschrijving voor de met de te moderniseren activiteit verband houdende activa. ◄ Voor steun ten behoeve van diversificatie van een bestaande vestiging moeten de in aanmerking komende kosten ten minste 200 % hoger liggen dan de boekwaarde van de opnieuw gebruikte activa, zoals die in het belastingjaar voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden is geboekt.
8.  

Immateriële activa komen in aanmerking voor de berekening van investeringskosten indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) 

zij worden uitsluitend in de steun ontvangende vestiging gebruikt;

b) 

zij kunnen worden afgeschreven;

c) 

zij worden op marktvoorwaarden aangekocht van derden zonder banden met de koper, en

d) 

zij worden opgenomen bij de activa van de steun ontvangende onderneming en blijven gedurende ten minste vijf jaar of, in het geval van kmo's, drie jaar verbonden met het project waarvoor de steun wordt toegekend.

Voor grote ondernemingen komen de kosten van immateriële activa slechts in aanmerking tot een maximum van 50 % van de totale in aanmerking komende investeringskosten voor de initiële investering.

9.  

Wanneer in aanmerking komende kosten worden berekend aan de hand van de geraamde loonkosten als bedoeld in lid 4, onder b), worden de volgende voorwaarden in acht genomen:

a) 

het investeringsproject leidt tot een nettotoename van het aantal werknemers, in de betrokken vestiging, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden, d.w.z. dat alle verloren gegane banen in mindering worden gebracht op het tijdens deze periode schijnbare aantal geschapen arbeidsplaatsen.

b) 

iedere arbeidsplaats wordt binnen drie jaar na de voltooiing van de werkzaamheden ingevuld, en

▼M4

c) 

elke via de investering geschapen arbeidsplaats blijft binnen het betrokken gebied behouden gedurende een periode van ten minste vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip dat de arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld, of drie jaar in het geval van kmo’s, uitgezonderd indien de arbeidsplaats verloren is gegaan tussen 1 januari 2020 en 30 juni 2021.

▼B

10.  

Regionale steun voor de uitbouw van breedbandnetwerken vervult de volgende voorwaarden:

a) 

steun wordt alleen verleend in gebieden waar er geen netwerk van dezelfde categorie (basisbreedband of NGA) voorhanden is en waar dit netwerk binnen drie jaar vanaf de subsidiebeschikking waarschijnlijk ook niet op zakelijke voorwaarden zal worden uitgerold, en

b) 

de exploitant van het gesubsidieerde netwerk biedt op eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden actieve en passieve wholesaletoegang, met inbegrip van fysieke ontbundeling in het geval van NGA-netwerken, en

c) 

steun wordt toegewezen via een concurrerende selectieprocedure.

11.  
Regionale steun voor onderzoeksinfrastructuur wordt alleen toegekend indien de steun afhankelijk wordt gesteld van de eis dat transparante en niet-discriminerende toegang tot deze gesteunde infrastructuur wordt verleend.
12.  
De steunintensiteit, uitgedrukt als bruto-subsidie-equivalent, overschrijdt het intensiteitsplafond dat is vastgesteld op de regionale-steunkaart die van kracht is op het tijdstip van de steunverlening in het betrokken gebied, niet. Wanneer de steunintensiteit wordt berekend op grond van lid 4, onder c), bedraagt de maximale steunintensiteit niet méér dan het gunstigste steunbedrag dat de toepassing van die intensiteit op grond van investeringskosten of loonkosten oplevert. Voor grote investeringsprojecten komt het steunbedrag niet hoger uit dan het bijgestelde steunbedrag, berekend volgens het in artikel 2, punt 20, vastgestelde mechanisme.
13.  
Een initiële investering die door dezelfde begunstigde (op groepsniveau) wordt opgestart binnen een periode van drie jaar vanaf de aanvang van de werkzaamheden in een andere gesteunde investering in dezelfde niveau 3-regio van de Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS), wordt beschouwd als onderdeel van hetzelfde investeringsproject. Wanneer dit ene investeringsproject een groot investeringsproject is, bedraagt het totale steunbedrag voor dit individuele investeringsproject niet meer dan het bijgestelde steunbedrag voor grote investeringsprojecten.
14.  
De begunstigde van de steun moet een financiële bijdrage van ten minste 25 % van de in aanmerking komende kosten leveren, hetzij uit eigen middelen hetzij via externe financiering, in een vorm die vrij is van enige steun van de overheid. In de ultraperifere gebieden kan een investering door een kmo steun ontvangen met een maximale steunintensiteit van meer dan 75 %; in dergelijke omstandigheden wordt het resterende gedeelte verschaft door een financiële bijdrage van de begunstigde van de steun.

▼M4

15.  
Voor een initiële investering in verband met projecten voor Europese territoriale samenwerking die onder Verordening (EU) nr. 1299/2013 of Verordening (EU) 2021/1059 vallen, is de steunintensiteit van het gebied waarin de initiële investering is gevestigd, van toepassing op alle begunstigden die aan het project deelnemen. Indien de initiële investering in twee of meer steungebieden is gevestigd, is de maximale steunintensiteit de intensiteit die van toepassing is in het steungebied waar het hoogste bedrag aan in aanmerking komende kosten wordt gemaakt. In steungebieden die op grond van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voor steun in aanmerking komen, geldt deze bepaling voor grote ondernemingen alleen indien de initiële investering een nieuwe economische activiteit betreft.

▼M1

16.  
De begunstigde bevestigt dat hij in de twee jaar vóór de steunaanvraag geen verplaatsing heeft uitgevoerd naar de vestiging waar de initiële investering waarvoor steun wordt gevraagd, zal plaatsvinden, en hij zegt toe dat niet te zullen doen in de twee jaar na de voltooiing van de initiële investering waarvoor steun wordt gevraagd. ►M2  Wat de vóór 31 december 2019 gedane toezeggingen betreft, wordt het verlies van arbeidsplaatsen in dezelfde of soortgelijke activiteit in een van de initiële vestigingen van de begunstigde in de EER dat zich tussen 1 januari 2020 en 30 juni 2021 voordoet, niet beschouwd als een overbrenging in de zin van artikel 2, punt 61 bis, van deze verordening. ◄
17.  
In de visserij- en aquacultuursector wordt geen steun toegekend aan ondernemingen die een of meer van de in artikel 10, lid 1, onder a) tot en met d), en artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad ( 37 ) beschreven inbreuken hebben gemaakt, en voor concrete acties van artikel 11 van die verordening.

▼M1

Artikel 15

Regionale exploitatiesteun

1.  
Regelingen voor regionale exploitatiesteun in ultraperifere gebieden, dunbevolkte gebieden en zeer dunbevolkte gebieden zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

In dunbevolkte gebieden dienen de regelingen voor regionale exploitatiesteun ter compensatie van de bijkomende vervoerskosten voor goederen die zijn geproduceerd in voor exploitatiesteun in aanmerking komende gebieden, alsmede de bijkomende vervoerskosten van in die gebieden verder verwerkte goederen, onder de volgende voorwaarden:

a) 

de steun is vooraf objectief kwantificeerbaar op basis van een vast bedrag of een percentage per tonkilometer of andere relevante eenheid;

b) 

de bijkomende vervoerskosten worden berekend op basis van het traject van de goederen binnen de nationale grenzen van de betrokken lidstaat, gebruikmakend van vervoermiddelen die voor de begunstigde de laagste kostprijs opleveren.

De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de bijkomende vervoerskosten zoals die in dit lid zijn omschreven.

3.  

In zeer dunbevolkte gebieden dienen de regelingen voor regionale exploitatiesteun ter voorkoming of vermindering van de ontvolking, onder de volgende voorwaarden:

a) 

de begunstigden hebben hun economische activiteiten in het betrokken gebied;

b) 

het jaarlijkse steunbedrag per begunstigde op grond van alle regelingen voor exploitatiesteun samen bedraagt ten hoogste 20 % van de jaarlijkse arbeidskosten die de begunstigde in het betrokken gebied moet maken.

4.  

►C2  In ultraperifere gebieden dienen de regelingen voor exploitatiesteun ter compensatie van de bijkomende exploitatiekosten welke in die gebieden ontstaan als een rechtstreeks gevolg van één of meer van de in artikel 349 van het Verdrag genoemde blijvende handicaps, wanneer de begunstigden hun economische activiteiten in een ultraperifeer gebied hebben, mits het jaarlijkse steunbedrag per begunstigde in het kader van alle op grond van deze verordening ten uitvoer gelegde regelingen voor exploitatiesteun samen niet een van de volgende percentages overschrijdt: ◄

a) 

35 % van de door de begunstigde in het betrokken ultraperifere gebied gegenereerde jaarlijkse bruto toegevoegde waarde;

b) 

40 % van de jaarlijkse arbeidskosten die de begunstigde in het betrokken ultraperifere gebied moet maken;

c) 

30 % van de jaaromzet die de begunstigde in het betrokken ultraperifere gebied behaalt.

▼B



Onderdeel B

Stadsontwikkelingssteun

Artikel 16

Regionale stadsontwikkelingssteun

1.  
Regionale stadsontwikkelingssteun is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

Stadsontwikkelingsprojecten voldoen aan de volgende criteria:

a) 

zij worden ten uitvoer gelegd via stadsontwikkelingsfondsen in steungebieden;

b) 

zij worden gecofinancierd door Europese structuur- en investeringsfondsen;

c) 

zij ondersteunen de tenuitvoerlegging van een geïntegreerde strategie voor duurzame stadsontwikkeling.

3.  
De totale investeringen in een stadsontwikkelingsproject in het kader van steunmaatregelen voor stadsontwikkeling bedragen ten hoogste 20 miljoen EUR.

▼M4

4.  
De in aanmerking komende kosten zijn de totale kosten van het stadsontwikkelingsproject voor zover deze voldoen aan de artikelen 37 en 65 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 of de artikelen 67 en 68 van Verordening (EU) 2021/1060, naargelang de verordening die van toepassing is.

▼B

5.  
Steun die een stadsontwikkelingsfonds aan de in aanmerking komende stadsontwikkelingsprojecten toekent, kan de vorm hebben van eigen vermogen, quasi-eigen-vermogen, leningen, garanties of een mix daarvan.
6.  
De stadsontwikkelingssteun dient als hefboom voor bijkomende investeringen van particuliere investeerders op het niveau van de stadsontwikkelingsfondsen of de stadsontwikkelingsprojecten, zodat daarmee een bedrag van in totaal ten minste 30 % van de totale financiering voor een stadsontwikkelingsproject wordt bereikt.
7.  
Particuliere en publieke investeerders kunnen een bijdrage in contanten of in natura (of een combinatie van beiden) leveren voor de tenuitvoerlegging van een stadsontwikkelingsproject. Een bijdrage in natura wordt verrekend tegen marktwaarde, zoals gecertificeerd door een onafhankelijke, gekwalificeerde deskundige of een bevoegde officiële instantie.
8.  

De stadsontwikkelingsmaatregelen voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) 

managers van stadsontwikkelingsfondsen worden geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en nationale recht. Met name is er geen discriminatie tussen de managers van stadsontwikkelingsfondsen op grond van hun plaats van vestiging of registratie in een lidstaat. Van managers van stadsontwikkelingsfondsen kan worden geëist dat zij voldoen aan vooraf vastgestelde criteria die objectief gerechtvaardigd zijn door de aard van de investeringen;

b) 

de onafhankelijke particuliere investeerders worden geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en nationale recht, met als doel passende regelingen inzake risico-/beloningsverdeling tot stand te brengen, waarbij voor investeringen niet zijnde garanties asymmetrische winstdeling de voorkeur krijgt boven neerwaartse bescherming. Indien de particuliere investeerders niet via dit soort oproep worden geselecteerd, wordt het redelijke rendement voor de particuliere investeerders bepaald door een onafhankelijke deskundige die is geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep;

c) 

in het geval van asymmetrische verliesdeling tussen publieke en particuliere investeerders, wordt het eerste, voor rekening van de publieke investeerder komende verlies gemaximeerd op 25 % van de totale investering;

d) 

in het geval van garanties voor particuliere investeerders in stadsontwikkelingsprojecten wordt het garantiepercentage beperkt tot 80 % en zijn de totale verliezen die een lidstaat op zich neemt, gemaximeerd op 25 % van de onderliggende gegarandeerde portefeuille.

e) 

de investeerders kunnen vertegenwoordigd zijn in de bestuursorganen van het stadsontwikkelingsfonds, zoals de raad van toezicht of het adviescomité;

f) 

het stadsontwikkelingsfonds wordt opgericht overeenkomstig het toepasselijke recht. De lidstaat zorgt ervoor dat een boekenonderzoek plaatsvindt, om te verzekeren dat de tenuitvoerlegging van de steunmaatregel ten behoeve van stadsontwikkeling volgens een zakelijk verantwoorde investeringsstrategie plaatsvindt.

9.  

Stadsontwikkelingsfondsen worden op zakelijke basis beheerd en zorgen voor winstgedreven financieringsbesluiten. Dit wordt geacht het geval te zijn wanneer de managers van het stadsontwikkelingsfonds voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) 

de managers van stadsontwikkelingsfondsen zijn wettelijk of contractueel verplicht met de nodige professionele zorgvuldigheid en te goeder trouw te handelen en belangenconflicten te vermijden. Daarbij zijn goede praktijken en wettelijk toezicht van toepassing;

b) 

de vergoeding van de managers van stadsontwikkelingsfondsen is marktconform. Dit vereiste wordt geacht te zijn vervuld wanneer een manager wordt geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep, op basis van objectieve criteria die verband houden met ervaring, deskundigheid en operationele en financiële capaciteiten;

c) 

de managers van stadsontwikkelingsfondsen ontvangen een prestatieafhankelijke vergoeding, of dragen een deel van de investeringsrisico's door eigen middelen mee te investeren, zodat hun belangen steeds gelijklopen met die van de publieke investeerder;

d) 

de managers van stadsontwikkelingsfondsen bepalen investeringsstrategie, criteria en voorgenomen tijdschema voor investeringen in stadsontwikkelingsprojecten, waarin vooraf de financiële levensvatbaarheid en de verwachte impact op de stedelijke ontwikkeling worden aangetoond;

e) 

voor iedere investering van eigen vermogen en quasi-eigen-vermogen is er een heldere en realistische exitstrategie voorhanden.

10.  

Wanneer een stadsontwikkelingfonds leningen of garanties verstrekt voor stadsontwikkelingsprojecten, wordt aan de volgende voorwaarden voldaan:

a) 

in het geval van leningen wordt het nominale kredietbedrag in aanmerking genomen bij het berekenen van het maximale investeringsbedrag ten behoeve van lid 3 van dit artikel;

b) 

in het geval van garanties wordt het nominale bedrag van de onderliggende lening in aanmerking genomen bij het berekenen van het maximale investeringsbedrag ten behoeve van lid 3 van dit artikel.

11.  
De lidstaat kan de tenuitvoerlegging van de steunmaatregel ten behoeve van stadsontwikkeling aan een met het beheer belaste entiteit toewijzen.



DEEL 2

Kmo-steun

Artikel 17

Investeringssteun voor kmo's

1.  
Investeringssteun ten behoeve van kmo's die binnen of buiten het grondgebied van de Unie actief zijn, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

De in aanmerking komende kosten zijn:

a) 

de kosten van investeringen in materiële en immateriële activa, en/of

b) 

de geraamde loonkosten voor rechtstreeks door het investeringsproject gecreëerde banen, berekend over een periode van twee jaar.

3.  

Om als in aanmerking komende kosten onder de toepassing van dit artikel te kunnen vallen, bestaat een investering in:

a) 

een investering in materiële en/of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging in nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van een bestaande vestiging, of

b) 

de overname van activa die behoren tot een vestiging, wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:

— 
de vestiging is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen;
— 
de activa worden aangekocht van derden zonder banden met de koper;
— 
de transactie vindt op marktvoorwaarden plaats.

Wanneer een lid van de familie van de oorspronkelijke eigenaar of een werknemer een kleine onderneming overneemt, vervalt de voorwaarde dat de activa worden verworven van derden zonder banden met de koper. De enkele verwerving van de aandelen van een onderneming vormt geen initiële investering.

4.  

De immateriële activa voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:

a) 

zij worden uitsluitend in de steun ontvangende vestiging gebruikt;

b) 

zij worden als afschrijfbare activa beschouwd;

c) 

zij worden op marktvoorwaarden aangekocht van derden zonder banden met de koper, en

d) 

zij behoren ten minste drie jaar tot de activa van de onderneming.

5.  

Rechtstreeks door een investeringsproject geschapen werkgelegenheid voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) 

de werkgelegenheid komt binnen drie jaar na de voltooiing van de investering tot stand;

b) 

er is een nettotoename van het aantal werknemers in de betrokken vestiging, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden;

c) 

deze werkgelegenheid blijft behouden gedurende ten minste drie jaar te rekenen vanaf het tijdstip dat de arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld.

6.  

De steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

a) 

20 % van de in aanmerking komende kosten in het geval van kleine ondernemingen;

b) 

10 % van de in aanmerking komende kosten in het geval van middelgrote ondernemingen.

Artikel 18

Consultancysteun voor kmo's

1.  
Consultancysteun voor kmo's is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.
3.  
De in aanmerking komende kosten zijn de door externe consultants verrichte consultancydiensten.
4.  
De betrokken diensten zijn niet van permanente of periodieke aard, noch behoren zij tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming, zoals routinematig belastingadvies, gangbare juridische dienstverrichting, of reclame.

Artikel 19

Kmo-steun ten behoeve van deelneming aan beurzen

1.  
Steun ten behoeve van de deelneming van kmo's aan beurzen is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De in aanmerking komende kosten zijn de kosten gemaakt voor het huren, opzetten en gebruiken van een standplaats voor de deelname van een onderneming aan een bepaalde vakbeurs of tentoonstelling.
3.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.

▼M4

Artikel 19 bis

Steun voor kosten gemaakt door kmo’s die deelnemen aan projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) of projecten van operationele groepen van het Europees Partnerschap voor Innovatie voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (EIP)

1.  
Steun voor kosten gemaakt door kmo’s die deelnemen aan CLLD-projecten, die in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling plaatselijke ontwikkeling in het kader van Leader worden genoemd en onder Verordening (EU) nr. 1303/2013 of Verordening (EU) 2021/1060 vallen, of voor projecten van EIP-operationele groepen die onder artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 vallen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

De volgende kosten bedoeld in artikel 35, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 of artikel 34, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060, naargelang van de verordening die van toepassing is, komen in aanmerking voor CLLD-projecten en projecten van EIP-operationele groepen:

a) 

de kosten van voorbereidende steun voor capaciteitsopbouw, opleiding en netwerkvorming met het oog op de voorbereiding en de uitvoering van een CLLD-strategie of een project van een EIP-operationele groep;

b) 

de uitvoering van goedgekeurde acties;

c) 

de voorbereiding en de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van de groep;

d) 

de lopende kosten in verband met het beheer van de uitvoering van de CLLD-strategie of het project van een EIP-operationele groep;

e) 

dynamisering van de EIP-gemeenschap of de CLLD-strategie teneinde uitwisseling tussen belanghebbenden te bevorderen met het oog op informatieverstrekking en promotie van de strategie en de projecten, en potentiële begunstigden te ondersteunen met het oog op ontwikkeling van acties en voorbereiding van aanvragen.

3.  
De steunintensiteit is niet hoger dan de maximale cofinancieringspercentages die in de fondsspecifieke verordeningen ter ondersteuning van CLLD en EIP-operationele groepen zijn vastgesteld.

Artikel 19 ter

Beperkte steunbedragen voor kmo’s die profiteren van projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) of projecten van operationele groepen van het Europees Partnerschap voor Innovatie voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (EIP)

1.  
Steun aan ondernemingen die deelnemen aan, of profiteren van CLLD-projecten of projecten van EIP-operationele groepen, als bedoeld in artikel 19 bis, lid 1, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Het totale steunbedrag dat krachtens dit artikel per project wordt toegekend, bedraagt niet meer dan 200 000  EUR voor CLLD-projecten en 350 000  EUR voor projecten van EIP-operationele groepen.



DEEL 2 bis

Steun voor Europese territoriale samenwerking

▼M4

Artikel 20

Steun voor kosten gemaakt door aan projecten voor Europese territoriale samenwerking deelnemende ondernemingen

1.  
Steun voor kosten gemaakt door ondernemingen die aan onder Verordening (EU) nr. 1299/2013 of Verordening (EU) 2021/1059 vallende projecten voor Europese territoriale samenwerking deelnemen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

Voor zover zij verband houden met het samenwerkingsproject, komen de volgende kosten, in de betekenis die daaraan wordt toegekend in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 van de Commissie ( 38 ) of de artikelen 38 tot en met 44 van Verordening (EU) 2021/1059, naargelang van de verordening die van toepassing is, in aanmerking:

a) 

personeelskosten;

b) 

kantoor- en administratieve kosten;

c) 

reis- en verblijfskosten;

d) 

kosten voor externe expertise en diensten;

e) 

kosten voor uitrusting;

f) 

kosten voor infrastructuur en werken.

3.  
De steunintensiteit is niet hoger dan het maximale cofinancieringspercentage dat is vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1303/2013 of Verordening (EU) 2021/1060 en/of Verordening (EU) 2021/1059, naargelang van de verordening die van toepassing is.

▼M4

Artikel 20 bis

Beperkte steunbedragen voor ondernemingen ten behoeve van deelname aan projecten voor Europese territoriale samenwerking

1.  
Steun aan ondernemingen voor hun deelname aan onder Verordening (EU) nr. 1299/2013 of Verordening (EU) 2021/1059 vallende projecten voor Europese territoriale samenwerking is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Het totale steunbedrag dat krachtens dit artikel per project aan een onderneming wordt verleend, beloopt ten hoogste 20 000  EUR.

▼B



DEEL 3

Steun om kmo's toegang tot financiering te geven

Artikel 21

Risicofinancieringssteun

1.  
Risicofinancieringssteunregelingen ten behoeve van kmo's zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

Op het niveau van financiële intermediairs kan risicofinancieringssteun aan onafhankelijke particuliere investeerders een van de volgende vormen hebben:

a) 

eigen vermogen of quasi-eigen-vermogen, of een financiële dotatie om risicofinancieringsinvesteringen direct of indirect aan in aanmerking komende ondernemingen te verschaffen,

b) 

leningen om — direct of indirect — risicofinancieringsinvesteringen te verschaffen aan in aanmerking komende ondernemingen,

c) 

garanties om verliezen te dekken op — direct of indirect — aan in aanmerking komende ondernemingen verschafte risicofinancieringsinvesteringen.

3.  
Op het niveau van onafhankelijke particuliere investeerders kan risicofinancieringssteun de in lid 2 van dit artikel genoemde vormen hebben, of de vorm van fiscale prikkels voor particuliere investeerders die natuurlijke personen zijn die direct of indirect risicofinanciering aan in aanmerking komende kmo's verschaffen.
4.  
Op het niveau van in aanmerking komende ondernemingen kan risicofinancieringssteun de vorm hebben van investeringen van eigen vermogen, quasi-eigen-vermogen, leningen, garanties of een mix daarvan.
5.  

In aanmerking komen ondernemingen die op het tijdstip van de initiële risicofinancieringsinvestering niet-beursgenoteerde kmo's zijn en ten minste aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

a) 

zij zijn niet op een markt actief geweest;

b) 

zij zijn minder dan zeven jaar na hun eerste commerciële verkoop actief op een markt;

c) 

zij vergen een initiële risicofinancieringsinvestering die, op basis van een ondernemingsplan dat is opgesteld met het oog op het betreden van een nieuwe productmarkt of geografische markt, meer bedraagt dan 50 % van de gemiddelde jaaromzet in de voorafgaande vijf jaar.

6.  

De risicofinancieringssteun kan ook betrekking hebben op vervolginvesteringen in in aanmerking komende ondernemingen, ook na de in lid 5, onder b), vermelde periode van zeven jaar, mits elk van de volgende voorwaarden is vervuld:

a) 

het totale bedrag aan risicofinanciering bedoeld in lid 9 wordt niet overschreden;

b) 

in de mogelijkheid van vervolginvesteringen was voorzien in het oorspronkelijke ondernemingsplan;

c) 

de onderneming die de vervolginvesteringen ontvangt, is niet verbonden geraakt, in de zin van artikel 3, lid 3, van bijlage I, met een andere onderneming dan de financiële intermediair of de onafhankelijke particuliere investeerder die in het kader van de maatregel risicofinanciering verschaft, tenzij de nieuwe entiteit aan de voorwaarden van de kmo-definitie voldoet.

7.  
Voor investeringen van eigen vermogen en quasi-eigen-vermogen in in aanmerking komende ondernemingen, mag een risicofinancieringsmaatregel alleen steun ten behoeve van vervangingskapitaal verlenen indien dit wordt gecombineerd met nieuw kapitaal dat ten minste 50 % van iedere investeringsronde in de in aanmerking komende ondernemingen vertegenwoordigt.
8.  
Voor eigenvermogens- en quasi-eigenvermogensinstrumenten als bedoeld in lid 2, onder a), kan ten hoogste 30 % van de totale kapitaalbijdragen van de financiële intermediair en het niet-gestorte toegezegd kapitaal worden gebruikt voor liquiditeitsbeheer.
9.  
Het totale, in lid 4 bedoelde bedrag aan risicofinanciering bedraagt bij iedere risicofinancieringsmaatregel ten hoogste 15 miljoen EUR per in aanmerking komende onderneming.
10.  

Voor risicofinancieringsmaatregelen die eigenvermogens-, quasi-eigenvermogens- of leningsinvesteringen aan in aanmerking komende ondernemingen verschaffen, dient de risicofinancieringsmaatregel als hefboom voor aanvullende financiering van onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de financiële intermediairs of de in aanmerking komende ondernemingen, zodat het totale particuliere deelnemingspercentage de volgende minimumdrempels bereikt:

a) 

10 % van de risicofinanciering verschaft aan de in aanmerking komende ondernemingen vóór hun eerste commerciële verkoop op een markt;

b) 

40 % van de risicofinanciering verschaft aan de in aanmerking komende ondernemingen als bedoeld in lid 5, onder b);

c) 

60 % van de risicofinanciering die wordt verschaft ten behoeve van investeringen aan in lid 5, onder c), bedoelde, in aanmerking komende ondernemingen en ten behoeve van vervolginvesteringen in in aanmerking komende ondernemingen na de in lid 5, onder b), vermelde periode van zeven jaar.

11.  
Wanneer een risicofinancieringsmaatregel ten uitvoer wordt gelegd via een financiële intermediair die zich richt op in aanmerking komende ondernemingen in verschillende ontwikkelingsfasen als bedoeld in lid 10, en deze maatregel niet voorziet in particuliere deelneming in het kapitaal op het niveau van de in aanmerking komende ondernemingen, bereikt de financiële intermediair een particulier deelnemingspercentage van ten minste het gewogen gemiddelde op basis van het volume van de individuele investeringen in de onderliggende portefeuille en dat wordt verkregen door de toepassing van de minimale deelnemingspercentages op dergelijke investeringen als bedoeld in lid 10.
12.  
Een risicofinancieringsmaatregel discrimineert niet tussen financiële intermediairs op grond van hun plaats van vestiging of registratie in een lidstaat. Van financiële intermediairs kan worden geëist dat zij voldoen aan vooraf vastgestelde criteria die objectief gerechtvaardigd zijn door de aard van de investeringen.
13.  

Een risicofinancieringsmaatregel voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) 

hij wordt ten uitvoer gelegd via één of meer financiële intermediairs, behalve voor fiscale prikkels voor particuliere investeerders ten aanzien van hun directe investeringen in in aanmerking komende ondernemingen;

b) 

financiële intermediairs, alsmede investeerders of fondsmanagers worden geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en nationale recht met als doel passende regelingen inzake risico-/beloningsverdeling tot stand te brengen, waarbij voor investeringen niet zijnde garanties asymmetrische winstdeling de voorkeur krijgt boven neerwaartse bescherming;

c) 

in het geval van asymmetrische verliesdeling tussen publieke en particuliere investeerders, wordt het eerste, voor rekening van de publieke investeerder komende verlies gemaximeerd op 25 % van de totale investering;

d) 

in het geval van garanties die onder lid 2, punt c), vallen, wordt het garantiepercentage beperkt tot 80 % en zijn de totale verliezen die een lidstaat op zich neemt, gemaximeerd op 25 % van de onderliggende gegarandeerde portefeuille. Alleen garanties die verwachte verliezen op de onderliggende gegarandeerde portefeuille dekken, kunnen kosteloos worden afgegeven. Indien een garantie ook de dekking van onverwachte verliezen omvat, betaalt de financiële intermediair voor het gedeelte van de garantie dat de onverwachte verliezen dekt, een marktconforme garantiepremie.

14.  

Bij risicofinancieringsmaatregelen wordt gezorgd voor winstgedreven financieringsbesluiten. Dit wordt geacht het geval te zijn wanneer elk van de volgende voorwaarden is vervuld:

a) 

financiële intermediairs worden opgericht overeenkomstig het toepasselijke recht;

b) 

de lidstaat, of de met de tenuitvoerlegging van de maatregel belaste entiteit, zorgt ervoor dat een boekenonderzoek plaatsvindt om te verzekeren dat de tenuitvoerlegging van de risicofinancieringsmaatregel volgens een zakelijk verantwoorde investeringsstrategie plaatsvindt, met onder meer een passend beleid inzake risicodiversificatie dat is gericht op het bereiken van economische levensvatbaarheid en van een efficiënte schaal in termen van omvang en geografische spreiding van de betrokken portefeuille investeringen;

c) 

de verschaffing van risicofinanciering aan in aanmerking komende ondernemingen is gebaseerd op een levensvatbaar ondernemingsplan, dat nadere gegevens bevat over product, verkopen en winstgevendheidsontwikkeling, waarbij de financiële levensvatbaarheid vooraf is bepaald;

d) 

voor iedere investering van eigen vermogen en quasi-eigen-vermogen is er een heldere en realistische exitstrategie voorhanden.

15.  

De financiële intermediairs worden beheerd op zakelijke basis. Dit vereiste wordt geacht te zijn vervuld wanneer de financiële intermediair en, afhankelijk van het soort risicofinancieringsmaatregel, de fondsmanager ervan voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) 

zij zijn wettelijk of contractueel verplicht met de nodige professionele zorgvuldigheid en te goeder trouw te handelen en belangenconflicten te vermijden. Daarbij zijn goede praktijken en wettelijk toezicht van toepassing;

b) 

hun vergoeding is marktconform. Dit vereiste wordt geacht te zijn vervuld wanneer de manager of de financiële intermediair wordt geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende selectieoproep, op basis van objectieve criteria die verband houden met ervaring, deskundigheid en operationele en financiële capaciteiten;

c) 

zij ontvangen een prestatieafhankelijke vergoeding of dragen een deel van de investeringsrisico's door eigen middelen mee te investeren tegen dezelfde risicovoorwaarden als de publieke investeerder, zodat hun belangen steeds gelijklopen met die van de publieke investeerder;

d) 

zij bepalen investeringsstrategie, criteria en voorgenomen tijdschema voor investeringen;

e) 

de investeerders kunnen vertegenwoordigd zijn in de bestuursorganen van het investeringsfonds, zoals de raad van toezicht of het adviescomité.

16.  

►M1  Een risicofinancieringsmaatregel waarbij aan in aanmerking komende ondernemingen garanties of leningen worden verstrekt of waarbij aan in aanmerking komende ondernemingen als schuld gestructureerde investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen beschikbaar worden gesteld, voldoen aan de volgende voorwaarden: ◄

a) 

als gevolg van de maatregel verricht de financiële intermediair investeringen die deze zonder de steun niet, dan wel in beperktere mate of op een andere wijze zou hebben verricht. De financiële intermediair is in staat aan te tonen dat hij een mechanisme hanteert dat ervoor zorgt dat alle voordelen zo veel mogelijk aan de uiteindelijke begunstigden worden doorgegeven in de vorm van hogere volumes aan financiering, een hoger risicoprofiel van de portefeuille, lagere eisen inzake zekerheden, lagere garantiepremies of lagere rentepercentages;

▼M1

b) 

in het geval van leningen en als schuld gestructureerde investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen wordt het nominale kredietbedrag in aanmerking genomen bij het berekenen van het maximale investeringsbedrag voor de toepassing van lid 9;

▼B

c) 

in het geval van garanties wordt het nominale bedrag van de onderliggende lening in aanmerking genomen bij het berekenen van het maximale investeringsbedrag ten behoeve van lid 9. De garantie bedraagt ten hoogste 80 % van de onderliggende lening.

17.  
Een lidstaat kan de tenuitvoerlegging van een risicofinancieringsmaatregel aan een met het beheer belaste entiteit toewijzen.
18.  

Risicofinancieringssteun voor kmo's die niet voldoet aan de in lid 5 vastgestelde voorwaarden, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits:

a) 

op het niveau van de kmo's de steun voldoet aan de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 1407/2013, en

b) 

alle in dit artikel vastgestelde voorwaarden zijn vervuld, behalve de voorwaarden bedoeld in de leden 5, 6, 9, 10 en 11, en

c) 

voor risicofinancieringsmaatregelen die eigenvermogens-, quasi-eigenvermogens- of leningsinvesteringen aan in aanmerking komende ondernemingen verschaffen, de risicofinancieringsmaatregel als hefboom dient voor aanvullende financiering van onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de financiële intermediairs of de kmo's, zodat het totale particuliere deelnemingspercentage ten minste 60 % van de aan de kmo's verschafte risicofinanciering bedraagt.

Artikel 22

Starterssteun

1.  
Regelingen inzake starterssteun zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

▼M1

2.  

In aanmerking komt elke niet-beursgenoteerde kleine onderneming tot vijf jaar na haar registratie, die aan de volgende voorwaarden voldoet:

a) 

zij heeft niet de activiteit van een andere onderneming overgenomen;

b) 

zij heeft nog geen winst uitgekeerd, en

c) 

zij is niet ontstaan uit een concentratie.

Voor in aanmerking komende ondernemingen die zich niet hoeven te laten registreren, kan de periode van vijf jaar om in aanmerking te komen, geacht worden aan te vangen op het tijdstip dat de onderneming haar economische activiteiten aanvangt of belastingplichtig wordt voor haar economische activiteiten.

In afwijking van de eerste alinea, onder c), worden ondernemingen die ontstaan uit een concentratie van ondernemingen die op grond van dit artikel voor steun in aanmerking komen, ook als in aanmerking komende ondernemingen beschouwd tot vijf jaar vanaf de registratie van de oudste onderneming die bij de concentratie betrokken is.

▼B

3.  

Starterssteun heeft de vorm van:

a) 

leningen tegen een rente die niet marktconform is, met een looptijd van tien jaar en voor een nominaal bedrag van ten hoogste 1 miljoen EUR, of 1,5 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen, of 2 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen. Voor leningen met een looptijd tussen vijf en tien jaar kunnen de maximumbedragen worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de lening. Voor leningen met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximumbedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar;

b) 

garanties met premies die niet marktconform zijn, met een looptijd van tien jaar en een gegarandeerd leningbedrag van ten hoogste 1,5 miljoen EUR, of 2,25 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen, of 3 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen. Voor garanties met een looptijd tussen vijf en tien jaar kan het maximaal gegarandeerde bedrag worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de garantie. Voor garanties met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximaal gegarandeerde bedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar. De garantie bedraagt ten hoogste 80 % van de onderliggende lening.

c) 

subsidies, met inbegrip van eigenvermogens- of quasi-eigenvermogensinvesteringen, rentekortingen en kortingen op de garantiepremies tot maximaal 0,4 miljoen EUR bruto-subsidie-equivalent, of 0,6 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen, of 0,8 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen.

4.  
Een begunstigde kan steun ontvangen via een mix van de in lid 3 van dit artikel bedoelde steuninstrumenten, mits het aandeel van de via één steuninstrument verleende steun, berekend op basis van het voor dat instrument toegestane maximale steunbedrag, in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van het resterende deel van het maximale steunbedrag dat is toegestaan voor de overige instrumenten die onderdeel vormen van dit soort gemengde instrument.
5.  
Voor kleine en innovatieve ondernemingen kunnen de in lid 3 genoemde maximumbedragen worden verdubbeld.

Artikel 23

Steun voor in kmo's gespecialiseerde alternatieve handelsplatforms

1.  
Steun ten behoeve van in kmo's gespecialiseerde alternatieve handelsplatforms is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Wanneer de exploitant van het platform een kleine onderneming is, kan de steunmaatregel de vorm aannemen van starterssteun voor de platformexploitant; in dat geval zijn de voorwaarden van artikel 22 van toepassing.

De steunmaatregel kan de vorm aannemen van fiscale prikkels voor onafhankelijke particuliere investeerders die natuurlijke personen zijn, ten behoeve van hun via een alternatief handelsplatform verlopende risicofinancieringsinvesteringen in in aanmerking komende ondernemingen op de in artikel 21 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 24

Steun voor scoutingkosten

1.  
Steun voor scoutingkosten is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De in aanmerking komende kosten zijn de kosten voor de initiële screening en het formele boekenonderzoek die door beheerders, financiële intermediairs of investeerders worden uitgevoerd om in aanmerking komende ondernemingen te selecteren overeenkomstig de artikelen 21 en 22.
3.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.



DEEL 4

Steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie

Artikel 25

Steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten

▼M4

1.  
Steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, met inbegrip van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die in het kader van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma het kwaliteitslabel „Excellentiekeur” hebben gekregen, en gecofinancierde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en, indien van toepassing, steun voor gecofinancierde teamvormingsacties is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

▼B

2.  

Het gesteunde deel van het onderzoeks- en ontwikkelingsproject valt volledig binnen één of meer van de volgende categorieën:

a) 

fundamenteel onderzoek;

b) 

industrieel onderzoek;

c) 

experimentele ontwikkeling;

d) 

haalbaarheidsstudies.

3.  

De in aanmerking komende kosten van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling ingedeeld en betreffen:

a) 

personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

b) 

kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

c) 

kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

d) 

kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

e) 

bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

4.  
Bij haalbaarheidsstudies zijn de in aanmerking komende kosten de kosten van de studie.
5.  

De steunintensiteit bedraagt voor elke begunstigde ten hoogste:

a) 

100 % van de in aanmerking komende kosten voor fundamenteel onderzoek;

b) 

50 % van de in aanmerking komende kosten voor industrieel onderzoek;

c) 

25 % van de in aanmerking komende kosten voor experimentele ontwikkeling;

d) 

50 % van de in aanmerking komende kosten voor haalbaarheidsstudies.

6.  

De steunintensiteiten voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling kunnen als volgt worden verhoogd, tot een maximale steunintensiteit van 80 % van de in aanmerking komende kosten:

a) 

met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen;

b) 

met 15 procentpunten indien één van de volgende voorwaarden is vervuld:

i) 

het project behelst daadwerkelijke samenwerking:

— 
tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een kmo is, of wordt uitgevoerd in ten minste twee lidstaten of in een lidstaat en in een overeenkomstsluitende partij bij de EER-overeenkomst, en geen van de ondernemingen neemt meer dan 70 % van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening, of
— 
tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10 % van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren;
ii) 

de projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software.

7.  
De steunintensiteit voor haalbaarheidsstudies kan worden verhoogd met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen.

▼M4

Artikel 25 bis

Steun voor projecten waaraan het kwaliteitslabel „Excellentiekeur” is toegekend

1.  
Steun aan kmo’s ten behoeve van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en haalbaarheidsstudies waaraan in het kader van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma het kwaliteitslabel „Excellentiekeur” is toegekend, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De in aanmerking komende activiteiten van de gesteunde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten of haalbaarheidsstudies zijn die welke als zodanig zijn vastgesteld volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma, met uitsluiting van activiteiten die verder gaan dan experimentele ontwikkelingsactiviteiten.
3.  
De categorieën, maximumbedragen en methoden voor de berekening van in aanmerking komende kosten van de gesteunde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten of haalbaarheidsstudies zijn die welke als zodanig zijn vastgesteld volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma.
4.  
Het maximale steunbedrag beloopt ten hoogste 2,5 miljoen EUR per kmo per onderzoeks- en ontwikkelingsproject of haalbaarheidsstudie.
5.  
De totale overheidsfinanciering voor elk onderzoeks- en ontwikkelingsproject of elke haalbaarheidsstudie is niet hoger dan het financieringspercentage dat volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma voor dat onderzoeks- en ontwikkelingsproject of die haalbaarheidsstudie is vastgesteld.

Artikel 25 ter

Steun voor Marie Skłodowska-Curieacties en ERC-Proof of concept-acties

1.  
Steun voor Marie Skłodowska-Curieacties en ERC-Proof of concept-acties waaraan in het kader van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma het kwaliteitslabel „Excellentiekeur” is toegekend, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De in aanmerking komende activiteiten van de gesteunde actie zijn die welke als zodanig zijn vastgesteld volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma.
3.  
De categorieën, maximumbedragen en methoden voor de berekening van in aanmerking komende kosten van de gesteunde actie zijn die welke als zodanig zijn vastgesteld volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma.
4.  
De totale overheidsfinanciering voor elke gesteunde actie is niet hoger dan het maximale steunniveau dat in het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma is bepaald.

Artikel 25 quater

Steun vervat in gecofinancierde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten

1.  
Steun voor gecofinancierde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten of haalbaarheidsstudies (met inbegrip van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die worden uitgevoerd in het kader van een geïnstitutionaliseerd Europees partnerschap op basis van artikel 185 of artikel 187 van het Verdrag, of een cofinancieringsactie voor programma’s zoals gedefinieerd in de regels van het Horizon Europa-programma) die door ten minste drie lidstaten, of twee lidstaten en ten minste één geassocieerd land, worden uitgevoerd en op basis van de evaluatie en rangschikking van onafhankelijke deskundigen worden geselecteerd na transnationale oproepen tot inschrijving volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De in aanmerking komende activiteiten van de gesteunde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten of haalbaarheidsstudies zijn die welke als zodanig zijn vastgesteld volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma, met uitsluiting van activiteiten die verder gaan dan experimentele ontwikkelingsactiviteiten.
3.  
De categorieën, maximumbedragen en methoden voor de berekening van in aanmerking komende kosten zijn die welke als zodanig zijn vastgesteld volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma.
4.  
De totale overheidsfinanciering is niet hoger dan het financieringspercentage dat voor het onderzoeks- en ontwikkelingsproject of de haalbaarheidsstudie is vastgesteld na de selectie, rangschikking en evaluatie volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma.
5.  
De door het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma verschafte financiering dekt ten minste 30 % van de totale in aanmerking komende kosten van een onderzoeks- en innovatieactie of een innovatieactie als gedefinieerd in het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma.

Artikel 25 quinquies

Steun voor teamvormingsacties

1.  
Steun voor gecofinancierde teamvormingsacties waarbij ten minste twee lidstaten betrokken zijn en die op basis van de evaluatie en rangschikking van onafhankelijke deskundigen zijn geselecteerd na transnationale oproepen tot inschrijving volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De in aanmerking komende activiteiten van de gecofinancierde teamvormingsacties zijn die welke als zodanig zijn vastgesteld volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma. Activiteiten die verder gaan dan experimentele ontwikkelingsactiviteiten, zijn uitgesloten.
3.  
De categorieën, maximumbedragen en methoden voor de berekening van in aanmerking komende kosten zijn die welke als zodanig zijn vastgesteld volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma. Daarnaast komen kosten voor investeringen in projectgerelateerde materiële en immateriële activa in aanmerking.
4.  
De totale overheidsfinanciering is niet hoger dan het financieringspercentage dat voor de teamvormingsactie is vastgesteld na de selectie, rangschikking en evaluatie volgens de regels van het Horizon 2020- of het Horizon Europa-programma. Voorts bedraagt de steun voor investeringen in projectgerelateerde materiële en immateriële activa niet meer dan 70 % van de investeringskosten.
5.  

Voor investeringssteun voor infrastructuur in het kader van een teamvormingsactie zijn de volgende aanvullende voorwaarden van toepassing:

a) 

wanneer met de infrastructuur zowel economische als niet-economische activiteiten worden verricht, wordt voor de financiering, kosten en inkomsten van elk soort activiteit een gescheiden boekhouding gevoerd, op basis van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen van kostprijsadministratie;

b) 

de prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de infrastructuur wordt berekend, stemt overeen met een marktprijs;

c) 

toegang tot de infrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 10 % van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld;

d) 

wanneer de infrastructuur overheidsfinanciering ontvangt voor zowel economische als niet-economische activiteiten, werken de lidstaten een monitoring- en terugvorderingsmechanisme uit om te garanderen dat de toepasselijke steunintensiteit niet wordt overschreden door een toename van het aandeel economische activiteiten ten opzichte van de situatie waarmee op het tijdstip van de toekenning van de steun werd gerekend.

▼B

Artikel 26

Investeringssteun voor onderzoeksinfrastructuur

1.  
Steun voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur waarmee economische activiteiten worden verricht, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Wanneer met onderzoeksinfrastructuur zowel economische als niet-economische activiteiten worden verricht, wordt voor de financiering, kosten en inkomsten van elk soort activiteit een gescheiden boekhouding gevoerd, op basis van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen van kostprijsadministratie.
3.  
De prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de infrastructuur wordt berekend, stemt overeen met een marktprijs.
4.  
Toegang tot de infrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 10 % van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld.
5.  
De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa.
6.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.
7.  
Wanneer onderzoeksinfrastructuur overheidsfinanciering ontvangt voor zowel economische als niet-economische activiteiten, werken lidstaten een monitoring- en terugvorderingsmechanisme uit om te garanderen dat de toepasselijke steunintensiteit niet wordt overschreden door een toename van het aandeel economische activiteiten ten opzichte van de situatie waarmee op het tijdstip van de toekenning van de steun werd gerekend.

Artikel 27

Steun voor innovatieclusters

1.  
Steun voor innovatieclusters is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Steun voor innovatieclusters wordt uitsluitend verleend aan de rechtspersoon die het innovatiecluster opereert (de clusterorganisatie).
3.  
Toegang tot de panden, faciliteiten en activiteiten van het cluster staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 10 % van de investeringskosten van het innovatiecluster hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld.
4.  
De vergoedingen die voor het gebruik van de faciliteiten van het cluster en voor deelname aan de activiteiten van het cluster worden berekend, stemmen overeen met de marktprijs of weerspiegelen de kosten ervan.
5.  
Voor de bouw of het upgraden van innovatieclusters mag investeringssteun worden verleend. De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa.
6.  
De steunintensiteit van investeringssteun voor innovatieclusters bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor innovatieclusters in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor innovatieclusters in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.
7.  
Voor de exploitatie van innovatieclusters mag exploitatiesteun worden verleend. De steun mag ten hoogste tien jaar lopen.
8.  

De voor exploitatiesteun ten behoeve van innovatieclusters in aanmerking komende kosten zijn de personeelskosten en administratieve kosten (met inbegrip van de algemene kosten) met betrekking tot:

a) 

het aansturen van het cluster ter bevordering van samenwerking, informatiedeling en het verschaffen of toeleiden van gespecialiseerde en op maat gemaakte zakelijke ondersteuningsdiensten;

b) 

de marketing van het cluster om nieuwe ondernemingen of organisaties aan te trekken en de zichtbaarheid te verhogen;

c) 

het beheer van de faciliteiten van het cluster, de organisatie van opleidingsprogramma's, workshops en conferenties ter ondersteuning van kennisdeling, netwerking en transnationale samenwerking.

9.  
►C1  De steunintensiteit van exploitatiesteun voor innovatieclusters bedraagt ten hoogste 50 % van de totale in aanmerking komende kosten over de periode waarvoor steun wordt toegekend. ◄

Artikel 28

Innovatiesteun voor kmo's

1.  
Innovatiesteun voor kmo's is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) 

de kosten verbonden aan de verkrijging, validering en verdediging van octrooien en immateriële activa;

b) 

de kosten verbonden aan het detacheren van hooggekwalificeerd personeel van een organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding of een grote onderneming naar onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieactiviteiten in een nieuw gecreëerde functie binnen de begunstigde onderneming, zonder dat hierbij andere personeelseden worden vervangen;

c) 

de kosten verbonden aan innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning.

3.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.
4.  
In het specifieke geval van steun voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning kan de steunintensiteit worden verhoogd tot 100 % van de in aanmerking komende kosten mits het totale bedrag van de steun voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning ten hoogste 200 000  EUR bedraagt per onderneming over een periode van drie jaar.

Artikel 29

Steun voor proces- en organisatie-innovatie

1.  
Steun voor proces- en organisatie-innovatie is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Steun voor grote ondernemingen is alleen verenigbaar indien zij bij de gesteunde activiteit daadwerkelijk samenwerken met kmo's en de samenwerkende kmo's ten minste 30 % van de totale in aanmerking komende kosten dragen.
3.  

De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) 

personeelskosten;

b) 

kosten van apparatuur en uitrusting, gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project;

c) 

kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length worden verworven bij of waarvoor een licentie wordt verkregen van externe bronnen;

d) 

bijkomende algemene kosten en andere exploitatiekosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

4.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 15 % van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen en 50 % van de in aanmerking komende kosten voor kmo's.

Artikel 30

Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector

1.  
Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Het gesteunde project is van belang voor alle marktdeelnemers in de betrokken sector of subsector.
3.  

Vóór de datum van aanvang van het gesteunde project wordt op internet de volgende informatie bekendgemaakt:

a) 

dat het gesteunde project zal worden uitgevoerd;

b) 

de doelstellingen van het gesteunde project;

c) 

de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesteunde project worden verwacht, en waar zij op internet zullen worden bekendgemaakt;

d) 

een vermelding dat de resultaten van het gesteunde project kosteloos beschikbaar zullen zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken sector of subsector actief zijn.

4.  
De resultaten van het gesteunde project worden op internet beschikbaar gesteld vanaf de einddatum van het gesteunde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt. De resultaten blijven op internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesteunde project.
5.  
De steun wordt rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding verleend en mag niet bestaan in rechtstreekse niet-onderzoeksgerelateerde steun aan een onderneming die visserij- of aquacultuurproducten produceert, verwerkt of afzet.
6.  
De in aanmerking komende kosten zijn de in artikel 25, lid 3, vastgestelde kosten.
7.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.



DEEL 5

Opleidingssteun

Artikel 31

Opleidingssteun

1.  
Opleidingssteun is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Er wordt geen steun toegekend voor opleiding die ondernemingen geven om te voldoen aan bindende nationale opleidingsnormen.
3.  

De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) 

de personeelskosten van de opleiders, voor de uren dat de opleiders aan de opleiding deelnemen;

▼M1

b) 

rechtstreeks met het opleidingsproject verband houdende operationele kosten van opleiders en deelnemers aan de opleiding, zoals reiskosten, accommodatiekosten, materiaal en benodigdheden die rechtstreeks met het project verband houden, de afschrijving van werktuigen en uitrusting voor zover deze uitsluitend voor het opleidingsproject worden gebruikt;

▼B

c) 

kosten van adviesdiensten met betrekking tot het opleidingsproject;

d) 

de personeelskosten van de deelnemers aan de opleiding en algemene indirecte kosten (administratieve kosten, huur, algemene vaste kosten), voor de uren dat de deelnemers de opleiding bijwonen.

4.  

De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan als volgt worden verhoogd tot een maximale steunintensiteit van 70 % van de in aanmerking komende kosten:

a) 

met 10 procentpunten indien de opleiding aan werknemers met een handicap of aan kwetsbare werknemers wordt gegeven;

b) 

met 10 procentpunten indien de steun aan middelgrote ondernemingen wordt toegekend en met 20 procentpunten indien de steun aan kleine ondernemingen wordt toegekend.

5.  

Wanneer de steun in de sector van het zeevervoer wordt toegekend, kan de steunintensiteit worden verhoogd tot 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de deelnemers aan de opleiding behoren niet tot de bemanning, maar tot de opvarenden, en

b) 

de opleiding vindt plaats aan boord van schepen die in de Unie zijn geregistreerd.



DEEL 6

Steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap

Artikel 32

Steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de aanwerving van kwetsbare werknemers

1.  
Steunregelingen ten behoeve van de aanwerving van kwetsbare werknemers zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De in aanmerking komende kosten zijn de loonkosten gedurende een periode van maximaal twaalf maanden vanaf de aanwerving van een kwetsbare werknemer. Wanneer echter de betrokken werknemer een uiterst kwetsbare werknemer is, zijn de in aanmerking komende kosten de loonkosten gedurende een periode van maximaal 24 maanden vanaf de aanwerving.
3.  
Wanneer de aanwerving, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden, geen nettotoename vertegenwoordigt van het aantal werknemers in de betrokken onderneming, zijn de vacatures ontstaan ten gevolge van ontslag op initiatief van de werknemer, van een handicap, van ouderdomspensionering, vermindering van de werktijd op initiatief van de werknemer of gewettigd ontslag om dringende redenen, en niet door afvloeiingen.
4.  
Behalve in het geval van gewettigd ontslag om dringende redenen maken de kwetsbare werknemers aanspraak op ononderbroken werkzaamheid gedurende een minimumperiode die met de betrokken nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten inzake arbeidscontracten (cao's) in overeenstemming is.
5.  
Indien de werkperiode korter is dan twaalf maanden of, in het geval van een uiterst kwetsbare werknemer, 24 maanden, wordt de steun dienovereenkomstig pro rata verminderd.
6.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.

Artikel 33

Steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de tewerkstelling van werknemers met een handicap

1.  
Steun ten behoeve van de tewerkstelling van werknemers met een handicap is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De in aanmerking komende kosten zijn de loonkosten gedurende de gehele periode dat de werknemer met een handicap in dienst is.
3.  
Wanneer de aanwerving, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden, geen nettotoename vertegenwoordigt van het aantal werknemers in de betrokken onderneming, zijn de vacatures ontstaan ten gevolge van ontslag op initiatief van de werknemer, van een handicap, van ouderdomspensionering, vermindering van de werktijd op initiatief van de werknemer of gewettigd ontslag om dringende redenen, en niet door afvloeiingen.
4.  
Behalve in het geval van gewettigd ontslag om dringende redenen maken de werknemers met een handicap aanspraak op ononderbroken werkzaamheid gedurende een minimumperiode die in overeenstemming is met de toepasselijke nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten inzake arbeidscontracten (cao's) die juridisch bindend zijn voor de onderneming en die gelden ten aanzien van arbeidscontracten.
5.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 75 % van de in aanmerking komende kosten.

Artikel 34

Steun ter compensatie van de bijkomende kosten voor de tewerkstelling van werknemers met een handicap

1.  
Steun ter compensatie van de bijkomende kosten van de tewerkstelling van werknemers met een handicap is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) 

de kosten voor de aanpassing van de ruimten;

b) 

de kosten voor het inzetten van medewerkers voor de tijd die het personeel uitsluitend besteedt aan de begeleiding van de werknemers met een handicap, en de kosten voor het opleiden van medewerkers die werknemers met een handicap begeleiden;

c) 

de kosten voor de aanpassing of aankoop van apparatuur of voor de aankoop en validering van software die werknemers met een handicap gebruiken, met inbegrip van aangepaste of assistive technologie, wanneer deze kosten bovenop de kosten komen die de begunstigde had moeten maken indien hij geen werknemers met een handicap had tewerkgesteld;

d) 

de kosten die rechtstreeks verband houden met het vervoer van werknemers met een handicap naar de plaats van arbeid, en de kosten voor werkgerelateerde activiteiten;

e) 

de loonkosten voor de uren die een werknemer met een handicap besteedt aan rehabilitatie;

f) 

wanneer de begunstigde onderneming een sociale werkvoorziening biedt: de kosten voor de bouw, installatie of modernisering van de productie-eenheden van de betrokken onderneming, alsmede alle kosten voor de administratie en het vervoer, mits die kosten rechtstreeks uit de tewerkstelling van werknemers met een handicap voortvloeien.

3.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.

Artikel 35

Steun ter compensatie van de kosten voor de begeleiding van kwetsbare werknemers

1.  
Steun ter compensatie van de kosten voor de begeleiding van kwetsbare werknemers is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van:

a) 

het inzetten van medewerkers voor de tijd die uitsluitend wordt besteed aan de begeleiding van de kwetsbare werknemers, gedurende een periode van maximaal twaalf maanden vanaf de aanwerving van een kwetsbare werknemer of, in het geval van een uiterst kwetsbare werknemer, gedurende maximaal 24 maanden;

b) 

de opleiding van de medewerkers die kwetsbare werknemers begeleiden.

3.  
De begeleiding die wordt gegeven, bestaat uit maatregelen om de autonomie van de kwetsbare werknemer en zijn aanpassing aan de werkomgeving te ondersteunen, door deze werknemer te begeleiden bij sociale en administratieve procedures, door de communicatie met de ondernemer te faciliteren en door conflictbeheer.
4.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.



DEEL 7

Steun voor milieubescherming

Artikel 36

Investeringssteun om ondernemingen in staat te stellen verder te gaan dan Unienormen inzake milieubescherming of om, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen

1.  
Investeringssteun om ondernemingen in staat te stellen verder te gaan dan Unienormen inzake milieubescherming of om, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

De investering voldoet aan een van de volgende voorwaarden:

a) 

zij stelt de begunstigde in staat het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen door verder te gaan dan de geldende Unienormen, ongeacht of er nationale normen bestaan die strenger zijn dan de Unienormen;

b) 

zij stelt de begunstigde, bij ontstentenis van Unienormen, in staat het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen.

3.  
Er mag geen steun worden verleend wanneer de investeringen worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat ondernemingen voldoen aan reeds vastgestelde en nog niet in werking getreden Unienormen.
4.  

In afwijking van lid 3 kan steun worden verleend voor:

a) 

de aanschaf van nieuwe vervoermiddelen voor vervoer per spoor, over de weg, over de binnenwateren en over zee die aan vastgestelde Unienormen voldoen, mits deze aanschaf plaatsvindt vóór de inwerkingtreding van die normen en, wanneer die normen bindend worden, deze niet op reeds vóór die datum aangeschafte vervoermiddelen van toepassing zijn;

b) 

het retrofitten van bestaande vervoermiddelen voor vervoer per spoor, over de weg, over de binnenwateren en over zee, mits de Unienormen nog niet van kracht waren op het tijdstip dat die vervoermiddelen in bedrijf werden genomen, en die normen, zodra deze bindend worden, niet met terugwerkende kracht op die vervoermiddelen van toepassing zijn.

5.  

De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om verder te gaan dan de toepasselijke Unienormen of om, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld:

a) 

wanneer de kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op milieubescherming betrekking hebbende kosten de in aanmerking kosten;

b) 

in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in milieubescherming vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn verricht. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met milieubescherming verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten.

De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking.

6.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 40 % van de in aanmerking komende kosten.
7.  
De steunintensiteit kan met 10 procentpunten worden verhoogd voor steun aan middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor steun aan kleine ondernemingen.
8.  
De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

▼M4

Artikel 36 bis

Investeringssteun voor publiek toegankelijke oplaad- of tankinfrastructuur voor emissiearme en emissievrije wegvoertuigen

1.  
Steun voor de uitrol van oplaad- of tankinfrastructuur voor de levering van energie aan emissiearme en emissievrije wegvoertuigen voor vervoersdoeleinden is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Dit artikel heeft alleen betrekking op steun voor de uitrol van oplaad- of tankinfrastructuur om voertuigen te voorzien van elektriciteit of hernieuwbare waterstof voor vervoersdoeleinden. De lidstaat zorgt ervoor dat aan de verplichting om hernieuwbare waterstof te leveren wordt voldaan gedurende de gehele economische levensduur van de infrastructuur.
3.  
De in aanmerking komende kosten zijn de kosten voor de bouw, de installatie of de verbetering van de oplaad- of tankinfrastructuur. Deze omvatten de kosten voor de oplaad- of tankinfrastructuur zelf, de installatie of verbetering van elektrische of andere onderdelen, met inbegrip van de transformatoren die nodig zijn voor de aansluiting van de oplaad- of tankinfrastructuur op het net of op een lokale productie- of opslageenheid voor elektriciteit of waterstof, alsmede de desbetreffende technische uitrusting, civieltechnische werken, grond- of wegaanpassingen, installatiekosten en kosten voor het verkrijgen van de bijbehorende vergunningen. De kosten voor de lokale productie- of opslageenheid waarmee de elektrische energie wordt opgewekt of opgeslagen, alsmede de kosten voor de lokale productie-eenheid van waterstof zijn uitgesloten.
4.  
De steun in het kader van dit artikel wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure op grond van duidelijke, transparante en niet-discriminerende criteria en de steunintensiteit kan tot 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.
5.  
De steun die aan één van de begunstigden wordt toegekend, bedraagt niet meer dan 40 % van het totale budget van de betrokken regeling.
6.  
Steun krachtens dit artikel wordt alleen toegekend voor de bouw, de installatie of de verbetering van oplaad- of tankinfrastructuur die publiek toegankelijk is en waarbij op niet-discriminerende basis toegang wordt verleend aan gebruikers, onder meer met betrekking tot tarieven, authenticatie- en betalingsmethoden en andere gebruiksvoorwaarden.
7.  
De noodzaak van steun om de uitrol van oplaad- of tankinfrastructuur van dezelfde categorie te stimuleren (bijvoorbeeld voor oplaadinfrastructuur: normaal of hoog vermogen) wordt gecontroleerd door middel van een voorafgaande openbare raadpleging of een onafhankelijke marktstudie. Met name moet worden nagegaan of binnen drie jaar na de bekendmaking van de steunmaatregel waarschijnlijk geen dergelijke infrastructuur op commerciële voorwaarden zal worden uitgerold.
8.  
In afwijking van lid 7 kan de noodzaak van steun voor oplaad- of tankinfrastructuur worden vermoed wanneer door batterijen aangedreven elektrische voertuigen (voor oplaadinfrastructuur) of waterstofvoertuigen (voor tankinfrastructuur) telkens minder dan 2 % uitmaken van het totale aantal voertuigen van dezelfde categorie die in de desbetreffende lidstaat zijn ingeschreven. Voor de toepassing van dit lid worden personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen geacht deel uit te maken van dezelfde categorie voertuigen.
9.  
Iedere concessie of andere vorm van toewijzing aan een derde om de gesteunde oplaad- of tankinfrastructuur te exploiteren, vindt op concurrerende, transparante en niet-discriminerende basis plaats, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels.

▼B

Artikel 37

Investeringssteun ten behoeve van vroege aanpassing aan toekomstige Unienormen

1.  
Steun om ondernemingen aan te moedigen te voldoen aan nieuwe Unienormen die het niveau van milieubescherming verhogen en nog niet in werking zijn getreden, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De Unienormen moeten zijn goedgekeurd en de investering wordt ten uitvoer gelegd en is voltooid ten minste één jaar vóór de inwerkingtreding van de betrokken normen.
3.  

De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om verder te gaan dan de toepasselijke Unienormen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld:

a) 

wanneer de kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op milieubescherming betrekking hebbende kosten de in aanmerking kosten;

b) 

in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in milieubescherming vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn verricht. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met milieubescherming verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten.

De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking.

4.  

De steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

a) 

20 % van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen, 15 % van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen en 10 % van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen indien de investering meer dan drie jaar vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Unienorm ten uitvoer wordt gelegd en is voltooid;

b) 

15 % van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen, 10 % van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen en 5 % van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen indien de investering tussen één en drie jaar vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Unienorm ten uitvoer wordt gelegd en is voltooid.

5.  
De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

Artikel 38

Investeringssteun ten behoeve van energie-efficiëntiemaatregelen

1.  
Investeringssteun om ondernemingen in staat te stellen energie-efficiëntie te behalen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Op grond van dit artikel mag geen steun worden verleend wanneer de verbeteringen worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat ondernemingen voldoen aan reeds vastgestelde Unienormen, zelfs al zijn die nog niet van kracht.

▼M4

3.  

De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om het hogere niveau van energie-efficiëntie te behalen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld:

a) 

wanneer de kosten voor de investering in energie-efficiëntie binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op energie-efficiëntie betrekking hebbende kosten de in aanmerking komende kosten;

b) 

wanneer de investering betrekking heeft op de verbetering van de energie-efficiëntie van i) woongebouwen, ii) gebouwen die bestemd zijn voor het geven van onderwijs of het verlenen van sociale diensten, iii) gebouwen die bestemd zijn voor activiteiten in verband met openbaar bestuur of justitie, politie of brandweerdiensten, of iv) gebouwen als bedoeld in de punten i), ii) of iii) waarin andere dan de in die punten genoemde activiteiten minder dan 35 % van de interne vloeroppervlakte beslaan, vormen de volledige investeringskosten die nodig zijn om een hoger niveau van energie-efficiëntie te bereiken, de in aanmerking komende kosten, op voorwaarde dat de verbeteringen in energie-efficiëntie leiden tot een vermindering van ten minste 20 % van de vraag naar primaire energie in geval van renovatie en tot besparingen van primaire energie van ten minste 10 % in vergelijking met de drempel die voor de vereisten van bijna-energieneutrale gebouwen is vastgesteld in de nationale maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 39 ) in het geval van nieuwe gebouwen. De initiële vraag naar primaire energie en de geraamde verbetering worden vastgesteld aan de hand van een energieprestatiecertificaat als bepaald in artikel 2, punt 12, van Richtlijn 2010/31/EU;

c) 

in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in energie-efficiëntie vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder energie-efficiënte investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn uitgevoerd. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met energie-efficiëntie verband houdende kosten op en vormt de in aanmerking komende kosten.

De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het bereiken van een hoger niveau van energie-efficiëntie, komen niet in aanmerking.

▼M4

3 bis.  

Voor de in lid 3, punt b), bedoelde gebouwen kunnen de investeringen ter verbetering van de energie-efficiëntie van het gebouw worden gecombineerd met investeringen in een of meer van de volgende onderdelen:

a) 

geïntegreerde installaties voor de opwekking ter plaatse van hernieuwbare energie waarmee elektriciteit en/of warmte wordt gegenereerd;

b) 

uitrusting voor de opslag van de energie die door de installatie voor de opwekking ter plaatse van hernieuwbare energie wordt gegenereerd;

c) 

tot het gebouw behorende uitrusting en bijbehorende infrastructuur die bedoeld is om elektrische voertuigen van gebruikers van het gebouw op te laden;

d) 

investeringen voor de digitalisering van het gebouw, met name om de gereedheid voor slimme toepassingen te verbeteren. Voor steun in aanmerking komende investeringen kunnen ingrepen omvatten die beperkt zijn tot passieve inpandige bekabeling of gestructureerde bekabeling voor datanetwerken en, indien nodig, het aanvullende gedeelte van het passieve netwerk op het particuliere terrein buiten het gebouw. Bedrading of bekabeling voor datanetwerken buiten het particuliere eigendom is uitgesloten.

In het geval van dergelijke gecombineerde werkzaamheden als bedoeld in de eerste alinea, punten a) tot en met d), vormen de volledige investeringskosten van de verschillende onderdelen van de uitrusting de in aanmerking komende kosten.

De steun kan worden verleend aan de eigenaar(s) van het gebouw of aan de huurder(s), afhankelijk van wie de opdracht geeft voor de energie-efficiëntiewerkzaamheden.

▼B

4.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 30 % van de in aanmerking komende kosten.
5.  
De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.
6.  
De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

▼M4

7.  

Steun voor maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen mag ook betrekking hebben op de bevordering van energieprestatiecontracten, mits aan de volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de steun neemt de vorm aan van een lening of garantie aan de aanbieder van de maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie in het kader van een energieprestatiecontract, of bestaat uit een financieel product dat tot doel heeft de betrokken aanbieder te herfinancieren (bv. factoring, forfaiting);

b) 

het nominale bedrag van de totale uitstaande financiering die krachtens dit lid per begunstigde wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 30 miljoen EUR;

c) 

de steun wordt verleend aan kmo’s of kleine midcapondernemingen;

d) 

de steun wordt verleend voor energieprestatiecontracten in de zin van artikel 2, punt 27, van Richtlijn 2012/27/EU;

e) 

de energieprestatiecontracten hebben betrekking op een gebouw als bedoeld in lid 3, punt b).

▼M4

Artikel 39

Investeringssteun ten behoeve van energie-efficiëntieprojecten in gebouwen in de vorm van financiële instrumenten

▼B

1.  
Investeringssteun ten behoeve van energie-efficiëntieprojecten in gebouwen is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Voor steun op grond van dit artikel komen energie-efficiëntieprojecten met betrekking tot gebouwen in aanmerking.

▼M4

2 bis.  

Wanneer de investering betrekking heeft op de verbetering van de energie-efficiëntie van i) woongebouwen, ii) gebouwen die bestemd zijn voor het geven van onderwijs of het verlenen van sociale diensten, iii) gebouwen die bestemd zijn voor activiteiten in verband met openbaar bestuur, of justitie, politie of brandweerdiensten, of iv) gebouwen als bedoeld in de punten i), ii) of iii) waarin andere dan de in die punten genoemde activiteiten minder dan 35 % van de vloeroppervlakte beslaan, kunnen de energie-efficiëntieprojecten krachtens dit artikel ook worden gecombineerd met een van de volgende investeringen:

a) 

geïntegreerde installaties voor de opwekking ter plaatse van hernieuwbare energie waarmee elektriciteit en/of warmte wordt gegenereerd;

b) 

uitrusting voor de opslag van de energie die door de installatie voor de opwekking ter plaatse van hernieuwbare energie wordt gegenereerd;

c) 

tot het gebouw behorende uitrusting en bijbehorende infrastructuur die bedoeld is om elektrische voertuigen van gebruikers van het gebouw op te laden;

d) 

investeringen voor de digitalisering van het gebouw, met name om de gereedheid voor slimme toepassingen te verbeteren. Voor steun in aanmerking komende investeringen kunnen ingrepen omvatten die beperkt zijn tot passieve inpandige bekabeling of gestructureerde bekabeling voor datanetwerken en, indien nodig, het aanvullende gedeelte van het passieve netwerk op het particuliere terrein buiten het gebouw. Bedrading of bekabeling voor datanetwerken buiten het particuliere eigendom is uitgesloten.

▼M4

3.  
De in aanmerking komende kosten zijn de totale kosten van het energie-efficiëntieproject, uitgezonderd voor de gebouwen bedoeld in lid 2 bis waarvoor de in aanmerking komende kosten de totale kosten van het energie-efficiëntieproject zijn alsmede de investeringskosten van de verschillende onderdelen van de uitrusting vermeld in lid 2 bis.
4.  
De steun wordt toegekend in de vorm van een dotatie, eigen vermogen, een garantie of een lening aan een energie-efficiëntiefonds of een andere financiële intermediair, die deze zo veel mogelijk doorgeeft aan de eindbegunstigden, namelijk de eigenaren of huurders van het gebouw, in de vorm van hogere financieringsvolumes, lagere zekerheidsvereisten, lagere garantiepremies of lagere rentetarieven.
5.  
De steun die door het energie-efficiëntiefonds of andere financiële intermediairs aan in aanmerking komende energie-efficiëntieprojecten wordt toegekend, kan de vorm hebben van leningen of garanties. De nominale waarde van de lening of het gegarandeerde bedrag bedraagt niet meer dan 15 miljoen EUR per project op het niveau van de eindbegunstigden, behalve in het geval van de in lid 2 bis bedoelde gecombineerde investeringen, waarvoor het bedrag niet hoger is dan 30 miljoen EUR. De garantie beloopt niet meer dan 80 % van de onderliggende lening.

▼B

6.  
De terugbetaling door de eigenaren van gebouwen aan het energie-efficiëntiefonds of andere financiële intermediair gebeurt ten minste tegen de nominale waarde van de lening.
7.  
De energie-efficiëntiesteun dient als hefboom voor bijkomende investeringen van particuliere investeerders, zodat daarmee in totaal ten minste 30 % wordt bereikt van de totale financiering die voor een energie-efficiëntieproject wordt verstrekt. Wanneer de steun wordt verschaft door een energie-efficiëntiefonds, kan de hefboom van de particuliere investering worden ingezet op het niveau van het energie-efficiëntiefonds en/of op het niveau van de energie-efficiëntieprojecten, zodat daarmee een bedrag van in totaal ten minste 30 % wordt bereikt van de totale financiering die voor een energie-efficiëntieproject wordt verstrekt.
8.  

Lidstaten kunnen voor het verstrekken van energie-efficiëntiesteun energie-efficiëntiefondsen opzetten en/of een beroep doen op financiële intermediairs. Daarbij moet dan aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

a) 

managers van financiële intermediairs en managers van energie-efficiëntiefondsen worden geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en nationale recht. Met name is er geen discriminatie op grond van de plaats van vestiging of registratie in een lidstaat. Van financiële intermediairs en managers van energie-efficiëntiefondsen kan worden geëist dat zij voldoen aan vooraf vastgestelde criteria die objectief gerechtvaardigd zijn door de aard van de investeringen;

b) 

de onafhankelijke particuliere investeerders worden geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en nationale recht, met als doel passende regelingen inzake risico-/beloningsverdeling tot stand te brengen, waarbij voor investeringen niet zijnde garanties asymmetrische winstdeling de voorkeur krijgt boven neerwaartse bescherming. Indien de particuliere investeerders niet via dit soort oproep worden geselecteerd, wordt het redelijke rendement voor de particuliere investeerders bepaald door een onafhankelijke deskundige die is geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep;

c) 

in het geval van asymmetrische verliesdeling tussen publieke en particuliere investeerders, wordt het eerste, voor rekening van de publieke investeerder komende verlies gemaximeerd op 25 % van de totale investering;

d) 

in het geval van garanties wordt het garantiepercentage beperkt tot 80 % en zijn de totale verliezen die een lidstaat op zich neemt, gemaximeerd op 25 % van de onderliggende gegarandeerde portefeuille. Alleen garanties die de verwachte verliezen op de onderliggende gegarandeerde portefeuille dekken, kunnen kosteloos worden afgegeven. Indien een garantie ook de dekking van onverwachte verliezen omvat, betaalt de financiële intermediair voor het gedeelte van de garantie dat de onverwachte verliezen dekt, een marktconforme garantiepremie.

e) 

de investeerders kunnen vertegenwoordigd zijn in de bestuursorganen van het energie-efficiëntiefonds of de financiële intermediair, zoals de raad van toezicht of het adviescomité;

f) 

het energie-efficiëntiefonds of de financiële intermediair wordt opgericht overeenkomstig het toepasselijke recht en de lidstaat zorgt ervoor dat een boekenonderzoek plaatsvindt om te verzekeren dat de tenuitvoerlegging van de steunmaatregel ten behoeve van energie-efficiëntie volgens een zakelijk verantwoorde investeringsstrategie plaatsvindt.

9.  

Financiële intermediairs, met inbegrip van energie-efficiëntiefondsen, worden op zakelijke basis beheerd en zorgen voor winstgedreven financieringsbesluiten. Dit wordt geacht het geval te zijn wanneer de financiële intermediair en, in voorkomend geval, de managers van het energie-efficiëntiefonds voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) 

zij zijn wettelijk of contractueel verplicht met de nodige professionele zorgvuldigheid en te goeder trouw te handelen en belangenconflicten te vermijden. Daarbij zijn goede praktijken en wettelijk toezicht van toepassing;

b) 

hun vergoeding is marktconform. Dit vereiste wordt geacht te zijn vervuld wanneer de manager wordt geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep, op basis van objectieve criteria die verband houden met ervaring, deskundigheid en operationele en financiële capaciteiten;

c) 

zij ontvangen een prestatieafhankelijke vergoeding of dragen een deel van de investeringsrisico's door eigen middelen mee te investeren tegen dezelfde risicovoorwaarden als de publieke investeerder, zodat hun belangen steeds gelijklopen met die van de publieke investeerder;

d) 

zij bepalen investeringsstrategie, criteria en voorgenomen tijdschema voor investeringen in energie-efficiëntieprojecten, waarin vooraf de financiële levensvatbaarheid en de verwachte impact op de energie-efficiëntie worden aangetoond;

e) 

voor de in het energie-efficiëntiefonds geïnvesteerde of de aan de financiële intermediair verschafte publieke middelen is een heldere en realistische exitstrategie voorhanden, die de mogelijkheid biedt om energie-efficiëntieprojecten door de markt te laten te financieren wanneer deze daarvoor klaar is.

10.  
Verbeteringen van de energie-efficiëntie die worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de begunstigde aan reeds vastgestelde Unienormen voldoet, zijn op grond van dit artikel niet van de verplichting tot aanmelding vrijgesteld.

Artikel 40

Investeringssteun ten behoeve van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling

1.  
Investeringssteun ten behoeve van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De investeringssteun wordt uitsluitend voor nieuw geïnstalleerd of gerenoveerd vermogen verleend.
3.  
De nieuwe warmtekrachteenheid behaalt in totaal besparingen van primaire energie ten opzichte van de gescheiden productie van warmte en elektriciteit als bepaald in Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG ( 40 ). De verbetering van een bestaande warmtekrachteenheid of de ombouw van een bestaande stroomproductie-eenheid tot een warmtekrachteenheid resulteert in besparingen van primaire energie ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.
4.  
De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten voor de uitrusting die — vergeleken met conventionele elektriciteits- of verwarmingsinstallaties met dezelfde capaciteit — nodig is om de installatie als een hoogrenderende warmtekrachtinstallatie te exploiteren, of, wanneer een bestaande installatie de hoogrendementsdrempel reeds haalt, de bijkomende investeringskosten om deze te upgraden naar een hoger rendement.
5.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 45 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.
6.  
De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

Artikel 41

Investeringssteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen

1.  
Investeringssteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Investeringssteun voor de productie van biobrandstoffen is van de aanmeldingsverplichting alleen vrijgesteld voor zover de gesteunde investeringen worden gebruikt voor de productie van duurzame biobrandstoffen niet zijnde biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen. Wel is investeringssteun om bestaande installaties voor biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen om te bouwen tot installaties voor geavanceerde biobrandstoffen, vrijgesteld op grond van dit artikel mits die op voedingsgewassen gebaseerde productie wordt verminderd naar rato van de nieuwe capaciteit.
3.  
Voor biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt, wordt geen steun toegekend.
4.  
Voor waterkrachtinstallaties die niet aan Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement voldoen, wordt geen steun toegekend.
5.  
De investeringssteun wordt uitsluitend voor nieuwe installaties toegekend. Er wordt geen steun toegekend of uitgekeerd nadat de installatie in bedrijf is gekomen en de steun is onafhankelijk van de productie.
6.  

De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen te bevorderen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld:

a) 

wanneer de kosten van investeringen in de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld (bv. omdat het een gemakkelijk te onderscheiden „uitbreiding” van een reeds bestaande faciliteit is), vormen deze kosten met betrekking tot hernieuwbare energie de in aanmerking komende kosten;

b) 

wanneer de kosten van investeringen in de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen kunnen worden vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn verricht, levert dit verschil tussen de kosten van beide investeringen de met hernieuwbare energie verband houdende kosten op en geldt dit als de in aanmerking komende kosten;

c) 

voor bepaalde kleine installaties waar een minder milieuvriendelijke investering niet kan worden bepaald omdat geen installaties van beperkte omvang bestaan, vormen de totale investeringskosten die nodig zijn om een hoger niveau aan milieubescherming te bereiken, de in aanmerking komende kosten.

De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking.

7.  

De steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

a) 

45 % van de in aanmerking komende kosten indien de in aanmerking komende kosten worden berekend op grond van lid 6, onder a) of b);

b) 

30 % van de in aanmerking komende kosten indien de in aanmerking komende kosten worden berekend op grond van lid 6, onder c).

8.  
De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.
9.  
De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.
10.  
Wanneer de steun wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure op grond van duidelijke, transparante en niet-discriminerende criteria, kan de steunintensiteit tot 100 % van de in aanmerking komende kosten oplopen. Dit soort biedprocedure is niet-discriminerend en voorziet in de deelname van alle belangstellende ondernemingen. Het met de biedprocedure verband houdende budget vormt een bindende beperking in die zin dat niet alle deelnemers steun kunnen krijgen en wordt toegekend op grond van de oorspronkelijke offerte van de gegadigde, waardoor verdere onderhandelingen worden uitgesloten.

Artikel 42

Exploitatiesteun ter bevordering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen

1.  
Exploitatiesteun ter bevordering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De steun wordt toegekend volgens een concurrerende biedprocedure op grond van duidelijke, transparante en niet-discriminerende criteria, die open staat voor alle producenten die elektriciteit produceren uit hernieuwbare energiebronnen zonder enige discriminatie.
3.  

De biedprocedure kan tot specifieke technologieën worden beperkt wanneer een voor alle producenten open staande procedure een suboptimaal resultaat zou opleveren, hetgeen niet kan worden verholpen door de vormgeving van de procedure met name gelet op:

i) 

het potentieel op langere termijn van een bepaalde nieuwe en innoverende technologie, of

ii) 

de noodzaak om diversificatie tot stand te brengen, of

iii) 

netwerkrestricties en netwerkstabiliteit, of

iv) 

systeem(integratie)kosten, of

v) 

de noodzaak om door steun voor biomassa veroorzaakte verstoringen op de grondstoffenmarkten te voorkomen.

Lidstaten voeren een nadere beoordeling uit van de toepasselijkheid van die voorwaarden en doen de Commissie daarvan verslag overeenkomstig de in artikel 11, onder a), beschreven concrete voorwaarden.

4.  
De steun aan nieuwe en innovatieve technologieën voor hernieuwbare energie wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure die is gebaseerd op duidelijke, transparante en niet-discriminerende criteria en die ten minste voor één van dit soort technologieën open staat. Dit soort steun wordt toegekend voor ten hoogste 5 % van het totale geplande nieuwe elektrische vermogen uit hernieuwbare energiebronnen per jaar.
5.  
Steun wordt toegekend als opslag bovenop de marktprijs waartegen de producenten hun elektriciteit rechtstreeks op de markt afzetten.
6.  
Begunstigden van steun zijn aan standaardbalanceringstaken onderworpen. Begunstigden mogen hun balanceringstaken uitbesteden aan andere, namens hen optredende ondernemingen (zoals aggregatoren).
7.  
Er wordt geen steun toegekend wanneer prijzen negatief zijn.
8.  
Steun mag zonder een concurrerende biedprocedure zoals beschreven in lid 2 worden toegekend ten behoeve van installaties met een geïnstalleerd elektrisch vermogen van minder dan 1 MW voor de productie van elektriciteit uit alle hernieuwbare energiebronnen met uitzondering van windenergie — waarvoor, zonder een concurrerende biedprocedure zoals beschreven in lid 2, steun mag worden toegekend aan installaties met een geïnstalleerd elektrisch vermogen van minder dan 6 MW of voor installaties met minder dan 6 productie-eenheden. Onverminderd lid 9 worden, wanneer steun wordt toegekend zonder een concurrerende biedprocedure, de voorwaarden van de leden 5, 6 en 7 in acht genomen. Bovendien zijn, wanneer steun wordt toegekend zonder een concurrerende biedprocedure, de voorwaarden van artikel 43, de leden 5, 6 en 7, van toepassing.
9.  
De in de leden 5, 6 en 7 vastgestelde voorwaarden gelden niet voor exploitatiesteun ten behoeve van installaties met een geïnstalleerd elektrisch vermogen van minder dan 500 kW voor de productie van elektriciteit uit alle hernieuwbare energiebronnen met uitzondering van windenergie — waarvoor deze voorwaarden niet gelden voor exploitatiesteun toegekend aan installaties met een geïnstalleerd elektrisch vermogen van minder dan 3 MW of voor installaties met minder dan 3 productie-eenheden.
10.  
Voor het berekenen van het in de leden 8 en 9 bedoelde maximale vermogen worden installaties met een gemeenschappelijk aansluitpunt op het elektriciteitsnet beschouwd als één installatie.
11.  
De steun wordt alleen toegekend totdat de installatie die de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen produceert, volledig is afgeschreven volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen. Alle vroeger ontvangen investeringssteun wordt in mindering gebracht op de exploitatiesteun.

Artikel 43

Exploitatiesteun ter bevordering van in kleinschalige installaties uit hernieuwbare energiebronnen opgewekte energie

1.  
Exploitatiesteun ter bevordering van in kleinschalige installaties uit hernieuwbare energiebronnen opgewekte energie is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Steun wordt alleen verleend voor installaties met een geïnstalleerd vermogen van minder dan 500 kW voor de productie van energie uit alle hernieuwbare energiebronnen met uitzondering van windenergie — waarvoor steun mag worden toegekend aan installaties met een geïnstalleerd vermogen van minder dan 3 MW of voor installaties met minder dan 3 productie-eenheden — en voor biobrandstoffen — waarvoor steun mag worden toegekend aan installaties met een geïnstalleerde capaciteit van minder dan 50 000 ton per jaar. Voor het berekenen van dat maximale vermogen en die maximumcapaciteit worden kleinschalige installaties met een gemeenschappelijk aansluitpunt op het elektriciteitsnet beschouwd als één installatie.
3.  
Steun wordt alleen verleend voor installaties die duurzame biobrandstoffen produceren niet zijnde biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen. Evenwel is exploitatiesteun voor installaties die biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen produceren en die vóór 31 december 2013 in bedrijf zijn gekomen en nog niet volledig zijn afgeschreven, vrijgesteld op grond van dit artikel, maar uiterlijk tot 2020.
4.  
Voor biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt, wordt geen steun toegekend.
5.  
De steun per energie-eenheid bedraagt niet meer dan het verschil tussen de totale levelized costs van de productie van energie (LCOE) uit de betrokken hernieuwbare energiebron en het markttarief van de betrokken vorm van energie. Deze levelized costs worden regelmatig geactualiseerd, ten minste eenmaal per jaar.
6.  
Het maximale rendementspercentage dat bij de berekening van de levelized costs wordt gebruikt, bedraagt niet meer dan de betrokken swaprente met een opslag van 100 basispunten. De betrokken swaprente is de swaprente voor de munteenheid waarin de steun wordt toegekend, voor een looptijd die de afschrijvingstermijn voor de gesteunde installaties weergeeft.
7.  
De steun wordt alleen toegekend totdat de installatie volledig is afgeschreven volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen. Alle voor een installatie toegekende investeringssteun wordt in mindering gebracht op de exploitatiesteun.

Artikel 44

Steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen krachtens Richtlijn 2003/96/EG

1.  
Steunregelingen in de vorm van kortingen op milieubelastingen die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit ( 41 ), zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De begunstigden van de belastingkorting worden geselecteerd op basis van transparante en objectieve criteria en betalen ten minste het desbetreffende, bij Richtlijn 2003/96/EG vastgestelde minimumbelastingniveau.
3.  
Regelingen voor steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen zijn gebaseerd op een verlaging van het toepasselijke percentage van de milieubelasting of op de betaling van een vast compensatiebedrag (belastingteruggave), of op een combinatie van deze beide mechanismen.
4.  
Voor biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt, wordt geen steun toegekend.

Artikel 45

Investeringssteun voor de sanering van verontreinigde terreinen

1.  
Investeringssteun ten behoeve van ondernemingen die milieuschade herstellen door verontreinigde terreinen te saneren, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De investering resulteert in het herstel van de milieuschade, met inbegrip van de aantasting van de kwaliteit van de bodem of van het oppervlakte- of grondwater.
3.  
Wanneer de volgens het in elke lidstaat toepasselijke recht voor de milieuschade aansprakelijke rechtspersoon of natuurlijke persoon, onverminderd de vaststelling van Unievoorschriften ter zake — met name Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade ( 42 ), gewijzigd bij Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën ( 43 ), Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad ( 44 ), en Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG ( 45 ) -, kan worden geïdentificeerd, moet die persoon de sanering financieren overeenkomstig het beginsel „de vervuiler betaalt”, en wordt geen staatssteun toegekend. Wanneer de volgens het toepasselijke recht aansprakelijke persoon niet kan worden geïdentificeerd of niet kan worden verplicht de kosten te dragen, kan de voor de bodemsanering of grondreiniging verantwoordelijke persoon staatssteun ontvangen.
4.  
De voor steun in aanmerking komende kosten zijn de bij de bodemsanering gemaakte kosten, verminderd met de waardestijging van het terrein. Alle uitgaven die een onderneming voor de sanering van haar terrein doet, kunnen, ongeacht of zij deze uitgaven als vaste activa op haar balans opvoert, worden beschouwd als in aanmerking komende investeringen in het geval van de sanering van vervuilde terreinen.
5.  
Taxaties van de waardestijging van het terrein als gevolg van de sanering worden door een onafhankelijke deskundige uitgevoerd.
6.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.

Artikel 46

Investeringssteun voor energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling

1.  
Investeringssteun voor het installeren van een systeem voor energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De in aanmerking komende kosten voor de productielocatie zijn de bijkomende kosten die, in vergelijking met een conventionele productielocatie, nodig zijn voor de bouw, uitbreiding en renovatie van één of meer productie-eenheden om deze als een energie-efficiënt stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem te kunnen exploiteren. De investering maakt integrerend deel uit van het energie-efficiënte stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem.
3.  
De steunintensiteit voor de productielocatie bedraagt ten hoogste 45 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.
4.  
De steunintensiteit voor de productielocatie kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.
5.  
De in aanmerking komende kosten van het distributienetwerk zijn de investeringskosten.
6.  
Het bedrag van de steun voor het distributienetwerk is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf hetzij via een terugvorderingsmechanisme.

Artikel 47

Investeringssteun ten behoeve van recycling en hergebruik van afval

1.  
Investeringssteun ten behoeve van recycling en hergebruik van afval is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De investeringssteun wordt toegekend voor de recycling en het hergebruik van door andere ondernemingen geproduceerd afval.
3.  
Het gerecycleerde of hergebruikte materiaal zou anders bij het afval belanden of op een minder milieuvriendelijke wijze worden verwerkt. Steun voor nuttige toepassing van afvalstoffen niet zijnde recycling geniet geen groepsvrijstelling op grond van dit artikel.
4.  
De steun bevrijdt vervuilers niet indirect van lasten die zij volgens het Unierecht moeten dragen, of van lasten die als normale ondernemingskosten dienen te worden beschouwd.
5.  
De investering doet niet uitsluitend de vraag naar het te recycleren materiaal toenemen zonder dat de inzameling van dat materiaal toeneemt.
6.  
De investering gaat verder dan de huidige stand van de techniek.
7.  
De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn voor het uitvoeren van een investering die tot betere of efficiëntere recycling- of hergebruiksactiviteiten leidt, vergeleken met een conventioneel proces van hergebruik en recycling met dezelfde capaciteit die zonder de steun zou zijn gebouwd.
8.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 35 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.
9.  
De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.
10.  
Steun ten behoeve van investeringen met betrekking tot recycling en hergebruik van het eigen afval van de begunstigde onderneming is op grond van dit artikel niet van de verplichting tot aanmelding vrijgesteld.

Artikel 48

Investeringssteun voor energie-infrastructuur

1.  
Investeringssteun voor de bouw of het upgraden van energie-infrastructuur is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Steun wordt toegekend voor energie-infrastructuur in steungebieden.
3.  
De energie-infrastructuur is onderworpen aan volledige tarief- en toegangsregulering overeenkomstig wetgeving inzake de interne energiemarkt.
4.  
De in aanmerking komende kosten zijn de investeringskosten.
5.  
Het steunbedrag is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf hetzij via een terugvorderingsmechanisme.
6.  
Steun voor investeringen in projecten voor elektriciteits- en gasopslag en in olie-infrastructuur is op grond van dit artikel niet van de verplichting tot aanmelding vrijgesteld.

Artikel 49

Steun ten behoeve van milieustudies

1.  
Steun ten behoeve van studies, met inbegrip van energieaudits, die rechtstreeks verband houden met de in dit deel bedoelde investeringen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de in lid 1 bedoelde studies.
3.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.
4.  
De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd bij studies voor rekening van kleine ondernemingen en met 10 procentpunten bij studies voor rekening van middelgrote ondernemingen.
5.  
Aan grote ondernemingen wordt geen steun toegekend voor energieaudits die worden uitgevoerd op grond van artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU, tenzij de energieaudit bovenop de op grond van die richtlijn verplichte energieaudit komt.



DEEL 8

Steun tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen

Artikel 50

Steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen

1.  
Steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door aardbevingen, lawines, grondverschuivingen, overstromingen, tornado's, orkanen, vulkaanuitbarstingen en natuurbranden met een natuurlijke oorzaak zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 2, onder b), van het Verdrag en zijn van de procedure van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

De steun wordt toegekend op de volgende voorwaarden:

a) 

de bevoegde overheidsinstanties van een lidstaat hebben de gebeurtenis formeel als natuurramp erkend, en

b) 

er is een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de natuurramp en de schade die de getroffen onderneming heeft geleden.

3.  
Steunregelingen met betrekking tot een specifieke natuurramp worden ingesteld binnen drie jaar nadat de gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Steun op basis van die regelingen wordt toegekend binnen vier jaar nadat de gebeurtenis zich heeft voorgedaan.
4.  
De kosten die voortvloeien uit de schade die is ontstaan als een direct gevolg van de natuurramp, volgens een taxatie door een onafhankelijke deskundige die is erkend door de bevoegde nationale overheid of door een verzekeringsonderneming, zijn in aanmerking komende kosten. Bij deze schade kan het gaan om materiële schade aan activa zoals gebouwen, uitrusting, machines, voorraden, en om inkomensverlies door de volledige of gedeeltelijke onderbreking van activiteiten gedurende een periode van ten hoogste zes maanden nadat de ramp zich heeft voorgedaan. De berekening van de materiële schade gebeurt op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van het betrokken actief vóór de ramp. Deze ligt niet hoger dan de reparatiekosten of de door de ramp veroorzaakte daling van de reële marktwaarde, d.w.z. het verschil tussen de waarde van het eigendom onmiddellijk vóór en onmiddellijk ná de ramp. Het inkomensverlies wordt, op basis van financiële gegevens van de getroffen onderneming (inkomsten vóór aftrek van rente en belastingen (EBIT), afschrijving en arbeidskosten uitsluitend met betrekking tot de door de natuurramp getroffen vestiging), berekend door de financiële gegevens voor de periode van zes maanden nà de ramp te vergelijken met het gemiddelde van drie jaar uit de periode van vijf jaar vóór de ramp (ongerekend het jaar dat het beste en het jaar dat het slechtste financieel resultaat oplevert) en wordt berekend voor dezelfde zesmaandsperiode van het jaar. De schade wordt berekend op het niveau van de individuele begunstigde.
5.  
De steun en alle overige betalingen ter vergoeding van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van verzekeringspolissen, bedragen ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.



DEEL 9

Sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden

Artikel 51

Sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden

1.  
Steun voor lucht- en zeevervoer van passagiers is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 2, onder a), van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De steun komt volledig ten goede aan eindgebruikers die hun normale verblijfplaats hebben in afgelegen gebieden.
3.  
De steun wordt toegekend ten behoeve van het passagiersvervoer op een route die een haven of luchthaven in een afgelegen gebied verbindt met een andere luchthaven of haven in de Europese Economische Ruimte.
4.  
De steun wordt toegekend zonder discriminatie ten aanzien van de identiteit van de vervoersmaatschappij of het soort dienst, en zonder beperking ten aanzien van de precieze route van of naar het afgelegen gebied.
5.  
De in aanmerking komende kosten zijn het tarief van een retourticket van of naar het afgelegen gebied, inclusief alle belastingen en heffingen die de vervoersmaatschappij de consument berekent.
6.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.



DEEL 10

Steun voor breedbandinfrastructuur

▼M4

Artikel 52

Steun voor vaste breedbandnetwerken

1.  
Investeringssteun ten behoeve van de uitrol van vaste breedbandnetwerken is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De in aanmerking komende kosten zijn alle kosten voor de aanleg, het beheer en de exploitatie van een vast breedbandnetwerk. Het maximale steunbedrag voor een project wordt vastgesteld op basis van een concurrerende selectieprocedure als bedoeld in lid 6, punt a). Wanneer een investering overeenkomstig lid 6, punt b), wordt verricht zonder dat er een concurrerende selectieprocedure plaatsvindt, mag het steunbedrag niet hoger zijn dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt op basis van redelijke projecties vooraf in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten en wordt achteraf geverifieerd door middel van een terugvorderingsmechanisme.
3.  

De volgende alternatieve soorten investeringen komen in aanmerking:

a) 

de uitrol van een vast breedbandnetwerk om huishoudens en sociaal-economische actoren te verbinden in gebieden waar er geen netwerk bestaat dat op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 30 Mbps (drempelsnelheden) kan aanbieden, of waar volgens een geloofwaardige planning geen dergelijk netwerk zal worden uitgerold binnen drie jaar na de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel of binnen dezelfde tijdshorizon als de uitrol van het gesubsidieerde netwerk, die niet korter dan twee jaar mag zijn. Dit wordt geverifieerd door kartering en openbare raadpleging overeenkomstig lid 4. Gebieden met ten minste één bestaand of geloofwaardig gepland netwerk dat in staat is op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 30 Mbps aan te bieden, zijn uitgesloten. Het gesteunde netwerk zorgt voor ten minste een verdubbeling van de download- en uploadsnelheden ten opzichte van de bestaande of geloofwaardig geplande netwerken en moet in staat zijn op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 30 Mbps (doelsnelheden) aan te bieden.

b) 

de uitrol van een vast breedbandnetwerk om huishoudens en sociaal-economische actoren te verbinden in gebieden waar er geen netwerk bestaat dat op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 100 Mbps (drempelsnelheden) kan aanbieden, of waar volgens een geloofwaardige planning geen dergelijk netwerk zal worden uitgerold binnen drie jaar na de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel of binnen dezelfde tijdshorizon als de uitrol van het gesubsidieerde netwerk, die niet korter dan twee jaar mag zijn. Dit wordt geverifieerd door kartering en openbare raadpleging overeenkomstig lid 4. Gebieden met ten minste één bestaand of geloofwaardig gepland netwerk dat in staat is op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 100 Mbps aan te bieden, zijn uitgesloten. Het gesteunde netwerk zorgt voor ten minste een verdubbeling van de download- en uploadsnelheden ten opzichte van de bestaande of geloofwaardig geplande netwerken en moet in staat zijn op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 300 Mbps en uploadsnelheden van 100 Mbps (doelsnelheden) te leveren.

c) 

de uitrol van een vast breedbandnetwerk om alleen sociaal-economische actoren te verbinden in gebieden waar er slechts één netwerk bestaat dat op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 100 Mbps maar minder dan 300 Mbps (drempelsnelheden) kan aanbieden, of waar een dergelijk netwerk volgens een geloofwaardige planning zal worden uitgerold binnen drie jaar na de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel of binnen dezelfde tijdshorizon als de uitrol van het gesubsidieerde netwerk, die niet korter dan twee jaar mag zijn. Dit wordt geverifieerd door kartering en openbare raadpleging overeenkomstig lid 4. Gebieden met ten minste één bestaand of geloofwaardig gepland netwerk dat in staat is op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 300 Mbps aan te bieden, zijn uitgesloten. Gebieden met ten minste twee bestaande of geloofwaardig geplande netwerken die in staat zijn op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 100 Mbps aan te bieden, zijn uitgesloten. Het gesteunde netwerk zorgt voor ten minste een verdubbeling van de download- en uploadsnelheden ten opzichte van de bestaande of geloofwaardig geplande netwerken en moet in staat zijn op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 1 Gbps (doelsnelheden) aan te bieden.

4.  

De kartering en de openbare raadpleging bedoeld in lid 3 voldoen aan elk van de volgende vereisten:

a) 

bij de kartering worden de geografische doelgebieden aangewezen die volgens de planning met behulp van overheidssteun zouden worden gedekt, en wordt rekening gehouden met alle bestaande openbare en particuliere netwerken die op betrouwbare wijze de in lid 3 vastgestelde drempelsnelheden kunnen aanbieden, afhankelijk van het soort investering. De kartering wordt verricht: i) voor zuiver vaste netwerken, op adresniveau, op basis van aansluitbare panden, en ii) voor vaste netwerken voor draadloze toegang, op adresniveau op basis van aansluitbare panden of op basis van netwerkroosters van ten hoogste 100 × 100 meter. Voor de punten i) en ii) wordt de kartering altijd geverifieerd door middel van een openbare raadpleging;

b) 

de openbare raadpleging wordt door de bevoegde overheidsinstantie verricht via bekendmaking op een geschikte website van de voornaamste kenmerken van de geplande maatregel en van de lijst van de bij de kartering overeenkomstig punt a) aangewezen geografische doelgebieden (ook op nationaal niveau). In het kader van de openbare raadpleging worden belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen over de maatregel te maken en onderbouwde informatie overeenkomstig punt a) in te dienen met betrekking tot de bestaande of volgens een geloofwaardige planning binnen drie jaar vanaf de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel uit te rollen netwerken die in staat zijn in het doelgebied de in lid 3 vastgestelde drempelsnelheden op betrouwbare wijze aan te bieden. Indien de steunverlenende autoriteit voor de uitrol van de gesubsidieerde infrastructuur een kortere of langere tijdshorizon dan drie jaar neemt, moet deze tijdshorizon, die niet korter mag zijn dan twee jaar, ook worden gebruikt om te beoordelen of de in de vorige zin bedoelde netwerken volgens een geloofwaardige planning zullen worden uitgerold. De openbare raadpleging duurt ten minste dertig dagen.

5.  
Het gesteunde project brengt een grote (sprongsgewijze) verbetering ten opzichte van de bestaande netwerken of de netwerken die volgens een geloofwaardige planning binnen drie jaar na de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel of binnen dezelfde tijdshorizon als de uitrol van het gesubsidieerde netwerk, die overeenkomstig lid 4 niet korter mag zijn dan twee jaar, zullen worden uitgerold. Er is sprake van een sprongsgewijze verandering wanneer ten gevolge van de gesubsidieerde maatregel een aanzienlijke nieuwe investering in het breedbandnetwerk wordt ondernomen en het gesubsidieerde netwerk in vergelijking met de bestaande of geloofwaardig geplande netwerken een aanzienlijk nieuw potentieel op de markt oplevert op het gebied van beschikbaarheid en capaciteit, snelheden en concurrentie van breedbandinternettoegangsdiensten. Het project moet aanzienlijke nieuwe investeringen in passieve infrastructuur inhouden welke verder gaan dan marginale investeringen die louter verband houden met het upgraden van de actieve componenten van het netwerk.
6.  

De steun wordt verleend als volgt:

a) 

de steun wordt aan aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten toegekend op basis van een open, transparante en niet-discriminerende concurrerende selectieprocedure, in overeenstemming met de beginselen van de regels inzake overheidsopdrachten en met inachtneming van het beginsel van technologieneutraliteit, onverminderd de toepasselijke regels inzake overheidsopdrachten, op basis van het economisch meest voordelige bod. Ten behoeve van de concurrerende selectieprocedure stelt de steunverlenende autoriteit vooraf objectieve, transparante en niet-discriminerende kwalitatieve toekenningscriteria vast die moeten worden afgewogen tegen het gevraagde steunbedrag. Onder vergelijkbare kwalitatieve voorwaarden wordt de steun toegekend aan de inschrijver met het laagste gevraagde steunbedrag;

b) 

wanneer de steun zonder concurrerende selectieprocedure aan een overheidsinstantie wordt toegekend om rechtstreeks of via een interne entiteit een vast breedbandnetwerk uit te rollen en te beheren, verleent de overheidsinstantie of de interne entiteit, naargelang van het geval, alleen wholesalediensten via het gesubsidieerde netwerk. De overheidsinstantie zorgt voor een boekhoudkundige scheiding tussen de middelen die voor de werking van het netwerk worden gebruikt, en de andere middelen waarover zij beschikt. Elke concessie of andere toewijzing van activiteiten aan een derde om een netwerk aan te leggen of te exploiteren wordt toegekend via een open, transparante en niet-discriminerende concurrerende selectieprocedure, in overeenstemming met de beginselen van de regels inzake overheidsopdrachten en met inachtneming van het beginsel van technologieneutraliteit, onverminderd de toepasselijke regels inzake overheidsopdrachten, op basis van het economisch meest voordelige bod.

7.  
De exploitatie van het gesubsidieerde netwerk biedt de ruimst mogelijke actieve en passieve wholesaletoegang overeenkomstig artikel 2, punt 139, onder eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden, met inbegrip van fysieke ontbundeling. Een project kan in plaats van fysieke ontbundeling virtuele ontbundeling bieden indien het virtuele toegangsproduct door de nationale toezichthoudende instantie als gelijkwaardig aan fysieke ontbundeling wordt erkend. Actieve wholesaletoegang wordt verleend voor ten minste zeven jaar en de wholesaletoegang tot de fysieke infrastructuur, met inbegrip van buizen of masten, is niet beperkt in de tijd. Dezelfde toegangsvoorwaarden zijn van toepassing op het gehele gesubsidieerde netwerk, met inbegrip van delen van het netwerk waar bestaande infrastructuur is gebruikt. De verplichting om toegang te verlenen wordt ongeacht een verandering van eigenaarschap, beheer of exploitatie van het gesubsidieerde netwerk afgedwongen. In het geval van steun voor de aanleg van buizen zijn deze breed genoeg om plaats te bieden voor ten minste drie netwerken en verschillende netwerktopologieën.
8.  
De wholesaletoegangsprijs is gebaseerd op een van de volgende benchmarks: i) de gemiddelde gepubliceerde wholesaleprijzen die gelden in andere vergelijkbare, meer concurrerende gebieden van de lidstaat of de Unie; of ii) bij ontstentenis van dergelijke gepubliceerde prijzen, de reeds gereguleerde prijzen die reeds door de nationale regelgevende instantie zijn vastgesteld of goedgekeurd voor de betrokken markten en diensten; of iii) bij ontstentenis van dergelijke gepubliceerde of gereguleerde prijzen moet de prijsstelling voldoen aan de kostenoriëntatie en de methodologie die is voorgeschreven overeenkomstig het sectorale regelgevingskader. Onverminderd de bevoegdheden van de nationale regelgevende instantie uit hoofde van het regelgevingskader wordt deze instantie geraadpleegd over de toegangsvoorwaarden, met inbegrip van de prijzen, en over geschillen in verband met de toepassing van dit artikel.
9.  
De lidstaten zetten een monitoring- en terugvorderingsmechanisme op indien het steunbedrag voor het project meer dan 10 miljoen EUR bedraagt.

▼M4

Artikel 52 bis

Steun voor mobiele 4G- en 5G-netwerken

1.  
Steun voor de uitrol van mobiele 4G- en 5G-netwerken is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De in aanmerking komende kosten zijn alle kosten voor de aanleg, het beheer en de exploitatie van een passief mobiel netwerk. Het maximale steunbedrag voor een project wordt vastgesteld op basis van een concurrerende selectieprocedure als bedoeld in lid 7, punt a). Wanneer een investering overeenkomstig lid 7, punt b), wordt verricht zonder dat er een concurrerende selectieprocedure plaatsvindt, mag het steunbedrag niet hoger zijn dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt op basis van redelijke projecties vooraf in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten en wordt achteraf geverifieerd door middel van een terugvorderingsmechanisme.
3.  
Investeringen in 5G vinden plaats in gebieden waar geen mobiele netwerken zijn uitgerold of alleen mobiele netwerken beschikbaar zijn die mobiele diensten tot 3G kunnen ondersteunen, en waar geen mobiele 4G- of 5G-netwerken bestaan of volgens een geloofwaardige planning zullen worden uitgerold binnen drie jaar na de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel of binnen dezelfde tijdshorizon als de uitrol van het gesubsidieerde netwerk, die niet korter dan twee jaar mag zijn. Dit wordt geverifieerd door kartering en een openbare raadpleging overeenkomstig lid 4. Investeringen in 4G vinden plaats in gebieden waar geen mobiele netwerken zijn uitgerold of alleen mobiele netwerken beschikbaar zijn die mobiele diensten tot 2G kunnen ondersteunen, en waar er geen mobiele 3G-, 4G- of 5G-netwerken bestaan of volgens een geloofwaardige planning zullen worden uitgerold binnen drie jaar na de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel of binnen dezelfde tijdshorizon als de uitrol van het gesubsidieerde netwerk, die niet korter dan twee jaar mag zijn. Dit wordt geverifieerd door kartering en een openbare raadpleging overeenkomstig lid 4.
4.  

De kartering en de openbare raadpleging bedoeld in lid 3 voldoen aan elk van de volgende vereisten:

a) 

bij de kartering worden duidelijk de geografische doelgebieden aangewezen die volgens de planning met behulp van overheidssteun zouden worden gedekt, en wordt rekening gehouden met alle bestaande netwerken, afhankelijk van het soort investering. De kartering wordt verricht op basis van netwerkroosters van ten hoogste 100 × 100 meter. De kartering wordt altijd geverifieerd door middel van een openbare raadpleging;

b) 

de openbare raadpleging wordt door de bevoegde overheidsinstantie verricht via bekendmaking op een geschikte website van de voornaamste kenmerken van de voorgenomen maatregel en van de lijst van de bij de kartering overeenkomstig punt a) aangewezen geografische doelgebieden (ook op nationaal niveau). In het kader van de openbare raadpleging worden belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen over de maatregel te maken en onderbouwde informatie overeenkomstig punt a) in te dienen met betrekking tot de mobiele netwerken die in het doelgebied bestaan of binnen drie jaar vanaf de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel volgens een geloofwaardige planning zullen worden uitgerold. Indien de steunverlenende autoriteit voor de uitrol van de gesubsidieerde infrastructuur een kortere of langere tijdshorizon dan drie jaar neemt, moet deze tijdshorizon, die niet korter mag zijn dan twee jaar, ook worden gebruikt om te beoordelen of de in de vorige zin bedoelde netwerken volgens een geloofwaardige planning zullen worden uitgerold. De openbare raadpleging duurt ten minste dertig dagen.

5.  
De gesteunde infrastructuur wordt niet in aanmerking genomen om te voldoen aan de dekkingsverplichtingen van exploitanten van mobiele netwerken die voortvloeien uit aan gebruiksrechten voor 4G- en 5G-spectrum verbonden voorwaarden.
6.  
Het gesteunde project brengt een grote (sprongsgewijze) verbetering ten opzichte van de mobiele netwerken die binnen drie jaar na de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel of binnen dezelfde tijdshorizon als de uitrol van het gesubsidieerde netwerk, die overeenkomstig lid 4 niet korter mag zijn dan twee jaar, bestaan of volgens een geloofwaardige planning zullen worden uitgerold. Er is sprake van een sprongsgewijze verandering wanneer ten gevolge van de gesubsidieerde maatregel een aanzienlijke nieuwe investering in het mobiele netwerk wordt ondernomen en het gesubsidieerde netwerk in vergelijking met de bestaande of geloofwaardig geplande netwerken een aanzienlijk nieuw potentieel op de markt oplevert op het gebied van beschikbaarheid en capaciteit, snelheden en concurrentie van mobiele diensten. Het project moet aanzienlijke nieuwe investeringen in passieve infrastructuur inhouden welke verder gaan dan marginale investeringen die louter verband houden met het upgraden van de actieve componenten van het netwerk.
7.  

De steun wordt verleend als volgt:

a) 

de steun wordt aan aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en -diensten toegekend op basis van een open, transparante en niet-discriminerende concurrerende selectieprocedure, in overeenstemming met de beginselen van de regels inzake overheidsopdrachten en met inachtneming van het beginsel van technologieneutraliteit, onverminderd de toepasselijke regels inzake overheidsopdrachten, op basis van het economisch meest voordelige bod. Ten behoeve van de concurrerende selectieprocedure stelt de steunverlenende autoriteit vooraf objectieve, transparante en niet-discriminerende kwalitatieve toekenningscriteria vast die moeten worden afgewogen tegen het gevraagde steunbedrag. Onder vergelijkbare kwalitatieve voorwaarden wordt de steun toegekend aan de inschrijver met het laagste gevraagde steunbedrag;

b) 

wanneer de steun zonder concurrerende selectieprocedure aan een overheidsinstantie wordt toegekend om rechtstreeks of via een interne entiteit een passief mobiel netwerk uit te rollen en te beheren, verleent de overheidsinstantie of de interne entiteit, naargelang van het geval, alleen wholesalediensten via het gesubsidieerde netwerk. De overheidsinstantie zorgt voor een boekhoudkundige scheiding tussen de middelen die voor de werking van het netwerk worden gebruikt, en de andere middelen waarover zij beschikt. Elke concessie of andere toewijzing van activiteiten aan een derde om een netwerk aan te leggen of te exploiteren wordt toegekend via een open, transparante en niet-discriminerende concurrerende selectieprocedure, in overeenstemming met de beginselen van de regels inzake overheidsopdrachten en met inachtneming van het beginsel van technologieneutraliteit, onverminderd de toepasselijke regels inzake overheidsopdrachten, op basis van het economisch meest voordelige bod.

8.  
De exploitatie van het gesubsidieerde netwerk biedt de ruimst mogelijke actieve en passieve wholesaletoegang overeenkomstig artikel 2, punt 139, onder eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden. Actieve wholesaletoegang wordt verleend voor ten minste zeven jaar en de wholesaletoegang tot de fysieke infrastructuur, met inbegrip van buizen of masten, is niet beperkt in de tijd. Dezelfde toegangsvoorwaarden zijn van toepassing op het gehele gesubsidieerde netwerk, met inbegrip van de delen van dat netwerk waar bestaande infrastructuur is gebruikt. De verplichting om toegang te verlenen wordt ongeacht een verandering van eigenaar, management of exploitatie van het gesubsidieerde netwerk afgedwongen. In het geval van steun voor de aanleg van buizen zijn deze breed genoeg om plaats te bieden voor ten minste alle bestaande mobielenetwerkexploitaten.
9.  
De wholesaletoegangsprijs is gebaseerd op een van de volgende benchmarks: i) de gemiddelde gepubliceerde wholesaleprijzen die gelden in andere vergelijkbare, meer concurrerende gebieden van de lidstaat of de Unie, of ii) bij ontstentenis van dergelijke gepubliceerde prijzen, de gereguleerde prijzen die reeds door de nationale regelgevende instantie zijn vastgesteld of goedgekeurd voor de betrokken markten en diensten, of iii) bij ontstentenis van dergelijke gepubliceerde of gereguleerde prijzen moet de prijsstelling voldoen aan de kostenoriëntatie en de methodologie die is voorgeschreven overeenkomstig het sectorale regelgevingskader. Onverminderd de bevoegdheden van de nationale regelgevende instantie uit hoofde van het regelgevingskader wordt de nationale regelgevende instantie geraadpleegd over de toegangsvoorwaarden, met inbegrip van de prijzen, en over geschillen in verband met de toepassing van dit artikel.
10.  
De lidstaten zetten een monitoring- en terugvorderingsmechanisme op indien het steunbedrag voor het project meer dan 10 miljoen EUR bedraagt.
11.  

Het gebruik van het met openbare middelen gefinancierde 4G- of 5G-netwerk voor de levering van vaste diensten voor draadloze toegang is alleen toegestaan als volgt:

a) 

in gebieden waar er geen netwerk bestaat dat op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 30 Mbps kan bieden, of waar volgens een geloofwaardige planning geen dergelijk netwerk zal worden uitgerold binnen drie jaar na de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel of binnen dezelfde tijdshorizon als de uitrol van het gesubsidieerde netwerk, die niet korter dan twee jaar mag zijn, indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan: i) bij de kartering en de openbare raadpleging wordt ook rekening gehouden met de bestaande of geloofwaardig geplande vaste breedbandnetwerken vastgesteld overeenkomstig artikel 52, lid 4; ii) de ondersteunde 4G- of 5G-oplossing voor vaste draadloze toegang kan op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 30 Mbps bieden en ten minste een verdubbeling van de download- en uploadsnelheid ten opzichte van de bestaande of geloofwaardig geplande vaste netwerken in die gebieden;

b) 

in gebieden waar er geen netwerk bestaat dat op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 100 Mbps kan aanbieden, of waar volgens een geloofwaardige planning geen dergelijk netwerk zal worden uitgerold binnen drie jaar na de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel of binnen dezelfde tijdshorizon als de uitrol van het gesubsidieerde netwerk, die niet korter dan twee jaar mag zijn, indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan: i) bij de kartering en de openbare raadpleging wordt ook rekening gehouden met de bestaande of geloofwaardig geplande vaste breedbandnetwerken vastgesteld overeenkomstig artikel 52, lid 4; ii) de ondersteunde 4G- of 5G-oplossing voor vaste draadloze toegang kan op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 300 Mbps en uploadsnelheden van 100 Mbps aanbieden en ten minste een verdubbeling van de download- en uploadsnelheid ten opzichte van de bestaande of geloofwaardig geplande vaste netwerken in die gebieden.

Artikel 52 ter

Steun voor projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van trans-Europese infrastructuur voor digitale connectiviteit

1.  
Steun voor projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van trans-Europese infrastructuur voor digitale connectiviteit die uit hoofde van Verordening (EU) 2021/1153 worden gefinancierd of waaraan uit hoofde van die verordening een kwaliteitslabel „Excellentiekeur” is toegekend, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De projecten voldoen aan alle algemene cumulatieve verenigbaarheidsvoorwaarden van lid 3. Zij behoren voorts tot een van de categorieën in aanmerking komende projecten van lid 4 en voldoen aan alle specifieke verenigbaarheidsvoorwaarden voor de desbetreffende categorie die in dat lid zijn vastgesteld. Alleen projecten die uitsluitend betrekking hebben op de elementen en entiteiten die in elke relevante categorie in lid 4 zijn vermeld, vallen binnen het toepassingsgebied van de in lid 1 bedoelde vrijstelling.
3.  

De algemene cumulatieve verenigbaarheidsvoorwaarden luiden als volgt:

a) 

de begunstigde levert een financiële bijdrage van ten minste 25 % van de in aanmerking komende kosten, hetzij uit eigen middelen hetzij via externe financiering die vrij is van enige overheidssteun. Wanneer de bijdrage van 25 % van de begunstigde door middel van externe financiering wordt verstrekt via een investeringsplatform waarin verschillende financieringsbronnen worden gecombineerd, wordt de in de vorige volzin genoemde voorwaarde dat de externe financiering vrij moet zijn van enige overheidssteun, vervangen door het vereiste dat de financiering van het platform voor ten minste 30 % uit particuliere investeringen moet bestaan;

b) 

alleen de uit hoofde van Verordening (EU) 2021/1153 in aanmerking komende investeringskosten voor de uitrol van de infrastructuur komen voor steun in aanmerking;

c) 

het project moet overeenkomstig Verordening (EU) 2021/1153 worden geselecteerd op een van de volgende wijzen:

i) 

door een door de Commissie aangewezen onafhankelijke financiële intermediair op basis van gezamenlijk overeengekomen investeringsrichtsnoeren;

ii) 

door de Commissie via een concurrerende biedprocedure op basis van duidelijke, transparante en niet-discriminerende criteria, of

iii) 

door onafhankelijke deskundigen die door de Commissie worden aangewezen;

d) 

het project moet connectiviteitscapaciteiten mogelijk maken die verder gaan dan de vereisten ten gevolge van bestaande wettelijke verplichtingen, zoals die welke aan het gebruiksrecht voor spectrum zijn verbonden;

e) 

het project moet zorgen voor open wholesaletoegang voor derden inclusief ontbundeling onder eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden in overeenstemming met artikel 52, leden 7 en 8, of artikel 52 bis, leden 8 en 9, naargelang van het geval.

4.  

De categorieën subsidiabele projecten en de specifieke cumulatieve verenigbaarheidsvoorwaarden die daarop van toepassing zijn, luiden als volgt:

a) 

investeringen in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een 5G-corridor op een vervoerscorridor aangewezen in de richtsnoeren voor een trans-Europees vervoersnet als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1315/2013 (TEN-T-corridors), die aan de volgende specifieke cumulatieve voorwaarden voldoen:

i) 

het project bestaat uit een grensoverschrijdend traject van een 5G-corridor waarbij de grens tussen twee of meer lidstaten wordt overschreden of de grens tussen ten minste één lidstaat en één land van de Europese Economische Ruimte wordt overschreden;

ii) 

de totale grensoverschrijdende trajecten van 5G-corridors in een lidstaat vertegenwoordigen niet meer dan 15 % van de totale lengte van de 5G-corridors langs het trans-Europees kernvervoersnet in die lidstaat waarvoor geen bestaande wettelijke verplichtingen gelden, zoals die welke verbonden zijn aan een gebruiksrecht voor spectrum. Indien een lidstaat de uitrol van grensoverschrijdende 5G-corridors langs zijn uitgebreide trans-Europees vervoersnetwerk ondersteunt, mogen de totale grensoverschrijdende trajecten van 5G-corridors in die lidstaat bij wijze van uitzondering niet meer dan 15 % uitmaken van de totale lengte van de 5G-corridors langs het uitgebreide trans-Europese vervoersnetwerk in die lidstaat waarvoor geen bestaande wettelijke verplichtingen gelden, zoals die welke verbonden zijn aan een gebruiksrecht voor spectrum;

iii) 

het project zorgt voor een aanzienlijke nieuwe investering in het mobiele 5G-netwerk dat geschikt is voor diensten van geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit, welke verder gaat dan marginale investeringen die louter verband houden met het upgraden van de actieve onderdelen van het netwerk;

iv) 

het project ondersteunt de uitrol van nieuwe passieve infrastructuur alleen indien bestaande passieve infrastructuur niet opnieuw kan worden gebruikt;

b) 

investeringen in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een pan-Europees terabit-backbonenetwerk ter ondersteuning van de doelstellingen van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing waardoor bepaalde computingfaciliteiten, supercomputingfaciliteiten en data-infrastructuur met elkaar worden verbonden, die aan de volgende specifieke cumulatieve voorwaarden voldoen:

i) 

het project zorgt voor de uitrol of de aankoop van activa op het gebied van connectiviteit, met inbegrip van onvervreemdbare gebruiksrechten, dark fibre of apparatuur, voor de aanleg van een grensoverschrijdend traject van een pan-Europees backbonenetwerk dat de interconnectie ondersteunt met onbeperkte eind-eindverbindingen van minimaal 1 Tbps, van ten minste twee computerfaciliteiten, supercomputingfaciliteiten of data-infrastructuren die: 1) onderbrengende entiteiten zijn van de Europese Gemeenschappelijke Onderneming high-performance computing opgericht overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1488 van de Raad ( 46 ), of onderzoeksinfrastructuren en andere computer- en data-infrastructuren zijn ter ondersteuning van de onderzoeksvlaggenschipinitiatieven en taken die in Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad ( 47 ) en Verordening (EG) nr. 723/2009 zijn vastgesteld met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschappelijke Onderneming Eurohigh-performance computing, en 2) die in ten minste twee lidstaten of ten minste één lidstaat en ten minste één lid van de Europese Onderzoeksruimte zijn gevestigd;

ii) 

het project zorgt voor een aanzienlijke nieuwe investering in het backbonenetwerk welke verder gaat dan marginale investeringen zoals investeringen die louter verband houden met software-upgrades of licenties;

iii) 

de aankoop van activa op het gebied van connectiviteit vindt plaats via openbare aanbestedingen;

iv) 

het project ondersteunt de uitrol van nieuwe passieve infrastructuur alleen indien bestaande passieve infrastructuur niet opnieuw kan worden gebruikt;

c) 

investeringen in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk waarmee cloudinfrastructuren van bepaalde sociaal-economische actoren met elkaar worden verbonden, die aan de volgende specifieke cumulatieve voorwaarden voldoen:

i) 

het project zorgt voor de interconnectie van cloudinfrastructuren van sociaal-economische actoren die als overheidsdiensten of openbare of particuliere entiteiten belast zijn met de exploitatie van diensten van algemeen belang of van diensten van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, lid 2, van het Verdrag;

ii) 

het project bestaat uit een grensoverschrijdend traject in de uitrol van nieuwe grensoverschrijdende backbonenetwerken of een aanzienlijke upgrade van bestaande netwerken waarbij 1) de grens tussen twee of meer lidstaten wordt overschreden, of 2) de grens tussen ten minste één lidstaat en ten minste één land van de Europese Economische Ruimte wordt overschreden;

iii) 

het project heeft betrekking op ten minste twee in aanmerking komende sociaal-economische actoren als bedoeld in punt i) die elk in een andere lidstaat of in één lidstaat en één land van de Europese Economische Ruimte actief zijn;

iv) 

het project zorgt voor een aanzienlijke nieuwe investering in het backbonenetwerk welke verder gaat dan marginale investeringen, zoals investeringen die louter verband houden met software-upgrades of licenties. Het project is in staat symmetrische download- en uploadsnelheden van ten minste veelvouden van 10 Gbps aan te bieden;

v) 

het project ondersteunt de uitrol van nieuwe passieve infrastructuur alleen indien bestaande passieve infrastructuur niet opnieuw kan worden gebruikt;

d) 

investeringen in de uitrol van een onderzees kabelnetwerk die aan de volgende specifieke cumulatieve voorwaarden voldoen:

i) 

het project bestaat uit een grensoverschrijdend traject van een onderzees kabelnetwerk waarbij 1) de grens tussen twee of meer lidstaten wordt overschreden, of 2) de grens tussen ten minste één lidstaat en ten minste één land van de Europese Economische Ruimte wordt overschreden. Als alternatief zorgt de steunontvangende entiteit alleen voor het aanbieden van wholesalediensten en verbetert de ondersteunde infrastructuur de connectiviteit van Europese ultraperifere gebieden, overzeese gebieden of insulaire regio’s, zelfs binnen één lidstaat;

ii) 

het project mag geen betrekking hebben op routes die reeds worden bediend door ten minste twee bestaande of geloofwaardig geplande backbone-infrastructuren;

iii) 

het project zorgt voor een aanzienlijke nieuwe investering in het onderzees kabelnetwerk door de aanleg van een nieuwe onderzeese kabel of een aansluiting op een bestaande onderzeese kabel, waarbij redundantiekwesties worden aangepakt en verder wordt gegaan dan marginale investeringen. Het project is in staat op betrouwbare wijze symmetrische download- en uploadsnelheden van ten minste 1 Gbps aan te bieden;

iv) 

het project ondersteunt de uitrol van nieuwe passieve infrastructuur alleen indien bestaande passieve infrastructuur niet opnieuw kan worden gebruikt.

Artikel 52 quater

Connectiviteitsvouchers

1.  
Steun in de vorm van een connectiviteitsvoucherregeling voor consumenten om telewerken, elektronisch onderwijs of elektronische opleidingsdiensten te vergemakkelijken of voor kmo’s is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De duur van een connectiviteitsvoucherregeling mag niet meer dan 24 maanden bedragen.
3.  

De volgende categorieën voucherregelingen komen in aanmerking:

a) 

voor consumenten beschikbare voucherregelingen voor abonnementen op een nieuwe breedbandinternettoegangsdienst of voor upgrading van het bestaande abonnement tot een dienst met downloadsnelheden van ten minste 30 Mbps, mits alle aanbieders van elektronische-communicatiediensten die in staat zijn op betrouwbare wijze snelheden van ten minste 30 Mbps te leveren, voor de voucherregeling in aanmerking komen, waarbij vouchers niet worden verleend voor het overstappen naar andere aanbieders met dezelfde snelheden of voor het upgraden van een bestaand abonnement met een downloadsnelheid van ten minste 30 Mbps;

b) 

voor kmo’s beschikbare vouchersystemen voor abonnementen op een nieuwe breedbandinternettoegangsdienst of voor upgrading van het lopende abonnement tot een dienst met downloadsnelheden van ten minste 100 Mbps, mits alle aanbieders die in staat zijn op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 100 Mbps aan te bieden, voor de voucherregeling in aanmerking komen, waarbij vouchers niet worden verleend voor het overstappen naar andere aanbieders met dezelfde snelheden of voor het upgraden van een bestaand abonnement met een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps.

4.  
De vouchers dekken tot 50 % van de totale opstartkosten en de maandelijkse vergoeding voor het abonnement op een breedbandinternettoegangsdienst met de in lid 3 vermelde snelheden, hetzij op zichzelf, hetzij als onderdeel van een dienstenpakket, dat ten minste de noodzakelijke eindapparatuur (modem/router) voor toegang tot het internet met de in lid 3 vermelde snelheid bevat. De voucher wordt door de overheidsinstanties rechtstreeks aan de eindgebruikers of rechtstreeks aan de door de eindgebruikers gekozen dienstverlener betaald, in welk geval het bedrag van de voucher wordt afgetrokken van de factuur van de eindgebruiker.
5.  
De vouchers zijn voor consumenten of kmo’s alleen beschikbaar in gebieden waar er ten minste één bestaand netwerk is dat in staat is op betrouwbare wijze de in lid 3 vermelde snelheden aan te bieden, hetgeen moet worden geverifieerd door middel van kartering en openbare raadpleging. Bij de kartering en de openbare raadpleging wordt vastgesteld welke geografische doelgebieden worden gedekt door ten minste één netwerk dat in staat is op betrouwbare wijze de in lid 3 vermelde snelheid aan te bieden voor de duur van de voucherregeling, alsmede welke aanbieders in het gebied in aanmerking komen, en wordt informatie verzameld voor de berekening van hun marktaandeel. De kartering wordt verricht 1) voor vaste kabelnetwerken, op adresniveau, op basis van aansluitbare panden, en 2) voor vaste netwerken voor draadloze toegang of mobiele netwerken, op adresniveau op basis van aansluitbare panden of op basis van netwerkroosters van ten hoogste 100 × 100 meter. De kartering wordt altijd geverifieerd door middel van een openbare raadpleging. De openbare raadpleging wordt door de bevoegde overheidsinstantie verricht door op een geschikte website de voornaamste kenmerken van de voorgenomen maatregel en de lijst van de bij de kartering aangewezen geografische doelgebieden, ook op nationaal niveau, bekend te maken. In het kader van de openbare raadpleging worden belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen over de ontwerpmaatregel te maken en onderbouwde informatie in te dienen over de bestaande netwerken waarmee de in lid 3 vermelde snelheid op betrouwbare wijze kan worden geleverd. De openbare raadpleging duurt ten minste dertig dagen.
6.  
De voucherregeling voldoet aan het beginsel van technologische neutraliteit met dien verstande dat de vouchers kunnen worden gebruikt voor abonnementen op diensten van exploitanten die in staat zijn op betrouwbare wijze de in lid 3 vermelde snelheden te leveren via een bestaand breedbandnetwerk, ongeacht de gebruikte technologieën. Om de keuze van de consumenten of kmo’s te vergemakkelijken, wordt de lijst van de in aanmerking komende aanbieders voor elk van de geografische doelgebieden online gepubliceerd en kunnen alle belangstellende aanbieders op basis van open, transparante en niet-discriminerende criteria verzoeken om in de lijst te worden opgenomen.
7.  

Om in aanmerking te komen in gevallen waarin de aanbieder van de breedbandinternettoegangsdienst verticaal geïntegreerd is en een retailmarktaandeel van meer dan 25 % heeft, moet hij elke aanbieder van elektronische-communicatiediensten op de overeenstemmende wholesalemarkt ten minste één wholesaletoegangsproduct aanbieden dat ervoor kan zorgen dat de om toegang verzoekende partij op betrouwbare wijze een retaildienst kan aanbieden met de in lid 3 vermelde snelheid, onder open, transparante en niet-discriminerende voorwaarden. De wholesaletoegangsprijs wordt vastgesteld op een van de volgende benchmarks: i) de gemiddelde gepubliceerde wholesaleprijzen die gelden in andere vergelijkbare, meer concurrerende gebieden van de lidstaat of de Unie; of ii) bij ontstentenis van dergelijke gepubliceerde prijzen, de gereguleerde prijzen die reeds door de nationale regelgevende instantie zijn vastgesteld of goedgekeurd voor de betrokken markten en diensten, of iii) bij ontstentenis van dergelijke gepubliceerde of gereguleerde prijzen moet de prijsstelling voldoen aan de kostenoriëntatie en de methodologie die is voorgeschreven overeenkomstig het sectorale regelgevingskader. Onverminderd de bevoegdheden van de nationale regelgevende instantie uit hoofde van het regelgevingskader wordt de nationale regelgevende instantie geraadpleegd over de toegangsvoorwaarden, met inbegrip van de prijzen, en over geschillen in verband met de toepassing van dit artikel.

▼B



DEEL 11

Steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed

Artikel 53

Steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed

1.  
Steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

De steun wordt toegekend voor de volgende culturele doelstellingen en activiteiten:

▼M1

a) 

musea, archieven, bibliotheken, kunstencentra en cultuurcentra of artistieke of culturele locaties, theaters, bioscopen, operahuizen, concerthallen, andere live-performanceorganisaties, cinematografische erfgoedinstellingen, en andere vergelijkbare artistieke en culturele infrastructuurvoorzieningen, organisaties en instellingen;

▼B

b) 

materieel erfgoed, waaronder alle vormen van roerend of onroerend cultureel erfgoed en archeologische sites, monumenten, historische locaties en gebouwen; natuurerfgoed met een rechtstreekse band met cultuurerfgoed of indien dit door de bevoegde overheidsinstanties van een lidstaat formeel is erkend als cultuur- of natuurerfgoed;

c) 

immaterieel erfgoed in welke vorm ook, met inbegrip van volksgebruiken en ambachten;

d) 

kunst- of culturele evenementen en performances, festivals, tentoonstellingen en andere vergelijkbare culturele activiteiten;

e) 

culturele en artistieke educatie alsmede de bewustmaking van het belang van de bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen via educatieve programma's en bewustmakingscampagnes voor het grote publiek, onder meer door middel van nieuwe technologieën;

f) 

schrijven, uitgeven, productie, distributie, digitalisering en publiceren van muziek en literatuur, met inbegrip van vertalingen.

3.  

De steun kan de vorm hebben van:

a) 

investeringssteun, met inbegrip van steun voor de bouw of modernisering van cultuurvoorzieningen;

b) 

exploitatiesteun.

4.  

Wat investeringssteun betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de kosten voor investeringen in materiële en immateriële activa, met inbegrip van:

a) 

kosten voor de bouw, modernisering, verwerving, instandhouding of verbetering van infrastructuur, indien jaarlijks ten minste 80 % van de tijd- of ruimtecapaciteit voor culturele doeleinden wordt gebruikt;

b) 

kosten voor de verwerving, met inbegrip van huur, eigendomsoverdracht of fysieke verplaatsing van cultureel erfgoed;

c) 

kosten voor bescherming, instandhouding, restauratie en herstel van materieel en immaterieel cultureel erfgoed, met inbegrip van bijkomende kosten voor de opslag onder geschikte omstandigheden, speciale uitrusting, materialen en de kosten voor documentatie, onderzoek, digitalisering en publicatie;

d) 

kosten om cultureel erfgoed beter toegankelijk te maken voor het publiek, met inbegrip van kosten voor digitalisering en andere nieuwe technologieën, kosten om de toegankelijkheid te verbeteren voor mensen met speciale behoeften (met name hellingbanen en liften voor mensen met een handicap, aanduidingen in braille en voel- en tastobjecten in musea) en kosten om de culturele diversiteit ten aanzien van presentaties, programma's en bezoekers te bevorderen;

e) 

kosten voor culturele projecten en activiteiten, samenwerkings- en uitwisselingsprogramma's en -beurzen, met inbegrip van kosten voor selectieprocedures, promotiekosten en kosten die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

5.  

Wat exploitatiesteun betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de volgende:

a) 

de kosten van de culturele instelling of erfgoedlocatie in verband met vaste of tijdelijke activiteiten, waaronder tentoonstellingen, uitvoeringen en evenementen en vergelijkbare culturele activiteiten die plaatsvinden in het kader van hun normale activiteiten;

b) 

kosten van culturele en artistieke educatie en van de bewustmaking van het belang van de bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen via educatieve programma's en bewustmakingscampagnes voor het grote publiek, onder meer door middel van nieuwe technologieën;

c) 

kosten om de locaties en activiteiten van culturele instellingen of erfgoedlocaties beter toegankelijk te maken voor het publiek, met inbegrip van kosten voor digitalisering en het gebruik van nieuwe technologieën, alsmede kosten om de toegankelijkheid te verbeteren voor mensen met een handicap;

d) 

exploitatiekosten die rechtstreeks verband houden met het culturele project of de culturele activiteit, zoals het huren of leasen van vastgoed en culturele locaties, reiskosten, materialen en leveranties die rechtstreeks verband houden met het culturele project of de culturele activiteit, architectonische structuren voor tentoonstellingen en podia, de ontlening, huur en afschrijving van werktuigen, software en uitrusting, kosten voor toegangsrechten tot auteursrechtelijk beschermde werken en andere verwante door intellectuele-eigendomsrechten beschermde content, promotiekosten en kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het project of de activiteit. Afschrijvingslasten en financieringskosten komen alleen in aanmerking indien deze niet werden gedekt door investeringssteun;

e) 

kosten voor personeel dat werkt voor de culturele instelling, de erfgoedlocatie of een project;

f) 

kosten voor advies- en ondersteuningsdiensten geleverd door externe consultants en dienstverrichters, die rechtstreeks voortvloeien uit het project.

6.  
In het geval van investeringssteun is het steunbedrag niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme. De exploitant van de infrastructuur mag een redelijke winst behouden over de betrokken periode.
7.  
In het geval van exploitatiesteun is het steunbedrag niet hoger dan wat nodig is om de exploitatietekorten plus een redelijke winst over de betrokken periode te dekken. Dit wordt geborgd vooraf op basis van redelijke prognoses, of via een terugvorderingsmechanisme.

▼M1

8.  
Voor steun van ten hoogste 2 miljoen EUR kan het maximale steunbedrag, in plaats van dat aan de hand van de in de leden 6 en 7 genoemde methode vast te stellen, worden bepaald op 80 % van de in aanmerking komende kosten.

▼B

9.  
►M1  Voor de in lid 2, onder f), genoemde activiteiten is het maximale steunbedrag niet hoger dan hetzij het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de gedisconteerde inkomsten van het project, hetzij 70 % van de in aanmerking komende kosten. ◄ De inkomsten worden in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf hetzij via een terugvorderingsmechanisme. De in aanmerking komende kosten zijn de kosten voor publicatie van muziek en literatuur, met inbegrip van de auteursvergoedingen (kosten van auteursrechten), vergoedingen van vertalers, vergoedingen van redacteuren, andere publicatiekosten (proeflezen, correctie, revisie), opmaak- en prepresskosten, en kosten voor drukken en e-publishing.
10.  
Steun voor kranten en tijdschriften, ongeacht of deze op papier of elektronisch worden gepubliceerd, komt op grond van dit artikel niet in aanmerking.

Artikel 54

Steunregelingen voor audiovisuele werken

1.  
Steunregelingen ten behoeve van het schrijven van scenario's, de ontwikkeling, productie, distributie en promotie van audiovisuele werken zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De steun is bestemd voor een cultureel product. Om kennelijke fouten te voorkomen bij de kwalificatie van een product als cultureel product, stelt iedere lidstaat doeltreffende procedures vast, zoals een selectie van voorstellen door één of meer met de selectie belaste personen of een aftoetsing aan een vooraf vastgestelde lijst van culturele criteria.
3.  

De steun kan de vorm hebben van:

a) 

steun voor de productie van audiovisuele werken;

b) 

preproductiesteun, en

c) 

distributiesteun.

4.  

Wanneer een lidstaat de steun afhankelijk stelt van territoriale bestedingsverplichtingen, kan in steunregelingen voor de productie van audiovisuele werken:

a) 

ofwel worden geëist dat tot 160 % van de voor de productie van een bepaald audiovisueel werk verleende steun wordt besteed op het grondgebied van de steunverlenende lidstaat, of

b) 

ofwel het bedrag van de steun ten behoeve van de productie van een bepaald audiovisueel werk wordt berekend als een percentage van de bestedingen voor productieactiviteiten in de steunverlenende lidstaat, doorgaans in het geval van steunregelingen in de vorm van fiscale prikkels.

▼M1

In beide gevallen bedraagt het maximumbedrag aan uitgaven waarvoor territoriale bestedingsverplichtingen gelden, in geen geval meer dan 80 % van het totale productiebudget.

Om projecten voor steun in aanmerking te laten komen, kan een lidstaat ook een minimumvolume aan productieactiviteiten in het betrokken grondgebied eisen, maar dat volume bedraagt ten hoogste 50 % van het totale productiebudget.

▼B

5.  

De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) 

voor productiesteun: de totale kosten van de productie van audiovisuele werken, met inbegrip van de kosten om de toegankelijkheid voor personen met een handicap te verbeteren;

b) 

voor preproductiesteun: de kosten van het schrijven van scenario's en de ontwikkeling van audiovisuele werken;

c) 

voor distributiesteun: de kosten van de distributie en promotie van audiovisuele werken.

6.  
De steunintensiteit voor de productie van audiovisuele werken bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.
7.  

De steunintensiteit kan als volgt worden verhoogd:

a) 

tot 60 % van de in aanmerking komende kosten voor grensoverschrijdende producties die door meer dan één lidstaat worden gefinancierd en waarbij producenten uit meer dan één lidstaat betrokken zijn;

b) 

tot 100 % van de in aanmerking komende kosten voor moeilijke audiovisuele werken en coproducties waarbij landen uit de OESO/DAC-lijst betrokken zijn.

8.  
De steunintensiteit bedraagt in het geval van preproductie ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten. Indien van het uiteindelijke script of project een audiovisueel werk zoals een film wordt gemaakt, worden de preproductiekosten opgenomen in het totale budget en wordt daarmee rekening gehouden bij het berekenen van de steunintensiteit. De steunintensiteit is in het geval van distributie dezelfde als de steunintensiteit voor productie.
9.  
De steun wordt niet voorbehouden voor specifieke productieactiviteiten of individuele onderdelen van de waardeketen van de productie. Steun voor infrastructuur van filmstudio's komt niet in aanmerking op grond van dit artikel.
10.  
Steun wordt niet uitsluitend voorbehouden voor eigen staatsburgers en van de begunstigden kan niet worden geëist dat zij de status hebben van onderneming die volgens de nationale handelswetgeving is opgericht.



DEEL 12

Steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur

Artikel 55

Steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur

1.  
Steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
De sportinfrastructuur wordt niet uitsluitend door één gebruiker uit de profsport gebruikt. Het gebruik van de sportinfrastructuur door andere prof- of amateursporters is jaarlijks goed voor ten minste 20 % van de tijdscapaciteit. Indien de infrastructuur door meerdere gebruikers tegelijkertijd wordt gebruikt, worden overeenkomstige fracties van benutting van de tijdscapaciteit berekend.
3.  
Multifunctionele recreatieve infrastructuur omvat recreatieve faciliteiten met een multifunctioneel karakter die met name culturele en recreatieve diensten bieden, met uitzondering van attractieparken en hotelfaciliteiten.
4.  
Toegang tot de sportinfrastructuur of multifunctionele recreatieve infrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 30 % van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, mits die voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld.
5.  
Indien sportinfrastructuur door profsportclubs wordt gebruikt, zorgen de lidstaten ervoor dat de tariefvoorwaarden voor het gebruik ervan publiek beschikbaar worden gesteld.
6.  
Iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de sportinfrastructuur of multifunctionele recreatieve infrastructuur te bouwen, te moderniseren en/of te exploiteren, vindt op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels.
7.  

De steun kan de vorm hebben van:

a) 

investeringssteun, met inbegrip van steun voor de bouw of modernisering van sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur;

b) 

exploitatiesteun voor sportinfrastructuur.

8.  
Wat investeringssteun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de kosten voor investeringen in materiële en immateriële activa.
9.  
Wat exploitatiesteun voor sportinfrastructuur betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de exploitatiekosten van de met de infrastructuur geboden dienstverlening. Die exploitatiekosten omvatten kosten zoals personeelskosten, kosten voor materialen, uitbestede diensten, communicatie, energie, onderhoud, huur, administratie, doch niet afschrijvingslasten en financieringskosten indien deze zijn gedekt door investeringssteun.
10.  
Wat investeringssteun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur betreft, is het steunbedrag niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme.
11.  
Wat exploitatiesteun voor sportinfrastructuur betreft, is het steunbedrag niet hoger dan de exploitatietekorten over de betrokken periode. Dit wordt geborgd vooraf op basis van redelijke prognoses, of via een terugvorderingsmechanisme.

▼M1

12.  
Voor steun van ten hoogste 2 miljoen EUR kan het maximale steunbedrag, in plaats van dat aan de hand van de in de leden 10 en 11 genoemde methode vast te stellen, worden bepaald op 80 % van de in aanmerking komende kosten.

▼B



DEEL 13

Steun voor lokale infrastructuurvoorzieningen

Artikel 56

Investeringssteun voor lokale infrastructuurvoorzieningen

1.  
Financiering voor de bouw of het upgraden van lokale infrastructuurvoorzieningen waar het om infrastructuur gaat die op het lokale niveau bijdraagt tot het verbeteren van het ondernemings- en consumentenklimaat en het moderniseren en ontwikkelen van de industriële basis, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Dit artikel is niet van toepassing op steun voor infrastructuurvoorzieningen die onder andere delen van hoofdstuk III van deze verordening vallen, met uitzondering van Deel 1 — Regionale steun. Dit artikel is evenmin van toepassing op luchthaveninfrastructuur en haveninfrastructuur.
3.  
Dit soort infrastructuurvoorzieningen worden aan belangstellende partijen op open, transparante en niet-discriminerende basis beschikbaar gesteld. De prijs die voor het gebruik of de verkoop van de infrastructuur wordt berekend, stemt overeen met een marktprijs.
4.  
Iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de infrastructuur te exploiteren, vindt op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels.
5.  
De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de investeringen in materiële en immateriële activa.
6.  
Het steunbedrag is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme.
7.  
Specifieke infrastructuur is op grond van dit artikel niet vrijgesteld.

▼M1



DEEL 14

Steun voor regionale luchthavens

Artikel 56 bis

Steun voor regionale luchthavens

1.  
Investeringssteun voor een luchthaven is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in de leden 3 tot en met 14 van dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  
Exploitatiesteun voor een luchthaven is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in de leden 3, 4, 10 en 15 tot en met 18 van dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
3.  
De luchthaven staat open voor alle potentiële gebruikers. In het geval van een fysieke beperking van de capaciteit vindt de toewijzing plaats aan de hand van relevante, objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.
4.  
De steun wordt niet toegekend voor de verplaatsing van bestaande luchthavens of de aanleg van een nieuwe passagiersluchthaven, met inbegrip van de ombouw van een bestaand vliegveld tot een passagiersluchthaven.
5.  
De betrokken investering gaat niet verder dan hetgeen nodig is voor het opvangen van het verkeersvolume dat, gebaseerd op redelijke prognoses voor verkeersstromen, voor de middellange termijn wordt verwacht.
6.  
De investeringssteun wordt niet toegekend aan een luchthaven die gelegen is binnen een afstand van 100 kilometer of een reistijd van 60 minuten met de auto, bus, trein of hogesnelheidstrein vanaf een bestaande luchthaven van waaruit geregelde luchtdiensten in de zin van artikel 2, punt 16, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 worden uitgevoerd.
7.  
De leden 5 en 6 zijn niet van toepassing op luchthavens met een jaarlijkse passagiersstroom van maximaal 200 000 passagiers gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun daadwerkelijk wordt toegekend, indien de investeringssteun naar verwachting niet ertoe zal leiden dat de luchthaven daarmee haar gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom binnen de twee boekjaren volgend op de toekenning van de steun kan uitbreiden tot meer dan 200 000 passagiers. Aan dit soort luchthavens toegekende investeringssteun voldoet hetzij aan lid 11 hetzij aan de leden 13 en 14.
8.  
Lid 6 is niet van toepassing wanneer de investeringssteun wordt toegekend aan een luchthaven die gelegen is binnen een afstand van 100 kilometer van bestaande luchthavens van waaruit geregelde luchtdiensten in de zin van artikel 2, punt 16, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 worden uitgevoerd, indien de verbinding tussen elk van deze andere bestaande luchthavens en de luchthaven die de steun ontvangt, noodzakelijkerwijs een totale reistijd per zeevervoer van ten minste 90 minuten of luchtvervoer omvat.
9.  
De investeringssteun wordt niet toegekend aan luchthavens met een gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom van meer dan drie miljoen passagiers gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun daadwerkelijk wordt toegekend. De investeringssteun mag naar verwachting niet ertoe leiden dat de luchthaven daarmee haar gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom kan uitbreiden tot meer dan drie miljoen passagiers binnen de twee boekjaren volgend op de toekenning van de steun.
10.  
De steun wordt niet toegekend aan luchthavens met een gemiddelde jaarlijkse vrachtstroom van meer dan 200 000  ton gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun daadwerkelijk wordt toegekend. De steun mag naar verwachting niet ertoe leiden dat de luchthaven daarmee haar gemiddelde jaarlijkse vrachtstroom kan uitbreiden tot meer dan 200 000  ton binnen de twee boekjaren volgend op de toekenning van de steun.
11.  
Het bedrag van de investeringssteun is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt op de in aanmerking komende kosten in mindering gebracht, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme.
12.  
De in aanmerking komende kosten zijn de kosten met betrekking tot de investeringen in luchthaveninfrastructuur, met inbegrip van planningkosten.
13.  

Het bedrag van de investeringssteun is niet hoger dan:

a) 

50 % van de in aanmerking komende kosten voor luchthavens met een gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom van één tot drie miljoen passagiers gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun daadwerkelijk wordt toegekend;

b) 

75 % van de in aanmerking komende kosten voor luchthavens met een gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom van maximaal één miljoen passagiers gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun daadwerkelijk wordt toegekend.

14.  
De in lid 13 beschreven maximale steunintensiteiten kunnen met 20 procentpunten worden verhoogd voor luchthavens in afgelegen gebieden.
15.  
Exploitatiesteun mag niet worden toegekend aan luchthavens met een gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom van meer dan 200 000 passagiers gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun daadwerkelijk wordt toegekend.
16.  
Het bedrag van de exploitatiesteun mag niet hoger zijn dan hetgeen nodig is om de exploitatietekorten plus een redelijke winst over de betrokken periode te dekken. De steun wordt toegekend ofwel in de vorm van vooraf vastgelegde periodieke tranches, die niet mogen worden verhoogd in de periode waarvoor de steun wordt toegekend, ofwel in de vorm van achteraf vastgestelde bedragen die zijn gebaseerd op de waargenomen exploitatietekorten.
17.  
Exploitatiesteun mag niet worden toegekend voor een kalenderjaar waarin de jaarlijkse passagiersstroom van de luchthaven meer dan 200 000 passagiers bedraagt.
18.  
De toekenning van de exploitatiesteun mag niet afhankelijk worden gesteld van het afsluiten van regelingen met bepaalde luchtvaartmaatschappijen over luchthavengelden, marketingvergoedingen of andere financiële aspecten van de activiteiten van de luchtvaartmaatschappij op de betrokken luchthaven.



DEEL 15

Steun voor havens

Artikel 56 ter

Steun voor zeehavens

1.  
Steun voor zeehavens is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

De in aanmerking komende kosten zijn de kosten, met inbegrip van planningkosten, van:

a) 

investeringen ten behoeve van de bouw, vervanging of modernisering van haveninfrastructuur;

b) 

investeringen ten behoeve van de bouw, vervanging of modernisering van toegangsinfrastructuur;

c) 

baggerwerkzaamheden.

3.  
Kosten die verband houden met niet-vervoergerelateerde activiteiten, met inbegrip van industriële productiefaciliteiten die in een haven actief zijn, kantoren of winkels, maar ook met havensuprastructuren, zijn geen in aanmerking komende kosten.
4.  
Het steunbedrag is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering of de baggerwerkzaamheden. De exploitatiewinst wordt op de in aanmerking komende kosten in mindering gebracht, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme.
5.  

De steunintensiteit voor elke in lid 2, onder a), genoemde investering bedraagt ten hoogste:

a) 

100 % van de in aanmerking komende kosten wanneer de totale in aanmerking komende kosten van het project maximaal 20 miljoen EUR bedragen;

b) 

80 % van de in aanmerking komende kosten wanneer de totale in aanmerking komende kosten van het project meer dan 20 miljoen EUR en maximaal 50 miljoen EUR bedragen;

c) 

60 % van de in aanmerking komende kosten wanneer de totale in aanmerking komende kosten van het project meer dan 50 miljoen EUR bedragen doch niet meer dan het in artikel 4, lid 1, onder ee), vastgestelde bedrag.

De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in lid 2, onder b) en c), bepaalde in aanmerking komende kosten tot maximaal het in artikel 4, lid 1, onder ee), vastgestelde bedrag.

6.  
De in lid 5, eerste alinea, onder b) en c), vastgestelde steunintensiteiten kunnen worden verhoogd met 10 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.
7.  
Iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de gesteunde haveninfrastructuur te bouwen, te moderniseren, te exploiteren of te huren, vindt op concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke basis plaats.
8.  
De gesteunde haveninfrastructuur wordt op gelijke en niet-discriminerende wijze tegen marktvoorwaarden aan belangstellende gebruikers beschikbaar gesteld.
9.  
Voor steun van ten hoogste 5 miljoen EUR mag het maximale steunbedrag, in plaats van dat aan de hand van de in de leden 4, 5 en 6 genoemde methode vast te stellen, worden bepaald op 80 % van de in aanmerking komende kosten.

Artikel 56 quater

Steun voor binnenhavens

1.  
Steun voor binnenhavens is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2.  

De in aanmerking komende kosten zijn de kosten, met inbegrip van planningkosten, van:

a) 

investeringen ten behoeve van de bouw, vervanging of modernisering van haveninfrastructuur;

b) 

investeringen ten behoeve van de bouw, vervanging of modernisering van toegangsinfrastructuur;

c) 

baggerwerkzaamheden.

3.  
Kosten die verband houden met niet-vervoergerelateerde activiteiten, met inbegrip van industriële productiefaciliteiten die in een haven actief zijn, kantoren of winkels, maar ook met havensuprastructuren, zijn geen in aanmerking komende kosten.
4.  
Het steunbedrag is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering of de baggerwerkzaamheden. De exploitatiewinst wordt op de in aanmerking komende kosten in mindering gebracht, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme.
5.  
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten tot maximaal het in artikel 4, lid 1, onder ff), vastgestelde bedrag.
6.  
Iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de gesteunde haveninfrastructuur te bouwen, te moderniseren, te exploiteren of te huren, vindt op concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke basis plaats.
7.  
De gesteunde haveninfrastructuur wordt op gelijke en niet-discriminerende wijze tegen marktvoorwaarden aan belangstellende gebruikers beschikbaar gesteld.
8.  
Voor steun van ten hoogste 2 miljoen EUR mag het maximale steunbedrag, in plaats van dat aan de hand van de in de leden 4 en 5 genoemde methode vast te stellen, worden bepaald op 80 % van de in aanmerking komende kosten.

▼M4



DEEL 16

Steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten

Artikel 56 quinquies

Toepassingsgebied en gemeenschappelijke voorwaarden

1.  
Dit deel is van toepassing op steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten waarmee steun wordt verleend aan uitvoerende partners, financiële intermediairs of eindbegunstigden.
2.  
De steun is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in hoofdstuk I, in dit artikel, en in artikel 56 sexies of artikel 56 septies vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
3.  
De steun voldoet aan alle toepasselijke voorwaarden die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2021/523 en de in de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1078 van de Commissie ( 48 ) neergelegde InvestEU-investeringsrichtsnoeren.
4.  

De in de artikelen 56 sexies en 56 septies vastgestelde maximumdrempels zijn van toepassing op de totale uitstaande financiering, voor zover er steun is vervat in de financiering die in het kader van een door het InvestEU-fonds ondersteund financieel product wordt verstrekt. De maximumdrempels zijn van toepassing:

a) 

per project in het geval van steun die valt onder artikel 56 sexies, leden 2 en 4, lid 5, punt a), i), leden 6 en 7, lid 8, punten a) en b), en lid 9;

b) 

per eindbegunstigde in het geval van steun die valt onder artikel 56 sexies, lid 5, punt a), ii) en iii), lid 8, punt d), en lid 10, en artikel 56 septies.

5.  
Steun wordt niet toegekend in de vorm van herfinanciering of garanties op bestaande portefeuilles van financiële intermediairs.

Artikel 56 sexies

Voorwaarden voor steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten

1.  

Steun aan de eindbegunstigde in het kader van een door het InvestEU-fonds ondersteund financieel product voldoet aan:

a) 

de voorwaarden bedoeld in een van de leden 2 tot en met 9, en

b) 

indien de financiering wordt verstrekt in de vorm van leningen aan de eindbegunstigde, heeft deze een rentevoet die ten minste overeenstemt met het basispercentage van het referentiepercentage dat van toepassing is op het tijdstip van toekenning van de lening.

2.  
Steun voor projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van trans-Europese infrastructuur voor digitale connectiviteit die uit hoofde van Verordening (EU) 2021/1153 worden gefinancierd of waaraan uit hoofde van die verordening een kwaliteitslabel „Excellentiekeur” is toegekend, wordt alleen toegekend aan projecten die voldoen aan alle algemene en specifieke verenigbaarheidsvoorwaarden vastgesteld in artikel 52 ter. Het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun van het InvestEU-fonds per project aan een eindbegunstigde wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 150 miljoen EUR.
3.  

Steun voor investeringen in vaste breedbandnetwerken om alleen bepaalde in aanmerking komende sociaal-economische actoren aan te sluiten voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) 

de steun wordt alleen toegekend aan projecten die aan alle verenigbaarheidsvoorwaarden van artikel 52 voldoen tenzij uitdrukkelijk anders wordt vermeld in de punten c) en d) van dit lid;

b) 

het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun van het InvestEU-fonds per project aan een eindbegunstigde wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 150 miljoen EUR;

c) 

met het project worden alleen sociaal-economische actoren aangesloten die als overheidsdiensten of openbare of particuliere entiteiten belast zijn met de exploitatie van diensten van algemeen belang of van diensten van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, lid 2, van het Verdrag. Projecten die andere onderdelen of entiteiten omvatten dan die welke in dit punt worden vermeld, zijn uitgesloten;

d) 

in afwijking van artikel 52, lid 4, moet het vastgestelde marktfalen worden geverifieerd door de beschikbare passende kartering of, wanneer dergelijke kartering niet beschikbaar is, door een openbare raadpleging, als volgt:

i) 

de kartering kan passend worden geacht indien zij niet ouder is dan 18 maanden en alle netwerken omvat waarmee op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 100 Mbps maar van minder dan 300 Mbps (drempelsnelheden) kunnen worden aangeboden op aansluitbare panden van een in aanmerking komende sociaal-economische actor als bedoeld in punt c): Deze kartering moet door de bevoegde overheidsinstantie worden verricht, rekening houdend met alle netwerken die in staat zijn op betrouwbare wijze de drempelsnelheden te leveren die bestaan of in de komende drie jaar of binnen dezelfde tijdshorizon als de geplande gesteunde interventie, die niet korter dan twee jaar mag zijn, geloofwaardig zijn gepland, en moet worden uitgevoerd voor 1) uitsluitend vaste netwerken op adresniveau op basis van aansluitbare panden; en voor 2) vaste netwerken voor draadloze toegang, op adresniveau op basis van aansluitbare panden of op basis van netwerkroosters van ten hoogste 100 × 100 meter;

ii) 

de openbare raadpleging moet door de bevoegde overheidsinstantie worden verricht door publicatie op een geschikte website van een verzoek aan belanghebbenden om opmerkingen over de ontwerpmaatregel te maken en onderbouwde informatie in te dienen met betrekking tot netwerken die in staat zijn om op betrouwbare wijze downloadsnelheden van ten minste 100 Mbps maar minder dan 300 Mbps (drempelsnelheden) te bieden, die bestaan of in de komende drie jaar of binnen dezelfde tijdshorizon als de geplande gesteunde interventie, die niet korter dan twee jaar mag zijn, geloofwaardig zijn gepland, op aansluitbare panden van een in aanmerking komende sociaal-economische actor als bedoeld in punt c), op basis van de volgende informatie: 1) voor zuiver vaste netwerken, op adresniveau op basis van aansluitbare panden, en 2) voor vaste netwerken voor draadloze toegang, op adresniveau op basis van aansluitbare panden of op basis van netwerkroosters van ten hoogste 100 × 100 meter. De openbare raadpleging duurt ten minste dertig dagen.

4.  

Steun voor energieopwekking en energie-infrastructuur voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) 

de steun wordt alleen toegekend voor investeringen in energie-infrastructuur voor gas en elektriciteit waarvoor toegang voor derden, tariefregulering en ontbundeling geldt in overeenstemming met de wetgeving voor de interne energiemarkt, ten behoeve van de volgende categorieën projecten:

i) 

wat gasinfrastructuur betreft: projecten die zijn opgenomen in de geldende Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang in bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 49 );

ii) 

wat elektriciteitsinfrastructuur betreft:

1) 

slimme netwerken, met inbegrip van investeringen in de ontwikkeling, de voorbereiding op slimme toepassingen en de modernisering van infrastructuur voor elektriciteitstransmissie- en -distributie;

2) 

andere projecten:

— 
die voldoen aan een van de criteria van artikel 4, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 347/2013, of
— 
die zijn opgenomen in de geldende Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang in bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 347/2013;
3) 

andere projecten, met uitsluiting van elektriciteitsopslag, in steungebieden;

iii) 

projecten voor elektriciteitsopslag, gebaseerd op nieuwe en innovatieve technologie, ongeacht het spanningsniveau van de aansluiting op het netwerk;

b) 

investeringssteun voor de opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen voldoet aan de volgende vereisten:

i) 

steun wordt alleen verleend voor nieuwe installaties die op concurrerende, transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze worden geselecteerd;

ii) 

steun kan worden verleend voor nieuwe installaties, ook in combinatie met opslagapparatuur of waterstofelektrolysers, op voorwaarde dat de uitrusting voor opslag van elektriciteit of waterstof en de waterstofelektrolysers alleen gebruikmaken van de energie die wordt opgewekt door de installatie(s) voor hernieuwbare energie;

iii) 

er wordt geen steun toegekend voor waterkrachtinstallaties die niet aan de voorwaarden van Richtlijn 2000/60/EG voldoen;

iv) 

in het geval van biobrandstoffen producerende installaties wordt alleen steun toegekend voor installaties die andere duurzame biobrandstoffen produceren dan biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen;

c) 

het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun uit het InvestEU-fonds per project als bedoeld in punt a) aan een eindbegunstigde wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 150 miljoen EUR. Het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun uit het InvestEU-fonds per project als bedoeld in punt b) aan een eindbegunstigde wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 75 miljoen EUR.

5.  

Steun voor sociale, educatieve en culturele infrastructuur en activiteiten alsook infrastructuur en activiteiten op het gebied van natuurlijk erfgoed voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) 

het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun van het InvestEU-fonds aan elke eindbegunstigde wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan:

i) 

100 miljoen EUR per project voor investeringen in infrastructuur die wordt gebruikt voor de verlening van sociale diensten en voor onderwijs; 150 miljoen EUR per project voor cultuur en instandhouding van het erfgoed en activiteiten als bedoeld in artikel 53, lid 2, met inbegrip van natuurlijk erfgoed;

ii) 

30 miljoen EUR voor activiteiten in verband met sociale diensten;

iii) 

75 miljoen EUR voor activiteiten in verband met cultuur en instandhouding van het erfgoed, en

iv) 

5 miljoen EUR voor educatie en opleiding;

b) 

er wordt geen steun toegekend voor opleidingen die bedoeld zijn om te voldoen aan bindende nationale opleidingsnormen.

6.  

Steun voor vervoer en vervoersinfrastructuur voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) 

steun voor infrastructuur, met uitzondering van havens, wordt alleen verleend voor de volgende projecten:

i) 

projecten van gemeenschappelijk belang in de zin van artikel 3, punt a), van Verordening (EU) nr. 1315/2013, uitgezonderd voor projecten met betrekking tot haven- of luchthaveninfrastructuur;

ii) 

verbindingen met stedelijke knooppunten in het trans-Europees vervoersnetwerk;

iii) 

rollend materieel alleen voor het verrichten van spoorvervoersdiensten die niet onder een openbaredienstcontract in de zin van Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad ( 50 ) vallen, mits de begunstigde een nieuwkomer is;

iv) 

stadsvervoer;

v) 

oplaad- of tankinfrastructuur waarmee voertuigen van elektriciteit of hernieuwbare waterstof worden voorzien;

b) 

steun voor haveninfrastructuurprojecten voldoet aan de volgende vereisten:

i) 

steun kan alleen worden toegekend voor investeringen in toegangsinfrastructuur en haveninfrastructuur die op eerlijke en niet-discriminerende basis tegen marktvoorwaarden aan belangstellende gebruikers ter beschikking wordt gesteld;

ii) 

concessies of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de gesteunde haveninfrastructuur te bouwen, te moderniseren, te exploiteren of te huren, vindt op concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke basis plaats;

iii) 

er wordt geen steun toegekend voor investeringen in suprastructuren van havens.

c) 

het nominale bedrag van de totale financiering die overeenkomstig de punten a) of b) in het kader van de steun uit het InvestEU-fonds per project aan een eindbegunstigde wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 150 miljoen EUR.

7.  

Steun voor andere infrastructuurvoorzieningen voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) 

alleen voor de volgende projecten wordt steun verleend:

i) 

investeringen in infrastructuur voor watervoorziening en afvalwater voor de bevolking;

ii) 

investeringen in recycling en voorbereiding voor hergebruik van afval overeenkomstig artikel 47, leden 1 tot en met 6, voor zover hiermee het beheer van door andere ondernemingen geproduceerd afval wordt beoogd;

iii) 

investeringen in onderzoeksinfrastructuur;

iv) 

investeringen in het opbouwen of upgraden van innovatieclusterfaciliteiten;

b) 

het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun van het InvestEU-fonds per project aan een eindbegunstigde wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 100 miljoen EUR.

8.  

Steun voor milieubescherming, inclusief klimaatbescherming, voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) 

alleen voor de volgende projecten wordt steun verleend:

i) 

investeringen die ondernemingen in staat stellen schade aan de natuurlijke omgeving (inclusief klimaatverandering) of natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van een begunstigde te herstellen of te voorkomen, voor zover de investering verder gaat dan Unienormen voor milieubescherming of, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming verhoogt of een vroege aanpassing aan toekomstige Unienormen voor milieubescherming vormt;

ii) 

maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie van een onderneming, voor zover dergelijke verbeteringen niet worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat ondernemingen voldoen aan reeds vastgestelde Unienormen, zelfs als deze nog niet van kracht zijn;

iii) 

sanering van verontreinigde terreinen, voor zover er geen rechtspersoon of natuurlijke persoon wordt geïdentificeerd die volgens het toepasselijke recht overeenkomstig het in artikel 45, lid 3, bedoelde beginsel „de vervuiler betaalt” voor de milieuschade aansprakelijk is;

iv) 

milieustudies;

v) 

bevordering en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen, wanneer die activiteit bijdraagt aan het beschermen, behouden of herstellen van de biodiversiteit en aan het bereiken van de goede staat van ecosystemen dan wel aan het beschermen van reeds in goede staat verkerende ecosystemen;

b) 

onverminderd punt a), wanneer de steunmaatregel de betrekking heeft op de verbetering van de energie-efficiëntie van 1) woongebouwen, 2) gebouwen die bestemd zijn voor het geven van onderwijs of het verlenen van sociale diensten, of voor activiteiten in verband met justitie, politie of brandweerdiensten 3) gebouwen die bestemd zijn voor activiteiten in verband met openbaar bestuur, of 4) gebouwen als bedoeld in de punten 1), 2) of 3) waarin andere dan de in de punten 1), 2) of 3) genoemde activiteiten minder dan 35 % van de interne vloeroppervlakte beslaan, kan de steun ook worden toegekend voor maatregelen die tegelijkertijd de energie-efficiëntie van die gebouwen verbeteren en een of meer van de volgende investeringen inhouden:

i) 

geïntegreerde installaties die hernieuwbare energie ter plaatse opwekken in het gebouw waarop de steunmaatregel voor energie-efficiëntie betrekking heeft. De geïntegreerde installatie ter plaatse voor hernieuwbare energie heeft betrekking op de productie van elektriciteit en/of warmte. Zij kan worden gecombineerd met uitrusting voor de opslag van ter plaatse opgewekte hernieuwbare energie;

ii) 

installaties voor opslag ter plaatse;

iii) 

tot het gebouw behorende uitrusting en bijbehorende infrastructuur die bedoeld is om elektrische voertuigen van gebruikers van het gebouw op te laden;

iv) 

investeringen voor de digitalisering van het gebouw, met name om de gereedheid voor slimme toepassingen te verbeteren. De investeringen voor de digitalisering van het gebouw kunnen ingrepen omvatten die beperkt zijn tot passieve inpandige bekabeling of gestructureerde bekabeling voor datanetwerken en, indien nodig, het aanvullende gedeelte van het passieve netwerk op het particuliere terrein buiten het gebouw. Bedrading of bekabeling voor datanetwerken buiten het particuliere eigendom is uitgesloten.

De uiteindelijke begunstigde van de steun kunnen de eigenaren of huurders van het gebouw zijn, afhankelijk van wie de financiering voor het project ontvangt;

c) 

het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun van het InvestEU-fonds per project als bedoeld in punt a) aan een eindbegunstigde wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 50 miljoen EUR;

d) 

het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun van het InvestEU-fonds per project als bedoeld in punt b) wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 50 miljoen EUR per eindbegunstigde en gebouw;

e) 

steun voor maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen als bedoeld in punt b) mag ook betrekking hebben op de bevordering van energieprestatiecontracten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i) 

de steun neemt de vorm aan van een lening of garantie aan de aanbieder van de maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie in het kader van een energieprestatiecontract, of bestaat uit een financieel product dat tot doel heeft de betrokken aanbieder te herfinancieren (bv. factoring, forfaiting);

ii) 

het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun van het InvestEU-fonds wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 30 miljoen EUR;

iii) 

de steun wordt verleend aan kmo’s of kleine midcapondernemingen;

iv) 

de steun wordt verleend voor energieprestatiecontracten in de zin van artikel 2, punt 27, van Richtlijn 2012/27/EU;

v) 

de energieprestatiecontracten hebben betrekking op een gebouw als bedoeld in lid 8, punt b).

9.  

Steun voor onderzoek, ontwikkeling, innovatie en digitalisering voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) 

steun kan worden toegekend voor:

i) 

fundamenteel onderzoek;

ii) 

industrieel onderzoek;

iii) 

experimentele ontwikkeling;

iv) 

procesinnovatie of organisatie-innovatie voor kmo’s;

v) 

diensten voor innovatieadvies en diensten inzake innovatieondersteuning ten behoeve van kmo’s;

vi) 

digitalisering voor kmo’s;

b) 

voor de in punt a), i), ii) en iii), bedoelde projecten bedraagt het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun uit het InvestEU-fonds per project aan een eindbegunstigde wordt verstrekt, niet meer dan 75 miljoen EUR. Voor de in punt a), iv), v) en vi), bedoelde projecten bedraagt het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun van het InvestEU-fonds per project aan een eindbegunstigde wordt verstrekt, niet meer dan 30 miljoen EUR.

10.  

Kmo’s of kleine midcapondernemingen, naargelang van het geval, kunnen naast de categorieën steun waarin de leden 2 tot en met 9 voorzien, ook steun ontvangen in de vorm van door het InvestEU-fonds ondersteunde financiering, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun van het InvestEU-fonds per eindbegunstigde wordt verstrekt, niet meer dan 15 miljoen EUR bedraagt, en wordt verstrekt aan:

i) 

niet-beursgenoteerde kmo’s die nog niet of minder dan zeven jaar na hun eerste commerciële verkoop op een markt actief zijn;

ii) 

niet-beursgenoteerde kmo’s die een nieuwe productmarkt of geografische markt betreden, indien de initiële investering om deze nieuwe productmarkt of geografische markt te betreden, hoger is dan 50 % van de gemiddelde jaaromzet in de voorafgaande vijf jaar;

iii) 

kmo’s en kleine midcapondernemingen die innoverende ondernemingen zijn zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 80;

b) 

het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun van het InvestEU-fonds per eindbegunstigde wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 15 miljoen EUR en wordt toegekend aan kmo’s of kleine midcaps waarvan de hoofdactiviteiten zich in steungebieden bevinden, mits de financiering niet wordt gebruikt voor de verplaatsing van activiteiten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 61 bis;

c) 

het nominale bedrag van de totale financiering die in het kader van de steun van het InvestEU-fonds per eindbegunstigde wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 2 miljoen EUR en wordt toegekend aan kmo’s of kleine midcapondernemingen.

Artikel 56 septies

Voorwaarden voor steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde via een intermediair gecommercialiseerde financiële producten

1.  
Financiering voor eindbegunstigden wordt verstrekt door commerciële financiële intermediairs die op een open, transparante en niet-discriminerende wijze worden geselecteerd op basis van objectieve criteria.
2.  
De commerciële financiële intermediair die financiering aan de eindbegunstigde verstrekt, behoudt een risicoblootstelling van ten minste 20 % van elke financieringstransactie.
3.  
Het nominale bedrag van de totale financiering die via de commerciële financiële intermediair aan elke eindbegunstigde wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan 7,5 miljoen EUR.

▼B



HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 57

Intrekking

Verordening (EG) nr. 800/2008 wordt ingetrokken.

Artikel 58

Overgangsbepalingen

▼M1

1.  
Deze verordening is van toepassing op individuele steun die is toegekend voordat de desbetreffende bepalingen van deze verordening in werking zijn getreden, wanneer de steun voldoet aan alle in deze verordening vastgestelde voorwaarden, met uitzondering van artikel 9.

▼B

2.  
Steun die niet van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag is vrijgesteld op grond van deze verordening of van andere voordien van kracht zijnde verordeningen die waren vastgesteld op grond van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 994/98, wordt door de Commissie beoordeeld aan de hand van de toepasselijke kaderregelingen, richtsnoeren, mededelingen en bekendmakingen.
3.  
Alle individuele steun die vóór 1 januari 2015 wordt toegekend op grond van een op het tijdstip van de toekenning van de steun van kracht zijnde verordening die overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EG) nr. 994/98 is vastgesteld, is verenigbaar met de interne markt en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, met uitzondering van regionale steun. Risicokapitaalsteunregelingen ten behoeve van kmo's die vóór 1 juli 2014 zijn opgezet en die op grond van Verordening (EG) nr. 800/2008 van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag zijn vrijgesteld, blijven vrijgesteld en met de interne markt verenigbaar totdat de financieringsovereenkomst afloopt, mits de toezegging van de publieke financiering voor het gesteunde private-equity-investeringsfonds op basis van die overeenkomst heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2015 en de overige vrijstellingsvoorwaarden vervuld blijven.

▼M4

3  
bis. Alle individuele steun die tussen 1 juli 2014 en 2 augustus 2021 is toegekend in overeenstemming met de op het tijdstip van de toekenning van de steun van toepassing zijnde bepalingen van deze verordening, is verenigbaar met de interne markt en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld. Alle individuele steun die vóór 1 juli 2014 is toegekend in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening, met uitzondering van artikel 9, zoals van toepassing voor of na 10 juli 2017, dan wel voor of na 3 augustus 2021, is verenigbaar met de interne markt en van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld.

▼B

4.  
Na het verstrijken van de geldigheidsduur van deze verordening blijven alle krachtens deze verordening vrijgestelde steunregelingen nog gedurende een aanpassingsperiode van zes maanden vrijgesteld, met uitzondering van regionale-steunregelingen. De vrijstelling van regionale-steunregelingen vervalt op het tijdstip dat de goedgekeurde regionale-steunkaarten verstrijken. De vrijstelling van risicofinancieringssteun overeenkomstig artikel 21, lid 2, onder a), loopt af aan het eind van de in de financieringsovereenkomst vastgestelde periode, mits de toezegging van de publieke financiering voor het gesteunde private-equity-investeringsfonds op basis van dit soort overeenkomst heeft plaatsgevonden binnen zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van deze verordening en alle overige vrijstellingsvoorwaarden vervuld blijven.

▼M1

5.  
Indien deze verordening wordt gewijzigd, blijven steunregelingen die zijn vrijgesteld op grond van deze verordening zoals die van toepassing was op het tijdstip dat de regeling in werking trad, vrijgesteld gedurende een aanpassingsperiode van zes maanden.

▼B

Artikel 59

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2014.

▼M2

Zij is van toepassing tot en met 31 december 2023.

▼B

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

KMO-DEFINITIE

Artikel 1

Onderneming

Als onderneming wordt beschouwd iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent. Met name worden als zodanig beschouwd entiteiten die individueel of in familieverband ambachtelijke of andere activiteiten uitoefenen, personenvennootschappen en verenigingen die regelmatig een economische activiteit uitoefenen.

Artikel 2

Aantal werkzame personen en financiële drempels ter bepaling van de categorieën ondernemingen

1.  
Tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen („kmo's”) behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.
2.  
Binnen de categorie kmo's is een „kleine onderneming” een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt.
3.  
Binnen de categorie kmo's is een „micro-onderneming” een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt.

Artikel 3

Soorten ondernemingen welke voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen in aanmerking worden genomen

1.  
Een „zelfstandige onderneming” is elke onderneming die niet als partneronderneming in de zin van lid 2 of als verbonden onderneming in de zin van lid 3 wordt aangemerkt.
2.  
„Partnerondernemingen” zijn alle ondernemingen die niet als verbonden ondernemingen in de zin van lid 3 worden aangemerkt en waartussen de volgende band bestaat: een onderneming (van een hoger niveau) heeft, alleen of samen met één of meer in de zin van lid 3 verbonden ondernemingen, 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten van een andere onderneming (van een lager niveau).

Zelfs indien deze drempel van 25 % wordt bereikt of overschreden, kan een onderneming als zelfstandige onderneming en derhalve niet als onderneming met partnerondernemingen worden aangemerkt, indien het om de volgende categorieën investeerders gaat en mits dezen individueel noch gezamenlijk met de betrokken onderneming verbonden zijn in de zin van lid 3:

a) 

openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, natuurlijke personen of groepen natuurlijke personen die geregeld risicokapitaal beleggen en eigen vermogen in niet-beursgenoteerde ondernemingen investeren (business angels), mits de totale investering van deze business angels in een zelfde onderneming 1 250 000  EUR niet overschrijdt;

b) 

universiteiten of onderzoekscentra zonder winstoogmerk;

c) 

institutionele beleggers, met inbegrip van regionale ontwikkelingsfondsen;

d) 

autonome lokale autoriteiten die een jaarlijkse begroting hebben van minder dan 10 miljoen EUR en minder dan 5 000 inwoners tellen.

3.  

„Verbonden ondernemingen” zijn ondernemingen die met elkaar een van de volgende banden onderhouden:

a) 

een onderneming heeft de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een andere onderneming;

b) 

een onderneming heeft het recht de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een andere onderneming te benoemen of te ontslaan;

c) 

een onderneming heeft het recht een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van laatstgenoemde onderneming;

d) 

een onderneming heeft als aandeelhouder of vennoot van een andere onderneming, op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van laatstgenoemde onderneming.

Van overheersende invloed wordt geacht geen sprake te zijn, indien de in lid 2, tweede alinea, genoemde investeerders zich niet direct of indirect met het beheer van de betrokken onderneming bemoeien, onverminderd de rechten die zij als aandeelhouders of vennoten bezitten.

Ondernemingen worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij via één of meerdere andere ondernemingen of via een investeerder als bedoeld in lid 2, één van de in de eerste alinea bedoelde banden onderhouden.

Ondernemingen die via een natuurlijke persoon of een in gemeenschappelijk overleg handelende groep van natuurlijke personen een van deze banden onderhouden, worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij hun activiteiten of een deel van hun activiteiten op dezelfde markt of op verwante markten uitoefenen.

Als „verwante markt” wordt beschouwd de producten- of dienstenmarkt die zich direct upstream of downstream de relevante markt bevindt.

4.  
Behoudens de in lid 2, tweede alinea, bedoelde gevallen kan een onderneming niet als kmo worden aangemerkt indien één of meer overheidsinstanties, gezamenlijk of afzonderlijk, direct of indirect zeggenschap hebben over 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten.
5.  
Ondernemingen kunnen een verklaring opstellen over hun hoedanigheid van zelfstandige onderneming, partneronderneming of verbonden onderneming en de gegevens met betrekking tot de in artikel 2 vermelde drempels. Zelfs indien het wegens de spreiding van het kapitaal onmogelijk is precies vast te stellen wie het in handen heeft, kan deze verklaring worden opgesteld mits de onderneming te goeder trouw verklaart dat zij redelijkerwijze kan aannemen niet voor 25 % of meer in handen te zijn van één onderneming of van verscheidene verbonden ondernemingen gezamenlijk. Dergelijke verklaringen doen geen afbreuk aan de controles of verificaties waarin de nationale regelgeving of Unieregelgeving voorziet.

Artikel 4

Gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen en referentieperiode

1.  
De gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen hebben betrekking op het laatste afgesloten boekjaar en worden jaarlijks berekend. Zij worden vanaf de datum van afsluiting van de rekeningen in aanmerking genomen. Het bedrag van de omzet wordt berekend exclusief belasting over de toegevoegde waarde (btw) en andere indirecte rechten of heffingen.
2.  
Wanneer een onderneming op de datum van afsluiting van de rekeningen vaststelt dat de op jaarbasis berekende gegevens boven of onder de in artikel 2 bedoelde drempels voor het aantal werkzame personen of de financiële bedragen liggen, verkrijgt of verliest zij de hoedanigheid van middelgrote, kleine of micro-onderneming alleen wanneer deze drempels in twee opeenvolgende boekjaren worden overschreden.
3.  
In het geval van nieuw opgerichte ondernemingen waarvan de eerste jaarrekening nog niet is afgesloten, worden de in aanmerking te nemen gegevens bepaald door middel van een in de loop van het boekjaar te goeder trouw gemaakte schatting.

Artikel 5

Aantal werkzame personen

Het aantal werkzame personen komt overeen met het aantal arbeidsjaareenheden (AJE), dit is het aantal personen dat het gehele desbetreffende jaar voltijds in de betrokken onderneming of voor rekening van deze onderneming heeft gewerkt. Het werk van personen die niet het gehele jaar hebben gewerkt, deeltijdwerk ongeacht de duur ervan en seizoenarbeid, wordt in breuken van AJE's uitgedrukt. Het aantal werkzame personen bestaat uit:

a) 

de loontrekkenden;

b) 

de personen die voor deze onderneming werken, er een ondergeschikte verhouding mee hebben en voor het nationale recht met loontrekkenden gelijkgesteld zijn;

c) 

de eigenaren-bedrijfsleiders;

d) 

de vennoten die geregeld een activiteit in de onderneming uitoefenen en van de onderneming financiële voordelen genieten.

Leerlingen en studenten die een beroepsopleiding volgen en een leer- of beroepsopleidingsovereenkomst hebben, worden niet meegeteld in het aantal werkzame personen. De duur van zwangerschaps- en ouderschapsverlof wordt niet meegerekend.

Artikel 6

Vaststelling van de gegevens van de onderneming

1.  
In het geval van een zelfstandige onderneming worden de gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, uitsluitend op grond van de rekeningen van die onderneming vastgesteld.
2.  
De gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, van een onderneming die partnerondernemingen of verbonden ondernemingen heeft, worden vastgesteld op grond van de rekeningen en andere gegevens van de onderneming of, zo van toepassing, van de geconsolideerde rekeningen van de onderneming of van de geconsolideerde rekeningen waarin de onderneming door consolidatie is opgenomen.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van de betrokken onderneming, die zich onmiddellijk boven of onder het niveau van die onderneming bevinden. De samentelling geschiedt in evenredigheid met het aandeel in het kapitaal of de stemrechten (het hoogste van de beide percentages). Bij kruisparticipatie geldt het hoogste van deze percentages.

De in de eerste en tweede alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met alle, nog niet door consolidatie in de rekeningen opgenomen gegevens (100 %) van de eventuele, direct of indirect met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen.

3.  
Voor de toepassing van lid 2 resulteren de gegevens van de partnerondernemingen van de betrokken onderneming uit de, indien van toepassing, geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze worden samengeteld met alle gegevens (100 %) van de met deze partnerondernemingen verbonden ondernemingen, tenzij hun gegevens reeds door consolidatie daarin zijn opgenomen.

Voor de toepassing van het genoemde lid 2 resulteren de gegevens van de met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen uit hun, indien van toepassing, geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze worden evenredig samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van deze verbonden ondernemingen, die zich onmiddellijk boven of onder het niveau van laatstgenoemde ondernemingen bevinden, mits deze gegevens nog niet zijn opgenomen in de geconsolideerde rekeningen in een verhouding die ten minste gelijk is aan het in de tweede alinea van lid 2 vastgestelde percentage.

4.  
Indien het aantal werkzame personen van een bepaalde onderneming niet uit de geconsolideerde rekeningen blijkt, wordt het berekend door de gegevens van haar partnerondernemingen evenredig samen te tellen en daaraan de gegevens toe te voegen van de ondernemingen waarmee zij is verbonden.




BIJLAGE II

GEGEVENS BETREFFENDE OP DE VOORWAARDEN VAN DEZE VERORDENING VRIJGESTELDE STAATSSTEUN

DEEL I

Overeenkomstig artikel 11 te verschaffen via de geëigende IT-toepassing van de Commissie