EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02014R0651-20170710

Consolidated text: Verordening (EU) n r. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (Voor de EER relevante tekst)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/651/2017-07-10

02014R0651 — NL — 10.07.2017 — 001.004


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) Nr. 651/2014 VAN DE COMMISSIE

van 17 juni 2014

waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) 2017/1084 VAN DE COMMISSIE van 14 juni 2017

  L 156

1

20.6.2017


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 349, 5.12.2014, blz.  67 (651/2014)

►C2

Rectificatie, PB L 026, 31.1.2018, blz.  53 (2017/1084)




▼B

VERORDENING (EU) Nr. 651/2014 VAN DE COMMISSIE

van 17 juni 2014

waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard

(Voor de EER relevante tekst)



INHOUDSOPGAVE

HOOFDSTUK I

Gemeenschappelijke bepalingen

HOOFDSTUK II

Monitoring

HOOFDSTUK III

Specifieke bepalingen voor verschillende categorieën steun

Deel 1 —

Regionale steun

Deel 2 —

Kmo-steun

Deel 3 —

Steun om kmo's toegang tot financiering te geven

Deel 4 —

Steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie

Deel 5 —

Opleidingssteun

Deel 6 —

Steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap

Deel 7 —

Steun voor milieubescherming

Deel 8 —

Steun tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen

Deel 9 —

Sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden

Deel 10 —

Steun voor breedbandinfrastructuur

Deel 11 —

Steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed

Deel 12 —

Steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur

Deel 13 —

Steun voor lokale infrastructuurvoorzieningen

Deel 14 —

Steun voor regionale luchthavens

Deel 15 —

Steun voor havens

HOOFDSTUK IV

Slotbepalingen



HOOFDSTUK I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.  Deze verordening is van toepassing op de volgende categorieën steun:

a) regionale steun;

b) steun aan kmo's in de vorm van investeringssteun, exploitatiesteun en toegang van kmo's tot financiering;

c) steun voor de bescherming van het milieu;

d) steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie;

e) opleidingssteun;

f) steun voor de aanwerving en de tewerkstelling van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap;

g) steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen;

h) sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden;

i) steun voor breedbandinfrastructuur;

j) steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed;

▼M1

k) steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur;

l) steun voor lokale infrastructuurvoorzieningen;

▼M1

m) steun voor regionale luchthavens; en

n) steun voor havens.

▼B

2.  Deze verordening is niet van toepassing op:

a) regelingen op grond van deel 1 (met uitzondering van artikel 15), van de delen 2, 3 en 4, van deel 7 (met uitzondering van artikel 44) en van deel 10 van hoofdstuk III van deze verordening indien het gemiddelde jaarlijkse budget aan staatssteun meer dan 150 miljoen EUR bedraagt, vanaf zes maanden nà de inwerkingtreding ervan. De Commissie kan, nadat zij een beoordeling heeft gemaakt van het door de betrokken lidstaat binnen 20 werkdagen na de inwerkingtreding van de regeling bij de Commissie aangemelde evaluatieontwerp, besluiten dat deze verordening voor een langere periode op deze steunregelingen van toepassing blijft;

b) alle wijzigingen van de in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde regelingen niet zijnde aanpassingen die op de verenigbaarheid van de steunregeling krachtens deze verordening geen invloed kunnen hebben of die de inhoud van het goedgekeurde evaluatieontwerp niet aanzienlijk kunnen veranderen;

c) steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, met name steun die direct aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, en steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of andere lopende kosten in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer;

d) steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse goederen in plaats van ingevoerde goederen.

3.   ►M1  Deze verordening is niet van toepassing op:

a) steun toegekend in de visserij- en aquacultuursector voor zover die onder Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) valt, met uitzondering van opleidingssteun, steun om kmo's toegang tot financiering te geven, steun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling, innovatiesteun voor kmo's, steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap, regionale investeringssteun in ultraperifere gebieden en regelingen inzake regionale exploitatiesteun;

b) steun toegekend in de sector van de primaire landbouwproductie, met uitzondering van regionale investeringssteun in ultraperifere gebieden, regelingen inzake regionale exploitatiesteun, consultancysteun voor kmo's, risicofinancieringssteun, steun voor onderzoek en ontwikkeling, innovatiesteun voor kmo's, milieusteun, opleidingssteun en steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap;

c) steun toegekend in de sector van de verwerking en de afzet van landbouwproducten in de volgende gevallen:

i) wanneer het steunbedrag wordt vastgesteld op grond van de prijs of de hoeveelheid van deze producten die zijn afgenomen van primaire producenten of door de betrokken ondernemingen op de markt worden gebracht;

ii) wanneer de steun afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat deze steun geheel of ten dele aan primaire producenten wordt doorgegeven;

d) steun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen, voor zover die onder Besluit 2010/787/EU van de Raad ( 2 ) valt;

e) de in artikel 13 genoemde categorieën regionale steun. ◄

Wanneer een onderneming actief is zowel in de in de punten a), b) of c) van de eerste alinea uitgesloten sectoren als in sectoren die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, is deze verordening van toepassing op steun ten behoeve van activiteiten in die laatste sectoren of activiteiten, mits de lidstaten, met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgen dat de activiteiten in de uitgesloten sectoren geen uit hoofde van deze verordening verleende steun genieten.

4.  Deze verordening is niet van toepassing op:

▼M1

a) steunregelingen die niet uitdrukkelijk voorzien in uitsluiting van betaling van individuele steun aan ondernemingen ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij door dezelfde lidstaat toegekende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard, met uitzondering van steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen;

▼B

b) ad-hocsteun ten behoeve van een in punt a) bedoelde onderneming;

▼M1

c) steun aan ondernemingen in moeilijkheden, met uitzondering van steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen, regelingen inzake starterssteun en regelingen inzake regionale exploitatiesteun, mits met die regelingen ondernemingen in moeilijkheden geen gunstigere behandeling krijgen dan andere ondernemingen.

▼B

5.  Deze verordening is niet van toepassing op staatssteunmaatregelen die, op zich, door de daaraan verbonden voorwaarden of de methode waarmee zij worden gefinancierd, tot een daarmee onlosmakelijk verbonden schending van het Unierecht leiden, met name:

a) steunmaatregelen waarbij aan de steunverlening de verplichting voor de begunstigde verbonden is om zijn hoofdkantoor in de betrokken lidstaat te hebben of om overwegend in die lidstaat te zijn gevestigd. Wel is het toegestaan om te eisen dat een onderneming op het tijdstip van de uitkering van de steun een vaste inrichting of dochteronderneming moet hebben in de steuntoekennende lidstaat;

b) steunmaatregelen waarbij aan de steunverlening de verplichting voor de begunstigde is verbonden om binnenlands geproduceerde goederen of binnenlandse diensten te gebruiken;

c) steunmaatregelen die beperkingen stellen aan de mogelijkheden voor de begunstigden om de resultaten van onderzoek, ontwikkeling en innovatie in andere lidstaten te exploiteren.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1. „steun” of „steunmaatregel”: elke maatregel die aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag voldoet;

2. „kleine en middelgrote ondernemingen” of „kmo's”: ondernemingen die aan de in bijlage I vastgestelde criteria voldoen;

3. „werknemer met een handicap”: een persoon:

a) die volgens het nationale recht als werknemer met een handicap is erkend, of

b) die een langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperking heeft die haar/hem in wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving;

4. „kwetsbare werknemer”: een persoon die:

a) in de voorafgaande zes maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden, of

b) tussen 15 en 24 jaar oud is, of

c) geen diploma van hoger middelbaar onderwijs heeft behaald of geen beroepsopleiding heeft gevolgd (niveau 3 van de International Standard Classification of Education (ISCED)) of haar/zijn opleiding in het voltijdonderwijs minder dan twee jaar voordien heeft voltooid, en die haar/zijn eerste reguliere betaalde betrekking nog niet heeft gevonden, of

d) ouder is dan 50 jaar, of

e) als alleenstaande volwassene de zorg heeft voor één of meer ten laste komende personen, of

f) werkzaam is in een sector of beroep in een lidstaat waar de genderonbalans ten minste 25 % groter is dan de gemiddelde genderonbalans in alle economische sectoren in die lidstaat indien die persoon tot de ondervertegenwoordigde gendergroep behoort, of

g) behoort tot een etnische minderheid in een lidstaat en van wie het profiel met betrekking tot talenkennis, beroepsopleiding of werkervaring moet worden bijgesteld om haar/zijn vooruitzichten op het verkrijgen van vast werk te verbeteren;

5. „vervoer”: passagiersvervoer met het vliegtuig, via zeevervoer, over de weg, per spoor of over de binnenwateren, of beroepsgoederenvervoer;

6. „vervoerskosten”: de kosten van het beroepsvervoer die door de begunstigden per vervoerstraject daadwerkelijk worden betaald, omvattende:

a) vrachttarieven, handlingkosten en kosten voor tijdelijke opslag, voor zover deze kosten met het vervoerstraject verband houden;

b) kosten voor het verzekeren van de lading;

c) belastingen, rechten of heffingen berekend op de vracht en, in voorkomend geval, het draagvermogen, zowel op het punt van vertrek als het punt van bestemming, en

d) kosten voor veiligheids- en beveiligingscontrole, toeslagen voor gestegen brandstofkosten;

7. „afgelegen gebieden”: ultraperifere gebieden, Malta, Cyprus, Ceuta en Melilla, eilanden die deel uitmaken van het grondgebied van een lidstaat, en dunbevolkte gebieden;

8. „afzet van landbouwproducten”: het in voorraad hebben of uitstallen met het oog op het verkopen, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen, met uitzondering van de eerste verkoop door een primaire producent aan wederverkopers of verwerkingsbedrijven en alle activiteiten waarmee een product voor een dergelijke eerste verkoop wordt voorbereid. De verkoop door een primaire producent aan eindgebruikers geldt als afzet indien deze plaatsvindt in speciaal daartoe voorziene afzonderlijke ruimten;

9. „primaire landbouwproductie”: de productie van in bijlage I bij het Verdrag vermelde producten van de bodem en van de veehouderij die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van deze producten wijzigt;

10. „verwerking van landbouwproducten”: een bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat nog steeds een landbouwproduct is, met uitzondering van activiteiten op landbouwbedrijven die nodig zijn om een plantaardig of dierlijk product voor de eerste verkoop voor te bereiden;

11. „landbouwproduct”: de in bijlage I bij het Verdrag vermelde producten, met uitzondering van visserijproducten en aquacultuurproducten vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013;

12. „ultraperifere gebieden”: gebieden in de zin van artikel 349 van het Verdrag. Overeenkomstig Besluit 2010/718/EU van de Europese Raad is Saint-Barthélemy vanaf 1 januari 2012 niet langer een ultraperifeer gebied. Overeenkomstig Besluit 2012/419/EU van de Europese Raad is Mayotte vanaf 1 januari 2014 een ultraperifeer gebied geworden;

13. „steenkool” of „kolen”: hoogwaardige steenkool, middelwaardige steenkool en laagwaardige A- en B-kolen, in de zin van het internationale codificatiesysteem voor kolen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE) en zoals verduidelijkt in Besluit 2010/787/EU van de Raad van 10 december 2010 betreffende staatssteun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen ( 3 );

14. „individuele steun”:

i) ad-hocsteun, en

ii) steun die op grond van een steunregeling aan individuele begunstigden wordt toegekend;

15. „steunregeling”: elke regeling op grond waarvan aan ondernemingen die in de regeling op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, alsmede elke regeling op grond waarvan steun die niet aan een bepaald project is gebonden, voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan één of meer ondernemingen kan worden toegekend;

16. „evaluatieontwerp”: een document dat ten minste de volgende elementen bevat: de doelstellingen van de te evalueren steunregeling; de evaluatievragen; de resultaatindicatoren; de bij het uitvoeren van de evaluatie te hanteren methodiek; de vereisten inzake gegevensverzameling; het voor de evaluatie geplande tijdschema, met onder meer de datum voor het indienen van het eindevaluatierapport; de beschrijving van de onafhankelijke instantie die de evaluatie uitvoert of de criteria die voor de selectie van die instantie zullen worden gebruikt, en de praktische voorwaarden waarop die evaluatie zal worden bekendgemaakt;

17. „ad-hocsteun”: steun die niet op grond van een steunregeling wordt toegekend;

18. „onderneming in moeilijkheden”: een onderneming ten aanzien waarvan zich ten minste één van de volgende omstandigheden voordoet:

a) in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat of, wanneer het erom gaat in aanmerking te komen voor risicofinancieringssteun, een kmo binnen zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop die in aanmerking komt voor risicofinancieringsinvesteringen na een boekenonderzoek door de geselecteerde financiële intermediair): wanneer meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal. Voor de toepassing van deze bepaling worden met „vennootschap met beperkte aansprakelijkheid” met name de in bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU ( 4 ) bedoelde rechtsvormen van ondernemingen bedoeld en omvat het „aandelenkapitaal” ook het eventuele agio;

b) in het geval van een onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat of, wanneer het erom gaat in aanmerking te komen voor risicofinancieringssteun, een kmo binnen zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop die in aanmerking komt voor risicofinancieringsinvesteringen na een boekenonderzoek door de geselecteerde financiële intermediair): wanneer meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door de gecumuleerde verliezen is verdwenen. Voor de toepassing van deze bepaling worden met „een onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming” met name de in bijlage II bij Richtlijn 2013/34/EU bedoelde rechtsvormen van ondernemingen bedoeld;

c) wanneer tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure loopt of de onderneming volgens het nationale recht aan de criteria voldoet om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;

d) wanneer de onderneming reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, dan wel herstructureringssteun heeft ontvangen en nog steeds in een herstructureringsplan zit;

e) in het geval van een onderneming die geen kmo is: wanneer de afgelopen twee jaar:

1. de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de onderneming, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg, en

2. de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,0;

19. „territoriale bestedingsverplichtingen”: de verplichtingen die de steuntoekennende overheid oplegt aan begunstigden om binnen een bepaald grondgebied een minimumbedrag te besteden en/of een minimumvolume productieactiviteiten uit te voeren;

20. „bijgesteld steunbedrag”: het maximaal toelaatbare steunbedrag voor een groot investeringsproject berekend volgens deze formule:

maximale steunbedrag = R × (A + 0,50 × B + 0 × C),

waarbij R de voor het betrokken gebied toepasselijke maximale steunintensiteit is die is vastgesteld op de op het tijdstip van de steunverlening van kracht zijnde regionale-steunkaart, ongerekend de verhoogde steunintensiteit voor kmo's; A de eerste tranche van 50 miljoen EUR van de in aanmerking komende kosten is, B het gedeelte van de in aanmerking komende kosten tussen 50 miljoen EUR en 100 miljoen EUR is, en C het gedeelte van de in aanmerking komende kosten boven 100 miljoen EUR;

21. „terugbetaalbaar voorschot”: een lening voor een project die in één of meer tranches wordt betaald en waarbij de voorwaarden voor terugbetaling afhangen van de uitkomst van het project;

22. „bruto-subsidie-equivalent” (BSE): het bedrag van de steun indien deze in de vorm van een subsidie aan de begunstigde was toegekend, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen;

23. „aanvang van de werkzaamheden”: hetzij de aanvang van de bouwwerkzaamheden met betrekking tot de investering, hetzij de eerste, juridisch bindende toezegging om uitrusting te bestellen, hetzij een andere toezegging die de investering onomkeerbaar maakt. De aankoop van gronden en voorbereidende werkzaamheden zoals het verkrijgen van vergunningen en de uitvoering van voorbereidende haalbaarheidsstudies worden niet als aanvang van de werkzaamheden beschouwd. Bij overnames is de aanvang van de werkzaamheden het tijdstip van de verwerving van de activa die rechtstreeks met de overgenomen vestiging verband houden;

24. „grote ondernemingen”: ondernemingen die niet aan de in bijlage I vastgestelde criteria voldoen;

25. „fiscale vervolgregeling”: een regeling in de vorm van belastingvoordelen die een gewijzigde versie is van een reeds bestaande regeling in de vorm van belastingvoordelen en die deze vervangt;

26. „steunintensiteit”: het brutosteunbedrag, uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen;

27. „steungebieden”: gebieden die op een voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2020 goedgekeurde regionale-steunkaart zijn opgenomen op grond van artikel 107, lid 3, onder a) en c), van het Verdrag;

28. „tijdstip van toekenning van de steun”: het tijdstip waarop de wettelijke aanspraak om steun te ontvangen, krachtens de nationale wettelijke regeling aan de begunstigde wordt verleend;

29. „materiële activa”: activa bestaande uit gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting;

30. „immateriële activa”: fysiek of financieel niet-tastbare activa, zoals octrooien, licenties, knowhow of andere intellectuele-eigendomsrechten;

31. „loonkosten”: het totale bedrag dat door de begunstigde van de steun ten aanzien van de desbetreffende werkgelegenheid daadwerkelijk moet worden betaald en dat het brutoloon vóór belastingen en de verplichte bijdragen (zoals sociale premies, kosten voor kinder- en ouderenzorg) over een bepaalde periode omvat;

32. „nettotoename van het aantal werknemers”: een nettotoename van het aantal werknemers in de betrokken vestiging ten opzichte van het gemiddelde over een bepaalde periode, d.w.z. dat het aantal arbeidsplaatsen dat in die periode verdwijnt, hierop in mindering moet worden gebracht en dat het aantal werknemers dat gedurende een jaar voltijds, deeltijds of als seizoenarbeider in dienst is, in fracties van hun jaararbeidseenheden (JAE's) wordt uitgedrukt;

33. „specifieke infrastructuur”: infrastructuur die is aangelegd voor vooraf identificeerbare ondernemingen en op hun behoeften is toegesneden;

34. „financieel intermediair”: een financiële instelling, ongeacht de vorm en eigendomsstructuur ervan, waaronder dakfondsen, private-equityfondsen, overheidsinvesteringsfondsen, banken, microfinancieringsinstellingen en onderlinge waarborgmaatschappijen;

35. „vervoerstraject”: het verplaatsen van goederen van het punt van vertrek tot het punt van bestemming, daaronder begrepen deeltrajecten of deelfasen binnen of buiten de betrokken lidstaat, gebruikmakend van één of meer vervoermiddelen;

36. „redelijk rendement” (Fair Rate of Return of FRR): het verwachte rendementspercentage dat gelijkwaardig is aan de risicogewogen disconteringsvoet waarin de risicograad van een project en de aard en omvang van het kapitaal dat particuliere investeerders willen investeren, tot uiting komt;

37. „totale financiering”: het totale bedrag dat in het kader van deel 3 of de artikelen 16 of 39 van deze verordening in een in aanmerking komende onderneming wordt geïnvesteerd, met uitsluiting van volledig particuliere investeringen op marktvoorwaarden die buiten het toepassingsgebied van de betrokken staatssteunmaatregel vallen;

38. „concurrerende biedprocedure”: een niet-discriminerende biedprocedure waaraan voldoende ondernemingen moeten kunnen deelnemen en waarbij de steun wordt toegekend op grond van ofwel de oorspronkelijke offerte van de gegadigde ofwel een toewijzingsprijs. Bovendien moet het met de biedprocedure verband houdende budget of volume een bindende beperking zijn die een situatie doet ontstaan waarin niet alle bieders steun kunnen krijgen;

▼M1

39. „exploitatiewinst”: het verschil tussen de gedisconteerde inkomsten en de gedisconteerde exploitatiekosten over de economische levensduur van de investering, wanneer dit verschil positief is. De exploitatiekosten omvatten kosten zoals personeelskosten, kosten voor materialen, uitbestede diensten, communicatie, energie, onderhoud, huur, administratie, doch niet afschrijvingslasten en financieringskosten indien deze zijn gedekt door investeringssteun. Door inkomsten en exploitatiekosten te disconteren tegen een passende disconteringsvoet, kan een redelijke winst worden gemaakt;

▼B

Definities van toepassing op regionale steun

40. Definities van toepassing op steun ten behoeve van breedbandinfrastructuur (deel 10) zijn van toepassing op de desbetreffende bepalingen inzake regionale steun.

41. „regionale investeringssteun”: regionale steun die wordt toegekend ten behoeve van een initiële investering of een initiële investering in nieuwe economische activiteiten;

▼M1

42. „regionale exploitatiesteun”: steun om de lopende uitgaven van een onderneming te verminderen. Daarbij gaat het om kostencategorieën zoals personeelskosten, kosten voor materialen, uitbestede diensten, communicatie, energie, onderhoud, huur, administratie, evenwel met uitsluiting van afschrijvingslasten en financieringskosten indien deze bij de toekenning van investeringssteun zijn opgenomen in de in aanmerking komende kosten;

▼B

43. „ijzer- en staalindustrie”: alle activiteiten met betrekking tot de productie van één of meer van de volgende producten:

a) ruwijzer en ferrolegeringen:

ruwijzer voor vervaardiging van staal, gieterij-ijzer en andere ruwijzersoorten, spiegelijzer en ferromangaan carburé, niet inbegrepen de andere ferrolegeringen;

b) ruwe producten en halffabricaten van ijzer, van gewoon staal of van speciaal staal:

vloeibaar staal al dan niet gegoten tot blokken, waaronder smeedblokken; halffabricaten: bloemen, knuppels, plakken; plaatstrippen; warmgewalst breedband op rollen, behalve de productie van gegoten staal voor staalgietwerk, zoals die van kleine en middelgrote zelfstandige gieterijen;

c) warmgewalste walserijproducten van ijzer, van gewoon staal of van speciaal staal:

rails, dwarsliggers, onderlegplaten, klemplaten, balken, zware profielen en staven van 80 mm en meer, damwandstaal, staven en profielen van minder dan 80 mm en plaatstaal van minder dan 150 mm breedte, walsdraad, rond en vierkant staafmateriaal voor buizen, warmgewalst bandstaal en warmgewalste strippen (met inbegrip van buizenstrip), platen met een dikte van 3 mm en meer, universaalstaal van 150 mm en meer, met uitzondering van draadproducten, blanke staven en ijzergietwerk;

d) koudgewalste eindproducten:

blik, verlode plaat, zwarte plaat, gegalvaniseerde platen, andere platen met bekleed oppervlak, koudgewalste plaat, op rollen en in platen, dynamo- en transformatorplaat, band bestemd voor het maken van blik;

e) buizen:

stalen buizen (naadloos of gelast) met een diameter van meer dan 406,4 mm, van ijzer of staal;

44. „synthetischevezelindustrie”:

a) de extrusie/texturizering van alle algemene soorten vezels en garens op basis van polyester, polyamide, acryl of polypropeen, ongeacht het eindgebruik ervan, of

b) polymerisatie (daaronder begrepen polycondensatie), wanneer deze wordt geïntegreerd met extrusie wat de gebruikte machines betreft, of

c) elk nevenprocedé dat verband houdt met de gelijktijdige installatie van extrusie-/texturizeringscapaciteit door de potentiële begunstigde onderneming of door een andere onderneming van het concern waartoe deze behoort, en die in de betrokken specifieke bedrijfsactiviteit normaal gesproken van dit soort capaciteit, wat de gebruikte machines betreft, deel uitmaakt;

45. „vervoersector”: passagiersvervoer met het vliegtuig, via zeevervoer, over de weg, per spoor of over de binnenwateren, of beroepsgoederenvervoer. Meer bepaald worden onder „vervoersector” de volgende activiteiten in de zin van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 verstaan:

a) NACE 49: Vervoer te land en vervoer via pijpleidingen, met uitzondering van NACE 49.32 Exploitatie van taxi's, 49.42 Verhuisbedrijven en 49.5 Vervoer via pijpleidingen;

b) NACE 50: Vervoer over water;

c) NACE 51: Luchtvaart, met uitzondering van NACE 51.22 Ruimtevaart;

46. „op een beperkt aantal specifieke economische sectoren gerichte regeling”: een regeling die activiteiten bestrijkt in minder dan vijf klassen (viercijferige code) van NACE Rev. 2;

47. „toeristische activiteiten”: de volgende activiteiten in de zin van NACE Rev. 2:

a) NACE 55: Verschaffen van accommodatie

b) NACE 56: Eet- en drinkgelegenheden;

c) NACE 79: Reisbureaus, reisorganisatoren, reserveringsbureaus en aanverwante activiteiten;

d) NACE 90: Creatieve activiteiten, kunst en amusement;

e) NACE 91: Bibliotheken, archieven, musea en overige culturele activiteiten;

f) NACE 93: Sport, ontspanning en recreatie;

▼M1

48. „dunbevolkte gebieden”: NUTS 2-regio's met minder dan 8 inwoners/km2 of NUTS 3-regio's met minder dan 12,5 inwoners/km2 of gebieden die door de Commissie als dusdanig zijn erkend in een individueel besluit betreffende een regionalesteunkaart die van kracht is op het tijdstip van de steunverlening;

▼M1

48 bis. „zeer dunbevolkte gebieden”: NUTS 2-regio's met minder dan 8 inwoners/km2 of gebieden die door de Commissie als dusdanig zijn erkend in een individueel besluit betreffende een regionalesteunkaart die van kracht is op het tijdstip van de steunverlening;

▼B

49. „initiële investering”:

a) een investering in materiële en immateriële activa die verband houdt met de oprichting van een nieuwe vestiging, met uitbreiding van een bestaande vestiging, diversificatie van de productie van een vestiging naar producten die voordien niet in de vestiging werden vervaardigd, of een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van een bestaande vestiging, of

b) de overname van activa die behoren tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen en die wordt verworven door een investeerder zonder banden met de verkoper, met uitsluiting van de enkele verwerving van de aandelen van een onderneming;

50. „dezelfde of vergelijkbare activiteit”: activiteiten die behoren tot dezelfde klasse (viercijferige code) van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden ( 5 );

51. „initiële investering ten behoeve van nieuwe economische activiteiten”:

a) een investering in materiële en immateriële activa die verband houdt met de oprichting van een nieuwe vestiging, of de diversificatie van de activiteit van een vestiging, op voorwaarde dat de nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar met de activiteit die voordien in die vestiging werd uitgeoefend;

b) de overname van activa die behoren tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen en die wordt verworven door een investeerder zonder banden met de verkoper, op voorwaarde dat de nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar met de activiteit die in die vestiging werd uitgeoefend vóór de overname ervan;

52. „groot investeringsproject”: een initiële investering waarbij de in aanmerking komende uitgaven meer dan 50 miljoen EUR bedragen, berekend in prijzen en wisselkoersen die gelden op het tijdstip van toekenning van de steun;

53. „punt van bestemming”: de plaats waar de goederen worden uitgeladen;

54. „punt van vertrek”: de plaats waar de goederen worden geladen voor vervoer;

▼M1

55. „voor exploitatiesteun in aanmerking komende gebieden”: een ultraperifeer gebied in de zin van artikel 349 van het Verdrag, een dunbevolkt gebied of een zeer dunbevolkt gebied;

▼B

56. „vervoermiddelen”: spoorvervoer, vrachtvervoer over de weg, vervoer over de binnenwateren, zeevervoer, luchtvervoer, multimodaal vervoer;

57. „stadsontwikkelingsfonds”: een gespecialiseerd investeringsvehikel dat wordt opgezet om te investeren in stadsontwikkelingsprojecten in het kader van een steunmaatregel voor stadsontwikkeling. Stadsontwikkelingsfondsen worden beheerd door een manager van een stadsontwikkelingsfonds;

58. „manager van een stadsontwikkelingsfonds”: een professioneel managementbedrijf met rechtspersoonlijkheid dat in aanmerking komende stadsontwikkelingsprojecten selecteert en daarin investeert;

59. „stadsontwikkelingsproject”: een investeringsproject dat het potentieel heeft om de tenuitvoerlegging te ondersteunen van initiatieven die in het kader van een geïntegreerde benadering voor duurzame stadsontwikkeling worden overwogen, en om bij te dragen aan het behalen van de daarin vastgestelde doelstellingen, daaronder begrepen projecten met een interne opbrengstvoet die mogelijk niet voldoende is om op louter zakelijke basis financiering aan te trekken. Een stadsontwikkelingsplan kan worden georganiseerd als een afzonderlijk financieel geheel (separate block of finance) binnen de juridische structuren van de begunstigde particuliere investeerder of als een afzonderlijke rechtspersoon, bijvoorbeeld een special purpose vehicle (SPV);

60. „geïntegreerde strategie voor duurzame stadsontwikkeling”: een door een betrokken lokale overheid of overheidsagentschap officieel voorgestelde en bekrachtigde strategie die is uitgetekend voor een specifiek stedelijk geografisch gebied en een specifieke periode en waarin geïntegreerde maatregelen worden beschreven om de economische, ecologische, klimatologische, demografische en sociale uitdagingen aan te pakken waarmee stedelijke gebieden worden geconfronteerd;

61. „bijdrage in natura”: de inbreng van gronden of vastgoed wanneer die gronden of dat vastgoed deel uitmaken van het stadsontwikkelingsproject;

▼M1

61 bis. „verplaatsing”: overbrenging van dezelfde of een vergelijkbare activiteit (of een deel daarvan) van een vestiging in een overeenkomstsluitende partij bij de EER-overeenkomst (initiële vestiging) naar de vestiging in een andere overeenkomstsluitende partij bij de EER-overeenkomst waar de gesteunde investering plaatsvindt (gesteunde vestiging). Van een overbrenging is sprake indien het product of de dienst in de initiële en in de gesteunde vestiging ten minste ten dele voor dezelfde doeleinden dient en aan de vragen of behoeften van hetzelfde type afnemers voldoet en voor dezelfde of een vergelijkbare activiteit in een van de initiële vestigingen van de begunstigde in de EER banen verloren gaan;

▼B

Definities voor kmo-steun

62. „rechtstreeks door een investeringsproject geschapen werkgelegenheid”: werkgelegenheid die verband houdt met de activiteit waarop de investering betrekking heeft, daaronder begrepen werkgelegenheid die dankzij een verhoging van de bezettingsgraad van de door de investering gecreëerde capaciteit is geschapen;

63. „organisatorische samenwerking”: de ontwikkeling van gezamenlijke bedrijfs- of managementstrategieën, het aanbieden van gemeenschappelijke diensten of diensten die samenwerking moeten bevorderen, gecoördineerde activiteiten zoals onderzoek of marketing, de ondersteuning van netwerken en clusters, het verbeteren van toegankelijkheid en communicatie, het gebruik van gedeelde instrumenten om het ondernemerschap en de handel met kmo's te bevorderen;

64. „adviesdiensten voor samenwerking”: consulting, bijstand en opleiding ten behoeve van de uitwisseling van kennis en ervaring en ter verbetering van de samenwerking;

65. „ondersteuningsdiensten voor samenwerking”: het verschaffen van kantoorruimte, websites, databanken, bibliotheken, marktonderzoek, handboeken, werk- en modeldocumenten;

Definities voor steun om kmo's toegang tot financiering te geven

66. „investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen”: een categorie financiering tussen eigen vermogen en vreemd vermogen in, met een hoger risico dan senior schulden en een lager risico dan gewoon aandelenkapitaal, en waarvan het rendement voor de houder ervan overwegend is gebaseerd op de winst of het verlies van de onderliggende doelonderneming en die bij wanbetaling niet gedekt is. Investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen kunnen zijn gestructureerd als schulden, die niet gegarandeerd en achtergesteld zijn, met inbegrip van mezzanineschulden, en in sommige gevallen converteerbaar zijn in eigen vermogen, dan wel als preferente aandelen;

67. „garantie” (in het kader van de delen 1, 3 en 7 van deze verordening): een schriftelijke aansprakelijkheidsverklaring voor het geheel of een deel van nieuw geproduceerde risicofinancieringskrediettransacties zoals schuld- of leasinginstrumenten, alsmede quasi-eigenvermogensinstrumenten;

68. „garantiepercentage”: het percentage van de dekking door een publieke investeerder van de verliezen op elke individuele transactie die in het kader van de desbetreffende staatssteunmaatregel in aanmerking komt;

69. „uittreding” (exit): liquidatie van een deelneming door een financiële intermediair of een investeerder, met inbegrip van trade sale, afschrijving, terugbetaling van aandelen/leningen, verkoop aan een andere financiële intermediair of andere investeerder, verkoop aan een financiële instelling en verkoop via een openbare aanbieding, met inbegrip van een eerste openbare aanbieding (IPO);

70. „financiële dotatie”: een terug te betalen publieke investering in een financiële intermediair met het oog op investeringen in het kader van een risicofinancieringsmaatregel en waarbij alle opbrengsten naar de publieke investeerder moeten terugvloeien;

71. „risicofinancieringsinvestering”: investeringen in de vorm van eigen vermogen, quasi-eigen-vermogen, leningen, garanties, of een mix daarvan, in in aanmerking komende ondernemingen met het oog op nieuwe investeringen;

72. „onafhankelijke particuliere investeerder”: een particuliere investeerder die geen aandeelhouder is van de in aanmerking komende onderneming waarin hij investeert, met inbegrip van business angels en financiële instellingen, ongeacht hun eigendomsstructuur, voor zover zij het volledige risico van hun investering dragen. Bij de oprichting van een nieuwe onderneming worden particuliere investeerders, met inbegrip van de oprichters, beschouwd als onafhankelijk van die onderneming;

73. „natuurlijke persoon” (voor de toepassing van de artikelen 21 en 23): een persoon niet zijnde een rechtspersoon die geen onderneming is voor de toepassing van artikel 107, lid 1, van het Verdrag;

74. „investering in de vorm van eigen vermogen”: het verschaffen aan een onderneming van kapitaal, dat direct of indirect wordt geïnvesteerd in ruil voor eigenaarschap van een overeenkomstig deel van die onderneming;

75. „eerste commerciële verkoop”: de eerste verkoop door een onderneming op een product- of dienstenmarkt, met uitsluiting van beperkte verkopen om de markt te testen;

76. „niet-beursgenoteerde kmo”: een kmo die niet is toegelaten tot de officiële notering van een effectenbeurs, met uitzondering van alternatieve handelsplatforms;

77. „vervolginvestering”: verdere risicofinancieringsinvestering in een onderneming na één of meerdere voorafgaande risicofinancieringsinvesteringsrondes;

78. „vervangingskapitaal”: de aankoop van bestaande aandelen in een onderneming van een vroegere investeerder of aandeelhouder;

79. „met het beheer belaste entiteit”: de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds, een internationale financiële instelling waarin een lidstaat aandeelhouder is, of een in een lidstaat gevestigde financiële instelling die een openbaar belang nastreeft onder toezicht van een overheid, een publiekrechtelijk lichaam of een privaatrechtelijk lichaam met een publieke taak. Deze met het beheer belaste entiteit kan worden geselecteerd of rechtstreeks worden aangesteld overeenkomstig de voorwaarden van Richtlijn 2004/18/EG van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten ( 6 ), of latere wetgeving die deze richtlijn geheel of ten dele vervangt;

80. „innovatieve onderneming”: een onderneming:

a) die aan de hand van een door een externe deskundige uitgevoerde evaluatie kan aantonen dat zij in de voorzienbare toekomst producten, diensten of procedés zal ontwikkelen die in technologisch opzicht nieuw zijn of een wezenlijke verbetering inhouden ten opzichte van de huidige stand van de techniek in deze sector, en die een risico op technologische of industriële mislukking inhouden, of

b) waarvan de kosten voor onderzoek en ontwikkeling ten minste 10 % bedragen van haar totale exploitatiekosten in ten minste één van de drie jaren voorafgaande aan de toekenning van de steun of, in het geval van een startende onderneming zonder enige financiële voorgeschiedenis, bij de audit van haar lopende belastingjaar, gecertificeerd door een onafhankelijke accountant;

81. „alternatief handelsplatform”: een multilaterale handelsfaciliteit (Multilateral Trading Facility — MTF) in de zin van artikel 4, lid 1, punt 15, van Richtlijn 2004/39/EG, waarbij de meeste financiële instrumenten die tot de handel zijn toegelaten, zijn uitgegeven door kmo's;

82. „lening”: een overeenkomst die de kredietgever verplicht een overeengekomen geldbedrag voor een overeengekomen termijn ter beschikking te stellen aan de kredietnemer en waarbij de kredietnemer verplicht is dat bedrag binnen de overeengekomen termijn terug te betalen. Dit instrument kan de vorm aannemen van leningen of andere financieringsinstrumenten daaronder begrepen leasing, die de leninggever een overheersend bestanddeel van minimumopbrengst bieden. De herfinanciering van bestaande leningen geldt niet als een in aanmerking komende lening;

Definities voor steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie

83.  ►C1  „organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding”: een entiteit (zoals universiteiten of onderzoeksinstellingen, agentschappen voor technologieoverdracht, innovatie-intermediairs, entiteiten voor fysieke of virtuele onderzoeksgerichte samenwerking), ongeacht haar rechtsvorm (publiek- of privaatrechtelijke organisatie) of financieringswijze, die zich in hoofdzaak bezighoudt met het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, of met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht. ◄ Wanneer dit soort entiteit ook economische activiteiten uitoefent, moet met betrekking tot de financiering, de kosten en de inkomsten van die economische activiteiten een gescheiden boekhouding worden gevoerd. Ondernemingen die een beslissende invloed over dit soort entiteit kunnen uitoefenen in hun hoedanigheid van bijvoorbeeld aandeelhouder of lid van de organisatie, mogen geen preferente toegang tot de onderzoekscapaciteit van deze entiteit of tot de door haar verkregen onderzoeksresultaten genieten;

84. „fundamenteel onderzoek”: experimentele of theoretische werkzaamheden die voornamelijk worden verricht om nieuwe kennis te verwerven over de fundamentele aspecten van verschijnselen en waarneembare feiten, zonder dat hiermee een directe commerciële toepassing of een direct commercieel gebruik wordt beoogd;

85. „industrieel onderzoek”: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving en/of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie;

86. „experimentele ontwikkeling”: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten.

Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden.

Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;

87. „haalbaarheidsstudie”: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn;

88. „personeelskosten”: de kosten van onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het betrokken project of de betrokken activiteit bezighouden;

89. „op arm's length”: de voorwaarden van de transactie tussen de contractpartijen wijken niet af van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure wordt geacht te voldoen aan het arm's length-beginsel;

90. „daadwerkelijke samenwerking”: samenwerking tussen ten minste twee onafhankelijke partijen om kennis of technologie uit te wisselen of om een gemeenschappelijke doelstelling op basis van een taakverdeling te bereiken, waarbij de partijen samen de omvang van het samenwerkingsproject bepalen, bijdragen aan de tenuitvoerlegging ervan, en het risico en de resultaten ervan delen. Eén of meer partijen kunnen de volledige kosten van het project dragen en zodoende de andere partijen bevrijden van de aan het project verbonden financiële risico's. Contractonderzoek en het verrichten van onderzoeksdiensten worden niet als vormen van samenwerking beschouwd;

91. „onderzoeksinfrastructuur”: faciliteiten, middelen en verwante diensten die door de wetenschappelijke gemeenschap worden gebruikt om op hun respectieve vakgebied onderzoek te verrichten. Hierbij gaat het om: wetenschappelijke uitrusting of sets wetenschappelijke instrumenten; kennisgebaseerde hulpbronnen zoals verzamelingen, archieven of gestructureerde wetenschappelijke informatie; ict-gebaseerde enabling infrastructuur zoals gridnetwerken, computers, software en communicatie, of iedere andere entiteit met een uniek karakter die onontbeerlijk is om onderzoek te kunnen verrichten. Dit soort infrastructuur kan zich op één enkele locatie bevinden (single-sited) dan wel verspreid zijn (distributed) (een georganiseerd netwerk van hulpbronnen) in de zin van artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 723/2009 van de Raad van 25 juni 2009 betreffende een communautair rechtskader voor een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC) ( 7 );

92. „innovatieclusters”: structuren of georganiseerde groeperingen van onafhankelijke partijen (zoals innovatieve starters, kleine, middelgrote en grote ondernemingen, maar ook organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, niet-commerciële organisaties en andere verwante economische spelers) die tot doel hebben innovatieve activiteiten te stimuleren door het delen van faciliteiten en de uitwisseling van kennis en deskundigheid te bevorderen, en door daadwerkelijk bij te dragen aan technologieoverdracht, netwerking, informatieverspreiding en samenwerking tussen de ondernemingen en andere organisaties binnen het cluster;

93. „hooggekwalificeerd personeel”: personeel met een tertiaire opleiding en ten minste vijf jaar relevante beroepservaring, waarin ook doctoraatsopleidingen kunnen meetellen;

94. „innovatieadviesdiensten”: consulting, bijstand en opleiding op het gebied van kennisoverdracht, verwerving, bescherming en exploitatie van immateriële activa, het gebruik van standaarden en regels waarin deze zijn vastgelegd;

95. „innovatieondersteuningsdiensten”: het verschaffen van kantoorruimte, databanken, bibliotheken, marktonderzoek, laboratoria, diensten in verband met kwaliteitslabels, testen en certificatie met het oog op de ontwikkeling van doeltreffendere producten, procedés of diensten;

96. „organisatie-innovatie”: de toepassing van een nieuwe organisatiemethode in de bedrijfsvoering, in de organisatie op de werkvloer of in de externe betrekkingen van een onderneming, maar met uitsluiting van veranderingen die zijn gebaseerd op organisatiemethoden die reeds in gebruik zijn in de onderneming, veranderingen in de managementstrategie, fusies en acquisities, het niet meer gebruiken van een procedé, eenvoudige vervangings- en uitbreidingsinvesteringen, veranderingen die louter het gevolg zijn van prijswijzigingen voor productiefactoren, aanpassingen op maat, lokalisatie, gebruikelijke, seizoens- en andere cyclische veranderingen, het verhandelen van nieuwe of sterk verbeterde producten;

97. „procesinnovatie”: de toepassing van een nieuwe of sterk verbeterde productie- of leveringsmethode (daaronder begrepen aanzienlijke veranderingen in technieken, uitrusting of software), maar met uitsluiting van geringe veranderingen of verbeteringen, verhogingen van de productie- of dienstverleningscapaciteit door de toevoeging van productie- of logistieke systemen die sterk gelijken op die welke reeds in gebruik zijn, het niet meer gebruiken van een procedé, eenvoudige vervangings- en uitbreidingsinvesteringen, veranderingen die louter het gevolg van prijswijzigingen voor productiefactoren zijn, aanpassingen op maat, lokalisatie, gebruikelijke seizoens- en andere cyclische veranderingen, het verhandelen van nieuwe of sterk verbeterde producten;

98. „detachering”: de tijdelijke indienstneming van personeel door een begunstigde, waarna het personeel het recht heeft naar zijn vorige werkgever terug te keren;

Definities voor steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap

99. „uiterst kwetsbare werknemer”: een persoon die:

a) gedurende ten minste 24 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gehad, of

b) gedurende ten minste twaalf maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gehad en behoort tot één van de categorieën b) tot en met g) vermeld onder de definitie van „kwetsbare werknemer”;

100. „sociale werkvoorziening”: werkgelegenheid in een onderneming waarvan het personeelsbestand voor ten minste 30 % uit werknemers met een handicap bestaat;

Definities van toepassing op steun voor milieubescherming

101. „milieubescherming”: elke maatregel die is gericht op preventie of herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van een begunstigde, op beperking van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, daaronder begrepen energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

102. „Unienorm”:

a) een verplichte Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, of

b) de verplichting op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 8 ) om de beste beschikbare technieken (BAT's) te gebruiken en ervoor te zorgen dat de emissieniveaus van verontreinigende stoffen niet hoger zijn dan bij de toepassing van de BAT's. Voor de gevallen waarin de met de BAT's geassocieerde emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze verordening. Wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waar de BAT het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn;

103. „energie-efficiëntie”: een hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door het verbruik vóór en ná de invoering van een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie te meten en/of te ramen, gecorrigeerd voor externe factoren die het energieverbruik beïnvloeden;

104. „energie-efficiëntieproject”: een investeringsproject dat de energie-efficiëntie van een gebouw verhoogt;

105. „energie-efficiëntiefonds”: een gespecialiseerd investeringsvehikel dat is opgezet om te investeren in energie-efficiëntieprojecten ter verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen zowel in als buiten de woningsector. Energie-efficiëntiefondsen worden beheerd door een manager van een energie-efficiëntiefonds;

106. „manager van een energie-efficiëntiefonds”: een professioneel managementbedrijf met rechtspersoonlijkheid dat in aanmerking komende energie-efficiëntieprojecten selecteert en daarin investeert;

107. „hoogrenderende warmtekrachtkoppeling”: warmtekrachtkoppeling die voldoet aan de definitie van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG ( 9 );

108. „warmtekrachtkoppeling” (wkk): gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;

109. „energie uit hernieuwbare energiebronnen”: energie geproduceerd met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de energie die met hernieuwbare energiebronnen wordt opgewekt in hybride installaties die ook met conventionele energiebronnen werken. Hieronder valt ook voor accumulatiesystemen gebruikte hernieuwbare elektriciteit, maar niet elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is;

110. „hernieuwbare energiebronnen”: de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: windenergie, zonne-energie, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;

111. „biobrandstof”: vloeibare of gasvormige transportbrandstof die uit biomassa is gewonnen;

112. „duurzame biobrandstoffen”: biobrandstoffen die voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG;

113. „biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen”: biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen in de zin van het voorstel van de Commissie voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ( 10 );

114. „nieuwe en innovatieve technologie”: een ten opzichte van de huidige stand van de techniek nieuwe en nog niet bewezen technologie, die een risico op technologische of industriële mislukking inhoudt en geen optimalisatie of opschaling is van een bestaande technologie;

115. „balanceringstaken”: de verantwoordelijkheid voor alle onderlinge afwijkingen (onbalans) tussen productie, verbruik en commerciële transacties van een marktpartij (of de door deze gekozen vertegenwoordiger), de zogeheten balanceringsverantwoordelijke, binnen een bepaalde periode, de zogeheten periode voor onbalansverrekening;

116. „standaardbalanceringstaken”: niet-discriminerende technologieneutrale balanceringstaken waarvan producenten niet kunnen worden vrijgesteld;

117. „biomassa”: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede biogas en de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;

118. „totale levelized costs van energieproductie” (totale LCOE's): een berekening van de kosten van het opwekken van elektriciteit bij het aansluitpunt op het oplaadnetwerk of elektriciteitsnet. Deze omvatten het initiële kapitaal, de disconteringsvoet en de kosten van de productie in continubedrijf, de brandstof en het onderhoud;

119. „milieubelasting”: een belasting met een bijzondere heffingsgrondslag die een duidelijk negatief milieueffect heeft, of die bepaalde activiteiten, goederen of diensten wil belasten zodat de milieukosten in de prijs ervan kunnen worden opgenomen en/of de producenten en verbruikers worden toegeleid naar activiteiten die milieuvriendelijker zijn;

120. „Unieminimumbelastingniveau”: het in de Uniewetgeving vastgestelde minimumbelastingniveau. Voor energieproducten en elektriciteit wordt hieronder verstaan het in bijlage I bij Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit ( 11 ) vastgestelde minimumbelastingniveau;

121. „verontreinigd terrein”: een terrein waarvan met zekerheid is vastgesteld dat er ten gevolge van menselijk toedoen gevaarlijke stoffen zijn aangetroffen in zodanige concentraties dat zij een ernstig risico voor de volksgezondheid of het milieu vormen, rekening houdende met het huidige en het goedgekeurde toekomstige gebruik van de grond;

122. „het beginsel de vervuiler betaalt”: het beginsel dat de kosten van het bestrijden van de vervuiling moeten worden gedragen door de vervuiler die de vervuiling heeft veroorzaakt;

123. „vervuiling”: de schade die een vervuiler veroorzaakt door het milieu direct of indirect schade toe te brengen of door de voorwaarden te scheppen die deze schade aan de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen veroorzaken;

124. „energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling”: een systeem voor stadsverwarming en -koeling dat voldoet aan de in de punten 41 en 42 van artikel 2 van Richtlijn 2012/27/EU gegeven definitie van een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling. Onder deze definitie vallen de verwarmings-/koelingsinstallaties en het netwerk (met inbegrip van de daarmee verband houdende faciliteiten) die nodig zijn om de warmte/koeling van bij de productie-eenheden tot bij de locatie van de klanten te brengen;

125. „vervuiler”: degene die direct of indirect schade toebrengt aan het milieu of de voorwaarden schept die deze schade veroorzaken;

126. „hergebruik”: elke handeling waarbij producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld;

127. „voorbereiding voor hergebruik”: elke nuttige toepassing bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten die afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze kunnen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is;

128. „recycling”: elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden verwerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dit omvat het opnieuw bewerken van organisch afval, maar het omvat niet energieterugwinning, noch het opwerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;

129. „huidige stand van de techniek”: een proces waarin het hergebruik van een afvalproduct om een eindproduct te maken, een economisch winstgevende normale praktijk is. Indien nodig, moet het concept „huidige stand van de techniek” worden geïnterpreteerd vanuit een Uniaal technologisch en interne-markt-perspectief.

130. „energie-infrastructuur”: alle fysieke uitrusting of faciliteit die gelegen is binnen de Unie of die de Unie verbindt met één of meer derde landen en die onder de volgende categorieën valt:

a) wat elektriciteit betreft:

i) infrastructuur voor transmissie in de zin van artikel 2, lid 3, van Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit ( 12 );

ii) infrastructuur voor distributie in de zin van artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2009/72/EG;

iii) „elektriciteitsopslag”: faciliteiten gebruikt voor de permanente of tijdelijke opslag van elektriciteit in boven- of ondergrondse infrastructuur of geologische locaties, mits deze direct zijn aangesloten op hoogspanningstransmissielijnen ontworpen voor een spanning van 110 kV of meer;

iv) alle uitrusting of installaties die van essentieel belang zijn om de in punten i) tot en met iii) omschreven systemen op een veilige, betrouwbare en efficiënte wijze te laten functioneren, met inbegrip van beschermings-, monitorings- en toezichtssystemen op alle spanningsniveaus en onderstations, en

v) „slimme netten”: alle uitrusting, lijnen, kabels of installaties, zowel op transmissie- als op middenspanningsdistributieniveau, die moet dienen voor digitale tweewegs communicatie, (bijna) realtime, interactieve en intelligente monitoring en sturing van elektriciteitsproductie, -transmissie, -distributie en -verbruik binnen een elektriciteitsnetwerk, met het oog op de ontwikkeling van een netwerk dat op efficiënte wijze het gedrag en de acties van alle op het netwerk aangesloten gebruikers (producenten, verbruikers en producenten-verbruikers) integreert, om zo een economisch doelmatig en duurzaam elektriciteitsnet tot stand te brengen met slechts beperkte verliezen, dat van hoge kwaliteit is, met grote voorzieningszekerheid en goed beveiligd;

b) wat gas betreft:

i) transmissie- en distributiepijpleidingen voor het transport van aardgas en biogas die deel uitmaken van een netwerk, met uitsluiting van hogedrukpijpleidingen die worden gebruikt voor de upstreamdistributie van aardgas;

ii) de met de in punt i) bedoelde hogedrukgaspijpleidingen verbonden ondergrondse opslagfaciliteiten;

iii) faciliteiten voor de ontvangst, opslag en hervergassing of decompressie van vloeibaar aardgas (LNG) of gecomprimeerd aardgas (CNG), en

iv) alle uitrusting of installaties die van essentieel belang zijn voor een veilige, betrouwbare en efficiënte exploitatie van het net of om een bidirectionele capaciteit mogelijk te maken, met inbegrip van compressorstations;

c) wat olie betreft:

i) pijpleidingen voor het transport van ruwe aardolie;

ii) pompstations en opslagfaciliteiten die nodig zijn voor het functioneren van pijpleidingen voor ruwe aardolie, en

iii) alle uitrusting of installaties die van essentieel belang zijn om het net in kwestie op een behoorlijke, betrouwbare en efficiënte wijze te laten functioneren, met inbegrip van beschermings-, monitorings- en toezichtssystemen en reverse-flow-apparatuur;

d) wat CO2 betreft: netwerk van pijpleidingen, met inbegrip van de benodigde boosterpompstations, voor het transport van CO2 naar opslaglocaties, om het CO2 daar te injecteren in geschikte ondergrondse geologische formaties met het oog op permanente opslag;

131. „wetgeving inzake de interne energiemarkt”: omvat Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit, Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas ( 13 ), Verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators ( 14 ), Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit ( 15 ), en Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten ( 16 ), of latere wetgeving die deze wetgeving geheel of ten dele vervangt;

Definities van toepassing op sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden

132. „normale verblijfplaats”: de plaats waar iemand gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen verblijft. In het geval van iemand die haar/zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan haar/zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer lidstaten verblijft, wordt de normale verblijfplaats geacht zich op dezelfde plaats als haar/zijn persoonlijke bindingen te bevinden. Wanneer iemand in een lidstaat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur, wordt de verblijfplaats geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als haar/zijn persoonlijke bindingen, ongeacht of zij/hij daar tijdens die activiteit terugkeert. Het feit dat in een andere lidstaat college wordt gelopen of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst. Het begrip „normale verblijfplaats” kan echter ook de betekenis hebben die in het nationale recht van lidstaten daaraan wordt gegeven;

Definities voor steun ten behoeve van breedbandinfrastructuur

133. „basisbreedband” of „basisbreedbandnetwerken”: netwerken met basisfuncties die zijn gebaseerd op technologieplatforms zoals Asymmetric Digital Subscriber Lines (ADSL) (tot ADSL2+-netwerken), niet-verbeterde kabelnetwerken (zoals DOCSIS 2.0), mobiele netwerken van de derde generatie (UMTS) of satellietsystemen;

134. „civieltechnische werkzaamheden voor breedband”: civieltechnische werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de uitrol van een breedbandnetwerk, zoals het openleggen van een straat om de aanleg van (breedband)buizen mogelijk te maken;

135. „buizen”: ondergrondse pijpen of doorvoeren die worden gebruikt om (vezel-, koper- of coax-)kabels van een breedbandnetwerk in onder te brengen;

136. „fysieke ontbundeling”: het verlenen van toegang tot de aansluitlijn van de eindgebruiker, hetgeen concurrenten de mogelijkheid biedt om data rechtstreeks en over hun eigen transmissiesystemen door te geven;

137. „passieve breedbandinfrastructuur”: een breedbandnetwerk zonder enige actieve component. Meestal gaat het om civieltechnische infrastructuur, buizen, dark fibre en straatkasten;

138. „Next Generation Acess netwerken” (NGA-netwerken): geavanceerde netwerken die ten minste de volgende kenmerken hebben: a) zij bieden iedere abonnee betrouwbare diensten aan tegen zeer hoge snelheid via optische (of gelijkwaardige technologie) backhaul-verbindingen die zich voldoende dicht bij de locatie van de gebruiker bevinden om daadwerkelijk een zeer hoge snelheid van de dienst te waarborgen; b) zij ondersteunen diverse geavanceerde digitale diensten, waaronder convergente All-IP-diensten, en c) zij hebben aanzienlijk hogere uploadsnelheden (in vergelijking met basisbreedbandnetwerken). In de huidige stand van de ontwikkeling van de markt en de technologie zijn NGA-netwerken: a) op glasvezelkabels gebaseerde toegangsnetwerken (FFTx); b) geavanceerde, geüpgradede kabelnetten, en c) bepaalde geavanceerde draadloze toegangsnetwerken die een betrouwbare hoge snelheid per abonnee kunnen bieden;

139. „wholesaletoegang”: toegang waarmee een exploitant de faciliteiten van een andere exploitant kan gebruiken. De ruimst mogelijke toegang die via het betrokken netwerk moet worden verleend, omvat, op basis van de huidige technologische ontwikkelingen, ten minste de volgende toegangsproducten: voor FTTH/FTTB-netwerken: toegang tot buizen, toegang tot dark fibre, ontbundelde toegang tot de local loop en bitstroomtoegang; voor kabelnetwerken: toegang tot buizen en bitstroomtoegang; voor FFTC-netwerken: toegang tot buizen, subloopontbundeling (SLU) en bitstroomtoegang; voor passieve netwerkinfrastructuur: toegang tot buizen, toegang tot dark fibre en/of ontbundelde toegang tot de local loop; voor ADSL-gebaseerde breedbandnetwerken: ontbundelde toegang tot de local loop, bitstroomtoegang; voor mobiele of draadloze netwerken: bitstroom, medegebruik van fysieke masten en toegang tot de backhaulnetwerken, en voor satellietplatforms: bitstroomtoegang;

Definities voor steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed

140. „moeilijke audiovisuele werken”: de werken die de lidstaten op basis van vooraf vastgestelde criteria als dusdanig hebben geïdentificeerd bij het opzetten van regelingen of de toekenning van steun, waarbij het kan gaan om films waarvan de originele versie alleen bestaat in een taal van een lidstaat met een beperkt grondgebied, laag bevolkingsaantal of klein taalgebied, of om kortfilms, debuutfilms of tweede films van jonge regisseurs, documentaires, lowbudgetfilms of commercieel anderszins moeilijke werken;

141. „lijst van het Development Assistance Committee (DAC) van de OESO” (OESO/DAC-lijst): alle landen en territoria die in aanmerking komen voor het ontvangen van officiële ontwikkelingshulp en die zijn opgenomen in de door Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) opgestelde lijst;

142. „redelijke winst”: wordt bepaald ten opzichte van de voor de betrokken sector gebruikelijke winst. Hoe dan ook zal een rendement op kapitaal dat niet hoger ligt dan de relevante swaprente, met een opslag van 100 basispunten, als redelijk worden beschouwd;

Definities voor steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur

143. „profsport”: sportbeoefening in loondienst uitgeoefend of als bezoldigde dienst verricht, ongeacht of er een formele arbeidsovereenkomst tussen de profsporter en de betrokken sportorganisatie is opgesteld, waarbij de vergoeding hoger ligt dan de deelnemingskosten en een aanzienlijk deel van het inkomen van de sportbeoefenaar vormt. Reis- en verblijfsonkosten om aan een sportevenement deel te nemen, worden voor de toepassing van deze verordening niet als vergoeding beschouwd.

▼M1

Definities voor steun voor regionale luchthavens

144. „luchthaveninfrastructuur”: infrastructuur en uitrusting voor het verrichten van luchthavendiensten door de luchthaven voor luchtvaartmaatschappijen en de diverse dienstverrichters, met inbegrip van start- en landingsbanen, terminals, platforms, taxibanen, gecentraliseerde grondafhandelingsinfrastructuur en alle andere voorzieningen die de luchthavendiensten rechtstreeks ondersteunen, evenwel met uitsluiting van infrastructuur en uitrusting die in hoofdzaak noodzakelijk is voor het uitoefenen van niet-luchtvaartgebonden activiteiten;

145. „luchtvaartmaatschappij”: een luchtvaartmaatschappij met een geldige exploitatievergunning afgegeven door een lidstaat of een lid van de Europese Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte (ECAA), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad ( 17 );

146. „luchthaven”: een entiteit of groep entiteiten die de economische activiteit verricht van het verlenen van luchthavendiensten aan luchtvaartmaatschappijen;

147. „luchthavendiensten”: diensten die een luchthaven of een van haar dochterondernemingen voor luchtvaartmaatschappijen verricht, om de afhandeling te verzorgen van vliegtuigen (van landing tot start) en van passagiers en vracht, zodat luchtvaartmaatschappijen luchtvervoersdiensten kunnen aanbieden, met inbegrip van het verrichten van grondafhandelingsdiensten en het beschikbaar stellen van gecentraliseerde grondafhandelingsinfrastructuur;

148. „gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom”: een aantal dat wordt bepaald op basis van de stromen inkomende en uitgaande passagiers gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun wordt toegekend;

149. „gecentraliseerde grondafhandelingsinfrastructuur”: infrastructuur die normaal gesproken wordt geëxploiteerd door de luchthavenbeheerder en die tegen een vergoeding ter beschikking wordt gesteld van de diverse verrichters van grondafhandelingsdiensten die op de luchthaven werkzaam zijn, met uitzondering van uitrusting die eigendom is van of wordt geëxploiteerd door de verrichters van grondafhandelingsdiensten;

150. „hogesnelheidstrein”: een trein die snelheden van meer dan 200 km/h kan halen;

151. „grondafhandelingsdiensten”: diensten die op luchthavens voor luchthavengebruikers worden verricht, zoals beschreven in de bijlage bij Richtlijn 96/67/EG van de Raad ( 18 );

152. „niet-luchtvaartgebonden activiteiten”: commerciële diensten verricht voor luchtvaartmaatschappijen of andere gebruikers van de luchthaven, met inbegrip van ondersteunende diensten voor passagiers, expediteurs of andere dienstverrichters, het verhuren van kantoren en winkels, parkeerruimten of parkeergarages en hotels;

153. „regionale luchthaven”: een luchthaven met een gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom van maximaal drie miljoen passagiers;

Definitions for Aid for ports

154. „haven”: een uit land en water bestaand gebied met infrastructuur en uitrusting die dient voor de ontvangst van vaartuigen, het laden en lossen daarvan, de opslag van goederen, het in ontvangst nemen en leveren van die goederen, en het in- en ontschepen van passagiers, bemanning en andere personen, en alle andere voor vervoersbedrijven in de haven noodzakelijke infrastructuur;

155. „zeehaven”: een haven die voornamelijk dient voor de ontvangst van zeeschepen;

156. „binnenhaven”: een haven niet zijnde een zeehaven die dient voor de ontvangst van binnenvaartschepen;

157. „haveninfrastructuur”: infrastructuur en faciliteiten voor het verrichten van vervoergerelateerde havendiensten, zoals ligplaatsen die voor het afmeren van schepen worden gebruikt, kademuren, aanlegsteigers en drijvende pontons in getijdegebieden, dokken, gedempte gronden en landaanwinningen, infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en ontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen;

158. „havensuprastructuur”: voorzieningen aan de oppervlakte (zoals voor opslag), vaste installaties (zoals opslagloodsen en terminals) en mobiele installaties (zoals kranen) in een haven voor het verrichten van vervoergerelateerde havendiensten;

159. „toegangsinfrastructuur”: alle soorten infrastructuurvoorzieningen die nodig zijn voor de toegang van de gebruikers tot een haven en de binnenkomst in een haven vanaf land of de zee en rivieren, zoals wegen, spoorlijnen, toegangsgeulen en sluizen;

160. „baggeren”: het verwijderen van slib van de bodem van een toegangsvaarweg naar een haven of in een haven;

161. „infrastructuur voor alternatieve brandstoffen”: vaste, mobiele of offshore haveninfrastructuur waarmee een haven vaartuigen kan voorzien van energiebronnen zoals elektriciteit, waterstof, biobrandstoffen in de zin van artikel 2, onder i), van Richtlijn 2009/28/EG, synthetische en paraffinehoudende brandstoffen, aardgas, met inbegrip van biomethaan, in gasvorm (gecomprimeerd aardgas (cng) en vloeibaar aardgas (lng)) en vloeibaar gemaakt petroleumgas (lpg) die, althans gedeeltelijk, dienen als vervanging van fossiele oliebronnen in de energievoorziening voor vervoer en die ertoe kunnen bijdragen dat de energievoorziening koolstofvrij wordt en de milieuprestaties van de vervoerssector verbeteren;

162. „vaartuigen”: drijvende constructies, al dan niet met eigen voortstuwingsvermogen, met waterverplaatsende romp;

163. „zeeschepen”: schepen niet zijnde schepen die uitsluitend of hoofdzakelijk varen op de binnenwateren of op wateren binnen of nauw grenzend aan beschutte wateren;

164. „binnenvaartschepen”: schepen die uitsluitend of hoofdzakelijk varen op de binnenwateren of op wateren binnen of nauw grenzend aan beschutte wateren;

165. „infrastructuur voor de ontvangst van scheepsafval of ladingresiduen”: vaste, drijvende of mobiele havenvoorzieningen die geschikt zijn voor de ontvangst van scheepsafval of ladingresiduen in de zin van Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 19 ).

▼B

Artikel 3

Vrijstellingsvoorwaarden

Steunregelingen, individuele steun toegekend in het kader van steunregelingen en ad-hocsteun zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 2 of 3, van het Verdrag en zijn vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag mits die steun voldoet aan alle voorwaarden van hoofdstuk I van deze verordening en aan de specifieke voorwaarden die voor de desbetreffende steuncategorie in hoofdstuk III van deze verordening zijn vastgesteld.

Artikel 4

Aanmeldingsdrempels

1.  Deze verordening is niet van toepassing op steun die de volgende drempels overschrijdt:

a) voor regionale investeringssteun: het bijgestelde steunbedrag, berekend volgens het in artikel 2, punt 20, vastgestelde mechanisme, voor een investering met 100 miljoen EUR in aanmerking komende kosten;

b) voor regionale stadsontwikkelingssteun: 20 miljoen EUR, zoals vastgesteld in artikel 16, lid 3;

c) voor investeringssteun voor kmo's: 7,5 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

d) voor consultancysteun voor kmo's: 2 miljoen EUR per onderneming per project;

e) voor steun aan kmo's ten behoeve van de deelneming aan beurzen: 2 miljoen EUR per onderneming per jaar;

f) voor steun aan kmo's ten behoeve van samenwerkingskosten gemaakt door de deelname aan projecten voor Europese territoriale samenwerking (ETC): 2 miljoen EUR per onderneming per project;

g) voor risicofinancieringssteun: 15 miljoen EUR per in aanmerking komende onderneming, zoals vastgesteld in artikel 21, lid 9;

h) voor steun ten behoeve van startersbedrijven: de per onderneming in artikel 22, leden 3, 4 en 5, vastgestelde bedragen;

i) voor steun voor onderzoek en ontwikkeling:

i) indien het project overwegend fundamenteel onderzoek is: 40 miljoen EUR per onderneming per project; Dat is het geval wanneer meer dan de helft van de in aanmerking komende kosten van het project wordt gemaakt voor activiteiten die binnen de categorie „fundamenteel onderzoek” vallen;

▼C1

ii) indien het project overwegend industrieel onderzoek is: 20 miljoen EUR per onderneming per project; Dat is het geval wanneer meer dan de helft van de in aanmerking komende kosten van het project wordt gemaakt voor activiteiten die binnen de categorie „industrieel onderzoek” vallen of binnen de beide categorieën „industrieel onderzoek” en „fundamenteel onderzoek” samen;

▼B

iii) indien het project overwegend experimenteel onderzoek is: 15 miljoen EUR per onderneming per project; Dat is het geval wanneer meer dan de helft van de in aanmerking komende kosten van het project wordt gemaakt voor activiteiten die binnen de categorie „experimenteel onderzoek” vallen;

iv) indien het project een EUREKA-project is of ten uitvoer wordt gelegd in het kader van een gemeenschappelijke onderneming opgericht op grond van artikel 185 of artikel 187 van het Verdrag, worden de in de punten i), ii) en iii) genoemde bedragen verdubbeld;

v) indien de steun aan onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten wordt toegekend in de vorm van terugbetaalbare voorschotten die, bij gebreke van een geaccepteerde methode om het bruto-subsidie-equivalent ervan te berekenen, worden uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten, en de maatregel erin voorziet dat, ingeval van een succesvolle uitkomst van het project als omschreven op basis van een redelijke en prudente hypothese, de voorschotten zullen worden terugbetaald, vermeerderd met een rente die ten minste gelijk is aan de op het tijdstip van de steunverlening toepasselijke disconteringsvoet, kunnen de in de punten i) tot en met iv) bedoelde bedragen worden verhoogd met 50 %;

vi) indien het steun betreft voor technische haalbaarheidsstudies ter voorbereiding van onderzoeksactiviteiten: 7,5 miljoen EUR per studie;

j) voor investeringssteun voor onderzoeksinfrastructuur: 20 miljoen EUR per infrastructuur;

k) voor steun voor innovatieclusters: 7,5 miljoen EUR per cluster;

l) voor innovatiesteun voor kmo's: 5 miljoen EUR per onderneming per project;

m) voor steun voor proces- en organisatie-innovatie: 7,5 miljoen EUR per onderneming per project;

n) voor opleidingssteun: 2 miljoen EUR per opleidingsproject;

o) voor steun voor de aanwerving van kwetsbare werknemers: 5 miljoen EUR per onderneming per jaar;

p) voor steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de tewerkstelling van werknemers met een handicap: 10 miljoen EUR per onderneming per jaar;

q) voor steun ter compensatie van de bijkomende kosten voor de tewerkstelling van werknemers met een handicap: 10 miljoen EUR per onderneming per jaar;

r) voor steun ter compensatie van de kosten voor de begeleiding van kwetsbare werknemers: 5 miljoen EUR per onderneming per jaar;

s) voor investeringssteun voor milieubescherming, met uitsluiting van investeringssteun voor de sanering van verontreinigde terreinen en steun voor het distributienetwerk-gedeelte van energie-efficiënte stadsverwarmings- en stadskoelingsinstallaties: 15 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

t) voor investeringssteun ten behoeve van energie-efficiëntieprojecten: 10 miljoen EUR, zoals vastgesteld in artikel 39, lid 5;

u) voor investeringssteun voor de sanering van verontreinigde terreinen: 20 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

v) voor exploitatiesteun ten behoeve van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en exploitatiesteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen in kleinschalige installaties: 15 miljoen EUR per onderneming per project. Wanneer de steun wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure op grond van artikel 42: 150 miljoen EUR per jaar, rekening houdende met het gecombineerde budget van alle onder artikel 42 vallende regelingen;

w) voor investeringssteun voor het distributienetwerk voor stadsverwarming of -koeling: 20 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

x) voor investeringssteun voor energie-infrastructuur: 50 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

y) voor steun ten behoeve van breedbandinfrastructuur: 70 miljoen EUR van de totale kosten per project;

▼M1

z) voor investeringssteun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed: 150 miljoen EUR per project; voor exploitatiesteun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed: 75 miljoen EUR per onderneming per jaar;

▼B

aa) voor steunregelingen voor audiovisuele werken: 50 miljoen EUR per regeling per jaar;

▼M1

bb) voor investeringssteun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur: 30 miljoen EUR of de totale kosten indien deze meer dan 100 miljoen EUR per project bedragen; exploitatiesteun voor sportinfrastructuur: 2 miljoen EUR per infrastructuurvoorziening per jaar;

▼B

cc) voor investeringssteun voor lokale infrastructuurvoorzieningen: 10 miljoen EUR of de totale kosten indien deze meer dan 20 miljoen EUR bedragen voor dezelfde infrastructuurvoorziening;

▼M1

dd) voor steun voor regionale luchthavens: de in artikel 56 bis vastgestelde steunintensiteiten en steunbedragen;

ee) voor steun voor zeehavens: 130 miljoen EUR aan in aanmerking komende kosten per project (of 150 miljoen EUR per project in een zeehaven opgenomen in het werkplan van een kernnetwerkcorridor als bedoeld in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 20 )); wat baggeren betreft, wordt een project omschreven als alle baggerwerkzaamheden uitgevoerd binnen één kalenderjaar; en

ff) voor steun voor binnenhavens: 40 miljoen EUR aan in aanmerking komende kosten per project (of 50 miljoen EUR per project in een binnenhaven opgenomen in het werkplan van een kernnetwerkcorridor als bedoeld in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013); wat baggeren betreft, wordt een project omschreven als alle baggerwerkzaamheden uitgevoerd binnen één kalenderjaar.

▼B

2.  De in lid 1 vastgestelde of bedoelde drempels worden niet omzeild door de steunregelingen of steunprojecten kunstmatig op te splitsen.

Artikel 5

Transparantie van steun

1.  Deze verordening is alleen van toepassing op steun waarvan het bruto-subsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse behoeft te worden uitgevoerd („transparante steun”).

2.  De volgende categorieën steun worden als transparant aangemerkt:

a) steun in de vorm van subsidies en rentesubsidies;

b) steun in de vorm van leningen wanneer voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent het referentiepercentage is gebruikt dat van toepassing is op het tijdstip van de steunverlening;

c) steun in de vorm van garanties:

i) wanneer het bruto-subsidie-equivalent is berekend op basis van de safe-harbour-premies die in een mededeling van de Commissie zijn vastgesteld, of

ii) wanneer, voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de maatregel, de methode voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent van de garantie door de Commissie is aanvaard op grond van de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties ( 21 ), of een mededeling die deze vervangt, na aanmelding van die methode bij de Commissie op grond van een op staatssteungebied door de Commissie vastgestelde verordening die op dat moment van toepassing is, en de goedgekeurde methode uitdrukkelijk is toegespitst op het soort garanties en het soort onderliggende transacties die in het kader van de toepassing van deze verordening in het geding zijn;

d) steun in de vorm van belastingvoordelen wanneer door de maatregel wordt voorzien in een maximum dat garandeert dat het toepasselijke plafond niet wordt overschreden;

e) steun ten behoeve van regionale stadsontwikkeling indien de voorwaarden van artikel 16 zijn vervuld;

f) steun in de vorm van risicofinancieringsmaatregelen indien de voorwaarden van artikel 21 zijn vervuld;

g) steun ten behoeve van startersbedrijven indien de voorwaarden van artikel 22 zijn vervuld;

h) steun ten behoeve van energie-efficiëntieprojecten indien de voorwaarden van artikel 39 zijn vervuld;

i) steun in de vorm van opslagen bovenop de marktprijs indien de voorwaarden van artikel 42 zijn vervuld;

j) steun in de vorm van terugbetaalbare voorschotten indien het totale nominale bedrag van het terugbetaalbare voorschot niet uitkomt boven de krachtens deze verordening toepasselijke plafonds of indien, vóór de tenuitvoerlegging van de maatregel, de methode voor het berekenen van het bruto-subsidie-equivalent van het terugbetaalbare voorschot door de Commissie is aanvaard nadat die methode bij de Commissie is aangemeld;

▼M1

k) steun in de vorm van de verkoop of de verhuring/leasing van materiële activa onder het markttarief wanneer de waarde is vastgesteld door een taxatie van een onafhankelijke deskundige vóór de transactie of aan de hand van een publiek beschikbare, regelmatig bijgewerkte en algemeen aanvaarde benchmark.

▼B

Artikel 6

Stimulerend effect

1.  Deze verordening is slechts van toepassing op steun die een stimulerend effect heeft.

2.  Steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de begunstigde ervan, voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit aanvangen, bij de betrokken lidstaat een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend. De steunaanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:

a) de naam en de grootte van de onderneming;

b) een beschrijving van het project, met inbegrip van de aanvangs- en einddatum;

c) de locatie van het project;

d) een lijst van de projectkosten, en

e) het soort steun (subsidie, lening, garantie, terugbetaalbaar voorschot, kapitaalinjectie enz.) en het bedrag aan overheidsfinanciering dat voor het project nodig is.

3.  Ad-hocsteun aan grote ondernemingen wordt geacht een stimulerend effect te hebben, indien, behalve om te voldoen aan de in lid 2 vastgestelde voorwaarde, de lidstaat, voordat hij de betrokken steun toekent, zich ervan heeft vergewist dat uit door de begunstigde onderneming opgestelde documenten blijkt dat de steun zal leiden tot één of meer van de volgende situaties:

a) in het geval van regionale investeringssteun: een project wordt uitgevoerd dat — zonder de steun — niet in het betrokken gebied zou zijn uitgevoerd of in het betrokken gebied onvoldoende winstgevend zou zijn geweest voor de begunstigde;

b) in alle overige gevallen: wanneer er sprake is van:

 een wezenlijke toename van de reikwijdte van het project of de activiteit als gevolg van de steun, of

 een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de begunstigde voor het project of de activiteit als gevolg van de steun, of

 een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het betrokken project of de betrokken activiteit wordt voltooid.

4.  In afwijking van de leden 2 en 3 worden maatregelen in de vorm van belastingvoordelen geacht een stimulerend effect te hebben indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) de maatregel vestigt overeenkomstig objectieve criteria een aanspraak op steun zonder dat de lidstaat nog een beoordelingsbevoegdheid uitoefent, en

b) de maatregel is goedgekeurd en is in werking getreden voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit zijn aangevangen, behalve in het geval van fiscale vervolgregelingen, wanneer de activiteit reeds onder de vroegere regelingen in de vorm van belastingvoordelen viel.

5.  In afwijking van de leden 2, 3 en 4 hoeven de volgende categorieën steun geen stimulerend effect te hebben of worden zij geacht dat effect te hebben:

▼M1

a) bij regionale exploitatiesteun en regionale stadsontwikkelingssteun: wanneer de desbetreffende voorwaarden van de artikelen 15 en 16 zijn vervuld;

▼B

b) bij steun om kmo's toegang tot financiering te geven: indien de desbetreffende voorwaarden van de artikelen 21 en 22 zijn vervuld;

c) bij steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de aanwerving van kwetsbare werknemers en steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de tewerkstelling van werknemers met een handicap: indien de desbetreffende voorwaarden van, onderscheidenlijk, artikel 32 en 33 zijn vervuld;

▼M1

d) bij steun ter compensatie van de bijkomende kosten voor de tewerkstelling van werknemers met een handicap en bij steun ter compensatie van de kosten voor de begeleiding van kwetsbare werknemers: wanneer de desbetreffende voorwaarden van de artikelen 34 en 35 zijn vervuld;

▼B

e) bij steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen krachtens Richtlijn 2003/96/EG: indien de voorwaarden van artikel 44 van deze verordening zijn vervuld;

f) bij steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen: indien de voorwaarden van artikel 50 zijn vervuld;

g) bij sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden: indien de voorwaarden van artikel 51 zijn vervuld;

h) bij steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed: indien de voorwaarden van artikel 53 zijn vervuld.

Artikel 7

Steunintensiteit en in aanmerking komende kosten

1.  Bij de berekening van de steunintensiteit en de in aanmerking komende kosten zijn alle bedragen die worden gebruikt, de bedragen vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. De in aanmerking komende kosten worden gestaafd met bewijsstukken, die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn.

▼M1

De bedragen van de in aanmerking komende kosten kunnen worden berekend in overeenstemming met de opties voor vereenvoudigde kosten genoemd in Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 22 ), mits de concrete actie ten minste gedeeltelijk wordt gefinancierd via een Uniefonds dat de mogelijkheid biedt gebruik te maken van die opties voor vereenvoudigde kosten, en mits de kostencategorie volgens de desbetreffende vrijstellingsbepaling in aanmerking komt.

▼B

2.  Wanneer steun in een andere vorm dan een subsidie wordt toegekend, is het steunbedrag het bruto-subsidie-equivalent van de steun.

3.   ►M1  In de toekomst betaalbare steun, daaronder begrepen steun die in meerdere tranches wordt uitgekeerd, wordt gedisconteerd tot de waarde ervan op het tijdstip van de toekenning ervan. ◄ De in aanmerking komende kosten worden gedisconteerd tot hun waarde op het tijdstip van de toekenning van de steun. De rentevoet die bij discontering wordt gehanteerd, is de disconteringsvoet die op het tijdstip van de toekenning van de steun van toepassing is.

▼M1 —————

▼B

5.  Wanneer steun wordt toegekend in de vorm van terugbetaalbare voorschotten die, bij gebreke van een geaccepteerde methode om het bruto-subsidie-equivalent ervan te berekenen, worden uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten en de maatregel erin voorziet dat, ingeval van een succesvolle uitkomst van het project als omschreven op basis van een redelijke en prudente hypothese, de voorschotten worden terugbetaald, vermeerderd met een rente die ten minste gelijk is aan de op het tijdstip van de toekenning van de steun toepasselijke disconteringsvoet, kunnen de in hoofdstuk III vastgestelde maximale steunintensiteiten worden verhoogd met 10 procentpunten.

6.  Wanneer regionale steun wordt toegekend in de vorm van terugbetaalbare voorschotten, mogen de maximale steunintensiteiten die zijn vastgesteld op een regionale-steunkaart welke van kracht is op het tijdstip van de toekenning van de steun, niet worden verhoogd.

Artikel 8

Cumulering

1.  Om te bepalen of de in artikel 4 voor aanmelding vastgestelde drempels en de maximale steunintensiteiten van hoofdstuk III in acht worden genomen, wordt het totale bedrag aan staatssteun ten behoeve van de gesteunde activiteit of het gesteunde project of de gesteunde onderneming in aanmerking genomen.

2.  Wanneer centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaten staat, wordt gecumuleerd met staatssteun, wordt alleen met deze laatste rekening gehouden om te bepalen of aanmeldingsdrempels en de maximale steunintensiteiten in acht worden genomen, mits het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, het in de toepasselijke regels van het Unierecht vastgestelde gunstigste financieringspercentage niet overschrijdt.

3.  Krachtens deze verordening vrijgestelde steun met identificeerbare in aanmerking komende kosten mag worden gecumuleerd met:

a) andere staatssteun, zolang die maatregelen andere identificeerbare in aanmerking komende kosten betreffen;

b) andere staatssteun ten behoeve van dezelfde — geheel of gedeeltelijk overlappende — in aanmerking komende kosten mits deze cumulering niet ertoe leidt dat de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag die krachtens deze verordening voor deze steunmaatregel gelden, wordt overschreden.

4.  Krachtens de artikelen 21, 22 en 23 van deze verordening vrijgestelde steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten mag worden gecumuleerd met andere staatssteunmaatregelen mét identificeerbare in aanmerking komende kosten. Steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten mag worden gecumuleerd met andere staatssteun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten, tot de hoogste desbetreffende totale financieringsdrempel in de specifieke omstandigheden van elke zaak zoals die zijn vastgelegd in deze of een andere groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Commissie.

5.  Krachtens deze verordening vrijgestelde steun wordt niet gecumuleerd met de-minimissteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten indien dit soort cumulering ertoe zou leiden dat de steunintensiteit hoger uitkomt dan de steunintensiteiten die in hoofdstuk III van deze verordening zijn vastgesteld.

6.  In afwijking van lid 3, onder b), mag steun ten behoeve van werknemers met een handicap, zoals bepaald in de artikelen 33 en 34, worden gecumuleerd met andere krachtens deze verordening vrijgestelde steun met betrekking tot diezelfde in aanmerking komende kosten tot boven de hoogste, krachtens deze verordening geldende drempel, mits die cumulering niet resulteert in een steunintensiteit van meer dan 100 % van de desbetreffende kosten gedurende de gehele periode waarin de betrokken werknemers in dienst zijn.

▼M1

7.  In afwijking van de leden 1 tot en met 6 wordt bij de beoordeling of de plafonds voor regionale exploitatiesteun in ultraperifere gebieden zoals genoemd in artikel 15, lid 4, in acht worden genomen, alleen op grond van deze verordening ten uitvoer gelegde regionale exploitatiesteun in ultraperifere gebieden in aanmerking genomen.

▼B

Artikel 9

Publicatie en informatie

1.  De betrokken lidstaat zorgt ervoor dat op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau, worden gepubliceerd:

a) de in artikel 11 van deze verordening bedoelde beknopte informatie in het gestandaardiseerde formaat dat in bijlage II is vastgesteld, of een link die daartoe toegang biedt;

b) de volledige tekst van elke steunmaatregel, als bedoeld in artikel 11, of een link die toegang biedt tot de volledige tekst;

c) de in bijlage III bedoelde gegevens over elke individuele steunverlening van meer dan 500 000 EUR.

Wat betreft steun die wordt toegekend voor projecten in het kader van de Europese territoriale samenwerking (ETC), wordt de in dit lid bedoelde informatie geplaatst op de website van de lidstaat waarin de betrokken managementautoriteit, in de zin van artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013, is gevestigd. De deelnemende lidstaten kunnen echter ook beslissen dat elk van hen de gegevens over de steunmaatregelen op zijn grondgebied moet verschaffen op de respectieve websites.

2.  Voor regelingen in de vorm van belastingvoordelen en voor regelingen die onder artikel 16 en artikel 21 vallen ( 23 ), worden de in lid 1, onder c), van dit artikel vastgestelde voorwaarden geacht te zijn vervuld indien lidstaten de verlangde informatie over individuele steunbedragen publiceren volgens deze tranches (in miljoen EUR):

0,5-1,

1-2,

2-5,

5-10,

10-30, en

30 en meer.

3.  Voor regelingen die onder artikel 51 van deze verordening vallen, zijn de in dit artikel vastgestelde publicatieverplichtingen niet van toepassing op eindgebruikers.

4.  De in lid 1, onder c), van dit artikel bedoelde gegevens worden georganiseerd en toegankelijk gemaakt op een gestandaardiseerde wijze, zoals beschreven in bijlage III, en bieden daadwerkelijke zoekmogelijkheden en downloadfuncties. De in lid 1 bedoelde gegevens worden bekendgemaakt binnen zes maanden vanaf de datum van de toekenning van de steun of, in het geval van steun in de vorm van een belastingvoordeel, binnen één jaar vanaf de datum voor het indienen van de belastingaangifte, en blijven beschikbaar voor ten minste tien jaar vanaf de datum waarop de steun is verleend.

5.  De Commissie publiceert op haar website:

a) de links naar de in lid 1 van dit artikel bedoelde websites;

b) de in artikel 11 bedoelde beknopte informatie.

6.  De lidstaten voldoen uiterlijk binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan het bepaalde in dit artikel.



HOOFDSTUK II

MONITORING

Artikel 10

Intrekking van het voordeel van de groepsvrijstelling

Wanneer een lidstaat steun verleent die beweerdelijk krachtens deze verordening van de verplichting tot aanmelding is vrijgesteld, zonder aan de in de hoofdstukken I, II en III vastgestelde voorwaarden te voldoen, kan de Commissie, nadat zij de betrokken lidstaat in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunt kenbaar te maken, een besluit vaststellen waarin wordt verklaard dat alle of sommige door de betrokken lidstaat in de toekomst vast te stellen steunmaatregelen die anders aan de voorwaarden van deze verordening zouden voldoen, bij de Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag moeten worden aangemeld. De aan te melden maatregelen kunnen worden beperkt tot maatregelen waarmee bepaalde soorten steun worden verleend of maatregelen ten behoeve bepaalde begunstigden of steunmaatregelen die door bepaalde autoriteiten van de betrokken lidstaat worden genomen.

Artikel 11

Verslaglegging

Lidstaten of, in het geval van steun toegekend aan projecten voor Europese territoriale samenwerking (ETC), ook de lidstaat waarin de managementautoriteit in de zin van artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad is gevestigd, doen de Commissie toekomen:

a) via het elektronische aanmeldingssysteem van de Commissie: de beknopte informatie over elke, krachtens deze verordening vrijgestelde steunmaatregel in het gestandaardiseerde formaat dat in bijlage II is vastgesteld, samen met een link die toegang biedt tot de volledige tekst van de steunmaatregel, met inbegrip van de aanpassingen daaraan, binnen 20 werkdagen na de inwerkingtreding ervan;

b) een jaarlijks verslag, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag ( 24 ) (als gewijzigd), in elektronisch formaat, over de toepassing van deze verordening, dat de in de uitvoeringsverordening vermelde gegevens bevat, met betrekking tot elk volledig jaar, of deel daarvan, waarin de onderhavige verordening van toepassing is.

▼M1

Artikel 12

Monitoring

1.  Om de Commissie in staat te stellen de krachtens deze verordening van aanmelding vrijgestelde steun te monitoren, houden de lidstaten of, in het geval van steun toegekend voor projecten voor Europese territoriale samenwerking (ETC), eventueel ook de lidstaat waarin de managementautoriteit is gevestigd, gedetailleerde dossiers bij met de gegevens en bewijsstukken die nodig zijn om aan te tonen dat alle in deze verordening vastgestelde voorwaarden zijn vervuld. Deze dossiers worden bijgehouden gedurende tien jaar vanaf de datum waarop de ad-hocsteun werd toegekend of, in het geval van regelingen, de laatste steun is toegekend.

2.  In het geval van regelingen waarbij fiscale steun automatisch wordt toegekend (zoals regelingen op basis van belastingaangiften van de begunstigden) en waarbij er geen ex-ante-verificatie is of alle verenigbaarheidsvoorwaarden voor elke begunstigde zijn vervuld, verifiëren de lidstaten regelmatig, ten minste ex-post en op basis van een steekproef, of alle verenigbaarheidsvoorwaarden zijn vervuld, en trekken zij de nodige conclusies. De lidstaten houden gedetailleerde dossiers over de verificaties bij gedurende ten minste 10 jaar vanaf de datum van de controles.

3.  De Commissie kan van elke lidstaat alle gegevens en bewijsstukken verlangen die zij nodig acht om de toepassing van deze verordening te kunnen monitoren, met inbegrip van de in de leden 1 en 2 vermelde gegevens. De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie de verlangde gegevens en bewijsstukken binnen een termijn van 20 werkdagen vanaf de ontvangst van het verzoek of binnen de in het verzoek vastgestelde langere termijn.

▼B



HOOFDSTUK III

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR VERSCHILLENDE CATEGORIEËN STEUN



DEEL 1

Regionale steun



Onderdeel A

Regionale investerings- en exploitatiesteun

▼M1

Artikel 13

Toepassingsgebied van regionale steun

Dit deel is niet van toepassing op:

a) steun ten behoeve van activiteiten in de ijzer- en staalindustrie, de kolenindustrie, de scheepsbouw en de synthetischevezelindustrie;

b) steun ten behoeve van de vervoersector en de daarmee verband houdende infrastructuur, en steun voor de energieproductie, -distributie en -infrastructuur, behalve bij regionale investeringssteun in ultraperifere gebieden en regelingen voor regionale exploitatiesteun;

c) regionale steun in de vorm van regelingen die zijn gericht op een beperkt aantal specifieke economische sectoren. Regelingen die zijn gericht op toeristische activiteiten, breedbandinfrastructuur of de verwerking en afzet van landbouwproducten, gelden niet als gericht op specifieke economische sectoren;

d) regionale exploitatiesteun toegekend aan ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit valt onder sectie K „Financiële activiteiten en verzekeringen” van NACE Rev. 2, of aan ondernemingen die intragroepsactiviteiten verrichten en waarvan de hoofdactiviteiten vallen onder de klassen 70.10 „Activiteiten van hoofdkantoren” of 70.22 „Overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer; adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering” van NACE Rev. 2.

▼B

Artikel 14

Regionale investeringssteun

1.  Maatregelen inzake regionale investeringssteun zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De steun wordt toegekend in steungebieden.

3.  In steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, kan steun worden verleend ten behoeve van een initiële investering, ongeacht de grootte van de begunstigde onderneming. In steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen, kan steun worden verleend aan kmo's ten behoeve van iedere vorm van initiële investering. Steun voor grote ondernemingen wordt toegekend voor een initiële investering ten behoeve van een nieuwe economische activiteit in het betrokken gebied.

4.  De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) de kosten van investeringen in materiële en immateriële activa;

b) de geraamde loonkosten die voortvloeien uit banencreatie door een initiële investering, berekend over een periode van twee jaar, of

c) een combinatie van de punten a) en b) die het bedrag uit punt a) of b) niet overschrijdt, als dit hoger is.

5.  Nadat de investering is voltooid, blijft deze in het betrokken gebied behouden gedurende ten minste vijf jaar of, in het geval van kmo's, ten minste drie jaar. Een en ander staat er niet aan in de weg dat installaties of uitrusting die in deze periode verouderd of defect raken, worden vervangen, op voorwaarde dat de economische activiteiten gedurende de betrokken minimumperiode in het bewuste gebied behouden blijven.

6.  De activa zijn nieuw, behalve bij kmo's en voor de overname van een vestiging. Kosten met betrekking tot de huur/leasing van materiële activa kunnen op de volgende voorwaarden in aanmerking worden genomen:

a) voor gronden en gebouwen blijft de huurovereenkomst na het verwachte tijdstip van de voltooiing van het investeringsproject ten minste vijf jaar lopen in het geval van grote ondernemingen of drie jaar in het geval van kmo's;

b) voor installaties of machines vindt de huur plaats in de vorm van financiële leasing en houdt deze voor de begunstigde van de steun een verplichting in om de activa na afloop van de leaseovereenkomst te kopen.

►M1  Bij de verwerving van de activa van een vestiging in de zin van artikel 2, punt 49 of 51, worden alleen de kosten voor de aankoop van de activa van derden die geen banden met de koper hebben, in aanmerking genomen. ◄ De transactie vindt op marktvoorwaarden plaats. Indien vóór de aankoop van activa reeds steun is verleend ten behoeve van de verwerving van die activa, worden de kosten van die activa in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten met betrekking tot de verwerving van een vestiging. Wanneer een lid van de familie van de oorspronkelijke eigenaar of een werknemer een kleine onderneming overneemt, vervalt de voorwaarde dat de activa worden verworven van derden zonder banden met de koper. De verwerving van aandelen is geen initiële investering.

7.   ►M1  Voor steun aan grote ondernemingen ten behoeve van een fundamentele verandering in het productieproces moeten de in aanmerking komende kosten hoger liggen dan de in de drie voorgaande belastingjaren doorgevoerde afschrijving voor de met de te moderniseren activiteit verband houdende activa. ◄ Voor steun ten behoeve van diversificatie van een bestaande vestiging moeten de in aanmerking komende kosten ten minste 200 % hoger liggen dan de boekwaarde van de opnieuw gebruikte activa, zoals die in het belastingjaar voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden is geboekt.

8.  Immateriële activa komen in aanmerking voor de berekening van investeringskosten indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) zij worden uitsluitend in de steun ontvangende vestiging gebruikt;

b) zij kunnen worden afgeschreven;

c) zij worden op marktvoorwaarden aangekocht van derden zonder banden met de koper, en

d) zij worden opgenomen bij de activa van de steun ontvangende onderneming en blijven gedurende ten minste vijf jaar of, in het geval van kmo's, drie jaar verbonden met het project waarvoor de steun wordt toegekend.

Voor grote ondernemingen komen de kosten van immateriële activa slechts in aanmerking tot een maximum van 50 % van de totale in aanmerking komende investeringskosten voor de initiële investering.

9.  Wanneer in aanmerking komende kosten worden berekend aan de hand van de geraamde loonkosten als bedoeld in lid 4, onder b), worden de volgende voorwaarden in acht genomen:

a) het investeringsproject leidt tot een nettotoename van het aantal werknemers, in de betrokken vestiging, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden, d.w.z. dat alle verloren gegane banen in mindering worden gebracht op het tijdens deze periode schijnbare aantal geschapen arbeidsplaatsen.

b) iedere arbeidsplaats wordt binnen drie jaar na de voltooiing van de werkzaamheden ingevuld, en

c) iedere via de investering geschapen arbeidsplaats blijft binnen het betrokken gebied behouden gedurende een periode van ten minste vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip dat de arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld, of drie jaar in het geval van kmo's.

10.  Regionale steun voor de uitbouw van breedbandnetwerken vervult de volgende voorwaarden:

a) steun wordt alleen verleend in gebieden waar er geen netwerk van dezelfde categorie (basisbreedband of NGA) voorhanden is en waar dit netwerk binnen drie jaar vanaf de subsidiebeschikking waarschijnlijk ook niet op zakelijke voorwaarden zal worden uitgerold, en

b) de exploitant van het gesubsidieerde netwerk biedt op eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden actieve en passieve wholesaletoegang, met inbegrip van fysieke ontbundeling in het geval van NGA-netwerken, en

c) steun wordt toegewezen via een concurrerende selectieprocedure.

11.  Regionale steun voor onderzoeksinfrastructuur wordt alleen toegekend indien de steun afhankelijk wordt gesteld van de eis dat transparante en niet-discriminerende toegang tot deze gesteunde infrastructuur wordt verleend.

12.  De steunintensiteit, uitgedrukt als bruto-subsidie-equivalent, overschrijdt het intensiteitsplafond dat is vastgesteld op de regionale-steunkaart die van kracht is op het tijdstip van de steunverlening in het betrokken gebied, niet. Wanneer de steunintensiteit wordt berekend op grond van lid 4, onder c), bedraagt de maximale steunintensiteit niet méér dan het gunstigste steunbedrag dat de toepassing van die intensiteit op grond van investeringskosten of loonkosten oplevert. Voor grote investeringsprojecten komt het steunbedrag niet hoger uit dan het bijgestelde steunbedrag, berekend volgens het in artikel 2, punt 20, vastgestelde mechanisme.

13.  Een initiële investering die door dezelfde begunstigde (op groepsniveau) wordt opgestart binnen een periode van drie jaar vanaf de aanvang van de werkzaamheden in een andere gesteunde investering in dezelfde niveau 3-regio van de Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS), wordt beschouwd als onderdeel van hetzelfde investeringsproject. Wanneer dit ene investeringsproject een groot investeringsproject is, bedraagt het totale steunbedrag voor dit individuele investeringsproject niet meer dan het bijgestelde steunbedrag voor grote investeringsprojecten.

14.  De begunstigde van de steun moet een financiële bijdrage van ten minste 25 % van de in aanmerking komende kosten leveren, hetzij uit eigen middelen hetzij via externe financiering, in een vorm die vrij is van enige steun van de overheid. In de ultraperifere gebieden kan een investering door een kmo steun ontvangen met een maximale steunintensiteit van meer dan 75 %; in dergelijke omstandigheden wordt het resterende gedeelte verschaft door een financiële bijdrage van de begunstigde van de steun.

15.  Voor een initiële investering in verband met projecten voor Europese territoriale samenwerking (ETC) die onder Verordening (EU) nr. 1299/2013 vallen, is de steunintensiteit van het gebied waarin de initiële investering gevestigd is, van toepassing op alle begunstigden die aan het project deelnemen. Indien de initiële investering in twee of meer steungebieden is gevestigd, is de maximale steunintensiteit de intensiteit die van toepassing is in het steungebied waar het hoogste bedrag aan in aanmerking komende kosten wordt gemaakt. In steungebieden die op grond van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voor steun in aanmerking komen, geldt deze bepaling voor grote ondernemingen alleen indien de initiële investering een nieuwe economische activiteit betreft.

▼M1

16.  De begunstigde bevestigt dat hij in de twee jaar vóór de steunaanvraag geen verplaatsing heeft uitgevoerd naar de vestiging waar de initiële investering waarvoor steun wordt gevraagd, zal plaatsvinden, en hij zegt toe dat niet te zullen doen in de twee jaar na de voltooiing van de initiële investering waarvoor steun wordt gevraagd.

17.  In de visserij- en aquacultuursector wordt geen steun toegekend aan ondernemingen die een of meer van de in artikel 10, lid 1, onder a) tot en met d), en artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad ( 25 ) beschreven inbreuken hebben gemaakt, en voor concrete acties van artikel 11 van die verordening.

▼M1

Artikel 15

Regionale exploitatiesteun

1.  Regelingen voor regionale exploitatiesteun in ultraperifere gebieden, dunbevolkte gebieden en zeer dunbevolkte gebieden zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  In dunbevolkte gebieden dienen de regelingen voor regionale exploitatiesteun ter compensatie van de bijkomende vervoerskosten voor goederen die zijn geproduceerd in voor exploitatiesteun in aanmerking komende gebieden, alsmede de bijkomende vervoerskosten van in die gebieden verder verwerkte goederen, onder de volgende voorwaarden:

a) de steun is vooraf objectief kwantificeerbaar op basis van een vast bedrag of een percentage per tonkilometer of andere relevante eenheid;

b) de bijkomende vervoerskosten worden berekend op basis van het traject van de goederen binnen de nationale grenzen van de betrokken lidstaat, gebruikmakend van vervoermiddelen die voor de begunstigde de laagste kostprijs opleveren.

De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de bijkomende vervoerskosten zoals die in dit lid zijn omschreven.

3.  In zeer dunbevolkte gebieden dienen de regelingen voor regionale exploitatiesteun ter voorkoming of vermindering van de ontvolking, onder de volgende voorwaarden:

a) de begunstigden hebben hun economische activiteiten in het betrokken gebied;

b) het jaarlijkse steunbedrag per begunstigde op grond van alle regelingen voor exploitatiesteun samen bedraagt ten hoogste 20 % van de jaarlijkse arbeidskosten die de begunstigde in het betrokken gebied moet maken.

4.   ►C2  In ultraperifere gebieden dienen de regelingen voor exploitatiesteun ter compensatie van de bijkomende exploitatiekosten welke in die gebieden ontstaan als een rechtstreeks gevolg van één of meer van de in artikel 349 van het Verdrag genoemde blijvende handicaps, wanneer de begunstigden hun economische activiteiten in een ultraperifeer gebied hebben, mits het jaarlijkse steunbedrag per begunstigde in het kader van alle op grond van deze verordening ten uitvoer gelegde regelingen voor exploitatiesteun samen niet een van de volgende percentages overschrijdt: ◄

a) 35 % van de door de begunstigde in het betrokken ultraperifere gebied gegenereerde jaarlijkse bruto toegevoegde waarde;

b) 40 % van de jaarlijkse arbeidskosten die de begunstigde in het betrokken ultraperifere gebied moet maken;

c) 30 % van de jaaromzet die de begunstigde in het betrokken ultraperifere gebied behaalt.

▼B



Onderdeel B

Stadsontwikkelingssteun

Artikel 16

Regionale stadsontwikkelingssteun

1.  Regionale stadsontwikkelingssteun is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Stadsontwikkelingsprojecten voldoen aan de volgende criteria:

a) zij worden ten uitvoer gelegd via stadsontwikkelingsfondsen in steungebieden;

b) zij worden gecofinancierd door Europese structuur- en investeringsfondsen;

c) zij ondersteunen de tenuitvoerlegging van een geïntegreerde strategie voor duurzame stadsontwikkeling.

3.  De totale investeringen in een stadsontwikkelingsproject in het kader van steunmaatregelen voor stadsontwikkeling bedragen ten hoogste 20 miljoen EUR.

4.  De in aanmerking komende kosten zijn de totale kosten van het stadsontwikkelingsproject voor zover deze voldoen aan de artikelen 65 en 37 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 26 ).

5.  Steun die een stadsontwikkelingsfonds aan de in aanmerking komende stadsontwikkelingsprojecten toekent, kan de vorm hebben van eigen vermogen, quasi-eigen-vermogen, leningen, garanties of een mix daarvan.

6.  De stadsontwikkelingssteun dient als hefboom voor bijkomende investeringen van particuliere investeerders op het niveau van de stadsontwikkelingsfondsen of de stadsontwikkelingsprojecten, zodat daarmee een bedrag van in totaal ten minste 30 % van de totale financiering voor een stadsontwikkelingsproject wordt bereikt.

7.  Particuliere en publieke investeerders kunnen een bijdrage in contanten of in natura (of een combinatie van beiden) leveren voor de tenuitvoerlegging van een stadsontwikkelingsproject. Een bijdrage in natura wordt verrekend tegen marktwaarde, zoals gecertificeerd door een onafhankelijke, gekwalificeerde deskundige of een bevoegde officiële instantie.

8.  De stadsontwikkelingsmaatregelen voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) managers van stadsontwikkelingsfondsen worden geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en nationale recht. Met name is er geen discriminatie tussen de managers van stadsontwikkelingsfondsen op grond van hun plaats van vestiging of registratie in een lidstaat. Van managers van stadsontwikkelingsfondsen kan worden geëist dat zij voldoen aan vooraf vastgestelde criteria die objectief gerechtvaardigd zijn door de aard van de investeringen;

b) de onafhankelijke particuliere investeerders worden geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en nationale recht, met als doel passende regelingen inzake risico-/beloningsverdeling tot stand te brengen, waarbij voor investeringen niet zijnde garanties asymmetrische winstdeling de voorkeur krijgt boven neerwaartse bescherming. Indien de particuliere investeerders niet via dit soort oproep worden geselecteerd, wordt het redelijke rendement voor de particuliere investeerders bepaald door een onafhankelijke deskundige die is geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep;

c) in het geval van asymmetrische verliesdeling tussen publieke en particuliere investeerders, wordt het eerste, voor rekening van de publieke investeerder komende verlies gemaximeerd op 25 % van de totale investering;

d) in het geval van garanties voor particuliere investeerders in stadsontwikkelingsprojecten wordt het garantiepercentage beperkt tot 80 % en zijn de totale verliezen die een lidstaat op zich neemt, gemaximeerd op 25 % van de onderliggende gegarandeerde portefeuille.

e) de investeerders kunnen vertegenwoordigd zijn in de bestuursorganen van het stadsontwikkelingsfonds, zoals de raad van toezicht of het adviescomité;

f) het stadsontwikkelingsfonds wordt opgericht overeenkomstig het toepasselijke recht. De lidstaat zorgt ervoor dat een boekenonderzoek plaatsvindt, om te verzekeren dat de tenuitvoerlegging van de steunmaatregel ten behoeve van stadsontwikkeling volgens een zakelijk verantwoorde investeringsstrategie plaatsvindt.

9.  Stadsontwikkelingsfondsen worden op zakelijke basis beheerd en zorgen voor winstgedreven financieringsbesluiten. Dit wordt geacht het geval te zijn wanneer de managers van het stadsontwikkelingsfonds voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) de managers van stadsontwikkelingsfondsen zijn wettelijk of contractueel verplicht met de nodige professionele zorgvuldigheid en te goeder trouw te handelen en belangenconflicten te vermijden. Daarbij zijn goede praktijken en wettelijk toezicht van toepassing;

b) de vergoeding van de managers van stadsontwikkelingsfondsen is marktconform. Dit vereiste wordt geacht te zijn vervuld wanneer een manager wordt geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep, op basis van objectieve criteria die verband houden met ervaring, deskundigheid en operationele en financiële capaciteiten;

c) de managers van stadsontwikkelingsfondsen ontvangen een prestatieafhankelijke vergoeding, of dragen een deel van de investeringsrisico's door eigen middelen mee te investeren, zodat hun belangen steeds gelijklopen met die van de publieke investeerder;

d) de managers van stadsontwikkelingsfondsen bepalen investeringsstrategie, criteria en voorgenomen tijdschema voor investeringen in stadsontwikkelingsprojecten, waarin vooraf de financiële levensvatbaarheid en de verwachte impact op de stedelijke ontwikkeling worden aangetoond;

e) voor iedere investering van eigen vermogen en quasi-eigen-vermogen is er een heldere en realistische exitstrategie voorhanden.

10.  Wanneer een stadsontwikkelingfonds leningen of garanties verstrekt voor stadsontwikkelingsprojecten, wordt aan de volgende voorwaarden voldaan:

a) in het geval van leningen wordt het nominale kredietbedrag in aanmerking genomen bij het berekenen van het maximale investeringsbedrag ten behoeve van lid 3 van dit artikel;

b) in het geval van garanties wordt het nominale bedrag van de onderliggende lening in aanmerking genomen bij het berekenen van het maximale investeringsbedrag ten behoeve van lid 3 van dit artikel.

11.  De lidstaat kan de tenuitvoerlegging van de steunmaatregel ten behoeve van stadsontwikkeling aan een met het beheer belaste entiteit toewijzen.



DEEL 2

Kmo-steun

Artikel 17

Investeringssteun voor kmo's

1.  Investeringssteun ten behoeve van kmo's die binnen of buiten het grondgebied van de Unie actief zijn, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn:

a) de kosten van investeringen in materiële en immateriële activa, en/of

b) de geraamde loonkosten voor rechtstreeks door het investeringsproject gecreëerde banen, berekend over een periode van twee jaar.

3.  Om als in aanmerking komende kosten onder de toepassing van dit artikel te kunnen vallen, bestaat een investering in:

a) een investering in materiële en/of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging in nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van een bestaande vestiging, of

b) de overname van activa die behoren tot een vestiging, wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:

 de vestiging is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen;

 de activa worden aangekocht van derden zonder banden met de koper;

 de transactie vindt op marktvoorwaarden plaats.

Wanneer een lid van de familie van de oorspronkelijke eigenaar of een werknemer een kleine onderneming overneemt, vervalt de voorwaarde dat de activa worden verworven van derden zonder banden met de koper. De enkele verwerving van de aandelen van een onderneming vormt geen initiële investering.

4.  De immateriële activa voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:

a) zij worden uitsluitend in de steun ontvangende vestiging gebruikt;

b) zij worden als afschrijfbare activa beschouwd;

c) zij worden op marktvoorwaarden aangekocht van derden zonder banden met de koper, en

d) zij behoren ten minste drie jaar tot de activa van de onderneming.

5.  Rechtstreeks door een investeringsproject geschapen werkgelegenheid voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) de werkgelegenheid komt binnen drie jaar na de voltooiing van de investering tot stand;

b) er is een nettotoename van het aantal werknemers in de betrokken vestiging, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden;

c) deze werkgelegenheid blijft behouden gedurende ten minste drie jaar te rekenen vanaf het tijdstip dat de arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld.

6.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

a) 20 % van de in aanmerking komende kosten in het geval van kleine ondernemingen;

b) 10 % van de in aanmerking komende kosten in het geval van middelgrote ondernemingen.

Artikel 18

Consultancysteun voor kmo's

1.  Consultancysteun voor kmo's is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.

3.  De in aanmerking komende kosten zijn de door externe consultants verrichte consultancydiensten.

4.  De betrokken diensten zijn niet van permanente of periodieke aard, noch behoren zij tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming, zoals routinematig belastingadvies, gangbare juridische dienstverrichting, of reclame.

Artikel 19

Kmo-steun ten behoeve van deelneming aan beurzen

1.  Steun ten behoeve van de deelneming van kmo's aan beurzen is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn de kosten gemaakt voor het huren, opzetten en gebruiken van een standplaats voor de deelname van een onderneming aan een bepaalde vakbeurs of tentoonstelling.

3.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.

Artikel 20

Steun voor samenwerkingskosten gemaakt door aan projecten voor Europese territoriale samenwerking deelnemende kmo's

1.  Steun voor samenwerkingskosten gemaakt door aan projecten voor Europese territoriale samenwerking (ETC) deelnemende kmo's die onder Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad vallen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) kosten voor organisatorische samenwerking, met inbegrip van de kosten van personeel en kantoren voor zover die verband houden met het samenwerkingsproject;

b) kosten voor door externe consultants en dienstverrichters verleende advies- en ondersteuningsdiensten met betrekking tot samenwerking;

c) reiskosten, kosten van uitrusting en investeringsuitgaven die rechtstreeks met het project verband houden, afschrijving van werktuigen en uitrusting die rechtstreeks voor het project worden gebruikt.

3.  De in lid 2, onder b), bedoelde diensten zijn niet van permanente of periodieke aard, noch behoren zij tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming, zoals routinematig belastingadvies, gangbare juridische dienstverlening of routinematige reclame.

4.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.



DEEL 3

Steun om kmo's toegang tot financiering te geven

Artikel 21

Risicofinancieringssteun

1.  Risicofinancieringssteunregelingen ten behoeve van kmo's zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Op het niveau van financiële intermediairs kan risicofinancieringssteun aan onafhankelijke particuliere investeerders een van de volgende vormen hebben:

a) eigen vermogen of quasi-eigen-vermogen, of een financiële dotatie om risicofinancieringsinvesteringen direct of indirect aan in aanmerking komende ondernemingen te verschaffen,

b) leningen om — direct of indirect — risicofinancieringsinvesteringen te verschaffen aan in aanmerking komende ondernemingen,

c) garanties om verliezen te dekken op — direct of indirect — aan in aanmerking komende ondernemingen verschafte risicofinancieringsinvesteringen.

3.  Op het niveau van onafhankelijke particuliere investeerders kan risicofinancieringssteun de in lid 2 van dit artikel genoemde vormen hebben, of de vorm van fiscale prikkels voor particuliere investeerders die natuurlijke personen zijn die direct of indirect risicofinanciering aan in aanmerking komende kmo's verschaffen.

4.  Op het niveau van in aanmerking komende ondernemingen kan risicofinancieringssteun de vorm hebben van investeringen van eigen vermogen, quasi-eigen-vermogen, leningen, garanties of een mix daarvan.

5.  In aanmerking komen ondernemingen die op het tijdstip van de initiële risicofinancieringsinvestering niet-beursgenoteerde kmo's zijn en ten minste aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

a) zij zijn niet op een markt actief geweest;

b) zij zijn minder dan zeven jaar na hun eerste commerciële verkoop actief op een markt;

c) zij vergen een initiële risicofinancieringsinvestering die, op basis van een ondernemingsplan dat is opgesteld met het oog op het betreden van een nieuwe productmarkt of geografische markt, meer bedraagt dan 50 % van de gemiddelde jaaromzet in de voorafgaande vijf jaar.

6.  De risicofinancieringssteun kan ook betrekking hebben op vervolginvesteringen in in aanmerking komende ondernemingen, ook na de in lid 5, onder b), vermelde periode van zeven jaar, mits elk van de volgende voorwaarden is vervuld:

a) het totale bedrag aan risicofinanciering bedoeld in lid 9 wordt niet overschreden;

b) in de mogelijkheid van vervolginvesteringen was voorzien in het oorspronkelijke ondernemingsplan;

c) de onderneming die de vervolginvesteringen ontvangt, is niet verbonden geraakt, in de zin van artikel 3, lid 3, van bijlage I, met een andere onderneming dan de financiële intermediair of de onafhankelijke particuliere investeerder die in het kader van de maatregel risicofinanciering verschaft, tenzij de nieuwe entiteit aan de voorwaarden van de kmo-definitie voldoet.

7.  Voor investeringen van eigen vermogen en quasi-eigen-vermogen in in aanmerking komende ondernemingen, mag een risicofinancieringsmaatregel alleen steun ten behoeve van vervangingskapitaal verlenen indien dit wordt gecombineerd met nieuw kapitaal dat ten minste 50 % van iedere investeringsronde in de in aanmerking komende ondernemingen vertegenwoordigt.

8.  Voor eigenvermogens- en quasi-eigenvermogensinstrumenten als bedoeld in lid 2, onder a), kan ten hoogste 30 % van de totale kapitaalbijdragen van de financiële intermediair en het niet-gestorte toegezegd kapitaal worden gebruikt voor liquiditeitsbeheer.

9.  Het totale, in lid 4 bedoelde bedrag aan risicofinanciering bedraagt bij iedere risicofinancieringsmaatregel ten hoogste 15 miljoen EUR per in aanmerking komende onderneming.

10.  Voor risicofinancieringsmaatregelen die eigenvermogens-, quasi-eigenvermogens- of leningsinvesteringen aan in aanmerking komende ondernemingen verschaffen, dient de risicofinancieringsmaatregel als hefboom voor aanvullende financiering van onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de financiële intermediairs of de in aanmerking komende ondernemingen, zodat het totale particuliere deelnemingspercentage de volgende minimumdrempels bereikt:

a) 10 % van de risicofinanciering verschaft aan de in aanmerking komende ondernemingen vóór hun eerste commerciële verkoop op een markt;

b) 40 % van de risicofinanciering verschaft aan de in aanmerking komende ondernemingen als bedoeld in lid 5, onder b);

c) 60 % van de risicofinanciering die wordt verschaft ten behoeve van investeringen aan in lid 5, onder c), bedoelde, in aanmerking komende ondernemingen en ten behoeve van vervolginvesteringen in in aanmerking komende ondernemingen na de in lid 5, onder b), vermelde periode van zeven jaar.

11.  Wanneer een risicofinancieringsmaatregel ten uitvoer wordt gelegd via een financiële intermediair die zich richt op in aanmerking komende ondernemingen in verschillende ontwikkelingsfasen als bedoeld in lid 10, en deze maatregel niet voorziet in particuliere deelneming in het kapitaal op het niveau van de in aanmerking komende ondernemingen, bereikt de financiële intermediair een particulier deelnemingspercentage van ten minste het gewogen gemiddelde op basis van het volume van de individuele investeringen in de onderliggende portefeuille en dat wordt verkregen door de toepassing van de minimale deelnemingspercentages op dergelijke investeringen als bedoeld in lid 10.

12.  Een risicofinancieringsmaatregel discrimineert niet tussen financiële intermediairs op grond van hun plaats van vestiging of registratie in een lidstaat. Van financiële intermediairs kan worden geëist dat zij voldoen aan vooraf vastgestelde criteria die objectief gerechtvaardigd zijn door de aard van de investeringen.

13.  Een risicofinancieringsmaatregel voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) hij wordt ten uitvoer gelegd via één of meer financiële intermediairs, behalve voor fiscale prikkels voor particuliere investeerders ten aanzien van hun directe investeringen in in aanmerking komende ondernemingen;

b) financiële intermediairs, alsmede investeerders of fondsmanagers worden geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en nationale recht met als doel passende regelingen inzake risico-/beloningsverdeling tot stand te brengen, waarbij voor investeringen niet zijnde garanties asymmetrische winstdeling de voorkeur krijgt boven neerwaartse bescherming;

c) in het geval van asymmetrische verliesdeling tussen publieke en particuliere investeerders, wordt het eerste, voor rekening van de publieke investeerder komende verlies gemaximeerd op 25 % van de totale investering;

d) in het geval van garanties die onder lid 2, punt c), vallen, wordt het garantiepercentage beperkt tot 80 % en zijn de totale verliezen die een lidstaat op zich neemt, gemaximeerd op 25 % van de onderliggende gegarandeerde portefeuille. Alleen garanties die verwachte verliezen op de onderliggende gegarandeerde portefeuille dekken, kunnen kosteloos worden afgegeven. Indien een garantie ook de dekking van onverwachte verliezen omvat, betaalt de financiële intermediair voor het gedeelte van de garantie dat de onverwachte verliezen dekt, een marktconforme garantiepremie.

14.  Bij risicofinancieringsmaatregelen wordt gezorgd voor winstgedreven financieringsbesluiten. Dit wordt geacht het geval te zijn wanneer elk van de volgende voorwaarden is vervuld:

a) financiële intermediairs worden opgericht overeenkomstig het toepasselijke recht;

b) de lidstaat, of de met de tenuitvoerlegging van de maatregel belaste entiteit, zorgt ervoor dat een boekenonderzoek plaatsvindt om te verzekeren dat de tenuitvoerlegging van de risicofinancieringsmaatregel volgens een zakelijk verantwoorde investeringsstrategie plaatsvindt, met onder meer een passend beleid inzake risicodiversificatie dat is gericht op het bereiken van economische levensvatbaarheid en van een efficiënte schaal in termen van omvang en geografische spreiding van de betrokken portefeuille investeringen;

c) de verschaffing van risicofinanciering aan in aanmerking komende ondernemingen is gebaseerd op een levensvatbaar ondernemingsplan, dat nadere gegevens bevat over product, verkopen en winstgevendheidsontwikkeling, waarbij de financiële levensvatbaarheid vooraf is bepaald;

d) voor iedere investering van eigen vermogen en quasi-eigen-vermogen is er een heldere en realistische exitstrategie voorhanden.

15.  De financiële intermediairs worden beheerd op zakelijke basis. Dit vereiste wordt geacht te zijn vervuld wanneer de financiële intermediair en, afhankelijk van het soort risicofinancieringsmaatregel, de fondsmanager ervan voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) zij zijn wettelijk of contractueel verplicht met de nodige professionele zorgvuldigheid en te goeder trouw te handelen en belangenconflicten te vermijden. Daarbij zijn goede praktijken en wettelijk toezicht van toepassing;

b) hun vergoeding is marktconform. Dit vereiste wordt geacht te zijn vervuld wanneer de manager of de financiële intermediair wordt geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende selectieoproep, op basis van objectieve criteria die verband houden met ervaring, deskundigheid en operationele en financiële capaciteiten;

c) zij ontvangen een prestatieafhankelijke vergoeding of dragen een deel van de investeringsrisico's door eigen middelen mee te investeren tegen dezelfde risicovoorwaarden als de publieke investeerder, zodat hun belangen steeds gelijklopen met die van de publieke investeerder;

d) zij bepalen investeringsstrategie, criteria en voorgenomen tijdschema voor investeringen;

e) de investeerders kunnen vertegenwoordigd zijn in de bestuursorganen van het investeringsfonds, zoals de raad van toezicht of het adviescomité.

16.   ►M1  Een risicofinancieringsmaatregel waarbij aan in aanmerking komende ondernemingen garanties of leningen worden verstrekt of waarbij aan in aanmerking komende ondernemingen als schuld gestructureerde investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen beschikbaar worden gesteld, voldoen aan de volgende voorwaarden: ◄

a) als gevolg van de maatregel verricht de financiële intermediair investeringen die deze zonder de steun niet, dan wel in beperktere mate of op een andere wijze zou hebben verricht. De financiële intermediair is in staat aan te tonen dat hij een mechanisme hanteert dat ervoor zorgt dat alle voordelen zo veel mogelijk aan de uiteindelijke begunstigden worden doorgegeven in de vorm van hogere volumes aan financiering, een hoger risicoprofiel van de portefeuille, lagere eisen inzake zekerheden, lagere garantiepremies of lagere rentepercentages;

▼M1

b) in het geval van leningen en als schuld gestructureerde investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen wordt het nominale kredietbedrag in aanmerking genomen bij het berekenen van het maximale investeringsbedrag voor de toepassing van lid 9;

▼B

c) in het geval van garanties wordt het nominale bedrag van de onderliggende lening in aanmerking genomen bij het berekenen van het maximale investeringsbedrag ten behoeve van lid 9. De garantie bedraagt ten hoogste 80 % van de onderliggende lening.

17.  Een lidstaat kan de tenuitvoerlegging van een risicofinancieringsmaatregel aan een met het beheer belaste entiteit toewijzen.

18.  Risicofinancieringssteun voor kmo's die niet voldoet aan de in lid 5 vastgestelde voorwaarden, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits:

a) op het niveau van de kmo's de steun voldoet aan de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 1407/2013, en

b) alle in dit artikel vastgestelde voorwaarden zijn vervuld, behalve de voorwaarden bedoeld in de leden 5, 6, 9, 10 en 11, en

c) voor risicofinancieringsmaatregelen die eigenvermogens-, quasi-eigenvermogens- of leningsinvesteringen aan in aanmerking komende ondernemingen verschaffen, de risicofinancieringsmaatregel als hefboom dient voor aanvullende financiering van onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de financiële intermediairs of de kmo's, zodat het totale particuliere deelnemingspercentage ten minste 60 % van de aan de kmo's verschafte risicofinanciering bedraagt.

Artikel 22

Starterssteun

1.  Regelingen inzake starterssteun zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

▼M1

2.  In aanmerking komt elke niet-beursgenoteerde kleine onderneming tot vijf jaar na haar registratie, die aan de volgende voorwaarden voldoet:

a) zij heeft niet de activiteit van een andere onderneming overgenomen;

b) zij heeft nog geen winst uitgekeerd, en

c) zij is niet ontstaan uit een concentratie.

Voor in aanmerking komende ondernemingen die zich niet hoeven te laten registreren, kan de periode van vijf jaar om in aanmerking te komen, geacht worden aan te vangen op het tijdstip dat de onderneming haar economische activiteiten aanvangt of belastingplichtig wordt voor haar economische activiteiten.

In afwijking van de eerste alinea, onder c), worden ondernemingen die ontstaan uit een concentratie van ondernemingen die op grond van dit artikel voor steun in aanmerking komen, ook als in aanmerking komende ondernemingen beschouwd tot vijf jaar vanaf de registratie van de oudste onderneming die bij de concentratie betrokken is.

▼B

3.  Starterssteun heeft de vorm van:

a) leningen tegen een rente die niet marktconform is, met een looptijd van tien jaar en voor een nominaal bedrag van ten hoogste 1 miljoen EUR, of 1,5 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen, of 2 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen. Voor leningen met een looptijd tussen vijf en tien jaar kunnen de maximumbedragen worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de lening. Voor leningen met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximumbedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar;

b) garanties met premies die niet marktconform zijn, met een looptijd van tien jaar en een gegarandeerd leningbedrag van ten hoogste 1,5 miljoen EUR, of 2,25 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen, of 3 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen. Voor garanties met een looptijd tussen vijf en tien jaar kan het maximaal gegarandeerde bedrag worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de garantie. Voor garanties met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximaal gegarandeerde bedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar. De garantie bedraagt ten hoogste 80 % van de onderliggende lening.

c) subsidies, met inbegrip van eigenvermogens- of quasi-eigenvermogensinvesteringen, rentekortingen en kortingen op de garantiepremies tot maximaal 0,4 miljoen EUR bruto-subsidie-equivalent, of 0,6 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen, of 0,8 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen.

4.  Een begunstigde kan steun ontvangen via een mix van de in lid 3 van dit artikel bedoelde steuninstrumenten, mits het aandeel van de via één steuninstrument verleende steun, berekend op basis van het voor dat instrument toegestane maximale steunbedrag, in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van het resterende deel van het maximale steunbedrag dat is toegestaan voor de overige instrumenten die onderdeel vormen van dit soort gemengde instrument.

5.  Voor kleine en innovatieve ondernemingen kunnen de in lid 3 genoemde maximumbedragen worden verdubbeld.

Artikel 23

Steun voor in kmo's gespecialiseerde alternatieve handelsplatforms

1.  Steun ten behoeve van in kmo's gespecialiseerde alternatieve handelsplatforms is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Wanneer de exploitant van het platform een kleine onderneming is, kan de steunmaatregel de vorm aannemen van starterssteun voor de platformexploitant; in dat geval zijn de voorwaarden van artikel 22 van toepassing.

De steunmaatregel kan de vorm aannemen van fiscale prikkels voor onafhankelijke particuliere investeerders die natuurlijke personen zijn, ten behoeve van hun via een alternatief handelsplatform verlopende risicofinancieringsinvesteringen in in aanmerking komende ondernemingen op de in artikel 21 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 24

Steun voor scoutingkosten

1.  Steun voor scoutingkosten is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn de kosten voor de initiële screening en het formele boekenonderzoek die door beheerders, financiële intermediairs of investeerders worden uitgevoerd om in aanmerking komende ondernemingen te selecteren overeenkomstig de artikelen 21 en 22.

3.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.



DEEL 4

Steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie

Artikel 25

Steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten

▼M1

1.  Steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, met inbegrip van projecten die het kwaliteitslabel „Excellentiekeur” hebben gekregen in het kader van het Horizon 2020 kmo-instrument, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

▼B

2.  Het gesteunde deel van het onderzoeks- en ontwikkelingsproject valt volledig binnen één of meer van de volgende categorieën:

a) fundamenteel onderzoek;

b) industrieel onderzoek;

c) experimentele ontwikkeling;

d) haalbaarheidsstudies.

3.  De in aanmerking komende kosten van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling ingedeeld en betreffen:

a) personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

b) kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

c) kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

d) kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

e) bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

4.  Bij haalbaarheidsstudies zijn de in aanmerking komende kosten de kosten van de studie.

5.  De steunintensiteit bedraagt voor elke begunstigde ten hoogste:

a) 100 % van de in aanmerking komende kosten voor fundamenteel onderzoek;

b) 50 % van de in aanmerking komende kosten voor industrieel onderzoek;

c) 25 % van de in aanmerking komende kosten voor experimentele ontwikkeling;

d) 50 % van de in aanmerking komende kosten voor haalbaarheidsstudies.

6.  De steunintensiteiten voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling kunnen als volgt worden verhoogd, tot een maximale steunintensiteit van 80 % van de in aanmerking komende kosten:

a) met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen;

b) met 15 procentpunten indien één van de volgende voorwaarden is vervuld:

i) het project behelst daadwerkelijke samenwerking:

 tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een kmo is, of wordt uitgevoerd in ten minste twee lidstaten of in een lidstaat en in een overeenkomstsluitende partij bij de EER-overeenkomst, en geen van de ondernemingen neemt meer dan 70 % van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening, of

 tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10 % van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren;

ii) de projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software.

7.  De steunintensiteit voor haalbaarheidsstudies kan worden verhoogd met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen.

Artikel 26

Investeringssteun voor onderzoeksinfrastructuur

1.  Steun voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur waarmee economische activiteiten worden verricht, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Wanneer met onderzoeksinfrastructuur zowel economische als niet-economische activiteiten worden verricht, wordt voor de financiering, kosten en inkomsten van elk soort activiteit een gescheiden boekhouding gevoerd, op basis van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen van kostprijsadministratie.

3.  De prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de infrastructuur wordt berekend, stemt overeen met een marktprijs.

4.  Toegang tot de infrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 10 % van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld.

5.  De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa.

6.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.

7.  Wanneer onderzoeksinfrastructuur overheidsfinanciering ontvangt voor zowel economische als niet-economische activiteiten, werken lidstaten een monitoring- en terugvorderingsmechanisme uit om te garanderen dat de toepasselijke steunintensiteit niet wordt overschreden door een toename van het aandeel economische activiteiten ten opzichte van de situatie waarmee op het tijdstip van de toekenning van de steun werd gerekend.

Artikel 27

Steun voor innovatieclusters

1.  Steun voor innovatieclusters is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Steun voor innovatieclusters wordt uitsluitend verleend aan de rechtspersoon die het innovatiecluster opereert (de clusterorganisatie).

3.  Toegang tot de panden, faciliteiten en activiteiten van het cluster staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 10 % van de investeringskosten van het innovatiecluster hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld.

4.  De vergoedingen die voor het gebruik van de faciliteiten van het cluster en voor deelname aan de activiteiten van het cluster worden berekend, stemmen overeen met de marktprijs of weerspiegelen de kosten ervan.

5.  Voor de bouw of het upgraden van innovatieclusters mag investeringssteun worden verleend. De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa.

6.  De steunintensiteit van investeringssteun voor innovatieclusters bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor innovatieclusters in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor innovatieclusters in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

7.  Voor de exploitatie van innovatieclusters mag exploitatiesteun worden verleend. De steun mag ten hoogste tien jaar lopen.

8.  De voor exploitatiesteun ten behoeve van innovatieclusters in aanmerking komende kosten zijn de personeelskosten en administratieve kosten (met inbegrip van de algemene kosten) met betrekking tot:

a) het aansturen van het cluster ter bevordering van samenwerking, informatiedeling en het verschaffen of toeleiden van gespecialiseerde en op maat gemaakte zakelijke ondersteuningsdiensten;

b) de marketing van het cluster om nieuwe ondernemingen of organisaties aan te trekken en de zichtbaarheid te verhogen;

c) het beheer van de faciliteiten van het cluster, de organisatie van opleidingsprogramma's, workshops en conferenties ter ondersteuning van kennisdeling, netwerking en transnationale samenwerking.

9.   ►C1  De steunintensiteit van exploitatiesteun voor innovatieclusters bedraagt ten hoogste 50 % van de totale in aanmerking komende kosten over de periode waarvoor steun wordt toegekend. ◄

Artikel 28

Innovatiesteun voor kmo's

1.  Innovatiesteun voor kmo's is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) de kosten verbonden aan de verkrijging, validering en verdediging van octrooien en immateriële activa;

b) de kosten verbonden aan het detacheren van hooggekwalificeerd personeel van een organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding of een grote onderneming naar onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieactiviteiten in een nieuw gecreëerde functie binnen de begunstigde onderneming, zonder dat hierbij andere personeelseden worden vervangen;

c) de kosten verbonden aan innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning.

3.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.

4.  In het specifieke geval van steun voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning kan de steunintensiteit worden verhoogd tot 100 % van de in aanmerking komende kosten mits het totale bedrag van de steun voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning ten hoogste 200 000 EUR bedraagt per onderneming over een periode van drie jaar.

Artikel 29

Steun voor proces- en organisatie-innovatie

1.  Steun voor proces- en organisatie-innovatie is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Steun voor grote ondernemingen is alleen verenigbaar indien zij bij de gesteunde activiteit daadwerkelijk samenwerken met kmo's en de samenwerkende kmo's ten minste 30 % van de totale in aanmerking komende kosten dragen.

3.  De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) personeelskosten;

b) kosten van apparatuur en uitrusting, gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project;

c) kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length worden verworven bij of waarvoor een licentie wordt verkregen van externe bronnen;

d) bijkomende algemene kosten en andere exploitatiekosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

4.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 15 % van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen en 50 % van de in aanmerking komende kosten voor kmo's.

Artikel 30

Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector

1.  Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Het gesteunde project is van belang voor alle marktdeelnemers in de betrokken sector of subsector.

3.  Vóór de datum van aanvang van het gesteunde project wordt op internet de volgende informatie bekendgemaakt:

a) dat het gesteunde project zal worden uitgevoerd;

b) de doelstellingen van het gesteunde project;

c) de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesteunde project worden verwacht, en waar zij op internet zullen worden bekendgemaakt;

d) een vermelding dat de resultaten van het gesteunde project kosteloos beschikbaar zullen zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken sector of subsector actief zijn.

4.  De resultaten van het gesteunde project worden op internet beschikbaar gesteld vanaf de einddatum van het gesteunde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt. De resultaten blijven op internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesteunde project.

5.  De steun wordt rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding verleend en mag niet bestaan in rechtstreekse niet-onderzoeksgerelateerde steun aan een onderneming die visserij- of aquacultuurproducten produceert, verwerkt of afzet.

6.  De in aanmerking komende kosten zijn de in artikel 25, lid 3, vastgestelde kosten.

7.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.



DEEL 5

Opleidingssteun

Artikel 31

Opleidingssteun

1.  Opleidingssteun is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Er wordt geen steun toegekend voor opleiding die ondernemingen geven om te voldoen aan bindende nationale opleidingsnormen.

3.  De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) de personeelskosten van de opleiders, voor de uren dat de opleiders aan de opleiding deelnemen;

▼M1

b) rechtstreeks met het opleidingsproject verband houdende operationele kosten van opleiders en deelnemers aan de opleiding, zoals reiskosten, accommodatiekosten, materiaal en benodigdheden die rechtstreeks met het project verband houden, de afschrijving van werktuigen en uitrusting voor zover deze uitsluitend voor het opleidingsproject worden gebruikt;

▼B

c) kosten van adviesdiensten met betrekking tot het opleidingsproject;

d) de personeelskosten van de deelnemers aan de opleiding en algemene indirecte kosten (administratieve kosten, huur, algemene vaste kosten), voor de uren dat de deelnemers de opleiding bijwonen.

4.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan als volgt worden verhoogd tot een maximale steunintensiteit van 70 % van de in aanmerking komende kosten:

a) met 10 procentpunten indien de opleiding aan werknemers met een handicap of aan kwetsbare werknemers wordt gegeven;

b) met 10 procentpunten indien de steun aan middelgrote ondernemingen wordt toegekend en met 20 procentpunten indien de steun aan kleine ondernemingen wordt toegekend.

5.  Wanneer de steun in de sector van het zeevervoer wordt toegekend, kan de steunintensiteit worden verhoogd tot 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de deelnemers aan de opleiding behoren niet tot de bemanning, maar tot de opvarenden, en

b) de opleiding vindt plaats aan boord van schepen die in de Unie zijn geregistreerd.



DEEL 6

Steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap

Artikel 32

Steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de aanwerving van kwetsbare werknemers

1.  Steunregelingen ten behoeve van de aanwerving van kwetsbare werknemers zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn de loonkosten gedurende een periode van maximaal twaalf maanden vanaf de aanwerving van een kwetsbare werknemer. Wanneer echter de betrokken werknemer een uiterst kwetsbare werknemer is, zijn de in aanmerking komende kosten de loonkosten gedurende een periode van maximaal 24 maanden vanaf de aanwerving.

3.  Wanneer de aanwerving, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden, geen nettotoename vertegenwoordigt van het aantal werknemers in de betrokken onderneming, zijn de vacatures ontstaan ten gevolge van ontslag op initiatief van de werknemer, van een handicap, van ouderdomspensionering, vermindering van de werktijd op initiatief van de werknemer of gewettigd ontslag om dringende redenen, en niet door afvloeiingen.

4.  Behalve in het geval van gewettigd ontslag om dringende redenen maken de kwetsbare werknemers aanspraak op ononderbroken werkzaamheid gedurende een minimumperiode die met de betrokken nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten inzake arbeidscontracten (cao's) in overeenstemming is.

5.  Indien de werkperiode korter is dan twaalf maanden of, in het geval van een uiterst kwetsbare werknemer, 24 maanden, wordt de steun dienovereenkomstig pro rata verminderd.

6.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.

Artikel 33

Steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de tewerkstelling van werknemers met een handicap

1.  Steun ten behoeve van de tewerkstelling van werknemers met een handicap is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn de loonkosten gedurende de gehele periode dat de werknemer met een handicap in dienst is.

3.  Wanneer de aanwerving, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden, geen nettotoename vertegenwoordigt van het aantal werknemers in de betrokken onderneming, zijn de vacatures ontstaan ten gevolge van ontslag op initiatief van de werknemer, van een handicap, van ouderdomspensionering, vermindering van de werktijd op initiatief van de werknemer of gewettigd ontslag om dringende redenen, en niet door afvloeiingen.

4.  Behalve in het geval van gewettigd ontslag om dringende redenen maken de werknemers met een handicap aanspraak op ononderbroken werkzaamheid gedurende een minimumperiode die in overeenstemming is met de toepasselijke nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten inzake arbeidscontracten (cao's) die juridisch bindend zijn voor de onderneming en die gelden ten aanzien van arbeidscontracten.

5.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 75 % van de in aanmerking komende kosten.

Artikel 34

Steun ter compensatie van de bijkomende kosten voor de tewerkstelling van werknemers met een handicap

1.  Steun ter compensatie van de bijkomende kosten van de tewerkstelling van werknemers met een handicap is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) de kosten voor de aanpassing van de ruimten;

b) de kosten voor het inzetten van medewerkers voor de tijd die het personeel uitsluitend besteedt aan de begeleiding van de werknemers met een handicap, en de kosten voor het opleiden van medewerkers die werknemers met een handicap begeleiden;

c) de kosten voor de aanpassing of aankoop van apparatuur of voor de aankoop en validering van software die werknemers met een handicap gebruiken, met inbegrip van aangepaste of assistive technologie, wanneer deze kosten bovenop de kosten komen die de begunstigde had moeten maken indien hij geen werknemers met een handicap had tewerkgesteld;

d) de kosten die rechtstreeks verband houden met het vervoer van werknemers met een handicap naar de plaats van arbeid, en de kosten voor werkgerelateerde activiteiten;

e) de loonkosten voor de uren die een werknemer met een handicap besteedt aan rehabilitatie;

f) wanneer de begunstigde onderneming een sociale werkvoorziening biedt: de kosten voor de bouw, installatie of modernisering van de productie-eenheden van de betrokken onderneming, alsmede alle kosten voor de administratie en het vervoer, mits die kosten rechtstreeks uit de tewerkstelling van werknemers met een handicap voortvloeien.

3.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.

Artikel 35

Steun ter compensatie van de kosten voor de begeleiding van kwetsbare werknemers

1.  Steun ter compensatie van de kosten voor de begeleiding van kwetsbare werknemers is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van:

a) het inzetten van medewerkers voor de tijd die uitsluitend wordt besteed aan de begeleiding van de kwetsbare werknemers, gedurende een periode van maximaal twaalf maanden vanaf de aanwerving van een kwetsbare werknemer of, in het geval van een uiterst kwetsbare werknemer, gedurende maximaal 24 maanden;

b) de opleiding van de medewerkers die kwetsbare werknemers begeleiden.

3.  De begeleiding die wordt gegeven, bestaat uit maatregelen om de autonomie van de kwetsbare werknemer en zijn aanpassing aan de werkomgeving te ondersteunen, door deze werknemer te begeleiden bij sociale en administratieve procedures, door de communicatie met de ondernemer te faciliteren en door conflictbeheer.

4.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.



DEEL 7

Steun voor milieubescherming

Artikel 36

Investeringssteun om ondernemingen in staat te stellen verder te gaan dan Unienormen inzake milieubescherming of om, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen

1.  Investeringssteun om ondernemingen in staat te stellen verder te gaan dan Unienormen inzake milieubescherming of om, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De investering voldoet aan een van de volgende voorwaarden:

a) zij stelt de begunstigde in staat het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen door verder te gaan dan de geldende Unienormen, ongeacht of er nationale normen bestaan die strenger zijn dan de Unienormen;

b) zij stelt de begunstigde, bij ontstentenis van Unienormen, in staat het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen.

3.  Er mag geen steun worden verleend wanneer de investeringen worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat ondernemingen voldoen aan reeds vastgestelde en nog niet in werking getreden Unienormen.

4.  In afwijking van lid 3 kan steun worden verleend voor:

a) de aanschaf van nieuwe vervoermiddelen voor vervoer per spoor, over de weg, over de binnenwateren en over zee die aan vastgestelde Unienormen voldoen, mits deze aanschaf plaatsvindt vóór de inwerkingtreding van die normen en, wanneer die normen bindend worden, deze niet op reeds vóór die datum aangeschafte vervoermiddelen van toepassing zijn;

b) het retrofitten van bestaande vervoermiddelen voor vervoer per spoor, over de weg, over de binnenwateren en over zee, mits de Unienormen nog niet van kracht waren op het tijdstip dat die vervoermiddelen in bedrijf werden genomen, en die normen, zodra deze bindend worden, niet met terugwerkende kracht op die vervoermiddelen van toepassing zijn.

5.  De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om verder te gaan dan de toepasselijke Unienormen of om, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld:

a) wanneer de kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op milieubescherming betrekking hebbende kosten de in aanmerking kosten;

b) in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in milieubescherming vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn verricht. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met milieubescherming verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten.

De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking.

6.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 40 % van de in aanmerking komende kosten.

7.  De steunintensiteit kan met 10 procentpunten worden verhoogd voor steun aan middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor steun aan kleine ondernemingen.

8.  De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

Artikel 37

Investeringssteun ten behoeve van vroege aanpassing aan toekomstige Unienormen

1.  Steun om ondernemingen aan te moedigen te voldoen aan nieuwe Unienormen die het niveau van milieubescherming verhogen en nog niet in werking zijn getreden, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De Unienormen moeten zijn goedgekeurd en de investering wordt ten uitvoer gelegd en is voltooid ten minste één jaar vóór de inwerkingtreding van de betrokken normen.

3.  De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om verder te gaan dan de toepasselijke Unienormen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld:

a) wanneer de kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op milieubescherming betrekking hebbende kosten de in aanmerking kosten;

b) in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in milieubescherming vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn verricht. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met milieubescherming verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten.

De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking.

4.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

a) 20 % van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen, 15 % van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen en 10 % van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen indien de investering meer dan drie jaar vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Unienorm ten uitvoer wordt gelegd en is voltooid;

b) 15 % van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen, 10 % van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen en 5 % van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen indien de investering tussen één en drie jaar vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Unienorm ten uitvoer wordt gelegd en is voltooid.

5.  De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

Artikel 38

Investeringssteun ten behoeve van energie-efficiëntiemaatregelen

1.  Investeringssteun om ondernemingen in staat te stellen energie-efficiëntie te behalen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Op grond van dit artikel mag geen steun worden verleend wanneer de verbeteringen worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat ondernemingen voldoen aan reeds vastgestelde Unienormen, zelfs al zijn die nog niet van kracht.

3.  De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om het hogere niveau aan energie-efficiëntie te behalen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld:

a) wanneer de kosten voor de investering in energie-efficiëntie binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op energie-efficiëntie betrekking hebbende kosten de in aanmerking kosten;

b) in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in energie-efficiëntie vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder energie-efficiënte investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn uitgevoerd. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met energie-efficiëntie verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten.

De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van energie-efficiëntie, komen niet in aanmerking.

4.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 30 % van de in aanmerking komende kosten.

5.  De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.

6.  De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

Artikel 39

Investeringssteun ten behoeve van energie-efficiëntieprojecten in gebouwen

1.  Investeringssteun ten behoeve van energie-efficiëntieprojecten in gebouwen is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Voor steun op grond van dit artikel komen energie-efficiëntieprojecten met betrekking tot gebouwen in aanmerking.

3.  De in aanmerking komende kosten zijn de totale kosten van het energie-efficiëntieproject.

4.  De steun wordt in de vorm van een dotatie, van eigen vermogen, van een garantie of een lening toegekend aan een energie-efficiëntiefonds of andere financiële intermediair, die deze volledig moeten doorgeven aan de uiteindelijke begunstigden zijnde de eigenaren of huurders van de gebouwen.

5.  De door het energie-efficiëntiefonds of andere financiële intermediair aan in aanmerking komende energie-efficiëntiefondsen toegekende steun kan de vorm hebben van leningen of garanties. De nominale waarde van de lening of het gegarandeerde bedrag bedraagt ten hoogste 10 miljoen EUR per project op het niveau van de uiteindelijke begunstigden. De garantie bedraagt ten hoogste 80 % van de onderliggende lening.

6.  De terugbetaling door de eigenaren van gebouwen aan het energie-efficiëntiefonds of andere financiële intermediair gebeurt ten minste tegen de nominale waarde van de lening.

7.  De energie-efficiëntiesteun dient als hefboom voor bijkomende investeringen van particuliere investeerders, zodat daarmee in totaal ten minste 30 % wordt bereikt van de totale financiering die voor een energie-efficiëntieproject wordt verstrekt. Wanneer de steun wordt verschaft door een energie-efficiëntiefonds, kan de hefboom van de particuliere investering worden ingezet op het niveau van het energie-efficiëntiefonds en/of op het niveau van de energie-efficiëntieprojecten, zodat daarmee een bedrag van in totaal ten minste 30 % wordt bereikt van de totale financiering die voor een energie-efficiëntieproject wordt verstrekt.

8.  Lidstaten kunnen voor het verstrekken van energie-efficiëntiesteun energie-efficiëntiefondsen opzetten en/of een beroep doen op financiële intermediairs. Daarbij moet dan aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

a) managers van financiële intermediairs en managers van energie-efficiëntiefondsen worden geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en nationale recht. Met name is er geen discriminatie op grond van de plaats van vestiging of registratie in een lidstaat. Van financiële intermediairs en managers van energie-efficiëntiefondsen kan worden geëist dat zij voldoen aan vooraf vastgestelde criteria die objectief gerechtvaardigd zijn door de aard van de investeringen;

b) de onafhankelijke particuliere investeerders worden geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en nationale recht, met als doel passende regelingen inzake risico-/beloningsverdeling tot stand te brengen, waarbij voor investeringen niet zijnde garanties asymmetrische winstdeling de voorkeur krijgt boven neerwaartse bescherming. Indien de particuliere investeerders niet via dit soort oproep worden geselecteerd, wordt het redelijke rendement voor de particuliere investeerders bepaald door een onafhankelijke deskundige die is geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep;

c) in het geval van asymmetrische verliesdeling tussen publieke en particuliere investeerders, wordt het eerste, voor rekening van de publieke investeerder komende verlies gemaximeerd op 25 % van de totale investering;

d) in het geval van garanties wordt het garantiepercentage beperkt tot 80 % en zijn de totale verliezen die een lidstaat op zich neemt, gemaximeerd op 25 % van de onderliggende gegarandeerde portefeuille. Alleen garanties die de verwachte verliezen op de onderliggende gegarandeerde portefeuille dekken, kunnen kosteloos worden afgegeven. Indien een garantie ook de dekking van onverwachte verliezen omvat, betaalt de financiële intermediair voor het gedeelte van de garantie dat de onverwachte verliezen dekt, een marktconforme garantiepremie.

e) de investeerders kunnen vertegenwoordigd zijn in de bestuursorganen van het energie-efficiëntiefonds of de financiële intermediair, zoals de raad van toezicht of het adviescomité;

f) het energie-efficiëntiefonds of de financiële intermediair wordt opgericht overeenkomstig het toepasselijke recht en de lidstaat zorgt ervoor dat een boekenonderzoek plaatsvindt om te verzekeren dat de tenuitvoerlegging van de steunmaatregel ten behoeve van energie-efficiëntie volgens een zakelijk verantwoorde investeringsstrategie plaatsvindt.

9.  Financiële intermediairs, met inbegrip van energie-efficiëntiefondsen, worden op zakelijke basis beheerd en zorgen voor winstgedreven financieringsbesluiten. Dit wordt geacht het geval te zijn wanneer de financiële intermediair en, in voorkomend geval, de managers van het energie-efficiëntiefonds voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) zij zijn wettelijk of contractueel verplicht met de nodige professionele zorgvuldigheid en te goeder trouw te handelen en belangenconflicten te vermijden. Daarbij zijn goede praktijken en wettelijk toezicht van toepassing;

b) hun vergoeding is marktconform. Dit vereiste wordt geacht te zijn vervuld wanneer de manager wordt geselecteerd via een openbare, transparante en niet-discriminerende oproep, op basis van objectieve criteria die verband houden met ervaring, deskundigheid en operationele en financiële capaciteiten;

c) zij ontvangen een prestatieafhankelijke vergoeding of dragen een deel van de investeringsrisico's door eigen middelen mee te investeren tegen dezelfde risicovoorwaarden als de publieke investeerder, zodat hun belangen steeds gelijklopen met die van de publieke investeerder;

d) zij bepalen investeringsstrategie, criteria en voorgenomen tijdschema voor investeringen in energie-efficiëntieprojecten, waarin vooraf de financiële levensvatbaarheid en de verwachte impact op de energie-efficiëntie worden aangetoond;

e) voor de in het energie-efficiëntiefonds geïnvesteerde of de aan de financiële intermediair verschafte publieke middelen is een heldere en realistische exitstrategie voorhanden, die de mogelijkheid biedt om energie-efficiëntieprojecten door de markt te laten te financieren wanneer deze daarvoor klaar is.

10.  Verbeteringen van de energie-efficiëntie die worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de begunstigde aan reeds vastgestelde Unienormen voldoet, zijn op grond van dit artikel niet van de verplichting tot aanmelding vrijgesteld.

Artikel 40

Investeringssteun ten behoeve van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling

1.  Investeringssteun ten behoeve van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De investeringssteun wordt uitsluitend voor nieuw geïnstalleerd of gerenoveerd vermogen verleend.

3.  De nieuwe warmtekrachteenheid behaalt in totaal besparingen van primaire energie ten opzichte van de gescheiden productie van warmte en elektriciteit als bepaald in Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG ( 27 ). De verbetering van een bestaande warmtekrachteenheid of de ombouw van een bestaande stroomproductie-eenheid tot een warmtekrachteenheid resulteert in besparingen van primaire energie ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.

4.  De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten voor de uitrusting die — vergeleken met conventionele elektriciteits- of verwarmingsinstallaties met dezelfde capaciteit — nodig is om de installatie als een hoogrenderende warmtekrachtinstallatie te exploiteren, of, wanneer een bestaande installatie de hoogrendementsdrempel reeds haalt, de bijkomende investeringskosten om deze te upgraden naar een hoger rendement.

5.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 45 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.

6.  De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

Artikel 41

Investeringssteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen

1.  Investeringssteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Investeringssteun voor de productie van biobrandstoffen is van de aanmeldingsverplichting alleen vrijgesteld voor zover de gesteunde investeringen worden gebruikt voor de productie van duurzame biobrandstoffen niet zijnde biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen. Wel is investeringssteun om bestaande installaties voor biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen om te bouwen tot installaties voor geavanceerde biobrandstoffen, vrijgesteld op grond van dit artikel mits die op voedingsgewassen gebaseerde productie wordt verminderd naar rato van de nieuwe capaciteit.

3.  Voor biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt, wordt geen steun toegekend.

4.  Voor waterkrachtinstallaties die niet aan Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement voldoen, wordt geen steun toegekend.

5.  De investeringssteun wordt uitsluitend voor nieuwe installaties toegekend. Er wordt geen steun toegekend of uitgekeerd nadat de installatie in bedrijf is gekomen en de steun is onafhankelijk van de productie.

6.  De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen te bevorderen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld:

a) wanneer de kosten van investeringen in de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld (bv. omdat het een gemakkelijk te onderscheiden „uitbreiding” van een reeds bestaande faciliteit is), vormen deze kosten met betrekking tot hernieuwbare energie de in aanmerking komende kosten;

b) wanneer de kosten van investeringen in de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen kunnen worden vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn verricht, levert dit verschil tussen de kosten van beide investeringen de met hernieuwbare energie verband houdende kosten op en geldt dit als de in aanmerking komende kosten;

c) voor bepaalde kleine installaties waar een minder milieuvriendelijke investering niet kan worden bepaald omdat geen installaties van beperkte omvang bestaan, vormen de totale investeringskosten die nodig zijn om een hoger niveau aan milieubescherming te bereiken, de in aanmerking komende kosten.

De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking.

7.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

a) 45 % van de in aanmerking komende kosten indien de in aanmerking komende kosten worden berekend op grond van lid 6, onder a) of b);

b) 30 % van de in aanmerking komende kosten indien de in aanmerking komende kosten worden berekend op grond van lid 6, onder c).

8.  De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.

9.  De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

10.  Wanneer de steun wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure op grond van duidelijke, transparante en niet-discriminerende criteria, kan de steunintensiteit tot 100 % van de in aanmerking komende kosten oplopen. Dit soort biedprocedure is niet-discriminerend en voorziet in de deelname van alle belangstellende ondernemingen. Het met de biedprocedure verband houdende budget vormt een bindende beperking in die zin dat niet alle deelnemers steun kunnen krijgen en wordt toegekend op grond van de oorspronkelijke offerte van de gegadigde, waardoor verdere onderhandelingen worden uitgesloten.

Artikel 42

Exploitatiesteun ter bevordering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen

1.  Exploitatiesteun ter bevordering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De steun wordt toegekend volgens een concurrerende biedprocedure op grond van duidelijke, transparante en niet-discriminerende criteria, die open staat voor alle producenten die elektriciteit produceren uit hernieuwbare energiebronnen zonder enige discriminatie.

3.  De biedprocedure kan tot specifieke technologieën worden beperkt wanneer een voor alle producenten open staande procedure een suboptimaal resultaat zou opleveren, hetgeen niet kan worden verholpen door de vormgeving van de procedure met name gelet op:

i) het potentieel op langere termijn van een bepaalde nieuwe en innoverende technologie, of

ii) de noodzaak om diversificatie tot stand te brengen, of

iii) netwerkrestricties en netwerkstabiliteit, of

iv) systeem(integratie)kosten, of

v) de noodzaak om door steun voor biomassa veroorzaakte verstoringen op de grondstoffenmarkten te voorkomen.

Lidstaten voeren een nadere beoordeling uit van de toepasselijkheid van die voorwaarden en doen de Commissie daarvan verslag overeenkomstig de in artikel 11, onder a), beschreven concrete voorwaarden.

4.  De steun aan nieuwe en innovatieve technologieën voor hernieuwbare energie wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure die is gebaseerd op duidelijke, transparante en niet-discriminerende criteria en die ten minste voor één van dit soort technologieën open staat. Dit soort steun wordt toegekend voor ten hoogste 5 % van het totale geplande nieuwe elektrische vermogen uit hernieuwbare energiebronnen per jaar.

5.  Steun wordt toegekend als opslag bovenop de marktprijs waartegen de producenten hun elektriciteit rechtstreeks op de markt afzetten.

6.  Begunstigden van steun zijn aan standaardbalanceringstaken onderworpen. Begunstigden mogen hun balanceringstaken uitbesteden aan andere, namens hen optredende ondernemingen (zoals aggregatoren).

7.  Er wordt geen steun toegekend wanneer prijzen negatief zijn.

8.  Steun mag zonder een concurrerende biedprocedure zoals beschreven in lid 2 worden toegekend ten behoeve van installaties met een geïnstalleerd elektrisch vermogen van minder dan 1 MW voor de productie van elektriciteit uit alle hernieuwbare energiebronnen met uitzondering van windenergie — waarvoor, zonder een concurrerende biedprocedure zoals beschreven in lid 2, steun mag worden toegekend aan installaties met een geïnstalleerd elektrisch vermogen van minder dan 6 MW of voor installaties met minder dan 6 productie-eenheden. Onverminderd lid 9 worden, wanneer steun wordt toegekend zonder een concurrerende biedprocedure, de voorwaarden van de leden 5, 6 en 7 in acht genomen. Bovendien zijn, wanneer steun wordt toegekend zonder een concurrerende biedprocedure, de voorwaarden van artikel 43, de leden 5, 6 en 7, van toepassing.

9.  De in de leden 5, 6 en 7 vastgestelde voorwaarden gelden niet voor exploitatiesteun ten behoeve van installaties met een geïnstalleerd elektrisch vermogen van minder dan 500 kW voor de productie van elektriciteit uit alle hernieuwbare energiebronnen met uitzondering van windenergie — waarvoor deze voorwaarden niet gelden voor exploitatiesteun toegekend aan installaties met een geïnstalleerd elektrisch vermogen van minder dan 3 MW of voor installaties met minder dan 3 productie-eenheden.

10.  Voor het berekenen van het in de leden 8 en 9 bedoelde maximale vermogen worden installaties met een gemeenschappelijk aansluitpunt op het elektriciteitsnet beschouwd als één installatie.

11.  De steun wordt alleen toegekend totdat de installatie die de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen produceert, volledig is afgeschreven volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen. Alle vroeger ontvangen investeringssteun wordt in mindering gebracht op de exploitatiesteun.

Artikel 43

Exploitatiesteun ter bevordering van in kleinschalige installaties uit hernieuwbare energiebronnen opgewekte energie

1.  Exploitatiesteun ter bevordering van in kleinschalige installaties uit hernieuwbare energiebronnen opgewekte energie is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Steun wordt alleen verleend voor installaties met een geïnstalleerd vermogen van minder dan 500 kW voor de productie van energie uit alle hernieuwbare energiebronnen met uitzondering van windenergie — waarvoor steun mag worden toegekend aan installaties met een geïnstalleerd vermogen van minder dan 3 MW of voor installaties met minder dan 3 productie-eenheden — en voor biobrandstoffen — waarvoor steun mag worden toegekend aan installaties met een geïnstalleerde capaciteit van minder dan 50 000 ton per jaar. Voor het berekenen van dat maximale vermogen en die maximumcapaciteit worden kleinschalige installaties met een gemeenschappelijk aansluitpunt op het elektriciteitsnet beschouwd als één installatie.

3.  Steun wordt alleen verleend voor installaties die duurzame biobrandstoffen produceren niet zijnde biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen. Evenwel is exploitatiesteun voor installaties die biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen produceren en die vóór 31 december 2013 in bedrijf zijn gekomen en nog niet volledig zijn afgeschreven, vrijgesteld op grond van dit artikel, maar uiterlijk tot 2020.

4.  Voor biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt, wordt geen steun toegekend.

5.  De steun per energie-eenheid bedraagt niet meer dan het verschil tussen de totale levelized costs van de productie van energie (LCOE) uit de betrokken hernieuwbare energiebron en het markttarief van de betrokken vorm van energie. Deze levelized costs worden regelmatig geactualiseerd, ten minste eenmaal per jaar.

6.  Het maximale rendementspercentage dat bij de berekening van de levelized costs wordt gebruikt, bedraagt niet meer dan de betrokken swaprente met een opslag van 100 basispunten. De betrokken swaprente is de swaprente voor de munteenheid waarin de steun wordt toegekend, voor een looptijd die de afschrijvingstermijn voor de gesteunde installaties weergeeft.

7.  De steun wordt alleen toegekend totdat de installatie volledig is afgeschreven volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen. Alle voor een installatie toegekende investeringssteun wordt in mindering gebracht op de exploitatiesteun.

Artikel 44

Steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen krachtens Richtlijn 2003/96/EG

1.  Steunregelingen in de vorm van kortingen op milieubelastingen die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit ( 28 ), zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De begunstigden van de belastingkorting worden geselecteerd op basis van transparante en objectieve criteria en betalen ten minste het desbetreffende, bij Richtlijn 2003/96/EG vastgestelde minimumbelastingniveau.

3.  Regelingen voor steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen zijn gebaseerd op een verlaging van het toepasselijke percentage van de milieubelasting of op de betaling van een vast compensatiebedrag (belastingteruggave), of op een combinatie van deze beide mechanismen.

4.  Voor biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt, wordt geen steun toegekend.

Artikel 45

Investeringssteun voor de sanering van verontreinigde terreinen

1.  Investeringssteun ten behoeve van ondernemingen die milieuschade herstellen door verontreinigde terreinen te saneren, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De investering resulteert in het herstel van de milieuschade, met inbegrip van de aantasting van de kwaliteit van de bodem of van het oppervlakte- of grondwater.

3.  Wanneer de volgens het in elke lidstaat toepasselijke recht voor de milieuschade aansprakelijke rechtspersoon of natuurlijke persoon, onverminderd de vaststelling van Unievoorschriften ter zake — met name Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade ( 29 ), gewijzigd bij Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën ( 30 ), Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad ( 31 ), en Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG ( 32 ) -, kan worden geïdentificeerd, moet die persoon de sanering financieren overeenkomstig het beginsel „de vervuiler betaalt”, en wordt geen staatssteun toegekend. Wanneer de volgens het toepasselijke recht aansprakelijke persoon niet kan worden geïdentificeerd of niet kan worden verplicht de kosten te dragen, kan de voor de bodemsanering of grondreiniging verantwoordelijke persoon staatssteun ontvangen.

4.  De voor steun in aanmerking komende kosten zijn de bij de bodemsanering gemaakte kosten, verminderd met de waardestijging van het terrein. Alle uitgaven die een onderneming voor de sanering van haar terrein doet, kunnen, ongeacht of zij deze uitgaven als vaste activa op haar balans opvoert, worden beschouwd als in aanmerking komende investeringen in het geval van de sanering van vervuilde terreinen.

5.  Taxaties van de waardestijging van het terrein als gevolg van de sanering worden door een onafhankelijke deskundige uitgevoerd.

6.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.

Artikel 46

Investeringssteun voor energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling

1.  Investeringssteun voor het installeren van een systeem voor energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten voor de productielocatie zijn de bijkomende kosten die, in vergelijking met een conventionele productielocatie, nodig zijn voor de bouw, uitbreiding en renovatie van één of meer productie-eenheden om deze als een energie-efficiënt stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem te kunnen exploiteren. De investering maakt integrerend deel uit van het energie-efficiënte stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem.

3.  De steunintensiteit voor de productielocatie bedraagt ten hoogste 45 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.

4.  De steunintensiteit voor de productielocatie kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

5.  De in aanmerking komende kosten van het distributienetwerk zijn de investeringskosten.

6.  Het bedrag van de steun voor het distributienetwerk is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf hetzij via een terugvorderingsmechanisme.

Artikel 47

Investeringssteun ten behoeve van recycling en hergebruik van afval

1.  Investeringssteun ten behoeve van recycling en hergebruik van afval is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De investeringssteun wordt toegekend voor de recycling en het hergebruik van door andere ondernemingen geproduceerd afval.

3.  Het gerecycleerde of hergebruikte materiaal zou anders bij het afval belanden of op een minder milieuvriendelijke wijze worden verwerkt. Steun voor nuttige toepassing van afvalstoffen niet zijnde recycling geniet geen groepsvrijstelling op grond van dit artikel.

4.  De steun bevrijdt vervuilers niet indirect van lasten die zij volgens het Unierecht moeten dragen, of van lasten die als normale ondernemingskosten dienen te worden beschouwd.

5.  De investering doet niet uitsluitend de vraag naar het te recycleren materiaal toenemen zonder dat de inzameling van dat materiaal toeneemt.

6.  De investering gaat verder dan de huidige stand van de techniek.

7.  De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn voor het uitvoeren van een investering die tot betere of efficiëntere recycling- of hergebruiksactiviteiten leidt, vergeleken met een conventioneel proces van hergebruik en recycling met dezelfde capaciteit die zonder de steun zou zijn gebouwd.

8.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 35 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.

9.  De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

10.  Steun ten behoeve van investeringen met betrekking tot recycling en hergebruik van het eigen afval van de begunstigde onderneming is op grond van dit artikel niet van de verplichting tot aanmelding vrijgesteld.

Artikel 48

Investeringssteun voor energie-infrastructuur

1.  Investeringssteun voor de bouw of het upgraden van energie-infrastructuur is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Steun wordt toegekend voor energie-infrastructuur in steungebieden.

3.  De energie-infrastructuur is onderworpen aan volledige tarief- en toegangsregulering overeenkomstig wetgeving inzake de interne energiemarkt.

4.  De in aanmerking komende kosten zijn de investeringskosten.

5.  Het steunbedrag is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf hetzij via een terugvorderingsmechanisme.

6.  Steun voor investeringen in projecten voor elektriciteits- en gasopslag en in olie-infrastructuur is op grond van dit artikel niet van de verplichting tot aanmelding vrijgesteld.

Artikel 49

Steun ten behoeve van milieustudies

1.  Steun ten behoeve van studies, met inbegrip van energieaudits, die rechtstreeks verband houden met de in dit deel bedoelde investeringen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de in lid 1 bedoelde studies.

3.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.

4.  De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd bij studies voor rekening van kleine ondernemingen en met 10 procentpunten bij studies voor rekening van middelgrote ondernemingen.

5.  Aan grote ondernemingen wordt geen steun toegekend voor energieaudits die worden uitgevoerd op grond van artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU, tenzij de energieaudit bovenop de op grond van die richtlijn verplichte energieaudit komt.



DEEL 8

Steun tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen

Artikel 50

Steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen

1.  Steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door aardbevingen, lawines, grondverschuivingen, overstromingen, tornado's, orkanen, vulkaanuitbarstingen en natuurbranden met een natuurlijke oorzaak zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 2, onder b), van het Verdrag en zijn van de procedure van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De steun wordt toegekend op de volgende voorwaarden:

a) de bevoegde overheidsinstanties van een lidstaat hebben de gebeurtenis formeel als natuurramp erkend, en

b) er is een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de natuurramp en de schade die de getroffen onderneming heeft geleden.

3.  Steunregelingen met betrekking tot een specifieke natuurramp worden ingesteld binnen drie jaar nadat de gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Steun op basis van die regelingen wordt toegekend binnen vier jaar nadat de gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

4.  De kosten die voortvloeien uit de schade die is ontstaan als een direct gevolg van de natuurramp, volgens een taxatie door een onafhankelijke deskundige die is erkend door de bevoegde nationale overheid of door een verzekeringsonderneming, zijn in aanmerking komende kosten. Bij deze schade kan het gaan om materiële schade aan activa zoals gebouwen, uitrusting, machines, voorraden, en om inkomensverlies door de volledige of gedeeltelijke onderbreking van activiteiten gedurende een periode van ten hoogste zes maanden nadat de ramp zich heeft voorgedaan. De berekening van de materiële schade gebeurt op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van het betrokken actief vóór de ramp. Deze ligt niet hoger dan de reparatiekosten of de door de ramp veroorzaakte daling van de reële marktwaarde, d.w.z. het verschil tussen de waarde van het eigendom onmiddellijk vóór en onmiddellijk ná de ramp. Het inkomensverlies wordt, op basis van financiële gegevens van de getroffen onderneming (inkomsten vóór aftrek van rente en belastingen (EBIT), afschrijving en arbeidskosten uitsluitend met betrekking tot de door de natuurramp getroffen vestiging), berekend door de financiële gegevens voor de periode van zes maanden nà de ramp te vergelijken met het gemiddelde van drie jaar uit de periode van vijf jaar vóór de ramp (ongerekend het jaar dat het beste en het jaar dat het slechtste financieel resultaat oplevert) en wordt berekend voor dezelfde zesmaandsperiode van het jaar. De schade wordt berekend op het niveau van de individuele begunstigde.

5.  De steun en alle overige betalingen ter vergoeding van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van verzekeringspolissen, bedragen ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.



DEEL 9

Sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden

Artikel 51

Sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden

1.  Steun voor lucht- en zeevervoer van passagiers is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 2, onder a), van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De steun komt volledig ten goede aan eindgebruikers die hun normale verblijfplaats hebben in afgelegen gebieden.

3.  De steun wordt toegekend ten behoeve van het passagiersvervoer op een route die een haven of luchthaven in een afgelegen gebied verbindt met een andere luchthaven of haven in de Europese Economische Ruimte.

4.  De steun wordt toegekend zonder discriminatie ten aanzien van de identiteit van de vervoersmaatschappij of het soort dienst, en zonder beperking ten aanzien van de precieze route van of naar het afgelegen gebied.

5.  De in aanmerking komende kosten zijn het tarief van een retourticket van of naar het afgelegen gebied, inclusief alle belastingen en heffingen die de vervoersmaatschappij de consument berekent.

6.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.



DEEL 10

Steun voor breedbandinfrastructuur

Artikel 52

Steun voor breedbandinfrastructuur

1.  Investeringssteun ten behoeve van de uitbouw van breedbandnetwerken is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) investeringskosten voor de uitrol van passieve breedbandinfrastructuur;

b) investeringskosten van civieltechnische werkzaamheden voor breedband;

c) investeringskosten voor de uitrol van basisbreedbandnetwerken, en

d) investeringskosten voor de uitrol van Next Generation Access (NGA) netwerken.

▼M1

2 bis.  In plaats van de in aanmerking komende kosten vast te stellen zoals bepaald in lid 2, kan het maximale steunbedrag voor een project worden vastgesteld op grond van de concurrerende selectieprocedure zoals vereist in lid 4.

▼B

3.  De investering vindt plaats in gebieden waar er geen infrastructuur van dezelfde categorie (basisbreedband- of NGA-netwerk) voorhanden is en waar dit soort infrastructuur binnen drie jaar vanaf het ogenblik van de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel waarschijnlijk niet op zakelijke voorwaarden zal worden uitgerold, hetgeen ook via een open publieke consultatie dient te worden nagegaan.

4.  De steun wordt toegewezen op grond van een openbare, transparante en niet-discriminerende concurrerende selectieprocedure die het beginsel van technologische neutraliteit in acht neemt.

5.  De netwerkexploitant biedt op eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden de ruimst mogelijke actieve en passieve wholesaletoegang in de zin van artikel 2, punt 139, van deze verordening, met inbegrip van fysieke ontbundeling in het geval van NGA-netwerken. Dit soort wholesaletoegang wordt verleend voor ten minste zeven jaar en het recht op toegang tot buizen of masten wordt niet in de tijd beperkt. In het geval van steun voor de aanleg van buizen zijn deze buizen breed genoeg om plaats te bieden voor meerdere kabelnetwerken en verschillende netwerktopologieën.

6.  Het wholesaletoegangstarief is gebaseerd op de tariefbeginselen die de nationale toezichthouder heeft vastgesteld en op benchmarks die in andere vergelijkbare, meer concurrerende gebieden van de lidstaat of de Unie van toepassing zijn, rekening houdende met de steun die de netwerkexploitant ontvangt. De nationale toezichthouder wordt geraadpleegd over toegangsvoorwaarden (zoals tarieven) en in het geval van een geschil tussen de partijen die toegang willen, en de exploitant van de gesubsidieerde infrastructuur.

7.  Lidstaten zetten een monitoring- en terugvorderingsmechanisme op indien het steunbedrag voor het project meer dan 10 miljoen EUR bedraagt.



DEEL 11

Steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed

Artikel 53

Steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed

1.  Steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De steun wordt toegekend voor de volgende culturele doelstellingen en activiteiten:

▼M1

a) musea, archieven, bibliotheken, kunstencentra en cultuurcentra of artistieke of culturele locaties, theaters, bioscopen, operahuizen, concerthallen, andere live-performanceorganisaties, cinematografische erfgoedinstellingen, en andere vergelijkbare artistieke en culturele infrastructuurvoorzieningen, organisaties en instellingen;

▼B

b) materieel erfgoed, waaronder alle vormen van roerend of onroerend cultureel erfgoed en archeologische sites, monumenten, historische locaties en gebouwen; natuurerfgoed met een rechtstreekse band met cultuurerfgoed of indien dit door de bevoegde overheidsinstanties van een lidstaat formeel is erkend als cultuur- of natuurerfgoed;

c) immaterieel erfgoed in welke vorm ook, met inbegrip van volksgebruiken en ambachten;

d) kunst- of culturele evenementen en performances, festivals, tentoonstellingen en andere vergelijkbare culturele activiteiten;

e) culturele en artistieke educatie alsmede de bewustmaking van het belang van de bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen via educatieve programma's en bewustmakingscampagnes voor het grote publiek, onder meer door middel van nieuwe technologieën;

f) schrijven, uitgeven, productie, distributie, digitalisering en publiceren van muziek en literatuur, met inbegrip van vertalingen.

3.  De steun kan de vorm hebben van:

a) investeringssteun, met inbegrip van steun voor de bouw of modernisering van cultuurvoorzieningen;

b) exploitatiesteun.

4.  Wat investeringssteun betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de kosten voor investeringen in materiële en immateriële activa, met inbegrip van:

a) kosten voor de bouw, modernisering, verwerving, instandhouding of verbetering van infrastructuur, indien jaarlijks ten minste 80 % van de tijd- of ruimtecapaciteit voor culturele doeleinden wordt gebruikt;

b) kosten voor de verwerving, met inbegrip van huur, eigendomsoverdracht of fysieke verplaatsing van cultureel erfgoed;

c) kosten voor bescherming, instandhouding, restauratie en herstel van materieel en immaterieel cultureel erfgoed, met inbegrip van bijkomende kosten voor de opslag onder geschikte omstandigheden, speciale uitrusting, materialen en de kosten voor documentatie, onderzoek, digitalisering en publicatie;

d) kosten om cultureel erfgoed beter toegankelijk te maken voor het publiek, met inbegrip van kosten voor digitalisering en andere nieuwe technologieën, kosten om de toegankelijkheid te verbeteren voor mensen met speciale behoeften (met name hellingbanen en liften voor mensen met een handicap, aanduidingen in braille en voel- en tastobjecten in musea) en kosten om de culturele diversiteit ten aanzien van presentaties, programma's en bezoekers te bevorderen;

e) kosten voor culturele projecten en activiteiten, samenwerkings- en uitwisselingsprogramma's en -beurzen, met inbegrip van kosten voor selectieprocedures, promotiekosten en kosten die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

5.  Wat exploitatiesteun betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de volgende:

a) de kosten van de culturele instelling of erfgoedlocatie in verband met vaste of tijdelijke activiteiten, waaronder tentoonstellingen, uitvoeringen en evenementen en vergelijkbare culturele activiteiten die plaatsvinden in het kader van hun normale activiteiten;

b) kosten van culturele en artistieke educatie en van de bewustmaking van het belang van de bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen via educatieve programma's en bewustmakingscampagnes voor het grote publiek, onder meer door middel van nieuwe technologieën;

c) kosten om de locaties en activiteiten van culturele instellingen of erfgoedlocaties beter toegankelijk te maken voor het publiek, met inbegrip van kosten voor digitalisering en het gebruik van nieuwe technologieën, alsmede kosten om de toegankelijkheid te verbeteren voor mensen met een handicap;

d) exploitatiekosten die rechtstreeks verband houden met het culturele project of de culturele activiteit, zoals het huren of leasen van vastgoed en culturele locaties, reiskosten, materialen en leveranties die rechtstreeks verband houden met het culturele project of de culturele activiteit, architectonische structuren voor tentoonstellingen en podia, de ontlening, huur en afschrijving van werktuigen, software en uitrusting, kosten voor toegangsrechten tot auteursrechtelijk beschermde werken en andere verwante door intellectuele-eigendomsrechten beschermde content, promotiekosten en kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het project of de activiteit. Afschrijvingslasten en financieringskosten komen alleen in aanmerking indien deze niet werden gedekt door investeringssteun;

e) kosten voor personeel dat werkt voor de culturele instelling, de erfgoedlocatie of een project;

f) kosten voor advies- en ondersteuningsdiensten geleverd door externe consultants en dienstverrichters, die rechtstreeks voortvloeien uit het project.

6.  In het geval van investeringssteun is het steunbedrag niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme. De exploitant van de infrastructuur mag een redelijke winst behouden over de betrokken periode.

7.  In het geval van exploitatiesteun is het steunbedrag niet hoger dan wat nodig is om de exploitatietekorten plus een redelijke winst over de betrokken periode te dekken. Dit wordt geborgd vooraf op basis van redelijke prognoses, of via een terugvorderingsmechanisme.

▼M1

8.  Voor steun van ten hoogste 2 miljoen EUR kan het maximale steunbedrag, in plaats van dat aan de hand van de in de leden 6 en 7 genoemde methode vast te stellen, worden bepaald op 80 % van de in aanmerking komende kosten.

▼B

9.   ►M1  Voor de in lid 2, onder f), genoemde activiteiten is het maximale steunbedrag niet hoger dan hetzij het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de gedisconteerde inkomsten van het project, hetzij 70 % van de in aanmerking komende kosten. ◄ De inkomsten worden in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf hetzij via een terugvorderingsmechanisme. De in aanmerking komende kosten zijn de kosten voor publicatie van muziek en literatuur, met inbegrip van de auteursvergoedingen (kosten van auteursrechten), vergoedingen van vertalers, vergoedingen van redacteuren, andere publicatiekosten (proeflezen, correctie, revisie), opmaak- en prepresskosten, en kosten voor drukken en e-publishing.

10.  Steun voor kranten en tijdschriften, ongeacht of deze op papier of elektronisch worden gepubliceerd, komt op grond van dit artikel niet in aanmerking.

Artikel 54

Steunregelingen voor audiovisuele werken

1.  Steunregelingen ten behoeve van het schrijven van scenario's, de ontwikkeling, productie, distributie en promotie van audiovisuele werken zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De steun is bestemd voor een cultureel product. Om kennelijke fouten te voorkomen bij de kwalificatie van een product als cultureel product, stelt iedere lidstaat doeltreffende procedures vast, zoals een selectie van voorstellen door één of meer met de selectie belaste personen of een aftoetsing aan een vooraf vastgestelde lijst van culturele criteria.

3.  De steun kan de vorm hebben van:

a) steun voor de productie van audiovisuele werken;

b) preproductiesteun, en

c) distributiesteun.

4.  Wanneer een lidstaat de steun afhankelijk stelt van territoriale bestedingsverplichtingen, kan in steunregelingen voor de productie van audiovisuele werken:

a) ofwel worden geëist dat tot 160 % van de voor de productie van een bepaald audiovisueel werk verleende steun wordt besteed op het grondgebied van de steunverlenende lidstaat, of

b) ofwel het bedrag van de steun ten behoeve van de productie van een bepaald audiovisueel werk wordt berekend als een percentage van de bestedingen voor productieactiviteiten in de steunverlenende lidstaat, doorgaans in het geval van steunregelingen in de vorm van fiscale prikkels.

▼M1

In beide gevallen bedraagt het maximumbedrag aan uitgaven waarvoor territoriale bestedingsverplichtingen gelden, in geen geval meer dan 80 % van het totale productiebudget.

Om projecten voor steun in aanmerking te laten komen, kan een lidstaat ook een minimumvolume aan productieactiviteiten in het betrokken grondgebied eisen, maar dat volume bedraagt ten hoogste 50 % van het totale productiebudget.

▼B

5.  De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a) voor productiesteun: de totale kosten van de productie van audiovisuele werken, met inbegrip van de kosten om de toegankelijkheid voor personen met een handicap te verbeteren;

b) voor preproductiesteun: de kosten van het schrijven van scenario's en de ontwikkeling van audiovisuele werken;

c) voor distributiesteun: de kosten van de distributie en promotie van audiovisuele werken.

6.  De steunintensiteit voor de productie van audiovisuele werken bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.

7.  De steunintensiteit kan als volgt worden verhoogd:

a) tot 60 % van de in aanmerking komende kosten voor grensoverschrijdende producties die door meer dan één lidstaat worden gefinancierd en waarbij producenten uit meer dan één lidstaat betrokken zijn;

b) tot 100 % van de in aanmerking komende kosten voor moeilijke audiovisuele werken en coproducties waarbij landen uit de OESO/DAC-lijst betrokken zijn.

8.  De steunintensiteit bedraagt in het geval van preproductie ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten. Indien van het uiteindelijke script of project een audiovisueel werk zoals een film wordt gemaakt, worden de preproductiekosten opgenomen in het totale budget en wordt daarmee rekening gehouden bij het berekenen van de steunintensiteit. De steunintensiteit is in het geval van distributie dezelfde als de steunintensiteit voor productie.

9.  De steun wordt niet voorbehouden voor specifieke productieactiviteiten of individuele onderdelen van de waardeketen van de productie. Steun voor infrastructuur van filmstudio's komt niet in aanmerking op grond van dit artikel.

10.  Steun wordt niet uitsluitend voorbehouden voor eigen staatsburgers en van de begunstigden kan niet worden geëist dat zij de status hebben van onderneming die volgens de nationale handelswetgeving is opgericht.



DEEL 12

Steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur

Artikel 55

Steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur

1.  Steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De sportinfrastructuur wordt niet uitsluitend door één gebruiker uit de profsport gebruikt. Het gebruik van de sportinfrastructuur door andere prof- of amateursporters is jaarlijks goed voor ten minste 20 % van de tijdscapaciteit. Indien de infrastructuur door meerdere gebruikers tegelijkertijd wordt gebruikt, worden overeenkomstige fracties van benutting van de tijdscapaciteit berekend.

3.  Multifunctionele recreatieve infrastructuur omvat recreatieve faciliteiten met een multifunctioneel karakter die met name culturele en recreatieve diensten bieden, met uitzondering van attractieparken en hotelfaciliteiten.

4.  Toegang tot de sportinfrastructuur of multifunctionele recreatieve infrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 30 % van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, mits die voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld.

5.  Indien sportinfrastructuur door profsportclubs wordt gebruikt, zorgen de lidstaten ervoor dat de tariefvoorwaarden voor het gebruik ervan publiek beschikbaar worden gesteld.

6.  Iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de sportinfrastructuur of multifunctionele recreatieve infrastructuur te bouwen, te moderniseren en/of te exploiteren, vindt op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels.

7.  De steun kan de vorm hebben van:

a) investeringssteun, met inbegrip van steun voor de bouw of modernisering van sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur;

b) exploitatiesteun voor sportinfrastructuur.

8.  Wat investeringssteun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de kosten voor investeringen in materiële en immateriële activa.

9.  Wat exploitatiesteun voor sportinfrastructuur betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de exploitatiekosten van de met de infrastructuur geboden dienstverlening. Die exploitatiekosten omvatten kosten zoals personeelskosten, kosten voor materialen, uitbestede diensten, communicatie, energie, onderhoud, huur, administratie, doch niet afschrijvingslasten en financieringskosten indien deze zijn gedekt door investeringssteun.

10.  Wat investeringssteun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur betreft, is het steunbedrag niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme.

11.  Wat exploitatiesteun voor sportinfrastructuur betreft, is het steunbedrag niet hoger dan de exploitatietekorten over de betrokken periode. Dit wordt geborgd vooraf op basis van redelijke prognoses, of via een terugvorderingsmechanisme.

▼M1

12.  Voor steun van ten hoogste 2 miljoen EUR kan het maximale steunbedrag, in plaats van dat aan de hand van de in de leden 10 en 11 genoemde methode vast te stellen, worden bepaald op 80 % van de in aanmerking komende kosten.

▼B



DEEL 13

Steun voor lokale infrastructuurvoorzieningen

Artikel 56

Investeringssteun voor lokale infrastructuurvoorzieningen

1.  Financiering voor de bouw of het upgraden van lokale infrastructuurvoorzieningen waar het om infrastructuur gaat die op het lokale niveau bijdraagt tot het verbeteren van het ondernemings- en consumentenklimaat en het moderniseren en ontwikkelen van de industriële basis, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Dit artikel is niet van toepassing op steun voor infrastructuurvoorzieningen die onder andere delen van hoofdstuk III van deze verordening vallen, met uitzondering van Deel 1 — Regionale steun. Dit artikel is evenmin van toepassing op luchthaveninfrastructuur en haveninfrastructuur.

3.  Dit soort infrastructuurvoorzieningen worden aan belangstellende partijen op open, transparante en niet-discriminerende basis beschikbaar gesteld. De prijs die voor het gebruik of de verkoop van de infrastructuur wordt berekend, stemt overeen met een marktprijs.

4.  Iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de infrastructuur te exploiteren, vindt op open, transparante en niet-discriminerende basis plaats, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels.

5.  De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de investeringen in materiële en immateriële activa.

6.  Het steunbedrag is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme.

7.  Specifieke infrastructuur is op grond van dit artikel niet vrijgesteld.

▼M1



DEEL 14

Steun voor regionale luchthavens

Artikel 56 bis

Steun voor regionale luchthavens

1.  Investeringssteun voor een luchthaven is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in de leden 3 tot en met 14 van dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  Exploitatiesteun voor een luchthaven is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in de leden 3, 4, 10 en 15 tot en met 18 van dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

3.  De luchthaven staat open voor alle potentiële gebruikers. In het geval van een fysieke beperking van de capaciteit vindt de toewijzing plaats aan de hand van relevante, objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.

4.  De steun wordt niet toegekend voor de verplaatsing van bestaande luchthavens of de aanleg van een nieuwe passagiersluchthaven, met inbegrip van de ombouw van een bestaand vliegveld tot een passagiersluchthaven.

5.  De betrokken investering gaat niet verder dan hetgeen nodig is voor het opvangen van het verkeersvolume dat, gebaseerd op redelijke prognoses voor verkeersstromen, voor de middellange termijn wordt verwacht.

6.  De investeringssteun wordt niet toegekend aan een luchthaven die gelegen is binnen een afstand van 100 kilometer of een reistijd van 60 minuten met de auto, bus, trein of hogesnelheidstrein vanaf een bestaande luchthaven van waaruit geregelde luchtdiensten in de zin van artikel 2, punt 16, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 worden uitgevoerd.

7.  De leden 5 en 6 zijn niet van toepassing op luchthavens met een jaarlijkse passagiersstroom van maximaal 200 000 passagiers gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun daadwerkelijk wordt toegekend, indien de investeringssteun naar verwachting niet ertoe zal leiden dat de luchthaven daarmee haar gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom binnen de twee boekjaren volgend op de toekenning van de steun kan uitbreiden tot meer dan 200 000 passagiers. Aan dit soort luchthavens toegekende investeringssteun voldoet hetzij aan lid 11 hetzij aan de leden 13 en 14.

8.  Lid 6 is niet van toepassing wanneer de investeringssteun wordt toegekend aan een luchthaven die gelegen is binnen een afstand van 100 kilometer van bestaande luchthavens van waaruit geregelde luchtdiensten in de zin van artikel 2, punt 16, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 worden uitgevoerd, indien de verbinding tussen elk van deze andere bestaande luchthavens en de luchthaven die de steun ontvangt, noodzakelijkerwijs een totale reistijd per zeevervoer van ten minste 90 minuten of luchtvervoer omvat.

9.  De investeringssteun wordt niet toegekend aan luchthavens met een gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom van meer dan drie miljoen passagiers gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun daadwerkelijk wordt toegekend. De investeringssteun mag naar verwachting niet ertoe leiden dat de luchthaven daarmee haar gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom kan uitbreiden tot meer dan drie miljoen passagiers binnen de twee boekjaren volgend op de toekenning van de steun.

10.  De steun wordt niet toegekend aan luchthavens met een gemiddelde jaarlijkse vrachtstroom van meer dan 200 000  ton gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun daadwerkelijk wordt toegekend. De steun mag naar verwachting niet ertoe leiden dat de luchthaven daarmee haar gemiddelde jaarlijkse vrachtstroom kan uitbreiden tot meer dan 200 000  ton binnen de twee boekjaren volgend op de toekenning van de steun.

11.  Het bedrag van de investeringssteun is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt op de in aanmerking komende kosten in mindering gebracht, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme.

12.  De in aanmerking komende kosten zijn de kosten met betrekking tot de investeringen in luchthaveninfrastructuur, met inbegrip van planningkosten.

13.  Het bedrag van de investeringssteun is niet hoger dan:

a) 50 % van de in aanmerking komende kosten voor luchthavens met een gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom van één tot drie miljoen passagiers gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun daadwerkelijk wordt toegekend;

b) 75 % van de in aanmerking komende kosten voor luchthavens met een gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom van maximaal één miljoen passagiers gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun daadwerkelijk wordt toegekend.

14.  De in lid 13 beschreven maximale steunintensiteiten kunnen met 20 procentpunten worden verhoogd voor luchthavens in afgelegen gebieden.

15.  Exploitatiesteun mag niet worden toegekend aan luchthavens met een gemiddelde jaarlijkse passagiersstroom van meer dan 200 000 passagiers gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de steun daadwerkelijk wordt toegekend.

16.  Het bedrag van de exploitatiesteun mag niet hoger zijn dan hetgeen nodig is om de exploitatietekorten plus een redelijke winst over de betrokken periode te dekken. De steun wordt toegekend ofwel in de vorm van vooraf vastgelegde periodieke tranches, die niet mogen worden verhoogd in de periode waarvoor de steun wordt toegekend, ofwel in de vorm van achteraf vastgestelde bedragen die zijn gebaseerd op de waargenomen exploitatietekorten.

17.  Exploitatiesteun mag niet worden toegekend voor een kalenderjaar waarin de jaarlijkse passagiersstroom van de luchthaven meer dan 200 000 passagiers bedraagt.

18.  De toekenning van de exploitatiesteun mag niet afhankelijk worden gesteld van het afsluiten van regelingen met bepaalde luchtvaartmaatschappijen over luchthavengelden, marketingvergoedingen of andere financiële aspecten van de activiteiten van de luchtvaartmaatschappij op de betrokken luchthaven.



DEEL 15

Steun voor havens

Artikel 56 ter

Steun voor zeehavens

1.  Steun voor zeehavens is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn de kosten, met inbegrip van planningkosten, van:

a) investeringen ten behoeve van de bouw, vervanging of modernisering van haveninfrastructuur;

b) investeringen ten behoeve van de bouw, vervanging of modernisering van toegangsinfrastructuur;

c) baggerwerkzaamheden.

3.  Kosten die verband houden met niet-vervoergerelateerde activiteiten, met inbegrip van industriële productiefaciliteiten die in een haven actief zijn, kantoren of winkels, maar ook met havensuprastructuren, zijn geen in aanmerking komende kosten.

4.  Het steunbedrag is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering of de baggerwerkzaamheden. De exploitatiewinst wordt op de in aanmerking komende kosten in mindering gebracht, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme.

5.  De steunintensiteit voor elke in lid 2, onder a), genoemde investering bedraagt ten hoogste:

a) 100 % van de in aanmerking komende kosten wanneer de totale in aanmerking komende kosten van het project maximaal 20 miljoen EUR bedragen;

b) 80 % van de in aanmerking komende kosten wanneer de totale in aanmerking komende kosten van het project meer dan 20 miljoen EUR en maximaal 50 miljoen EUR bedragen;

c) 60 % van de in aanmerking komende kosten wanneer de totale in aanmerking komende kosten van het project meer dan 50 miljoen EUR bedragen doch niet meer dan het in artikel 4, lid 1, onder ee), vastgestelde bedrag.

De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in lid 2, onder b) en c), bepaalde in aanmerking komende kosten tot maximaal het in artikel 4, lid 1, onder ee), vastgestelde bedrag.

6.  De in lid 5, eerste alinea, onder b) en c), vastgestelde steunintensiteiten kunnen worden verhoogd met 10 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.

7.  Iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de gesteunde haveninfrastructuur te bouwen, te moderniseren, te exploiteren of te huren, vindt op concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke basis plaats.

8.  De gesteunde haveninfrastructuur wordt op gelijke en niet-discriminerende wijze tegen marktvoorwaarden aan belangstellende gebruikers beschikbaar gesteld.

9.  Voor steun van ten hoogste 5 miljoen EUR mag het maximale steunbedrag, in plaats van dat aan de hand van de in de leden 4, 5 en 6 genoemde methode vast te stellen, worden bepaald op 80 % van de in aanmerking komende kosten.

Artikel 56 quater

Steun voor binnenhavens

1.  Steun voor binnenhavens is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.  De in aanmerking komende kosten zijn de kosten, met inbegrip van planningkosten, van:

a) investeringen ten behoeve van de bouw, vervanging of modernisering van haveninfrastructuur;

b) investeringen ten behoeve van de bouw, vervanging of modernisering van toegangsinfrastructuur;

c) baggerwerkzaamheden.

3.  Kosten die verband houden met niet-vervoergerelateerde activiteiten, met inbegrip van industriële productiefaciliteiten die in een haven actief zijn, kantoren of winkels, maar ook met havensuprastructuren, zijn geen in aanmerking komende kosten.

4.  Het steunbedrag is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering of de baggerwerkzaamheden. De exploitatiewinst wordt op de in aanmerking komende kosten in mindering gebracht, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme.

5.  De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten tot maximaal het in artikel 4, lid 1, onder ff), vastgestelde bedrag.

6.  Iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om de gesteunde haveninfrastructuur te bouwen, te moderniseren, te exploiteren of te huren, vindt op concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke basis plaats.

7.  De gesteunde haveninfrastructuur wordt op gelijke en niet-discriminerende wijze tegen marktvoorwaarden aan belangstellende gebruikers beschikbaar gesteld.

8.  Voor steun van ten hoogste 2 miljoen EUR mag het maximale steunbedrag, in plaats van dat aan de hand van de in de leden 4 en 5 genoemde methode vast te stellen, worden bepaald op 80 % van de in aanmerking komende kosten.

▼B



HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 57

Intrekking

Verordening (EG) nr. 800/2008 wordt ingetrokken.

Artikel 58

Overgangsbepalingen

▼M1

1.  Deze verordening is van toepassing op individuele steun die is toegekend voordat de desbetreffende bepalingen van deze verordening in werking zijn getreden, wanneer de steun voldoet aan alle in deze verordening vastgestelde voorwaarden, met uitzondering van artikel 9.

▼B

2.  Steun die niet van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag is vrijgesteld op grond van deze verordening of van andere voordien van kracht zijnde verordeningen die waren vastgesteld op grond van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 994/98, wordt door de Commissie beoordeeld aan de hand van de toepasselijke kaderregelingen, richtsnoeren, mededelingen en bekendmakingen.

3.  Alle individuele steun die vóór 1 januari 2015 wordt toegekend op grond van een op het tijdstip van de toekenning van de steun van kracht zijnde verordening die overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EG) nr. 994/98 is vastgesteld, is verenigbaar met de interne markt en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, met uitzondering van regionale steun. Risicokapitaalsteunregelingen ten behoeve van kmo's die vóór 1 juli 2014 zijn opgezet en die op grond van Verordening (EG) nr. 800/2008 van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag zijn vrijgesteld, blijven vrijgesteld en met de interne markt verenigbaar totdat de financieringsovereenkomst afloopt, mits de toezegging van de publieke financiering voor het gesteunde private-equity-investeringsfonds op basis van die overeenkomst heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2015 en de overige vrijstellingsvoorwaarden vervuld blijven.

▼M1

3 bis.  Alle individuele steun die tussen 1 juli 2014 en 9 juli 2017 is toegekend in overeenstemming met de op het tijdstip van de toekenning van de steun van toepassing zijnde bepalingen van deze verordening, is verenigbaar met de interne markt en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld. Alle individuele steun die vóór 1 juli 2014 is toegekend in overeenstemming met de vóór dan wel na 10 juli 2017 van toepassing zijnde bepalingen van deze verordening, met uitzondering van artikel 9, is verenigbaar met de interne markt en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld.

▼B

4.  Na het verstrijken van de geldigheidsduur van deze verordening blijven alle krachtens deze verordening vrijgestelde steunregelingen nog gedurende een aanpassingsperiode van zes maanden vrijgesteld, met uitzondering van regionale-steunregelingen. De vrijstelling van regionale-steunregelingen vervalt op het tijdstip dat de goedgekeurde regionale-steunkaarten verstrijken. De vrijstelling van risicofinancieringssteun overeenkomstig artikel 21, lid 2, onder a), loopt af aan het eind van de in de financieringsovereenkomst vastgestelde periode, mits de toezegging van de publieke financiering voor het gesteunde private-equity-investeringsfonds op basis van dit soort overeenkomst heeft plaatsgevonden binnen zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van deze verordening en alle overige vrijstellingsvoorwaarden vervuld blijven.

▼M1

5.  Indien deze verordening wordt gewijzigd, blijven steunregelingen die zijn vrijgesteld op grond van deze verordening zoals die van toepassing was op het tijdstip dat de regeling in werking trad, vrijgesteld gedurende een aanpassingsperiode van zes maanden.

▼B

Artikel 59

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2014.

Zij is van toepassing tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

KMO-DEFINITIE

Artikel 1

Onderneming

Als onderneming wordt beschouwd iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent. Met name worden als zodanig beschouwd entiteiten die individueel of in familieverband ambachtelijke of andere activiteiten uitoefenen, personenvennootschappen en verenigingen die regelmatig een economische activiteit uitoefenen.

Artikel 2

Aantal werkzame personen en financiële drempels ter bepaling van de categorieën ondernemingen

1.  Tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen („kmo's”) behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.

2.  Binnen de categorie kmo's is een „kleine onderneming” een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt.

3.  Binnen de categorie kmo's is een „micro-onderneming” een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt.

Artikel 3

Soorten ondernemingen welke voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen in aanmerking worden genomen

1.  Een „zelfstandige onderneming” is elke onderneming die niet als partneronderneming in de zin van lid 2 of als verbonden onderneming in de zin van lid 3 wordt aangemerkt.

2.  „Partnerondernemingen” zijn alle ondernemingen die niet als verbonden ondernemingen in de zin van lid 3 worden aangemerkt en waartussen de volgende band bestaat: een onderneming (van een hoger niveau) heeft, alleen of samen met één of meer in de zin van lid 3 verbonden ondernemingen, 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten van een andere onderneming (van een lager niveau).

Zelfs indien deze drempel van 25 % wordt bereikt of overschreden, kan een onderneming als zelfstandige onderneming en derhalve niet als onderneming met partnerondernemingen worden aangemerkt, indien het om de volgende categorieën investeerders gaat en mits dezen individueel noch gezamenlijk met de betrokken onderneming verbonden zijn in de zin van lid 3:

a) openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, natuurlijke personen of groepen natuurlijke personen die geregeld risicokapitaal beleggen en eigen vermogen in niet-beursgenoteerde ondernemingen investeren (business angels), mits de totale investering van deze business angels in een zelfde onderneming 1 250 000 EUR niet overschrijdt;

b) universiteiten of onderzoekscentra zonder winstoogmerk;

c) institutionele beleggers, met inbegrip van regionale ontwikkelingsfondsen;

d) autonome lokale autoriteiten die een jaarlijkse begroting hebben van minder dan 10 miljoen EUR en minder dan 5 000 inwoners tellen.

3.  „Verbonden ondernemingen” zijn ondernemingen die met elkaar een van de volgende banden onderhouden:

a) een onderneming heeft de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een andere onderneming;

b) een onderneming heeft het recht de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een andere onderneming te benoemen of te ontslaan;

c) een onderneming heeft het recht een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van laatstgenoemde onderneming;

d) een onderneming heeft als aandeelhouder of vennoot van een andere onderneming, op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van laatstgenoemde onderneming.

Van overheersende invloed wordt geacht geen sprake te zijn, indien de in lid 2, tweede alinea, genoemde investeerders zich niet direct of indirect met het beheer van de betrokken onderneming bemoeien, onverminderd de rechten die zij als aandeelhouders of vennoten bezitten.

Ondernemingen worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij via één of meerdere andere ondernemingen of via een investeerder als bedoeld in lid 2, één van de in de eerste alinea bedoelde banden onderhouden.

Ondernemingen die via een natuurlijke persoon of een in gemeenschappelijk overleg handelende groep van natuurlijke personen een van deze banden onderhouden, worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij hun activiteiten of een deel van hun activiteiten op dezelfde markt of op verwante markten uitoefenen.

Als „verwante markt” wordt beschouwd de producten- of dienstenmarkt die zich direct upstream of downstream de relevante markt bevindt.

4.  Behoudens de in lid 2, tweede alinea, bedoelde gevallen kan een onderneming niet als kmo worden aangemerkt indien één of meer overheidsinstanties, gezamenlijk of afzonderlijk, direct of indirect zeggenschap hebben over 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten.

5.  Ondernemingen kunnen een verklaring opstellen over hun hoedanigheid van zelfstandige onderneming, partneronderneming of verbonden onderneming en de gegevens met betrekking tot de in artikel 2 vermelde drempels. Zelfs indien het wegens de spreiding van het kapitaal onmogelijk is precies vast te stellen wie het in handen heeft, kan deze verklaring worden opgesteld mits de onderneming te goeder trouw verklaart dat zij redelijkerwijze kan aannemen niet voor 25 % of meer in handen te zijn van één onderneming of van verscheidene verbonden ondernemingen gezamenlijk. Dergelijke verklaringen doen geen afbreuk aan de controles of verificaties waarin de nationale regelgeving of Unieregelgeving voorziet.

Artikel 4

Gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen en referentieperiode

1.  De gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen hebben betrekking op het laatste afgesloten boekjaar en worden jaarlijks berekend. Zij worden vanaf de datum van afsluiting van de rekeningen in aanmerking genomen. Het bedrag van de omzet wordt berekend exclusief belasting over de toegevoegde waarde (btw) en andere indirecte rechten of heffingen.

2.  Wanneer een onderneming op de datum van afsluiting van de rekeningen vaststelt dat de op jaarbasis berekende gegevens boven of onder de in artikel 2 bedoelde drempels voor het aantal werkzame personen of de financiële bedragen liggen, verkrijgt of verliest zij de hoedanigheid van middelgrote, kleine of micro-onderneming alleen wanneer deze drempels in twee opeenvolgende boekjaren worden overschreden.

3.  In het geval van nieuw opgerichte ondernemingen waarvan de eerste jaarrekening nog niet is afgesloten, worden de in aanmerking te nemen gegevens bepaald door middel van een in de loop van het boekjaar te goeder trouw gemaakte schatting.

Artikel 5

Aantal werkzame personen

Het aantal werkzame personen komt overeen met het aantal arbeidsjaareenheden (AJE), dit is het aantal personen dat het gehele desbetreffende jaar voltijds in de betrokken onderneming of voor rekening van deze onderneming heeft gewerkt. Het werk van personen die niet het gehele jaar hebben gewerkt, deeltijdwerk ongeacht de duur ervan en seizoenarbeid, wordt in breuken van AJE's uitgedrukt. Het aantal werkzame personen bestaat uit:

a) de loontrekkenden;

b) de personen die voor deze onderneming werken, er een ondergeschikte verhouding mee hebben en voor het nationale recht met loontrekkenden gelijkgesteld zijn;

c) de eigenaren-bedrijfsleiders;

d) de vennoten die geregeld een activiteit in de onderneming uitoefenen en van de onderneming financiële voordelen genieten.

Leerlingen en studenten die een beroepsopleiding volgen en een leer- of beroepsopleidingsovereenkomst hebben, worden niet meegeteld in het aantal werkzame personen. De duur van zwangerschaps- en ouderschapsverlof wordt niet meegerekend.

Artikel 6

Vaststelling van de gegevens van de onderneming

1.  In het geval van een zelfstandige onderneming worden de gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, uitsluitend op grond van de rekeningen van die onderneming vastgesteld.

2.  De gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, van een onderneming die partnerondernemingen of verbonden ondernemingen heeft, worden vastgesteld op grond van de rekeningen en andere gegevens van de onderneming of, zo van toepassing, van de geconsolideerde rekeningen van de onderneming of van de geconsolideerde rekeningen waarin de onderneming door consolidatie is opgenomen.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van de betrokken onderneming, die zich onmiddellijk boven of onder het niveau van die onderneming bevinden. De samentelling geschiedt in evenredigheid met het aandeel in het kapitaal of de stemrechten (het hoogste van de beide percentages). Bij kruisparticipatie geldt het hoogste van deze percentages.

De in de eerste en tweede alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met alle, nog niet door consolidatie in de rekeningen opgenomen gegevens (100 %) van de eventuele, direct of indirect met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen.

3.  Voor de toepassing van lid 2 resulteren de gegevens van de partnerondernemingen van de betrokken onderneming uit de, indien van toepassing, geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze worden samengeteld met alle gegevens (100 %) van de met deze partnerondernemingen verbonden ondernemingen, tenzij hun gegevens reeds door consolidatie daarin zijn opgenomen.

Voor de toepassing van het genoemde lid 2 resulteren de gegevens van de met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen uit hun, indien van toepassing, geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze worden evenredig samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van deze verbonden ondernemingen, die zich onmiddellijk boven of onder het niveau van laatstgenoemde ondernemingen bevinden, mits deze gegevens nog niet zijn opgenomen in de geconsolideerde rekeningen in een verhouding die ten minste gelijk is aan het in de tweede alinea van lid 2 vastgestelde percentage.

4.  Indien het aantal werkzame personen van een bepaalde onderneming niet uit de geconsolideerde rekeningen blijkt, wordt het berekend door de gegevens van haar partnerondernemingen evenredig samen te tellen en daaraan de gegevens toe te voegen van de ondernemingen waarmee zij is verbonden.




BIJLAGE II

GEGEVENS BETREFFENDE OP DE VOORWAARDEN VAN DEZE VERORDENING VRIJGESTELDE STAATSSTEUN

DEEL I

Overeenkomstig artikel 11 te verschaffen via de geëigende IT-toepassing van de Commissie

image

image

▼M1

DEEL II

Overeenkomstig artikel 11 te verschaffen via de geëigende IT-toepassing van de Commissie

Geef aan op grond van welke bepaling van de algemene groepsvrijstellingsverordening de steunmaatregel ten uitvoer wordt gelegd



Primaire doelstelling — Algemene doelstellingen (lijst)

Doelstellingen (lijst)

Maximale steunintensiteit in % of maximaal jaarlijks steunbedrag in nationale valuta (hele bedragen)

Kmo-opslagen in %

Regionale steun — Investeringssteun (1) (artikel 14)

□  Regeling

… %

… %

□  Ad-hocsteun

… %

… %

Regionale steun — Exploitatiesteun (artikel 15)

□  Vervoerskosten in in aanmerking komende gebieden (artikel 15, lid 2, onder a))

… %

… %

□  Bijkomende kosten in ultraperifere gebieden (artikel 15, lid 2, onder b))

… %

… %

□  Regionale stadsontwikkelingssteun (artikel 16)

... nationale valuta

… %

Kmo-steun (artikelen 17-20)

□  Investeringssteun voor kmo's (artikel 17)

… %

… %

□  Consultancysteun voor kmo's (artikel 18)

… %

… %

□  Kmo-steun ten behoeve van deelneming aan beurzen (artikel 19)

… %

… %

□  Steun voor samenwerkingskosten gemaakt door aan projecten voor Europese territoriale samenwerking deelnemende kmo's (artikel 20)

… %

… %

Kmo-steun — Toegang kmo's tot financiering (artikelen 21-22)

□  Risicofinancieringssteun (artikel 21)

... nationale valuta

… %

□  Starterssteun (artikel 22)

... nationale valuta

… %

□  Kmo-steun — Steun voor in kmo's gespecialiseerde alternatieve handelsplatforms (artikel 23)

… %; indien steunmaatregel starterssteun is: ... nationale valuta

… %

□  Kmo-steun — Steun voor scoutingkosten (artikel 24)

… %

… %

O&O&I-steun (artikelen 25-30)

Steun voor O&O-projecten (artikel 25)

□  Fundamenteel onderzoek (artikel 25, lid 2, onder a))

… %

… %

□  Industrieel onderzoek (artikel 25, lid 2, onder b))

… %

… %

□  Experimentele ontwikkeling (artikel 25, lid 2, onder c))

… %

… %

□  Haalbaarheidsstudies (artikel 25, lid 2, onder d))

… %

… %

□  Investeringssteun voor onderzoeksinfrastructuur (artikel 26)

… %

… %

□  Steun voor innovatieclusters (artikel 27)

… %

… %

□  Innovatiesteun voor kmo's (artikel 28)

… %

… %

□  Steun voor proces- en organisatie-innovatie (artikel 29)

… %

… %

□  O&O-steun in de visserij- en aquacultuursector (artikel 30)

… %

… %

□  Opleidingssteun (artikel 31)

… %

… %

Steun voor kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap (artikelen 32-35)

□  Steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de aanwerving van kwetsbare werknemers (artikel 32)

… %

… %

□  Steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de tewerkstelling van werknemers met een handicap (artikel 33)

… %

… %

□  Steun ter compensatie van de bijkomende kosten voor de tewerkstelling van werknemers met een handicap (artikel 34)

… %

… %

□  Steun ter compensatie van de kosten voor de begeleiding van kwetsbare werknemers (artikel 35)

… %

… %

Steun voor milieubescherming (artikelen 36-49)

□  Investeringssteun om ondernemingen in staat te stellen verder te gaan dan Unienormen inzake milieubescherming of, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen (artikel 36)

… %

… %

□  Investeringssteun voor vroege aanpassing aan toekomstige Unienormen (artikel 37)

… %

… %

□  Investeringssteun ten behoeve van energie-efficiëntiemaatregelen (artikel 38)

… %

… %

□  Investeringssteun ten behoeve van energie-efficiëntieprojecten in gebouwen (artikel 39)

... nationale valuta

… %

□  Investeringssteun ten behoeve van hoogrenderende wkk (artikel 40)

… %

… %

□  Investeringssteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen (artikel 41)

… %

… %

□  Exploitatiesteun ter bevordering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen (artikel 42)

… %

… %

□  Exploitatiesteun ter bevordering van in kleinschalige installaties uit hernieuwbare energiebronnen opgewekte energie (artikel 43)

… %

… %

□  Steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen krachtens Richtlijn 2003/96/EG (artikel 44)

… %

… %

□  Investeringssteun voor sanering verontreinigde terreinen (artikel 45)

… %

… %

□  Investeringssteun voor energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling (artikel 46)

… %

… %

□  Investeringssteun ten behoeve van recycling en hergebruik van afval (artikel 47)

… %

… %

□  Investeringssteun voor energie-infrastructuur (artikel 48)

… %

… %

□  Steun ten behoeve van milieustudies (artikel 49)

… %

… %

□  Steunregelingen tot herstel van de schade veroorzaakt door bepaalde natuurrampen (artikel 50)

Maximale steunintensiteit

… %

… %

Soort natuurramp

□  Aardbeving

□  Lawine

□  Grondverschuiving

□  Overstroming

□  Tornado

□  Orkaan

□  Vulkaanuitbarsting

□  Natuurbrand

Datum waarop de natuurramp plaatsvond

dd/mm/jjjj tot dd/mm/jjjj

□  Sociale vervoerssteun ten behoeve van bewoners van afgelegen gebieden (artikel 51)

… %

… %

□  Steun voor breedbandinfrastructuur (artikel 52)

... nationale valuta

… %

□  Steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed (artikel 53)

… %

… %

□  Steunregelingen voor audiovisuele werken (artikel 54)

 

 

… %

… %

□  Steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur (artikel 55)

… %

… %

□  Investeringssteun voor lokale infrastructuurvoorzieningen (artikel 56)

… %

… %

□  Steun voor regionale luchthavens (artikel 56 bis)

… %

… %

□  Steun voor zeehavens (artikel 56 ter)

… %

… %

□  Steun voor binnenhavens (artikel 56 quater)

… %

… %

(1)   Vermeld in het geval van regionale ad-hocsteun ter aanvulling van steun in het kader van (een) steunregeling(en) zowel de intensiteit van de steun in het kader van de regeling als de intensiteit van de ad-hocsteun.

▼B




BIJLAGE III

Bepalingen voor het bekendmaken van gegevens overeenkomstig artikel 9, lid 1

De lidstaten zetten hun uitgebreide staatssteunwebsites waarop de in artikel 9, lid 1, verlangde gegevens moeten worden bekendgemaakt, zodanig op dat die gegevens gemakkelijk toegankelijk zijn. Deze gegevens worden bekendgemaakt in een spreadsheetformaat, waarmee de gegevens kunnen worden doorzocht, uitgelicht en gemakkelijk op het internet kunnen worden gepubliceerd, zoals bijvoorbeeld in CSV- of XML-formaat. Alle belangstellenden hebben zonder restricties toegang tot de website. Gebruikers hoeven zich niet vooraf te registreren om toegang tot de website te krijgen.

De volgende gegevens inzake individuele steunverleningen worden, overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder c), bekendgemaakt:

 naam van de begunstigde,

 identificator van de begunstigde,

 soort onderneming (kmo/grote onderneming) op het tijdstip van de toekenning van de steun,

 regio waarin de begunstigde is gevestigd (op NUTS 2-niveau) ( 33 ),

 economische sector waarin de begunstigde actief is (op NACE-groepsniveau) ( 34 ),

 steunelement, uitgedrukt in hele bedragen, in nationale valuta ( 35 ),

 steuninstrument ( 36 ) (subsidie/rentesubsidie, lening/terugbetaalbaar voorschot/terugbetaalbare subsidie, garantie, belastingvoordeel of belastingvrijstelling, risicofinanciering, overige (specificeren s.v.p.)),

 datum van toekenning,

 doel van de steun,

 steunverlenende autoriteit,

 voor regelingen op grond van artikel 16 en artikel 21: de naam van de met het beheer belaste entiteit en de namen van de geselecteerde financiële intermediairs,

 referentie van de steunmaatregel ( 37 ).



( 1 ) Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).

( 2 ) Besluit 2010/787/EU van de Raad van 10 december 2010 betreffende staatssteun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen (PB L 336 van 21.12.2010, blz. 24).

( 3 ) PB L 336 van 21.12.2010, blz. 24.

( 4 ) Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19.

( 5 ) PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1.

( 6 ) PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.

( 7 ) PB L 206 van 8.8.2009, blz. 1.

( 8 ) PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8.

( 9 ) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1.

( 10 ) COM(2012) 595 final van 17.10.2012.

( 11 ) PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.

( 12 ) PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55.

( 13 ) PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94.

( 14 ) PB L 211 van 14.8.2009, blz. 1.

( 15 ) PB L 211 van 14.8.2009, blz. 15.

( 16 ) PB L 211 van 14.8.2009, blz. 36.

( 17 ) Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3).

( 18 ) Richtlijn 96/67/EG van de Raad van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap (PB L 272 van 25.10.1996, blz. 36).

( 19 ) Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PB L 332 van 28.12.2000, blz. 81).

( 20 ) Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).

( 21 ) PB C 155 van 20.6.2008, blz. 10.

( 22 ) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

( 23 ) Voor regelingen op grond van artikel 16 en artikel 21 van deze verordening kan van het vereiste om over elke individuele steunverlening van meer dan 500 000 EUR gegevens bekend te maken, ontheffing worden verleend aan kmo's die geen commerciële verkoop hebben verricht op een markt.

( 24 ) PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.

( 25 ) Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).

( 26 ) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

( 27 ) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1.

( 28 ) PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.

( 29 ) PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.

( 30 ) PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1.

( 31 ) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114.

( 32 ) PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66.

( 33 ) NUTS — Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek. Meestal wordt de regio op NUTS 2-niveau vermeld.

( 34 ►M1  Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1). ◄

( 35 ►M1  Bruto-subsidie-equivalent of, voor maatregelen op grond van de artikelen 16, 21, 22 of 39 van deze verordening, het investeringsbedrag. ◄ Bij exploitatiesteun kan het jaarlijkse bedrag aan steun per begunstigde worden meegedeeld. Voor fiscale regelingen en voor regelingen op grond van artikel 16 (regionale stadsontwikkelingssteun) en artikel 21 (risicofinancieringssteun) kan dit bedrag worden meegedeeld volgens de tranches vermeld in artikel 9, lid 2, van deze verordening.

( 36 ) Indien de steun wordt verleend via meerdere steuninstrumenten, moet het steunbedrag per instrument worden vermeld.

( 37 ) Zoals door de Commissie meegedeeld in het kader van de in de artikel 11 van deze verordening bedoelde elektronische kennisgevingsprocedure.

Top