Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02012R1230-20191202

Consolidated text: Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie van 12 december 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de typegoedkeuringsvoorschriften voor massa’s en afmetingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan betreft en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/1230/2019-12-02

02012R1230 — NL — 02.12.2019 — 002.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) Nr. 1230/2012 VAN DE COMMISSIE

van 12 december 2012

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de typegoedkeuringsvoorschriften voor massa’s en afmetingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan betreft en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 353 van 21.12.2012, blz. 31)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) 2017/1151 VAN DE COMMISSIE van 1 juni 2017

  L 175

1

7.7.2017

►M2

VERORDENING (EU) 2019/1892 VAN DE COMMISSIe van 31 oktober 2019

  L 291

17

12.11.2019




▼B

VERORDENING (EU) Nr. 1230/2012 VAN DE COMMISSIE

van 12 december 2012

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de typegoedkeuringsvoorschriften voor massa’s en afmetingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan betreft en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)



Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

▼M2

1.  In deze verordening worden de voorschriften vastgesteld voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan wat de massa’s en afmetingen betreft, alsmede van bepaalde voor deze voertuigen bestemde technische eenheden.

▼B

2.  Deze verordening is van toepassing op incomplete, complete en voltooide voertuigen van de categorieën M, N en O.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden, naast de definities van Richtlijn 2007/46/EG en Verordening (EG) nr. 661/2009, de volgende definities:

1.

„voertuigtype” : een verzameling voertuigen zoals gedefinieerd in bijlage II, deel B, bij Richtlijn 2007/46/EG;

2.

„standaarduitrusting” : de basisconfiguratie van een voertuig dat is uitgerust met alle elementen die krachtens de in de bijlagen IV en XI bij Richtlijn 2007/46/EG genoemde regelgevingsteksten verplicht zijn, met alle gemonteerde elementen waarvoor geen verdere specificaties inzake de configuratie of het uitrustingsniveau nodig zijn;

3.

„optionele uitrusting” : alle elementen die niet tot de standaarduitrusting behoren en die onder de verantwoordelijkheid van de fabrikant op het voertuig worden aangebracht en door de klant kunnen worden besteld;

4.

„massa in rijklare toestand” :

a) 

in het geval van een motorvoertuig:

de massa van het voertuig met de brandstoftank(s) gevuld tot ten minste 90 % van zijn (hun) inhoud, met inbegrip van de massa van de bestuurder, brandstof en vloeistoffen, voorzien van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant en, als het voertuig daarmee is uitgerust, de massa van de carrosserie, de cabine, de koppeling en het (de) reservewiel(en) en het gereedschap;

b) 

in het geval van een aanhangwagen:

de massa van het voertuig, met inbegrip van de brandstof en vloeistoffen, voorzien van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant, en, als de aanhanger daarmee is uitgerust, de massa van de carrosserie, extra koppeling(en), het (de) reservewiel(en) en het gereedschap;

▼M1

5.

„massa van de optionele uitrusting” : de maximummassa van de combinaties van de optionele uitrusting die op het voertuig kan worden aangebracht in aanvulling op de standaarduitrusting, volgens de specificaties van de fabrikant;

▼B

6.

„feitelijke massa van het voertuig” : de massa in rijklare toestand plus de massa van de optionele uitrusting die op een individueel voertuig is aangebracht;

7.

„technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand” (M) : de voor een voertuig vastgestelde maximummassa op basis van de bouwkenmerken en de door het ontwerp bepaalde prestaties ervan; de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van een aanhangwagen of een oplegger omvat de statische massa die in aangekoppelde toestand op het trekkende voertuig wordt overgebracht;

8.

„technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie” (MC) : de voor de combinatie van een motorvoertuig en een of meer aanhangwagens op basis van de constructiekenmerken en de door het ontwerp bepaalde prestaties ervan vastgestelde maximummassa of de voor de combinatie van een trekker en een oplegger vastgestelde maximummassa;

9.

„technisch toelaatbare getrokken maximummassa” (TM) : de maximummassa van een of meer aanhangwagens die door een trekkend voertuig kunnen worden getrokken, overeenkomend met de totale belasting die door de wielen van een as of groep assen van een aan het trekkende voertuig gekoppelde aanhangwagen op de grond wordt overgebracht;

10.

„as” : de gemeenschappelijke draaiingsas van twee of meer wielen, die door een motor wordt aangedreven dan wel vrij draait en die uit een dan wel meer segmenten bestaat die in hetzelfde vlak loodrecht op de middellijn in lengterichting van het voertuig liggen;

11.

„groep assen” : een aantal assen, waarbij de afstand tussen de assen beperkt is tot een van de in bijlage I bij Richtlijn 96/53/EG als afstand „d” aangemerkte afstanden tussen de assen en die als gevolg van het specifieke ontwerp van de ophanging samenwerken;

12.

„enkelvoudige as” : een as die niet kan worden geacht deel uit te maken van een groep assen;

13.

„technisch toelaatbare maximummassa op de as” (m) : de massa die overeenkomt met de maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de wielen van de as op de grond wordt overgebracht, en die berust op de constructiekenmerken van de as en van het voertuig en op de door het ontwerp bepaalde prestaties daarvan;

14.

„technisch toelaatbare maximummassa op een groep assen” (μ) : de massa die overeenkomt met de maximaal toelaatbare verticale statische belasting die door de wielen van de groep assen op de grond wordt overgebracht, en die berust op de constructiekenmerken van de groep assen en van het voertuig en op de door het ontwerp bepaalde prestaties daarvan;

15.

„koppeling” : een mechanische voorziening, die onderdelen als gedefinieerd in de punten 2.1 tot en met 2.6 van Reglement nr. 55 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van mechanische koppelinrichtingen van voertuigcombinaties ( 1 ) alsmede een kortkoppelinrichting zoals gedefinieerd in punt 2.1.1 van VN/ECE-Reglement nr. 102 — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van: I. Een kortkoppelinrichting II. Voertuigen wat de montage van een goedgekeurd type kortkoppelinrichting betreft ( 2 ) bevat;

16.

„koppelpunt” : het aangrijpingspunt van de op een getrokken voertuig gemonteerde koppeling binnen de op een trekkend voertuig gemonteerde koppeling;

17.

„massa van de koppeling” : de massa van de koppeling zelf en van de onderdelen die nodig zijn voor de bevestiging van de koppeling aan het voertuig;

18.

„technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt” :

a) 

in het geval van een trekkend voertuig, de massa die overeenkomt met de maximaal toelaatbare verticale statische belasting op het koppelpunt (S- of U-waarde) van een trekkend voertuig, en die berust op de constructiekenmerken van de koppeling en van het trekkende voertuig;

b) 

in het geval van een oplegger, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel, de massa die overeenkomt met de maximaal toelaatbare verticale statische belasting (S- of U-waarde) die in het koppelpunt door de aanhangwagen op het trekkende voertuig moeten worden overgebracht, en die berust op de constructiekenmerken van de koppeling en van de aanhangwagen;

19.

„massa van de passagiers” : een van de voertuigcategorie afhankelijke nominale massa, vermenigvuldigd met het aantal zitplaatsen met inbegrip van, indien aanwezig, de zitplaatsen van bijrijders en het aantal staanplaatsen, maar zonder de zitplaats van de bestuurder mee te rekenen;

20.

„massa van de bestuurder” : een nominale massa van 75 kg die op het referentiepunt van de bestuurderszitplaats is aangebracht;

21.

„nuttige massa” : het verschil tussen de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand enerzijds en de massa in rijklare toestand plus de massa van de passagiers en de massa van de optionele uitrusting anderzijds;

22.

„lengte” : de dimensie zoals gedefinieerd in de punten 6.1.1, 6.1.2 en 6.1.3 van ISO-norm 612:1978; deze definitie geldt ook voor gelede voertuigen die uit twee of meer segmenten bestaan;

23.

„breedte” : de dimensie zoals gedefinieerd in punt 6.2 van ISO-norm 612:1978;

24.

„hoogte” : de dimensie zoals gedefinieerd in punt 6.3 van ISO-norm 612:1978;

▼M2

25.

„wielbasis” :

a) 

voor motorvoertuigen en autonome aanhangwagens, de horizontale afstand tussen het midden van de eerste as en het midden van de laatste as;

b) 

voor middenasaanhangwagens, opleggers en aanhangwagens met stijve dissel, de afstand tussen de verticale as van de koppeling en het midden van de laatste as;

26.

„afstand tussen de assen” : de afstand tussen twee opeenvolgende assen; voor middenasaanhangwagens, opleggers en aanhangwagens met stijve dissel is de eerste afstand tussen de assen de horizontale afstand tussen de verticale as van de voorste koppeling en het midden van de eerste as;

▼B

27.

„spoorwijdte” : de afstand zoals bedoeld in punt 6.5 van ISO-norm 612:1978;

28.

„afstand hart koppelschotel/hart achteras” : de afstand zoals bedoeld in punt 6.19.2 van ISO-norm 612:1978, rekening houdend met de noot waarnaar in punt 6.19 van die norm wordt verwezen;

29.

„straal koppelingspen/voorzijde oplegger” : de horizontale afstand tussen de as van de koppelingspen en een willekeurig punt aan de voorzijde van de oplegger;

30.

„vooroverbouw” : de horizontale afstand tussen het verticale vlak door de eerste as of, in het geval van een oplegger, door de as van de koppelingspen enerzijds en het voorste punt van het voertuig anderzijds;

31.

„achteroverbouw” : de horizontale afstand tussen het verticale vlak door de achterste as enerzijds en het achterste punt van het voertuig anderzijds; wanneer het voertuig met een niet-verwijderbare koppeling is uitgerust, is het koppelpunt het achterste punt van het voertuig;

32.

„lengte van de laadruimte” : de afstand van het voorste punt aan de binnenkant tot het achterste punt aan de binnenkant van de laadruimte, horizontaal in het langsvlak van het voertuig gemeten;

▼M2

33.

„uitzwaai van de achterkant” : de afstand tussen het beginpunt en het feitelijke uiterste punt dat door de achterkant van een voertuig wordt bereikt bij manoeuvreren onder de in deel B, punt 8, of deel C, punt 7, van bijlage I bij deze verordening gespecificeerde voorwaarden;

▼B

34.

„ashefvoorziening” : een op een voertuig gemonteerd mechanisme om de as van de grond op te trekken en op de grond te laten zakken;

35.

„liftas of hefbare as” : een as die door een ashefvoorziening vanuit zijn normale positie kan worden opgetrokken en opnieuw kan worden neergelaten;

36.

„belastbare as” : een as waarvan de belasting kan worden gevarieerd zonder dat de as met behulp van een ashefvoorziening wordt opgetrokken;

37.

„luchtvering” : een veringsysteem waarbij ten minste 75 % van het veringeffect door de luchtveer wordt veroorzaakt;

38.

„klasse van een bus of toerbus” : een verzameling voertuigen zoals gedefinieerd in de punten 2.1.1 en 2.1.2 van VN/ECE-Reglement nr. 107 — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van voertuigen van categorie M2 of M3 wat hun algemene constructie betreft ( 3 );

39.

„geleed voertuig” : een voertuig van categorie M2 of M3 als omschreven in punt 2.1.3 van VN/ECE-Reglement nr. 107;

40.

„ondeelbare lading” : een lading die voor het vervoer over de weg niet zonder onevenredige kosten of gevaar van schade kan worden verdeeld in twee of meer ladingen en die als gevolg van haar massa of afmetingen niet kan worden vervoerd door een voertuig waarvan de massa’s en afmetingen voldoen aan de in een lidstaat maximaal toegestane massa’s en afmetingen;

▼M2

41.

„aerodynamische voorzieningen en uitrusting” : voorzieningen of uitrusting die zijn of is ontworpen om de luchtweerstand van wegvoertuigen te verminderen, met uitzondering van verlengde cabines.

▼B

Artikel 3

Verplichtingen van fabrikanten

1.  De fabrikant bepaalt voor elke uitvoering van een voertuigtype en ongeacht de staat van voltooiing van het voertuig de volgende massa’s:

a) 

de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

b) 

de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie;

c) 

de technisch toelaatbare getrokken maximummassa;

d) 

de technisch toelaatbare maximummassa op de assen of de technisch toelaatbare maximummassa op een groep assen;

e) 

de technisch toelaatbare maximummassa’s op het (de) koppelpunt(en), waarbij rekening wordt gehouden met de technische kenmerken van de koppelingen die op het voertuig zijn of kunnen worden gemonteerd, naargelang het geval.

2.  Bij het bepalen van de in lid 1 bedoelde massa’s houdt de fabrikant rekening met de beste praktijken van goed ingenieurschap en de beste beschikbare technische kennis om de risico’s van mechanische defecten, met name als gevolg van materiaalmoeheid, zo veel mogelijk te beperken en beschadiging van de weginfrastructuur te voorkomen.

3.  Bij het bepalen van de in lid 1 bedoelde massa’s houdt de fabrikant rekening met de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig.

Wanneer het voertuig door de fabrikant met een snelheidsbegrenzer is uitgerust, is de door de constructie bepaalde maximumsnelheid gelijk aan de door de snelheidsbegrenzer daadwerkelijk mogelijk gemaakte snelheid.

4.  Bij het bepalen van de in lid 1 bedoelde massa’s stelt de fabrikant geen beperkingen aan het gebruik van het voertuig, behalve waar het de capaciteiten van de band betreft, die aan de door de constructie bepaalde snelheid kunnen worden aangepast op grond van VN/ECE-Reglement nr. 54 — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van luchtbanden voor bedrijfsvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 4 ) en punt 5 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 458/2011 van de Commissie ( 5 ).

5.  Voor incomplete voertuigen, met inbegrip van chassis-cabine-voertuigen, die nog een verdere voltooiingsfase moeten ondergaan, verstrekt de fabrikant alle relevante informatie aan de fabrikanten van de volgende fase om ervoor te zorgen dat voortdurend aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan.

Voor de toepassing van de eerste alinea specificeert de fabrikant de positie van het zwaartepunt van de massa die overeenkomt met de som van de belasting.

6.  Incomplete voertuigen van de categorieën M2, M3, N2 en N3 die niet met een carrosserie zijn uitgerust, worden zo ontworpen dat de fabrikanten van de volgende fase in staat worden gesteld aan de voorschriften van deel B, punten 7 en 8, en deel C, punten 6 en 7, van bijlage I te voldoen.

Artikel 4

Bepalingen voor de EG-typegoedkeuring van een voertuigtype wat de massa’s en afmetingen betreft

1.  De fabrikant of zijn vertegenwoordiger dient de aanvraag voor EG-typegoedkeuring van een voertuig wat de massa’s en afmetingen betreft, in bij de typegoedkeuringsinstantie.

2.  De aanvraag wordt opgesteld volgens het model van het inlichtingenformulier in deel A van bijlage V.

3.  Met het oog op de uitvoering van massaverdelingsberekeningen verstrekt de fabrikant aan de typegoedkeuringsinstantie voor elke technische configuratie binnen het voertuigtype, zoals bepaald door de verzameling waarden van de relevante punten van bijlage V, de gegevens die nodig zijn om de volgende massa’s te bepalen:

a) 

de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

b) 

de technisch toelaatbare maximummassa op de as of de groep assen;

c) 

de technisch toelaatbare getrokken maximummassa;

d) 

de technisch toelaatbare maximummassa op het (de) koppelpunt(en);

e) 

de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie.

De informatie wordt in overleg met de typegoedkeuringsinstantie verstrekt in de vorm van een tabel of een andere geschikte vorm.

4.  Wanneer de optionele uitrusting van aanzienlijke invloed is op de massa’s en afmetingen van het voertuig, moet de fabrikant de plaats, massa en geometrische positie van het zwaartepunt ten opzichte van de assen van de optionele uitrusting die op het voertuig kan worden gemonteerd, aan de technische dienst opgeven.

5.  In afwijking van lid 4 hoeft de fabrikant, wanneer de optionele uitrusting uit meerdere delen bestaat die zich in verschillende ruimten binnen het voertuig bevinden, slechts de verdeling van de massa van de optionele uitrusting op de assen aan de technische dienst op te geven.

6.  Bij groepen assen moet de fabrikant de verdeling over de assen van de totale op de groep overgebrachte massa aangeven.

Indien nodig moet de fabrikant de verdelingsformules vermelden of de desbetreffende verdelingsgrafieken verstrekken.

7.  Wanneer de goedkeuringsinstantie of de technische dienst dit nodig acht, mag zij de fabrikant verzoeken een voertuig dat representatief is voor het goed te keuren type voor inspectie beschikbaar te stellen.

8.  De voertuigfabrikant kan bij de typegoedkeuringsinstantie een aanvraag indienen voor erkenning van de gelijkwaardigheid van een vering met luchtvering.

De typegoedkeuringsinstantie erkent de gelijkwaardigheid van een vering aan luchtvering wanneer aan de voorschriften in bijlage III is voldaan.

Wanneer de technische dienst de gelijkwaardigheid heeft erkend, verstrekt hij een testrapport. De typegoedkeuringsinstantie voegt het testverslag en een technische beschrijving van de vering bij het EG-typegoedkeuringscertificaat.

9.  Wanneer aan de voorschriften in de bijlagen I tot en met IV bij deze verordening is voldaan, verleent de goedkeuringsinstantie typegoedkeuring volgens het in bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG beschreven nummeringsysteem.

Een lidstaat kent hetzelfde nummer niet aan een ander voertuigtype toe.

10.  Voor de toepassing van lid 9 verleent de typegoedkeuringsinstantie een EG-typegoedkeuringscertificaat, opgesteld volgens het model in deel B van bijlage V.

11.  De in aanhangsel 2 van bijlage I bedoelde toelaatbare afwijkingen gelden voor de toepassing van artikel 12, lid 2, van Richtlijn 2007/46/EG.

▼M2

Artikel 4 bis

EG-typegoedkeuring van aerodynamische voorzieningen en uitrusting als technische eenheid

1.  De fabrikant of zijn vertegenwoordiger dient de aanvraag voor EG-typegoedkeuring van een aerodynamische voorziening of uitrusting als technische eenheid in bij de typegoedkeuringsinstantie.

De aanvraag wordt opgesteld volgens het model van het inlichtingenformulier in deel C van bijlage V.

2.  Als aan de desbetreffende voorschriften in deze verordening is voldaan, verleent de goedkeuringsinstantie EG-typegoedkeuring voor de technische eenheid en kent zij een typegoedkeuringsnummer toe volgens het in bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG beschreven nummeringssysteem.

Een lidstaat kent hetzelfde nummer niet aan een ander type technische eenheid toe.

3.  Voor de toepassing van lid 2 verleent de typegoedkeuringsinstantie een EG-typegoedkeuringscertificaat, opgesteld volgens het model in deel D van bijlage V.

Artikel 4 ter

EG-typegoedkeuringsmerk voor een technische eenheid

Op elke technische eenheid die conform is met een type waarvoor overeenkomstig deze verordening EG-typegoedkeuring als technische eenheid is verleend, wordt het in deel E van bijlage V beschreven EG-typegoedkeuringsmerk voor een technische eenheid aangebracht.

▼B

Artikel 5

Maximaal toelaatbare massa’s bij registratie/in het verkeer brengen

1.  Voor de registratie en het in het verkeer brengen van voertuigen waarvoor krachtens deze verordening typegoedkeuring is verleend, bepalen de nationale autoriteiten voor elke variant en uitvoering van het voertuigtype alle hierna genoemde massa’s die krachtens Richtlijn 96/53/EG zijn toegestaan voor nationaal of internationaal verkeer:

a) 

de maximaal toelaatbare massa in beladen toestand bij registratie/in het verkeer brengen;

b) 

de maximaal toelaatbare massa op de as(sen) bij registratie/in het verkeer brengen;

c) 

de maximaal toelaatbare massa op de groep assen bij registratie/in het verkeer brengen;

d) 

de maximaal toelaatbare getrokken massa bij registratie/in het verkeer brengen;

e) 

de maximaal toelaatbare massa in beladen toestand van de combinatie bij registratie/in het verkeer brengen.

De nationale autoriteiten stellen de procedure vast voor de bepaling van de in de eerste alinea bedoelde maximaal toelaatbare massa’s bij registratie/in het verkeer brengen. Zij wijzen de bevoegde autoriteit aan die belast is met de bepaling van deze massa’s en specificeren welke gegevens aan die bevoegde autoriteit moeten worden verstrekt.

2.  De overeenkomstig de in lid 1 bedoelde procedure bepaalde maximaal toelaatbare massa’s bij registratie/in het verkeer brengen mogen niet groter zijn dan de in artikel 3, lid 1, bedoelde maximummassa’s.

3.  De fabrikant wordt door de bevoegde autoriteit geraadpleegd met betrekking tot de verdeling van de massa over de assen of groep assen met het oog op de goede werking van de voertuigsystemen, met name het rem- en stuursysteem.

4.  Bij de bepaling van de maximaal toelaatbare massa’s bij registratie/in het verkeer brengen zorgen de nationale autoriteiten ervoor dat voortdurend aan de voorschriften in de in de bijlagen IV en XI bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde regelgevingsteksten wordt voldaan.

5.  Wanneer de nationale autoriteiten van oordeel zijn dat niet langer wordt voldaan aan een van de in de bijlagen IV en XI bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde regelgevingsteksten, met uitzondering van deze verordening, verlangen zij de uitvoering van nieuwe tests en de verlening van een nieuwe typegoedkeuring of een verlenging, naargelang het geval, door de typegoedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend op grond van de desbetreffende regelgevingstekst.

Artikel 6

Afwijkingen

1.  Onverminderd artikel 4, lid 3, van Richtlijn 96/53/EG kan EG-typegoedkeuring worden verleend voor voertuigen waarvan de afmetingen de in deze verordening voorgeschreven maximumafmetingen overschrijden, indien deze bestemd zijn voor het vervoer van ondeelbare ladingen. In dat geval wordt op het typegoedkeuringscertificaat en het conformiteitscertificaat duidelijk aangegeven dat het voertuig alleen is bestemd voor het vervoer van ondeelbare ladingen.

2.  De lidstaten kunnen krachtens de artikelen 23 en 24 van Richtlijn 2007/46/EG goedkeuringen verlenen voor voertuigen waarvan de afmetingen de in punt 1.1 van de delen B, C en D van bijlage I bij deze verordening maximaal toegestane afmetingen overschrijden.

Op typegoedkeuringen krachtens artikel 23 van Richtlijn 2007/46/EG zijn de in deel A, punt 3, van bijlage XII vastgestelde kwantitatieve beperkingen van toepassing.

Artikel 7

Overgangsbepalingen

1.  De nationale autoriteiten staan de verkoop en het in het verkeer brengen toe van voertuigen waarvoor vóór de in artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 661/2009 bedoelde datum typegoedkeuring is verleend en blijven uitbreiding van krachtens de Richtlijnen 92/21/EEG en 97/27/EG verleende goedkeuringen toestaan.

2.  In afwijking van lid 1 verliezen krachtens artikel 7 van Richtlijn 97/27/EG verleende EG-typegoedkeuringen hun geldigheid op de in artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 661/2009 bedoelde datum.

De lidstaten mogen voertuigen uit restantvoorraden waarvan de EG-typegoedkeuring niet meer geldig is echter registreren en de verkoop of het in het verkeer brengen ervan toestaan wanneer de fabrikant daarom verzoekt, overeenkomstig artikel 27 van Richtlijn 2007/46/EG.

3.  Met ingang van 10 januari 2014 geven de fabrikanten conformiteitscertificaten af die in overeenstemming zijn met deze verordening.

Tot 9 januari 2014 geven zij de feitelijke massa van het voertuig aan bij punt 52 van het conformiteitscertificaat, tenzij deze in een van de andere punten van het conformiteitscertificaat wordt vermeld.

Artikel 8

Wijzigingen van Richtlijn 2007/46/EG

De bijlagen I, III, IX en XVI bij Richtlijn 2007/46/EG worden gewijzigd overeenkomstig bijlage VI bij deze verordening.

Bijlage XII bij Richtlijn 2007/46/EG wordt vervangen door bijlage VII bij deze verordening.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing op nieuwe voertuigtypen waarvoor vanaf 1 november 2012 typegoedkeuring wordt verleend.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




LIJST VAN BIJLAGEN

Bijlage I

Technische voorschriften

DEEL A

Technische voorschriften voor voertuigen van de categorieën M1 en N1

DEEL B

Technische voorschriften voor voertuigen van de categorieën M2 en M3

DEEL C

Technische voorschriften voor voertuigen van de categorieën N2 en N3

DEEL D

Technische voorschriften voor voertuigen van categorie O

Aanhangsel 1

Lijst van voorzieningen en uitrusting die niet voor de bepaling van de buitenste afmetingen in aanmerking hoeven te worden genomen

Aanhangsel 2

Toelaatbare afwijkingen voor typegoedkeuring en conformiteit van de productie

Aanhangsel 3

Figuren met betrekking tot de manoeuvreerbaarheidsvoorschriften

Aanhangsel 4

Crashtest voor aerodynamische voorzieningen en uitrusting

Aanhangsel 5

Driedimensionale omhulling van cabine

Bijlage II

Hellingvermogen van terreinvoertuigen

Bijlage III

Voorwaarden voor gelijkstelling van een vering met luchtvering

Bijlage IV

Technische voorschriften voor de installatie op voertuigen van belastbare of liftassen

Bijlage V

DEEL A

EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan wat de massa’s en afmetingen van een voertuig betreft

DEEL B

EG-typegoedkeuringscertificaat van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan wat de massa’s en afmetingen van voertuigen betreft

DEEL C

EG-typegoedkeuring van een aerodynamische voorziening of uitrusting als technische eenheid

DEEL D

EG-typegoedkeuringscertificaat voor een aerodynamische voorziening of uitrusting als technische eenheid

DEEL E

EG-typegoedkeuringsmerk voor een technische eenheid

Bijlage VI

Wijzigingen van de bijlagen I, III, IX en XVI bij Richtlijn 2007/46/EG

Bijlage VII

Bijlage XII bij Richtlijn 2007/46/EG




BIJLAGE I

TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN

DEEL A

Voertuigen van de categorieën M1 en N1

1.    Maximaal toegestane afmetingen

1.1. De afmetingen mogen de volgende waarden niet overschrijden:

1.1.1. 

Lengte: 12,00 m.

1.1.2. 

Breedte:

M1

:

2,55 m,

N1

:

2,55 m,

N1

:

2,60 m voor voertuigen met een carrosserie met geïsoleerde wanden met een dikte van ten minste 45 mm, zoals bedoeld in aanhangsel 2 van deel C van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG.

1.1.3. 

Hoogte: 4,00 m.

1.2. Om de lengte, breedte en hoogte te meten, wordt het voertuig, met de massa in rijklare toestand en de banden opgepompt tot de door de fabrikant aanbevolen spanning, op een horizontaal en vlak oppervlak geplaatst.

▼M2

1.3. De in aanhangsel 1 genoemde voorzieningen en uitrusting worden niet voor de bepaling van de lengte, breedte en hoogte in aanmerking genomen.

▼B

2.    Massaverdeling

2.1.

De som van de technisch toelaatbare maximummassa's op de assen mag niet minder bedragen dan de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig.

2.2.

De technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig mag niet minder bedragen dan de massa van het voertuig in rijklare toestand plus de massa van de passagiers plus de massa van de optionele uitrusting plus de massa van de koppeling indien die niet in de massa in rijklare toestand is opgenomen.

2.3.

Wanneer het voertuig wordt beladen tot de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand, mag de massa op elke as niet meer bedragen dan de technisch toelaatbare maximummassa op die as.

2.4.

Wanneer het voertuig wordt beladen tot de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand, mag de massa op de vooras in geen geval minder bedragen dan 30 % van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig.

2.4.1.

Wanneer het voertuig wordt beladen tot de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand plus de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt, mag de massa op de vooras in geen geval minder dan 20 % van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig bedragen.

2.5.

Wanneer een voertuig met verwijderbare stoelen is uitgerust, hoeft de verificatieprocedure alleen te worden uitgevoerd in de toestand waarbij het maximale aantal zitplaatsen is geïnstalleerd.

2.6.

Voor de verificatie van de voorschriften van de punten 2.2, 2.3 en 2.4:

a) 

worden de stoelen ingesteld als voorgeschreven in punt 2.6.1,

b) 

worden de massa's van de passagiers, de nuttige massa en de massa van de optionele uitrusting verdeeld zoals voorgeschreven in de punten 2.6.2 tot en met 2.6.4.2.3.

2.6.1.   Instelling van stoelen

2.6.1.1.

Verstelbare stoelen worden in de achterste stand geplaatst.

2.6.1.2.

Wanneer er andere mogelijkheden voor het instellen van de stoel (verticaal, onder een hoek, rugleuning enz.) zijn, moeten daarvoor de door de voertuigfabrikant gespecificeerde instellingen worden gebruikt.

2.6.1.3.

In het geval van verende stoelen moet de stoel in de door de fabrikant gespecificeerde stand worden vergrendeld.

2.6.2.   Verdeling van de massa van de passagiers

2.6.2.1.

De massa van elke passagier wordt op 75 kg gesteld.

2.6.2.2.

De massa van elke passagier bevindt zich op het referentiepunt van de zitplaats (d.w.z. het R-punt van de stoel).

2.6.2.3.

In het geval van een voertuig voor speciale doeleinden is het voorschrift in punt 2.6.2.2 van overeenkomstige toepassing (bv. de massa van een gewonde op een brancard in het geval van een ambulance).

2.6.3.   Verdeling van de massa van de optionele uitrusting

2.6.3.1.

De massa van de optionele uitrusting wordt verdeeld overeenkomstig de specificaties van de fabrikant.

2.6.4   Verdeling van de nuttige massa

2.6.4.1.   M1-voertuigen

2.6.4.1.1. Voor M1-voertuigen wordt de nuttige massa in overleg met de technische dienst verdeeld overeenkomstig de specificaties van de fabrikant.

2.6.4.1.2. Voor kampeerwagens moet de minimale nuttige massa (PM) aan het volgende voorschrift voldoen:

image

waarbij:

n

het maximale aantal passagiers plus de bestuurder is en

L

de totale lengte in meters van het voertuig is

2.6.4.2.   N1-voertuigen

2.6.4.2.1. Voor voertuigen met carrosserie wordt de nuttige massa gelijkmatig over het laadoppervlak verdeeld;

2.6.4.2.2. Voor voertuigen zonder carrosserie (bv. chassis-cabine) vermeldt de fabrikant de uiterste toelaatbare posities van het zwaartepunt van de nuttige massa plus de massa van de uitrusting bestemd voor het onderbrengen van goederen (bv. carrosserie, tank enz.) (bijvoorbeeld: 0,50 m tot 1,30 m vóór de eerste achteras);

2.6.4.2.3. Voor voertuigen die zijn bestemd om te worden uitgerust met een koppelschotel vermeldt de fabrikant de minimale en maximale afstand hart koppelschotel/hart achteras.

2.7.

Aanvullende voorschriften in het geval dat het voertuig geschikt is voor het trekken van een aanhangwagen

2.7.1.

De voorschriften van de punten 2.2, 2.3 en 2.4 zijn van toepassing, rekening houdend met de massa van de koppeling en de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt.

2.7.2.

Onverminderd de voorschriften van punt 2.4 mag de technisch toelaatbare maximummassa op de achteras(sen) met ten hoogste 15 % worden overschreden.

2.7.2.1.

Wanneer de technisch toelaatbare maximummassa op de achteras(sen) wordt overschreden met ten hoogste 15 % zijn de voorschriften van punt 5.2 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 458/2011 van de Commissie ( 6 ) van toepassing.

2.7.2.2.

In lidstaten waar de wegenverkeerswetgeving het toelaat, kan de fabrikant in een geschikt begeleidend document, zoals de gebruikershandleiding of het onderhoudsboekje, aangeven dat de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig mag worden overschreden met ten hoogste 10 % of 100 kg (de laagste waarde is van toepassing).

Deze tolerantie is alleen van toepassing wanneer een aanhangwagen wordt getrokken onder de in punt 2.7.2.1 gespecificeerde voorwaarden, mits de bedrijfssnelheid tot 100 km/h of minder beperkt is.

3.    Getrokken massa en massa op het koppelpunt

3.1.

Ten aanzien van de technisch toelaatbare getrokken maximummassa gelden de volgende voorschriften:

3.1.1.   Aanhangwagen met bedrijfsremsysteem

3.1.1.1. De technisch toelaatbare getrokken maximummassa van het voertuig is gelijk aan de laagste van de volgende waarden:

a) 

de technisch toelaatbare getrokken maximummassa op basis van de constructiekenmerken van het voertuig en de sterkte van de koppeling;

b) 

de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het trekkende voertuig;

c) 

1,5 maal de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het trekkende voertuig in het geval van een terreinvoertuig zoals gedefinieerd in bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG.

3.1.1.2. De technisch toelaatbare getrokken maximummassa mag echter in geen geval meer bedragen dan 3 500 kg.

3.1.2.   Aanhangwagen zonder bedrijfsremsysteem

3.1.2.1. De toelaatbare getrokken massa is gelijk aan de laagste van de volgende waarden:

a) 

de technisch toelaatbare getrokken maximummassa op basis van de constructiekenmerken van het voertuig en de sterkte van de koppeling;

b) 

de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkende voertuig.

3.1.2.2. De technisch toelaatbare getrokken maximummassa mag in geen geval meer bedragen dan 750 kg.

3.2.

De technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt mag niet minder bedragen dan 4 % van de maximaal toelaatbare getrokken massa en niet minder dan 25 kg.

3.3.

De fabrikant vermeldt in de gebruikershandleiding de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt, de bevestigingspunten van de koppeling op het trekkende voertuig en de maximaal toelaatbare achteroverhang voor het koppelpunt.

3.4.

De technisch toelaatbare getrokken maximummassa wordt niet vastgesteld aan de hand van het aantal passagiers.

4.    Massa van de combinatie

De technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie mag niet meer bedragen dan de som van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand en de technisch toelaatbare getrokken maximummassa.

image

5.    Hellingtest

5.1. Het trekkende voertuig moet de voertuigcombinatie binnen vijf minuten vijfmaal op een stijgende helling van ten minste 12 % in beweging kunnen zetten.

5.2. Voor de uitvoering van de in punt 5.1 beschreven test worden het trekkende voertuig en de aanhangwagen beladen tot de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie.

DEEL B

Voertuigen van de categorieën M2 en M3

1.    Maximaal toegestane afmetingen

1.1. De afmetingen mogen de volgende waarden niet overschrijden:

1.1.1. 

Lengte:

a) 

voertuig met twee assen en één segment: 13,50 m,

b) 

voertuig met drie of meer assen en één segment: 15,00 m,

c) 

geleed voertuig: 18,75 m.

1.1.2. 

Breedte: 2,55 m.

1.1.3. 

Hoogte: 4,00 m.

1.2. Om de lengte, breedte en hoogte te meten, wordt het voertuig, met de massa in rijklare toestand en de banden opgepompt tot de door de fabrikant aanbevolen spanning, op een horizontaal en vlak oppervlak geplaatst.

▼M2

1.3. De in aanhangsel 1 genoemde voorzieningen en uitrusting worden niet voor de bepaling van de lengte, breedte en hoogte in aanmerking genomen.

▼M2

1.3.1. Aanvullende voorschriften voor de in aanhangsel 1 genoemde aerodynamische voorzieningen

1.3.1.1. Aerodynamische voorzieningen en uitrusting met een lengte van niet meer dan 500 mm in de gebruiksstand mogen de totale bruikbare laadruimte niet vergroten. Ze moeten zo zijn gebouwd dat ze zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand kunnen worden vergrendeld. Dergelijke voorzieningen en uitrusting moeten bovendien zo zijn gebouwd dat ze kunnen worden ingetrokken of ingeklapt wanneer het voertuig stilstaat, zodat de maximaal toegestane breedte van het voertuig als bedoeld in punt 1.1.2 niet met meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden en de maximaal toegestane lengte van het voertuig als bedoeld in punt 1.1.1 niet met meer dan 200 mm wordt overschreden, waarbij ten minste een afstand van 1 050 mm hoogte boven de grond moet worden gehandhaafd, zodat zij geen nadelige invloed hebben op de bruikbaarheid van het voertuig voor intermodaal vervoer. Bovendien moet worden voldaan aan de voorschriften in de punten 1.3.1.1.1 en 1.3.1.1.3.

1.3.1.1.1. De voorzieningen en uitrusting moeten worden onderworpen aan typegoedkeuring in overeenstemming met deze verordening.

1.3.1.1.2. Het moet voor de vervoerder mogelijk zijn om de stand van de aerodynamische voorziening en uitrusting te variëren, en om deze in te trekken of te klappen, door een handkracht uit te oefenen van niet meer dan 40 daN. Dit mag ook automatisch worden gedaan.

1.3.1.1.3. Aerodynamische voorzieningen en uitrusting die onder alle omstandigheden volledig voldoen aan de voorschriften inzake de afmetingen, hoeven niet intrekbaar of inklapbaar te zijn.

1.3.1.2. Aerodynamische voorzieningen en uitrusting met een lengte van meer dan 500 mm in de gebruiksstand mogen de totale bruikbare laadruimte niet vergroten. Ze moeten zo zijn gebouwd dat ze zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand kunnen worden vergrendeld. Dergelijke voorzieningen moeten bovendien zo zijn gebouwd dat ze kunnen worden ingetrokken of ingeklapt wanneer het voertuig stilstaat, zodat de maximaal toegestane breedte van het voertuig als bedoeld in punt 1.1.2 niet met meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden en de maximaal toegestane lengte van het voertuig als bedoeld in punt 1.1.1 niet met meer dan 200 mm wordt overschreden, waarbij ten minste een afstand van 1 050 mm hoogte boven de grond moet worden gehandhaafd, zodat zij geen nadelige invloed hebben op de bruikbaarheid van het voertuig voor intermodaal vervoer. Bovendien moet worden voldaan aan de voorschriften in de punten 1.3.1.2.1 tot en met 1.3.1.2.4.

1.3.1.2.1. De voorzieningen en uitrusting moeten worden onderworpen aan typegoedkeuring in overeenstemming met deze verordening.

1.3.1.2.2. Het moet voor de vervoerder mogelijk zijn om de stand van de aerodynamische voorziening en uitrusting te variëren, en om deze in te trekken of te klappen, door een handkracht uit te oefenen van niet meer dan 40 daN. Dit mag ook automatisch worden gedaan.

1.3.1.2.3. Elk verticaal hoofdelement of samenstel van elementen en elk horizontaal hoofdelement of samenstel van elementen dat deel uitmaakt van de voorzieningen en uitrusting, weerstaat, indien op het voertuig gemonteerd en in de gebruiksstand, achtereenvolgens opwaarts, neerwaarts, naar links en naar rechts uitgeoefende verticale en horizontale trek- en duwkrachten van 200 daN ± 10 % die statisch worden uitgeoefend op het geometrische centrum van het relevante loodrecht geprojecteerde oppervlak, bij een maximale druk van 2,0 MPa. De voorzieningen en uitrusting mogen vervormen, maar het verstel- en vergrendelsysteem mag als gevolg van de uitgeoefende krachten niet loslaten. De vervorming moet beperkt blijven zodat gewaarborgd wordt dat de maximaal toegestane breedte van het voertuig tijdens en na de test niet met meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden.

1.3.1.2.4. Elk verticaal hoofdelement of samenstel van elementen en elk horizontaal hoofdelement of samenstel van elementen dat deel uitmaakt van de voorzieningen en uitrusting, weerstaat in de ingetrokken of ingeklapte stand ook een in longitudinale achterwaartse richting uitgeoefende horizontale trekkracht van 200 daN ± 10 % die statisch wordt uitgeoefend op het geometrische centrum van het relevante loodrecht geprojecteerde oppervlak, bij een maximale druk van 2,0 MPa. De voorzieningen en uitrusting mogen vervormen, maar het verstel- en vergrendelsysteem mag als gevolg van de uitgeoefende krachten niet loslaten. De vervorming moet beperkt blijven zodat gewaarborgd wordt dat de maximaal toegestane breedte van het voertuig niet met meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden en de maximaal toegestane lengte van het voertuig niet met meer dan 200 mm wordt overschreden.

1.3.1.3. De technische dienst verifieert ten genoegen van de typegoedkeuringsinstantie dat aerodynamische voorzieningen en uitrusting, zowel in de gebruiksstand als in de ingetrokken of ingeklapte stand, de koeling en ventilatie van de aandrijflijn, het uitlaatsysteem en de passagierscabine niet aanzienlijk beperken. Er moet volledig worden voldaan aan alle overige van toepassing zijnde voorschriften voor de voertuigsystemen, zowel wanneer de voorzieningen en uitrusting in de gebruiksstand staan als wanneer zij ingetrokken of ingeklapt zijn.

In afwijking van de toepasselijke voorschriften met betrekking tot bescherming aan de achterzijde tegen klemrijden, mogen de horizontale afstanden tussen de achterkant van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden en het achteruiteinde van het voertuig als voorzien van aerodynamische voorzieningen en uitrusting, worden gemeten zonder de voorzieningen en uitrusting in aanmerking te nemen, mits de lengte ervan meer dan 200 mm bedraagt, zij in de gebruiksstand staan, en de fundamentele delen van de elementen die zich, gemeten in de onbeladen toestand, op een hoogte van ≤ 2,0 m boven de grond bevinden, zijn gemaakt van materiaal met een hardheid van < 60 Shore (A). Smalle ribben, buizen en metaaldraden die een frame of substraat vormen om de fundamentele delen van de elementen te ondersteunen, worden niet voor de bepaling van de hardheid in aanmerking genomen. Om het risico van verwondingen en van penetratie van andere voertuigen in geval van een botsing te voorkomen, mogen de uiteinden van de ribben, buizen en metaaldraden, zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand van de voorziening en uitrusting, echter niet achterwaarts gericht zijn.

Als alternatief voor de in de vorige alinea genoemde afwijking, mogen de horizontale afstanden tussen de achterkant van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden en het achteruiteinde van het voertuig als voorzien van aerodynamische voorzieningen en uitrusting, worden gemeten zonder de aerodynamische voorzieningen en uitrusting in aanmerking te nemen, mits de lengte ervan meer dan 200 mm bedraagt, zij in de gebruiksstand staan, en deze voorzieningen en uitrusting voldoen aan de testbepalingen in aanhangsel 4.

Bij het meten van de horizontale afstanden tussen de achterkant van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden en het achteruiteinde van het voertuig moeten de aerodynamische voorzieningen en uitrusting evenwel in de ingetrokken of ingeklapte stand staan, of moet de resulterende uitstekende lengte overeenkomstig punt 1.6.1 van aanhangsel 4 in aanmerking worden genomen indien die lengte groter is dan de lengte in de ingetrokken of ingeklapte stand.

▼B

2.    Massaverdeling voor voertuigen met carrosserie

2.1.   Berekeningsprocedure

Notering

M

technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

TM

technisch toelaatbare getrokken maximummassa;

MC

technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie;

mi

technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand op de enkelvoudige as „i”, waarbij „i” varieert van 1 tot het totale aantal assen van het voertuig;

mc

technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt;

μj

de technisch toelaatbare maximummassa op de groep assen „j”, waarbij „j” varieert van 1 tot het totale aantal groepen assen.

2.1.1.

De nodige berekeningen moeten worden verricht om na te gaan of elke technische configuratie binnen het type voldoet aan de volgende voorschriften.

2.1.2.

Voor voertuigen met belastbare assen worden de volgende berekeningen verricht met de vering van de assen belast in de normale bedrijfsconfiguratie.

▼M2

2.1.3.

In het geval van door alternatieve brandstoffen aangedreven of emissievrije motorvoertuigen:

2.1.3.1. Het bijkomend gewicht dat voor alternatieve brandstof- of emissievrije technologie nodig is, wordt overeenkomstig punt 2.3 en punt 2.4 van bijlage I bij Richtlijn 96/53/EG bepaald op basis van de door de fabrikant verstrekte documentatie. De juistheid van de opgegeven informatie wordt ten genoegen van de typegoedkeuringsinstantie door de technische dienst geverifieerd.

2.1.3.2. De fabrikant vermeldt onder of naast de verplichte opschriften op de voorgeschreven constructieplaat, buiten een duidelijk gemarkeerde rechthoek waarin uitsluitend de verplichte informatie staat, het volgende aanvullende symbool en de waarde van het bijkomend gewicht.

„96/53/EC ARTICLE 10B COMPLIANT — XXXX KG”

De tekens van het symbool en de vermelde waarde zijn ten minste 4 mm hoog.

Totdat er voor de waarde van het bijkomend gewicht een aparte vermelding op het conformiteitscertificaat wordt ingevoerd, moet die waarde ook worden vermeld onder „opmerkingen” in het conformiteitscertificaat, zodat deze informatie kan worden opgenomen in de registratiedocumenten aan boord van het voertuig.

▼B

2.2.   Algemene voorschriften

2.2.1.

De som van de technisch toelaatbare maximummassa op de enkelvoudige assen plus de som van de technisch toelaatbare maximummassa op de groepen assen mag niet minder bedragen dan de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig.

image

2.2.2.

De massa van het voertuig in rijklare toestand plus de massa van de optionele uitrusting plus de massa van de passagiers plus de in punt 2.2.3 bedoelde massa's WP en B plus de massa van de koppeling, indien die niet in de massa in rijklare toestand is opgenomen, plus de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt mag niet meer bedragen dan de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand.

2.2.3.

Ladingsverdeling

2.2.3.1.   Notering

P

aantal zitplaatsen, die van de bestuurder en bijrijder(s) niet meegerekend;

Q

massa van een passagier in kg;

Qc

massa van een bijrijder in kg;

S1

oppervlakte in m2 voor staande passagiers;

SP

aantal staande passagiers zoals door de fabrikant opgegeven;

Ssp

nominale ruimte voor een staande passagier in m2;

WP

aantal rolstoelplaatsen vermenigvuldigd met 250 kg (vertegenwoordigt de massa van een rolstoel met gebruiker);

V

totaal volume van de bagageruimten in m3, met inbegrip van kofferruimten, rekken en skiboxen;

B

maximaal toelaatbare massa van de bagage in kg, zoals opgegeven door de fabrikant, met inbegrip van de maximum toelaatbare massa (B') die in de skibox kan worden vervoerd, indien van toepassing.

2.2.3.2.

De massa Q en Qc van de zittende passagiers bevindt zich op de referentiepunten van de zitplaatsen (d.w.z. het R-punt van de stoel).

2.2.3.3.

Het met het aantal staande passagiers (SP) overeenkomend aantal massa's Q wordt gelijkmatig verdeeld over de voor staande passagiers beschikbare ruimte S1.

2.2.3.4.

Indien van toepassing wordt de massa WP gelijkmatig over elke rolstoelruimte verdeeld.

2.2.3.5.

Een massa gelijk aan B (kg) wordt gelijkmatig over de kofferruimten verdeeld.

2.2.3.6.

Een massa gelijk aan B' (kg) bevindt zich in het zwaartepunt van de skibox.

2.2.3.7.

De technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt bevindt zich op het koppelpunt, de achteroverhang waarvan door de fabrikant van het voertuig wordt opgegeven.

2.2.3.8.

Waarden voor Q en Ssp



Voertuigklasse

Q (kg)

Ssp (m2)

Klasse I en A

68

0,125 m2

Klasse II

71

0,15 m2

Klasse III en B

71

Niet van toepassing

De massa van iedere bijrijder bedraagt 75 kg.

2.2.3.9

Het aantal staande passagiers mag niet groter zijn dan de waarde S1/Ssp, waarbij Ssp de nominale ruimte voor een staande passagier is zoals gespecificeerd in de tabel van punt 2.2.3.8.

2.2.3.10.

De waarde van de maximaal toelaatbare massa van de bagage mag niet minder bedragen dan:

image

2.2.4.

Berekeningen

2.2.4.1

De voorschriften van punt 2.2.2 worden geverifieerd voor alle configuraties van de binneninrichting.

2.2.4.2.

Onder de in punt 2.2.3 gespecificeerde voorwaarden mag de massa op elke enkelvoudige as en elke groep assen de technisch toelaatbare maximummassa op die as of groep assen niet overschrijden.

2.2.4.3.

Bij een voertuig met een variabel aantal zitplaatsen, met een ruimte voor staande passagiers (S1) en uitgerust voor het vervoer van rolstoelen wordt naleving van de voorschriften van de punten 2.2.2 en 2.2.4.2 geverifieerd voor elk van de volgende potentiële omstandigheden:

a) 

met alle mogelijke zitplaatsen bezet, daarna de resterende ruimte voor staande passagiers (tot het door de fabrikant opgegeven maximumaantal staanplaatsen, indien dit is bereikt) en, als er nog ruimte overblijft, alle rolstoelruimten bezet;

b) 

met alle mogelijke staanplaatsen bezet (tot het door de fabrikant opgegeven maximumaantal staanplaatsen), daarna de resterende zitplaatsen en, als er nog ruimte overblijft, alle rolstoelruimten bezet;

c) 

met alle mogelijke rolstoelruimten bezet, daarna de resterende ruimte voor staande passagiers (tot het door de fabrikant opgegeven maximumaantal staanplaatsen, indien dit is bereikt) en vervolgens de resterende zitplaatsen bezet.

2.2.5.

Wanneer het voertuig is beladen zoals beschreven in punt 2.2.2 mag de massa die overeenkomt met de belasting op de voorste gestuurde as(sen) in geen geval minder dan 20 % van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand M bedragen.

▼M2

2.2.5.1.

In het geval van een geleed voertuig met ten minste 4 assen van klasse I waarvan twee gestuurde assen, mag de massa die overeenkomt met de belasting op de voorste gestuurde as(sen) in geen geval minder dan 15 % van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand M bedragen.

▼B

2.2.6.

Wanneer een voertuig voor meer dan een klasse moet worden goedgekeurd, zijn de voorschriften van punt 2 op elke klasse van toepassing.

3.    Trekvermogen

3.1. De technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie mag niet meer bedragen dan de som van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand en de technisch toelaatbare getrokken maximummassa.

image

3.2. De technisch toelaatbare getrokken maximummassa mag niet meer bedragen dan 3 500 kg.

4.    Technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt

4.1. De technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt moet ten minste 4 % van de technisch toelaatbare getrokken maximummassa of 25 kg bedragen (de hoogste waarde is van toepassing).

4.2. De fabrikant specificeert in de gebruikershandleiding de voorwaarden voor bevestiging van de koppeling aan het motorvoertuig.

4.2.1. Indien van toepassing behoren tot de in punt 4.2 bedoelde voorwaarden de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt van het trekkende voertuig, de maximaal toelaatbare massa van de koppelinrichting, de bevestigingspunten van de koppeling en de maximaal toelaatbare achteroverhang van de koppeling.

5.    Hellingtest

5.1. Voertuigen die zijn ontworpen voor het trekken van een aanhangwagen moeten binnen vijf minuten vijf maal op een stijgende helling van ten minste 12 % in beweging kunnen komen.

5.2. Voor de uitvoering van de in punt 5.1 beschreven test worden het trekkende voertuig en de aanhangwagen beladen tot de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie.

6.    Motorvermogen

6.1. De motor moet een vermogen leveren van ten minste 5 kW per ton van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie of van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig zonder aanhangwagen indien het voertuig niet is ontworpen voor het trekken van een aanhangwagen. ►M2  De voorschriften in dit punt zijn niet van toepassing op de puur elektrische rijmodus van hybride elektrische voertuigen. ◄

▼M2

6.2. Het motorvermogen wordt gemeten volgens VN/ECE-Reglement nr. 85 ( 7 ).

▼B

7.    Manoeuvreerbaarheid

7.1. Het voertuig moet naar beide zijden een volledige baan van 360° kunnen beschrijven, zoals weergegeven in figuur 1 van aanhangsel 3 van deze bijlage, zonder dat een van de buitenste punten van het voertuig buiten de omtrek van de buitencirkel komt of binnen de omtrek van de binnencirkel komt, naargelang het geval.

7.1.1. De test wordt zowel uitgevoerd met het voertuig in de onbeladen toestand (d.w.z. met de massa van het voertuig in rijklare toestand) als met het voertuig belast tot de technisch maximaal toelaatbare massa in beladen toestand. ►M2  Indien het voertuig is uitgerust met aerodynamische voorzieningen of uitrusting als bedoeld in de punten 1.3.1.1 en 1.3.1.2, staan de voorzieningen en uitrusting in de uitgeschoven en gebruiksstand. ◄

7.1.2. Voor de toepassing van punt 7.1 worden de delen die buiten de voertuigbreedte mogen uitsteken, zoals bedoeld in aanhangsel 1 van deze bijlage, niet in aanmerking genomen.

7.2. Voor voertuigen met een belastbare as is het voorschrift van punt 7.1 ook van toepassing wanneer de belastbare as(sen) in gebruik is (zijn).

7.3. De voorschriften van punt 7.1 worden als volgt geverifieerd:

7.3.1. 

Het voertuig moet manoeuvreren binnen een cirkelvormige ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft.

7.3.2. 

Het buitenste punt van de voorzijde van het motorvoertuig moet langs de omtrek van de buitencirkel worden geleid (zie figuur 1 van aanhangsel 3 van deze bijlage).

▼M2

7.4. Met instemming van de technische dienst en de typegoedkeuringsinstantie mag door middel van numerieke simulatie overeenkomstig bijlage XVI bij Richtlijn 2007/46/EG worden aangetoond dat is voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de manoeuvreerbaarheid. Bij twijfel mogen de technische dienst en de typegoedkeuringsinstantie eisen dat een volledige fysieke test wordt uitgevoerd.

▼B

8.    Uitzwaai van de achterkant

8.1.   Voertuig met één segment

8.1.1.

Het voertuig wordt getest volgens de in punt 8.1.2 beschreven binnenrij-testmethode. ►M2  Indien het voertuig is uitgerust met aerodynamische voorzieningen of uitrusting als bedoeld in de punten 1.3.1.1 en 1.3.1.2, staan de voorzieningen en uitrusting in de uitgeschoven en gebruiksstand. ◄

8.1.2.

Binnenrij-testmethode

Terwijl het voertuig stilstaat, moet op de grond met een lijn het verticale vlak worden aangegeven dat de zijkant van het voertuig raakt en naar de ruimte buiten de cirkel is gericht.

Het voertuig wordt in een rechte lijn de in figuur 1 beschreven cirkelvormige ruimte binnengereden waarna de voorwielen zo gedraaid worden dat het buitenste punt van de voorzijde de omtrek van de buitencirkel volgt (zie figuur 2a van aanhangsel 3 van deze bijlage).

8.1.3.

De massa van het voertuig moet gelijk zijn aan de massa in rijklare toestand.

8.1.4.

De maximale uitzwaai van de achterkant mag niet meer dan 0,60 m bedragen.

8.2.   Voertuigen met twee of meer segmenten

8.2.1.

De voorwaarden van punt 8.1 zijn van overeenkomstige toepassing op voertuigen met twee of meer segmenten.

In een dergelijk geval worden de twee of meer starre delen opgesteld langs het vlak zoals weergegeven in figuur 2b van aanhangsel 3 van deze bijlage.

▼M2

8.3.   Met instemming van de technische dienst en de typegoedkeuringsinstantie mag door middel van numerieke simulatie overeenkomstig bijlage XVI bij Richtlijn 2007/46/EG worden aangetoond dat is voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de maximale uitzwaai van de achterkant. Bij twijfel mogen de technische dienst en de typegoedkeuringsinstantie eisen dat een volledige fysieke test wordt uitgevoerd.

▼B

DEEL C

Voertuigen van de categorieën N2 en N3

1.    Maximaal toegestane afmetingen

1.1. De afmetingen mogen de volgende waarden niet overschrijden:

1.1.1. 

Lengte: 12,00 m.

1.1.2. 

Breedte:

a) 

2,55 m voor elk voertuig,

▼M2

b) 

2,60 m voor voertuigen met een carrosserie met geïsoleerde wanden met een dikte van ten minste 45 mm, met de carrosseriecodes 04 en 05 zoals genoemd in aanhangsel 2 van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG.

▼B

1.1.3. 

Hoogte: 4,00 m.

1.2. Om de lengte, breedte en hoogte te meten, wordt het voertuig, met de massa in rijklare toestand en de banden opgepompt tot de door de fabrikant aanbevolen spanning, op een horizontaal en vlak oppervlak geplaatst.

▼M2

1.3. De in aanhangsel 1 genoemde voorzieningen en uitrusting worden niet voor de bepaling van de lengte, breedte en hoogte in aanmerking genomen.

▼M2

1.3.1. Aanvullende voorschriften voor de in aanhangsel 1 genoemde aerodynamische voorzieningen

1.3.1.1. Aerodynamische voorzieningen en uitrusting met een lengte van niet meer dan 500 mm in de gebruiksstand mogen de bruikbare lengte van de laadruimte niet vergroten. Ze moeten zo zijn gebouwd dat ze zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand kunnen worden vergrendeld. Dergelijke voorzieningen en uitrusting moeten bovendien zo zijn gebouwd dat ze kunnen worden ingetrokken of ingeklapt wanneer het voertuig stilstaat, zodat de maximaal toegestane breedte van het voertuig met niet meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden en de maximaal toegestane lengte van het voertuig met niet meer dan 200 mm wordt overschreden, waarbij ten minste een afstand van 1 050 mm hoogte boven de grond moet worden gehandhaafd, zodat zij geen nadelige invloed hebben op de bruikbaarheid van het voertuig voor intermodaal vervoer. Bovendien moet worden voldaan aan de voorschriften in de punten 1.3.1.1.1 en 1.3.1.1.3.

1.3.1.1.1. De voorzieningen en uitrusting moeten worden onderworpen aan typegoedkeuring in overeenstemming met deze verordening.

1.3.1.1.2. Het moet voor de vervoerder mogelijk zijn om de stand van de aerodynamische voorziening en uitrusting te variëren, en om deze in te trekken of te klappen, door een handkracht uit te oefenen van niet meer dan 40 daN. Dit mag ook automatisch worden gedaan.

1.3.1.1.3. Aerodynamische voorzieningen en uitrusting die onder alle omstandigheden volledig voldoen aan de voorschriften inzake de afmetingen, hoeven niet intrekbaar of inklapbaar te zijn.

1.3.1.2. Aerodynamische voorzieningen en uitrusting met een lengte van meer dan 500 mm in de gebruiksstand mogen de bruikbare lengte van de laadruimte niet vergroten. Ze moeten zo zijn gebouwd dat ze zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand kunnen worden vergrendeld. Dergelijke voorzieningen moeten bovendien zo zijn gebouwd dat ze kunnen worden ingetrokken of ingeklapt wanneer het voertuig stilstaat, zodat de maximaal toegestane breedte van het voertuig met niet meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden en de maximaal toegestane lengte van het voertuig met niet meer dan 200 mm wordt overschreden, waarbij ten minste een afstand van 1 050 mm hoogte boven de grond moet worden gehandhaafd, zodat zij geen nadelige invloed hebben op de bruikbaarheid van het voertuig voor intermodaal vervoer. Bovendien moet worden voldaan aan de voorschriften in de punten 1.3.1.2.1 tot en met 1.3.1.2.4.

1.3.1.2.1. De voorzieningen en uitrusting moeten worden onderworpen aan typegoedkeuring in overeenstemming met deze verordening.

1.3.1.2.2. Het moet voor de vervoerder mogelijk zijn om de stand van de aerodynamische voorziening en uitrusting te variëren, en om deze in te trekken of te klappen, door een kracht uit te oefenen van niet meer dan 40 daN. Dit mag ook automatisch worden gedaan.

1.3.1.2.3. Elk verticaal hoofdelement of samenstel van elementen en elk horizontaal hoofdelement of samenstel van elementen dat deel uitmaakt van de voorzieningen en uitrusting, weerstaat, indien op het voertuig gemonteerd en in de gebruiksstand, achtereenvolgens opwaarts, neerwaarts, naar links en naar rechts uitgeoefende verticale en horizontale trek- en duwkrachten van 200 daN ± 10 % die statisch worden uitgeoefend op het geometrische centrum van het relevante loodrecht geprojecteerde oppervlak, bij een maximale druk van 2,0 MPa. De voorzieningen en uitrusting mogen vervormen, maar het verstel- en vergrendelsysteem mag als gevolg van de uitgeoefende krachten niet loslaten. De vervorming moet beperkt blijven zodat gewaarborgd wordt dat de maximaal toegestane breedte van het voertuig tijdens en na de test niet met meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden.

1.3.1.2.4. Elk verticaal hoofdelement of samenstel van elementen en elk horizontaal hoofdelement of samenstel van elementen dat deel uitmaakt van de voorzieningen en uitrusting, weerstaat in de ingetrokken of ingeklapte stand ook een in longitudinale achterwaartse richting uitgeoefende horizontale trekkracht van 200 daN ± 10 % die statisch wordt uitgeoefend op het geometrische centrum van het relevante loodrecht geprojecteerde oppervlak, bij een maximale druk van 2,0 MPa. De voorzieningen en uitrusting mogen vervormen, maar het verstel- en vergrendelsysteem mag als gevolg van de uitgeoefende krachten niet loslaten. De vervorming moet beperkt blijven zodat gewaarborgd wordt dat de maximaal toegestane breedte van het voertuig niet met meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden en de maximaal toegestane lengte van het voertuig niet met meer dan 200 mm wordt overschreden.

1.3.1.3. Aerodynamische voorzieningen en uitrusting van cabines, zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand, indien van toepassing, moeten zo zijn gebouwd dat de maximaal toegestane breedte van het voertuig met niet meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden en dat zij geen nadelige invloed hebben op de bruikbaarheid van het voertuig voor intermodaal vervoer. Bovendien moet worden voldaan aan de voorschriften in de punten 1.3.1.3.1 tot en met 1.3.1.3.4.

1.3.1.3.1. De aerodynamische voorzieningen en uitrusting voor cabines worden onderworpen aan typegoedkeuring in overeenstemming met deze verordening.

1.3.1.3.2. Geen enkel deel van de voorziening of uitrusting mag, wanneer gemonteerd op een voertuig en zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand, boven de onderrand van de voorruit uitkomen, tenzij het voor de bestuurder niet direct zichtbaar is als gevolg van het instrumentenpaneel of andere standaardbinneninrichting.

1.3.1.3.3. De voorziening en uitrusting zijn bekleed met energieabsorberend materiaal. Als alternatief mogen de voorziening en uitrusting bestaan uit materiaal met een hardheid van < 60 Shore (A) overeenkomstig punt 1.3.1.4.

1.3.1.3.4. De voorziening en uitrusting mogen niet zijn gemaakt van materiaal dat gemakkelijk in scherpe stukken breekt of scherpe randen krijgt.

1.3.1.4. De technische dienst verifieert ten genoegen van de typegoedkeuringsinstantie dat aerodynamische voorzieningen en uitrusting als bedoeld in de punten 1.3.1.1, 1.3.1.2 en 1.3.1.3, zowel in de gebruiksstand als in de ingetrokken of ingeklapte stand, geen negatieve invloed hebben op het gezichtsveld naar voren van de bestuurder en dat ze de ruitensproei- en ruitenwisfuncties en de koeling en ventilatie van de aandrijflijn, het uitlaatsysteem, het remsysteem, de inzittendencabine en de laadruimte niet aanzienlijk beperken. Er moet volledig worden voldaan aan alle overige van toepassing zijnde voorschriften voor de voertuigsystemen, zowel wanneer de voorzieningen en uitrusting in de gebruiksstand staan als wanneer zij ingetrokken of ingeklapt zijn.

In afwijking van de toepasselijke voorschriften met betrekking tot bescherming aan de voorzijde tegen klemrijden, mogen de horizontale afstanden tussen het vooruiteinde van het voertuig als voorzien van aerodynamische voorzieningen en uitrusting en de voorkant van de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden, evenals tussen de achterkant van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden en het achteruiteinde van het voertuig als voorzien van aerodynamische voorzieningen en uitrusting, worden gemeten zonder de voorzieningen en uitrusting in aanmerking te nemen, mits de lengte ervan aan de achterzijde meer dan 200 mm bedraagt, zij in de gebruiksstand staan, en de fundamentele delen van de elementen aan de voorzijde en aan de achterzijde die zich, gemeten in de onbeladen toestand, op een hoogte van ≤ 2,0 m boven de grond bevinden, zijn gemaakt van materiaal met een hardheid van < 60 Shore (A). Smalle ribben, buizen en metaaldraden die een frame of substraat vormen om de fundamentele delen van de elementen te ondersteunen, worden niet voor de bepaling van de hardheid in aanmerking genomen. Om het risico van verwondingen en van penetratie van andere voertuigen in geval van een botsing te voorkomen, mogen de uiteinden van de ribben, buizen en metaaldraden, zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand van de voorziening en uitrusting, echter aan de voorzijde van het voertuig niet voorwaarts en aan de achterzijde niet achterwaarts gericht zijn.

Als alternatief voor de in de vorige alinea genoemde afwijking betreffende de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden, mogen de horizontale afstanden tussen de achterkant van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden en het achteruiteinde van het voertuig als voorzien van aerodynamische voorzieningen en uitrusting, worden gemeten zonder de aerodynamische voorzieningen en uitrusting in aanmerking te nemen, mits de lengte ervan meer dan 200 mm bedraagt, zij in de gebruiksstand staan, en deze voorzieningen en uitrusting voldoen aan de testbepalingen in aanhangsel 4.

Bij het meten van de horizontale afstanden tussen de achterkant van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden en het achteruiteinde van het voertuig moeten de aerodynamische voorzieningen en uitrusting evenwel in de ingetrokken of ingeklapte stand staan, of moet de resulterende uitstekende lengte overeenkomstig punt 1.6.1 van aanhangsel 4 in aanmerking worden genomen indien die lengte groter is dan de lengte in de ingetrokken of ingeklapte stand.

1.4. Verlengde cabines

1.4.1. Wanneer de voorkant van de cabineplaats van het motorvoertuig, met inbegrip van alle externe uitstekende delen van, bijvoorbeeld, het chassis, de bumper, wielbeschermers en wielen, volledig in overeenstemming is met de parameters van de driedimensionale omhulling zoals uiteengezet in aanhangsel 5 en de laadruimte niet langer is dan 10,5 m, mag het voertuig de in punt 1.1.1 genoemde maximaal toegestane lengte overschrijden.

1.4.2. In het in punt 1.4.1 genoemde geval vermeldt de fabrikant onder of naast de verplichte opschriften op de voorgeschreven constructieplaat, buiten een duidelijk gemarkeerde rechthoek waarin uitsluitend de verplichte informatie staat, het volgende aanvullende symbool.

„96/53/EC ARTICLE 9A COMPLIANT”

De tekens van het symbool zijn ten minste 4 mm hoog. De tekst „96/53/EC ARTICLE 9A COMPLIANT” wordt ook vermeld onder „opmerkingen” in het conformiteitscertificaat, zodat deze informatie kan worden opgenomen in de registratiedocumenten aan boord van het voertuig.

▼B

2.    Massaverdeling voor voertuigen met carrosserie

2.1.   Berekeningsprocedure

Notering

M

technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

TM

technisch toelaatbare getrokken maximummassa;

MC

technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie

mi

de technisch toelaatbare maximummassa op de enkelvoudige as „i”, waarbij „i” varieert van 1 tot het totale aantal assen van het voertuig;

mc

technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt;

μj

de technisch toelaatbare maximummassa op de groep assen „j”, waarbij „j” varieert van 1 tot het totale aantal groepen assen.

2.1.1. De nodige berekeningen moeten worden verricht om na te gaan of elke technische configuratie binnen het type voldoet aan de voorschriften van de punten 2.2 en 2.3.

2.1.2. Bij voertuigen met belastbare assen moeten de in de punten 2.2 en 2.3 voorgeschreven berekeningen worden verricht met de vering van de belastbare assen in de normale rijconfiguratie.

2.1.3. Bij voertuigen met liftassen moeten de in de punten 2.2 en 2.3 voorgeschreven berekeningen worden verricht met neergelaten assen.

▼M2

2.1.4. In het geval van door alternatieve brandstoffen aangedreven of emissievrije motorvoertuigen:

2.1.4.1. Het bijkomend gewicht dat voor alternatieve brandstof- of emissievrije technologie nodig is, wordt overeenkomstig punt 2.3 van bijlage I bij Richtlijn 96/53/EG bepaald op basis van de door de fabrikant verstrekte documentatie. De juistheid van de opgegeven informatie wordt ten genoegen van de typegoedkeuringsinstantie door de technische dienst geverifieerd.

2.1.4.2. De fabrikant vermeldt onder of naast de verplichte opschriften op de voorgeschreven constructieplaat, buiten een duidelijk gemarkeerde rechthoek waarin uitsluitend de verplichte informatie staat, het volgende aanvullende symbool en de waarde van het bijkomend gewicht.

„96/53/EC ARTICLE 10B COMPLIANT — XXXX KG”

De tekens van het symbool en de vermelde waarde zijn ten minste 4 mm hoog.

Totdat er voor de waarde van het bijkomend gewicht een aparte vermelding op het conformiteitscertificaat wordt ingevoerd, moet die waarde ook worden vermeld onder „opmerkingen” in het conformiteitscertificaat, zodat deze informatie kan worden opgenomen in de registratiedocumenten aan boord van het voertuig.

▼B

2.2.   Algemene voorschriften

2.2.1. De som van de technisch toelaatbare maximummassa op de enkelvoudige assen plus de som van de technisch toelaatbare maximummassa op de groepen assen mag niet minder bedragen dan de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig.

image

2.2.2. Voor elke groep assen „j” mag de som van de technisch toelaatbare maximummassa op de samenstellende assen niet kleiner zijn dan de technisch toelaatbare maximummassa op de groep assen.

Bovendien mag elk van de massa's mi niet kleiner zijn dan het deel van μj dat volgens de massaverdeling voor die groep assen op as „i” wordt overgebracht.

2.3.   Specifieke voorschriften

2.3.1. De massa van het voertuig in rijklare toestand plus de massa van de optionele uitrusting plus de massa van de passagiers plus de massa van de koppeling, indien die niet in de massa in rijklare toestand is opgenomen, plus de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt mag niet meer bedragen dan de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig.

2.3.2. Wanneer het voertuig tot de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand wordt belast, mag de verdeelde massa op een as „i” niet meer bedragen dan de massa mi op die as, en mag de massa op de groep assen „j” niet meer bedragen dan massa μj.

2.3.3. Aan de voorschriften van punt 2.3.2 moet worden voldaan bij de volgende belastingsconfiguraties:

2.3.3.1. 

Gelijkmatige verdeling van de nuttige massa:

de massa van het voertuig moet gelijk zijn aan de massa in rijklare toestand plus de massa van de optionele uitrusting plus de massa van de passagiers op de referentiepunten van de zitplaatsen plus de massa van de koppeling (indien die niet in de massa in rijklare toestand is opgenomen) plus de maximaal toelaatbare massa op het koppelpunt plus de nuttige massa die gelijkmatig over de laadruimte wordt verdeeld.

2.3.3.2. 

Niet-gelijkmatige verdeling van de nuttige massa:

de massa van het voertuig moet gelijk zijn aan de massa in rijklare toestand plus de massa van de optionele uitrusting plus de massa van de passagiers op de referentiepunten van de zitplaatsen plus de massa van de koppeling (indien die niet in de massa in rijklare toestand is opgenomen) plus de maximaal toelaatbare massa op het koppelpunt plus de volgens de specificaties van de fabrikant aangebrachte nuttige massa.

Hiertoe vermeldt de fabrikant de uiterste toelaatbare posities van het zwaartepunt van de nuttige massa en/of carrosserie en/of uitrusting of binneninrichting (bijvoorbeeld: 0,50 m tot 1,30 m vóór de eerste achteras).

2.3.3.3. 

Combinatie van gelijkmatige en ongelijkmatige verdeling:

Aan de voorschriften van de punten 2.3.3.1 en 2.3.3.2 moet gelijktijdig worden voldaan.

Voorbeeld: een kipwagen (verdeelde belasting) die met een extra kraan (plaatselijke belasting) is uitgerust.

2.3.3.4. 

Door de koppelschotel overgebrachte massa (opleggertrekker):

de massa van het voertuig moet gelijk zijn aan de massa in rijklare toestand plus de massa van de optionele uitrusting plus de massa van de passagiers op de referentiepunten van de zitplaatsen plus de massa van de koppeling (indien die niet in de massa in rijklare toestand is opgenomen) plus de volgens de specificaties van de fabrikant aangebrachte maximaal toelaatbare massa op de koppelschotel (minimale en maximale afstand hart koppelschotel/hart achteras).

2.3.3.5. 

Aan de voorschriften van punt 2.3.3.1 moet steeds worden voldaan wanneer het voertuig met een platte laadruimte is uitgerust.

2.3.4. Wanneer het voertuig wordt belast tot de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand plus de massa van de koppeling, indien die niet in de massa in rijklare toestand is opgenomen, plus de maximaal toelaatbare massa op het koppelpunt, op zodanige wijze dat de maximaal toelaatbare massa op de achterste groep assen (μ) of de maximaal toelaatbare massa op de achteras (m) wordt bereikt, mag de massa op de voorste gestuurde as(sen) niet minder bedragen dan 20 % van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig.

2.3.5. Bij voertuigen voor bijzondere doeleinden van de categorieën N2 en N3 controleert de technische dienst de naleving van de voorschriften van punt 2 in overleg met de fabrikant, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke ontwerp van het voertuig (bijvoorbeeld mobiele kranen).

3.    Trekvermogen

3.1. De technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie mag niet meer bedragen dan de som van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand en de technisch toelaatbare getrokken maximummassa.

image

4.    Hellingtest en hellingvermogen

4.1. Voertuigen die zijn ontworpen voor het trekken van een aanhangwagen en tot de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie zijn belast, moeten binnen vijf minuten vijfmaal op een stijgende helling van ten minste 12 % in beweging kunnen komen.

4.2. Wat het hellingvermogen betreft, worden terreinvoertuigen aan de hand van de technische voorschriften van bijlage II getest.

4.2.1. De voorschriften van punt 5 van aanhangsel 1 van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG zijn ook van toepassing.

5.    Motorvermogen

5.1. Voertuigen moeten een motorvermogen leveren van ten minste 5 kW per ton van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie.

5.1.1. Bij een aanhangwagentrekker of een opleggertrekker voor opleggers die bestemd zijn voor het vervoer van ondeelbare ladingen, moet het motorvermogen ten minste 2 kW per ton van de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie bedragen.

▼M2

5.1.2. De voorschriften in de punten 5.1 en 5.1.1 zijn niet van toepassing op de puur elektrische rijmodus van hybride elektrische voertuigen.

▼M2

5.2. Het motorvermogen wordt gemeten volgens VN/ECE-Reglement nr. 85.

▼B

6.    Manoeuvreerbaarheid

6.1. Het voertuig moet naar beide zijden een volledige baan van 360° kunnen beschrijven, zoals weergegeven in figuur 1 van aanhangsel 3 van deze bijlage, zonder dat een van de buitenste punten van het voertuig buiten de omtrek van de buitenste cirkel komt of binnen de omtrek van de binnenste cirkel komt, naargelang het geval.

6.1.1. De test wordt zowel uitgevoerd met het voertuig in de onbeladen toestand (d.w.z. met de massa van het voertuig in rijklare toestand) als met het voertuig belast tot de technisch maximaal toelaatbare massa in beladen toestand. ►M2  Indien het voertuig is uitgerust met aerodynamische voorzieningen of uitrusting als bedoeld in de punten 1.3.1.1, 1.3.1.2 en 1.3.1.3, staan de voorzieningen en uitrusting in de uitgeschoven en gebruiksstand of in de vaste gebruiksstand indien van toepassing voor onder punt 1.3.1.3 vallende voorzieningen en uitrusting. ◄

6.1.2. Voor de toepassing van punt 6.1 worden de delen die buiten de voertuigbreedte mogen uitsteken, zoals bedoeld in aanhangsel 1 van deze bijlage, niet in aanmerking genomen.

6.2. Voor voertuigen met ashefvoorziening geldt het voorschrift van punt 6.1 ook met de liftas(sen) in opgetrokken stand en wanneer de belastbare as(sen) in gebruik is (zijn).

6.3. De voorschriften van punt 6.1 worden als volgt geverifieerd:

6.3.1. 

Het voertuig moet manoeuvreren binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft.

6.3.2. 

Het buitenste punt van de voorzijde van het motorvoertuig moet langs de omtrek van de buitencirkel worden geleid (zie figuur 1 van aanhangsel 3 van deze bijlage).

▼M2

6.4. Met instemming van de technische dienst en de typegoedkeuringsinstantie mag door middel van numerieke simulatie overeenkomstig bijlage XVI bij Richtlijn 2007/46/EG worden aangetoond dat is voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de manoeuvreerbaarheid. Bij twijfel mogen de technische dienst en de typegoedkeuringsinstantie eisen dat een volledige fysieke test wordt uitgevoerd.

▼B

7.    Maximale uitzwaai van de achterkant

7.1.

Het voertuig wordt getest volgens de in punt 7.1.1 beschreven stationaire testmethode. ►M2  Indien het voertuig is uitgerust met aerodynamische voorzieningen of uitrusting als bedoeld in de punten 1.3.1.1, 1.3.1.2 en 1.3.1.3, staan de voorzieningen en uitrusting in de uitgeschoven en gebruiksstand. ◄

7.1.1.   Stationaire testmethode

7.1.1.2. Het voertuig moet stilstaan met de voorste gestuurde wielen in een zodanige stand dat het buitenste punt een cirkel met een straal van 12,50 m zou beschrijven indien het voertuig werd voortbewogen.

Op de grond wordt met een lijn het verticale vlak aangegeven dat de zijde van het voertuig raakt en naar de ruimte buiten de cirkel is gericht.

Het voertuig wordt voortbewogen zodat het buitenste punt aan de voorzijde de omtrek van de buitencirkel met een straal van 12,50 m volgt.

7.2.

De maximale uitzwaai van de achterkant mag niet meer bedragen dan: (zie figuur 3 van aanhangsel 3 van deze bijlage)
a) 

0,80 m;

b) 

1,00 m wanneer het voertuig met een ashefinrichting is uitgerust en de as van de grond is opgetrokken;

c) 

1,00 m wanneer de achterste as een gestuurde as is.

▼M2

7.3.

Met instemming van de technische dienst en de typegoedkeuringsinstantie mag door middel van numerieke simulatie overeenkomstig bijlage XVI bij Richtlijn 2007/46/EG worden aangetoond dat is voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de maximale uitzwaai van de achterkant. Bij twijfel mogen de technische dienst en de typegoedkeuringsinstantie eisen dat een volledige fysieke test wordt uitgevoerd.

▼B

DEEL D

Voertuigen van categorie O

1.    Maximaal toegestane afmetingen

1.1. De afmetingen mogen de volgende waarden niet overschrijden:

1.1.1. 

Lengte:

a) 

aanhangwagen: 12,00 m met inbegrip van de dissel,

b) 

oplegger: 12,00 plus de vooroverbouw.

1.1.2. 

Breedte:

a) 

2,55 m voor elk voertuig,

▼M2

b) 

2,60 m voor voertuigen met een carrosserie met geïsoleerde wanden met een dikte van ten minste 45 mm, met betrekking tot de carrosseriecodes 04 en 05 zoals genoemd in aanhangsel 2 van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG.

▼B

1.1.3. 

Hoogte: 4,00 m.

1.1.4. 

Straal koppelingspen/voorzijde oplegger: 2,04 m.

1.2. Om de lengte, breedte en hoogte te meten, wordt het voertuig, met de massa in rijklare toestand en de banden opgepompt tot de door de fabrikant aanbevolen spanning, op een horizontaal en vlak oppervlak geplaatst.

1.3. De lengte, hoogte en straal koppelingspen/voorzijde oplegger worden gemeten terwijl het laadoppervlak of het in punt 1.2.1, tweede alinea, van bijlage 7 bij VN/ECE-Reglement nr. 55 bedoelde referentieoppervlak horizontaal is.

Verstelbare dissels moeten horizontaal zijn en op één lijn liggen met de middellijn van het voertuig. Zij worden in de horizontaal meest uitgetrokken stand geplaatst.

▼M2

1.4. De in aanhangsel 1 genoemde voorzieningen en uitrusting worden niet voor de bepaling van de lengte, breedte en hoogte in aanmerking genomen.

▼M2

1.4.1. Aanvullende voorschriften voor de in aanhangsel 1 genoemde aerodynamische voorzieningen

1.4.1.1. Aerodynamische voorzieningen en uitrusting met een lengte van niet meer dan 500 mm in de gebruiksstand mogen de bruikbare lengte van de laadruimte niet vergroten. Ze moeten zo zijn gebouwd dat ze zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand kunnen worden vergrendeld. Dergelijke voorzieningen en uitrusting moeten bovendien zo zijn gebouwd dat ze kunnen worden ingetrokken of ingeklapt wanneer het voertuig stilstaat, zodat de maximaal toegestane breedte van het voertuig met niet meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden en de maximaal toegestane lengte van het voertuig met niet meer dan 200 mm wordt overschreden,waarbij ten minste een afstand van 1 050 mm hoogte boven de grond moet worden gehandhaafd, zodat zij geen nadelige invloed hebben op de bruikbaarheid van het voertuig voor intermodaal vervoer. Bovendien moet worden voldaan aan de voorschriften in de punten 1.4.1.1.1 tot en met 1.4.1.1.3.

1.4.1.1.1. De voorzieningen en uitrusting moeten worden onderworpen aan typegoedkeuring in overeenstemming met deze verordening.

1.4.1.1.2. Het moet voor de vervoerder mogelijk zijn om de stand van de aerodynamische voorziening en uitrusting te variëren, en om deze in te trekken of te klappen, door een kracht uit te oefenen van niet meer dan 40 daN. Dit mag ook automatisch worden gedaan.

1.4.1.1.3. Aerodynamische voorzieningen en uitrusting die onder alle omstandigheden volledig voldoen aan de voorschriften inzake de afmetingen, hoeven niet intrekbaar of inklapbaar te zijn.

1.4.1.2. Aerodynamische voorzieningen en uitrusting met een lengte van meer dan 500 mm in de gebruiksstand mogen de bruikbare lengte van de laadruimte niet vergroten. Ze moeten zo zijn gebouwd dat ze zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand kunnen worden vergrendeld. Dergelijke voorzieningen moeten bovendien zo zijn gebouwd dat ze kunnen worden ingetrokken of ingeklapt wanneer het voertuig stilstaat, zodat de maximaal toegestane breedte van het voertuig met niet meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden en de maximaal toegestane lengte van het voertuig met niet meer dan 200 mm wordt overschreden, waarbij ten minste een afstand van 1 050 mm hoogte boven de grond moet worden gehandhaafd, zodat zij geen nadelige invloed hebben op de bruikbaarheid van het voertuig voor intermodaal vervoer. Bovendien moet worden voldaan aan de voorschriften in de punten 1.4.1.2.1 tot en met 1.4.1.2.4.

1.4.1.2.1. De voorzieningen en uitrusting moeten worden onderworpen aan typegoedkeuring in overeenstemming met deze verordening.

1.4.1.2.2. Het moet voor de vervoerder mogelijk zijn om de stand van de aerodynamische voorziening en uitrusting te variëren, en om deze in te trekken of te klappen, door een handkracht uit te oefenen van niet meer dan 40 daN. Dit mag ook automatisch worden gedaan.

1.4.1.2.3. Elk verticaal hoofdelement of samenstel van elementen en elk horizontaal hoofdelement of samenstel van elementen dat deel uitmaakt van de voorzieningen en uitrusting, weerstaat, indien op het voertuig gemonteerd en in de gebruiksstand, achtereenvolgens opwaarts, neerwaarts, naar links en naar rechts uitgeoefende verticale en horizontale trek- en duwkrachten van 200 daN ± 10 % die statisch worden uitgeoefend op het geometrische centrum van het relevante loodrecht geprojecteerde oppervlak, bij een maximale druk van 2,0 MPa. De voorzieningen en uitrusting mogen vervormen, maar het verstel- en vergrendelsysteem mag als gevolg van de uitgeoefende krachten niet loslaten. De vervorming moet beperkt blijven zodat gewaarborgd wordt dat de maximaal toegestane breedte van het voertuig tijdens en na de test niet met meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden.

1.4.1.2.4. Elk verticaal hoofdelement of samenstel van elementen en elk horizontaal hoofdelement of samenstel van elementen dat deel uitmaakt van de voorzieningen en uitrusting, weerstaat in de ingetrokken of ingeklapte stand ook een in longitudinale achterwaartse richting uitgeoefende horizontale trekkracht van 200 daN ± 10 % die statisch wordt uitgeoefend op het geometrische centrum van het relevante loodrecht geprojecteerde oppervlak, bij een maximale druk van 2,0 MPa. De voorzieningen en uitrusting mogen vervormen, maar het verstel- en vergrendelsysteem mag als gevolg van de uitgeoefende krachten niet loslaten. De vervorming moet beperkt blijven zodat gewaarborgd wordt dat de maximaal toegestane breedte van het voertuig niet met meer dan 25 mm aan beide zijden van het voertuig wordt overschreden en de maximaal toegestane lengte van het voertuig niet met meer dan 200 mm wordt overschreden.

1.4.1.3. De technische dienst verifieert ten genoegen van de typegoedkeuringsinstantie dat aerodynamische voorzieningen en uitrusting, zowel in de gebruiksstand als in de ingetrokken of ingeklapte stand, de ventilatie van de laadruimte niet volledig blokkeren. Er moet volledig worden voldaan aan alle overige van toepassing zijnde voorschriften voor de voertuigsystemen, zowel wanneer de voorzieningen en uitrusting in de gebruiksstand staan als wanneer zij ingetrokken of ingeklapt zijn.

In afwijking van de toepasselijke voorschriften met betrekking tot bescherming aan de achterzijde tegen klemrijden, mogen de horizontale afstanden tussen de achterkant van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden en het achteruiteinde van het voertuig als voorzien van aerodynamische voorzieningen en uitrusting, worden gemeten zonder de voorzieningen en uitrusting in aanmerking te nemen, mits de lengte ervan meer dan 200 mm bedraagt, zij in de gebruiksstand staan, en de fundamentele delen van de elementen die zich, gemeten in de onbeladen toestand, op een hoogte van ≤ 2,0 m boven de grond bevinden, zijn gemaakt van materiaal met een hardheid van < 60 Shore (A). Smalle ribben, buizen en metaaldraden die een frame of substraat vormen om de fundamentele delen van de elementen te ondersteunen, worden niet voor de bepaling van de hardheid in aanmerking genomen. Om het risico van verwondingen en van penetratie van andere voertuigen in geval van een botsing te voorkomen, mogen de uiteinden van de ribben, buizen en metaaldraden, zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand van de voorziening en uitrusting, echter aan de achterzijde van het voertuig niet achterwaarts gericht zijn.

Als alternatief voor de in de vorige alinea genoemde afwijking, mogen de horizontale afstanden tussen de achterkant van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden en het achteruiteinde van het voertuig als voorzien van aerodynamische voorzieningen en uitrusting, worden gemeten zonder de aerodynamische voorzieningen en uitrusting in aanmerking te nemen, mits de lengte ervan meer dan 200 mm bedraagt, zij in de gebruiksstand staan, en deze voorzieningen en uitrusting voldoen aan de testbepalingen in aanhangsel 4.

Bij het meten van de horizontale afstanden tussen de achterkant van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden en het achteruiteinde van het voertuig moeten de aerodynamische voorzieningen en uitrusting evenwel in de ingetrokken of ingeklapte stand staan, of moet de resulterende uitstekende lengte overeenkomstig punt 1.6.1 van aanhangsel 4 in aanmerking worden genomen indien die lengte groter is dan de lengte in de ingetrokken of ingeklapte stand.

▼B

2.    Massaverdeling voor voertuigen met carrosserie

2.1.   Berekeningsprocedure

Notering

M

technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

m0

technisch toelaatbare maximummassa op het voorste koppelpunt;

mi

de technisch toelaatbare maximummassa op as „i”, waarbij „i” varieert van 1 tot het totale aantal assen van het voertuig;

mc

technisch toelaatbare maximummassa op het achterste koppelpunt;

μj

de technisch toelaatbare maximummassa op de groep assen „j”, waarbij „j” varieert van 1 tot het totale aantal groepen assen.

2.1.1.

De nodige berekeningen moeten worden verricht om na te gaan of elke technische configuratie binnen het type voldoet aan de voorschriften van de punten 2.2 en 2.3.

2.1.2.

Bij voertuigen met belastbare assen moeten de in de punten 2.2 en 2.3 voorgeschreven berekeningen worden verricht met de vering van de belastbare assen in de normale rijconfiguratie.

2.1.3.

Bij voertuigen met liftassen moeten de in de punten 2.2 en 2.3 voorgeschreven berekeningen worden verricht met neergelaten assen.

2.2.   Algemene voorschriften

▼M2

2.2.1.

De som van de technisch toelaatbare maximummassa op het voorste koppelpunt plus de technisch toelaatbare maximummassa op de enkelvoudige as en/of de groep(en) assen plus de technisch toelaatbare maximummassa op het achterste koppelpunt mag niet minder bedragen dan de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig.

M ≤ Σ [m0 + mi + mc] of M ≤ Σ [m0 + μj + mc]

▼B

2.2.2.

Voor elke groep assen „j” mag de som van de massa's mi op de samenstellende assen niet kleiner zijn dan massa μj.

Bovendien mag elk van de massa's mi niet kleiner zijn dan het deel van μj dat volgens de massaverdeling voor die groep assen op as „i” wordt overgebracht.

2.3.   Specifieke voorschriften

2.3.1.

De massa van het voertuig in rijklare toestand plus de massa van de optionele uitrusting plus de technisch toelaatbare maximummassa op het (de) koppelpunt(en) mag niet meer bedragen dan de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig.

2.3.2.

Wanneer het voertuig tot de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand wordt belast, mag de verdeelde massa op een enkelvoudige as „i” niet meer bedragen dan de massa mi op die as, dan de massa op de groep assen, of dan de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt m0.

2.3.3.

Aan de voorschriften van punt 2.3.2 moet worden voldaan bij de volgende belastingsconfiguraties:

2.3.3.1.   Gelijkmatige verdeling van de nuttige massa

De massa van het voertuig moet gelijk zijn aan de massa in rijklare toestand plus de massa van de optionele uitrusting plus de gelijkmatig over de laadruimte verdeelde nuttige massa.

2.3.3.2.   Niet-gelijkmatige verdeling van de nuttige massa

De massa van het voertuig moet gelijk zijn aan de massa in rijklare toestand plus de massa van de optionele uitrusting plus de volgens de specificaties van de fabrikant aangebrachte nuttige massa.

Hiertoe vermeldt de fabrikant de uiterste toelaatbare posities van het zwaartepunt van de nuttige massa en/of carrosserie en/of uitrusting of binneninrichting (bijvoorbeeld: 0,50 m tot 1,30 m vóór de eerste achteras).

2.3.3.3

Combinatie van gelijkmatige en ongelijkmatige verdeling:

Aan de voorschriften van de punten 2.3.3.1 en 2.3.3.2 moet gelijktijdig worden voldaan.

2.3.3.4.

Aan de voorschriften van punt 2.3.3.1 moet steeds worden voldaan wanneer het voertuig met een platte laadruimte is uitgerust.

2.3.4.

Specifieke voorschriften voor caravans

2.3.4.1

De minimale nuttige massa (PM) moet aan het volgende voorschrift voldoen:

image

waarbij:

n

het maximale aantal slaapplaatsen is en

L

de totale carrosserielengte is zoals gedefinieerd in punt 6.1.2. van ISO-norm 7237:1981.

3.    Voorschriften inzake de manoeuvreerbaarheid

3.1. Aanhangwagens en opleggers moeten zo zijn ontworpen dat, bij koppeling aan een trekkende voertuig, de combinatie naar beide zijden een volledige baan van 360° kan beschrijven, gevormd door twee concentrische cirkels waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenste punten van het trekkende voertuig buiten de omtrek van de buitenste cirkel komt of een van de buitenste punten van de aanhangwagen of oplegger binnen de omtrek van de binnenste cirkel komt. ►M2  Indien de aanhangwagen of oplegger is uitgerust met de in punt 1.4.1.1 of punt 1.4.1.2 bedoelde aerodynamische voorzieningen of uitrusting, staan de voorzieningen en uitrusting in de uitgeschoven en gebruiksstand. ◄

▼M2

3.2. Een oplegger die niet is uitgerust met de in punt 1.4.1.1 of punt 1.4.1.2 bedoelde aerodynamische voorzieningen of uitrusting, wordt geacht aan het voorschrift van punt 3.1 te voldoen indien de referentiewielbasis RWB ervan aan het volgende voorschrift voldoet:

RWB ≤ [(12,50 — 2,04)2 — (5,30 + ½ W)2]1/2

waarbij:

RWB

de afstand tussen de as van de koppelingspen en de middellijn van de niet-gestuurde assen is, en

W

de breedte van de oplegger is.

▼B

3.3. Wanneer een of meer niet-gestuurde assen een ashefvoorziening hebben, wordt de langste referentiewielbasis (met neergelaten as dan wel met opgetrokken as) in aanmerking genomen.




Aanhangsel 1

Lijst van voorzieningen en uitrusting die niet voor de bepaling van de buitenste afmetingen in aanmerking hoeven te worden genomen

▼M2

1. Onder voorbehoud van de in de volgende tabellen opgenomen aanvullende beperkingen, hoeven de in de tabellen I, II en III opgenomen voorzieningen en uitrusting niet voor de bepaling en berekening van de buitenste afmetingen in aanmerking te worden genomen als aan de volgende voorschriften wordt voldaan:

a) 

met uitzondering van aerodynamische voorzieningen en uitrusting van cabines, mogen voorzieningen die aan de voorzijde zijn gemonteerd in totaal niet meer dan 250 mm uitsteken;

b) 

met uitzondering van aerodynamische voorzieningen en uitrusting, mogen voorzieningen en uitrusting die in de lengterichting aan het voertuig worden toegevoegd in totaal niet meer dan 750 mm uitsteken;

c) 

voorzieningen en uitrusting die in de breedterichting aan het voertuig worden toegevoegd, mogen in totaal niet meer dan 100 mm uitsteken.

2. De voorschriften van punt 1, onder a), b) en c), zijn niet van toepassing op voorzieningen voor indirect zicht.

▼B



Tabel I

Voertuiglengte

Punt

Voertuigcategorieën

 

M1

M2

M3

N1

N2

N3

O1

O2

O3

O4

1.

Voorzieningen voor indirect zicht, zoals gedefinieerd in punt 2.1 van VN/ECE-Reglement nr. 46 (1)

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

2.

Wis- en sproeivoorzieningen

x

x

x

x

x

x

 

 

 

 

3.

Zonnekleppen aan de buitenzijde

x

x

4.

Frontbeschermingsinrichting waarvoor overeenkomstig Verordening (EG) nr. 78/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2) typegoedkeuring is verleend

x

 

 

x

 

 

 

 

 

 

5.

Voetsteunen en handgrepen

x

x

x

x

x

x

x

x

x

▼M2

6.

Mechanische koppelingen

x

x

x

x

x

x

-

-

-

-

▼B

7.

Extra koppeling aan de achterzijde van een aanhangwagen (indien verwijderbaar)

x

x

x

x

8.

Fietsenrek (indien verwijderbaar of opklapbaar)

x

 

 

x

9.

Hefplatforms, oprijplaten en soortgelijke uitrusting (indien deze ingeschoven zijn en niet meer dan 300 mm uitsteken), mits het laadvermogen van het voertuig niet wordt vergroot.

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

10.

Observatie- en detectiemiddelen, met inbegrip van radars

x

x

x

x

x

x

x

x

11.

Veerkrachtige buffers en vergelijkbare uitrusting

x

x

x

x

x

x

12.

Voorzieningen voor douaneverzegeling en de afscherming ervan

x

x

x

x

x

x

x

13.

Voorzieningen voor de bevestiging van het dekzeil en de afscherming ervan

x

x

x

x

x

x

x

14.

Langsaanslagen voor afneembare carrosserieën

x

x

x

x

x

x

15.

Trolleystangen van elektrisch aangedreven voertuigen

x

16.

Voor- en achterkentekenplaten

x

x

x

x

x

x

x

X

17.

Facultatieve lichten, zoals gedefinieerd in punt 2 van VN/ECE-Reglement nr. 48 (3)

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

▼M2

18.

Aerodynamische voorzieningen en uitrusting

-

x

x

-

x

x

-

-

x

x

▼M2

19.

Antennes die worden gebruikt voor communicatie tussen voertuigen onderling of tussen voertuigen en infrastructuur

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

▼B

(1)   PB L 177 van 10.7.2010, blz. 211.

(2)   PB L 35 van 4.2.2009, blz. 1.

(3)   PB L 135 van 23.5.2008, blz. 1.



Tabel II

Voertuigbreedte

Punt

Voertuigcategorieën

 

M1

M2

M3

N1

N2

N3

O1

O2

O3

O4

1.

Voorzieningen voor indirect zicht, zoals gedefinieerd in punt 2.1 van VN/ECE-Reglement nr. 46

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

2.

De bolling van de zijwanden van de banden op het contactpunt met het wegdek

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

3.

Verklikkers voor lekke banden

x

x

x

x

x

x

x

x

4.

Bandenspanningsmeters

x

x

x

x

x

x

x

x

5.

Zijmarkeringslichten

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

6.

Verlichtingsapparatuur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6.1.  Markeringslichten

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

 

6.2.  Zijretroflectoren

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

 

6.3.  Richtingaanwijzers

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

 

6.4.  Achterlichten

x

x

x

x

x

x

 

6.5.  Bedrijfsdeurverlichtingssystemen

x

x

7.

Oprijplaten, hefplatforms en soortgelijke uitrusting, indien deze zijn ingeschoven en niet meer dan 10 mm buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, en de hoeken van de naar voren of naar achteren gerichte oprijplaten zijn afgerond met een straal van ten minste 5 mm; de randen moeten afgerond zijn tot een straal van ten minste 2,5 mm

x

x

x

x

x

x

x

x

8.

Intrekbare zijdelingse geleidingsvoorzieningen bestemd voor gebruik op geleid bussysteem, indien zij niet zijn ingetrokken

x

9.

Intrekbare treden, indien deze zijn uitgeschoven en het voertuig stilstaat

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

10.

Observatie- en detectiemiddelen, met inbegrip van radars

x

x

 

x

x

x

x

x

x

▼M2

11.

Aerodynamische voorzieningen en uitrusting

De voertuigbreedte, met inbegrip van de geconditioneerde carrossierie met geïsoleerde wanden en van de gemeten uitstekende delen, mag niet meer dan 2 600 mm bedragen, zowel met de voorzieningen en uitrusting in de ingetrokken of ingeklapt stande als in de gebruiksstand.

-

x

x

-

x

x

-

-

x

x

▼B

12.

Voorzieningen voor douaneverzegeling en de afscherming ervan

x

x

x

x

x

x

x

13.

Voorzieningen voor de bevestiging van het dekzeil en de afscherming daarvan die niet meer dan 20 mm uitsteken indien zij zich op ten hoogste 2 m van de grond bevinden, en niet meer dan 50 mm wanneer zich zij meer dan 2 m van de grond bevinden. De randen moeten met een straal van ten minste 2,5 mm zijn afgerond.

x

x

x

x

x

x

x

14.

Uitstekende flexibele delen van een opspatafschermingssysteem zoals bedoeld in Verordening (EU) nr. 109/2011 van de Commissie (1)

x

x

x

x

15.

Flexibele spatborden die niet onder punt 14 vallen

x

x

x

x

x

x

x

x

x

16.

Sneeuwkettingen

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

17.

Veiligheidshekwerken op voertuigen voor voertuigvervoer.

Alleen voor voertuigen die voor het vervoer van ten minste twee andere voertuigen zijn ontworpen en gebouwd en waarbij de veiligheidshekwerken zich meer dan 2,0 m, maar niet meer dan 3,70 m van de grond bevinden en aan de zijkant niet meer dan 50 mm buiten het buitenste punt van het voertuig uitsteken.

De breedte van het voertuig mag niet meer dan 2 650 mm bedragen.

x

x

x

x

▼M2

18.

Antennes die worden gebruikt voor communicatie tussen voertuigen onderling of tussen voertuigen en infrastructuur

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

19.

Buigzame slangen van bandenspanningscontrolesystemen, mits deze aan beide zijden niet meer dan 70 mm buiten de grootste breedte van het voertuig uitsteken

 

 

 

 

 

x

 

 

x

x

(1)   PB L 34 van 9.2.2011, blz. 2.

▼M2



TABEL III

Voertuighoogte

 

M1

M2

M3

N1

N2

N3

O1

O2

O3

O4

1.

Antennes die worden gebruikt voor radio, navigatie, communicatie tussen voertuigen onderling of communicatie tussen voertuigen en infrastructuur

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

2.

Stroomafnemers of trolleystangen in de uitgeschoven stand

-

-

x

-

-

x

-

-

-

-

▼B




Aanhangsel 2

Toelaatbare afwijkingen voor typegoedkeuring en conformiteit van de productie

1.    Afmetingen

1.1. Het meten van de totale lengte, breedte en hoogte wordt uitgevoerd volgens punt 1.2 van deel A tot en met D van deze bijlage.

1.2. Mits de in punt 1.1 van deel A tot en met D van deze bijlage gespecificeerde grenswaarden niet worden overschreden, mogen de feitelijke afmetingen met ten hoogste 3 % van de door de fabrikant opgegeven waarden afwijken.

2.    Massa in rijklare toestand en feitelijke massa van het voertuig

2.1. De massa in rijklare toestand wordt uitgaande van de feitelijke massa gecontroleerd door het voertuig te wegen en de massa van de gemonteerde optionele uitrusting in mindering te brengen. Daartoe moet het weeginstrument voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 2009/23/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 8 ).

2.2. De volgens de voorschriften van punt 2.1 bepaalde massa in rijklare toestand kan afwijken van de in punt 2.6 b) van bijlage I of deel I, afdeling A of B van bijlage III bij Richtlijn 2007/46/EG of in het desbetreffende punt van het conformiteitscertificaat vermelde nominale waarden met ten hoogste:

a) 

3 % voor wat betreft de toelaatbare onderste en bovenste afwijkingen (= de negatieve en positieve afwijking rond de opgegeven waarde) bij voertuigen van de categorieën M, N en O, met uitzondering van voertuigen voor speciale doeleinden;

b) 

5 % voor wat betreft de toelaatbare onderste en bovenste afwijkingen (= de negatieve en positieve afwijking rond de opgegeven waarde) bij voertuigen voor speciale doeleinden;

c) 

5 % voor wat betreft de toelaatbare onderste en bovenste afwijkingen (= de negatieve en positieve afwijking rond de opgegeven waarde) voor de toepassing van artikel 12, lid 2, van Richtlijn 2007/46/EG.




Aanhangsel 3

Figuren met betrekking tot de manoeuvreerbaarheidsvoorschriften

Figuur 1

Manoeuvreerbaarheid cirkel image
image

image

Figuur 2

Binnenrij-methode voor voertuigen van de categorieën M2 en M3



image Figuur 2a:
Uitzwaai van de achterkant (niet-gelede voertuigen)
image
image
image

image Figuur 2b:
Uitzwaai van de achterkant (gelede voertuigen)
image
image
image

Figuur 3

Stationaire methode voor voertuigen van de categorieën N2 en N3

image

▼M2




Aanhangsel 4

Crashtest voor aerodynamische voorzieningen en uitrusting

1. Testvoorwaarden voor aerodynamische voorzieningen en uitrusting

1.1. Op verzoek van de fabrikant wordt de test uitgevoerd op een van de volgende objecten:

1.1.1. een voertuig van het type waarvoor een aerodynamische voorziening en uitrusting bestemd is;

1.1.2. een deel van de carrosserie van het voertuigtype waarvoor de aerodynamische voorziening en uitrusting bestemd is; dit deel is representatief voor het voertuigtype of de voertuigtypen in kwestie;

1.1.3. een starre wand.

1.2. Wanneer de test wordt uitgevoerd als bedoeld in de punten 1.1.2 en 1.1.3, zijn de delen die worden gebruikt om de aerodynamische voorzieningen en uitrusting te verbinden met een deel van de voertuigcarrosserie of met een starre wand, equivalent aan die welke worden gebruikt om de aerodynamische voorzieningen en uitrusting vast te maken wanneer ze op het voertuig worden gemonteerd. Elke voorziening gaat vergezeld van aanwijzingen voor de installatie en bediening die voldoende informatie verschaffen om een bekwaam persoon in staat te stellen de voorziening op de juiste wijze te installeren.

1.3. Op verzoek van de fabrikant mag de in punt 1.5 beschreven testprocedure worden uitgevoerd door middel van numerieke simulatie overeenkomstig bijlage XVI bij Richtlijn 2007/46/EG.

Het wiskundige model wordt alleen gevalideerd indien het vergelijkbaar is met de fysieke testomstandigheden. Hiertoe wordt een fysieke test uitgevoerd om de resultaten bij gebruik van het wiskundige model te kunnen vergelijken met de resultaten van een fysieke test. Er moet worden aangetoond dat de testresultaten vergelijkbaar zijn. De fabrikant stelt een valideringsrapport op.

Elke wijziging in het wiskundige model of de software die afbreuk kan doen aan de geldigheid van het valideringsrapport, vereist een nieuwe, overeenkomstig de vorige alinea uit te voeren validering.

1.4. Voorwaarden voor de uitvoering van tests of simulaties

1.4.1. Het voertuig staat stil op een horizontaal, vlak, stijf en glad oppervlak.

1.4.2. De voorwielen staan in de rechtuitstand.

1.4.3. De banden zijn tot de door de voertuigfabrikant aanbevolen spanning opgepompt.

1.4.4. Het voertuig is onbeladen.

1.4.5. Indien dit nodig is om de in punt 1.5.1.2 voorgeschreven testkracht te bereiken, mag het voertuig op om het even welke wijze worden vastgezet. Deze wijze wordt door de fabrikant van het voertuig opgegeven.

1.4.6. Voertuigen die met een hydropneumatische, hydraulische of pneumatische ophanging zijn uitgerust of van een inrichting voor automatische niveauregeling naargelang van de belading zijn voorzien, moeten worden getest met die ophanging of niveauregeling in de normale rijklare stand zoals aangegeven door de fabrikant.

1.5. Testprocedure

1.5.1. De tests worden uitgevoerd om te beoordelen of de aerodynamische voorziening en uitrusting in een gespecificeerde mate vervormen onder de krachten die parallel aan de lengteas van het voertuig worden uitgeoefend zoals bedoeld in punt 1.6.1. Als alternatief mag de voorziening onder invloed van krachten ook inklappen of intrekken. Aan de hand van geschikte meetdoorns voor het doel van de crashtest wordt nagegaan of aan het voorschrift van punt 1.6.2 is voldaan. De inrichting die wordt gebruikt om de testkracht over het genoemde vlakke oppervlak te verdelen, wordt met behulp van een scharnier aan de actuator bevestigd. In geval van geometrische onverenigbaarheden mag een adapter worden gebruikt in plaats van een inrichting met een vlak oppervlak.

1.5.1.1. Via een oppervlak of adapter van niet meer dan 250 mm hoog en niet meer dan 200 mm breed met een afrondingsstraal van 5 ± 1 mm aan de verticale randen wordt parallel aan de lengteas van het voertuig een kracht uitgeoefend. Het oppervlak mag niet star aan de aerodynamische voorziening en uitrusting bevestigd zijn en moet in alle richtingen geleed zijn. Wanneer de test wordt uitgevoerd op een voertuig als bedoeld in punt 1.1.1, wordt de hoogte van de onderrand van het oppervlak of de adapter door de fabrikant gespecificeerd in een gebied tussen de onderste rand van de aerodynamische voorziening en uitrusting en een punt van de bovenrand van het oppervlak of de adapter dat zich in de op het voertuig gemonteerde toestand op een hoogte van niet meer dan 2,0 m boven de grond bevindt (zie figuur 1). Dit punt wordt gespecificeerd op een beladen voertuig met de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand.

Wanneer de test wordt uitgevoerd op een deel van de carrosserie van het voertuigtype als bedoeld in punt 1.1.2 of op een starre wand als bedoeld in punt 1.1.3, wordt de hoogte van het midden van het oppervlak of de adapter door de fabrikant gespecificeerd in een gebied tussen de onderste rand van de aerodynamische voorziening en uitrusting en het punt dat de hoogte van niet meer dan 2,0 m boven de grond aangeeft in de op het voertuig gemonteerde toestand op een beladen voertuig met de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (zie figuur 2).

De precieze plaats van het midden van het oppervlak of de adapter in het gebied van de krachtuitoefening wordt door de fabrikant gespecificeerd. Wanneer de aerodynamische voorziening en uitrusting in het gebied van de krachtuitoefening verschillende stijfheidsgraden hebben (bv. als gevolg van versterkingen, verschillende materialen of dikten enz.), bevindt de plaats van het midden van het oppervlak of de adapter zich in het gebied met de hoogste weerstand tegen uitwendige krachten in de lengterichting van het voertuig.

Figuur 1

Hoogte testpunt

image

Figuur 2

Voorbeeld testopstelling

image

1.5.1.2. Er wordt achtereenvolgens een horizontale kracht van maximaal 4000 N ± 400 N uitgeoefend op twee punten op de achterste buitenrand van de aerodynamische voorziening en uitrusting in volledig uitgeklapte stand of de gebruiksstand die symmetrisch liggen ten opzichte van de middellijn van het voertuig of de middellijn van de voorziening (zie figuur 3). De fabrikant mag aangeven in welke volgorde deze krachten moeten worden uitgeoefend.

Figuur 3

Krachtuitoefening

image

image

1.6. Voorschriften

1.6.1. De aerodynamische voorziening en uitrusting worden zo gemonteerd dat de voorziening en uitrusting tijdens de uitoefening van de in punt 1.5.1.2 gespecificeerde testkrachten vervormt, intrekt of inklapt, resulterend in een uitsteek van ≤ 200 mm lang, gemeten in de horizontale lengterichting op de punten waarop de krachten worden uitgeoefend. De lengte van de resulterende uitsteek wordt geregistreerd.

1.6.2. De aerodynamische voorziening en uitrusting mogen geen gevaar opleveren voor de inzittenden van andere voertuigen in een botsing van achteren en mogen de bediening van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden niet nadelig beïnvloeden.




Aanhangsel 5

Driedimensionale omhulling van cabine

1. Algemene procedure voor het controleren van de conformiteit van het motorvoertuig met de parameters betreffende de driedimensionale omhulling van de cabine

1.1. Verticale grenzen van de beoordelingszone van de cabine van het motorvoertuig

1.1.1. De maximale breedte van het voertuig ter plaatse van de cabine Wc wordt gemeten vóór het verticale dwarsvlak ter plaatse van de voorste as van het motorvoertuig. De items in aanhangsel 1 worden voor het doel van deze meting niet in aanmerking genomen.

1.1.2. De breedte van de beoordelingszone van de cabineplaats van het motorvoertuig komt overeen met de maximale breedte Wc . De zone wordt begrensd door verticale longitudinale vlakken die evenwijdig zijn aan het middenlangsvlak van het motorvoertuig en een onderlinge afstand Wc hebben.

1.1.3. De horizontale longitudinale afstand Lt wordt gerekend vanaf het voorste punt van de cabineplaats van het motorvoertuig op een hoogte van ≤ 2 000 mm vanaf de grond, gemeten in de onbeladen toestand.

De afstand Lt wordt voor het doel van deze beoordeling vastgesteld op 200 mm (zie figuur 1).

De achterzijde van de beoordelingszone wordt begrensd door een verticaal dwarsvlak, loodrecht op het middenlangsvlak van het motorvoertuig, dat zich op een afstand Lt achter het hierboven genoemde voorste punt bevindt.

Figuur 1

3D-omhulling

image

1.1.4. Voor het doel van punt 1.3.3.2 worden de intersecties van het achtervlak dat de zijde van de beoordelingszone vormt, met beide aan de buitenkant gelegen hoekvlakken, de lijnen Tleft en Tright , in beschouwing genomen (zie figuur 2).

Figuur 2

3D-omhulling

image

1.2. Horizontale grenzen van de beoordelingszone van de cabine van het motorvoertuig

1.2.1. In de beoordelingszone wordt de onderste grenslijn van de voorkant vastgesteld op het wegdek en de bovenste grenslijn van de voorkant op 2 000 mm boven het wegdek, gemeten in de onbeladen toestand.

1.3. Specifieke bepalingen voor de beoordelingszone van de cabine van het motorvoertuig

1.3.1. Voor de toepassing van dit aanhangsel wordt de voorkant van de cabineplaats van het motorvoertuig in aanmerking genomen, ongeacht het type materiaal. De in aanhangsel 1 genoemde items worden evenwel niet in aanmerking genomen.

1.3.2. Helling van de voorkant van de cabine

1.3.2.1. Voor de toepassing van dit aanhangsel wordt onder de „helling” verstaan de achterwaartse inclinatie van de voorkant van de cabineplaats vanaf de verticaal, waarbij elk punt dat hoger ligt dan een ander punt, verder naar achteren ligt dan dit andere punt.

1.3.2.2. Voor de beoordelingszone van de helling wordt het voorste punt van de cabineplaats van het motorvoertuig zoals bedoeld in punt 1.1.3 in aanmerking genomen.

De intersectie van het verticale transversale vlak door het voorste punt van de cabine op een hoogte van 2 000 mm vanaf de grond, gemeten in de onbeladen toestand, met het horizontale vlak op een hoogte van 1 000 mm wordt bepaald. Deze snijlijn wordt vervolgens gebruikt als de basislijn van de omhulling om de helling van de cabine van het voertuig binnen de gegeven beoordelingszone te beoordelen.

1.3.2.3. Er wordt een vlak genomen dat rond de basislijn van de omhulling als bedoeld in de tweede alinea van punt 1.3.2.2 draait, en dat ten opzichte van de verticaal onder een hoek van 3° naar achteren helt (zie figuur 3).

Figuur 3

Helling

image

1.3.2.4. Geen enkel punt van het werkelijke oppervlak van de voorkant, zoals gelegen in de beoordelingszone van de helling, mag vóór het achterwaarts hellende vlak als bedoeld in punt 1.3.2.3 liggen wanneer het voorste punt van de cabineplaats van het motorvoertuig het verticale transversale vlak raakt.

1.3.3. Taps toelopen van de zijkanten van de cabine van het motorvoertuig

1.3.3.1. In de beoordelingszone van de cabineplaats loopt de voorkant zo toe dat de desbetreffende nominale oppervlakten in het algemeen naar een gemeenschappelijk gebied leiden dat vóór de cabine en in het middenlangsvlak van het motorvoertuig ligt.

1.3.3.2. Er worden twee symmetrische verticale vlakken in beschouwing genomen, een aan de linkerzijde en een aan de rechterzijde, beide onder een horizontale hoek van 20° ten opzichte van het middenlangsvlak en dus onder een hoek van 40° ten opzichte van elkaar. Deze vlakken zijn zo gelegen dat ze respectievelijk ook de in punt 1.1.3 bedoelde lijnen Tleft en Tright snijden.

1.3.3.3. Geen enkel punt van het werkelijke oppervlak van de voorkant, zoals gelegen in de linker- en rechterbuitenzones, mag buiten het respectieve verticale vlak als bedoeld in punt 1.3.3.2 liggen wanneer het voorste punt van de cabineplaats van het motorvoertuig het verticale transversale vlak raakt als bedoeld in punt 1.3.2.4.

2. Indien aan een van de voorschriften in dit aanhangsel niet is voldaan, wordt de cabine van het motorvoertuig geacht niet in overeenstemming te zijn met de parameters van de driedimensionale omhulling als bedoeld in punt 1.4.1 van deel C van deze bijlage.

▼B




BIJLAGE II

HELLINGVERMOGEN VAN TERREINVOERTUIGEN

1.    Algemeen

1.1.

Deze bijlage bevat de technische voorschriften voor de verificatie van het hellingvermogen van een voertuig om als terreinvoertuig te worden ingedeeld, overeenkomstig deel A, punt 4, van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG.

1.2.

De technische dienst verifieert of het complete of voltooide voertuig of de opleggertrekker overeenkomstig de voorschriften van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG als terreinvoertuig is te beschouwen.

1.3.

Voor incomplete voertuigen wordt deze verificatie alleen op verzoek van de fabrikant uitgevoerd.

2.    Testvoorwaarden

2.1.   Toestand van het voertuig

2.1.1. Het voertuig wordt in de door de fabrikant aanbevolen toestand gebracht en uitgerust met de in bijlage I bij Richtlijn 2007/46/EG bedoelde uitrusting.

2.1.2. De afstelling van de remmen, koppeling (of gelijkwaardige voorziening), motor en versnellingsbak vindt plaats overeenkomstig de aanbevelingen van de fabrikant voor gebruik buiten de normale wegen.

2.1.3. De voor gebruik in het terrein aanbevolen banden moeten worden gebruikt. Zij moeten ten minste 90 % van de profieldiepte van een nieuwe band hebben De banden worden op de door de fabrikant aanbevolen bandenspanning gebracht.

2.1.4. Het voertuig moet tot de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand worden belast, zodanig dat de ladingsverdeling in verhouding staat tot de verdeling van de maximummassa over de assen zoals door de fabrikant opgegeven.

Een voertuig van 7,5 ton met een maximummassa op de vooras van 4 ton en een maximummassa op de achteras van 6 ton wordt bijvoorbeeld getest met een massa van 3 ton (40 %) op de vooras en 4,5 ton (60 %) op de achteras.

2.2.   Toestand van de testbaan

2.2.1. Het oppervlak van de testbaan moet droog zijn en uit asfalt of beton bestaan.

2.2.2. Het hellingspercentage moet continu 25 % bedragen, met een tolerantie van + 3 % (θ = 14 graden).

2.2.3. In overleg met de fabrikant mag de test worden uitgevoerd bij een hellingspercentage van meer dan 25 %. De test moet in dat geval worden uitgevoerd met maximummassa’s die in overeenstemming met de testvoorwaarden zijn verminderd.

Deze voorwaarden moeten worden gerapporteerd.

2.2.4. Het oppervlak van de baan moet een goede wrijvingscoëfficiënt hebben.

De slipweerstandsindex (SRI) van het oppervlak moet overeenkomstig CEN/TS-norm 13036-2:2010 Road and airfield surface characteristics — Test methods — Part 2: Assessment of the skid resistance of a road pavement surface by use of dynamic measuring systems worden gemeten.

De gemiddelde waarde van de SRI moeten worden gerapporteerd.

3.    Testprocedure

3.1.

Het voertuig wordt eerst op een horizontaal vlak geplaatst.

3.2.

De voor gebruik in het terrein gebruikte tractiewijze wordt ingesteld. De ingeschakelde versnelling(en) moet(en) een constante snelheid mogelijk maken.

3.3.

De punten 4 en 5 van aanhangsel 1 van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG zijn van toepassing.




BIJLAGE III

VOORWAARDEN VOOR GELIJKSTELLING VAN EEN VERING MET LUCHTVERING

1.

Deze bijlage bevat de technische voorwaarden voor gelijkstelling van een vering met luchtvering voor aangedreven as(sen) van voertuigen.

2.

Om als gelijkwaardig aan luchtvering te worden erkend, moet een vering aan de volgende voorschriften voldoen:

2.1. 

Tijdens vrije laagfrequente verticale uittrilling van de afgeveerde massa boven een aangedreven as of groep assen moeten de gemeten frequentie en de demping met de maximale belasting van de vering binnen de in de punten 2.3 tot en met 2.6 aangegeven limieten liggen.

2.2. 

Iedere as moet zijn uitgerust met hydraulische dempers. Op een groep assen moeten de dempers zodanig zijn geplaatst dat de trilling van de groepen assen tot het minimum wordt beperkt.

2.3. 

De gemiddelde dempingsgraad Dm moet groter zijn dan 20 % van de kritische demping voor de vering in normale toestand met operationele hydraulische dempers.

2.4. 

De dempingsgraad Dr van de vering mag, wanneer alle hydraulische dempers verwijderd of buiten werking zijn, niet groter zijn dan 50 % van Dm.

2.5. 

De frequentie van de afgeveerde massa boven de aangedreven as of groep assen mag in een vrije verticale uittrilling niet groter dan 2,0 Hz zijn.

2.6. 

De testprocedures voor het meten van de frequentie en de demping worden beschreven in punt 3.

3.

Testprocedure

3.1.    Frequentie en demping

3.1.1. De vrije uittrilling van de afgeveerde massa wordt berekend met de volgende vergelijking:

image

waarbij:

M de afgeveerde massa (kg) is,
Z de verticale verplaatsing van de afgeveerde massa (m) is,
C de totale dempingscoëfficiënt (N.s/m) is, en
K de totale verticale stijfheid tussen het wegdek en de afgeveerde massa (N/m) is.

3.1.2. De trillingsfrequentie F (in Hz) van de afgeveerde massa wordt berekend met de volgende vergelijking:

image

3.1.3. De demping is kritisch wanneer C = Co

waarin:

image

De dempingsgraad, weergegeven als een breuk van de kritische demping, is C/Co.

3.1.4. Tijdens vrije uittrilling van de afgeveerde massa zal de verticale beweging van de massa een gedempte sinusoïdale baan volgen (figuur 2). De frequentie kan worden geraamd door de tijd te meten voor zoveel trillingscycli als kunnen worden waargenomen. De demping kan worden geraamd door de hoogte te meten van de opeenvolgende pieken van de trilling in dezelfde richting.

3.1.5. Indien de piekamplitudes van de eerste en de tweede trillingscyclus A1 en A2 zijn, wordt de dempingsgraad D berekend met de volgende vergelijking:

image

waarin ln de natuurlijke logaritme van de amplitudeverhouding is.

3.2.    Testprocedure

Voor de experimentele bepaling van de dempingsgraad Dm, de dempingsgraad Dr wanneer de hydraulische dempers zijn verwijderd, en de frequentie F van de vering moet het beladen voertuig:

a) 

hetzij bij lage snelheid (5 ± 1 km/h) over een afstapje van 80 mm met het in figuur 1 aangegeven profiel worden gereden. De op frequentie en demping te analyseren uittrilling is die welke optreedt nadat de wielen van de aangedreven as het afstapje zijn gepasseerd;

b) 

hetzij bij het chassis naar beneden worden getrokken, zodat de druk op de aangedreven as 1,5 maal zo groot als de maximale statistische waarde ervan is. De trek naar beneden wordt plotseling opgeheven en de daaropvolgende trilling wordt geanalyseerd;

c) 

hetzij bij het chassis naar omhoog worden getrokken zodat de afgeveerde massa 80 mm boven de aangedreven as wordt geheven. De trek naar boven wordt plotseling opgeheven en de daaropvolgende trilling wordt geanalyseerd;

d) 

hetzij andere testprocedures ondergaan, voor zover de fabrikant ten genoegen van de technische dienst heeft aangetoond dat die gelijkwaardig zijn.

3.3.    Testuitrusting van het voertuig en beladingstoestand

3.3.1 Op het voertuig moet tussen de aangedreven as en het chassis, onmiddellijk boven de aangedreven as, een verplaatsingsopnemer worden aangebracht. Door het meten van het tijdsinterval tussen de eerste en tweede compressiepiek op de daarmee verkregen lijn wordt de demping gevonden.

Voor aangedreven tandemasstellen moeten de verplaatsingsopnemers worden aangebracht tussen iedere aangedreven as en het zich onmiddellijk daarboven bevindende gedeelte van het chassis.

3.3.2. De banden moeten tot de door de fabrikant aanbevolen juiste spanning zijn opgepompt.

3.3.3 De test voor de verificatie van de gelijkwaardigheid van de veringen geschiedt met de technisch toelaatbare maximummassa op de as of de groep assen en de gelijkwaardigheid wordt geacht te gelden voor alle lagere massa’s.

Figuur 1

Afstapje voor veringstests

image

Figuur 2

Een gedempte sprongkarakteristiek

image




BIJLAGE IV

TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN VOOR DE INSTALLATIE OP VOERTUIGEN VAN BELASTBARE OF LIFTASSEN

1. Indien een voertuig met een of meer belastbare of liftassen is uitgerust, moet worden gewaarborgd dat onder normale rijomstandigheden de maximaal toelaatbare massa’s bij registratie/in het verkeer brengen op enkelvoudige assen en groepen assen niet worden overschreden. Daartoe moet de belastbare of liftas automatisch op de grond worden neergelaten of automatisch worden belast, indien de dichtstbijzijnde as(sen) van de groep of de vooras(sen) van het motorvoertuig tot de maximaal toelaatbare massa(’s) bij registratie/in het verkeer brengen is (zijn) belast.

Wanneer een liftas zich in de opgetrokken stand bevindt, moet worden gewaarborgd dat de massa op de gestuurde as(sen) nog steeds voldoende is om ervoor te zorgen dat in alle omstandigheden veilig met het voertuig kan worden gereden. Daartoe moet de voertuigfabrikant voor incomplete voertuigen de minimummassa op de gestuurde as(sen) specificeren.

2. Iedere ashefinrichting die is gemonteerd op een voertuig en de systemen voor de werking ervan moeten zodanig zijn ontworpen en geïnstalleerd dat zij beveiligd zijn tegen verkeerd gebruik en manipulatie.

3. Voorschriften voor het wegrijden van motorvoertuigen op gladde oppervlakken en ter verbetering van de manoeuvreerbaarheid

3.1. In afwijking van de voorschriften van punt 1, en om het wegrijden van motorvoertuigen of voertuigcombinaties op gladde bodem te vergemakkelijken en de greep van de banden op die oppervlakken te vergroten en de manoeuvreerbaarheid te verbeteren, mag de ashefinrichting de belastbare of liftas(sen) van het motorvoertuig of de oplegger bewegen om de massa op de aangedreven as te vergroten of te verkleinen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de massa die overeenkomt met de belasting op iedere as van het voertuig mag de in de lidstaat geldende maximaal toegestane massa overschrijden met ten hoogste 30 %, op voorwaarde dat de door de fabrikant voor dat speciale doel opgegeven waarde niet wordt overschreden;

b) 

de massa die overeenkomt met de resterende belasting op de vooras(sen) moet meer dan nul blijven (d.w.z. bij een belastbare achteras met een lange achteroverbouw mag het voertuig niet aan de voorkant van de grond komen);

c) 

de belastbare of liftas(sen) mogen alleen met behulp van een specifiek bedieningsorgaan worden bewogen;

d) 

na het wegrijden van het motorvoertuig moet(en) de as(sen) automatisch weer op de grond worden neergelaten of worden belast voordat het voertuig een snelheid heeft bereikt van meer dan 30 km/h.




BIJLAGE V

▼M2

DEEL A

EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan wat de massa’s en afmetingen van een voertuig betreft

Inlichtingenformulier

MODEL

▼B

Inlichtingenformulier nr. … betreffende de EG-typegoedkeuring van een motorvoertuig en aanhangwagens daarvan wat de massa's en afmetingen van een voertuig betreft.

De onderstaande gegevens worden in drievoud verstrekt en gaan vergezeld van een inhoudsopgave. Eventuele tekeningen moeten op een passende schaal en met voldoende details, in formaat A4 of tot dat formaat gevouwen, worden ingediend. Op eventuele foto's moeten voldoende details te zien zijn.

0.   ALGEMEEN

0.1.

Merk (handelsnaam van fabrikant): …

0.2.

Type: …

0.2.1.

Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar): …

0.4.

Voertuigcategorie ( 9 ): …

0.5.

Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …

0.8.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en): …

0.9.

Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant (indien van toepassing): …

1.   ALGEMENE CONSTRUCTIEKENMERKEN VAN HET VOERTUIG

1.1.

Foto's en/of tekeningen van een representatief voertuig: …

1.2.

Maattekening van het gehele voertuig: …

1.3.

Aantal assen en wielen: …

1.3.1.

Aantal en plaats van de assen met dubbellucht: …

1.3.2.

Aantal en plaats van de gestuurde assen: …

1.3.3.

Aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding): …

1.4.

Chassis (indien aanwezig) (overzichtstekening): …

1.7.

Stuurcabine (front of torpedo) ( 10 ): …

1.9.

Geef aan of het trekkende voertuig bestemd is om een oplegger of andere aanhangwagen te trekken en of die aanhangwagen een oplegger, een autonome aanhangwagen, een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel is: …

1.10.

Geef aan of het voertuig speciaal ontworpen is voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur: …

2.   MASSA'S EN AFMETINGEN ( 12 ) ( 13 ) ( 14 )

(in kg en mm) (in voorkomend geval naar tekening verwijzen):

2.1.

Wielbasis of -bases (bij volle belasting) ( 15 ): …

2.1.1.

Tweeassige voertuigen: …

2.1.2.

Voertuigen met drie of meer assen:

2.1.2.1.

Afstand tussen de opeenvolgende assen van de voorste naar de achterste as toe: …

2.1.2.2.

Totale asafstand: …

2.2.

Koppelschotel

2.2.1.   Voor opleggers

2.2.1.1.

Afstand tussen de as van de koppelingspen van de koppelschotel en het achterste punt van de oplegger: …

2.2.1.2.

Maximumafstand tussen de as van de koppelingspen van de koppelschotel en een willekeurig punt aan de voorzijde van de oplegger: …

2.2.1.3.

Referentiewielbasis van de oplegger (zoals voorgeschreven in deel D, punt 3.2, van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1230/2012: …

2.2.2.   Voor opleggertrekkers

2.2.2.1.

Afstand hart koppelschotel/hart achteras (maximaal en minimaal; de toelaatbare waarden voor een incompleet voertuig aangeven) ( 16 ): …

2.3.

Spoorwijdte en breedte van de assen

2.3.1.

Spoorwijdte van elke gestuurde as ( 17 ): …

2.3.2.

Spoorwijdte van alle andere assen (17) : …

2.4.

Bereik van de afmetingen van het voertuig (buitenmaten)

2.4.1.   Voor chassis zonder carrosserie

2.4.1.1.

Lengte ( 18 ): …

2.4.1.1.1.

Maximaal toelaatbare lengte: …

2.4.1.1.2.

Minimaal toelaatbare lengte: …

2.4.1.1.3.

Bij aanhangwagens, maximaal toelaatbare lengte van de dissel ( 19 ): …

2.4.1.2.

Breedte ( 20 ): …

2.4.1.2.1.

Maximaal toelaatbare breedte: …

2.4.1.2.2.

Minimaal toelaatbare breedte: …

2.4.1.3.

Hoogte ( 21 ) (bij in hoogte verstelbare vering de normale rijstand aangeven): …

2.4.1.4.

Vooroverbouw ( 22 ): …

2.4.1.4.1.

Oploophoek ( 23 ) ( 24 ) … graden.

2.4.1.5.

Achteroverbouw ( 25 ): …

2.4.1.5.1.

Afloophoek ( 26 (24) : … graden.

2.4.1.5.2.

Minimaal en maximaal toelaatbare overhang van het koppelpunt ( 27 ): …

2.4.1.6.

Bodemvrijheid (zoals gedefinieerd in de punten 3.1.1 en 3.2.1 van aanhangsel 1 van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG)

2.4.1.6.1.

Tussen de assen: …

2.4.1.6.2.

Onder de vooras(sen): …

2.4.1.6.3.

Onder de achteras(sen): …

2.4.1.8.

Positie van het zwaartepunt van de carrosserie en/of binneninrichting en/of uitrusting en/of nuttige lading (minimum en maximum): …

2.4.2.   Voor chassis met carrosserie

2.4.2.1.

Lengte (18) : …

2.4.2.1.1.

Lengte van de laadruimte: …

▼M2

2.4.2.1.3.

Verlengde cabine die voldoet aan artikel 9 bis van Richtlijn 96/53/EG: ja/neen (1)

▼B

2.4.2.2.

Breedte (20) : …

2.4.2.2.1.

Dikte van de wanden (bij voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur): …

2.4.2.3.

Hoogte (21)  (bij in hoogte verstelbare vering de normale rijstand aangeven): …

2.4.2.4.

Vooroverbouw (22) : …

2.4.2.4.1.

Oploophoek (23)  (24) : … graden

2.4.2.5.

Achteroverbouw (25) : …

2.4.2.5.1.

Afloophoek (26)  (24) : … graden

2.4.2.5.2.

Minimaal en maximaal toelaatbare overhang van het koppelpunt (27) : …

2.4.2.6.

Bodemvrijheid (zoals gedefinieerd in de punten 3.1.1 en 3.2.1 van aanhangsel 1 van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG) (24) 

2.4.2.6.1.

Tussen de assen: …

2.4.2.6.2.

Onder de vooras(sen): …

2.4.2.6.3.

Onder de achteras(sen): …

2.4.2.8.

Posities van het zwaartepunt van de nuttige massa (bij een niet-gelijkmatig verdeelde lading): …

2.4.3.   Voor carrosserie goedgekeurd zonder chassis (voertuigen van de categorieën M2 en M3)

2.4.3.1.

Lengte (18) : …

2.4.3.2.

Breedte (20) : …

2.4.3.3.

Hoogte (21)  van het (de) bedoelde chassistype(n) (bij in de hoogte verstelbare vering de normale rijstand aangeven): …

2.5.

Minimummassa op de gestuurde as(sen) voor incomplete voertuigen:

2.6.

Massa in rijklare toestand ( 28 )

a)

(minimum en maximum voor elke variant): …

2.6.1.

Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel, de massa op het koppelpunt: …

a)

(minimum en maximum voor elke variant): …

2.6.2.

Massa van de optionele uitrusting (zie de definitie in artikel 2, punt 5, van Verordening (EU) nr. 1230/2012: …

▼M2

2.6.4.

Bijkomende massa voor alternatieve aandrijving: … kg

▼B

2.8.

Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand ( 29 ): …

2.8.1.

Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel, de belasting op het koppelpunt: …

2.9.

Technisch toelaatbare maximummassa op iedere as:

2.10.

Technisch toelaatbare maximummassa op iedere groep assen:

2.11.

Technisch toelaatbare getrokken maximummassa van het trekkende voertuig

in het geval van een:

2.11.1.

autonome aanhangwagen: …

2.11.2.

oplegger: …

2.11.3.

middenasaanhangwagen: …

2.11.4.

aanhangwagen met stijve dissel:

2.11.4.1.

Maximumverhouding tussen koppelingsoverhang ( 30 ) en wielbasis: …

2.11.4.2.

Maximale V-waarde: … kN

2.11.5

Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie: …

2.11.6.

Maximummassa van niet-geremde aanhangwagen: …

2.12.

Technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt

2.12.1.

van een trekkend voertuig: …

2.12.2.

van een oplegger, middenasaanhangwagen of autonome aanhangwagen: …

2.12.3.

Maximaal toelaatbare massa van de koppelinrichting (indien deze niet door de fabrikant is gemonteerd): …

2.16.

Beoogde maximaal toelaatbare massa's bij registratie/in het verkeer brengen (facultatief)

2.16.1.

Maximaal toelaatbare massa in beladen toestand bij registratie/in het verkeer brengen ( 31 ): …

2.16.2.

Maximaal toelaatbare massa op elke as bij registratie/in het verkeer brengen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de door de fabrikant opgegeven beoogde belasting op het koppelpunt indien deze lager is dan de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt (31) : …

2.16.3.

Maximaal toelaatbare massa op elke groep assen bij registratie/in het verkeer brengen (31) : …

2.16.4.

Maximaal toelaatbare getrokken massa bij registratie/in het verkeer brengen (31) : …

2.16.5.

Maximaal toelaatbare massa van de combinatie bij registratie/in het verkeer brengen (31) : …

3.   MOTOR ( 32 )

3.1.

Fabrikant van de motor:

3.2.

Verbrandingsmotor

3.2.1.8.

Nettomaximumvermogen ( 33 ): … kW bij … min–1 (door de fabrikant opgegeven waarde)

Opmerking: voor de toepassing van deze verordening mag naar de motor met het laagste vermogen worden verwezen.

3.3.

Elektrische motor

3.3.1.1.

Maximumuurvermogen: … kW

3.4.

Motor of motorcombinatie

3.4.1.

Hybride elektrisch voertuig: ja/neen ( 35 )

3.4.5.4.

Maximumvermogen: … kW

▼M2

3.9.

Lijst van uitrusting voor alternatieve aandrijving (en aanduiding van de massa van de onderdelen): …

▼B

4.   TRANSMISSIE ( 36 )

4.1.

Tekening van de transmissie (24) : …

5.   ASSEN

5.1.

Beschrijving van elke as: …

5.2.

Merk: …

5.3.

Type: …

5.4.

Plaats van de liftas(sen): …

5.5.

Plaats van de belastbare as(sen): …

6.   OPHANGING

6.1.

Tekening van de ophanging: …

6.2.

Type en ontwerp van de ophanging van elke as of elk asstel of elk wiel:

6.2.3.

Luchtvering van de aangedreven as(sen): ja/neen (35) 

6.2.3.1.

Vering van de aangedreven as(sen), gelijkwaardig met luchtvering: ja/neen (35) 

6.2.3.2.

Frequentie en demping van de trilling van de afgeveerde massa: …

6.2.4.

Luchtvering voor niet-aangedreven as(sen): ja/neen (35) 

6.2.4.1.

Vering van niet-aangedreven as(sen), gelijkwaardig met luchtvering: ja/neen (35) 

6.2.4.2.

Frequentie en demping van de trilling van de afgeveerde massa: …

6.3.

Verdeling van de massa over de assen die deel uitmaken van een groep assen (indien nodig passende grafieken overleggen): …

6.6.

Banden en wielen

6.6.1.   Band/wielcombinatie(s) ( 37 )

a) 

voor banden vermelden

i) 

maataanduiding: …

ii) 

belastingsindex: …

iii) 

snelheidscategoriesymbool: …

6.6.1.1.   Assen

6.6.1.1.1.

As 1: …

6.6.1.1.2.

As 2: …

enz.

9.   CARROSSERIE

9.1.

Type carrosserie met gebruikmaking van de in deel C van bijlage II gedefinieerde codes:

9.10.3.   Zitplaatsen

9.10.3.1.

Aantal zitplaatsen(s) ( 38 ): …

9.10.3.1.1.

Plaats en opstelling: …

9.10.3.5.

Coördinaten of tekening van het R-punt ( 39 )

9.10.3.5.1.

Bestuurdersstoel: …

9.10.3.5.2.

Alle overige zitplaatsen: …

▼M2

9.25.

Verlengde cabines die voldoen aan artikel 9 bis van Richtlijn 96/53/EG:

9.25.1.   Gedetailleerde technische beschrijving (met foto’s of tekeningen, en beschrijving van de materialen) van de voertuigdelen die relevant zijn voor bijlage I, deel C, punt 1.4, van Verordening (EU) nr. 1230/2012: …

9.26.

Aerodynamische voorziening of uitrusting aan de voorkant van het voertuig

9.26.1.   Voertuig uitgerust met aerodynamische voorziening of uitrusting aan de voorkant: ja/neen (1)

9.26.2.   Typegoedkeuringsnummer van de aerodynamische voorziening of uitrusting, indien beschikbaar: … of, indien niet beschikbaar:

9.26.3.   Gedetailleerde beschrijving (met foto’s of tekeningen) van de aerodynamische voorziening of apparatuur:

9.26.3.1. Constructie en materialen: …

9.26.3.2. Vergrendel- en verstelsysteem: …

9.26.3.3. Bevestiging en montage op het voertuig: …

9.27.

Aerodynamische voorziening of uitrusting aan de achterkant van het voertuig

9.27.1.   Voertuig uitgerust met aerodynamische voorziening of uitrusting aan de achterkant: ja/neen (1)

9.27.2.   Typegoedkeuringsnummer van de aerodynamische voorziening of uitrusting, indien beschikbaar … of, indien niet beschikbaar:

9.27.3.   Gedetailleerde beschrijving (met foto’s of tekeningen) van de aerodynamische voorziening of apparatuur:

9.27.3.1. Constructie en materialen: …

9.27.3.2. Vergrendel- en verstelsysteem: …

9.27.3.3. Bevestiging en montage op het voertuig: …

▼B

11.   VERBINDINGEN TUSSEN TREKKENDE VOERTUIGEN EN AANHANGWAGENS OF OPLEGGERS

11.1.

Klasse en type van de gemonteerde of te monteren koppelinrichting(en): …

11.2.

Kenmerken D, U, S en V van de gemonteerde koppelinrichting(en) of minimumkenmerken D, U, S en V van de te monteren koppelinrichting(en): … daN

13.   BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR BUSSEN EN TOERBUSSEN

13.1.   Voertuigklasse: Klasse I/Klasse II/Klasse III/Klasse A/Klasse B (35) 

13.2.   Oppervlak bestemd voor passagiers (m2)

13.2.1.

Totaal (S0): …

13.2.2.

Bovendek (S0a(35) : …

13.2.3.

Benedendek (S0b(35) : …

13.2.4.

Voor staande passagiers (S1): …

13.3.   Aantal passagiers (zit- en staanplaatsen)

13.3.1.

Totaal (N): …

13.3.2.

Bovendek (Na(35) : …

13.3.3.

Benedendek (Nb(35) : …

13.4.   Aantal passagierszitplaatsen

13.4.1.

Totaal (A): …

13.4.2.

Bovendek (Aa(35) : …

13.4.3.

Benedendek (Ab(35) : …

13.4.4.

Aantal rolstoelplaatsen bij voertuigen van de categorieën M2 en M3: …

13.7.

Inhoud van de bagageruimte (m3): …

13.12.

Tekening met de afmetingen van de binneninrichting wat betreft de zitplaatsen, ruimte voor staande passagiers, rolstoelgebruikers en bagageruimten met inbegrip van rekken en skiboxen, indien van toepassing

Toelichting

(b) Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn om het type voertuig, onderdeel of technische eenheid te beschrijven waarop dit inlichtingenformulier betrekking heeft, worden deze tekens op het formulier weergegeven door het symbool „?” (bijvoorbeeld ABC??123??).

(

g3

)

 
— 
term nr. 6.20.

(

g14

)

 
— 
term nr. 6.9.

(l) Dit cijfer moet worden afgerond op het naaste tiende gedeelte van een millimeter.

(o) Vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 80/1268/EEG van de Raad ( 41 ).

▼M2

DEEL B

EG-typegoedkeuringscertificaat van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan wat de massa’s en afmetingen van voertuigen betreft

MODEL

Formaat: A4 (210 × 297 mm)

EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT

▼B

Stempel van de typegoedkeuringsinstantie

Mededeling betreffende de:



—  EG-typegoedkeuring (1)

right accolade van een voertuigtype wat de massa's en afmetingen betreft

—  uitbreiding van de EG-typegoedkeuring (1)

—  weigering van de EG-typegoedkeuring (1)

—  intrekking van de EG-typegoedkeuring (1)

 

▼M2

krachtens Verordening (EU) nr. 1230/2012, zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/1892

▼B

EG-typegoedkeuringsnummer:

Reden voor de uitbreiding:

AFDELING I

0.1.

Merk (handelsnaam van fabrikant):

0.2.

Type:

0.2.1.

Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar):

0.4.

Voertuigcategorie (2):

0.5.

Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant:

0.8.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.9.

Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant (indien van toepassing):

AFDELING II

1.

Aanvullende informatie (indien van toepassing): zie addendum

2.

Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:

3.

Datum van het testrapport:

4.

Nummer van het testrapport:

5.

Eventuele opmerkingen:

6.

Plaats:

7.

Datum:

8.

Handtekening:

Bijlagen

:

1) 

Informatiepakket (alle pagina's moeten voorzien zijn van het stempel van de typegoedkeuringsinstantie).

2) 

Testrapport.

3) 

Voor voertuigen met een als gelijkwaardig aan luchtvering erkende vering, het testrapport en de technische beschrijving van de vering.

▼M2

Addendum

bij EG-typegoedkeuringscertificaat nr.. ..

1. Afwijkingen

1.1. Voor het voertuig is typegoedkeuring verleend krachtens artikel 6, lid 1, van deze Verordening (d.w.z. de buitenste afmetingen van het voertuig bedragen meer dan de in deel A, B, C of D van bijlage I vermelde maximale afmetingen): ja/neen ( 42 )

1.2. Voor het voertuig is typegoedkeuring verleend voor de doeleinden van artikel 8 ter van Richtlijn 96/53/EG (d.w.z. aerodynamische voorzieningen of uitrusting achteraan op het voertuig): ja/neen (42) 

1.3. Voor het voertuig is typegoedkeuring verleend voor de doeleinden van artikel 9 bis van Richtlijn 96/53/EG (d.w.z. een verlengde cabine of een cabine waarop aerodynamische voorzieningen of uitrusting zijn aangebracht): ja/neen (42) 

1.4. Voor het voertuig is typegoedkeuring verleend voor de doeleinden van artikel 10 ter van Richtlijn 96/53/EG:

1.4.1. Bijkomend gewicht van door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuigen: ja/neen (42) 

1.4.2. Bijkomend gewicht van emissievrije voertuigen: ja/neen (42) 

2. Het voertuig is voorzien van luchtvering: ja/neen (42) 

3. Het voertuig is voorzien van een als gelijkwaardig aan luchtvering erkende vering: ja/neen (42) 

4. Het voertuig voldoet aan de voorschriften voor een terreinvoertuig: ja/neen (42) 

5. Opmerkingen: …

▼M2

DEEL C

EG-typegoedkeuring van een aerodynamische voorziening of uitrusting als technische eenheid

Inlichtingenformulier

MODEL

Inlichtingenformulier nr. … betreffende de EG-typegoedkeuring van een aerodynamische voorziening of uitrusting als technische eenheid

De onderstaande gegevens worden in drievoud verstrekt en gaan vergezeld van een inhoudsopgave. Eventuele tekeningen moeten op een passende schaal en met voldoende details, in A4-formaat of tot dat formaat gevouwen, worden ingediend. Op eventuele foto’s moeten voldoende details te zien zijn.

Indien de in dit inlichtingenformulier bedoelde technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, worden ook gegevens over de prestaties verstrekt.

0. ALGEMEEN

0.1. Merk (handelsnaam van de fabrikant): …

0.2. Type: …

0.3. Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op de technische eenheid (b): …

0.3.1. Plaats van dat merkteken: …

0.5. Naam en adres van de fabrikant: …

0.7. Plaats en wijze van aanbrenging van het EG-typegoedkeuringsmerk: …

0.8. Naam en adres van de assemblagefabriek(en): …

0.9. Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant: …

9.26. Aerodynamische voorziening of uitrusting aan de voorkant van het voertuig

9.26.1. Voertuig uitgerust met aerodynamische voorziening of uitrusting aan de voorkant: ja/neen (1)

9.26.2. Typegoedkeuringsnummer van de aerodynamische voorziening of uitrusting, indien beschikbaar: … of, indien niet beschikbaar:

9.26.3. Gedetailleerde beschrijving (met foto’s of tekeningen) van de aerodynamische voorziening of apparatuur:

9.26.3.1. Constructie en materialen: …

9.26.3.2. Vergrendel- en verstelsysteem: …

9.26.3.3. Bevestiging en montage op het voertuig: …

9.27. Aerodynamische voorziening of uitrusting aan de achterkant van het voertuig

9.27.1. Voertuig uitgerust met aerodynamische voorziening of uitrusting aan de achterkant: ja/neen (1)

9.27.2. Typegoedkeuringsnummer van de aerodynamische voorziening of uitrusting, indien beschikbaar … of, indien niet beschikbaar:

9.27.3. Gedetailleerde beschrijving (met foto’s of tekeningen) van de aerodynamische voorziening of apparatuur:

9.27.3.1. Constructie en materialen: …

9.27.3.2. Vergrendel- en verstelsysteem: …

9.27.3.3. Bevestiging en montage op het voertuig: …

Toelichting

(b) Indien het identificatiemerkteken van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de beschrijving van het type technische eenheid waarop dit inlichtingenformulier betrekking heeft, worden deze tekens op het formulier weergegeven door het symbool„?” (bijv. ABC??123??).

(1) Doorhalen wat niet van toepassing is.

DEEL D

EG-typegoedkeuringscertificaat voor een aerodynamische voorziening of uitrusting als technische eenheid

MODEL

Formaat: A4 (210 × 297 mm)

EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT

Stempel van de typegoedkeuringsinstantie

Mededeling betreffende de:



— EG-typegoedkeuring (1)

— uitbreiding van de EG-typegoedkeuring (1)

— weigering van de EG-typegoedkeuring (1)

— intrekking van de EG-typegoedkeuring (1)

image

van een type aerodynamische voorziening of uitrusting als technische eenheid

krachtens Verordening (EU) nr. 1230/2012, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/1892 ( 43 )

EG-typegoedkeuringsnummer: …

Reden voor uitbreiding: …

AFDELING I

0.1. Merk (handelsnaam van de fabrikant): …

0.2. Type: …

0.3. Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op de technische eenheid ( 44 ): …

0.3.1. Plaats van dat merkteken: …

0.5. Naam en adres van de fabrikant: …

0.7. Plaats en wijze van aanbrenging van het EG-typegoedkeuringsmerk: …

0.8. Naam en adres van de assemblagefabriek(en): …

0.9. Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant: …

AFDELING II

1. Aanvullende informatie: zie addendum.

2. Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests: …

3. Datum van het testrapport: …

4. Nummer van het testrapport: …

5. Eventuele opmerkingen: zie addendum.

6. Plaats: …

7. Datum: …

8. Handtekening: …

Bijlagen: Informatiepakket

Testrapport

Addendum

bij EG-typegoedkeuringscertificaat nr ...

1. Korte beschrijving van het type technische eenheid:…

2. Gedetailleerde beschrijving van de aerodynamische voorziening of apparatuur:

2.1. Aantal afzonderlijke elementen:…

2.2. Beschrijving van de constructie en materialen:…

2.3. Beschrijving van het vergrendel- en verstelsysteem:…

2.4. Beschrijving van de bevestiging en montage op het voertuig:…

2.5. Technische eenheid: semi-universeel/voertuigspecifiek (1)

3. Lijst van specifieke voertuigtypen waarvoor de technische eenheid is goedgekeurd (indien van toepassing): …

4. Gedetailleerde beschrijving van de bepaalde specificaties van het montagegebied op voertuigen in het geval van semi-universele aerodynamische voorzieningen of uitrusting (indien van toepassing):…

5. Opmerkingen: …

6. Typegoedkeuringsmerk en de plaats daarvan: …

DEEL E

EG-typegoedkeuringsmerk voor een technische eenheid

1. Het EG-typegoedkeuringsmerk voor technische eenheden bestaat uit:

1.1. een rechthoek met daarin de kleine letter „e”, gevolgd door het nummer van de lidstaat die de EG-typegoedkeuring als technische eenheid heeft verleend:



1

voor Duitsland

19

voor Roemenië

2

voor Frankrijk

20

voor Polen

3

voor Italië

21

voor Portugal

4

voor Nederland

23

voor Griekenland

5

voor Zweden

24

voor Ierland

6

voor België

25

voor Kroatië

7

voor Hongarije

26

voor Slovenië

8

voor Tsjechië

27

voor Slowakije

9

voor Spanje

29

voor Estland

11

voor het Verenigd Koninkrijk

32

voor Letland

12

voor Oostenrijk

34

voor Bulgarije

13

voor Luxemburg

36

voor Litouwen

17

voor Finland

49

voor Cyprus

18

voor Denemarken

50

voor Malta

1.2. In de nabijheid van de rechthoek het basisgoedkeuringsnummer uit deel 4 van het typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door de twee cijfers van het volgnummer dat aan deze verordening of aan de recentste belangrijke technische wijziging van deze verordening is toegekend. Momenteel is het volgnummer 00.

1.3. In het geval van een aerodynamische voorziening of uitrusting van cabines wordt het volgnummer voorafgegaan door het symbool „96/53/EC ARTICLE 9A COMPLIANT”.

1.4. In het geval van een aerodynamische voorziening of uitrusting op de achterzijde van een voertuig wordt het volgnummer voorafgegaan door het symbool „96/53/EC ARTICLE 8B COMPLIANT”.

2. Het EG-typegoedkeuringsmerk voor een technische eenheid wordt zo op een hoofdgedeelte van de aerodynamische voorziening of uitrusting aangebracht dat het onuitwisbaar is en ook na montage van de voorziening op een voertuig duidelijk en gemakkelijk leesbaar is.

3. In figuur 1 wordt een voorbeeld van een EG-typegoedkeuringsmerk voor een technische eenheid gegeven.

Figuur 1

Voorbeeld van een EG-typegoedkeuringsmerk voor een technische eenheid

image

Toelichting

De EG-typegoedkeuring voor een technische eenheid van een op de achterzijde van een voertuig aan te brengen aerodynamische voorziening of uitrusting (ten behoeve van de overeenstemming met artikel 8 ter van Richtlijn 96/53/EG) werd door Roemenië verleend onder nummer 0046. De eerste twee cijfers (00) geven aan dat de technische eenheid overeenkomstig deze verordening werd goedgekeurd.

▼B




BIJLAGE VI

Wijzigingen van de bijlagen I, III, IX en XVI bij Richtlijn 2007/46/EG

Richtlijn 2007/46/EG wordt als volgt gewijzigd:

1) 

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a) 

punt 0.5 wordt vervangen door:

„0.5

Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …”

b) 

punt 1.9 wordt vervangen door:

„1.9.

Geef aan of het trekkende voertuig bestemd is om een oplegger of andere aanhangwagen te trekken en of die aanhangwagen een oplegger, een autonome aanhangwagen, een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel is: …”

c) 

het volgende punt 1.10 wordt toegevoegd:

„1.10.

Geef aan of het voertuig speciaal ontworpen is voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur: …”

d) 

punt 2 wordt vervangen door:

„2.   MASSA’S EN AFMETINGEN (f) (g) (7)

(in kg en mm) (in voorkomend geval naar tekening verwijzen):”

e) 

de punten 2.1.1.1, 2.1.1.1.1 en 2.1.1.1.2 worden vervangen door:

„2.1.2.   Voertuigen met drie of meer assen:

2.1.2.1.

Afstand tussen de opeenvolgende assen van de voorste naar de achterste as toe: …

2.1.2.2.

Totale asafstand: …”

f) 

de punten 2.5 en 2.5.1 worden vervangen door:

„2.5.

Minimummassa op de gestuurde as(sen) voor incomplete voertuigen:

…”

g) 

de punten 2.6 en 2.6.1 worden vervangen door:

„2.6.    Massa in rijklare toestand (h)

a) 

minimum en maximum voor elke variant: …

b) 

massa van elke uitvoering (er moet een matrix worden opgesteld): …

2.6.1.

Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger, een middenasaanhangwagen of een aanhangwagen met stijve dissel, de massa op het koppelpunt: …

a) 

minimum en maximum voor elke variant: …

b) 

massa van elke uitvoering (er moet een matrix worden opgesteld): …”

h) 

het volgende punt 2.6.2 wordt ingevoegd:

„2.6.2.

Massa van de optionele uitrusting (zie de definitie in artikel 2, punt 5, van Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie ( *1 ): …

i) 

punt 2.10 wordt vervangen door:

„2.10.

Technisch toelaatbare massa op iedere groep assen: …”

j) 

punt 2.11 wordt vervangen door:

„2.11    Technisch toelaatbare getrokken maximummassa van het trekkende voertuig

in het geval van een:”

k) 

punt 2.11.4 wordt vervangen door:

„2.11.4.

Aanhangwagen met stijve dissel: …”

l) 

punt 2.11.5 wordt vervangen door:

„2.11.5

Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie (3): …”

m) 

de punten 2.12, 2.12.1 en 2.12.2 worden vervangen door:

„2.12.    Technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt:

2.12.1.

van een trekkend voertuig: …

2.12.2.

van een oplegger, middenasaanhangwagen of autonome aanhangwagen: …”

n) 

de punten 2.16 tot en met 2.16.5 worden vervangen door:

„2.16.    Maximaal toelaatbare massa’s bij registratie/in het verkeer brengen (facultatief)

2.16.1.

Maximaal toelaatbare massa in beladen toestand bij registratie/in het verkeer brengen: …

2.16.2.

Maximaal toelaatbare massa op elke as bij registratie/in het verkeer brengen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de door de fabrikant opgegeven beoogde belasting op het koppelpunt indien deze lager is dan de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt: …

2.16.3.

Maximaal toelaatbare massa op elke groep assen bij registratie/in het verkeer brengen: …

2.16.4.

Maximaal toelaatbare getrokken massa bij registratie/in het verkeer brengen: …

2.16.5.

Maximaal toelaatbare massa van de combinatie bij registratie/in het verkeer brengen: …”

o) 

het volgende punt 13.12 wordt toegevoegd:

„13.12.

Tekening met de afmetingen van de binneninrichting wat betreft de zitplaatsen, ruimte voor staande passagiers, rolstoelgebruikers en bagageruimten met inbegrip van rekken en skiboxen, indien van toepassing”

p) 

de toelichting wordt als volgt gewijzigd:

i) 

de volgende noot (7) wordt ingevoegd:

„(7) Optionele uitrusting die van invloed is op de afmetingen van het voertuig moet worden gespecificeerd.”

ii) 

noot (h) wordt vervangen door:

„(h) De massa van de bestuurder wordt op 75 kg gesteld.

De systemen waarin zich vloeistof bevindt (behalve dat voor afvalwater, dat leeg moet blijven) worden tot 100 % van de door de fabrikant gespecificeerde inhoud gevuld.

De in de punten 2.6 b) en 2.6.1 b) bedoelde gegevens hoeven niet te worden verstrekt voor voertuigen van de categorieën N2, N3, M2, M3, O3 en O4.”.

2) 

Bijlage III, deel I, wordt als volgt gewijzigd:

a) 

afdeling A wordt als volgt gewijzigd:

i) 

punt 0.5 wordt vervangen door:

„0.5

Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …”

ii) 

de volgende punten 1.9 en 1.10 worden toegevoegd:

„1.9.

Geef aan of het trekkende voertuig bestemd is om een oplegger of andere aanhangwagen te trekken en of die aanhangwagen een oplegger, een autonome aanhangwagen, een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel is: …

1.10.

Geef aan of het voertuig speciaal ontworpen is voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur: …”

iii) 

punt 2 wordt vervangen door:

„2.   MASSA’S EN AFMETINGEN (f) (g) (7)

(in kg en mm) (in voorkomend geval naar tekening verwijzen):”

iv) 

het volgende punt 2.5 wordt ingevoegd:

„2.5.

Minimummassa op de gestuurde as(sen) voor incomplete voertuigen: …”

v) 

de punten 2.6 en 2.6.1 worden vervangen door:

„2.6.    Massa in rijklare toestand (h)

a) 

minimum en maximum voor elke variant: …

b) 

massa van elke uitvoering (er moet een matrix worden opgesteld): …

2.6.1.

Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger, een aanhangwagen met stijve dissel of een middenasaanhangwagen, de massa op het koppelpunt:

a) 

minimum en maximum voor elke variant: …

b) 

massa van elke uitvoering (er moet een matrix worden opgesteld): …”

vi) 

het volgende punt 2.6.2 wordt ingevoegd:

„2.6.2.

Massa van de optionele uitrusting (zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van Verordening (EU) nr. 1230/2012: …”

vii) 

Punt 2.10 wordt vervangen door:

„2.10.

Technisch toelaatbare massa op iedere groep assen: …”

viii) 

Punt 2.11 wordt vervangen door:

„2.11    Technisch toelaatbare getrokken maximummassa van het trekkende voertuig

in het geval van een:”

ix) 

punt 2.11.4 wordt vervangen door:

„2.11.4.

Aanhangwagen met stijve dissel: …”

x) 

punt 2.11.5 wordt vervangen door:

„2.11.5

Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie (3): …”

xi) 

de punten 2.12, 2.12.1 en 2.12.2 worden vervangen door:

„2.12.    Technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt:

2.12.1.

van een trekkend voertuig: …

2.12.2.

van een oplegger, middenasaanhangwagen of autonome aanhangwagen: …”

xii) 

de punten 2.16 tot en met 2.16.5 worden vervangen door:

„2.16.    Maximaal toelaatbare massa’s bij registratie/in het verkeer brengen (facultatief)

2.16.1.

Maximaal toelaatbare massa in beladen toestand bij registratie/in het verkeer brengen: …

2.16.2.

Maximaal toelaatbare massa op elke as bij registratie/in het verkeer brengen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de door de fabrikant opgegeven beoogde belasting op het koppelpunt indien deze lager is dan de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt: …

2.16.3.

Maximaal toelaatbare massa op elke groep assen bij registratie/in het verkeer brengen: …

2.16.4.

Maximaal toelaatbare getrokken massa bij registratie/in het verkeer brengen: …

2.16.5.

Maximaal toelaatbare massa van de combinatie bij registratie/in het verkeer brengen: …”

b) 

afdeling B wordt als volgt gewijzigd:

i) 

punt 0.5 wordt vervangen door:

„0.5

Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …”

ii) 

de volgende punten 1.9 en 1.10 worden toegevoegd:

„1.9.

Geef aan of het trekkende voertuig bestemd is om een oplegger of andere aanhangwagen te trekken en of die aanhangwagen een oplegger, een autonome aanhangwagen, een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel is: …

1.10.

Geef aan of het voertuig speciaal ontworpen is voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur: …”

iii) 

punt 2 wordt vervangen door:

„2.   MASSA’S EN AFMETINGEN (f) (g) (7)

(in kg en mm) (in voorkomend geval naar tekening verwijzen):”

iv) 

de punten 2.6 en 2.6.1 worden vervangen door:

„2.6.    Massa in rijklare toestand (h)

a) 

minimum en maximum voor elke variant: …

b) 

massa van elke uitvoering (er moet een matrix worden opgesteld): …

2.6.1.

Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger, een aanhangwagen met stijve dissel of een middenasaanhangwagen, de massa op het koppelpunt: …

a) 

minimum en maximum voor elke variant: …

b) 

massa van elke uitvoering (er moet een matrix worden opgesteld): …”

v) 

het volgende punt 2.6.2 wordt ingevoegd:

„2.6.2.

Massa van de optionele uitrusting (zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van Verordening (EU) nr. 1230/2012: …”

vi) 

punt 2.10 wordt vervangen door:

„2.10.

Technisch toelaatbare massa op iedere groep assen: …”

vii) 

de punten 2.12 en 2.12.2 worden vervangen door:

„2.12.    Technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt:

2.12.2.

van een oplegger, middenasaanhangwagen of autonome aanhangwagen: …”

viii) 

de punten 2.16 tot en met 2.16.3 worden vervangen door:

„2.16.    Maximaal toelaatbare massa’s bij registratie/in het verkeer brengen (facultatief)

2.16.1.

Maximaal toelaatbare massa in beladen toestand bij registratie/in het verkeer brengen: …

2.16.2.

Maximaal toelaatbare massa op elke as bij registratie/in het verkeer brengen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de door de fabrikant opgegeven beoogde belasting op het koppelpunt indien deze lager is dan de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt: …

2.16.3.

Maximaal toelaatbare massa op elke groep assen bij registratie/in het verkeer brengen: …”

ix) 

punt 2.16.5 wordt geschrapt.

3) 

Bijlage IX wordt als volgt gewijzigd:

a) 

in „Model A1 — Bladzijde 1 — Complete voertuigen — EG-certificaat van overeenstemming” wordt punt 0.5 vervangen door:

„0.5

Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …”

b) 

in „Model A2 — Bladzijde 1 — Complete voertuigen waaraan in kleine series typegoedkeuring is verleend — (Jaar) — (volgnummer) — EG-certificaat van overeenstemming” wordt punt 0.5 vervangen door:

„0.5

Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …”

c) 

in „Model B — Bladzijde 1 — Voltooide voertuigen — EG-certificaat van overeenstemming” wordt punt 0.5 vervangen door:

„0.5

Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …”

d) 

in „Model C1 — Bladzijde 1 — Incomplete voertuigen — EG-certificaat van overeenstemming” wordt punt 0.5 vervangen door:

„0.5

Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …”

e) 

in „Model C2 — Bladzijde 1 — Incomplete voertuigen waaraan in kleine series typegoedkeuring is verleend — (Jaar) — (volgnummer) — EG-certificaat van overeenstemming” wordt punt 0.5 vervangen door:

„0.5

Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …”

f) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie M1 (complete en voltooide voertuigen)” wordt punt 13 vervangen door:

„13.

Massa in rijklare toestand: …kg”

g) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie M1 (complete en voltooide voertuigen)” wordt het volgende punt 13.2 ingevoegd:

„13.2.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

h) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie M2 (complete en voltooide voertuigen)” wordt punt 13 vervangen door:

„13.

Massa in rijklare toestand: …kg”

i) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie M2 (complete en voltooide voertuigen)” wordt het volgende punt 13.2 ingevoegd:

„13.2.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

j) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie M3 (complete en voltooide voertuigen)” wordt punt 13 vervangen door:

„13.

Massa in rijklare toestand: …kg”

k) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie M3 (complete en voltooide voertuigen)” wordt het volgende punt 13.2 ingevoegd:

„13.2.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

l) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie N1 (complete en voltooide voertuigen)” wordt punt 13 vervangen door:

„13.

Massa in rijklare toestand: …kg”

m) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie N1 (complete en voltooide voertuigen)” wordt het volgende punt 13.2 ingevoegd:

„13.2.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

n) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie N2 (complete en voltooide voertuigen)” wordt punt 13 vervangen door:

„13.

Massa in rijklare toestand: …kg”

o) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie N2 (complete en voltooide voertuigen)” wordt het volgende punt 13.2 ingevoegd:

„13.2.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

p) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie N3 (complete en voltooide voertuigen)” wordt punt 13 vervangen door:

„13.

Massa in rijklare toestand: …kg”

q) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie N3 (complete en voltooide voertuigen)” wordt het volgende punt 13.2 ingevoegd:

„13.2.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

r) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorieën O1 en O2 (complete en voltooide voertuigen)” wordt punt 13 vervangen door:

„13.

Massa in rijklare toestand: …kg”

s) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorieën O1 en O2 (complete en voltooide voertuigen)” wordt het volgende punt 13.2 ingevoegd:

„13.2.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

t) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorieën O3 en O4 (complete en voltooide voertuigen)” wordt punt 13 vervangen door:

„13.

Massa in rijklare toestand: …kg”

u) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie M1 (incomplete voertuigen)” wordt het volgende punt 13.2 ingevoegd:

„13.2.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

v) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie M1 (incomplete voertuigen)” wordt punt 14 vervangen door:

„14.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

w) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie M2 (incomplete voertuigen)” wordt punt 14 vervangen door:

„14.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

x) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie M3 (incomplete voertuigen)” wordt punt 14 vervangen door:

„14.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

y) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie N1 (incomplete voertuigen)” wordt het volgende punt 13 ingevoegd:

„13.

Massa in rijklare toestand: …kg”

z) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie N1 (incomplete voertuigen)” wordt punt 14 vervangen door:

„14.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

aa) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie N2 (incomplete voertuigen)” wordt punt 14 vervangen door:

„14

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

ab) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorie N3 (incomplete voertuigen)” wordt punt 14 vervangen door:

„14.

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

ac) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorieën O1 en O2 (incomplete voertuigen)” wordt punt 14 vervangen door:

„14

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

ad) 

in „Bladzijde 2 — Voertuigcategorieën O3 en O4 (incomplete voertuigen)” wordt punt 14 vervangen door:

„14

Feitelijke massa van het voertuig: …kg”

ae) 

in de „Toelichting bij bijlage IX” wordt noot (f) geschrapt.

4) 

Bijlage XVI wordt als volgt gewijzigd:

a) 

het volgende punt 44 wordt ingevoegd in de lijst van regelgevingsteksten:

„44   Verordening (EU) nr. 1230/2012”

b) 

het volgende punt 44 wordt ingevoegd in aanhangsel 2:



 

Regelgeving

Bijlage en punt

Specifieke voorwaarden

„44

Verordening (EU) nr. 1230/2012

Bijlage I, deel B, punten 7 en 8

a)  Controle op overeenstemming met de voorschriften inzake manoeuvreerbaarheid, met inbegrip van de manoeuvreerbaarheid van met belastbare of liftassen uitgeruste voertuigen.

Bijlage I, deel C, punten 6 en 7

b)  Meten van de maximale uitzwaai van de achterkant.”




BIJLAGE VII




„BIJLAGE XII

BEPERKINGEN VOOR KLEINE SERIES EN RESTANTVOORRADEN

A.   BEPERKINGEN VOOR KLEINE SERIES

1. Het aantal voertuigen van één type dat per jaar in de Europese Unie krachtens artikel 22 wordt geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht, mag niet groter zijn dan hieronder voor de betrokken voertuigcategorie is aangegeven:



Categorie

Eenheden

M1

1 000

M2, M3

0

N1

0

N2, N3

0

O1, O2

0

O3, O4

0

2. Het aantal voertuigen van één type dat per jaar in een lidstaat krachtens artikel 23 wordt geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht, wordt door die lidstaat bepaald, maar mag niet groter zijn dan hieronder voor de betrokken voertuigcategorie is aangegeven:



Categorie

Eenheden

M1

75

M2, M3

250

N1

500

N2, N3

250

O1, O2

500

O3, O4

250

3. Het aantal voertuigen van één type dat per jaar in een lidstaat krachtens artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1230/2012 wordt geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht, wordt door die lidstaat bepaald, maar mag niet groter zijn dan hieronder voor de betrokken voertuigcategorie is aangegeven:



Categorie

Eenheden

M2, M3

1 000

N2, N3

1 200

O3, O4

2 000

B.   BEPERKINGEN VOOR RESTANTVOORRADEN

Het maximumaantal complete en voltooide voertuigen dat in een lidstaat overeenkomstig de „restantvoorraad”-procedure in het verkeer wordt gebracht, wordt op een van de volgende wijzen — naar keuze van de lidstaat — beperkt:

1. 

het maximumaantal voertuigen van een of meer typen mag in het geval van categorie M1 niet meer bedragen dan 10 % en in het geval van alle andere categorieën niet meer dan 30 % van alle desbetreffende voertuigtypen die in de lidstaat in het voorgaande jaar in het verkeer zijn gebracht.

Mocht 10 %, respectievelijk 30 %, minder zijn dan 100 voertuigen, dan mag de lidstaat maximaal 100 voertuigen in het verkeer brengen, of

2. 

voertuigen van een bepaald type worden beperkt tot die waarvoor op of na de fabricagedatum een geldig conformiteitscertificaat is afgegeven dat na de datum van afgifte ten minste drie maanden geldig is geweest, maar vervolgens door het van kracht worden van een regelgevingstekst zijn geldigheid heeft verloren.”



( 1 ) PB L 227 van 28.8.2010, blz. 1.

( 2 ) PB L 351 van 20.12.2008, blz. 44.

( 3 ) PB L 255 van 29.9.2010, blz. 1.

( 4 ) PB L 183 van 11.7.2008, blz. 41.

( 5 ) PB L 124 van 13.5.2011, blz. 11.

( 6 ) PB L 124 van 13.5.2011, blz. 11.

( 7 ) PB L 326 van 24.11.2006, blz. 55.

( 8 ) PB L 122 van 16.5.2009, blz. 6.

( 9 ) Ingedeeld aan de hand van de definities van bijlage II, deel A.

( 10 ) „Frontbesturing”, zoals gedefinieerd in punt 2.7 van bijlage I bij Richtlijn 74/297/EEG van de Raad ( 11 ).

( 11 ) PB L 165 van 20.6.1974, blz. 16.

( 12 ) Indien de ene uitvoering een normale stuurcabine en de andere een slaapcabine heeft, moeten de massa’s en afmetingen van beide uitvoeringen worden vermeld.

( 13 ) ISO-norm 612:1978 — Road vehicles — Dimensions of motor vehicles and towed vehicles — terms and definitions.

( 14 ) Optionele uitrusting die van invloed is op de afmetingen van het voertuig moet worden gespecificeerd.

( 15

(

g1

)

 
— 
term nr. 6.4.

( 16

(

g2

)

 
— 
term nr. 6.19.2.

( 17

(

g4

)

 
— 
term nr. 6.5.

( 18

(

g5

)

 
— 
term nr. 6 1 en voor voertuigen die niet tot categorie M1 behoren.
In het geval van trekkers moet de lengte worden aangegeven zoals vermeld in term nr. 6.1.2. van ISO-norm 612:1978.

( 19

(

g6

)

 
— 
term nr 6.17.

( 20

(

g7

)

 
— 
term nr. 6.2 en voor voertuigen die niet tot categorie M1 behoren.

( 21

(

g8

)

 
— 
term nr. 6.3 en voor voertuigen die niet tot categorie M1 behoren.

( 22

(

g9

)

 
— 
term nr. 6.6.

( 23

(

g10

)

 
— 
term nr. 6.10.

( 24 ) Alleen met het oog op de definitie van terreinvoertuigen.

( 25

(

g11

)

 
— 
term nr. 6.7.

( 26

(

g12

)

 
— 
term nr. 6.11.

( 27

(

g13

)

 
— 
term nr. 6.18.1.

( 28 ) De massa van de bestuurder wordt op 75 kg gesteld.

De systemen waarin zich vloeistof bevindt (behalve dat voor afvalwater, dat leeg moet blijven) worden tot 100 % van de door de fabrikant gespecificeerde inhoud gevuld.

De in de punten 2.6 a) en 2.6.1 a) bedoelde gegevens hoeven niet te worden verstrekt voor voertuigen van de categorieën N2, N3, M2, M3, O3 en O4.

( 29 ) Voor aanhangwagens of opleggers en voor voertuigen waaraan een aanhangwagen of oplegger gekoppeld is, die een aanzienlijke verticale belasting uitoefent op de koppelinrichting of de koppelschotel, wordt deze belasting, gedeeld door de standaardversnelling van de zwaartekracht, bij de technisch toelaatbare maximummassa gerekend.

( 30 ) De „koppelingsoverhang” is de horizontale afstand tussen de koppeling van een middenasaanhangwagen en de hartlijn van de achteras(sen).

( 31 ) De waarde voor elke technische configuratie van het voertuigtype moet duidelijk zijn aangegeven.

( 32 ) Bij voertuigen die zowel op benzine, diesel enz. als in combinatie met een andere brandstof kunnen rijden, moeten deze rubrieken worden herhaald.

Bij niet-conventionele motoren en systemen moet de fabrikant gegevens verstrekken die gelijkwaardig zijn met de hier gevraagde gegevens.

( 33 ) Vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 80/1269/EEG van de Raad ( 34 ).

( 34 ) PB L 375 van 31.12.1980, blz. 46.

( 35 ) Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn).

( 36 ) Bij varianten moeten de gevraagde gegevens voor elke variant worden verstrekt.

( 37 ) Voor banden van categorie Z die bedoeld zijn om te worden gemonteerd op voertuigen waarvan de maximumsnelheid hoger is dan 300 km/h, moet gelijkwaardige informatie worden verstrekt.

( 38 ) Het te vermelden aantal zitplaatsen is dat bij het voertuig in beweging. Bij een modulaire inrichting kan een minimum- en maximumaantal worden opgegeven.

( 39 ) Onder „R-punt” of „referentiepunt van de zitplaats” wordt verstaan een op de tekeningen van de voertuigfabrikant voor elke zitplaats opgegeven punt, gelokaliseerd met betrekking tot het driedimensionale referentiesysteem, overeenkomstig bijlage III bij Richtlijn 77/649/EEG van de Raad ( 40 ).

( 40 ) PB L 267 van 19.10.1977, blz. 1.

( 41 ) PB L 375 van 31.12.1980, blz. 36.

( 42 ) Doorhalen wat niet van toepassing is.

( 43 ) Doorhalen wat niet van toepassing is.

( 44 ) Indien het identificatiemerkteken van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de beschrijving van het type technische eenheid waarop dit inlichtingenformulier betrekking heeft, worden deze tekens op het formulier weergegeven door het symbool „?” (bijv. ABC??123??).

( *1 ) PB L 353 van 21.12.2012, blz. 31.”

Top