EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02012R0966-20170101

Consolidated text: Verordening (EU, Euratom ) n r. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/966/2017-01-01

02012R0966 — NL — 01.01.2017 — 003.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU, EURATOM) Nr. 966/2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 oktober 2012

tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002

(PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU, Euratom) Nr. 547/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 mei 2014

  L 163

18

29.5.2014

►M2

VERORDENING (EU, EURATOM) Nr. 1142/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 22 oktober 2014

  L 317

28

4.11.2014

►M3

VERORDENING (EU, EURATOM) 2015/1929 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 28 oktober 2015

  L 286

1

30.10.2015




▼B

VERORDENING (EU, EURATOM) Nr. 966/2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 oktober 2012

tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002

INHOUD

DEEL 1

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

TITEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES:

Artikel 1

Onderwerp

Artikel 2

Definities

Artikel 3

Overeenstemming van afgeleid recht met deze verordening

Artikel 4

Termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden

Article 5

Bescherming van persoonsgegevens

TITEL II

BEGROTINGSBEGINSELEN

Artikel 6

Eerbiediging van begrotingsbeginselen

Hoofdstuk 1

Eenheidsbeginsel en begrotingswaarachtigheidsbeginsel

Artikel 7

Toepassingsgebied van de begroting

Artikel 8

Specifieke regels betreffende het eenheidsbeginsel en het begrotingswaarachtigheidsbeginsel

Hoofdstuk 2

Jaarperiodiciteitsbeginsel

Artikel 9

Omschrijving

Artikel 10

Soorten kredieten

Artikel 11

Boekhouding voor ontvangsten en kredieten

Artikel 12

Vastlegging van kredieten

Artikel 13

Annulering en overdracht van kredieten

Artikel 14

Regels betreffende de overdracht van bestemmingsontvangsten

Artikel 15

Vrijmaking van kredieten

Artikel 16

Regels bij vaststelling van de begroting met vertraging

Hoofdstuk 3

Evenwichtsbeginsel

Artikel 17

Definitie en toepassingsgebied

Artikel 18

Saldo van het begrotingsjaar

Hoofdstuk 4

Rekeneenheidsbeginsel

Artikel 19

Gebruik van de euro

Hoofdstuk 5

Universaliteitsbeginsel

Artikel 20

Definitie en toepassingsgebied

Artikel 21

Bestemmingsontvangsten

Artikel 22

Schenkingen

Artikel 23

Regels betreffende inhoudingen en verrekening van koersverschillen

Hoofdstuk 6

Specialiteitsbeginsel

Artikel 24

Algemene bepalingen

Artikel 25

Overschrijvingen door andere instellingen dan de Commissie

Artikel 26

Overschrijvingen door de Commissie

Artikel 27

Aan het Europees Parlement en de Raad door de instellingen voorgelegde voorstellen voor overschrijvingen

Artikel 28

Specifieke voorschriften voor overschrijvingen

Artikel 29

Overschrijvingen onderworpen aan bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 7

Beginsel van goed financieel beheer

Artikel 30

Beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid

Artikel 31

Verplicht financieel memorandum

Artikel 32

Interne controle op de begrotingsuitvoering

Artikel 33

Kosteneffectieve controlesystemen

Hoofdstuk 8

Transparantiebeginsel

Artikel 34

Bekendmaking van de rekeningen, begrotingen en verslagen

Artikel 35

Bekendmaking van informatie over ontvangers en andere informatie

TITEL III

OPSTELLING EN STRUCTUUR VAN DE BEGROTING

Hoofdstuk 1

Opstelling van de begroting

Artikel 36

Raming van uitgaven en ontvangsten

Artikel 37

Geraamde begroting van de in artikel 208 bedoelde organen

Artikel 38

Ontwerpbegroting

Artikel 39

Nota van wijzigingen bij de ontwerpbegroting

Artikel 40

Verplichtingen van de lidstaten als gevolg van de goedkeuring van de begroting

Artikel 41

Ontwerpen van gewijzigde begroting

Artikel 42

Vervroegde indiening van de ramingen en ontwerpbegrotingen

Hoofdstuk 2

Structuur en inrichting van de begroting

Artikel 43

Structuur van de begroting

Artikel 44

Begrotingsnomenclatuur

Artikel 45

Verbod op negatieve ontvangsten

Artikel 46

Voorzieningen

Artikel 47

Negatieve reserve

Artikel 48

Reserve voor noodhulp

Artikel 49

Inrichting van de begroting

Artikel 50

Regels betreffende de personeelsformaties

Hoofdstuk 3

Begrotingsdiscipline

Artikel 51

Overeenstemming van de begroting met het meerjarig financieel kader

Artikel 52

Overeenstemming van handelingen van de Unie met de begroting

TITEL IV

UITVOERING VAN DE BEGROTING

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 53

Begrotingsuitvoering volgens goed financieel beheer

Artikel 54

Basishandeling en uitzonderingen

Artikel 55

Uitvoering van de begroting door andere instellingen dan de Commissie

Artikel 56

Delegatie van bevoegdheden tot uitvoering van de begroting

Artikel 57

Belangenconflicten

Hoofdstuk 2

Wijzen van uitvoering

Artikel 58

Wijzen van uitvoering van de begroting

Artikel 59

Gedeeld beheer met de lidstaten

Artikel 60

Indirect beheer

Artikel 61

Voorafgaande evaluaties en delegatieovereenkomsten

Artikel 62

Uitvoerende agentschappen

Artikel 63

Grenzen aan de delegatie van bevoegdheden

Hoofdstuk 3

Financiële actoren

Afdeling 1

Beginsel van scheiding van functies

Artikel 64

Scheiding van functies

Afdeling 2

De ordonnateur

Artikel 65

De ordonnateur

Artikel 66

Bevoegdheden en taken van de ordonnateur

Artikel 67

Bevoegdheden en taken van de hoofden van de delegaties van de Unie

Afdeling 3

De rekenplichtige

Artikel 68

Bevoegdheden en taken van de rekenplichtige

Artikel 69

Bevoegdheden die de rekenplichtige kan delegeren

Afdeling 4

De beheerder van gelden ter goede rekening

Artikel 70

Beheer van gelden ter goede rekening

Hoofdstuk 4

Verantwoordelijkheid van financiële actoren

Afdeling 1

Algemene regels

Artikel 71

Intrekking van de delegatie en ontheffing van functies gegeven aan financiële actoren

Artikel 72

Verantwoordelijkheid van de ordonnateur voor illegale activiteiten, fraude of corruptie

Afdeling 2

Regels betreffende de bevoegde ordonnateurs

Artikel 73

Regels betreffende de ordonnateurs

Afdeling 3

Regels betreffende de rekenplichtigen en de beheerders van gelden ter goede rekening

Artikel 74

Regels betreffende de rekenplichtigen

Artikel 75

Regels betreffende de beheerders van gelden ter goede rekening

Hoofdstuk 5

Ontvangsten

Afdeling 1

Terbeschikkingstelling van de eigen middelen

Artikel 76

Eigen middelen

Afdeling 2

Raming van schuldvorderingen

Artikel 77

Raming van schuldvorderingen

Afdeling 3

Vaststelling van schuldvorderingen

Artikel 78

Vaststelling van schuldvorderingen

Afdeling 4

Invorderingsopdrachten

Artikel 79

Invorderingsopdrachten

Afdeling 5

Invordering

Artikel 80

Regels betreffende de invordering

Artikel 81

Verjaringstermijn

Artikel 82

Nationale behandeling voor vorderingen van de Unie

Artikel 83

Door de Commissie opgelegde boetes, dwangsommen en rente hierover

Hoofdstuk 6

Uitgaven

Artikel 84

Financieringsbesluiten

Afdeling 1

Vastlegging van uitgaven

Artikel 85

Soorten vastleggingen

Artikel 86

Regels betreffende vastleggingen

Artikel 87

Toetsen betreffende vastleggingen

Afdeling 2

Betaalbaarstelling

Artikel 88

Betaalbaarstelling

Afdeling 3

Betalingsopdracht

Artikel 89

Betalingsopdracht

Afdeling 4

Betaling van uitgaven

Artikel 90

Soorten betalingen

Artikel 91

Betalingen binnen de grenzen van de beschikbare middelen

Afdeling 5

Termijnen voor de uitgavenverrichtingen

Artikel 92

Termijnen

Hoofdstuk 7

Computersystemen en e-bestuur

Artikel 93

Elektronisch beheer van verrichtingen

Artikel 94

Verzending van documenten

Article 95

e-bestuur

Hoofdstuk 8

Administratieve beginselen

Artikel 96

Goed bestuur

Artikel 97

Vermelding van beroepsmogelijkheden

Hoofdstuk 9

Intern controleur

Artikel 98

Aanwijzing van een intern controleur

Artikel 99

Bevoegdheden en taken van de intern controleur

Artikel 100

Onafhankelijkheid van de intern controleur

TITEL V

PLAATSEN VAN OVERHEIDSOPDRACHTEN EN CONCESSIES

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Afdeling 1

Toepassingsgebied en gunningsbeginselen

Artikel 101

Definities voor de toepassing van deze titel

Artikel 102

Op overheidsopdrachten toepasselijke beginselen

Afdeling 2

Bekendmaking

Artikel 103

Publiciteitsmaatregelen

Afdeling 3

Procedures voor het plaatsen van opdrachten

Artikel 104

Aanbestedingsprocedures

Artikel 104 bis

Interinstitutionele aanbesteding en gezamenlijke aanbesteding

Artikel 105

Voorbereiding van een aanbestedingsprocedure

Artikel 105 bis

Bescherming van de financiële belangen van de Unie door opsporing van risico's en oplegging van administratieve sancties

Artikel 106

Uitsluitingscriteria en administratieve sancties

Artikel 107

Afwijzing in een bepaalde aanbestedingsprocedure

Artikel 108

Systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting

Artikel 110

Gunning van overeenkomsten

Artikel 111

Indiening, elektronische communicatie en beoordeling

Artikel 112

Contacten tijdens de aanbestedingsprocedure

Artikel 113

Gunningsbesluit en informatieverstrekking aan gegadigden en inschrijvers

Artikel 114

Annulering van de aanbestedingsprocedure

Artikel 114 bis

Uitvoering en wijzigingen van de overeenkomst

Afdeling 4

Zekerheden en corrigerende maatregelen

Artikel 115

Zekerheden

Artikel 116

Wezenlijke fouten, onregelmatigheden of fraude

Hoofdstuk 2

Bepalingen betreffende de door de instellingen voor eigen rekening geplaatste opdrachten

Artikel 117

De aanbestedende dienst

Artikel 118

Toepasselijke drempelwaarden en wachttermijn

Artikel 119

Regels inzake toegang tot aanbestedingen

Artikel 120

Aanbestedingsregels van de Wereldhandelsorganisatie

TITEL VI

SUBSIDIES

Hoofdstuk 1

Toepassingsgebied en vorm van subsidies

Artikel 121

Toepassingsgebied

Artikel 122

Begunstigden

Artikel 123

Vormen van subsidies

Artikel 124

Vaste bedragen, eenheidskosten en forfaitaire financiering

Hoofdstuk 2

Beginselen

Artikel 125

Algemene beginselen van toepassing op subsidies

Artikel 126

Subsidiabele kosten

Artikel 127

Medefinanciering in natura

Artikel 128

Transparantie

Artikel 129

Beginsel van niet-cumuleerbaarheid

Artikel 130

Verbod op terugwerkende kracht

Hoofdstuk 3

Toekenningsprocedure

Artikel 131

Subsidieaanvragen

Artikel 132

Selectie- en toekenningscriteria

Artikel 133

Evaluatieprocedure

Hoofdstuk 4

Betaling en controle

Artikel 134

Zekerheid voor voorfinancieringen

Artikel 135

Betaling van subsidies en controles

Article 136

Termijnen voor het bijhouden van gegevens

Hoofdstuk 5

Uitvoering

Artikel 137

Uitvoeringsopdrachten en financiële steun aan derden

TITEL VII

PRIJZEN

Artikel 138

Algemene regels

TITEL VIII

FINANCIERINGSINSTRUMENTEN

Artikel 139

Toepassingsgebied

Artikel 140

Op financieringsinstrumenten toepasselijke beginselen en voorwaarden

TITEL IX

REKENING EN VERANTWOORDING EN BOEKHOUDING

Hoofdstuk 1

Rekening en verantwoording

Artikel 141

Structuur van de rekeningen

Artikel 142

Verslag over het begrotings- en financieel beheer

Artikel 143

Regels betreffende de rekeningen

Artikel 144

Boekhoudbeginselen

Artikel 145

Financiële staten

Artikel 146

Verslagen over de uitvoering van de begroting

Artikel 147

Voorlopige rekeningen

Artikel 148

Goedkeuring van de definitieve geconsolideerde rekeningen

Hoofdstuk 2

Informatie over de uitvoering van de begroting

Artikel 149

Verslag over de begrotingsgaranties en risico's

Artikel 150

Informatie over de uitvoering van de begroting

Hoofdstuk 3

Boekhouding

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 151

Het boekhoudsysteem

Artikel 152

Gemeenschappelijke eisen betreffende het boekhoudsysteem van de instellingen

Afdeling 2

Algemene boekhouding

Artikel 153

De algemene boekhouding

Artikel 154

Boekingen in de algemene boekhouding

Artikel 155

Boekhoudkundige correcties

Afdeling 3

Begrotingsboekhouding

Artikel 156

De begrotingsboekhouding

Hoofdstuk 4

Inventaris van de vaste activa

Artikel 157

De inventaris

TITEL X

EXTERNE CONTROLE EN KWIJTING

Hoofdstuk 1

Externe controle

Artikel 158

Externe controle door de Rekenkamer

Artikel 159

Regels en procedure voor de controle

Artikel 160

Toetsen betreffende waardepapieren en kasmiddelen

Artikel 161

Recht van toegang van de Rekenkamer

Artikel 162

Jaarverslag van de Rekenkamer

Artikel 163

Speciale verslagen van de Rekenkamer

Hoofdstuk 2

Kwijting

Artikel 164

Tijdschema voor de kwijtingsprocedure

Artikel 165

De kwijtingsprocedure

Artikel 166

Follow-upmaatregelen

Artikel 167

Specifieke bepalingen voor de EDEO

DEEL 2

BIJZONDERE BEPALINGEN

TITEL I

EUROPEES LANDBOUWGARANTIEFONDS

Artikel 168

Bijzondere bepalingen betreffende het Europees Landbouwgarantiefonds

Artikel 169

Vastlegging van middelen van het ELGF

Artikel 170

Globale voorlopige vastleggingen van ELGF-kredieten

Artikel 171

Tijdschema voor vastleggingen voor het ELGF in de begroting

Artikel 172

Boekhouding van de ELGF-uitgaven

Artikel 173

Overschrijving van ELGF-kredieten

Artikel 174

ELGF-Bestemmingsontvangsten

TITEL II

DE STRUCTUURFONDSEN, HET COHESIEFONDS, HET EUROPEES VISSERIJFONDS, HET EUROPEES LANDBOUWFONDS VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING, DE GEDEELD BEHEERDE FONDSEN OP HET GEBIED VAN VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHT EN DE FINANCIERINGSFACILITEIT VOOR EUROPESE VERBINDINGEN

Artikel 175

Bijzondere bepalingen

Artikel 176

Inachtneming van de toewijzingen aan vastleggingskredieten

Artikel 177

Betalingen van bijdragen, tussentijdse betalingen en terugbetalingen

Artikel 178

Annulering van kredieten

Artikel 178 bis

Overdracht van vastleggingskredieten voor de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen

Artikel 179

Overschrijving van kredieten

Artikel 180

Beheer, selectie en controle

TITEL III

ONDERZOEK

Artikel 181

Middelen voor onderzoek

Artikel 182

Vastleggingen van middelen voor onderzoek

Artikel 183

Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC)

TITEL IV

EXTERNE MAATREGELEN

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Artikel 184

Externe maatregelen

Hoofdstuk 2

Uitvoering van de maatregelen

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 185

Uitvoering van externe maatregelen

Afdeling 2

Begrotingssteun en door meerdere donoren gefinancierde trustfondsen

Article 186

Gebruik van begrotingssteun

Artikel 187

Trustfondsen van de Unie voor externe maatregelen

Afdeling 3

Andere vormen van beheer

Artikel 188

Uitvoering van externe maatregelen via indirect beheer

Artikel 189

Financieringsovereenkomsten over de uitvoering van externe maatregelen

Hoofdstuk 3

Plaatsing van overheidsopdrachten

Artikel 190

Opdrachten voor externe maatregelen

Artikel 191

Regels inzake toegang tot aanbestedingen

Hoofdstuk 4

Subsidies

Artikel 192

Volledige financiering van een externe maatregel

Artikel 193

Regels betreffende subsidies voor externe maatregelen

Hoofdstuk 5

Controle van de rekeningen

Artikel 194

Controle van de Unie van externe maatregelen

TITEL V

EUROPESE BUREAUS

Artikel 195

De Europese bureaus

Artikel 196

Kredieten voor de Europese bureaus

Artikel 197

Ordonnateur van de Europese bureaus

Artikel 198

De boekhouding van de interinstitutionele Europese bureaus

Artikel 199

Delegatie van bevoegdheden van de ordonnateur aan interinstitutionele Europese bureaus

Artikel 200

Diensten aan derden

TITEL VI

ADMINISTRATIEVE KREDIETEN

Artikel 201

Algemene bepalingen

Artikel 202

Vastleggingen

Artikel 203

Specifieke bepalingen betreffende administratieve kredieten

TITEL VII

DESKUNDIGEN

Artikel 204

Bezoldigde externe deskundigen

TITEL VIII

BIJDRAGEN VOOR EUROPESE POLITIEKE PARTIJEN

Artikel 204 bis

Algemene bepalingen

Artikel 204 ter

Beginselen

Artikel 204 quater

Begrotingsaspecten

Artikel 204 quinquies

Oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen

Artikel 204 sexies

Toekenningsprocedure

Artikel 204 septies

Beoordelingsprocedure

Artikel 204 octies

Vorm van bijdragen

Artikel 204 nonies

Regels voor bijdragen

Artikel 204 decies

Voorfinanciering

Artikel 204 undecies

Zekerheidsstellingen

Artikel 204 duodecies

Gebruik van bijdragen

Artikel 204 terdecies

Verslag over het gebruik van de bijdragen

Artikel 204 quaterdecies

Betaling van het saldo

Artikel 204 quindecies

Controle en sancties

Artikel 204 sexdecies

Bewaren van gegevens

Artikel 204 septdecies

Selectie van externe auditinstanties of -deskundigen

DEEL 3

SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 205

Overgangsbepalingen

Artikel 206

Verzoeken om informatie van het Europees Parlement en de Raad

Artikel 207

Drempelwaarden en bedragen

Artikel 208

Financiële kaderregeling voor de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen

Artikel 209

Financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen

Artikel 210

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Artikel 211

Herziening

Artikel 212

Intrekking

Artikel 213

Herziening in verband met de EDEO

Artikel 214

Inwerkingtreding

BIJLAGE

CORRELATIETABEL

Gemeenschappelijke verklaring inzake met het MFK verband houdende kwesties

Gemeenschappelijke verklaring over uitgaven met betrekking tot onroerend goed onder verwijzing naar artikel 203

Gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende Artikel 195, lid 3



DEEL 1

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN



TITEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

1.  Deze verordening regelt de opstelling en uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie en de indiening en controle van de rekeningen.

2.  Deze verordening is van toepassing op de uitvoering van de begroting voor het Voorzieningsagentschap van Euratom.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

a)

"Unie" : de Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, of beide samen, al naargelang de context;

b)

"instelling" : het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese dienst voor extern optreden ("EEAS"); de Europese Centrale Bank wordt niet beschouwd als een instelling van de Unie;

c)

"begroting" : het instrument waarbij voor elk begrotingsjaar alle voor de Unie noodzakelijk geachte ontvangsten en uitgaven worden geraamd en toegestaan;

d)

"basishandeling" :

een rechtshandeling die een rechtsgrond geeft aan een actie en aan de uitvoering van de desbetreffende in de begroting opgenomen uitgave.

Een basishandeling kan een van de volgende vormen aannemen:

i) ter uitvoering van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het Euratomverdrag) een verordening, een richtlijn of een besluit in de zin van artikel 288 VWEU; of

ii) ter uitvoering van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (TEU) een van de in artikel 26, lid 2, artikel 28, lid 1, artikel 29, artikel 31, lid 2, artikel 33 en artikel 37 VEU genoemde vormen.

Aanbevelingen en adviezen vormen geen basishandelingen;

e)

"wijze van uitvoering" : de wijzen voor de uitvoering van de begroting als omschreven in de artikelen 58, 59 of 60;

f)

“delegatieovereenkomst” : een overeenkomst die gesloten is met entiteiten en personen aan wie taken betreffende de uitvoering van de begroting zijn toevertrouwd krachtens artikel 58, lid 1, punt c), onder i) tot viii);

g)

"begunstigde" : een natuurlijke of rechtspersoon met wie een subsidieovereenkomst is ondertekend of aan wie een subsidiebesluit ter kennis is gebracht;

h)

"contractant" : een natuurlijke of rechtspersoon met wie een overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht is ondertekend;

i)

"ontvanger" : een begunstigde, aannemer of enige natuurlijke of rechtspersoon die prijzen of middelen in het kader van een financieel instrument ontvangt;

j)

“prijs” : een financiële bijdrage die wordt geschonken als een beloning die wordt toegekend naar aanleiding van een wedstrijd.

k)

"lening" : een overeenkomst die de kredietverschaffer verplicht een overeengekomen hoeveelheid geld voor een overeengekomen termijn ter beschikking te stellen aan de kredietnemer en waarbij de kredietnemer verplicht is dat bedrag binnen de overeengekomen termijn terug te betalen;

l)

"garantie" : een schriftelijke aansprakelijkheidsverklaring voor het geheel of een deel van een schuld of een verplichting van of de succesvolle nakoming door een derde indien hiervoor aanleiding is, bijvoorbeeld in geval van wanbetaling;

m)

“belegging in aandelen” : verschaffing van kapitaal aan een vennootschap, via directe of indirecte investeringen, in ruil voor geheel of gedeeltelijk eigenaarschap van de vennootschap, waarbij de investeerder in zekere mate zeggenschap krijgt over het beheer van de vennootschap en deelt in de eventuele toekomstige winst;

n)

"met eigen vermogen gelijk te stellen investering" : de financieringswijze die zich bevindt tussen belegging in aandelen en schuld, met een hoger risico dan een niet-achtergestelde schuld en een lager risico dan kernkapitaal. Met eigen vermogen gelijk te stellen investeringen kunnen worden gestructureerd als schuld, kenmerkend ongedekt en achtergesteld en in sommige gevallen converteerbaar in aandelen, of als voorkeursaandelen;

o)

"risicodelend instrument" : een financieringsinstrument dat de deling van een bepaald risico tussen twee of meer entiteiten mogelijk maakt, in voorkomend geval in ruil voor een overeengekomen vergoeding;

p)

"financieringsinstrument" : een ter aanvulling met begrotingsmiddelen bekostigde en voor een of meerdere specifieke beleidsdoelen van de Unie bestemde financiële steunmaatregel van de Unie. Dergelijke instrumenten kunnen de vorm aannemen van beleggingen in aandelen, met eigen vermogen gelijk te stellen investeringen, leningen, garanties, of andere risicodelende instrumenten, en mogen, in voorkomend geval, worden gecombineerd met een subsidie.

q)

"Statuut van de ambtenaren" : het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, die zijn vastgelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad ( 1 );

r)

"controle" : enige maatregel ter verkrijging van redelijke zekerheid inzake de doeltreffendheid, efficiency en rendabiliteit van verrichtingen, de betrouwbaarheid van de verslaglegging, de bescherming van activa en informatie, de voorkoming en opsporing en de correctie van fraude en onregelmatigheden en de follow-up daarvan, en de adequate beheersing van de risico's in verband met de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de programma's en met de aard van de betrokken betalingen. De controle hiervan kan diverse toetsen inhouden, alsmede de tenuitvoerlegging van beleid en procedures om de in de eerste zin beschreven doelstellingen te bereiken;

s)

"toets" : de verificatie van een specifiek aspect van een uitgaven- of ontvangstenverrichting.

Artikel 3

Overeenstemming van afgeleid recht met deze verordening

1.  Bepalingen betreffende de uitvoering van de begroting aan de ontvangsten- of uitgavenzijde en vervat in een basishandeling eerbiedigt de in titel II van deel 1 vermelde begrotingsbeginselen.

2.  Onverminderd lid 1 worden in elk bij de wetgevende autoriteit ingediend voorstel of elke wijziging van een voorstel duidelijk de bepalingen vermeld die afwijkingen bevatten van andere bepalingen dan deze in deel I, titel II van deze verordening of van gedelegeerde handelingen die overeenkomstig deze verordening zijn vastgesteld, en worden in de overwegingen en de toelichting bij dergelijke voorstellen de specifieke redenen genoemd die deze afwijkingen rechtvaardigen.

Artikel 4

Termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden

Tenzij anders bepaald is Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden ( 2 ) van toepassing op de termijnen in deze richtlijn.

Artikel 5

Bescherming van persoonsgegevens

Deze verordening doet geen afbreuk aan de voorschriften van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens ( 3 ), noch aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 45/2001.



TITEL II

BEGROTINGSBEGINSELEN

Artikel 6

Eerbiediging van begrotingsbeginselen

Onder de in deze verordening bepaalde voorwaarden worden bij de opstelling en de uitvoering van de begroting het eenheids-, het begrotingswaarachtigheids-, het jaarperiodiciteits-, het evenwichts-, het rekeneenheids-, het universaliteits- en het specialiteitsbeginsel, het beginsel van goed financieel beheer, dat een effectieve en efficiënte interne controle vergt, en het transparantiebeginsel in acht genomen.



HOOFDSTUK 1

Eenheidsbeginsel en begrotingswaarachtigheidsbeginsel

Artikel 7

Toepassingsgebied van de begroting

1.  De begroting omvat:

a) de uitgaven en de ontvangsten van de Unie, met inbegrip van de administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van het TEU op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, alsmede de beleidsuitgaven die uit de uitvoering van die bepalingen voortvloeien wanneer deze ten laste van de begroting komen;

b) de ontvangsten en de uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

2.  In de begroting wordt eveneens de garantie vastgelegd van door de Unie opgenomen en verstrekte leningen, met inbegrip van verrichtingen in het kader van het Europees financieel stabilisatiemechanisme en de betalingsbalansfaciliteit, overeenkomstig artikel 49, lid 1, onder d).

Artikel 8

Specifieke regels betreffende het eenheidsbeginsel en het begrotingswaarachtigheidsbeginsel

1.  Onverminderd artikel 83, kunnen ontvangsten slechts worden geïnd en uitgaven slechts worden verricht door aanwijzing op een begrotingsonderdeel.

2.  Voor geen enkele uitgave kan een verplichting worden aangegaan of een betalingsopdracht gegeven boven het bedrag van de toegestane kredieten.

3.  In de begroting kan slechts een krediet worden uitgetrokken als er een noodzakelijk geachte uitgave tegenover staat.

4.  De rente op uit de begroting betaalde voorfinanciering is niet verschuldigd aan de Unie tenzij anders is bepaald in de delegatieovereenkomsten, met uitzondering van die overeenkomsten die zijn gesloten met derde landen of de door hen aangewezen organen. In gevallen waarin dat is voorzien wordt de rente ofwel hergebruikt voor de corresponderende actie, ofwel in mindering gebracht op het bedrag van betalingsverzoeken overeenkomstig artikel 23, lid 1, eerste alinea, onder c), ofwel teruggevorderd.

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de opneming in de boeken van rente op voorfinancieringen.



HOOFDSTUK 2

Jaarperiodiciteitsbeginsel

Artikel 9

Omschrijving

De in de begroting opgenomen kredieten worden toegestaan voor de duur van een begrotingsjaar, dat begint op 1 januari en sluit op 31 december.

Artikel 10

Soorten kredieten

1.  De begroting bevat gesplitste kredieten, die aanleiding geven tot vastleggingskredieten en betalingskredieten, en niet-gesplitste kredieten.

2.  Vastleggingskredieten dekken de totale kosten van de juridische verbintenissen die tijdens het begrotingsjaar worden aangegaan, behoudens het bepaalde in artikel 86, lid 4, en artikel 189, lid 2.

3.  Betalingskredieten dekken de betalingen die voortvloeien uit de uitvoering van de juridische verbintenissen die in het begrotingsjaar of voorafgaande begrotingsjaren zijn aangegaan.

4.  De leden 1 en 2 van dit artikel laten de bijzondere bepalingen van de titels I, IV en VI van deel 2 onverlet en doen niets af aan de mogelijkheid begrotingskredieten globaal vast te leggen of vastleggingen in de begroting in jaartranches te verdelen.

Artikel 11

Boekhouding voor ontvangsten en kredieten

1.  De ontvangsten worden in de rekening van het begrotingsjaar geboekt op basis van de in dat begrotingsjaar geïnde bedragen. De eigen middelen van de maand januari van het volgende begrotingsjaar kunnen evenwel vervroegd worden ter beschikking gesteld op grond van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen ( 4 ).

2.  De boekingen van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde, bvan de aanvullende middelen op basis van het bruto nationaal inkomen en, in voorkomend geval, van de financiële bijdragen kunnen worden aangepast overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000.

3.  De voor een begrotingsjaar uitgetrokken kredieten worden alleen gebruikt ter dekking van de tijdens dat begrotingsjaar vastgelegde en betaalde uitgaven, alsmede ter dekking van bedragen die verschuldigd zijn op grond van vastleggingen van voorafgaande begrotingsjaren.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake kredieten voor het begrotingsjaar.

4.  De vastleggingen worden geboekt op basis van de juridische verplichtingen die tot en met 31 december zijn aangegaan. Bij wijze van uitzondering worden de in artikel 86, lid 4, bedoelde globale vastleggingen en de in artikel 189, lid 2, bedoelde financieringsovereenkomsten gesloten met derde landen geboekt op basis van de tot 31 december in de begroting verrichte vastleggingen.

5.  De betalingen worden voor een begrotingsjaar geboekt op basis van de uiterlijk op 31 december van dat begrotingsjaar door de rekenplichtige verrichte betalingen.

6.  In afwijking van de leden 3, 4 en 5 worden de uitgaven van het Europees Landbouwgarantiefonds in de rekening van een begrotingsjaar verantwoord volgens de voorschriften van deel twee, titel I.

Artikel 12

Vastlegging van kredieten

De kredieten die in de begroting zijn opgevoerd, kunnen met ingang van 1 januari worden vastgelegd zodra de begroting definitief is vastgesteld, behoudens de in deel 2, titel I en titel VI, bepaalde afwijkingen.

Artikel 13

Annulering en overdracht van kredieten

1.  Kredieten die tegen het einde van het begrotingsjaar waarvoor zij waren uitgetrokken niet zijn gebruikt, worden geannuleerd.

Zij mogen evenwel worden overgedragen, doch uitsluitend naar het volgende begrotingsjaar, bij een uiterlijk op 15 februari door de betrokken instelling overeenkomstig leden 2 en 3, of zij mogen van rechtswege worden overgedragen overeenkomstig lid 4.

2.  Bij de gesplitste vastleggingskredieten en bij de niet-gesplitste kredieten die bij het einde van het begrotingsjaar nog niet zijn vastgelegd, kan de overdracht betrekking hebben op:

a) de bedragen die overeenstemmen met de vastleggingskredieten, of met de niet-gesplitste kredieten met betrekking tot bouwprojecten, waarvoor de meeste voorbereidende stadia van het vastleggingsbesluit op 31 december zijn beëindigd. Zulke bedragen kunnen tot 31 maart van het volgende jaar worden vastgelegd, of tot 31 december van het volgende jaar voor bedragen in verband met bouwprojecten;

b) de bedragen die nodig blijken wanneer de wetgevende autoriteit de basishandeling in het laatste kwartaal van het begrotingsjaar heeft vastgesteld, zonder dat de Commissie tot 31 december de daartoe in de begroting uitgetrokken kredieten heeft kunnen vastleggen;

▼M1

c) de bedragen die overeenstemmen met vastleggingskredieten voor de reserve voor noodhulp.

De onder c) van de eerste alinea bedoelde bedragen kunnen alleen naar het volgende begrotingsjaar worden overgedragen.

▼B

3.  Bij de betalingskredieten kan de overdracht betrekking hebben op de bedragen die nodig zijn ter dekking van vastleggingen van vorige begrotingsjaren of die betrekking hebben op overgedragen vastleggingskredieten, wanneer de betalingskredieten van de betrokken begrotingsonderdelen in de begroting van het volgende begrotingsjaar ontoereikend zijn om de behoeften te dekken.

De betrokken instelling zal bij voorrang de voor het lopende begrotingsjaar toegestane kredieten gebruiken en pas na de besteding daarvan de overgedragen kredieten.

4.  De niet-gesplitste kredieten die overeenkomen met bij het einde van het begrotingsjaar rechtmatig aangegane verplichtingen, worden van rechtswege en uitsluitend naar het eerstvolgende begrotingsjaar overgedragen.

5.  De betrokken instelling stelt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 15 maart in kennis van het overdrachtbesluit dat zij heeft genomen, en geeft per begrotingsonderdeel aan op welke wijze de in de leden 2 en 3 genoemde criteria voor elke overdracht zijn toegepast.

▼M1

6.  Onverminderd lid 2, eerste alinea, onder c), van dit artikel en artikel 14 worden in een reserve opgenomen kredieten en de kredieten voor personeelsuitgaven niet overgedragen. Voor de toepassing van dit artikel omvatten personeelsuitgaven de bezoldigingen en vergoedingen van de leden en het personeel van de instellingen waar het personeelsstatuut op van toepassing is.

▼B

7.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de annulering en overdracht van kredieten.

Artikel 14

Regels betreffende de overdracht van bestemmingsontvangsten

De overdracht van de in artikel 21 bedoelde bestemmingsontvangsten en de op 31 december niet gebruikte en beschikbare kredieten uit hoofde van die ontvangsten geschiedt overeenkomstig de volgende regels:

a) externe bestemmingsontvangsten worden automatisch overgedragen en worden volledig gebruikt totdat alle verrichtingen betreffende het programma of de actie waarvoor zij bestemd zijn, zijn uitgevoerd. In het laatste jaar van het programma of de actie ontvangen externe bestemmingsontvangsten kunnen worden gebruikt in het eerste jaar van het vervolgprogramma of de vervolgactie;

b) interne bestemmingsontvangsten mogen slechts één jaar worden overgedragen, met uitzondering van interne bestemmingsontvangsten als omschreven in artikel 21, lid 3, onder g, die automatisch worden overgeschreven.

Artikel 15

Vrijmaking van kredieten

Onverminderd de artikelen 178 en 182 leiden vrijmakingen van kredieten tijdens latere begrotingsjaren dan het jaar waarin de kredieten in de begroting werden opgenomen wegens gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van de acties waarvoor de kredieten bestemd waren, tot annulering van de betrokken kredieten.

Artikel 16

Regels bij vaststelling van de begroting met vertraging

1.  Indien de begroting bij het begin van het begrotingsjaar niet definitief is vastgesteld, is de in de eerste alinea van artikel 315 VWEU bedoelde procedure (het systeem van voorlopige twaalfden) van toepassing. Vastleggingen en betalingen kunnen worden verricht binnen de in lid 2 van dit artikel bepaalde grenzen.

2.  Vastleggingen kunnen per hoofdstuk worden verricht, tot maximaal een vierde van het totaal van de kredieten die voor het vorige begrotingsjaar in het betrokken hoofdstuk zijn toegestaan, vermeerderd met een twaalfde voor elke verstreken maand.

Het maximum van de kredieten die zijn opgenomen in de ontwerpbegroting wordt niet overschreden.

Betalingen kunnen maandelijks per hoofdstuk worden verricht, tot maximaal een twaalfde van de kredieten die voor het voorgaande begrotingsjaar in het betrokken hoofdstuk zijn toegestaan. Die betalingen mogen evenwel niet meer dan een twaalfde bedragen van de in hetzelfde hoofdstuk van de ontwerpbegroting opgenomen kredieten.

3.  Onder de kredieten die voor het voorgaande begrotingsjaar in het betrokken hoofdstuk zijn toegestaan, als nader omschreven in leden 1 en 2, wordt verstaan de kredieten die na stemming in de begroting zijn opgenomen, ook door middel van gewijzigde begrotingen, na aanpassing voor overschrijvingen tijdens dat begrotingsjaar.

4.  Indien de continuïteit van het optreden van de Unie en de eisen van beheer zulks noodzakelijk maken, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, zowel voor de vastleggingen als voor de betalingen, uitgaven ter hoogte van meer dan één voorlopige twaalfde, maar niet meer dan het totaal van vier voorlopige twaalfden toestaan, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, boven die welke automatisch beschikbaar komen ingevolge leden 1 en 2. Hij zendt het desbetreffende besluit onverwijld aan het Europees Parlement.

Het besluit wordt van kracht 30 dagen na de vaststelling ervan tenzij het Europees Parlement:

a) bij meerderheid van zijn leden binnen die termijn besluit de betrokken uitgaven te verminderen, in welk geval de Commissie een nieuw voorstel indient; of

b) de Raad en de Commissie meedeelt niet wenst die uitgaven te verminderen, in welk geval het besluit in werking treedt voor het verstrijken van de termijn van 30 dagen.

De bijkomende twaalfden worden als een geheel toegestaan en kunnen niet worden opgedeeld.

5.  Indien voor een bepaald hoofdstuk vier voorlopige twaalfden die in overeenstemming met lid 4 zijn toegestaan, niet toereikend zijn ter dekking van de uitgaven die nodig zijn om een breuk in de continuïteit van het optreden van de Unie op het door het betrokken hoofdstuk bestreken gebied te voorkomen, kan bij wijze van uitzondering een overschrijding van het aan kredieten geboekte bedrag in het overeenkomstige hoofdstuk van de begroting van het voorgaande begrotingsjaar worden toegestaan. Het Europees Parlement en de Raad handelen volgens de procedure van lid 4. Het totale bedrag van de in de begroting van het voorafgaande begrotingsjaar of in de voorgestelde ontwerpbegroting opgenomen kredieten mag evenwel in geen geval worden overschreden.



HOOFDSTUK 3

Evenwichtsbeginsel

Artikel 17

Definitie en toepassingsgebied

1.  De begroting is wat ontvangsten en betalingskredieten betreft in evenwicht.

2.  De Unie en de organen bedoeld in artikel 208 mogen binnen het kader van de begroting geen leningen aangaan.

Artikel 18

Saldo van het begrotingsjaar

1.  Het saldo van elk begrotingsjaar wordt, naargelang het een overschot of een tekort betreft, in de begroting van het volgende begrotingsjaar als ontvangst of als betalingskrediet opgenomen.

2.  De ramingen van deze ontvangsten of betalingskredieten worden tijdens de begrotingsprocedure in de begroting opgenomen en door middel van de procedure van de nota van wijzigingen die wordt ingediend overeenkomstig artikel 39. De ramingen worden opgesteld overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000.

3.  Na de indiening van de voorlopige rekeningen van het begrotingsjaar wordt het eventuele verschil tussen deze rekeningen en de ramingen in de begroting van het volgende begrotingsjaar opgenomen door middel van een gewijzigde begroting, die uitsluitend voor dat doel wordt opgesteld en wordt aangewend. In dat geval dient de Commissie het ontwerp van gewijzigde begroting tegelijkertijd bij het Europes Palement en de Raad in binnen 15 dagen na de indiening van de voorlopige rekeningen.



HOOFDSTUK 4

Rekeneenheidsbeginsel

Artikel 19

Gebruik van de euro

1.  Het meerjarig financieel kader en de begroting worden in euro opgesteld, uitgevoerd en onderworpen aan rekening en verantwoording. De rekenplichtige en, in het geval van gelden ter goede rekening, de beheerder van gelden ter goede rekening en, ten behoeve van het administratieve beheer van de Commissie en de EDEO, de bevoegde ordonnateur zijn evenwel gemachtigd voor de in artikel 68, lid 1, bedoelde kasbehoeften transacties in andere munteenheden te verrichten zoals vastgelegd in de overeenkomstig deze verordning vastgestelde gedelegeerde handelingen.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de omrekening tussen de euro en andere valuta's.



HOOFDSTUK 5

Universaliteitsbeginsel

Artikel 20

Definitie en toepassingsgebied

Onverminderd artikel 21 dienen de gezamenlijke ontvangsten ter dekking van de gezamenlijke betalingskredieten. Onverminderd artikel 23 mogen de ontvangsten en de uitgaven niet met elkaar worden gecompenseerd.

Artikel 21

Bestemmingsontvangsten

1.  Externe bestemmingsontvangsten en interne bestemmingsontvangsten zijn bestemd voor de financiering van bepaalde specifieke uitgaven.

2.  Externe bestemmingsontvangsten zijn:

a) de financiële bijdragen van de lidstaten voor bepaalde onderzoeksprogramma's ingevolge Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000;

b) financiële bijdragen van lidstaten en derde landen, inclusief in beide gevallen hun publieke organen, entiteiten of natuurlijke personen aan bepaalde externe steunprojecten of -programma's die door de Unie worden gefinancierd en namens hen door de Commissie worden beheerd;

c) de rente op deposito's en de boeten bedoeld in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten ( 5 );

d) de ontvangsten die voor een bepaald doel ter beschikking zijn gesteld, zoals inkomsten van stichtingsvermogens, subsidies, giften en legaten, daaronder begrepen de aan elke instelling vooraf toegewezen eigen ontvangsten;

e) de financiële bijdragen, niet vallend onder b), van derde landen of niet-Unie-organen aan activiteiten van de Unie;

f) de in artikel 181, lid 2, en artikel 183, lid 2, bedoelde bestemmingsontvangsten.

g) interne bestemmingsontvangsten als bedoeld in lid 3, voor zover deze een aanvulling vormen op de andere in dit lid bedoelde ontvangsten.

3.  Interne bestemmingsontvangsten zijn:

a) ontvangsten afkomstig van derden wegens op hun verzoek verrichte leveringen, diensten en werken;

b) de opbrengst van de verkoop bij vervanging of het buiten dienst stellen van voertuigen, uitrusting, installaties, materiaal en wetenschappelijke en technische apparaten na volledige afschrijving van de boekwaarde;

c) terugbetalingen overeenkomstig artikel 80 van onverschuldigd betaalde bedragen;

d) ontvangsten afkomstig van rente op betaalde voorfinanciering, behoudens artikel 8, lid 4;,

e) de opbrengst van leveringen, diensten en werken ten behoeve van andere diensten in een instelling, instellingen of organen, met inbegrip van vergoedingen voor dienstreizen betaald voor rekening van en terugbetaald door andere instellingen of organen;

f) ontvangen verzekeringsuitkeringen;

g) ontvangsten uit verhuur;

h) opbrengsten van de verkoop van publicaties en films, eventueel op elektronische drager;

i) terugbetalingen aan financiële instrumenten ingevolge artikel 140, lid 6;

j) ontvangsten van achteraf terugbetaalde belastingen ingevolge artikel 23, lid 3, onder b).

4.  Een basishandeling kan eveneens voorzien in de bestemming van ontvangsten waarin zij voorziet voor specifieke uitgaven. Tenzij in de basishandeling anders is bepaald, vormen die ontvangsten interne bestemmingsontvangsten.

5.  De begroting voorziet in een structuur voor de opname van externe en interne bestemmingsontvangsten, alsmede, voor zover mogelijk, in een raming.

Bestemmingsontvangsten worden in de ontwerpbegroting opgenomen voor het bedrag dat op het tijdstip van opstelling van de ontwerpbegroting zeker is.

6.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de bepaling van de structuur voor de opname van externe en interne bestemmingsontvangsten en de opvoering van de desbetreffende kredieten, alsmede met betrekking tot de regels voor de bijdrage van de lidstaten voor bepaalde onderzoeksprogramma's. Bovendien is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de opbrengst van de overeenkomstig artikel 126, lid 11, VWEU opgelegde sancties en met betrekking tot bestemmingsontvangsten die voortvloeien uit de deelname van EVA-Staten aan bepaalde programma's van de Unie.

Artikel 22

Schenkingen

1.  De Commissie kan alle schenkingen ten gunste van de Unie, zoals stichtingsvermogens, subsidies, giften en legaten, aanvaarden.

2.  Voor het aanvaarden van een schenking ter waarde van EUR 50 000 of meer die lasten, inclusief follow-upkosten, kan meebrengen welke hoger zijn dan 10 % van de waarde van de gedane schenking, is de goedkeuring vereist van het Europees Parlement en de Raad, die zich binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek van de Commissie uitspreken. Indien binnen deze termijn geen bezwaar kenbaar wordt gemaakt, neemt de Commissie een definitieve beslissing over de aanvaarding van de schenking.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de aanvaarding van schenkingen aan de Unie.

Artikel 23

Regels betreffende inhoudingen en verrekening van koersverschillen

1.  Op het bedrag van betalingsverzoeken kunnen de volgende bedragen in mindering worden gebracht, waarvoor in dat geval een betalingsopdracht voor het nettobedrag wordt gegeven:

a) de aan partijen bij aanbestedingscontracten of begunstigden opgelegde boeten;

b) de op facturen en kostendeclaraties in mindering gebrachte kortingen, terugbetalingen en rabatten;

c) rente op betaalde voorfinancieringen;

d) verrekeningen voor onverschuldigd betaalde bedragen.

De in de eerste alinea, onder d) bedoelde verrekeningen kunnen plaatsvinden door rechtstreekse inhouding op een nieuwe tussentijdse betaling of saldobetaling aan dezelfde begunstigde ten laste van het hoofdstuk, het artikel en het begrotingsjaar waarop het teveel betaalde is geboekt.

Op de in de eerste alinea, onder c) en d) genoemde inhoudingen zijn de boekhoudregels van de Unie van toepassing.

2.  De prijzen van aan de Unie geleverde goederen en diensten waarin belastingen zijn begrepen die op grond van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen worden terugbetaald door de lidstaten, worden exclusief belastingen ten laste van de begroting gebracht.

3.  De prijzen van aan de Unie geleverde goederen en diensten waarin belastingen zijn begrepen die op grond van overeenkomsten ter zake door derde landen worden terugbetaald, kunnen ten laste van de begroting worden gebracht:

a) exclusief belastingen; of

b) inclusief belastingen. In dat geval worden de achteraf terugbetaalde belastingen als interne bestemmingsontvangsten behandeld.

4.  De tijdens de uitvoering van de begroting geregistreerde koersverschillen mogen worden verrekend. Het positieve of negatieve resultaat wordt opgenomen in het saldo van het begrotingsjaar.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de rekeningen voor terugvorderbare belastingen.



HOOFDSTUK 6

Specialiteitsbeginsel

Artikel 24

Algemene bepalingen

De kredieten worden gespecificeerd per titel en hoofdstuk. De hoofdstukken worden onderverdeeld in artikelen en posten.

Artikel 25

Overschrijvingen door andere instellingen dan de Commissie

1.  Iedere andere instelling dan de Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting kredietoverschrijvingen verrichten:

a) van de ene titel naar de andere tot maximaal 10 % van de kredieten van het jaar dat vermeld staat op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven;

b) van het ene hoofdstuk naar het andere en van het ene artikel naar het andere zonder beperking.

2.  Drie weken voordat zij een in lid 1 vermelde overschrijving verricht, brengt de instelling het Europees Parlement en de Raad op de hoogte van haar voornemen dit te doen. Worden binnen deze termijn door het Europees Parlement of door de Raad naar behoren gemotiveerde redenen aangevoerd, dan wordt de procedure van artikel 27 gevolgd.

3.  Iedere andere instelling dan de Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting overschrijvingen van de ene titel naar de andere boven de grens van 10 % van de kredieten van het jaar dat staat vermeld op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven, aan het Europees Parlement en de Raad voorstellen. Deze overschrijvingen geschieden volgens de procedure van artikel 27.

4.  Iedere andere instelling dan de Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting overschrijvingen binnen artikelen verrichten zonder het Europees Parlement en de Raad hiervan van tevoren in kennis te stellen.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de berekening van de percentages van overschrijvingen van andere instellingen dan de Commissie.

Artikel 26

Overschrijvingen door de Commissie

1.  De Commissie kan binnen haar afdeling van de begroting autonoom:

a) in ieder hoofdstuk kredieten overschrijven;

b) wat de personeelskosten en de huishoudelijke uitgaven betreft die gemeenschappelijk zijn voor verschillende titels, kredieten overschrijven van de ene titel naar de andere tot maximaal 10 % van de kredieten van het jaar dat staat vermeld op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven en tot maximaal 30 % van de kredieten van het jaar dat staat vermeld op het begrotingsonderdeel waarnaar de kredieten worden overgeschreven;

c) wat de beleidsuitgaven betreft, kredieten overschrijven van het ene hoofdstuk naar het andere binnen eenzelfde titel tot maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar van het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven.

Drie weken voordat zij de in punt b) van de eerste alinea bedoelde overschrijvingen verricht, brengt de Commissie het Europees Parlement en de Raad op de hoogte van dit voornemen. Worden binnen deze termijn door het Europees Parlement of door de Raad naar behoren gemotiveerde redenen aangevoerd, dan is de procedure van artikel 27 van toepassing.

Bij wijze van uitzondering op de tweede alinea mag de Commissie tijdens de laatste twee maanden van het begrotingsjaar autonoom kredieten met betrekking tot uitgaven voor personeel, extern personeel en andere personeelsleden van de ene titel naar de andere overschrijven tot in totaal 5 % van de kredieten voor het jaar.

De Commissie brengt het Europees Parlement en de Raad binnen twee weken na haar besluit over deze overschrijvingen op de hoogte.

2.  De Commissie kan binnen haar afdeling van de begroting, mits zij het Europees Parlement en de Raad onmiddellijk op de hoogte brengt van haar besluit, de volgende overschrijvingen van kredieten van de ene titel naar de andere verrichten:

a) overschrijvingen van kredieten van de in artikel 46 genoemde titel "Voorzieningen", wanneer de vaststelling van een basishandeling overeenkomstig artikel 294 VWEU de enige voorwaarde is om de reserve op te heffen;

b) in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen zoals internationale humanitaire rampen en crisissituaties die zich na 1 december van het begrotingsjaar voordoen, overschrijvingen van ongebruikte begrotingskredieten die voor dat begrotingsjaar nog beschikbaar zijn in begrotingstitels die onder rubriek 4 van het meerjarig financieel kader vallen naar de begrotingstitels die voor steunverlening in crisissituaties en humanitaire operaties zijn bedoeld.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de berekening van de percentages van interne overschrijvingen door de Commissie en de motivering van de overschrijvingsverzoeken.

Artikel 27

Aan het Europees Parlement en de Raad door de instellingen voorgelegde voorstellen voor overschrijvingen

1.  Elke instelling dient haar voorstellen voor overschrijvingen tegelijkertijd bij het Europees Parlement en de Raad in.

2.  Het Europees Parlement en de Raad besluiten op de in de leden 3 tot en met 6 van dit artikel beschreven wijze over de kredietoverschrijvingen, tenzij in titel I van deel 2 anders is bepaald.

3.  Behoudens in dringende omstandigheden wordt door het Europees Parlement en de Raad die handelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, een besluit over elk voorstel tot overschrijving genomen binnen zes weken vanaf de datum waarop beide instellingen het voorstel hebben ontvangen.

4.  Het voorstel tot overschrijving wordt goedgekeurd indien binnen de termijn van zes weken:

a) het Europees Parlement en de Raad ermee instemmen;

b) het Europees Parlement of de Raad ermee instemt en de andere instelling zich van een besluit onthoudt;

c) het Europees Parlement en de Raad zich van een besluit onthouden of geen besluit nemen dat het voorstel tot overschrijving wijzigt of weigert.

5.  Tenzij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt, bedraagt de termijn niet zes weken bedoeld in lid 3, maar slechts drie weken indien:

a) de overschrijving minder dan 10 % vertegenwoordigt van de kredieten van het begrotingsonderdeel van waaruit de overschrijving plaatsvindt, en niet meer dan 5 000 000 euro bedraagt, of

b) de overschrijving enkel betrekking heeft op betalingskredieten en het totaalbedrag van de overschrijving niet meer dan 100 000 000 euro bedraagt.

6.  Indien het Europees Parlement of de Raad het bedrag van de overschrijving heeft gewijzigd terwijl de andere instelling ermee heeft ingestemd of zich van een besluit onthoudt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad het bedrag van de overschrijving heeft gewijzigd, wordt het laagste bedrag geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de instelling in kwestie haar voorstel voor overschrijving intrekt.

Artikel 28

Specifieke voorschriften voor overschrijvingen

1.  Slechts begrotingsonderdelen waarvoor in de begroting een krediet is toegestaan of die de vermelding "pro memorie" (p.m.) dragen, kunnen door middel van overschrijvingen van kredieten worden voorzien.

2.  De kredieten die overeenkomen met bestemmingsontvangsten kunnen slechts worden overgeschreven voor zover die ontvangsten volgens hun bestemming worden gebruikt.

Artikel 29

Overschrijvingen onderworpen aan bijzondere bepalingen

1.  Op overschrijvingen binnen de titels van de begroting die betrekking hebben op de kredieten van het Europees Landbouwgarantiefonds, de Structuurfondsen, het Cohesiefonds, het Europees Visserijfonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en onderzoek zijn de bijzondere bepalingen van deel 2, titels I, II en III, van toepassing.

2.  Overschrijvingen die het gebruik van de reserve voor spoedhulp mogelijk moeten maken, worden goedgekeurd door het Europees Parlement en de Raad op voorstel van de Commissie. Voor elke spoedmaatregel wordt een afzonderlijk voorstel ingediend.

Voor de toepassing van dit lid is de in artikel 27, leden 3 en 4, bepaalde procedure van toepassing. Indien het Europees Parlement en de Raad het Commissievoorstel niet goedkeuren en zij niet tot een gemeenschappelijk standpunt inzake het gebruik van deze reserve komen, onthouden zij zich van een besluit inzake het overschrijvingsvoorstel van de Commissie.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake verzoeken tot overschrijving van de reserve voor noodhulp.



HOOFDSTUK 7

Beginsel van goed financieel beheer

Artikel 30

Beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid

1.  De kredieten worden aangewend volgens de beginselen van goed financieel beheer, met name de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid.

2.  Zuinigheid betekent dat de door de instelling voor haar activiteiten ingezette middelen tijdig, in passende hoeveelheid en kwaliteit en tegen de best mogelijke prijs beschikbaar worden gesteld.

Efficiëntie betekent dat de beste verhouding tussen de ingezette middelen en de verkregen resultaten wordt nagestreefd.

Doeltreffendheid betekent dat de gestelde doelen en de beoogde resultaten worden bereikt.

3.  Er worden specifieke, meetbare, haalbare, relevante en van een datum voorziene doelstellingen vastgelegd voor alle werkgebieden die door de begroting worden bestreken. De verwezenlijking van die doelstellingen wordt gecontroleerd door per activiteit vastgestelde resultatenindicatoren en de in artikel 38, lid 3, onder e), bedoelde informatie wordt aan het Europees Parlement en de Raad verstrekt door de met de uitgave belaste administratieve diensten. Die informatie wordt elk jaar zo spoedig mogelijk verstrekt, en uiterlijk in de documenten die de ontwerpbegroting vergezellen.

4.  Om de besluitvorming te verbeteren, voeren de instellingen evaluaties vooraf en achteraf uit, overeenkomstig de door de Commissie verstrekte richtsnoeren. Die evaluaties hebben betrekking op alle programma's en activiteiten die belangrijke uitgaven met zich meebrengen en de resultaten van die evaluaties worden meegedeeld aan het Europees Parlement, de Raad en de met de uitgave belaste administratieve autoriteiten.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake evaluaties vooraf, tussentijds en achteraf.

Artikel 31

Verplicht financieel memorandum

1.  Bij ieder voorstel of initiatief dat door de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (hierna "de hoge vertegenwoordiger") of een lidstaat wordt ingediend bij de wetgevende autoriteit en dat gevolgen kan hebben voor de begroting, ook bijvoorbeeld voor het aantal ambten, wordt een financieel memorandum gevoegd, alsmede de evaluatie vooraf waarin artikel 30, lid 4, voorziet.

Bij iedere wijziging van een voorstel of initiatief dat wordt ingediend bij de wetgevende autoriteit en dat aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de begroting, met inbegrip van het aantal ambten, wordt een financieel memorandum gevoegd dat is opgesteld door de instelling die de wijziging voorstelt.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de vereisten voor het financieel memorandum.

2.  Tijdens de begrotingsprocedure verstrekt de Commissie de benodigde gegevens voor een vergelijking tussen de ontwikkeling van de kredietbehoeften en de oorspronkelijke ramingen in de financiële memoranda, op basis van de stand van de beraadslagingen over het voorstel of initiatief dat wordt ingediend bij de wetgevende autoriteit.

3.  Om het gevaar van fraude en onregelmatigheden te verkleinen, worden in het in lid 1 bedoelde financieel memorandum informatie betreffende het ingestelde internecontrolesysteem, een raming van de kosten en baten van door een dergelijk systeem uitgevoerde controles en een evaluatie van het verwachte foutenrisico verstrekt, en worden bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen opgegeven.

Bij deze analyse wordt rekening gehouden met de verwachte omvang en soort fouten, de specifieke omstandigheden van het beleidsterrein in kwestie en met de daarop toepasselijke regels.

Artikel 32

Interne controle op de begrotingsuitvoering

1.  De begroting wordt uitgevoerd met doeltreffende en efficiënte interne controle naar gelang van elke wijze van uitvoering, en in overeenstemming met de toepasselijke sectorale regels.

2.  Voor de uitvoering van de begroting wordt interne controle gedefinieerd als een proces dat op alle niveaus van het beheer van toepassing is en redelijke zekerheid moet verschaffen over de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

a) doeltreffendheid, efficiëntie en zuinigheid van de operaties;

b) betrouwbaarheid van de verslaglegging;

c) bescherming van activa en informatie;

d) preventie, opsporing en correctie van fraude en onregelmatigheden en de naar aanleiding van deze fraude en onregelmatigheden genomen maatregelen;

e) adequate beheersing van de risico's in verband met de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de programma's en met de aard van de betrokken betalingen.

3.  Een effectieve interne controle is gebaseerd op beproefde internationale methoden en omvat in het bijzonder de volgende elementen:

a) een scheiding van taken;

b) een adequate risicobeheersings- en controlestrategie, waaronder controles op het niveau van de ontvangers;

c) de vermijding van belangenconflicten;

d) adequate controlesporen en de integriteit van de gegevens in gegevenssystemen;

e) procedures voor de bewaking van de prestaties en voor de follow-up van vastgestelde zwakheden van de interne controle en uitzonderingen;

f) een periodieke evaluatie van de goede werking van het interne controlesysteem.

4.  Een efficiënte interne controle is gebaseerd op de volgende elementen:

a) de uitvoering van een adequate, door de relevante, bij de controleketen betrokken actoren onderling gecoördineerde risicobeheersings- en controlestrategie;

b) de toegankelijkheid van de resultaten van de uitgevoerde controles voor alle relevante, bij de controleketen betrokken actoren;

c) gebruikmaking, waar passend, van beheersverklaringen van uitvoeringspartners en onafhankelijke auditadviezen, mits de kwaliteit van de onderliggende werkzaamheden adequaat en aanvaardbaar is en dat het werd verricht overeenkomstig gevestigde normen;

d) de tijdige toepassing van corrigerende maatregelen, waaronder passende en afschrikkende sancties;

e) duidelijke en ondubbelzinnige wetgeving als grondslag voor het beleid;

f) het wegnemen van dubbele controles;

g) de verbetering van de kosten-batenverhouding van de controles.

5.  Indien het foutenpercentage bij de uitvoering aanhoudend hoog is, brengt de Commissie de zwakke punten in de controlesystemen in kaart, onderzoekt zij de kosten en baten van eventuele corrigerende maatregelen en neemt zij passende maatregelen of stelt deze voor, bijvoorbeeld een vereenvoudiging van de toepasselijke bepalingen, verbetering van de controlesytemen en bijsturing van het programma of uitvoeringssystemen.

Artikel 33

Kosteneffectieve controlesystemen

Wanneer de Commissie herziene of nieuwe voorstellen voor uitgaven indient, raamt zij de kosten en baten van de controleystemen en het foutenrisico als bedoeld in artikel 31, lid 3.



HOOFDSTUK 8

Transparantiebeginsel

Artikel 34

Bekendmaking van de rekeningen, begrotingen en verslagen

1.  De begroting wordt opgesteld, uitgevoerd en aan rekening en verantwoording onderworpen in overeenstemming met het transparantiebeginsel.

2.  De begroting en de gewijzigde begrotingen worden in hun definitief vastgestelde vorm op initiatief van de voorzitter van het Europees Parlement in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Deze bekendmaking geschiedt binnen drie maanden na de datum van constatering van de definitieve vaststelling van de begroting.

De geconsolideerde jaarrekeningen en het door iedere instelling opgestelde verslag over het begrotings- en financieel beheer worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de voorlopige bekendmaking van de begroting.

Artikel 35

Bekendmaking van informatie over ontvangers en andere informatie

1.  De door de Unie ten behoeve van derden opgenomen en verstrekte leningen worden ter informatie vermeld in een bijlage van de begroting.

2.  De Commissie stelt op passende en tijdige wijze haar informatie over de ontvangers, alsook over de precieze aard en het precieze doel van de maatregel die uit de begroting wordt gefinancierd ter beschikking wanneer de begroting rechtstreeks overeenkomstig artikel 58, lid 1, onder a), wordt uitgevoerd, alsmede informatie over de ontvangers die haar wordt toegezonden door de instanties, personen en lidstaten waaraan taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting zijn toevertrouwd in het kader van andere wijzen van uitvoering.

De in de eerste alinea bedoelde verplichting geldt ook voor andere instellingen met betrekking tot hun ontvangers.

3.  Deze informatie wordt ter beschikking gesteld met inachtneming van de geheimhoudings- en beveiligingsvereisten, met name de bescherming van persoonsgegevens.

Wanneer het natuurlijke personen betreft, wordt de informatie beperkt tot de naam en de ligging van de ontvanger, het toegekende bedrag en de bestemming ervan. De bekendmaking van deze gegevens is gebaseerd op relevante criteria zoals de periodiciteit, het type of de omvang van de toekenning. De bekendmakingscriteria en het detailgehalte houden rekening met het bijzondere karakter van de sector en van elk van de wijzen van uitvoering.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de openbaarmaking van informatie over de ontvangers. In voorkomend geval worden het detailgehalte en de criteria omschreven in de relevante sectorspecifieke regelgeving.



TITEL III

OPSTELLING EN STRUCTUUR VAN DE BEGROTING



HOOFDSTUK 1

Opstelling van de begroting

Artikel 36

Raming van uitgaven en ontvangsten

1.   Elke andere instelling dan de Commissie stelt een raming op van haar ontvangsten en uitgaven, die zij vóór 1 juli van elk jaar aan de Commissie en tegelijkertijd ter informatie aan het Europees Parlement en de Raad toezendt.

2.  De hoge vertegenwoordiger pleegt overleg, betreffende hun respectieve bevoegdheidsgebieden, met de leden van de Commissie die bevoegd zijn voor ontwikkeling, nabuurschapsbeleid en internationale samenwerking, humanitaire hulp en crisisrespons.

3.  De Commissie stelt haar eigen raming op en zendt deze ook onverwijld na goedkeuring ervan aan het Europees Parlement en de Raad toe.

Bij de opstelling van haar eigen raming maakt de Commissie gebruik van de in artikel 37 genoemde inlichtingen.

Artikel 37

Geraamde begroting van de in artikel 208 bedoelde organen

Uiterlijk op 31 maart van elk jaar zendt elk in artikel 208 bedoeld orgaan de Commissie alsook het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig zijn oprichtingsbesluit uiterlijk op 31 maart van elk jaar een raming van zijn uitgaven en ontvangsten, met inbegrip van de tabel van zijn personeelsbestand, alsmede zijn ontwerpwerkprogramma toe.

Artikel 38

Ontwerpbegroting

1.  De Commissie dient uiterlijk op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de begroting moet worden uitgevoerd, bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in dat de ontwerpbegroting bevat. Zij zendt dit voorstel ook ter informatie aan de nationale parlementen toe.

De ontwerpbegroting bevat een algemene, samenvattende staat van de ontvangsten en uitgaven van de Unie en de in artikel 36 bedoelde ramingen. De ontwerpbegroting kan tevens ramingen bevatten die afwijken van de door de instellingen opgestelde ramingen.

De ontwerpbegroting wordt gestructureerd en ingericht zoals in de artikelen 44 tot en met 49 is uiteengezet.

Elke afdeling van de ontwerpbegroting wordt voorafgegaan door een inleiding van de betrokken instelling zelf.

De Commissie stelt de algemene inleiding tot de ontwerpbegroting op. De algemene inleiding bestaat uit tabellen met de belangrijkste financiële gegevens per titel en toelichtingen bij de variaties in de kredieten van het ene begrotingsjaar tot het andere, per uitgavencategorie van het meerjarig financieel kader.

2.  Ten einde nauwkeurigere en betrouwbaardere ramingen te kunnen verstrekken over de gevolgen voor de begroting van geldende wetgeving en wetgevingsvoorstellen die in behandeling zijn, voegt de Commissie bij de ontwerpbegroting een financiële programmering voor de volgende jaren.

De financiële programmering wordt na goedkeuring van de begroting bijgewerkt, rekening houdende met de uitkomst van de begrotingsprocedure en eventuele andere relevante besluiten.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de financiële programmering.

3.  Bij de ontwerpbegroting voegt de Commissie:

a) in voorkomend geval de redenen voor het afwijkingen van de ramingen in de ontwerpbegroting van de ramingen die door de andere instellingen zijn opgesteld;

b) ieder nuttig geacht werkdocument over het personeelsbestand van de instellingen en de bedragen die de Commissie aan de in artikel 208 bedoelde organen en de Europese scholen toekent; een dergelijk werkdocument, dat het laatste goedgekeurde personeelsbestand bevat, geeft een overzicht van:

i) al het personeel dat bij de Unie in dienst is, met inbegrip van juridisch afzonderlijke entiteiten, zoals aangegeven door het soort arbeidsovereenkomst;

ii) een toelichting op het beleid inzake vast en extern personeel en gendergelijkheid;

iii) het aantal posten dat is vervuld aan het begin van het jaar waarin de ontwerpbegroting wordt gepresenteerd, waarbij de verdeling per rang en administratieve eenheid wordt aangegeven,

iv) een uitsplitsing van het personeel naar beleidsterrein;

v) voor elke categorie van extern personeel, het oorspronkelijk geraamde aantal voltijdsequivalenten op basis van de toegestane kredieten, alsmede het aantal personen dat aan het begin van het jaar waarin de ontwerpbegroting wordt gepresenteerd, daadwerkelijk in dienst is, waarbij de uitsplitsing per functiegroep wordt weergeven en waar passend per rang.

c) een werkdocument betreffende de geplande besteding van de kredieten voor het begrotingsjaar, alsmede betreffende de nog betaalbaar te stellen vastleggingen, betreffende de in artikel 208 bedoelde organen en de Europese scholen en betreffende de proefprojecten en voorbereidende acties;

d) met betrekking tot de financiering van internationale organisaties, een werkdocument met daarin:

i) een overzicht van al deze bijdragen, gerangschikt per Unieprogramma of -fonds en per internationale organisatie;

ii) een uiteenzetting van de reden waarom het voor de Unie efficiënter was deze internationale organisaties te financieren in plaats van rechtstreeks zelf op te treden;

e) de activiteitenoverzichten of andere toepasselijke documenten met de volgende toelichting:

i) gegevens over de verwezenlijking van alle eerder vastgestelde specifieke, meetbare, haalbare, relevante en van een datum voorziene doelstellingen voor de verschillende activiteiten alsmede de nieuwe doelstellingen, afgemeten aan indicatoren;

ii) een volledige motivering, met inbegrip van een kosten-batenanalyse van voorgestelde wijzigingen in het niveau van de kredieten;

iii) een duidelijke rechtvaardiging van maatregelen op het niveau van de Unie overeenkomstig, onder meer, het subsidiariteitsbeginsel;

iv) gegevens over de uitvoeringsgraad van de activiteiten van het voorgaande jaar en de uitvoeringsgraad voor het lopende jaar;

v) een samenvatting van de resultaten van de evaluaties, indien relevant voor wijzigingen van de begroting;

vi) informatie over prijzen met een eenheidswaarde van 1 000 000 EUR of meer;

f) een overzicht van de tijdschema's voor de in latere begrotingsjaren te verrichten betalingen uit hoofde van vastleggingen in de begroting van voorafgaande begrotingsjaren.

4.  Indien de Commissie de uitvoering van de begroting toevertrouwt aan publiek-particuliere partnerschappen (PPP's) voegt zij bij de ontwerpbegroting een werkdocument met:

a) een jaarverslag over de resultaten van bestaande PPP's in het voorgaande begrotingsjaar, met inbegrip van informatie over de rechtsvorm en de aandeelhouders van de krachtens artikel 58, lid 1, onder c), punt vii), belaste entiteiten;

b) de doelstellingen voor het begrotingsjaar waar de ontwerpbegroting betrekking op heeft, waarbij zij eventuele specifieke begrotingsbehoeften aangeeft in verband met het behalen van die doelstellingen,

c) de administratieve kosten en de uitgevoerde begroting in totaal en per orgaan, bedoeld in artikel 209, alsmede per PPP in het voorgaande begrotingsjaar;

d) de hoogte van de financiële bijdragen van de begroting van de Unie, het bedrag van de financiële bijdragen en de waarde van de bijdragen in natura van de andere partners van elk PPP;

Indien PPP's echter gebruik maken van financiële instrumenten, wordt de informatie met betrekking tot deze instrumenten opgenomen in het in lid 5 bedoelde werkdocument.

5.  Indien de Commissie gebruik maakt van financiële instrumenten, voegt zij bij de ontwerpbegroting een werkdocument met een overzicht van het volgende:

a) de samengevoegde vastleggingen in de begroting en betalingen uit de begroting voor ieder financieringsinstrument;

b) ontvangsten en terugbetalingen overeenkomstig artikel 140, lid 6, en de toerekening van aanvullende middelen voor het begrotingsjaar;

c) het totaal aan voorzieningen voor risico's en aansprakelijkheden, alsmede enige informatie over de blootstelling van de Unie aan financieel risico;

d) de waardevermindering van activa van aandelen of risicodelingsinstrumenten en betreffende beroepen op garanties voor garantie-instrumenten, zowel voor het voorgaande jaar als de respectievelijke geaccumuleerde cijfers;

e) de gemiddelde periode tussen de vastlegging in de begroting voor de financiële instrumenten en de juridische verbintenissen voor individuele projecten in de vorm van aandelenkapitaal of schuld, indien de duur daarvan langer is dan drie jaar. In het in artikel 140, lid 8, bepaalde verslag zet de Commissie de redenen uiteen en formuleert zij indien nodig een actieplan voor de verkorting van de periode in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure;

f) de administratieve uitgaven in verband met de beheerskosten en andere financiële huishoudelijke lasten betaald voor het beheer van financiële instrumenten, indien dat beheer is toevertrouwd aan derde partijen, in totaal en per beherende partij en per beheerd financieel instrument.

6.  Bij de ontwerpbegroting voegt de Commissie tevens alle andere werkdocumenten die zij dienstig acht ter ondersteuning van haar begrotingsverzoeken.

7.  Overeenkomstig artikel 8, lid 5, van Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden ( 6 ) en om budgettaire transparantie op het gebied van het extern optreden van de Unie te waarborgen, zendt de Commissie het Europees Parlement en de Raad samen met de ontwerpbegroting een werkdocument toe met een volledig overzicht van:

a) alle uit de begroting gefinancierde administratieve en beleidsuitgaven in verband met het extern optreden van de Unie, met inbegrip van de taken op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

b) alle administratieve uitgaven van de EDEO in het voorgaande jaar, uitgesplitst in uitgaven per delegatie van de Unie en uitgaven van het hoofdkantoor van de EDEO, en een overzicht van de beleidsuitgaven, uitgesplitst naar geografisch gebied (regio's, landen), thematisch gebied, delegatie van de Unie en missie.

8.  Het in lid 7 bedoelde werkdocument bevat tevens de volgende gegevens:

a) het aantal ambten in elke categorie en rang, en het aantal vaste en tijdelijke ambten, met inbegrip van arbeidscontractanten en plaatselijke functionarissen waarvoor de uitgaven zijn toegestaan binnen de grenzen van de kredieten in elke delegatie van de Unie, alsook in de centrale administratie van de EDEO;

b) mutaties in het aantal ambten per categorie en rang, in de centrale administratie van de EDEO en in alle delegaties van de Unie, ten opzichte van het vorige begrotingsjaar;

c) het aantal voor het begrotingsjaar toegestane ambten, het aantal ambten dat voor het vorige jaar was toegestaan, alsmede het aantal ambten dat wordt bezet door gedetacheerde diplomaten uit de lidstaten en door personeel van de Raad en de Commissie;

d) al het personeel in de delegaties van de Unie op het moment van indiening van de ontwerpbegroting, uitgesplitst naar geografisch gebied, geslacht, afzonderlijk land en missie, met opgave van het aantal ambten in de personeelsformatie, arbeidscontractanten, lokale functionarissen en gedetacheerde nationale deskundigen, alsmede de in de ontwerpbegroting gevraagde kredieten voor andere soorten personeel, met de bijbehorende ramingen van de voltijdsequivalente personeelsleden die binnen de grenzen van de gevraagde kredieten kunnen worden aangeworven.

Artikel 39

Nota van wijzigingen bij de ontwerpbegroting

Op grond van nieuwe gegevens die ten tijde van de opstelling van het ontwerp niet bekend waren, kan de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van de overige instellingen met betrekking tot hun respectieve afdeling, gelijktijdig bij het Europees Parlement en de Raad nota's van wijzigingen indienen waarmee de ontwerpbegroting wordt gewijzigd, voordat het in artikel 314 VWEU genoemde bemiddelingscomité is bijeengekomen. De nota's kunnen onder meer een nota van wijzigingen omvatten tot actualisering van met name de geraamde landbouwuitgaven.

Artikel 40

Verplichtingen van de lidstaten als gevolg van de goedkeuring van de begroting

1.  De voorzitter van het Europees Parlement constateert volgens de procedure van artikel 314, lid 9, VWEU en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag dat de begroting definitief is vastgesteld.

2.  De constatering van de definitieve vaststelling van de begroting brengt, met ingang van 1 januari van het volgende begrotingsjaar of met ingang van de datum van de constatering van de definitieve vaststelling van de begroting als deze na 1 januari valt, voor elke lidstaat de verplichting met zich mee de Unie de verschuldigde bedragen ter beschikking te stellen op de wijze bepaald in Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000.

Artikel 41

Ontwerpen van gewijzigde begroting

1.  De Commissie kan in de volgende omstandigheden ontwerpen van gewijzigde begroting indienen die vooral op ontvangsten zijn gericht:

 om in de begroting het saldo van het voorgaande begrotingsjaar op te nemen overeenkomstig de procedure van artikel 18,

 om de raming van de eigen middelen te herzien op basis van aangepaste economische prognoses, en

 om de herziene raming van de eigen middelen en andere inkomsten te actualiseren alsook om de beschikbaarheid van en de behoeften aan betalingskredieten te herzien.

De Commissie kan in geval van onvermijdbare, uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden, met name met het oog op de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, ontwerpen van gewijzigde begroting indienen die vooral op uitgaven zijn gericht.

2.  Verzoeken om gewijzigde begrotingen die in de in lid 1 genoemde omstandigheden door andere instellingen dan de Commissie worden gedaan, worden doorgegeven aan de Commissie.

Alvorens een ontwerp van gewijzigde begroting in te dienen, onderzoeken de Commissie en de overige instellingen de mogelijkheid om de desbetreffende kredieten te herschikken, met name met betrekking tot de verwachting dat bepaalde kredieten niet volledig zullen worden opgebruikt.

Artikel 40 is van toepassing op gewijzigde begrotingen. Gewijzigde begrotingen worden gemotiveerd door verwijzing naar de begroting waarvan zij de ramingen wijzigen.

3.  De Commissie dient haar ontwerpen van gewijzigde begroting uiterlijk op 1 september van elk begrotingsjaar gelijktijdig bij het Europees Parlement en de Raad in, behoudens in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden of in geval van de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Solidariteitsfonds waarvoor op elk moment van het jaar een ontwerp van gewijzigde begroting kan worden ingediend. Zij kan bij de door andere instellingen ingediende verzoeken om gewijzigde begrotingen een advies voegen.

4.  Het Europees Parlement en de Raad beraadslagen over de ontwerpen van gewijzigde begroting met de vereiste spoed.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake ontwerpen van gewijzigde begroting.

Artikel 42

Vervroegde indiening van de ramingen en ontwerpbegrotingen

De Commissie, het Europees Parlement en de Raad kunnen overeenkomen bepaalde data voor de indiening van de ramingen en voor de aanneming en de indiening van de ontwerpbegroting te vervroegen. Deze overeenkomst mag er niet toe leiden dat de perioden voor de behandeling van die teksten, als voorgeschreven in artikel 314 VWEU en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag, worden verkort of verlengd.



HOOFDSTUK 2

Structuur en inrichting van de begroting

Artikel 43

Structuur van de begroting

De begroting omvat:

a) een algemene staat van uitgaven en ontvangsten;

b) aparte afdelingen voor elke instelling, behalve voor de Europese Raad en de Raad die onder dezelfde afdeling ressorteren, verdeeld in staten van uitgaven en ontvangsten.

Artikel 44

Begrotingsnomenclatuur

1.  De ontvangsten van de Commissie en de uitgaven en ontvangsten van de overige instellingen worden door het Europees Parlement en de Raad ingedeeld in titels, hoofdstukken, artikelen en posten al naar hun aard of bestemming.

2.  De staat van uitgaven van de afdeling van de Commissie wordt ingericht volgens de door het Europees Parlement en de Raad vastgestelde nomenclatuur met een indeling naar bestemming.

Elke titel komt overeen met een beleidsterrein en elk hoofdstuk als regel met een activiteit.

Elke titel kan beleidskredieten en administratieve kredieten bevatten.

Binnen een zelfde titel worden de administratieve kredieten samengebracht in één hoofdstuk.

3.  In geval van indiening per bestemming worden de administratieve kredieten voor afzonderlijk titels als volgt ingericht:

a) uitgaven voor het door de personeelsformatie toegestane aantal ambten: bij elke rubriek worden de kredieten en het aantal posten voor de personeelsformatie vermeld;

b) uitgaven voor extern personeel en andere uitgaven als bedoeld in artikel 26, lid 1, eerste alinea, onder b), en gefinancierd uit hoofde van de rubriek "Administratie" van het meerjarig financieel kader;

c) uitgaven voor gebouwen en andere, hiermee verband houdende uitgaven, waaronder die voor schoonmaak en onderhoud, huur, telecommunicatie, water, gas en elektriciteit;

d) extern personeel en technische ondersteuning, direct verband houdend met de tenuitvoerlegging van programma's.

Administratieve uitgaven van de Commissie die in verschillende titels voorkomen, worden opgenomen in een afzonderlijke samenvattende staat, ingedeeld naar aard.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de indeling van de begroting.

Artikel 45

Verbod op negatieve ontvangsten

1.  De begroting bevat geen negatieve ontvangsten.

2.  De op grond van Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen ( 7 ) geïnde eigen middelen zijn nettobedragen en worden in de samenvattende staat van ontvangsten van de begroting als zodanig vermeld.

Artikel 46

Voorzieningen

1.  Iedere afdeling van de begroting kan een titel "voorzieningen" bevatten. De kredieten worden in de volgende situaties in deze titel opgenomen:

a) ontbreken van een basishandeling voor de betrokken actie op het tijdstip van opstelling van de begroting; of

b) op ernstige gronden bestaande onzekerheid over de toereikendheid of de mogelijkheid tot besteding, onder voorwaarden overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer, van de op de begrotingsonderdelen opgevoerde kredieten.

De kredieten van die titel kunnen alleen door middel van overschrijving volgens de procedure van artikel 26, lid 1, eerste alinea, onder c), van deze verordening worden gebruikt in de gevallen waarin voor de aanneming van de basishandeling de procedure van artikel 294 VWEU geldt, en volgens de procedure van artikel 27 van deze verordening in de andere gevallen.

2.  In geval van ernstige uitvoeringsmoeilijkheden kan de Commissie tijdens het begrotingsjaar voorstellen kredieten over te schrijven naar de titel "voorzieningen". Het Europees Parlement en de Raad beslissen over deze overschrijvingen op de in artikel 27 beschreven wijze.

Artikel 47

Negatieve reserve

De afdeling Commissie van de begroting mag een "negatieve reserve" bevatten van ten hoogste 200 000 000 EUR. Zulke reserve, die in een aparte titel wordt opgenomen, bevat alleen betalingskredieten.

Het gebruik van die negatieve reserve moet vóór het einde van het begrotingsjaar plaatsvinden door middel van overschrijvingen volgens de procedure van de artikelen 26 en 27.

Artikel 48

Reserve voor noodhulp

1.  De afdeling Commissie van de begroting bevat een reserve voor noodhulp aan derde landen.

2.  De in lid 1 genoemde reserve wordt vóór het einde van het begrotingsjaar gebruikt door middel van overschrijvingen volgens de procedure van de artikelen 27 en 29.

Artikel 49

Inrichting van de begroting

1.  In de begroting worden opgenomen:

a) in de algemene staat van ontvangsten en uitgaven:

i) de geraamde ontvangsten van de Unie voor het betrokken begrotingsjaar ('jaar n');

ii) de geraamde ontvangsten van het vorige begrotingsjaar en de ontvangsten van het jaar n - 2;

iii) de vastleggings- en betalingskredieten voor jaar n;

iv) de vastleggings- en betalingskredieten van het vorige begrotingsjaar;

v) de in het jaar n - 2 vastgelegde uitgaven en gedane betalingen, waarbij de betalingen tevens uitgedrukt worden als een percentage van de begroting van het jaar n;

vi) een passende toelichting bij elk in artikel 44, lid 1, bedoeld onderdeel;

b) in elke afdeling de ontvangsten en uitgaven volgens dezelfde structuur als onder a);

c) met betrekking tot het personeelsbestand:

i) een personeelsformatie waarin, voor elke afdeling, per rang in elke categorie en in elke groep, het aantal binnen de grenzen van de kredieten toegestane vaste en tijdelijke ambten is vastgesteld;

ii) een personeelsformatie van de uit de kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling bezoldigde personeelsleden voor eigen werkzaamheden, en een personeelsformatie van de uit dezelfde kredieten bezoldigde personeelsleden voor werkzaamheden onder contract, onderverdeeld naar categorie en naar rang en met onderscheid tussen vaste en tijdelijke ambten, waarvoor de uitgaven zijn toegestaan binnen de grenzen van de kredieten;

iii) de onderverdeling van het wetenschappelijk en technisch personeel kan onder de bij elke begroting vastgestelde voorwaarden volgens groepen van rangen worden aangegeven. In de personeelsformatie wordt het aantal wetenschappelijk of technisch hooggekwalificeerde personeelsleden vermeld aan wie uit hoofde van de specifieke bepalingen van het statuut bijzondere voordelen worden toegekend;

iv) een personeelsformatie waarin voor alle in artikel 208 bedoelde organen die bijdragen ten laste van de begroting ontvangen, per rang voor elke categorie het aantal ambten wordt vastgesteld. In de personeelsformaties wordt naast het aantal voor het begrotingsjaar toegestane ambten het aantal ambten vermeld dat voor het vorige begrotingsjaar was toegestaan;

d) met betrekking tot de opgenomen en verstrekte leningen:

i) in de algemene staat van ontvangsten, de met deze verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen die dienen voor het boeken van de eventuele aflossingen door ontvangers die aanvankelijk in gebreke waren gebleven, zodat de honoreringsgarantie moest worden toegepast. Die begrotingsonderdelen worden van de vermelding "pro memorie" (p.m.) en van de passende toelichtingen voorzien;

ii) in de afdeling van de Commissie:

 de begrotingsonderdelen betreffende de honoreringsgaranties van de Unie voor deze verrichtingen. Die onderdelen worden van de vermelding "pro memorie" (p.m.) voorzien mits uit dien hoofde geen daadwerkelijke last is gebleken die uit de definitieve middelen moet worden gedekt;

 toelichtingen met verwijzing naar de basishandeling en vermelding van het bedrag van de overwogen verrichtingen, de duur ervan en de financiële waarborg die de Unie voor de afwikkeling van zulke verrichtingen op zich nemen;

iii) in een bijlage bij de afdeling van de Commissie, ter indicatie:

 de lopende kapitaalverrichtingen en het lopende beheer van de schulden,

 de kapitaalverrichtingen en het beheer van de schulden voor jaar n;

e) met betrekking tot de financiële instrumenten krachtens titel VIII van deel 1:

i) een verwijzing naar de basishandeling;

ii) de met deze verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen;

iii) een algemene beschrijving van de financiële instrumenten, met inbegrip van hun looptijd en hun gevolgen voor de begroting;

iv) de voorgenomen verrichtingen, met inbegrip van doelvolumes gebaseerd op de hefboomwerking die voortvloeit uit de bestaande financiële instrumenten;

f) met betrekking tot de financiering van de krachtens artikel 58, lid 1, onder c), punt vii) belaste entiteiten:

i) een verwijzing naar de basishandeling van het desbetreffende programma;

ii) de overeenkomstige begrotingsonderdelen;

iii) een algemene beschrijving van de toevertrouwde taken, met inbegrip van hun duur en hun gevolgen voor de begroting;

g) alle GBVB-uitgaven in een hoofdstuk, "GBVB" getiteld, met specifieke artikelen. Die artikelen hebben betrekking op GBVB-uitgaven en bevatten specifieke onderdelen waarin in ieder geval de belangrijkste missies worden vermeld.

2.  Het Europees Parlement en de Raad kunnen naast de in lid 1 genoemde documenten nog ieder ander ter zake dienend document bij de begroting voegen.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de inrichting van de begroting, met inbegrip van een definitie van de werkelijke uitgaven van het laatste afgesloten begrotingsjaar, de begrotingstoelichting en de personeelsformaties.

Artikel 50

Regels betreffende de personeelsformaties

1.  De in artikel 49, lid 1, onder c), beschreven personeelsformaties vormen voor iedere instelling en elk orgaan een strikt maximum; boven dit maximum mag geen enkele aanstelling worden verricht.

Iedere instelling en ieder orgaan mag evenwel wijzigingen in zijn personeelsformaties aanbrengen voor 10 % van de toegestane ambten, behalve voor de rangen AD 16, AD 15 en AD 14, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) de wijziging heeft geen gevolgen voor de omvang van de personeelskredieten overeenkomend met een volledig begrotingsjaar;

b) het totale aantal toegestane ambten per personeelsformatie wordt niet overschreden; alsmede

c) de instelling of het orgaan heeft deelgenomen aan een benchmark-studie met andere instellingen en organen van de Unie, waarmee is begonnen met de personeelsscreening van de Commissie.

Drie weken voordat zij de in de tweede alinea bedoelde wijzigingen aanbrengen, brengt de instelling het Europees Parlement en de Raad op de hoogte van haar voornemen dit te doen. Worden binnen deze termijn door hetzij het Europees Parlement, hetzij de Raad naar behoren gemotiveerde redenen aangevoerd, dan ziet de instellingen af van het aanbrengen van deze wijzigingen en wordt de procedure van artikel 41 gevolgd.

2.  In afwijking van lid 1, eerste alinea, kunnen de gevallen van arbeid in deeltijd waarvoor het tot aanstelling bevoegde gezag overeenkomstig de bepalingen van het statuut toestemming heeft verleend, worden gecompenseerd.



HOOFDSTUK 3

Begrotingsdiscipline

Artikel 51

Overeenstemming met het meerjarig financieel kader

De begroting moet in overeenstemming zijn met het meerjarig financieel kader.

Artikel 52

Overeenstemming van handelingen van de Unie met de begroting

Wanneer bij de uitvoering van een handeling van de Unie de in de begroting beschikbare kredieten worden overschreden, kan die handeling in financieel opzicht pas ten uitvoer worden gelegd nadat de begroting dienovereenkomstig is gewijzigd.



TITEL IV

UITVOERING VAN DE BEGROTING



HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 53

Begrotingsuitvoering volgens het beginsel van goed financieel beheer

1.  De Commissie voert de begroting aan de ontvangsten- en uitgavenzijde uit overeenkomstig deze verordening, onder haar eigen verantwoordelijkheid en binnen de grenzen van de toegestane kredieten.

2.  De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de kredieten worden besteed volgens het beginsel van goed financieel beheer.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de begrotingsuitvoering volgens het beginsel van goed financieel beheer, en betreffende kennisgeving van de doorgifte van persoonsgegevens voor controledoeleinden.

Artikel 54

Basishandeling en uitzonderingen

1.  De in de begroting opgenomen kredieten kunnen pas voor een optreden van de Unie worden besteed nadat een basishandeling is vastgesteld.

2.  In afwijking van lid 1 mogen de volgende kredieten zonder basishandeling worden besteed, voor zover de gefinancierde acties onder de bevoegdheid van de Unie vallen:

a) kredieten voor proefprojecten van experimentele aard om de haalbaarheid en het nut van een actie te bepalen. De desbetreffende vastleggingskredieten mogen voor ten hoogste twee opeenvolgende begrotingsjaren in de begroting worden opgenomen.

Het totale bedrag van de kredieten voor de proefprojecten is niet hoger dan 40 000 000 EUR per begrotingsjaar;

b) kredieten voor voorbereidende acties op gebieden die onder het toepassingsgebied van het VWEU en het Euratom-Verdrag vallen, om voorstellen voor te bereiden met het oog op de vaststelling van toekomstige acties. Voor de voorbereidende acties geldt een samenhangende aanpak en zij kunnen uiteenlopende vormen hebben. De desbetreffende vastleggingskredieten mogen voor ten hoogste drie opeenvolgende begrotingsjaren in de begroting worden opgenomen. De procedure voor de vaststelling van de relevante basishandeling wordt vóór het einde van het derde begrotingsjaar beëindigd. In de loop van die procedure stemt de vastlegging van de kredieten overeen met de eigen kenmerken van de voorbereidende actie met betrekking tot de beoogde activiteiten en doelstellingen en de ontvangers. Bijgevolg stemt de omvang van de aangewende middelen niet overeen met de voor de financiering van de definitieve actie zelf voorziene middelen.

Het totale bedrag van de kredieten voor de onder deze letter bedoelde nieuwe voorbereidende acties is niet hoger dan 50 000 000 EUR per begrotingsjaar en het totale bedrag van de daadwerkelijk vastgelegde kredieten voor voorbereidende acties is niet hoger dan 100 000 000 EUR;

c) kredieten voor voorbereidende maatregelen op het gebied van titel V van het VEU. Zulke maatregelen worden beperkt tot een korte periode en dienen om de voorwaarden vast te stellen voor het optreden van de Europese Unie ter verwezenlijking van de doelstellingen van het GBVB en voor de goedkeuring van de nodige juridische instrumenten.

Voorbereidende maatregelen voor crisisbeheersingsoperaties van de Unie dienen onder meer om na te gaan wat de operationele behoeften zijn, te zorgen voor een snelle terbeschikkingstelling van de eerste middelen of ter plaatse de voorwaarden voor de start van de operatie te scheppen.

Voorbereidende maatregelen worden overeengekomen door de Raad, op voorstel van de hoge vertegenwoordiger.

Met het oog op een snelle uitvoering van de voorlopige maatregelen worden het Europees Parlement en de Commissie zo spoedig mogelijk door de hoge vertegenwoordiger geïnformeerd over het voornemen van de Raad om tot een voorbereidende maatregel over te gaan en in het bijzonder over de hiervoor naar raming benodigde middelen. De Commissie neemt alle nodige maatregelen om een snelle terbeschikkingstelling van de middelen te waarborgen;

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de financiering van voorbereidende maatregelen op het gebied van het GVBV.

d) kredieten voor incidentele acties, of zelfs voor acties van onbepaalde duur, die de Commissie uitvoert op grond van de taken die voortvloeien uit haar andere prerogatieven op institutioneel vlak uit hoofde van het VWEU en het Euratom-Verdrag dan haar in punt b) bedoelde initiatiefrecht inzake wetgeving, alsmede uit de bijzondere bevoegdheden die haar rechtstreeks door deze Verdragen zijn toegekend en die in de gedelegeerde handelingen die volgens deze verordening zijn vastgesteld, dienen te worden opgesomd;

e) kredieten die bestemd zijn voor de werking van elke instelling uit hoofde van haar administratieve autonomie.

Bij de indiening van de ontwerpbegroting legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag over de in de eerste alinea, onder a) en b) bedoelde acties voor dat een evaluatie van de behaalde resultaten en een beoordeling van de voorgenomen follow-up bevat.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de basishandeling en de in lid 2 van dit artikel opgesomde uitzonderingen.

Artikel 55

Uitvoering van de begroting door andere instellingen dan de Commissie

De Commissie kent de overige instellingen de bevoegdheden toe die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdeling van de begroting.

Tussen de Commissie en de EEAS kunnen nadere regelingen worden overeengekomen om de uitvoering van de administratieve kredieten van de delegaties van de Unie te bevorderen. Bij zulke regelingen kan niet worden afgeweken van deze verordening of de gedelegeerde handelingen die volgens deze verordening zijn vastgesteld.

Artikel 56

Delegatie van bevoegdheden tot uitvoering van de begroting

1.  De Commissie en elk van de overige instellingen kunnen hun bevoegdheden tot uitvoering van de begroting binnen hun diensten delegeren onder de in deze verordening en hun interne voorschriften bepaalde voorwaarden en binnen de grenzen die zij in de akte van delegatie vaststellen. Deze delegatieverkrijgers handelen binnen de grenzen van de hen uitdrukkelijk verleende bevoegdheden.

2.  De Commissie kan evenwel haar bevoegdheden tot uitvoering van de begroting met betrekking tot de beleidskredieten van haar eigen afdeling aan de hoofden van de delegaties van de Unie delegeren. Tegelijkertijd brengt zij de hoge vertegenwoordiger daarvan op de hoogte. Wanneer de hoofden van de delegaties van de Unie als gesubdelegeerd ordonnateur van de Commissie optreden, passen zij de voorschriften van de Commissie voor de uitvoering van de begroting toe en worden zij onderworpen aan dezelfde taken, verplichtingen en aansprakelijkheid als elke andere gesubdelegeerd ordonnateur van de Commissie.

De Commissie kan de delegatie intrekken overeenkomstig haar eigen regels.

Voor de toepassing van de eerste alinea neemt de hoge vertegenwoordiger de nodige maatregelen om de samenwerking tussen de delegaties van de Unie en de diensten van de Commissie te bevorderen.

Artikel 57

Belangenconflicten

1.  Financiële actoren en andere personen die bij de uitvoering en het beheer, met inbegrip van voorbereidende handelingen op dit gebied, de audit of de controle van de begroting betrokken zijn, verrichten geen handeling waarbij hun eigen belangen in conflict kunnen komen met die van de Unie.

Indien een dergelijk risico bestaat, ziet de betrokkene van deze handeling af en wendt zich tot de gedelegeerde ordonnateur, die schriftelijk meedeelt of er sprake is van een belangenconflict. De betrokkene stelt ook zijn hiërarchieke meerdere op de hoogte. Indien er sprake blijkt te zijn van een belangenconflict beëindigt de betrokkene zijn activiteiten in verband met de zaak. De gedelegeerde ordonnateur neemt persoonlijk de nodige verdere maatregelen.

2.  Voor de toepassing van lid 1 doet een belangenconflict zich voor wanneer de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van de in lid 1 bedoelde financiële actor of andere persoon in gevaar wordt gebracht als gevolg van familiebanden, vriendschap, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elke andere eventuele belangengemeenschap met de ontvanger.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van wat een belangenconflict kan inhouden alsmede de procedure die in dergelijke gevallen moet worden gevolgd.



HOOFDSTUK 2

Wijzen van uitvoering

Artikel 58

Wijzen van uitvoering van de begroting

1.  De Commissie voert de begroting op de volgende wijzen uit:

a) op directe wijze ("direct beheer") via haar diensten, met inbegrip van haar personeel in de delegaties van de Unie onder leiding van het respectievelijke delegatiehoofd, overeenkomstig artikel 56, lid 2, of via uitvoerende agentschappen als bedoeld in artikel 62;

b) in gedeeld beheer met de lidstaten ("gedeeld beheer"); of

c) op indirecte wijze ("indirect beheer"), wanneer de basishandeling daarin voorziet of in de in artikel 54, lid 2, eerste alinea, onder de letters a) tot en met d) genoemde gevallen, door taken tot uitvoering van de begroting toe te vertouwen aan:

i) derde landen of de door hen aangewezen organen;

ii) internationale organisaties en hun agentschappen;

iii) de EIB en het Europees Investeringsfonds;

iv) de in de artikelen 208 en 209 bedoelde organen;

v) publiekrechtelijke organen;

vi) privaatrechtelijke organen met een openbare dienstverleningstaak, voor zover zij voldoende financiële garanties bieden;

vii) privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;

viii) personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

2.  De Commissie blijft verantwoordelijk voor de uitvoering van de begroting overeenkomstig artikel 317 VWEU en stelt zij het Europees Parlement en de Raad in kennis van de acties die zijn uitgevoerd door de in lid 1, onder c), van dit artikel genoemde entiteiten en personen. Wanneer de entiteit of persoon waaraan de uitvoering is toevertrouwd in een basishandeling wordt gedefinieerd, wordt de keuze van deze specifieke entiteit of persoon in het in artikel 31 genoemde financieel memorandum gemotiveerd.

3.  De in lid 1, onder c), van dit artikel genoemde entiteiten en personen werken ten volle mee aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie. Delegatieovereenkomsten verlenen de Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) het recht om hun bevoegdheden uit hoofde van het VWEU ten volle uit te oefenen met betrekking tot de controle van de middelen.

De Commissie vertrouwt begrotingsuitvoeringstaken toe aan onder letter c) van lid 1 van dit artikel genoemde entiteiten en personen op voorwaarde dat er transparante, niet-discriminerende, efficiënte en doeltreffende beroepsprocedures bestaan met betrekking tot de feitelijke uitvoering van zulke taken.

4.  Alle delegatieovereenkomsten worden aan het Europees Parlement en de Raad beschikbaar gesteld indien zij daarom verzoeken.

5.  De onder letter c) van lid 1 van dit artikel genoemde entiteiten en personen, zorgen in overeenstemming met artikel 35, lid 2, voor een gepaste jaarlijkse bekendmaking achteraf van informatie betreffende de ontvangers. De Commissie wordt op de hoogte gesteld van de ter zake getroffen maatregelen.

6.  De krachtens letter c) van lid 1 belaste entiteiten en personen hebben niet de status van gedelegeerd ordonnateur.

7.  De Commissie vertrouwt geen uitvoeringsbevoegdheden toe aan derden wanneer deze bevoegdheden een ruime beoordelingsmarge inhouden die door politieke keuzen kan worden bepaald.

▼M3

8.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de wijzen van uitvoering van de begroting, met inbegrip van direct beheer, de bevoegdheidsdelegatie aan uitvoerende agentschappen, en specifieke voorschriften voor indirect beheer met internationale organisaties, met in de artikelen 208 en 209 bedoelde organen, met publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbare dienstverleningstaak, met privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en met personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen binnen het GBVB is toevertrouwd. De Commissie is eveneens bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot criteria om organisaties zonder winstoogmerk gelijk te stellen met internationale organisaties.

▼B

Artikel 59

Gedeeld beheer met de lidstaten

1.  Wanneer de Commissie de begroting in gedeeld beheer uitvoert, worden uitvoeringstaken aan de lidstaten gedelegeerd. De Commissie en de lidstaten handelen met inachtneming van de beginselen van gezond financieel beheer, transparantie en non-discriminatie en geven zichtbaarheid aan het optreden van de Unie wanneer zij middelen van de Unie beheren. Daartoe komen de Commissie en de lidstaten hun respectieve controle- en auditverplichtingen na en nemen zij de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden op zich die in deze verordening zijn vastgesteld. Aanvullende voorschriften worden vastgesteld in sectorspecifieke regelgeving.

2.  De lidstaten nemen, wanneer zij taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting uitoefenen, alle nodige maatregelen, met inbegrip van wetgevende, regelgevende, en administratieve maatregelen, ter bescherming van de financiële belangen van de Unie, met name door:

a) ervoor te zorgen dat uit de begroting gefinancierde acties naar behoren en effectief en in overeenstemming met de toepasselijke sectorspecifieke regelgeving worden uitgevoerd en met het oog hierop in overeenstemming met lid 3 organen aan te wijzen die verantwoordelijk zijn om de middelen van de Unie te beheren en te controleren en toezicht te houden op deze organen;

b) te voorzien in de preventie, opsporing en correctie van ontregelmatigheden en fraude.

Teneinde de financiële belangen van de Unie te beschermen verrichten de lidstaten met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel en in toepassing van dit artikel en de desbetreffende sectorspecifieke regelgeving vooraf en achteraf controles, met inbegrip van toetsen ter plaatse, waar zulks dienstig is, op representatieve en/of risicogerichte steekproeven van verrichtingen Daarnaast gaan zij over tot terugvordering van onterecht betaalde bedragen en stellen zij in voorkomend geval gerechtelijke procedures in.

De lidstaten leggen de ontvangers doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties op indien hierin is voorzien bij sectorspecifieke regelgeving en specifieke bepalingen in nationale wetgeving.

In het kader van haar risicobeoordeling en overeenkomstig de sectorspecifieke regelgeving, houdt de Commissie toezicht op de door de lidstaten vastgestelde beheers- en controlesystemen. Bij haar controlewerkzaamheden eerbiedigt de Commissie het proportionaliteitsbeginsel en houdt zij rekening met het niveau van het beoordeelde risico overeenkomstig de sectorspecifieke regelgeving.

3.  Overeenkomstig de criteria en procedures die zijn vastgelegd in sectorspecifieke regelgeving wijzen de lidstaten op het passende niveau organen aan die bevoegd zijn om de middelen van de Unie te beheren en te controleren. Zulke organen kunnen naast het beheer van middelen van de Unie andere taken verrichten en kunnen sommige taken aan andere organen toevertrouwen.

Bij het nemen van een besluit inzake de aanwijzing van organen kunnen de lidstaten zich laten leiden door de vraag of de beheers- en controlesystemen in wezen dezelfde zijn als die welke reeds golden voor de vorige periode en of deze afdoende gefunctioneerd hebben.

Indien uit de audit- en controleresultaten blijkt dat de aangewezen organen niet langer voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld in de sectorspecifieke regelgeving, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van de taken van deze organen worden verholpen, onder meer door een eind te maken aan de aanwijzing in overeenstemming met de sectorspecifieke regelgeving.

De sectorspecifieke regelgeving legt de rol van de Commissie in het in dit lid omschreven proces vast.

4.  De overeenkomstig lid 3 aangewezen organen:

a) stellen een doeltreffend en efficiënt internecontrolesysteem in en zien toe op de werking ervan;

b) gebruiken een boekhoudsysteem dat tijdig nauwkeurige, volledige en betrouwbare informatie verstrekt;

c) verschaffen de uit hoofde van lid 5 verlangde informatie;

d) zorgen voor een bekendmaking achteraf overeenkomstig artikel 35, lid 2. De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig nationale bepalingen in overeenstemming met richtlijn 95/46/EG.

5.  De overeenkomstig lid 3 aangewezen instanties verstrekken de Commissie vóór 15 februari van het volgende begrotingsjaar:

a) hun rekeningen betreffende de uitgaven die zij tijdens de relevante referentieperiode, als bepaald in de sectorspecifieke regelgeving, hebben gedaan bij de uitvoering van hun taken en met het oog op vergoeding bij de Commissie hebben ingediend. In die rekeningen zijn de prefinanciering en de bedragen waarvoor terugvorderingsprocedures lopen of zijn afgerond, opgenomen. Zij gaan vergezeld van een beheersverklaring waarin wordt bevestigd dat naar de mening van degenen die met het beheer van de middelen belast zijn:

i) de informatie op juiste, volledige en accurate wijze is gepresenteerd,

ii) de uitgaven voor het beoogde, in de sectorspecifieke regelgeving omschreven doel zijn gebruikt,

iii) de ingevoerde controlesystemen de nodige garanties verstrekken in verband met de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

b) een jaarlijkse samenvatting van de definitieve auditverslagen en van de verrichte controles, met een analyse van de aard en de omvang van de vastgestelde fouten en tekortkomingen in de systemen en een overzicht van de reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen.

De in de eerste alinea, onder a), bedoelde rekeningen en de in de eerste alinea, onder b), bedoelde samenvatting gaan vergezeld van een advies van een onafhankelijk auditorgaan dat overeenkomstig de internationaal aanvaarde auditnormen is opgesteld. In dat advies wordt vastgesteld of de rekeningen een juist en getrouw beeld geven, of de uitgaven waarvoor bij de Commissie om vergoeding is verzocht, wettig en regelmatig zijn en of de ingevoerde controlesystemen naar behoren functioneren. In het advies wordt ook vastgesteld of de beweringen in de eerste alinea, in letter a) genoemde beheersverklaring in twijfel worden getrokken in de auditwerkzaamheden.

De termijn van 15 februari kan bij uitzondering door de Commissie worden verlengd tot 1 maart na kennisgeving door de betrokken lidstaat.

De lidstaten kunnen de in dit lid genoemde informatie op het daarvoor geëigende niveau publiceren.

Bovendien kunnen de lidstaten op het daarvoor geëigende niveau ondertekende verklaringen afgeven gebaseerd op de in dit lid genoemde informatie.

6.  Om ervoor te zorgen dat de middelen van de Unie worden gebruikt in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften dient de Commissie:

a) procedures toe te passen voor het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen van de aangewezen organen, om te waarborgen dat de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarheidsgetrouw zijn;

b) betalingen die in strijd met het toepasselijk recht zijn verricht, uit te sluiten van financiering door de Unie;

c) betalingstermijnen te onderbreken of betalingen op te schorten indien daarin is voorzien in de sectorspecifieke regelgeving.

De Commissie maakt de onderbreking van betalingstermijnen of schorsing van betalingen geheel of gedeeltelijk ongedaan nadat een lidstaat zijn opmerkingen heeft ingediend en zodra deze alle nodige maatregelen heeft genomen. In het in artikel 66, lid 9, bedoelde jaarlijks activiteitenverslag komen alle verplichtingen uit hoofde van deze alinea aan bod.

7.  In de sectorspecifieke regelgeving wordt rekening gehouden met de behoeften van programma's voor Europese territoriale samenwerking, met name wat betreft de inhoud van de jaarlijkse beheersverklaring, het in lid 3 genoemde proces en de controlefunctie.

8.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake gedeeld beheer met lidstaten, met inbegrip van de samenstelling van een register van organen die verantwoordelijk zijn voor het beheer en de controle van geldmiddelen van de Unie, en inzake maatregelen ter bevordering van de beste werkmethoden.

Artikel 60

Indirect beheer

1.  Entiteiten en personen belast krachtens artikel 58, lid 1, onder c), met begrotingsuitvoeringstaken handelen met inachtneming van de beginselen van goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie en geven zichtbaarheid aan het optreden van de Unie wanneer zij middelen van de Unie beheren. Zij waarborgen daarbij een niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie dat gelijkwaardig is aan het bij deze verordening voorgeschreven niveau, rekening houdende met:

a) de aard van de hun toevertrouwde taken en de betrokken bedragen;

b) de financiële risico's;

c) de mate van zekerheid die wordt verschaft door hun systemen, regels en procedures, in combinatie met de maatregelen die door de Commissie worden genomen om de uitvoering van de toevertrouwde taken te superviseren en te ondersteunen.

2.  Met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Unie, dienen de krachtens artikel 58, lid 1, onder c) belaste entiteiten en personen, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel:

a) een doeltreffend en efficiënt internecontrolesysteem in te stellen en toe te zien op de werking ervan;

b) een boekhoudsysteem te gebruiken dat tijdig nauwkeurige, volledige en betrouwbare informatie verstrekt;

c) zich te onderwerpen aan onafhankelijke externe accountantscontrole, uitgevoerd volgens internationaal aanvaarde controlenormen door een instantie die functioneel onafhankelijk is van de betrokken entiteit of persoon;

▼M3

d) regels en procedures toe te passen die moeten voorzien in een adequate financiering uit middelen van de Unie via aanbestedingen, subsidies, prijzen en financieringsinstrumenten, waaronder de verplichtingen van artikel 108, lid 12;

▼B

e) er overeenkomstig artikel 35, lid 2, voor te zorgen dat achteraf informatie inzake de ontvangers wordt bekendgemaakt;

f) op afdoende wijze persoonsgegevens te beschermen zoals bepaald in Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001.

De krachtens punt viii) van artikel 58, lid 1, onder c), belaste personen stellen hun financiële regels vast met voorafgaande goedkeuring van de Commissie. Zij voldoen uiterlijk zes maanden na de aanvang van hun mandaat aan de onder a) tot en met e) genoemde eisen. Wanneer zij aan het eind van deze periode slechts gedeeltelijk aan deze eisen voldoen neemt de Commissie passende corrigerende maatregelen om toe te zien op en steun te verlenen aan de uitvoering van de hun toevertrouwde taken.

▼M3

3.  In het kader van de hun toevertrouwde taken voor de uitvoering van de begroting doen de krachtens artikel 58, lid 1, onder c), belaste entiteiten en personen aan preventie, opsporing en correctie van onregelmatigheden en fraude en stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Daartoe verrichten zij, overeenkomstig het proportionaliteitsbeginsel, vooraf en achteraf controles, met inbegrip van toetsen ter plaatse indien zulks dienstig is, op representatieve en/of risicogerichte steekproeven van verrichtingen, om een effectieve en correcte uitvoering van uit de begroting gefinancierde acties te waarborgen. Daarnaast gaan zij over tot terugvordering van onterecht betaalde bedragen, tot uitsluiting van toegang tot middelen van de Unie of tot oplegging van financiële sancties, en stellen zij in voorkomend geval gerechtelijke procedures in.

▼B

4.  De Commissie kan betalingen aan de in artikel 58, lid 1, onder c) bedoelde entiteiten en personen opschorten, in het bijzonder wanneer systematische fouten worden ontdekt die twijfels doen rijzen omtrent de betrouwbaarheid van de internecontrolesystemen van de betrokken entiteit of persoon, of omtrent de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

Onverminderd artikel 92 kan de verantwoordelijke gedelegeerd ordonnateur betalingen aan dergelijke entiteiten of personen geheel of gedeeltelijk onderbreken om nadere toetsen te verrichten wanneer

i) hij kennis krijgt van informatie waaruit blijkt dat de werking van het internecontrolesysteem een belangrijke tekortkoming vertoont of dat door de betrokken entiteit of persoon gecertificeerde uitgaven verband houden met een grove onregelmatigheid en niet zijn gecorrigeerd;

ii) de onderbreking noodzakelijk is om te voorkomen dat de financiële belangen van de Unie ernstig worden geschaad.

5.  Onverminderd lid 7, bezorgen de in artikel 58, lid 1, onder c) bedoelde entiteiten en personen de Commissie:

a) een verslag over de uitvoering van de hun toevertrouwde taken;

b) de rekeningen betreffende de voor de uitvoering van de toevertrouwde taken gedane uitgaven; Die rekeningen gaan vergezeld van een beheersverklaring waarin wordt bevestigd dat naar de mening van degenen die met het beheer van de middelen belast zijn:

i) de informatie op juiste, volledige en accurate wijze is gepresenteerd,

ii) de uitgaven zijn gebruikt voor het beoogde doel als omschreven in de delegatieovereenkomsten, of in voorkomend geval in de desbetreffende sectorspecifieke regelgeving;

iii) de ingevoerde controlesystemen de nodige garanties verstrekken in verband met de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

c) een samenvatting van de definitieve auditverslagen en van de verrichte controles, met een analyse van de aard en de omvang van de vastgestelde fouten en tekortkomingen in de systemen en een overzicht van de reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen.

De in de eerste alinea genoemde documenten gaan vergezeld van een volgens de internationaal erkende auditnormen opgesteld advies van een onafhankelijk auditorgaan. In dit advies wordt vastgesteld of de rekeningen een juist en getrouw beeld geven, of de ingevoerde controlesystemen naar behoren functioneren, en of de onderliggende verrichtingen wettelijk en regelmatig zijn. In het advies wordt ook vastgesteld of de beweringen in de onder letter b) van de eerste alinea genoemde beheersverklaring in twijfel worden getrokken in de auditwerkzaamheden.

De in de eerste alinea bedoelde documenten worden aan de Commissie bezorgd uiterlijk op 15 februari van het volgende begrotingsjaar. Het in de tweede alinea bedoelde advies wordt uiterlijk op 15 maart aan de Commissie bezorgd.

De bij dit lid opgelegde verplichtingen gelden onverminderd met internationale organisaties en derde landen gesloten overeenkomsten. Zulke overeenkomsten omvatten ten minste de verplichting voor deze internationale organisaties en derde landen om de Commissie jaarlijks een verklaring te bezorgen dat de bijdrage van de Unie in het betrokken begrotingsjaar is gebruikt, en dat daarover rekening en verantwoording is afgelegd, met inachtneming van de voorschriften van lid 2 en van de in zulke overeenkomsten vastgelegde verplichtingen.

6.  Onverminderd lid 7, dient de Commissie:

a) erop toe te zien dat deze personen en entiteiten hun verantwoordelijkheden nakomen, met name door tijdens de tenuitvoerlegging van programma’s controles en evaluaties uit te voeren;

b) procedures toe te passen voor het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen van de aangewezen entiteiten en personen, om te waarborgen dat de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarheidsgetrouw zijn;

c) betalingen die in strijd met de toepasselijke regels zijn verricht, van financiering door de Unie uit te sluiten.

▼M3

7.  De leden 5 en 6 zijn niet van toepassing op de bijdrage van de Unie aan entiteiten die het voorwerp zijn van een afzonderlijke kwijtingsprocedure uit hoofde van de artikelen 208 en 209.

8.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake indirect beheer, met inbegrip van de vaststelling van de voorwaarden in indirect beheer waarbij de systemen, regels en procedures van entiteiten en personen gelijkwaardig zijn met die van de Commissie, beheerverklaringen en conformiteitsverklaringen, en de procedures voor het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen, de verplichting om de Commissie in kennis te stellen van opgespoorde fraude en onregelmatigheden, de uitsluiting van financiering door de Unie van uitgaven die in strijd met de toepasselijke regels zijn gedaan en de oplegging van financiële sancties.

▼B

Artikel 61

Voorafgaande evaluaties en delegatieovereenkomsten

1.  Voordat zij taken voor de uitvoering van de begroting krachtens artikel 58, lid 1, onder c), aan entiteiten of personen toevertrouwt, vergewist de Commissie zich ervan dat aan de vereisten van artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder a) tot en met d), is voldaan.

De krachtens artikel 58, lid 1, onder c) belaste entiteiten of personen brengen de Commissie onmiddellijk op de hoogte van elke wezenlijke verandering aan hun systemen of voorschriften of aan de procedures voor het hun toevertrouwde beheer van de middelen van de Unie. De Commissie onderwerpt in dat geval de met de betrokken entiteit of persoon gesloten delegatieovereenkomsten aan een onderzoek om na te gaan of nog steeds aan de vereisten van artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder a) tot en met d), is voldaan.

2.  Tenzij de entiteit in de basishandeling wordt vermeld, kiest de Commissie een entiteit uit een van de categorieën genoemd in artikel 58, lid 1, letter c), onder ii), v), vi) en vii), waarbij zij naar behoren rekening met de aard van de aan de entiteit toe te vertrouwen taken, alsook met de ervaring en met de operationele en financiële capaciteiten van de betrokken entiteiten. De keuze is transparant, wordt gemaakt op objectieve gronden en geeft geen aanleiding tot belangenconflicten.

3.  Delegatieovereenkomsten bevatten de in artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder a) tot en met d), gestelde eisen. Zij bevatten tevens een duidelijke omschrijving van de aan de entiteit toevertrouwde taken en een verbintenis van de betrokken entiteiten of personen om de verplichtingen van artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder e) en f), na te komen en af te zien van elke handeling die tot een belangenconflict aanleiding kan geven.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de voorafgaande evaluatie van voorschriften en procedures bij indirect beheer en de inhoud van delegatieovereenkomsten.

Artikel 62

Uitvoerende agentschappen

1.  De Commissie kan bevoegdheden delegeren aan de uitvoerende agentschappen om voor haar rekening en onder haar verantwoordelijkheid een programma of project van de Unie geheel of gedeeltelijk uit te voeren, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd ( 8 ). De uitvoerende agentschappen worden opgericht door middel van een besluit van de Commissie en zijn rechtspersonen naar Unierecht.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de uitoefening van aan de uitvoerende agentschappen gedelegeerde bevoegdheden.

2.  De besteding van de betrokken beleidskredieten wordt volgens de methode van direct beheer verricht door de directeur van het uitvoerend agentschap.

Artikel 63

Grenzen aan de delegatie van bevoegdheden

1.  De Commissie vertrouwt geen handelingen met betrekking tot de besteding van middelen van de Unie, betaling en invordering daaronder begrepen, toe aan privaatrechtelijke externe entiteiten of organen, behalve in het in artikel 58, lid 1, onder c), punten v), vi) en vii), bedoelde geval of in bijzondere gevallen waarin de betrokken betalingen:

i) aan door de Commissie bepaalde begunstigden van een betaling moeten worden gedaan,

ii) aan door de Commissie vastgestelde voorwaarden en bedragen zijn onderworpen, en

iii) de entiteit of het orgaan dat de betalingen verricht, geen discretionaire bevoegdheid uitoefent.

2.  De Commissie kan de volgende taken contractueel toevertrouwen aan privaatrechtelijke externe entiteiten of organen die niet met een openbaredienstverleningstaak zijn belast: technische expertises en administratieve, voorbereidende of bijkomende taken die geen overheidstaak of de uitoefening van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid inhouden.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake het toevertrouwen van taken aan bepaalde externe privaatrechtelijke entiteiten of organen overeenkomstig de in Titel V van deel 1 genoemde voorschriften inzake overheidsopdrachten.



HOOFDSTUK 3

Financiele actoren



Afdeling 1

Beginsel van scheiding van functies

Artikel 64

Scheiding van functies

1.  De functies van ordonnateur en rekenplichtige zijn gescheiden en zijn onderling onverenigbaar.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de rechten en verplichtingen van alle financiële actoren.



Afdeling 2

De ordonnateur

Artikel 65

De ordonnateur

1.  Elke instelling oefent de functies van ordonnateur uit.

2.  Voor de toepassing van deze titel wordt onder "personeelsleden" verstaan personen die zijn onderworpen aan het Statuut.

3.  Elke instelling delegeert met inachtneming van de in haar reglement van orde bepaalde voorwaarden, de functies van ordonnateur aan personeelsleden van het gepaste niveau. Zij bepaalt in haar interne administratieve voorschriften aan welke personeelsleden zij deze functies delegeert alsook de omvang van de gedelegeeerde bevoegdheden en de mogelijkheid voor de delegatieverkrijgers om hun bevoegdheden verder te subdelegeren.

4.  De bevoegdheid van ordonnateur wordt alleen aan personeelsleden gedelegeerd of gesubdelegeerd.

5.  De bevoegde ordonnateurs handelen binnen de in het (sub)delegatiebesluit gestelde grenzen. De bevoegde ordonnateur kan worden bijgestaan door een of meer personeelsleden die onder zijn verantwoordelijkheid belast zijn met bepaalde voor de uitvoering van de begroting en het afleggen van rekening en verantwoording benodigde handelingen.

6.  Wanneer de hoofden van de delegaties van de Unie overeenkomstig artikel 56, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, vallen zij onder de Commissie als de instelling die verantwoordelijk is voor de omschrijving, uitoefening, monitoring en beoordeling van hun taken en verantwoordelijkheden als gesubdelegeerd ordonnateur. Tegelijkertijd stelt de Commissie de hoge vertegenwoordiger daarvan in kennis.

7.  De bevoegde ordonnateur kan worden bijgestaan door personeelsleden die onder zijn verantwoordelijkheid belast worden met bepaalde taken die nodig zijn voor de uitvoering van de begroting en de verstrekking van informatie over de financiën en het beheer. Op de personeelsleden die de bevoegde ordonnateurs bijstaan, is artikel 57 van toepassing.

8.  Elke instelling brengt de aanstelling en de functiebeëindiging van gedelegeerde ordonnateurs, interne controleurs en rekenplichtigen alsook alle interne voorschriften die zij op financieel gebied vaststellen, ter kennis van de Rekenkamer en van het Europees Parlement en de Raad.

9.  Elke instelling brengt de aanstelling van beheerders van gelden ter goede rekening en de delegatiebesluiten krachtens artikel 69, lid 1, en artikel 70 ter kennis van de Rekenkamer.

10.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de bijstand aan bevoegde ordonnateurs en de interne bepalingen inzake delegaties.

Artikel 66

Bevoegdheden en taken van de ordonnateur

1.  De ordonnateur is bij elke instelling belast met het innen van de ontvangsten en het verrichten van de uitgaven overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer en staat in voor de wettigheid en regelmatigheid ervan.

2.  Voor de toepassing van lid 1 stelt de gedelegeerd ordonnateur, overeenkomstig artikel 32 en de door elke instelling vastgestelde minimumnormen en rekening houdend met de aan de beheeromstandigheden en de aard van de gefinancierde acties verbonden risico's, de organisatorische structuur en de systemen voor interne controle in die passen bij de uitvoering van zijn taken. De inrichting van die structuur en die systemen geschiedt op basis van een uitvoerige risicoanalyse, welke mede een kosten-batenanalyse omvat.

3.  Voor het verrichten van de uitgaven gaat de bevoegde ordonnateur vastleggingen in de begroting en juridische verbintenissen aan, stelt hij de uitgaven betaalbaar, geeft hij betalingsopdrachten en verricht hij de voor de besteding van de kredieten vereiste voorafgaande handelingen.

4.  De inning van de ontvangsten behelst de opstelling van schuldvorderingsramingen, de vaststelling van de te innen rechten en de verstrekking van invorderingsopdrachten. In voorkomend geval kan van het innen van een vastgestelde schuldvordering worden afgezien.

5.  Elke verrichting wordt wat de operationele en de financiële aspecten ervan betreft ten minste onderworpen aan een controle vooraf aan de hand van stukken en van de beschikbare resultaten van reeds verrichte controles.

De controles vooraf omvatten de inleiding en de verificatie van een verrichting.

Voor een bepaalde verrichting wordt de verificatie gedaan door andere personeelsleden dan diegenen die de verrichting hebben ingeleid. Personeelsleden die de verificatie doen, mogen niet de ondergeschikten zijn van degenen die de verrichting hebben ingeleid.

6.  De gedelegeerd ordonnateur kan controles achteraf instellen met betrekking tot verrichtingen die reeds zijn goedgekeurd na controles vooraf. De controles achteraf kunnen steekproefsgewijs volgens het risico worden ingericht.

De controles vooraf en de controles achteraf worden niet door dezelfde personeelsleden uitgevoerd. De voor de controles achteraf verantwoordelijke personeelsleden zijn geen ondergeschikten van de voor de controles vooraf verantwoordelijke personeelsleden.

Wanneer de gedelegeerd ordonnateur financiële audits van begunstigden uitvoert in de vorm van controles achteraf, zijn de desbetreffende auditvoorschriften duidelijk, samenhangend en transparant, en eerbiedigen de rechten van de Commissie en de gecontroleerden.

7.  Het personeelslid dat verantwoordelijk is voor de controle van het beheer van de financiële verrichtingen, bezit de vereiste beroepsbekwaamheden. Hij respecteert een specifieke beroepscode die door elke instelling wordt vastgesteld.

8.  Indien een bij het financieel beheer en de controle van de verrichtingen betrokken personeelslid van oordeel is dat een besluit dat zijn meerdere hem verplicht toe te passen of te accepteren onregelmatig is of strijdig met het beginsel van goed financieel beheer of de beroepscode die dat personeelslid gehouden is te respecteren, deelt hij dit aan zijn hiërarchieke meerdere. Indien het personeelslid dit schriftelijk doet, antwoordt de hiërarchieke meerdere schriftelijk. Indien de hiërarchieke meerdere niet optreedt of het aanvankelijke besluit of voorschrift bevestigt en het personeelslid van oordeel is dat een dergelijke bevestiging geen redelijk antwoord vormt op zijn bezorgdheid, stelt het personeelslid de gedelegeerd ordonnateur schriftelijk hiervan in kennis. Wanneer deze niet optreedt deelt het personeelslid dit mee aan de in artikel 73, lid 6, bedoelde relevante instantie.

In geval van illegale activiteiten, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, waarschuwt het personeelslid de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties. Overeenkomsten met externe auditeurs die audits verrichten inzake het financieel beheer van de Unie bevatten een verplichting voor de externe auditeur om de gedelegeerd ordonnateur in kennis te stellen van elk vermoeden van illegale activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden.

9.  De gedelegeerd ordonnateur legt aan zijn instelling verantwoording over de uitoefening van zijn taken af in de vorm van een jaarlijks activiteitenverslag met gegevens over de financiën en het beheer, inclusief de resultaten van controles, waarin hij verklaart, tenzij anders staat vermeld in voorbehouden betreffende bepaalde gebieden van uitgaven en ontvangsten, redelijke zekerheid te hebben dat:

a) de in het verslag opgenomen gegevens een juist en getrouw beeld geven;

b) de middelen die zijn bestemd voor de activiteiten waarover verslag wordt uitgebracht, zijn gebruikt voor het opgegeven doel en in overeenstemming met het begrip van goed financieel beheer;

c) de ingevoerde controleprocedures de nodige garanties verstrekken in verband met de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

▼M3

Het activiteitenverslag behelst de resultaten van zijn handelingen ten opzichte van de hem opgedragen doelstellingen, de aan die handelingen verbonden risico's, het gebruik van de ter beschikking gestelde middelen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de systemen voor interne controle, met inbegrip van een globale kosten-batenanalyse van de controles. Het bevat ook informatie over de algemene uitvoering van die handelingen en een beoordeling van de mate waarin de goedgekeurde operationele uitgaven aan beleidsverwezenlijkingen hebben bijdragen en meerwaarde voor de Unie hebben gegenereerd.

▼B

De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 15 juni van elk jaar een samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen van het voorgaande jaar voor. De jaarlijkse activiteitenverslagen van elke gedelegeerde ordonnateur worden ook beschikbaar gesteld aan het Europees Parlement en de Raad.

▼M3

De jaarlijkse activiteitenverslagen van de ordonnateurs en, indien van toepassing, de gedelegeerde ordonnateurs van de instellingen, bureaus, organen en agentschappen betreffende het voorgaande jaar worden uiterlijk op 1 juli van elk jaar op een vlot toegankelijke wijze bekendgemaakt op de internetsite van de respectieve instellingen, bureaus, organen of agentschappen, onder voorbehoud van naar behoren gemotiveerde vertrouwelijkheids- en veiligheidsoverwegingen.

▼B

10.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake controles vooraf en achteraf, de bewaring van bewijsstukken, de beroepscode, nalatigheid van de ordonnateur op te treden, de toezending van informatie aan de rekenplichtige en verslagen over de onderhandelingsprocedures.

Artikel 67

Bevoegdheden en taken van de hoofden van de delegaties van de Unie

1.  Wanneer de hoofden van de delegaties van de Unie overeenkomstig artikel 56, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, werken zij nauw samen met de Commissie voor de daadwerkelijke besteding van de middelen, om met name te zorgen voor de wettigheid en de regelmatigheid van de financiële verrichtingen, de naleving van het beginsel van goed financieel beheer bij het beheer van de middelen en de doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie.

Hiertoe nemen zij de maatregelen die nodig zijn om elke situatie te voorkomen waarbij de verantwoordelijkheid van de Commissie voor de uitvoering van de aan hen gesubdelegeerde begroting waarschijnlijk in het gedrang kan komen, alsook elk conflict van prioriteiten dat gevolgen kan hebben voor de uitvoering van de aan hen gesubdelegeerde taken van financieel beheer.

Wanneer een in de tweede alinea bedoelde situatie of conflict zich voordoet, stellen de hoofden van de delegaties van de Unie de relevante directeuren-generaal van de Commissie en van de EDEO hiervan onverwijld in kennis. De betrokken directeuren-generaal nemen passende maatregelen om de situatie op te lossen.

2.  Wanneer hoofden van de delegaties van de Unie zich in een in artikel 66, lid 8, bedoelde situatie bevinden, brengen zij dit ter kennis van de op grond van artikel 73, lid 6, opgerichte gespecialiseerde instantie voor financiële onregelmatigheden. In geval van illegale activiteiten, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, waarschuwt hij de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties.

3.  Hoofden van de delegaties van de Unie die overeenkomstig artikel 56, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, brengen verslag uit aan hun gedelegeerd ordonnateur, opdat deze laatste hun verslagen in zijn in artikel 66, lid 9, bedoelde jaarlijks activiteitenverslag kan opnemen. De verslagen van de hoofden van de delegaties van de Unie bevatten informatie over de efficiëntie en de doeltreffendheid van de in hun delegatie ingestelde controlesystemen en over het beheer van de aan hen gesubdelegeerde verrichtingen, alsook de in de derde alinea van artikel 73, lid 5, bedoelde verklaring. Die verslagen worden bij het jaarlijkse activiteitenverslag van de gedelegeerd ordonnateur gevoegd en ter beschikking gesteld van het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval met inachtneming van het vertrouwelijke karakter ervan.

De hoofden van de delegaties van de Unie werken volledig samen met de instellingen die bij de kwijtingsprocedure betrokken zijn en verstrekken waar nodig de vereiste aanvullende informatie. In deze context kan hen worden gevraagd vergaderingen van de relevante organen bij te wonen en bijstand te verlenen aan de verantwoordelijke gedelegeerd ordonnateur.

4.  Hoofden van de delegaties van de Unie die overeenkomstig artikel 56, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, beantwoorden elk verzoek van de gedelegeerd ordonnateur van de Commissie, hetzij op verzoek van de Commissie of, in het kader van de kwijtingsprocedure, op verzoek van het Europees Parlement.

5.  De Commissie zorgt ervoor dat de gesubdelegeerde bevoegdheden de kwijtingsprocedure uit hoogde van artikel 319 VWEU niet belemmeren."



Afdeling 3

De rekenplichtige

Artikel 68

Bevoegdheden en taken van de rekenplichtige

1.  Elke instelling stelt een rekenplichtige aan, die binnen elke instelling wordt belast met:

a) de goede uitvoering van de betalingen, de inning van de ontvangsten en de invordering van de vastgestelde schuldvorderingen;

b) het opstellen en presenteren van de rekeningen overeenkomstig titel IX van deel 1;

c) het voeren van de boekhouding overeenkomstig titel IX van deel 1;

d) het vaststellen van de boekhoudprocedures en het rekeningstelsel overeenkomstig titel IX van deel 1;

e) het vaststellen en valideren van de boekhoudsystemen, alsmede, waar van toepassing, het valideren van de door de ordonnateur vastgelegde systemen die tot doel hebben boekhoudgegevens te verstrekken of te motiveren; desbetreffend is de rekenplichtige bevoegd om te allen tijde na te gaan of de valideringscriteria zijn nageleefd;

f) het beheer van de kasmiddelen.

De verantwoordelijkheden van de rekenplichtige van de EDEO hebben alleen betrekking op de door de EDEO uitgevoerde begrotingsafdeling van de EDEO. De rekenplichtige van de Commissie blijft verantwoordelijk voor de volledige begrotingsafdeling van de Commissie, met inbegrip van de boekhoudkundige verrichtingen die betrekking hebben op de aan de hoofden van de delegaties van de Unie gesubdelegeerde kredieten.

De rekenplichtige van de Commissie treedt; met inachtneming van artikel 213, voor de uitvoering van de begrotingsafdeling van de EDEO ook op als rekenplichtige van de EDEO.

2.  De rekenplichtige van de Commissie is bevoegd om de boekhoudregels en het geharmoniseerde rekeningstelsel vast te stellen overeenkomstig titel IX van deel 1.

3.  De rekenplichtigen ontvangten van de ordonnateurs alle gegevens die nodig zijn voor de opstelling van rekeningen die een juist en getrouw beeld geven van de financiële situatie van de instellingen en de uitvoering van de begroting. De ordonnateurs garanderen de betrouwbaarheid van deze gegevens.

4.  Voordat de rekeningen door de instelling of het in artikel 208 bedoelde orgaan worden goedgekeurd, tekent de rekenplichtige ze af, waarmee hij verklaart dat hij een redelijke zekerheid heeft dat de rekeningen een juist en getrouw beeld van de financiële situatie van de instelling of het in artikel 208 bedoelde orgaan geven.

Daartoe vergewist de rekenplichtige zich ervan dat de rekeningen zijn opgesteld in overeenstemming met de in artikel 143 genoemde boekhoudregels en de in lid 1, onder d), van dit artikel bedoelde boekhoudprocedures en dat alle uitgaven en ontvangsten in de rekeningen zijn geboekt.

De gedelegeerde ordonnateurs verstrekken alle informatie die de rekenplichtige voor de uitoefening van zijn functie nodig heeft.

De ordonnateurs blijven volledig verantwoordelijk voor het juiste gebruik van de door hen beheerde middelen, de wettigheid en de regelmatigheid van de door hen beheerde uitgaven en de volledigheid en juistheid van de aan de rekenplichtige verstrekte informatie.

5.  De rekenplichtige is bevoegd de ontvangen informatie te controleren en alle verdere toetsen uit te voeren die hij noodzakelijk acht om de rekeningen te kunnen aftekenen.

Zo nodig maakt de rekenplichtige voorbehoud, waarbij hij de aard en de draagwijdte van het voorbehoud precies omschrijft.

6.  Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is de rekenplichtige als enige bevoegd het beheer te voeren over de geldmiddelen en de kasequivalenten. De rekenplichtige is voor de bewaring ervan aansprakelijk.

7.  Op naam van of namens de Commissie kunnen trustrekeningen worden geopend in het kader van de uitvoering van een programma of actie, om het beheer daarvan door de krachtens artikel 58, lid 1, onder c), punten ii), iii), v) of vi) belaste entiteiten mogelijk te maken.

Zulke rekeningen worden geopend onder verantwoordelijkheid van de ordonnateur die bevoegd is voor de uitvoering van het programma of de actie en met het akkoord van de rekenplichtige van de Commissie.

Zulke rekeningen worden beheerd onder de verantwoordelijkheid van de ordonnateur.

8.  De rekenplichtige van de Commissie stelt regels vast voor het openen, het beheer en het sluiten van de trustrekeningen en voor het gebruik ervan.

9.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de bevoegdheden en taken van de rekenplichtige, met inbegrip van zijn aanstelling en de beëindiging van zijn functie, het advies over de boekhoud- en inventarissystemen, het beheer van de kasmiddelen en bankrekeningen, handtekeningen in verband met de rekeningen, het beheer van het saldo van de rekeningen, overschrijvingen en omrekeningen, wijzen van betaling, dossiers van juridische entiteiten en de bewaring van bewijsstukken.

Artikel 69

Bevoegdheden die de rekenplichtige kan delegeren

1.  De rekenplichtige kan voor de uitoefening van zijn functie een aantal van zijn taken delegeren aan ondergeschikte personeelsleden.

In het delegatiebesluit worden die taken omschreven.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de personen die over rekeningen mogen beschikken in een plaatselijke eenheid.



Afdeling 4

De beheerder van gelden ter goede rekening

Artikel 70

Beheer van gelden ter goede rekening

1.  Voor de inning van andere ontvangsten dan eigen middelen en voor de betaling van geringe bedragen in de zin van de gedelegeerde handelingen die volgens deze verordening worden vastgesteld, kan beheer van gelden ter goede rekening worden ingesteld.

Op het gebied van hulp in crisissituaties en humanitaire hulp in de zin van artikel 128 mogen evenwel gelden ter goede rekening worden gebruikt voor de betaling van grotere bedragen zonder beperking ten aanzien van het bedrag, mits het niveau van de door het Europees Parlement en de Raad toegestane kredieten van het betrokken begrotingsonderdeel voor het lopende begrotingsjaar in acht wordt genomen.

2.  Gelden ter goede rekening worden door de rekenplichtige van de instelling ter beschikking gesteld en vallen onder de verantwoordelijkheid van door de rekenplichtige van de instelling aangewezen beheerders van gelden ter goede rekening.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de voorwaarden voor het beheer van gelden ter goede rekening, met inbegrip van door beheerders van gelden ter goede rekening te betalen maximumbedragen, alsook de regels voor externe maatregelen, met inbegrip van regels betreffende de keuze van de beheerders van gelden ter goede rekening, de verstrekking van middelen voor het beheer van gelden ter goede rekening, toetsen door de ordonnateurs en rekenplichtigen en de naleving van procedures inzake overheidsopdrachten. Bovendien is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de instelling van beheer van gelden ter goede rekening en beheerders van gelden ter goede rekening in de delegaties van de Unie.



HOOFDSTUK 4

Verantwoordelijkheid van financiële actoren



Afdeling 1

Algemene regels

Artikel 71

Intrekking van de delegatie en ontheffing van functies gegeven aan financiële actoren

1.  De bevoegde ordonnateurs kunnen te allen tijde door het gezag dat hen heeft benoemd tijdelijk of definitief hun delegatie of subdelegatie worden ontnomen.

2.  De rekenplichtige of de beheerders van gelden ter goede rekening, of beiden, kunnen te allen tijde door het gezag dat hem heeft benoemd tijdelijk of definitief van hun functies worden ontheven.

3.  Dit artikel doet geen afbreuk aan eventuele tuchtrechtelijke maatregelen die worden genomen ten aanzien van de in leden 1 en 2 bedoelde financiële actoren.

Artikel 72

Verantwoordelijkheid van de ordonnateur voor illegale activiteiten, fraude of corruptie

1.  Dit hoofdstuk doet niet af aan de eventuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de in artikel 71 genoemde financiële actoren krachtens het toepasselijke nationale recht en de geldende bepalingen aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Unie of van de lidstaten betrokken zijn.

2.  Onverminderd het bepaalde in de artikelen 73, 74 en 75 van deze verordening, is elke bevoegde ordonnateur, rekenplichtige of beheerder van gelden ter goede rekening tuchtrechtelijk verantwoordelijk en geldelijk aansprakelijk onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut. Gevallen van illegale activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, worden voorgelegd aan de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties, met name aan OLAF.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzak verantwoordelijkheid van de ordonnateur, de rekenplichtigen en de beheerder van gelden ter goede rekening in geval van illegale activiteiten, fraude of corruptie.



Afdeling 2

Regels betreffende de bevoegde ordonnateurs

Artikel 73

Regels betreffende de ordonnateurs

1.  De bevoegde ordonnateur is geldelijk aansprakelijk onder de in het statuut vermelde voorwaarden.

2.  De verplichting tot schadevergoeding bestaat in het bijzonder wanneer de bevoegde ordonnateur opzettelijk of met grove nalatigheid:

a) de in te vorderen rechten vaststelt of invorderingsopdrachten afgeeft, een betalingsverplichting aangaat of een betalingsopdracht ondertekent in afwijking van de in deze verordening of de ingevolge deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen;

b) verzuimt een document op te stellen waarbij een schuldvordering wordt vastgesteld, verzuimt een inningsopdracht af te geven of deze te laat afgeeft, of een betalingsopdracht te laat afgeeft, waardoor de instelling civiel aansprakelijk wordt jegens derden.

3.  Wanneer een gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur oordeelt dat een door hem te nemen besluit onregelmatig is of tegen het beginsel van goed financieel beheer indruist, deelt hij dat schriftelijk mede aan het delegatieverlenend gezag. Indien dit gezag schriftelijk aan de gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur de met redenen omklede opdracht geeft het genoemde besluit te nemen, is deze ordonnateur van zijn aansprakelijkheid ontslagen.

4.  In geval van subdelegatie binnen zijn dienst blijft de gedelegeerd ordonnateur verantwoordelijk voor de efficiëntie en de doeltreffendheid van de ingestelde interne beheer- en controlesystemen en de keuze van de gesubdelegeerd ordonnateur.

5.  In geval van subdelegatie aan de hoofden van de delegaties van de Unie is de gedelegeerde ordonnateur verantwoordelijk voor de afbakening van de opgerichte internebeheers- en controlesystemen alsook de efficiëntie en effectiviteit van die systemen. De hoofden van de delegaties van de Unie zijn verantwoordelijk voor het instellen en de werking van die systemen, overeenkomstig de richtlijnen van de gedelegeerd ordonnateur, alsook voor het beheer van de middelen en de verrichtingen die zij binnen de delegatie van de Unie onder hun verantwoordelijkheid uitvoeren. Vóór hun ambtsaanvaarding volgen zij specifieke opleidingen inzake de taken en verantwoordelijkheden van ordonnateurs en de uitvoering van de begroting.

Hoofden van de delegaties van de Unie brengen overeenkomstig artikel 67, lid 3, verslag uit over hun in de eerste alinea van dit lid bedoelde verantwoordelijkheden.

De hoofden van de delegaties van de Unie verstrekken jaarlijks aan de gedelegeerd ordonnateur van de Commissie de betrouwbaarheidsverklaring over de in hun delegatie ingestelde interne beheer- en controlesystemen, alsook over het beheer van de verrichtingen die aan hen zijn subgedelegeerd en de resultaten daarvan, om de ordonnateur in staat te stellen de verklaring van zekerheid als bedoeld in artikel 66, lid 9, af te leggen.

6.  Elke instelling richt een gespecialiseerde instantie voor financiële onregelmatigheden op of neemt deel aan een door verschillende instellingen opgerichte gezamenlijke instantie. Deze instanties opereren onafhankelijk en gaan na of zich een financiële onregelmatigheid heeft voorgedaan en wat daarvan de eventuele consequenties moeten zijn.

Op grond van het advies van deze instantie neemt de instelling een beslissing over het instellen van een procedure wegens tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid of geldelijke aansprakelijkheid. Indien de instantie systeemgebonden problemen ontdekt, zendt zij de ordonnateur en de gedelegeerd ordonnateur, tenzij deze betrokken partij is, alsmede de interne controleur een verslag met aanbevelingen toe.

7.  Wanneer de hoofden van de delegaties van de Unie overeenkomstig artikel 56, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, is de op grond van lid 6 van dit artikel door de Commissie opgerichte instantie voor financiële onregelmatigheden bevoegd voor de in artikel 56, lid 2, bedoelde zaken.

Indien de instantie systeemgebonden problemen ontdekt, zendt zij de ordonnateur, de hoge vertegenwoordiger en de gedelegeerd ordonnateur, tenzij deze betrokken partij is, alsmede de interne controleur een verslag met aanbevelingen toe.

Uitgaande van het advies van de instantie kan de Commissie de hoge vertegenwoordiger, in zijn hoedanigheid als het tot aanstelling bevoegde gezag, verzoeken een tuchtrechtelijke procedure in te stellen of een procedure met het oog op het betalen van schadevergoeding ten aanzien van gesubdelegeerd ordonnateurs indien de onregelmatigheden betrekking hebben op de bevoegdheden die de Commissie aan hen heeft gesubdelegeerd. In een dergelijk geval neemt de hoge vertegenwoordiger overeenkomstig het statuut passende maatregelen, teneinde uitvoering te geven aan de door de Commissie aanbevolen procedure wegens tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid of geldelijke aansprakelijkheid.

De lidstaten ondersteunen de Unie volledig bij de tenuitvoerlegging van de aansprakelijkheid, overeenkomstig artikel 22 van het statuut, van tijdelijke functionarissen op wie artikel 2, onder e), van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, van toepassing is.

8.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake gedelegeerde ordonnateurs, met inbegrip van de bevestiging van instructies en de rol van de instantie voor financiële onregelmatigheden.



Afdeling 3

Regels betreffende de rekenplichtigen en de beheerders van gelden ter goede rekening

Artikel 74

Regels betreffende de rekenplichtigen

1.  De rekenplichtige is, onder de voorwaarden en volgens de procedures vastgesteld bij het statuut, tuchtrechtelijk verantwoordelijk en geldelijk aansprakelijk. Hij kan met name aansprakelijk worden gesteld als gevolg van de volgende fouten:

a) middelen, waarden en documenten die hij onder zijn hoede heeft, verloren laten gaan of aantasten;

b) bankrekeningen of postrekeningen ten onrechte wijzigen;

c) invorderingen of betalingen verrichten die niet in overeenstemming zijn met de invorderings- of betalingsopdrachten;

d) nalaten verschuldigde ontvangsten te innen.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake verantwoordelijkheid van de rekenplichtigen ingeval van andere vormen van fouten.

Artikel 75

Regels betreffende de beheerders van gelden ter goede rekening

1.  De beheerder van gelden ter goede rekening is, onder de voorwaarden en volgens de procedures vastgesteld bij het statuut, tuchtrechtelijk verantwoordelijk en geldelijk aansprakelijk. De beheerder van gelden ter goede rekening kan met name aansprakelijk worden gesteld als gevolg van de volgende fouten:

a) middelen, waarden en documenten die hij onder zijn hoede heeft, verloren laten gaan of aantasten;

b) verrichte betalingen niet met deugdelijke bewijsstukken kunnen verantwoorden;

c) aan een ander dan de daarop rechthebbende betalen;

d) nalaten verschuldigde ontvangsten te innen.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake verantwoordelijkheid van de beheerders van gelden ter goede rekening ingeval van andere vormen van fouten.



HOOFDSTUK 5

Ontvangsten



Afdeling 1

Terbeschikkingstelling van eigen middelen

Artikel 76

Eigen middelen

1.  De ontvangsten gevormd door de eigen middelen bedoeld in Besluit 2007/436/EG, Euratom worden als raming in euro in de begroting opgenomen. Zij worden ter beschikking gesteld overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake eigen middelen.



Afdeling 2

Raming van schuldvorderingen

Artikel 77

Raming van schuldvorderingen

1.  Wanneer de bevoegde ordonnateur over voldoende en betrouwbare informatie beschikt met betrekking tot een maatregel of situatie waardoor een schuldvordering van de Unie ontstaat, maakt hij een raming van het verschuldigde bedrag.

2.  De raming van de schuldvordering wordt door de bevoegde ordonnateur aangepast zodra hij kennis krijgt van een feit dat de maatregel of de situatie die tot de raming heeft geleid, verandert.

Bij de opstelling van een invorderingsopdracht met betrekking tot een maatregel of situatie die eerder tot een raming van de schuldvordering heeft geleid, wordt die raming dienovereenkomstig aangepast door de bevoegde ordonnateur.

Wanneer de invorderingsopdracht wordt opgesteld voor hetzelfde bedrag als de oorspronkelijke raming van schuldvordering, wordt die raming verlaagd tot nul.

3.  In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt voor de eigen middelen omschreven in Besluit 2007/436/EG, Euratom die door de lidstaten op vaste vervaldagen worden afgedragen, geen schuldvorderingsraming opgesteld vóór de terbeschikkingstelling van de bedragen door de lidstaten aan de Commissie. Voor deze middelen geeft de bevoegde ordonnateur een invorderingsopdracht af.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de raming van schuldvorderingen.



Afdeling 3

Vaststelling van schuldvorderingen

Artikel 78

Vaststelling van schuldvorderingen

1.  De vaststelling van een schuldvordering is de handeling waarbij de bevoegde ordonnateur:

a) het bestaan van de schuld van de debiteur verifieert;

b) het bestaan en het bedrag van de schuld vaststelt of verifieert;

c) de invorderbaarheid van de schuld verifieert.

2.  De ter beschikking van de Commissie te stellen middelen van het EOF en elke als zeker, vaststaand en invorderbaar aangemerkte schuldvordering wordt vastgesteld door middel van een invorderingsopdracht aan de rekenplichtige, gevolgd door een aan de debiteur gerichte debetnota, welke beide worden opgesteld door de bevoegde ordonnateur.

3.  Ten onrechte betaalde bedragen worden teruggevorderd.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de vaststelling van schuldvorderingen, met inbegrip van procedure en bewijsstukken, en van achterstandsrente.



Afdeling 4

Invorderingsopdrachten

Artikel 79

Invorderingsopdrachten

1.  De opdracht tot invordering is de handeling waarbij de bevoegde ordonnateur de rekenplichtige, door het afgifte van een invorderingsopdracht, opdraagt een schuldvordering die die bevoegde ordonnateur heeft vastgesteld in te vorderen.

2.  De instelling kan de vaststelling van een schuldvordering jegens andere personen dan staten formeel neerleggen in een besluit dat een executoriale titel in de zin van artikel 299 VWEU vormt.

Indien de doelmatige en tijdige bescherming van de financiële belangen van de Unie dit vereist, kan de Commissie ook in uitzonderlijke omstandigheden een dergelijk uitvoerbaar besluit goedkeuren ten behoeve van andere instellingen op hun verzoek inzake vorderingen betreffende personeelsleden waarop het Statuut van de ambtenaren van toepassing is.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de vaststelling van de invorderingsopdracht.



Afdeling 5

Invordering

Artikel 80

Regels betreffende de invordering

1.  De rekenplichtige neemt de door de bevoegde ordonnateur naar behoren opgestelde invorderingsopdrachten in behandeling. De rekenplichtige is gehouden zorg te dragen voor het innen van de ontvangsten van de Unie en toe te zien op het behoud van de rechten van de Unie.

De rekenplichtige gaat over tot invordering door verrekening van de schuldvorderingen van de Unie wanneer de debiteur zelf een vordering op de Unie heeft. Deze vorderingen zijn zeker, vaststaand en invorderbaar.

2.  Wanneer de gedelegeerd ordonnateur overweegt geheel of gedeeltelijk van het invorderen van een vastgestelde schuldvordering af te zien, verifieert hij of dit regelmatig is en strookt met het beginsel van goed financieel beheer en het evenredigheidsbeginsel. Het besluit daarvan af te zien wordt gemotiveerd. De ordonnateur kan dit besluit delegeren.

De gedelegeerd ordonnateur kan een vastgestelde schuldvordering geheel of gedeeltelijk annuleren. De gedeeltelijke annulering van een vastgestelde schuldvordering leidt niet tot afstand van een ten gunste van de Unie vastgesteld recht.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de manier van invordering, met inbegrip van invordering door verrekening, de inningsprocedure bij uitblijven van vrijwillige betaling, aanvullende betalingstermijnen, de inning van boeten en andere sancties, het afzien van invordering en de annulering van een vastgestelde schuldvordering.

3.  De lidstaten zijn in de eerste plaats bevoegd voor het verrichten van controles en audits en voor het invorderen van ten onrechte uitgegeven bedragen, als bepaald in de sectorspecifieke regelgeving. Voor zover lidstaten onregelmatigheden ontdekken en corrigeren voor eigen rekening, zijn zij vrijgesteld van financiële correcties door de Commissie in verband met deze onregelmatigheden.

4.  De Commissie maakt financiële correcties ten aanzien van lidstaten om uitgaven die in strijd zijn met het toepasselijk recht, van financiering door de Unie uit te sluiten. De Commissie baseert haar financiële correcties op de vaststelling van ten onrechte uitgegeven bedragen, en de financiële gevolgen voor de begroting. Wanneer zulke bedragen niet nauwkeurig kunnen worden vastgesteld kan de Commissie geëxtrapoleerde of forfaitaire correcties toepassen overeenkomstig de sectorspecifieke regelgeving.

De Commissie houdt bij het besluit over het bedrag van een financiële correctie rekening met de aard en de ernst van de inbreuk op het toepasselijk recht en de financiële gevolgen voor de begroting, met inbegrip van het geval van tekortkomingen in beheers- en controlesystemen.

De criteria voor de vaststelling van financiële correcties en de toe te passen procedure kunnen in de sectorspecifieke regelgeving worden vastgelegd.

5.  De methode voor de toepassing van geëxtrapoleerde of forfaitaire correcties wordt vastgesteld overeenkomstig de sectorspecifieke regelgeving teneinde de Commissie in staat te stellen de financiële belangen van de Unie te beschermen.

Artikel 81

Verjaringstermijn

1.  Onverminderd de bijzondere verordeningen en de toepassing van Besluit 207/436/EG, Euratom geldt voor vorderingen van de Unie op derden en vorderingen van derden op de Unie een verjaringstermijn van vijf jaar.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de verjaringstermijn.

Artikel 82

Nationale behandeling voor vorderingen van de Unie

In het geval van een insolventieprocedure krijgen vorderingen van de Unie in de lidstaat waar de invorderingsprocedure plaatsvindt dezelfde voorrangsbehandeling als vorderingen van dezelfde aard van publiekrechtelijke organen van die lidstaat.

Artikel 83

Door de Commissie opgelegde boeten, dwangsommen en rente hierover

1.  De bedragen uit boeten, dwangsommen en sancties, alsmede de rente hierover en andere hieruit voortvloeiende inkomsten, worden niet als begrotingsontvangsten geboekt zolang de desbetreffende besluiten door het Hof van Justitie van de Europese Unie kunnen worden herroepen.

2.  De in lid 1 bedoelde bedragen worden zo spoedig mogelijk en ten laatste in het jaar nadat alle juridische verweermiddelen zijn uitgeput als begrotingsontvangsten geboekt. Bedragen die moeten worden terugbetaald aan de betalende entiteit als gevolg van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, worden niet als begrotingsontvangsten geboekt.

3.  Lid 1 is niet van toepassing op de besluiten inzake goedkeuring van de rekeningen of financiële correcties.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de bedragen uit boeten, sancties, en de rente hierover.



HOOFDSTUK 6

Uitgaven

Artikel 84

Financieringsbesluiten

1.  Elke uitgave is voorwerp van een vastlegging, een betaalbaarstelling, een betalingsopdracht en een betaling.

2.  Behalve in het geval van kredieten die zonder een basishandeling kunnen worden besteed overeenkomstig artikel 54, lid 2, eerste alinea, onder e), wordt de vastlegging van een uitgave voorafgegaan door een financieringsbesluit van de instelling of de door haar gedelegeerde autoriteiten.

3.  In het in lid 2 genoemde financieringsbesluit worden de doelstellingen, de verwachte resultaten, de wijze van uitvoering en het totaalbedrag van de uitgave vermeld. Tevens bevat het een beschrijving van de te financieren maatregelen en een vermelding van het aan elke maatregel toegewezen bedrag, alsmede een indicatief tijdschema voor de uitvoering.

In gevallen van indirect beheer worden in het financieringsbesluit tevens de krachtens artikel 58, lid 1, onder c), belaste entiteit of persoon, de gehanteerde criteria om de entiteit of persoon te kiezen en de hun toevertrouwde taken vermeld.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake het financieringsbesluit.



Afdeling 1

Vastlegging van uitgaven

Artikel 85

Soorten vastleggingen

1.  De vastlegging in de begroting is de handeling waarbij de kredieten worden gereserveerd die nodig zijn voor de latere betalingen ter uitvoering van juridische verbintenissen.

Het aangaan van een juridische verbintenis is de handeling waarbij de ordonnateur een verplichting doet ontstaan of constateert die tot een last leidt.

De vastleggingen in de begroting en de juridische verbintenissen worden door dezelfde ordonnateur aangegaan, uitgezonderd in naar behoren gemotiveerde gevallen die bij de gedelegeerde handelingen die volgens deze verordening zijn vastgesteld, worden bepaald.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de soorten vastleggingen, de goedkeuring van globale vastleggingen, dezelfde ondertekenaar, en door voorlopige vastleggingen gedekte administratieve uitgaven.

3.  Vastleggingen in de begroting vallen onder een van de volgende categorieën:

a) individueel: bij een individuele vastlegging zijn de begunstigde en het bedrag van de uitgave bepaald;

b) globaal: van een globale vastlegging is sprake wanneer ten minste een van de elementen die nodig zijn voor de identificatie van de individuele vastlegging, niet is bepaald;

c) voorlopig: een voorlopige vastlegging heeft betrekking op in artikel 170 bedoelde uitgaven of lopende uitgaven van administratieve aard waarvan hetzij het bedrag, hetzij de eindbegunstigden niet definitief zijn aangegeven.

4.  Vastleggingen in de begroting voor acties waarvan de tenuitvoerlegging zich over meer dan een begrotingsjaar uitstrekt, mogen slechts in jaartranches worden verdeeld wanneer de basishandeling daarin voorziet of wanneer zij betrekking hebben op administratieve uitgaven.

Artikel 86

Regels betreffende vastleggingen

1.  Voor elke maatregel waardoor een uitgave ten laste van de begroting ontstaat, verricht de bevoegde ordonnateur een vastlegging in de begroting alvorens een individuele juridische verbintenis met derden te sluiten of middelen naar een trustfonds over te maken op grond van artikel 187.

2.  De in lid 1 bepaalde verplichting om een vastlegging in de begroting te doen alvorens een juridische verbintenis te sluiten, geldt niet voor juridische verbintenissen die worden aangegaan nadat in het kader van een bedrijfscontinuïteitsplan een crisissituatie is uitgeroepen, overeenkomstig de procedures die door de Commissie of enige andere instelling zijn vastgesteld uit hoofd van haar administratieve autonomie.

3.  De in lid 1 vervatte verplichting geldt niet in het geval van operaties op het gebied van humanitaire hulp, civiele bescherming en steun voor crisisbeheersing,, waar het voor een efficiënte interventie van de Unie vereist is onmiddellijk een juridische verbintenis met derde partijen te sluiten en het niet mogelijk is eerder de individuele vastlegging in de begroting te verrichten. De vastlegging in de begroting wordt onmiddellijk na het sluiten van een juridische verbintenis met derden verricht.

4.  Behoudens het bepaalde in deel 2, titel IV, hebben de globale vastleggingen in de begroting betrekking op de totale kosten van de betrokken individuele juridische verbintenissen gesloten tot 31 december van het jaar n + 1.

Behoudens het bepaalde in artikelen 85, lid 4, en 203, lid 2, worden de individuele juridische verbintenissen betreffende individuele of voorlopige vastleggingen in de begroting uiterlijk tot 31 december van het jaar n gesloten.

Bij het verstrijken van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde perioden wordt het niet-gebruikte saldo van zulke vastleggingen in de begroting door de bevoegde ordonnateur vrijgemaakt.

Elke individuele juridische verbintenis die volgt op een globale begrotingsvastlegging wordt vóór ondertekening door de bevoegde ordonnateur in de begrotingsboekhouding ingeschreven ten laste van de globale begrotingsvastlegging.

5.  Voor vastleggingen in de begroting en juridische verbintenissen die worden aangegaan voor acties waarvan de tenuitvoerlegging zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, behalve wanneer het personeelskosten betreft, geldt een uiterste uitvoeringsdatum die overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer wordt bepaald.

De delen van deze verbintenissen die zes maanden na deze datum niet zijn uitgevoerd, worden overeenkomstig artikel 15 vrijgemaakt.

De vastlegging in de begroting wordt vrijgemaakt voor het bedrag van een juridische verbintenis waarvoor binnen twee jaar, te rekenen vanaf de ondertekening van deze juridische verbintenis, geen enkele betaling in de zin van artikel 90 is verricht, tenzij dat bedrag een zaak betreft waarvoor een procedure loopt bij het gerecht of een arbitrage-instantie of indien specifieke bepalingen zijn vastgelegd in de sectorspecifieke regelgeving.

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake vastleggingen in de begroting en juridische verbintenissen, met inbegrip van de inschrijving van individuele verbintenissen.

Artikel 87

Toetsen betreffende vastleggingen

1.  Bij elke vastlegging in de begroting vergewist de bevoegde ordonnateur zich van:

a) de juistheid van de aanwijzing op de begroting;

b) de beschikbaarheid van de kredieten;

c) de overeenstemming van de uitgave met de bepalingen van de Verdragen, de begroting, deze verordening, de gedelegeerde handelingen die volgens deze verordening zijn vastgesteld, alsmede alle besluiten die ingevolge de Verdragen en andere verordeningen zijn genomen;

d) de naleving van het beginsel van goed financieel beheer. De noodzaak van betaalde voorfinanciering, het bedrag daarvan en het betalingsschema dienen in verhouding te staan met de geplande duur, de voortgang van de uitvoering en de financiële risico's die aan een dergelijke voorfinanciering verbonden zijn.

2.  Bij de inschrijving van een juridische verbintenis door middel van een fysieke of elektronische handtekening vergewist de ordonnateur zich van:

a) de dekking van de verbintenis door de overeenkomstige vastlegging in de begroting;

b) de regelmatigheid van de uitgave en de overeenstemming ervan met de Verdragen, de begroting, deze verordening, de krachtens deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen, alsmede alle handelingen die krachtens de Verdragen en enige andere regelgeving zijn vastgesteld;

c) de naleving van het beginsel van goed financieel beheer.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de toetsen met betrekking tot de vastleggingen.



Afdeling 2

Betaalbaarstelling

Artikel 88

Betaalbaarstelling

1.  De betaalbaarstelling is de handeling waarbij de bevoegde ordonnateur:

a) het bestaan van de rechten van de crediteur verifieert;

b) het bestaan en het bedrag van de schuldvordering vaststelt of verifieert;

c) de opeisbaarheid van de schuldvordering verifieert.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de betaalbaarstelling, met inbegrip van de betaalbaarverklaring voor personeelsuitgaven en voor tussentijdse betalingen en saldobetalingen van overheidsopdrachten en subsidies, de "voor conform"-verklaring van betaalde voorfinancieringen en de vorm van de betaalbaarverklaring en "voor conform"-verklaring.



Afdeling 3

Betalingsopdracht

Artikel 89

Betalingsopdracht

1.  De betalingsopdracht is de handeling waarbij de bevoegde ordonnateur, nadat hij heeft geverifieerd of de kredieten beschikbaar zijn, de rekenplichtige door middel van een betalingsopdracht opdraagt het bedrag van de door de bevoegde ordonnateur betaalbaar gestelde uitgaven te betalen.

Wanneer periodieke betalingen worden gedaan met betrekking tot verleende diensten, inclusief verhuurdiensten, of geleverde goederen kan de ordonnateur, afhankelijk van een risicoanalyse, opdracht geven tot de uitvoering van automatische incasso's.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de betalingsopdracht, met inbegrip van de vaststelling van verplichte vermeldingen voor betalingsopdrachten, en betreffende het toetsen van de betalingsopdrachten door de ordonnateur.



Afdeling 4

Betaling van uitgaven

Artikel 90

Soorten betalingen

1.  Een betaling wordt slechts uitgevoerd indien is aangetoond dat de actie overeenkomstig de basishandeling of het contract is en betrekking heeft op een of meer van de volgende verrichtingen:

a) betaling van het volledige verschuldigde bedrag;

b) betaling van het verschuldigde bedrag op een van de volgende wijzen:

i) voorfinanciering, eventueel verdeeld in verschillende stortingen, na de ondertekening van de delegatieovereenkomst, het contract of de subsidieovereenkomst, of na kennisgeving van het subsidiebesluit;

ii) een of meer tussentijdse betalingen als tegenprestatie voor de uitvoering van een deel van de actie;

iii) betaling van het saldo van de verschuldigde bedragen wanneer de actie volledig is uitgevoerd.

2.  In de begrotingsboekhouding wordt een onderscheid gemaakt tussen de in lid 1 genoemde soorten betalingen op het ogenblik waarop iedere betaling wordt verricht.

3.  De in artikel 152 bedoelde boekhoudregels omvatten regels voor de vereffening van voorfinanciering in de boekhouding en voor de erkenning van de subsidiabiliteit van kosten.

4.  De voorfinancieringsbetalingen worden door de bevoegde ordonnateur regelmatig vereffend, overeenkomstig de economische aard en het tijdschema van het onderliggende project.

Wanneer de bevoegde ordonnateur het inefficiënt acht de begunstigden en de contractanten te vragen om een financieel memorandum, dient hij, met betrekking tot subsidies en contracten van meer dan 5 000 000 EUR, ten minste eens per jaar informatie van hen te ontvangen betreffende de cumulatieve uitgaven.

Voor de toepassing van de tweede alinea worden de nodige bepalingen opgenomen in de contracten, subsidiebesluiten en –overeenkomsten en in de delegatieovereenkomsten.

Dit lid laat de in deel 2, titel IV, vastgelegde specifieke regels onverlet.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de soorten betalingen en de bewijsstukken.

Artikel 91

Betalingen binnen de grenzen van de beschikbare middelen

De betalingen worden door de rekenplichtige verricht binnen de grenzen van de beschikbare middelen.



Afdeling 5

Termijnen voor de uitgavenverrichtingen

Artikel 92

Termijnen

1.  Betalingen worden verricht:

a) 90 kalenderdagen voor delegatieovereenkomsten, contracten, subsidieovereenkomsten en besluiten waarvan de geleverde technische prestaties of acties bijzonder moeilijk te evalueren zijn en waarvan de betaling afhankelijk wordt gesteld van de goedkeuring van een verslag of certificaat;

b) 60 kalenderdagen voor alle andere delegatieovereenkomsten, contracten, subsidieovereenkomsten en besluiten waarvan de betaling afhankelijk wordt gesteld van de goedkeuring van een verslag of certificaat;

c) 30 kalenderdagen voor alle andere delegatieovereenkomsten, contracten, subsidieovereenkomsten en besluiten.

2.  De bevoegde ordonnateur kan de betalingstermijn opschorten wanneer:

a) het bedrag niet verschuldigd is; of

b) de vereiste bewijsstukken niet zijn overgelegd.

Wanneer de bevoegde ordonnateur kennis neemt van informatie op grond waarvan de subsidiabiliteit van in een betalingsverzoek opgenomen uitgaven kan worden betwijfeld kan hij de betalingstermijn opschorten, zodat geverifieerd kan worden, onder andere door middel van toetsen ter plaatse, dat de uitgaven inderdaad subsidiabel zijn.

3.  De betreffende crediteuren worden schriftelijk in kennis gesteld van de redenen voor die opschorting.

4.  Wanneer de opschorting langer dan twee maanden duurt, kan hij de bevoegde ordonnateur verzoeken om een besluit over de voortzetting van de opschorting.

5.  Bij het verstrijken van de in lid 1 vastgestelde termijnen is de crediteur gerechtigd rente in rekening brengen, behoudens in het geval van lidstaten.

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de termijnen voor betalingen en de precisering van de voorwaarden waaronder te laat betaalde crediteuren recht hebben op achterstandsrente ten laste van het begrotingsonderdeel dat de hoofdsom van de betrokken uitgaven draagt.



HOFFDSTUK 7

Computersystemen en e-Bestuur

Artikel 93

Elektronisch beheer van verrichtingen

1.  Wanneer de uitgaven en ontvangsten met behulp van computersystemen worden beheerd, kunnen de handtekeningen door middel van een geautomatiseerde of elektronische procedure worden aangebracht.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake het elektronisch beheer van verrichtingen.

Artikel 94

Verzending van documenten

Mits de betrokken instellingen en lidstaten daarmee van tevoren instemmen, kan elke verzending van documenten tussen hen via elektronische weg plaatsvinden.

Artikel 95

e-bestuur

1.  In gedeeld beheer vindt alle officiële uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie via in de sectorspecifieke regelgeving aangeduide middelen plaats. Die regelgeving zorgt bij het beheer van de begroting voorziet in interoperabiliteit van de verzamelde of ontvangen en doorgezonden gegevens.

2.  De instellingen en de uitvoerende agentschappen, evenals de in artikel 208 bedoelde organen, stellen uniforme normen op voor de elektronische uitwisseling van informatie met derden die deelnemen aan aanbestedings- en subsidieprocedures en passen deze toe. Meer in het bijzonder ontwerpen en implementeren zij, in de grootst mogelijke mate, oplossingen voor de indiening, opslag en verwerking van gegevens in het kader van aanbestedings- en subsidieprocedures, en wijzen zij hiertoe één "elektronisch gegevensuitwisselingsterrein" aan voor aanvragers, kandidaten en inschrijvers.

3.  De Commissie brengt geregeld verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de voortgang in de tenuitvoerlegging van het e-bestuur.



HOOFDSTUK 8

Administratieve beginselen

Artikel 96

Goed bestuur

1.  De bevoegde ordonnateur maakt onverwijld de verplichting om bewijsstukken en/of documentatie over te leggen, de vorm en de vereiste inhoud ervan, evenals, indien van toepassing, het indicatieve tijdschema voor toekenningsprocedures bekend.

2.  Wanneer ingevolge een duidelijke administratieve fout van de aanvrager of de inschrijver, de aanvrager of inschrijver nalaat bewijsstukken over te leggen of verklaringen af te leggen, verzoekt de beoordelingscommissie of in voorkomend geval de bevoegde ambtenaar, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, de aanvrager of de inschrijver de ontbrekende informatie te verstrekken of opheldering te verschaffen omtrent de bewijsstukken. Dergelijke informatie of opheldering mag geen substantiële wijziging van het voorstel tot gevolg hebben noch een wijziging van de voorwaarden van de inschrijving.

Artikel 97

Vermelding van beroepsmogelijkheden

Wanneer een procedurele handeling van een ordonnateur negatieve gevolgen heeft voor de rechten van een aanvrager, inschrijver, begunstigde of contractant, vermeldt deze handeling de beschikbare administratieve en/of gerechtelijke beroepsmogelijkheden om haar aan te vechten.

Meer in het bijzonder worden de aard van het beroep, de instantie of instanties waar beroep kan worden aangetekend en de termijn om beroep aan te tekenen, vermeld.



HOOFDSTUK 9

Intern controleur

Artikel 98

Aanwijzing van een intern controleur

1.  Iedere instelling stelt een interne controlefunctie in, die moet worden uitgeoefend met inachtneming van de terzake doende internationale normen. De door de instelling aangewezen intern controleur is haar verantwoording schuldig voor de verificatie van de goede werking van de systemen en de procedures voor de uitvoering van de begroting. De intern controleur kan noch ordonnateur noch rekenplichtige zijn.

2.  Met het oog op de interne controle van de EDEO worden de hoofden van de delegaties van de Unie die overeenkomstig artikel 56, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, onderworpen aan de controlebevoegdheden van de intern controleur van de Commissie voor het aan hen gesubdelegeerde financieel beheer.

De intern controleur van de Commissie treedt voor de uitvoering van de begrotingsafdeling van de EDEO ook op als intern controleur van de EDEO, met inachtneming van de bepalingen van artikel 213.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de interne controleur.

Artikel 99

Bevoegdheden en taken van de intern controleur

1.  De intern controleur adviseert zijn instelling bij het beheersen van de risico's door onafhankelijke adviezen uit te brengen over de kwaliteit van de beheer- en controlesystemen en aanbevelingen te formuleren ter verbetering van de uitvoeringsvoorwaarden van de verrichtingen en ter bevordering van een goed financieel beheer.

De intern controleur is met name belast met:

a) het beoordelen van de toereikendheid en doeltreffendheid van de interne beheersystemen, alsmede de prestaties van de diensten bij de uitvoering van de beleidsmaatregelen, programma's en acties in relatie met de ermee verbonden risico's;

b) het beoordelen van de efficiëntie en de doeltreffendheid van de interne en andere controlesystemen die worden toegepast op elke verrichting tot uitvoering van de begroting.

2.  De werkzaamheden van de intern controleur strekken zich uit tot alle activiteiten en diensten van de instelling. Hij heeft volledige en onbeperkte toegang tot alle informatie die hij voor de uitvoering van zijn taken nodig heeft, zo nodig toegang ter plaatse, ook in de lidstaten en in derde landen.

De intern controleur neemt kennis van het jaarlijks activiteitenverslag van de ordonnateurs en van de andere geïdentificeerde informatie.

3.  De intern controleur brengt aan zijn instelling verslag uit van zijn bevindingen en aanbevelingen. De instelling zorgt ervoor dat de uit de controles voortvloeiende aanbevelingen worden opgevolgd. De intern controleur dient tevens jaarlijks een internecontroleverslag in bij de instelling waarin het aantal en de soorten uitgevoerde interne controles, de gedane aanbevelingen en het gevolg dat aan die aanbevelingen is gegeven, worden vermeld.

▼M3

3 bis.  Elk jaar legt de Commissie in het kader van de kwijtingsprocedure en overeenkomstig artikel 319 VWEU op verzoek haar jaarlijks intern controleverslag in de zin van lid 3 van dit artikel voor met inachtneming van vertrouwelijkheidsvereisten.

▼B

4.  De instelling stelt de contactgegevens van de intern controleur beschikbaar aan elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij uitgavenverrichtingen, zodat er vertrouwelijk contact kan worden opgenomen met de intern controleur.

5.  De instelling zendt het Europees Parlement en de Raad jaarlijks een overzicht toe van het aantal en de soorten uitgevoerde interne controles, de gedane aanbevelingen en het gevolg dat aan die aanbevelingen is gegeven.

6.  De verslagen en de bevindingen van de intern controleur evenals het verslag van de instelling zijn slechts voor het publiek toegankelijk nadat de intern controleur de maatregelen voor uitvoering ervan heeft gevalideerd.

7.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake bevoegdheden en taken van de interne controleur.

Artikel 100

Onafhankelijkheid van de intern controleur

1.  Voor de intern controleur wordt door de instelling een bijzondere regeling bepaald om de volledige onafhankelijkheid van zijn functie te garanderen en zijn verantwoordelijkheid vast te stellen.

Wanneer de intern controleur een personeelslid is, oefent hij zijn exclusieve controlefuncties in volledige onafhankelijkheid uit en is hij aansprakelijk onder de in het statuut vastgestelde voorwaarden, welke nader worden aangegeven in de krachtens deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de onafhankelijkheid en de aansprakelijkheid van de intern controleur, met inbegrip van zijn recht beroep in te stellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.



▼M3

TITEL V

PLAATSEN VAN OVERHEIDSOPDRACHTEN EN CONCESSIES

▼B



HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen



Afdeling 1

Toepassingsgebied en gunningsbeginselen

▼M3

Artikel 101

Definities voor de toepassing van deze titel

1.  Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

a)

„aanbesteding” : de verwerving door middel van een overeenkomst van werken, leveringen of diensten, en de verwerving of huur van grond, bestaande gebouwen of ander onroerend goed, door een of meer aanbestedende diensten van door deze aanbestedende diensten gekozen ondernemers;

b)

„overheidsopdracht” :

overeenkomst onder bezwarende titel die schriftelijk tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten in de zin van de artikelen 117 en 190 wordt gesloten om tegen een geheel of gedeeltelijk ten laste van de begroting komende prijs de levering van roerende of onroerende zaken, de uitvoering van werken of de verrichting van diensten te verkrijgen.

Overheidsopdrachten kunnen betrekking hebben op:

i) gebouwen;

ii) leveringen;

iii) de uitvoering van werken;

iv) dienstverlening;

c)

„concessieovereenkomst” : overeenkomst onder bezwarende titel die schriftelijk tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten in de zin van de artikelen 117 en 190 wordt gesloten om de uitvoering van werken of de verrichting en het beheer van diensten toe te vertrouwen aan een ondernemer (de „concessie”). De vergoeding bestaat hetzij uitsluitend uit het recht om de werken of diensten te exploiteren, hetzij uit dit recht en een betaling. De gunning van een concessieovereenkomst voor werken of diensten houdt in dat aan de concessiehouder het operationeel risico wordt overgedragen dat inherent is aan de exploitatie van deze werken of diensten en dat het vraagrisico, het aanbodrisico of beide omvat. De concessiehouder wordt geacht het operationeel risico op zich te nemen indien er in normale exploitatieomstandigheden geen garantie voorhanden is dat de investeringen die gedaan zijn of de kosten die gemaakt zijn bij het exploiteren van de werken of diensten die het voorwerp van de concessie vormen, kunnen worden terugverdiend;

d)

„overeenkomst” : een overheidsopdracht of een concessieovereenkomst;

e)

„raamovereenkomst” : een overheidsopdracht tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten met het doel de voorwaarden van de specifieke, daaruit voortvloeiende overeenkomsten die gedurende een bepaalde periode kunnen worden geplaatst, vast te leggen, met name wat betreft de prijs en, in voorkomend geval, de beoogde hoeveelheid;

f)

„dynamisch aankoopsysteem” : een geheel elektronisch proces voor aankopen voor courant gebruik;

g)

„ondernemer” : elke natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van een openbaar lichaam of een groep van dergelijke personen, die de levering van producten, de uitvoering van werken of de verrichting van diensten, dan wel onroerend goed aanbiedt;

h)

„aanbestedingsstukken” :

alle stukken die door de aanbestedende dienst worden opgesteld of vermeld ter omschrijving of bepaling van onderdelen van de aanbestedingsprocedure, met inbegrip van:

i) de in artikel 103 bedoelde publiciteitsmaatregelen;

ii) de uitnodiging tot inschrijving;

iii) het bestek, dat de technische specificaties en de relevante criteria moet bevatten, of de beschrijvende stukken in het geval van een concurrentiegerichte dialoog;

iv) de ontwerpovereenkomst;

i)

„definitief administratief besluit” : een besluit van een administratieve autoriteit dat onherroepelijk en bindend is overeenkomstig de wetgeving van het land waar de ondernemer is gevestigd of waar de aanbestedende dienst is gevestigd, of overeenkomstig het toepasselijke Unierecht;

j)

„aankoopcentrale” : aanbestedende dienst die gecentraliseerde aankoopactiviteiten en, waar van toepassing, aanvullende aankoopactiviteiten verricht;

k)

„inschrijver” : ondernemer die een inschrijving heeft ingediend;

l)

„gegadigde” : een ondernemer die heeft verzocht om een uitnodiging, of is uitgenodigd, om deel te nemen aan een niet-openbare procedure, een mededingingsprocedure met onderhandeling, een concurrentiegerichte dialoog, een innovatiepartnerschap, een prijsvraag of een onderhandelingsprocedure;

m)

„verkoper” : een ondernemer die staat vermeld op een lijst van verkopers die zullen worden uitgenodigd om verzoeken tot deelneming of inschrijvingen in te dienen;

n)

„onderaannemer” : een ondernemer die door een gegadigde, inschrijver of contractant wordt voorgesteld als uitvoerder van een deel van een overeenkomst. De onderaannemer heeft geen rechtstreekse juridische verbintenis jegens de aanbestedende dienst.

2.  Een gemengde overeenkomst die betrekking heeft op twee of meer soorten aanbestedingen (werken, leveringen of diensten) of concessies (werken of diensten) of beide, wordt gegund overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het soort aanbestedingen dat kenmerkend is voor het centrale onderwerp van de overeenkomst in kwestie.

3.  Met uitzondering van de artikelen 105 bis tot en met 108 is deze titel niet van toepassing op subsidies en evenmin op overeenkomsten betreffende technische bijstand, zoals omschreven op grond van artikel 125, lid 8, die worden gesloten met de EIB of het Europees Investeringsfonds.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de verdere definitie en het verdere toepassingsgebied van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten, inzake de toepasselijke nomenclatuur onder verwijzing naar de „gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten”, inzake gemengde overeenkomsten, inzake ondernemers, alsmede inzake raamovereenkomsten en daarop gebaseerde specifieke overeenkomsten, met betrekking tot de maximumduur van raamovereenkomsten en tot de gunning, alsook de methoden voor het uitvoeren, van op raamovereenkomsten gebaseerde specifieke overeenkomsten met een of meer ondernemers.

▼B

Artikel 102

Op overheidsopdrachten toepasselijke beginselen

1.  Bij alle geheel of gedeeltelijk uit de begroting gefinancierde overheidsopdrachten worden het transparantiebeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van non-discriminatie in acht genomen.

▼M3

2.  Bij de totstandkoming van alle overeenkomsten wordt gezorgd voor een zo ruim mogelijke mededinging, behalve wanneer de in artikel 104, lid 1, onder d), bedoelde procedure wordt toegepast.

De geraamde waarde van een overeenkomst mag niet worden bepaald met het voornemen de toepasselijke regels te omzeilen, noch mag een overeenkomst met dezelfde bedoeling worden opgesplitst.

De aanbestedende dienst verdeelt een overeenkomst in percelen indien dat passend is, met inachtneming van een brede mededinging.

▼M3

3.  De aanbestedende diensten gebruiken raamovereenkomsten niet oneigenlijk en evenmin op een wijze die ertoe strekt of ten gevolge heeft dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

▼B



Afdeling 2

Bekendmaking

▼M3

Artikel 103

Publiciteitsmaatregelen

1.  Voor procedures met een waarde gelijk aan of hoger dan de in artikel 118, lid 1, of artikel 190 bedoelde drempelwaarden, maakt de aanbestedende dienst in het Publicatieblad van de Europese Unie het volgende bekend:

a) bij de aanvang van een procedure, een aankondiging van de opdracht, behalve bij de in artikel 104, lid 1, onder d), bedoelde procedure;

b) een aankondiging van een gegunde opdracht, die betrekking heeft op de resultaten van de procedure.

2.  Procedures waarvan de waarde lager is dan de in artikel 118, lid 1, of artikel 190 bedoelde drempelwaarden worden op passende wijze bekendgemaakt.

3.  Bekendmaking van bepaalde informatie over de gunning van een overeenkomst kan achterwege blijven indien zulks de rechtshandhaving zou belemmeren, in strijd zou zijn met het openbaar belang, afbreuk zou doen aan rechtmatige commerciële belangen van ondernemers of een eerlijke mededinging tussen hen zou kunnen belemmeren.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de vereisten voor de bekendmaking van procedures onder verwijzing naar hun waarde in vergelijking met de in artikel 118, lid 1, bedoelde drempelwaarden, inzake de bekendmaking die de aanbestedende dienst kan uitvoeren met volledige inachtneming van het non-discriminatiebeginsel, en inzake de inhoud en de bekendmaking van aankondigingen.

▼B



Afdeling 3

Procedures voor het plaatsen van opdrachten

▼M3

Artikel 104

Aanbestedingsprocedures

1.  Voor de gunning van concessieovereenkomsten of overheidsopdrachten, waaronder raamovereenkomsten, kan een van de volgende aanbestedingsprocedures worden gevolgd:

a) openbare procedure;

b) niet-openbare procedure, waaronder via een dynamisch aankoopsysteem;

c) prijsvraag;

d) onderhandelingsprocedure, ook zonder voorafgaande bekendmaking;

e) concurrentiegerichte dialoog;

f) mededingingsprocedure met onderhandeling;

g) innovatiepartnerschap;

h) procedures na een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling.

2.  In openbare procedures mag elke belangstellende ondernemer een inschrijving indienen.

3.  In niet-openbare procedures, concurrentiegerichte dialogen, mededingingsprocedures met onderhandeling en innovatiepartnerschappen mag elke ondernemer een verzoek tot deelneming indienen en daartoe de door de aanbestedende dienst verlangde informatie verstrekken. De aanbestedende dienst nodigt alle gegadigden die aan de selectiecriteria voldoen en die niet verkeren in een situatie als omschreven in de artikelen 106 en 107, uit tot het indienen van een inschrijving.

Niettegenstaande de eerste alinea kan de aanbestedende dienst het aantal gegadigden dat tot deelname aan de procedure wordt uitgenodigd, beperken op grond van objectieve en niet-discriminerende selectiecriteria, die worden vermeld in de aankondiging van de opdracht of in de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling. Het aantal gegadigden dat wordt uitgenodigd, moet voldoende zijn om een werkelijke mededinging te garanderen.

4.  In alle procedures met onderhandeling onderhandelt de aanbestedende dienst met de inschrijvers over de oorspronkelijke en eventuele daaropvolgende inschrijvingen of delen daarvan, uitgezonderd hun definitieve inschrijvingen, teneinde de inhoud ervan te verbeteren. Over de in de aanbestedingsstukken gespecificeerde minimumvereisten en criteria kan niet worden onderhandeld.

Een aanbestedende dienst kan een opdracht gunnen op basis van de oorspronkelijke inschrijving zonder onderhandeling, mits in de aanbestedingsstukken in die mogelijkheid is voorzien.

5.  De aanbestedende dienst kan gebruikmaken van:

a) de openbare of de niet-openbare procedure, voor elke aankoop;

b) de procedures na een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor opdrachten waarvan de waarde lager is dan de in artikel 118, lid 1, bedoelde drempelwaarden, voor een eerste selectie van de gegadigden die zullen worden uitgenodigd tot het indienen van inschrijvingen in het licht van toekomstige niet-openbare uitnodigingen tot inschrijving, of met als doel te komen tot een lijst van verkopers die zullen worden uitgenodigd om verzoeken tot deelneming of inschrijvingen in te dienen;

c) de prijsvraag, voor het verwerven van een plan of ontwerp dat op basis van vergelijking door een jury wordt geselecteerd;

d) het innovatiepartnerschap, voor het ontwikkelen van een innovatief product, een innovatieve dienst of innovatieve werken en voor de daaropvolgende aankoop van de daaruit resulterende levering, dienstverlening of verrichting van werken;

e) de mededingingsprocedure met onderhandeling of de concurrentiegerichte dialoog voor concessieovereenkomsten, voor de in bijlage XIV bij Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 9 ) bedoelde dienstencontracten, in gevallen waarin er in antwoord op een openbare of een niet-openbare procedure na afsluiting van de oorspronkelijke procedure slechts onregelmatige of onaanvaardbare inschrijvingen zijn ingediend, en voor gevallen waarin dat wordt gerechtvaardigd door de bijzondere omstandigheden onder meer in verband met de aard of de complexiteit van het onderwerp van de overeenkomst, dan wel met de specifieke soort overeenkomst, zoals nader omschreven in de krachtens deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen;

f) de onderhandelingsprocedure voor overeenkomsten waarvan de waarde lager is dan de in artikel 118, lid 1, bedoelde drempelwaarde of de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, enkel voor bepaalde soorten aankopen die niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/24/EU vallen en in duidelijk omschreven uitzonderlijke omstandigheden als bepaald in de krachtens deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen.

6.  Het dynamisch aankoopsysteem staat gedurende de gehele looptijd open voor elke ondernemer die aan de selectiecriteria voldoet.

De aanbestedende dienst volgt de regels van de niet-openbare procedure voor aanbestedingen via een dynamisch aankoopsysteem.

7.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere regels betreffende de soorten, en bijkomende nadere regelingen voor, de in lid 1 bedoelde aanbestedingsprocedures voor de gunning van overeenkomsten, onder verwijzing naar de waarde ervan in vergelijking met de in artikel 118, lid 1, bedoelde drempelwaarden, inzake het minimumaantal gegadigden dat voor elke soort procedure dient te worden uitgenodigd, inzake de nadere voorwaarden voor gebruikmaking van de verschillende procedures, inzake een dynamisch aankoopsysteem en inzake onregelmatige en onaanvaardbare inschrijvingen.

▼M3

Artikel 104 bis

Interinstitutionele aanbesteding en gezamenlijke aanbesteding

1.  Indien een overeenkomst of een raamovereenkomst van belang is voor twee of meer instellingen, uitvoerende agentschappen of organen in de zin van de artikelen 208 en 209 en zulks de efficiëntie ten goede kan komen, kunnen de betrokken aanbestedende diensten de procedure en het beheer van de daaruit voortvloeiende overeenkomst of raamovereenkomst op interinstitutionele basis uitvoeren onder de leiding van een van de aanbestedende diensten.

Ook de organen die door de Raad zijn opgericht op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU kunnen deelnemen aan interinstitutionele procedures.

De voorwaarden van een raamovereenkomst kunnen alleen van toepassing zijn tussen de aanbestedende diensten die bij de aanvang van de aanbestedingsprocedure met het oog daarop zijn aangewezen en die ondernemers die partij zijn bij de raamovereenkomst.

2.  Indien een overeenkomst of raamovereenkomst nodig is voor de uitvoering van een gezamenlijke actie van een instelling en een of meer aanbestedende diensten van lidstaten, kan de aanbestedingsprocedure gezamenlijk door die instelling en de aanbestedende diensten worden uitgevoerd.

Gezamenlijke aanbesteding mag plaatsvinden met de EVA-staten, alsook met de kandidaat-lidstaten van de Unie, indien deze mogelijkheid uitdrukkelijk is vastgelegd in een bilateraal of multilateraal verdrag.

In het geval van een gezamenlijke aanbestedingsprocedure zijn de voor de instellingen geldende procedurele bepalingen van toepassing.

Indien het aandeel van, of beheerd door, de aanbestedende dienst van een lidstaat in de geraamde totale waarde van de overeenkomst gelijk is aan of hoger is dan 50 %, of in naar behoren gemotiveerde gevallen, kan de instelling besluiten dat de voor de aanbestedende dienst van een lidstaat geldende procedurele bepalingen op de gezamenlijke aanbesteding van toepassing zijn, op voorwaarde dat die bepalingen als gelijkwaardig met die van de instelling kunnen worden beschouwd.

De instelling en de aanbestedende dienst van een lidstaat, een EVA-staat of een kandidaat-lidstaat van de Unie die bij de gezamenlijke aanbesteding betrokken zijn, maken met name afspraken over de praktische nadere regelingen voor de evaluatie van de verzoeken tot deelname of van de inschrijvingen, de gunning van de overeenkomst, het recht dat op de overeenkomst van toepassing is, en de in geval van geschil bevoegde rechter.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere regels inzake interinstitutionele aanbesteding.

▼M3

Artikel 105

Voorbereiding van een aanbestedingsprocedure

1.  Vóór de aanvang van een aanbestedingsprocedure kan de aanbestedende dienst, ter voorbereiding van de procedure, een marktconsultatie houden.

2.  In de aanbestedingsstukken bepaalt de aanbestedende dienst het onderwerp van de aanbesteding door een beschrijving te geven van zijn behoeften en van de vereiste kenmerken van de aan te kopen werken, leveringen of diensten, en legt hij de toepasselijke uitsluitings-, selectie- en gunningscriteria vast. De aanbestedende dienst geeft ook aan welke elementen de minimumvereisten zijn waaraan alle inschrijvingen moeten voldoen. Een van de minimumvereisten is dat wordt voldaan aan de verplichtingen van de toepasselijke milieu-, sociaal- en arbeidsrechtelijke voorschriften van het Unierecht, de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of de in bijlage X bij Richtlijn 2014/24/EU opgenomen toepasselijke internationale sociale en milieuovereenkomsten.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de inhoud van de aanbestedingsstukken, met name inzake de ontwerpovereenkomsten, inzake de kenmerken van milieu-, sociale of andere keurmerken, normen en standaarden, en inzake de voorbereidende marktconsultatie.

▼M3

Artikel 105 bis

Bescherming van de financiële belangen van de Unie door opsporing van risico's en oplegging van administratieve sancties

1.  Ter bescherming van de financiële belangen van de Unie zet de Commissie een systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting op, dat zij beheert.

Dit systeem heeft ten doel het volgende te vergemakkelijken:

a) de vroegtijdige opsporing van risico's die de financiële belangen van de Unie in gevaar brengen;

b) de uitsluiting van een ondernemer die in een van de in artikel 106, lid 1, genoemde uitsluitingssituaties verkeert;

c) het opleggen van een financiële sanctie aan een ondernemer overeenkomstig artikel 106, lid 13.

2.  Het besluit tot uitsluiting en/of tot oplegging van een financiële sanctie wordt genomen door de aanbestedende dienst. Het is gebaseerd op een definitieve rechterlijke beslissing of op een definitief administratief besluit.

In de in artikel 106, lid 2, bedoelde situaties evenwel verwijst de aanbestedende dienst de zaak naar de in artikel 108 bedoelde instantie, teneinde een gecentraliseerde beoordeling van die situaties te garanderen. In dergelijke gevallen neemt de aanbestedende dienst zijn besluit op basis van een voorlopige juridische kwalificatie, rekening houdend met een aanbeveling van de instantie.

Indien de aanbestedende dienst beslist af te wijken van de aanbeveling van de instantie, verantwoordt hij die beslissing tegenover de instantie.

3.  In de in artikel 107 bedoelde gevallen wijst de aanbestedende dienst een ondernemer in een bepaalde procedure af.

▼M3

Artikel 106

Uitsluitingscriteria en administratieve sancties

1.  De aanbestedende dienst sluit een ondernemer uit van deelname aan onder deze richtlijn vallende aanbestedingsprocedures indien:

a) hij failliet is, onderworpen aan insolventie- of liquidatieprocedures, zijn activa worden beheerd door een curator of een gerecht, hij een regeling met schuldeisers heeft getroffen, zijn werkzaamheden zijn gestaakt of hij in een andere vergelijkbare toestand verkeert als gevolg van een soortgelijke procedure uit hoofde van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen;

b) in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de ondernemer niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling van belastingen of socialezekerheidsbijdragen volgens het recht van het land waar hij is gevestigd, van het land waar de aanbestedende dienst is gevestigd, dan wel van het land waar de overeenkomst wordt uitgevoerd;

c) in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de ondernemer een ernstige beroepsfout heeft gemaakt doordat hij de toepasselijke wet- of regelgeving of de ethische normen van de beroepsgroep waartoe hij behoort, heeft overtreden of doordat hij onrechtmatig gedrag heeft vertoond dat invloed heeft op zijn professionele geloofwaardigheid wanneer sprake is van kwaad opzet of grove nalatigheid, met name bijvoorbeeld:

i) op frauduleuze of nalatige wijze afleggen van valse verklaringen met betrekking tot de informatie die wordt verlangd voor de verificatie van de afwezigheid van gronden voor uitsluiting of de vervulling van selectiecriteria of bij de uitvoering van een overeenkomst;

ii) sluiten van een contract met andere ondernemers met als doel de mededinging te vervalsen;

iii) schenden van intellectuele-eigendomsrechten;

iv) pogen het besluitvormingsproces van de aanbestedende dienst tijdens de aanbestedingsprocedure te beïnvloeden;

v) pogen vertrouwelijke informatie te verkrijgen die hem onrechtmatige voordelen kan opleveren in de aanbestedingsprocedure;

d) in een definitieve rechterlijke beslissing is vastgesteld dat de ondernemer zich schuldig heeft gemaakt aan een van de volgende feiten:

i) fraude in de zin van artikel 1 van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, vastgesteld bij akte van de Raad van 26 juli 1995 ( 10 );

ii) corruptie, als omschreven in artikel 3 van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn vastgesteld bij akte van de Raad van 26 mei 1997 ( 11 ), en in artikel 2, lid 1, van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad ( 12 ), alsook corruptie als omschreven in het recht van het land waar de aanbestedende dienst is gevestigd, het land waar de ondernemer is gevestigd, dan wel het land waar de overeenkomst wordt uitgevoerd;

iii) deelneming aan een criminele organisatie in de zin van artikel 2 van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad ( 13 );

iv) witwassen van geld of financiering van terrorisme in de zin van artikel 1 van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 14 );

v) terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten in de zin van respectievelijk de artikelen 1 en 3 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad ( 15 ), dan wel uitlokking van, medeplichtigheid aan of poging tot het plegen van zodanig misdrijf of strafbaar feit, als bedoeld in artikel 4 van genoemd besluit;

vi) kinderarbeid en andere vormen van mensenhandel in de zin van artikel 2 van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 16 );

e) de ondernemer aanzienlijk is tekortgeschoten in de nakoming van belangrijke verplichtingen bij de uitvoering van een uit de begroting gefinancierde opdracht, hetgeen tot vroegtijdige beëindiging ervan of tot oplegging van een schadevergoeding of andere contractuele sancties heeft geleid of na toetsen, audits of onderzoek door een ordonnateur, OLAF of de Rekenkamer aan het licht is gekomen;

f) in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de ondernemer een onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad ( 17 ) heeft begaan.

2.  Indien er geen definitieve rechterlijke beslissing of, indien van toepassing, geen definitief administratief besluit voorhanden is in de in lid 1, onder c), d) en f), bedoelde gevallen of in het in lid 1, onder e), bedoelde geval, sluit de aanbestedende dienst een ondernemer uit op basis van een voorlopige juridische kwalificatie van een in die punten bedoelde gedraging, rekening houdend met vastgestelde feiten of andere bevindingen in de aanbeveling van de in artikel 108 bedoelde instantie.

De in de eerste alinea bedoelde voorlopige kwalificatie laat de beoordeling van het gedrag van de betrokken ondernemer door de bevoegde instanties van de lidstaten op grond van het nationale recht onverlet. De aanbestedende dienst herziet onmiddellijk na de kennisgeving van een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit zijn besluit om de ondernemer uit te sluiten en/of hem een financiële sanctie op te leggen. Indien de duur van de uitsluiting niet is vastgelegd in de definitieve rechterlijke beslissing of het definitief administratief besluit, stelt de aanbestedende dienst deze vast op basis van vastgestelde feiten en bevindingen, met inachtneming van de aanbeveling van de in artikel 108 bedoelde instantie.

Indien in die definitieve rechterlijke beslissing of dat definitief administratief besluit wordt geoordeeld dat de ondernemer zich niet schuldig heeft gemaakt aan het voorlopig juridisch gekwalificeerde gedrag op basis waarvan hij is uitgesloten, maakt de aanbestedende dienst onverwijld een einde aan die uitsluiting en/of betaalt hij, in voorkomend geval, alle opgelegde financiële sancties terug.

Tot de in de eerste alinea bedoelde feiten en bevindingen behoren met name:

a) feiten die zijn vastgesteld in het kader van audits of onderzoek door de Rekenkamer, OLAF, of van een interne audit, of enige andere toets, audit of controle uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de ordonnateur;

b) niet-definitieve administratieve besluiten die tuchtmaatregelen kunnen omvatten welke zijn genomen door het bevoegde toezichthoudende orgaan dat verantwoordelijk is voor de verificatie van de toepassing van normen inzake beroepsethiek;

c) besluiten van de ECB, de EIB, het Europees Investeringsfonds of internationale organisaties;

d) besluiten van de Commissie betreffende schending van de mededingingsregels van de Unie of van een nationale bevoegde instantie betreffende de schending van het mededingingsrecht van de Unie of van het nationale mededingingsrecht.

3.  Elk besluit van de aanbestedende dienst op grond van de artikelen 106, 107 en 108 of, indien van toepassing, elke aanbeveling van de in artikel 108 bedoelde instantie, wordt genomen respectievelijk gedaan overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, en met name rekening houdend met de ernst van de situatie, met inbegrip van het effect op de financiële belangen en het imago van de Unie, de tijd die is verlopen sedert het betrokken gedrag werd vertoond, de duur en de herhaling ervan, het opzet of de mate van nalatigheid, het betrokken begrensde bedrag voor lid 1, onder b), van dit artikel of andere verzachtende omstandigheden, zoals de mate waarin de ondernemer samenwerkt met de betreffende bevoegde instantie en zijn bijdrage aan het onderzoek, die door de aanbestedende dienst is erkend, of de openbaarmaking van de uitsluitingssituatie door middel van de in lid 10 van dit artikel bedoelde verklaring.

4.  De aanbestedende dienst sluit de ondernemer uit wanneer een persoon die lid is van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van die ondernemer of die daarin vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid ten aanzien van die ondernemer heeft, in een of meer in lid 1, onder c) tot en met f), vermelde situaties verkeert. De aanbestedende dienst sluit een ondernemer ook uit indien een natuurlijke of rechtspersoon die onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van die ondernemer, in een of meer in lid 1, onder a) of b), vermelde situaties verkeert.

5.  Indien de begroting wordt uitgevoerd in indirect beheer met derde landen, kan de Commissie op grond van, in voorkomend geval, de aanbeveling van de in artikel 108 bedoelde instantie, een besluit tot uitsluiting nemen en/of een financiële sanctie opleggen onder de voorwaarden van dit artikel, indien het overeenkomstig artikel 58, lid 1, onder c), daarmee belaste derde land dit heeft nagelaten. Dit laat de verantwoordelijkheid, krachtens artikel 60, lid 3, van het derde land inzake voorkoming, opsporing, correctie en kennisgeving van onregelmatigheden en fraude, of het nemen van een besluit tot uitsluiting, dan wel het opleggen van financiële sancties, onverlet.

6.  In de in lid 2 van dit artikel bedoelde gevallen kan de aanbestedende dienst een ondernemer voorlopig uitsluiten zonder voorafgaande aanbeveling van de instantie als bedoeld in artikel 108, indien de deelneming van de betrokken ondernemer aan aanbestedingsprocedures een ernstige en imminente dreiging voor de financiële belangen van de Unie zou vormen. De aanbestedende dienst verwijst de zaak in dergelijke gevallen onmiddellijk naar de instantie en neemt uiterlijk 14 dagen na ontvangst van de aanbeveling van de instantie een definitief besluit.

7.  De aanbestedende dienst sluit, rekening houdend, in voorkomend geval, met de aanbeveling van de in artikel 108 bedoelde instantie, een ondernemer niet uit van deelneming aan een aanbestedingsprocedure indien:

a) de ondernemer corrigerende maatregelen als vermeld in lid 8 van dit artikel heeft getroffen en aldus zijn betrouwbaarheid aantoont. Dit punt geldt niet in het geval van lid 1, onder d), van dit artikel;

b) het onontbeerlijk is om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen, voor een beperkte periode en in afwachting van de vaststelling van corrigerende maatregelen als vermeld in lid 8 van dit artikel;

c) die uitsluiting buiten verhouding zou zijn op basis van de in lid 3 van dit artikel bedoelde criteria.

Voorts is lid 1, onder a), van dit artikel niet van toepassing op de aankoop van leveringen tegen bijzonder gunstige voorwaarden, hetzij bij een leverancier die zijn bedrijfsactiviteiten definitief stopzet, hetzij bij vereffenaars in een insolventieprocedure, een regeling met schuldeisers, of een soortgelijke procedure volgens nationaal recht.

In de gevallen van niet-uitsluiting als bedoeld in de eerste en tweede alinea van dit lid specificeert de aanbestedende dienst de redenen waarom de ondernemer niet wordt uitgesloten en stelt hij de in artikel 108 bedoelde instantie in kennis van die redenen.

8.  Tot de in lid 7 bedoelde maatregelen om de uitsluitingssituatie te corrigeren, behoren met name:

a) maatregelen om de oorsprong van de situaties die aanleiding geven tot uitsluiting, in kaart te brengen en concrete technische, organisatorische en personeelsgebonden maatregelen binnen het betrokken werkterrein van de ondernemer waarmee het gedrag kan worden gecorrigeerd en herhaling daarvan kan worden voorkomen;

b) het bewijs dat de ondernemer corrigerende maatregelen heeft genomen om de schade te vergoeden of te herstellen die aan de financiële belangen van de Unie is toegebracht door de onderliggende feiten die aanleiding geven tot de uitsluitingssituatie;

c) het bewijs dat de ondernemer de door de bevoegde instantie opgelegde boete of de in lid 1, onder b), bedoelde belastingen of socialezekerheidsbijdragen heeft betaald of de betaling daarvan heeft gewaarborgd.

9.  Rekening houdend, in voorkomend geval, met de herziene aanbeveling van de instantie als bedoeld in artikel 108, herziet de aanbestedende dienst ambtshalve of op verzoek van de uitgesloten ondernemer onverwijld zijn besluit tot uitsluiting van die ondernemer, indien deze corrigerende maatregelen heeft genomen die volstaan om zijn betrouwbaarheid aan te tonen of nieuwe elementen heeft verstrekt waaruit blijkt dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitsluitingssituatie niet langer bestaat.

10.  Een gegadigde of inschrijver verklaart bij de indiening van zijn verzoek om deel te nemen of van zijn inschrijving of hij in één van de in lid 1 van dit artikel of in artikel 107, lid 1, bedoelde situaties verkeert, en, in voorkomend geval of hij corrigerende maatregelen heeft genomen als bedoeld in lid 7, onder a), van dit artikel. In voorkomend geval verstrekt de gegadigde of inschrijver dezelfde verklaring, ondertekend door een entiteit waarop hij voornemens is een beroep te doen. Bij overeenkomsten van zeer geringe waarde, die moeten worden omschreven in de overeenkomstig artikel 210 vastgestelde gedelegeerde handelingen, mag de aanbestedende dienst echter afzien van het opleggen van deze vereisten.

11.  Wanneer de aanbestedende dienst daarom verzoekt en dit noodzakelijk is voor het goede verloop van de procedure, verstrekken de gegadigde of inschrijver, en de entiteit waarop de gegadigde of inschrijver voornemens is een beroep te doen, het volgende:

a) afdoend bewijs dat de gegadigde, inschrijver of entiteit niet in een van de in lid 1 vermelde uitsluitingssituaties verkeert;

b) informatie over personen die lid zijn van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de gegadigde, inschrijver of entiteit of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid ten aanzien van de gegadigde, inschrijver of entiteit hebben, en afdoend bewijs dat een of meer van deze personen niet in een van de in lid 1, onder c) tot en met f), vermelde uitsluitingssituaties verkeren;

c) afdoend bewijs dat natuurlijke of rechtspersonen die onbeperkt aansprakelijk zijn voor de schulden van die gegadigde, inschrijver of entiteit, niet in een in lid 1, onder a) of b), vermelde uitsluitingssituatie verkeren.

12.  De aanbestedende dienst mag de leden 1 tot en met 11 ook toepassen op een onderaannemer. In dat geval verlangt de aanbestedende dienst dat een gegadigde of inschrijver een onderaannemer of een entiteit waarop de gegadigde of inschrijver voornemens is een beroep te doen en die zich in een uitsluitingssituatie bevindt, vervangt.

13.  Om voor een afschrikkend effect te zorgen mag de aanbestedende dienst, rekening houdend, in voorkomend geval, met de aanbeveling van de in artikel 108 bedoelde instantie, een financiële sanctie opleggen aan een ondernemer die heeft gepoogd toegang tot middelen van de Unie te krijgen door deel te nemen, of te verzoeken om deelneming, aan een aanbestedingsprocedure, terwijl hij, zonder dit overeenkomstig lid 10 van dit artikel te hebben verklaard, in een van de volgende uitsluitingssituaties verkeert:

a) wat de in lid 1, onder c), d), e) en f), van dit artikel, bedoelde situaties betreft, als alternatief voor een besluit tot uitsluiting van de ondernemer, indien die uitsluiting buiten verhouding zou zijn op basis van de criteria van lid 3 van dit artikel;

b) wat de in lid 1, onder c), d) en e), van dit artikel, bedoelde situaties betreft, naast een uitsluiting die nodig is om de financiële belangen van de Unie te beschermen, indien de ondernemer systematisch en herhaald gedrag heeft vertoond met het voornemen op onrechtmatige wijze middelen van de Unie te verkrijgen.

Het bedrag van de financiële sanctie vertegenwoordigt tussen 2 % en 10 % van de totale waarde van de overeenkomst.

14.  De duur van de uitsluiting mag niet meer bedragen dan:

a) de duur die eventueel is vastgesteld in de definitieve rechterlijke beslissing of het definitief administratief besluit van een lidstaat;

b) vijf jaar voor de in lid 1, onder d), bedoelde gevallen;

c) drie jaar voor de in lid 1, onder c), e) en f), bedoelde gevallen.

Een ondernemer wordt uitgesloten zolang hij in een van de in lid 1, onder a) en b), bedoelde situaties verkeert.

15.  De verjaringstermijn voor uitsluiting en/of het opleggen van financiële sancties aan ondernemers bedraagt vijf jaar, gerekend vanaf een van de volgende data:

a) de datum waarop het gedrag dat aanleiding geeft tot uitsluiting, is vertoond of, bij voortduring of herhaling, de datum waarop het gedrag ophoudt, in de in lid 1, onder b), c), d) en e), van dit artikel, vermelde gevallen;

b) de datum van de definitieve rechterlijke beslissing van een nationale rechterlijke instantie of van het definitief administratief besluit in de in lid 1, onder b), c) en d), van dit artikel vermelde gevallen.

De verjaringstermijn wordt gestuit door enige handeling van de Commissie, OLAF, de instantie als bedoeld in artikel 108 of enige bij de uitvoering van de begroting betrokken entiteit, waarvan aan de ondernemer kennis wordt gegeven en die betrekking heeft op het onderzoek of de gerechtelijke procedure. Een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen op de dag volgend op de stuiting.

Voor de toepassing van lid 1, onder f), van dit artikel geldt de verjaringstermijn voor uitsluiting en/of het opleggen van financiële sancties aan ondernemers die is vastgelegd in artikel 3 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95.

Indien verschillende van de in lid 1 van dit artikel genoemde redenen in aanmerking komen voor het gedrag van de ondernemer, geldt de verjaringstermijn van de ernstigste reden.

16.  Om, indien nodig, het afschrikkend effect van de uitsluiting en/of de financiële sanctie te versterken, maakt de Commissie, onder voorbehoud van een besluit van de aanbestedende dienst, de volgende informatie betreffende de uitsluiting en, in voorkomend geval, betreffende de financiële sanctie voor de in lid 1, onder c), d), e) en f), van dit artikel bedoelde gevallen bekend op haar internetsite:

a) de naam van de betrokken ondernemer;

b) de uitsluitingssituatie onder verwijzing naar lid 1 van dit artikel;

c) de duur van de uitsluiting en/of het bedrag van de financiële sanctie.

Indien het besluit over de uitsluiting en/of de financiële sanctie is genomen op basis van een voorlopige kwalificatie als bedoeld in lid 2 van dit artikel, wordt bij de bekendmaking aangegeven dat er geen definitieve rechterlijke beslissing of, in voorkomend geval, geen definitief administratief besluit is. In die gevallen wordt informatie over beroepsprocedures en de status en het resultaat daarvan, alsook elk herzien besluit van de aanbestedende dienst, onverwijld bekendgemaakt. Indien een financiële sanctie is opgelegd, wordt bij de bekendmaking aangegeven of die sanctie is betaald.

Het besluit om de informatie bekend te maken, wordt genomen door de aanbestedende dienst, hetzij ingevolge de betrokken definitieve rechterlijke beslissing of, in voorkomend geval, het definitieve administratieve besluit, hetzij ingevolge de aanbeveling van de in artikel 108 bedoelde instantie, naar gelang van het geval. Dat besluit wordt van kracht drie maanden na de kennisgeving ervan aan de ondernemer.

De bekendgemaakte informatie wordt verwijderd zodra een eind is gekomen aan de uitsluiting. In het geval van een financiële sanctie wordt de bekendmaking zes maanden na de betaling ervan verwijderd.

In het geval van persoonsgegevens informeert de aanbestedende dienst overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 de ondernemer over zijn rechten op grond van de toepasselijke gegevensbeschermingsregelgeving en over de voor de uitoefening van die rechten beschikbare procedures.

17.  De in lid 16 van dit artikel bedoelde informatie wordt in geen enkele van de volgende omstandigheden bekendgemaakt:

a) indien het vertrouwelijke karakter van een onderzoek of een nationale gerechtelijke procedure moet worden gewaarborgd;

b) indien bekendmaking onevenredige schade zou toebrengen aan de betrokken ondernemer of anderszins buiten verhouding zou zijn op basis van de evenredigheidscriteria in lid 3 van dit artikel en het bedrag van de financiële sanctie;

c) indien het een natuurlijk persoon betreft, tenzij de bekendmaking van persoonsgegevens uitzonderlijk gerechtvaardigd is, onder meer door de ernst van de gedraging of het effect daarvan op de financiële belangen van de Unie. In dergelijke gevallen wordt in het besluit om de informatie bekend te maken naar behoren rekening gehouden met het recht op privacy en andere rechten waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 45/2001.

18.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de inhoud van de in lid 10 van dit artikel bedoelde verklaring, inzake het in lid 11, onder a), van dit artikel bedoelde bewijs om aan te tonen dat een ondernemer niet in een van de uitsluitingssituaties verkeert, mede onder verwijzing naar het Uniform Europees Aanbestedingsdocument als bepaald in artikel 59, lid 2, van Richtlijn 2014/24/EU, alsook inzake de situaties waarin de aanbestedende dienst al dan niet mag eisen dat een dergelijke verklaring of een dergelijk bewijs wordt voorgelegd.

Artikel 107

Afwijzing in een bepaalde aanbestedingsprocedure

1.  In het kader van een bepaalde aanbestedingsprocedure kent de aanbestedende dienst geen overeenkomst toe aan een ondernemer die:

a) in een uitsluitingssituatie verkeert die overeenkomstig artikel 106 is vastgesteld;

b) valse verklaringen heeft afgelegd in de informatie die wordt verlangd als voorwaarde voor deelname aan de procedure of die informatie niet heeft verstrekt;

c) voorheen was betrokken bij het opstellen van aanbestedingsstukken, indien zulks leidt tot vervalsing van de mededinging die niet op een andere wijze kan worden verholpen.

2.  Voordat een besluit tot afwijzing van een ondernemer in een bepaalde aanbestedingsprocedure wordt genomen, stelt de aanbestedende dienst de ondernemer in de gelegenheid opmerkingen te maken, tenzij de afwijzing overeenkomstig lid 1, onder a), gemotiveerd is door een besluit tot uitsluiting ten aanzien van de ondernemer, nadat diens opmerkingen zijn onderzocht.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de maatregelen ter vermijding van vervalsing van de mededinging en inzake de verklaring die en het bewijs dat wordt overgelegd om aan te tonen dat een ondernemer niet in een van de in lid 1 van dit artikel genoemde situaties verkeert.

Artikel 108

Systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting

1.  De binnen het in artikel 105 bis van deze verordening bedoelde systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting uitgewisselde informatie wordt gecentraliseerd in een door de Commissie opgezette databank en wordt beheerd met volledige inachtneming van het recht op privacy en andere rechten waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 45/2001 („de databank”).

De betreffende aanbestedende dienst voert de informatie in het kader van zijn lopende aanbestedingsprocedures en bestaande overeenkomsten in de databank in, na kennisgeving te hebben gedaan aan de betrokken ondernemer. Deze kennisgeving kan uitzonderlijk worden uitgesteld indien er zwaarwegende legitieme redenen zijn om het vertrouwelijke karakter van een onderzoek of van een nationale gerechtelijke procedure te waarborgen, totdat die zwaarwegende legitieme redenen om het vertrouwelijke karakter te waarborgen, vervallen.

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 heeft een ondernemer die onderworpen is aan het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting, het recht over de in de databank bewaarde gegevens te worden geïnformeerd op diens verzoek aan de Commissie.

De in de databank vervatte informatie wordt, waar passend, bijgewerkt na rectificatie, verwijdering of wijziging van gegevens. Ze wordt alleen bekendgemaakt overeenkomstig artikel 106, leden 16 en 17, van deze verordening.

2.  De vroegtijdige opsporing van risico's die de financiële belangen van de Unie in gevaar brengen, als bedoeld in artikel 105 bis, lid 1, onder a), van deze verordening, berust op de doorgifte van informatie aan de Commissie door:

a) OLAF, conform Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 18 ), indien uit een lopend OLAF-onderzoek blijkt dat het ter bescherming van de financiële belangen van de Unie passend zou kunnen zijn voorzorgsmaatregelen te nemen, waarbij terdege wordt gelet op de eerbiediging van procedurele en grondrechten, en op de bescherming van klokkenluiders;

b) een ordonnateur van de Commissie, van een door de Commissie opgericht Europees bureau of van een uitvoerend agentschap, in het geval van een vermoeden van een ernstige beroepsfout, onregelmatigheden, fraude, corruptie of een ernstige schending van een overeenkomst;

c) een instelling, een Europees bureau of een agentschap, andere dan deze bedoeld onder b) van dit lid, of een orgaan, in het geval van een vermoeden van een ernstige beroepsfout, onregelmatigheden, fraude, corruptie of een ernstige schending van een overeenkomst;

d) entiteiten die de begroting overeenkomstig artikel 59 van deze verordening uitvoeren, in het geval van vastgestelde fraude en/of onregelmatigheden, indien vereist overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving;

e) entiteiten die de begroting overeenkomstig artikel 60 van deze verordening uitvoeren, in het geval van vastgestelde fraude en/of onregelmatigheden.

3.  Behalve wanneer informatie overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving moet worden ingediend, omvat de krachtens lid 2 van dit artikel door te geven informatie:

a) de identificatie van de betrokken ondernemer;

b) een overzicht van de opgespoorde risico's of de desbetreffende feiten;

c) informatie die voor de ordonnateur nuttig kan zijn bij het verrichten van de in lid 4 van dit artikel bedoelde verificatie of bij het nemen van een besluit tot uitsluiting als bedoeld in artikel 106, lid 1 of lid 2, of een besluit tot oplegging van een financiële sanctie als bedoeld in artikel 106, lid 13;

d) in voorkomend geval, speciale maatregelen die nodig zijn om het vertrouwelijke karakter van de doorgegeven informatie te waarborgen, met inbegrip van maatregelen voor het vrijwaren van bewijs ter bescherming van het onderzoek of de nationale gerechtelijke procedures.

4.  De Commissie geeft de in lid 3 van dit artikel bedoelde informatie onverwijld door aan haar ordonnateurs en aan die van haar uitvoerende agentschappen, alle andere instellingen, organen en Europese bureaus en agentschappen teneinde deze in staat te stellen de nodige verificatie te verrichten met betrekking tot hun lopende aanbestedingsprocedures en bestaande overeenkomsten.

Bij het verrichten van deze verificatie oefent de ordonnateur zijn bevoegdheden uit als bepaald in artikel 66 en gaat hij niet verder dan hetgeen is bepaald in de voorwaarden van de aanbestedingsstukken en de contractuele bepalingen.

De bewaringstermijn voor de overeenkomstig lid 3 van dit artikel doorgegeven informatie bedraagt ten hoogste één jaar. Indien de aanbestedende dienst tijdens deze termijn de instantie verzoekt een aanbeveling te doen in een geval van uitsluiting, kan de bewaringstermijn worden verlengd totdat de aanbestedende dienst een besluit heeft genomen.

5.  De aanbestedende dienst mag een besluit tot uitsluiting en/of oplegging van een financiële sanctie, en een besluit tot bekendmaking van de desbetreffende informatie alleen nemen na ontvangst van een aanbeveling van de instantie, indien dat besluit gebaseerd is op een voorlopige kwalificatie als bedoeld in artikel 106, lid 2.

6.  De instantie wordt bijeengeroepen op verzoek van een aanbestedende dienst als bedoeld in artikel 117.

7.  De instantie is samengesteld uit:

a) een vaste, onafhankelijke voorzitter op hoog niveau;

b) twee vertegenwoordigers van de Commissie als eigenaar van het systeem, die een gemeenschappelijk standpunt naar voren brengen, en

c) één vertegenwoordiger van de verzoekende aanbestedende dienst.

De samenstelling van de instantie waarborgt de juiste juridische en technische expertise.

De instantie wordt bijgestaan door een vast secretariaat, dat door de Commissie is verstrekt, en dat voor de lopende administratie van de instantie zorgt.

8.  De volgende procedure is voor de instantie van toepassing:

a) de verzoekende aanbestedende dienst legt de zaak voor aan de instantie samen met alle nodige informatie als bedoeld in lid 3 van dit artikel, de feiten en bevindingen als bedoeld in artikel 106, lid 2, en de vermeende uitsluitingssituatie;

b) de instantie stelt de ondernemer onverwijld in kennis van de betrokken feiten en van de voorlopige juridische kwalificatie ervan; deze feiten kunnen worden aangemerkt als een uitsluitingssituatie, vermeld in artikel 106, lid 1, onder c), d), e) en f), en/of kunnen leiden tot het opleggen van een financiële sanctie. Tegelijkertijd doet de instantie dezelfde kennisgeving aan de andere aanbestedende diensten;

c) voordat de instantie een aanbeveling aanneemt, stelt zij de ondernemer en de aangemelde aanbestedende diensten in de gelegenheid opmerkingen te maken. De ondernemer en de aangemelde aanbestedende diensten hebben ten minste 15 dagen de tijd om hun opmerkingen in te dienen;

d) in de in artikel 106, lid 1, onder d) en f), vermelde gevallen kunnen de in punt b) bedoelde kennisgeving en de in punt c) bedoelde mogelijkheid uitzonderlijk worden verschoven naar een later tijdstip, indien er zwaarwegende legitieme redenen zijn om het vertrouwelijke karakter van een onderzoek of van een nationale gerechtelijke procedure te waarborgen, totdat die zwaarwegende legitieme redenen om het vertrouwelijke karakter te handhaven, vervallen;

e) indien het verzoek van de aanbestedende dienst onder meer is gebaseerd op de door OLAF verstrekte informatie, werkt OLAF met de instantie samen conform Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, waarbij terdege wordt gelet op de eerbiediging van procedurele en grondrechten, en op de bescherming van klokkenluiders;

f) de instantie neemt haar aanbeveling aan binnen 45 dagen na ontvangst van het verzoek van de aanbestedende dienst. Indien de instantie de ondernemer om aanvullende informatie verzoekt, wordt die termijn verlengd met ten hoogste 15 dagen. In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen kan de instantie de termijn om haar aanbeveling aan te nemen verder verlengen met ten hoogste een maand. Indien de ondernemer nalaat zijn opmerkingen in te dienen of de gevraagde informatie binnen de gestelde termijn te verstrekken, kan de instantie voortgaan met de aanneming van haar aanbeveling.

9.  De aanbeveling van de instantie inzake uitsluiting en/of oplegging van een financiële sanctie bevat in voorkomend geval de volgende elementen:

a) de in artikel 106, lid 2, bedoelde feiten of bevindingen en de voorlopige juridische kwalificatie ervan;

b) een beoordeling van de noodzaak om een financiële sanctie op te leggen en het bedrag daarvan;

c) een beoordeling van de noodzaak om de betrokken ondernemer uit te sluiten en, in dat geval, de voorgestelde duur van die uitsluiting;

d) een beoordeling van de noodzaak om de informatie betreffende de ondernemer die is uitgesloten en/of aan wie een financiële sanctie is opgelegd, bekend te maken;

e) een beoordeling van de eventuele door de ondernemer genomen corrigerende maatregelen.

Indien de aanbestedende dienst voornemens is een strenger besluit te nemen dan hetwelk was aanbevolen door de instantie, zorgt hij ervoor dat dat besluit wordt genomen met inachtneming van het recht om te worden gehoord en van de voorschriften inzake bescherming van persoonsgegevens.

10.  De instantie herziet haar aanbeveling tijdens de periode van uitsluiting op verzoek van de aanbestedende dienst in de in artikel 106, lid 9, bedoelde gevallen of na de kennisgeving van een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit tot vaststelling van de redenen voor uitsluiting wanneer de duur van de uitsluiting niet is vastgelegd in die rechterlijke beslissing of dat besluit, als bedoeld in artikel 106, lid 2, tweede alinea.

De instantie geeft de verzoekende aanbestedende dienst onverwijld kennis van haar herziene aanbeveling, waarna de aanbestedende dienst zijn besluit herziet.

11.  Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft onbeperkte rechtsmacht om een besluit waarbij de aanbestedende dienst een ondernemer uitsluit en/of hem een financiële sanctie oplegt, te herzien, waarbij het ook de duur van de uitsluiting kan verkorten of verlengen en/of de opgelegde financiële sanctie nietig kan verklaren, verlagen of verhogen.

12.  Alle entiteiten die deelnemen aan de uitvoering van de begroting overeenkomstig artikel 58, krijgen van de Commissie toegang tot de informatie over uitsluitingsbesluiten krachtens artikel 106 teneinde hen in staat te stellen na te gaan of er in het systeem een uitsluiting is opgenomen, zodat zij in voorkomend geval en op eigen verantwoordelijkheid rekening kunnen houden met deze informatie bij het gunnen van overeenkomsten in het kader van de uitvoering van de begroting.

13.  In het kader van het jaarlijkse verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, als bedoeld in artikel 325, lid 5, VWEU, verstrekt de Commissie geaggregeerde informatie over de besluiten die uit hoofde van de artikelen 105 bis tot en met 108 van deze verordening door de aanbestedende diensten zijn genomen. Dat verslag verstrekt ook verdere informatie over besluiten die uit hoofde van artikel 106, lid 7, onder b), van deze verordening en artikel 106, lid 17, van deze verordening, door de aanbestedende diensten zijn genomen en over besluiten van de aanbestedende diensten om af te wijken van de aanbeveling van de instantie uit hoofde van artikel 105 bis, lid 2, derde alinea, van deze verordening.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde informatie wordt verstrekt met inachtneming van vertrouwelijkheidsvereisten en mag het name niet mogelijk maken de betrokken ondernemer te identificeren.

14.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake het systeem van de Unie ter bescherming van de financiële belangen van de Unie, waaronder haar databank en haar gestandaardiseerde procedures, inzake de organisatie en samenstelling van de instantie, inzake de aanwijzing en de onafhankelijkheid van de voorzitter, en inzake de voorkoming en het beheer van belangenconflicten van de voorzitter en de leden van de instantie.

▼M3 —————

▼M3

Artikel 110

Gunning van overeenkomsten

1.  Overeenkomsten worden gegund op basis van gunningscriteria, mits door de aanbestedende dienst is nagegaan of de volgende voorwaarden in acht zijn genomen:

a) de inschrijving voldoet aan de minimumeisen die zijn vastgesteld in de aanbestedingsstukken;

b) de gegadigde of inschrijver is niet uitgesloten op grond van artikel 106 en is evenmin afgewezen op grond van artikel 107, en

c) de gegadigde of inschrijver voldoet aan de selectiecriteria die zijn vastgesteld in de aanbestedingsstukken en heeft geen conflicterende belangen die de uitvoering van de overeenkomst negatief kunnen beïnvloeden.

2.  De aanbestedende dienst past de selectiecriteria toe om de geschiktheid van de gegadigde of de inschrijver te evalueren. De selectiecriteria mogen alleen betrekking hebben op de juridische en regelgevende bevoegdheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen, de economische en financiële draagkracht, en de technische en beroepsbekwaamheid.

3.  De aanbestedende dienst past de gunningscriteria toe om de inschrijving te evalueren.

4.  Voor de gunning van overeenkomsten baseert de aanbestedende dienst zich op de economisch meest voordelige inschrijving, die wordt bepaald volgens één van deze drie gunningsmethoden: laagste prijs, laagste kosten of beste prijs-kwaliteitverhouding.

Voor de methode met betrekking tot de laagste kosten hanteert de aanbestedende dienst een kosteneffectiviteitsbenadering, met inbegrip van levenscycluskostenberekening.

Voor de beste prijs-kwaliteitverhouding houdt de aanbestedende dienst rekening met de prijs of de kosten en andere kwaliteitscriteria in verband met het voorwerp van de overeenkomst.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de nadere bepalingen inzake de selectiecriteria, de gunningscriteria, waaronder kwaliteitscriteria en de economisch meest voordelige inschrijving, alsook de methodes die worden gebruikt om de levenscycluskosten van de aankoop te beoordelen. De Commissie is ook bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de stukken die bewijs leveren van de rechtsbevoegdheid, de economische en financiële draagkracht en die de technische en beroepsbekwaamheid aantonen, alsook met betrekking tot nadere bepalingen inzake elektronische veilingen en abnormaal lage inschrijvingen.

Artikel 111

Indiening, elektronische communicatie en beoordeling

1.  De regels voor de indiening van inschrijvingen waarborgen een werkelijke mededinging, alsmede de vertrouwelijkheid van de inhoud van de inschrijvingen tot de gelijktijdige opening ervan.

2.  De Commissie waarborgt met passende middelen en ter uitvoering van artikel 95 dat inschrijvers de inhoud van hun inschrijving en alle bewijsstukken in elektronisch formaat („e-aanbesteding”) kunnen indienen, uitgezonderd in naar behoren gemotiveerde gevallen die in de overeenkomstig artikel 210 vastgestelde gedelegeerde handelingen worden vermeld. De elektronischecommunicatiesystemen die worden gebruikt ter ondersteuning van communicatie en informatie-uitwisseling, zijn niet-discriminerend en algemeen beschikbaar, alsmede interoperabel met algemeen gebruikte informatie- en communicatietechnologieproducten (ICT-producten), en beperken de toegang van ondernemers tot de aanbestedingsprocedure niet.

De Commissie brengt geregeld verslag uit aan het Europees Parlement en aan de Raad over de voortgang in de tenuitvoerlegging van dit lid.

3.  Indien dit passend en evenredig wordt geacht, kan de aanbestedende dienst, teneinde te waarborgen dat de inschrijvers de door hen ingediende inschrijvingen gestand doen, een voorafgaande garantie verlangen. De vereiste garantie staat in verhouding tot de geraamde waarde van de overeenkomst en wordt op een passend niveau vastgesteld teneinde discriminatie van verschillende ondernemers te voorkomen.

4.  De aanbestedende dienst opent alle verzoeken tot deelname en inschrijvingen. Hij wijst evenwel af:

a) verzoeken tot deelname en inschrijvingen waarbij de uiterste datum voor ontvangst niet in acht is genomen, zonder deze te openen;

b) reeds geopende inschrijvingen, zonder bestudering van de inhoud daarvan.

5.  Alle verzoeken tot deelname of inschrijvingen die niet tijdens de in lid 4 bedoelde openingsfase zijn afgewezen, worden door de aanbestedende dienst beoordeeld op grond van de in de aanbestedingsstukken vastgestelde criteria, teneinde de overeenkomst te gunnen of tot een elektronische veiling over te gaan.

6.  Verzoeken tot deelname en inschrijvingen die niet aan alle minimumvereisten van de aanbestedingsstukken voldoen, worden afgewezen.

Behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen verzoekt de beoordelingscommissie of de aanbestedende dienst de gegadigden of inschrijvers om binnen de door de commissie of de dienst gestelde termijn aanvullend materiaal of ontbrekende stukken over te leggen, teneinde de stukken ter staving dat aan de uitsluitings- en selectiecriteria is voldaan, te verduidelijken of een abnormaal lage inschrijving te verklaren.

7.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de uiterste termijnen voor ontvangst van inschrijvingen en verzoeken tot deelname, toegang tot aanbestedingsstukken, de termijnen voor indiening van aanvullende informatie, de termijnen bij dringende gevallen, alsmede met betrekking tot de communicatiemiddelen voor de indiening van inschrijvingen en elektronische catalogi, nadere bepalingen betreffende de technische en juridische voorschriften voor elektronische uitwisselingssystemen en betreffende de uitzondering op het elektronisch indienen van inschrijvingen in naar behoren gemotiveerde gevallen. Voorts is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de mogelijkheid om een inschrijvingsgarantie te verlangen en de voorwaarden waaronder deze garantie kan worden opgevraagd en vrijgegeven, de opening en beoordeling van inschrijvingen en verzoeken tot deelname, en inzake de oprichting en samenstelling van openings- en beoordelingscomités.

Artikel 112

Contacten tijdens de aanbestedingsprocedure

1.  Zolang de aanbestedingsprocedure loopt, mogen de contacten tussen de aanbestedende dienst en de gegadigden of inschrijvers slechts plaatshebben onder voorwaarden die transparantie, gelijke behandeling en goed bestuur, zoals bedoeld in artikel 96, garanderen. Behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen neemt de aanbestedende dienst nadat de uiterste termijn voor ontvangst van inschrijvingen is verstreken, contact op met de inschrijver teneinde duidelijke administratieve fouten te corrigeren of teneinde bevestiging van een specifiek of technisch element te vragen. Deze contacten en eventuele andere contacten mogen niet leiden tot een wijziging van de aanbestedingsstukken of tot wezenlijke veranderingen in de voorwaarden van de ingediende inschrijving, behalve indien in het kader van een in artikel 104, lid 1, bedoelde procedure uitdrukkelijk in deze mogelijkheid wordt voorzien.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake contacten die tijdens de aanbestedingsprocedure tussen de aanbestedende dienst enerzijds, en gegadigden of inschrijvers anderzijds, toegestaan dan wel noodzakelijk zijn.

Artikel 113

Gunningsbesluit en informatieverstrekking aan gegadigden en inschrijvers

1.  De bevoegde ordonnateur beslist aan wie de overeenkomst wordt gegund, met inachtneming van de selectie- en gunningscriteria die in de aanbestedingsstukken zijn vastgesteld.

2.  De aanbestedende dienst deelt aan elke afgewezen gegadigde of inschrijver de redenen mee waarom zijn verzoek tot deelname of inschrijving is afgewezen evenals de duur van de in artikel 118, lid 2, bedoelde wachttermijn.

Wat betreft de gunning van specifieke overeenkomsten in het kader van een raamovereenkomst met hernieuwde oproep tot mededinging, stelt de aanbestedende dienst de inschrijvers in kennis van het resultaat van de beoordeling.

3.  De aanbestedende dienst stelt op schriftelijk verzoek elke inschrijver die niet in een uitsluitingssituatie verkeert en waarvan de inschrijving conform is met de aanbestedingsstukken, in kennis van:

a) de naam van de inschrijver, of inschrijvers in het geval van een raamovereenkomst, aan wie de overeenkomst wordt gegund en, behalve in het geval van een specifieke overeenkomst in het kader van een raamovereenkomst met hernieuwde oproep tot mededinging, de kenmerken en relatieve voordelen van de geselecteerde inschrijving, de betaalde prijs of de waarde van de overeenkomst, naargelang wat passend is;

b) de voortgang bij de onderhandelingen en de dialoog met de inschrijvers.

De aanbestedende dienst kan echter beslissen bepaalde informatie niet mee te delen indien bekendmaking ervan de rechtshandhaving zou belemmeren, in strijd zou zijn met het openbaar belang, afbreuk zou doen aan rechtmatige commerciële belangen van ondernemers of een eerlijke mededinging tussen hen zou vervalsen.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de voorschriften voor en de inhoud van het beoordelingsverslag en het gunningsbesluit, en inzake de informatieverstrekking aan gegadigden en inschrijvers.

Artikel 114

Annulering van de aanbestedingsprocedure

De aanbestedende dienst kan tot op het ogenblik van de ondertekening van de overeenkomst de aanbestedingsprocedure annuleren, zonder dat de gegadigden of inschrijvers aanspraak kunnen maken op enige schadevergoeding.

Dit besluit wordt gemotiveerd en zo spoedig mogelijk ter kennis van de gegadigden of inschrijvers gebracht.

▼M3

Artikel 114 bis

Uitvoering en wijzigingen van de overeenkomst

1.  Met de uitvoering van de opdracht wordt niet begonnen voordat de overeenkomst is ondertekend.

2.  De aanbestedende dienst mag, zonder nieuwe aanbestedingsprocedure, een overeenkomst of raamovereenkomst slechts wijzigen in de gevallen die zijn vastgesteld in lid 3 en mits de wijziging het voorwerp van de overeenkomst of de raamovereenkomst niet wijzigt.

3.  Een overeenkomst of een specifieke overeenkomst in het kader van een raamovereenkomst kan zonder nieuwe aanbestedingsprocedure worden gewijzigd in de volgende gevallen:

a) voor aanvullende werken, leveringen of diensten door de oorspronkelijke contractant die noodzakelijk zijn geworden en die niet in de oorspronkelijke aanbesteding waren opgenomen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i) een verandering van contractant is niet mogelijk om technische redenen in verband met eisen van uitwisselbaarheid of interoperabiliteit met bestaande uitrusting, diensten of installaties;

ii) een verandering van contractant zou voor de aanbestedende dienst aanzienlijke extra kosten veroorzaken, en

iii) prijsverhogingen, inclusief de netto cumulatieve waarde van achtereenvolgende wijzigingen, bedragen niet meer dan 50 % van de oorspronkelijke waarde van de overeenkomst;

b) indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i) de behoefte aan wijziging is het gevolg van omstandigheden die een zorgvuldig handelende aanbestedende dienst niet kon voorzien, en

ii) prijsverhogingen bedragen niet meer dan 50 % van de oorspronkelijke waarde van de overeenkomst;

c) indien het bedrag dat de wijziging met zich meebrengt, lager is dan de volgende drempelwaarden:

i) de ten tijde van de wijziging toepasselijke drempelwaarden die zijn bedoeld in artikel 118, lid 1, en in de uit hoofde van artikel 190, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handelingen op het gebied van extern optreden, en

ii) 10 % van de oorspronkelijke waarde van de overheidsopdrachten voor diensten en leveringen en van de concessieovereenkomsten voor werken of diensten en 15 % van de oorspronkelijke waarde van de overheidsopdrachten voor werken;

d) indien de minimumvereisten van de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure niet worden gewijzigd. In dat geval voldoet elke navolgende waardewijziging aan de voorwaarden van punt c) van deze alinea, tenzij deze waardewijziging voortvloeit uit een strikte toepassing van de aanbestedingsstukken of de contractuele bepalingen.

De punten a), c) en d) van de eerste alinea van dit lid kunnen ook van toepassing zijn op raamovereenkomsten.

In de oorspronkelijke waarde van de overeenkomst wordt geen rekening gehouden met prijswijzigingen.

De netto cumulatieve waarde van meerdere achtereenvolgende wijzigingen op grond van de eerste alinea, punt c), van dit lid bedraagt niet meer dan de daarin vermelde drempelwaarden.

De aanbestedende dienst past de in artikel 103 vermelde publiciteitsmaatregelen achteraf toe.

▼B



Afdeling 4

Zekerheden en corrigerende maatregelen

▼M3

Artikel 115

Zekerheden

1.  In andere gevallen dan bij overeenkomsten van geringe waarde kan de aanbestedende dienst, indien dit passend en evenredig wordt geacht, per geval en na een risicoanalyse, van contractanten verlangen dat deze een garantie verstrekken teneinde:

a) de aan de voorfinanciering verbonden financiële risico's te beperken;

b) de inachtneming van essentiële contractuele verplichtingen te waarborgen in het geval van werken, leveringen of complexe diensten;

c) tijdens de termijn van contractuele aansprakelijkheid de volledige uitvoering van de overeenkomst te waarborgen.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake het soort garantie dat van contractanten mag worden verlangd, met inbegrip van criteria voor risicoanalyse, en inzake het als percentage van de totale waarde van de overeenkomst uitgedrukte maximumbedrag dat per soort garantie mag worden verlangd.

Artikel 116

Wezenlijke fouten, onregelmatigheden of fraude

1.  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „wezenlijke fout” verstaan elke schending van een contractueel beding door een handelen of nalaten die tot gevolg heeft of zou kunnen hebben de begroting te schaden.

2.  Indien blijkt dat de procedure gepaard is gegaan met wezenlijke fouten, onregelmatigheden of fraude, schorst de aanbestedende dienst de procedure en kan hij alle nodige maatregelen nemen, waaronder de annulering van de procedure.

3.  Indien na de ondertekening van de overeenkomst blijkt dat de procedure of de uitvoering van de overeenkomst gepaard is gegaan met wezenlijke fouten, onregelmatigheden of fraude, kan de aanbestedende dienst de uitvoering van de overeenkomst schorsen of in voorkomend geval de overeenkomst beëindigen.

De uitvoering van overeenkomsten kan ook worden geschorst om te verifiëren of vermoede wezenlijke fouten, onregelmatigheden of fraudegevallen zich werkelijk hebben voorgedaan.

Indien de wezenlijke fouten, onregelmatigheden of fraudegevallen door de contractant zijn begaan, kan de aanbestedende dienst bovendien weigeren te betalen of ten onrechte betaalde bedragen terugvorderen in verhouding tot de ernst van de wezenlijke fouten, onregelmatigheden of fraude.

4.  OLAF oefent de bij Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad ( 19 ) aan de Commissie toegekende bevoegdheid uit om in de lidstaten en, conform de overeenkomsten betreffende samenwerking en wederzijdse bijstand, in derde landen en bij internationale organisaties controles en verificaties ter plaatse te verrichten.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de schorsing van de uitvoering van een overeenkomst in geval van fouten, onregelmatigheden of fraude.

▼B



HOOFDSTUK 2

Bepalingen betreffende de door de instellingen voor eigen rekening geplaatste opdrachten

▼M3

Artikel 117

De aanbestedende dienst

1.  De instellingen in de zin van artikel 2, uitvoerende agentschappen en organen in de zin van de artikelen 208 en 209 worden als aanbestedende diensten beschouwd wanneer zij voor eigen rekening overeenkomsten plaatsen, behalve ingeval zij aankopen doen bij een aankoopcentrale. Ingeval diensten van deze instellingen onderling administratieve akkoorden sluiten, worden zij niet als aanbestedende diensten aangemerkt.

Deze instellingen delegeren overeenkomstig artikel 65 de nodige bevoegdheden voor de uitoefening van de functie van aanbestedende dienst.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de delegatie van de functie van aanbestedende dienst en betreffende aankoopcentrales.

Artikel 118

Toepasselijke drempelwaarden en wachttermijn

1.  Bij de gunning van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten neemt de aanbestedende dienst bij de keuze van een in artikel 104, lid 1, genoemde procedure de in artikel 4, punten a) en b), van Richtlijn 2014/24/EU vastgestelde drempelwaarden in acht. Deze drempelwaarden zijn bepalend voor de publiciteitsmaatregelen die zijn vastgesteld in artikel 103, leden 1 en 2, van deze verordening.

2.  Onder voorbehoud van de uitzonderingen en voorwaarden die zijn vastgesteld in de overeenkomstig deze verordening aangenomen gedelegeerde handelingen, wordt bij overeenkomsten die de in lid 1 bedoelde drempelwaarden overschrijden de overeenkomst of de raamovereenkomst met de geselecteerde inschrijver pas door de aanbestedende dienst ondertekend wanneer een wachttermijn is verstreken.

3.  Bij gebruik van elektronische communicatiemiddelen bedraagt de wachttermijn tien dagen, en vijftien dagen bij gebruik van andere middelen.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake afzonderlijke opdrachten en opdrachten met percelen, de raming van de waarde van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten, en de wachttermijn vóór de ondertekening van de overeenkomst.

Artikel 119

Regels inzake toegang tot aanbestedingen

De deelname aan aanbestedingsprocedures staat onder gelijke voorwaarden open voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen die binnen de werkingssfeer van de Verdragen vallen en voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen, gevestigd in een derde land dat met de Unie een bijzondere overeenkomst op het gebied van aanbestedingen heeft gesloten, zulks onder de voorwaarden van deze overeenkomst. Deelname staat ook open voor internationale organisaties.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake het voor het verkrijgen van toegang tot aanbestedingen te verstrekken bewijsmateriaal.

Artikel 120

Aanbestedingsregels van de Wereldhandelsorganisatie

Indien de in het kader van de Wereldhandelsorganisatie gesloten plurilaterale overeenkomst inzake overheidsopdrachten van toepassing is, staat de aanbestedingsprocedure ook open voor ondernemers, gevestigd in de staten die deze overeenkomst hebben geratificeerd, zulks onder de daarin vastgelegde voorwaarden.

▼B



TITEL VI

SUBSIDIES



HOOFDSTUK 1

Toepassingsgebied en vorm van subsidies

Artikel 121

Toepassingsgebied

1.  Subsidies zijn rechtstreekse financiële bijdragen ten laste van de begroting, bij wijze van schenking verleend voor de financiering van:

a) een actie die beoogt bij te dragen tot de verwezenlijking van een beleidsdoelstelling van de Unie;

b) de werking van een orgaan dat een doelstelling van algemeen Uniebelang of een in het kader en ter ondersteuning van het beleid van de Unie passende doelstelling nastreeft (exploitatiesubsidies).

Subsidies zijn het voorwerp van een schriftelijke overeenkomst of van een besluit van de Commissie waarvan kennisgeving wordt gedaan aan de succesvolle aanvrager.

De Commissie kan veilige en betrouwbare elektronische systemen opzetten voor de informatie-uitwisseling met de begunstigden.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de gedetailleerde omschrijving van het toepassingsgebied van subsidies, en betreffende de regels om te bepalen of subsidieovereenkomsten of subsidiebesluiten moeten worden gebruikt. Voorts is de Commissie bevoegdheid overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake het elektronisch uitwisselingssysteem, met inbegrip van de voorwaarden waaronder via een dergelijk systeem ingediende documenten, inclusief subsidieovereenkomsten, als originelen moeten worden beschouwd en moeten worden beschouwd als ondertekend, en inzake het gebruik van kaderpartnerschapsovereenkomsten.

2.  Geen subsidies in de zin van deze titel zijn:

a) uitgaven voor de leden en het personeel van de instellingen en bijdragen voor de Europese scholen;

b) de in artikel 101 bedoelde overheidsopdrachten, de bij wijze van macrofinanciële bijstand verleende steun en begrotingssteun;

c) financieringsinstrumenten en aandelenbezit in of deelnemingen in het aandelenkapitaal van internationale financiële instellingen, zoals de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) of gespecialiseerde organen van de Unie zoals het Europees Investeringsfonds;

d) bijdragen van de Unie aan organisaties waarvan zij lid is;

e) uitgaven uitgevoerd in gedeeld beheer en indirect beheer in de zin van de artikelen 58, 59 en 60, tenzij anders bepaald in de financiële regels die van toepassing zijn op de begroting van de krachtens artikel 58, lid 1, onder c) belaste entiteiten of personen of in delegatieovereenkomsten.

f) bijdragen die worden betaald aan in artikel 62 bedoelde uitvoerende agentschappen, op grond van de oprichtingsakte van elk van die agentschappen;

g) de in artikel 3, lid 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ( 20 ) bedoelde uitgaven betreffende visserijmarkten;

h) vergoeding van reis- en verblijfkosten van of, in voorkomend geval, alle andere vergoedingen betaald aan personen die door de instellingen zijn uitgenodigd of uitgezonden;

i) prijzen die naar aanleiding van een prijsvraag zijn toegekend, waarop deel 1, titel VII, van toepassing is;

▼M2

j) de in deel 2, titel VIII, bedoelde bijdragen voor Europese politieke partijen.

▼B

3.  Rentesubsidies en subsidies voor garantievergoedingen worden behandeld als subsidies, op voorwaarde dat zij niet in één maatregel worden gecombineerd met financieringsinstrumenten als bedoeld in titel VIII van deel 1.

Op dergelijke rentesubsidies en subsidies voor garantievergoedingen zijn de bepalingen van deze titel van toepassing, met uitzondering van de volgende:

a) het medefinancieringsbeginsel beschreven in artikel 125, lid 3;

b) het winstverbod beschreven in artikel 125, lid 4;

c) met betrekking tot acties die ten doel hebben de financiële slagkracht van de begunstigde te vergroten of een inkomen te genereren, de in artikel 132, lid 1, bedoelde beoordeling van de financiële capaciteit van de aanvrager;

4.  Elke instelling kan subsidies voor communicatieactiviteiten toekennen indien om naar behoren gemotiveerde redenen het gebruik van procedures inzake overheidsopdrachten niet geschikt is.

Artikel 122

Begunstigden

1.  Indien meerdere entiteiten aan de criteria voor toekenning van een subsidie voldoen en zij samen één entiteit vormen, mag deze entiteit als de enige begunstigde worden behandeld, ook wanneer de entiteit speciaal is opgericht met als doel de door de subsidie te financieren actie uit te voeren.

2.  Voor de toepassing van deze titel worden de volgende entiteiten beschouwd als aan de begunstigde verbonden entiteiten:

a) entiteiten die samen overeenkomstig lid 2 de begunstigde vormen;

b) entiteiten die voldoen aan de subsidiabiliteitscriteria en zich niet in een van de in artikel 131, lid 4, vermelde situaties bevinden, en die een band hebben met de begunstigde, met name een juridische of financiële band, welke niet beperkt blijft tot de actie noch slechts is opgericht met als enige doel de uitvoering ervan.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de minimale inhoud van subsidieovereenkomsten of -besluiten, in het bijzonder wanneer een subsidie wordt toegekend aan meerdere entiteiten, betreffende de specifieke verplichtingen van de coördinator, indien van toepassing, en van de andere begunstigden, de toepasselijke regeling met betrekking tot de verantwoordelijkheid en de voorwaarden voor het toevoegen of verwijderen van een begunstigde.

Artikel 123

Vormen van subsidies

1.  Subsidies kunnen de volgende vormen hebben:

a) terugbetaling van een bepaald deel van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten als vermeld in artikel 126;

b) terugbetaling op basis van eenheidskosten;

c) vaste bedragen;

d) forfaitaire financiering;

e) een combinatie van de onder a) tot en met d) genoemde vormen.

2.  Bij de vaststelling van de passende vorm van een subsidie wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de belangen en boekhoudmethoden van de potentiële begunstigden.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende bepalingen inzake de verschillende vormen van subsidies, met inbegrip van subsidies van kleine bedragen.

Artikel 124

Vaste bedragen, eenheidskosten en forfaitaire financiering

1.  Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de basishandeling, is het gebruik van vaste bedragen, eenheidskosten of forfaitaire financiering toegestaan bij besluit van de Commissie dat de eerbiediging waarborgt van het beginsel van gelijke behandeling van begunstigden voor dezelfde categorie acties of werkprogramma's.

Wanneer het maximale bedrag per subsidie niet meer bedraagt dan het bedrag van een subsidie van een klein bedrag, kan de toestemming worden verleend door de bevoegde ordonnateur.

2.  De toestemming wordt ten minste gestaafd door de volgende elementen:

a) motivering met betrekking tot de geschiktheid van dergelijke financieringsvormen ten aanzien van de aard van de gesteunde acties of werkprogramma's en ten aanzien van de mogelijke onregelmatigheden en fraude en van de controlekosten;

b) identificatie van de kosten of categorieën kosten die worden gedekt door vaste bedragen, eenheidskosten of forfaitaire financiering, met uitsluiting van niet-subsidiabele kosten uit hoofde van de toepasselijke bepalingen van de Unie;

c) beschrijving van de methoden ter vaststelling van vaste bedragen, eenheidskosten of forfaitaire financiering, en van de voorwaarden om redelijkerwijs te waarborgen dat het winstverbod en het medefinancieringsbeginsel worden nageleefd en dat dubbele financiering van kosten wordt vermeden. Deze methoden zijn gebaseerd op:

i) statistische gegevens of vergelijkbare objectieve maatstaven; of

ii) een aanpak per begunstigde, met verwijzing naar gecertificeerde of controleerbare gegevens van de begunstigde uit het verleden of naar zijn gebruikelijke kostenberekeningsmethoden.

3.  Wanneer hantering van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde is toegestaan, kan de bevoegde ordonnateur de overeenstemming van deze methoden met de in lid 2 vastgelegde voorwaarden vooraf of via een geschikte strategie voor controles achteraf beoordelen.

Wanneer de overeenstemming van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde met de in lid 2 vastgestelde voorwaarden vooraf is bevestigd, zijn voor de grootte van de vaste bedragen, eenheidskosten of forfaitaire financiering die aan de hand van deze methoden zijn vastgesteld geen controles achteraf meer nodig.

De bevoegde ordonnateur mag ervan uitgaan dat de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde met de in lid 2 bedoelde voorwaarden overeenstemmen als deze door de nationale autoriteiten onder vergelijkbare financieringsstelsels zijn aanvaard.

4.  In het subsidiebesluit of de subsidieovereenkomst kan een forfaitaire financiering worden toegestaan of opgelegd van de indirecte kosten van de begunstigde tot maximaal 7 % van de totale subsidiabele directe kosten van de actie, tenzij de begunstigde een uit de begroting gefinancierde exploitatiesubsidie ontvangt. Het maximum van 7 % mag worden overschreden bij een met redenen omkleed besluit van de Commissie.

5.  KMO-eigenaren en andere natuurlijke personen die geen salaris ontvangen mogen subsidiabele personeelskosten opgeven voor de in het kader van een actie of werkprogramma verrichte werkzaamheden, op basis van bij een besluit van de Commissie bepaalde eenheidskosten.

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake vaste bedragen, eenheidskosten en forfaitaire financiering.



HOOFDSTUK 2

Beginselen

Artikel 125

Algemene beginselen van toepassing op subsidies

1.  Met betrekking tot subsidies gelden het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling.

2.  Onverminderd artikel 130 mogen subsidies niet worden gecumuleerd noch met terugwerkende kracht worden toegekend.

3.  Onverminderd de specifieke regels van deel 2, titel IV, moeten subsidies gepaard gaan met medefinanciering.

▼M2 —————

▼B

4.  Subsidies mogen niet tot doel of tot gevolg hebben dat zij de begunstigde binnen het kader van de actie of het werkprogramma winst opleveren ("winstverbod").

De eerste alinea is niet van toepassing op:

a) acties die beogen de financiële capaciteit van een begunstigde te vergroten of inkomsten voort te brengen, of acties die inkomsten voortbrengen om de actie te laten voortbestaan na de periode van financiering door de Unie die in het subsidiebesluit of in de subsidieovereenkomst is vastgesteld;

b) aan natuurlijke personen toegekende studie-, onderzoeks- of opleidingsbeurzen.

c) andere directe steun die wordt betaald aan natuurlijke personen in grote nood zoals werklozen en vluchtelingen;

d) subsidies op basis van forfaits en/of vaste bedragen en/of eenheidskosten, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 124, lid 2;

e) subsidies van kleine bedragen.

Wanneer winst wordt gemaakt, heeft de Commissie het recht het percentage van de winst terug te vorderen dat overeenkomt met de bijdrage van de Unie in de door de begunstigde werkelijk gemaakte subsidiabele kosten om de actie of het werkprogramma uit te voeren.

5.  Voor de toepassing van deze titel wordt winst gedefinieerd als een overschot van de ontvangsten ten opzichte van de door de begunstigde gemaakte subsidiabele kosten bij de indiening van het laatste betalingsverzoek.

De in de eerste alinea vermelde ontvangsten mogen uitsluitend bestaan uit door de actie of het werkprogramma voortgebrachte inkomsten en de financiële bijdragen van donors die specifiek zijn bestemd voor de financiering van de subsidiabele kosten.

In het geval van een exploitatiesubsidie worden de bedragen die zijn bestemd voor de opbouw van reserves buiten beschouwing gelaten voor de toetsing van het winstverbod.

▼M2

6.  Als een politieke stichting in de zin van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad ( 21 ) aan het eind van een begrotingsjaar waarin zij een exploitatiesubsidie heeft ontvangen, meer inkomsten dan uitgaven heeft, mag, als afwijking van het in lid 4 van dit artikel vervatte winstverbod, een gedeelte van dit overschot dat overeenkomt met maximaal 25 % van de totale inkomsten voor het jaar in kwestie, worden overgedragen naar het volgende jaar, op voorwaarde dat dit geld vóór het einde van het eerste kwartaal van dat volgende jaar wordt opgebruikt.

▼B

7.  Subsidies mogen zonder een oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend aan de EIB of het Europees Investeringsfonds voor acties inzake technische bijstand. In dergelijke gevallen zijn artikel 131, leden 2 tot en met 5 en artikel 132, lid 1 niet van toepassing.

8.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de algemene beginselen van toepassing op subsidies, met inbegrip van het winstverbod en het medefinancieringsbeginsel. Voorts is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de definitie van technische bijstand.

Artikel 126

Subsidiabele kosten

1.  Voor de absolute waarde van subsidies wordt een algemeen maximum in acht genomen, dat wordt vastgesteld op basis van de geraamde subsidiabele kosten.

Subsidies mogen niet meer bedragen dan de subsidiabele kosten.

2.  Subsidiabele kosten zijn de door de begunstigde van een subsidie daadwerkelijk gemaakte kosten die aan alle onderstaande criteria voldoen:

a) zij worden gemaakt tijdens de looptijd van de actie of het werkprogramma, met uitzondering van de kosten die betrekking hebben op de eindverslagen en controlecertificaten;

b) zij zijn aangegeven in de geraamde totale begroting van de actie of het werkprogramma;

c) zij zijn noodzakelijk ter uitvoering van de actie die of het werkprogramma dat het voorwerp is van de subsidie;

d) zij zijn aanwijsbaar en verifieerbaar, zijn met name opgenomen in de boekhouding van de begunstigde en zijn vastgesteld overeenkomstig de boekhoudkundige normen die van toepassing zijn in het land waar de begunstigde is gevestigd en overeenkomstig de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde;

e) zij voldoen aan de bepalingen van de toepasselijke fiscale en sociale wetgeving;

f) zij zijn redelijk en gerechtvaardigd en voldoen aan het beginsel van goed financieel beheer, met name wat zuinigheid en efficiëntie betreft.

3.  In oproepen tot het indienen van voorstellen wordt nader bepaald welke categorieën kosten in aanmerking komen voor financiering door de Unie.

Onverminderd de basishandeling en in aanvulling op lid 2 zijn de volgende categorieën kosten subsidiabel voor zover de bevoegde ordonnateur hen als zodanig heeft aangemerkt in het kader van de oproep tot het indienen van voorstellen:

a) kosten die verband houden met een door de begunstigde gestelde zekerheid voor voorfinancieringen, indien deze zekerheid overeenkomstig artikel 134, lid 1, door de ordonnateur wordt vereist;

b) kosten die verband houden met externe controles wanneer deze controles door de bevoegde ordonnateur vereist worden ter ondersteuning van de betalingsverzoeken;

c) belastingafdrachten over de toegevoegde waarde ("BTW") wanneer deze krachtens de toepasselijke nationale BTW-wetgeving niet invorderbaar zijn en worden betaald door een begunstigde die geen niet-belastingplichtige persoon is zoals gedefinieerd in de eerste alinea van artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde ( 22 );

d) afschrijvingskosten, op voorwaarde dat de begunstigde deze werkelijk heeft gemaakt;

e) salariskosten van personeel van de nationale overheid, voor zover deze verband houden met de kosten van activiteiten die de betrokken overheidsinstantie niet zou ondernemen indien het betrokken project niet zou worden uitgevoerd

4.  Kosten die worden gemaakt door aan een begunstigde gelieerde entiteiten als bedoeld in artikel 122 mogen door de bevoegde ordonnateur als subsidiabel worden aanvaard op grond van de oproep tot het indienen van voorstellen. In een dergelijk geval zijn de volgende voorwaarden cumulatief van toepassing:

a) de desbetreffende entiteiten worden in de subsidieovereenkomst of het subsidiebesluit vermeld;

b) de desbetreffende entiteiten houden zich aan de regels die krachtens de subsidieovereenkomst of het subsidiebesluit op de begunstigde van toepassing zijn en die betrekking hebben op de subsidiabiliteit van de kosten en de rechten van toetsen en audits door de Commissie, OLAF en de Rekenkamer.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere specificaties inzake subsidiabele kosten.

Artikel 127

Medefinanciering in natura

1.  Voor de berekening van de door de subsidie voortgebrachte winst, wordt medefinanciering in de vorm van bijdragen in natura niet in beschouwing genomen.

2.  De bevoegde ordonnateur mag bijdragen in natura als medefinanciering aanvaarden, indien dit noodzakelijk of passend wordt geacht. Wanneer medefinanciering in natura wordt aangeboden ter ondersteuning van subsidies van kleine bedragen en de bevoegde ordonnateur heeft besloten dit te weigeren, dient hij te motiveren waarom dit onnodig of ongepast is.

Dergelijke bijdragen mogen niet hoger zijn dan:

a) hetzij de werkelijk door derden gedragen kosten, naar behoren gestaafd door boekhoudkundige documenten;

b) hetzij, indien dergelijke stukken ontbreken, de kosten die overeenstemmen met de op de desbetreffende markt algemeen aanvaarde kosten.

Bijdragen in natura worden in de begrotingsraming afzonderlijk vermeld om een beeld te geven van de totale middelen die aan de actie zijn toegewezen. Hun eenheidswaarde wordt in de voorlopige begroting beoordeeld en wordt niet onderworpen aan latere wijzigingen.

Bijdragen in natura moeten voldoen aan de nationale bepalingen inzake belastingen en sociale zekerheid.

Artikel 128

Transparantie

1.  Er wordt een subsidieprogramma vastgesteld dat voorafgaand aan de uitvoering ervan wordt bekendgemaakt.

Dat werkprogramma wordt ten uitvoer gelegd door middel van publicatie van oproepen tot het indienen van voorstellen, behalve in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen of indien er gezien de kenmerken van de begunstigde of van de actie, voor een bepaalde actie geen andere keuze is of indien de begunstigde in een basishandeling kenbaar is gemaakt.

Voor hulp in crisissituaties, civielebeschermingsoperaties of humanitaire hulp is de eerste alinea niet van toepassing.

2.  Oproepen tot het indienen van voorstellen preciseren de beoogde datum waarop alle aanvragers op de hoogte dienen te zijn gesteld van de uitkomst van de beoordeling van hun aanvraag evenals de indicatieve datum waarop subsidieovereenkomsten worden ondertekend of subsidiebesluiten bekend worden gemaakt.

Deze data worden vastgesteld op grond van de volgende termijnen:

a) voor wat betreft de inkennisstelling van alle aanvragers betreffende de uitkomst van de beoordeling van hun aanvraag, ten hoogste zes maanden na de definitieve datum voor de indiening van volledige voorstellen;

b) voor wat betreft de ondertekening van subsidieovereenkomsten met hen of de kennisgeving aan hen van de subsidiebesluiten, ten hoogste drie maanden vanaf de datum van de inkennisstelling van aanvragers dat zij succesvol zijn geweest.

Deze termijnen mogen worden aangepast om rekening te houden met de tijd die nodig is om te voldoen aan eventuele door de basishandeling vereiste specifieke procedures overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( 23 ), en zij mogen in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen worden overschreden, in het bijzonder wanneer het complexe acties betreft, er een groot aantal voorstellen is ingediend of er sprake is van aan de aanvragers te wijten vertraging.

De gedelegeerde ordonnateur vermeldt in zijn jaarlijkse activiteitenverslag de gemiddelde termijnen voor de inkennisstelling van aanvragers en de ondertekening van subsidieovereenkomsten of de betekening van subsidiebesluiten. Ingeval de in de tweede alinea vermelde termijnen worden overschreden, geeft de gedelegeerd ordonnateur hiervoor redenen op en stelt hij, indien deze niet naar behoren zijn gemotiveerd overeenkomstig de derde alinea, corrigerende maatregelen voor.

3.  Jaarlijks wordt overeenkomstig artikel 35, leden 2 en 3, een overzicht gepubliceerd van alle in de loop van het begrotingsjaar toegekende subsidies.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de vereisten met betrekking tot het werkprogramma, de inhoud van de oproepen tot het indienen van voorstellen, de uitzonderingen op de oproepen tot het indienen van voorstellen, informatie voor aanvragers en de bekendmaking achteraf.

Artikel 129

Beginsel van niet-cumuleerbaarheid

1.  Voor eenzelfde actie kan slechts één subsidie ten laste van de begroting aan eenzelfde begunstigde worden toegekend, tenzij in de betrokken basishandeling anders is bepaald.

Per begrotingsjaar kan aan een begunstigde slechts één exploitatiesubsidie ten laste van de begroting worden toegekend.

De aanvrager stelt de ordonnateurs onmiddellijk ervan in kennis wanneer voor dezelfde actie of hetzelfde werkprogramma meer dan één aanvraag is gedaan en meer dan één subsidie is toegekend.

Dezelfde kosten worden in geen geval tweemaal uit de begroting gefinancierd.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake het beginsel van niet-cumuleerbaarheid van subsidies.

Artikel 130

Verbod op terugwerkende kracht

1.  Subsidiëring van reeds begonnen acties kan slechts worden toegestaan indien de aanvrager kan aantonen dat het noodzakelijk was met de actie te beginnen vóór de ondertekening van de subsidieovereenkomst of de betekening van het subsidiebesluit.

In dit geval mogen de voor financiering in aanmerking komende kosten evenwel niet vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag zijn gedaan, behalve in naar behoren gemotiveerde, uitzonderlijke gevallen die in de basishandeling worden bepaald of in uiterst dringende spoedgevallen voor hulp in crisissituaties, civielebeschermingsoperaties, humanitaire hulp of in dreigende of onmiddellijke risicosituaties, die dreigen te ontaarden in een gewapend conflict of een land dreigen te destabiliseren en waarin een vroegtijdige betrokkenheid van de Unie van groot belang zou zijn voor het bevorderen van conflictpreventie.

Subsidiëring met terugwerkende kracht van reeds voltooide acties is niet mogelijk.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake het verbod op terugwerkende kracht.

2.  In het geval van exploitatiesubsidies vindt de ondertekening van de subsidieovereenkomst of de betekening van het subsidiebesluit plaats binnen zes maanden na het begin van het boekjaar van de begunstigde. De voor financiering in aanmerking komende uitgaven mogen niet vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag of vóór het begin van het boekjaar van de begunstigde zijn gedaan.



HOOFDSTUK 3

Toekenningsprocedure

Artikel 131

Subsidieaanvragen

1.  Subsidieaanvragen worden schriftelijk ingediend, onder meer, indien mogelijk, in een veilig elektronisch formaat.

Wanneer de Commissie het haalbaar acht, voorziet zij in de mogelijkheid online subsidieaanvragen te doen.

2.  Subsidieaanvragen worden in aanmerking genomen indien zij zijn ingediend door:

a) rechtspersonen; of

b) natuurlijke personen, voor zover de aard of de kenmerken van de actie of het door de aanvrager nagestreefde doel zulks vereisen.

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea kunnen subsidieaanvragen in aanmerking worden genomen die zijn ingediend door entiteiten die naar het toepasselijke nationale recht geen rechtspersoonlijkheid hebben, mits de vertegenwoordigers van die entiteiten bevoegd zijn namens de entiteit juridische verbintenissen aan te gaan en zij wat de bescherming van de financiële belangen van Unie betreft gelijkwaardige garanties bieden als rechtspersonen.

3.  In de aanvraag wordt de juridische status van de aanvrager vermeld en diens financiële en operationele vermogen aangetoond om de voorgestelde actie of het voorgestelde werkprogramma uit te voeren.

Daartoe overlegt de aanvrager een verklaring op erewoord en, tenzij de subsidie een subsidie van een klein bedrag is, alle andere bewijsstukken die de bevoegde ordonnateur op grond van een risicoanalyse verlangt. De vereiste documenten worden in de oproep tot het indienen van voorstellen vermeld.

De verificatie van het financiële vermogen geldt niet voor natuurlijke personen die een beurs ontvangen, natuurlijke personen die het meeste behoefte hebben aan rechtstreekse steun en deze ontvangen, overheidsinstanties of internationale organisaties. De bevoegde ordonnateur mag, afhankelijk van een risicoanalyse, overheidsinstanties of internationale organisaties van de verplichting inzake verificatie van het financiële vermogen vrijstellen.

▼M3

4.  Artikel 105 bis, leden 1 tot en met 4, lid 6 en lid 7, behalve punt b) van de eerste alinea en de tweede alinea van dat lid, alsmede artikel 106, leden 8, 9, 11 en 13 tot en met 17, en artikel 108 zijn van toepassing op subsidieaanvragers en begunstigden. Artikel 107 is van toepassing op aanvragers. Aanvragers verklaren of zij al dan niet in een van de in artikel 106, lid 1, of in artikel 107 bedoelde situaties verkeren en, in voorkomend geval, of zij al dan niet de in artikel 106, lid 7, punt a), bedoelde corrigerende maatregelen hebben getroffen.

De ordonnateur ziet er bij het verrichten van de nodige verificatie met betrekking tot de lopende subsidieprocedures en bestaande overeenkomsten overeenkomstig artikel 108, lid 4, op toe dat de aanvrager of begunstigde in de gelegenheid is gesteld opmerkingen in te dienen alvorens maatregelen vast te stellen die negatieve gevolgen hebben voor de rechten van die aanvrager of begunstigde.

▼M3 —————

▼M3

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de regelingen met betrekking tot subsidieaanvragen, bewijs dat men zich niet in een uitsluitingssituatie bevindt, aanvragers zonder rechtspersoonlijkheid, rechtspersonen die één aanvrager vormen, subsidiabiliteitscriteria en subsidies van kleine bedragen.

▼B

Artikel 132

Selectie- en gunningscriteria

1.  Aan de hand van de vooraf in de oproep tot het indienen van voorstellen bekendgemaakte selectiecriteria wordt beoordeeld of de aanvrager de voorgestelde actie of het voorgestelde werkprogramma tot een goed einde kan brengen.

2.  Aan de hand van de vooraf in de oproep tot het indienen van voorstellen bekendgemaakte toekenningscriteria wordt de kwaliteit van de ingediende voorstellen beoordeeld in het licht van de doelstellingen en prioriteiten.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de selectie- en toekenningscriteria.

Artikel 133

Evaluatieprocedure

1.  De voorstellen worden op basis van de vooraf bekendgemaakte selectie- en toekenningscriteria geëvalueerd om te bepalen welke voorstellen voor financiering in aanmerking komen.

2.  De bevoegde ordonnateur stelt op basis van de in lid 1 bedoelde evaluatie de lijst van de begunstigden en de aangehouden bedragen vast.

3.  De bevoegde ordonnateur brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van het gevolg dat aan zijn aanvraag is gegeven. Indien de gevraagde subsidie niet wordt verleend, deelt de desbetreffende instelling de redenen voor de verwerping van de aanvraag mede, met name in het licht van de selectie- en toekenningscriteria.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de evaluatie en toekenning van subsidies en de verstrekking van informatie aan aanvragers.



HOOFDSTUK 4

Betaling en controle

Artikel 134

Zekerheid voor voorfinancieringen

1.  De bevoegde ordonnateur kan, wanneer zulks per geval en na een risico-analyse passend en evenredig wordt geoordeeld, van de begunstigde een voorafgaande zekerheidstelling verlangen om de aan de voorfinanciering verbonden financiële risico's te beperken.

2.  Niettegenstaande lid 1, wordt bij subsidies van kleine bedragen geen zekerheidstelling verlangd.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de zekerheid voor voorfinancieringen.

Artikel 135

Betaling van subsidies en controles

1.  Het bedrag van de subsidie wordt eerst definitief vastgesteld nadat de bevoegde gedelegeerd ordonnateur de eindverslagen en -rekeningen heeft goedgekeurd, onverminderd latere toetsen door de betrokken instelling, hetgeen tijdig dient te gebeuren.

2.  Wanneer blijkt dat de toekenningsprocedure gepaard is gegaan met wezenlijke fouten, onregelmatigheden, of fraude, schort de bevoegde ordonnateur de procedure op en kan hij alle maatregelen nemen die nodig zijn, waaronder annulering van de procedure. De bevoegde ordonnateur stelt OLAF onmiddellijk in kennis van vermoedelijke fraudegevallen.

3.  Wanneer na de toekenning van de subsidie blijkt dat de toekenningsprocedure of de uitvoering van de subsidie gepaard is gegaan met wezenlijke fouten, onregelmatigheden, fraude, dan wel niet-nagekomen verplichtingen, kan de bevoegde ordonnateur, afhankelijk van het stadium van de procedure en, mits de aanvrager of de begunstigde in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te formuleren:

a) weigeren de subsidieovereenkomst te ondertekenen of het subsidiebesluit te betekenen;

b) de uitvoering van de subsidie opschorten; of

c) indien van toepassing, de subsidieovereenkomst of het subsidiebesluit beëindigen.

4.  Wanneer dergelijke fouten, onregelmatigheden of fraude zijn toe te schrijven aan de begunstigde of wanneer de begunstigde zijn verplichtingen uit hoofde van een subsidieovereenkomst of subsidiebesluit niet nakomt, kan de bevoegde ordonnateur, mits de begunstigde in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te formuleren, bovendien de subsidie verlagen of bedragen terugvorderen die ten onrechte zijn betaald uit hoofde van de subsidieovereenkomst of het subsidiebesluit, in verhouding tot de ernst van de fouten, onregelmatigheden of fraude of van de niet nagekomen verplichtingen.

5.  Wanneer controles of audits stelselmatige of terugkerende fouten, onregelmatigheden of fraude dan wel niet-nagekomen verplichtingen aan het licht brengen die zijn toe te schrijven aan de begunstigde en van grote invloed zijn op een aantal subsidies die deze begunstigde onder soortgelijke voorwaarden zijn toegekend, kan de bevoegde ordonnateur, mits de begunstigde in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te formuleren, de uitvoering van alle desbetreffende subsidies opschorten of, indien van toepassing, de desbetreffende subsidieovereenkomsten of subsidiebesluiten met die begunstigde beëindigen, in verhouding tot de ernst van de fouten, onregelmatigheden of fraude, dan wel niet-nagekomen verplichtingen.

Daarnaast kan de bevoegde ordonnateur, in het kader van een contradictoire procedure, de subsidies verlagen of bedragen terugvorderen die ten onrechte zijn betaald bij alle subsidies die door de in de eerste alinea genoemde stelselmatige of terugkerende fouten, onregelmatighede of, fraude, dan wel niet-nagekomen verplichtingen zijn getroffen en die overeenkomstig de subsidieovereenkomsten of subsidiebesluiten kunnen worden gecontroleerd.

6.  De bevoegde ordonnateur bepaalt de bedragen die in mindering moeten worden gebracht of moeten worden teruggevorderd, voor zover mogelijk en haalbaar, op basis van de ten onrechte als subsidiabel aangemerkte kosten voor elke betrokken subsidie, na aanvaarding van de door de begunstigde ingediende herziene financiële staten.

7.  Wanneer het niet mogelijk en haalbaar is om het bedrag van de subsidiabele kosten nauwkeurig te kwantificeren voor iedere betrokken subsidie, kunnen de in mindering te brengen of terug te vorderen bedragen worden bepaald door het verminderings- of terugvorderingstarief dat wordt toegepast op subsidies waarvoor stelselmatige of terugkerende fouten zijn vastgesteld te extrapoleren, of, indien de subsidiabele kosten niet als basis kunnen dienen voor de bepaling van de in mindering te brengen of terug te vorderen bedragen, door een forfaitaire heffing toe te passen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De begunstigde krijgt de gelegenheid om opmerkingen te formuleren met betrekking tot de toe te passen extrapolatiemethode of forfaitaire heffing en om een terdege gemotiveerde alternatieve methode of heffing voor te stellen alvorens de mindering of terugvordering plaatsvindt.

8.  De Commissie waarborgt gelijke behandeling van de begunstigden van een programma, met name wanneer dit programma wordt uitgevoerd door meerdere bevoegde ordonnateurs.

Begunstigden worden overeenkomstig artikel 97 op de hoogte gesteld van de mogelijkheden beroep aan te tekenen tegen de op grond van de leden 3, 4, 5, 6 en 7 van dit artikel genomen beslissingen.

9.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels voor de betaling van subsidies en controles, met inbegrip van regels inzake bewijsstukken en de opschorting en verlaging van subsidies.

Artikel 136

Termijnen voor het bijhouden van gegevens

1.  Begunstigden moeten gegevens, bewijsstukken, statistische gegevens en andere gegevens met betrekking tot een subsidie gedurende vijf jaar na de betaling van het saldo bijhouden, en gedurende drie jaar in het geval van subsidies van kleine bedragen.

2.  Gegevens met betrekking tot controles, beroepsprocedures, geschillen of de regeling van claims die voortvloeien uit de uitvoering van het project, moeten worden bijgehouden tot deze controles, procesprocedures, geschillen of claims zijn afgehandeld.



HOOFDSTUK 5

Uitvoering

Artikel 137

Uitvoeringsopdrachten en financiële steun aan derden

1.  Wanneer voor de uitvoering van een actie of van een werkprogramma financiële steun aan derden moet worden verleend, mag de begunstigde dergelijke financiële steun verlenen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de bevoegde ordonnateur heeft zich vóór de toekenning van de subsidie ervan vergewist dat de begunstigde voldoende garanties biedt wat betreft het invorderen van bedragen die aan de Commissie verschuldigd zijn;

b) de voorwaarden voor de toekenning van deze steun zijn nauwkeurig in het subsidiebesluit of de subsidieovereenkomst tussen de begunstigde en de Commissie vastgelegd, zodat de begunstigde geen discretionaire bevoegdheid kan uitoefenen;

c) de betrokken bedragen zijn klein, behalve wanneer de financiële steun het primaire doel van de actie is.

2.  In elk subsidiebesluit of elke subsidieovereenkomst wordt uitdrukkelijk bepaald dat de Commissie en de Rekenkamer bevoegd zijn bij alle derde partijen die middelen van de Unie hebben ontvangen, controles op stukken, controles ter plaatse en controles op informatie, inclusief opgeslagen op elektronische media, uit te voeren.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake uitvoeringsopdrachten en financiële steun aan derden.



TITEL VII

PRIJZEN

Artikel 138

Algemene regels

1.  Met betrekking tot prijzen gelden het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, terwijl prijzen de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen van de Unie dienen te bevorderen.

2.  Hiertoe worden prijzen opgenomen in een werkprogramma dat bekend moet worden gemaakt alvorens het wordt uitgevoerd. Het werkprogramma wordt uitgevoerd middels de bekendmaking van wedstrijden.

Wedstrijden voor prijzen met een eenheidswaarde van 1 000 000 EUR of meer mogen uitsluitend bekend worden gemaakt wanneer zij zijn opgenomen in de staten of in een ander relevant document als bedoeld in artikel 38, lid 3, onder e).

▼M3

In het wedstrijdreglement worden minimaal de voorwaarden voor deelneming, met inbegrip van de uitsluitingscriteria, de toekenningscriteria, het prijzengeld en de betalingsregelingen vastgesteld. Artikel 105 bis, leden 1 tot en met 4, lid 6 en lid 7, behalve punt b) van de eerste alinea en de tweede alinea van dat lid, alsmede artikel 106, leden 8, 9, 11 en 13 tot en met 17, en artikel 108 zijn van toepassing op deelnemers en winnaars. Artikel 107 is van toepassing op deelnemers.

▼B

Prijzen mogen niet direct, zonder wedstrijd, worden toegekend en dienen jaarlijks te worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 35, leden 2 en 3.

3.  Wedstrijdinzendingen worden door een panel van deskundigen beoordeeld op basis van het openbare wedstrijdreglement.

Prijzen worden vervolgens toegekend door de bevoegde ordonnateur, op grond van de beoordeling van het deskundigenpanel, dat vrijelijk kan beslissen de toekenning van prijzen al dan niet aan te bevelen, afhankelijk van zijn beoordeling van de kwaliteit van de inzendingen.

4.  Het prijzengeld wordt niet gekoppeld aan de kosten die de winnaar heeft gemaakt.

5.  Wanneer een begunstigde van een subsidie van de Unie ter uitvoering van een actie of een werkprogramma prijzen aan derden moet geven, kan die begunstigde deze prijzen geven, op voorwaarde dat de minimale inhoud van het wedstrijdreglement als vastgelegd in lid 2 nauwkeurig is vastgelegd in het subsidiebesluit of in de subsidieovereenkomst tussen de begunstigde en de Commissie, zonder discretionaire bevoegdheid.

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake prijzen, met inbegrip van de programmering, het wedstrijdreglement, de bekendmaking achteraf, de evaluatie, en de informatieverstrekking aan en inkennisstelling van de winnaar.



TITEL VIII

FINANCIERINGSINSTRUMENTEN

Artikel 139

Toepassingsgebied

1.  Financieringsinstrumenten worden goedgekeurd door middel van een basishandeling.

Onverminderd de eerste alinea mogen financiële instrumenten, in naar behoren gemotiveerde gevallen, worden vastgesteld zonder toelating daarvoor door middel van een basishandeling, op voorwaarde dat dergelijke instrumenten worden opgenomen in de begroting overeenkomstig artikel 49, lid 1, onder e).

2.  Wanneer steun van de Unie wordt verstrekt door middel van financiële instrumenten en wordt gecombineerd in één enkele maatregel met elementen die rechtstreeks verband houden met financieringsinstrumenten gericht op dezelfde eindontvangers, met inbegrip van technische bijstand, rentesubsidies en subsidies voor garantievergoedingen, is deze titel van toepassing op alle elementen van die maatregel.

3.  Wanneer financiële instrumenten worden gecombineerd met uit de begroting gefinancierde subsidies in het kader van titel VI van deel 1 voor elementen die niet rechtstreeks verband houden met financiële instrumenten, worden afzonderlijke gegevens bijgehouden voor iedere financieringsbron.

4.  De Commissie kan financieringsinstrumenten gebruiken in direct beheer of in indirect beheer, als omschreven in de basishandeling, waarbij zij taken toevertrouwt aan entiteiten krachtens artikel 58, lid 1, onder c), punten ii), iii), v) en vi).

Wanneer de krachtens artikel 58, lid 1, onder c), punten ii), iii, v) en vi) belaste entiteiten financieringsinstrumenten ten uitvoer leggen, mogen zij op eigen verantwoordelijkheid een deel van die tenuitvoerlegging op hun beurt toevertrouwen aan financiële intermediairs, op voorwaarde dat door die entiteiten wordt gewaarborgd dat de financiële intermediairs voldoen aan de in artikel 140, leden 1, 3, en 5, vastgelegde criteria. Financiële intermediairs worden geselecteerd op basis van openbare, transparante, evenredige en niet-discriminerende procedures, waarbij belangenconflicten worden vermeden.

De Commissie blijft de verantwoordelijkheid houden om ervoor te zorgen dat het uitvoeringskader voor financieringsinstrumenten voldoet aan het beginsel van goed financieel beheer en bijdraagt aan de verwezenlijking van gedefinieerde en aan een termijn gebonden beleidsdoelstellingen, welke meetbaar zijn voor wat betreft prestaties en resultaten. De Commissie is aansprakelijk voor de uitvoering van de financieringsinstrumenten, onverlet de krachtens de toepasselijke wetgeving geldende wettelijke en contractuele verantwoordelijkheid van de entiteit waaraan het beheer wordt toevertrouwd.

5.  Wanneer financieringsinstrumenten worden uitgevoerd in gedeeld beheer met lidstaten worden de op deze instrumenten toe te passen bepalingen, met inbegrip van regels inzake bijdragen aan financieringsinstrumenten die direct of indirect worden beheerd in overeenstemming met deze titel, vastgelegd in de in artikel 175 genoemde verordeningen.

▼M3

5 bis.  Artikel 105 bis, lid 1, behalve de punten e) en f) van dat lid, artikel 106, leden 2, 3, 4, leden 6 tot en met 9 en leden 13 tot en met 17, alsmede de artikelen 107 en 108 zijn van toepassing op specifieke investeringsinstrumenten of op financiële intermediairs. Eindontvangers verstrekken financieel intermediairs een ondertekende verklaring op erewoord ter bevestiging dat zij zich niet in een van de in artikel 106, lid 1, punten a), b), c) en d), of artikel 107, lid 1, punten b) en c), bedoelde situaties verkeren.

▼B

6.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake financieringsinstrumenten, met inbegrip van de selectie van entiteiten belast met de tenuitvoerlegging van financieringsinstrumenten, de inhoud van delegatieovereenkomsten, beheerskosten en -vergoedingen, de specifieke regels voor trustrekeningen, de directe uitvoering van de financieringsinstrumenten en de selectie van beheerders, financieel intermediairs en de eindontvangers.

Article 140

Op financieringsinstrumenten toepasselijke beginselen en voorwaarden

1.  Financieringsinstrumenten worden aangewend met inachtneming van de beginselen van goed financieel beheer, transparantie, evenredigheid, non-discriminatie, gelijke behandeling en subsidiariteit, en met inachtneming van de doelstellingen ervan en, indien van toepassing, voor de duur die in het op die instrumenten toepasselijke basishandeling is vastgesteld.

2.  Financieringsinstrumenten voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) zij pakken tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties aan die financieel levensvatbaar zijn gebleken, maar waarvoor onvoldoende financiering kan worden aangetrokken vanuit de markt;

b) additionaliteit: met de financieringsinstrumenten wordt niet beoogd financieringsinstrumenten van een lidstaat, particuliere financiering of een andere financiële demarche van de Unie te vervangen;

c) de concurrentie op de interne markt mag niet worden verstoord en samenhang met de regels inzake staatssteun;

d) hefboomeffect: met de bijdrage van de Unie aan een financieringsinstrument wordt beoogd een globale investering te mobiliseren, die de Uniebijdrage overeenkomstig de vooraf bepaalde indicatoren in omvang overtreft;

e) onderlinge afstemming van de belangen: de Commissie zorgt er bij de uitvoering van financieringsinstrumenten voor dat het verwezenlijken van de voor een financieringsinstrument vastgestelde beleidsdoelstellingen een gemeenschappelijk belang dient, hetgeen kan worden bevorderd door bepalingen zoals vereisten inzake mede-investering en risicodeling of financiële stimuli, waarbij een belangenconflict met andere activiteiten van de entiteit waaraan de uitvoering is toevertrouwd, worden voorkomen;

f) financieringsinstrumenten worden vastgesteld op basis van een vooraf uitgevoerde evaluatie, met inbegrip van een evaluatie met betrekking tot het mogelijke hergebruik van aanvullende middelen als bedoeld in lid 8, onder f).

3.  De begrotingsuitgaven voor een financieringsinstrument en de financiële aansprakelijkheid van de Unie overschrijden in geen geval het bedrag van de vastlegging die daarvoor in de begroting is gedaan, ten einde voorwaardelijke verbintenissen voor de begroting van uit te sluiten.

4.  De krachtens artikel 58, lid 1, onder c), punten ii), iii), v) en vi) belaste entiteiten en alle financiële intermediairs die zijn geselecteerd om deel te nemen aan de uitvoering van financiële verrichtingen in het kader van financieringsinstrumenten zijn gehouden tot naleving van de voorschriften en de toepasselijke wetgeving inzake het voorkomen van het witwassen van geld, het bestrijden van terrorisme en het bestrijden van belastingfraude. Voor de tenuitvoerlegging van financieringsinstrumenten in overeenstemming met deze titel, mogen de krachtens artikel 58, lid 1, onder c), punten ii), iii), v) en vi) belaste entiteiten niet gevestigd zijn, noch zakenrelaties onderhouden met entiteiten die gevestigd zijn, in gebieden waarvan het gerecht niet samenwerkt met de Unie wat betreft de toepassing van internationaal aanvaarde belastingregels en zij nemen de bedoelde voorschriften op in hun overeenkomsten met de geselecteerde financiële intermediairs.

5.  De krachtens artikel 58, lid 1, onder c), punten ii), iii), v) en vi) belaste entiteiten, financiële intermediairs in de zin van lid 4 van dit artikel die betrokken zijn bij het beheer van financieringsinstrumenten van de Unie, en eindontvangers van Uniesteun in het kader van deze titel, bieden de Rekenkamer alle faciliteiten en verschaffen haar alle informatie die de Rekenkamer noodzakelijk acht voor de uitvoering van haar taken overeenkomstig artikel 161.

Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) ( 24 ) zijn van toepassing op steun van de Unie uit hoofde van deze titel.

6.  Bedragen die ten minste overeenkomen met de bijdrage van de Unie, of, indien van toepassing, een veelvoud hiervan, worden aangewend voor de verwezenlijking van specifieke beleidsdoelstellingen die worden nagestreefd middels het financieringsinstrument, en mogen geen ongerechtvaardigde voordelen genereren, met name in de vorm van ongerechtvaardigde dividenden of winst voor derden.

Onverminderd de sectorspecifieke voorschriften met betrekking tot gedeeld beheer, moeten ontvangsten, waaronder dividend, vermogenswinst, garantieprovisies en rente op leningen en op bedragen op trustrekeningen die worden terugbetaald aan de Commissie of aan trustrekeningen die zijn geopend voor financiële instrumenten en zijn toe te schrijven aan steun uit de begroting uit hoofde van een financieringsinstrument, in de begroting worden opgevoerd na aftrek van beheerskosten en provisies.

Jaarlijkse terugbetalingen, met inbegrip van terugbetaald kapitaal, vrijgegeven zekerheden en aflossingen van de hoofdsom van de leningen, die worden terugbetaald aan de Commissie of aan de trustrekeningen die zijn geopend voor financiële instrumenten en zijn toe te schrijven aan steun uit de begroting uit hoofde van een financieringsinstrument, vormen overeenkomstig artikel 21 interne bestemmingsontvangsten en worden gebruikt voor het hetzelfde financieringsinstrument, onverminderd lid 9 van dit artikel, gedurende een termijn die niet langer duurt dan de termijn voor de vastlegging van kredieten plus twee jaar, tenzij in een basishandeling anders is bepaald.

7.  Betalingen aan trustrekeningen worden door de Commissie gedaan op basis van betalingsverzoeken die vergezeld gaan van een betalingsraming, rekening houdend met het beschikbare saldo op de trustrekeningen en de noodzaak om buitensporige saldi op dergelijke rekeningen te voorkomen. Ingeval de bedragen op de trustrekeningen toereikend zijn om te voorzien in de in overeenkomsten vastgelegde minimumreserve voor trustrekeningen, als verhoogd door de betalingsraming voor het lopende begrotingsjaar, en om te voorzien in de bedragen die nodig zijn om voorwaardelijke verplichtingen uit te sluiten met betrekking tot betalingsverplichtingen in andere munten dan de euro, worden geen verdere betalingen overgemaakt naar de trustrekeningen. Betalingsramingen worden jaarlijks of zo nodig halfjaarlijks verstrekt.

8.  De Commissie brengt jaarlijks bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de activiteiten met betrekking tot financieringsinstrumenten. Het verslag bevat, voor ieder ondersteund financieringsinstrument:

a) een identificatie van het financieringsinstrument en de basishandeling;

b) een beschrijving van het financieringsinstrument, de uitvoeringsregelingen en de meerwaarde van de bijdrage van de Unie;

c) de financiële instellingen die zijn betrokken bij de uitvoering, met inbegrip van eventuele kwesties die verband houden met de toepassing van lid 5;

d) de samengevoegde vastleggingen in de begroting en betalingen uit de begroting voor ieder financieringsinstrument;

e) de prestaties van het financieringsinstrument, met inbegrip van de verwezenlijkte investeringen;

f) een evaluatie van het gebruik van bedragen die op grond van lid 6 als interne bestemmingsontvangst aan het financieringsinstrument zijn geretourneerd;

g) het saldo op de trustrekening;

h) ontvangsten en terugbetalingen overeenkomstig lid 6;

i) de waarde van beleggingen in aandelen, met betrekking tot voorgaande jaren;

j) de geaccumuleerde cijfers betreffende de waardevermindering van activa van aandelen of risicodelingsinstrumenten en betreffende beroepen op garanties voor garantie-instrumenten;

k) het beoogde hefboomeffect en het bereikte hefboomeffect;

l) de bijdrage van het financieringsinstrument aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het desbetreffende programma zoals gemeten op basis van de vastgestelde indicatoren, met inbegrip van, in voorkomend geval, de geografische diversificatie.

9.  Wanneer het Europees Parlement of de Raad van mening is dat een financieel instrument zijn doelstellingen niet doeltreffend heeft verwezenlijkt, kunnen zij de Commissie vragen een voorstel voor een herziene basishandeling in te dienen, met als doel het instrument te liquideren. In geval van liquidatie van het financieel instrument worden eventuele nieuwe terugbetalingen van dat instrument overeenkomstig de derde alinea van lid 6 beschouwd als algemene ontvangsten.

10.  Het doel van de financieringsinstrumenten en, indien van toepassing, de specifieke rechtsvorm en wettelijke plaats van registratie ervan, worden gepubliceerd op de website van de Commissie.

11.  Met betrekking tot financieringsinstrumenten zorgt de bevoegde ordonnateur ervoor dat de krachtens artikel 58, lid 1, onder c), punten ii), iii), v) en vi), belaste entiteiten vóór 15 februari van het volgende jaar de financiële staten verstrekken voor de periode van 1 januari tot en met 31 december en in overeenstemming met de in artikel 143 bedoelde boekhoudkundige regels van de Unie en met de internationale boekhoudnormen voor de overheidssector (IPSAS - International Public Sector Accounting Standards), alsmede alle informatie verstrekken die nodig is om financiële staten op te stellen overeenkomstig artikel 68, lid 3. De bevoegde ordonnateur zorgt er tevens voor dat deze entiteiten vóór 15 mei van het volgende jaar gecontroleerde financiële staten voor financieringsinstrumenten overleggen.

12.  De Commissie draagt zorg voor een geharmoniseerd beheer van financieringsinstrumenten, met name op het gebied van boekhouding, verslaglegging, toezicht en financieel risicobeheer.

13.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de tenuitvoerlegging van financieringsinstrumenten, met inbegrip van de gebruiksvoorwaarden ervan, het hefboomeffect, de vooraf uitgevoerde evaluatie, het toezicht en de behandeling van bijdragen uit de in artikel 175 bedoelde fondsen.



TITEL IX

REKENING EN VERANTWOORDING EN BOEKHOUDING



HOOFDSTUK 1

Rekening en verantwoording

Artikel 141

Structuur van de rekeningen

De rekeningen omvatten:

a) de geconsolideerde financiële staten, zijnde de consolidatie van de financiële gegevens vervat in de financiële staten van de instellingen die uit de begroting worden gefinancierd, de financiële staten van de in artikel 208 bedoelde organen en de financiële staten van de andere organen waarvan de rekeningen overeenkomstig de in artikel 143 bedoelde boekhoudregels moeten worden geconsolideerd;

b) de geaggregeerde begrotingsboekhouding, waarin de gegevens worden weergegeven die zijn vervat in de begrotingsrekeningen van de instellingen.

Artikel 142

Verslag over het begrotings- en financieel beheer

1.  Elk van de in artikel 141 bedoelde instellingen en organen stelt een verslag over het begrotings- en financieel beheer van het begrotingsjaar op.

Dit verslag wordt uiterlijk op 31 maart van het jaar volgende op het begrotingsjaar aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer toegezonden.

2.  Het in lid 1 bedoelde verslag bevat zowel in absolute cijfers als in percentages minstens informatie over het kredietbestedingspercentage en beknopte informatie over kredietoverschrijvingen tussen begrotingsonderdelen.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake het verslag over het begrotings- en financieel beheer.

Artikel 143

Regels betreffende de rekeningen

1.  De rekenplichtige van de Commissie stelt regels vast op basis van de internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de overheidssector. De rekenplichtige kan van deze normen afwijken indien hij zulks nodig acht om een juist en getrouw beeld te kunnen geven van de activa en passiva, de lasten en baten en de kasstromen. Wanneer een boekhoudregel substantieel van die normen afwijkt, wordt dit in de opmerkingen bij de financiële staten gemeld en gemotiveerd.

2.  De in artikel 141 bedoelde begrotingsrekeningen zijn in overeenstemming met de begrotingsbeginselen van deze verordening. Zij geven een juist en getrouw beeld van de begrotingsontvangsten en -uitgaven.

Artikel 144

Boekhoudbeginselen

1.  De in artikel 141 bedoelde financiële staten verschaffen informatie, onder andere informatie over het gevoerde boekhoudbeleid, die relevant, betrouwbaar, vergelijkbaar en begrijpelijk is. De financiële staten worden opgemaakt volgens algemeen erkende boekhoudbeginselen die in de in artikel 143 bedoelde boekhoudregels zijn neergelegd.

2.  De Commissie is bevoegd om het kader vast te stellen voor de tenuitvoerlegging door de rekenplichtige van diens taken overeenkomstig dit artikel en de artikelen 145, 146, 148, 151, 154, 156 en 157.

Artikel 145

Financiële staten

1.  De financiële staten zijn uitgedrukt in miljoen euro en omvatten:

a) de balans en de staat van de financiële resultaten, die de volledige vermogenssituatie en de financiële situatie, alsook het economisch resultaat op 31 december van het voorgaande begrotingsjaar weergeven. Zij worden ingericht volgens de in artikel 143 bedoelde boekhoudregels;

b) de kasstaat, die de inningen en uitbetalingen van het begrotingsjaar, alsook de afsluitende kaspositie weergeeft;

c) de staat van de veranderingen van de netto-activa, die een overzicht geeft van de gedurende het jaar opgetreden mutaties van de reserves en van de gecumuleerde resultaten.

2.  De opmerkingen bij de financiële staten vullen de in de in lid 1 bedoelde staten opgenomen informatie aan, lichten deze toe, en verstrekken alle door de internationaal aanvaarde boekhoudpraktijk voorgeschreven aanvullende inlichtingen wanneer die relevant zijn voor de activiteiten van de Unie.

Artikel 146

Verslagen over de uitvoering van de begroting

1.  De verslagen over de uitvoering van de begroting worden opgesteld in miljoen euro. Zij omvatten:

a) verslagen die een samenvatting zijn van de begrotingsverrichtingen van het begrotingsjaar aan de ontvangsten- en de uitgavenzijde;

b) verklarende opmerkingen, die de in het verslag gegeven informatie aanvullen en toelichten.

2.  De verslagen over de uitvoering van de begroting worden opgesteld volgens dezelfde structuur als voor de begroting zelf.

Artikel 147

Voorlopige rekeningen

1.  De rekenplichtigen van de andere instellingen en van de in artikel 141 bedoelde organen zenden uiterlijk op 1 maart van het begrotingsjaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar hun voorlopige rekeningen toe aan de rekenplichtige van de Commissie en aan de Rekenkamer.

2.  De rekenplichtigen van de andere instellingen en van de in artikel 141 bedoelde organen zenden uiterlijk op 1 maart van het begrotingsjaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar een financieel informatiepakket aan de rekenplichtige van de Commissie toe, in een standaardformaat dat met het oog op consolidatie door de rekenplichtige van de Commissie wordt vastgesteld.

3.  De rekenplichtige van de Commissie consolideert die voorlopige rekeningen met de voorlopige rekeningen van de Commissie en zendt de Rekenkamer uiterlijk op 31 maart van het begrotingsjaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar de voorlopige rekeningen van de Commissie en de geconsolideerde voorlopige rekeningen van de Unie toe.

Artikel 148

Goedkeuring van de definitieve geconsolideerde rekeningen

1.  Uiterlijk op 1 juni maakt de Rekenkamer haar opmerkingen over de voorlopige rekeningen van de andere instellingen dan de Commissie en van elk in artikel 141 bedoeld orgaan, en uiterlijk op 15 juni haar opmerkingen over de voorlopige rekeningen van de Commissie en de geconsolideerde voorlopige rekeningen van de Unie bekend.

2.  De andere instellingen dan de Commissie en elk van de in artikel 141 bedoelde organen stellen hun definitieve rekeningen op en zenden deze uiterlijk op 1 juli aan de rekenplichtige van de Commissie, aan de Rekenkamer, het Europees Parlement en de Raad toe met het oog op de opstelling van de definitieve geconsolideerde rekeningen.

De rekenplichtigen van de andere instellingen en van de in artikel 141 bedoelde organen zenden uiterlijk op 1 juli een financieel informatiepakket aan de rekenplichtige van de Commissie toe, in een standaardformaat dat met het oog op consolidatie door de rekenplichtige van de Commissie wordt vastgesteld.

3.  De rekenplichtige van elk van de instellingen en elk van de in artikel 141 bedoelde organen zendt dezelfde dag als die waarop hij de definitieve rekeningen verzendt een begeleidende brief ("representation letter") betreffende die definitieve rekeningen aan de Rekenkamer toe, met kopie aan de rekenplichtige van de Commissie.

De definitieve rekeningen gaan vergezeld van een nota van de rekenplichtige waarin deze verklaart dat de definitieve rekeningen zijn opgesteld overeenkomstig deze titel en de toepasselijke boekhoudbeginselen, -regels en -methoden.

4.  De rekenplichtige van de Commissie stelt op grond van de inlichtingen die de andere instellingen dan de Commissie en de in artikel 141 bedoelde organen overeenkomstig lid 2 van dit artikel hebben verstrekt, de definitieve geconsolideerde rekeningen op. De definitieve geconsolideerde rekeningen gaan vergezeld van een nota van de rekenplichtige van de Commissie waarin deze verklaart dat de definitieve geconsolideerde rekeningen zijn opgesteld overeenkomstig deze titel en de in de opmerkingen bij de financiële staten beschreven boekhoudbeginselen, -regels en methoden.

5.  De Commissie keurt de definitieve geconsolideerde rekeningen en haar eigen definitieve rekeningen goed en zendt deze uiterlijk op 31 juli toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.

Dezelfde dag zendt de rekenplichtige van de Commissie een begeleidende brief ("representation letter") betreffende die definitieve geconsolideerde rekeningen aan de Rekenkamer toe.

6.  De definitieve geconsolideerde rekeningen worden voor 15 november in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt, vergezeld van de betrouwbaarheidsverklaring die door de Rekenkamer wordt verstrekt overeenkomstig artikel 287 VWEU en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag.



HOOFDSTUK 2

Informatie over de uitvoering van de begroting

Artikel 149

Verslag over de begrotingsgaranties en risico's

Naast de in de artikelen 145 en 146 bedoelde staten en verslagen brengt de Commissie eenmaal per jaar aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de situatie in verband met de in artikel 49, lid 1, onder d), bedoelde begrotingsgaranties en de desbetreffende risico's.

Die gegevens worden tegelijk aan de Rekenkamer toegezonden.

Artikel 150

Informatie over de uitvoering van de begroting

1.  Naast de in de artikelen 145 en 146 bedoelde staten en verslagen zendt de rekenplichtige van de Commissie het Europees Parlement en de Raad eenmaal per maand, zowel voor de ontvangsten als voor de uitgaven betreffende alle kredieten, minstens per hoofdstuk samengevoegde kwantitatieve gegevens over de uitvoering van de begroting toe.

Die gegevens omvatten ook gegevens over het gebruik van de overgedragen kredieten.

De kwantitatieve gegevens worden binnen tien werkdagen na het einde van elke maand toegezonden.

2.  De rekenplichtige van de Commissie zendt driemaal per jaar, binnen dertig werkdagen na 31 mei, 31 augustus en 31 december, het Europees Parlement en de Raad een verslag over de uitvoering van de begroting toe, dat zowel betrekking heeft op de ontvangsten als op de uitgaven, die naar hoofdstuk, artikel en post worden gespecificeerd.

Die verslagen bevatten ook gegevens over de besteding van de uit voorgaande begrotingsjaren overgedragen kredieten.

3.  De kwantitatieve gegevens en het verslag over de uitvoering van de begroting worden tegelijk aan de Rekenkamer toegezonden en op de website van de Commissie bekend gemaakt.

4.  Uiterlijk op 15 december van elk jaar zendt de rekenplichtige van de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag toe met informatie over vastgestelde actuele risico's, waargenomen algemene trends, nieuwe boekhoudkundige vraagstukken, voortgang inzake boekhoudkwesties, met inbegrip van de door de Rekenkamer naar voren gebrachte punten, alsmede informatie over terugvorderingen.



HOOFDSTUK 3

Boekhouding



Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 151

Het boekhoudsysteem

1.  De boekhouding van een instelling is een systeem van ordening van budgettaire en financiële informatie om kwantitatieve gegevens te boeken, in te delen en te registreren.

2.  Het boekhoudsysteem bestaat uit een algemene boekhouding en een begrotingsboekhouding. De boekhoudingen worden per kalenderjaar en in euro gevoerd.

3.  De gedelegeerd ordonnateur kan tevens een analytische boekhouding voeren.

Artikel 152

Gemeenschappelijke eisen betreffende het boekhoudsysteem van de instellingen

De rekenplichtige van de Commissie stelt overeenkomstig artikel 143 na raadpleging van de rekenplichtigen van de andere instellingen en de in artikel 141 bedoelde organen de boekhoudregels en het geharmoniseerde rekeningstelsel vast die door alle instellingen, de in titel V van deel twee bedoelde bureaus en alle in artikel 141 bedoelde organen moeten worden toegepast.



Afdeling 2

Algemene boekhouding

Artikel 153

De algemene boekhouding

De algemene boekhouding volgt op chronologische wijze, volgens de methode van dubbel boekhouden, alle gebeurtenissen en verrichtingen die van invloed zijn op de economische, financiële en vermogenssituatie van de instellingen en van de in artikel 141 bedoelde organen.

Artikel 154

Boekingen in de algemene boekhouding

1.  De saldi en de mutaties op de rekeningen worden in de boekhouding geregistreerd.

2.  Iedere boeking, inclusief de boekhoudkundige correcties, wordt gestaafd met bewijsstukken waarnaar zij verwijst.

3.  Het boekhoudsysteem maakt het mogelijk van alle gecontroleerde boekingen een duidelijk auditspoor terug te vinden.

Artikel 155

Boekhoudkundige correcties

De rekenplichtige brengt tussen de afsluiting van het begrotingsjaar en de dag van rekening en verantwoording de correcties aan die, zonder tot een betaling of inning voor het begrotingsjaar te leiden, nodig zijn voor een regelmatige, getrouwe en juiste weergave van deze rekeningen. Deze correcties sluiten aan bij de in artikel 143 bedoelde boekhoudregels.



Afdeling 3

Begrotingsboekhouding

Artikel 156

De begrotingsboekhouding

1.  De begrotingsboekhouding maakt het mogelijk de uitvoering van de begroting in detail te volgen.

2.  Voor de toepassing van lid 1 worden in de begrotingsboekhouding alle handelingen tot uitvoering van de begroting aan de ontvangsten- en de uitgavenzijde, als bedoeld in deel 1, titel IV, geregistreerd.



HOOFDSTUK 4

Inventaris van de vaste activa

Artikel 157

De inventaris

1.  Iedere instelling en elk in artikel 141 bedoeld orgaan houdt van alle materiële, immateriële en financiële vaste activa die tot het vermogen van de Unie behoren, naar aantal en waarde gespecificeerde inventarislijsten bij volgens het door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde model.

Iedere instelling en elk in artikel 141 bedoeld orgaan controleert of de stand op de inventarislijsten overeenstemt met de werkelijkheid.

2.  Verkoop van materiële activa van de Unie wordt op een daartoe geëigende wijze bekendgemaakt.



TITEL X

EXTERNE CONTROLE EN KWIJTING



HOOFDSTUK 1

Externe controle

Artikel 158

Externe controle door de Rekenkamer

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie stellen de Rekenkamer zo spoedig mogelijk in kennis van alle beslissingen en besluiten die zij ter uitvoering van de artikelen 13, 16, 21, 25, 26, 29 en 40 hebben genomen.

Artikel 159

Regels en procedure voor de controle

1.  De controle door de Rekenkamer van de wettigheid en de regelmatigheid van de uitgaven en ontvangsten vindt plaats in het licht van de Verdragen, de begroting, deze verordening, de gedelegeerde handelingen die volgens deze verordening zijn vastgesteld, en alle ter uitvoering van de Verdragen genomen besluiten.

2.  Bij de vervulling van haar taak kan de Rekenkamer onder de in artikel 161 vastgestelde voorwaarden kennis nemen van alle documenten en inlichtingen betreffende het financieel beheer van de diensten en organen betreffende alle door de Unie gefinancierde of medegefinancierde maatregelen. Zij is bevoegd ieder personeelslid dat verantwoordelijkheid draagt voor uitgaven- of ontvangstenverrichtingen te horen en alle controlemogelijkheden te benutten die de bedoelde diensten en organen zijn toegekend. De controle in de lidstaten geschiedt in overleg met de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instellingen van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid.

Teneinde alle gegevens te verzamelen die nodig zijn voor de vervulling van de taak die haar bij de Verdragen of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten is opgedragen, kan de Rekenkamer op haar verzoek aanwezig zijn bij de controleverrichtingen die in het kader van de uitvoering van de begroting door of voor rekening van een instelling worden uitgevoerd.

Op verzoek van de Rekenkamer geeft elke instelling de financiële instellingen die houder zijn van tegoeden van de Unie toestemming om de Rekenkamer in staat te stellen na te gaan of de externe gegevens overeenstemmen met de boekhoudkundige situatie.

3.  Ter vervulling van haar taak deelt de Rekenkamer aan de instellingen en autoriteiten waarop deze verordening van toepassing is, de namen mede van de personeelsleden die bevoegd zijn bij hen controles te verrichten.

Artikel 160

Toetsen betreffende waardepapieren en kasmiddelen

De Rekenkamer ziet erop toe dat alle waardepapieren en middelen welke gedeponeerd zijn of zich in kas bevinden, worden gecontroleerd aan de hand van verklaringen, ondertekend door de depothouders, of van processen-verbaal van de stand van de kas en de portefeuille. Zij kan deze toets zelf verrichten.

Artikel 161

Recht van toegang van de Rekenkamer

1.  De Commissie, de andere instellingen, de organen die ontvangsten of uitgaven namens de Unie beheren en de ontvangers verlenen de Rekenkamer alle faciliteiten en verstrekken haar alle inlichtingen welke zij bij de vervulling van haar taak nodig meent te hebben. Zij houden ter beschikking van de Rekenkamer alle bescheiden inzake plaatsing en uitvoering van overheidsopdrachten die uit de begroting worden gefinancierd, en alle geld- en goederenrekeningen, alle boekingsbescheiden en bewijsstukken, alsmede de daarop betrekking hebbende administratieve documenten, alle documentatie betreffende de ontvangsten en uitgaven van de Unie, alle inventarislijsten en alle organigrammen welke de Rekenkamer voor de controle, aan de hand van stukken of ter plaatse, van het verslag over het resultaat van de begrotingsuitvoering nodig meent te hebben en, voor hetzelfde doel, alle elektronisch opgestelde of bewaarde documenten en gegevens.

De interne controlediensten en andere eenheden van de betrokken nationale administraties verstrekken de Rekenkamer alle faciliteiten welke zij voor de vervulling van haar taak nodig meent te hebben.

2.  De aan de controle van de Rekenkamer onderworpen personeelsleden zijn gehouden:

a) hun kas te openen, en hun gelden, waardepapieren en andere goederen te tonen, alsmede de bewijsstukken van hun beheer die zij onder zich hebben, alsook elk boek, register of ander document dat daarop betrekking heeft;

b) inzage te geven in de correspondentie en ieder ander document dat noodzakelijk is voor de volledige uitvoering van de in artikel 159, lid 1, bedoelde controle.

Om mededeling van de in de eerste alinea, onder b), bedoelde inlichtingen kan slechts door de Rekenkamer worden verzocht.

3.  De Rekenkamer is bevoegd de documenten betreffende de uitgaven en ontvangsten van de Unie te verifiëren die berusten bij de diensten van de instellingen, met name bij de diensten die verantwoordelijk zijn voor de beslissingen omtrent deze uitgaven en ontvangsten, bij de organen die uitgaven en ontvangsten namens de Unie beheren en bij de natuurlijke personen aan wie of de rechtspersonen waaraan de overmakingen uit de begroting ten goede komen.

4.  De controle van de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en de controle van het goed financieel beheer strekken zich uit tot het gebruik van als bijdragen ontvangen middelen van de Unie door niet onder de instellingen ressorterende organen.

5.  Financieringen van de Unie waarvan de ontvangers niet onder de instellingen ressorteren, worden slechts toegekend na schriftelijke instemming door deze ontvangers of, wanneer deze niet instemmen, de contractanten en subcontractanten, met de controle door de Rekenkamer van het gebruik van de toegekende middelen.

6.  De Commissie verstrekt de Rekenkamer op verzoek alle inlichtingen over de opgenomen en verstrekte leningen.

7.  Het gebruik van geïntegreerde computersystemen heeft niet tot gevolg dat de toegang van de Rekenkamer tot de bewijsstukken wordt beperkt.

Artikel 162

Jaarverslag van de Rekenkamer

1.  De Rekenkamer doet uiterlijk op 30 juni aan de Commissie en de betrokken instellingen de opmerkingen toekomen die naar haar mening in het jaarverslag dienen te worden opgenomen. Die opmerkingen zijn vertrouwelijk en het voorwerp van een contradictoire procedure. Alle instellingen zenden hun antwoorden uiterlijk op 15 oktober toe aan de Rekenkamer. Tegelijkertijd zenden de andere instellingen hun antwoord aan de Commissie.

2.  Het jaarverslag bevat een beoordeling van het financiële beheer.

3.  Het jaarverslag omvat evenveel afdelingen als er instellingen zijn. De Rekenkamer kan elke door haar dienstig geachte samenvatting of opmerking van algemene aard toevoegen.

De Rekenkamer neemt de nodige maatregelen opdat de antwoorden van de instellingen op haar opmerkingen naast of na de opmerking waarop zij betrekking hebben, worden gepubliceerd.

4.  De Rekenkamer zendt haar jaarverslag met de antwoorden van de instellingen uiterlijk op 15 november toe aan de autoriteiten die kwijting verlenen en aan de andere instellingen, en draagt zorg voor de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.  Zodra de Rekenkamer haar jaarverslag heeft toegezonden, doet de Commissie de betrokken lidstaten onmiddellijk de passages van het verslag toekomen betreffende het beheer van de middelen waarvoor zij op grond van de toepasselijke regelgeving een bevoegdheid uitoefenen.

Na ontvangst daarvan antwoorden de lidstaten binnen 60 dagen aan de Commissie. De Commissie doet uiterlijk op 28 februari een samenvatting van deze informatie toekomen aan de Rekenkamer, het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 163

Speciale verslagen van de Rekenkamer

▼M3

1.  De Rekenkamer deelt aan de betrokken instelling of het betrokken orgaan alle opmerkingen mede die naar haar mening in een speciaal verslag dienen te worden opgenomen. Die opmerkingen zijn vertrouwelijk en het voorwerp van een contradictoire procedure.

De betrokken instelling of het betrokken orgaan stelt de Rekenkamer in het algemeen binnen zes weken na toezending van deze opmerkingen in kennis van haar eventuele antwoorden op deze opmerkingen. Deze termijn wordt in naar behoren gemotiveerde gevallen geschorst, in het bijzonder ingeval het de betrokken instelling of het betrokken orgaan tijdens de contradictoire procedure nodig blijkt om ten behoeve van de afronding van haar of zijn antwoord inlichtingen in te winnen bij lidstaten.

In de antwoorden van de betrokken instelling of het betrokken orgaan wordt rechtstreeks en uitsluitend ingegaan op de opmerkingen van de Rekenkamer.

De Rekenkamer zorgt ervoor dat speciale verslagen opgesteld en vastgesteld worden binnen een passende termijn die, in het algemeen, niet langer duurt dan dertien maanden.

De speciale verslagen worden samen met de antwoorden van de betrokken instellingen of organen onverwijld ter kennis gebracht van het Europees Parlement en van de Raad, die elk, eventueel samen met de Commissie, bepalen welk gevolg eraan moet worden gegeven.

De Rekenkamer neemt de nodige maatregelen opdat de antwoorden van de betrokken instellingen en organen op haar opmerkingen, alsmede het tijdschema voor het opstellen van het speciaal verslag, samen met het speciaal verslag worden gepubliceerd.

▼B

2.  De in artikel 287, lid 4, tweede alinea, VWEU bedoelde adviezen kunnen door de Rekenkamer in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt, voor zover zij geen betrekking hebben op voorstellen of ontwerpen in het kader van de wetgevingsprocedure. De Rekenkamer besluit tot publicatie na raadpleging van de instelling die het advies heeft gevraagd of waarop het advies betrekking heeft. De bekendgemaakte adviezen gaan vergezeld van de eventuele opmerkingen van de betrokken instellingen.



HOOFDSTUK 2

Kwijting

Artikel 164

Tijdschema voor de kwijtingsprocedure

1.  Vóór 15 mei van het jaar n + 2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar n.

2.  Indien de in lid 1 bedoelde datum niet in acht kan worden genomen, deelt het Europees Parlement of de Raad de Commissie de redenen mede waarom het besluit moest worden uitgesteld.

3.  Ingeval het Europees Parlement het besluit waarbij kwijting wordt verleend uitstelt, tracht de Commissie zo spoedig mogelijk maatregelen te treffen om de factoren die dat besluit in de weg staan, op te heffen.

Artikel 165

De kwijtingsprocedure

1.  Het kwijtingsbesluit betreft de rekeningen van alle uitgaven en ontvangsten van de Unie, alsmede het saldo dat daaruit resulteert, en de in de financiële balans beschreven activa en passiva van de Unie.

2.  Met het oog op het verlenen van kwijting onderzoekt het Europees Parlement na de Raad de rekeningen, de financiële balans en het in artikel 318 VWEU genoemde evaluatieverslag. Het Parlement onderzoekt tevens het jaarverslag van de Rekenkamer met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen en alle speciale verslagen van de Rekenkamer met betrekking tot het betrokken begrotingsjaar, alsmede haar verklaring waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd.

3.  De Commissie verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar, overeenkomstig artikel 319 VWEU.

▼M3

Artikel 166

Follow-upmaatregelen

1.  Overeenkomstig artikel 319 VWEU en artikel 106 bis van het Euratomverdrag stellen de Commissie, de andere instellingen, en de organen vermeld in de artikelen 208 en 209 van deze verordening, alles in het werk om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat en aan de opmerkingen waarvan de door de Raad aangenomen aanbeveling tot kwijting vergezeld gaat.

2.  Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad brengen de in lid 1 bedoelde instellingen en organen verslag uit over de maatregelen die naar aanleiding van deze opmerkingen zijn genomen, met name over de instructies die zij hebben gegeven aan hun diensten die met de uitvoering van de begroting zijn belast. De lidstaten werken met de Commissie samen door haar de maatregelen mede te delen die zij hebben genomen om aan deze opmerkingen gevolg te geven, zodat de Commissie hiermee in haar verslag rekening kan houden. De verslagen van de instellingen worden ook aan de Rekenkamer toegezonden.

▼B

Artikel 167

Specifieke bepalingen voor de EDEO

De EDEO is onderworpen aan de procedures van artikel 319 VWEU en van de artikelen 164, 165 en 166 van deze verordening. De EDEO werkt volledig samen met de instellingen die bij de kwijtingsprocedure betrokken zijn, en verstrekt, waar nodig, de vereiste aanvullende informatie, onder meer in de vergaderingen van de relevante organen.



DEEL 2

BIJZONDERE BEPALINGEN



TITEL I

EUROPEES LANDBOUWGARANTIEFONDS

Artikel 168

Bijzondere bepalingen betreffende het Europees Landbouwgarantiefonds

1.  Deel 1 en deel 3 zijn, behoudens de in deze titel genoemde afwijkingen, van toepassing op de uitgaven die door de in de regelgeving inzake het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) bedoelde diensten en organen worden verricht, alsook op de ontvangsten.

2.  De rechtstreeks door de Commissie beheerde verrichtingen worden uitgevoerd volgens de regels van deel 1 en deel 3.

Artikel 169

Vastlegging van kredieten van het ELGF

1.  Voor elk begrotingsjaar omvatten de ELGF-kredieten niet-gesplitste kredieten, met uitzondering van de uitgaven voor de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1290/2005 bedoelde maatregelen, die door gesplitste kredieten worden gedekt.

2.  Overgedragen betalingskredieten die aan het einde van het begrotingsjaar niet zijn gebruikt, komen te vervallen.

3.  Niet-vastgelegde kredieten voor de in artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1290/2005 bedoelde acties kunnen uitsluitend naar het volgende begrotingsjaar worden overgedragen.

Een dergelijke overdracht kan, binnen het maximum van 2 % van de oorspronkelijke kredieten, niet hoger zijn dan de in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers ( 25 ) bedoelde aanpassing van de rechtstreekse betaling die in het vorige begrotingsjaar is toegepast.

Overgedragen kredieten worden uitsluitend opgevoerd op de begrotingsonderdelen die betrekking hebben op de in artikel 3, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1290/2005 bedoelde acties.

Een dergelijke overdracht kan alleen leiden tot een aanvullende betaling aan de eindontvangers die in het vorige begrotingsjaar onderworpen waren aan de in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde aanpassing van de rechtstreekse betalingen.

Het overdrachtbesluit wordt uiterlijk op 15 februari van het begrotingsjaar waarnaar kredieten worden overgedragen, genomen door de Commissie, die het Europees Parlement en de Raad hiervan in kennis stelt.

Artikel 170

Globale voorlopige vastleggingen van ELGF-kredieten

1.  De Commissie vergoedt de uitgaven die door de lidstaten zijn gedaan met betrekking tot het ELGF.

2.  De besluiten van de Commissie houdende vaststelling van het bedrag van de terugbetaling van zulke uitgaven vormen globale voorlopige vastleggingen, waarbij het totaalbedrag van de kredieten van het ELGF niet mag worden overschreden.

3.  Voor de uitgaven van dagelijks beheer van het ELGF mogen vanaf 15 november van het begrotingsjaar vervroegde vastleggingen worden verricht ten laste van de kredieten van het volgende begrotingsjaar. Deze vastleggingen bedragen echter niet meer dan driekwart van het totaal van de overeenkomstige kredieten van het begrotingsjaar. Zij hebben slechts betrekking op uitgaven die in beginsel op een bestaande basishandeling berusten.

Artikel 171

Tijdschema voor vastleggingen voor het ELGF in de begroting

1.  De uitgaven die door de in de regelgeving inzake het ELGF bedoelde diensten en organen worden verricht, worden binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van de door de lidstaten toegezonden staten per hoofdstuk, artikel en post vastgelegd. Deze vastleggingen mogen na het verstrijken van deze termijn van twee maanden worden verricht wanneer een procedure voor de overschrijving van kredieten met betrekking tot de betrokken begrotingsonderdelen nodig is. Behalve in gevallen waarin de betaling door de lidstaten nog niet is geschied of de subsidiabiliteit onzeker is, worden de betalingen binnen dezelfde termijn van twee maanden geboekt.

De in de eerste alinea van dit artikel bedoelde vastleggingen worden in mindering gebracht op de in artikel 170 bedoelde globale voorlopige vastlegging.

2.  De globale voorlopige vastleggingen uit hoofde van een begrotingsjaar die vóór 1 februari van het volgende begrotingsjaar niet hebben geleid tot een vastlegging volgens de begrotingsnomenclatuur, worden uit hoofde van het betrokken begrotingsjaar geannuleerd.

3.  De leden 1 en 2 zijn van toepassing onder voorbehoud van het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen.

Artikel 172

Boekhouding van de ELGF-uitgaven

In de begrotingsboekhouding worden de uitgaven in de rekening van een begrotingsjaar verantwoord op basis van de betalingen van de Commissie aan de lidstaten tot 31 december van dat begrotingsjaar, voor zover de rekenplichtige uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar de betalingsopdracht heeft ontvangen.

Artikel 173

Overschrijving van ELGF-kredieten

1.  Wanneer de Commissie ingevolge artikel 26, lid 1, kredieten overschrijft, neemt zij daartoe uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar een besluit, waarvan zij het Europees Parlement en de Raad als bepaald in artikel 26, lid 1, in kennis stelt.

2.  In andere dan de in lid 1 bedoelde gevallen stelt de Commissie de overschrijvingen uiterlijk op 10 januari van het volgende begrotingsjaar aan het Europees Parlement en de Raad voor.

Het Europees Parlement en de Raad nemen overeenkomstig de procedure van artikel 27 een besluit over zulke overschrijvingen, doch voor de toepassing van dit artikel bedraagt de toepasselijke termijn drie weken.

Artikel 174

ELGF-bestemmingsontvangsten

1.  De onder deze titel vallende bestemmingsontvangsten worden naar gelang van de oorsprong overeenkomstig artikel 21, lid 3, toegewezen.

2.  Het resultaat van de in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 bedoelde beschikkingen wordt in één enkel artikel opgenomen.



▼M1

TITEL II

DE STRUCTUURFONDSEN, HET COHESIEFONDS, HET EUROPEES VISSERIJFONDS, HET EUROPEES LANDBOUWFONDS VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING, DE GEDEELD BEHEERDE FONDSEN OP HET GEBIED VAN VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHT EN DE FINANCIERINGSFACILITEIT VOOR EUROPESE VERBINDINGEN

▼B

Artikel 175

Bijzondere bepalingen

1.  Deel 1 en deel 3 zijn van toepassing op de uitgaven van de diensten en organen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) ( 26 ), Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling ( 27 ), Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake het Europees Sociaal Fonds ( 28 ), Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds ( 29 ), Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad van 11 juli 2006 tot oprichting van een Cohesiefonds ( 30 ), Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds ( 31 ), en van de overeenkomstig artikel 59 gedeeld beheerde fondsen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, met inbegrip van de fondsen van het programma "Solidariteit en beheer van migratiestromen", ("de Fondsen"), alsook op hun ontvangsten, behoudens de in deze titel genoemde afwijkingen.

2.  Ook de rechtstreeks door de Commissie beheerde verrichtingen worden uitgevoerd volgens de regels van deel 1 en deel 3.

Artikel 176

Inachtneming van de toewijzingen aan vastleggingskredieten

Het Europees Parlement en de Raad nemen de toepasselijke basishandelingen inzake de structuurmaatregelen, plattelandsontwikkeling en het Europees Visserijfonds voorziene toewijzingen aan vastleggingskredieten in acht.

Artikel 177

Betalingen van bijdragen, tussentijdse betalingen en terugbetalingen

1.  De betaling door de Commissie van de bijdrage uit de Fondsen geschiedt overeenkomstig de in artikel 175 bedoelde verordeningen.

2.  De termijn waarbinnen de Commissie de tussentijdse betalingen moet verrichten, wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 175 bedoelde verordeningen.

3.  Overeenkomstig de in artikel 175 bedoelde verordeningen heeft de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van uit hoofde van een interventie betaalde voorfinancieringen geen vermindering van de deelname van de Fondsen aan de betrokken interventie tot gevolg.

De terugbetaalde bedragen vormen interne bestemmingsontvangsten zoals bedoeld in artikel 21, lid 3, onder c).

De behandeling van de terugbetaling door de lidstaten en de gevolgen van die behandeling voor het bedrag van de bijdrage uit de Fondsen worden geregeld in de in artikel 175 bedoelde verordeningen.

4.  In afwijking van artikel 14 kunnen per 31 december beschikbare vastleggingskredieten die afkomstig zijn van de terugbetaling van betaalde voorfinancieringen, worden overgedragen totdat het programma wordt afgesloten en gebruikt worden wanneer daaraan behoefte is, op voorwaarde dat er geen andere vastleggingskredieten meer beschikbaar zijn.

5.  In de begrotingsboekhouding worden de uitgaven in de rekening van een begrotingsjaar verantwoord op basis van de terugbetalingen van de Commissie aan de lidstaten tot 31 december van dat begrotingsjaar, met inbegrip van de uitgaven die uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar worden gedaan, ten laste van de betalingskredieten die beschikbaar zijn gemaakt in de maand die volgt op de in artikel 179 bedoelde overschrijvingen.

Artikel 178

Vrijmaking van kredieten

1.  De vastgelegde kredieten worden overeenkomstig de in artikel 175 bedoelde verordeningen ambtshalve door de Commissie vrijgemaakt.

2.  De aldus vrijgemaakte kredieten kunnen worden wederopgevoerd in geval van een slechts aan de Commissie toe te rekenen kennelijke fout.

De Commissie onderzoekt daartoe de vrijmakingen van het voorgaande begrotingsjaar en neemt, naar gelang van de behoeften, uiterlijk op 15 februari van het lopende begrotingsjaar een besluit over de noodzaak tot wederopvoering van de betrokken kredieten.

▼M1

3.  De aldus vrijgemaakte kredieten kunnen worden weder opgevoerd in geval van:

a) vrijmaking van kredieten van een programma dat valt onder de regelingen voor de uitvoering van de prestatiereserve die is ingesteld overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 32 );

b) vrijmaking van kredieten van een programma dat bestemd is voor een specifiek financieringsinstrument ten behoeve van kmo’s als gevolg van de beëindiging van de deelname van een lidstaat aan het financieringsinstrument, zoals bedoeld in artikel 39, lid 2, zevende alinea, van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

Artikel 178 bis

Overdracht van vastleggingskredieten voor de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen

1.  Voor projecten die gefinancierd worden in het kader van de bij Verordening nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 33 ) vastgestelde financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen kunnen vastleggingskredieten voor de begrotingsjaren 2014, 2015 en 2016 die aan het einde van het begrotingsjaar nog niet vastgelegd zijn, alleen naar het volgende begrotingsjaar worden overgedragen.

2.  De Commissie legt de overdrachten met betrekking tot het voorgaande begrotingsjaar uiterlijk op 15 februari van het lopende begrotingsjaar aan het Europees Parlement en de Raad voor.

3.  Het Europees Parlement en de Raad, die handelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, nemen over elk voorstel tot overdracht uiterlijk op 31 maart van het lopende begrotingsjaar een besluit.

4.  Het voorstel tot overdracht is goedgekeurd indien binnen de in lid 3 genoemde termijn:

a) het Europees Parlement en de Raad ermee instemmen;

b) het Europees Parlement of de Raad ermee instemt en de andere instelling zich van een besluit onthoudt;

c) het Europees Parlement en de Raad zich van een besluit onthouden of geen besluit tot afwijzing van het voorstel nemen.

▼B

Artikel 179

Overschrijving van kredieten

1.  Met betrekking tot de in deze titel bedoelde beleidsuitgaven kan de Commissie, behalve in het geval van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, kredieten overschrijven van de ene titel naar de andere, mits het om kredieten gaat die voor dezelfde doelstelling bestemd zijn in de zin van de in artikel 175 bedoelde verordeningen of die bestemd zijn voor uitgaven voor technische bijstand. De Commissie neemt daartoe uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar een besluit.

2.  In andere dan de in lid 1 bedoelde gevallen kan de Commissie overschrijvingen van betalingskredieten naar de Fondsen uiterlijk op 10 januari van het volgende begrotingsjaar aan het Europees Parlement en de Raad voorstellen. De overschrijving van betalingskredieten kan van elke begrotingspost geschieden. Het Europees Parlement en de Raad nemen overeenkomstig de procedure van artikel 27 een besluit over de overschrijvingen, doch voor de toepassing van dit artikel bedraagt de toepasselijk termijn drie weken.

3.  Indien de overschrijving niet of slechts gedeeltelijk door het Europees Parlement en de Raad wordt goedgekeurd, wordt het desbetreffende deel van de uitgaven als bedoeld in artikel 177, lid 5, ten laste gelegd van de betalingskredieten van het volgende begrotingsjaar.

Artikel 180

Beheer, selectie en controle

Het beheer en de selectie van de projecten, alsmede de controle daarvan worden geregeld in de in artikel 175 bedoelde verordeningen.



TITEL III

ONDERZOEK

Artikel 181

Middelen voor onderzoek

1.  Deel 1 en deel 3 zijn van toepassing op de kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling, behoudens de in deze titel genoemde afwijkingen.

Deze kredieten worden opgenomen, hetzij in een van de begrotingstitels voor het beleidsterrein "onderzoek door eigen werkzaamheden" of "werkzaamheden onder contract", hetzij in een hoofdstuk voor onderzoeksactiviteiten dat deel uitmaakt van een andere titel.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de soorten acties die worden onderzocht.

2.  De kredieten met betrekking tot de ontvangsten uit het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, dat is ingesteld bij het aan het VEU en aan het VWEU gehechte Protocol nr. 37 betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, worden als bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21 behandeld. De uit deze ontvangsten voortvloeiende vastleggingskredieten worden beschikbaar gesteld zodra de schuldvordering is geraamd en de betalingskredieten zodra de ontvangsten zijn ontvangen.

3.  De Commissie kan met betrekking tot de in deze titel bedoelde beleidsuitgaven kredieten overschrijven van de ene titel naar de andere, voor zover het gaat om kredieten met hetzelfde doel.

4.  De uit de kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling bezoldigde deskundigen worden aangeworven volgens de procedures die door het Europees Parlement en de Raad worden vastgesteld bij de goedkeuring van elk kaderprogramma voor onderzoek of volgens de overeenkomstige regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten.

Artikel 182

Vastleggingen van middelen voor onderzoek

1.  De vastleggingskredieten die overeenkomen met het bedrag van de vastlegging dat is vrijgemaakt wegens gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van de onderzoeksprojecten waarvoor zij bestemd waren, kunnen, bij wijze van uitzondering en in naar behoren gemotiveerde gevallen, worden wederopgevoerd wanneer het van wezenlijk belang is het aanvankelijk geplande programma absoluut uit te voeren, tenzij de begroting voor het betrokken begrotingsjaar (jaar n) daarvoor middelen bevat.

2.  Voor de toepassing van lid 1 onderzoekt de Commissie bij de aanvang van elk begrotingsjaar de vrijmakingen van het voorafgaande begrotingsjaar (jaar n-1) en beoordeelt zij, in het licht van de behoeften, of wederopvoering van de kredieten nodig is.

Op grond van deze beoordeling kan de Commissie uiterlijk op 15 februari van elk begrotingsjaar bij het Europees Parlement en de Raad passende voorstellen indienen, waarbij voor elke begrotingspost de redenen voor de wederopvoering van die kredieten worden vermeld.

3.  Het Europees Parlement en de Raad nemen binnen zes weken een besluit over de voorstellen van de Commissie. Indien binnen deze termijn geen besluit is genomen, worden de voorstellen geacht te zijn goedgekeurd.

De in jaar n weder op te voeren vastleggingskredieten mogen in geen geval meer bedragen dan 25 % van het totale bedrag dat in het begrotingsjaar n - 1 op hetzelfde begrotingsonderdeel is vrijgemaakt.

4.  Wederopgevoerde vastleggingskredieten kunnen niet worden overgedragen.

Juridische verbintenissen met betrekking tot wederopgevoerde vastleggingskredieten worden uiterlijk op 31 december van het jaar n overeengekomen.

Aan het einde van het jaar n wordt het niet-gebruikte saldo van de wederopgevoerde vastleggingskredieten door de bevoegde ordonnateur definitief vrijgemaakt.

Artikel 183

Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek

1.  Het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (GCO) kan middelen ontvangen uit andere kredieten dan die van de in artikel 181, lid 1, bedoelde titels en hoofdstukken, zulks in het kader van zijn deelname aan procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten of subsidies overeenkomstig deel een, titels V en VI, die geheel of gedeeltelijk uit de begroting worden gefinancierd.

In het kader van de deelneming aan procedures voor het toekennen van opdrachten of subsidies wordt het GCO beschouwd als een in een lidstaat gevestigde rechtspersoon.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake het GCO.

2.  De kredieten voor het volgende behandeld als bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 2:

a) procedures voor het toekennen van opdrachten of subsidies waaraan het GCO deelneemt;

b) activiteiten van het GCO voor rekening van derden; of

c) activiteiten uit hoofde van een administratieve overeenkomst met andere instellingen of andere diensten van de Commissie voor de verstrekking van technische en wetenschappelijke diensten.

De uit ontvangsten als bedoeld in de eerste alinea, onder a) en c), voortkomende vastleggingskredieten worden beschikbaar gesteld zodra de schuldvordering is geraamd.

Met betrekking tot activiteiten als bedoeld in de eerste alinea, onder c), worden kredieten die binnen vijf jaar niet zijn gebruikt, geannuleerd.

3.  De besteding van dergelijke kredieten wordt per categorie van de acties in een analytische boekhouding van de resultatenrekening van de begrotingsuitvoering vermeld; zij wordt gescheiden gehouden van de ontvangsten afkomstig van financiering door derden, uit de openbare of de particuliere sector, alsook van de ontvangsten uit andere diensten die de Commissie voor derden verricht.

▼M3

4.  Wanneer het GCO overeenkomstig lid 1 van dit artikel deelneemt aan subsidie- of aanbestedingsprocedures, is het niet onderworpen aan de voorwaarden van artikel 105 bis, artikel 106, artikel 107, lid 1, punten a) en b), artikel 108 en artikel 131, lid 4, betreffende bepalingen inzake uitsluitingen en sancties in het kader van aanbestedingen en subsidies.

▼B

Het GCO wordt tevens geacht te voldoen aan de vereisten inzake economische en financiële geschiktheid.

Het GCO wordt vrijgesteld van de in de artikelen 115 en 134 bedoelde zekerheden.

5.  De in titel V van deel 1 genoemde regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten zijn niet van toepassing op de activiteiten van het GCO voor rekening van derden.

6.  Binnen de begrotingstitel voor het beleidsterrein "Eigen onderzoek" kan de Commissie, in afwijking van artikel 26, kredieten overschrijven van het ene hoofdstuk naar het andere tot maximaal 15 % van de kredieten van het begrotingsonderdeel waarvan een bedrag wordt overgeschreven.



TITEL IV

EXTERNE MAATREGELEN



HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 184

Externe maatregelen

1.  Deel 1 en deel 3 zijn van toepassing op de externe maatregelen die uit de begroting worden gefinancierd, behoudens de in deze titel genoemde afwijkingen.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de maatregelen die in het kader van externe maatregelen gefinancierd kunnen worden.

2.  De kredieten die voor de in lid 1 bedoelde maatregelen bestemd zijn, worden door de Commissie besteed:

a) hetzij in het kader van autonoom verleende steun; of

b) in partnerschap met een derde land als bedoeld in artikel 58, lid 1, onder c), i), door de ondertekening van een financieringsovereenkomst.

3.  Indien externe maatregelen medegefinancierd worden met zowel in de begroting opgenomen kredieten als in artikel 21, lid 2, onder b), bedoelde externe bestemmingsontvangsten, worden de middelen die na afloop van de in artikel 189, lid 2, bedoelde contracttermijn niet zijn vastgelegd voor de desbetreffende maatregel, pro rata terugbetaald, na aftrek van een globaal bedrag voor controle, evaluatie en onvoorziene omstandigheden, dat later kan worden vastgelegd.

4.  De tweede alinea van artikel 90, lid 4, is niet van toepassing op de in deze titel bedoelde maatregelen.

Bij subsidies in direct beheer ten belope van meer dan 5 000 000 EUR ter financiering van externe maatregelen worden maximaal twee voorfinancieringsbetalingen tijdens de looptijd van de maatregel niet vereffend.



HOOFDSTUK 2

Uitvoering van de maatregelen



Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 185

Uitvoering van externe maatregelen

De in deze titel bedoelde maatregelen kunnen door de Commissie worden uitgevoerd, hetzij direct overeenkomstig artikel 58, lid 1, onder a), hetzij in gedeeld beheer overeenkomstig artikel 58, lid 1, onder b), hetzij indirect door een van de krachtens artikel 58, lid 1, onder c), belaste entiteiten of personen, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de artikelen 58 tot en met 63. De kredieten voor externe maatregelen kunnen worden samengevoegd met middelen uit andere bronnen om een gezamenlijke doelstelling te verwezenlijken.



Afdeling 2

Begrotingssteun en door meerdere donoren gefinancierde trustfondsen

Artikel 186

Gebruik van begrotingssteun

1.  Indien hierin wordt voorzien in de toepasselijke basishandelingen, kan de Commissie aan een begunstigd derde land begrotingssteun verlenen indien het beheer van de overheidsfinanciën door dat land in afdoende mate transparant, betrouwbaar en doeltreffend is.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake het gebruik van begrotingssteun en de verplichtingen van de ontvangers.

2.  In het in artikel 84 bedoelde financieringsbesluit worden de doelstellingen en de verwachte resultaten van het verlenen van begrotingssteun aan een begunstigd derde land uiteengezet. De betaling van de bijdrage van de Unie is afhankelijk van de naleving van de in lid 1 bedoelde voorwaarden, met inbegrip van de verbetering van het beheer van de overheidsfinanciën, en van duidelijke en objectieve prestatie-indicatoren die de grondslag vormen voor het meten van de vooruitgang in de desbetreffende sector.

3.  De Commissie neemt in de overeenkomstige financieringsovereenkomst, gesloten krachtens artikel 184, lid 2, onder b) passende bepalingen op, die inhouden dat het begunstigde derde land moet toezeggen om de relevante financiering voor acties onmiddellijk geheel of gedeeltelijk te zullen terugbetalen, indien wordt vastgesteld dat de betaling van de desbetreffende middelen van de Unie geschaad is door ernstige, aan dat land toe te schrijven onregelmatigheden.

Voor de verwerking van de terugbetaling als bedoeld in de eerste alinea kan artikel 80, lid 1, tweede alinea, worden toegepast.

4.  De Commissie steunt in begunstigde derde landen de ontwikkeling van parlementaire controle en auditbevoegdheden en streeft naar grotere transparantie en openbare toegankelijkheid van informatie.

Artikel 187

Trustfondsen van de Unie voor externe maatregelen

1.  Voor noodsituaties, operaties na een noodsituatie of crisis, of thematische acties kan de Commissie trustfondsen oprichten in het kader van een met andere donoren gesloten overeenkomst. De doelstellingen van het trustfonds worden in elke oprichtingsakte vastgesteld.

2.  De trustfondsen van de Unie worden uitgevoerd met inachtneming van de beginselen van goed financieel beheer, transparantie, evenredigheid, non-discriminatie en gelijke behandeling, en met inachtneming van de in de oprichtingsakte vastgestelde specifieke doelstellingen.

Zij worden rechtstreeks door de Commissie uitgevoerd overeenkomstig artikel 58, lid 1, onder a), met uitzondering van de trustfondsen van de Unie voor noodsituaties of operaties na een noodsituatie, die tevens indirect kunnen worden uitgevoerd door taken tot uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan entiteiten krachtens artikel 58, lid 1, onder c), punten i), ii), v) en vi).

3.  Trustfondsen van de Unie voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) er is toegevoegde waarde voor de interventie van de Unie: oprichting en uitvoering van trustfondsen door de Unie vindt alleen plaats indien de beoogde doelstellingen, met name vanwege de omvang en de mogelijke gevolgen van het optreden, beter door de Unie dan op nationaal niveau kunnen worden bereikt;

b) de trustfondsen van de Unie leveren duidelijke politieke zichtbaarheid van de Unie en voordelen met betrekking tot het beheer op, evenals betere controle van de Unie op de risico's en het gebruik van de bijdragen van de Unie en andere donoren. Zij worden niet opgericht als zij louter een doublure vormen van andere financieringskanalen of vergelijkbare instrumenten, zonder enige additionaliteit op te leveren.

4.  Bij elk trustfonds van de Unie wordt een door de Commissie voorgezeten bestuursorgaan opgericht om de donoren en de niet-bijdragende lidstaten, als waarnemers, te vertegenwoordigen en te beslissen hoe de middelen worden gebruikt.

5.  Trustfondsen van de Unie worden opgericht voor een bepaalde duur die in de oprichtingsakte ervan wordt vermeld. Deze duur kan bij besluit van de Commissie op verzoek van het bestuursorgaan van het betrokken trustfonds worden verlengd.

Het Europees Parlement en/of de Raad kan/kunnen de Commissie verzoeken de kredieten voor dat trustfonds stop te zetten of de oprichtingsakte te herzien om het trustfonds zo nodig te liquideren. In dat geval worden de resterende middelen pro rata in de begroting als algemene inkomsten en aan de bijdragende lidstaten en andere donoren teruggestort.

6.  De bijdragen van de Unie en van de donoren worden op een specifiek daartoe bestemde bankrekening geplaatst. De bijdragen van de Unie worden op deze rekening gestort op basis van betalingsaanvragen die vergezeld gaan van betalingsramingen, rekening houdend met het saldo op de rekening en de noodzaak van aanvullende betalingen. Betalingsramingen worden jaarlijks of zo nodig halfjaarlijks verstrekt.

De bijdragen worden niet opgenomen in de begroting en worden door de Commissie beheerd onder verantwoordelijkheid van de gedelegeerd ordonnateur.

De rekenplichtige van de Commissie is de rekenplichtige van de trustfondsen van de Unie. Hij is belast met het vaststellen van boekhoudprocedures en een rekeningstelsel die alle trustfondsen van de Unie gemeenschappelijk hebben.

De intern controleur van de Commissie en de Rekenkamer oefenen ten aanzien van het trustfonds dezelfde bevoegdheden uit als ten aanzien van andere maatregelen die door de Commissie worden uitgevoerd.

De specifieke bankrekening van het trustfonds wordt geopend en afgesloten door de rekenplichtige.

De Commissie zorgt ervoor dat de taken van de rekenplichtige en die van de ordonnateurs strikt van elkaar gescheiden worden.

De middelen worden vastgelegd en uitbetaald door financiële actoren van de Commissie, zoals gedefinieerd in hoofdstuk 3 van titel IV van deel 1.

7.  De Commissie mag tot maximaal 5 % van de in het trustfonds samengebrachte bedragen inhouden bij wijze van vergoeding voor haar beheerskosten vanaf de jaren waarin dein lid 6 bedoelde bijdragen voor het eerst werden gebruikt. Deze beheersvergoedingen worden voor de duur van het trustfonds gelijkgesteld met bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 2, onder b).

De rekenplichtige neemt de invorderingsopdrachten betreffende door het trustfonds gefinancierde maatregelen in behandeling. De inkomsten uit naar aanleiding van deze invorderingsopdrachten verrichte terugbetalingen worden weer op de specifieke bankrekening van het trustfonds gestort. Het annuleren of afzien van een invorderingsopdracht geschiedt volgens de regels van artikel 80.

8.  De Commissie legt de ontwerpbesluiten betreffende de oprichting, uitbreiding en vereffening van een trustfonds van de Unie voor aan het bevoegde comité dat wordt genoemd in de basishandeling overeenkomstig welke de bijdrage van de Unie aan het trustfonds van de Unie wordt verstrekt.

9.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake het beheer, de verslaglegging en het bestuur van trustfondsen voor externe maatregelen.

10.  De Commissie dient jaarlijks een breed en gedetailleerd verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de activiteiten die door trustfondsen van de Unie worden gesteund, over de uitvoering en de prestaties ervan, alsook over hun rekeningen. De Commissie voegt haar verslag bij het in artikel 66, lid 9, derde alinea, bedoelde samenvattend jaarlijks activiteitenverslag.



Afdeling 3

Andere vormen van beheer

Artikel 188

Uitvoering van externe maatregelen via indirect beheer

1.  De Commissie en de delegaties van de Unie oefenen overeenkomstig artikel 56, lid 2, controle uit op de uitvoering van maatregelen die krachtens artikel 58, lid 1, onder c), in indirect beheer staan. Deze controle geschiedt door middel van goedkeuring vooraf of toets achteraf, dan wel volgens een gemengde procedure.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de uitvoering van externe maatregelen via indirect beheer.

Artikel 189

Financieringsovereenkomsten over de uitvoering van externe maatregelen

1.  Externe maatregelen worden uitgevoerd op grond van een of meer van de volgende instrumenten:

a) een fiancieringsovereenkomst tussen de Commissie en een entiteit of persoon als bedoeld in artikel 185;

b) een contract of subsidieovereenkomst tussen de Commissie en de natuurlijke of rechtspersonen die met de uitvoering van de acties zijn belast.

De voorwaarden van de externe steun worden vastgesteld in het instrument op grond waarvan de in de punten a) en b) van de eerste alinea bedoelde financieringsovereenkomst of contracten of subsidies worden beheerd.

2.  Financieringsovereenkomsten met de in lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde entiteiten worden uiterlijk op 31 december van het jaar n+1 gesloten, n zijnde het jaar waarin de vastlegging in de begroting werd gedaan.

In de financieringsovereenkomsten wordt de termijn bepaald waarbinnen de in lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde entiteiten alle individuele contracten en subsidieovereenkomsten waarmee de maatregel ten uitvoer worden gelegd, afsluiten. Deze termijn bedraagt maximaal drie jaar na de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst, behalve:

a) voor multidonormaatregelen;

b) voor individuele contracten die betrekking hebben op controle en evaluatie;

c) in de volgende uitzonderlijke omstandigheden:

i) aan reeds gesloten contracten worden clausules toegevoegd;

ii) individuele contracten worden gesloten na de vervroegde beëindiging van een bestaand contract;

iii) verandering van met de uitvoering van de taken belaste entiteit.

3.  Lid 2 is niet van toepassing op de meerjarenprogramma's die uit gesplitste vastleggingskredieten worden uitgevoerd in de onderstaande gevallen:

a) het pretoetredingsinstrument;

b) het instrument voor het Europees nabuurschaps- en partnerschapsbeleid.

In die gevallen worden de kredieten automatisch door de Commissie vrijgemaakt overeenkomstig de sectorspecifieke regelgeving.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake financieringsovereenkomsten over de uitvoering van externe maatregelen.



HOOFDSTUK 3

Plaatsing van overheidsopdrachten

Artikel 190

Opdrachten voor externe maatregelen

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de opdrachten voor externe maatregelen.

▼M3

2.  Het bepaalde in deel 1, titel V, hoofdstuk 1, betreffende de algemene bepalingen voor aanbestedingen is van toepassing op de opdrachten die onder deze titel vallen, onder voorbehoud van de in de krachtens deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen opgenomen specifieke bepalingen betreffende de drempelwaarden en de regels voor het plaatsen van externe opdrachten. De artikelen 117 en 120 zijn niet van toepassing op de in dit hoofdstuk bedoelde aanbestedingen.

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

a) aanbestedingen waarbij de Commissie opdrachten niet voor eigen rekening plaatst;

b) aanbestedingen door in artikel 58, lid 1, onder c), bedoelde entiteiten of personen, indien dat is vastgesteld in de financieringsovereenkomst als bedoeld in artikel 189.

▼B

3.  De procedures voor de plaatsing van overheidsopdrachten worden vastgesteld in de in artikel 189 bedoelde financieringsovereenkomsten.

▼M3

4.  Dit hoofdstuk is niet van toepassing op maatregelen die op grond van sectorspecifieke basishandelingen worden genomen in het kader van hulp bij het beheer van humanitaire crises, alsmede van operaties inzake civiele bescherming en humanitaire hulp.

Artikel 191

Regels inzake toegang tot aanbestedingen

1.  De deelname aan aanbestedingsprocedures staat onder gelijke voorwaarden open voor alle personen die vallen onder het toepassingsgebied van de Verdragen en voor alle andere natuurlijke personen en rechtspersonen overeenkomstig de specifieke bepalingen van de basisinstrumenten betreffende het betrokken samenwerkingsterrein. Deelname staat ook open voor internationale organisaties.

2.  In de in artikel 54, lid 2, genoemde gevallen kan er worden beslist dat andere onderdanen van derde landen dan die bedoeld in lid 1 van dit artikel onder door de bevoegde ordonnateur naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden aan aanbestedingen kunnen deelnemen.

3.  Indien een overeenkomst inzake de openstelling van de markt voor de aanbesteding van goederen en diensten waarbij de Unie partij is, van toepassing is, staan de uit de begroting gefinancierde aanbestedingsprocedures voor opdrachten onder de in die overeenkomst vastgestelde voorwaarden eveneens open voor natuurlijke en rechtspersonen die zijn gevestigd in andere derde landen dan die bedoeld in de leden 1 en 2.

4.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot nadere bepalingen inzake de toegang tot aanbestedingsprocedures.

▼B



HOOFDSTUK 4

Subsidies

Article 192

Volledige financiering van een externe maatregel

Een maatregel kan alleen volledig door de begroting worden gefinancierd indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering ervan.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de volledige financiering van een externe maatregel.

Artikel 193

Regels betreffende subsidies voor externe maatregelen

De subsidieprocedures die bij indirect beheer door de in artikel 185 bedoelde entiteiten moeten worden toegepast, worden vastgesteld in de overeenkomsten tussen de Commissie en die entiteiten.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake subsidieprocedures die in indirect beheer moeten worden toegepast.



HOOFDSTUK 5

Controle van de rekeningen

Artikel 194

Controle door de Unie van subsidies voor externe maatregelen

In elke overeenkomst tussen de Commissie en een in artikel 185 bedoelde entiteit, of subsidieovereenkomst dan wel subsidiebesluit wordt uitdrukkelijk bepaald dat de Commissie en de Rekenkamer bevoegd zijn bij alle contractanten en subcontractanten die middelen van de Unie hebben ontvangen, controles op stukken en controles ter plaatse uit te voeren.



TITEL V

EUROPESE BUREAUS

Artikel 195

De Europese bureaus

1.  Voor de toepassing van deze titel worden als "Europese bureaus" beschouwd, de administratieve structuren die door één of meer instellingen zijn opgericht om specifieke horizontale taken uit te voeren.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake het bereik van de Europese bureaus en de delegatie van bevoegdheden van de instellingen aan de Europese bureaus.

2.  Deze titel is van toepassing op OLAF, met uitzondering van de artikelen 198, 199 en 200.

3.  Deel 1 en deel 3 zijn van toepassing op de werking van de Europese bureaus, behoudens de in deze titel genoemde afwijkingen.

Artikel 196

Kredieten voor de Europese bureaus

1.  De kredieten van elk Europees bureau, waarvan het totaalbedrag wordt opgevoerd op een specifiek begrotingsonderdeel binnen de begrotingsafdeling van de Commissie, worden in detail vermeld in een bijlage bij die afdeling.

Deze bijlage heeft de vorm van een staat van uitgaven en ontvangsten die op dezelfde wijze is onderverdeeld als de begrotingsafdelingen.

De in deze bijlage opgenomen kredieten dekken de totale financiële behoeften van elk Europees bureau in de uitoefening van zijn taak ten dienste van de instellingen.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de kredieten voor de Europese bureaus, met inbegrip van de delegatie van bepaalde taken door de rekenplichtige, kasmiddelen en bankrekeningen.

2.  De personeelsformatie van elk Europees bureau wordt toegevoegd aan die van de Commissie.

3.  De directeur van elk Europees bureau beslist over de overschrijvingen binnen de in lid 1 bedoelde bijlage. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van deze overschrijvingen.

4.  De rekeningen van elk Europees bureau maken integrerend deel uit van de in artikel 141 bedoelde rekeningen van de Unie.

Artikel 197

Ordonnateur van de Europese bureaus

De Commissie delegeert voor de in de bijlage voor elk Europees bureau opgenomen kredieten de bevoegdheden van ordonnateur aan de directeur van het betrokken Europees bureau, overeenkomstig artikel 65.

Artikel 198

De boekhouding van de interinstitutionele Europese bureaus

1.  Elk interinstitutioneel Europees bureau stelt een analytische boekhouding van zijn uitgaven op waaruit het aandeel van de voor elk van de instellingen verrichte diensten kan worden afgeleid. De directeur van het betrokken Europees bureau stelt, na goedkeuring door het directiecomité, de criteria vast volgens welke deze boekhouding wordt gevoerd.

2.  De toelichting bij het speciale begrotingsonderdeel waarop het totaal van de kredieten van elk interinstitutioneel Europees bureau is opgevoerd, bevat een voorlopige raming van de kosten van de door dat bureau voor elk van de instellingen verrichte diensten op basis van de in lid 1 bedoelde analytische boekhouding.

3.  Elk interinstitutioneel Europees bureau deelt de resultaten van deze analytische boekhouding aan de betrokken instellingen mee.

Artikel 199

Delegatie van bevoegdheden van de ordonnateur aan interinstitutionele Europese bureaus

1.  Elke instelling kan voor het beheer van de in haar eigen afdeling opgenomen kredieten bevoegdheden van ordonnateur delegeren aan de directeur van een interinstitutioneel Europees bureau en stelt de grenzen en voorwaarden van deze delegatie van deze bevoegdheden vast.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de delegatie van de bevoegdheden van ordonnateur aan de directeur van een interinstitutioneel Europees bureau.

2.  De intern controleur van de Commissie kwijt zich van alle in deel 1, titel IV, hoofdstuk 9, vastgestelde verantwoordelijkheden.

Artikel 200

Diensten aan derden

Wanneer de opdracht van een Europees bureau het verrichten van diensten onder bezwarende titel aan derden inhoudt, stelt de directeur, na goedkeuring van het directiecomité, de bijzondere bepalingen vast betreffende de voorwaarden voor het verrichten van deze diensten, alsook het voeren van de desbetreffende boekhouding.



TITEL VI

ADMINISTRATIEVE KREDIETEN

Artikel 201

Algemene bepalingen

1.  Deel 1 en deel 3 zijn van toepassing op de administratieve kredieten, behoudens de in deze titel genoemde afwijkingen.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake het toepassingsgebied van administratieve kredieten en huurwaarborgen.

Artikel 202

Vastleggingen

1.  Voor de uitgaven van dagelijks beheer mogen vanaf 15 oktober van elk jaar vervroegde vastleggingen worden verricht ten laste van de kredieten van het volgende begrotingsjaar. Deze vastleggingen bedragen echter niet meer dan een vierde van de door het Europees Parlement en de Raad toegestane kredieten van het betrokken begrotingsonderdeel voor het lopende begrotingsjaar. Zij hebben geen betrekking op nieuwe uitgaven die nog niet in beginsel zijn aanvaard in de laatste op regelmatige wijze vastgestelde begroting.

2.  De uitgaven die op grond van wettelijke of contractuele bepalingen vooruit betaald worden, zoals huur, mogen vanaf 1 december worden betaald ten laste van de kredieten van het volgende begrotingsjaar. In dat geval is het in lid 1 bedoelde maximum niet van toepassing.

Artikel 203

Specifieke bepalingen betreffende administratieve kredieten

1.  Administratieve kredieten zijn niet-gesplitste kredieten.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake specifieke administratieve kredieten, met inbegrip van gebouwen en voorschotten voor de personeelsleden van de instellingen.

2.  De administratieve uitgaven die voortvloeien uit contracten voor perioden welke de duur van het begrotingsjaar overschrijden, hetzij overeenkomstig de plaatselijke gebruiken, hetzij met betrekking tot de levering van materieel, worden geboekt ten laste van de begroting van het begrotingsjaar waarin zij worden gedaan.

3.  Elke instelling verstrekt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 1 juni van elk jaar een werkdocument over haar onroerendgoedbeleid, dat de volgende informatie bevat:

a) voor elk gebouw, de uitgaven en oppervlakte die gedekt zijn door de kredieten van de overeenkomstige begrotingsonderdelen;

b) de verwachte evolutie van de globale programmering van oppervlakte en locaties voor de komende jaren, met een beschrijving van de in artikel 195, lid 3, bedoelde vastgoedprojecten in de planningfase die reeds geïdentificeerd zijn;

c) de definitieve voorwaarden en kosten evenals relevante informatie betreffende de uitvoering van nieuwe onroerendgoedprojecten die overeenkomstig de in de leden 4 en 5 vastgestelde procedure aan het Europees Parlement en de Raad zijn voorgelegd en niet in werkdocumenten van de voorgaande jaren zijn opgenomen.

4.  In het geval van onroerendgoedprojecten die wellicht aanzienlijke financiële gevolgen hebben voor de begroting stelt de instelling het Europees Parlement en de Raad zo vroeg mogelijk in kennis van de vereiste bouwoppervlakte en voorlopige plannen, nog vóór het verkennen van de lokale markt in het geval van onroerendgoedovereenkomsten, of vóór het publiceren van de uitnodigingen tot inschrijving in het geval van bouwwerkzaamheden.

5.  In het geval van onroerendgoedprojecten die wellicht aanzienlijke financiële gevolgen hebben voor de begroting presenteert de instelling het bouwproject, met inbegrip van de gedetailleerde kostenraming en de financiering ervan, alsmede een lijst van de geplande ontwerpovereenkomsten, en verzoekt zij het Europees Parlement en de Raad om toestemming alvorens de overeenkomsten worden gesloten. Op verzoek van de instelling worden documenten die met betrekking tot het onroerendgoedproject worden ingediend, vertrouwelijk behandeld.

Behoudens in geval van overmacht wordt het voorstel betreffende het onroerendgoedproject door het Europees Parlement en de Raad besproken binnen vier weken nadat beide instellingen het voorstel hebben ontvangen.

Na het verstrijken van de periode van vier weken wordt het voorstel betreffende het onroerendgoedproject geacht te zijn goedgekeurd, tenzij het Europees Parlement en/of de Raad binnen deze termijn een besluit hebben/heeft genomen dat ingaat tegen het voorstel.

Indien het Europees Parlement en/of de Raad binnen deze periode van vier weken naar behoren gemotiveerde redenen aanvoeren, wordt de periode eenmaal met twee weken verlengd.

Indien het Europees Parlement en/of de Raad een besluit hebben/heeft genomen dat ingaat tegen het onroerendgoedproject, trekt de betrokken instelling haar voorstel in en kan zij een nieuw voorstel indienen.

6.  In geval van overmacht kan de in lid 4 bepaalde informatie tezamen met het onroerendgoedproject worden ingediend. Het voorstel betreffende het onroerendgoedproject wordt door het Europees Parlement en de Raad besproken binnen twee weken nadat beide instellingen het voorstel hebben ontvangen. Na het verstrijken van de periode van twee weken wordt het voorstel betreffende het onroerendgoedproject geacht te zijn goedgekeurd, tenzij het Europees Parlement en/of de Raad binnen deze termijn een besluit hebben/heeft genomen dat ingaat tegen het voorstel.

7.  De volgende projecten worden beschouwd als onroerendgoedprojecten die aanzienlijke financiële gevolgen voor de begroting kunnen hebben:

i) de verwerving van grond;

ii) de verwerving, verkoop, structurele renovatie of bouw van onroerend goed of projecten die deze elementen combineren en binnen eenzelfde termijn worden uitgevoerd, voor een bedrag van meer dan 3 000 000 EUR;

iii) nieuwe onroerendgoedovereenkomsten (met inbegrip van vruchtgebruik, erfpacht en verlenging van bestaande onroerendgoedovereenkomsten tegen minder gunstige voorwaarden) die niet onder punt ii) vallen, voor een jaarlijks bedrag van ten minste 750 000 EUR;

iv) de verlenging of hernieuwde sluiting van bestaande onroerendgoedovereenkomsten (met inbegrip van vruchtgebruik en erfpacht) tegen dezelfde of gunstigere voorwaarden, voor een jaarlijks bedrag van ten minste 3 000 000 EUR.

Dit lid is tevens van toepassing op onroerendgoedprojecten van interinstitutionele aard, alsmede op delegaties van de Unie.

8.  Onverminderd artikel 17 kan een project tot verwerving van onroerend goed worden gefinancierd via een lening, mits het Europees Parlement en de Raad hiervoor toestemming hebben gegeven.

Leningen worden opgenomen en terugbetaald overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer en met inachtneming van de beste financiële belangen van de Unie.

Indien de instelling voorstelt onroerend goed te verwerven met behulp van een lening, worden in het financieringsplan, dat tezamen met het verzoek om voorafgaande toestemming door de desbetreffende instelling wordt ingediend, met name het maximale financieringspeil, de financieringstermijn, het soort financiering, de financieringsvoorwaarden en de besparingen ten opzichte van andere soorten contractuele regelingen vermeld.

Het verzoek om voorafgaande toestemming wordt door het Europees Parlement en de Raad besproken binnen vier weken nadat beide instellingen het voorstel hebben ontvangen, met een mogelijke eenmalige verlenging met twee weken. Verwerving van onroerend goed met behulp van een lening wordt geacht te zijn afgewezen indien het Europees Parlement en de Raad binnen deze termijn het verzoek niet uitdrukkelijk hebben ingewilligd.



TITEL VII

DESKUNDIGEN

Artikel 204

Bezoldigde externe deskundigen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake bezoldigde externe deskundigen, met inbegrip van een specifieke procedure voor de selectie van natuurlijke personen als bezoldigde externe deskundigen die de instellingen bijstaan voor het beoordelen van subsidieaanvragen en offertes en het verstrekken van advies in specifieke gevallen.

Deze deskundigen worden bezoldigd op basis van een vast, van tevoren meegedeeld bedrag en geselecteerd op basis van hun professionele geschiktheid. De selectie geschiedt aan de hand van criteria die beantwoorden aan de beginselen van non-discriminatie, gelijke behandeling en afwezigheid van belangenconflicten.

▼M3

Voor deskundigen gelden artikel 105 bis, artikel 106, leden 1 tot en met 3, lid 7, behalve punt b) van de eerste alinea en de tweede alinea van dat lid, leden 8 tot en met 10, lid 11, onder a), en de leden 13 tot en met 17, en de artikelen 107 en 108.

▼M2



TITEL VIII

BIJDRAGEN VOOR EUROPESE POLITIEKE PARTIJEN

Artikel 204 bis

Algemene bepalingen

1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder Europese politieke partijen: de entiteiten die als zodanig zijn geregistreerd overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

2.  Rechtstreekse financiële bijdragen uit de begroting kunnen aan Europese politieke partijen worden toegekend met het oog op hun bijdrage tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

Artikel 204 ter

Beginselen

1.  Bijdragen worden enkel gebruikt voor het vergoeden van het in artikel 17, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bepaalde percentage van de werkingskosten van Europese politieke partijen die rechtstreeks verband houden met de doelstellingen van deze partijen, zoals nader bepaald in artikel 17, lid 5, en artikel 21 van die verordening.

2.  Bijdragen mogen worden gebruikt voor het vergoeden van uitgaven met betrekking tot door Europese politieke partijen gesloten contracten op voorwaarde dat er geen belangenconflicten waren, toen de contracten werden gegund.

3.  Bijdragen worden niet gebruikt om rechtstreeks of onrechtstreeks een persoonlijk voordeel, in geld of in natura, toe te kennen aan een individueel lid of personeelslid van een Europese politieke partij. Bijdragen worden niet gebruikt voor het rechtstreeks of onrechtstreeks financieren van activiteiten van derden, in het bijzonder nationale politieke partijen of politieke stichtingen op Europees of nationaal niveau, ongeacht of dit nu in de vorm van subsidies, donaties, leningen of andere soortgelijke regelingen gebeurt. Bijdragen worden niet gebruikt voor een van de doeleinden die in artikel 22 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 zijn uitgesloten.

4.  Met betrekking tot bijdragen gelden het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, in overeenstemming met de in Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 vastgestelde criteria.

5.  Bijdragen worden jaarlijks door het Europees Parlement toegekend en overeenkomstig artikel 35, lid 2, van deze verordening en overeenkomstig artikel 32, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bekendgemaakt.

6.  Europese politieke partijen die een bijdrage ontvangen, ontvangen geen andere financiering uit de begroting, rechtstreeks noch onrechtstreeks. In het bijzonder zijn donaties uit de begrotingen van fracties in het Europees Parlement verboden. Uitgaven worden in geen geval tweemaal uit de begroting gefinancierd.

Artikel 204 quater

Begrotingsaspecten

Bijdragen worden betaald uit de afdeling van het Europees Parlement in de begroting. De kredieten die worden gereserveerd voor onafhankelijke externe auditinstanties of -deskundigen als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 komen rechtstreeks ten laste van de begroting van het Europees Parlement.

Artikel 204 quinquies

Oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen

1.  Bijdragen worden toegekend op basis van een oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen, die jaarlijks, ten minste op de website van het Europees Parlement, wordt gepubliceerd.

2.  Aan een Europese politieke partij kan slechts één bijdrage per jaar worden toegekend.

3.  Een Europese politieke partij komt enkel in aanmerking voor een bijdrage als deze een verzoek om financiering indient overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen zijn vastgesteld.

4.  In de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen worden de toelatingscriteria bepaald waaraan de aanvrager moet voldoen, alsook de uitsluitingscriteria.

5.  In de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen wordt ten minste de aard bepaald van de uitgaven die door de bijdrage kunnen worden terugbetaald.

6.  Voor de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen is een geraamde begroting vereist.

Artikel 204 sexies

Toekenningsprocedure

1.  Verzoeken om bijdragen worden tijdig schriftelijk en eventueel in een beveiligd elektronisch formaat ingediend.

2.  Aan aanvragers die ten tijde van de procedure voor het toekennen van een bijdrage in een van de in artikel 106, lid 1, artikel 107 en artikel 109, lid 1, onder a), bedoelde situaties verkeren of op basis van artikel 108 in de centrale gegevensbank van uitsluitingen zijn opgenomen, worden geen bijdragen toegekend.

3.  Aanvragers moeten bewijzen dat zij in geen van de in lid 2 bedoelde situaties verkeren.

4.  Bijdragen worden toegekend op basis van een overeenkomst of besluit tot toekenning van een bijdrage, zoals bepaald in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen.

5.  De bevoegde ordonnateur kan door een commissie worden bijgestaan bij de beoordeling en de vaststelling van het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage. De bevoegde ordonnateur stelt, met inachtneming van de beginselen van transparantie en gelijke behandeling, de regels vast met betrekking tot de samenstelling, benoeming en werking van een dergelijke commissie, alsook de regels ter voorkoming van belangenconflicten.

Artikel 204 septies

Beoordelingsprocedure

1.  Verzoeken worden op basis van de toekenningscriteria van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 geselecteerd uit de verzoeken die voldoen aan de toelatingscriteria en niet onder de uitsluitingscriteria vallen.

2.  De toelatingscriteria bepalen de voorwaarden waaraan een aanvrager moet voldoen om overeenkomstig de regels van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 in aanmerking te komen voor een bijdrage.

3.  In het besluit van de bevoegde ordonnateur met betrekking tot de verzoeken wordt ten minste het volgende vermeld:

a) het voorwerp en het totale bedrag van de bijdrage;

b) de naam van de geselecteerde aanvragers en de goedgekeurde bedragen;

c) de namen van de afgewezen aanvragers en de redenen voor deze afwijzing.

4.  De bevoegde ordonnateur brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven. Indien het verzoek om financiering wordt afgewezen, of de gevraagde bedragen niet deels of volledig worden toegekend, deelt de bevoegde ordonnateur de redenen mee voor de afwijzing van het verzoek of het niet toekennen van de gevraagde bedragen, met name onder verwijzing naar de in de leden 1 en 2 genoemde toelatings- en toekenningscriteria. Indien het verzoek wordt afgewezen, stelt de bevoegde ordonnateur de aanvrager in kennis van de beschikbare administratieve en/of gerechtelijke beroepsmogelijkheden vastgelegd in artikel 97 van deze verordening.

Artikel 204 octies

Vorm van bijdragen

1.  Bijdragen kunnen de volgende vorm hebben:

a) vergoeding van een percentage van de werkelijk gedane uitgaven die voor vergoeding in aanmerking komen;

b) vergoeding op basis van eenheidskosten;

c) vaste bedragen;

d) forfaitaire financiering;

e) een combinatie van de onder a) tot en met d) genoemde vormen.

2.  Enkel uitgaven die aan de criteria in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen voldoen en niet vóór de datum van indiening van het verzoek zijn gedaan, kunnen worden vergoed.

Artikel 204 nonies

Regels voor bijdragen

1.  Eenheidskosten worden gebruikt om alle of sommige specifieke categorieën vergoedbare uitgaven te dekken die vooraf duidelijk omschreven zijn op grond van een bedrag per eenheid.

2.  Vaste bedragen worden gebruikt om bepaalde uitgaven te dekken voor het uitvoeren van een specifieke activiteit van de Europese politieke partij. Het gebruik van vaste bedragen gebeurt enkel in combinatie met andere vormen van bijdragen.

3.  Forfaitaire financieringen worden gebruikt om door toepassing van een vooraf bepaald percentage vooraf duidelijk omschreven specifieke categorieën vergoedbare uitgaven te dekken.

4.  Het eventuele gebruik van vaste bedragen, forfaitaire financiering of eenheidskosten wordt in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen omschreven, met de respectieve bedragen en forfaits, wanneer van toepassing. De oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen bevat eveneens een omschrijving van de methodes om vaste bedragen, forfaitaire financiering of eenheidskosten te bepalen, die gebaseerd zijn op objectieve middelen zoals statistische gegevens, gecertificeerde of controleerbare historische gegevens van de Europese politieke partijen of hun gebruikelijke kostenberekeningsmethoden. Het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage omvat bepalingen op grond waarvan kan worden gecontroleerd of aan de voorwaarden voor vaste bedragen, forfaitaire financiering of eenheidskosten is voldaan.

Artikel 204 decies

Voorfinanciering

De bijdragen worden volledig betaald door middel van één enkele voorfinanciering, tenzij de bevoegde ordonnateur hierover in naar behoren gemotiveerde gevallen anders beslist.

Artikel 204 undecies

Zekerheidsstellingen

De bevoegde ordonnateur kan, wanneer hij of zij zulks in individuele gevallen en na een risicoanalyse passend en evenredig acht, van de Europese politieke partij een voorafgaande zekerheidsstelling verlangen om de aan de betaling van de voorfinanciering verbonden financiële risico's te beperken; dit kan enkel wanneer op basis van de risicoanalyse blijkt dat er een dreigend risico bestaat dat de Europese politieke partij zich in één van de in artikel 106, lid 1, onder a) en d), van deze verordening bedoelde situaties bevindt of wanneer een besluit van de krachtens artikel 6 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 opgerichte Autoriteit voor Europese politieke partijen en stichtingen („de Autoriteit”) is meegedeeld aan het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig artikel 10, lid 4, van de genoemde verordening.

De bepalingen van artikel 134 van deze verordening inzake de zekerheidsstelling voor de voorfinanciering van subsidies is van overeenkomstige toepassing op zekerheidsstellingen die in de gevallen die in de eerste alinea van dit artikel worden genoemd, kunnen worden geëist voor de betaling van voorfinanciering aan Europese politieke partijen.

Artikel 204 duodecies

Gebruik van bijdragen

1.  Bijdragen worden gebruikt overeenkomstig artikel 204 ter.

2.  Elk gedeelte van de bijdrage dat niet is gebruikt binnen het begrotingsjaar waarop deze bijdrage betrekking heeft (jaar n), wordt gebruikt voor uiterlijk op 31 december van het jaar n + 1 gedane uitgaven die voor vergoeding in aanmerking komen. Het resterende gedeelte van de bijdrage, dat niet binnen die termijn is gebruikt, wordt overeenkomstig deel 1, titel IV, hoofdstuk 5, teruggevorderd.

3.  Europese politieke partijen nemen het in artikel 17, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 vastgestelde maximale medefinancieringspercentage in acht. De resterende bedragen van de bijdragen uit het voorgaande jaar worden niet gebruikt voor het gedeelte dat de Europese politieke partijen met hun eigen middelen moeten financieren. Bijdragen van derden aan gezamenlijke evenementen worden niet beschouwd deel uit te maken van de eigen middelen van een Europese politieke partij.

4.  Europese politieke partijen gebruiken het gedeelte van de bijdrage dat niet is gebruikt binnen het begrotingsjaar waarop die bijdrage betrekking heeft, alvorens bijdragen te gebruiken die na dat jaar zijn toegekend.

5.  Alle rente op de voorfinancieringsbetalingen wordt beschouwd als deel van de bijdrage.

Artikel 204 terdecies

Verslag over het gebruik van de bijdragen

1.  Overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 moet de Europese politieke partij haar jaarlijkse verslag over het gebruik van de bijdrage en haar jaarrekeningen ter goedkeuring indienen bij de bevoegde ordonnateur.

2.  Op basis van het jaarlijkse verslag en de jaarrekeningen bedoeld in lid 1 van dit artikel stelt de bevoegde ordonnateur zijn in artikel 66, lid 9, van deze verordening bedoeld jaarlijks activiteitenverslag op. Voor het opstellen van dat verslag mag hij of zij andere bewijsstukken gebruiken.

Artikel 204 quaterdecies

Betaling van het saldo

1.  Het bedrag van de bijdrage wordt pas definitief vastgesteld na de goedkeuring van het jaarlijkse verslag en de jaarrekeningen bedoeld in artikel 204 terdecies, lid 1, door de bevoegde ordonnateur. De goedkeuring van het jaarverslag en de jaarrekeningen laat latere controles door de Autoriteit onverlet.

2.  Ongebruikte voorfinanciering wordt pas definitief vastgesteld nadat het door de Europese politieke partij is gebruikt voor het betalen van vergoedbare uitgaven die voldoen aan de in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen gedefinieerde criteria.

3.  Indien de Europese politieke partij haar verplichtingen met betrekking tot het gebruik van de bijdrage niet nakomt, wordt de bijdrage opgeschort, verlaagd of ingetrokken nadat de Europese politieke partij in de gelegenheid is gesteld haar opmerkingen te formuleren.

4.  De bevoegde ordonnateur verifieert vóór de betaling van het saldo of de Europese politieke partij nog steeds in het in artikel 7 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bedoelde register is opgenomen en vanaf de datum van haar verzoek tot het einde van het begrotingsjaar waarop de bijdrage betrekking heeft aan geen van de in artikel 27 van deze verordening genoemde sancties is onderworpen.

5.  Indien de Europese politieke partij niet langer in het in artikel 7 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bedoelde register is opgenomen of aan een in artikel 27 van deze verordening genoemde sanctie is onderworpen, kan de bevoegde ordonnateur de bijdrage opschorten, verlagen of intrekken en het bedrag terugvorderen dat op grond van het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage ten onrechte was uitbetaald; dit beslist hij in verhouding tot de ernst van de fouten, onregelmatigheden, fraude of andere schendingen van de verplichtingen met betrekking tot het gebruik van de bijdrage en nadat de Europese politieke partij in de gelegenheid is gesteld haar opmerkingen te formuleren.

Artikel 204 quindecies

Controle en sancties

1.  In elk besluit of elke overeenkomst tot toekenning van een bijdrage wordt uitdrukkelijk bepaald dat het Europees Parlement, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en de Rekenkamer bevoegd zijn bij alle Europese politieke partijen, contractanten en subcontractanten die financiering van de Unie hebben ontvangen, controles op stukken en controles ter plaatse uit te voeren.

2.  De bevoegde ordonnateur kan de aanvragers overeenkomstig artikel 109 van deze verordening en artikel 27 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties opleggen.

3.  De in lid 2 bedoelde sancties kunnen ook worden opgelegd aan Europese politieke partijen die ten tijde van de indiening van het verzoek om een bijdrage of na ontvangst van de bijdrage valse verklaringen hebben afgelegd bij het verstrekken van de door de bevoegde ordonnateur gevraagde inlichtingen of die nalaten deze inlichtingen te verstrekken.

Artikel 204 sexdecies

Bewaren van gegevens

1.  Europese politieke partijen bewaren alle gegevens en bewijsstukken met betrekking tot de bijdrage tot vijf jaar na het indienen van het jaarlijkse eindverslag en de jaarrekeningen zoals bedoeld in artikel 204 terdecies, lid 1.

2.  Gegevens met betrekking tot audits, verhaalprocedures, geschillen of de afwikkeling van claims die voortvloeien uit het gebruik van de bijdrage, worden bewaard tot deze audits, verhaalprocedures, geschillen of claims tot een einde zijn gebracht.

Artikel 204 septdecies

Selectie van externe auditinstanties of -deskundigen

De in artikel 23 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bedoelde onafhankelijke externe auditinstanties of -deskundigen worden geselecteerd door middel van een openbare aanbestedingsprocedure. De looptijd van hun contract bedraagt ten hoogste vijf jaar. Na twee opeenvolgende termijnen worden zij geacht tegenstrijdige belangen te hebben die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de uitvoering van de audit.

▼B



DEEL 3

SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 205

Overgangsbepalingen

1.  Wat de in artikel 175, lid 1, genoemde Fondsen betreft, waarvoor de basishandelingen vóór 1 januari 2013 zijn ingetrokken, mogen kredieten die uit hoofde van artikel 178 zijn vrijgemaakt, worden wederopgevoerd in geval van een slechts aan de Commissie toe te rekenen kennelijke fout of overmacht met ernstige gevolgen voor de uitvoering van de door deze fondsen gesteunde verrichtingen.

2.  Wat betreft de kredietoverschrijvingen die betrekking hebben op beleidsuitgaven als vermeld in de Verordeningen (EG) nr. 1260/1999, (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 1080/2006, (EG) nr. 1081/2006, (EG) nr. 1083/2006, (EG) nr. 1084/2006 en (EG) nr. 1198/2006, waarvoor nog betalingen van de Unie moeten worden verricht met het oog op de financiële afwikkeling van bedragen die de Unie, in afwachting van de beëindiging van de steunregeling, nog betaalbaar moet stellen, kan de Commissie kredieten overschrijven van de ene titel naar de andere, mits het om kredieten gaat die voor dezelfde doelstelling bestemd zijn of betrekking hebben op initiatieven van de Unie of op technische bijstand en innoverende acties en zij worden overgeschreven naar maatregelen van dezelfde aard.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake overgangsbepalingen.

Artikel 206

Verzoeken om informatie van het Europees Parlement en de Raad

Het Europees Parlement en de Raad zijn gerechtigd alle terzake doende inlichtingen en verantwoordingen te verkrijgen die betrekking hebben op tot hun respectieve bevoegdheden behorende begrotingsvraagstukken.

Artikel 207

Drempelwaarden en bedragen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende alle in deze verordening genoemde drempelwaarden en bedragen, onverminderd artikel 118.

Artikel 208

Financiële kaderregeling voor de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen

1.  De Commissie is bevoegd door middel van een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 210 een financiële kaderregeling vast te stellen voor de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid die bijdragen uit de begroting ontvangen.

De financiële kaderregeling is gebaseerd op de in deze verordening vervatte beginselen en regels.

De financiële regels voor deze organen wijken slechts van de financiële kaderregeling af voor zover hun specifieke behoeften zulks vereisen, en met voorafgaande instemming van de Commissie.

2.  De kwijting voor de uitvoering van de begroting van de in lid 1 bedoelde organen wordt verleend door het Europees Parlement, op aanbeveling van de Raad. De in lid 1 bedoelde organen werken volledig samen met de instellingen die bij de kwijtingsprocedure betrokken zijn, en verstrekt, waar nodig, de vereiste aanvullende informatie, onder meer in de vergaderingen van de relevante organen.

3.  Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde organen oefent de intern controleur van de Commissie dezelfde bevoegdheden uit als die welke hij uitoefent met betrekking tot de Commissie.

4.  Een onafhankelijke extern controleur verifieert dat de jaarrekeningen van elk van de in lid 1 bedoelde organen de inkomsten, uitgaven en financiële positie van het desbetreffende orgaan correct weergeven, voordat deze in de eindrekeningen van de Commissie worden geconsolideerd. Tenzij anders is bepaald in de basishandeling tot oprichting van een in lid 1 bedoeld orgaan, bereidt de Rekenkamer een speciaal jaarverslag voor over elk orgaan overeenkomstig de eisen van artikel 287, lid 1, VWEU. Bij de voorbereiding van dit verslag houdt de Rekenkamer rekening met de controlewerkzaamheden van de onafhankelijke extern controleur en de maatregelen die naar aanleiding van zijn bevindingen zijn genomen.

Artikel 209

Financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen

►M3  1. ◄   De bij een basishandeling opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd, stellen hun financiële regels vast.

Deze regels omvatten een geheel van beginselen dat een goed financieel beheer van de middelen van de Unie waarborgt.

De Commissie is bevoegd door middel van een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 210 een financiële modelregeling op basis van artikel 60 vast te stellen waarin de beginselen die noodzakelijk zijn om te komen tot een goed financieel beheer van de middelen van de Unie worden vastgelegd.

De financiële regels voor deze organen wijken slechts van de financiële modelregeling af voor zover hun specifieke behoeften zulks vereisen, en met voorafgaande instemming van de Commissie.

▼M3

2.  De leden 2, 3 en 4 van artikel 208 zijn van toepassing.

▼B

Artikel 210

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in de artikelen 8, 11, 13, 19, 21, 22, 23, 25, 26, 29, 30, 31, 34, 35, 38, 41, 44, 49, 53, 54, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 68, 69, 70, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 89, 90, 92, 93, 98, 99, 100, 101, 103, 104, 105, 106, 107, 108, 109, 110, 111, 112, 113, 114, 115, 116, 117, 118, 119, 121, 122, 123, 124, 125, 126, 128, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 135, 137, 138, 139, 140, 142, 144, 183, 184, 186, 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 195, 196, 199, 201, 203, 204, 205, 207, 208 en 209 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend tot het eind van het in artikel 312 VWEU genoemde eerste meerjarig financieel kader na 2013. De Commissie stelt uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van het eerste meerjarig financieel kader na 2013 een verslag over de bevoegdheidsdelegatie op. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met termijnen die overeenstemmen met de looptijd van de daarop volgende meerjarige financiële kaders, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van de looptijd van het overeenstemmende meerjarig financieel kader, tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement en de Raad kan de in de artikelen 8, 11, 13, 19, 21, 22, 23, 25, 26, 29, 30, 31, 34, 35, 38, 41, 44, 49, 53, 54, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 68, 69, 70, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 89, 90, 92, 93, 98, 99, 100, 101, 103, 104, 105, 106, 107, 108, 109, 110, 111, 112, 113, 114, 115, 116, 117, 118, 119, 121, 122, 123, 124, 125, 126, 128, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 135, 137, 138, 139, 140, 142, 144, 181, 183, 184, 186, 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 195, 196, 199, 201, 203, 204, 205, 207, 208 en 209 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, doet zij daarvan gelijktijdige kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig de artikelen 8, 11, 13, 19, 21, 22, 23, 25, 26, 29, 30, 31, 34, 35, 38, 41, 44, 49, 53, 54, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 68, 69, 70, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 89, 90, 92, 93, 98, 99, 100, 101, 103, 104, 105, 106, 107, 108, 109, 110, 111, 112, 113, 114, 115, 116, 117, 118, 119, 121, 122, 123, 124, 125, 126, 128, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 135, 137, 138, 139, 140, 142, 144, 181, 183, 184, 186, 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 195, 196, 199, 201, 203, 204, 205, 207, 208 en 209 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van deze handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 211

Herziening

Deze verordening wordt herzien telkens wanneer zulks nodig is, en in elk geval uiterlijk twee jaar voor afloop van het eerste meerjarig financieel kader na 2013.

▼M3

Onder een dergelijke herziening vallen onder meer de uitvoering van de bepalingen van deel 1, titel VIII, en de termijnen van artikel 163, lid 1.

▼B

Artikel 212

Intrekking

Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 wordt met ingang van 1 januari 2013 ingetrokken, met uitzondering van:

a) de artikelen 53 tot en met 57, die van toepassing blijven op alle tot 31 december 2013 gedane vastleggingen;

b) artikel 166, lid 3, onder a), dat van toepassing blijft op alle tot 31 december 2012 gedane vastleggingen; en

c) artikel 166, lid 3, onder b), dat van toepassing blijft op alle tussen 1 januari 2013 en 31 december 2013 gedane vastleggingen.

Mocht de bevoegde ordonnateur zo beslissen, met inachtneming van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie, kan titel VI van deel 1 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 kan van toepassing blijven op subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten welke tot en met 31 december 2013 ondertekend c.q. bekendgemaakt zijn in het kader van algemene vastleggingen van de begroting voor 2012 of voor vroegere jaren.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening, volgens de concordantietabel in de bijlage.

Artikel 213

Herziening in verband met de EDEO

Artikel 68, lid 1, derde alinea, en artikel 98, lid 2, tweede alinea, worden in 2013 herzien, waarbij terdege rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van de EDEO en met name van de delegaties van de Unie en, indien van toepassing, met een adequate capaciteit voor financieel beheer van de EDEO.

Artikel 214

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2013, met uitzondering van:

a) de artikelen 58 tot en met 63, die slechts van toepassing zijn op vanaf 1 januari 2014 gedane vastleggingen.

b) artikel 50, lid 1, tweede alinea, onder c), en de artikelen 82, 139 en 140, die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2014;

c) de artikelen 177, 179 en 210, die van toepassing zijn vanaf 27 oktober 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE



CORRELATIETABEL

Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad

Nieuwe verordening

Titels

DEEL 1

DEEL 1

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

TITEL I

TITEL I

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Artikel 1

Onderwerp

Artikel 2

Definities

Artikel 2

Artikel 3

Overeenstemming van afgeleid recht met deze verordening

Artikel 5

Bescherming van persoonsgegevens

TITEL II

TITEL II

BEGROTINGSBEGINSELEN

Artikel 3

Artikel 6

Eerbiediging van begrotingsbeginselen

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 1

Eenheidsbeginsel en begrotingswaarachtigheidsbeginsel

Artikel 4

Artikel 7

Toepassingsgebied van de begroting

Artikel 5

Artikel 8

Specifieke regels betreffende het eenheidsbeginsel en het begrotingswaarachtigheidsbeginsel

Artikel 5 bis

Artikel 4

Termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 2

Jaarperiodiciteitsbeginsel

Artikel 6

Artikel 9

Omschrijving

Artikel 7

Artikel 10

Soorten kredieten

Artikel 8

Artikel 11

Boekhouding voor ontvangsten en kredieten

Artikel 9

Artikel 13

Annulering en overdracht van kredieten

Artikel 10

Artikel 14

Regels betreffende de overdracht van bestemmingsontvangsten

Artikel 11

Artikel 15

Vrijmaking van kredieten

Artikel 12

Artikel 12

Vastlegging van kredieten

Artikel 13

Artikel 16

Regels bij vaststelling van de begroting met vertraging

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 3

Evenwichtsbeginsel

Artikel 14

Artikel 17

Definitie en toepassingsgebied

Artikel 15

Artikel 18

Saldo van het begrotingsjaar

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 4

Rekeneenheidsbeginsel

Artikel 16

Artikel 19

Gebruik van de euro

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 5

Universaliteitsbeginsel

Artikel 17

Artikel 20

Definitie en toepassingsgebied

Artikel 18

Artikel 21

Bestemmingsontvangsten

Artikel 19

Artikel 22

Schenkingen

Artikel 20

Artikel 23

Regels betreffende inhoudingen en verrekening van koersverschillen

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 6

Specialiteitsbeginsel

Artikel 21

Artikel 24

Algemene bepalingen

Artikel 22

Artikel 25

Overschrijvingen door andere instellingen dan de Commissie

Artikel 23

Artikel 26

Overschrijvingen door de Commissie

Artikel 24

Artikel 27

Aan het Europees Parlement en de Raad door de instellingen voorgelegde voorstellen voor overschrijvingen

Artikel 25

Artikel 28

Specifieke voorschriften voor overschrijvingen

Artikel 26

Artikel 29

Overschrijvingen onderworpen aan bijzondere bepalingen

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 7

Beginsel van goed financieel beheer

Artikel 27

Artikel 30

Beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid

Artikel 28

Artikel 31

Verplicht financieel memorandum

Artikel 32

Interne controle op de begrotingsuitvoering

Artikel 33

Kosteneffectieve controlesystemen

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 8

Transparantiebeginsel

Artikel 29

Artikel 34

Bekendmaking van de rekeningen, begrotingen en verslagen

Artikel 30

Artikel 35

Bekendmaking van informatie over ontvangers en andere informatie

TITEL III

TITEL III

OPSTELLING EN STRUCTUUR VAN DE BEGROTING

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 1

Opstelling van de begroting

Artikel 31

Artikel 26

Raming van uitgaven en ontvangsten

Artikel 32

Artikel 37

Geraamde begroting van de in artikel 200 bedoelde organen

Artikel 33

Artikel 38

Ontwerpbegroting

Artikel 34

Artikel 39

Nota van wijzigingen bij de ontwerpbegroting

Artikel 35

Artikel 36

Artikel 40

Verplichtingen van de lidstaten als gevolg van de goedkeuring van de begroting

Artikel 37

Artikel 41

Ontwerpen van gewijzigde begroting

Artikel 38

Artikel 39

Artikel 42

Vervroegde indiening van de ramingen en ontwerpbegrotingen

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 2

Structuur en inrichting van de begroting

Artikel 40

Artikel 43

Structuur van de begroting

Artikel 41

Artikel 44

Begrotingsnomenclatuur

Artikel 42

Artikel 45

Verbod op negatieve ontvangsten

Artikel 43

Artikel 46

Voorzieningen

Artikel 44

Artikel 47

Negatieve reserve

Artikel 45

Artikel 48

Reserve voor noodhulp

Artikel 46

Artikel 49

Inrichting van de begroting

Artikel 47

Artikel 50

Regels betreffende de personeelsformaties

HOOFDSTUK 3

Begrotingsdiscipline

Artikel 51

Overeenstemming van de begroting met het meerjarig financieel kader

Artikel 52

Overeenstemming van handelingen van de Unie met de begroting

TITEL IV

TITEL IV

UITVOERING VAN DE BEGROTING

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 1

Bepalingen van algemene aard

Artikel 48

Artikel 53

Begrotingsuitvoering volgens goed financieel beheer

Artikel 49

Artikel 54

Basishandeling en uitzonderingen

Artikel 50

Artikel 55

Uitvoering van de begroting door andere instellingen dan de Commissie

Artikel 51

Artikel 56

Delegatie van bevoegdheden tot uitvoering van de begroting

Artikel 52

Artikel 57

Belangenconflicten

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 2

Wijze van uitvoering

Artikel 53

Artikel 58

Wijzen van uitvoering van de begroting

Artikel 53 bis

Artikel 53 ter

Artikel 59

Gedeeld beheer met de lidstaten

Artikel 53 quater

Artikel 60

Indirect beheer

Artikel 53 quinquies

Artikel 54

Artikel 61

Voorafgaande evaluaties en delegatieovereenkomsten

Artikel 55

Artikel 62

Uitvoerende agentschappen

Artikel 56

Artikel 57

Artikel 63

Grenzen aan de delegatie van bevoegdheden

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 3

Financiële actoren

Afdeling 1

Afdeling 1

Beginsel van scheiding van functies

Artikel 58

Artikel 64

Scheiding van functies

Afdeling 2

Afdeling 2

De ordonnateur

Artikel 59

Artikel 65

De ordonnateur

Artikel 60

Artikel 66

Bevoegdheden en taken van de ordonnateur

Artikel 60 bis

Artikel 67

Bevoegdheden en taken van de hoofden van de delegaties van de Unie

Afdeling 3

Afdeling 3

De rekenplichtige

Artikel 61

Artikel 68

Bevoegdheden en taken van de rekenplichtige

Artikel 62

Artikel 69

Bevoegdheden die de rekenplichtige kan delegeren

Afdeling 4

Afdeling 4

De beheerder van gelden ter goede rekening

Artikel 63

Artikel 70

Beheer van gelden ter goede rekening

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 4

Verantwoordelijkheid van financiële actoren

Afdeling 1

Afdeling 1

Algemene regels

Artikel 64

Artikel 71

Intrekking van de delegatie en ontheffing van functies gegeven aan financiële actoren

Artikel 65

Artikel 72

Verantwoordelijkheid van de ordonnateur voor illegale activiteiten, fraude of corruptie

Afdeling 2

Afdeling 2

Regels betreffende de bevoegde ordonnateurs

Artikel 66

Artikel 73

Regels betreffende de ordonnateurs

Afdeling 3

Afdeling 3

Regels betreffende de rekenplichtigen en de beheerders van gelden ter goede rekening

Artikel 67

Artikel 74

Regels betreffende de rekenplichtigen

Artikel 68

Artikel 75

Regels betreffende de beheerders van gelden ter goede rekening

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 5

Ontvangsten

Afdeling 1

Afdeling 1

Terbeschikkingstelling van eigen middelen

Artikel 69

Artikel 76

Eigen middelen

Afdeling 2

Afdeling 2

Raming van schuldvorderingen

Artikel 70

Artikel 77

Raming van schuldvorderingen

Afdeling 3

Afdeling 3

Vaststelling van schuldvorderingen

Artikel 71

Artikel 78

Vaststelling van schuldvorderingen

Afdeling 4

Afdeling 4

Invorderingsopdrachten

Artikel 72

Artikel 79

Invorderingsopdrachten

Afdeling 5

Afdeling 5

Invordering

Artikel 73

Artikel 80

Regels betreffende de invordering

Artikel 73 bis

Artikel 81

Verjaringstermijn

Artikel 82

Nationale behandeling voor vorderingen van de Unie

Artikel 74

Artikel 83

Door de Commissie opgelegde boetes, dwangsommen en rente hierover

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 6

Uitgaven

Artikel 75

Artikel 84

Financieringsbesluiten

Afdeling 1

Afdeling 1

Vastlegging van uitgaven

Artikel 76

Artikel 85

Soorten vastleggingen

Artikel 77

Artikel 86

Regels betreffende vastleggingen

Artikel 78

Artikel 87

Toetsen betreffende vastleggingen

Afdeling 2

Afdeling 2

Betaalbaarstelling

Artikel 79

Artikel 88

Betaalbaarstelling

Afdeling 3

Afdeling 3

Betalingsopdracht

Artikel 80

Artikel 89

Betalingsopdracht

Afdeling 4

Afdeling 4

Betaling van uitgaven

Artikel 81

Artikel 90

Soorten betalingen

Artikel 82

Artikel 91

Betalingen binnen de grenzen van de beschikbare middelen

Afdeling 5

Afdeling 5

Termijnen voor de uitgavenverrichtingen

Artikel 83

Artikel 92

Termijnen

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 7

Computersystemen en e-bestuur

Artikel 84

Artikel 93

Elektronisch beheer van verrichtingen

Artikel 94

Verzending van documenten

Artikel 95

e-bestuur

HOOFDSTUK 8

Administratieve beginselen

Artikel 96

Goed bestuur

Artikel 97

Vermelding van beroepsmogelijkheden

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

Intern controleur

Artikel 85

Artikel 98

Aanwijzing van een intern controleur

Artikel 86

Artikel 99

Bevoegdheden en taken van de intern controleur

Artikel 87

Artikel 100

Onafhankelijkheid van de intern controleur

TITEL V

TITEL V

PLAATSEN VAN OVERHEIDSOPDRACHTEN

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 1

Bepalingen van algemene aard

Afdeling 1

Afdeling 1

Toepassingsgebied en gunningsbeginselen

Artikel 88

Artikel 101

Definitie van overheidsopdrachten

Artikel 89

Artikel 102

Op overheidsopdrachten toepasselijke beginselen

Afdeling 2

Afdeling 2

Bekendmaking

Artikel 90

Artikel 103

Bekendmaking van overheidsopdrachten

Afdeling 3

Afdeling 3

Procedures voor het plaatsen van opdrachten

Artikel 91

Artikel 104

Procedures voor het plaatsen van opdrachten

Artikel 92

Artikel 105

Inhoud van inschrijvingsdocumenten

Artikel 93

Artikel 106

Criteria voor de uitsluiting van deelname aan aanbestedingsprocedures

Artikel 94

Artikel 107

Criteria voor uitsluiting van gunning

Artikel 95

Artikel 108

Centrale gegevensbank van uitsluitingen

Artikel 96

Artikel 109

Administratieve en financiële sancties

Artikel 97

Artikel 110

Gunningscriteria voor opdrachten

Artikel 98

Artikel 111

Indiening van offertes

Artikel 99

Artikel 112

Beginselen van gelijke behandeling en transparantie

Artikel 100

Artikel 113

Het gunningsbesluit

Artikel 101

Artikel 114

Annulering van de procedure

Afdeling 4

Afdeling 4

Zekerheden en corrigerende maatregelen

Artikel 102

Artikel 115

Zekerheden

Artikel 103

Artikel 116

Fouten, onregelmatigheden en fraude

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 2

Bepalingen betreffende de door de instellingen voor eigen rekening geplaatste opdrachten

Artikel 104

Artikel 117

De aanbestedende dienst

Artikel 105

Artikel 118

Toepasselijke drempelwaarden

Artikel 106

Artikel 119

Regels betreffende de deelneming aan inschrijvingen

Artikel 107

Artikel 120

Regels voor het plaatsen van opdrachten van de Wereldhandelsorganisatie

TITEL VI

TITEL VI

SUBSIDIES

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 1

Toepassingsgebied en vorm van subsidies

Artikel 108

Artikel 121

Toepassingsgebied

Artikel 122

Begunstigden

Artikel 108 bis

Artikel 123

Vormen van subsidies

Artikel 124

Vaste bedragen, eenheidskosten en forfaitaire financiering

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 2

Beginselen

Artikel 109

Artikel 125

Algemene beginselen van toepassing op subsidies

Artikel 126

Subsidiabele kosten

Artikel 127

Medefinanciering in natura

Artikel 110

Artikel 128

Transparantie

Artikel 111

Artikel 129

Beginsel van niet-cumuleerbaarheid

Artikel 112

Artikel 130

Verbod op terugwerkende kracht

Artikel 113

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 3

Toekenningsprocedure

Artikel 114

Artikel 131

Subsidieaanvragen

Artikel 115

Artikel 132

Selectie- en toekenningscriteria

Artikel 116

Artikel 133

Evaluatieprocedure

Artikel 117

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 4

Betaling en controle

Artikel 118

Artikel 134

Zekerheid voor voorfinancieringen

Artikel 119

Artikel 135

Betaling van subsidies en controles

Artikel 136

Termijnen voor het bijhouden van gegevens

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 5

Uitvoering

Artikel 120

Artikel 137

Uitvoeringsopdrachten en financiële steun aan derden

TITEL VII

PRIJZEN

Artikel 138

Algemene regels

TITEL VIII

FINANCIERINGSINSTRUMENTEN

Artikel 139

Toepassingsgebied

Artikel 140

Op financieringsinstrumenten toepasselijke beginselen en voorwaarden

TITEL VII

TITEL IX

REKENING EN VERANTWOORDING EN BOEKHOUDING

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 1

Rekening en verantwoording

Artikel 121

Artikel 141

Structuur van de rekeningen

Artikel 122

Artikel 142

Verslag over het begrotings- en financieel beheer

Artikel 123

Artikel 143

Regels betreffende de rekeningen

Artikel 124

Artikel 144

Boekhoudbeginselen

Artikel 125

Artikel 126

Artikel 145

Financiële staten

Artikel 127

Artikel 146

Verslagen over de uitvoering van de begroting

Artikel 128

Artikel 147

Voorlopige rekeningen

Artikel 129

Artikel 148

Goedkeuring van de definitieve geconsolideerde rekeningen

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 2

Informatie over de uitvoering van de begroting

Artikel 130

Artikel 149

Verslag over de begrotingsgaranties en risico's

Artikel 131

Artikel 150

Informatie over de uitvoering van de begroting

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 3

Boekhouding

Afdeling 1

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 132

Artikel 151

Het boekhoudsysteem

Artikel 133

Artikel 152

Gemeenschappelijke eisen betreffende het boekhoudsysteem van de instellingen

Afdeling 2

Afdeling 2

Algemene boekhouding

Artikel 134

Artikel 153

De algemene boekhouding

Artikel 135

Artikel 154

Boekingen in de algemene boekhouding

Artikel 136

Artikel 155

Boekhoudkundige correcties

Afdeling 3

Afdeling 3

Begrotingsboekhouding

Artikel 137

Artikel 156

De begrotingsboekhouding

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 4

Inventaris van de vaste activa

Artikel 138

Artikel 157

De inventaris

TITEL VIII

TITEL X

EXTERNE CONTROLE EN KWIJTING

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 1

Externe controle

Article 139

Artikel 158

Externe controle door de Rekenkamer

Artikel 140

Artikel 159

Regels en procedure voor de controle

Artikel 141

Artikel 160

Toetsen betreffende waardepapieren en kasmiddelen

Artikel 142

Artikel 161

Recht van toegang van de Rekenkamer

Artikel 143

Artikel 162

Jaarverslag van de Rekenkamer

Artikel 144

Artikel 163

Speciale verslagen van de Rekenkamer

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 2

Kwijting

Artikel 145

Artikel 164

Tijdschema voor de kwijtingsprocedure

Artikel 146

Artikel 165

De kwijtingsprocedure

Artikel 147

Artikel 166

Follow-upmaatregelen

Artikel 147 bis

Artikel 167

Specifieke bepalingen voor de EDEO

DEEL 2

DEEL 2

BIJZONDERE BEPALINGEN

TITEL I

TITEL I

EUROPEES LANDBOUWGARANTIEFONDS

Artikel 148

Artikel 168

Bijzondere bepalingen betreffende het Europees Landbouwgarantiefonds

Artikel 149

Artikel 169

Vastlegging van middelen van het ELGF

Artikel 150

Artikel 170

Globale voorlopige vastleggingen van ELGF-kredieten

Artikel 151

Artikel 171

Tijdschema voor vastleggingen voor het ELGF in de begroting

Artikel 152

Artikel 172

Boekhouding van de ELGF-uitgaven

Artikel 153

Artikel 173

Overschrijving van ELGF-kredieten

Artikel 154

Artikel 174

ELGF-bestemmingsontvangsten

TITEL II

TITEL II

STRUCTUURFONDSEN, HET COHESIEFONDS, HET EUROPEES VISSERIJFONDS, HET EUROPEES LANDBOUWFONDS VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING, EN DE GEDEELD BEHEERDE FONDSEN OP HET GEBIED VAN VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHTVAARDIGHEID

Artikel 155

Artikel 175

Bijzondere bepalingen

Artikel 176

Inachtneming van de toewijzingen aan vastleggingskredieten

Artikel 156

Artikel 177

Betalingen van bijdragen, tussentijdse betalingen en terugbetalingen

Artikel 157

Artikel 178

Annulering van kredieten

Artikel 158

Artikel 179

Overschrijving van kredieten

Artikel 159

Artikel 180

Beheer, selectie en controle

TITEL III

TITEL III

ONDERZOEK

Artikel 160

Artikel 181

Middelen voor onderzoek

Artikel 160 bis

Artikel 182

Vastleggingen van middelen voor onderzoek

Artikel 161

Artikel 183

Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC)

TITEL IV

TITEL IV

EXTERNE MAATREGELEN

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 1

Bepalingen van algemene aard

Artikel 162

Artikel 184

Externe maatregelen

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 2

Uitvoering van de maatregelen

Afdeling 1

Bepalingen van algemene aard

Artikel 163

Artikel 185

Uitvoering van externe maatregelen

Afdeling 2

Begrotingssteun en door meerdere donoren gefinancierde trustfondsen

Artikel 186

Gebruik van begrotingssteun

Artikel 164 (ingetrokken)

Artikel 187

Trustfondsen van de Unie voor externe maatregelen

Afdeling 3

Andere beheerswijzen

Artikel 165

Artikel 188

Uitvoering van externe maatregelen via indirect beheer

Artikel 166

Artikel 189

Financieringsovereenkomsten over de uitvoering van externe maatregelen

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 3

Plaatsen van overheidsopdrachten

Artikel 167

Artikel 190

Opdrachten voor externe maatregelen

Artikel 168

Artikel 191

Regels betreffende de deelneming aan inschrijvingsprocedures

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 4

Subsidies

Artikel 169

Artikel 192

Volledige financiering van een externe maatregel

Artikel 169 bis

Artikel 193

Regels betreffende subsidies voor externe maatregelen

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 5

Controle van de rekeningen

Artikel 170

Artikel 194

Controle van de Unie van externe maatregelen

TITEL V

TITEL V

EUROPESE BUREAUS

Artikel 171

Artikel 195

De Europese bureaus

Artikel 172

Artikel 196

Kredieten voor de Europese bureaus

Artikel 173

Artikel 197

Ordonnateur van de Europese bureaus

Artikel 174

Artikel 198

De boekhouding van de interinstitutionele Europese bureaus

Artikel 174 bis

Artikel 199

Delegatie van bevoegdheden van de ordonnateur aan interinstitutionele Europese bureaus

Artikel 175

Artikel 200

Diensten aan derden

Artikel 176 (ingetrokken)

TITEL VI

TITEL VI

ADMINISTRATIEVE KREDIETEN

Artikel 177

Artikel 201

Algemene bepalingen

Artikel 178

Artikel 202

Vastleggingen

Artikel 179

Artikel 203

Specifieke bepalingen betreffende administratieve kredieten

TITEL VII

TITEL VII

DESKUNDIGEN

Artikel 179 bis

Artikel 204

Bezoldigde externe deskundigen

DEEL 3

DEEL 3

SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

TITEL I

Artikel 180 (ingetrokken)

Artikel 181

Artikel 205

Overgangsbepalingen

TITEL II

Artikel 182

Artikel 206

Verzoeken om informatie van het Europees Parlement en de Raad

Artikel 207

Drempelwaarden en bedragen

Artikel 183

Artikel 210

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Artikel 185

Artikel 208

Financiële kaderregeling voor de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen

Artikel 209

Financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen

Artikel 184

Artikel 211

Herziening

Artikel 186

Artikel 212

Intrekking

Artikel 186 bis

Artikel 213

Herziening in verband met de EDEO

Artikel 187

Artikel 214

Inwerkingtreding




GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING INZAKE MET HET MFK VERBAND HOUDENDE KWESTIES

"Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie komen overeen dat het Financieel Reglement wordt herzien om wijzigingen te kunnen aanbrengen die nodig zijn geworden als gevolg van de resultaten van de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, onder meer over de volgende kwesties:

 de regels inzake overdracht voor de reserve voor noodhulp en voor projecten welke in het kader van de Connecting Europe-faciliteit worden gefinancierd;

 de overdracht van ongebruikte kredieten en van het begrotingssaldo, alsmede het daarmee samenhangende voorstel om deze middelen in een reserve voor betalingen en vastleggingen op te nemen;

 de mogelijke integratie van het Europees Ontwikkelingsfonds in de Uniebegroting;

 de behandeling van middelen die voortvloeien uit de overeenkomsten inzake de bestrijding van illegale handel in tabaksproducten."




GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING OVER UITGAVEN MET BETREKKING TOT ONROEREND GOED ONDER VERWIJZING NAAR ARTIKEL 203

"Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hebben overeenstemming bereikt over de volgende punten:

1. de procedure voor vroege waarschuwing als bedoeld in artikel 203, lid 4, en de procedure voor voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 203, lid 5, zijn niet van toepassing op de verwerving van grond die gratis of tegen een symbolisch bedrag gebeurt;

2. alle verwijzingen naar „gebouwen” in artikel 203 gelden alleen voor niet voor bewoning bestemde gebouwen. Het Europees Parlement en de Raad kunnen informatie opvragen met betrekking tot voor bewoning bestemde gebouwen;

3. in uitzonderlijke of dringende politieke omstandigheden kan de informatie betreffende onroerendgoedprojecten voor EU-delegaties of –kantoren in derde landen als bedoeld in artikel 203, lid 4, tezamen met het onroerendgoedproject overeenkomstig artikel 203, lid 5, worden ingediend; In deze gevallen verplichten het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zich ertoe het onroerendgoedproject zo spoedig mogelijk te behandelen;

4. de procedure voor voorafgaande toestemming als voorzien in artikel 203, leden 5 en 6, is niet van toepassing op voorbereidende contracten of studies die nodig zijn om de precieze kosten en de financiering van het onroerendgoedproject te beoordelen;

5. de drempelwaarden van 750 000 euro en 3 000 000 euro die worden genoemd in artikel 203, lid 7, onder (ii) tot en met (iv), omvatten ook de inrichting van het gebouw; voor huurcontracten gelden deze drempelwaarden voor de huur zonder servicekosten, maar omvatten zij wel de kosten voor de inrichting van het gebouw;

6. de in artikel 203, lid 3, onder a), bedoelde uitgaven omvatten geen servicekosten;

7. een jaar na de inwerkingtreding van het Financieel Reglement brengt de Commissie verslag uit over de toepassing van de in artikel 203 bedoelde procedures.".




GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE BETREFFENDE ARTIKEL 195, LID 3

"Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie komen overeen dat er gelijkwaardige bepalingen zullen worden opgenomen in de financiële kaderregeling voor de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen."



( 1 ) PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

( 2 ) PB L 124 van 8.6.1971, blz. 1.

( 3 ) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

( 4 ) PB L 130 van 31.5.2000, blz. 1.

( 5 ) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

( 6 ) PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30.

( 7 ) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.

( 8 ) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

( 9 ) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

( 10 ) PB C 316 van 27.11.1995, blz. 48.

( 11 ) PB C 195 van 25.6.1997, blz. 1.

( 12 ) Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de privé-sector (PB L 192 van 31.7.2003, blz. 54).

( 13 ) Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42).

( 14 ) Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15).

( 15 ) Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3).

( 16 ) Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1).

( 17 ) Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

( 18 ) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

( 19 ) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

( 20 ) PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1.

( 21 ) Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1).

( 22 ) PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

( 23 ) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

( 24 ) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

( 25 ) PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.

( 26 ) PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

( 27 ) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 1.

( 28 ) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 12.

( 29 ) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.

( 30 ) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 79.

( 31 ) PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1.

( 32 ) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

( 33 ) Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013, tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129).

Top