EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02013L0036-20210628

Consolidated text: Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/36/2021-06-28

02013L0036 — NL — 28.06.2021 — 007.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

►M6  RICHTLIJN 2013/36/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 juni 2013

betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG ◄

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

RICHTLIJN 2014/17/ЕU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 4 februari 2014

  L 60

34

28.2.2014

 M2

RICHTLIJN 2014/59/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 mei 2014

  L 173

190

12.6.2014

►M3

RICHTLIJN (EU) 2015/2366 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 25 november 2015

  L 337

35

23.12.2015

 M4

RICHTLIJN (EU) 2018/843 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 30 mei 2018

  L 156

43

19.6.2018

►M5

RICHTLIJN (EU) 2019/878 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 20 mei 2019

  L 150

253

7.6.2019

►M6

RICHTLIJN (EU) 2019/2034 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 27 november 2019

  L 314

64

5.12.2019

►M7

RICHTLIJN (EU) 2021/338VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 16 februari 2021

  L 68

14

26.2.2021


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 208, 2.8.2013, blz.  73 (2013/36/EU)

►C2

Rectificatie, PB L 020, 25.1.2017, blz.  1 (2013/36/EU)

►C3

Rectificatie, PB L 252, 2.10.2019, blz.  41 (2019/878)

►C4

Rectificatie, PB L 271, 24.10.2019, blz.  30 (2019/878)

►C5

Rectificatie, PB L 203, 26.6.2020, blz.  95 (2013/36/EU)

►C6

Rectificatie, PB L 212, 3.7.2020, blz.  20 (2019/878)




▼B

▼M6

RICHTLIJN 2013/36/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 juni 2013

betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG

▼B

(Voor de EER relevante tekst)



TITEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

▼M6

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot:

a) 

toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen;

b) 

toezichtsbevoegdheden en ‐instrumenten voor de uitoefening van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen door bevoegde autoriteiten;

c) 

het prudentieel toezicht op kredietinstellingen door bevoegde autoriteiten op een wijze die strookt met de voorschriften die in Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgelegd;

d) 

openbaarmakingsvereisten voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en prudentieel toezicht op kredietinstellingen.

▼B

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  
Deze richtlijn is van toepassing op instellingen.

▼M6 —————

▼B

4.  
Artikel 34 en titel VII, hoofdstuk 3, zijn van toepassing op financiële holdings, op gemengde financiële holdings en op gemengde holdings die hun hoofdkantoor in de Unie hebben.

▼M5

5.  

Deze richtlijn is niet van toepassing op:

▼M6 —————

▼M5

2. 

centrale banken;

3. 

postcheque- en girodiensten;

4. 

in Denemarken, het „Eksport Kredit Fonden”, het „Eksport Kredit Fonden A/S”, het „Danmarks Skibskredit A/S” en het „KommuneKredit”;

5. 

in Duitsland, de „Kreditanstalt für Wiederaufbau”, „Landwirtschaftliche Rentenbank”, „Bremer Aufbau-Bank GmbH”, „Hamburgische Investitions- und Förderbank”, „Investitionsbank Berlin”, „Investitionsbank des Landes Brandenburg”, „Investitionsbank Schleswig-Holstein”, „Investitions- und Förderbank Niedersachsen — NBank”, „Investitions- und Strukturbank Rheinland-Pfalz”, „Landeskreditbank Baden-Württemberg — Förderbank”, „LfA Förderbank Bayern”, „NRW.BANK”, „Saarländische Investitionskreditbank AG”, „Sächsische Aufbaubank — Förderbank”, „Thüringer Aufbaubank”, instellingen die op grond van het „Wohnungsgemeinnützigkeitsgesetz” erkend zijn als organen ter uitvoering van het woningbouwbeleid van de centrale overheid en niet overwegend banktransacties verrichten, alsmede instellingen die op grond van deze wet erkend zijn als woningbouwverenigingen van algemeen nut;

6. 

in Estland, de „hoiu-laenuühistud”, die op grond van de „hoiu-laenuühistu seadus” erkend zijn als coöperatieve ondernemingen;

7. 

in Ierland, de „Strategic Banking Corporation of Ireland”, de „credit unions” en „friendly societies”;

8. 

in Griekenland, de „Ταμείο Παρακαταθηκών και Δανείων” (Tamio Parakatathikon kai Danion);

9. 

in Spanje, het „Instituto de Crédito Oficial”;

10. 

in Frankrijk, de „Caisse des dépôts et consignations”;

11. 

in Kroatië, de „kreditne Unije” en de „Hrvatska banka za obnovu i razvitak”;

12. 

in Italië, de „Cassa depositi e prestiti”;

13. 

in Letland, de „krājaizdevu sabiedrības”, ondernemingen die op grond van de „krājaizdevu sabiedrības likums” erkend zijn als coöperatieve ondernemingen die alleen aan hun leden financiële diensten verlenen;

14. 

in Litouwen, de „kredito unijos”, behalve de „Centrinės kredito unijos”;

15. 

in Hongarije, de „MFB Magyar Fejlesztési Bank Zártkörűen Működő Részvénytársaság” en de „Magyar Export-Import Bank Zártkörűen Működő Részvénytársaság”;

16. 

in Malta, de „Malta Development Bank”;

17. 

in Nederland, de „Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden NV”, de „NV Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij”, de „NV Limburgs Instituut voor Ontwikkeling en Financiering”, de „Ontwikkelingsmaatschappij Oost-Nederland NV” en kredietunies;

18. 

in Oostenrijk, ondernemingen die zijn erkend als bouwvereniging van algemeen nut en de „Österreichische Kontrollbank AG”;

19. 

in Polen, de „Spółdzielcze Kasy Oszczędnościowo — Kredytowe” en de „Bank Gospodarstwa Krajowego”;

20. 

in Portugal, de op 1 januari 1986 bestaande „Caixas Económicas” met uitzondering van die gedeelten die naamloze vennootschap zijn en van de „Caixa Económica Montepio Geral”;

21. 

in Slovenië, de „SID-Slovenska izvozna in razvojna banka, d.d. Ljubljana”;

22. 

in Finland, „Teollisen yhteistyön rahasto Oy/Fonden för industriellt samarbete Ab” en „Finnvera Oyj/Finnvera Abp”;

23. 

in Zweden, de „Svenska Skeppshypotekskassan”;

24. 

in het Verenigd Koninkrijk, de „National Savings and Investments” (NS&I), de „CDC Group plc”, de „Agricultural Mortgage Corporation Ltd”, de „Crown Agents for overseas governments and administrations”, de „credit unions” en de „municipal banks”.

▼M6

6.  
De entiteiten, bedoeld in lid 5, punten 3 tot en met 24, van dit artikel, worden, voor de toepassing van artikel 34 en titel VII, hoofdstuk 3, als financiële instellingen behandeld.

▼B

Artikel 3

Definities

1.  

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

1)

"kredietinstelling" : een kredietinstelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

2)

"beleggingsonderneming" : een beleggingsonderneming als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 2), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

3)

"instelling" : een instelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 3), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

▼M6 —————

▼B

5)

"verzekeringsonderneming" : een verzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 5), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

6)

"herverzekeringsonderneming" : een herverzekeringsonderneming als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 6), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

7)

"leidinggevend orgaan" : het (de) overeenkomstig nationaal recht aangewezen orgaan (organen) van een instelling welke de bevoegdheid hebben de strategie, doelstellingen en de algemene richting van de instelling vast te stellen, en welke toezichthouden op de bestuurlijke besluitvorming en deze controleert, met inbegrip van de personen die het beleid van de instelling daadwerkelijk bepalen;

8)

"leidend orgaan in zijn toezichthoudende functie" : het leidend orgaan handeling in zijn functie van het toezien op en controleren van de bestuurlijke besluitvorming;

9)

"directie" : de natuurlijke personen die binnen een instelling uitvoerende functies vervullen en die aan het leidinggevend orgaan verantwoording en rekenschap moeten afleggen voor het dagelijks bestuur van de instelling;

10)

"systeemrisico" : een risico op verstoring van het financiële systeem met mogelijk ernstige negatieve gevolgen voor het financiële systeem en de reële economie;

11)

"modelrisico" : het potentiële verlies dat een instelling kan lijden als gevolg van beslissingen die hoofdzakelijk op de output van de interne modellen zouden kunnen worden gebaseerd en dat te wijten is aan fouten in de ontwikkeling, implementering of aanwending van dergelijke modellen;

12)

"initiator" : een initiator als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 13), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

13)

"sponsor" : een sponsor als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 14), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

14)

"moederonderneming" : een moederonderneming als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 15), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

15)

"dochteronderneming" : een dochteronderneming als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 16), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

16)

"bijkantoor" : een bijkantoor als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 17), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

17)

"onderneming die nevendiensten verricht" : een onderneming die nevendiensten verricht als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 18), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

18)

"vermogensbeheerder" : een vermogensbeheerder als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 19), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

19)

"financiële holding" : een financiële holding als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 20), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

20)

"gemengde financiële holding" : een gemengde financiële holding als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 21), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

21)

"gemengde holding" : een gemengde holding als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 22), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

22)

"financiële instelling" : een financiële instelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 26), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

23)

"entiteit uit de financiële sector" : een entiteit uit de financiële sector als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 27), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

24)

"moederinstelling in een lidstaat" : een moederinstelling in een lidstaat als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 28), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

25)

"EU-moederinstelling" : een EU-moederinstelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 29), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

26)

"financiële moederholding in een lidstaat" : een financiële moederholding in een lidstaat als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 30), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

27)

"financiële EU-moederholding" : een financiële EU-moederholding als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 31), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

28)

"gemengde financiële moederholding in een lidstaat" : een gemengde financiële moederholding in een lidstaat als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 32), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

29)

"gemengde financiële EU-moederholding" : een gemengde financiële EU-moederholding als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 33), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

30)

"systeemrelevante instelling" : een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding, een gemengde financiële EU-moederholding of een instelling waarvan het falen of slecht functioneren tot systeemrisico zou kunnen leiden;

31)

"centrale tegenpartij" : een centrale tegenpartij als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 34), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

32)

"deelneming" : een deelneming als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 35), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

33)

"gekwalificeerde deelneming" : een gekwalificeerde deelneming als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 36), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

34)

"zeggenschap" : zeggenschap als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 37), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

35)

"nauwe banden" : nauwe banden als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 38), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

36)

"bevoegde autoriteit" : een bevoegde autoriteit als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 40), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

37)

"consoliderend toezichthouder" : een consoliderend toezichthouder als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 41), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

38)

"vergunning" : een vergunning als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 42), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

39)

"lidstaat van herkomst" : de lidstaat van herkomst als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 43), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

40)

"lidstaat van ontvangst" : de lidstaat van ontvangst als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 44), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

41)

"centrale banken van het ESCB" : de centrale banken van het ESCB als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 45), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

42)

"centrale banken" : centrale banken als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 46), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

43)

"geconsolideerde situatie" : een geconsolideerde situatie als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 47), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

44)

"geconsolideerde basis" : een geconsolideerde basis als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 48), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

45)

"op gesubconsolideerde basis" : op gesubconsolideerde basis als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 49), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

46)

"financiële instrumenten" : financiële instrumenten als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 50), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

47)

"eigen vermogen" : eigen vermogen als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 118), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

48)

"operationeel risico" : operationeel risico als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 52), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

49)

"kredietrisicolimitering" : kredietrisicolimitering als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 57), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

50)

"securitisatie" : securitisatie als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 61), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

51)

"securitisatiepositie" : een securitisatiepositie als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 62), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

52)

"special purpose entity voor securitisatiedoeleinden (securitisation special purpose entity - SSPE)" : een special purpose entity voor securitisatiedoeleinden als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 66), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

53)

"uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen" : uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 73), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

54)

"handelsportefeuille" : een handelsportefeuille als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 86), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

55)

"gereglementeerde markt" : een gereglementeerde markt als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 92), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

56)

"hefboomfinanciering" : hefboomfinanciering als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 93), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

57)

"risico van buitensporige hefboomwerking" : het risico van buitensporige hefboomwerking als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 94), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

58)

"externe kredietbeoordelingsinstelling" : een externe kredietbeoordelingsinstelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 98), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

59)

"interne benaderingen" : de interne rating benadering als bedoeld in artikel 143, lid 1, de interne model benadering als bedoeld in artikel 221, de eigenramingenbenadering als bedoeld in artikel 225, de geavanceerde meetbenaderingen als bedoeld in artikel 312, lid 2, de interne modellenmethode als bedoeld in artikelen 283 en 363, en de internebeoordelingsbenadering als bedoeld in artikel 259, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

▼M5

60)

„afwikkelingsautoriteit” : een afwikkelingsautoriteit als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 18, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 1 );

61)

„mondiaal systeemrelevante instelling” of „MSI” : een mondiaal systeemrelevante instelling (MSI) als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 133, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

62)

„niet-EU mondiaal systeemrelevante instelling” of „niet-EU MSI” : een niet-EU mondiaal systeemrelevante financiële instelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 134, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

63)

„groep” : een groep als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 138, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

64)

„groep uit een derde land” : een groep waarvan de moederonderneming in een derde land is gevestigd;

65)

„genderneutraal beloningsbeleid” : een beloningsbeleid dat gebaseerd is op gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid.

▼B

2.  
Wanneer in deze richtlijn verwezen wordt naar het leidinggevend orgaan en de leidinggevende functie en de toezichthoudende functie van het leidinggevend orgaan krachtens nationaal recht worden toegewezen aan verschillende organen of aan verschillende leden binnen één orgaan, wijst de lidstaat de verantwoordelijke organen of de verantwoordelijke leden van het leidinggevend orgaan aan in overeenstemming met diens nationale recht, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald.

▼M5

3.  

Om ervoor te zorgen dat in deze richtlijn of in Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde vereisten of toezichtsbevoegdheden overeenkomstig deze richtlijn en die verordening op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis van toepassing zijn, omvatten de termen „instelling”, „moederinstelling in een lidstaat”, „EU-moederinstelling” en „moederonderneming” tevens:

a) 

financiële holdings en gemengde financiële holdings waaraan goedkeuring is verleend overeenkomstig artikel 21 bis van deze richtlijn;

b) 

aangewezen instellingen die onder zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding, een gemengde financiële EU-moederholding, een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat indien de relevante moederonderneming niet is onderworpen aan goedkeuring uit hoofde van artikel 21 bis, lid 4, van deze richtlijn, en

c) 

financiële holdings, gemengde financiële holdings of instellingen die op grond van artikel 21 bis, lid 6, punt d), van deze richtlijn zijn aangewezen.

▼B



TITEL II

BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 4

Aanwijzing en bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten

1.  
De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die de in deze richtlijn en in Verordening (EU) nr. 575/2013 omschreven functies en taken vervullen. Zij stellen de Commissie en de EBA daarvan in kennis, onder vermelding van een eventuele functie- of taakverdeling.
2.  
De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de werkzaamheden van instellingen en, indien van toepassing, van financiële holdings en gemengde financiële holdings, controleren om na te gaan of deze de vereisten van deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 in acht nemen.
3.  
De lidstaten zorgen ervoor dat passende maatregelen zijn getroffen opdat de bevoegde autoriteiten de informatie kunnen verkrijgen die nodig is om na te gaan of de instellingen en, indien van toepassing, financiële holdings en gemengde financiële holdings de in lid 2 bedoelde vereisten nakomen, en opdat zij eventuele inbreuken op deze vereisten kunnen onderzoeken.
4.  
De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over de deskundigheid, de middelen, de operationele capaciteit, bevoegdheden en de onafhankelijkheid beschikken die noodzakelijk zijn om de taken met betrekking tot prudentieel toezichts, onderzoeken en sancties die in deze richtlijn en in Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgelegd, te vervullen.
5.  
De lidstaten schrijven voor dat de instellingen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst alle gegevens verstrekken die deze nodig hebben om na te gaan of de instellingen zich houden aan de voorschriften die uit hoofde van deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgesteld. De lidstaten zorgen er tevens voor dat de internecontrolemechanismen en de administratieve en boekhoudprocedures van de instellingen het mogelijk maken te allen tijde na te gaan of die voorschriften in acht worden genomen.
6.  
De lidstaten zorgen ervoor dat de instellingen al hun onder deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende transacties registreren en al hun systemen en processen documenteren op een wijze die de bevoegde autoriteiten in staat stelt te allen na te gaan of aan deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 is voldaan.
7.  
De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichttaken uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013 en enige andere taken van de bevoegde autoriteiten gescheiden en onafhankelijk zijn van de taken met betrekking tot afwikkeling. De lidstaten stellen de Commissie en de EBA daarvan in kennis, onder vermelding van een eventuele taakverdeling.

▼M5

8.  
De lidstaten zorgen ervoor dat indien de bevoegdheid tot afwikkeling berust bij andere dan bevoegde autoriteiten, die andere autoriteiten nauw samenwerken en overleggen met de bevoegde autoriteiten voor het opstellen van afwikkelingsplannen en in alle andere gevallen waarin dergelijke samenwerking en dergelijk overleg vereist is krachtens deze richtlijn, krachtens Richtlijn 2014/59/EU of krachtens Verordening (EU) nr. 575/2013.

▼M6

Artikel 5

Coördinatie binnen de lidstaten

Lidstaten die meer dan één bevoegde autoriteit hebben voor het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen, nemen de nodige maatregelen om de coördinatie tussen dergelijke autoriteiten te organiseren.

▼B

Artikel 6

Samenwerking binnen het Europees Systeem voor financieel toezicht

Bij de uitoefening van hun taken houden de bevoegde autoriteiten rekening met de convergentie met betrekking tot de toezichtinstrumenten en de toezichtpraktijken bij de toepassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zijn vastgesteld uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013. Te dien einde zorgen de lidstaten ervoor dat:

a) 

de bevoegde autoriteiten, als partijen bij het Europees Systeem voor financieel toezicht (European System of Financial Supervision - ESFS), met vertrouwen en met het volste wederzijdse respect samenwerken, met name om te zorgen voor een passende en betrouwbare informatiestroom tussen hen en de andere partijen bij het ESFS, krachtens het beginsel van loyale samenwerking van artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

b) 

de bevoegde autoriteiten deelnemen aan de werkzaamheden van de EBA en, in voorkomend geval, aan de colleges van toezichthouders;

c) 

de bevoegde autoriteiten zich tot het uiterste inspannen om aan de overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 door de EBA afgegeven richtsnoeren en aanbevelingen te voldoen en om aan de overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 door de ESRB afgegeven waarschuwingen en aanbevelingen gehoor te geven;

d) 

de bevoegde autoriteiten nauw samenwerken met het ESRB;

e) 

nationale mandaten die aan de bevoegde autoriteiten worden toegekend, hun taakvervulling als leden van de EBA, in voorkomend geval als leden van het ESRB, of uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013 niet doorkruisen.

Artikel 7

Uniedimensie van het toezicht

De bevoegde autoriteiten in elke lidstaat nemen bij de uitoefening van hun algemene taken naar behoren de gevolgen in overweging die hun besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van de andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het relevante tijdstip beschikbare informatie.



TITEL III

VEREISTEN VOOR DE TOEGANG TOT HET BEDRIJF VAN KREDIETINSTELLINGEN



HOOFDSTUK 1

Algemene vereisten voor de toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen

Artikel 8

Vergunning

1.  
De lidstaten schrijven voor dat kredietinstellingen een vergunning verkrijgen alvorens hun werkzaamheden aan te vangen. Onverminderd de artikelen 10 tot en met 14 stellen zij daarvoor de voorwaarden vast, die zij ter kennis brengen van de EBA.
2.  

De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van:

▼M5

a) 

de informatie die aan de bevoegde autoriteiten moet worden verstrekt in de vergunningaanvraag van kredietinstellingen, met inbegrip van het programma van werkzaamheden, de organisatiestructuur en de governanceregelingen bedoeld in artikel 10;

b) 

de vereisten die gelden voor aandeelhouders en vennoten met gekwalificeerde deelnemingen of, wanneer er geen gekwalificeerde deelnemingen zijn, voor de 20 grootste aandeelhouders of vennoten, op grond van artikel 14, en

▼B

c) 

de belemmeringen voor de effectieve uitoefening van de toezichtstaken van de bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 14.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea, punten a), b) en c), bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

3.  
De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op aangaande standaardformulieren, sjablonen en procedures voor de verstrekking van de in lid 2, eerste alinea, onder a), bedoelde informatie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

4.  
De EBA legt de in de leden 2 en 3 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 31 december 2015 voor aan de Commissie.

▼M5

5.  
De EBA richt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren tot de bevoegde autoriteiten teneinde een gemeenschappelijke beoordelingsmethodiek te bepalen voor het toekennen van vergunningen in overeenstemming met deze richtlijn.

▼M6

Artikel 8 bis

Specifieke vereisten voor vergunningverlening aan kredietinstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.  

De lidstaten verplichten de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde ondernemingen die reeds een vergunning hebben verkregen overeenkomstig titel II van Richtlijn 2014/65/EU, ertoe overeenkomstig artikel 8 een vergunningaanvraag in te dienen, uiterlijk op de dag waarop een van de volgende gebeurtenissen plaatsvindt:

a) 

het gemiddelde van de maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, is gelijk aan of bedraagt meer dan 30 miljard EUR, of

b) 

het gemiddelde van de maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden bedraagt minder dan 30 miljard EUR, en de onderneming maakt deel uit van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen in de groep, die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard EUR aan totale activa bezitten en die een van de in deel A, punten 3 en 6, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU bedoelde activiteiten verrichten, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard EUR, beide berekend als gemiddelde over een periode van twaalf opeenvolgende maanden.

2.  
De in lid 1 van dit artikel bedoelde ondernemingen mogen de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten blijven uitoefenen totdat zij de in lid 1 van dit artikel bedoelde vergunning verkrijgen.
3.  
In afwijking van lid 1 van dit artikel dienen de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde ondernemingen die op 24 december 2019 activiteiten verrichten als beleggingsonderneming waaraan overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend, uiterlijk op 27 december 2020 een vergunningsaanvraag in overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn.
4.  
Indien de bevoegde autoriteit, nadat zij de in artikel 95 bis van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde informatie heeft ontvangen, bepaalt dat aan een onderneming een vergunning als kredietinstelling moet worden verleend overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn, stelt zij de onderneming en de in artikel 4, lid 1, punt 26, van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde bevoegde autoriteit daarvan in kennis en neemt zij de vergunningsprocedure vanaf de datum van deze kennisgeving over.
5.  
In het geval van een hervergunning garandeert de bevoegde autoriteit die de vergunning verleent, dat de procedure zo gestroomlijnd mogelijk is en dat rekening wordt gehouden met de informatie van bestaande vergunningen.
6.  

EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) 

de informatie die door de onderneming in de vergunningaanvraag aan de bevoegde autoriteiten moet worden verstrekt, met inbegrip van het in artikel 10 bedoelde programma van werkzaamheden;

b) 

de methode voor de berekening van de in lid 1 bedoelde drempels.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de onder a) en b) van de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 26 december 2020 bij de Commissie in.

▼B

Artikel 9

Verbod op het bedrijfsmatig aantrekken van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden van het publiek voor personen of voor ondernemingen die geen kredietinstelling zijn

1.  
De lidstaten verbieden personen of ondernemingen die geen kredietinstelling zijn, bedrijfsmatig van het publiek deposito's of andere terugbetaalbare gelden aan te trekken.
2.  
Lid 1 is niet van toepassing op het aantrekken van deposito's of andere gelden terug te betalen door een lidstaat, door de regionale of lagere overheden van een lidstaat, door internationale openbare instellingen waarvan een of meer lidstaten lid zijn, of voor de uitdrukkelijk in het nationale of uniale recht bedoelde gevallen, mits deze werkzaamheden onderworpen zijn aan reglementering en controle ter bescherming van deposanten en beleggers.

▼M5

3.  
De lidstaten stellen de Commissie en de EBA in kennis van de nationale wetgeving die ondernemingen die geen kredietinstelling zijn, uitdrukkelijk toestaat om deposito's en andere terugbetaalbare gelden van het publiek aan te nemen.
4.  
Op grond van dit artikel mogen lidstaten kredietinstellingen niet vrijstellen van de toepassing van deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013.

▼M5

Artikel 10

Programma van werkzaamheden, organisatiestructuur en governanceregelingen

1.  
De lidstaten schrijven voor dat de vergunningaanvraag vergezeld gaat van een programma van werkzaamheden waarin de aard van de beoogde bedrijfsactiviteiten alsmede de organisatiestructuur van de kredietinstelling worden vermeld, met inbegrip van de moederondernemingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings binnen de groep. De lidstaten schrijven tevens voor dat de vergunningsaanvraag vergezeld gaat van een beschrijving van de in artikel 74, lid 1, bedoelde regelingen, procedures en mechanismen.
2.  
De bevoegde autoriteiten weigeren een vergunning voor de aanvang van het bedrijf van kredietinstelling, tenzij zij zich ervan hebben vergewist dat de in artikel 74, lid 1, bedoelde regelingen, procedures en mechanismen degelijk en doeltreffend risicobeheer door die instelling mogelijk maken.

▼B

Artikel 11

Economische behoeften

De lidstaten schrijven niet voor dat de vergunningaanvraag aan de economische marktbehoeften wordt getoetst.

Artikel 12

Aanvangskapitaal

1.  
Onverminderd andere bij het nationale recht vastgestelde algemene voorwaarden weigeren de bevoegde autoriteiten een vergunning voor de aanvang van het bedrijf van een kredietinstelling indien een kredietinstelling geen afgescheiden eigen vermogen aanhoudt of haar aanvangskapitaal minder bedraagt dan 5 miljoen EUR.
2.  
Aanvangskapitaal omvat enkel één of meer van de bestanddelen als bedoeld in artikel 26, lid 1, punten a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 575/2013.
3.  
De lidstaten kunnen besluiten dat kredietinstellingen die niet voldoen aan de vereiste een afgescheiden eigen vermogen aan te houden en die op 15 december 1979 bestonden, hun bedrijf kunnen voortzetten. Zij kunnen deze kredietinstellingen vrijstellen van het in artikel 13, lid 1, eerste alinea, bedoelde vereiste.
4.  

Lidstaten kunnen een vergunning verlenen aan bepaalde categorieën kredietinstellingen met een aanvangskapitaal dat minder bedraagt dan het in lid 1 bepaalde, mits:

a) 

het aanvangskapitaal niet minder bedraagt dan 1 miljoen EUR;

b) 

de betrokken lidstaten de Commissie en de EBA in kennis stellen van de redenen waarom zij van deze mogelijkheid gebruikmaken.

Artikel 13

Daadwerkelijke leiding van het bedrijf en plaats van het hoofdkantoor

1.  
De bevoegde autoriteiten verlenen de vergunning voor het aanvangen van het bedrijf van een kredietinstelling slechts indien er ten minste twee personen zijn die daadwerkelijk het beleid bepalen van de aanvragende kredietinstelling.

De autoriteiten weigeren een dergelijk vergunning indien de leden van het leidinggevend orgaan niet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 91, lid 1, voldoen.

2.  

Elke lidstaat schrijft voor dat:

a) 

een kredietinstelling die rechtspersoon is en de overeenkomstig zijn nationale wetgeving een statutaire zetel heeft, zijn hoofdkantoor heeft in dezelfde lidstaat waar zijn statutaire zetel is gevestigd;

b) 

een kredietinstelling anders dan die welke bedoeld worden onder a) heeft zijn hoofdkantoor in de lidstaat waar haar vergunning is verleend en waar zij feitelijk haar bedrijf uitvoert.

Artikel 14

Aandeelhouders en vennoten

1.  
De bevoegde autoriteiten weigeren een vergunning voor de aanvang van het bedrijf van een kredietinstelling tenzij een kredietinstelling hen in kennis heeft gesteld van de identiteit van haar aandeelhouders of vennoten, ongeacht direct of middellijk, natuurlijke personen of rechtspersonen, die een gekwalificeerde deelneming bezitten, alsmede van het bedrag van die deelnemingen, of, bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen, van de 20 grootste aandeelhouders of vennoten.

Om uit te maken of aan de criteria voor een gekwalificeerde deelneming wordt voldaan, worden de stemrechten bedoeld in de artikelen 9 en 10 van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten ( 2 ), en de in artikel 12, leden 4 en 5, van die richtlijn bedoelde voorwaarden voor samenvoeging daarvan, in aanmerking genomen.

De lidstaten houden geen rekening met stemrechten of aandelen die instellingen houden als gevolg van het overnemen van financiële instrumenten of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, met inbegrip van bijlage I, deel A, punt 6, van Richtlijn 2004/39/EG, mits die rechten niet worden uitgeoefend of anderszins gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling en binnen één jaar na de verwerving worden overgedragen.

▼M5

2.  
De bevoegde autoriteiten weigeren een vergunning voor de aanvang van het bedrijf van kredietinstelling indien zij, gelet op de noodzaak om een gezonde en prudente edrijfsvoering van een kredietinstelling te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de aandeelhouders of vennoten in overeenstemming met de in artikel 23, lid 1, vastgelegde criteria. Artikel 23, leden 2 en 3, en artikel 24 zijn van toepassing.

▼B

3.  
Indien er nauwe banden bestaan tussen de kredietinstelling en andere natuurlijke of rechtspersonen, verlenen de bevoegde autoriteiten de vergunning slechts indien deze banden de juiste uitoefening van hun toezichtstaken niet belemmeren.

De bevoegde autoriteiten weigeren een vergunning voor de aanvang van het bedrijf van kredietinstelling indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op één of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de kredietinstelling nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichtstaken.

De bevoegde autoriteiten verlangen van kredietinstellingen dat deze hen de informatie verstrekken die zij nodig hebben om op doorlopende basis de naleving te controleren van de in dit lid gestelde voorwaarden.

Artikel 15

Weigering om vergunning te verlenen

Indien de bevoegde autoriteit weigert een vergunning voor de aanvang van het bedrijf van kredietinstelling te verlenen, wordt dit besluit met redenen omkleed aan de aanvrager medegedeeld binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen zes maanden na ontvangst van de voor het besluit benodigde gegevens.

Een besluit om een vergunning te verlenen of te weigeren wordt in elk geval binnen twaalf maanden na ontvangst van de aanvraag genomen.

Artikel 16

Voorafgaande raadpleging van de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten

1.  

De bevoegde autoriteit raadpleegt vóór de verlening van een vergunning aan een kredietinstelling de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat waar de kredietstelling:

a) 

een dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend;

b) 

een dochteronderneming is van de moederonderneming van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend;

c) 

onder de zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als die de zeggenschap hebben over een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend.

2.  

Vóór de verlening van een vergunning aan een kredietinstelling raadpleegt de bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op verzekeringsondernemingen of beleggingsondernemingen in de betrokken lidstaat indien de desbetreffende kredietinstelling:

a) 

een dochteronderneming is van een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Unie vergunning is verleend;

b) 

een dochteronderneming is van de moederonderneming van een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Unie vergunning is verleend;

c) 

onder de zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als die zeggenschap hebben over een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Unie vergunning is verleend.

3.  
De desbetreffende, in de leden 1 en 2 bedoelde bevoegde autoriteiten raadplegen elkaar in het bijzonder wanneer de geschiktheid van de aandeelhouders en de reputatie en ervaring van de bij het bestuur van een andere entiteit van dezelfde groep betrokken leden van het leidinggevend orgaan worden beoordeeld. Zij wisselen alle informatie uit betreffende de geschiktheid van de aandeelhouders en de reputatie en ervaring van de leden van het leidinggevend orgaan welke van belang is voor het verlenen van een vergunning, en voor de doorlopende toetsing van de naleving van de voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening.

Artikel 17

Bijkantoren van kredietinstellingen waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend

De lidstaten van ontvangst mogen noch een vergunning noch dotatiekapitaal voorschrijven voor bijkantoren van kredietinstellingen waaraan in andere lidstaten vergunning is verleend. Voor de vestiging van en het toezicht op deze bijkantoren gelden de bepalingen van artikel 35, artikel 36, leden 1, 2 en 3, en artikel 37, artikelen 40 tot en met 46, artikel 49, en artikelen 74 en 75.

Artikel 18

Intrekking van de vergunning

De bevoegde autoriteiten kunnen een vergunning die is verleend aan een kredietinstelling alleen intrekken indien deze kredietinstelling:

a) 

binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruik maakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken of de werkzaamheden gedurende een periode van meer dan zes maanden heeft gestaakt, tenzij de betrokken lidstaat heeft bepaald dat in die gevallen de vergunning vervalt;

▼M6

a bis) 

haar vergunning uitsluitend gebruikt om de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten uit te oefenen en gedurende een periode van vijf opeenvolgende jaren gemiddelde totale activa onder de in dat artikel bedoelde drempels heeft;

▼B

b) 

de vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

c) 

niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend;

▼M5

d) 

niet meer voldoet aan de prudentiële vereisten vastgelegd in deel drie, vier of zes, uitgezonderd voor de vereisten vastgesteld in de artikelen 92 bis en 92 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013, of opgelegd krachtens artikel 104, lid 1, punt a), of artikel 105 van deze richtlijn, of geen garantie meer biedt voor de nakoming van haar verplichtingen tegenover schuldeisers en in het bijzonder de veiligheid van de door haar deposanten toevertrouwde gelden niet meer waarborgt;

▼B

e) 

in een van de overige gevallen van intrekking verkeert waarin de nationale voorschriften voorzien; of

f) 

een van de in artikel 67, lid 1, genoemde inbreuken begaat.

Artikel 19

Naam van de kredietinstelling

De kredietinstellingen kunnen voor de uitoefening van hun werkzaamheden op het grondgebied van de Unie dezelfde benaming gebruiken als in de lidstaat van hun hoofdkantoor, niettegenstaande de bepalingen in de lidstaat van ontvangst betreffende het gebruik van de woorden "bank", "spaarbank" of andere soortgelijke benamingen. Indien er gevaar voor verwarring bestaat, kan de lidstaat van ontvangst ter verduidelijking eisen dat er aan de benaming een verklarende vermelding wordt toegevoegd.

Artikel 20

Kennisgeving van de verlening en van de intrekking van een vergunning

1.  
De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van elke vergunning die krachtens artikel 8 wordt verleend.

▼M6

2.  
EBA maakt een lijst met de namen van alle kredietinstellingen waaraan vergunning is verleend bekend op haar website, en werkt deze lijst ten minste één keer per jaar bij.

▼B

3.  
De consoliderende toezichthouder verstrekt de betrokken bevoegde autoriteiten en de EBA alle in artikel 14, lid 3, artikel 74, lid 1, en artikel 109, lid 2, bedoelde informatie over de groep van kredietinstellingen, en met name over de juridische en de organisatiestructuur en over de governance van de groep.

▼M6

3 bis.  
De lijst, bedoeld in lid 2 van dit artikel bevat de naam van ondernemingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en merkt deze kredietinstellingen als zodanig aan. De lijst geeft ook aan welke wijzigingen er zijn in vergelijking met de voorgaande versie van de lijst.

▼B

4.  
De lijst als bedoeld in lid 2 van dit artikel bevat de naam van kredietinstellingen die niet over het in artikel 12, lid 1, bepaalde kapitaal beschikken, en merkt deze kredietinstellingen als zodanig aan.
5.  
De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van iedere intrekking van een vergunning, met de redenen voor een dergelijke intrekking.

Artikel 21

Vrijstellingen voor kredietinstellingen die blijvend zijn aangesloten bij een centraal orgaan

1.  
De bevoegde autoriteiten kunnen een in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde kredietinstelling vrijstellen van de in artikel 10, artikel 12 en artikel 13, lid 1, van deze richtlijn gestelde vereisten in overeenstemming met de daarin vervatte voorwaarden.

De lidstaten kunnen bestaand nationaal recht betreffende de toepassing van een dergelijke vrijstelling handhaven en toepassen voor zover dit niet in strijd is met deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.  
Indien de bevoegde autoriteiten een vrijstelling als bedoeld in lid 1 verlenen, zijn de artikelen 17, 33, 34 en 35, artikel 36, leden 1, 2 en 3, en de artikelen 39 tot en met 46, alsook titel VII, hoofdstuk 2, afdeling II, en titel VII, hoofdstuk 4, van toepassing op het geheel gevormd door het centrale orgaan en de daarbij aangesloten instellingen.

▼M5

Artikel 21 bis

Goedkeuring van financiële holdings en gemengde financiële holdings

1.  
Financiële moederholdings in een lidstaat, gemengde financiële moederholdings in een lidstaat, financiële EU-moederholdings en gemengde financiële EU-moederholdings vragen goedkeuring aan in overeenstemming met dit artikel. Andere financiële holdings of gemengde financiële holdings vragen goedkeuring aan in overeenstemming met dit artikel indien zij op gesubconsolideerde basis moeten voldoen aan deze richtlijn of Verordening (EU) nr. 575/2013.
2.  

Voor de toepassing van lid 1 verstrekken financiële holdings en gemengde financiële holdings als bedoeld in dat lid aan de consoliderende toezichthouder en, indien dat iemand anders is, aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar zij zijn gevestigd, de volgende informatie:

a) 

de organisatiestructuur van de groep waarvan de financiële holding of de gemengde financiële holding deel uitmaakt, met duidelijke vermelding van de dochterondernemingen en, in voorkomend geval, de moederondernemingen ervan, en de locatie en het type van de activiteit van elk van de entiteiten in de groep;

b) 

informatie over de benoeming van minstens twee personen die daadwerkelijk leiding geven aan de financiële holding of de gemengde financiële holding en over de naleving van de vereisten in artikel 121 inzake de kwalificaties van bestuurders;

c) 

de naleving van de criteria in artikel 14 inzake aandeelhouders en vennoten, indien de financiële holding of gemengde financiële holding een kredietinstelling als dochteronderneming heeft;

d) 

de interne organisatie en de verdeling van de taken binnen de groep;

e) 

verdere informatie die nodig kan zijn voor het uitvoeren van de in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde beoordelingen.

Indien de goedkeuring van een financiële holding of een gemengde financiële holding tegelijk met de in artikel 22 bedoelde beoordeling plaatsvindt, zorgt de bevoegde autoriteit, voor de toepassing van dat artikel, voor passende coördinatie met de consoliderende toezichthouder en, indien dat iemand anders is, de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd. ►C6  In dat geval wordt de in artikel 22, lid 2, tweede alinea, bedoelde beoordelingsperiode opgeschort voor een periode van meer dan 20 werkdagen totdat de in dit artikel vermelde procedure is voltooid. ◄

3.  

Aan een financiële holding of een gemengde financiële holding kan op grond van dit artikel alleen goedkeuring worden verleend als aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

a) 

de interne regelingen en de verdeling van de taken binnen de groep zijn adequaat met het oog op de naleving van de vereisten van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013 op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis en zijn, in het bijzonder, doeltreffend om:

i) 

alle dochterondernemingen van de financiële holding of de gemengde financiële holding te coördineren, waaronder, waar nodig, middels een adequate verdeling van taken tussen de dochterinstellingen;

ii) 

conflicten binnen een groep te voorkomen of te beheren, en

iii) 

de door de financiële moederholding of gemengde financiële moederholding vastgestelde groepsbrede beleidsmaatregelen in de gehele groep te handhaven;

b) 

de organisatiestructuur van de groep waarvan de financiële holding of de gemengde financiële holding deel uitmaakt, belemmert het doeltreffende toezicht op de dochterinstellingen of moederinstellingen niet wat betreft de individuele, geconsolideerde en, indien van toepassing, gesubconsolideerde verplichtingen waaraan zij zijn onderworpen en voorkomt dit toezicht ook niet anderszins. Bij de beoordeling van dat criterium wordt met name rekening gehouden met:

i) 

de positie van de financiële holding of de gemengde financiële holding in een meerlagige groep;

ii) 

de aandeelhoudersstructuur, en

iii) 

de rol van de financiële holding of de gemengde financiële holding binnen de groep;

c) 

er wordt voldaan aan de in artikel 14 vastgestelde criteria en de in artikel 121 neergelegde vereisten.

4.  

Goedkeuring van de financiële holding of gemengde financiële holding krachtens dit artikel is niet vereist wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de hoofdactiviteit van de financiële holding is het verwerven van deelnemingen in dochterondernemingen of, in het geval van een gemengde financiële holding, haar hoofdactiviteit met betrekking tot instellingen of financiële instellingen is het verwerven van deelnemingen in dochterondernemingen;

b) 

de financiële holding of gemengde financiële holding is niet aangewezen als een af te wikkelen entiteit in een van de af te wikkelen groepen van de groep in overeenstemming met de afwikkelingsstrategie bepaald door de relevante afwikkelingsautoriteit op grond van Richtlijn 2014/59/EU;

c) 

een dochterkredietinstelling is aangewezen als verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving door de groep van de prudentiële vereisten op geconsolideerde basis en krijgt de beschikking over alle benodigde middelen en de wettelijke bevoegdheid om deze verplichtingen op effectieve wijze te vervullen;

d) 

de financiële holding of gemengde financiële holding houdt zich niet bezig met het nemen van bestuurs-, operationele of financiële beslissingen die een invloed hebben op de groep of op de dochterondernemingen ervan die instellingen of financiële instellingen zijn;

e) 

er is geen belemmering voor het doeltreffende toezicht op de groep op geconsolideerde basis.

Financiële holdings of gemengde financiële holdings die in overeenstemming met dit lid zijn vrijgesteld van goedkeuring, worden niet buiten de werkingssfeer van de consolidatie gehouden die in deze richtlijn en in Verordening (EU) nr. 575/2013 is bepaald.

5.  
De consoliderende toezichthouder houdt doorlopend toezicht op de naleving van de voorwaarden, bedoeld in lid 3 of, indien van toepassing, lid 4. Financiële holdings en gemengde financiële holdings verstrekken de consoliderende toezichthouder de informatie die nodig is om doorlopend toezicht te houden op de organisatiestructuur van de groep en op de naleving van de voorwaarden bedoeld in lid 3 of, indien van toepassing, lid 4. De consoliderende toezichthouder deelt die informatie met de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.
6.  
Indien de consoliderende toezichthouder heeft vastgesteld dat niet of niet meer wordt voldaan aan de in lid 3 vervatte voorwaarden, wordt de financiële holding of gemengde financiële holding onderworpen aan passende toezichtsmaatregelen teneinde de continuïteit en de integriteit van geconsolideerd toezicht te waarborgen of te herstellen, naargelang het geval, en de naleving van de voorschriften van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013 op geconsolideerde basis te waarborgen. In het geval van een gemengde financiële holding moet in de toezichtsmaatregelen met name rekening worden gehouden met de effecten op het financieel conglomeraat.

De in de eerste alinea bedoelde toezichtsmaatregelen kunnen het volgende omvatten:

a) 

opschorting van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen in de dochterinstellingen waarvan de financiële holding of gemengde financiële holding de houder is;

b) 

uitvaardiging van bindende aanwijzingen of sancties tegen de financiële holding, de gemengde financiële holding of de leden van het leidinggevend orgaan en bestuurders, met inachtneming van de artikelen 65 tot en met 72;

c) 

instructies of aanwijzingen aan de financiële holding of gemengde financiële holding om aan haar aandeelhouders de deelnemingen in haar dochterinstellingen, over te dragen;

d) 

aanwijzing, op tijdelijke basis, van een andere financiële holding, gemengde financiële holding of instelling binnen de groep als verantwoordelijke voor de naleving van de voorschriften van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013 op geconsolideerde basis;

e) 

beperking van of verbod op uitkeringen of rentebetalingen aan aandeelhouders;

f) 

van financiële holdings of gemengde financiële holdings verlangen dat zij deelnemingen in instellingen of andere entiteiten uit de financiële sector afstoten of verminderen;

g) 

van financiële holdings of gemengde financiële holdings verlangen dat zij met een plan komen om onverwijld de regels opnieuw na te leven.

7.  
Indien de consoliderende toezichthouder heeft vastgesteld dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van lid 4, vraagt de financiële holding of gemengde financiële holding goedkeuring aan in overeenstemming met dit artikel.
8.  
Voor het nemen van besluiten betreffende de goedkeuring en vrijstelling van goedkeuring als bedoeld in respectievelijk de leden 3 en 4, en de toezichtsmaatregelen, bedoeld in de leden 6 en 7, indien de consoliderende toezichthouder verschilt van de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, werken de twee instanties samen in volledig overleg. De consoliderende toezichthouder stelt een beoordeling op betreffende de kwesties, bedoeld in de leden 3, 4, 6 en 7, al naargelang, en zendt deze naar de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd. Beide autoriteiten doen alles wat in hun macht ligt om binnen twee maanden na ontvangst van die beoordeling tot een gezamenlijk besluit te komen.

Het gezamenlijk besluit moet grondig gedocumenteerd en gemotiveerd zijn. De consoliderende toezichthouder deelt het gezamenlijke besluit mee aan de financiële holding of gemengde financiële holding.

Als er geen overeenstemming is, neemt de consoliderende toezichthouder of de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding gevestigd is, geen besluit en verwijst hij de zaak naar de EBA in overeenstemming met artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De EBA neemt haar besluit binnen één maand nadat zij de verwijzing heeft ontvangen. De betrokken bevoegde autoriteiten nemen een gezamenlijk besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De zaak wordt niet naar de EBA verwezen na afloop van de periode van twee maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.

9.  
Indien, in het geval van gemengde financiële holdings, de consoliderende toezichthouder of de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de gemengde financiële holding gevestigd is, niet de coördinator is die is bepaald in overeenstemming met artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG, is de instemming van de coördinator vereist voor het nemen van besluiten of gezamenlijke besluiten als bedoeld in de leden 3, 4, 6 en 7 van dit artikel, al naargelang. Indien de instemming van de coördinator nodig is, worden geschillen naar de bevoegde Europese toezichthoudende autoriteiten verwezen, namelijk de EBA of de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) (de Eiopa), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad ( 3 ), die binnen één maand na ontvangst van de verwijzing een besluit neemt. Overeenkomstig dit lid genomen besluiten laten de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2002/87/EG of Richtlijn 2009/138/EG onverlet.
10.  
Indien de goedkeuring van een financiële holding of gemengde financiële holding op grond van dit artikel wordt geweigerd, stelt de consoliderende toezichthouder de aanvrager in kennis van het besluit en van de redenen ervoor, en wel binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen vier maanden na ontvangst van alle voor het besluit benodigde gegevens.

Een besluit om een goedkeuring te verlenen of te weigeren wordt in elk geval binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag genomen. Een weigering kan, indien nodig, vergezeld gaan van een van de in lid 6 genoemde maatregelen.

Artikel 21 ter

Intermediaire EU-moederonderneming

1.  
Twee of meer instellingen in de Unie die deel uitmaken van dezelfde groep uit een derde land, moeten één enkele intermediaire EU-moederonderneming hebben die in de Unie is gevestigd.
2.  

De bevoegde autoriteiten kunnen de in lid 1 bedoelde instellingen toestaan twee intermediaire EU-moederondernemingen te hebben, wanneer zij vaststellen dat de oprichting van slechts een enkele intermediaire EU-moederonderneming:

a) 

niet in overeenstemming zou zijn met een verplicht voorschrift inzake scheiding van activiteiten dat wordt opgelegd bij de regels of door de toezichthoudende autoriteiten van het derde land waar de uiteindelijke moederonderneming van de groep uit een derde land haar hoofdkantoor heeft, of

b) 

de afwikkelbaarheid minder doeltreffend zou maken dan wanneer er twee intermediaire EU-moederondernemingen zouden zijn volgens een beoordeling die is verricht door de bevoegde afwikkelingsautoriteit van de intermediaire EU-moederonderneming.

3.  
Een intermediaire EU-moederonderneming is een kredietinstelling die overeenkomstig artikel 8 een vergunning heeft verkregen of een financiële holding of gemengde financiële holding waaraan overeenkomstig artikel 21 bis goedkeuring is verleend.

Wanneer geen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde instellingen een kredietinstelling is of wanneer een tweede intermediaire EU-moederonderneming moet worden opgericht in verband met beleggingsactiviteiten om te voldoen aan een verplicht voorschrift als bedoeld in lid 2 van dit artikel, mag, in afwijking van de eerste alinea van dit lid, de intermediaire EU-moederonderneming of de tweede intermediaire EU-moederonderneming een onder Richtlijn 2014/59/EU vallende beleggingsonderneming zijn waaraan in overeenstemming met artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend.

4.  
De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing wanneer de totale waarde van de activa in de Unie van de groep uit een derde land minder bedraagt dan 40 miljard EUR.

▼M6

5.  

Voor de toepassing van dit artikel:

a) 

is de totale waarde van de activa in de Unie van de groep uit een derde land de som van:

i) 

de totale waarde van de activa van elke instelling in de Unie van de groep uit een derde land, zoals die blijkt uit haar geconsolideerde balans of uit haar afzonderlijke balans ingeval de balans van een instelling niet wordt geconsolideerd, en

ii) 

de totale waarde van de activa van elk bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan in de Unie een vergunning is verleend overeenkomstig deze richtlijn, Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad ( 4 ) of Richtlijn 2014/65/EU;

b) 

heeft de term „instelling” ook betrekking op beleggingsondernemingen.

▼M5

6.  

De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende elke groep uit een derde land die in hun rechtsgebied actief is:

a) 

de namen en de totale waarde van de activa van onder toezicht staande instellingen die behoren tot een groep uit een derde land;

b) 

de namen en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de bijkantoren waaraan in die lidstaat een vergunning is verleend in overeenstemming met deze richtlijn, Richtlijn 2014/65/EU of Verordening (EU) nr. 600/2014, en de types van activiteiten waarvoor een vergunning is verleend;

c) 

de naam en het in lid 3 bedoelde type van elke intermediaire EU-moederonderneming die in die lidstaat is opgericht en de naam van de groep uit het derde land waar zij deel van uitmaakt.

7.  
De EBA publiceert op haar website een lijst van alle groepen uit derde landen die actief zijn in de Unie en van hun intermediaire EU-moederonderneming of EU-moederondernemingen, voor zover van toepassing.

De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat elke instelling in hun rechtsgebied die deel uitmaakt van een groep uit een derde land voldoet aan een van de volgende voorwaarden:

a) 

ze heeft een intermediaire EU-moederonderneming;

b) 

ze is een intermediaire EU-moederonderneming;

c) 

ze is de enige instelling in de Unie van de groep uit een derde land, of

d) 

ze maakt deel uit van een groep uit een derde land waarvan de totale waarde van de activa in de Unie minder bedraagt dan 40 miljard EUR.

▼C6

8.  
In afwijking van lid 1 hebben groepen uit een derde land die actief zijn via meer dan één instelling in de Unie en met een totale waarde van de activa in de Unie die op 27 juni 2019 gelijk is aan of hoger is dan 40 miljard EUR, een intermediaire EU-moederonderneming of, indien lid 2 van toepassing is, twee intermediaire EU-moederondernemingen vanaf 30 december 2023.

▼M5

9.  

Uiterlijk op 30 december 2026 evalueert de Commissie na raadpleging van de EBA de bij dit artikel aan instellingen opgelegde vereisten en dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een verslag daarover in. Dat verslag neemt ten minste in overweging:

a) 

of de in dit artikel neergelegde vereisten werkbaar, noodzakelijk en evenredig zijn en of andere maatregelen passender zouden zijn;

b) 

of de bij dit artikel aan instellingen opgelegde vereisten zouden moeten worden herzien in het licht van beproefde internationale methoden.

10.  

Uiterlijk op 28 juni 2021 dient de EBA een verslag in bij het Europees Parlement, bij de Raad en bij de Commissie over de behandeling van bijkantoren uit derde landen krachtens het nationale recht van de lidstaten. Dat verslag neemt ten minste in overweging:

a) 

of en in welke mate toezichthoudende praktijken krachtens nationaal recht voor bijkantoren uit derde landen tussen de lidstaten verschillen;

b) 

of een verschillende behandeling van bijkantoren uit derde landen krachtens nationaal recht zou kunnen leiden tot reguleringsarbitrage;

c) 

of verdere harmonisering van nationale regelingen voor bijkantoren uit derde landen noodzakelijk en passend zou zijn, met name ten aanzien van significante bijkantoren uit derde landen.

De Commissie dient, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad op basis van de aanbevelingen van de EBA.

▼B



HOOFDSTUK 2

Gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling

Artikel 22

Kennisgeving en beoordeling van voorgenomen verwervingen

1.  
De lidstaten schrijven voor dat iedere natuurlijke of rechtspersoon, of dergelijke in onderlinge overeenstemming handelende personen (de "kandidaat-verwerver"), die besloten hebben rechtstreeks of middellijk een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling te verwerven, dan wel rechtstreeks of middellijk een dergelijke gekwalificeerde deelneming verder te vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal 20 %, 30 % of 50 % bereikt of overschrijdt, dan wel de kredietinstelling hun dochteronderneming wordt (de "voorgenomen verwerving"), de bevoegde autoriteiten van de kredietinstelling waarin zij een gekwalificeerde deelneming willen verwerven dan wel vergroten, daarvan schriftelijk voorafgaande aan de verwerving in kennis stellen onder vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in overeenstemming met artikel 23, lid 4, gespecificeerde ter zake doende informatie. De lidstaten behoeven de drempel van 30 % niet toe te passen indien zij overeenkomstig artikel 9, lid 3, onder a), van Richtlijn 2004/109/EG een drempelwaarde van een derde deel toepassen.
2.  
De bevoegde autoriteiten zenden de kandidaat-verwerver terstond en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving, een schriftelijke ontvangstbevestiging van een kennisgeving op grond van lid 1 of van aanvullende informatie op grond van lid 3.

De bevoegde autoriteiten hebben vanaf de datum van de schriftelijke bevestiging van ontvangst van de kennisgeving en van alle door de lidstaat vereiste documenten van de in artikel 23, lid 4, bedoelde lijst die bij de kennisgeving gevoegd moeten worden, een termijn van 60 werkdagen (de "beoordelingsperiode"), om de in artikel 23, lid 1, bedoelde beoordeling (de "beoordeling"), uit te voeren.

De bevoegde autoriteiten stellen de kandidaat-verwerver bij de ontvangstbevestiging in kennis van de datum waarop de beoordelingsperiode afloopt.

3.  
De bevoegde autoriteiten mogen, indien nodig, tijdens de beoordelingsperiode, doch niet na de 50ste werkdag daarvan, aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. In een dergelijk verzoek, dat schriftelijk wordt gedaan, is vermeld welke aanvullende informatie nodig is.

Vanaf de datum van het verzoek van de bevoegde autoriteiten om informatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-verwerver wordt de beoordelingsperiode opgeschort. De opschorting duurt ten hoogste 20 werkdagen. Eventuele aanvullende verzoeken van de bevoegde autoriteiten ter vervollediging of verduidelijking van de informatie staan ter discretie van de bevoegde autoriteiten maar resulteren niet in een opschorting van de beoordelingsperiode.

4.  
De bevoegde autoriteiten kunnen de in lid 3, tweede alinea, bedoelde opschorting tot ten hoogste 30 werkdagen verlengen indien de kandidaat-verwerver in een derde land is gevestigd of onder toezicht staat, of indien hij een natuurlijke of rechtspersoon is, die niet onderworpen is aan toezicht uit hoofde van deze richtlijn of uit hoofde van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG of 2004/39/EG.
5.  
Indien de bevoegde autoriteiten besluiten zich te verzetten tegen de voorgenomen verwerving, geven zij de kandidaat-verwerver daarvan binnen twee werkdagen na voltooiing van de beoordeling en zonder de beoordelingsperiode te overschrijden schriftelijk en gemotiveerd kennis. Onverminderd het nationale recht kan een passende motivering van het besluit op verzoek van de kandidaat-verwerver openbaar worden gemaakt. Dit belet niet dat een lidstaat de bevoegde autoriteit kan toestaan deze informatie openbaar te maken zonder dat de kandidaat-verwerver daarom heeft verzocht.
6.  
Indien de bevoegde autoriteiten zich binnen de beoordelingsperiode niet schriftelijk tegen de voorgenomen verwerving verzetten, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd.
7.  
De bevoegde autoriteiten mogen voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze termijn zo nodig verlengen.
8.  
De lidstaten leggen geen voorschriften inzake kennisgeving aan of goedkeuring door de bevoegde autoriteiten van rechtstreekse of middellijke verwervingen van stemrechten of kapitaal op die stringenter zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.
9.  
De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op met het oog op de vaststelling van de gemeenschappelijke procedures, formulieren en sjablonen voor het overlegproces tussen de relevante bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 24.

De EBA legt deze ontwerpen van technische normen uiterlijk op 31 december 2015 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 23

Beoordelingscriteria

1.  

Bij de beoordeling van de in artikel 22, lid 1, bedoelde kennisgeving en de in artikel 22, lid 3, bedoelde informatie beoordelen de bevoegde autoriteiten, met het oog op de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling die het doelwit van de verwerving is, en rekening houdend met de waarschijnlijke invloed van de kandidaat-verwerver op die kredietinstelling, de geschiktheid van de kandidaat-verwerver en de financiële soliditeit van de voorgenomen verwerving in overeenstemming met de volgende criteria:

a) 

de reputatie van de kandidaat-verwerver;

▼M5

b) 

de in artikel 91, lid 1, bedoelde reputatie, kennis, vaardigheden en ervaring van de leden van het leidinggevend orgaan die als gevolg van de voorgenomen verwerving de activiteiten van de kredietinstelling zullen leiden;

▼B

c) 

de financiële soliditeit van de kandidaat-verwerver, met name met betrekking tot de aard van de werkzaamheden die verricht en beoogd worden in de kredietinstelling die het doelwit van de verwerving is;

d) 

of de kredietinstelling zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële vereisten op grond van deze richtlijn en Verordening Verordening (EU) nr. 575/2013, en, indien van toepassing, ander Unierecht, met name de Richtlijnen 2002/87/EG en 2009/110/EG, met inbegrip van de groep waarvan zij deel gaat uitmaken zo gestructureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten mogelijk zijn en dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de bevoegde autoriteiten kan worden bepaald;

e) 

of er goede redenen zijn om te vermoeden dat in verband met de voorgenomen verwerving geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd, of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van artikel 1 van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme ( 5 ), of dat de voorgenomen verwerving het risico daarop zou kunnen vergroten.

2.  
De bevoegde autoriteiten mogen zich alleen tegen de voorgenomen verwerving verzetten indien daarvoor goede redenen zijn op grond van de criteria van lid 1 of indien de door de kandidaat-verwerver verstrekte informatie onvolledig is.
3.  
De lidstaten stellen geen voorafgaande voorwaarden aan de omvang van de deelneming die verworven dient te worden, en staan hun bevoegde autoriteiten evenmin toe de voorgenomen verwerving aan de economische marktbehoeften te toetsen.
4.  
De lidstaten publiceren een lijst met informatie die nodig is voor de beoordeling en die bij de in artikel 22, lid 1, bedoelde kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten moet worden verstrekt. De vereiste informatie staat in verhouding tot en is afgestemd op de aard van de kandidaat-verwerver en van de voorgenomen verwerving. De lidstaten verlangen geen informatie die niet relevant is voor een prudentiële beoordeling.
5.  
Niettegenstaande artikel 22, leden 2, 3 en 4, worden, indien de bevoegde autoriteit kennis wordt gegeven van twee of meer voornemens om een gekwalificeerde deelneming in dezelfde kredietinstelling te verwerven of te vergroten, de kandidaat-verwervers door de autoriteit op niet-discriminerende wijze behandeld.

Artikel 24

Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten

1.  

De bevoegde autoriteiten plegen nauw onderling overleg bij de beoordeling indien de kandidaat-verwerver een van de volgende personen betreft:

a) 

een kredietinstelling, verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming, beleggingsonderneming, of een beheermaatschappij in de zin van artikel 2, lid 1, onder b), van Richtlijn 2009/65/EG ("icbe-beheermaatschappij"), waaraan vergunning is verleend in een andere lidstaat of in een andere sector dan die van de voorgenomen verwerving;

b) 

de moederonderneming van een kredietinstelling, verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming, beleggingsonderneming of icbe-beheermaatschappij waaraan vergunning is verleend in een andere lidstaat of in een andere sector dan die van de voorgenomen verwerving;

c) 

een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een kredietinstelling, verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming, beleggingsonderneming of icbe-beheermaatschappij waaraan vergunning is verleend in een andere lidstaat of in een andere sector dan die van de voorgenomen verwerving.

2.  
De bevoegde autoriteiten verstrekken elkaar zonder onnodige vertraging alle informatie die voor de beoordeling van essentieel belang of relevant is. Daartoe geven zij elkaar op verzoek alle relevante informatie en verstrekken zij uit eigen beweging alle essentiële informatie. In een besluit van de bevoegde autoriteit die vergunning heeft verleend aan de kredietinstelling welke het doelwit van de verwerving is, worden de standpunten en bedenkingen van de voor de kandidaat-verwerver verantwoordelijke bevoegde autoriteit vermeld.

Artikel 25

Kennisgeving in het geval van een afstoting

De lidstaten schrijven voor dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die heeft besloten zijn rechtstreekse of middellijke gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling af te stoten, de bevoegde autoriteiten daarvan schriftelijk voorafgaand aan de afstoting in kennis stelt onder vermelding van het bedrag van de betrokken deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die heeft besloten de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal onder 20 %, 30 % of 50 % daalt of dat de kredietinstelling ophoudt zijn dochteronderneming te zijn. De lidstaten hoeven de drempel van 30 % niet toe te passen indien zij overeenkomstig artikel 9, lid 3, onder a), van Richtlijn 2004/109/EG een drempelwaarde van een derde toepassen.

Artikel 26

Informatieplicht en sancties

1.  
De kredietinstellingen stellen, zodra zij kennis hebben van verwervingen of afstotingen van deelnemingen in hun kapitaal, waardoor stijging boven of daling onder één van de percentages als bedoeld in artikel 22, lid 1, en artikel 25 optreedt, de bevoegde autoriteiten van deze verwervingen of afstotingen in kennis.

Kredietinstellingen die toegelaten zijn op een gereglementeerde markt stellen de bevoegde autoriteiten ten minste jaarlijks in kennis van de identiteit van de aandeelhouders en vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van de deelnemingen zoals deze met name blijkt uit de gegevens die worden ontvangen tijdens de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders en vennoten, of uit de informatie die is ontvangen uit hoofde van de verplichtingen van op een gereguleerde markt toegelaten vennootschappen.

2.  
De lidstaten schrijven voor dat, indien de door de in artikel 22, lid 1, bedoelde personen uitgeoefende invloed een prudente en gezonde bedrijfsvoering van de instelling wellicht zou belemmeren, de bevoegde autoriteiten passende maatregelen treffen om aan deze toestand een einde te maken. Die maatregelen kunnen bestaan uit bindende aanwijzingen en sancties, onverminderd de artikelen 65 tot en met 72, ten aanzien van leden van het leidinggevend orgaan en bestuurders, dan wel in de schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen welke door de betrokken aandeelhouders of vennoten van de kredietinstelling worden gehouden.

Soortgelijke maatregelen zijn van toepassing op natuurlijke of rechtspersonen die de in artikel 22, lid 1, neergelegde verplichting inzake voorafgaande kennisgeving niet naleven, onverminderd de artikelen 65 tot en met 72.

Indien een deelneming wordt verworven ondanks bezwaar van de bevoegde autoriteiten, bepalen de lidstaten, onverminderd andere te treffen sancties, dat de uitoefening van de betrokken stemrechten wordt geschorst of dat de uitgebrachte stemmen nietig zijn of nietig verklaard kunnen worden.

Artikel 27

Criteria voor gekwalificeerde deelneming

Om uit te maken of aan de in de artikelen 22, 25 en 26 bedoelde criteria voor een gekwalificeerde deelneming wordt voldaan, worden de in de artikelen 9, 10 en 11 van Richtlijn 2004/109/EG bedoelde stemrechten, en de in artikel 12, leden 4 en 5, van die richtlijn bedoelde voorwaarden voor samenvoeging daarvan, in aanmerking genomen.

Om uit te maken of aan de in artikel 26 bedoelde criteria voor een gekwalificeerde deelneming wordt voldaan, houden de lidstaten geen rekening met stemrechten of aandelen die instellingen kunnen houden als gevolg van het overnemen van financiële instrumenten of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, vermeld in bijlage I, deel A, punt 6, van Richtlijn 2004/39/EG, mits die rechten niet worden uitgeoefend of niet anderszins worden gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling, en mits ze binnen één jaar na de verwerving worden overgedragen.

▼M6 —————

▼B



TITEL V

BEPALINGEN BETREFFENDE DE VRIJHEID VAN VESTIGING EN HET VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN



HOOFDSTUK 1

Algemene beginselen

Artikel 33

Kredietinstellingen

De lidstaten bepalen dat de werkzaamheden die in de lijst in bijlage I zijn genoemd, op hun grondgebied kunnen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artike 35, artikel 36, leden 1, 2 en 3, artikel 39, leden 1 en 2, en de artikelen 40 tot en met 46, hetzij dooreen bijkantoor te vestigen hetzijd door diensten te verrichten, door iedere kredietinstelling waaraan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vergunning is verleend en waarop door hen toezicht wordt gehouden, mits deze werkzaamheden onder de vergunning vallen.

Artikel 34

Financiële instellingen

1.  

De lidstaten bepalen dat de werkzaamheden die vermeld staan in de lijst in bijlage I op hun grondgebied mogen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 35, artikel 36, leden 1, 2 en 3, artikel 39, leden 1 en 2, en de artikelen 40 tot en met 46, hetzij door een bijkantoor te vestigen hetzij door diensten te verrichten, door iedere financiële instelling van een andere lidstaat die een dochteronderneming van een kredietinstelling of een gemeenschappelijke dochteronderneming van twee of meer kredietinstellingen is, waarvan de statuten de betrokken werkzaamheden toestaan en die aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:

a) 

aan de moederonderneming of -ondernemingen is vergunning verleend als kredietinstelling in de lidstaat van het recht waaronder de financiële instelling valt;

b) 

de betrokken werkzaamheden worden daadwerkelijk op het grondgebied van dezelfde lidstaat uitgeoefend;

c) 

de moederonderneming of -ondernemingen houdt, respectievelijk houden 90 % of meer van de aan de aandelen van de financiële instelling verbonden stemrechten;

d) 

de moederonderneming of -ondernemingen toont, respectievelijk tonen ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat de financiële instelling op een prudente wijze wordt beheerd en heeft, respectievelijk hebben zich, met instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, hoofdelijk borg gesteld voor de verplichtingen van de financiële instelling;

e) 

de financiële instelling is, in het bijzonder voor de betrokken werkzaamheden, daadwerkelijk opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de moederonderneming, of elk van de moederondernemingen, overeenkomstig titel VII, hoofdstuk 3, van deze richtlijn en deel 1, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is onderworpen, met name voor de toepassing van de in artikel 92 van die verordening vastgestelde eigenvermogensvereisten, het beheersen van grote risicoblootstellingen overeenkomstig deel 4 van die verordening, en de in de artikelen 89 en 90 van die verordening gestelde beperking van de deelnemingen.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst gaan de naleving van de voorwaarden in de eerste alinea na en geven een attest af aan de financiële instelling dat dient te worden gevoegd bij de in de artikelen 35 en 39 bedoelde kennisgevingen.

2.  
Indien een financiële instelling als bedoeld in lid 1, eerste alinea, niet langer aan één van de gestelde voorwaarden voldoet, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis, en vallen de door die financiële instelling in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden voortaan onder het recht van de lidstaat van ontvangst.
3.  
De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op dochterondernemingen van een financiële instelling als bedoeld in lid 1, eerste alinea.



HOOFDSTUK 2

Recht van vestiging van kredietinstellingen

Artikel 35

Kennisgevingsplicht en interactie tussen bevoegde autoriteiten

1.  
Iedere kredietinstelling die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen, stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.
2.  

De lidstaten schrijven voor dat elke kredietinstelling die een bijkantoor in een andere lidstaat wenst te vestigen, de in lid 1 bedoelde kennisgeving vergezeld doet gaan van de volgende gegevens:

a) 

de lidstaat op het grondgebied waarvan zij voornemens is een bijkantoor te vestigen;

b) 

een programma van werkzaamheden waarin onder meer de aard van de voorgenomen activiteiten en de organisatiestructuur van het bijkantoor worden vermeld;

c) 

het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd;

d) 

de naam van de degenen die het bijkantoor gaan besturen.

3.  
Tenzij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, gelet op het betrokken project, redenen hebben om aan de deugdelijkheid van de administratieve structuur of van de financiële positie van de kredietinstelling te twijfelen, doen zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 2 bedoelde gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en stellen zij de betrokken kredietinstelling hiervan in kennis.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst doen tevens mededeling van het bedrag en de samenstelling van het eigen vermogen, en van de som van de eigenvermogensvereisten van de kredietinstelling uit hoofde van artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

In afwijking van de tweede alinea doen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in het in artikel 34 bedoelde geval mededeling van het bedrag en de samenstelling van het eigen vermogen van de financiële instelling en het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, van de kredietinstelling die haar moederonderneming is.

4.  
Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst weigeren de in lid 2 bedoelde gegevens mede te delen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, delen zij de redenen van deze weigering binnen drie maanden na ontvangst van alle gegevens mede aan de betrokken kredietinstelling.

Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open bij de rechter in de lidstaat van herkomst.

5.  
De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de gegevens die overeenkomstig dit artikel moeten worden verstrekt.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6.  
De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op met het oog op de vaststelling van de standaardformulieren, sjablonen en procedures voor deze kennisgeving.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7.  
De EBA legt de in de leden 5 en 6 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Artikel 36

Aanvang van de werkzaamheden

1.  
Voordat het bijkantoor van de kredietinstelling met zijn werkzaamheden aanvangt, beschikken de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst over twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in artikel 35 bedoelde mededeling, om het in hoofdstuk 4 bedoelde toezicht op de kredietinstelling voor te bereiden en om, in voorkomend geval, de voorwaarden aan te geven waaronder deze werkzaamheden om redenen van algemeen belang in de lidstaat van ontvangst moeten worden uitgeoefend.
2.  
Zodra een mededeling van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst is binnengekomen of wanneer deze niet reageren binnen de in lid 1 bedoelde termijn, kan het bijkantoor gevestigd worden en met zijn werkzaamheden aanvangen.
3.  
In geval van wijziging van de overeenkomstig artikel 35, lid 2, punten b), c) of d), verstrekte informatie stelt de kredietinstelling de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst daarvan ten minste één maand vooraf schriftelijk in kennis, opdat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zich overeenkomstig artikel 35 in staat worden gesteld een besluit te nemen na een kennisgeving uit hoofde van artikel 35, en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in staat te stellen krachtens lid 1 een besluit te nemen tot vaststelling van de voorwaarden voor de wijziging.
4.  
De bijkantoren die, overeenkomstig de bepalingen van de lidstaat van ontvangst, hun werkzaamheden hebben aangevangen vóór 1 januari 1993, worden geacht onderworpen te zijn geweest aan de procedure als vastgelegd in artikel 35 en van de leden 1 en 2 van dit artikel. Zij vallen vanaf 1 januari 1993 onder lid 3 van het onderhavige artikel en onder de artikelen 33 en 52 en hoofdstuk 4.
5.  
De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de gegevens die overeenkomstig dit artikel moeten worden verstrekt.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6.  
De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op met het oog op de vaststelling van de standaardformulieren, sjablonen en procedures voor deze kennisgeving.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7.  
De EBA legt de in de leden 5 en 6 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Artikel 37

Informatie over weigeringen

De lidstaten stellen de Commissie en de EBA in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin overeenkomstig artikel 35 en artikel 36, lid 3, een weigering is uitgesproken.

Artikel 38

Samenneming van bijkantoren

Verscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een kredietinstelling met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden als één enkel bijkantoor beschouwd.



HOOFDSTUK 3

Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten

Artikel 39

Kennisgevingsprocedure

1.  
Elke kredietinstelling die voor de eerste maal in het kader van het vrij verrichten van diensten haar werkzaamheden wil uitoefenen op het grondgebied van een andere lidstaat, stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van de in de lijst in bijlage I vermelde werkzaamheden die zij wenst uit te oefenen.
2.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zenden de in lid 1 bedoelde kennisgeving binnen een termijn van één maand te rekenen van de ontvangst ervan toe aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.
3.  
Dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten die verkregen zijn door kredietinstellingen welke vóór 1 januari 1993 werkzaam waren bij wege van het verrichten van diensten.
4.  
De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de gegevens die overeenkomstig dit artikel moeten worden verstrekt.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5.  
De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op met het oog op de vaststelling van de standaardformulieren, sjablonen en procedures voor deze kennisgeving.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6.  
De EBA legt de in de leden 4 en 5 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.



HOOFDSTUK 4

Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst

Artikel 40

Rapportagevereisten

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst kunnen voorschrijven dat elke kredietinstelling die een bijkantoor op het grondgebied van die lidstaat heeft, aan deze bevoegde autoriteiten een periodiek verslag over haar werkzaamheden in die lidstaat van ontvangst zendt.

Die verslagen worden enkel verlangd voor informatiedoeleinden of voor statistische doeleinden, voor de toepassing van artikel 51, lid 1, of voor toezichtsdoeleinden overeenkomstig dit hoofdstuk. Op hen zijn eisen betreffende het beroepsgeheim van toepassing die minstens gelijkwaardig zijn aan de in artikel 53, lid 1, bedoelde eisen.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst kunnen meer in het bijzonder informatie van de in de eerste alinea bedoelde kredietinstellingen verlangen om te kunnen uitmaken of het gaat om een significant bijkantoor in overeenstemming met artikel 51, lid 1.

Artikel 41

Door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen ten aanzien van in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden

1.  

Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst op grond van informatie die zij overeenkomstig artikel 50 van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hebben ontvangen, constateren dat een kredietinstelling die op hun grondgebied een bijkantoor heeft of in het kader van het verrichten van diensten werkzaam is, voldoet aan een van de volgende voorwaarden die met betrekking tot de in de betrokken lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden worden gesteld, stellen zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis:

a) 

de kredietinstelling voldoet niet aan de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn of aan Verordening (EU) nr. 575/2013;

b) 

er bestaat een wezenlijk risico dat de kredietinstelling niet zal voldoen aan de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn of aan Verordening (EU) nr. 575/2013.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst treffen onverwijld alle passende maatregelen om te bewerkstelligen dat de betrokken kredietinstelling deze onregelmatige situatie verhelpt of maatregelen treft om het risico van niet-naleving af te wenden. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst deelt deze maatregelen mede aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.

2.  
Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van oordeel zijn dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hun verplichtingen niet zijn nagekomen of hun verplichtingen uit hoofde van lid 1, tweede alinea, niet zullen nakomen, kunnen zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen en haar om bijstand verzoeken. Indien de EBA handelt in overeenstemming met dat artikel, neemt zij elk besluit krachtens artikel 19, lid 3, van die verordening binnen 24 uur. Overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van die verordening kan de EBA ook op eigen initiatief de bevoegde autoriteiten bijstaan bij het bereiken van overeenstemming.

Artikel 42

Omkleding met redenen en mededeling

Elke ter uitvoering van artikel 41, lid 1, of de artikelen 43 of 44 genomen maatregel die sancties of een beperking van de uitoefening van het recht tot het verrichten van diensten of de vrijheid van vestiging behelst, wordt naar behoren met redenen omkleed en aan de betrokken kredietinstelling medegedeeld.

Artikel 43

Voorzorgsmaatregelen

1.  
Alvorens de in artikel 41 vastgestelde procedure toe te passen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in noodsituaties, in afwachting van maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst of van in artikel 3 van Richtlijn 2001/24/EG bedoelde saneringsmaatregelen, alle voorzorgsmaatregelen treffen welke noodzakelijk zijn om bescherming te bieden tegen financiële instabiliteit die een ernstige bedreiging van de collectieve belangen van deposanten, beleggers en cliënten in de lidstaat van ontvangst zou vormen.
2.  
Alle uit hoofde van lid 1 getroffen voorzorgsmaatregelen staan in verhouding tot het doel waarvoor ze worden getroffen, namelijk het beschermen tegen financiële instabiliteit die een ernstige bedreiging van de collectieve belangen van deposanten, beleggers en cliënten in de lidstaat van ontvangst zou vormen. De maatregelen kunnen een opschorting van betaling omvatten. Zij resulteren niet in een bevoordeling van de schuldeisers van de kredietinstelling in de lidstaat van ontvangst ten opzichte van schuldeisers in andere lidstaten.
3.  
Alle voorzorgsmaatregelen uit hoofde van lid 1 zijn niet langer van kracht wanneer de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst saneringsmaatregelen krachtens artikel 3 van Richtlijn 2001/24/EG treffen.
4.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst beëindigen de voorzorgsmaatregelen indien deze maatregelen naar hun mening achterhaald zijn uit het oogpunt van artikel 41, tenzij zij overeenkomstig lid 3 van dit artikel niet langer van kracht zijn.
5.  
De Commissie, de EBA en de bevoegde autoriteiten van de overige betrokken lidstaten worden zo spoedig mogelijk van uit hoofde van lid 1 getroffen voorzorgsmaatregelen op de hoogte gebracht.

Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst of van enige andere betrokken lidstaat bezwaar maken tegen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst getroffen maatregelen, kunnen zij de kwestie overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 voorleggen aan de EBA en haar om bijstand verzoeken. Indien de EBA in overeenstemming met dat artikel handelt, neemt zij elk besluit krachtens artikel 19, lid 3, van die verordening binnen 24 uur. Overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van die verordening kan de EBA ook op eigen initiatief de bevoegde autoriteiten bijstaan bij het bereiken van overeenstemming.

Artikel 44

Bevoegdheden van lidstaten van ontvangst

Lidstaten van ontvangst kunnen, niettegenstaande de artikelen 40 en 41, in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden die hun bij deze richtlijn worden toegekend passende maatregelen treffen om op hun grondgebied begane inbreuken op de bepalingen die zij uit hoofde van deze richtlijn hebben vastgesteld of om redenen van algemeen belang hebben vastgesteld, te voorkomen of te bestraffen. Met name kunnen zij de in overtreding zijnde kredietinstelling beletten nieuwe transacties op hun grondgebied te verrichten.

Artikel 45

Na de intrekking van de vergunning te nemen maatregelen

In het geval dat de vergunning wordt ingetrokken, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan onverwijld in kennis. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst nemen passende maatregelen teneinde de betrokken kredietinstelling te beletten op hun grondgebied nieuwe transacties te verrichten en de belangen van de deposanten te vrijwaren.

Artikel 46

Adverteren

De bepalingen van dit hoofdstuk houden voor kredietinstellingen die hun hoofdkantoor in een andere lidstaat hebben, geen belemmering in om hun diensten met alle beschikbare communicatiemiddelen te adverteren in de lidstaat van ontvangst, mits zij de om redenen van algemeen belang vastgestelde voorschriften inzake de vorm en de inhoud van dit adverteren in acht nemen.



TITEL VI

BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN

Artikel 47

Kennisgeving inzake bijkantoren in derde landen en toegangsvoorwaarden voor kredietinstellingen met dergelijke bijkantoren

1.  
De lidstaten passen op bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor in een derde land voor wat betreft de aanvang tot de werkzaamheden dan wel de uitoefening ervan geen bepalingen toe die leiden tot een gunstiger behandeling dan die welke geldt voor bijkantoren van kredietinstellingen die hun hoofdkantoor binnen de Unie hebben.

▼M5

1 bis.  

Een lidstaat schrijft voor dat bijkantoren van kredietinstellingen die hun hoofdkantoor in een derde land hebben, ten minste eenmaal per jaar de volgende informatie aan de bevoegde autoriteiten rapporteren:

a) 

de totale activa die overeenstemmen met de activiteiten van het bijkantoor waarvoor in die lidstaat een vergunning is verleend;

b) 

informatie over de liquide activa waarover het bijkantoor beschikt, met name de beschikbaarheid van liquide activa in valuta's van de lidstaten;

c) 

de eigen middelen waarover het bijkantoor beschikt;

d) 

de depositobeschermingsregeling voor depositohouders bij het bijkantoor;

e) 

de risicobeheerregelingen;

f) 

de governanceregelingen, waaronder personeelsleden met een sleutelfunctie voor de activiteiten van het bijkantoor;

g) 

de herstelplannen voor het bijkantoor, en

h) 

alle andere informatie die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht voor een alomvattende monitoring van de activiteiten van het bijkantoor.

▼M5

2.  

De bevoegde autoriteiten geven de EBA kennis van:

a) 

alle vergunningen voor bijkantoren die aan kredietinstellingen met hoofdkantoor in een derde land zijn verleend, en alle latere wijzigingen daarvan;

b) 

de totale activa en passiva van de bijkantoren van kredietinstellingen met een vergunning die hun hoofdkantoor in een derde land hebben, zoals periodiek gerapporteerd;

c) 

de naam van de groep uit een derde land waartoe een bijkantoor met een vergunning behoort.

De EBA publiceert op haar website een lijst van alle bijkantoren van ondernemingen uit derde landen die een vergunning hebben om actief te zijn in de Unie, met vermelding van de lidstaat waar zij een vergunning hebben om actief te zijn.

▼M5

2 bis.  
De bevoegde autoriteiten die toezicht houden op bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor in een derde land en de bevoegde autoriteiten van instellingen die deel uitmaken van dezelfde groep uit een derde land, werken nauw samen om ervoor te zorgen dat alle activiteiten in de Unie van die groep uit een derde land worden onderworpen aan een alomvattend toezicht om te voorkomen dat de voorschriften op grond van deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 die van toepassing zijn op groepen uit derde landen worden omzeild, en om te voorkomen dat de financiële stabiliteit van de Unie wordt aangetast.

De EBA bevordert, voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid, de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten, ook wanneer wordt nagegaan of aan de in artikel 21 ter, lid 4, bedoelde drempel is voldaan.

▼B

3.  
De Unie kan, door middel van met één of meer derde landen gesloten overeenkomsten, regelingen treffen inzake de toepassing van bepalingen die bijkantoren van een kredietinstelling met hoofdkantoor in een derde land eenzelfde behandeling op het gehele grondgebied van de Unie verzekeren.

Artikel 48

Samenwerking inzake toezicht op geconsolideerde basis met de toezichtautoriteiten van derde landen

1.  

De Commissie kan op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief aan de Raad voorstellen doen voor onderhandelingen over overeenkomsten met een of meer derde landen met het oog op het maken van afspraken over de uitoefening van toezicht op geconsolideerde basis op:

a) 

instellingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft;

b) 

instellingen die in een derde land gelegen zijn en waarvan de moederonderneming een instelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding met hoofdkantoor in de Unie is.

2.  

De in lid 1 bedoelde overeenkomsten hebben met name ten doel te waarborgen dat:

a) 

de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de inlichtingen verkrijgen die nodig zijn voor het toezicht, op grond van de geconsolideerde financiële positie, op instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings die in de Unie gelegen zijn en die als dochteronderneming een instelling of een financiële instelling hebben die in een derde land gelegen is, of die daarin een deelneming hebben;

b) 

de toezichtautoriteiten van derde landen de inlichtingen verkrijgen die nodig zijn voor het toezicht op moederondernemingen met hoofdkantoor op hun grondgebied die als dochteronderneming een instelling of een financiële instelling hebben die gelegen is in één of meer lidstaten, of die daarin deelnemingen hebben; en

c) 

de EBA in staat is om overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de inlichtingen te verkrijgen die deze ontvangen van de nationale autoriteiten van derde landen.

3.  
Onverminderd artikel 218 VWEU, onderzoekt de Commissie met het Europees Comité voor het bankwezen het resultaat van de in lid 1 bedoelde onderhandelingen en de daaruit voortvloeiende situatie.
4.  
Overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 staat de EBA de Commissie bij voor de toepassing van dit artikel.



TITEL VII

PRUDENTIEEL TOEZICHT



HOOFDSTUK 1

Beginselen van prudentieel toezicht



Afdeling I

Bevoegdheid en taken van de lidstaten van herkomst en van de lidstaten van ontvangst

Artikel 49

Bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst en van de lidstaten van ontvangst

1.  
Het prudentieel toezicht op een instelling, met inbegrip van het prudentieel toezicht op de werkzaamheden die deze instelling overeenkomstig artikel 33 en artikel 34 uitoefent, berust bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, onverminderd de bepalingen van deze richtlijn die een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst inhouden.
2.  
Lid 1 belet niet dat toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.
3.  
Door de lidstaat van ontvangst genomen maatregelen voorzien niet in discriminerende of restrictieve behandeling op grond van het feit dat aan een kredietinstelling in een andere lidstaat vergunning is verleend.

Artikel 50

Samenwerking inzake toezicht

1.  
Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van de instellingen waarvan het werkterrein zich tot één of meer andere lidstaten uitstrekt dan de lidstaat van hun hoofdkantoor, met name door middel van een bijkantoor, werken de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten nauw samen. Zij verstrekken elkaar alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken instellingen waardoor het toezicht op die instellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die instellingen kan worden vergemakkelijkt, alsmede alle gegevens die het toezicht op deze instellingen, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, depositogarantie, beperking van grote risicoblootstellingen, andere factoren die van invloed kunnen zijn op het door de instelling gevormde systeemrisico, administratieve en boekhoudkundige procedures en internecontrolemechanismen kunnen vergemakkelijken.
2.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst onmiddellijk in kennis van alle informatie en bevindingen met betrekking tot het in overeenstemming met deel zes van Verordening (EU) nr. 575/2013 en titel VII, hoofdstuk 3, van deze richtlijn uitgeoefende liquiditeitstoezicht op de werkzaamheden die de instelling via bijkantoren verricht, voor zover die informatie en bevindingen relevant zijn voor de bescherming van deposanten of beleggers in de lidstaat van ontvangst.
3.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten van ontvangst onmiddellijk in kennis indien er zich liquiditeitsspanning voordoet of indien redelijkerwijze mag worden verwacht dat er zich liquiditeitsspanning zal voordoen. Bij deze kennisgeving worden ook nadere bijzonderheden verstrekt over de planning en uitvoering van een herstelplan en over enigerlei in dat verband genomen prudentiële toezichtmaatregelen.
4.  
Op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst delen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst mee en leggen zij uit hoe met de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst meegedeelde inlichtingen en bevindingen rekening is gehouden. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst na de mededeling van de inlichtingen en bevindingen van oordeel blijven dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen hebben genomen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de EBA te hebben ingelicht, passende maatregelen treffen om verdere inbreuken te voorkomen om de belangen van deposanten, beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht te beschermen of de stabiliteit van het financiële stelsel te bewaren.

Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst het niet eens zijn met de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst te treffen maatregelen, kunnen zij de kwestie voorleggen aan de EBA en overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 om haar bijstand verzoeken. Indien de EBA in overeenstemming met dat artikel handelt, neemt zij binnen een termijn van één maand een besluit.

5.  
De bevoegde autoriteiten kunnen situaties waarin een verzoek om samenwerking, met name een verzoek om uitwisseling van informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd, aan de EBA voorleggen. Onverminderd artikel 258 VWEU kan de EBA in die gevallen handelen overeenkomstig de haar bij artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 toegekende bevoegdheden. Overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van die verordening kan de EBA ook op eigen initiatief de bevoegde autoriteiten bijstaan bij het bereiken van overeenstemming over de uitwisseling van informatie uit hoofde van dit artikel.
6.  
De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de in dit artikel bedoelde informatie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7.  
De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op met het oog op de vaststelling van standaardformulieren, sjablonen en procedures voor de informatie-uitwisselingsvereisten die het monitoren van de instellingen kunnen vergemakkelijken.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

8.  
De EBA legt de in de leden 6 en 7 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Artikel 51

Significante bijkantoren

▼M6

1.  
De bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst kunnen, in gevallen waarin artikel 112, lid 1, van toepassing is, de consoliderende toezichthouder, of anders de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, verzoeken een bijkantoor van een kredietinstelling als significant aan te merken.

▼B

Het verzoek vermeldt de redenen waarom het bijkantoor als significant moet worden aangemerkt, en met name:

a) 

of het marktaandeel in deposito’s van het bijkantoor in de lidstaat van ontvangst meer dan 2 % bedraagt;

b) 

wat de vermoedelijke gevolgen van een opschorting of beëindiging van de werkzaamheden van de instelling voor de liquiditeit van het systeem en de betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen in de lidstaat van ontvangst zullen zijn;

c) 

de omvang en het belang van het bijkantoor, wat het aantal cliënten betreft, binnen het bancaire of financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst, alsmede, in gevallen waarin artikel 112, lid 1, van toepassing is, de consoliderende toezichthouder, stellen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over de kwalificatie van een bijkantoor als significant.

Indien binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek ingevolge de eerste alinea geen gezamenlijk besluit wordt genomen, beslissen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst uiterlijk twee maanden daarna zelf of het bijkantoor significant is. Bij deze beslissing houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst rekening met de standpunten en voorbehouden van de consoliderende toezichthouder of van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

De in de derde en vierde alinea bedoelde besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen, worden aan de betrokken bevoegde autoriteiten toegezonden en worden door de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten als definitief erkend en toegepast.

De kwalificatie van een bijkantoor als significant doet geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van deze richtlijn.

2.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zenden de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar een significant bijkantoor gevestigd is, de in artikel 117, lid 1, onder c) en d), bedoelde informatie toe en voeren de in artikel 112, lid 1, onder c), bedoelde taken uit in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.

Indien een bevoegde autoriteit van een lidstaat van herkomst kennis krijgt van een noodsituatie als bedoeld in artikel 114, lid 1, waarschuwt zij onverwijld de in artikel 58, lid 4, en artikel 59, lid 1, bedoelde autoriteiten.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst delen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd, de resultaten mee van de in artikel 97 en, indien van toepassing, in artikel 113, lid 2, bedoelde risicobeoordelingen van instellingen met dergelijke bijkantoren. Zij delen ook de besluiten uit hoofde van de artikelen 104 en 105 mee, voor zover die beoordelingen en besluiten voor die bijkantoren relevant zijn.

Indien relevant voor liquiditeitsrisico's in de valuta van de lidstaat van ontvangst, raadplegen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd over de krachtens artikel 86, lid 11, vereiste operationele maatregelen.

Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst niet hebben geraadpleegd, of indien, volgend op een dergelijke raadpleging, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst na deze raadpleging van oordeel blijven dat in artikel 86, lid 11, vereiste operationele stappen niet adequaat zijn, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de kwestie voorleggen aan de EBA en overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 om haar bijstand verzoeken.

3.  
Indien artikel 116 niet van toepassing is, richten de bevoegde autoriteiten die het toezicht op een instelling met significante bijkantoren in andere lidstaten uitoefenen, een door hen voorgezeten college van toezichthouders op om de samenwerking uit hoofde van lid 2 van het onderhavige artikel en uit hoofde van artikel 50 te vergemakkelijken. Na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de regeling voor de oprichting en werking van het college schriftelijk vast. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst beslist welke bevoegde autoriteiten aan een vergadering of activiteit van het college deelnemen.

Bij haar beslissing houdt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtactiviteit voor die autoriteiten en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten als bedoeld in artikel 7, en met het bepaalde in lid 2 van dit artikel.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst informeert alle leden van het college tevens tijdig over de acties of maatregelen die in die bijeenkomsten ondernomen of uitgevoerd worden.

4.  
De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op om de algemene voorwaarden voor het functioneren van colleges van toezichthouders nader te bepalen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de procedure van de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5.  
De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op om de operationele werking van colleges van toezichthouders nader te bepalen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6.  
De EBA legt de in de leden 4 en 5 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie.

Artikel 52

Controle en inspectie ter plaatse van in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren

1.  
Lidstaten van ontvangst bepalen dat, indien een instelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, haar werkzaamheden uitoefent door middel van een bijkantoor, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan vooraf in kennis te hebben gesteld, zelf of met inschakeling van door hen daartoe gemachtigde personen de in artikel 50 bedoelde informatie ter plaatse kunnen controleren en dergelijke bijkantoren kunnen inspecteren.
2.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kunnen voor de inspectie van de bijkantoren ook gebruik maken van een van de andere procedures als vastgelegd in artikel 118.
3.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst hebben de bevoegdheid om, per geval, de werkzaamheden van bijkantoren van instellingen op hun grondgebied ter plaatse controles en inspecties uit te voeren en om voor toezichtsdoeleinden van een bijkantoor informatie over zijn werkzaamheden te verlangen, indien zij dit om redenen van stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst van belang achten. Voordat dergelijke controles en inspecties worden uitgevoerd, raadplegen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst. Na dergelijke controles en inspecties stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van de verkregen informatie en bevindingen die relevant zijn voor de risicobeoordeling van de instelling of voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst houden met deze informatie en bevindingen naar behoren rekening bij de opstelling van hun in artikel 99 bedoelde programma voor onderzoek door de toezichthouder, en letten ook op de stabiliteit van het financiële stelsel van de lidstaat van ontvangst.
4.  
De controles ter plaatse en inspecties van bijkantoren geschiedt in overeenstemming met het recht van de lidstaat waar de controle of inspectie plaatsvindt.



Afdeling II

Uitwisseling van informatie en beroepsgeheim

Artikel 53

Beroepsgeheim

1.  
De lidstaten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten, en auditors en deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn.

De vertrouwelijke gegevens waarvan deze personen, auditors of deskundigen beroepshalve kennis krijgen, mogen uitsluitend in een samengevatte of geaggregeerde vorm openbaar worden gemaakt, zodat individuele kredietinstellingen niet kunnen worden geïdentificeerd, onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

Indien een kredietinstelling failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, mogen echter vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij pogingen om die kredietinstelling te redden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt.

▼M6

2.  
Lid 1 belet de bevoegde autoriteiten niet om met elkaar informatie uit te wisselen of informatie door te geven aan het ESRB, EBA of de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority; ESMA)), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad ( 6 ), overeenkomstig deze richtlijn, Verordening (EU) nr. 575/2013, Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad ( 7 ), artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1092/2010, de artikelen 31, 35 en 36 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en de artikelen 31 en 36 van Verordening (EU) nr. 1095/2010, Richtlijn (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad ( 8 ) en andere op kredietinstellingen toepasselijke richtlijnen. Die informatie is onderworpen aan lid 1.

▼B

3.  
Lid 1 belet de bevoegde autoriteiten niet om de resultaten van de overeenkomstig artikel 100 van deze richtlijn of overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 gehouden stresstests bekend te maken of aan de EBA door te geven met het oog op de bekendmaking door de EBA van de resultaten van Unie-brede stresstests.

Artikel 54

Gebruik van vertrouwelijke informatie

De bevoegde autoriteiten die uit hoofde van artikel 53 vertrouwelijke informatie ontvangen, mogen deze alleen gebruiken voor de uitoefening van hun taken en alleen voor een van de volgende doeleinden:

a) 

om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en om het monitoren, op niet-geconsolideerde of op geconsolideerde basis, van die werkzaamheden te vergemakkelijken, in het bijzonder ten aanzien van de bewaking van de liquiditeit, de solvabiliteit, de grote risicoblootstellingen, de administratieve en boekhoudkundige procedures en de internecontrolemechanismen;

b) 

om sancties op te leggen;

c) 

in het kader van een beroep tegen een besluit van de bevoegde autoriteit, met inbegrip van rechtszaken die overeenkomstig artikel 72 aanhangig zijn gemaakt;

d) 

bij rechtszaken die overeenkomstig bijzondere bepalingen van het Unierecht betreffende kredietinstellingen aanhangig zijn gemaakt.

▼M1

Artikel 54 bis

Artikelen 53 en 54 laten de onderzoeksbevoegdheden die aan het Europees Parlement krachtens artikel 226 VWEU zijn verleend, onverlet.

▼B

Artikel 55

Samenwerkingsovereenkomsten

De lidstaten en de EBA kunnen overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 met de toezichtautoriteiten van derde landen of met de autoriteiten of instanties van derde landen in overeenstemming met artikel 56 en artikel 57, lid 1, van deze richtlijn alleen dan samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van informatie sluiten, indien met betrekking tot de meegedeelde informatie gewaarborgd wordt dat ten minste gelijkwaardige vereisten inzake het beroepsgeheim worden nagekomen als de in artikel 53, lid 1, van deze richtlijn bedoelde vereisten. Dergelijke uitwisseling van informatie geschiedt ten behoeve van het uitoefenen van de toezichtstaken van de genoemde autoriteiten of instanties.

Informatie die afkomstig is van een andere lidstaat wordt alleen doorgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de autoriteiten die de informatie hebben meegedeeld en wordt, in voorkomend geval, alleen gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten hebben ingestemd.

Artikel 56

Informatie-uitwisseling tussen autoriteiten

Artikel 53, lid 1, en artikel 54 vormen geen belemmering voor de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten binnen eenzelfde lidstaat, tussen bevoegde autoriteiten in verschillende lidstaten of tussen bevoegde autoriteiten en de volgende partijen voor de vervulling van hun toezichtstaak:

a) 

de autoriteiten aan welke van overheidswege het toezicht op andere entiteiten uit de financiële sector is opgedragen, alsmede de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op financiële markten;

b) 

de autoriteiten of instanties die verantwoordelijk zijn voor het bewaren van de stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaten door middel van macroprudentiële regels;

c) 

saneringsinstanties of -autoriteiten ter vrijwaring van de stabiliteit van het financiële stelsel;

d) 

contractuele of institutionele protectiestelsels als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

e) 

de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van instellingen en andere soortgelijke procedures;

f) 

de met de wettelijke controle van de jaarrekening van instellingen, verzekeringsondernemingen en financiële instellingen belaste personen;

▼M5

g) 

de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de meldingsplichtige entiteiten als opgesomd in artikel 2, lid 1, punten 1 en 2, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad ( 9 ), ten behoeve van de naleving van die Richtlijn, en de financiële-inlichtingeneenheden;

▼M5

h) 

de bevoegde autoriteiten of organen die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de regels inzake structurele scheiding in een bankgroep.

▼B

Artikel 53, lid 1, en artikel 54 vormen geen belemmering voor de mededeling aan de organen die belast zijn met de uitvoering van depositogarantiestelsels en beleggerscompensatiestelsels van de gegevens die nodig zijn voor de vervulling van hun taak.

De ontvangen informatie is in elk geval onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 53, lid 1, bedoelde vereisten.

Artikel 57

Informatie-uitwisseling met toezichthoudende instanties

▼M5

1.  
Niettegenstaande de artikelen 53, 54 en 55 zorgen de lidstaten ervoor dat een uitwisseling van informatie kan plaatsvinden tussen de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op:

▼B

a) 

de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van instellingen en andere soortgelijke procedures;

b) 

contractuele of institutionele beschermingsstelsels als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c) 

personen die belast zijn met de wettelijke controle van de jaarrekening van instellingen, verzekeringsondernemingen en financiële instellingen.

2.  

In de in lid 1 bedoelde gevallen schrijven de lidstaten voor dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de informatie wordt uitgewisseld ten behoeve van de uitoefening van de in lid 1 bedoelde taken;

b) 

de ontvangen informatie is onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 53, lid 1, bedoelde vereisten;

c) 

informatie die afkomstig is van een andere lidstaat mag niet worden doorgegeven zonder de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben meegedeeld, en mag in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten hebben ingestemd.

3.  
Niettegenstaande de artikelen 53, 54 en 55 kunnen de lidstaten, ter versterking van de stabiliteit en integriteit van het financiële stelsel, toestaan dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten of instanties die wettelijk belast zijn met de opsporing en het onderzoek van inbreuken op het vennootschapsrecht.

In dergelijke gevallen schrijven de lidstaten voor dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) 

de informatie wordt uitgewisseld ten behoeve van het opsporen en het onderzoeken van inbreuken op het vennootschapsrecht;

b) 

de ontvangen informatie onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 53, lid 1, bedoelde vereisten;

c) 

informatie die afkomstig is van een andere lidstaat mag niet worden doorgegeven zonder de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben meegedeeld, en mag in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten hebben ingestemd.

4.  
Indien de in lid 1 bedoelde autoriteiten of instanties bij de uitoefening van hun opsporings- of onderzoekstaken een beroep doen op personen die op grond van hun specifieke deskundigheid met een opdracht worden belast en die geen openbaar ambt bekleden, kan een lidstaat de in lid 3, eerste alinea, bedoelde mogelijkheid tot uitwisseling van informatie tot deze personen verruimen onder de in de lid 3, tweede alinea, genoemde voorwaarden.
5.  
De bevoegde autoriteiten delen aan de EBA mede welke autoriteiten of instanties op grond van dit artikel informatie mogen ontvangen.
6.  
Voor de toepassing van lid 4 delen de in lid 3 bedoelde autoriteiten of instanties aan de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben medegedeeld, de identiteit en de juiste opdracht mede van de personen aan wie deze informatie zal worden doorgegeven.

Artikel 58

Doorgeven van informatie over monetaire, depositobescherming-, systeem- en betalingsaspecten

1.  

De bepalingen van dit hoofdstuk houden voor een bevoegde autoriteit geen belemmering in om voor de uitoefening van haar taak dienstige informatie door te geven aan:

a) 

centrale banken van het ESCB en andere instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit als deze informatie van belang is voor de uitoefening van hun wettelijke taken, waaronder het voeren van monetair beleid en de daarmee samenhangende beschikbaarstelling van liquide middelen, de uitoefening van toezicht op betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen en de vrijwaring van de stabiliteit van het financiële stelsel;

b) 

contractuele of institutionele protectiestelsels als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c) 

in voorkomend geval, andere overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op betalingssystemen;

d) 

het ESRB, de Europese Toezichtautoriteit (de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) (European Insurance and Occupational Pensions Authority - "EIOPA"), die is opgericht bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad ( 10 ), en de ESMA, indien die gegevens van belang zijn voor de uitoefening van hun taken uit hoofde van Verordeningen (EU) nr. 1092/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010.

Lidstaten nemen passende maatregelen om belemmeringen weg te nemen die bevoegde autoriteiten ervan weerhouden informatie te verzenden overeenkomstig de eerste alinea.

2.  
De bepalingen van dit hoofdstuk houden voor de in lid 1 bedoelde autoriteiten of instanties geen belemmering in om aan de bevoegde autoriteiten de informatie toe te zenden die de bevoegde autoriteiten nodig kunnen hebben ter uitvoering van artikel 54.
3.  
De overeenkomstig lid 1 en lid 2 ontvangen gegevens zijn onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 53, lid 1, bedoelde vereisten.
4.  
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten in een noodsituatie als bedoeld in artikel 114, lid 1, onmiddellijk informatie doen toekomen aan de centrale banken van het ESCB indien die informatie van belang is voor de uitoefening van hun wettelijke taken, waaronder het voeren van monetair beleid en de daarmee samenhangende beschikbaarstelling van liquide middelen, de uitoefening van toezicht op betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen en het vrijwaren van de stabiliteit van het financiële stelsel, en aan het ESRB indien die informatie van belang is voor de uitoefening van zijn wettelijke taken.

▼M5

Artikel 58 bis

Doorgifte van informatie aan internationale instanties

1.  

Niettegenstaande artikel 53, lid 1, en artikel 54 kunnen de bevoegde autoriteiten, onder de voorwaarden van de leden 2, 3 en 4 van dit artikel, bepaalde informatie doorgeven of delen met:

a) 

het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank, met het oog op beoordelingen voor het programma ter beoordeling van de financiële sector;

b) 

de Bank voor Internationale Betalingen, met het oog op kwantitatieve effectenstudies;

c) 

de Raad voor financiële stabiliteit, met het oog op zijn controlefunctie.

2.  

De bevoegde autoriteiten kunnen vertrouwelijke informatie enkel op uitdrukkelijk verzoek van de betrokken instantie delen, indien ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

het verzoek is naar behoren gemotiveerd in het licht van de specifieke taken die door de verzoekende instantie in overeenstemming met haar wettelijk mandaat worden verricht;

b) 

het verzoek is nauwkeurig genoeg wat de aard, reikwijdte en vorm van de gevraagde informatie, alsook de wijze van openbaarmaking of doorgifte ervan betreft;

c) 

de gevraagde informatie is strikt noodzakelijk voor de uitvoering van de specifieke taken van de verzoekende instantie en gaat niet verder dan de wettelijke taken van de verzoekende instantie;

d) 

de informatie wordt uitsluitend doorgegeven of vrijgegeven aan de personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de specifieke taak;

e) 

voor de personen die toegang tot de informatie hebben, gelden professionele geheimhoudingsverplichtingen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van artikel 53, lid 1.

3.  
Indien het verzoek wordt ingediend door een van de entiteiten als bedoeld in lid 1, kunnen de bevoegde autoriteiten enkel geaggregeerde of geanonimiseerde informatie doorgeven, en kunnen zij andere informatie enkel in de bedrijfsruimten van de bevoegde autoriteit delen.
4.  
Voor zover de openbaarmaking van informatie verwerking van persoonsgegevens met zich meebrengt, voldoet de verwerking van persoonsgegevens door de verzoekende instantie aan de voorschriften van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad ( 11 ).

▼B

Artikel 59

Informatieverstrekking aan andere autoriteiten

1.  
Niettegenstaande artikel 53, lid 1, en artikel 54 kunnen de lidstaten, op grond van nationaal recht, de mededeling van bepaalde informatie toestaan aan andere centrale overheidsdiensten die verantwoordelijk zijn voor het recht betreffende het toezicht op instellingen, financiële instellingen en verzekeringsondernemingen, alsmede aan de inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden.

Deze informatie mag echter alleen worden verstrekt indien zulks ter wille van het prudentieel toezicht en de preventie en afwikkeling van faillerende instellingen nodig blijkt. Onverminderd lid 2 zijn de personen die toegang tot de informatie hebben, onderworpen aan eisen betreffende het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de eisen als bedoeld in artikel 53, lid 1.

In een noodsituatie als bedoeld in artikel 114, lid 1, staan de lidstaten de bevoegde autoriteiten toe dat zij informatie die van belang is, mededelen aan de in de eerste alinea van dit lid bedoelde diensten in alle betrokken lidstaten.

2.  

De lidstaten kunnen toestaan dat bepaalde informatie over het prudentieel toezicht op de instellingen wordt meegedeeld aan parlementaire onderzoekscommissies in hun lidstaat, de rekenkamer in hun lidstaat en andere voor onderzoek verantwoordelijke entiteiten in hun lidstaat, onder de volgende voorwaarden:

a) 

de entiteiten hebben een nauwkeurig omschreven mandaat uit hoofde van het nationale recht om de maatregelen van autoriteiten die voor het toezicht op instellingen of voor wetten inzake dit toezicht verantwoordelijk zijn, te onderzoeken of te controleren;

b) 

de informatie is strikt noodzakelijk om het onder a) bedoelde mandaat te vervullen;

c) 

voor de personen die toegang tot de informatie hebben, gelden krachtens de nationale wetgeving professionele geheimhoudingsverplichtingen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 53, lid 1, bedoelde;

d) 

informatie die afkomstig is van een andere lidstaat mag niet worden doorgegeven zonder de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben meegedeeld, en alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten hebben ingestemd.

Indien de mededeling van informatie over het prudentieel toezicht de verwerking van persoonsgegevens met zich meebrengt, geschiedt die verwerking door de in de eerste alinea genoemde entiteiten met inachtneming van de toepasselijke nationale wetten tot omzetting van Richtlijn 95/46/EG.

Artikel 60

Openbaarmaking van bij controle ter plaatse en inspecties verkregen informatie

De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie die op grond van artikel 52, lid 4, artikel 53, lid 2, en artikel 56 zijn ontvangen, en die welke zijn verkregen naar aanleiding van in artikel 52, leden 1 en 2, bedoelde controles ter plaatse en inspecties, in geen enkel geval op grond van artikel 59 worden medegedeeld, tenzij met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben meegedeeld of van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de controle ter plaatse of inspectie is verricht.

Artikel 61

Melding van informatie over clearing- en afwikkelingsdiensten

1.  
De bepalingen van dit hoofdstuk vormen geen belemmering voor de bevoegde autoriteiten van een lidstaat om de in de artikelen 53, 54 en 55 bedoelde informatie mede te delen aan een clearinginstelling die of een ander, soortgelijk orgaan dat bij de nationale wetgeving is erkend voor het verstrekken van clearing- en afwikkelingsdiensten op één van hun nationale markten, indien zij van oordeel zijn dat dit nodig is om de regelmatige werking van deze organen te garanderen in verband met het, zelfs potentiële, in gebreke blijven van een marktdeelnemer. De in dit verband ontvangen informatie is onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 53, lid 1, bedoelde vereisten.
2.  
De lidstaten zorgen er evenwel voor dat uit hoofde van artikel 53, lid 2, ontvangen informatie in de in de eerste alinea bedoelde omstandigheden alleen mag worden doorgegeven met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben meegedeeld.

Artikel 62

Verwerking van persoonsgegevens

Het verwerken van persoonsgegevens voor de toepassing van deze richtlijn geschiedt overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG en, in voorkomend geval, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001.



Afdeling III

Verplichtingen van de personen belast met de wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening

Artikel 63

Verplichtingen van de personen belast met de wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening

1.  

De lidstaten bepalen dat iedere persoon die is toegelaten in overeenstemming met Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen ( 12 ), en die bij een instelling de taken verricht zoals bedoeld in artikel 51 van Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen ( 13 ), artikel 37 van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening ( 14 ) of artikel 73 van Richtlijn 2009/65/EG, dan wel een andere wettelijke taak, ten minste de verplichting heeft terstond aan de bevoegde autoriteiten melding te doen van elk feit of besluit met betrekking tot deze instelling, waarvan de betrokken persoon bij de uitvoering van die taken kennis heeft gekregen en dat van dien aard is:

a) 

dat het een wezenlijke inbreuk inhoudt op de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen tot vaststelling van de voorwaarden voor vergunningverlening of van specifieke voorschriften betreffende de uitoefening van de werkzaamheden van de instelling;

b) 

dat het de bedrijfscontinuïteit van de instelling aantast;

c) 

dat het leidt tot weigering van de goedkeuring van de jaarrekening of tot het uiten van voorbehouden.

De lidstaten bepalen minimaal dat dezelfde verplichting rust op de in de eerste alinea bedoelde persoon ten aanzien van feiten of besluiten waarvan hij kennis zou hebben gekregen bij de uitvoering van taken als beschreven in de eerste alinea, bij een onderneming die uit een zeggenschapsband voortvloeiende nauwe banden heeft met de instelling waar deze persoon de desbetreffende taken uitvoert.

▼M5

De lidstaten bepalen dat bevoegde autoriteiten mogen verlangen dat een in de eerste alinea bedoelde persoon wordt vervangen indien die persoon zijn of haar verplichtingen uit hoofde van de eerste alinea niet nakomt.

▼B

2.  
Melding te goeder trouw aan de bevoegde autoriteiten door de personen die zijn toegelaten in de zin van Richtlijn 2006/43/EG van in lid 1 bedoelde feiten of besluiten vormt geen inbreuk op ongeacht welke op grond van een contract of van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van informatie, en leidt voor de betrokken personen tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid. Een dergelijke melding moet ook gelijktijdig aan het leidinggevend orgaan van de instelling worden gedaan tenzij er dwingende redenen zijn om dat niet te doen.



Afdeling IV

Toezichtbevoegdheden, sanctiebevoegdheid en beroepsrecht

Artikel 64

Toezicht- en sanctiebevoegdheden

▼M5

1.  
Aan de bevoegde autoriteiten worden alle voor de vervulling van hun taken benodigde toezichtsbevoegdheden toegekend om in de werkzaamheden van instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings te kunnen ingrijpen, meer bepaald het recht tot intrekking van een vergunning in overeenstemming met artikel 18, de in de artikelen 18, 102, 104 en 105 bedoelde bevoegdheden, en de bevoegdheden om de in artikel 21 bis, lid 6, bedoelde maatregelen te nemen.

▼B

2.  

De bevoegde autoriteiten oefenen hun toezicht- en sanctiebevoegdheden uit in overeenstemming met deze richtlijn en het nationaal recht, en wel op een van de volgende wijzen:

a) 

rechtstreeks;

b) 

in samenwerking met andere autoriteiten;

c) 

onder hun verantwoordelijkheid middels delegatie aan bevoegde autoriteiten;

d) 

middels een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties.

▼M5

3.  
De besluiten die de bevoegde autoriteiten nemen in de uitoefening van hun toezichts- en sanctiebevoegdheden worden gemotiveerd.

▼B

Artikel 65

Administratieve sancties en andere administratieve maatregelen

1.  
Onverminderd de aan de bevoegde autoriteiten toegekende toezichtbevoegdheden als bedoeld in artikel 64 en het recht van de lidstaten om strafrechtelijke sancties vast te stellen en op te leggen, stellen de lidstaten voorschriften vast inzake administratieve sancties en andere administratieve maatregelen met betrekking tot inbreuken op de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn en op Verordening (EU) nr. 575/2013, en nemen zij alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden uitgevoerd. Indien de lidstaten besluiten geen administratieve sancties vast te stellen voor inbreuken waarop hun nationale strafrecht van toepassing is, delen zij de Commissie de toepasselijke strafrechtelijke bepalingen mede. De administratieve sancties en andere administratieve maatregelen zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.
2.  
De lidstaten zorgen ervoor dat als instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings aan de in lid 1 bedoelde verplichtingen onderworpen zijn, in geval van inbreuk op de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn of op Verordening (EU) nr. 575/2013, met inachtneming van de voorwaarden van het nationale recht sancties kunnen worden opgelegd aan de leden van het leidinggevend orgaan en aan andere natuurlijke personen die krachtens het nationale recht voor de inbreuk verantwoordelijk zijn.
3.  

Aan de bevoegde autoriteiten worden alle bevoegdheden inzake informatievergaring en onderzoek verleend die nodig zijn voor de vervulling van hun taken. Onverminderd andere in deze richtlijn en in Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde toepasselijke bepalingen zijn daaronder de volgende bevoegdheden begrepen:

a) 

de bevoegdheid om van de volgende natuurlijke of rechtspersonen alle informatie te verlangen die noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van de aan de bevoegde autoriteiten opgedragen taken, mede omvattende de informatie die op gezette tijden en volgens vastgestelde formats voor toezichtdoeleinden en de daarmee verband houdende statistische doeleinden moet worden verstrekt:

i) 

instellingen die in de betrokken lidstaat gevestigd zijn;

ii) 

financiële holdings die in de betrokken lidstaat gevestigd zijn;

iii) 

gemengde financiële holdings die in de betrokken lidstaat gevestigd zijn;

iv) 

gemengde holdings die in de betrokken lidstaat gevestigd zijn;

v) 

personen die behoren tot de in de punten i) tot en met iv) bedoelde entiteiten;

vi) 

derden aan wie de in de punten i) tot en met iv) vermelde entiteiten operationele functies of activiteiten hebben uitbesteed;

b) 

de bevoegdheid om alle noodzakelijke onderzoeken te voeren naar alle in de onder a), punten i) tot en met vi), bedoelde personen die gevestigd zijn of zich bevinden in de betrokken lidstaat, voor zover noodzakelijk met het oog op de uitvoering van de aan de bevoegde autoriteiten opgedragen taken, inclusief:

i) 

het recht de overlegging van documenten te verlangen;

ii) 

de boeken en bescheiden van de onder a), punten i) tot en met vi), bedoelde personen te onderzoeken en kopieën of uittreksels van die boeken en bescheiden te maken;

iii) 

schriftelijke of mondelinge toelichting te krijgen van de onder a), punten i) tot en met vi), bedoelde personen of hun vertegenwoordigers of personeelsleden; en

iv) 

alle andere personen te horen die daarin toestemmen, om informatie betreffende het onderwerp van een onderzoek te vergaren;

c) 

de bevoegdheid om behoudens andere in het Unierecht gestelde voorwaarden, alle nodige inspecties ter plaatse in de bedrijfsruimten van de onder a), punten i) tot en met vi), bedoelde rechtspersonen te verrichten, alsook in enige andere onderneming die onder het geconsolideerd toezicht valt en waarvoor een bevoegde autoriteit de consoliderende toezichthouder is, behoudens voorafgaande kennisgeving aan de betrokken bevoegde autoriteiten en behoudens het aanvragen van een machtiging om een inspectie ter plaatse te verrichten, wanneer dit door het nationale recht wordt vereist. Indien het nationale recht voorschrijft dat voor inspectie de toestemming van een rechterlijke instantie vereist is, wordt die toestemming gevraagd.

Artikel 66

Administratieve sancties en andere administratieve maatregelen voor inbreuken op vergunningvereisten en vereisten voor de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen

1.  

De lidstaten zorgen ervoor dat hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voorzien in administratieve sancties en andere administratieve maatregelen voor ten minste het volgende:

a) 

in strijd met artikel 9 bedrijfsmatig van het publiek deposito's of andere terugbetaalbare gelden aantrekken zonder een kredietinstelling te zijn;

▼M6

a bis) 

ten minste één van de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten uitoefenen en de in dat artikel vastgestelde drempels halen zonder een vergunning als kredietinstelling te hebben;

▼B

b) 

in strijd met van artikel 9 werkzaamheden als een kredietinstelling aanvangen zonder een vergunning te hebben verkregen;

c) 

in strijd met artikel 22, lid 1, gedurende de beoordelingsperiode of ondanks het bezwaar van de bevoegde autoriteiten, rechtstreeks of middellijk een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling verwerven, dan wel rechtstreeks of middellijk een dergelijke gekwalificeerde deelneming verder vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de in artikel 22, lid 1, bedoelde percentages bereikt of overschrijdt, dan wel de kredietinstelling een dochteronderneming wordt, zonder de bevoegde autoriteiten van de kredietinstelling ten aanzien waarvan een verwerving of vergroting van een gekwalificeerde deelneming wordt beoogd, daarvan schriftelijk in kennis te stellen;

d) 

rechtstreeks of middellijk een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling afstoten of verminderen, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal tot onder de in artikel 25 bedoelde percentages daalt, of waardoor de kredietinstelling niet langer een dochteronderneming is, zonder de bevoegde autoriteiten daarvan schriftelijk in kennis te stellen;

▼M5

e) 

in strijd met artikel 21 bis geen verzoek om goedkeuring indienen of elke andere schending van de vereisten bedoeld in dat artikel.

▼B

2.  

De lidstaten zorgen ervoor dat in de in lid 1 bedoelde gevallen ten minste de volgende administratieve sancties en andere administratieve maatregelen kunnen worden opgelegd:

a) 

een publieke verklaring waarin de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon, instelling, financiële holding of gemengde financiële holding, alsook de aard van de inbreuk, worden aangewezen;

b) 

een bevel waarin wordt geëist dat de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon het gedrag staakt en niet meer herhaalt;

c) 

ingeval het een rechtspersoon betreft, administratieve geldboeten die oplopen tot 10 % van de totale netto jaaromzet, met inbegrip van de bruto-inkomsten bestaande uit ontvangen rentebaten en soortgelijke baten, inkomsten uit aandelen en andere niet-vastrentende/vastrentende waardepapieren, en ontvangen provisie of vergoedingen als weergegeven in overeenstemming met artikel 316 van Verordening (EU) nr. 575/2013, van de onderneming in het voorgaande boekjaar;

d) 

ingeval het een natuurlijke persoon betreft, administratieve geldboeten die oplopen tot 5 000 000 EUR of, in de lidstaten die niet de euro als munt hebben, het overeenkomstige bedrag in de nationale valuta op 17 juli 2013;

e) 

administratieve geldboeten oplopend tot tweemaal het bedrag van de aan de inbreuk ontleende winst indien deze kan worden bepaald;

f) 

schorsing van de stemrechten van de aandeelhouder(s) die verantwoordelijk word(t)(en) geacht voor de in lid 1 bedoelde inbreuk.

Indien de onderneming een dochteronderneming van een moederonderneming is, zijn de desbetreffende bruto-inkomsten gelijk aan de bruto-inkomsten die blijken uit de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke moederonderneming in het voorgaande boekjaar.

Artikel 67

Andere bepalingen

1.  

Dit artikel is van toepassing in ten minste elk van de volgende omstandigheden:

a) 

een instelling een vergunning verkregen heeft door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

b) 

een instelling in strijd met artikel 26, lid 1, eerste alinea, verzuimt om, zodra zij kennis heeft van verwervingen of afstotingen van deelnemingen in haar kapitaal, waardoor deelnemingen stijgen boven of dalen onder de percentages als bedoeld in artikel 22, lid 1, of artikel 25, de bevoegde autoriteiten van deze verwervingen of afstotingen in kennis te stellen;

c) 

een instelling die genoteerd is op een gereglementeerde markt die voorkomt op de door de ESMA overeenkomstig artikel 47 van Richtlijn 2004/39/EG te publiceren lijst, in strijd met artikel 26, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn verzuimt de bevoegde autoriteiten ten minste eens per jaar in kennis te stellen van de identiteit van de aandeelhouders en vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van de deelnemingen;

d) 

een instelling niet beschikt over de governanceregelingen die overeenkomstig de nationale voorschriften voor de omzetting van artikel 74 door de bevoegde autoriteiten worden geëist;

e) 

een instelling verzuimt aan de bevoegde autoriteiten informatie te verstrekken over de naleving van de verplichting om aan de in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde eigenvermogensvereisten te voldoen, in strijd met artikel 99, lid 1, van genoemde verordening, of onvolledige of onjuiste informatie verstrekt;

f) 

een instelling met betrekking tot de in artikel 101 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde gegevens verzuimt aan de bevoegde autoriteiten informatie te verstrekken, of onvolledige of onjuiste informatie verstrekt;

g) 

een instelling in strijd met artikel 394, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, verzuimt aan de bevoegde autoriteiten informatie over een grote risicoblootstelling mee te delen, of onvolledige of onjuiste informatie verstrekt;

h) 

een instelling in strijd met artikel 415, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, verzuimt aan de bevoegde autoriteiten informatie over de liquiditeit mee te delen, of onvolledige of onjuiste informatie verstrekt;

i) 

een instelling in strijd met artikel 430, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, verzuimt aan de bevoegde autoriteiten informatie over de hefboomratio mee te delen, of onvolledige of onjuiste informatie verstrekt;

j) 

een instelling in strijd met artikel 412 van Verordening (EU) nr. 575/2013 verzuimt herhaaldelijk of gedurig liquide activa aan te houden;

k) 

een instelling heeft een blootstelling die de limieten overschrijdt die in artikel 395 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgelegd;

l) 

een instelling is blootgesteld aan het kredietrisico van een securitisatiepositie zonder dat zij voldoet aan de in artikel 405 van Verordening (EU) nr. 575/2013 gestelde voorwaarden;

m) 

een instelling verzuimt in strijd met artikel 431, leden 1, 2 en 3, of artikel 451, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 informatie mede te delen, of onvolledige of onjuiste informatie verstrekt;

n) 

een instelling betalingen verricht aan houders van in het eigen vermogen van de instelling opgenomen instrumenten, in strijd met artikel 141 van deze richtlijn ►C2  of in gevallen waarin dergelijke betalingen zijn verboden op grond van de artikelen 28, 52 of 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013; ◄

o) 

een instelling blijkt aansprakelijk te zijn voor een ernstige inbreuk op de nationale voorschriften tot uitvoering van Richtlijn 2005/60/EG;

p) 

een instelling een persoon (personen) die niet voldoet (voldoen) aan de voorschriften van artikel 91 toegelaten om lid van het leidinggevend orgaan te worden of te blijven;

▼M5

q) 

een moederinstelling, een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding verzuimt maatregelen te nemen die noodzakelijk kunnen zijn om de naleving te verzekeren van de prudentiële vereisten als vastgesteld in deel drie, vier, zes of zeven van Verordening (EU) nr. 575/2013 of als opgelegd krachtens artikel 104, lid 1, punt a), of artikel 105 van deze richtlijn op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis.

▼B

2.  

De lidstaten zorgen ervoor dat in de in lid 1 bedoelde gevallen ten minste de volgende administratieve sancties en andere administratieve maatregelen kunnen worden opgelegd:

a) 

een publieke verklaring waarin de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon, instelling, financiële holding of gemengde financiële holding, alsook de aard van de inbreuk, worden aangewezen;

b) 

een bevel waarin wordt geëist dat de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon het gedrag staakt en niet meer herhaalt;

c) 

ingeval het een instelling betreft, intrekking van de vergunning van de instelling in overeenstemming met artikel 18;

d) 

onder voorbehoud van artikel 65, lid 2, een voorlopig verbod voor een lid van het leidinggevend orgaan van de instelling of enigerlei andere natuurlijke persoon die voor de inbreuk verantwoordelijk wordt gehouden, om functies in instellingen te bekleden;

e) 

indien het een rechtspersoon betreft, administratieve geldboeten die oplopen tot 10 % van de totale netto jaaromzet, met inbegrip van de bruto-inkomsten bestaande uit ontvangen rentebaten en soortgelijke baten, inkomsten uit aandelen en andere niet-vastrentende/vastrentende waardepapieren, en ontvangen provisie of vergoedingen in overeenstemming met artikel 316 van Verordening (EU) nr. 575/2013, van de onderneming in het voorgaande boekjaar;

f) 

indien het een natuurlijke persoon betreft, administratieve geldboeten die oplopen tot 5 000 000 EUR of, in de lidstaten die niet de euro als munt hebben, het overeenkomstige bedrag in de nationale valuta op 17 juli 2013;

g) 

administratieve geldboeten die oplopen tot tweemaal het bedrag van de als gevolg van de inbreuk behaalde winsten of vermeden verliezen ingeval deze kunnen worden bepaald.

Indien een in de eerste alinea, onder e), bedoelde onderneming een dochteronderneming van een moederonderneming is, zijn de relevante bruto-inkomsten gelijk aan de bruto-inkomsten die blijken uit de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke moederonderneming in het voorgaande boekjaar.

Artikel 68

Bekendmaking van administratieve sancties

1.  
De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten op hun officiële website zonder onnodige vertraging ten minste alle niet voor beroep vatbare administratieve sancties die zijn opgelegd wegens inbreuk op de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn of van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van informatie over de aard van de inbreuk en de identiteit van een natuurlijke of rechtspersoon aan wie de sanctie is opgelegd, nadat die persoon van die sancties in kennis is gesteld.

Indien de lidstaten bekendmaking van voor beroep vatbare sancties toestaat, maken de bevoegde autoriteiten op hun officiële website zonder onnodige vertraging eveneens informatie over een eventueel ingesteld beroep en het resultaat van de behandeling daarvan bekend.

2.  

De bevoegde autoriteiten maken de sancties zonder vermelding van namen bekend op een manier die in overeenstemming is met het nationale recht, in enige van de volgende omstandigheden:

a) 

indien de sanctie wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon en op basis van een verplichte voorafgaande beoordeling de bekendmaking van de persoonlijke gegevens onevenredig blijkt;

b) 

indien de bekendmaking de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen of een lopend strafrechtelijk onderzoek zou ondermijnen;

c) 

indien de bekendmaking, voor zover dat kan worden bepaald, de betrokken instellingen of natuurlijke personen onevenredige schade zou berokkenen.

Bij wijze van alternatief kan, indien het waarschijnlijk is dat de in de eerste alinea bedoelde omstandigheden binnen een redelijke periode zullen ophouden te bestaan, de in lid 1 bedoelde bekendmaking voor deze periode worden uitgesteld.

3.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat uit hoofde van de leden 1 en 2 bekendgemaakte informatie gedurende ten minste vijf jaar op hun officiële website blijft staan. Persoonlijke gegevens blijven niet langer dan nodig is op de officiële website van de bevoegde autoriteit staan, overeenkomstig de toepasselijke regels voor gegevensbescherming.
4.  
Uiterlijk 18 juli 2015 dient de EBA bij de Commissie een verslag in over de bekendmaking door de lidstaten van sancties zonder vermelding van namen als bepaald in lid 2, in het bijzonder indien er in dat opzicht tussen de lidstaten aanmerkelijke verschillen zijn geweest. Daarnaast dient de EBA bij de Commissie een verslag in over alle aanmerkelijke verschillen in de bij het nationale recht voorgeschreven duur van de bekendmaking van sancties.

Artikel 69

Uitwisselen van informatie over sancties en bijhouden van een centrale database door de EBA

1.  
Behoudens de in artikel 53, lid 1, bedoelde eisen betreffende het beroepsgeheim stellen de bevoegde autoriteiten de EBA in kennis van alle, uit hoofde van de artikelen 65, 66 en 67 opgelegde administratieve sancties, met inbegrip van alle permanente verboden en elk in dat verband ingesteld beroep en het resultaat daarvan. De EBA houdt, uitsluitend ten behoeve van uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, een centrale database van de aan haar meegedeelde administratieve sancties bij. Die database is uitsluitend voor bevoegde autoriteiten toegankelijk en wordt bijgewerkt op basis van de door de bevoegde autoriteiten verstrekte informatie.
2.  
Wanneer een bevoegde autoriteit voor de toepassing van artikel 13, lid 1, artikel 16, lid 3, artikel 91, lid 1, en artikel 121 de betrouwbaarheid van bestuurders beoordeelt, raadpleegt zij de EBA-database van administratieve sancties. Bij een verandering in de status of bij een geslaagd beroep worden de desbetreffende gegevens in de database op verzoek van de bevoegde autoriteiten door de EBA verwijderd of aangepast.
3.  
De bevoegde autoriteiten gaan in overeenstemming met het nationale recht na of tegen de betrokken persoon een relevante strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken. Daartoe wordt informatie uitgewisseld overeenkomstig de ter uitvoering van Besluit 2009/316/JBZ en Kaderbesluit 2009/315/JBZ vastgestelde bepalingen van het nationale recht.
4.  
De EBA houdt een website bij met links naar de door alle bevoegde autoriteiten krachtens artikel 68 verrichte bekendmakingen van administratieve sancties en vermeldt voor elke lidstaat de duur van de bekendmaking van administratieve sancties.

Artikel 70

Effectieve toepassing van sancties en uitoefening van bevoegdheden door bevoegde autoriteiten om sancties op te leggen

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten bij het bepalen van de aard van administratieve sancties of andere administratieve maatregelen en van de omvang van administratieve geldboeten alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen, met inbegrip van, in voorkomend geval:

a) 

de ernst en de duur van de inbreuk;

b) 

de mate van verantwoordelijkheid van de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon;

c) 

de financiële draagkracht van de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon, zoals deze bijvoorbeeld blijkt uit de totale omzet van een rechtspersoon of het jaarinkomen van een natuurlijke persoon;

d) 

de omvang van de winsten of verliezen die door de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon zijn behaald, respectievelijk vermeden, voor zover deze kunnen worden bepaald;

e) 

de verliezen die derden wegens de inbreuk hebben geleden, voor zover deze kunnen worden bepaald;

f) 

de mate waarin de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteit meewerkt;

g) 

eerdere overtredingen door de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon;

h) 

eventuele gevolgen van de inbreuk voor het systeem.

Artikel 71

Melding van inbreuken

1.  
De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten doeltreffende en betrouwbare mechanismen opzetten om de melding van mogelijke of feitelijke inbreuken op de ter omzetting van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en op Verordening (EU) nr. 575/2013 aan de bevoegde autoriteiten aan te moedigen.
2.  

De in lid 1 bedoelde mechanismen omvatten ten minste:

a) 

specifieke procedures voor het in ontvangst nemen en behandelen van meldingen van inbreuken;

b) 

een passende bescherming van werknemers van instellingen die inbreuken melden welke binnen een instelling hebben plaatsgevonden, minimaal tegen vergelding, discriminatie of andere soorten onbillijke behandeling;

c) 

bescherming van persoonsgegevens van zowel de persoon die de inbreuken meldt als de natuurlijke persoon die naar vermoed wordt voor een inbreuk verantwoordelijk zou zijn in overeenstemming met Richtlijn 95/46/EG.

d) 

duidelijke regels om te waarborgen dat de identiteit van de persoon die de binnen een instelling gepleegde inbreuken meldt, in alle gevallen vertrouwelijk blijft, tenzij bekendmaking volgens het nationale recht vereist wordt in het kader van nader onderzoek of een daaropvolgende gerechtelijke procedure.

3.  
De lidstaten eisen dat de instellingen over passende procedures beschikken opdat hun werknemers in staat zijn inbreuken intern via een specifiek, onafhankelijk en zelfstandig kanaal te melden.

Dat kanaal kan ook worden ingericht via door de sociale partners getroffen regelingen. Dezelfde bescherming als bedoeld in lid 2, punten b), c) en d), is van toepassing.

Artikel 72

Recht van beroep

De lidstaten zorgen ervoor dat beroep openstaat tegen besluiten en maatregelen die zijn genomen op grond van overeenkomstig deze richtlijn of Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen. De lidstaten zorgen er tevens voor dat beroep openstaat tegen het verzuim een beslissing te nemen binnen zes maanden na indiening van een vergunningaanvraag die alle, krachtens de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn vereiste gegevens bevat.



HOOFDSTUK 2

Toetsingsprocedures



Afdeling I

Interne governance en herstel- en afwikkelingsplannen

Artikel 73

Intern kapitaal

De instellingen beschikken over solide, doeltreffende en alomvattende strategieën en processen aan de hand waarvan zij doorlopend kunnen nagaan of, en ervoor kunnen zorgen dat, de hoogte, samenstelling en verdeling van het interne kapitaal nog aansluiten op de aard en omvang van hun huidige en mogelijke toekomstige risico's.

Deze strategieën en processen worden op gezette tijden intern tegen het licht gehouden; daarbij wordt ervoor gezorgd dat eventuele hiaten worden aangevuld en dat ze in verhouding blijven staan tot de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de desbetreffende instelling.



Afdeling II

Regelingen, procedures en mechanismen van instellingen



Onderafdeling 1

Algemene beginselen

▼M5

Artikel 74

Interne governance en herstel- en afwikkelingsplannen

1.  
De instellingen beschikken over solide governanceregelingen, waaronder een duidelijke organisatiestructuur met duidelijk omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden, effectieve procedures voor het identificeren, het beheer, de bewaking en de rapportage van de risico's waaraan zij blootstaan of bloot kunnen komen te staan, adequate internecontrolemechanismen, zoals degelijke administratieve en boekhoudkundige procedures, en een beloningsbeleid en een beloningspraktijk die in overeenstemming zijn met en bijdragen tot een degelijk en doeltreffend risicobeheer.

Het beloningsbeleid en de beloningspraktijk, bedoeld in de eerste alinea, zijn genderneutraal.

2.  
De in lid 1 van dit artikel bedoelde regelingen, procedures en mechanismen zijn gedetailleerd uitgewerkt en staan in verhouding tot de aard, schaal en complexiteit van de risico's die inherent zijn aan het bedrijfsmodel en de werkzaamheden van de instelling. De technische criteria, vastgelegd in de artikelen 76 tot en met 95 worden in aanmerking genomen.
3.  
De EBA stelt, in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, richtsnoeren vast betreffende de in lid 1 van dit artikel bedoelde regelingen, procedures en mechanismen, rekening houdend met lid 2 van dit artikel.

De EBA stelt, in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, richtsnoeren vast betreffende genderneutraal beloningsbeleid voor instellingen.

Binnen twee jaar te rekenen vanaf de datum van bekendmaking van de in de tweede alinea bedoelde richtsnoeren en op basis van de informatie die door de bevoegde autoriteiten is verzameld, stelt de EBA een verslag op over de toepassing van het genderneutrale beloningsbeleid door instellingen.

▼B

Artikel 75

Toezicht op het beloningsbeleid

▼M5

1.  
De bevoegde autoriteiten verzamelen de informatie die openbaar is gemaakt overeenkomstig de openbaarmakingscriteria van artikel 450, lid 1, punten g), h), i) en k), van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsmede de informatie die door instellingen is verstrekt over het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen en gebruiken die informatie voor benchmarking van ontwikkelingen en praktijken op het gebied van beloning. De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van die informatie.

▼B

2.  
De EBA geeft richtsnoeren af betreffende een degelijk beloningsbeleid dat voldoet aan de in de artikelen 92 tot en met 95 vervatte beginselen. De richtsnoeren nemen de beginselen van degelijk beloningsbeleid in acht die in de Aanbeveling 2009/384/EG van de Commissie van 30 april 2009 over de beloningspolitiek in de financiële dienstverlening ( 15 ) zijn neergelegd.

De ESMA werkt nauw met de EBA samen bij het opstellen van richtsnoeren betreffende het beloningsbeleid van de categorieën van medewerkers die betrokken zijn bij het verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 2, van Richtlijn 2004/39/EG.

De EBA gebruikt de informatie die overeenkomstig lid 1 van de bevoegde autoriteiten is ontvangen voor het benchmarken van beloningsontwikkelingen en -praktijken op het niveau van de Unie.

3.  
De bevoegde autoriteiten verzamelen informatie over het aantal natuurlijke personen per instelling die een beloning genieten van 1 miljoen EUR of meer per boekjaar, in beloningstranches van 1 miljoen EUR met inbegrip van hun taakomschrijving, de bedrijfssector in kwestie en de voornaamste elementen van salaris, bonussen, vergoedingen op lange termijn en pensioenbijdragen. Deze informatie wordt doorgegeven aan de EBA, die de informatie bekend maakt in een gemeenschappelijke rapportageformaat op een naar lidstaat van herkomst geaggregeerde grondslag. De EBA kan richtsnoeren opstellen om de toepassing van dit lid te vergemakkelijken en de consistentie van de vergaarde informatie te verzekeren.



Onderafdeling 2

Technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico's

Artikel 76

Behandeling van risico's

1.  
De lidstaten zorgen ervoor dat het leidinggevend orgaan zijn goedkeuring hecht aan en periodiek overgaat tot de toetsing van de strategieën en beleidslijnen voor het aangaan, beheren, bewaken en limiteren van de risico's waaraan de instelling blootgesteld is of kan worden, met inbegrip van de risico's die voortvloeien uit de macro-economische context waarin de instelling actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.
2.  
De lidstaten dragen er zorg voor dat het leidinggevend orgaan genoeg tijd aan de bestudering van risicoaangelegenheden besteedt. Het leidinggevend orgaan is actief betrokken bij, en zorgt ervoor dat voldoende middelen worden toegewezen aan, het beheer van alle wezenlijke risico's die in deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 aan de orde komen, alsmede voor de waardering van activa, het gebruik van externe ratings en interne modellen die met deze risico's verband houden. De instelling voorziet in rapportagelijnen met het leidinggevend orgaan waarlangs alle wezenlijke risico's, het gehele risicobeheerbeleid en de wijzigingen daarin worden gemeld.
3.  
De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen die significant zijn wat hun omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden betreft, een risicocomité instellen dat is samengesteld uit leden van het leidinggevend orgaan die in de betrokken instelling geen enkele uitvoerende functie uitoefenen. De leden van het risicocomité bezitten passende kennis, vaardigheden en deskundigheid om de risicostrategie en de risicobereidheid van de instelling ten volle te begrijpen en te monitoren.

Het risicocomité dient het leidinggevend orgaan van advies over de algemene huidige en toekomstige risicobereidheid en risicostrategie van de instelling en staat het leidinggevend orgaan bij in de uitoefening van het toezicht op de uitvoering van deze strategie door de directie. Het leidinggevend orgaan draagt de algehele verantwoordelijkheid voor de risico's.

Het risicocomité toetst of de prijzen van aan cliënten aangeboden passiva en activa ten volle rekening houden met het bedrijfsmodel en de risicostrategie van de instelling. Indien de prijzen geen juiste afspiegeling vormen van de risico's in overeenstemming met het bedrijfsmodel en de risicostrategie, presenteert het risicocomité een rechtzettingsplan aan het leidinggevend orgaan.

De bevoegde autoriteiten kunnen een instelling die niet significant wordt geacht als bedoeld in de eerste alinea, toestaan het risicocomité met het auditcomité als bedoeld in artikel 41 van Richtlijn 2006/43/EG te combineren. De leden van een gecombineerd comité beschikken over de kennis, vaardigheden en deskundigheid die voor het risicocomité en voor het auditcomité vereist zijn.

4.  
De lidstaten zorgen ervoor dat het leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie en, indien er een risicocomité is ingesteld, het risicocomité, passende toegang hebben tot informatie over de risicosituatie van de instelling en, indien nodig en wenselijk, tot de risicobeheerfunctie en tot het advies van externe deskundigen.

Het leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie en, indien er een risicocomité is ingesteld, het risicocomité bepalen de aard, omvang, vorm en frequentie van de risicogerelateerde informatie die zij zullen ontvangen. Ter ondersteuning van het invoeren van een gedegen beleid en praktijk inzake beloning onderzoekt het risicocomité, onverminderd de taken van de beloningscommissie, of de prikkels die uitgaan van het beloningssysteem rekening houden met risico, kapitaal, liquiditeit en de waarschijnlijkheid en de spreiding in de tijd van winstverwachtingen.

5.  
Lidstaten zorgen ervoor, in overeenstemming met het vereiste van evenredigheid als vervat in artikel 7, lid 2, van Richtlijn 2006/73/EG ( 16 ) van de Commissie, dat de instellingen beschikken over een risicobeheerfunctie die onafhankelijk is van de operationele functies en die voldoende gezag, status, middelen en toegang tot het leidinggevend orgaan heeft.

De lidstaten zien erop toe dat de risicobeheerfunctie ervoor zorgt dat alle wezenlijke risico's worden gedetecteerd en gemeten, en naar behoren worden gerapporteerd. Zij zien erop toe dat de risicobeheerfunctie actief betrokken is bij de uitstippeling van de risicostrategie van de instelling en bij alle beslissingen inzake het beheer van de wezenlijke risico's en dat zij in staat is een volledig beeld te geven van het hele scala van risico's die de instelling loopt.

Indien nodig zorgen de lidstaten ervoor dat de risicobeheerfunctie onafhankelijk van de directie rechtstreeks kan rapporteren aan het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie en het over haar bezorgdheid in kan lichten en in voorkomend geval kan waarschuwen indien specifieke risico-ontwikkelingen een negatieve invloed op de instelling hebben of zouden kunnen hebben, onverminderd de verantwoordelijkheden van het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie en/of zijn leidinggevende functie overeenkomstig deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013.

Het hoofd van de risicobeheerfunctie is een onafhankelijk directielid met afzonderlijke verantwoordelijkheid voor de risicobeheerfunctie. Indien de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de instelling niet rechtvaardigen dat speciaal daarvoor een persoon wordt aangewezen, kan een ander lid van het hoger personeel binnen de instelling deze functie vervullen, mits er geen belangenconflict bestaat.

Het hoofd van de risicomanagementfunctie wordt niet zonder voorafgaande goedkeuring van het leidinggevend orgaan in diens toezichtfunctie uit zijn functie verwijderd en is in staat rechtstreekse toegang tot het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie te krijgen wanneer zulks noodzakelijk is.

▼M6 —————

▼B

Artikel 77

Interne benaderingen voor de berekening van eigenvermogensvereisten

1.  
De bevoegde autoriteiten moedigen instellingen die significant zijn wat betreft hun omvang en hun interne organisatie en wat betreft de aard, schaal en complexiteit van hun werkzaamheden, ertoe aan om interne capaciteit voor de beoordeling van het kredietrisico te ontwikkelen en meer gebruik te maken van de interneratingbenadering voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico indien hun blootstelling wezenlijk is in absolute termen en zij tegelijkertijd veel grote tegenpartijen hebben. Dit artikel laat de vervulling van de criteria van deel 3, titel I, hoofdstuk 3, afdeling 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 onverlet.
2.  
De bevoegde autoriteiten zien erop toe, rekening houdend met de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van instellingen, dat deze zich niet volledig of niet mechanisch op externe ratings baseren voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van een entiteit of een financieel instrument.
3.  
De bevoegde autoriteiten moedigen instellingen ertoe aan om, rekening houdend met de omvang en de interne organisatie van deze instellingen alsmede met de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden ervan, interne capaciteit voor de beoordeling van specifieke risico's te ontwikkelen en meer gebruik te maken van interne modellen voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor het specifieke risico dat aan in de handelsportefeuille opgenomen schuldinstrumenten is verbonden, zulks in combinatie met interne modellen voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor het wanbetalings- en migratierisico indien hun blootstelling aan specifieke risico's wezenlijk is in absolute termen en zij tegelijkertijd een groot aantal wezenlijke posities in schuldinstrumenten van verschillende uitgevende instellingen hebben.

Dit artikel laat de vervulling van de criteria in deel 3, titel IV, hoofdstuk 5, afdelingen 1 tot en met 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 onverlet.

4.  
De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op om het in lid 3, eerste alinea, bedoelde begrip "blootstelling aan specifieke risico's die materieel is in absolute termen" nader te omschrijven en om de drempels voor grote aantallen materiële tegenpartijen en posities in schuldinstrumenten van verschillende uitgevende instellingen nader te specificeren.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 78

Benchmarking door toezichthouders van interne benaderingen voor het berekenen van eigenvermogensvereisten

1.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat instellingen die toelating hebben gekregen om interne benaderingen te gebruiken voor de berekening van de risicogewogen posten of eigenvermogensvereisten, met uitzondering van operationeel risico, de resultaten rapporteren van de berekeningen betreffende hun interne benaderingen voor hun in de benchmarkportefeuilles opgenomen posten of blootstellingen. De instellingen dienen de resultaten van hun berekeningen in samen met een uitleg van de hiervoor gebruikte methoden met passende tijdsintervallen en ten minste jaarlijks in bij de bevoegde autoriteiten.
2.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen de in lid 1 bedoelde resultaten van de berekeningen volgens het door de EBA overeenkomstig lid 8 opgestelde sjabloon indienen bij de bevoegde autoriteiten en bij de EBA. Indien de bevoegde autoriteiten ervoor kiezen specifieke portefeuilles te ontwikkelen, doen zij dit in overleg met de EBA en zorgen zij ervoor dat de instellingen de resultaten van de berekeningen daarvan en de resultaten voor de berekeningen van de EBA-portefeuilles afzonderlijk indienen.
3.  

De bevoegde autoriteiten controleren, op basis van de informatie die de instellingen overeenkomstig lid 1 hebben ingediend, het bereik van risicogewogen posten of eigenvermogensvereisten, als toepasselijk, behalve voor operationeel risico, voor de blootstellingen of transacties in de benchmarkportefeuille die het resultaat zijn van de interne benaderingen van die instellingen. Minimaal jaarlijks beoordelen de bevoegde autoriteiten de kwaliteit van die benaderingen, waarbij zij bijzondere aandacht schenken aan:

a) 

benaderingen die significante verschillen in de eigenvermogensvereisten voor dezelfde blootstelling vertonen;

b) 

benaderingen met een bijzonder hoge of lage diversiteit, alsook benaderingen met een significante en systematische onderwaardering van de eigenvermogensvereisten.

Op basis van de in lid 2 bedoelde informatie stelt de EBA een verslag op om de bevoegde autoriteiten bij te staan bij de kwaliteitsbeoordeling van de interne benaderingen.

4.  
Indien bepaalde instellingen zich in aanmerkelijke mate onderscheiden van de meerderheid van hun branchegenoten of indien de benaderingen weinig overeenkomsten vertonen en tot een brede variatie in de resultaten leiden, onderzoeken de bevoegde autoriteiten de redenen daarvoor en, indien duidelijk kan worden vastgesteld dat de benadering van een instelling leidt tot een niet aan verschillen in de onderliggende risico's van de blootstellingen of posities toe te schrijven onderwaardering van de eigenvermogensvereisten, nemen zij corrigerende maatregelen.
5.  

De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat hun besluit om passende corrigerende maatregelen als bedoeld in lid 4 te nemen, in overeenstemming is met het beginsel dat die maatregelen moeten beantwoorden aan de doelstellingen van een interne benadering en derhalve:

a) 

niet mogen leiden tot standaardisatie of tot preferente methodes;

b) 

geen verkeerde prikkels mogen creëren; of

c) 

niet mogen leiden tot kuddegedrag.

6.  
De EBA kan overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren en aanbevelingen afgeven wanneer zij dat op grond van de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde informatie en beoordelingen noodzakelijk acht voor het verbeteren van de toezichtpraktijken of de praktijken van de instellingen inzake interne benaderingen.
7.  

De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van:

a) 

de procedures voor het delen, door de bevoegde autoriteiten, van de beoordelingen overeenkomstig lid 3, met elkaar en met de EBA;

b) 

de normen voor de beoordeling door de bevoegde autoriteiten als bedoeld in lid 3.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

8.  

De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op tot nadere bepaling van:

a) 

de in de Unie ten behoeve van de in lid 3 bedoelde rapportage toe te passen sjabloon, definities en IT-oplossingen;

b) 

de in lid 1 bedoelde benchmarkportefeuille(s).

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

9.  
De Commissie legt uiterlijk 1 april 2015 na raadpleging van de EBA aan het Europees Parlement en aan de Raad een verslag voor over de werking van benchmarking van interne modellen ook wat betreft de reikwijdte van het model. Indien nodig, volgt op het verslag een wetgevingsvoorstel.

Artikel 79

Krediet- en tegenpartijrisico

De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat:

a) 

de kredietverlening geschiedt op basis van gedegen en welomschreven criteria en dat de procedure voor de acceptatie, aanpassing, vernieuwing en herfinanciering van kredieten duidelijk is vastgelegd;

b) 

de instellingen beschikken over interne methoden die hen is staat stellen het aan blootstellingen ten aanzien van individuele debiteuren, posities in effecten of securitisatieposities verbonden kredietrisico en het kredietrisico op het niveau van de portefeuille te beoordelen. De interne methoden berusten met name niet uitsluitend of automatisch op externe ratings. Indien de eigenvermogensvereisten gebaseerd zijn op een rating van een externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) of op het feit dat een blootstelling geen rating heeft, ontslaat dit de instellingen niet van de verplichting ook andere informatie die van belang is om de allocatie van intern kapitaal te beoordelen, in aanmerking te nemen;

c) 

van doeltreffende systemen gebruik wordt gemaakt voor de lopende administratie en bewaking van de diverse portefeuilles en blootstellingen van instellingen waaraan een kredietrisico verbonden is, met inbegrip van de detectie en het beheer van probleemkredieten, het verrichten van adequate waardeaanpassingen en de vorming van voorzieningen;

d) 

de spreiding van de kredietportefeuilles aansluit bij de doelmarkten en bij de algemene kredietstrategie van de instelling.

Artikel 80

Restrisico

De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat het risico dat door de instellingen toegepaste, erkende kredietrisicolimiteringstechnieken minder doeltreffend blijken dan verwacht, wordt ondervangen en beheerst, onder meer door middel van schriftelijk vastgelegde beleidslijnen en procedures.

Artikel 81

Concentratierisico

De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat het concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan het risico met betrekking tot elke tegenpartij, met inbegrip van centrale tegenpartijen, groepen van verbonden tegenpartijen en tegenpartijen van dezelfde economische sector of geografische regio, dan wel uit dezelfde activiteits- of grondstofsector, alsook uit de toepassing van technieken voor de limitering van het kredietrisico, en met name van risico's verbonden aan grote indirecte kredietblootstellingen, bijvoorbeeld jegens één enkele uitgevende instelling van zekerheden, wordt ondervangen en beheerst, onder meer door middel van schriftelijk vastgelegde beleidslijnen en procedures.

Artikel 82

Securitisatierisico

1.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de risico’s die voortvloeien uit securitisatietransacties waarbij de kredietinstellingen optreden als belegger, initiator of sponsor, inclusief reputatierisico's (zoals die welke voortvloeien uit complexe structuren of producten), worden beoordeeld en ondervangen aan de hand van passende beleidslijnen en procedures om ervoor te zorgen dat bij het nemen van beslissingen op het gebied van risicobeoordeling en risicobeheer ten volle met het economische belang van de transactie rekening wordt gehouden.
2.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat instellingen die optreden als initiator van revolverende securitisatietransacties waarbij er sprake is van vervroegde-aflossingsbepalingen, een liquiditeitsplan vaststellen om de gevolgen van zowel geplande als vervroegde aflossingen op te vangen.

Artikel 83

Marktrisico

1.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat er beleidslijnen en processen voor het detecteren, meten en beheren van alle wezenlijke bronnen en effecten van marktrisico's worden ingevoerd.
2.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat als de korte positie eerder vervalt dan de lange positie, de instellingen ook maatregelen nemen ter dekking van het risico van een te geringe liquiditeit.
3.  
Het interne kapitaal is toereikend ter dekking van materiële marktrisico's waarvoor geen eigenvermogensvereiste geldt.

Instellingen die bij de berekening van hun eigenvermogensvereisten voor het positierisico overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 hun posities in een of meer van de aan een aandelenindex ten grondslag liggende aandelen gesaldeerd hebben met een of meer tegengestelde posities in de aandelenindexfuture of een ander aandelenindexproduct, beschikken over toereikend intern kapitaal ter dekking van het basisrisico van verlies als gevolg van het feit dat de waarde van de future of van het andere product niet exact de ontwikkeling volgt van de waarde van de samenstellende aandelen; instellingen hebben ook dergelijk toereikend intern kapitaal indien zij tegengestelde posities houden in aandelenindexfutures die wat betreft looptijd en/of samenstelling niet identiek zijn.

Instellingen die de in artikel 345 van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven behandeling toepassen, zorgen ervoor dat zij over voldoende intern kapitaal beschikken ter dekking van het risico van verlies in het tijdvak tussen het aangaan van de oorspronkelijke verbintenis en de volgende werkdag.

▼M5

Artikel 84

Uit activiteiten buiten de handelsportefeuille voortvloeiend renterisico

1.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat instellingen interne systemen implementeren, gebruikmaken van de gestandaardiseerde of de vereenvoudigde gestandaardiseerde methode voor het identificeren, beoordelen, beheren en limiteren van de risico's die voortvloeien uit potentiële veranderingen in rentetarieven welke van invloed zijn op de economische waarde van eigen vermogen en de nettorentebaten van de activiteiten buiten de handelsportefeuille van een instelling.
2.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat instellingen systemen implementeren voor het beoordelen en monitoren van de risico's die voortvloeien uit potentiële veranderingen in kredietspreads welke van invloed zijn op de economische waarde van eigen vermogen en de nettorentebaten van de activiteiten buiten de handelsportefeuille van een instelling.
3.  
Een bevoegde autoriteit kan een instelling ertoe verplichten de gestandaardiseerde methode als bedoeld in lid 1 te gebruiken wanneer de interne systemen welke die instelling voor de beoordeling van de in dat lid bedoelde risico's toepast, niet bevredigend zijn.
4.  
Een bevoegde autoriteit kan verlangen dat een kleine en niet-complexe instelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 145, van Verordening (EU) nr. 575/2013 de gestandaardiseerde methode gebruikt als zij van oordeel is dat de vereenvoudigde gestandaardiseerde methode niet adequaat is voor het ondervangen van renterisico's die voortvloeien uit activiteiten buiten de handelsportefeuille van die instelling.
5.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling, voor de toepassing van dit artikel, van een gestandaardiseerde methode die de instellingen kunnen gebruiken voor de beoordeling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde risico's, waaronder een vereenvoudigde gestandaardiseerde methode voor kleine en niet-complexe instellingen als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 145, van Verordening (EU) nr. 575/2013, die ten minste even conservatief is als de gestandaardiseerde methode.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

6.  

De EBA geeft richtsnoeren af tot nadere bepaling van de criteria voor:

a) 

de beoordeling van de in lid 1 bedoelde risico's door middel van een intern systeem van een instelling;

b) 

de identificatie, het beheer en het limiteren door instellingen van de in lid 1 bedoelde risico's;

c) 

de beoordeling en de monitoring door instellingen van de in lid 2 bedoelde risico's;

d) 

de bepaling welke van de door instellingen voor de toepassing van lid 1 geïmplementeerde interne systemen niet bevredigend zijn, als bedoeld in lid 3.

De EBA geeft die richtsnoeren uiterlijk op 28 juni 2020 af.

▼B

Artikel 85

Operationeel risico

▼M5

1.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat instellingen beleid en procedures toepassen om de blootstellingen aan operationeel risico, met inbegrip van modelrisico en risico's ten gevolge van outsourcing, te beoordelen en te beheren en om zelden voorkomende, zeer ernstige gebeurtenissen te dekken. De instellingen omschrijven nader wat voor de toepassing van dat beleid en die procedures onder operationeel risico wordt verstaan.

▼B

2.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat er calamiteiten- en bedrijfscontinuïteitsplannen bestaan om ervoor te zorgen dat de continuïteit van de bedrijfsvoering van de instellingen is verzekerd en dat verliezen bij ernstige verstoring van de bedrijfsactiviteiten kunnen worden beperkt.

Artikel 86

Liquiditeitsrisico

1.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen over deugdelijke strategieën, beleidslijnen, procedures en systemen beschikken voor het detecteren, het meten, het beheren en het bewaken van het liquiditeitsrisico over een passende reeks tijdshorizonten, waaronder intra-day, teneinde ervoor te zorgen dat de instellingen voldoende liquiditeitsbuffers aanhouden. Deze strategieën, beleidslijnen, procedures en systemen zijn toegesneden op de bedrijfsonderdelen, valuta's, bijkantoren en juridische entiteiten en bevatten passende mechanismen voor de allocatie van liquiditeitskosten, -baten en -risico's.
2.  
De in lid 1 bedoelde strategieën, beleidslijnen, procedures en systemen staan in verhouding tot de complexiteit, het risicoprofiel en het werkterrein van de instelling en tot de door het leidinggevend orgaan vastgestelde risicotolerantie, en houden rekening met het belang van de instelling in elke lidstaat waarin zij werkzaam is. De instellingen delen de risicotolerantie mee ten aanzien van alle relevante bedrijfsonderdelen.
3.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat, rekening houdend met de aard, schaal, en complexiteit van de werkzaamheden van de betrokken instellingen, instellingen liquiditeitsrisicoprofielen hebben die consistent zijn met en niet verder gaan dan wat nodig is voor een goed functionerend en deugdelijk stelsel.

De bevoegde autoriteiten houden toezicht op ontwikkelingen inzake liquiditeitsrisicoprofielen, bijvoorbeeld wat betreft productontwerp en productvolumes, risicobeheer, financieringsbeleid en concentraties van financieringen.

De bevoegde autoriteiten nemen doeltreffende maatregelen indien de in de tweede alinea bedoelde ontwikkelingen kunnen leiden tot instabiliteit van afzonderlijke instellingen of van het hele stelsel.

De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van elke maatregel die overeenkomstig de derde alinea wordt genomen.

De EBA doet in voorkomend geval aanbevelingen in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1093/2010 aanbevelingen.

4.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen methoden opstellen voor het detecteren, het meten, het beheren en het bewaken van financieringsposities. Deze methoden omvatten de bestaande en geraamde wezenlijke kasstromen in en voortvloeiende uit activa, passiva, posten buiten de balanstelling, waaronder voorwaardelijke verplichtingen, en de mogelijke gevolgen van het reputatierisico.
5.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen een onderscheid maken tussen in pand gegeven en niet-bezwaarde activa die te allen tijde, en met name in noodsituaties, beschikbaar zijn. Zij zorgen er tevens voor dat de instellingen rekening houden met de juridische entiteit waarin de activa zich bevinden, met het land waar de activa in een register of een rekening zijn ingeschreven, en met hun toelaatbaarheid als eigen vermogen, en houden in het oog hoe de activa tijdig vrijgemaakt kunnen worden.
6.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen ook de bestaande wettelijke, bestuursrechtelijke en operationele beperkingen op mogelijke overdrachten van liquiditeit en niet-bezwaarde activa tussen entiteiten in en buiten de Europese Economische Ruimte in aanmerking nemen.
7.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat instellingen verschillende middelen overwegen om het liquiditeitsrisico te limiteren, waarbij te denken valt aan een systeem van limieten en liquiditeitsbuffers voor uiteenlopende probleemsituaties, en aan een voldoende gediversifieerde financieringsstructuur en voldoende toegang tot financieringsbronnen. Deze regelingen worden regelmatig getoetst.
8.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen alternatieve scenario's voor liquiditeitsposities en risicolimitering in overweging nemen en de hypothesen die aan beslissingen betreffende de financiële positie ten grondslag liggen, ten minste jaarlijks opnieuw bezien. Daartoe wordt in deze scenario's met name gelet op posten buiten de balanstelling en andere voorwaardelijke verplichtingen, waaronder die van special purpose entities voor securitisatiedoeleinden (securitisation special purpose entities - SSPE's) en andere special purpose entities, als bedoeld in Verordening (EU) nr. 575/2013, waarbij de instelling als sponsor fungeert of wezenlijke liquiditeitssteun verleent.
9.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen ook kijken naar de mogelijke gevolgen van instellingsspecifieke, marktbrede en gecombineerde alternatieve scenario's. Daarbij worden verschillende tijdsperioden en stressniveaus in aanmerking genomen.
10.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen hun strategieën, interne beleidslijnen en liquiditeitsrisicolimieten aanpassen en effectieve calamiteitenplannen opstellen op basis van de resultaten van de in lid 8 bedoelde alternatieve scenario's.

▼M6

11.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen over liquiditeitsherstelplannen met deugdelijke strategieën en uitvoeringsmaatregelen beschikken om mogelijke liquiditeitstekorten het hoofd te kunnen bieden, ook in bijkantoren die in een andere lidstaat zijn gevestigd. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat deze plannen ten minste jaarlijks door de instellingen worden getest, worden bijgewerkt op basis van de resultaten van de in lid 8 bedoelde alternatieve scenario's en worden gemeld aan en goedgekeurd door de directie, zodat interne beleidslijnen en processen dienovereenkomstig kunnen worden aangepast. De instellingen nemen van tevoren de nodige operationele maatregelen om ervoor te zorgen dat liquiditeitsherstelplannen onmiddellijk kunnen worden uitgevoerd. Deze operationele maatregelen behelzen onder meer het aanhouden van zekerheden die onmiddellijk beschikbaar zijn voor centralebankfinanciering. Dit betekent onder meer dat, indien nodig, zekerheden worden aangehouden in de valuta van een andere lidstaat of in de valuta van een derde land waar de instelling blootstellingen heeft en, indien zulks voor operationele doeleinden noodzakelijk is, op het grondgebied van een lidstaat van ontvangst of van een derde land in de valuta waaraan zij is blootgesteld.

▼B

Artikel 87

Risico van buitensporige hefboomwerking

1.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat instellingen beschikken over beleidslijnen en procedures voor de detectie, het beheer en de bewaking van het risico van buitensporige hefboomwerking. Indicatoren voor het risico van buitensporige hefboomwerking zijn onder meer de overeenkomstig artikel 429 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde hefboomwerkingratio en mismatches tussen activa en verplichtingen.
2.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen voorzorgen nemen voor het risico van buitensporige hefboomwerking door naar behoren rekening te houden met mogelijke verhogingen van het risico van buitensporige hefboomwerking welke worden veroorzaakt door verminderingen van het eigen vermogen van instellingen als gevolg van verwachte of gerealiseerde verliezen, al naargelang de toepasselijke boekhoudregels. In dat verband zijn de instellingen in staat uiteenlopende probleemsituaties met betrekking tot het risico van buitensporige hefboomwerking te doorstaan.



Onderafdeling 3

Governance

Artikel 88

Governanceregelingen

1.  
De lidstaten zorgen ervoor dat het leidinggevend orgaan governanceregelingen opstelt en toezicht houdt op en verantwoording aflegt voor de uitvoering ervan; deze regelingen garanderen een doeltreffend en prudent bestuur van een instelling en voorzien onder meer in een scheiding van taken in de organisatie en in de voorkoming van belangenconflicten.

Die regelingen zijn in overeenstemming met de volgende beginselen:

a) 

het leidinggevend orgaan moet de algemene verantwoordelijkheid voor de instelling dragen, hecht zijn goedkeuring aan de strategische doelstellingen, de risicostrategie en de interne governance en houdt toezicht op de uitvoering daarvan;

b) 

het leidinggevend orgaan moet zorgen voor de integriteit van de systemen voor boekhoudkundige en financiële verslaglegging, met inbegrip van de financiële en operationele controle en de naleving van de wetgeving en de toepasselijke normen;

c) 

het leidinggevend orgaan moet toezicht houden op de procedure voor het bekendmaken en het communiceren van gegevens;

d) 

het leidinggevend orgaan moet verantwoordelijk te zijn voor de uitoefening van een doeltreffend toezicht op de directie;

e) 

de voorzitter van het leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie van een instelling, bekleedt niet tegelijkertijd de functie van chief executive officer binnen dezelfde instelling, tenzij dat door de instelling is gerechtvaardigd en door de bevoegde autoriteiten is toegestaan.

De lidstaten zorgen ervoor dat het leidinggevend orgaan van de instelling de doeltreffendheid van de governanceregelingen in het oog houdt en periodiek beoordeelt, en passende stappen onderneemt om eventuele tekortkomingen aan te pakken.

▼M5

De lidstaten zorgen ervoor dat gegevens over leningen aan leden van het leidinggevend orgaan en hun verbonden partijen naar behoren gedocumenteerd zijn en op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteiten worden gesteld.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de term "verbonden partij" verstaan:

a) 

een echtgenoot, een echtgenote, een geregistreerde partner overeenkomstig het nationale recht, een kind of een ouder van een lid van het leidinggevend orgaan;

b) 

een commerciële entiteit waarin een lid van het leidinggevend orgaan dan wel een naast familielid van die persoon als bedoeld in punt a) een gekwalificeerde deelneming van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten heeft, of waarin die personen een invloed van betekenis kunnen uitoefenen, of waarin die personen een directiefunctie bekleden dan wel lid zijn van het leidinggevend orgaan.

▼B

2.  
De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen die significant zijn wat hun omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden betreft, een benoemingscomité instellen dat is samengesteld uit leden van het leidinggevend orgaan die in de betrokken instelling geen enkele uitvoerende functie bekleden.

Het benoemingscomité heeft de volgende taken:

a) 

aanwijzen en aanbevelen, voor goedkeuring door het leidinggevend orgaan of voor goedkeuring door de algemene vergadering, van kandidaten voor het vervullen van vacatures in het leidinggevend orgaan, nagaan hoe de kennis, vaardigheden, diversiteit en ervaring in het leidinggevend orgaan zijn verdeeld en het opstellen van een beschrijving van de taken en bekwaamheden die voor een bepaalde benoeming zijn vereist, alsmede beoordelen hoeveel tijd er aan de functie moet worden besteed.

Verder stelt het benoemingscomité een streefcijfer vast voor de vertegenwoordiging van het ondervertegenwoordigde geslacht in het leidinggevend orgaan en stippelt het een beleid uit om het aantal vertegenwoordigers van het ondervertegenwoordigde geslacht in het leidinggevend orgaan te vergroten en op die manier het streefcijfer te halen. Het streefcijfer, de beleidslijn en de uitvoering ervan worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 435, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b) 

periodiek, en minimaal jaarlijks, evalueren van de structuur, omvang, samenstelling en prestaties van het leidinggevend orgaan en aanbevelingen doen aan het leidinggevend orgaan met betrekking tot wijzigingen;

c) 

periodiek, en minimaal jaarlijks, de kennis, vaardigheden en ervaring van individuele leden van het leidinggevend orgaan en van het leidinggevend orgaan als geheel beoordelen, en dienovereenkomstig verslag uitbrengen aan het leidinggevend orgaan;

d) 

periodiek het beleid van het leidinggevend orgaan voor de selectie en benoeming van de directie toetsen, en aanbevelingen doen aan het leidinggevend orgaan.

Bij de vervulling van zijn taken ziet het benoemingscomité er in de mate van het mogelijke doorlopend op toe dat één persoon of een kleine groep van personen de besluitvorming van het leidinggevend orgaan niet domineren op een wijze die de belangen van de instelling in haar geheel schade berokkent.

Het benoemingscomité heeft de mogelijkheid gebruik te maken van alle vormen van hulpmiddelen die het geschikt acht, zoals het inwinnen van extern advies; het ontvangt hiertoe toereikende middelen.

Indien het leidinggevend orgaan op grond van de nationale wetgeving geen enkele bevoegdheid heeft in het kader van de procedure voor de selectie en benoeming van zijn leden, is dit lid niet van toepassing.

Artikel 89

Verslaggeving per land

1.  

Met ingang van 1 januari 2015 schrijven de lidstaten voor dat elke instelling jaarlijks de volgende informatie, uitgesplitst naar lidstaat en naar derde land waarin zij een vestiging heeft, op geconsolideerde basis bekendmaakt voor het boekjaar:

a) 

benaming(en), aard van de activiteiten en geografische locatie;

b) 

omzet;

c) 

aantal werknemers in voltijdequivalenten;

d) 

winst of verlies vóór belasting;

e) 

belasting over winst of verlies;

f) 

ontvangen overheidssubsidies.

2.  
Onverminderd lid 1 schrijven de lidstaten voor dat de instellingen de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde informatie voor het eerst openbaar maken op 1 juli 2014.
3.  
Uiterlijk 1 juli 2014 leggen alle, mondiaal systeemrelevante financiële instellingen, zoals op internationaal niveau bepaald, die beschikken over een vergunning in de Unie, op vertrouwelijke basis aan de Commissie de informatie voor als bedoeld in lid 1, onder d), e) en f). De Commissie verricht na overleg met de EBA, de EIOPA en de ESMA, naar gelang het geval, een algemene beoordeling van de mogelijke negatieve economische gevolgen van de openbaarmaking van dergelijke informatie, onder meer wat betreft de gevolgen ervan voor de concurrentiepositie, de beschikbaarheid van investeringen en kredieten, en de stabiliteit van het financiële stelsel. De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2014 verslag uit aan het Europees Parlement en aan de Raad.

Indien de Commissie in haar verslag belangrijke negatieve gevolgen vaststelt, bekijkt zij of een passend wetgevingsvoorstel moet worden ingediend voor wijziging van de in lid 1 bedoelde rapportageverplichtingen en kan zij overeenkomstig artikel 145, onder h), besluiten deze verplichtingen uit te stellen. De Commissie beoordeelt jaarlijks of dit uitstel moet worden voortgezet.

4.  
De in lid 1 bedoelde informatie wordt gecontroleerd overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG, en wordt, indien mogelijk, als bijlage bij de jaarlijkse financiële overzichten van de instellingen of, voor zover van toepassing, als bijlage bij de geconsolideerde financiële overzichten van de betrokken instelling bekendgemaakt.
5.  
Voor zover toekomstige wetgevingshandelingen van de Unie voorzien in bekendmakingsverplichtingen die verder gaan dan de verplichtingen in dit artikel, komt dit artikel te vervallen en wordt het dienovereenkomstig geschrapt.

▼M5

6.  
Uiterlijk op 1 januari 2021 beoordeelt de Commissie, na raadpleging van de EBA, de Eiopa en de ESMA, of de in lid 1, punten a) tot en met f), bedoelde informatie nog steeds voldoende is, rekening houdend met eerdere effectbeoordelingen, internationale overeenkomsten en wetgevingsontwikkelingen in de Unie, en of er relevante informatievereisten kunnen worden toegevoegd aan lid 1.

Op basis van de raadpleging van de EBA, de Eiopa en de ESMA dient de Commissie uiterlijk op 30 juni 2021 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de in dit lid bedoelde beoordeling en dient zij, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.

▼B

Artikel 90

Bekendmaking van rendement op activa

De instellingen maken in hun jaarverslag als een van de belangrijkste indicatoren hun rendement op activa aan het publiek bekend, berekend als hun nettowinst gedeeld door hun balanstotaal.

Artikel 91

Leidinggevend orgaan

▼M5

1.  
Op instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings rust de primaire verantwoordelijkheid om erop toe te zien dat de leden van het leidinggevend orgaan steeds als voldoende betrouwbaar bekendstaan en beschikken over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring voor de vervulling van hun taken. De leden van het leidinggevend orgaan voldoen in het bijzonder aan de eisen van de leden 2 tot en met 8.

De bevoegde autoriteiten hebben de bevoegdheid om leden van het leidinggevend orgaan die niet aan de vereisten van dit lid voldoen, uit dat leidinggevend orgaan te ontslaan. De bevoegde autoriteiten gaan met name na of nog steeds aan de vereisten van dit lid wordt voldaan als zij goede redenen hebben om te vermoeden dat er in verband met die instelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop.

▼B

2.  
Alle leden van het leidinggevend orgaan besteden genoeg tijd aan de vervulling van hun taken in de instelling.
3.  

Het aantal bestuursfuncties dat een lid van het leidinggevend orgaan tegelijkertijd kan vervullen, hangt af van individuele omstandigheden en van de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de instelling. Tenzij zij de lidstaat vertegenwoordigen, vervullen de leden van het leidinggevend orgaan van een instelling die significant is wat betreft haar omvang en interne organisatie en wat betreft de aard, schaal en complexiteit van haar werkzaamheden, vanaf 1 juli 2014 tegelijkertijd niet meer dan één van de volgende combinaties van bestuursfuncties:

a) 

een uitvoerende bestuursfunctie en twee niet-uitvoerende bestuursfuncties;

b) 

vier niet-uitvoerende bestuursfuncties.

4.  

Voor de toepassing van lid 3 telt het volgende als een enkele bestuursfunctie:

a) 

uitvoerende of niet-uitvoerende bestuursfuncties binnen dezelfde groep;

b) 

uitvoerende of niet-uitvoerende bestuursfuncties binnen:

i) 

instellingen die bij hetzelfde institutioneel protectiestelsel zijn aangesloten, mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013; of

ii) 

ondernemingen (met inbegrip van niet-financiële entiteiten) waarin de instelling een gekwalificeerde deelneming heeft.

5.  
Bestuursfuncties in organisaties die niet hoofdzakelijk commerciële doelen nastreven worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van lid 3.
6.  
De bevoegde autoriteiten kunnen leden van het leidinggevend orgaan toestemming verlenen om nog één ander niet-uitvoerend bestuursfuncties te bekleden. De bevoegde autoriteiten brengen de EBA regelmatig op de hoogte van dergelijke toestemmingen.

▼M5

7.  
Het leidinggevend orgaan beschikt in zijn geheel genomen over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring om inzicht te hebben in de bedrijfsactiviteiten van de instelling, met inbegrip van de voornaamste risico's. De algemene samenstelling van het leidinggevend orgaan weerspiegelt een voldoende brede waaier van ervaring.
8.  
Elk lid van het leidinggevend orgaan handelt eerlijk, integer en met onafhankelijkheid van geest om daadwerkelijk de besluiten van de directie te beoordelen en deze ter discussie te stellen indien zulks noodzakelijk is en om daadwerkelijk toe te zien en controle uit te oefenen op de bestuurlijke besluitvorming. Lidmaatschap van verbonden ondernemingen of verbonden entiteiten vormt op zich geen belemmering om met onafhankelijkheid van geest te handelen.

▼B

9.  
De instellingen wijden voldoende personele en financiële middelen aan de introductie en opleiding van leden van het leidinggevend orgaan.
10.  
De lidstaten of de bevoegde autoriteiten eisen dat instellingen en hun respectieve benoemingscomités zorgen voor een breed scala van kenmerken en vaardigheden bij de aanwerving van leden voor het leidinggevend orgaan en dat zij derhalve een beleid ter bevordering van diversiteit binnen het leidinggevend orgaan voeren.
11.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat zij beschikken over de overeenkomstig artikel 435, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bekendgemaakte informatie en gebruiken deze voor de benchmarking van diversiteitspraktijken. De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van deze informatie. De EBA gebruikt deze informatie voor de benchmarking van diversiteitspraktijken op Unieniveau.
12.  

De EBA vaardigt richtsnoeren uit over:

a) 

het begrip "besteding van genoeg tijd door een lid van het leidinggevend orgaan aan de vervulling van zijn taken in verhouding tot de individuele omstandigheden en de aard, schaal en complexiteit van de instellingen";

b) 

het begrip "voldoende kennis, vaardigheden en ervaring van het leidinggevend orgaan in zijn geheel genomen", als bedoeld in lid 7;

c) 

de begrippen "eerlijkheid, integriteit en onafhankelijkheid van geest van een lid van het leidinggevend orgaan", als bedoeld in lid 8;

d) 

het begrip "voldoende personele en financiële middelen gewijd aan de introductie en opleiding van leden van het leidinggevend orgaan", als bedoeld in lid 9;

e) 

het begrip "diversiteit waarmee rekening moet worden gehouden als een van de criteria voor de selectie van leden van het leidinggevend orgaan", als bedoeld in lid 10;

▼M5

f) 

de consistente toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in lid 1, tweede alinea.

▼B

De EBA vaardigt die richtsnoeren uiterlijk op 31 december 2015 uit.

13.  
Dit artikel laat de in het nationale recht vastgestelde bepalingen inzake de vertegenwoordiging van werknemers in het leidinggevend orgaan onverlet.

Artikel 92

Beloningsbeleid

▼M5 —————

▼B

2.  

►M5  De lidstaten dragen er zorg voor dat de instellingen bij de vaststelling en de toepassing van het totale beloningsbeleid, met inbegrip van salarissen en uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen, voor categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling wezenlijk beïnvloeden, de volgende vereisten in acht nemen op een wijze die aansluit bij hun omvang, interne organisatie en aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden: ◄

a) 

het beloningsbeleid is in overeenstemming met en draagt bij tot een degelijk en doeltreffend risicobeheer, en moedigt niet aan tot het nemen van meer risico's dan voor de instelling aanvaardbaar is;

▼M5

a bis) 

het beloningsbeleid is een genderneutraal beloningsbeleid;

▼B

b) 

het beloningsbeleid strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de instelling, en behelst ook maatregelen die belangenconflicten moeten vermijden;

c) 

het leidinggevend orgaan van de instelling in zijn toezichtfunctie neemt de algemene beginselen van het beloningsbeleid aan, toetst deze periodiek en is verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan;

d) 

de tenuitvoerlegging van het beloningsbeleid wordt ten minste jaarlijks onderworpen aan een centrale en onafhankelijke interne beoordeling om deze te toetsen aan de naleving van het beloningsbeleid en de beloningsprocedures die het leidinggevend orgaan heeft aangenomen;

e) 

personeelsleden in controlefuncties zijn onafhankelijk van de bedrijfseenheden waar ze toezicht op uitoefenen, hebben voldoende gezag en worden beloond naar gelang van de verwezenlijking van de doelstellingen waar hun functie op gericht is, onafhankelijk van de resultaten van de bedrijfsactiviteiten waarop ze toezicht houden;

f) 

de in artikel 95 bedoelde beloningscommissie of, indien een dergelijke commissie niet is opgericht, het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie, houdt rechtstreeks toezicht op de beloning van hogere leidinggevende medewerkers die risicomanagement- en compliancefuncties uitoefenen.

g) 

in het beloningsbeleid wordt, rekening houdend met nationale loonvormingscriteria, een duidelijk onderscheid gemaakt tussen criteria ter vaststelling van:

i) 

de vaste basisbeloning, die in de eerste plaats de relevante werkervaring en organisatorische verantwoordelijkheid dient te weerspiegelen zoals uiteengezet in een functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden, en

ii) 

de variabele beloning, die in de eerste plaats een duurzaam en voor risico's gecorrigeerd rendement dient te weerspiegelen, alsook de extra prestaties die zijn geleverd naast de prestaties die staan beschreven in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden.

▼M5

3.  

Voor de toepassing van lid 2 omvatten categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling wezenlijk beïnvloeden, ten minste:

a) 

alle leden van het leidinggevend orgaan en de directie;

b) 

personeelsleden met leidinggevende verantwoordelijkheid over de controlefuncties of de essentiële bedrijfseenheden van de instelling;

c) 

personeelsleden die in het voorgaande boekjaar recht hadden op een significante beloning, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i) 

de beloning van het personeelslid is gelijk aan of hoger dan 500 000  EUR en gelijk aan of hoger dan de gemiddelde beloning die wordt toegekend aan de leden van het leidinggevend orgaan en de directie van de instelling als bedoeld in punt a);

ii) 

het personeelslid verricht de beroepswerkzaamheden in een essentiële bedrijfseenheid en de werkzaamheden zijn van dien aard dat zij een aanzienlijke impact hebben op het risicoprofiel van de betrokken bedrijfseenheid.

▼B

Artikel 93

Instellingen waarvoor overheidsmaatregelen gelden

In het geval van instellingen waarvoor uitzonderlijke overheidsmaatregelen gelden, zijn de volgende beginselen van toepassing naast die welke in artikel 92, lid 2, zijn neergelegd:

a) 

de variabele beloning is strikt beperkt tot een percentage van de nettowinsten indien zij niet strookt met de handhaving van een solide kapitaalbasis en een tijdige beëindiging van overheidssteun;

b) 

de ter zake bevoegde autoriteiten eisen van de instellingen dat zij hun beloningen zodanig herstructureren dat zij in overeenstemming zijn met een degelijk risicobeheer en de langetermijnontwikkeling, onder meer door, waar van toepassing, het begrenzen van de beloning van de leden van het leidinggevend orgaan van de instelling;

c) 

er wordt geen variabele beloning betaald aan de leden van het leidinggevend orgaan van de instelling, tenzij dit gerechtvaardigd is.

Artikel 94

Variabele beloningscomponenten

1.  

Voor variabele beloningscomponenten zijn de volgende beginselen van toepassing, naast en onder dezelfde voorwaarden als die welke in artikel 92, lid 2, zijn neergelegd:

a) 

indien de beloning prestatiegerelateerd is, is het totale bedrag van de beloning gebaseerd op een combinatie van de beoordeling van de prestaties van de betrokken persoon, de betrokken bedrijfseenheid en de resultaten van de instelling als geheel, en bij de beoordeling van persoonlijke prestaties worden zowel financiële als niet-financiële criteria gehanteerd;

b) 

de prestatiebeoordeling is gespreid over meerdere jaren om te verzekeren dat de beoordeling is gebaseerd op langetermijnprestaties en dat de feitelijke uitbetaling van prestatiegebonden gedeelten van de beloning wordt gespreid over een periode waarin rekening wordt gehouden met de onderliggende bedrijfscyclus van de kredietinstelling en haar bedrijfsrisico's;

c) 

de totale variabele beloning beperkt niet de mogelijkheid voor de instelling om haar kapitaalbasis te versterken;

d) 

een gegarandeerde variabele beloning strookt niet met gezond risicobeheer of het loon-naar-prestatie-beginsel en mag derhalve geen onderdeel vormen van toekomstige beloningsplannen;

e) 

een gegarandeerde variabele beloning is een uitzondering; zij wordt slechts bij indienstneming van nieuwe personeelsleden toegekend en mits de instelling over een gezond en sterk eigen vermogen beschikt en blijft beperkt tot het eerste jaar;

f) 

de vaste en variabele componenten van de totale beloning zijn evenwichtig verdeeld en het aandeel van de vaste component in het totale beloningspakket is groot genoeg voor het voeren van een volledig flexibel beleid inzake variabele beloningscomponenten, inclusief de mogelijkheid om geen variabele beloningscomponent uit te betalen;

g) 

de instellingen stellen passende verhoudingen tussen de vaste en de variabele component van de totale beloning vast en passen daarbij de volgende beginselen toe:

i) 

de variabele component bedraagt niet meer 100 % van de vaste component van de totale beloning per persoon. De lidstaten kunnen een lager maximumpercentage vaststellen;

ii) 

de lidstaten kunnen aandeelhouders, eigenaren of vennoten van de instelling toestaan een hoger maximumniveau van het percentage van de vaste en de variabele component van de beloning goed te keuren, mits het totale niveau van de variabele component niet meer bedraagt dan 200 % van de vaste component van de totale beloning per persoon. De lidstaten kunnen een lager maximumpercentage vaststellen.

Elke goedkeuring van een hoger percentage overeenkomstig de eerste alinea van dit punt, moet plaatsvinden in overeenstemming met de volgende procedure:

— 
de aandeelhouders, eigenaren of vennoten van de instelling handelen op grond van een gedetailleerde aanbeveling van de instelling waarin zij de motivering voor en de reikwijdte van de gevraagde goedkeuring toelicht, met inbegrip van het aantal betrokken personeelsleden, de functie die zij bekleden en de verwachte gevolgen wat betreft de verplichting om een solide kapitaalbasis in stand te houden;
— 
de aandeelhouders, eigenaren of vennoten van de instelling besluiten bij een meerderheid van ten minste 66 %, voor zover ten minste 55 % van de aandelen of vergelijkbare eigendomsrechten vertegenwoordigd zijn of, bij gebreke daaraan, besluiten bij een meerderheid van 75 % van de vertegenwoordigde eigendomsrechten;
— 
de instelling stelt de aandeelhouders, eigenaren of vennoten van de instelling ervan in kennis dat om een toestemming als bedoeld in de eerste alinea van dit punt zal worden verzocht, en zorgt ervoor dat de kennisgeving voldoende tijdig gebeurt;
— 
de instelling brengt de bevoegde autoriteit onverwijld op de hoogte van de aanbeveling aan haar aandeelhouders, eigenaren of vennoten, alsook van het voorgestelde hogere maximumpercentage en van de motivering daarvoor, en zorgt ervoor dat zij de bevoegde autoriteit kan aantonen dat het voorgestelde hogere percentage niet indruist tegen haar verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn en uit hoofde van Verordening (EU) nr. 575/2013, met name wat betreft de eigenvermogensverplichtingen van de instelling.
— 
de instelling brengt de bevoegde autoriteit onverwijld op de hoogte van de in verband met het bovenstaande door haar aandeelhouders, eigenaren of vennoten genomen besluiten, zoals eventuele goedgekeurde hogere maximumpercentages als bedoeld in de eerste alinea van dit punt, en de bevoegde autoriteiten gebruiken de verstrekte informatie voor het benchmarken van de praktijken van de instellingen ter zake. Deze informatie wordt door de bevoegde autoriteiten doorgegeven aan de EBA, die de informatie bekendmaakt in een gemeenschappelijke rapportageformaat op een naar lidstaat van herkomst geaggregeerde grondslag. De EBA kan richtsnoeren opstellen ter vergemakkelijking van de toepassing van dit streepje en om de consistentie van de verzamelde informatie te verzekeren;
— 
voor zover van toepassing, is het personeelsleden op wie de bovenbedoelde hogere maximumniveaus van de variabele beloning rechtstreeks van toepassing zijn, niet toegestaan direct of indirect de stemrechten uit te oefenen waarover zij als aandeelhouders, eigenaren of vennoten van de instelling beschikken;
iii) 

de lidstaten kunnen de instellingen toestaan het in de tweede alinea van dit punt bedoelde discontopercentage toe te passen op ten hoogste 25 % van de totale variabele beloning, mits deze wordt uitgekeerd in instrumenten die voor een periode van ten minste vijf jaar worden uitgesteld. De lidstaten kunnen een lager maximumpercentage vaststellen.

De EBA stelt richtsnoeren op betreffende het toepasselijke forfaitaire discontopercentage en maakt deze uiterlijk op 31 maart 2014 bekend, waarbij zij rekening houdt met alle relevante factoren, zoals inflatiepercentage en risico, waaronder de duur van de uitstelperiode. De richtsnoeren van de EBA betreffende het discontopercentage gaan in het bijzonder over manieren om het gebruik van instrumenten die voor een periode van ten minste vijf jaar worden uitgesteld aan te moedigen;

h) 

vergoedingen in verband met de voortijdige beëindiging van een contract hangen samen met in de loop der tijd gerealiseerde prestaties en mogen falen of misdragingen niet belonen;

i) 

beloningspakketten in verband met de compensatie of het afkopen van contracten uit eerdere dienstbetrekkingen sluiten aan bij de langetermijnbelangen van de instelling, inclusief retentierechten, uitstel van betaling, prestatie- en verrekeningsafspraken;

j) 

bij de beoordeling van prestaties, als basis voor de berekening van variabele beloningscomponenten of van pools van variabele beloningscomponenten, wordt een correctie aangebracht voor alle soorten van actuele en toekomstige risico's, en wordt rekening gehouden met de kosten van het gebruikte kapitaal en de vereiste liquiditeit;

k) 

bij de toewijzing van de variabele beloningscomponenten binnen de instelling wordt ook rekening gehouden met alle soorten actuele en toekomstige risico's;

l) 

een aanzienlijk deel, en in ieder geval ten minste 50 % van een variabele beloning, bestaat uit een afgewogen mix van het volgende:

▼M5

i) 

aandelen of, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken instelling, equivalente eigendomsbelangen, of op aandelen gebaseerde instrumenten of, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken instelling, equivalente niet-liquide instrumenten;

▼B

ii) 

indien mogelijk, andere instrumenten als bedoeld in artikel 52 of artikel 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013 of andere instrumenten die volledig in tier 1-kernkapitaalinstrumenten kunnen worden omgezet of volledig kunnen worden afgewaardeerd, die in elk geval een goede weerspiegeling zijn van de kredietkwaliteit van de instelling in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening en mogen worden gebruikt voor de uitkering van een variabele beloning.

De in dit punt bedoelde instrumenten zijn onderworpen aan een passend retentiebeleid dat tot doel heeft financiële prikkels af te stemmen op de langeretermijnbelangen van de instelling. De lidstaten of hun bevoegde autoriteiten kunnen beperkingen stellen aan de soorten en de opzet van deze instrumenten of, indien van toepassing, bepaalde instrumenten verbieden. Dit punt is van toepassing op zowel het gedeelte van de variabele beloningscomponent waarvan de uitkering wordt uitgesteld overeenkomstig punt m), als op het gedeelte van de variabele beloningscomponent waarvan de uitkering niet wordt uitgesteld;

▼M5

m) 

een aanzienlijk deel, en in ieder geval ten minste 40 % van de variabele beloningscomponent, wordt uitgesteld over een periode van ten minste vier tot vijf jaar die aansluit bij de aard van de activiteiten, de risico's daarvan en de activiteiten van het betrokken personeelslid. Voor leden van het leidinggevend orgaan en de directie van instellingen die significant zijn wat hun omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden betreft, mag de uitstelperiode niet korter zijn van vijf jaar.

Uitgestelde beloning wordt niet sneller dan op pro-rata basis verworven. Indien een variabele beloningscomponent een bijzonder hoog bedrag is, wordt ten minste 60 % daarvan uitgesteld. De duur van de uitstelperiode wordt vastgesteld in overeenstemming met de bedrijfscyclus, de aard van de activiteiten, de risico's daarvan, en de activiteiten van het betrokken personeelslid;

▼B

n) 

de variabele beloning, inclusief het uitgestelde gedeelte, wordt slechts uitbetaald of verworven wanneer dit met de financiële toestand van de instelling in haar geheel te verenigen is en door de prestaties van de instelling, de bedrijfseenheid en het betrokken individu te rechtvaardigen is.

Onverminderd de algemene beginselen van het nationale verbintenissen- en arbeidsrecht wordt de totale variabele beloning in het algemeen aanzienlijk verlaagd indien de instelling geringere of negatieve financiële prestaties levert, daarbij rekening houdend met zowel de huidige beloning als met de verlaging van uitbetalingen van eerder verdiende bedragen, onder meer door middel van malus- of terugvorderingsregelingen.

Tot 100 % van de totale variabele beloning is onderworpen aan malus- of terugvorderingsregelingen. De instellingen stellen specifieke criteria voor de toepassing van malus- en verrekeningsregelingen vast. De criteria betreffen met name situaties waarin het personeelslid:

i) 

zich op een dusdanige manier heeft gedragen, of verantwoordelijk was voor gedragingen die ertoe hebben geleid dat de instelling aanmerkelijke verliezen heeft geleden;

ii) 

niet heeft voldaan aan passende normen inzake bekwaamheid en correct gedrag;

o) 

het pensioenbeleid is afgestemd op de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de instelling.

Indien de werknemer vóór pensionering de instelling verlaat, worden de uitkeringen uit hoofde van een discretionair pensioen gedurende een termijn van vijf jaar door de instelling aangehouden in de vorm van onder l) bedoelde instrumenten. Indien een werknemer zijn pensionering bereikt, worden discretionaire pensioenuitkeringen aan hem betaald in de vorm van de onder l) bedoelde instrumenten, onder voorbehoud van een retentieperiode van vijf jaar;

p) 

van personeelsleden wordt de toezegging verlangd dat zij geen gebruik zullen maken van persoonlijke hedgingstrategieën of een aan beloning en aansprakelijkheid gekoppelde verzekering om de risicoafstemmingseffecten die in hun beloningsregelingen zijn ingebed, te ondermijnen;

q) 

variabele beloningen worden niet uitgekeerd door middel van vehikels of methoden die de niet-inachtneming van deze richtlijn of van Verordening (EU) nr. 575/2013 vergemakkelijken.

▼M5

2.  
De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de categorieën instrumenten die aan de in lid 1, punt l), ii), gestelde voorwaarden voldoen.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 maart 2014 voor aan de Commissie.

▼M7

Voor het identificeren van personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling wezenlijk beïnvloeden als bedoeld in artikel 92, lid 3, behalve wat betreft personeelsleden in beleggingsondernemingen, ontwikkelt de EBA ontwerpen van technische reguleringsnormen waarin de criteria worden uiteengezet om het volgende te definiëren:

a) 

leidinggevende verantwoordelijkheid en controlefuncties;

b) 

essentiële bedrijfseenheid en aanzienlijke impact op het risicoprofiel van de betrokken bedrijfseenheid, en

c) 

andere categorieën personeelsleden die niet uitdrukkelijk in artikel 92, lid 3, worden bedoeld, wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling even wezenlijk beïnvloeden als die van de in dat lid bedoelde categorieën personeelsleden.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 december 2019 in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om deze richtlijn aan te vullen door de in dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Wat betreft technische reguleringsnormen die van toepassing zijn op beleggingsondernemingen, blijft de bevoegdheid als bedoeld in artikel 94, lid 2, van deze richtlijn, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad ( 17 ), van toepassing tot 26 juni 2021.

▼M5

3.  

In afwijking van lid 1 zijn de vereisten omschreven in punt l), punt m) en de tweede alinea van punt o) van dat lid niet van toepassing op:

a) 

een instelling die geen grote instelling is als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 146, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en waarvan de waarde van de activa gemiddeld en op individuele basis overeenkomstig deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 vijf miljard EUR of minder bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het lopende boekjaar;

b) 

een personeelslid van wie de jaarlijkse variabele beloning niet hoger is dan 50 000  EUR en niet meer dan een derde van de totale jaarlijkse beloning van het personeelslid vertegenwoordigt.

4.  

In afwijking van lid 3, punt a), kan een lidstaat de aldaar bepaalde drempel verlagen of verhogen mits:

a) 

de instelling in verband waarmee de lidstaat gebruikmaakt van deze bepaling, geen grote instelling is als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 146, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en, bij verhoging van de drempel:

i) 

de instelling voldoet aan de criteria in artikel 4, lid 1, punt 145, onder c), d) en e), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en

ii) 

de drempel niet meer dan 15 miljard EUR bedraagt;

b) 

het wenselijk is de drempel in overeenstemming met dit lid te wijzigen, rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de instelling, haar interne organisatie of, indien van toepassing, de kenmerken van de groep waartoe zij behoort.

5.  
In afwijking van lid 3, punt b), kan een lidstaat besluiten dat personeelsleden die recht hebben op een jaarlijkse variabele vergoeding onder de drempel en onder het aandeel als bedoeld in dat punt, niet onder de daarin opgenomen vrijstelling vallen wegens specifieke kenmerken van de nationale markt op het gebied van beloningspraktijk of wegens de aard van de taken en het beroepsprofiel van die personeelsleden.
6.  
Uiterlijk op 28 juni 2023 evalueert de Commissie in nauwe samenwerking met de EBA de toepassing van de leden 3, 4 en 5 en dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een verslag daarover in, waar passend vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
7.  
De EBA geeft overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren af om de tenuitvoerlegging van de leden 3, 4 en 5 te vergemakkelijken en de consistente toepassing daarvan te waarborgen.

▼B

Artikel 95

Beloningscommissie

1.  
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat instellingen die significant zijn wat hun omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden betreft, een beloningscommissie instellen. De beloningscommissie is zodanig samengesteld dat het een kundig en onafhankelijk oordeel kan geven over het beloningsbeleid en de beloningscultuur en de prikkels die daarvan uitgaan voor het beheer van risico, kapitaal en liquiditeit.
2.  
De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat de beloningscommissie verantwoordelijk is voor het voorbereiden van beslissingen over beloning, inclusief beslissingen die gevolgen hebben voor de risico's en het risicobeheer van de betrokken instelling en die het leidinggevend orgaan moet nemen. De voorzitter en de leden van de beloningscommissie zijn leden van het leidinggevend orgaan die in de betrokken instelling geen enkele uitvoerende functie bekleden. Indien de nationale wetgeving in werknemersvertegenwoordiging in het leidinggevend orgaan voorziet, maken een of meer vertegenwoordigers van de werknemers deel uit van de beloningscommissie. Bij de voorbereiding van dergelijke beslissingen houdt de beloningscommissie rekening met de langetermijnbelangen van aandeelhouders, investeerders en andere belanghebbenden van de instelling, alsook het algemeen belang.

Artikel 96

Onderhouden van een website over corporate governance en beloning

De instellingen die een website onderhouden, leggen daarop uit hoe zij aan de vereisten van de artikelen 88 tot en met 95 voldoen.



Afdeling III

Procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder

Artikel 97

Toetsing en evaluatie door de toezichthouder

1.  

Aan de hand van de technische criteria van artikel 98 toetsen de bevoegde autoriteiten de regelingen, strategieën, processen en mechanismen die de instellingen met het oog op de naleving van deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 hebben ingevoerd, en evalueren zij:

a) 

risico's waaraan de instellingen blootgesteld zijn of kunnen worden;

▼M5 —————

▼B

c) 

risico's die bij stresstests aan het licht komen, rekening houdend met de aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van een instelling.

2.  
De reikwijdte van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie omvat alle vereisten van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013.
3.  
Op basis van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie bepalen de bevoegde autoriteiten of de door de instellingen ingevoerde regelingen, strategieën, processen en mechanismen, alsook de eigen vermogens en liquiditeiten die door deze instellingen worden aangehouden, een degelijk beheer en een solide dekking van hun risico's waarborgen.
4.  
De bevoegde autoriteiten stellen de frequentie en de intensiteit van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie vast en houden daarbij rekening met de omvang, systeemrelevantie, aard, schaal en complexiteit van de werkzaamheden van de desbetreffende kredietinstelling, alsmede met het evenredigheidsbeginsel. De toetsing en de evaluatie worden minimaal eenmaal per jaar bijgewerkt voor instellingen die onder het in artikel 99, lid 2, bedoelde programma voor onderzoek door de toezichthouder vallen.

▼M5

Bij het verrichten van de in lid 1 van dit artikel bedoelde toetsing en evaluatie passen de bevoegde autoriteiten het evenredigheidsbeginsel toe in overeenstemming met de op grond van artikel 143, lid 1, punt c), gepubliceerde criteria.

4 bis.  
De bevoegde autoriteiten mogen de methoden voor de toepassing van de in lid 1 van dit artikel bedoelde toetsing en evaluatie aanpassen om rekening te houden met instellingen met een vergelijkbaar risicoprofiel, zoals een vergelijkbaar bedrijfsmodel of een vergelijkbare geografische locatie van blootstellingen. Zulke aangepaste methoden kunnen risicogeoriënteerde benchmarks en kwantitatieve indicatoren bevatten, moeten de mogelijkheid bieden voor een goede beoordeling van de specifieke risico's waaraan elke instelling kan zijn blootgesteld, en mogen geen invloed hebben op de instellingsspecifieke aard van overeenkomstig artikel 104 opgelegde maatregelen.

Wanneer de bevoegde autoriteiten op grond van dit lid aangepaste methoden gebruiken, stellen zij de EBA daarvan in kennis. De EBA monitort de toezichtspraktijken en geeft overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren af tot nadere bepaling van de wijze waarop vergelijkbare risicoprofielen in het kader van dit lid moeten worden beoordeeld en een Uniebreed consistente en evenredige toepassing van op vergelijkbare instellingen toegesneden methoden kan worden gegarandeerd.

▼B

5.  
De lidstaten zorgen ervoor dat indien uit een toetsing blijkt dat een instelling systeemrisico's kan opleveren overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, de bevoegde autoriteiten de EBA onverwijld van de resultaten van de toetsing op de hoogte brengen.

▼M5

6.  
Wanneer een bevoegde autoriteit op grond van een toetsing, in het bijzonder de evaluatie van de governanceregelingen, het bedrijfsmodel of de werkzaamheden van een instelling, goede redenen heeft om te vermoeden dat er in verband met die instelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop, stelt zij de EBA en de autoriteit die of het orgaan dat overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/849 toezicht houdt op de instelling en bevoegd is om de naleving van die richtlijn te waarborgen, daarvan onmiddellijk in kennis. In geval van een mogelijk verhoogd risico van witwassen van geld of terrorismefinanciering stellen de bevoegde autoriteit en de autoriteit die of het orgaan dat overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/849 toezicht houdt op de instelling en bevoegd is om de naleving van die richtlijn te waarborgen, zich met elkaar in verbinding en stellen zij de EBA onmiddellijk in kennis van hun gemeenschappelijke beoordeling. De bevoegde autoriteit neemt waar passend maatregelen in overeenstemming met deze richtlijn.

▼B

Artikel 98

Technische criteria voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder

1.  

De toetsing en de evaluatie die overeenkomstig artikel 97 door de bevoegde autoriteiten worden verricht, hebben, afgezien van het kredietrisico, het marktrisico en het operationele risico, eveneens betrekking op ten minste:

a) 

de resultaten van de stresstests die overeenkomstig artikel 177 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn uitgevoerd door de instellingen die een interneratingbenadering toepassen;

b) 

de blootstelling aan en het beheer door de instellingen van het concentratierisico, met inbegrip van de naleving door deze instellingen van de in deel 4 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 81 van deze richtlijn vervatte vereisten;

c) 

de degelijkheid, geschiktheid en wijze van toepassing van de door de instellingen gevolgde beleidslijnen en procedures met het oog op het beheer van het restrisico dat de toepassing van erkende kredietrisicolimiteringstechnieken met zich brengt;

d) 

de mate waarin het eigen vermogen dat een instelling aanhoudt met betrekking tot de activa die zij gesecuritiseerd heeft, toereikend is in het licht van het economische belang van de transactie, met inbegrip van de mate waarin er sprake is van risico-overdracht;

e) 

de blootstelling aan en de meting en het beheer van het liquiditeitsrisico door de instellingen, waaronder de analyse van alternatieve scenario's, het beheer van risicolimiterende factoren (met name de omvang, samenstelling en kwaliteit van liquiditeitsbuffers) en effectieve calamiteitenplannen;

f) 

de impact van diversificatie-effecten en de wijze waarop die effecten in het systeem van risicometing worden verwerkt;

g) 

de resultaten van de stresstests die zijn uitgevoerd door de instellingen die gebruik maken van een intern model voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico overeenkomstig deel 3, titel IV, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

h) 

de geografische locatie van blootstellingen van instellingen;

i) 

het bedrijfsmodel van de instelling.

▼M5 —————

▼B

2.  
Voor de toepassing van lid 1, onder e), onderwerpen de bevoegde autoriteiten het algehele liquiditeitsrisicobeheer van de instellingen regelmatig aan een uitgebreide evaluatie en bevorderen zij het opstellen van solide interne methoden. Bij deze toetsingen nemen zij de rol die de instellingen op de financiële markten spelen in acht. De bevoegde autoriteiten in de ene lidstaat nemen de gevolgen die hun besluiten kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten naar behoren in overweging.
3.  
De bevoegde autoriteiten controleren of een instelling een securitisatie stilzwijgend heeft gesteund. Indien blijkt dat een instelling meer dan eens stilzwijgende steun heeft verleend, neemt de bevoegde autoriteit passende maatregelen op basis van het vermoeden dat de kans groter is dat zij ook in de toekomst haar securitisaties zal steunen, waardoor er geen sprake is van een aanmerkelijke risico-overdracht.
4.  
Voor het verrichten van de in artikel 97, lid 3, van deze richtlijn bedoelde bepaling houden de bevoegde autoriteiten er rekening mee of de waarderingsaanpassingen voor posities of portefeuilles in de handelsportefeuille als bedoeld in artikel 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013 de instelling in staat stellen haar posities onder normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat wezenlijke verliezen worden geleden.

▼M5

5.  
De toetsing en evaluatie door de bevoegde autoriteiten heeft ook betrekking op de blootstelling van de instelling aan het renterisico dat voortvloeit uit activiteiten buiten de handelsportefeuille.

De toezichtsbevoegdheden worden ten minste in de volgende gevallen uitgeoefend:

a) 

indien de economische waarde van het eigen vermogen van een instelling als bedoeld in artikel 84, lid 1, met meer dan 15 % van het tier 1-kernkapitaal afneemt ten gevolge van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de zes op de rentetarieven toegepaste schokscenario's in het toezicht;

b) 

indien een instelling te maken heeft met een grote daling van haar in artikel 84, lid 1, bedoelde nettorentebaten als gevolg van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de twee op de rentetarieven toegepaste schokscenario's in het toezicht.

Niettegenstaande de tweede alinea zijn de bevoegde autoriteiten niet verplicht toezichtsbevoegdheden uit te oefenen als zij op basis van de in dit lid bedoelde toetsing en evaluatie van oordeel zijn dat de instelling het renterisico voortvloeiend uit activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en dat de instelling niet overmatig is blootgesteld aan het renterisico dat zij loopt bij activiteiten buiten de handelsportefeuille.

Voor de toepassing van dit lid betekent de term „toezichtsbevoegdheden” de in artikel 104, lid 1, bedoelde bevoegdheden of de bevoegdheid tot het nader bepalen van aannames voor modellering en parameters, behalve die welke zijn vastgelegd door de EBA op grond van lid 5 bis, punt b), van dit artikel, die de instellingen in aanmerking nemen bij hun berekening van de economische waarde van het eigen vermogen krachtens artikel 84, lid 1.

▼M5

5 bis.  

De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling, voor de toepassing van lid 5, van:

a) 

de zes schokscenario's in het toezicht als bedoeld in lid 5, tweede alinea, punt a), en de twee schokscenario's in het toezicht als bedoeld in lid 5, tweede alinea, punt b), die voor elke valuta moeten worden toegepast op de rentetarieven;

b) 

in het licht van internationaal overeengekomen prudentiële standaarden, de gemeenschappelijke aannames voor modellering en parameters, met uitzondering van gedragsaannames, die instellingen in aanmerking nemen bij hun berekeningen van de in lid 5, tweede alinea, punt a), bedoelde economische waarde van het eigen vermogen, en die beperkt zijn tot:

i) 

de behandeling van het eigen vermogen van de instelling;

ii) 

de opname, samenstelling en discontering van kasstromen die gevoelig zijn voor rentetarieven die voortvloeien uit de activa, passiva en posten buiten de balanstelling van de instelling, met inbegrip van de behandeling van commerciële marges en andere spreadcomponenten;

iii) 

het gebruik van dynamische of statische balansmodellen en de daaruit voortvloeiende behandeling van afgeschreven en vervallende posities;

c) 

in het licht van internationaal overeengekomen standaarden, de gemeenschappelijke aannames voor modellering en parameters, met uitzondering van gedragsaannames, die instellingen bij hun berekening van de in lid 5, tweede alinea, punt b), bedoelde nettorentebaten in aanmerking nemen, en die beperkt zijn tot:

i) 

de opname en samenstelling van kasstromen die gevoelig zijn voor rentetarieven die voortvloeien uit de activa, passiva en posten buiten de balanstelling van de instelling, met inbegrip van de behandeling van commerciële marges en andere spreadcomponenten;

ii) 

het gebruik van dynamische of statische balansmodellen en de daaruit voortvloeiende behandeling van afgeschreven en vervallende posities;

iii) 

de periode waarover toekomstige nettorentebaten moeten worden gemeten;

d) 

wat wordt verstaan onder een „grote daling” als bedoeld in lid 5, tweede alinea, punt b).

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juni 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

6.  
De toetsing en de evaluatie door de bevoegde autoriteiten hebben ook betrekking op de blootstelling van de instellingen aan het risico van buitensporige hefboomwerking zoals weergegeven door indicatoren van buitensporige hefboomwerking, met inbegrip van de overeenkomstig artikel 429 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde hefboomratio. Bij de bepaling van de adequaatheid van de hefboomratio van instellingen en van de regelingen, strategieën, processen en mechanismen die de instellingen met het oog op het beheer van het risico van buitensporige hefboomwerking toepassen, houden de bevoegde autoriteiten rekening met het bedrijfsmodel van deze instellingen.
7.  
De door de bevoegde autoriteiten verrichte toetsing en de evaluatie hebben onder meer betrekking op de goveranceregelingen van de instellingen, hun bedrijfscultuur en -waarden, en het vermogen van de leden van het leidinggevend orgaan om hun taken te vervullen. Bij het verrichten van deze toetsing en evaluatie hebben de bevoegde autoriteiten ten minste toegang tot de agenda's en werkdocumenten voor vergaderingen van het leidinggevend orgaan en zijn comités, alsmede tot de resultaten van de interne of externe evaluatie van de prestaties van het leidinggevend orgaan.

▼M5

8.  
De EBA beoordeelt de eventuele opneming van ecologische, sociale en governancerisico's (ESG-risico's) in de toetsing en evaluatie door de bevoegde autoriteiten.

Voor de toepassing van de eerste alinea omvat de EBA-beoordeling ten minste de volgende elementen:

a) 

het opstellen van een uniforme definitie van ESG-risico's, met inbegrip van fysieke risico's en overgangsrisico's; tot die laatste behoren de risico's in verband met de waardedaling van activa door veranderingen in de regelgeving;

b) 

het opstellen van passende kwalitatieve en kwantitatieve criteria voor de beoordeling van het effect van ESG-risico's op de financiële stabiliteit van instellingen op korte, middellange en lange termijn; in die criteria zijn ook procedures opgenomen voor het verrichten van stresstests en scenario-analyses met het oog op het beoordelen van het effect van ESG-risico's in het kader van scenario's met verschillende niveaus van ernst;

c) 

de regelingen, procedures, mechanismen en strategieën die de instellingen ten uitvoer moeten leggen om ESG-risico's te bepalen, te beoordelen en te beheren;

d) 

de analysemethoden en -instrumenten om het effect van ESG-risico's op de kredietverlening en financiële bemiddeling door instellingen te beoordelen.

De EBA dient uiterlijk op 28 juni 2021 een verslag over haar bevindingen in bij de Commissie, het Europees Parlement en de Raad.

Op basis van het resultaat van haar verslag kan de EBA, indien passend, overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren afgeven betreffende een uniforme opneming van ESG-risico's in de toezichtsprocedure inzake toetsing en evaluatie door de bevoegde autoriteiten.

▼B

Artikel 99

Programma voor onderzoek door de toezichthouder

1.  

De bevoegde autoriteiten stellen ten minste jaarlijks een programma voor onderzoek door de toezichthouder op voor de instellingen waarop zij toezicht uitoefenen. In dat programma wordt rekening gehouden met de procedure van toetsing en evaluatie door de toezichthouder uit hoofde van artikel 97. Het programma bevat het volgende:

a) 

een indicatie van de wijze waarop de bevoegde autoriteiten voornemens zijn hun taken uit te voeren en hun middelen toe te wijzen;

b) 

de identificatie van instellingen die aan verscherpt toezicht zullen worden onderworpen en de maatregelen genomen voor dergelijk toezicht als voorzien in lid 3;

c) 

een plan voor inspecties in de bedrijfsruimten van een instelling, met inbegrip van haar bijkantoren en dochterondernemingen die in andere lidstaten gevestigd zijn, overeenkomstig de artikelen 52, 119 en 122.

2.  

De programma's voor onderzoek door de toezichthouder hebben onder meer betrekking op de volgende instellingen:

a) 

instellingen waarvoor de resultaten van de in artikel 98, lid 1, punten a) en g), en in artikel 100 bedoelde stresstests of de uitkomst van het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder uit hoofde van artikel 97 duiden op aanmerkelijke risico's voor hun blijvende financiële soliditeit of op inbreuken op de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013;

▼M5 —————

▼B

c) 

alle andere instellingen waarvoor de bevoegde autoriteiten zulks noodzakelijk achten.

3.  

Indien zulks krachtens artikel 97 passend wordt geacht, worden, indien nodig, met name de volgende maatregelen genomen:

a) 

een verhoging van het aantal of de frequentie van de inspecties ter plaatse bij de instelling;

b) 

een permanente aanwezigheid van de bevoegde autoriteit bij de instelling;

c) 

aanvullende of frequentere rapportage door de instelling;

d) 

aanvullende of frequentere toetsing van de operationele, strategische of bedrijfsplannen van de instelling;

e) 

thematische onderzoeken met het oog op de bewaking van specifieke risico's die zich waarschijnlijk zullen voordoen.

4.  
De vaststelling, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, van een programma voor onderzoek door de toezichthouder belet de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst niet om per geval in overeenstemming met artikel 52, lid 3, controle ter plaatse of inspecties uit te voeren van de werkzaamheden die worden verricht door de bijkantoren van de instellingen op hun grondgebied.

Artikel 100

Stresstests voor toezichtdoeleinden

1.  
De bevoegde autoriteiten voeren zo vaak als nodig maar ten minste jaarlijks stresstests voor toezichtdoeleinden uit op de instellingen waarop zij toezicht uitoefenen teneinde het proces van toetsing en evaluatie krachtens artikel 97 te vergemakkelijken.
2.  
De EBA geeft overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren af om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten een gemeenschappelijke methodiek hanteren wanneer zij de jaarlijkse stresstests voor toezichtdoeleinden uitvoeren.

Artikel 101

Doorlopende toetsing van de toelating om interne benaderingen te hanteren

1.  
De bevoegde autoriteiten toetsen regelmatig en ten minste om de drie jaar of de instellingen voldoen aan de vereisten met betrekking tot benaderingen waarvoor de bevoegde autoriteiten eerst toestemming moeten geven voordat deze kunnen worden gebruikt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten overeenkomstig deel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013. De toetsingen hebben in het bijzonder betrekking op veranderingen in het bedrijf van een instelling en op de toepassing van deze benaderingen op nieuwe producten. Indien er wezenlijke tekortkomingen worden vastgesteld in het ondervangen van risico's door de interne benadering van een instelling, zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat deze worden verholpen of nemen zij passende maatregelen om de gevolgen ervan af te zwakken, onder meer door hogere vermenigvuldigingsfactoren of opslagfactoren van het kapitaalvereiste op te leggen, of door andere passende en doeltreffende maatregelen te nemen.
2.  
De bevoegde autoriteiten toetsen en evalueren in het bijzonder of de instelling voor deze benaderingen gebruik maakt van goed ontwikkelde en actuele technieken en praktijken.
3.  
Indien voor een intern model voor het marktrisico een groot aantal overschrijdingen als bedoeld in artikel 366 van Verordening (EU) nr. 575/2013 erop wijst dat het model niet of niet langer voldoende accuraat is, trekken de bevoegde autoriteiten de toestemming voor het gebruik van het interne model in of leggen zij passende maatregelen op om ervoor te zorgen dat het model terstond wordt verbeterd.
4.  
Indien een instelling toestemming heeft gekregen om een benadering toe te passen waarvoor de bevoegde autoriteiten eerst toestemming moeten geven voordat deze kan worden gebruikt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten overeenkomstig deel 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013, maar niet langer aan de vereisten voor de toepassing van deze benadering voldoet, eisen de bevoegde autoriteiten dat de instelling ofwel ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantoont dat de gevolgen van niet-naleving in voorkomend geval overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 te verwaarlozen zijn, ofwel een plan presenteert om tijdig opnieuw aan de vereisten te voldoen en een uiterste termijn vaststelt voor de uitvoering ervan. De bevoegde autoriteiten eisen verbeteringen in het plan indien het onwaarschijnlijk is dat het in volledige naleving van de vereisten zal resulteren of indien de uiterste termijn niet passend is. Indien het onwaarschijnlijk is dat de instelling erin zal slagen binnen een passende termijn opnieuw aan de vereisten te voldoen en, in voorkomend geval, niet op bevredigende wijze heeft aangetoond dat de gevolgen van niet-naleving te verwaarlozen zijn, wordt de toestemming om van de benadering gebruik te maken ingetrokken, dan wel beperkt tot gebieden waarop aan de vereisten wordt voldaan of waarop binnen een passende termijn aan de vereisten kan worden voldaan.
5.  
Teneinde een consistente deugdelijkheid van de interne benaderingen in de Unie te bevorderen, analyseert de EBA de interne benaderingen van instellingen, met inbegrip van de consistente toepassing van de definitie van wanbetaling en van de wijze waarop deze instellingen vergelijkbare risico's of blootstellingen behandelen.

Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 stelt de EBA op grond van deze analyse richtsnoeren op die benchmarks bevatten.

De bevoegde autoriteiten houden rekening met deze analyse en benchmarks bij de toetsing van de aan instellingen verleende toelatingen om van interne benaderingen gebruik te maken.



DEEL IV

Toezichtmaatregelen en -bevoegdheden

Artikel 102

Toezichtmaatregelen

1.  

De bevoegde autoriteiten eisen dat een instelling in een vroeg stadium de nodige maatregelen treffen om relevante problemen aan te pakken in de volgende omstandigheden:

a) 

de instelling voldoet niet aan de vereisten van deze richtlijn of van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b) 

de bevoegde autoriteiten beschikken over aanwijzingen dat een inbreuk door de instelling op de vereisten van deze richtlijn of van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de volgende 12 maanden waarschijnlijk is.

2.  
Voor de toepassing van lid 1 beschikken de bevoegde autoriteiten onder meer over de in artikel 104 bedoelde bevoegdheden.

▼M5 —————

▼B

Artikel 104

Toezichtbevoegdheden

▼M5

1.  

Voor de toepassing van artikel 97, artikel 98, leden 4 en 5, artikel 101, lid 4, en artikel 102, van onderhavige richtlijn en voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschikken de bevoegde autoriteiten ten minste over de bevoegdheden om:

a) 

te eisen dat de instellingen aanvullend eigen vermogen boven de bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde vereisten aanhouden onder de in artikel 104 bis, van onderhavige richtlijn gestelde voorwaarden;

b) 

te eisen dat de overeenkomstig de artikelen 73 en 74 ingevoerde regelingen, procedures, mechanismen en strategieën worden versterkt;

c) 

te eisen dat de instellingen een plan indienen om opnieuw te voldoen aan de toezichtsvereisten op grond van deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013, en een termijn voor de uitvoering ervan vast te stellen, en tevens te eisen dat het plan qua reikwijdte en uiterste termijn wordt bijgesteld;

d) 

te eisen dat de instellingen in verband met de eigenvermogensvereisten een specifiek voorzieningenbeleid voeren of activa op een specifieke wijze behandelen;

e) 

restricties of beperkingen op te leggen ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten, de transacties of het netwerk van instellingen dan wel de afstoting te verlangen van activiteiten die buitensporige risico's voor de soliditeit van een instelling opleveren;

f) 

een beperking te eisen van het risico dat verbonden is aan de activiteiten, producten en systemen, inclusief de uitbestede activiteiten, van instellingen;

g) 

te eisen dat de instellingen de variabele beloning beperken tot een bepaald percentage van hun netto-inkomsten indien deze beloning niet verenigbaar is met de instandhouding van een solide kapitaalbasis;

h) 

te eisen dat de instellingen hun nettowinsten gebruiken om het eigen vermogen te versterken;

i) 

uitkeringen of rentebetalingen door een instelling aan aandeelhouders, vennoten of houders van aanvullend tier 1-instrumenten te beperken of te verbieden mits het verbod niet leidt tot wanbetaling door de instelling;

j) 

aanvullende rapportagevereisten of een frequentere rapportage op te leggen, onder meer wat rapportage over eigen vermogen, liquiditeitsposities en hefboomwerking betreft;

k) 

specifieke liquiditeitsvereisten op te leggen, waaronder beperkingen ten aanzien van looptijdverschillen tussen activa en passiva;

l) 

aanvullende openbaarmakingen te eisen.

2.  
Voor de toepassing van lid 1, punt j), mogen de bevoegde autoriteiten instellingen alleen aanvullende rapportagevereisten of een frequentere rapportage opleggen indien een dergelijk vereiste passend en evenredig is wat betreft het doel waarvoor de informatie nodig is, en de gevraagde informatie niet leidt tot duplicering.

Voor de toepassing van de artikelen 97 tot en met 102 wordt aanvullende informatie die van de instellingen kan worden gevraagd, geacht tot duplicering te leiden indien dezelfde of grotendeels dezelfde informatie reeds anderszins is gerapporteerd aan de bevoegde autoriteit of kan worden geproduceerd door de bevoegde autoriteit.

De bevoegde autoriteit verlangt van een instelling geen aanvullende informatie indien zij deze eerder in een ander format of ander niveau van granulariteit heeft ontvangen en dat andere format of niveau van granulariteit de bevoegde autoriteit niet belet informatie te produceren die van dezelfde kwaliteit en betrouwbaarheid is als de op basis van de aanvullende informatie geproduceerde informatie die anderszins zou worden gerapporteerd.

▼M5 —————

▼M5

Artikel 104 bis

Aanvullend-eigenvermogensvereiste

1.  

De bevoegde autoriteiten leggen het aanvullend-eigenvermogensvereiste, bedoeld in artikel 104, lid 1, punt a), op wanneer zij op basis van de toetsingen overeenkomstig de artikelen 97 en 101 een van de volgende situaties voor een individuele instelling vaststellen:

a) 

de instelling is blootgesteld aan risico's of aspecten van risico's die niet of niet voldoende, in de zin van lid 2, van onderhavig artikel worden gedekt door de eigenvermogensvereisten als bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad ( 18 );

b) 

de instelling voldoet niet aan de vereisten van de artikelen 73 en 74 van deze richtlijn of artikel 393 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en het is onwaarschijnlijk dat andere toezichtsmaatregelen voldoende zouden zijn om te waarborgen dat binnen een passende termijn aan deze vereisten kan worden voldaan;

c) 

de in artikel 98, lid 4, bedoelde aanpassingen worden ontoereikend geacht om de instelling in staat te stellen haar posities binnen een korte termijn te verkopen of af te dekken zonder wezenlijke verliezen te lijden in normale marktomstandigheden;

d) 

uit de overeenkomstig artikel 101, lid 4, verrichte evaluatie blijkt dat het niet-naleven van de vereisten voor de toepassing van de toegestane benadering waarschijnlijk zal leiden tot ontoereikende eigenvermogensvereisten;

e) 

de instelling laat herhaaldelijk na een toereikend niveau van aanvullend eigen vermogen vast te stellen of te handhaven om te voldoen aan de overeenkomstig artikel 104 ter, lid 3, meegedeelde richtsnoeren;

f) 

andere instellingsspecifieke situaties die volgens de bevoegde autoriteit aanleiding geven tot wezenlijke toezichtsproblemen.

De bevoegde autoriteiten leggen het aanvullend-eigenvermogensvereiste, bedoeld in artikel 104, lid 1, punt a), alleen op ter dekking van de risico's die individuele instellingen door hun activiteiten lopen, waaronder de risico's die het effect van bepaalde economische en marktontwikkelingen op het risicoprofiel van een individuele instelling weerspiegelen.

2.  
Voor de toepassing van lid 1, punt a), van dit artikel worden risico's of aspecten van risico's alleen geacht niet of niet voldoende door de eigenvermogensvereisten als bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 te zijn gedekt, wanneer de bedragen, de aard en de verdeling van het kapitaal dat de bevoegde autoriteit toereikend acht, rekening houdend met het toezicht op de door de instelling verrichte beoordeling overeenkomstig artikel 73 van deze richtlijn, eerste alinea, van deze richtlijn hoger zijn dan de eigenvermogensvereisten als bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402.

Voor de toepassing van de eerste alinea beoordelen de bevoegde autoriteiten, rekening houdend met het risicoprofiel van elke individuele instelling, de risico's waaraan de instelling is blootgesteld, met inbegrip van:

a) 

de instellingsspecifieke risico's of aspecten van zulke risico's die uitdrukkelijk zijn uitgesloten van of niet uitdrukkelijk aan bod komen in de eigenvermogensvereisten als bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402;

b) 

de instellingsspecifieke risico's of aspecten van zulke risico's die wellicht worden onderschat niettegenstaande de toepasselijke vereisten als bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 worden nageleefd.

Voor zover risico's of aspecten van risico's vallen onder overgangsbepalingen of grandfatheringbepalingen, vervat in deze richtlijn of in Verordening (EU) nr. 575/2013 worden zij niet beschouwd als zijnde risico's of aspecten van die risico's die wellicht worden onderschat, niettegenstaande de toepasselijke vereisten als bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 worden nageleefd.

Voor de toepassing van de eerste alinea dekt het toereikend geachte kapitaal alle risico's of aspecten van risico's die op grond van de in de tweede alinea van dit lid bedoelde beoordeling als wezenlijk zijn aangemerkt en die niet of niet voldoende door de eigenvermogensvereisten als bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 zijn gedekt.

Uit posities buiten de handelsportefeuille voortvloeiende renterisico's kunnen wezenlijk worden geacht, ten minste in de gevallen, bedoeld in artikel 98, lid 5, tenzij de bevoegde autoriteiten bij het verrichten van de toetsing en evaluatie, tot de conclusie komen dat de instelling het renterisico voortvloeiend uit activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en dat de instelling niet overmatig is blootgesteld aan het renterisico dat zij loopt bij activiteiten buiten de handelsportefeuille.

3.  
Wanneer aanvullend eigen vermogen is vereist om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen die niet voldoende worden gedekt door artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, bepalen de bevoegde autoriteiten het niveau van het aanvullend eigen vermogen zoals vereist krachtens lid 1, punt a), van het onderhavige artikel als het verschil tussen het kapitaal dat toereikend wordt geacht op grond van lid 2 van dit artikel en de relevante eigenvermogensvereisten als bedoeld in de delen drie en vier van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402.

Wanneer aanvullend eigen vermogen is vereist om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen dat niet voldoende wordt gedekt door artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, bepalen de bevoegde autoriteiten het niveau van het aanvullend eigen vermogen zoals vereist krachtens lid 1, punt a), van dit artikel als het verschil tussen het kapitaal dat toereikend wordt geacht op grond van lid 2 van dit artikel en de relevante eigenvermogensvereisten als bedoeld in de delen drie en zeven van Verordening (EU) nr. 575/2013.

▼C6

4.  

Aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste dat door de bevoegde autoriteit uit hoofde van artikel 104, lid 1, onder a), wordt opgelegd om andere risico’s dan het risico van buitensporige hefboomwerking aan te pakken, voldoet de instelling met een eigen vermogen dat voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) 

ten minste drie vierde van het aanvullend-eigenvermogensvereiste wordt voldaan met tier 1-kapitaal;

b) 

ten minste drie vierde van het onder a) bedoelde tier 1-kapitaal bestaat uit tier 1-kernkapitaal.

Aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste dat door de bevoegde autoriteit uit hoofde van artikel 104, lid 1, onder a), wordt opgelegd om het risico van buitensporige hefboomwerking aan te pakken, voldoet de instelling met tier 1-kapitaal.

In afwijking van de eerste en de tweede alinea kan de bevoegde autoriteit van de instelling eisen dat zij aan haar aanvullend- eigenvermogensvereiste met een hoger percentage tier 1-kapitaal of tier 1-kernkapitaal voldoet, indien nodig en gelet op de specifieke omstandigheden van de instelling.

▼M5

Eigen vermogen dat wordt gebruikt om te voldoen aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste, bedoeld in artikel 104, lid 1, punt a), van deze richtlijn dat door de bevoegde autoriteiten wordt opgelegd om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, mag niet worden gebruikt om te voldoen aan:

a) 

de eigenvermogensvereisten, bedoeld in artikel 92, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b) 

het gecombineerde buffervereiste;

c) 

de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen, bedoeld in artikel 104 ter, lid 3, van deze richtlijn wanneer die richtsnoeren andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking ondervangen.

Eigen vermogen dat wordt gebruikt om te voldoen aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste, bedoeld in artikel 104, lid 1, punt a), van deze richtlijn dat door de bevoegde autoriteiten wordt opgelegd met het oog op het ondervangen van het risico van buitensporige hefboomwerking dat niet voldoende door artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt gedekt, mag niet worden gebruikt om te voldoen aan:

a) 

het eigenvermogensvereiste, bedoeld in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b) 

het hefboomratiobuffervereiste, bedoeld in artikel 92, lid 1 bis, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c) 

de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen, bedoeld in artikel 104 ter, lid 3, van deze richtlijn, wanneer die richtsnoeren risico's van buitensporige hefboomwerking ondervangen.

5.  
De bevoegde autoriteit motiveert het besluit om een aanvullend-eigenvermogensvereiste krachtens artikel 104, lid 1, punt a), op te leggen schriftelijk ten aanzien van elke instelling, ten minste door duidelijk de volledige beoordeling van de gegevens als bedoeld in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel uiteen te zetten. In het geval als bedoeld in lid 1, punt e), van dit artikel omvat die motivering een specifieke opgave van de redenen waarom het opleggen van richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen niet langer toereikend wordt geacht.

Artikel 104 ter

Richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen

1.  
Op grond van de strategieën en procedures als bedoeld in artikel 73 stellen de instellingen hun intern kapitaal vast op een passend niveau dat voldoende hoog ligt om alle risico's waaraan een instelling blootstaat te dekken en ervoor te zorgen dat het eigen vermogen van de instelling de potentiële verliezen ten gevolge van stressscenario's kan absorberen, met inbegrip van die welke in de stresstest als bedoeld in artikel 100 zijn aangewezen.
2.  
De bevoegde autoriteiten toetsen regelmatig het niveau van het intern kapitaal dat in overeenstemming met lid 1 van dit artikel door elke instelling is vastgesteld als onderdeel van de toetsingen en evaluaties die overeenkomstig de artikelen 97 en 101 zijn verricht, met inbegrip van de resultaten van de in artikel 100 bedoelde stresstests.

Op grond van die toetsing bepalen de bevoegde autoriteiten voor elke instelling het algemene niveau van eigen vermogen dat zij passend vinden.

3.  
De bevoegde autoriteiten delen hun richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen aan de instellingen mee.

De richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen hebben betrekking op het eigen vermogen boven het relevante bedrag aan eigen vermogen dat is vereist op grond van de delen drie, vier en zeven van Verordening (EU) nr. 575/2013, hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402, artikel 104, lid 1, punt a), en artikel 128, punt 6, van deze richtlijn of op grond van artikel 92, lid 1 bis, van Verordening (EU) nr. 575/2013, naargelang het geval, dat nodig is om het algemene niveau van het eigen vermogen te bereiken dat de bevoegde autoriteiten passend vinden op grond van lid 2 van dit artikel.

4.  
De richtsnoeren van de bevoegde autoriteiten inzake aanvullend eigen vermogen op grond van lid 3 van dit artikel zijn instellingsspecifiek. De richtsnoeren kunnen betrekking hebben op risico's die worden ondervangen door het aanvullend-eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 104, lid 1, punt a), is opgelegd voor zover het gaat over aspecten van die risico's die nog niet onder dat vereiste vallen.
5.  

Eigen vermogen dat wordt gebruikt om te voldoen aan de overeenkomstig lid 3 van dit artikel meegedeelde richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen voor het ondervangen van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking, mag niet worden gebruikt om te voldoen aan:

a) 

de eigenvermogensvereisten, bedoeld in artikel 92, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b) 

het vereiste van artikel 104 bis van deze richtlijn dat door de bevoegde autoriteiten wordt opgelegd om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen en het gecombineerde buffervereiste.

Eigen vermogen dat wordt gebruikt om te voldoen aan de overeenkomstig lid 3 van dit artikel meegedeelde richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen voor het ondervangen van het risico van buitensporige hefboomwerking, mag niet worden gebruikt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste, bedoeld in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, het vereiste van artikel 104 bis van deze richtlijn dat door de bevoegde autoriteiten wordt opgelegd om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen en het hefboomratiobuffervereiste, bedoeld in artikel 92, lid 1 bis, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

6.  
Indien een instelling voldoet aan de relevante eigenvermogensvereisten als bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402, geven het relevante aanvullend-eigenvermogensvereiste, bedoeld in artikel 104, lid 1, punt a), van deze richtlijn en, indien van toepassing, het gecombineerde buffervereiste of het hefboomratiobuffervereiste, bedoeld in artikel 92, lid 1 bis, van Verordening (EU) nr. 575/2013, bij niet-naleving van de in lid 3 van dit artikel bedoelde richtsnoeren geen aanleiding tot de in artikel 141 of 141 ter van deze richtlijn bedoelde beperkingen.

Artikel 104 quater

Samenwerking met afwikkelingsautoriteiten

De bevoegde autoriteiten stellen de betrokken afwikkelingsautoriteiten in kennis van het op grond van artikel 104, lid 1, punt a), aan de instelling opgelegde aanvullend-eigenvermogensvereiste en van elk aan de instelling meegedeelde richtsnoer inzake aanvullend eigen vermogen overeenkomstig artikel 104 ter, lid 3.

▼B

Artikel 105

Specifieke liquiditeitsvereisten

Voor de bepaling van het passende niveau van liquiditeitsvereisten op basis van de toetsing en evaluatie overeenkomstig afdeling III, gaan de bevoegde autoriteiten na of een specifiek liquiditeitsvereiste moet worden opgelegd om liquiditeitsrisico's te ondervangen waaraan een instelling is of kan zijn blootgesteld, waarbij zij met het volgende rekening houden:

a) 

het specifieke bedrijfsmodel van de instelling;

b) 

de in afdeling II en meer bepaald in artikel 86, bedoelde regelingen, processen en mechanismen van de instelling;

c) 

de uitkomst van de toetsing en evaluatie overeenkomstig artikel 97.

▼M5 —————

▼B

In het bijzonder, en onverminderd artikel 67, dienen de bevoegde autoriteiten na te gaan of het nodig is administratieve sancties of andere administratieve maatregelen toe te passen, met inbegrip van prudentiële heffingen, waarvan het niveau grosso modo in verhouding staat tot de mate waarin de feitelijke liquiditeitspositie van een instelling afwijkt van enig liquiditeitsvereiste en het stabielefinancieringsvereiste zoals bepaald op nationaal niveau of Unie-niveau.

Artikel 106

Specifieke publicatieverplichtingen

1.  

De lidstaten machtigen de bevoegde autoriteiten om de instellingen de volgende verplichtingen op te leggen:

a) 

het frequenter dan jaarlijks en binnen bepaalde termijnen publiceren van de in deel 8 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde informatie;

b) 

het gebruik van specifieke media en locaties voor andere publicaties dan de financiële overzichten.

2.  
De lidstaten verlenen de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid om moederondernemingen ertoe te verplichten jaarlijks een beschrijving te publiceren van hun juridische structuur en van de governance- en organisatiestructuur van de groep instellingen overeenkomstig artikel 14, lid 3, artikel 74, lid 1, en artikel 109, lid 2, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie.

Artikel 107

Consistentie van toetsingen en evaluaties door de toezichthouder en van toezichtmaatregelen

1.  

De bevoegde autoriteiten stellen de EBA in kennis van:

a) 

de werking van hun toetsings- en evaluatieproces als bedoeld in artikel 97;

b) 

de gehanteerde methodiek om de in de artikelen 98, 100, 101, 102, 104 en 105 bedoelde besluiten op het onder a) bedoelde proces te baseren.

De EBA beoordeelt de door de bevoegde autoriteiten verstrekte informatie teneinde samenhang te brengen in het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder. Zij kan aanvullende informatie van de bevoegde autoriteiten verlangen om haar beoordeling te voltooien, naar evenredigheid in overeenstemming met artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

2.  
De EBA brengt jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de mate van convergentie tussen de lidstaten welke bij de toepassing van dit hoofdstuk is gerealiseerd.

Om tot een hogere mate van convergentie te komen, organiseert de EBA collegiale toetsingen overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

3.  
De EBA richt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren tot de bevoegde autoriteiten, teneinde nader te bepalen op een wijze die aansluit bij de omvang, de structuur en de interne organisatie van instellingen en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van hun werkzaamheden, de gemeenschappelijke procedures en methodieken voor het in lid 1 van dit artikel en in artikel 97 bedoelde proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder en voor de beoordeling van de organisatie en behandeling van de in de artikelen 76 tot en met 87 bedoelde risico's, in het bijzonder wat betreft het concentratierisico, in overeenstemming met artikel 81.



Afdeling V

Toepassingsniveau

Artikel 108

Intern beoordelingsproces van de kapitaaltoereikendheid

1.  
De bevoegde autoriteiten eisen dat zowel een instelling die noch een dochterneming is in de lidstaat waar zij een vergunning heeft gekregen en onder toezicht staat, noch een moederonderneming is, als een instelling die ingevolge artikel 19 van Verordening (EU) nr. 575/2013 niet in de consolidatie wordt opgenomen, op individuele basis voldoet aan de in artikel 73 van deze richtlijn vervatte verplichtingen.

De bevoegde autoriteiten kunnen een kredietinstelling die aan de in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 gestelde voorwaarden voldoet, van de in artikel 73 van deze richtlijn neergelegde verplichtingen vrijstellen.

Indien de bevoegde autoriteiten vrijstelling verlenen van de toepassing van de in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis, zijn de vereisten van artikel 73 van deze richtlijn op individuele basis van toepassing.

2.  
De bevoegde autoriteiten eisen dat moederinstellingen in een lidstaat op geconsolideerde basis voldoen aan de in artikel 73 van deze richtlijn vervatte verplichtingen, in de mate en op de wijze als bepaald in deel 1, titel II, hoofdstuk 2, afdelingen 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

▼M5 —————

▼B

4.  
De bevoegde autoriteiten eisen dat instellingen die een dochteronderneming zijn, de vereisten als vervat in artikel 73 op gesubconsolideerde basis toepassen als deze instellingen, of de moederonderneming indien deze een financiële holding of een gemengde financiële moederholding is, een instelling, een financiële instelling of een vermogensbeheerder in de zin van artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2002/87/EG als dochteronderneming in een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.

Artikel 109

Regelingen, processen en mechanismen van instellingen

1.  
De bevoegde autoriteiten eisen dat de instellingen op individuele basis aan de in afdeling II van dit hoofdstuk vervatte verplichtingen voldoen, tenzij de bevoegde autoriteiten gebruikmaken van de in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vervatte afwijking.

▼M5

2.  
De bevoegde autoriteiten eisen dat de onder deze richtlijn vallende moederondernemingen en dochterondernemingen op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan de in afdeling II van dit hoofdstuk vervatte verplichtingen voldoen, om ervoor te zorgen dat de uit hoofde van afdeling II van dit hoofdstuk vereiste regelingen, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn en dat alle voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen worden verstrekt. Zij zorgen er in het bijzonder voor dat de onder deze richtlijn vallende moederondernemingen en dochterondernemingen die regelingen, procedures en mechanismen toepassen in hun niet onder deze richtlijn vallende dochterondernemingen, met inbegrip van vestigingen in offshore financiële centra. Deze regelingen, procedures en mechanismen zijn verder samenhangend en goed geïntegreerd, en deze dochterondernemingen zijn eveneens in staat de voor het toezicht relevante gegevens en informatie te verstrekken. Dochterondernemingen die zelf niet onder deze richtlijn vallen, voldoen aan hun sectorspecifieke vereisten op individuele basis.
3.  
De uit afdeling II van dit hoofdstuk voortvloeiende verplichtingen betreffende dochterondernemingen die zelf niet onder deze richtlijn vallen, zijn niet van toepassing indien de EU-moederinstelling ten aanzien van de bevoegde autoriteiten kan aantonen dat de toepassing van afdeling II onrechtmatig is volgens de wetten van het derde land waar de dochteronderneming is gevestigd.

▼M5

4.  

De in de artikelen 92, 94 en 95 vastgestelde beloningsvereisten zijn niet van toepassing op geconsolideerde basis op:

a) 

dochterondernemingen die in de Unie zijn gevestigd, indien zij onderworpen zijn aan specifieke beloningsvereisten overeenkomstig andere rechtshandelingen van de Unie;

b) 

dochterondernemingen die in een derde land zijn gevestigd, indien zij onderworpen zouden zijn aan specifieke beloningsvereisten overeenkomstig andere rechtshandelingen van de Unie indien ze in de Unie gevestigd zouden zijn.

5.  

In afwijking van lid 4 van dit artikel en om te voorkomen dat de voorschriften van de artikelen 92, 94 en 95 worden omzeild, zorgen de lidstaten ervoor dat de vereisten van de artikelen 92, 94 en 95 van toepassing zijn op personeelsleden van dochterondernemingen die niet op individuele basis onder deze richtlijn vallen, indien:

a) 

de dochteronderneming een vermogensbeheerder is, of een onderneming die de beleggingsdiensten en -activiteiten aanbiedt bedoeld in deel A, punten 2, 3, 4, 6 en 7, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU, en

b) 

die personeelsleden zijn gemachtigd om beroepsactiviteiten uit te oefenen die het risicoprofiel of de bedrijfsactiviteiten van de instellingen binnen de groep rechtstreeks wezenlijk beïnvloeden.

6.  
Niettegenstaande de leden 4 en 5 van dit artikel kunnen de lidstaten de artikelen 92, 94 en 95 op geconsolideerde basis toepassen op een ruimer geheel van dochterondernemingen en de personeelsleden daarvan.

▼B

Artikel 110

Toetsing en evaluatie en toezichtmaatregelen

1.  
De bevoegde autoriteiten passen het in afdeling III van dit hoofdstuk bedoelde toetsings- en evaluatieproces en de in afdeling IV van dit hoofdstuk bedoelde toezichtmaatregelen toe overeenkomstig het in deel 1, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde mate van toepassing van de vereisten van genoemde verordening.

▼M6 —————

▼B



HOOFDSTUK 3

Toezicht op geconsolideerde basis



Afdeling I

Beginselen voor toezicht op geconsolideerde basis

▼M6

Artikel 111

Bepaling van de consoliderende toezichthouder

1.  

Indien een moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat of een EU-moederkredietinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die op die moederkredietinstelling in de lidstaat of die EU‐moederkredietinstelling op individuele basis toezicht houdt.

Indien een moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EU-moederbeleggingsonderneming is en geen van haar dochterbedrijven een kredietinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die op die moederbeleggingsonderneming in de lidstaat of die EU-moederbeleggingsonderneming op individuele basis toezicht houdt.

Indien een moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EU-moederbeleggingsonderneming is, en ten minste een van haar dochterondernemingen een kredietinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling, of indien er verschillende kredietinstellingen zijn, de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal.

2.  
Indien de moederonderneming van een kredietinstelling of een beleggingsonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die op de kredietinstelling of beleggingsonderneming op individuele basis toezicht houdt.
3.  

Indien twee of meer kredietinstellingen of beleggingsondernemingen waaraan in de Unie een vergunning is verleend, dezelfde financiële moederholding in een lidstaat, gemengde financiële moederholding in een lidstaat, financiële EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding hebben, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door:

a) 

de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling indien er slechts één kredietinstelling binnen de groep is;

b) 

de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal indien er meerdere kredietinstellingen binnen de groep zijn, of

c) 

de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal, indien de groep geen kredietinstelling omvat.

4.  
Indien op grond van artikel 18, lid 3 of lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 consolidatie is vereist, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal of, indien tot de groep geen kredietinstellingen behoren, door de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal.
5.  

Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één kredietinstelling binnen een groep, is, in afwijking van lid 1, derde alinea, lid 3, onder b), en lid 4, de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer kredietinstellingen binnen de groep, indien de som van de balanstotalen van die aan toezicht onderworpen kredietinstellingen hoger is dan die van de kredietinstellingen waarop op individuele basis door een andere bevoegde autoriteit toezicht wordt gehouden.

Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één beleggingsonderneming binnen een groep, is, in afwijking van lid 3, onder c), de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer beleggingsondernemingen binnen de groep met het hoogste geaggregeerde balanstotaal.

6.  
In bijzondere gevallen kunnen de bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen af te zien van de criteria in de leden 1, 3 en 4 en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om op geconsolideerde basis toezicht te houden indien de toepassing van de daarin bedoelde criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken kredietinstellingen of beleggingsondernemingen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de betrokken lidstaten, of omdat de continuïteit van het toezicht op geconsolideerde basis door dezelfde bevoegde autoriteit moet worden gegarandeerd. In dergelijke gevallen heeft de EU-moederinstelling, de financiële EU-moederholding, de gemengde financiële EU-moederholding of de kredietinstelling of beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.
7.  
Indien de bevoegde autoriteiten in het kader van lid 6 onderling afspraken hebben gemaakt, brengen zij de Commissie en EBA daarvan onverwijld op de hoogte.

▼B

Artikel 112

Coördinatie van toezichtactiviteiten door de consoliderende toezichthouder

1.  

Naast de verplichtingen die krachtens deze richtlijn en krachtens Verordening (EU) nr. 575/2013 op hem rusten, neemt de consoliderende toezichthouder de volgende taken op zich:

a) 

coördinatie van de vergaring en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in normale bedrijfsomstandigheden en in noodsituaties;

b) 

planning en coördinatie, in samenwerking met de betrokken bevoegde autoriteiten, van de toezichtactiviteiten in normale bedrijfsomstandigheden, waaronder de in titel VII, hoofdstuk 3, genoemde activiteiten;

c) 

planning en coördinatie, in samenwerking met de andere bevoegde autoriteiten en zo nodig met de centrale banken van het ESCB, van de toezichtactiviteiten bij de voorbereiding op en in noodsituaties, met inbegrip van ongunstige ontwikkelingen in instellingen en op de financiële markten, indien mogelijk met gebruikmaking van bestaande communicatiekanalen voor de facilitering van crisisbeheersing.

2.  
Indien de consoliderende toezichthouder nalaat de in lid 1 bedoelde taken uit te voeren, of indien de bevoegde autoriteiten onvoldoende met de consoliderende toezichthouder samenwerken om de in lid 1 bedoelde taken uit te voeren, mag iedere betrokken bevoegde autoriteit de zaak naar de EBA verwijzen en om haar bijstand verzoeken uit hoofde van artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De EBA kan ook op eigen initiatief overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van die verordening de bevoegde autoriteiten bijstaan in het geval van een meningsverschil over de coördinatie van toezichtactiviteiten uit hoofde van dit artikel.

3.  
De planning en de coördinatie van de in lid 1, onder c), van dit artikel genoemde toezichtactiviteiten omvatten ook buitengewone maatregelen als bedoeld in artikel 117, lid 1, onder d), en artikel 117, lid 4, onder b), de voorbereiding van gezamenlijke evaluaties, de uitvoering van calamiteitenplannen en de communicatie met het publiek.

▼M5

Artikel 113

Gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten

1.  

De consoliderende toezichthouder en de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, stellen alles in het werk om te komen tot een gezamenlijk besluit over:

a) 

de toepassing van de artikelen 73 en 97 om vast te stellen of het niveau van het geconsolideerde eigen vermogen van de groep instellingen toereikend is voor zijn financiële positie en risicoprofiel, en welk niveau van eigen vermogen voor de toepassing van artikel 104, lid 1, punt a), voor elke entiteit binnen de groep instellingen en op geconsolideerde basis noodzakelijk is;

b) 

maatregelen om belangrijke aangelegenheden en wezenlijke bevindingen in verband met het liquiditeitstoezicht aan te pakken, onder meer wanneer deze betrekking hebben op de adequaatheid van de organisatie en de behandeling van risico's op grond van artikel 86 en de behoefte aan instellingsspecifieke liquiditeitsvereisten overeenkomstig artikel 105;

c) 

eventuele richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen als bedoeld in artikel 104 ter, lid 3.

2.  

De gezamenlijke besluiten als bedoeld in lid 1 worden genomen:

a) 

voor de toepassing van lid 1, punt a), van dit artikel binnen vier maanden nadat de consoliderende toezichthouder bij de andere relevante bevoegde autoriteiten een verslag met de risicobeoordeling van de groep instellingen overeenkomstig artikel 104 bis heeft ingediend;

b) 

voor de toepassing lid 1, punt b), van dit artikel binnen vier maanden nadat de consoliderende toezichthouder een verslag met de beoordeling van het liquiditeitsrisicoprofiel van de groep instellingen overeenkomstig de artikelen 86 en 105 heeft ingediend;

c) 

voor de toepassing van lid 1, punt c), van dit artikel binnen vier maanden nadat de consoliderende toezichthouder een verslag met de risicobeoordeling van de groep instellingen overeenkomstig artikel 104 ter heeft ingediend.

In de in lid 1 van dit artikel bedoelde gezamenlijke besluiten wordt ook naar behoren rekening gehouden met de risicobeoordeling die de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig de artikelen 73, 97, 104 bis en 104 ter met betrekking tot dochterondernemingen hebben verricht.

De in de punten a) en b) van lid 1 bedoelde gezamenlijke besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen, en de consoliderende toezichthouder doet dit document aan de EU-moederinstelling toekomen. Bij een geschil raadpleegt de consoliderende toezichthouder de EBA op verzoek van een van de andere betrokken bevoegde autoriteiten. De consoliderende toezichthouder kan de EBA op eigen initiatief raadplegen.

3.  
Als de bevoegde autoriteiten niet binnen de in lid 2 van dit artikel genoemde termijnen tot een gezamenlijk besluit komen, wordt het besluit over de toepassing van de artikelen 73, 86 en 97, artikel 104, lid 1, punt a), artikel 104 ter en artikel 105 van deze richtlijn op geconsolideerde basis genomen door de consoliderende toezichthouder nadat hij de door de relevante bevoegde autoriteiten verrichte risicobeoordeling van de dochterondernemingen in overweging heeft genomen. Indien een van de betrokken bevoegde autoriteiten aan het einde van een van de in lid 2 van dit artikel bedoelde termijnen de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 naar de EBA heeft verwezen, stelt de consoliderende toezichthouder zijn besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit en neemt hij zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De in lid 2 van dit artikel bedoelde termijnen worden beschouwd als verzoeningsfasen in de zin van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De EBA neemt haar besluit binnen één maand nadat zij de verwijzing heeft ontvangen. De zaak wordt niet naar de EBA verwezen na afloop van de periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.

Het besluit over de toepassing van de artikelen 73, 86 en 97, artikel 104, lid 1, punt a), artikel 104 ter en artikel 105 van deze richtlijn wordt op individuele of gesubconsolideerde basis genomen door de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederkredietinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, nadat de standpunten en voorbehouden van de consoliderende toezichthouder naar behoren in overweging zijn genomen. Indien een van de betrokken bevoegde autoriteiten aan het einde van een van de in lid 2 van dit artikel bedoelde termijnen de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 naar de EBA heeft verwezen, stellen de bevoegde autoriteiten hun besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit en nemen zij hun besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De in lid 2 van dit artikel bedoelde termijnen worden beschouwd als verzoeningsperiodes in de zin van de bedoelde verordening. De EBA neemt haar besluit binnen één maand nadat zij de verwijzing heeft ontvangen. De zaak wordt niet naar de EBA verwezen na afloop van de periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.

De besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en met inachtneming van de risicobeoordelingen, standpunten en voorbehouden die gedurende de in lid 2 bedoelde termijnen door de andere bevoegde autoriteiten zijn uitgesproken. De consoliderende toezichthouder doet het document toekomen aan alle betrokken bevoegde autoriteiten en aan de EU-moederinstelling.

Indien de EBA is geraadpleegd, houden alle bevoegde autoriteiten rekening met haar advies en geven zij de redenen aan voor elke belangrijke afwijking daarvan.

4.  
De in lid 1 bedoelde gezamenlijke besluiten en de in lid 3 bedoelde besluiten die de bevoegde autoriteiten hebben genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, worden als definitief erkend en toegepast door de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten.

De in lid 1 van dit artikel bedoelde gezamenlijke besluiten en elk besluit dat overeenkomstig lid 3 van dit artikel bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit wordt genomen, worden jaarlijks geactualiseerd, of in uitzonderlijke gevallen, wanneer een bevoegde autoriteit belast met het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, de consoliderende toezichthouder schriftelijk en met volledige opgaaf van redenen verzoekt het besluit betreffende de toepassing van artikel 104, lid 1, punt a), en de artikelen 104 ter en 105 te actualiseren. In die uitzonderlijke omstandigheden kan de actualisering bilateraal worden verricht door de consoliderende toezichthouder en de verzoekende bevoegde autoriteit.

5.  
De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op om te zorgen voor eenvormige toepassingsvoorwaarden voor het in dit artikel bedoelde gezamenlijke besluitvormingsproces, met betrekking tot de toepassing van de artikelen 73, 86 en 97, artikel 104, lid 1, punt a), en de artikelen 104 ter en 105 met het oog op het faciliteren van gezamenlijke besluiten.

De EBA legt deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 juli 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼B

Artikel 114

Informatievereisten in noodsituaties

▼M6

1.  
Indien zich een noodsituatie voordoet, met inbegrip van een situatie als omschreven in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 of een situatie van ongunstige ontwikkelingen op de markten, die de liquiditeit van de markt en de stabiliteit van het financiële stelsel kan ondermijnen in een van de lidstaten waar aan entiteiten van een groep vergunning is verleend of significante bijkantoren als bedoeld in artikel 51 zijn gevestigd, waarschuwt de consoliderende toezichthouder, met inachtneming van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling 2, van deze richtlijn, en, indien van toepassing, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033 zo spoedig mogelijk EBA en de in artikel 58, lid 4, en artikel 59 bedoelde autoriteiten en deelt hij alle informatie mee die voor de uitoefening van hun taken van essentieel belang is. Deze verplichtingen gelden voor alle bevoegde autoriteiten.

▼B

Indien een centrale bank van het ESCB kennis krijgt van een situatie als beschreven in deze alinea, waarschuwt zij zo spoedig mogelijk de in artikel 112 bedoelde bevoegde autoriteiten en de EBA.

Indien mogelijk gebruiken de bevoegde autoriteit en de in artikel 58, lid 4, bedoelde autoriteit de bestaande communicatiekanalen.

2.  
Indien de consoliderende toezichthouder informatie nodig heeft die al aan een andere bevoegde autoriteit is verstrekt, treedt hij zo mogelijk met deze autoriteit in contact zodat de andere bij het toezicht betrokken autoriteiten niet tweemaal worden geïnformeerd.

Artikel 115

Coördinatie- en samenwerkingsregelingen

1.  
Om doeltreffend toezicht te faciliteren en tot stand te brengen, beschikken de consoliderende toezichthouder en de andere bevoegde autoriteiten over schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen.

Daarin kan zijn geregeld dat de consoliderende toezichthouder extra taken krijgt, en kunnen de procedures voor de besluitvorming en voor de samenwerking met andere bevoegde autoriteiten zijn vastgelegd.

2.  
De bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan de dochteronderneming van een moederonderneming die een instelling is, kunnen bij bilaterale overeenkomst en overeenkomstig artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 hun toezichtsverantwoordelijkheden overdragen aan de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan en toezicht uitoefenen op de moederonderneming, opdat deze autoriteiten het toezicht op de dochteronderneming overeenkomstig deze richtlijn op zich nemen. De EBA wordt op de hoogte gebracht van het bestaan en de inhoud van dergelijke overeenkomsten. Zij licht de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten en het Europees Comité voor het bankwezen hierover in.

▼M5

3.  
Indien de consoliderende toezichthouder verschilt van de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar een financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd waaraan in overeenstemming met artikel 21 bis goedkeuring is verleend, worden de in lid 1 van dit artikel bedoelde coördinatie- en samenwerkingsregelingen ook gesloten met de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de moederonderneming is gevestigd.

▼B

Artikel 116

Colleges van toezichthouders

1.  
De consoliderende toezichthouder stelt colleges van toezichthouders in om de uitoefening van de in de artikelen 112 en 113 en artikel 114, lid 1, bedoelde taken te vergemakkelijken, en zorgt hij onder voorbehoud van de geheimhoudingsvereisten van lid 2 van dit artikel en van het Unierecht, voor passende coördinatie en samenwerking met relevante toezichtautoriteiten van derde landen indien dat nodig is.

De EBA draagt bij tot de bevordering en monitoring van de efficiënte, effectieve en consistente werking van de in dit artikel bedoelde colleges van toezichthouders overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Daartoe neemt de EBA als passend daaraan deel en wordt zij in het kader daarvan beschouwd als een bevoegde autoriteit.

De colleges van toezichthouders bieden een kader waarbinnen de consoliderende toezichthouder, de EBA en de andere betrokken bevoegde autoriteiten de volgende taken verrichten:

a) 

onderling en, overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, met de EBA informatie uitwisselen;

b) 

in voorkomend geval tot overeenstemming komen over een toewijzing van taken en overdracht van verantwoordelijkheden op basis van vrijwilligheid;

c) 

op basis van een overeenkomstig artikel 97 verrichte risicobeoordeling van de groep programma's voor onderzoek door de toezichthouder vaststellen als bedoeld in artikel 99;

d) 

de efficiëntie van het toezicht vergroten door te voorkomen dat tweemaal aan hetzelfde toezichtvereiste moet worden voldaan, hetgeen zich onder meer kan voordoen bij de informatieverzoeken als bedoeld in artikel 114 en in artikel 117, lid 3;

e) 

de prudentiële vereisten in het kader van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013 consequent toepassen op alle entiteiten in een groep instellingen, onverminderd de keuzemogelijkheden en de manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt;

f) 

bij de toepassing van artikel 112, lid 1, onder c), rekening houden met de werkzaamheden van andere fora die eventueel op dit gebied zijn opgericht.

▼M5

1 bis.  
Teneinde de in artikel 112, lid 1, artikel 114, lid 1, en artikel 115, lid 1, van deze richtlijn bedoelde taken te faciliteren stelt de consoliderende toezichthouder eveneens colleges van toezichthouders in wanneer de hoofdzetel van de grensoverschrijdende dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding in een derde land is gevestigd, op voorwaarde dat de toezichthoudende autoriteiten van het derde land gebonden zijn aan geheimhoudingsvereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten van hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, waar van toepassing, de artikelen 76 en 81 van Richtlijn 2014/65/EU.

▼M6

2.  
De bevoegde autoriteiten die deelnemen aan de colleges van toezichthouders en EBA werken nauw samen. De geheimhoudingsvereisten uit hoofde van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033 beletten de bevoegde autoriteiten niet binnen colleges van toezichthouders vertrouwelijke informatie uit te wisselen. De oprichting en de werking van colleges van toezichthouders doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013.

▼B

3.  
Na overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de consoliderende toezichthouder de in artikel 115 bedoelde regeling voor de oprichting en werking van de colleges schriftelijk vast.
4.  
De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de algemene voorwaarden voor het functioneren van colleges van toezichthouders.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5.  
De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op tot nadere bepaling van de operationele werking van colleges van toezichthouders.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 31 december 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M6

6.  
De autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, en de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar significante bijkantoren als bedoeld in artikel 51 zijn gevestigd, eventueel centrale banken van het ESCB, alsook, in voorkomend geval en onder voorbehoud van geheimhoudingsvereisten die naar het oordeel van alle bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn met de vereisten uit hoofde van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033, de toezichthoudende autoriteiten van derde landen, kunnen aan de colleges van toezichthouders deelnemen.

▼M5

De bevoegde autoriteit in de lidstaat waar een financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd waaraan in overeenstemming met artikel 21 bis goedkeuring is verleend, mag deelnemen aan het betrokken college van toezichthouders.

▼B

7.  
De consoliderende toezichthouder zit de bijeenkomsten van het college voor en beslist welke bevoegde autoriteiten deelnemen aan een bijeenkomst of activiteit van het college. De consoliderende toezichthouder informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van bijeenkomsten, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. De consoliderende toezichthouder informeert alle leden van het college tevens tijdig over de acties of maatregelen die in die bijeenkomsten ondernomen of uitgevoerd worden.
8.  
Bij zijn beslissing houdt de consoliderende toezichthouder rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtactiviteit voor die autoriteiten, en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten, als bedoeld in artikel 7, en met de in artikel 51 lid 2, bedoelde verplichtingen.

▼M6

9.  
De consoliderende toezichthouder stelt, onverminderd de geheimhoudingsvereisten uit hoofde van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033, EBA in kennis van de activiteiten van het college van toezichthouders, met inbegrip van de activiteiten in noodsituaties, en deelt EBA alle informatie mee die voor de convergentie van het toezicht van bijzonder belang is.

▼B

In het geval van verschil van mening tussen de bevoegde autoriteiten over de werking van colleges van toezichthouders mag iedere betrokken bevoegde autoriteit de zaak naar de EBA verwijzen en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van die verordening kan de EBA ook, op eigen initiatief, de bevoegde autoriteiten bijstaan in het geval van verschil van mening over de werking van colleges van toezichthouders uit hoofde van dit artikel.

Artikel 117

Samenwerkingsplicht

1.  
De bevoegde autoriteiten werken nauw samen. Zij verstrekken elkaar informatie die van essentieel belang of relevant is voor de uitoefening van de toezichtstaken waarmee zij krachtens deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn belast. Daartoe verstrekken zij op verzoek alle relevante informatie en delen ze op eigen initiatief alle essentiële informatie mee.

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1093/2010 werken de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013 samen met de EBA.

Overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 verstrekken de bevoegde autoriteiten de EBA alle informatie die zij nodig heeft voor de uitoefening van haar taken krachtens deze richtlijn, krachtens Verordening (EU) nr. 575/2013 en krachtens Verordening (EU) nr. 1093/2010.

De in de eerste alinea bedoelde informatie wordt als essentieel beschouwd als die de beoordeling van de financiële soliditeit van een instelling of een financiële instelling in een andere lidstaat wezenlijk zou kunnen beïnvloeden.

Meer bepaald verstrekken de consoliderende toezichthouders van EU-moederinstellingen en instellingen die onder de zeggenschap staan van financiële EU-moederholdings of gemengde financiële EU-moederholdings, aan de bevoegde autoriteiten in andere lidstaten die toezicht houden op dochterondernemingen van deze moederondernemingen alle relevante informatie. Bij het bepalen van de hoeveelheid toe te zenden informatie wordt rekening gehouden met het belang van deze dochterondernemingen in het financiële stelsel in die lidstaten.

De in de eerste alinea bedoelde essentiële informatie omvat in het bijzonder gegevens over:

a) 

de juridische structuur en de governancestructuur, met inbegrip van de organisatiestructuur, van de groep die gelden voor alle gereglementeerde entiteiten, niet-gereglementeerde entiteiten, niet-gereglementeerde dochterondernemingen en significante bijkantoren die tot de groep behoren, moederondernemingen overeenkomstig artikel 14, lid 3, artikel 74, lid 1, en artikel 109, lid 2, en over de autoriteiten die bevoegd zijn voor de gereglementeerde entiteiten in de groep;

b) 

procedures voor de verzameling van informatie bij de instellingen van een groep, alsmede het controleren van deze informatie;

c) 

ongunstige ontwikkelingen bij instellingen of andere entiteiten van een groep die ernstige nadelige gevolgen voor de instellingen zouden kunnen hebben;

d) 

belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze richtlijn hebben getroffen; zo kan in het kader van artikel 104 een specifiek eigenvermogensvereiste zijn opgelegd of kunnen restricties zijn opgelegd aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten uit hoofde van artikel 312, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.  

De bevoegde autoriteiten kunnen de volgende situaties aan de EBA voorleggen:

a) 

een bevoegde autoriteit heeft essentiële informatie niet verstrekt;

b) 

een verzoek om samenwerking, met name om uitwisseling van relevante informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn gehonoreerd.

Onverminderd artikel 258 VWEU kan de EBA handelen overeenkomstig de haar bij artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 toegekende bevoegdheden.

Overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van die verordening kan de EBA ook, op eigen initiatief, de bevoegde autoriteiten bijstaan bij het ontwikkelen van consistente samenwerkingspraktijken.

3.  
De bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op instellingen die onder de zeggenschap staan van een EU-moederinstelling, treden waar mogelijk in contact met de consoliderende toezichthouder als zij informatie nodig hebben over de toepassing van benaderingen en methodieken als beschreven in deze richtlijn en in Verordening (EU) nr. 575/2013, en deze informatie eventueel al beschikbaar is voor de consoliderende toezichthouder.
4.  

Voordat ze een besluit nemen dat van belang is voor de toezichtstaken van andere bevoegde autoriteiten, raadplegen de desbetreffende bevoegde autoriteiten elkaar over:

a) 

veranderingen in het aandeelhouderschap, de organisatie- of de bestuursstructuur van kredietinstellingen in een groep die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen; en

b) 

belangrijke sancties of buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten hebben getroffen; zo kan in het kader van artikel 104 een specifiek eigenvermogensvereiste zijn opgelegd of kunnen restricties zijn opgelegd aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de eigenvermogensvereisten uit hoofde van artikel 312, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De consoliderende toezichthouder wordt altijd geraadpleegd voor de toepassing van punt b).

Een bevoegde autoriteit mag evenwel besluiten andere bevoegde autoriteiten niet te raadplegen in noodsituaties of als de besluiten daardoor hun doel kunnen missen. In dergelijke gevallen brengt de bevoegde autoriteit de andere bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld op de hoogte na het nemen van zijn besluit.

▼M5

5.  
Bevoegde autoriteiten, financiële-inlichtingeneenheden en autoriteiten waaraan van overheidswege het toezicht op de meldingsplichtige entiteiten als vermeld in de punten 1 en 2 van artikel 2, lid 1, van Richtlijn (EU) 2015/849 is opgedragen met het oog op de naleving van die richtlijn, werken nauw met elkaar samen binnen hun respectieve bevoegdheden en verstrekken elkaar de informatie die relevant is voor hun respectieve taken krachtens deze richtlijn, Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn (EU) 2015/849, op voorwaarde dat die samenwerking en informatie-uitwisseling geen inbreuk maken op een lopend onderzoek of een lopende procedure in overeenstemming met het strafrecht of bestuursrecht van de lidstaat waar de bevoegde autoriteit, de financiële-inlichtingeneenheid of de autoriteit waaraan van overheidswege het toezicht op de meldingsplichtige entiteiten als vermeld in de punten 1 en 2 van artikel 2, lid 1, van Richtlijn (EU) 2015/849 is opgedragen, is gevestigd.

De EBA kan op eigen initiatief overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de bevoegde autoriteiten bijstaan in het geval van een meningsverschil over de coördinatie van toezichtsactiviteiten uit hoofde van dit artikel.

6.  
Uiterlijk op 1 januari 2020 stelt de EBA overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren vast met de nadere regelingen betreffende de wijze van samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de in lid 5 van dit artikel bedoelde autoriteiten, met name met betrekking tot grensoverschrijdende groepen en in de context van het vaststellen van ernstige schendingen van de regels ter voorkoming van het witwassen van geld.

▼B

Artikel 118

Het controleren van informatie betreffende entiteiten in andere lidstaten

Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij de toepassing van deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 in welbepaalde gevallen de informatie betreffende een in een andere lidstaat gelegen instelling, financiële holding, gemengde financiële holding, financiële instelling, onderneming die nevendiensten verricht, gemengde holding, dochteronderneming als bedoeld in artikel 125 of dochteronderneming als bedoeld in artikel 119, lid 3, wensen te controleren, verzoeken zij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat om deze controle. De autoriteiten die een dergelijk verzoek hebben ontvangen, geven hieraan in het kader van hun bevoegdheden gevolg door de controle zelf te verrichten, door de verzoekende autoriteiten toestemming te verlenen om de controle te verrichten, dan wel door toe te staan dat de controle door een auditor of een deskundige wordt verricht. De verzoekende bevoegde autoriteit kan indien zij dat wenst aan de controle deelnemen indien zij deze niet zelf verricht.



Afdeling II

Financiële holdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings

Artikel 119

Betrekken van holdings in het toezicht op geconsolideerde basis

▼M5

1.  
Met inachtneming van artikel 21 bis stellen de lidstaten de maatregelen vast die noodzakelijk zijn om financiële holdings en gemengde financiële holdings in het geconsolideerde toezicht te betrekken.

▼B

2.  
Indien een dochteronderneming die een instelling is, niet in het toezicht op geconsolideerde basis is betrokken op grond van een van de in artikel 19 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde gevallen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar deze dochteronderneming gelegen is, van de moederonderneming informatie verlangen om de uitoefening van het toezicht op deze dochteronderneming te vergemakkelijken.
3.  
De lidstaten stellen hun bevoegde autoriteiten en die met het toezicht op geconsolideerde basis zijn belast, in staat om van de dochterondernemingen van een instelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding die niet onder het toezicht op geconsolideerde basis vallen, de in artikel 122 bedoelde informatie kunnen verlangen. In dat geval zijn de in dat artikel bepaalde procedures voor het toezenden en het controleren van de informatie van toepassing.

Artikel 120

Toezicht op gemengde financiële holdings

1.  
Indien een gemengde financiële holding onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van zowel deze richtlijn als van Richtlijn 2002/87/EG, met name als het gaat om risicogebaseerd toezicht, kan de consoliderende toezichthouder, na overleg met de overige betrokken bevoegde autoriteiten die voor het toezicht op dochterondernemingen verantwoordelijk zijn, besluiten op de betrokken gemengde financiële holding alleen Richtlijn 2002/87/EG toe te passen.

▼M5

2.  
Indien een gemengde financiële holding onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen krachtens deze richtlijn en krachtens Richtlijn 2009/138/EG, met name wat het risicogebaseerd toezicht betreft, kan de consoliderende toezichthouder in onderlinge overeenstemming met de groepstoezichthouder in de verzekeringssector besluiten op de betrokken gemengde financiële holding alleen de bepalingen van de richtlijn met betrekking tot de belangrijkste financiële sector als bedoeld in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG toe te passen.

▼B

3.  
De consoliderende toezichthouder stelt de EBA en de EIOPA in kennis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 genomen besluiten.
4.  
De EBA, de EIOPA en de ESMA stellen, via het in artikel 54 van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 bedoelde gemengde comité, richtsnoeren op die gericht zijn op het doen samen laten lopen van de toezichtpraktijken, en stellen uiterlijk drie jaar na de vaststelling van die richtsnoeren ontwerpen van technische reguleringsnormen op.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 121

Kwalificaties van bestuurders

De lidstaten eisen dat de leden van het leidinggevend orgaan van een financiële holding of een gemengde financiële holding als voldoende betrouwbaar bekend staan en voldoende kennis, bekwaamheid en ervaring bezitten als bedoeld in artikel 91, lid 1, om deze functie uit te oefenen, rekening houdend met de specifieke rol van een financiële holding of een gemengde financiële holding.

Artikel 122

Verzoeken om informatie en verificaties

1.  
In afwachting van verdere coördinatie van de consolidatiemethoden bepalen de lidstaten dat, indien de moederonderneming van één of meer instellingen een gemengde holding is, de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de vergunningverlening aan en het toezicht op deze instellingen daarvan de mededeling verlangen van alle informatie die dienstig is voor de uitoefening van het toezicht op de dochterinstellingen, hetzij rechtstreeks hetzij door toedoen van de dochterondernemingen die instellingen zijn.
2.  
De lidstaten bepalen dat hun bevoegde autoriteiten de van de gemengde holdings en dochterondernemingen daarvan ontvangen informatie ter plaatse kunnen controleren, of door externe controleurs kunnen doen verifiëren. Indien de gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan een verzekeringsonderneming is, kan ook de procedure van artikel 125 worden gevolgd. Indien de gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan in een andere lidstaat is gelegen dan die waar de dochteronderneming die een instelling is is gelegen, geschiedt de controle ter plaatse van de informatie in overeenstemming met de procedure als vervat in artikel 118.

Artikel 123

Toezicht

1.  
Onverminderd het bepaalde in deel 4 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepalen de lidstaten dat, indien de moederonderneming van één of meer instellingen een gemengde holding is, de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op deze instellingen algemeen toezicht uitoefenen op de transacties tussen de instelling en de gemengde holding en haar dochterondernemingen.
2.  
De bevoegde autoriteiten verlangen dat de instellingen beschikken over adequate risicobeheerprocessen en internecontrolemechanismen, met inbegrip van gedegen rapportage- en boekhoudkundige systemen, met het oog op een passende herkenning, meting, bewaking en controle van transacties met hun gemengde moederholding en haar dochterondernemingen. De bevoegde autoriteiten eisen tevens dat de instellingen, naast de transacties bedoeld in artikel 394 van Verordening (EU) nr. 575/2013, alle andere belangrijke transacties met deze entiteiten rapporteren. Deze procedures en belangrijke transacties worden door de bevoegde autoriteiten gecontroleerd.

Artikel 124

Uitwisseling van informatie

1.  
De lidstaten zien erop toe dat geen juridische belemmeringen de onder het toezicht op geconsolideerde basis vallende ondernemingen, de gemengde holdings en dochterondernemingen daarvan of de in artikel 119, lid 3, bedoelde dochterondernemingen verhinderen om onderling de informatie uit te wisselen die voor de uitoefening van het toezicht overeenkomstig artikel 110 en hoofdstuk 3 dienstig is.
2.  
Indien de moederonderneming en één of meer instellingen die dochterondernemingen daarvan zijn, in verschillende lidstaten zijn gelegen, verstrekken de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat elkaar alle dienstige informatie die voor het toezicht op geconsolideerde basis nodig is of die dat toezicht kan vergemakkelijken.

Van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de moederonderneming is gelegen die niet zelf het toezicht op geconsolideerde basis uit hoofde van artikel 111 uitoefenen, kan door de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten worden gevraagd dat zij de moederonderneming verzoeken alle informatie die voor het toezicht op geconsolideerde basis dienstig is, en die informatie aan de met het toezicht belaste autoriteiten door te geven.

3.  
De lidstaten staan toe dat hun bevoegde autoriteiten de in lid 2 bedoelde informatie uitwisselen, met dien verstande dat, met betrekking tot financiële holdings, gemengde financiële holdings, financiële instellingen of ondernemingen die nevendiensten verrichten, het inwinnen of bezitten van informatie geenszins betekent dat de bevoegde autoriteiten op de instellingen of ondernemingen afzonderlijk toezicht moeten houden.

De lidstaten staan eveneens toe dat hun bevoegde autoriteiten de in artikel 122 bedoelde informatie uitwisselen, met dien verstande dat het inwinnen of bezitten van informatie niet veronderstelt dat de bevoegde autoriteiten op de gemengde holding en dochterondernemingen daarvan die geen kredietinstelling zijn, of op de in artikel 119, lid 3, bedoelde dochterondernemingen toezicht houden.

Artikel 125

Samenwerking

1.  
Indien een instelling, een financiële holding, een gemengde financiële holding of een gemengde holding zeggenschap heeft over één of meer dochterondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten waarvoor een vergunningstelsel geldt, werken de bevoegde autoriteiten nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden delen deze autoriteiten elkaar alle inlichtingen mee waardoor de vervulling van hun taak kan worden vergemakkelijkt en toezicht op de activiteit en de financiële positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan worden uitgeoefend.

▼M5

Wanneer op grond van artikel 111 van deze richtlijn de consoliderende toezichthouder van een groep met een gemengde financiële moederholding verschillend is van de overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG bepaalde coördinator, dienen de consoliderende toezichthouder en de coördinator samen te werken voor de toepassing van deze richtlijn en Verordening (EU) 575/2013 op een geconsolideerde basis. Om doeltreffende samenwerking te faciliteren en tot stand te brengen, beschikken de consoliderende toezichthouder en de coördinator over schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen.

▼M6

2.  
De in het kader van het toezicht op geconsolideerde basis ontvangen informatie, met name de in deze richtlijn bedoelde uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, is onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 53, lid 1, van deze richtlijn bedoelde vereisten voor kredietinstellingen of die uit hoofde van artikel 15 van Richtlijn (EU) 2019/2033.

▼B

3.  
De met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten stellen lijsten op van de in artikel 11 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde financiële holdings of gemengde financiële holdings. Deze lijsten worden aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, de EBA en de Commissie toegezonden.

Artikel 126

Sancties

Overeenkomstig titel VII, hoofdstuk 1, afdeling IV, zorgen de lidstaten ervoor dat aan financiële holdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings, of feitelijke bestuurders daarvan, die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen ter omzetting van dit hoofdstuk overtreden, administratieve sancties of andere administratieve maatregelen kunnen worden opgelegd om aan de vastgestelde inbreuken een einde te maken of de oorzaken daarvan weg te nemen.

Artikel 127

Beoordeling van de gelijkwaardigheid van het toezicht op geconsolideerde basis van derde landen

1.  
Indien er op een instelling waarvan de moederonderneming een instelling, een financiële holding of een gemengde financiële holding met hoofdkantoor in een derde land is, geen toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend overeenkomstig artikel 111, gaan de bevoegde autoriteiten na of de instelling onderworpen is aan geconsolideerd toezicht door de toezichtautoriteit van een derde land dat gelijkwaardig is aan het geconsolideerd toezicht op grond van de in deze richtlijn neergelegde beginselen en de vereisten van deel 1, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

De beoordeling geschiedt door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis indien lid 3 van toepassing was, op verzoek van de moederonderneming of van een van de gereglementeerde entiteiten die in de Unie een vergunning hebben verkregen, dan wel op haar eigen initiatief. Die bevoegde autoriteit raadpleegt de andere betrokken bevoegde autoriteiten.

2.  
De Commissie kan het Europees Comité voor het bankwezen verzoeken algemene richtsnoeren te verstrekken over de vraag of de regelingen inzake geconsolideerd toezicht van de toezichtautoriteiten in derde landen waarschijnlijk de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis zullen verwezenlijken zoals die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, voor de instellingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft. Het Europees comité voor het bankwezen werkt die richtsnoeren bij en houdt rekening met alle wijzigingen in de regelingen inzake geconsolideerd toezicht die door die bevoegde autoriteiten worden toegepast. De EBA staat de Commissie en het Europees Comité voor het bankwezen bij het uitvoeren van die taken bij, ook wat betreft de vraag of die richtsnoeren dienen te worden bijgewerkt.

De bevoegde autoriteit die de in lid 1, eerste alinea, bedoelde beoordeling uitvoert, houdt rekening met die richtsnoeren. De bevoegde autoriteit raadpleegt daartoe de EBA voordat zij een besluit neemt.

3.  
Indien een dergelijk gelijkwaardig toezicht ontbreekt, passen de lidstaten deze richtlijn en in Verordening (EU) nr. 575/2013 op overeenkomstige wijze op de instelling toe, of staan ze hun bevoegde autoriteiten toe andere passende toezichttechnieken toe te passen waarmee de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis op de instellingen worden gerealiseerd.

Deze toezichttechnieken worden, na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, vastgesteld door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk zou zijn voor het geconsolideerde toezicht.

De bevoegde autoriteiten kunnen meer bepaald eisen dat een financiële holding of een gemengde financiële holding met hoofdkantoor in de Unie wordt opgericht, en op de geconsolideerde positie van deze financiële holding of van de instellingen van deze gemengde financiële holding de bepalingen inzake het toezicht op geconsolideerde basis toepassen.

De toezichtmethoden bieden de mogelijkheid de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis als vervat in dit hoofdstuk te verwezenlijken, en worden aan de overige betrokken bevoegde autoriteiten, aan de EBA en aan de Commissie medegedeeld.



HOOFDSTUK 4

Kapitaalbuffers



Afdeling I

Buffers

Artikel 128

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1)

"kapitaalconserveringsbuffer" : het eigen vermogen dat een instelling overeenkomstig artikel 129 moet aanhouden;

2)

"instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer" : het eigen vermogen tot het aanhouden waarvan een instelling overeenkomstig artikel 130 verplicht is;

3)

"MSI-buffer" : het eigen vermogen dat verplicht is aan te houden in overeenstemming met artikel 131, lid 4;

4)

"ASI-buffer" : het eigen vermogen waarvan het aanhouden verplicht kan worden in overeenstemming met artikel 131, lid 5;

5)

"systeemrisicobuffer" : het eigen vermogen tot het aanhouden waarvan een instelling overeenkomstig artikel 133 verplicht is of kan worden verplicht;

6)

"gecombineerd buffervereiste" :

het totale tier 1-kernkapitaal dat nodig is om te voldoen aan het vereiste voor de kapitaalconserveringsbuffer, uitgebreid met het volgende, naar gelang toepasselijk:

a) 

een instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer;

b) 

een MSI-buffer;

c) 

een ASI-buffer;

d) 

een systeemrisicobuffer;

7)

"contracyclisch bufferpercentage" : het percentage dat de instellingen moeten toepassen om hun instellingsspecifieke anticyclische kapitaalbuffer te berekenen en dat naar gelang van het geval overeenkomstig artikel 136, artikel 137 of door een relevante autoriteit van een derde land wordt bepaald;

8)

"instelling waaraan op nationaal niveau vergunning is verleend" : een instelling waaraan vergunning is verleend in de lidstaat waarvoor een welbepaalde aangewezen autoriteit verantwoordelijk is voor het bepalen van het contracyclische bufferpercentage;

9)

"bufferrichtsnoer" : een benchmarkbufferpercentage dat wordt berekend overeenkomstig artikel 135, lid 1.

▼M5

Instellingen gebruiken geen tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden om te voldoen aan het gecombineerde buffervereiste als bedoeld in punt 6 van de eerste alinea van dit artikel teneinde te voldoen aan een van de vereisten van artikel 92, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, aan de aanvullend-eigenvermogensvereisten die op grond van artikel 104 bis van deze richtlijn worden opgelegd om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, alsmede aan de overeenkomstig artikel 104 ter, lid 3, van deze richtlijn meegedeelde richtsnoeren voor het ondervangen van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking.

Instellingen gebruiken geen tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden om te voldoen aan een van de elementen van het gecombineerde buffervereiste teneinde te voldoen aan de andere toepasselijke elementen van het gecombineerde buffervereiste.

Instellingen gebruiken geen tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden om te voldoen aan het gecombineerde buffervereiste als bedoeld in punt 6) van de eerste alinea van dit artikel teneinde te voldoen aan de risicogebaseerde onderdelen van de vereisten die zijn omschreven in de artikelen 92 bis en 92 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de artikelen 45 quater en 45 quinquies van Richtlijn 2014/59/EU.

▼M6 —————

▼M5

Artikel 129

Vereiste een kapitaalconserveringsbuffer aan te houden

1.  
De lidstaten verplichten de instellingen om, naast het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden om te voldoen aan een van de bij artikel 92, lid 1, punten a), b) en c) van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgelegde eigenvermogensvereisten, een uit tier 1-kernkapitaal bestaande kapitaalconserveringsbuffer aan te houden die gelijk is aan 2,5 % van het totaal van de overeenkomstig artikel 92, lid 3, van die verordening berekende risicoposten, op individuele en op geconsolideerde basis, als toepasselijk overeenkomstig deel 1, titel II, van die verordening.

▼M6 —————

▼M5

5.  
Indien een instelling niet ten volle aan het vereiste van lid 1 van dit artikel voldoet, is zij onderworpen aan de in artikel 141, leden 2 en 3, bepaalde beperkingen op uitkeringen.

Artikel 130

Vereiste een instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer aan te houden

1.  
De lidstaten verplichten de instellingen een instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer aan te houden die gelijk is aan het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten, vermenigvuldigd met het gewogen gemiddelde van de overeenkomstig artikel 140 van deze richtlijn op individuele en op geconsolideerde basis berekende contracyclischebufferpercentages, als toepasselijk overeenkomstig deel 1, titel II, van die verordening. Die buffer bestaat uit tier 1-kernkapitaal.

▼M6 —————

▼M5

5.  
Indien een instelling niet ten volle aan het vereiste van lid 1 van dit artikel voldoet, is zij onderworpen aan de in artikel 141, leden 2 en 3, bepaalde beperkingen op uitkeringen.

▼B

Artikel 131

Mondiaal systeemrelevante en andere systeemrelevante instellingen

▼M5

1.  
De lidstaten wijzen een autoriteit aan die, op geconsolideerde basis, verantwoordelijk is voor het bepalen welke instellingen MSI's zijn en, in voorkomend geval, op individuele, gesubconsolideerde of geconsolideerde basis, welke instellingen andere systeemrelevante instellingen (ASI's) zijn, waaraan in hun rechtsgebied vergunning is verleend. Deze autoriteit is de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit. De lidstaten kunnen meer dan één autoriteit aanwijzen.

MSI's kunnen zijn:

a) 

een groep onder leiding van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, of

b) 

een instelling die geen dochteronderneming is van een EU-moederinstelling, van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding.

ASI's kunnen een instelling of een groep zijn onder leiding van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding, een gemengde financiële EU-moederholding, een moederinstelling in een lidstaat, een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat.

▼B

2.  

De methodiek om te bepalen welke instellingen MSI's zijn, wordt gebaseerd op de volgende categorieën:

a) 

omvang van de groep;

b) 

verwevenheid van de groep met het financiële stelsel;

c) 

substitueerbaarheid van de door de groep verrichte diensten of van de door de groep verschafte financiële infrastructuur;

d) 

complexiteit van de groep;

e) 

de grensoverschrijdende werkzaamheden van de groep, omvattende de grensoverschrijdende werkzaamheden tussen lidstaten en tussen een lidstaat en een derde land.

Elke categorie krijgt een gelijke wegingsfactor en bestaat uit kwantificeerbare indicatoren.

De methodiek resulteert in een totaalscore voor iedere in lid 1 bedoelde beoordeelde entiteit, zodat de MSIs kunnen worden aangewezen en ondergebracht in een subcategorie als beschreven in lid 9.

▼M5

2 bis.  

Een aanvullende methodiek om te bepalen welke instellingen MSI's zijn, wordt gebaseerd op de volgende categorieën:

a) 

de categorieën als bedoeld in lid 2, punten a) tot en met d), van dit artikel;

b) 

de grensoverschrijdende activiteit van de groep, met uitzondering van de activiteiten van de groep in verschillende deelnemende lidstaten als bedoeld in artikel 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad ( 19 ).

Elke categorie krijgt een gelijke wegingsfactor en bestaat uit kwantificeerbare indicatoren. Voor de in de eerste alinea van dit lid, punt a), bedoelde categorieën zijn de indicatoren dezelfde als de overeenkomstige indicatoren die zijn bepaald op grond van lid 2.

De aanvullende methodiek voor het bepalen van de systeemrelevantie levert voor elke beoordeelde in lid 1 bedoelde entiteit een aanvullende totaalscore op, op basis waarvan de bevoegde of aangewezen autoriteiten een van de in lid 10, punt c), bedoelde maatregelen kunnen nemen.

▼B

3.  

ASI's worden aangewezen overeenkomstig lid 1. De systeemrelevantie wordt beoordeeld op basis van ten minste een van de volgende criteria:

a) 

de omvang;

b) 

de relevantie voor de economie van de Unie of van de lidstaat in kwestie;

c) 

het belang van de grensoverschrijdende werkzaamheden;

d) 

de verwevenheid van de instelling of groep met het financiële stelsel.

▼M5

Uiterlijk op 1 januari 2015 geeft de EBA, na overleg met het ESRB, overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, richtsnoeren af betreffende de criteria ter bepaling van de voorwaarden voor de toepassing van dit lid, wat de beoordeling van ASI's betreft. Deze richtsnoeren houden rekening met de internationale raamwerken voor op nationaal niveau systeemrelevante instellingen en met specifieke aspecten voor de Unie en nationale specifieke aspecten.

De EBA brengt, na overleg met het ESRB, uiterlijk op 31 december 2020 verslag uit aan de Commissie over de passende methodiek voor het ontwerp en de kalibratie van ASI-bufferpercentages.

▼B

4.  
Iedere MSI houdt, op geconsolideerde basis, een MSI-buffer aandie in overeenstemming is met de subcategorie waarin de MSI is ondergebracht. Deze buffer bestaat uit en wordt aangehouden in aanvulling op het tier 1-kernkapitaal.

▼M5

5.  
De bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit kan iedere ASI, op geconsolideerde, gesubconsolideerde of individuele basis, naargelang het geval, verplichten een ASI-buffer aan te houden van ten hoogste 3 % van het totaal van de risicoposten berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, rekening houdend met de criteria op grond waarvan wordt bepaald of de instelling een ASI is. Die buffer bestaat uit tier 1-kernkapitaal.

▼M5

5 bis.  
Onder voorbehoud van de in de derde alinea van dit lid bedoelde vergunning van de Commissie kan de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit iedere ASI, op geconsolideerde, gesubconsolideerde of individuele basis, naargelang het geval, verplichten een ASI-buffer aan te houden van meer dan 3 % van het totaal van de risicoposten berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Deze buffer bestaat uit tier 1-kernkapitaal.

Binnen zes weken na ontvangst van de in lid 7 van dit artikel bedoelde kennisgeving verstrekt het ESRB de Commissie een advies over de vraag of de ASI-buffer passend wordt geacht. Overeenkomstig artikel 34, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 kan ook de EBA de Commissie haar advies betreffende de buffer verstrekken.

Binnen drie maanden na de toezending door het ESRB van de in lid 7 bedoelde kennisgeving aan de Commissie, stelt de Commissie, rekening houdend met de beoordeling door het ESRB en, in voorkomend geval, de EBA, en mits zij zich ervan vergewist heeft dat de ASI-buffer geen buitensporige nadelige gevolgen heeft voor het geheel of voor delen van het financiële systeem in andere lidstaten of van de Unie als geheel, die een belemmering voor de werking van de interne markt vormen, een handeling vast waarbij de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit toestemming krijgt de voorgenomen maatregel te nemen.

▼B

6.  

Bij het opleggen van de verplichting een ASI-buffer aan te houden, neemt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit de volgende beginselen in acht:

a) 

de ASI-buffer dient geen buitensporige nadelige gevolgen te hebben voor het geheel of voor delen van het financiële systeem van andere lidstaten of van de Unie als geheel, waardoor hij een belemmering voor de werking van de interne markt zou vormen;

b) 

de ASI-buffer moet minstens jaarlijks door de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit getoetst worden.

▼M5

7.  

Alvorens een ASI-buffer te bepalen of opnieuw te bepalen, stelt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit het ESRB één maand voor de bekendmaking van het in lid 5 bedoelde besluit daarvan in kennis en stelt die autoriteit het ESRB drie maanden voor de bekendmaking van het besluit van de bevoegde of de aangewezen autoriteit, bedoeld in lid 5 bis daarvan in kennis. Het ESRB stuurt die kennisgevingen onverwijld naar de Commissie, naar de EBA en naar de bevoegde en aangewezen autoriteiten van de betrokken lidstaten. In dergelijke kennisgevingen worden de volgende elementen gedetailleerd beschreven:

▼B

a) 

de redenen waarom de ASI-buffer doeltreffend en evenredig wordt geacht om het risico af te zwakken;

b) 

een beoordeling van de waarschijnlijke positieve of negatieve gevolgen van de ASI-buffer voor de interne markt, op basis van informatie die de lidstaat ter beschikking heeft;

c) 

het ASI-bufferpercentage dat de lidstaat wenst op te leggen.

▼M5

8.  

Onverminderd artikel 133 en lid 5 van dit artikel is in het geval van een ASI die een dochter is van hetzij een MSI, hetzij een ASI die hetzij een instelling, hetzij een groep onder leiding van een EU-moederinstelling is en verplicht is een ASI-buffer aan te houden op geconsolideerde basis, de buffer die op individuele of gesubconsolideerde basis van toepassing is op de ASI, niet hoger dan het laagste van:

a) 

de som van het hoogste MSI- of ASI-bufferpercentage dat op geconsolideerde basis van toepassing is op de groep en 1 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten, en

b) 

3 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten, of het percentage dat de Commissie heeft goedgekeurd voor toepassing op de groep op geconsolideerde basis in overeenstemming met lid 5 bis van dit artikel.

9.  
Er zijn ten minste vijf subcategorieën MSI's. De onderste limiet en de limieten tussen iedere subcategorie worden bepaald door de scores overeenkomstig de in lid 2 van dit artikel bedoelde methodiek voor het bepalen van de systeemrelevantie. De scores die de overgang tussen de ene en de andere subcategorie markeren, worden duidelijk omschreven en zijn in overeenstemming met het beginsel dat er een constante lineaire toename van systemisch belang is van subcategorie tot subcategorie, hetgeen leidt tot een lineaire toename van het vereiste van aanvullend tier 1-kernkapitaal, met uitzondering van de vijfde subcategorie en iedere toegevoegde hogere subcategorie. Voor de toepassing van dit lid wordt onder systemisch belang verstaan de verwachte invloed die het in nood verkeren van de MSI heeft op de mondiale financiële markt. Voor de laagste subcategorie is een MSI-buffer van toepassing van 1 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten en de buffer neemt per subcategorie toe met minstens 0,5 procentpunt van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van die Verordening berekende totaal van de risicoposten.
10.  

Onverminderd de leden 1 en 9 en met gebruikmaking van de in lid 9 bedoelde subcategorieën en overgangsscores kan de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit bij het verrichten van degelijke oordeelsvorming in het toezicht:

a) 

een MSI van een lagere subcategorie onderbrengen in een hogere subcategorie;

b) 

een entiteit als bedoeld in lid 1 met een in lid 2 bedoelde totaalscore die lager uitvalt dan de overgangsscore van de laagste subcategorie, onderbrengen in die subcategorie of in een hogere subcategorie, waardoor die entiteit als een MSI wordt aangewezen;

c) 

rekening houdend met het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, op basis van de aanvullende totaalscore als bedoeld in lid 2 bis, een MSI van een hogere subcategorie onderbrengen in een lagere subcategorie.

▼M5 —————

▼M5

12.  
De bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit brengt de namen van de MSI's en de ASI's en de respectieve subcategorieën waarin elke MSI is ondergebracht, ter kennis van het ESRB. De kennisgeving bevat alle redenen waarom oordeelsvorming in het toezicht is uitgeoefend of niet overeenkomstig lid 10, punten a), b) en c). Het ESRB stuurt die kennisgevingen onverwijld naar de Commissie en naar de EBA, en maakt de namen van de MSI's en de ASI's publiekelijk bekend. De bevoegde autoriteiten of de aangewezen autoriteiten maken de subcategorie waarin elke MSI is ondergebracht, publiekelijk bekend.

De bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit toetst jaarlijks de systeemrelevantie van de MSI's en de ASI's alsook het onderbrengen van de MSI's in de respectieve subcategorieën, en brengt het resultaat ter kennis van de betrokken systeemrelevante instelling en het ESRB, dat de resultaten onverwijld naar de Commissie en naar de EBA stuurt. De bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit maakt de bijgewerkte lijst van aangewezen systeemrelevante instellingen en de subcategorie waarin iedere aangewezen MSI is ondergebracht, publiekelijk bekend.

▼M5 —————

▼M5

14.  
Indien een groep op geconsolideerde basis onderworpen is aan een MSI-buffer en aan een ASI-buffer, is de hoogste buffer van toepassing.
15.  
Indien een instelling een in overeenstemming met artikel 133 bepaalde systeemrisicobuffer moet aanhouden, komt die buffer bovenop de ASI-buffer of de MSI-buffer die overeenkomstig dit artikel van toepassing is.

Indien de som van het systeemrisicobufferpercentage zoals berekend voor de toepassing van lid 10, 11 of 12 van artikel 133 en het MSI-bufferpercentage of het ASI-bufferpercentage waaraan die instelling is onderworpen, hoger zou zijn dan 5 %, geldt de procedure als beschreven in lid 5 bis van dit artikel.

▼M5 —————

▼M5

18.  
De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling, voor de toepassing van dit artikel, van de methodiek aan de hand waarvan de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit bepaalt of een instelling of een groep onder leiding van een EU-moederinstelling, een EU-financiële moederholding of een gemengde EU-financiële moederholding als een MSI aan te merken is, en tot nadere bepaling van de methodiek voor het afbakenen van de subcategorieën en voor het onderbrengen van MSI's in de subcategorieën op basis van hun systemisch belang, rekening houdend met internationaal overeengekomen standaarden.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 30 juni 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

▼M5 —————

▼C3

Artikel 133

Vereiste een systeemrisicobuffer aan te houden

1.  
Elke lidstaat kan voor de financiële sector of voor een of meer segmenten van die sector op alle of een segment van blootstellingen een systeemrisicobuffer bestaande uit tier 1-kernkapitaal instellen, als bedoeld in lid 5 van dit artikel, teneinde macroprudentiële of systemische risico's die niet vallen onder Verordening (EU) nr. 575/2013 en de artikelen 130 en 131 van deze richtlijn, in de zin van een risico op verstoring van het financiële stelsel met mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor het financiële stelsel en de reële economie in een specifieke lidstaat, te voorkomen en te limiteren.
2.  

De instellingen berekenen de systeemrisicobuffer als volgt:

image

waarbij:

▼M5

BSR = de systeemrisicobuffer;

rT = het bufferpercentage dat geldt voor het totaal van de risicoposten van een instelling;

ET = het totaal van de risicoposten van een instelling, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

i = de index die het segment van blootstellingen als bedoeld in lid 5 aangeeft;

ri = het bufferpercentage dat geldt voor de risicoposten van segment van blootstellingen i, en

Ei = de risicoblootstellingen van een instelling voor het segment van blootstellingen i, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.  
Voor de toepassing van lid 1 wijzen de lidstaten een autoriteit aan die verantwoordelijk is voor het bepalen van de systeemrisicobuffer en voor het bepalen voor welke blootstellingen en deelgroepen van instellingen die buffer van toepassing is. Die autoriteit is de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit.
4.  
Voor de toepassing van lid 1 van onderhavig artikel mag de betrokken bevoegde of aangewezen autoriteit, naargelang het geval, verlangen dat instellingen een systeemrisicobuffer aanhouden van tier 1-kernkapitaal, berekend in overeenstemming met lid 2 van onderhavig artikel, op individuele, geconsolideerde of gesubconsolideerde basis, zoals van toepassing in overeenstemming met deel één, titel II, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
5.  

Een systeemrisicobuffer kan van toepassing zijn op:

a) 

alle blootstellingen die gesitueerd zijn in de lidstaat die de buffer bepaalt;

b) 

onderstaande sectorale blootstellingen die gesitueerd zijn in de lidstaat die de buffer bepaalt:

i) 

alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen ten aanzien van natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed;

ii) 

alle blootstellingen ten aanzien van rechtspersonen die door hypotheken op zakelijk onroerend goed zijn gedekt;

iii) 

alle blootstellingen ten aanzien van rechtspersonen met uitzondering van de onder ii) genoemde;

iv) 

alle blootstellingen ten aanzien van natuurlijke personen met uitzondering van de onder i) genoemde;

c) 

alle blootstellingen in andere lidstaten, met inachtneming van de leden 12 en 15;

d) 

sectorale blootstellingen, zoals bepaald in punt b) van dit lid, gesitueerd in andere lidstaten, slechts voor de erkenning van een door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 134 vastgesteld bufferpercentage;

e) 

blootstellingen die gesitueerd zijn in derde landen;

f) 

segmenten van een van de in punt b) genoemde blootstellingscategorieën.

6.  
Uiterlijk op 30 juni 2020 geeft de EBA, na overleg met het ESRB, overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren af over de passende segmenten van blootstellingen waarop de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit een systeemrisicobuffer kan toepassen overeenkomstig lid 5, punt f), van dit artikel.
7.  
Een systeemrisicobuffer is van toepassing op alle blootstellingen of segmenten van blootstellingen als bedoeld in lid 5 van dit artikel, van alle instellingen, of op een of meer deelgroepen van die instellingen, ten aanzien waarvan de autoriteiten van de betrokken lidstaat overeenkomstig deze richtlijn bevoegd zijn, en wordt bepaald in aanpassingsstappen van 0,5 procentpunt of veelvouden daarvan. Er kunnen verschillende vereisten worden ingevoerd voor verschillende deelgroepen van instellingen en segmenten van blootstellingen. De systeemrisicobuffer wordt niet toegepast op risico's die door de artikelen 130 en 131 worden gedekt.
8.  

Bij het opleggen van de verplichting een systeemrisicobuffer aan te houden, neemt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit het volgende in acht:

a) 

de systeemrisicobuffer heeft geen buitensporige nadelige gevolgen voor het geheel of voor delen van het financiële stelsel van andere lidstaten of van de Unie als geheel, waardoor hij een belemmering voor de goede werking van de interne markt zou vormen;

b) 

de systeemrisicobuffer moet door de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit ten minste om de twee jaar worden beoordeeld;

c) 

de systeemrisicobuffer mag niet worden toegepast op risico's die door de artikelen 130 en 131 worden gedekt.

9.  
De bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit, naargelang het geval, stelt het ESRB vóór de bekendmaking van het in lid 13 bedoelde besluit daarvan in kennis. Het ESRB stuurt dergelijke kennisgevingen onverwijld naar de Commissie, naar de EBA en naar de bevoegde en aangewezen autoriteiten van de betrokken lidstaten.

Indien de instelling waarop een of meer systeemrisicobufferpercentages van toepassing zijn, een dochteronderneming is waarvan de moederonderneming in een andere lidstaat is gevestigd, stelt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit tevens de autoriteiten van die lidstaat daarvan in kennis.

Indien een systeemrisicobufferpercentage van toepassing is op in derde landen gesitueerde blootstellingen, stelt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit, naargelang het geval, tevens het ESRB daarvan in kennis. Het ESRB stuurt dergelijke kennisgevingen onverwijld naar de toezichthoudende autoriteiten van die derde landen.

In dergelijke kennisgevingen worden de volgende elementen gedetailleerd beschreven:

a) 

de macroprudentiële of systeemrisico's in de lidstaat;

b) 

de redenen waarom de omvang van de macroprudentiële of systeemrisico's een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het financiële stelsel op nationaal niveau, die het systeemrisicobufferpercentage rechtvaardigt;

c) 

de redenen waarom de systeemrisicobuffer als waarschijnlijk doeltreffend en evenredig wordt beschouwd om het risico te limiteren;

d) 

een beoordeling van de waarschijnlijke positieve of negatieve gevolgen van de systeemrisicobuffer voor de interne markt, op basis van informatie die de lidstaat ter beschikking heeft;

e) 

het systeemrisicobufferpercentage dat of de systeemrisicobufferpercentages die de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit, naargelang het geval, wenst op te leggen en voor welke blootstellingen het percentage geldt of de percentages gelden en de instellingen waarop de vereisten inzake het percentage of de percentages van toepassing zijn;

f) 

indien het systeemrisicobufferpercentage van toepassing is op alle blootstellingen, een motivering van de reden waarom de autoriteit van oordeel is dat de systeemrisicobuffer geen overlapping is van de werking van de ASI-buffer die is bedoeld in artikel 131.

Indien het besluit waarbij het systeemrisicobufferpercentage wordt bepaald, een verlaging of geen wijziging ten opzichte van de eerder vastgestelde systeemrisicobufferpercentages tot gevolg heeft, moet de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit, naargelang het geval, alleen aan dit lid voldoen.

10.  
Indien het bepalen of opnieuw bepalen van een of meer systeemrisicobufferpercentages voor blootstellingen of segmenten van blootstellingen als bedoeld in lid 5 die onderworpen zijn aan een of meer systeemrisicobuffers voor geen enkele van de blootstellingen resulteert in een gecombineerd systeemrisicobufferpercentage van meer dan 3 %, stelt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit, naargelang het geval, in overeenstemming met lid 9 het ESRB één maand voor de bekendmaking van het in lid 13 bedoelde besluit, daarvan in kennis.

Voor de toepassing van dit lid wordt de erkenning van een door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 134 vastgesteld systeemrisicobufferpercentage niet meegerekend voor de drempel van 3 %.

11.  
Indien het bepalen of opnieuw bepalen van een of meer systeemrisicobufferpercentages voor blootstelling of segmenten van blootstellingen als bedoeld in lid 5 die onderworpen zijn aan een of meer systeemrisicobuffers, voor een van deze blootstellingen resulteert in een gecombineerd systeemrisicobufferpercentage van meer dan 3 % met een maximum van 5 %, verzoekt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit van de lidstaat die de buffer bepaalt, in de kennisgeving, gedaan uit hoofde van lid 9 de Commissie om advies. De Commissie brengt binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving advies uit.

Indien de Commissie een negatief advies uitbrengt, volgt de bevoegde autoriteit of, naargelang het geval, de aangewezen autoriteit van de lidstaat die de systeemrisicobuffer bepaalt, dat advies of motiveert zij waarom zij dit niet doet.

Indien een instelling waarop een of meer systeemrisicobufferpercentages van toepassing zijn, een dochteronderneming is waarvan de moederonderneming in een andere lidstaat is gevestigd, verzoekt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit in de kennisgeving, gedaan uit hoofde van lid 9 om een aanbeveling van de Commissie en het ESRB.

De Commissie en het ESRB geven elk binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving een aanbeveling af.

Indien de autoriteiten van de dochter- en de moederonderneming het oneens zijn over het systeemrisicobufferpercentage of de systeemrisicobufferpercentages die op die instelling van toepassing zijn, en in het geval van een negatieve aanbeveling van zowel de Commissie als het ESRB, kan de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit, naargelang het geval, de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 doorverwijzen naar de EBA en haar om bijstand verzoeken. Het besluit om het systeemrisicobufferpercentage of de systeemrisicobufferpercentages voor deze blootstellingen te bepalen, wordt opgeschort totdat de EBA een besluit heeft genomen.

12.  
Indien het bepalen of opnieuw bepalen van een of meer systeemrisicobufferpercentages voor blootstellingen of segmenten van blootstellingen als bedoeld in lid 5 die onderworpen zijn aan een of meer systeemrisicobuffers, voor een van deze blootstellingen resulteert in een gecombineerd systeemrisicobufferpercentage van meer dan 5 %, verzoekt de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit, naargelang het geval, om toestemming van de Commissie voor het invoeren van een systeemrisicobuffer.

Binnen zes weken na ontvangst van de in lid 9 van dit artikel bedoelde kennisgeving verstrekt het ESRB de Commissie een advies over de vraag of de systeemrisicobuffer passend wordt geacht. Overeenkomstig artikel 34, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 kan ook de EBA de Commissie haar advies betreffende die systeemrisicobuffer verstrekken.

Binnen drie maanden na ontvangst van de in lid 9 bedoelde kennisgeving stelt de Commissie, rekening houdend met de beoordeling door het ESRB en, in voorkomend geval, de EBA, en mits zij zich ervan vergewist heeft dat het systeemrisicobufferpercentage of de systeemrisicobufferpercentages geen buitenproportionele nadelige gevolgen heeft of hebben voor het geheel of voor delen van het financiële stelsel in andere lidstaten of van de Unie als geheel, waardoor het een belemmering voor de goede werking van de interne markt zou vormen, een handeling vast waarbij de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit, naargelang het geval, toestemming krijgt de voorgenomen maatregel te nemen.

13.  

Elke bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit, naargelang het geval, kondigt het bepalen of opnieuw bepalen van een of meer systeemrisicobufferpercentages aan via publicatie op een passende website. Die publicatie bevat ten minste de volgende informatie:

a) 

het systeemrisicobufferpercentage of de systeemrisicobufferpercentages;

b) 

de instellingen waarop de systeemrisicobuffer van toepassing is;

c) 

de blootstellingen waarop het systeemrisicobufferpercentage of de systeemrisicobufferpercentages van toepassing zijn;

d) 

een rechtvaardiging voor het bepalen of opnieuw bepalen van het systeemrisicobufferpercentage of de systeemrisicobufferpercentages;

e) 

de datum met ingang waarvan de instellingen de bepaalde of opnieuw bepaalde systeemrisicobuffer moeten toepassen, en

f) 

de namen van de landen waar de in die landen gesitueerde blootstellingen in de systeemrisicobuffer in aanmerking worden genomen.

Indien de publicatie van de in punt d) van de eerste alinea bedoelde informatie de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zou kunnen brengen, wordt die informatie niet in de publicatie opgenomen.

14.  
Indien een instelling niet ten volle aan het vereiste van lid 1 van dit artikel voldoet, is zij onderworpen aan de in artikel 141, leden 2 en 3, bepaalde beperkingen op uitkeringen.

Indien, gelet op het relevante systeemrisico, de toepassing van de beperkingen op uitkeringen er niet toe leidt dat het tier 1-kernkapitaal van de instelling op toereikende wijze verbetert, kunnen de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 64 aanvullende maatregelen nemen.

15.  
Indien de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit, naargelang het geval, besluit de systeemrisicobuffer vast te stellen op basis van blootstellingen die gesitueerd zijn in andere lidstaten, wordt de buffer gelijkelijk vastgesteld voor alle blootstellingen binnen de Unie, tenzij de buffer wordt ingesteld om het door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 134 vastgestelde systeemrisicobufferpercentage te erkennen.

Artikel 134

Erkenning van een systeemrisicobufferpercentage

1.  
Andere lidstaten kunnen het overeenkomstig artikel 133 bepaalde systeemrisicobufferpercentage erkennen en kunnen dat percentage toepassen op instellingen waaraan op nationaal niveau vergunning is verleend, voor blootstellingen die gesitueerd zijn in de lidstaat die dat bufferpercentage bepaalt.
2.  
Indien lidstaten het systeemrisicobufferpercentage overeenkomstig lid 1 erkennen voor instellingen waaraan op nationaal niveau vergunning is verleend, stellen zij het ESRB daarvan in kennis. Het ESRB stuurt dergelijke kennisgevingen onverwijld naar de Commissie, naar de EBA en naar de lidstaat die dat percentage bepaalt.
3.  
Bij zijn beslissing om een systeemrisicobufferpercentage al dan niet te erkennen overeenkomstig lid 1, neemt een lidstaat de informatie in overweging die wordt verstrekt door de lidstaat die dat percentage overeenkomstig artikel 133, leden 9 en 13, bepaalt.
4.  
Indien lidstaten een systeemrisicobufferpercentage erkennen voor instellingen waaraan op nationaal niveau vergunning is verleend, mag die systeemrisicobuffer worden gecumuleerd met de overeenkomstig artikel 133 toegepaste systeemrisicobuffer, op voorwaarde dat de buffers verschillende risico's bestrijken. Indien de buffers dezelfde risico's bestrijken, is alleen de hoogste buffer van toepassing.
5.  
De lidstaat die een systeemrisicobufferpercentage overeenkomstig artikel 133 van deze richtlijn bepaalt, kan het ESRB verzoeken een aanbeveling als bedoeld in artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 te doen aan een of meer lidstaten die het systeemrisicobufferpercentage kunnen erkennen.

▼B



Afdeling II

Bepaling en berekening van contracyclische kapitaalbuffers

Artikel 135

Richtsnoeren van het ESRB voor het bepalen van contracyclische bufferpercentages

1.  

Het ESRB kan door middel van aanbevelingen overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 aan de krachtens artikel 136, lid 1, door lidstaten aangewezen autoriteiten richtsnoeren afgeven betreffende het vaststellen van contracyclische bufferpercentages, met inbegrip van het volgende:

a) 

beginselen die aangewezen autoriteiten sturen bij hun oordeelsvorming omtrent het passende contracyclische bufferpercentage, ervoor zorgen dat autoriteiten een degelijke benadering ten aanzien van de relevante macro-economische cycli vaststellen en degelijke en consistente besluitvorming in alle lidstaten propageren;

b) 

algemene richtsnoeren inzake:

i) 

het meten en berekenen van de afwijking ten opzichte van de langetermijntrends in de ratio's krediet/bruto binnenlands product (bbp);

ii) 

de door artikel 136, lid 2, voorgeschreven berekening van bufferrichtsnoeren;

c) 

richtsnoeren inzake variabelen die erop wijzen dat zich in een financieel stelsel een met perioden van buitensporige kredietgroei geassocieerd systeemrisico ontwikkelt, in het bijzonder de relevante krediet/bbp-ratio en de afwijking daarvan van de langetermijntrend, en inzake andere relevante factoren, onder meer de manier waarop economische ontwikkelingen binnen de individuele sectoren van de economie behandeld worden, op welke variabelen de aangewezen autoriteiten hun krachtens artikel 136 te nemen beslissingen inzake het passende contracyclische bufferpercentage moeten baseren;

d) 

richtsnoeren inzake variabelen, met inbegrip van kwalitatieve criteria, die aangeven dat de buffer in stand moet worden gehouden, moet worden verminderd of volledig moet worden aangesproken.

2.  
Indien het ESRB een aanbeveling uit hoofde van lid 1 afgeeft, houdt het terdege rekening met de verschillen tussen de lidstaten en meer bepaald met de specifieke kenmerken van lidstaten met kleine en open economieën.
3.  
Indien het ESRB een aanbeveling overeenkomstig lid 1 heeft uitgebracht, blijft het deze evalueren en, indien nodig, actualiseren in het licht van de met het krachtens deze richtlijn bepalen van buffers opgedane ervaring of in het licht van ontwikkelingen in internationaal overeengekomen praktijken.

Artikel 136

Bepalen van contracyclische bufferpercentages

1.  
Elke lidstaat wijst een overheidsinstantie of -lichaam aan ("de aangewezen autoriteit") die verantwoordelijk is voor het bepalen van het contracyclische bufferpercentage voor die lidstaat.
2.  

Elke aangewezen autoriteit berekent voor elk kwartaal een bufferrichtsnoer als ijkpunt voor haar oordeelsvorming bij het overeenkomstig lid 3 bepalen van het contracyclische bufferpercentage. Het bufferrichtsnoer is een betekenisvolle weergave van de kredietcyclus en de risico's als gevolg van buitensporige kredietgroei in de lidstaat en houdt naar behoren rekening met de specifieke kenmerken van de nationale economie. Het wordt gebaseerd op de afwijking van de krediet/bbp-ratio ten opzichte van de langetermijntrend, rekening houdend met, onder meer:

a) 

een indicator van de kredietgroei in dat rechtsgebied en, in het bijzonder, een indicator die de veranderingen in het verleende krediet als percentage van het bbp in die lidstaat weergeeft;

b) 

actuele richtsnoeren die door het ESRB overeenkomstig artikel 135, lid 1, onder b), zijn afgegeven.

▼M5

3.  

Elk kwartaal beoordeelt elke aangewezen autoriteit de intensiteit van het cyclische systeemrisico en de geschiktheid van het contracyclische bufferpercentage voor haar lidstaat, en bepaalt zij daarnaast het contracyclische bufferpercentage of past zij dit indien nodig aan. Daarbij houdt elke aangewezen autoriteit rekening met:

▼B

a) 

het bufferrichtsnoer dat overeenkomstig lid 2 is berekend;

b) 

actuele richtsnoeren die door het ESRB overeenkomstig artikel 135, lid 1, onder a), c) en d), zijn afgegeven, en elke aanbeveling die door het ESRB is afgegeven betreffende het bepalen van een bufferpercentage;

c) 

andere variabelen die de aangewezen autoriteit relevant acht voor het ondervangen van het cyclische systeemrisico.

4.  
Het contracyclische bufferpercentage, uitgedrukt ten opzichte van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, van instellingen die in die lidstaat kredietblootstellingen hebben, moet tussen 0 % en 2,5 % liggen, gekalibreerd in stappen van 0,25 procentpunt of veelvouden van 0,25 procentpunt. Indien dit op grond van de in lid 3 uiteengezette overwegingen gerechtvaardigd is, kan een aangewezen autoriteit voor het in artikel 140, lid 2, van deze richtlijn genoemde doeleinde een contracyclisch bufferpercentage bepalen van meer dan 2,5 % van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
5.  
Als een aangewezen autoriteit voor het eerst een contracyclisch bufferpercentage van meer dan nul bepaalt of indien daarna het geldende contracyclische bufferpercentage verhoogt, bepaalt zij ook vanaf welke datum de instellingen bij de berekening van hun instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer die verhoogde buffer moeten toepassen. Die datum mag niet later vallen dan 12 maanden na de datum waarop het bepalen van de verhoogde buffer overeenkomstig lid 7 is bekendgemaakt. Als de datum eerder valt dan 12 maanden nadat het bepalen van de verhoogde buffer is bekendgemaakt, wordt deze kortere uiterste termijn voor de toepassing gerechtvaardigd op grond van uitzonderlijke omstandigheden.
6.  
Als een aangewezen autoriteit het bestaande contracyclische bufferpercentage verlaagt, al dan niet naar nul, bepaalt zij ook een richtperiode gedurende welke geen verhoging van de buffer wordt verwacht. Deze richtperiode is echter niet bindend voor de aangewezen autoriteit.

▼M5

7.  

Elke aangewezen autoriteit maakt elk kwartaal op haar website ten minste de volgende informatie bekend:

a) 

het toepasselijke contracyclische bufferpercentage;

b) 

de relevante krediet/bbp-ratio en de afwijking ervan ten opzichte van de langetermijntrend;

c) 

het bufferrichtsnoer dat overeenkomstig lid 2 is berekend;

d) 

een motivering van dat bufferpercentage;

e) 

als het bufferpercentage verhoogd wordt, de datum met ingang waarvan de instellingen dit verhoogde bufferpercentage bij de berekening van hun instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer moeten toepassen;

f) 

als de in punt e) bedoelde datum eerder valt dan twaalf maanden na de datum van de krachtens dit lid gedane bekendmaking, een vermelding van de uitzonderlijke omstandigheden die de kortere uiterste termijn voor de toepassing rechtvaardigen;

g) 

als het bufferpercentage verlaagd wordt, de richtperiode gedurende welke geen verhoging van het bufferpercentage wordt verwacht, samen met een verantwoording voor die periode.

De aangewezen autoriteiten nemen alle redelijke stappen om de timing van die bekendmaking te coördineren.

De aangewezen autoriteiten stellen het ESRB in kennis van elke wijziging van het contracyclische bufferpercentage en van de in de punten a) tot en met g) van de eerste alinea genoemde vereiste gegevens. Al deze bufferpercentages waarvan kennis is gegeven en daarmee verband houdende gegevens worden door het ESRB op zijn website gepubliceerd.

▼B

Artikel 137

Inaanmerkingneming van contracyclische bufferpercentages van meer dan 2,5 %

1.  
Indien een aangewezen autoriteit overeenkomstig artikel 166, lid 4, of een relevante autoriteit van een derde land een contracyclisch bufferpercentage heeft bepaald van meer dan 2,5 % van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, kunnen de andere aangewezen autoriteiten dit bufferpercentage in aanmerking laten komen voor de berekening van instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffers door instellingen waaraan op nationaal niveau vergunning is verleend.
2.  

Indien een aangewezen autoriteit overeenkomstig lid 1 van dit artikel een bufferpercentage in aanmerking laat komen van meer dan 2,5 % van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, maakt zij die inaanmerkingneming bekend via publicatie op haar website. De bekendmaking bevat ten minste de volgende informatie:

a) 

het toepasselijke contracyclische bufferpercentage;

b) 

de lidstaat of de derde landen waarop dit van toepassing is;

c) 

indien het bufferpercentage verhoogd wordt, de datum met ingang waarvan de instellingen waaraan in de lidstaat van de aangewezen autoriteit vergunning is verleend, dat verhoogde bufferpercentage bij de berekening van hun instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer moeten toepassen;

d) 

indien de onder c) bedoelde datum eerder valt dan 12 maanden na de datum van de overeenkomstig dit lid gedane bekendmaking, een vermelding van de uitzonderlijke omstandigheden die de kortere uiterste termijn voor de toepassing rechtvaardigen.

Artikel 138

Aanbeveling van het ESRB betreffende contracyclische bufferpercentages voor derde landen

Het ESRB kan overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 een aanbeveling tot aangewezen autoriteiten richten over het passende contracyclische bufferpercentage voor blootstellingen ten aanzien van een derde land indien:

a) 

voor een derde land ten aanzien waarvan een of meer instellingen uit de Unie kredietblootstellingen hebben, door de relevante autoriteit van het derde land ("relevante autoriteit van een/het derde land") geen contracyclisch bufferpercentage is bepaald en gepubliceerd;

b) 

het ESRB van oordeel is dat een contracyclisch bufferpercentage dat door de relevante autoriteit van het derde land voor het derde land is bepaald en gepubliceerd, niet volstaat om de instellingen uit de Unie naar behoren tegen de risico's van buitensporige kredietgroei in dat land te beschermen, of een aangewezen autoriteit het ESRB ervan in kennis stelt dat het van oordeel is dat het bufferpercentage daarvoor ontoereikend is.

Artikel 139

Besluit van aangewezen autoriteiten inzake contracyclische bufferpercentages voor derde landen

1.  
Dit artikel is van toepassing ongeacht of het ESRB een aanbeveling tot aangewezen autoriteiten heeft gericht als bedoeld in artikel 138.
2.  
In de in artikel 138, onder a), bedoelde omstandigheden kunnen aangewezen autoriteiten het contracyclische bufferpercentage bepalen dat instellingen waaraan op nationaal niveau vergunning is verleend, moeten toepassen bij de berekening van hun instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer.
3.  
Indien door de relevante autoriteit van het derde land een contracyclisch bufferpercentage voor het derde land is bepaald en gepubliceerd, kan een aangewezen autoriteit een verschillend bufferpercentage voor dat derde land bepalen voor de berekening van de instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer door instellingen waaraan op nationaal niveau vergunning is verleend, als zij redelijkerwijze van oordeel is dat het door de relevante autoriteit van het derde land vastgestelde bufferpercentage niet volstaat om die instellingen naar behoren tegen de risico's van buitensporige kredietgroei in dat land te beschermen.

Wanneer een aangewezen autoriteit de haar krachtens de eerste alinea verleende bevoegdheid uitoefent, mag zij geen lager contracyclisch bufferpercentage bepalen dan door de relevante autoriteit van het derde land is vastgesteld, tenzij dit bufferpercentage meer bedraagt dan 2,5 %, uitgedrukt ten opzichte van het in overeenstemming met artikel 927, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten van instellingen die kredietrisico's in dat derde land hebben.

Teneinde coherentie in de bufferpercentages te bewerkstelligen, kan het ESRB aanbevelingen betreffende die percentages doen.

4.  
Indien een aangewezen autoriteit overeenkomstig lid 2 of lid 3 een hoger contracyclisch bufferpercentage voor een derde land bepaalt dan het bestaande toepasselijke contracyclische bufferpercentage, bepaalt de aangewezen autoriteit vanaf welke datum de instellingen waaraan op nationaal niveau vergunning is verleend, dit bufferpercentage bij de berekening van hun instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer moeten toepassen. Die datum valt niet later dan 12 maanden na de datum waarop de verhoogde buffer overeenkomstig lid 5 is bekendgemaakt. Als de datum eerder valt dan 12 maanden nadat het bepalen van de buffer is bekendgemaakt, moet deze kortere uiterste termijn voor de toepassing worden gerechtvaardigd op grond van uitzonderlijke omstandigheden.
5.  

De aangewezen autoriteiten publiceren elk uit hoofde van lid 2 of lid 3 bepaald contracyclisch bufferpercentage voor een derde land op hun website en vermelden daarbij de volgende informatie:

a) 

het contracyclische bufferpercentage en het derde land waarop dit van toepassing is;

b) 

een motivering van dat bufferpercentage;

c) 

indien voor het eerst een bufferpercentage van meer dan nul wordt bepaald of het bufferpercentage wordt verhoogd, de datum met ingang waarvan de instellingen dat verhoogde bufferpercentage bij de berekening van hun instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer moeten toepassen;

d) 

indien de onder c) bedoelde datum eerder valt dan 12 maanden na de datum waarop het overeenkomstig dit lid bepaalde bufferpercentage is gepubliceerd, een vermelding van de uitzonderlijke omstandigheden die de kortere uiterste termijn voor de toepassing rechtvaardigen.

Artikel 140

Berekening van het instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbufferpercentage

1.  
Het instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbufferpercentage wordt gevormd door het gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages die van toepassing zijn in de rechtsgebieden waar de relevante kredietblootstellingen van de instelling gesitueerd zijn, of die krachtens artikel 139, lid 2 of lid 3, in het kader van dit artikel worden toegepast.

De lidstaten schrijven voor dat de instellingen bij de berekening van het in de eerste alinea bedoelde gewogen gemiddelde, voor elk toepasselijk contracyclisch bufferpercentage hun totale, overeenkomstig deel 3, titels II en IV, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde eigenvermogensvereisten voor kredietrisico in verband met hun desbetreffende kredietblootstellingen op het betrokken grondgebied berekenen, en dit delen door hun totale eigenvermogensvereisten voor kredietrisico in verband met al hun desbetreffende kredietblootstellingen.

2.  

Indien een aangewezen autoriteit overeenkomstig artikel 136, lid 4, een contracyclisch bufferpercentage heeft bepaald van meer dan 2,5 % van het in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten, zorgen de lidstaten ervoor dat de volgende bufferpercentages van toepassing zijn op de relevante kredietblootstellingen die gesitueerd zijn in de lidstaat van die aangewezen autoriteit ("lidstaat A"), voor de in lid 1 voorgeschreven berekening, waaronder ook, in voorkomend geval, de berekening van het gedeelte van het geconsolideerde kapitaal dat op de betrokken instelling betrekking heeft:

a) 

instellingen waaraan op nationaal niveau vergunning is verleend, passen dit bufferpercentage van meer dan 2,5 % van het totaal van de risicoposten toe;

b) 

instellingen waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, passen een contracyclisch bufferpercentage van 2,5 % van het totaal van de risicoposten toe als de aangewezen autoriteit in de lidstaat waar aan die instellingen vergunning is verleend, niet is ingegaan op de door artikel 137, lid 1, geboden mogelijkheid om het bufferpercentage van meer dan 2,5 % in aanmerking te laten komen;

c) 

instellingen waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, passen het door de aangewezen autoriteit van lidstaat A bepaalde contracyclische bufferpercentage toe als de aangewezen autoriteit in de lidstaat waar aan die instellingen vergunning is verleend, het bufferpercentage overeenkomstig artikel 137 in aanmerking heeft laten komen.

3.  

Indien het door de relevante autoriteit van het derde land bepaalde contracyclische bufferpercentage voor het derde land meer bedraagt dan 2,5 % van het in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten, zorgen de lidstaten ervoor dat de volgende bufferpercentages van toepassing zijn op de relevante, in dat derde land gesitueerde kredietblootstellingen voor de in lid 1 voorgeschreven berekening, waaronder ook, in voorkomend geval, de berekening van het gedeelte van het geconsolideerde kapitaal dat op de betrokken instelling betrekking heeft:

a) 

de instellingen passen een contracyclisch bufferpercentage van 2,5 % van het totaal van de risicoposten toe als de aangewezen autoriteit in de lidstaat waar aan die instellingen vergunning is verleend, niet is ingegaan op de door artikel 137, lid 1, geboden mogelijkheid om het bufferpercentage van meer dan 2,5 % in aanmerking te laten komen;

b) 

de instellingen passen het door de relevante autoriteit van het derde land bepaalde contracyclische bufferpercentage toe als de aangewezen autoriteit in de lidstaat waar aan die instellingen vergunning is verleend, het bufferpercentage overeenkomstig artikel 137 in aanmerking heeft laten komen.

4.  

De relevante kredietblootstellingen omvatten alle blootstellingscategorieën, behalve die welke bedoeld worden in artikel 112, punten a) tot en met f), van Verordening (EU) nr. 575/2013, die onderworpen zijn aan:

a) 

de eigenvermogensvereisten voor kredietrisico krachtens deel 3, titel II, van die verordening;

b) 

indien de blootstelling in de handelsportefeuille is opgenomen, eigenvermogensvereisten voor specifiek risico krachtens deel 3, titel IV, hoofdstuk 2, van die verordening of voor additioneel wanbetalings- en migratierisico krachtens deel 3, titel IV, hoofdstuk 5, van die verordening;

c) 

indien de blootstelling in een securitisatie bestaat, de eigenvermogensvereisten krachtens deel 3, titel II, hoofdstuk 5, van die verordening.

5.  
De instellingen bepalen de geografische locatie van een relevante kredietblootstelling overeenkomstig technische reguleringsnormen die overeenkomstig lid 7 worden vastgesteld.
6.  

Voor de in lid 1 voorgeschreven berekening:

a) 

is een besluit inzake het contracyclische bufferpercentage voor een lidstaat van toepassing vanaf de datum die vermeld is in de overeenkomstig artikel 136, lid 7, onder e), of artikel 137, lid 2, onder c), gepubliceerde informatie als dat besluit resulteert in een verhoging van het bufferpercentage;

b) 

is, onder voorbehoud van punt c), een besluit inzake het contracyclische bufferpercentage voor een derde land van toepassing 12 maanden na de datum waarop een wijziging van het bufferpercentage is bekendgemaakt door de relevante autoriteit van het derde land, ongeacht of deze autoriteit voorschrijft dat instellingen waarvan de statutaire zetel in dat derde land gelegen is, de wijziging op kortere termijn moeten toepassen, als dat besluit resulteert in een verhoging van het bufferpercentage;

c) 

indien de aangewezen autoriteit van de lidstaat van herkomst van de instelling het contracyclische bufferpercentage voor een derde land bepaalt overeenkomstig artikel 139, lid 2 of lid 3, of dat contracyclische bufferpercentage overeenkomstig artikel 137 in aanmerking laat komen, is dat besluit inzake het bufferpercentage van toepassing vanaf de datum die vermeld is in de overeenkomstig artikel 139, lid 5, onder c), of artikel 137, lid 2, onder c), gepubliceerde informatie, als dat besluit resulteert in een verhoging van het bufferpercentage;

d) 

is een besluit inzake een contracyclisch bufferpercentage onmiddellijk van toepassing als dat besluit resulteert in een verlaging van het bufferpercentage.

Voor de toepassing van punt b) wordt een wijziging van het contracyclische bufferpercentage voor een derde land geacht te zijn gepubliceerd op de datum waarop deze door de relevante autoriteit van het derde land overeenkomstig de toepasselijke nationale voorschriften is gepubliceerd.

7.  
De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op om de methode vast te stellen waarmee de geografische locatie van de in lid 5 bedoelde relevante kredietblootstellingen wordt bepaald.

De EBA dient de ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.



Afdeling III

Kapitaalinstandhoudingsmaatregelen

Artikel 141

Beperkingen op uitkeringen

▼M5

1.  
Instellingen die aan het gecombineerde buffervereiste voldoen, verrichten geen uitkeringen in verband met tier 1-kernkapitaal die ertoe leiden dat dit kapitaal wordt verlaagd tot een peil waarop niet langer aan het gecombineerde buffervereiste wordt voldaan.
2.  
Instellingen die niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoen, berekenen het maximaal uitkeerbare bedrag (maximum distributable amount; MDA) overeenkomstig lid 4 en delen het aan de bevoegde autoriteit mee.

Indien de eerste alinea van toepassing is, verrichten de instellingen geen van de volgende handelingen voordat zij het MDA hebben berekend:

a) 

een uitkering verrichten in verband met tier 1-kernkapitaal;

▼C6

b) 

een verplichting aangaan tot het betalen van variabele beloning of van uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen, of tot het betalen van variabele beloning als de betalingsverplichting is aangegaan op het ogenblik dat de instelling niet aan het gecombineerde buffervereiste voldeed, of

▼M5

c) 

betalingen verrichten op instrumenten van het aanvullend tier 1-kapitaal.

3.  
Indien een instelling niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet of dit niet overschrijdt, keert zij niet meer uit dan het MDA berekend overeenkomstig lid 4 door middel van een handeling als bedoeld in de punten a), b) en c) van lid 2, tweede alinea.
4.  
De instellingen berekenen het MDA door het overeenkomstig lid 5 berekende bedrag te vermenigvuldigen met de overeenkomstig lid 6 bepaalde factor. Het MDA wordt verminderd met de bedragen die uit de in lid 2, tweede alinea, punt a), b) of c), bedoelde maatregelen voortvloeien.
5.  

Het overeenkomstig lid 4 te vermenigvuldigen bedrag bestaat uit:

a) 

alle tussentijdse winsten die niet in het tier 1-kernkapitaal op grond van artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn opgenomen, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling die uit de in lid 2, tweede alinea, punt a), b) of c), van dit artikel vermelde handelingen voortvloeit;

vermeerderd met

b) 

alle eindejaarswinsten die niet in het tier 1-kernkapitaal op grond van artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn opgenomen, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling die uit de in lid 2, tweede alinea, punt a), b) of c), van dit artikel vermelde handelingen voortvloeit;

min

c) 

bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn als de in dit lid, punt a) en punt b), genoemde elementen werden ingehouden.

6.  

De factor wordt op de volgende wijze vastgesteld:

a) 

indien het door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de eigenvermogensvereisten als bedoeld in artikel 92, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen als vastgesteld in artikel 104, lid 1, punt a), van deze richtlijn, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van die verordening, binnen het eerste (dit wil zeggen het laagste) kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0;

b) 

indien het door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de eigenvermogensvereisten als bedoeld in artikel 92, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen als vastgesteld in artikel 104, lid 1, punt a), van deze richtlijn, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van die verordening, binnen het tweede kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,2;

c) 

indien het door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan de eigenvermogensvereisten als bedoeld in artikel 92, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen als vastgesteld in artikel 104, lid 1, punt a), van deze richtlijn, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van die verordening, binnen het derde kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,4;

▼C6

d) 

indien het door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan de eigenvermogensvereisten als bedoeld in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen als vastgesteld in artikel 104, lid 1, punt a), van deze richtlijn, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, lid 3, van die verordening, binnen het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,6.

▼M5

De ondergrens en de bovengrens van elk kwartiel van het gecombineerde buffervereiste worden als volgt berekend:

▼C4

image

image

waarbij:

▼M5

Qn = het volgnummer van het desbetreffende kwartiel.

▼B

7.  
De bij dit artikel vastgestelde beperkingen zijn uitsluitend van toepassing op betalingen die resulteren in een vermindering van het tier 1-kernkapitaal of in een vermindering van de winst, en indien opschorting van betaling of niet-betaling geen wanbetaling vormt en evenmin een voorwaarde is voor het inleiden van een procedure overeenkomstig de op de instelling toepasselijke insolventieregeling.
8.  

Indien een instelling niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet en voornemens is een deel van haar uitkeerbare winst uit te keren of een in lid 2, tweede alinea, onder a), b) en c), vermelde handeling te stellen, stelt zij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis en verstrekt zij de volgende informatie:

a) 

het door de instelling aangehouden kapitaal, als volgt uitgesplitst:

i) 

tier 1-kernkapitaal;

ii) 

aanvullend tier 1-kapitaal;

iii) 

tier 2-kapitaal;

b) 

de tussentijdse en eindejaarswinst;

c) 

het overeenkomstig lid 4 berekende MDA;

d) 

de uitkeerbare winst die zij voornemens is als volgt te verdelen:

i) 

uitkeringen van dividenden;

ii) 

wederinkopen van aandelen;

iii) 

betalingen op instrumenten van het aanvullend tier 1-kapitaal;

▼C5

iv) 

betaling van variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen, hetzij door het aangaan van een nieuwe verplichting tot betalen, hetzij vanwege een verplichting tot betalen die werd aangegaan op het ogenblik dat de instelling niet aan haar gecombineerde buffervereiste voldeed.

▼B

9.  
De instellingen passen regelingen toe die ervoor zorgen dat het bedrag van de uitkeerbare winst en het MDA nauwkeurig worden berekend, en zijn in staat op verzoek de nauwkeurigheid van deze berekening aan de bevoegde autoriteit aan te tonen.
10.  

Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt onder een uitkering in verband met tier 1-kernkapitaal onder meer het volgende verstaan:

a) 

een betaling van dividenden in contanten;

b) 

een uitkering van volgestorte en niet-volgestorte bonusaandelen of van andere kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 26, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c) 

een aflossing of aankoop door een instelling van haar eigen aandelen of van andere kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 26, lid 1, punt a), van die verordening;

d) 

een terugbetaling van bedragen die zijn gestort in verband met kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 26, lid 1, punt a), van die verordening;

e) 

een uitkering van in artikel 26, lid 1, punten b) tot en met e), van die verordening bedoelde elementen.

▼M5

Artikel 141 bis

Het niet voldoen aan het gecombineerde buffervereiste

Een instelling wordt geacht niet aan het gecombineerde buffervereiste te voldoen voor de toepassing van artikel 141 wanneer zij niet over eigen vermogen beschikt volgens de hoeveelheid en de hoedanigheid die noodzakelijk zijn om tegelijkertijd te voldoen aan het gecombineerde buffervereiste en aan elk van de volgende vereisten in:

a) 

artikel 92, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen krachtens artikel 104, lid 1, punt a), van deze richtlijn;

b) 

artikel 92, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen krachtens artikel 104, lid 1, punt a), van deze richtlijn;

c) 

artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en aan het aanvullend-eigenvermogensvereiste om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen krachtens artikel 104, lid 1, punt a), van deze richtlijn.

▼B

Artikel 142

Kapitaalconserveringsplan

1.  
Indien een instelling niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet, stelt zij een kapitaalconserveringsplan op en dient zij dit uiterlijk vijf werkdagen nadat zij heeft geconstateerd dat zij niet aan dat vereiste voldoet, bij de bevoegde autoriteit in, tenzij de bevoegde autoriteit een langere termijn toestaat, welke termijn ten hoogste tien dagen mag bedragen.

►C2  De bevoegde autoriteiten verlenen dergelijke toelatingen enkel op basis van de individuele situatie van een instelling ◄ en rekening houdend met de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

2.  

Het kapitaalconserveringsplan bevat de volgende gegevens:

a) 

schattingen van inkomsten en uitgaven en een opgave van de te verwachten balanspositie;

b) 

maatregelen ter verhoging van de kapitaalratio's van de instelling;

c) 

een plan en een tijdschema voor de verhoging van het eigen vermogen met het oog op de volledige naleving van het gecombineerde buffervereiste;

d) 

alle andere informatie die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht om de in lid 3 voorgeschreven beoordeling te maken.

▼C5

3.  
De bevoegde autoriteit beoordeelt het kapitaalconserveringsplan en keurt het plan uitsluitend goed indien zij het aannemelijk acht dat de tenuitvoerlegging van het plan voor voldoende instandhouding of verhoging van het kapitaal zou zorgen opdat de instelling binnen een termijn die de bevoegde autoriteit passend acht, aan haar gecombineerde buffervereiste kan voldoen.

▼B

4.  

Als de bevoegde autoriteit het kapitaalconserveringsplan niet overeenkomstig lid 3 goedkeurt, legt zij een of beide van het volgende op:

a) 

de instelling verplichten haar eigen vermogen binnen gestelde termijnen tot een bepaald niveau te verhogen;

b) 

gebruikmaken van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 102 om striktere beperkingen op uitkeringen vast te stellen dan die van artikel 141.



TITEL VIII

OPENBAARMAKING VAN INFORMATIE DOOR DE BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 143

Algemene openbaarmakingsvereisten

1.  

De bevoegde autoriteiten publiceren de volgende informatie:

a) 

de tekst van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en van de algemene richtsnoeren die in hun lidstaat op prudentieel gebied zijn vastgesteld;

b) 

de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt;

▼M5

c) 

de algemene criteria en methoden die zij hanteren bij de toetsing en evaluatie als bedoeld in artikel 97, met inbegrip van de criteria voor de toepassing van het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 97, lid 4;

▼M6

d) 

onverminderd het bepaalde in titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033, geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de tenuitvoerlegging van het prudentiële kader in elke lidstaat, met inbegrip van het aantal en de aard van de toezichtsmaatregelen die overeenkomstig artikel 102, lid 1, onder a), van deze richtlijn zijn genomen, en van de administratieve sancties die overeenkomstig artikel 65 van deze richtlijn zijn opgelegd.

▼B

2.  
De overeenkomstig lid 1 gepubliceerde informatie is toereikend om een zinvolle vergelijking te kunnen maken tussen de handelwijzen van de bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten. De openbaar gemaakte informatie wordt volgens een gemeenschappelijk format gepubliceerd en regelmatig geactualiseerd. De openbaar gemaakte informatie wordt op één elektronische locatie toegankelijk gemaakt.
3.  
De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op om het format, de structuur, de inhoudsopgave en de jaarlijkse publicatiedatum van de in lid 1 vermelde informatie te bepalen.

De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 144

Specifieke openbaarmakingsvereisten

1.  

Voor de toepassing van deel 5 van Verordening (EU) nr. 575/2013 publiceren de bevoegde autoriteiten de volgende informatie:

a) 

de algemene criteria en methodieken en die zijn vastgesteld om na te gaan of aan artikel 405 tot en met artikel 409 van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt voldaan;

b) 

onverminderd het bepaalde in titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, een korte beschrijving van het resultaat van de toetsing door de toezichthouder en een beschrijving van de maatregelen die zijn opgelegd in gevallen van niet-naleving van de artikelen 405 tot en met 409 van Verordening (EU) nr. 575/2013, op jaarbasis.

2.  

De bevoegde autoriteit van een lidstaat die gebruik maakt van de keuzemogelijkheid van artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, publiceert de volgende informatie:

a) 

de gehanteerde criteria om vast te stellen of er geen feitelijke, praktische of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien zijn die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva kunnen verhinderen;

b) 

hoeveel moederinstellingen gebruik kunnen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en hoeveel van die moederinstellingen dochterondernemingen in een derde land hebben;

c) 

op geaggregeerde basis voor de lidstaat:

i) 

het totale bedrag aan in dochterondernemingen in een derde land aangehouden eigen vermogen op geconsolideerde basis van de moederinstelling in een lidstaat die gebruik kan maken van de keuzemogelijkheid van artikel 7, lid 3, Verordening (EU) nr. 575/2013;

ii) 

het percentage van het totale eigen vermogen op geconsolideerde basis van moederinstellingen in een lidstaat die gebruik kunnen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 7, lid 3, van die verordening, vertegenwoordigd door eigen vermogen dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden;

iii) 

het percentage van het totale eigen vermogen dat vereist is krachtens artikel 92 van die verordening op geconsolideerde basis van moederinstellingen in een lidstaat die gebruik kunnen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 7, lid 3, van die verordening, vertegenwoordigd door eigen vermogen dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden.

3.  

De bevoegde autoriteit die gebruik maakt van de keuzemogelijkheid van artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, publiceert de volgende informatie:

a) 

de gehanteerde criteria om vast te stellen of er geen feitelijke, praktische of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien zijn die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva kunnen verhinderen;

b) 

hoeveel moederinstellingen gebruik kunnen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en hoeveel van die moederinstellingen dochterondernemingen in een derde land hebben;

c) 

op geaggregeerde basis voor de lidstaat:

i) 

het totale bedrag aan in dochterondernemingen in een derde land aangehouden eigen vermogen van moederinstellingen die gebruik kunnen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

ii) 

het percentage van het totale eigen vermogen van moederinstellingen die gebruik kunnen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, vertegenwoordigd door eigen vermogen dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden;

iii) 

het percentage van het totale eigen vermogen dat vereist is krachtens artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van moederinstellingen die gebruik kunnen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 9, lid 1, van genoemde verordening, vertegenwoordigd door eigen vermogen dat in dochterondernemingen in een derde land wordt aangehouden.



TITEL IX

GEDELEGEERDE EN UITVOERINGSHANDELINGEN

Artikel 145

Gedelegeerde handelingen

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 148 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot het volgende:

a) 

verduidelijking van de definities als vervat in artikel 3 en artikel 128 teneinde een eenvormige toepassing van deze richtlijn te waarborgen;

b) 

verduidelijking van de definities als vervat artikel 3 en artikel 128 om bij de toepassing van deze richtlijn rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

c) 

aanpassing van de terminologie en van de verwoording van de in artikel 3 vervatte definities aan latere handelingen inzake instellingen en aanverwante onderwerpen;

d) 

aanpassing van de bedragen als bedoeld in artikel 31, lid 1, om rekening te houden met veranderingen in het door Eurostat bekendgemaakte Europees indexfijcer van de consumentenprijzen, in lijn met en tegelijkertijd met aanpassingen die zijn gemaakt uit hoofde van artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2002/92/EG;

e) 

uitbreiding van de in de artikelen 33 en 34 bedoelde lijst in bijlage I of aanpassing van de terminologie van de lijst om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

f) 

aanwijzing van de in artikel 50 genoemde gebieden waarop de bevoegde autoriteiten gegevens moeten uitwisselen;

g) 

aanpassing van het bepaalde in de artikelen 76 tot en met 88 en 98 teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten (met name nieuwe financiële producten) en op het gebied van standaarden voor of eisen aan jaarrekeningen die rekening houden met het Unierecht, of met het oog op de convergentie van toezichtpraktijken;

h) 

opschorting van de openbaarmakingsverplichtingan overeenkomstig artikel 89, lid 3, tweede alinea, indien in het krachtens de eerste alinea van dat lid ingediende verslag van de Commissie aanmerkelijke negatieve effecten worden aangewezen;

i) 

aanpassing van de criteria van artikel 23, lid 1, om rekening te houden met toekomstige aanpassingen en een eenvormige toepassing van deze richtlijn te waarborgen.

▼M5

Artikel 146

Uitvoeringshandelingen

Een wijziging van het bedrag van het in artikel 12 en titel IV voorgeschreven aanvangskapitaal teneinde rekening te houden met de economische en monetaire ontwikkelingen wordt volgens de in artikel 147, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld in de vorm van een uitvoeringshandeling.

▼B

Artikel 147

Europees comité voor het bankwezen

1.  
Bij de vaststelling van uitvoeringshandelingen wordt de Commissie bijgestaan door het Europees Comité voor het bankwezen. Dat comité is een comité in de zin van artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.  
Als naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 148

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  
De in artikel 145 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 17 juli 2013.
3.  
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 145 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
5.  
Een overeenkomstig artikel 145 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. De termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

Artikel 149

Bezwaar tegen technische reguleringsnormen

Wanneer de Commissie een technische reguleringsnorm vaststelt die identiek is aan het door de EBA ingediende ontwerp van technische reguleringsnorm, bedraagt de termijn gedurende welke het Europees Parlement en de Raad bezwaar kunnen aantekenen tegen die technische reguleringsnorm één maand te rekenen van de datum van kennisgeving. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze periode met een maand verlengd. In afwijking van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 kan de termijn gedurende welke het Europees Parlement of de Raad bezwaar kunnen aantekenen tegen die technische reguleringsnorm, indien passend, nogmaals met één maand worden verlengd.



TITEL X

WIJZIGINGEN IN RICHTLIJN 2002/87/EG

Artikel 150

Wijzigingen in Richtlijn 2002/87/EG

Artikel 21 bis van Richtlijn 2002/87/EG wordt als volgt gewijzigd:

a) 

in lid 2 wordt punt a) geschrapt;

b) 

lid 3 wordt vervangen door:

"3.  
Om een consistente toepassing van de in bijlage I, deel II, van deze richtlijn juncto artikel 49, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 228, lid 1, van Richtlijn 2009/138/EG beschreven berekeningsmethoden te garanderen, stellen de Europese toezichthoudende autoriteiten, onverminderd artikel 6, lid 4, van de onderhavige richtlijn, via het gemengd comité ontwerpen op van technische reguleringsnormen met betrekking tot artikel 6, lid 2, van deze richtlijn.

De Europese toezichthoudende autoriteiten leggen die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk vijf maanden vóór de in artikel 309, lid 1, van Richtlijn 2009/138/EG bedoelde toepassingsdatum aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010.".



TITEL XI

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN



HOOFDSTUK 1

Overgangsbepalingen met betrekking tot het toezicht op instellingen die de vrijheid van vestiging en het recht tot het vrij verrichten van diensten uitoefenen

Artikel 151

Toepassingsgebied

1.  
In plaats van de artikelen 40, 41, 43, 49, 50 en 51 zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing tot de datum waarop het liquiditeitsdekkingsvereiste van toepassing wordt overeenkomstig een krachtens artikel 460 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vast te stellen gedelegeerde handeling.
2.  
Om te garanderen dat de geleidelijke invoering van regelingen voor liquiditeitstoezicht volledig samenvalt met de ontwikkeling van eenvormige liquiditeitsregels, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 145 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij de in lid 1 vermelde datum met maximaal twee jaar wordt uitgesteld ingeval in de Unie nog geen eenvormige liquiditeitsregels zijn ingevoerd omdat er op de in lid 1 van dit artikel vermelde datum nog geen overeenstemming over internationale normen voor liquiditeitstoezicht is bereikt.

Artikel 152

Rapportagevereisten

De lidstaat van ontvangst kan, voor statistische doeleinden, eisen dat elke kredietinstelling die een bijkantoor op zijn grondgebied heeft, aan de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat een periodiek verslag over de werkzaamheden op zijn grondgebied zendt.

Voor de uitoefening van de krachtens artikel 156 van deze richtlijn op hem rustende verantwoordelijkheden kan de lidstaat van ontvangst van bijkantoren van kredietinstellingen van andere lidstaten dezelfde gegevens eisen als hij voor dat doel van de nationale kredietinstellingen eist.

Artikel 153

Door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen ten aanzien van in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden

1.  
Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst constateren dat een kredietinstelling die op hun grondgebied een bijkantoor heeft of werkzaam is in het kader van het verrichten van diensten, niet de wettelijke bepalingen naleeft welke deze lidstaat heeft vastgesteld ter uitvoering van deze richtlijn die een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst inhouden, eisen zij dat de betrokken kredietinstelling zijn verzuim herstelt.
2.  
Indien de betrokken kredietinstelling niet het nodige doet, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst die van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.
3.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst treffen zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen om te bewerkstelligen dat de betrokken kredietinstelling zijn verzuim herstelt. De aard van deze maatregelen wordt medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.
4.  
Indien de kredietinstelling, in weerwil van de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of in die lidstaat niet voorzien zijn, de in lid 1 bedoelde, in de lidstaat van ontvangst geldende wettelijke bepalingen blijft schenden, kan de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen om verdere inbreuken te voorkomen of te bestraffen en, voor zover zulks noodzakelijk is, de kredietinstelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied te verrichten. De lidstaten zorgen ervoor dat de voor die maatregelen vereiste stukken aan de kredietinstellingen op hun grondgebied kunnen worden betekend.

Artikel 154

Voorzorgsmaatregelen

Alvorens de in artikel 153 bedoelde procedure toe te passen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in spoedeisende gevallen alle voorzorgsmaatregelen treffen die onontbeerlijk zijn voor de bescherming van de belangen van deposanten, beleggers of andere personen voor wie diensten worden verricht. De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de overige betrokken lidstaten worden zo spoedig mogelijk van die maatregelen op de hoogte gebracht.

De Commissie kan, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, besluiten dat de betrokken lidstaat de voorzorgsmaatregelen moet wijzigen of intrekken.

Artikel 155

Verantwoordelijkheid

1.  
Het prudentieel toezicht op een instelling, met inbegrip van het prudentieel toezicht op de werkzaamheden die deze instelling overeenkomstig de artikelen 33 en 34 uitoefent, berust bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, onverminderd de bepalingen van deze richtlijn welke een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst inhouden.
2.  
Lid 1 laat het toezicht op geconsolideerde basis op grond van deze richtlijn onverlet.
3.  
De bevoegde autoriteiten in een lidstaat nemen bij de uitoefening van hun algemene taken naar behoren de gevolgen in overweging die hun besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het relevante tijdstip beschikbare informatie.

Artikel 156

Liquiditeitstoezicht

In afwachting van verdere coördinatie blijft de lidstaat van ontvangst, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, belast met het toezicht op de liquiditeit van de bijkantoren van een kredietinstelling.

Onverminderd de maatregelen die noodzakelijk zijn ter versterking van het Europees Monetair Stelsel, blijft de lidstaat van ontvangst volledig verantwoordelijk voor de maatregelen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van zijn monetair beleid.

Dergelijke maatregelen voorzien niet in discriminerende of restrictieve behandeling op grond van het feit dat aan een kredietinstelling in een andere lidstaat vergunning is verleend.

Artikel 157

Samenwerking inzake toezicht

Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van de instellingen waarvan het werkterrein zich tot één of meer andere lidstaten uitstrekt dan de lidstaat van hun hoofdkantoor, met name door middel van een bijkantoor, werken de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten nauw samen. Zij verstrekken elkaar alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken instellingen waardoor het toezicht op die instellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die instellingen kan worden vergemakkelijkt, alsmede alle gegevens die het toezicht op deze instellingen, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, depositogarantie, beperking van grote risicoblootstellingen, administratieve en boekhoudkundige procedures en internecontrolemechanismen kunnen vergemakkelijken.

Artikel 158

Significante bijkantoren

1.  
De bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst kunnen de consoliderende toezichthouder, in gevallen waarin artikel 112, lid 1, van toepassing is, of de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst verzoeken een bijkantoor van een instelling anders dan een beleggingsonderneming die onderworpen is aan artikel 95 van Verordening (EU) nr. 575/2013, als significant aan te merken.
2.  

Het verzoek vermeldt de redenen waarom het bijkantoor als significant moet worden aangemerkt, en met name:

a) 

of het marktaandeel in deposito's van het bijkantoor in de lidstaat van ontvangst meer dan 2 % bedraagt;

b) 

wat de vermoedelijke gevolgen van een opschorting of beëindiging van de werkzaamheden van de instelling voor de liquiditeit van het systeem en de betalings-, clearing- en afwikkelingssystemen in de lidstaat van ontvangst zullen zijn;

c) 

de omvang en het belang van het bijkantoor, wat het aantal cliënten betreft, binnen het bancaire of financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst, alsmede de consoliderende toezichthouder in gevallen waarin artikel 112, lid 1, van toepassing is, stellen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over de kwalificatie van een bijkantoor als significant.

Indien binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek ingevolge de eerste alinea geen gezamenlijk besluit wordt genomen, beslissen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst uiterlijk twee maanden daarna zelf of het bijkantoor significant is. Bij deze beslissing houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst rekening met de standpunten en voorbehouden van de consoliderende toezichthouder of van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

De in de tweede en derde alinea bedoelde besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen en worden aan de betrokken bevoegde autoriteiten toegezonden; zij worden als definitief erkend en door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten toegepast.

De kwalificatie van een bijkantoor als significant doet geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten in het kader van deze richtlijn.

3.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zenden de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar een significant bijkantoor gevestigd is, de in artikel 117, lid 1, onder c) en d), bedoelde informatie toe en voeren de in artikel 112, lid 1, onder c), bedoelde taken uit in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.
4.  
Indien een bevoegde autoriteit van een lidstaat van herkomst kennis krijgt van een noodsituatie als bedoeld in artikel 114, lid 1, waarschuwt zij zo spoedig mogelijk de in artikel 58, vierde alinea, en in artikel 59, lid 1, bedoelde autoriteiten.
►C2  5.  
Indien artikel 116 niet van toepassing is, richten de bevoegde autoriteiten die toezicht houden op een instelling met significante bijkantoren in andere lidstaten, een door hen voorgezeten college van toezichthouders op om het bereiken van een gezamenlijk besluit inzake het aanmerken van een bijkantoor als significant ingevolge lid 2 van het onderhavige artikel en het uitwisselen van informatie uit hoofde van artikel 50 te vergemakkelijken. ◄ Na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de regeling voor de oprichting en werking van het college schriftelijk vast. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst beslist welke bevoegde autoriteiten aan een vergadering of activiteit van het college deelnemen.
6.  
Bij haar beslissing houdt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst rekening met de relevantie van de te plannen of te coördineren toezichtactiviteit voor die autoriteiten en in het bijzonder met de gevolgen die deze beslissing kan hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaten als bedoeld in artikel 155, lid 3, en met het bepaalde in lid 2 van het onderhavige artikel.
7.  
De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst informeert alle leden van het college tevens tijdig over de acties of maatregelen die in die bijeenkomsten ondernomen of uitgevoerd worden.

Artikel 159

Controles ter plaatse

1.  
De lidstaten van ontvangst bepalen dat, indien een instelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, haar werkzaamheden uitoefent door middel van een bijkantoor, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis te hebben gesteld, zelf of met inschakeling van een tussenpersoon ter plaatse de in artikel 50 bedoelde gegevens kunnen controleren.
2.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kunnen voor de controle van de bijkantoren ook gebruikmaken van een van de andere in artikel 118 bepaalde procedures.
3.  
De leden 1 en 2 laten het recht van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst onverlet om op hun grondgebied gevestigde bijkantoren ter plaatse te controleren teneinde de verantwoordelijkheden uit te oefenen die uit hoofde van deze richtlijn op hen rusten.

▼M5



HOOFDSTUK 1 bis

Overgangsbepalingen inzake financiële holdings en gemengde financiële holdings

Artikel 159 bis

Overgangsbepalingen inzake goedkeuring van financiële holdings en gemengde financiële holdings

Financiële moederholdings en gemengde financiële moederholdings die reeds bestaan op 27 juni 2019, verzoeken uiterlijk op 28 juni 2021 om goedkeuring overeenkomstig artikel 21 bis. Indien een financiële holding of een gemengde financiële holding uiterlijk op 28 juni 2021 geen verzoek om goedkeuring indient, worden er passende maatregelen genomen op grond van artikel 21 bis, lid 6.

Tijdens de overgangsperiode als bedoeld in de eerste alinea van dit artikel beschikken de bevoegde autoriteiten over alle noodzakelijke toezichtsbevoegdheden die hun krachtens deze richtlijn worden verleend met betrekking tot financiële holdings of gemengde financiële holdings die onderworpen zijn aan de goedkeuring overeenkomstig artikel 21 bis met het oog op het toezicht op geconsolideerde basis.

▼B



HOOFDSTUK 2

Overgangsbepalingen voor kapitaalbuffers

Artikel 160

Overgangsbepalingen voor kapitaalbuffers

1.  
Dit artikel wijzigt de vereisten van de artikelen 129 en 130 gedurende een overgangsperiode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018.
2.  

Voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016:

a) 

is de kapitaalconserveringsbuffer samengesteld uit tier 1-kernkapitaal gelijk aan 0,625 % van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b) 

bedraagt de instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer niet meer dan 0,625 % van dat totaal, met als gevolg dat het gecombineerde buffervereiste ligt tussen 0,625 % en 1,25 % van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling.

3.  

Voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017:

a) 

is de kapitaalconserveringsbuffer samengesteld uit tier 1-kernkapitaal gelijk aan 1,25 % van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b) 

bedraagt de instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer niet meer dan 1,25 % van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

4.  

Voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018:

a) 

is de kapitaalconserveringsbuffer samengesteld uit tier 1-kernkapitaal gelijk aan 1,875 % van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling berekend overeenkomstig artikel 87, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b) 

bedraagt de instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer niet meer dan 1,875 % van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

5.  
Het vereiste dat een kapitaalconserveringsplan wordt opgesteld en de in artikelen 141 en 142 bedoelde beperkingen op uitkeringen zijn van toepassing tijdens de overgangsperiode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 ingeval instellingen niet voldoen aan het gecombineerde buffervereiste, met inachtneming van de in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel vastgestelde vereisten.
6.  
De lidstaten kunnen een kortere overgangsperiode opleggen dan die welke in de leden 1 tot en met 4 is gespecificeerd, en zodoende de kapitaalconserveringsbuffer en de contracyclische kapitaalbuffer toepassen vanaf 31 december 2013. Indien een lidstaat een kortere overgangsperiode oplegt, brengt hij dienovereenkomstig zijn besluit ter kennis van de relevante partijen, met inbegrip van de Commissie, het ESRB, de EBA en het relevante college van toezichthouders. Die kortere overgangsperiode kan door andere lidstaten worden erkend. Indien een andere lidstaat deze kortere overgangsperiode erkent, stelt hij de Commissie, het ESRB, de EBA en het relevante college van toezichthouders daarvan in kennis.
7.  
Indien een lidstaat een kortere overgangsperiode voor de contracyclische kapitaalbuffer oplegt, geldt de kortere periode alleen voor de berekening van de instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer door instellingen waaraan vergunning is verleend in de lidstaat waarvoor de aangewezen autoriteit verantwoordelijk is.



HOOFDSTUK 3

Slotbepalingen

Artikel 161

Evaluatie en verslag

1.  
De Commissie verricht periodiek evaluaties van de toepassing van deze richtlijn om te waarborgen dat de toepassing niet leidt tot kennelijke discriminatie tussen instellingen op grond van hun rechtsstructuur of eigendomsmodel.
2.  

Na een evaluatie, in nauwe samenwerking met de EBA, dient de Commissie uiterlijk op 30 juni 2016 een verslag in bij het Europees Parlement en bij de Raad, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel, inzake de in deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 vervatte bepalingen inzake beloningsbeleid, rekening houdend met internationale ontwikkelingen en met bijzondere aandacht voor:

a) 

de efficiëntie, de toepassing en de handhaving ervan, met inbegrip van het aanwijzen van alle leemten die voortvloeien uit de toepassing van het evenredigheidsbeginsel op deze bepalingen;

b) 

de gevolgen van de naleving van het in artikel 94, lid 1, onder g), neergelegde beginsel met betrekking tot:

i) 

de concurrentiepositie en de financiële stabiliteit; en

ii) 

de medewerkers die effectief en fysiek werkzaam zijn in buiten de EER gevestigde dochterondernemingen van binnen de EER gevestigde moederinstellingen.

Bij die evaluatie wordt in het bijzonder in aanmerking genomen of het in artikel 94, lid 1, punt g), neergelegde beginsel van toepassing dient te blijven op de in de eerste alinea, onder b), punt ii), vallende medewerkers.

3.  
Vanaf 2014 publiceert de EBA in samenwerking met de EIOPA en de ESMA halfjaarlijks een verslag met een analyse van de mate waarin in het recht van de lidstaten naar externe ratings voor regelgevingsdoeleinden wordt verwezen en over de stappen die de lidstaten hebben ondernomen om in mindere mate daarnaar te verwijzen. In deze verslagen wordt ook aangegeven hoe de bevoegde autoriteiten aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 77, leden 1 en 3, en artikel 79, onder b), voldoen. In deze verslagen wordt ook de mate van toezichtconvergentie in dat opzicht aangegeven.
4.  
Uiterlijk op 31 december 2014 evalueert de Commissie de toepassing van de artikelen 108 en 109 en dient zij daarover bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
5.  
Uiterlijk op 31 december 2016 evalueert de Commissie, met inachtneming van alle relevante ontwikkelingen in de Unie en internationale onwikkelingen, de resultaten van artikel 91, lid 11, met inbegrip van de gepastheid van het benchmarken van diversiteitspraktijken, en dient zij hierover een verslag in bij het Europees Parlement en bij de Raad, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
6.  
Uiterlijk op 31 december 2015 raadpleegt de Commissie, het ESRB, de EBA, de EIOPA, de ESMA en andere relevante partijen over de doeltreffendheid van de regelingen inzake informatie-uitwisseling uit hoofde van deze richtlijn zowel in gewone tijden als in stresssituaties.
7.  
Uiterlijk op 31 december 2015 evalueert de EBA de toepassing van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013 op de samenwerking van de Unie en de lidstaten met derde landen en brengt zij daarover verslag uit aan de Commissie. In dat verslag wordt nagegaan welke gebieden verder moeten worden ontwikkeld wat samenwerking en informatie-uitwisseling betreft. De EBA maakt het verslag bekend op zijn website.
8.  
Na een mandaat van de Commissie te hebben ontvangen, gaat de EBA na of entiteiten uit de financiële sector die verklaren dat zij hun werkzaamheden overeenkomstig de beginselen van islamitisch bankieren verrichten, afdoende onder de bepalingen van deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen. De Commissie bestudeert het door de EBA opgestelde verslag en dient zo nodig een wetgevingsvoorstel bij het Europees Parlement en de Raad in.
9.  
Uiterlijk op 1 juli 2014 brengt de EBA aan de Commissie verslag uit over het gebruik dat kredietinstellingen maken van en de voordelen die zij halen uit de langerlopende herfinancieringstransacties van centrale banken van het ESCB en gelijkaardige ondersteuningsmaatregelen in de vorm van centralebankfinanciering. Uiterlijk op 31 december 2014 dient de Commissie, op basis van dat verslag en na overleg met de Europese Centrale Bank, bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in over het feitelijke gebruik dat wordt gemaakt van en de voordelen die worden gehaald uit deze herfinancieringstransacties en financieringsondersteuningsmaatregelen voor kredietinstellingen waaraan in de Unie vergunning is verleend, in voorkomend geval vergezeld met een wetgevingsvoorstel betreffende het gebruik dat wordt gemaakt van deze herfinancieringstransacties en financieringsondersteuningsmaatregelen.

▼M5

10.  
Uiterlijk op 31 december 2023 evalueert de Commissie de tenuitvoerlegging en toepassing van de toezichtsbevoegdheden die zijn bedoeld in artikel 104, lid 1, punten j) en l), en brengt zij daarover verslag uit aan het Europees Parlement en aan de Raad.

▼B

Artikel 162

Omzetting

1.  
Uiterlijk 31 december 2013 stellen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om aan deze richtlijn te voldoen vast en maken deze bekend.

▼C1

De lidstaten passen die bepalingen toe met ingang van 1 januari 2014.

▼B

De lidstaten delen de Commissie en de EBA de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Indien de stukken die door de lidstaten worden overlegd als bijlage bij de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen, niet toereikend zijn om volledig inzicht te krijgen in de mate waarin de omzettingsbepalingen in overeenstemming zijn met bepaalde artikelen van deze richtlijn, kan de Commissie, op verzoek van de EBA met het oog op de uitvoering van haar taken uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1093/2010 of op eigen initiatief, verlangen dat de lidstaten meer gedetailleerde informatie met betrekking tot de omzetting en uitvoering van die bepalingen en deze richtlijn verstrekken.

2.  
In afwijking van lid 1 is titel VII, hoofdstuk 4, van toepassing vanaf 1 januari 2016.
3.  
De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 94, lid 1, onder g), leggen instellingen de verplichting op de daarin vervatte beginselen toe te passen op beloningen toegekend ►C1  voor diensten die zijn verleend of prestaties die zijn geleverd met ingang van het jaar 2014, ongeacht of die beloningen verschuldigd zijn uit hoofde van contracten die vóór dan wel na 1 januari 2014 zijn gesloten. ◄
4.  
Wanneer de lidstaten de in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar deze richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.
5.  

In afwijking van lid 1 van dit artikel is artikel 131 van toepassing vanaf 1 januari 2016. De lidstaten voeren artikel 131, lid 4, vanaf 1 januari 2016 uit op de volgende wijze:

a) 

25 % van de MSI-buffer, bepaald overeenkomstig artikel 131, lid 4, in 2016;

b) 

50 % van de MSI-buffer, bepaald overeenkomstig artikel 131, lid 4, in 2017;

c) 

75 % van de MSI-buffer, bepaald overeenkomstig artikel 131, lid 4, in 2018; en

d) 

100 % van de MSI-buffer, bepaald overeenkomstig artikel 131, lid 4, in 2019.

►C1

 

In afwijking van lid 2 van dit artikel is artikel 133 van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

 ◄

Artikel 163

Intrekking

Richtlijn 2006/48/EG en Richtlijn 2006/49/EG worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2014.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en naar Verordening (EU) nr. 575/2013 en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II bij deze richtlijn en in bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 164

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 165

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.




BIJLAGE I

LIJST VAN WERKZAAMHEDEN DIE ONDER DE WEDERZIJDSE ERKENNING VALLEN

1. 

Het aantrekken van deposito's en andere terugbetaalbare gelden.

2. 

Verstrekken van leningen, waaronder consumentenkrediet, kredietovereenkomsten met betrekking tot onroerend goed, factoring (met of zonder regres), financiering van commerciële transacties (met inbegrip van voorschotten).

3. 

Financiële leasing.

▼M3

4. 

Betalingsdiensten als gedefinieerd in artikel 4, punt 3, van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad ( 20 ).

▼B

5. 

Uitgifte en beheer van andere betaalmiddelen (bijvoorbeeld reischeques en kredietbrieven) voor zover dergelijke werkzaamheid niet wordt bestreken door punt 4.

6. 

Verlenen van garanties en stellen van borgtochten.

7. 

Handelen voor eigen rekening van de instelling of voor rekening van cliënten in:

a) 

geldmarktinstrumenten (cheques, wissels, depositocertificaten enz.);

b) 

deviezen;

c) 

financiële futures en opties;

d) 

swaps en soortgelijke financieringsinstrumenten;

e) 

effecten;

8. 

Deelneming aan effectenemissies en dienstverrichting in verband daarmee.

9. 

Advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichtingen op het gebied van fusie en overname van ondernemingen.

10. 

Bemiddeling op interbankenmarkten.

11. 

Vermogensbeheer en –advisering.

12. 

Bewaarneming en beheer van effecten.

13. 

Commerciële inlichtingen.

14. 

Verhuur van safes.

15. 

Uitgifte van elektronisch geld.

Wanneer wordt verwezen naar de financiële instrumenten genoemd in deel C van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG vallen de diensten en activiteiten genoemd in de delen A en B van bijlage I bij die richtlijn onder de wederzijdse erkenning overeenkomstig de onderhavige richtlijn.




BIJLAGE II



CONCORDANTIETABEL

Deze richtlijn

Richtlijn 2006/48/EG

Richtlijn 2006/49/EG

Artikel 1

Artikel 1, lid 1

 

Artikel 2, lid 1

 

 

Artikel 2, lid 2

 

 

Artikel 2, lid 3

 

 

Artikel 2, lid 4

Artikel 1, lid 2

 

Artikel 2, lid 5

Artikel 2

 

Artikel 2, lid 6

Artikel 1, lid 3

 

Artikel 3

Artikel 4

 

Artikel 3, lid 1, punt 53

Artikel 4, punt 49

 

Artikel 4, lid 1

 

 

Artikel 4, lid 2

 

 

Artikel 4, lid 3

 

 

Artikel 4, lid 4

 

 

Artikel 4, lid 5

 

Artikel 35, lid 1

Artikel 4, lid 6

 

 

Artikel 4, lid 7

 

 

Artikel 4, lid 8

 

 

Artikel 5