EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02011R0582-20180722

Consolidated text: Verordening (EU) n r. 582/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en tot wijziging van de bijlagen I en III bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (Voor de EER relevante tekst)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/582/2018-07-22

02011R0582 — NL — 22.07.2018 — 009.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) Nr. 582/2011 VAN DE COMMISSIE

van 25 mei 2011

tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en tot wijziging van de bijlagen I en III bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 167 van 25.6.2011, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) Nr. 64/2012 VAN DE COMMISSIE van 23 januari 2012

  L 28

1

31.1.2012

►M2

VERORDENING (EU) Nr. 519/2013 VAN DE COMMISSIE van 21 februari 2013

  L 158

74

10.6.2013

►M3

VERORDENING (EU) Nr. 136/2014 VAN DE COMMISSIE van 11 februari 2014

  L 43

12

13.2.2014

►M4

VERORDENING (EU) Nr. 133/2014 VAN DE COMMISSIE van 31 januari 2014

  L 47

1

18.2.2014

►M5

VERORDENING (EU) Nr. 627/2014 VAN DE COMMISSIE van 12 juni 2014

  L 174

28

13.6.2014

►M6

VERORDENING (EU) 2016/1718 VAN DE COMMISSIE van 20 september 2016

  L 259

1

27.9.2016

►M7

VERORDENING (EU) 2017/1347 VAN DE COMMISSIE van 13 juli 2017

  L 192

1

24.7.2017

►M8

VERORDENING (EU) 2017/2400 VAN DE COMMISSIE van 12 december 2017

  L 349

1

29.12.2017

►M9

VERORDENING (EU) 2018/932 VAN DE COMMISSIE van 29 juni 2018

  L 165

32

2.7.2018




▼B

VERORDENING (EU) Nr. 582/2011 VAN DE COMMISSIE

van 25 mei 2011

tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en tot wijziging van de bijlagen I en III bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)



Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt maatregelen vast ter uitvoering van de artikelen 4, 5, 6 en 12 van Verordening (EG) nr. 595/2009.

Voorts wijzigt zij Verordening (EG) nr. 595/2009 en Richtlijn 2007/46/EG.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„motorsysteem” : de motor, het emissiebeheersingssysteem en de communicatie-interface (apparatuur en berichten) tussen de elektronische regeleenheid of -eenheden van de motor (ECU) en elke andere regeleenheid van de aandrijflijn of van het voertuig;

2.

„accumulatief bedrijfsprogramma” : de verouderingscyclus en de accumulatieve bedrijfsperiode ter bepaling van de verslechteringsfactoren voor de familie van motornabehandelingssystemen;

3.

„motorenfamilie” : een door de fabrikant aangegeven groep motoren die op grond van hun ontwerp overeenkomstig punt 6 van bijlage I vergelijkbare uitlaatemissiekenmerken bezitten; alle leden van de familie voldoen aan de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden;

4.

„motortype” : een categorie motoren die onderling niet verschillen wat de in aanhangsel 4 van bijlage I genoemde essentiële motorkenmerken betreft;

5.

„voertuigtype wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft” : een groep voertuigen die onderling niet verschillen wat de in aanhangsel 4 van bijlage I genoemde essentiële motor- en voertuigkenmerken betreft;

6.

„NOx-verwijderingssysteem” : een systeem voor selectieve katalytische reductie (SCR), een systeem voor NOx-absorptie, passieve of actieve katalysatoren om het NOx-gehalte te verminderen of een ander uitlaatgasnabehandelingssysteem dat is ontworpen om de emissie van stikstofoxiden (NOx) te verminderen;

7.

„uitlaatgasnabehandelingssysteem” : een oxidatie-, drieweg- of andere katalysator, een deeltjesfilter, een NOx-verwijderingssysteem, een combinatie van NOx-verwijderingssysteem en deeltjesfilter of een andere emissiebeperkende voorziening die voorbij de motor is geïnstalleerd;

8.

„boorddiagnosesysteem (OBD-systeem)” :

een systeem aan boord van een voertuig of motor dat:

a) storingen kan opsporen die van invloed zijn op de emissieresultaten van het motorsysteem; en

b) dergelijke storingen kan aangeven door middel van een waarschuwingssysteem; en

c) kan vaststellen waar de storing zich vermoedelijk voordoet via in het computergeheugen opgeslagen informatie en/of informatie kan doorgeven aan systemen buiten het voertuig;

▼M4

9.

„gekwalificeerd beschadigd onderdeel of systeem (Qualified deteriorated component or system — QDC)” : een onderdeel of systeem dat met opzet is beschadigd, bijvoorbeeld door versnelde veroudering of gecontroleerde manipulatie, en dat overeenkomstig bijlage 9B bij VN/ECE-Reglement nr. 49 door de goedkeuringsinstantie is geaccepteerd om de OBD-prestaties van het motorsysteem aan te tonen;

▼B

10.

„ECU” : de elektronische regeleenheid van de motor;

11.

„diagnostische foutcode” : een uit cijfers en/of letters bestaande code waarmee een bepaalde storing wordt aangegeven;

12.

„draagbaar emissiemeetsysteem” : een draagbaar emissiemeetsysteem dat voldoet aan de in aanhangsel 2 van bijlage II opgenomen voorschriften;

13.

„storingsindicator (MI)” : een indicator die deel uitmaakt van het waarschuwingssysteem en de bestuurder van het voertuig duidelijk inlicht bij een storing;

14.

„verouderingscyclus” : het gebruik van het voertuig of de motor (snelheid, lading, vermogen) dat moet plaatsvinden tijdens de accumulatieve bedrijfsperiode;

15.

„kritieke emissiegerelateerde onderdelen” : de volgende onderdelen die hoofdzakelijk zijn ontworpen voor emissiebeheersing: uitlaatgasnabehandelingssystemen, de elektronische regeleenheid van de motor en bijbehorende sensoren en actuatoren en het uitlaatgasrecirculatiesysteem (EGR-systeem) met alle bijbehorende filters, koelers, regelkleppen en buizen;

16.

„kritiek emissiegerelateerd onderhoud” : het onderhoud van kritieke emissiegerelateerde onderdelen;

17.

„emissiegerelateerd onderhoud” : onderhoud dat substantieel van invloed is op emissies of waarschijnlijk van invloed is op emissieverslechtering van het voertuig of de motor tijdens normaal gebruik;

18.

„familie van motornabehandelingssystemen” : een door de fabrikant aangegeven groep motoren die aan de definitie van motorenfamilie voldoen, maar verder worden ingedeeld in groepen motoren met een soortgelijk uitlaatgasnabehandelingssysteem;

▼M4

19.

„Wobbe-index (onderste Wl of bovenste Wu)” :
de verhouding tussen de overeenkomstige calorische waarde van een gas per volume-eenheid en de vierkantswortel van de relatieve dichtheid van het gas onder dezelfde referentieomstandigheden:
image
die ook kan worden uitgedrukt als:
image

20.

„λ-verschuivingsfactor (Sλ)” : een in punt A.5.5.1 van aanhangsel 5 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49 gespecificeerde uitdrukking die de vereiste flexibiliteit van het motormanagementsysteem beschrijft bij een verandering van de verhouding λ (overmaat lucht) indien de motor loopt op een gas met een andere samenstelling dan puur methaan;

▼B

21.

„niet-emissiegerelateerd onderhoud” : onderhoud dat niet substantieel van invloed is op emissies en niet blijvend van invloed is op emissieverslechtering van het voertuig of de motor tijdens normaal gebruik nadat het onderhoud heeft plaatsgevonden;

22.

„OBD-motorenfamilie” : een door de fabrikant aangegeven groep motorsystemen waarbij emissiegerelateerde storingen op dezelfde wijze worden bewaakt en gedetecteerd;

23.

„scanner” : een extern testapparaat dat wordt gebruikt voor gestandaardiseerde communicatie buiten het voertuig met het OBD-systeem, overeenkomstig deze verordening;

24.

„aanvullende emissiestrategie” : een emissiestrategie die naar aanleiding van een specifieke reeks omgevings- en/of bedrijfsomstandigheden actief wordt en een primaire emissiestrategie vervangt of wijzigt met een specifiek doeleinde, en alleen operationeel blijft zolang deze omstandigheden zich voordoen;

25.

„primaire emissiestrategie” : een emissiestrategie die over het hele toerental- en belastingsbereik van de motor actief is, tenzij een aanvullende emissiestrategie is geactiveerd;

26.

„verhouding van de prestaties tijdens het gebruik” : de verhouding tussen het aantal keren dat de omstandigheden zich hebben voorgedaan waarbij een bewakingsfunctie of een groep bewakingsfuncties een storing hadden moeten detecteren en het aantal rijcycli dat van belang is voor die bewakingsfunctie of groep bewakingsfuncties;

27.

„starten van de motor” : omvat het contact maken, het aanslingeren en het starten van de verbranding en eindigt wanneer de motor een toerental bereikt dat 150 min-1 onder het normale stationaire toerental met opgewarmde motor ligt;

28.

„bedrijfscyclus” : een cyclus die bestaat uit het starten van de motor, een bedrijfsperiode (van de motor), het uitschakelen van de motor en de periode tot aan de nieuwe start, waarbij een specifieke OBD-bewaking wordt uitgevoerd en een eventuele storing wordt waargenomen;

29.

„bewaking van de emissiegrens” :

bewaking van een storing die leidt tot overschrijding van de OBD-grenswaarden en die bestaat uit een van de volgende twee handelingen, of beide handelingen:

a) meting van directe emissies via een of meer emissiesensoren in de uitlaat en een model om de correlatie tussen de directe emissies en specifieke emissies in de toepasselijke testcyclus vast te stellen;

b) indicatie van een emissieverhoging door middel van correlatie tussen in de computer ingevoerde en van de computer afkomstige informatie en specifieke emissies in een testcyclus;

30.

„bewaking van prestaties” : het bewaken van storingen door functiecontroles en bewakingsparameters die geen direct verband houden met emissiegrenzen. Deze bewaking geschiedt doorgaans op onderdelen of systemen om te controleren of deze binnen het juiste bereik functioneren;

31.

„rationaliteitsstoring” : een storing waarbij een afzonderlijke sensor of afzonderlijk onderdeel een ander signaal afgeeft dan verwacht in vergelijking met signalen afkomstig van andere sensoren of onderdelen in het controlesysteem, waaronder gevallen waarin alle gemeten signalen en gegevens van de onderdelen afzonderlijk binnen het bereik liggen dat verband houdt met de normale werking van de desbetreffende sensor of het desbetreffende onderdeel en geen van de sensoren of onderdelen afzonderlijk een storing aangeeft;

32.

„bewaking van de volledige functionele storing” : bewaking ter opsporing van een storing die leidt tot een volledig verlies van de gewenste functie van een systeem;

33.

„storing” : een gebrek of verslechtering van een motorsysteem, waaronder het OBD-systeem, waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze leidt tot een toename in de uitstoot van gereglementeerde verontreinigende stoffen door het motorsysteem of een minder effectieve functionering van het OBD-systeem;

34.

„de algemene noemer” : een variabele die aangeeft hoe vaak een voertuig heeft gewerkt, rekening houdend met de algemene voorwaarden;

35.

„telfunctie voor het aantal ontstekingscycli” : een variabele die aangeeft hoe vaak de motor van het voertuig is gestart;

36.

„rijcyclus” : een cyclus bestaande uit het starten van de motor, een bedrijfsperiode (van het voertuig), het uitschakelen van de motor en de periode totdat de motor opnieuw wordt gestart;

37.

„groep bewakingsfuncties” (voor de beoordeling van de prestaties tijdens het gebruik van een OBD-motorenfamilie) : een reeks van OBD-bewakingsfuncties ter bepaling van de juiste werking van het emissiebeheersingssysteem;

38.

„nettovermogen” : het vermogen dat onder atmosferische referentieomstandigheden op een testbank aan het uiteinde van de krukas wordt verkregen of het equivalent ervan bij het overeenkomstige toerental, met alle in bijlage XIV genoemde hulpaggregaten;

39.

„maximaal nettovermogen” : de maximumwaarde van het nettovermogen, gemeten bij volle belasting van de motor;

40.

„wall-flow dieseldeeltjesfilter” : een dieseldeeltjesfilter waarin al het uitlaatgas langs een wand stroomt die de vaste deeltjes wegfiltert;

41.

„continue regeneratie” : het regeneratieproces van een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat hetzij permanent, hetzij ten minste één keer per WHTC-warmestarttest plaatsvindt;

▼M1

42.

„aanpassing voor de klant” : een wijziging van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid die op het specifieke verzoek van een klant wordt verricht en die moet worden goedgekeurd;

43.

„OBD-informatie van het voertuig” : informatie met betrekking tot een boorddiagnosesysteem voor een elektronisch systeem in het voertuig;

44.

„overgenomen systeem” : een systeem zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 23, van Richtlijn 2007/46/EG, overgenomen van een oud op een nieuw voertuigtype;

▼M4

45.

„dieselmodus” : de normale bedrijfsmodus van een dualfuelmotor waarin de motor voor geen enkele motorbedrijfsomstandigheid gasvormige brandstof gebruikt;

46.

„dualfuelmotor” : een motorsysteem dat is ontworpen om tegelijkertijd met diesel en een gasvormige brandstof te werken, waarbij beide brandstoffen apart worden gedoseerd en de verbruikte hoeveelheid van een van de brandstoffen ten opzichte van de andere kan variëren naargelang de bedrijfsomstandigheden;

47.

„dualfuelmodus” : de normale bedrijfsmodus van een dualfuelmotor waarin de motor in bepaalde bedrijfsomstandigheden tegelijkertijd diesel en een gasvormige brandstof gebruikt;

48.

„dualfuelvoertuig” : een voertuig dat door een dualfuelmotor wordt aangedreven en waarbij de motorbrandstoffen uit afzonderlijke opslagsystemen aan boord van het voertuig worden geput;

49.

„servicemodus” : een speciale modus van een dualfuelmotor die wordt geactiveerd om reparaties uit te voeren of om het voertuig uit het verkeer te verwijderen wanneer de werking in dualfuelmodus niet mogelijk is;

50.

„gasenergieverhouding (GER)” : bij een dualfuelmotor: de als percentage uitgedrukte verhouding tussen de energie-inhoud van de gasvormige brandstof en die van beide brandstoffen (diesel en gasvormige brandstof), waarbij de energie-inhoud van de brandstoffen is gedefinieerd als de laagste verwarmingswaarde;

51.

„gemiddelde gasverhouding” : de voor een rijcyclus berekende gemiddelde gasenergieverhouding;

52.

„dualfuelmotor van type 1A” : een dualfuelmotor die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding van niet minder dan 90 % (GERWHTC ≥ 90 %) werkt, die niet uitsluitend op diesel stationair draait en die geen dieselmodus heeft;

53.

„dualfuelmotor van type 1B” : een dualfuelmotor die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding van niet minder dan 90 % (GERWHTC ≥ 90 %) werkt, die in de dualfuelmodus niet uitsluitend op diesel stationair draait en die een dieselmodus heeft;

54.

„dualfuelmotor van type 2A” : een dualfuelmotor die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding tussen 10 en 90 % (10 % < GERWHTC < 90 %) werkt en geen dieselmodus heeft, of die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding van niet minder dan 90 % (GERWHTC ≥ 90 %) werkt, maar die uitsluitend op diesel stationair draait en geen dieselmodus heeft;

55.

„dualfuelmotor van type 2B” : een dualfuelmotor die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding tussen 10 en 90 % (10 % < GERWHTC < 90 %) werkt en een dieselmodus heeft, of die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding van niet minder dan 90 % (GERWHTC ≥ 90 %) werkt, maar die in de dualfuelmodus uitsluitend op diesel stationair kan draaien en een dieselmodus heeft;

56.

„dualfuelmotor van type 3B” : een dualfuelmotor die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding van niet meer dan 10 % (GERWHTC ≤ 10 %) werkt en een dieselmodus heeft.

▼M1

Artikel 2 bis

Toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie

1.  Fabrikanten brengen de nodige regelingen en procedures tot stand overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 595/2009 en bijlage XVII bij deze verordening om de toegankelijkheid op snel en makkelijk te raadplegen websites te waarborgen van OBD-informatie van het voertuig en van reparatie- en onderhoudsinformatie, in een gestandaardiseerd formaat en op niet-discriminerende wijze ten opzichte van de bepalingen die gelden voor, of de toegang die wordt geboden aan erkende handelaren en reparatiebedrijven. De fabrikant stelt aan onafhankelijke marktdeelnemers en aan erkende handelaren en reparatiebedrijven eveneens opleidingsdocumentatie ter beschikking.

2.  Goedkeuringsinstanties verlenen alleen typegoedkeuring als ze van de fabrikant een Certificaat betreffende de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie hebben ontvangen.

3.  Het Certificaat betreffende de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie dient als bewijs dat artikel 6 van Verordening (EG) nr. 595/2009 is nageleefd.

4.  Het Certificaat betreffende de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie wordt opgesteld overeenkomstig het model in bijlage XVII, aanhangsel 1.

5.  De OBD-informatie van het voertuig en de reparatie- en onderhoudsinformatie bevat de volgende elementen:

a) een eenduidige identificatie van het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid waarvoor de fabrikant verantwoordelijk is;

b) servicehandboeken met service- en onderhoudsgegevens;

c) technische handleidingen;

d) informatie over onderdelen en diagnose (zoals de theoretische minimale en maximale meetwaarden);

e) bedradingsschema's;

f) de diagnostische foutcodes (met inbegrip van de eigen codes van de fabrikant);

g) het identificatienummer van de softwarekalibratie dat op een voertuigtype van toepassing is;

h) over en door middel van eigen instrumenten en apparatuur verstrekte informatie;

i) informatie over gegevensregistratie en bidirectionele bewaking en testgegevens;

j) standaard arbeidseenheden of tijdvakken voor reparatie- en onderhoudstaken, als deze aan erkende handelaren en reparatiebedrijven van de fabrikant rechtstreeks of via een derde ter beschikking worden gesteld;

k) in het geval van meerfasentypegoedkeuring, de krachtens artikel 2 ter vereiste informatie.

6.  Erkende handelaren en reparatiebedrijven die deel uitmaken van het distributienet van een bepaalde voertuigfabrikant, worden als onafhankelijke marktdeelnemers in de zin van deze verordening beschouwd voor zover zij reparatie- of onderhoudsdiensten verrichten voor voertuigen van een fabrikant van wiens distributienet zij geen deel uitmaken.

7.  De reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig is altijd beschikbaar, uitgezonderd tijdens noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan het informatiesysteem.

8.  Voor de fabricage en het onderhoud van OBD-compatibele vervangings- en onderhoudsonderdelen en diagnose- en testapparatuur verstrekken de fabrikanten zonder daarbij te discrimineren de relevante OBD-informatie van het voertuig en reparatie- en onderhoudsinformatie aan belangstellende fabrikanten en reparatiebedrijven van onderdelen en diagnose- en testapparatuur.

9.  De fabrikant stelt latere wijzigingen van en aanvullingen op de reparatie- en onderhoudsinformatie op zijn websites ter beschikking zodra deze ter beschikking worden gesteld van erkende reparatiebedrijven.

10.  Indien de reparatie- en onderhoudsgegevens van een voertuig in een door of namens de voertuigfabrikant beheerde centrale databank worden opgeslagen, krijgen krachtens bijlage XVII, punt 2.2, goedgekeurde en geautoriseerde onafhankelijke reparatiebedrijven gratis en onder dezelfde voorwaarden als erkende reparatiebedrijven toegang tot deze gegevens om informatie over de door hen uitgevoerde reparatie- en onderhoudswerkzaamheden te kunnen invoeren.

11.  De fabrikant verstrekt aan belanghebbenden de volgende informatie:

a) relevante informatie om de ontwikkeling mogelijk te maken van vervangingsonderdelen die voor het naar behoren functioneren van het OBD-systeem van wezenlijk belang zijn;

b) informatie om de ontwikkeling van generieke diagnoseapparatuur mogelijk te maken.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder a), mag de ontwikkeling van vervangingsonderdelen niet worden beperkt door een of meer van de volgende omstandigheden:

a) de onbeschikbaarheid van relevante informatie;

b) technische voorschriften met betrekking tot storingsindicatiestrategieën als de OBD-drempelwaarden worden overschreden of als het OBD-systeem niet meer aan de fundamentele bewakingsvoorschriften van deze verordening kan voldoen;

c) specifieke wijzigingen om de OBD-informatie met betrekking tot het gebruik van het voertuig op benzine of op gas afzonderlijk te kunnen verwerken;

d) de typegoedkeuring van voertuigen op gas die een beperkt aantal minder belangrijke gebreken vertonen.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder b), moeten, wanneer fabrikanten diagnose- en testapparatuur overeenkomstig ISO 22900 — Modulaire voertuigencommunicatie-interface (MVCI) en ISO 22901 — Open uitwisseling van diagnostische gegevens (ODX) gebruiken in hun franchisenetwerken, de ODX-bestanden via de website van de fabrikant toegankelijk zijn voor onafhankelijke marktdeelnemers.

Artikel 2 ter

Meerfasentypegoedkeuring

1.  In het geval van meerfasentypegoedkeuring, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 7, van Richtlijn 2007/46/EG, is de eindfabrikant verantwoordelijk voor het verlenen van toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie met betrekking tot de eigen fabricagefase(n) en de schakel tussen die fase(n) en de eraan voorafgaande fase(n).

Daarnaast stelt de eindfabrikant op zijn website de volgende informatie beschikbaar voor onafhankelijke marktdeelnemers:

a) webadres van de voor de voorafgaande fase(n) verantwoordelijke fabrikant(en);

b) naam en adres van alle voor de voorafgaande fase(n) verantwoordelijke fabrikanten;

c) typegoedkeuringsnummer(s) van de voorafgaande fase(n);

d) het motornummer.

2.  Elke voor een bepaalde fase of voor bepaalde fasen van de typegoedkeuring verantwoordelijke fabrikant is verantwoordelijk voor het verlenen van toegang via zijn website tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie met betrekking tot de typegoedkeuringsfase(n) waarvoor hij verantwoordelijk is en de schakel tussen die fase(n) en de eraan voorafgaande fase(n).

3.  De voor een bepaalde fase of voor bepaalde fasen van de typegoedkeuring verantwoordelijke fabrikant verstrekt de volgende informatie aan de voor de volgende fase verantwoordelijke fabrikant:

a) het conformiteitscertificaat dat betrekking heeft op de fase(n) waarvoor hij verantwoordelijk is;

b) het Certificaat betreffende de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie, met inbegrip van de aanhangsels daarvan;

c) het typegoedkeuringsnummer dat overeenstemt met de fase(n) waarvoor hij verantwoordelijk is;

d) de onder a), b) en c) bedoelde documenten, zoals verstrekt door de bij de voorafgaande fase(n) betrokken fabrikant(en).

Elke fabrikant staat de voor de volgende fase verantwoordelijke fabrikant toe de verstrekte documenten door te geven aan de voor iedere volgende fase en voor de eindfase verantwoordelijke fabrikanten.

Daarnaast verleent de voor een bepaalde fase of voor bepaalde fasen van de typegoedkeuring verantwoordelijke fabrikant op contractbasis:

a) de voor de volgende fase verantwoordelijke fabrikant toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie en informatie over de interface met betrekking tot de specifieke fase(n) waarvoor hij verantwoordelijk is;

b) de voor een volgende typegoedkeuringsfase verantwoordelijke fabrikant op verzoek toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie en informatie over de interface met betrekking tot de specifieke fase(n) waarvoor hij verantwoordelijk is;

4.  Fabrikanten, met inbegrip van eindfabrikanten, kunnen slechts dan overeenkomstig artikel 2 septies om vergoedingen vragen indien het de specifieke fase(n) betreft waarvoor zij verantwoordelijk zijn.

Fabrikanten, met inbegrip van eindfabrikanten, vragen geen vergoeding voor het verstrekken van informatie over het webadres of de contactgegevens van andere fabrikanten.

Artikel 2 quater

Aanpassingen voor de klant

1.  In afwijking van artikel 2 bis wordt, als het aantal systemen, onderdelen of technische eenheden dat voorwerp vormt van een bepaalde aanpassing voor de klant minder bedraagt dan 250 wereldwijd geproduceerde eenheden, de reparatie- en onderhoudsinformatie voor die aanpassing voor de klant op gemakkelijk en snel toegankelijke wijze aangeboden, en op niet-discriminerende wijze ten opzichte van de bepalingen die gelden voor, of de toegang die wordt geboden aan, erkende handelaren en reparatiebedrijven.

Voor het onderhoud en de herprogrammering van de elektronische regeleenheden voor de aanpassing voor de klant stelt de fabrikant de desbetreffende eigen specialistische diagnose- of testapparatuur waarover erkende reparatiebedrijven kunnen beschikken ook beschikbaar voor onafhankelijke marktdeelnemers.

De aanpassingen voor de klant worden op het moment van de typegoedkeuring vermeld op de website met reparatie- en onderhoudsinformatie van de fabrikant en op het certificaat betreffende de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie.

2.  Tot 31 december 2015 mag de fabrikant, als het aantal systemen, onderdelen of technische eenheden dat voorwerp vormt van een bepaalde aanpassing voor de klant wereldwijd minder bedraagt dan 250 eenheden, afwijken van de verplichting krachtens artikel 2 bis om toegang te bieden tot OBD-informatie van het voertuig en reparatie- en onderhoudsinformatie in een gestandaardiseerd formaat. Als de fabrikant van een dergelijke afwijkingsmogelijkheid gebruikmaakt, biedt hij gemakkelijke en snelle toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie, op niet-discriminerende wijze ten opzichte van de bepalingen die gelden voor, of de toegang die wordt geboden aan, erkende handelaren en reparatiebedrijven.

3.  Fabrikanten stellen de eigen specialistische diagnose- of testapparatuur voor het onderhoud van de voor de klant aangepaste systemen, onderdelen of technische eenheden middels verkoop en verhuur beschikbaar voor onafhankelijke marktdeelnemers.

4.  Op het moment van de typegoedkeuring vermeldt de fabrikant op het Certificaat betreffende de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie de aanpassingen voor de klant waarvoor wordt afgeweken van de verplichting krachtens artikel 2 bis om toegang te bieden tot OBD-informatie van het voertuig en reparatie- en onderhoudsinformatie in een gestandaardiseerd formaat, alsmede alle met die aanpassingen verband houdende elektronische regeleenheden.

Deze aanpassingen voor de klant en alle daarmee verband houdende elektronische regeleenheden worden tevens op de website met reparatie- en onderhoudsinformatie van de fabrikant vermeld.

Artikel 2 quinquies

Fabrikanten van kleine productievolumes

1.  In afwijking van artikel 2 bis bieden fabrikanten die wereldwijd minder dan 250 eenheden per jaar van een onder deze verordening vallend type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid produceren, gemakkelijke en snelle toegang tot de reparatie- en onderhoudsinformatie, op niet-discriminerende wijze ten opzichte van de bepalingen die gelden voor, of de toegang die wordt geboden aan, erkende handelaren en reparatiebedrijven.

2.  Onder lid 1 vallende voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden worden op de website met reparatie- en onderhoudsinformatie van de fabrikant vermeld.

3.  De goedkeuringsinstantie stelt de Commissie in kennis van alle aan fabrikanten van kleine productievolumes verleende typegoedkeuringen.

Artikel 2 sexies

Overgenomen systemen

1.  Tot 30 juni 2016 kan de fabrikant voor de in bijlage XVII, aanhangsel 3, vermelde overgenomen systemen afwijken van de verplichting de elektronische regeleenheden overeenkomstig de in bijlage XVII genoemde normen te herprogrammeren.

Een dergelijke afwijking wordt op het moment van de typegoedkeuring op het Certificaat betreffende de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie vermeld.

De systemen waarvoor een fabrikant afwijkt van de verplichting de elektronische regeleenheden overeenkomstig de in bijlage XVII genoemde normen te herprogrammeren, worden op diens website met reparatie- en onderhoudsinformatie vermeld.

2.  Met het oog op het onderhoud en de herprogrammering van de elektronische regeleenheden in de overgenomen systemen waarvoor de fabrikant afwijkt van de verplichting de elektronische regeleenheden overeenkomstig de in bijlage XVII genoemde normen te herprogrammeren, zorgen de fabrikanten ervoor dat de desbetreffende eigen instrumenten of apparatuur voor onafhankelijke marktdeelnemers te koop of te huur zijn.

Artikel 2 septies

Vergoedingen voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie

1.  De fabrikanten mogen een redelijke en evenredige vergoeding vragen voor de toegang tot de reparatie- en onderhoudsinformatie waarop deze verordening van toepassing is.

Voor de toepassing van de eerste alinea wordt een vergoeding onredelijk of onevenredig geacht indien deze ontmoedigend werkt doordat geen rekening wordt gehouden met de mate waarin de onafhankelijke marktdeelnemer deze toegang gebruikt.

2.  De fabrikanten stellen de reparatie- en onderhoudsinformatie, met inbegrip van transactiediensten zoals herprogrammering of technische ondersteuning, op uur-, dag-, maand- of jaarbasis ter beschikking, waarbij de vergoeding voor toegang tot die informatie varieert naargelang de tijd dat er toegang wordt verleend.

Behalve tijdgerelateerde toegang kunnen de fabrikanten ook toegang op transactiebasis aanbieden, waarvoor vergoedingen worden gevraagd per transactie en niet op basis van de tijdsperiode gedurende welke toegang wordt geboden. Als de fabrikant beide systemen voor het verkrijgen van toegang aanbiedt, kiezen onafhankelijke reparatiebedrijven het systeem, tijdgerelateerd dan wel op transactiebasis, waaraan zij de voorkeur geven.

Artikel 2 octies

Naleving van de verplichtingen in verband met de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie

1.  Een goedkeuringsinstantie kan op elk moment, hetzij op eigen initiatief na een klacht, hetzij op basis van een beoordeling door een technische dienst, controleren of Verordening (EG) nr. 595/2009, deze verordening en de voorwaarden van het Certificaat betreffende de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie door de fabrikant worden nageleefd.

2.  Wanneer een goedkeuringsinstantie vaststelt dat de fabrikant zijn verplichtingen in verband met de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie niet is nagekomen, neemt de goedkeuringsinstantie die de desbetreffende typegoedkeuring heeft verleend, de nodige maatregelen om de situatie te verhelpen.

Het kan gaan om de intrekking of schorsing van de typegoedkeuring, boeten of andere sancties overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 595/2009.

3.  De goedkeuringsinstantie verifieert of een fabrikant zijn verplichtingen in verband met de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie is nagekomen, als een onafhankelijke marktdeelnemer of een beroepsvereniging die onafhankelijke marktdeelnemers vertegenwoordigt, bij de goedkeuringsinstantie een klacht indient.

4.  Bij de uitvoering van deze verificatie kan de goedkeuringsinstantie een technische dienst of een andere onafhankelijke deskundige vragen een beoordeling uit te voeren om te bepalen of aan deze verplichtingen is voldaan.

Artikel 2 nonies

Forum Toegang tot voertuiginformatie

Het toepassingsgebied van de activiteiten van het bij artikel 13, lid 9, van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie ( 1 ) ingestelde forum Toegang tot voertuiginformatie wordt uitgebreid tot de onder Verordening (EG) nr. 595/2009 vallende voertuigen.

Op basis van aanwijzingen voor opzettelijk of onopzettelijk verkeerd gebruik van OBD-informatie van het voertuig en van reparatie- en onderhoudsinformatie, brengt het forum advies uit aan de Commissie over maatregelen om dergelijk verkeerd gebruik van informatie te voorkomen.

▼B

Artikel 3

Typegoedkeuringsvoorschriften

▼M4

1.  Om EG-typegoedkeuring te verkrijgen voor een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid, voor een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft of voor een voertuig wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft, toont de fabrikant overeenkomstig bijlage I aan dat de voertuigen of motorsystemen aan de tests zijn onderworpen en voldoen aan de voorschriften in de artikelen 4 en 14 en de bijlagen III tot en met VIII, X, XIII, XIV en XVII. De fabrikant waarborgt tevens de conformiteit met de in bijlage IX vermelde specificaties van referentiebrandstoffen. In het geval van dualfuelmotoren en -voertuigen voldoet de fabrikant bovendien aan de voorschriften in bijlage XVIII.

▼M8

Om EG-typegoedkeuring te verkrijgen voor een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft of voor een voertuig wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft, toont de fabrikant tevens aan dat voor de betrokken voertuiggroep voldaan is aan de voorschriften in artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie ( 2 ) en bijlage II bij die verordening. Deze bepaling is echter niet van toepassing als de fabrikant aangeeft dat in de Unie op of na de in artikel 24, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening (EU) 2017/2400 voor de betrokken voertuiggroep vermelde datum geen nieuwe voertuigen van het goed te keuren type geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zullen worden.

▼M1

1 bis.  Indien de OBD-informatie van het voertuig en de reparatie- en onderhoudsinformatie op het moment van de aanvraag voor typegoedkeuring niet beschikbaar is of niet conform is met artikel 6 van Verordening (EG) nr. 595/2009, artikel 2 bis en, voor zover relevant, de artikelen 2 ter, 2 quater en 2 quinquies van deze verordening, en bijlage XVII bij deze verordening, verstrekt de fabrikant deze informatie binnen zes maanden vanaf de datum die in artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 595/2009 is vastgesteld of, indien dit later is, binnen zes maanden na de datum van typegoedkeuring.

1 ter.  De verplichting om binnen de in lid 1 bis bedoelde termijn informatie te verstrekken, geldt alleen als het voertuig na typegoedkeuring in de handel wordt gebracht.

Indien het voertuig meer dan zes maanden na de typegoedkeuring in de handel wordt gebracht, wordt de informatie verstrekt op de datum waarop het voertuig in de handel wordt gebracht.

1 quater.  De goedkeuringsinstantie mag op basis van een ingevuld certificaat betreffende de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie aannemen dat de fabrikant wat de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft, afdoende regelingen en procedures tot stand heeft gebracht, op voorwaarde dat er geen klachten waren, en dat de fabrikant dit certificaat binnen de in lid 1 bis genoemde termijn verstrekt.

Indien het certificaat van naleving niet binnen deze termijn wordt geleverd, neemt de goedkeuringsinstantie de nodige maatregelen om de naleving te waarborgen.

▼M4

2.  Om EG-typegoedkeuring te verkrijgen voor een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft of voor een voertuig wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft, waarborgt de fabrikant de conformiteit met de installatievoorschriften in punt 4 van bijlage I, en bij dualfuelvoertuigen met de aanvullende installatievoorschriften in punt 6 van bijlage XVIII.

3.  Om een uitbreiding van de EG-typegoedkeuring te verkrijgen wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft van een voertuig met een referentiemassa van meer dan 2 380  kg maar niet meer dan 2 610  kg waarvoor krachtens deze verordening typegoedkeuring is verleend, voldoet de fabrikant aan de voorschriften van punt 5 van bijlage VIII.

4.  De bepalingen inzake alternatieve typegoedkeuring in punt 2.4.1 van bijlage X en punt 2.1 van bijlage XIII zijn niet van toepassing voor de EG-typegoedkeuring van een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid. Die bepalingen zijn evenmin van toepassing op dualfuelmotoren en -voertuigen.

5.  Een motorsysteem en een constructieonderdeel dat de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes kan beïnvloeden, wordt zodanig ontworpen, gebouwd, geassembleerd en geïnstalleerd dat de motor bij normaal gebruik aan Verordening (EG) nr. 595/2009 en aan deze verordening kan voldoen. De fabrikant waarborgt tevens de conformiteit met de voorschriften inzake emissies buiten de cyclus van artikel 14 en bijlage VI bij deze verordening. In het geval van dualfuelmotoren en -voertuigen is ook bijlage XVIII van toepassing.

6.  Om EG-typegoedkeuring te verkrijgen voor een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid of voor een voertuig wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft met het oog op het verkrijgen van een multibrandstoftypegoedkeuring, een typegoedkeuring voor een beperkt aantal brandstoffen of een brandstofspecifieke typegoedkeuring, waarborgt de fabrikant de conformiteit met de voorschriften in punt 1 van bijlage I.

▼B

7.  Om de EG-typegoedkeuring te verkrijgen in het geval van een op benzine of E85 lopende motor, waarborgt de fabrikant dat wordt voldaan aan de in punt 4.3 van bijlage I opgenomen specifieke voorschriften voor brandstoftankinlaten van voertuigen die lopen op benzine en E85.

8.  Om de EG-typegoedkeuring te verkrijgen waarborgt de fabrikant dat wordt voldaan aan de in punt 2.1 van bijlage X bedoelde specifieke voorschriften voor elektronische systeembeveiliging.

9.  De fabrikant neemt technische maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitlaatemissies overeenkomstig deze verordening gedurende de normale levensduur van het voertuig en onder normale gebruiksomstandigheden effectief worden beperkt. Deze maatregelen houden onder meer in dat de in de emissiebeheersingssystemen gebruikte slangen, dichtingen en koppelstukken zodanig zijn ontworpen dat zij overeenstemmen met het doel van het originele ontwerp.

10.  De fabrikant zorgt ervoor dat de resultaten van de emissietest aan de toepasselijke grenswaarde voldoen onder de in deze verordening genoemde testomstandigheden.

11.  De fabrikant stelt verslechteringsfactoren vast die zullen worden gebruikt om aan te tonen dat de emissies van gassen en deeltjes van een motorenfamilie of familie van motornabehandelingssystemen gedurende de normale nuttige levensduur overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 595/2009 aan de in bijlage I bij die verordening genoemde grenswaarden blijven voldoen.

De procedures waarmee wordt aangetoond dat een motorsysteem of familie van motornabehandelingssystemen gedurende de normale nuttige levensduur aan de voorschriften voldoet, zijn uiteengezet in bijlage VII bij deze verordening.

12.  Voor motoren met elektrische ontsteking die moeten worden onderworpen aan de in bijlage IV beschreven test, is het maximaal toelaatbare koolmonoxidegehalte van de uitlaatgassen bij normaal stationair motortoerental het door de voertuigfabrikant opgegeven gehalte. Het mag echter niet meer dan 0,3 volumepercent bedragen.

Bij hoog stationair motortoerental mag het koolmonoxidegehalte van de uitlaatgassen niet meer dan 0,2 volumepercent bedragen, waarbij het toerental ten minste 2 000 min-1 bedraagt en Lambda gelijk is aan 1 ± 0,03 of in overeenstemming is met de specificaties van de fabrikant.

13.  In het geval van een gesloten carter zorgen de fabrikanten ervoor dat bij de in bijlage V beschreven test het ventilatiesysteem van de motor geen cartergassen in de atmosfeer laat ontsnappen. Als het carter van een open type is, worden de emissies gemeten en overeenkomstig bijlage V aan de uitlaatemissies toegevoegd.

14.  Bij de aanvraag voor typegoedkeuring verstrekken de fabrikant de goedkeuringsinstantie informatie waaruit blijkt dat het NOx-verwijderingssysteem in alle omstandigheden die op het grondgebied van de Unie geregeld voorkomen zijn emissiebeheersingsfunctie behoudt, met name bij lage temperaturen.

De fabrikanten verstrekken de goedkeuringsinstantie voorts informatie over de werkingsstrategie van elk uitlaatgasrecirculatiesysteem, inclusief de werking bij lage omgevingstemperaturen.

Deze informatie moet tevens een beschrijving bevatten van de eventuele effecten op de emissies wanneer het systeem bij lage omgevingstemperaturen functioneert.

▼M1 —————

▼B

Artikel 4

Boorddiagnosesystemen

1.  De fabrikanten zorgen ervoor dat alle motorsystemen en voertuigen met een OBD-systeem zijn uitgerust.

2.  Het OBD-systeem wordt ontworpen, geconstrueerd en in het voertuig geïnstalleerd in overeenstemming met bijlage X, zodat daarmee gedurende de gehele levensduur van het voertuig de in die bijlage beschreven typen verslechteringen of storingen kunnen worden geïdentificeerd, vastgelegd en doorgegeven.

3.  De fabrikant zorgt ervoor dat het OBD-systeem onder alle normale en redelijkerwijs te verwachten rijomstandigheden in de Unie voldoet aan de voorschriften inzake de prestaties tijdens het gebruik, waaronder de in bijlage X vermelde omstandigheden voor normaal gebruik.

4.  Wanneer het systeem met een gekwalificeerd beschadigd onderdeel wordt getest, wordt de storingsindicator van het OBD-systeem overeenkomstig bijlage X geactiveerd. De storingsindicator van het OBD-systeem kan ook worden geactiveerd bij emissieniveaus onder de in bijlage X genoemde OBD-drempelwaarden.

5.  De fabrikant waarborgt dat de in bijlage X opgenomen bepalingen inzake de prestaties tijdens het gebruik van een OBD-motorenfamilie worden nageleefd.

6.  De gegevens over de prestaties van het OBD-systeem tijdens het gebruik worden opgeslagen en overeenkomstig bijlage X door het OBD-systeem onversleuteld beschikbaar gesteld door middel van de OBD-communicatienorm.

7.  De fabrikant kan ervoor kiezen de OBD-systemen gedurende een periode van 3 jaar na de in artikel 8, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 595/2009 genoemde data te laten voldoen aan de in bijlage X bij deze verordening opgenomen alternatieve bepalingen, onder verwijzing naar dit lid.

▼M5

8.  Op verzoek van de fabrikant kunnen tot 31 december 2015 voor nieuwe typen voertuigen of motoren en tot 31 december 2016 voor alle nieuwe voertuigen die in de Unie worden verkocht, geregistreerd of in het verkeer gebracht alternatieve voorschriften voor de bewaking van het dieseldeeltjesfilter worden toegepast overeenkomstig punt 2.3.3.3 van bijlage X.

▼M1

Artikel 5

Aanvraag van EG-typegoedkeuring voor een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft

▼B

1.  De fabrikant dient bij de goedkeuringsinstantie een aanvraag in voor de EG-typegoedkeuring van een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid.

2.  De in lid 1 bedoelde aanvraag wordt opgesteld overeenkomstig het in aanhangsel 4 van bijlage I opgenomen model van het inlichtingenformulier. Daarbij is deel 1 van dat aanhangsel van toepassing.

3.  De fabrikant voegt bij de aanvraag een documentatiepakket met een volledige toelichting op alle elementen van het ontwerp die van invloed zijn op emissies, de emissiebeheersingsstrategie van het motorsysteem, de middelen waarmee het motorsysteem de uitgangsvariabelen regelt die van invloed zijn op emissies en de vraag of dit direct of indirect wordt geregeld, alsook een volledige toelichting op het bij de punten 4 en 5 van bijlage XIII voorgeschreven waarschuwings- en aansporingssysteem. Het documentatiepakket dient te bestaan uit de volgende onderdelen, inclusief de in punt 8 van bijlage I bedoelde informatie:

a) een formeel documentatiepakket dat door de goedkeuringsinstantie wordt bewaard. Op verzoek kan het formele documentatiepakket ter beschikking van belanghebbenden worden gesteld;

b) een uitgebreid documentatiepakket dat vertrouwelijk blijft. Het uitgebreide documentatiepakket kan worden bewaard door de goedkeuringsinstantie, of naar goeddunken van de goedkeuringsinstantie, door de fabrikant, maar het wordt bij de goedkeuring of te allen tijde gedurende de geldigheidsduur van de goedkeuring beschikbaar gesteld voor inspectie door de goedkeuringsinstantie. Wanneer het documentatiepakket door de fabrikant wordt bewaard, treft de goedkeuringsinstantie de nodige maatregelen om te voorkomen dat de documentatie na goedkeuring wordt gewijzigd.

4.  Naast de in lid 3 bedoelde informatie verstrekt de fabrikant de volgende gegevens:

a) in het geval van motoren met elektrische ontsteking, een verklaring van de fabrikant betreffende het minimumpercentage ontstekingsfouten op het totale aantal ontstekingspogingen dat ertoe zou kunnen leiden dat de emissies de in bijlage X vermelde grenswaarden overschrijden indien dat percentage vanaf het begin van de in bijlage III beschreven emissietest aanwezig was geweest, of dat zou kunnen leiden tot oververhitting van de katalysator of katalysatoren, met onherstelbare schade tot gevolg;

b) een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen om manipulatie of wijziging van de emissiebeheersingscomputer(s) te voorkomen, inclusief een inrichting voor updating met behulp van een door de fabrikant goedgekeurd programma of een door hem goedgekeurde kalibratie;

c) documentatie van het OBD-systeem overeenkomstig punt 5 van bijlage X;

d) OBD-informatie voor toegang tot OBD-informatie en reparatie- en onderhoudsinformatie, overeenkomstig deze verordening;

e) een conformiteitsverklaring betreffende emissies buiten de cyclus, overeenkomstig artikel 14 en punt 9 van bijlage VI;

f) een conformiteitsverklaring over de prestaties van het OBD-systeem tijdens het gebruik, overeenkomstig aanhangsel 6 van bijlage X;

▼M1

g) het Certificaat betreffende de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie;

▼B

h) het aanvankelijke plan voor de tests tijdens het gebruik volgens punt 2.4 van bijlage II;

i) eventueel kopieën van andere typegoedkeuringen met de gegevens die vereist zijn voor de uitbreiding van goedkeuringen en de vaststelling van verslechteringsfactoren;

▼M4

j) in voorkomend geval de documentatiepakketten die nodig zijn voor de correcte installatie van de motor waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid is verleend.

▼B

5.  De fabrikant stelt de voor de typegoedkeuringstests verantwoordelijke technische dienst een motor of in voorkomend geval een basismotor ter beschikking die representatief is voor het goed te keuren type.

6.  Wijzigingen van het merk van een systeem, onderdeel of technische eenheid na typegoedkeuring maken de typegoedkeuring niet automatisch ongeldig, tenzij de oorspronkelijke kenmerken of technische parameters ervan zodanig worden gewijzigd dat de functionaliteit van de motor of het systeem voor verontreinigingsbeheersing wordt beïnvloed.

▼M1

Artikel 6

Bestuursrechtelijke bepalingen voor de EG-typegoedkeuring voor een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft

▼B

1.  Wanneer aan alle toepasselijke voorschriften is voldaan, verleent de goedkeuringsinstantie EG-typegoedkeuring voor een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid en kent zij een typegoedkeuringsnummer toe volgens het in bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG beschreven nummeringssysteem.

Onverminderd bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG wordt het derde deel van het typegoedkeuringsnummer opgesteld overeenkomstig aanhangsel 9 van bijlage I bij deze verordening.

Een goedkeuringsinstantie mag hetzelfde nummer niet aan een ander motortype toekennen.

▼M4

1 bis.  Als alternatief voor de procedure van lid 1 verleent de goedkeuringsinstantie EG-typegoedkeuring voor een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) op het moment waarop de aanvraag voor EG-typegoedkeuring wordt ingediend, is er al een typegoedkeuring voor een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid overeenkomstig VN/ECE-Reglement nr. 49 verleend;

b) er wordt voldaan aan de voorschriften in de artikelen 2 bis tot en met 2 septies van deze verordening betreffende de toegang tot de OBD-informatie en reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig die op het motorsysteem of de motorenfamilie van toepassing zijn;

c) tijdens de in artikel 4, lid 7, vastgestelde overgangsperiode wordt voldaan aan de voorschriften in punt 6.2 van bijlage X;

d) alle andere uitzonderingen in de punten 3.1 en 5.1 van bijlage VII, de punten 2.1 en 6.1 van bijlage X, de punten 2, 4.1, 5.1, 7.1, 8.1 en 10 van bijlage XIII en punt 1 van aanhangsel 6 van bijlage XIII, zijn van toepassing.

▼M4

2.  Wanneer de goedkeuringsinstantie EG-typegoedkeuring verleent krachtens de leden 1 en 1 bis, geeft zij een EG-typegoedkeuringscertificaat af overeenkomstig het in aanhangsel 5 van bijlage I opgenomen model.

▼B

Artikel 7

Aanvraag van EG-typegoedkeuring voor een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft

1.  De fabrikant dient bij de goedkeuringsinstantie een aanvraag in voor de EG-typegoedkeuring van een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft.

2.  De in lid 1 bedoelde aanvraag wordt opgesteld overeenkomstig het in deel 2 van aanhangsel 4 bij bijlage I opgenomen model van het inlichtingenformulier. Deze aanvraag gaat vergezeld van een kopie van het overeenkomstig artikel 6 afgegeven EG-typegoedkeuringscertificaat voor het motorsysteem of de motorenfamilie als technische eenheid.

3.  De fabrikant verstrekt een documentatiepakket waarin het bij bijlage XIII voorgeschreven waarschuwings- en aansporingssysteem aan boord van het voertuig volledig wordt toegelicht. Dit documentatiepakket wordt verstrekt overeenkomstig artikel 5, lid 3.

4.  Naast de in lid 3 bedoelde informatie verstrekt de fabrikant de volgende gegevens:

a) een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen om manipulatie of wijziging van de onder deze verordening vallende regeleenheden van het voertuig te voorkomen, inclusief een inrichting voor updating met behulp van een door de fabrikant goedgekeurd programma of een door hem goedgekeurde kalibratie;

b) een beschrijving van de OBD-onderdelen aan boord van het voertuig, overeenkomstig punt 5 van bijlage X;

c) informatie betreffende de OBD-onderdelen aan boord van het voertuig voor toegang tot OBD- en reparatie- en onderhoudsinformatie;

▼M1

d) het certificaat betreffende de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie;

▼B

e) indien van toepassing, kopieën van andere typegoedkeuringen met de relevante gegevens die een uitbreiding van de goedkeuring mogelijk maken.

5.  Wijzigingen van het merk van een systeem, onderdeel of technische eenheid na typegoedkeuring maken de typegoedkeuring niet automatisch ongeldig, tenzij de oorspronkelijke kenmerken of technische parameters ervan zodanig worden gewijzigd dat de functionaliteit van de motor of het systeem voor verontreinigingsbeheersing wordt beïnvloed.

Artikel 8

Bestuursrechtelijke bepalingen voor de EG-typegoedkeuring van een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft

1.  Wanneer aan alle toepasselijke voorschriften is voldaan, verleent de goedkeuringsinstantie EG-typegoedkeuring voor een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem met betrekking tot emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie en kent zij een typegoedkeuringsnummer toe volgens het in bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG beschreven nummeringssysteem.

Onverminderd bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG wordt het derde deel van het typegoedkeuringsnummer opgesteld overeenkomstig aanhangsel 9 van bijlage I bij deze verordening.

Een goedkeuringsinstantie mag hetzelfde nummer niet aan een ander voertuigtype toekennen.

▼M4

1 bis.  Als alternatief voor de procedure van lid 1 verleent de goedkeuringsinstantie EG-typegoedkeuring voor een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat de emissies en de toegang tot de reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig betreft wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) op het moment waarop de aanvraag voor EG-typegoedkeuring wordt ingediend, is er al een typegoedkeuring voor een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem overeenkomstig VN/ECE-Reglement nr. 49 verleend;

b) er wordt voldaan aan de voorschriften in de artikelen 2 bis tot en met 2 septies van deze verordening betreffende de toegang tot de OBD-informatie en reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig;

c) tijdens de in artikel 4, lid 7, vastgestelde overgangsperiode wordt voldaan aan de voorschriften in punt 6.2 van bijlage X;

▼M8

d) alle andere uitzonderingen in punt 3.1 van bijlage VII, de punten 2.1 en 6.1 van bijlage X, de punten 2.1, 4.1, 5.1, 7.1, 8.1 en 10.1 van bijlage XIII en punt 1.1 van aanhangsel 6 van bijlage XIII, zijn van toepassing;

▼M8

e) er wordt voor de betrokken voertuiggroep voldaan aan de voorschriften in artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2400 en bijlage II bij die verordening, behalve indien de fabrikant aangeeft dat in de Unie op of na de in artikel 24, lid 1, onder a), b) en c), van die verordening voor de betrokken voertuiggroep vermelde datum geen nieuwe voertuigen van het goed te keuren type geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zullen worden.

▼M4

2.  Wanneer de goedkeuringsinstantie EG-typegoedkeuring verleent krachtens de leden 1 en 1 bis, geeft zij een EG-typegoedkeuringscertificaat af overeenkomstig het in aanhangsel 6 van bijlage I opgenomen model.

▼B

Artikel 9

Aanvraag van EG-typegoedkeuring voor een voertuig wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft

1.  De fabrikant dient bij de goedkeuringsinstantie een aanvraag in voor de EG-typegoedkeuring van een voertuig wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft.

2.  De in lid 1 bedoelde aanvraag wordt opgesteld overeenkomstig het in aanhangsel 4 van bijlage I opgenomen model van het inlichtingenformulier. Daarbij zijn de delen 1 en 2 van dat aanhangsel van toepassing.

3.  De fabrikant verstrekt een documentatiepakket met een volledige toelichting op alle elementen van het ontwerp die van invloed zijn op emissies, de emissiebeheersingsstrategie van het motorsysteem, de middelen waarmee het motorsysteem de uitgangsvariabelen regelt die van invloed zijn op emissies en de vraag of dit direct of indirect wordt geregeld, alsook een volledige toelichting op het bij bijlage XIII voorgeschreven waarschuwings- en aansporingssysteem. Dit documentatiepakket wordt verstrekt overeenkomstig artikel 5, lid 3.

4.  Naast de in lid 3 bedoelde informatie verstrekt de fabrikant de bij artikel 5, lid 4, onder a) tot en met i), en artikel 7, lid 4, onder a) tot en met e), voorgeschreven gegevens.

5.  De fabrikant stelt de voor de typegoedkeuringstests verantwoordelijke technische dienst een motor ter beschikking die representatief is voor het goed te keuren type.

6.  Wijzigingen van het merk van een systeem, onderdeel of technische eenheid na typegoedkeuring maken de typegoedkeuring niet automatisch ongeldig, tenzij de oorspronkelijke kenmerken of technische parameters ervan zodanig worden gewijzigd dat de functionaliteit van de motor of het systeem voor verontreinigingsbeheersing wordt beïnvloed.

Artikel 10

Bestuursrechtelijke bepalingen voor de EG-typegoedkeuring van een voertuig wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft

1.  Wanneer aan alle toepasselijke voorschriften is voldaan, verleent de goedkeuringsinstantie EG-typegoedkeuring voor een voertuig met betrekking tot emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie en kent zij een typegoedkeuringsnummer toe volgens het in bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG beschreven nummeringssysteem.

Onverminderd bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG wordt het derde deel van het typegoedkeuringsnummer opgesteld overeenkomstig aanhangsel 9 van bijlage I bij deze verordening.

Een goedkeuringsinstantie mag hetzelfde nummer niet aan een ander voertuigtype toekennen.

▼M4

1 bis.  Als alternatief voor de procedure van lid 1 verleent de goedkeuringsinstantie EG-typegoedkeuring voor een voertuig wat de emissies en de toegang tot de reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig betreft wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) op het moment waarop de aanvraag voor EG-typegoedkeuring wordt ingediend, is er al een typegoedkeuring voor een voertuig overeenkomstig VN/ECE-Reglement nr. 49 verleend;

b) er wordt voldaan aan de voorschriften in de artikelen 2 bis tot en met 2 septies van deze verordening betreffende de toegang tot de OBD-informatie en reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig;

c) tijdens de in artikel 4, lid 7, vastgestelde overgangsperiode wordt voldaan aan de voorschriften in punt 6.2 van bijlage X;

▼M8

d) alle andere uitzonderingen in punt 3.1 van bijlage VII, de punten 2.1 en 6.1 van bijlage X, de punten 2.1, 4.1, 5.1, 7.1, 8.1 en 10.1.1 van bijlage XIII en punt 1.1 van aanhangsel 6 van bijlage XIII, zijn van toepassing;

▼M8

e) er wordt voor de betrokken voertuiggroep voldaan aan de voorschriften in artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2400 en bijlage II bij die verordening, behalve indien de fabrikant aangeeft dat in de Unie op of na de in artikel 24, lid 1, onder a), b) en c), van die verordening voor de betrokken voertuiggroep vermelde datum geen nieuwe voertuigen van het goed te keuren type geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zullen worden.

▼M4

2.  Wanneer de goedkeuringsinstantie EG-typegoedkeuring verleent krachtens de leden 1 en 1 bis, geeft zij een EG-typegoedkeuringscertificaat af overeenkomstig het in aanhangsel 7 van bijlage I opgenomen model.

▼B

Artikel 11

Conformiteit van de productie

1.  Overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2007/46/EG worden maatregelen genomen om de conformiteit van de productie te waarborgen.

2.  De conformiteit van de productie wordt gecontroleerd op basis van de beschrijving in de in de aanhangsels 5, 6 en 7 van bijlage I opgenomen modellen van het typegoedkeuringscertificaat, naargelang het geval.

3.  De conformiteit van de productie wordt beoordeeld overeenkomstig de in punt 7 van bijlage I opgenomen specifieke bepalingen en de toepasselijke statistische methoden in de aanhangsels 1 tot en met 3 van die bijlage.

Artikel 12

Conformiteit tijdens het gebruik

1.  Overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2007/46/EG worden maatregelen genomen om de conformiteit tijdens het gebruik te waarborgen van voertuigen of motorsystemen waarvoor typegoedkeuring is verleend krachtens deze verordening of krachtens Richtlijn 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 3 ); deze maatregelen moeten in overeenstemming zijn met bijlage II bij deze verordening als de typegoedkeuring is verleend krachtens deze verordening, en met bijlage XII bij deze verordening als de typegoedkeuring is verleend krachtens Richtlijn 2005/55/EG.

2.  De door de fabrikant genomen technische maatregelen waarborgen dat de uitlaatemissies gedurende de gehele normale levensduur van de voertuigen onder normale gebruiksomstandigheden effectief worden beperkt. De conformiteit met deze verordening wordt gedurende de normale nuttige levensduur van een in een voertuig geïnstalleerd motorsysteem gecontroleerd, onder de normale gebruiksomstandigheden als vermeld in bijlage II.

3.  De fabrikant rapporteert de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend over de resultaten van de tests tijdens het gebruik overeenkomstig het aanvankelijke plan dat bij de typegoedkeuring is ingediend. Wanneer van het aanvankelijke plan wordt afgeweken, dient dit tot tevredenheid van de goedkeuringsinstantie te worden gemotiveerd.

4.  Indien de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke goedkeuring heeft verleend niet tevreden is over de rapportage van de fabrikant overeenkomstig punt 10 van bijlage II of beschikt over gemeld bewijs van ontoereikende conformiteit tijdens het gebruik, kan zij de fabrikant gelasten een test uit te voeren met het oog op bevestiging. De goedkeuringsinstantie onderzoekt het door de fabrikant ingediende bevestigingstestrapport.

5.  Indien de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend niet tevreden is over de resultaten van de tests tijdens het gebruik of de bevestigingstests overeenkomstig de in bijlage II genoemde criteria, of op basis van tests tijdens het gebruik die door een lidstaat zijn uitgevoerd, gelast zij de fabrikant een plan van corrigerende maatregelen in te dienen om overeenkomstig artikel 13 en punt 9 van bijlage II een einde te maken aan de non-conformiteit.

6.  Iedere lidstaat mag eigen controletests uitvoeren op basis van de in bijlage II omschreven procedure voor het testen van de conformiteit tijdens het gebruik en hierover rapporteren. In de rapportage wordt informatie over de verwerving, het onderhoud en de deelname van de fabrikant aan de activiteiten opgenomen. Op verzoek van een goedkeuringsinstantie verstrekt de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, de nodige informatie over de typegoedkeuring zodat tests kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig de in bijlage II beschreven procedure.

7.  Indien een lidstaat aantoont dat een motor of voertuigtype niet voldoet aan de toepasselijke voorschriften van dit artikel en bijlage II, stelt hij de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend daarvan overeenkomstig artikel 30, lid 3, van Richtlijn 2007/46/EG onverwijld in kennis via zijn eigen goedkeuringsinstantie.

Na die kennisgeving en onverminderd artikel 30, lid 6, van Richtlijn 2007/46/EG deelt de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, de fabrikant onverwijld mee dat een motor of voertuigtype niet aan de voorschriften van deze bepalingen voldoet.

8.  Na de in lid 7 bedoelde kennisgeving en in gevallen waarin uit voorgaande tests conformiteit tijdens het gebruik is gebleken, kan de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend de fabrikant verzoeken aanvullende bevestigingstests uit te voeren na overleg met de deskundigen van de lidstaat die melding heeft gemaakt van het voertuig dat de controles niet heeft doorstaan.

Indien dergelijke testgegevens niet beschikbaar zijn, dient de fabrikant uiterlijk 60 werkdagen na ontvangst van de in lid 7 bedoelde kennisgeving overeenkomstig artikel 13 een plan van corrigerende maatregelen in bij die instantie die de oorspronkelijke goedkeuring heeft verleend, of voert hij aanvullende conformiteitstests tijdens het gebruik uit met een gelijkwaardig voertuig teneinde te controleren of het motor- of voertuigtype niet aan de voorschriften voldoet. Indien de fabrikant tot tevredenheid van de goedkeuringsinstantie kan aantonen dat meer tijd nodig is voor aanvullende tests, kan een verlenging van deze termijn worden toegekend.

9.  Deskundigen van de lidstaat die overeenkomstig lid 7 kennisgeving heeft gedaan van het motor- of voertuigtype met een negatief testresultaat wordt verzocht de in lid 8 beschreven aanvullende conformiteitstests tijdens het gebruik bij te wonen. Voorts worden de testresultaten aan deze lidstaat en de goedkeuringsinstanties doorgegeven.

Indien uit deze conformiteitstests tijdens het gebruik of bevestigingstests opnieuw blijkt dat het motor- of voertuigtype niet aan de voorschriften voldoet, gelast de goedkeuringsinstantie de fabrikant een plan van corrigerende maatregelen in te dienen om een einde te maken aan de non-conformiteit. Het plan van corrigerende maatregelen moet voldoen aan artikel 13 en punt 9 van bijlage II.

Indien uit de conformiteitstests tijdens het gebruik of de bevestigingstests blijkt dat aan de voorschriften wordt voldaan, rapporteert de fabrikant dit aan de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke goedkeuring heeft verleend. De rapportage wordt door de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke goedkeuring heeft verleend voorgelegd aan de lidstaat die kennisgeving heeft gedaan van het voertuigtype met een negatief testresultaat en aan de goedkeuringsinstanties. In deze rapportage worden de testresultaten opgenomen overeenkomstig punt 10 van bijlage II.

10.  De goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, houdt de lidstaat die had vastgesteld dat het motor- of voertuigtype niet aan de toepasselijke voorschriften voldeed, op de hoogte van de voortgang en de resultaten van de besprekingen met de fabrikant, de controletests en de corrigerende maatregelen.

Artikel 13

Corrigerende maatregelen

1.  Op verzoek van de goedkeuringsinstantie en naar aanleiding van tests tijdens het gebruik overeenkomstig artikel 12 dient de fabrikant het plan van corrigerende maatregelen uiterlijk 60 werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving van de goedkeuringsinstantie bij haar in. Indien de fabrikant tot tevredenheid van de goedkeuringsinstantie kan aantonen dat meer tijd nodig is om de reden van de non-conformiteit te onderzoeken teneinde een plan van corrigerende maatregelen te kunnen indienen, kan deze termijn worden verlengd.

2.  De corrigerende maatregelen zijn van toepassing op alle in gebruik zijnde motoren die tot dezelfde motorenfamilies of OBD-motorenfamilies behoren en worden uitgebreid naar motorenfamilies of OBD-motorenfamilies die waarschijnlijk dezelfde defecten vertonen. De noodzaak van wijziging van de typegoedkeuringsdocumenten wordt beoordeeld door de fabrikant en het resultaat wordt gerapporteerd aan de goedkeuringsinstantie.

3.  De goedkeuringsinstantie raadpleegt de fabrikant teneinde tot overeenstemming te komen over een plan van corrigerende maatregelen en de uitvoering daarvan. Stelt de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, vast dat geen overeenstemming kan worden bereikt, dan wordt de procedure van artikel 30, leden 1 en 5, van Richtlijn 2007/46/EG ingeleid.

4.  De goedkeuringsinstantie deelt binnen 30 werkdagen na de datum waarop zij het plan van corrigerende maatregelen van de fabrikant heeft ontvangen mee of zij dit plan goedkeurt of verwerpt. De goedkeuringsinstantie deelt de fabrikant en alle lidstaten binnen dezelfde termijn mee of zij het plan van corrigerende maatregelen goedkeurt of verwerpt.

5.  De fabrikant is verantwoordelijk voor de uitvoering van het goedgekeurde plan van corrigerende maatregelen.

6.  De fabrikant registreert alle teruggeroepen en gerepareerde of gewijzigde motorsystemen of voertuigen en de garages die deze reparaties hebben uitgevoerd. De goedkeuringsinstantie heeft op verzoek inzage in deze gegevens tijdens de uitvoering en gedurende een termijn van vijf jaar na de voltooiing van de uitvoering van het plan.

7.  De in lid 6 bedoelde reparaties of wijzigingen worden vastgelegd in een certificaat dat de fabrikant aan de eigenaar van de motor of het voertuig verstrekt.

Artikel 14

Voorschriften ter beperking van emissies buiten de cyclus

1.  De fabrikant neemt overeenkomstig deze verordening en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 595/2009 alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitlaatemissies gedurende de normale levensduur van het voertuig en onder alle normale gebruiksomstandigheden effectief worden beperkt.

Bij de vaststelling van die maatregelen wordt rekening gehouden met:

a) de algemene voorschriften inclusief de prestatievoorschriften en het verbod op manipulatiestrategieën;

b) de voorschriften gericht op effectieve beperking van de uitlaatemissies binnen het scala van omgevingscondities waaronder het voertuig verwacht wordt te functioneren, en binnen het scala van mogelijke bedrijfsomstandigheden;

c) de voorschriften met betrekking tot laboratoriumtests buiten de cyclus bij typegoedkeuring;

▼M1

d) de voorschriften met betrekking tot de demonstratietest met draagbaar emissiemeetsysteem bij typegoedkeuring en alle aanvullende voorschriften met betrekking tot tests buiten de cyclus op in gebruik zijnde voertuigen zoals vastgelegd in deze verordening;

▼B

e) de verplichting van de fabrikant om een conformiteitsverklaring te verstrekken betreffende de voorschriften ter beperking van emissies buiten de cyclus.

2.  De fabrikant voldoet aan de specifieke voorschriften en houdt zich aan de bijbehorende in bijlage VI opgenomen testprocedures.

▼M6 —————

▼B

Artikel 15

Systemen voor verontreinigingsbeheersing

1.   ►M1  De fabrikant zorgt ervoor dat vervangingssystemen voor verontreinigingsbeheersing die bestemd zijn om te worden gemonteerd op onder Verordening (EG) nr. 595/2009 vallende motorsystemen of voertuigen met EG-typegoedkeuring, EG-typegoedkeuring krijgen als technische eenheid overeenkomstig dit artikel en de artikelen 1 bis, 16 en 17. ◄

Katalysatoren, NOx-verwijderingssystemen en deeltjesfilters worden voor de toepassing van deze verordening als systemen voor verontreinigingsbeheersing beschouwd.

2.  Originele vervangingssystemen voor verontreinigingsbeheersing van het onder punt 3.2.12 van aanhangsel 4 van bijlage I vallende type die bestemd zijn voor montage op een voertuig dat in het desbetreffende typegoedkeuringsdocument wordt genoemd, hoeven niet in overeenstemming te zijn met alle voorschriften van bijlage XI, mits zij aan de voorschriften van de punten 2.1, 2.2 en 2.3 van die bijlage voldoen.

3.  De fabrikant zorgt ervoor dat op het originele systeem voor verontreinigingsbeheersing identificatiemiddelen zijn aangebracht.

4.  De in lid 3 bedoelde identificatiemiddelen omvatten het volgende:

a) de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het voertuig of de motor;

b) het merk en het onderdeelidentificatienummer van het originele systeem voor verontreinigingsbeheersing, zoals vermeld in de in punt 3.2.12.2 van aanhangsel 4 van bijlage I bedoelde informatie.

▼M6 —————

▼B

Artikel 16

Aanvraag van EG-typegoedkeuring voor een type vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing als technische eenheid

1.  De fabrikant dient bij de goedkeuringsinstantie een aanvraag in voor de EG-typegoedkeuring van een type vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing als technische eenheid.

2.  De aanvraag wordt opgesteld overeenkomstig het in aanhangsel 1 van bijlage XI opgenomen model van het inlichtingenformulier.

▼M1

3.  De fabrikant dient het Certificaat betreffende de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie in.

▼B

4.  De fabrikant dient het volgende in bij de voor de uitvoering van de typegoedkeuringstest verantwoordelijke technische dienst:

a) een of meer motorsystemen van een type dat overeenkomstig deze verordening is goedgekeurd en met een nieuw origineel systeem voor verontreinigingsbeheersing is uitgerust;

b) één monster van het type vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing;

c) in het geval van een vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing dat bestemd is voor montage op een voertuig met een OBD-systeem, een extra monster van dit type vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing.

5.  Voor de toepassing van lid 4, onder a), worden de testmotoren door de aanvrager geselecteerd met instemming van de goedkeuringsinstantie.

▼M4

De testomstandigheden moeten voldoen aan punt 6 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

▼B

De testmotoren moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) hun emissiebeheersingssysteem mag geen defecten vertonen;

b) een origineel onderdeel dat verband houdt met de emissie en te versleten is of slecht functioneert, moet worden hersteld of vervangen;

c) zij moeten vóór de emissietests volgens de specificaties van de fabrikant naar behoren worden afgesteld.

6.  Voor de toepassing van lid 4, onder b) en c), worden de handelsnaam of het handelsmerk van de aanvrager en de handelsbenaming goed leesbaar en onuitwisbaar op het monster aangebracht.

7.  Voor de toepassing van lid 4, onder c), moet het monster een gekwalificeerd beschadigd onderdeel of systeem zijn.

Artikel 17

Bestuursrechtelijke bepalingen voor de EG-typegoedkeuring van een vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing als technische eenheid

1.  Wanneer aan alle toepasselijke voorschriften is voldaan, verleent de goedkeuringsinstantie EG-typegoedkeuring voor vervangingssystemen voor verontreinigingsbeheersing als technische eenheden en kent zij een typegoedkeuringsnummer toe volgens het in bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG beschreven nummeringssysteem.

Een goedkeuringsinstantie mag hetzelfde nummer niet aan een ander type vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing toekennen.

Het goedgekeurde type vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing mag onder hetzelfde typegoedkeuringsnummer op een aantal verschillende voertuig- of motortypen worden gebruikt.

2.  Voor de toepassing van lid 1 geeft de goedkeuringsinstantie een EG-typegoedkeuringscertificaat af, opgesteld overeenkomstig het in aanhangsel 2 van bijlage XI opgenomen model.

3.  Indien de fabrikant aan de goedkeuringsinstantie kan aantonen dat het vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing van een in punt 3.2.12.2 van aanhangsel 4 van bijlage I genoemd type is, hoeft voor het verlenen van een typegoedkeuring de naleving van de voorschriften van punt 4 van bijlage XI niet te worden gecontroleerd.

▼M6

Artikel 17 bis

Overgangsbepalingen voor bepaalde typegoedkeuringen en conformiteitscertificaten

1.  Met ingang van 1 september 2018 weigeren de nationale instanties, om redenen die verband houden met emissies, EG-typegoedkeuring of nationale typegoedkeuring te verlenen voor nieuwe voertuig- of motortypen die zijn getest volgens procedures die niet voldoen aan bijlage II, aanhangsel 1, punten 4.2.2.2, 4.2.2.2.1, 4.2.2.2.2, 4.3.1.2, 4.3.1.2.1 en 4.3.1.2.2.

2.  Met ingang van 1 september 2019 beschouwen de nationale instanties de conformiteitscertificaten die zijn afgegeven ten aanzien van voertuigen die niet voldoen aan bijlage II, aanhangsel 1, punten 4.2.2.2, 4.2.2.2.1, 4.2.2.2.2, 4.3.1.2, 4.3.1.2.1 en 4.3.1.2.2, niet langer als geldig voor de toepassing van artikel 26 van Richtlijn 2007/46/EG en verbieden zij de registratie, de verkoop en het in het verkeer brengen van dergelijke voertuigen om redenen die verband houden met emissies.

Met ingang van 1 september 2019 en met uitzondering van vervangingsmotoren voor voertuigen die in het verkeer zijn gebracht, verbieden de nationale instanties de verkoop of het gebruik van nieuwe motoren die niet voldoen aan bijlage II, aanhangsel 1, punten 4.2.2.2, 4.2.2.2.1, 4.3.1.2 en 4.3.1.2.1.

▼B

Artikel 18

Wijziging van Verordening (EG) nr. 595/2009

Verordening (EG) nr. 595/2009 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage XV.

Artikel 19

Wijziging van Richtlijn 2007/46/EG

Richtlijn 2007/46/EG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage XVI.

Artikel 20

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




LIJST VAN BIJLAGEN

BIJLAGE I

Administratieve bepalingen voor de EG-typegoedkeuring

Aanhangsel 1

Procedure voor controle van de conformiteit van de productie wanneer de standaardafwijking aanvaardbaar is

Aanhangsel 2

Procedure voor controle van de conformiteit van de productie wanneer de standaardafwijking niet aanvaardbaar of niet beschikbaar is

Aanhangsel 3

Procedure voor controle van de conformiteit van de productie op verzoek van de fabrikant

Aanhangsel 4

Modellen van het inlichtingenformulier

Aanhangsel 5

Modellen van het EG-typegoedkeuringscertificaat van een motortype/onderdeel als technische eenheid

Aanhangsel 6

Modellen van het EG-typegoedkeuringscertificaat voor een voertuigtype met een goedgekeurde motor

Aanhangsel 7

Modellen van het EG-typegoedkeuringscertificaat voor een voertuigtype met betrekking tot een systeem

Aanhangsel 8

Voorbeeld van een EG-typegoedkeuringsmerk

Aanhangsel 9

Nummeringssysteem EG-typegoedkeuringscertificaten

Aanhangsel 10

Toelichting

BIJLAGE II

Conformiteit van in gebruik zijnde motoren of voertuigen

Aanhangsel 1

Testprocedure voor het testen van voertuigemissies met draagbare emissiemeetsystemen

Aanhangsel 2

Draagbare meetapparatuur

Aanhangsel 3

Kalibratie van draagbare meetapparatuur

Aanhangsel 4

Methode voor controle van de conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid van de motor

BIJLAGE III

Controle van uitlaatemissies

BIJLAGE IV

Emissiegegevens die bij de typegoedkeuring vereist zijn in verband met de technische controle van voertuigen

BIJLAGE V

Controle van de emissie van cartergassen

BIJLAGE VI

Voorschriften ter beperking van emissies buiten de cyclus en emissies bij gebruik

Aanhangsel 1

Demonstratietest met draagbaar emissiemeetsysteem bij typegoedkeuring

BIJLAGE VII

Controle van de duurzaamheid van motorsystemen

BIJLAGE VIII

CO2-emissies en brandstofverbruik

BIJLAGE IX

Specificaties van referentiebrandstoffen

BIJLAGE X

Boorddiagnosesystemen (OBD-systemen)

Aanhangsel 5

Beoordeling van de prestaties tijdens het gebruik van het boorddiagnosesysteem gedurende de introductieperiode

BIJLAGE XI

EG-typegoedkeuring van vervangingssystemen voor verontreinigingsbeheersing als technische eenheid

Aanhangsel 1

Model van het inlichtingenformulier

Aanhangsel 2

Model van EG-typegoedkeuringscertificaat

Aanhangsel 3

Duurzaamheidsprocedure voor de beoordeling van de emissieprestaties van een vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing

Aanhangsel 4

Reeks voor thermische veroudering

Aanhangsel 5

Testcyclus voor gegevensverzameling op een rollenbank of op de weg

Aanhangsel 6

Afvoer- en weegprocedure

Aanhangsel 7

Voorbeeld van een accumulatief bedrijfsprogramma met thermische reeksen en reeksen voor smeermiddelverbruik en regeneratie

Aanhangsel 8

Stroomschema van het accumulatief bedrijfsprogramma

BIJLAGE XII

Conformiteit van in gebruik zijnde motoren en voertuigen waarvoor typegoedkeuring is verleend krachtens Richtlijn 2005/55/EG

BIJLAGE XIII

Voorschriften om de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen te waarborgen

Aanhangsel 6

Demonstratie van de minimaal aanvaardbare reagenskwaliteit CDmin

BIJLAGE XIV

Meting van het nettomotorvermogen

BIJLAGE XV

Wijziging van Verordening (EG) nr. 595/2009

BIJLAGE XVI

Wijziging van Richtlijn 2007/46/EG

BIJLAGE XVII

Toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie

Aanhangsel 1

Certificaat van de fabrikant met betrekking tot de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie

Aanhangsel 2

OBD-informatie van het voertuig

Aanhangsel 3

Lijst van onder artikel 2 sexies vallende overgenomen systemen

BIJLAGE XVIII

Specifieke technische voorschriften voor dualfuelmotoren en -voertuigen

Aanhangsel 1

Typen dualfuelmotoren en -voertuigen — lijst van belangrijkste bedrijfsvoorschriften




BIJLAGE I

BESTUURSRECHTELIJKE BEPALINGEN VOOR DE EG-TYPEGOEDKEURING

1.   VOORSCHRIFTEN INZAKE SOORTEN BRANDSTOFFEN

1.1.    Voorschriften voor multibrandstof-typegoedkeuring

Een multibrandstofgoedkeuring wordt verleend op grond van de voorschriften in de punten 1.1.1 tot en met 1.1.6.1.

▼M4

1.1.1. De basismotor moet voldoen aan de voorschriften van deze verordening voor de geschikte referentiebrandstoffen die zijn gespecificeerd in bijlage IX. Voor motoren op aardgas/biomethaan, met inbegrip van dualfuelmotoren, gelden specifieke voorschriften die zijn vastgelegd in punt 1.1.3.

▼M6

1.1.2.  ►M9  Indien de fabrikant toestaat de motorenfamilie te laten functioneren op in de handel verkrijgbare brandstoffen die niet voldoen aan Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 4 ), noch aan CEN-norm EN 228:2012 in het geval van loodvrije benzine of CEN-norm EN 590:2013 in het geval van diesel, zoals op FAME B100 (CEN-norm EN 14214), FAME-dieselmengsels B20/B30 (CEN-norm EN 16709), paraffinehoudende brandstof (CEN-norm EN 15940) of andere brandstoffen, moet de fabrikant niet alleen voldoen aan de voorschriften van punt 1.1.1, maar ook: ◄

a) in punt 3.2.2.2.1 van het inlichtingenformulier van aanhangsel 4, deel 1, aangeven op welke brandstoffen de motorenfamilie kan functioneren, door te verwijzen naar een officiële norm of naar een productiespecificatie van een merkspecifieke in de handel verkrijgbare brandstof die niet voldoet aan een officiële norm zoals die vermeld in punt 1.1.2. De fabrikant moet eveneens verklaren dat het gebruik van de aangegeven brandstof geen invloed heeft op de functionaliteit van het OBD-systeem;

▼M9

a1) de vermogenscorrectiefactor vaststellen voor elke krachtens punt 5.2.7 aangegeven brandstof, indien van toepassing;

▼M6

b) aantonen dat de basismotor aan de voorschriften van bijlage III en van bijlage VI, aanhangsel 1, bij deze verordening voor de aangegeven brandstoffen voldoet; op verzoek van de goedkeuringsinstantie moet ook worden aangetoond dat aan de voorschriften van de bijlagen VII en X is voldaan;

c) ervoor instaan dat aan de voorschriften voor conformiteit tijdens het gebruik van bijlage II wordt voldaan voor de aangegeven brandstoffen, inclusief elk mengsel van de aangegeven brandstoffen en de in de handel verkrijgbare brandstoffen die zijn opgenomen in Richtlijn 98/70/EG en de desbetreffende CEN-normen.

Op verzoek van de fabrikant zijn de in dit punt vermelde voorschriften van toepassing op brandstoffen voor militaire doeleinden.

Wanneer de emissietests worden verricht om de naleving van de voorschriften van deze verordening aan te tonen, moet voor de toepassing van de eerste alinea, onder a), bij het testrapport en brandstofanalyserapport van de testbrandstof worden gevoegd dat ten minste de in de officiële specificaties van de brandstoffabrikant vermelde parameters bevat.

▼M4

1.1.3. Bij motoren op aardgas/biomethaan, met inbegrip van dualfuelmotoren, moet de fabrikant aantonen dat de basismotoren zich aan alle in de handel voorkomende aardgas/biomethaansamenstellingen kunnen aanpassen. Dit moet worden aangetoond overeenkomstig dit punt, en in het geval van dualfuelmotoren tevens overeenkomstig de aanvullende bepalingen voor de brandstofaanpassingsprocedure in punt 6.4 van bijlage 15 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

Bij gecomprimeerd aardgas/biomethaan (cng) zijn er over het algemeen twee typen brandstof: brandstof met een hoge verbrandingswaarde (H-gas) en brandstof met een lage verbrandingswaarde (L-gas), maar met aanzienlijke variaties binnen beide groepen; zij vertonen sterke verschillen qua energie-inhoud (uitgedrukt door de Wobbe-index) en λ-verschuivingsfactor (Sλ). Aardgas met een λ-verschuivingsfactor tussen 0,89 en 1,08 (0,89 ≤ Sλ ≤ 1,08) wordt geacht tot groep H te behoren, terwijl aardgas met een λ-verschuivingsfactor tussen 1,08 en 1,19 (1,08 ≤ Sλ ≤ 1,19) wordt geacht tot groep L te behoren. In de samenstelling van de referentiebrandstoffen is rekening gehouden met de extreme variaties van Sλ.

De basismotor moet voldoen aan de voorschriften van deze verordening voor de referentiebrandstoffen GR (brandstof 1) en G25 (brandstof 2), zoals gespecificeerd in bijlage IX, zonder dat het motorbrandstoftoevoersysteem tussen de twee tests handmatig wordt bijgesteld (de aanpassing moet automatisch zijn). De motor mag zich tijdens één warme WHTC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Na de aanpassing wordt de motor afgekoeld overeenkomstig punt 7.6.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

Bij vloeibaar aardgas/biomethaan (lng) moet de basismotor voldoen aan de voorschriften van deze verordening voor de referentiebrandstoffen GR (brandstof 1) en G20 (brandstof 2) zoals gespecificeerd in bijlage IX, zonder dat het motorbrandstoftoevoersysteem tussen de twee tests handmatig wordt bijgesteld (de aanpassing moet automatisch zijn). De motor mag zich tijdens één warme WHTC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Na de aanpassing wordt de motor afgekoeld overeenkomstig punt 7.6.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

▼B

1.1.3.1. Op verzoek van de fabrikant mag de motor getest worden met een derde brandstof (brandstof 3) indien de λ-verschuivingsfactor (Sλ) tussen 0,89 (de ondergrens van GR) en 1,19 (de bovengrens van G25) ligt, bijvoorbeeld wanneer brandstof 3 een in de handel verkrijgbare brandstof is. De resultaten van deze test mogen worden gebruikt als basis voor de beoordeling van de conformiteit van de productie.

▼M4

1.1.4. Bij een motor die op cng loopt en die zichzelf aanpast aan H-gassen enerzijds en L-gassen anderzijds, waarbij met behulp van een schakelaar van gasgroep H op gasgroep L kan worden overgeschakeld, moet de basismotor in elke stand van de schakelaar worden beproefd met de twee relevante referentiebrandstoffen als aangegeven in bijlage IX voor elke gasgroep. De brandstoffen zijn GR (brandstof 1) en G23 (brandstof 3) voor gasgroep H en G25 (brandstof 2) en G23 (brandstof 3) voor gasgroep L. De basismotor moet in beide standen van de schakelaar voldoen aan de voorschriften van deze verordening, zonder dat de brandstoftoevoer tussen de twee tests in elke stand van de schakelaar wordt bijgesteld. De motor mag zich tijdens één warme WHTC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Na de aanpassing wordt de motor afgekoeld overeenkomstig punt 7.6.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

▼B

1.1.4.1. Op verzoek van de fabrikant mag de motor getest worden met een derde brandstof in plaats van G23 (brandstof 3) indien de λ-verschuivingsfactor (Sλ) tussen 0,89 (de ondergrens van GR) en 1,19 (de bovengrens van G25) ligt, bijvoorbeeld wanneer brandstof 3 een in de handel verkrijgbare brandstof is. De resultaten van deze test mogen worden gebruikt als basis voor de beoordeling van de conformiteit van de productie.

▼M6

1.1.5. Bij aardgas/biomethaanmotoren moet de verhouding van de emissieresultaten „r” voor elke verontreinigende stof als volgt worden bepaald:

image

of

image

en

image

▼M4

1.1.6. Bij lpg moet de fabrikant aantonen dat de basismotor zich aan alle in de handel voorkomende brandstofsamenstellingen kan aanpassen.

Bij lpg zijn er variaties in de samenstelling C3/C4. In de referentiebrandstoffen is rekening gehouden met die variaties. De basismotor moet voldoen aan de emissievoorschriften voor de referentiebrandstoffen A en B, als vermeld in bijlage IX, zonder dat de brandstoftoevoer tussen de twee tests wordt bijgesteld. De motor mag zich tijdens één warme WHTC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Na de aanpassing wordt de motor afgekoeld overeenkomstig punt 7.6.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

▼B

1.1.6.1. De verhouding van de emissieresultaten „r” wordt voor elke verontreinigende stof als volgt bepaald:

image

▼M4

1.2.   Voorschriften voor typegoedkeuring voor een beperkt aantal brandstoffen bij motoren op aardgas/biomethaan of lpg, met inbegrip van dualfuelmotoren

Een typegoedkeuring voor een beperkt aantal brandstoffen wordt verleend op grond van de voorschriften in de punten 1.2.1 tot en met 1.2.2.2.

1.2.1. Typegoedkeuring wat uitlaatemissies betreft van een motor die op cng loopt en ontworpen is voor aardgas van groep H of L

De basismotor moet worden getest met de relevante referentiebrandstof als aangegeven in bijlage IX voor de betrokken gasgroep. De brandstoffen zijn GR (brandstof 1) en G23 (brandstof 3) voor gasgroep H en G25 (brandstof 2) en G23 (brandstof 3) voor gasgroep L. De basismotor moet aan de voorschriften van deze verordening voldoen zonder dat de brandstoftoevoer tussen de twee tests wordt bijgesteld. De motor mag zich tijdens één warme WHTC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Na de aanpassing wordt de motor afgekoeld overeenkomstig punt 7.6.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

▼B

1.2.1.1. Op verzoek van de fabrikant mag de motor getest worden met een derde brandstof in plaats van G23 (brandstof 3) indien de λ-verschuivingsfactor (Sλ) tussen 0,89 (de ondergrens van GR) en 1,19 (de bovengrens van G25) ligt, bijvoorbeeld wanneer brandstof 3 een in de handel verkrijgbare brandstof is. De resultaten van deze test mogen worden gebruikt als basis voor de beoordeling van de conformiteit van de productie.

1.2.1.2. De verhouding van de emissieresultaten „r” wordt voor elke verontreinigende stof als volgt bepaald:

image

of

image

en

image

1.2.1.3. Bij aflevering aan de afnemer moet de motor zijn voorzien van een label zoals beschreven in punt 3.3 waarop staat vermeld voor welke gasgroep de motor is goedgekeurd.

▼M4

1.2.2. Typegoedkeuring wat de uitlaatemissies betreft van een motor die op aardgas/biomethaan of lpg loopt en ontworpen is voor brandstof van één bepaalde samenstelling.

De basismotor moet voldoen aan de emissievoorschriften voor de referentiebrandstoffen GR en G25 in het geval van cng, de referentiebrandstoffen GR en G20 in het geval van lng, of de referentiebrandstoffen A en B in het geval van lpg, als vermeld in bijlage IX. Deze bijstelling bestaat uit herkalibratie van het brandstoftoevoergegevensbestand zonder wijziging van het basisregelsysteem of de basisopzet van het gegevensbestand. Zo nodig mogen delen die rechtstreeks verband houden met de brandstofstroom (zoals inspuitkoppen) worden vervangen.

1.2.2.1. Bij cng mag de motor op verzoek van de fabrikant worden getest met de referentiebrandstoffen GR en G23 of met de referentiebrandstoffen G25 en G23 in welk geval de typegoedkeuring slechts geldig is voor respectievelijk gasgroep H of gasgroep L.

1.2.2.2. Bij aflevering aan de afnemer moet de motor zijn voorzien van een label zoals beschreven in punt 3.3 waarop staat vermeld voor welke brandstofsamenstelling de motor is gekalibreerd.

▼M4

1.3.    Voorschriften voor brandstofspecifieke typegoedkeuring

1.3.1. Voor motoren op lng, met inbegrip van dualfuelmotoren, die overeenkomstig punt 3.1 van deze bijlage zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat de letters „LNG20” bevat, kan een brandstofspecifieke typegoedkeuring worden verleend.

1.3.2. De fabrikant kan alleen een aanvraag voor brandstofspecifieke typegoedkeuring indienen als de motor voor een specifieke lng-samenstelling is gekalibreerd, wat een λ-verschuivingsfactor oplevert die niet meer dan 3 % verschilt van de λ-verschuivingsfactor van de in bijlage IX gespecificeerde brandstof G20, en waarvan het ethaangehalte niet meer dan 1,5 % bedraagt.

1.3.3. Bij een dualfuelmotorenfamilie waarvan de motoren voor een specifieke lng-samenstelling zijn gekalibreerd, wat een λ-verschuivingsfactor oplevert die niet meer dan 3 % verschilt van de λ-verschuivingsfactor van de in bijlage IX gespecificeerde brandstof G20, en waarvan het ethaangehalte niet meer dan 1,5 % bedraagt, moet de basismotor alleen op het in bijlage IX gespecificeerde referentiegas G20 worden getest.

▼B

2.   TYPEGOEDKEURING VAN DE UITLAATEMISSIES VAN EEN LID VAN EEN MOTORENFAMILIE

2.1. Behalve in het in punt 2.2 genoemde geval wordt de typegoedkeuring van een basismotor zonder verdere beproeving uitgebreid tot alle motoren van een familie voor alle brandstofsamenstellingen binnen de gasgroep waarvoor de basismotor is goedgekeurd (in het geval van de in punt 1.2.2 beschreven motoren) of voor dezelfde brandstoffen respectievelijk dezelfde gasgroep waarvoor typegoedkeuring is verleend voor de basismotor (in het geval van de in punt 1.1 of 1.2 beschreven motoren).

2.2. Indien de technische dienst constateert dat de ingediende aanvraag wat de gekozen basismotor betreft niet volledig representatief is voor de in deel 1 van aanhangsel 4 gedefinieerde motorenfamilie, kan hij een andere en zo nodig nog een extra referentietestmotor selecteren en testen.

3.   MERKTEKENS OP DE MOTOR

▼M6

3.1.

In het geval van een motor waarvoor typegoedkeuring is verleend als technische eenheid, of van een voertuig waarvoor typegoedkeuring is verleend wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft, moet de motor worden voorzien van:

a) het handelsmerk of de handelsnaam van de motorfabrikant;

b) de handelsbenaming van de fabrikant voor de motor.

▼M4

3.2.

Op elke motor waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid krachtens deze verordening is verleend, wordt een EG-typegoedkeuringsmerk aangebracht. Dit merk bestaat uit:

▼B

3.2.1. Een rechthoek met daarin de kleine letter „e”, gevolgd door het nummer van de lidstaat die de EG-typegoedkeuring als technische eenheid heeft verleend:

1

voor Duitsland

2

voor Frankrijk

3

voor Italië

4

voor Nederland

5

voor Zweden

6

voor België

7

voor Hongarije

8

voor Tsjechië

9

voor Spanje

11

voor het Verenigd Koninkrijk

12

voor Oostenrijk

13

voor Luxemburg

17

voor Finland

18

voor Denemarken

19

voor Roemenië

20

voor Polen

21

voor Portugal

23

voor Griekenland

24

voor Ierland

▼M2

25

voor Kroatië

▼B

26

voor Slovenië

27

voor Slowakije

29

voor Estland

32

voor Letland

34

voor Bulgarije

36

voor Litouwen

49

voor Cyprus

50

voor Malta.

▼M6

3.2.1.1. Bij een aardgas/biomethaanmotor moet na het EG-typegoedkeuringsmerk een van de volgende merktekens worden geplaatst:

a) H bij een motor die voor gasgroep H is goedgekeurd en gekalibreerd;

b) L bij een motor die voor gasgroep L is goedgekeurd en gekalibreerd;

c) HL bij een motor die voor zowel gasgroep H als gasgroep L is goedgekeurd en gekalibreerd;

d) Ht bij een motor die voor een specifieke gassamenstelling van gasgroep H is goedgekeurd en gekalibreerd en die door bijstelling van de brandstoftoevoer naar de motor op een ander specifiek gas van gasgroep H kan worden ingesteld;

e) LTL bij een motor die voor een specifieke gassamenstelling van gasgroep L is goedgekeurd en gekalibreerd en die door bijstelling van de brandstoftoevoer naar de motor op een ander specifiek gas van gasgroep L kan worden ingesteld;

f) HLt bij een motor die voor een specifieke gassamenstelling van gasgroep H of L is goedgekeurd en gekalibreerd en die door bijstelling van de brandstoftoevoer naar de motor op een ander specifiek gas van gasgroep H of L kan worden ingesteld;

g) CNGfr in alle andere gevallen waarin de motor op cng/biomethaan loopt en ontworpen is voor één beperkte samenstelling van het als brandstof gebruikte gas;

h) LNGfr in de gevallen waarin de motor op lng loopt en ontworpen is voor één beperkte samenstelling van het als brandstof gebruikte gas;

i) LPGfr in de gevallen waarin de motor op lpg loopt en ontworpen is voor één beperkte samenstelling van het als brandstof gebruikte gas;

j) LNG20 bij een motor die voor een specifieke lng-samenstelling is goedgekeurd en gekalibreerd, wat een λ-verschuivingsfactor oplevert die niet meer dan 3 % verschilt van de λ-verschuivingsfactor van de in bijlage IX gespecificeerde brandstof G20, en waarvan het ethaangehalte niet meer dan 1,5 % bedraagt;

k) LNG bij een motor die voor een andere lng-samenstelling is goedgekeurd en gekalibreerd.

3.2.1.2. Bij dualfuelmotoren moet het goedkeuringsmerk na het nummer van het land een reeks tekens bevatten om aan te geven voor welk dualfuelmotortype en voor welke gasgroep de goedkeuring is verleend. De reeks tekens moet bestaan uit twee tekens ter identificatie van het dualfuelmotortype zoals gedefinieerd in artikel 2, gevolgd door de in punt 3.2.1.1 gespecificeerde letter(s) die overeenkomt/overeenkomen met de door de motor gebruikte aardgas/biomethaansamenstelling. De twee tekens ter identificatie van de dualfuelmotortypen zoals gedefinieerd in artikel 2, zijn:

a) 1A voor dualfuelmotoren van type 1A;

b) 1B voor dualfuelmotoren van type 1B;

c) 2A voor dualfuelmotoren van type 2A;

d) 2B voor dualfuelmotoren van type 2B;

e) 3B voor dualfuelmotoren van type 3B.

3.2.1.3. Bij compressieontstekingsmotoren op diesel moet het goedkeuringsmerk na het nummer van het land de letter D bevatten.

3.2.1.4. Bij compressieontstekingsmotoren op ethanol (ED95) moet het goedkeuringsmerk na het nummer van het land de letters ED bevatten.

3.2.1.5. Bij elektrische-ontstekingsmotoren op ethanol (E85) moet het goedkeuringsmerk na het nummer van het land de letters E85 bevatten.

3.2.1.6. Bij elektrische-ontstekingsmotoren op benzine moet het goedkeuringsmerk na het nummer van het land de letter P bevatten.

▼M4

3.2.2. In de nabijheid van de rechthoek wordt het „basisgoedkeuringsnummer” aangebracht, het vierde deel van het in bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG bedoelde typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door de letter die de emissiefase aangeeft waarvoor de EG-typegoedkeuring is verleend.

3.2.3. Het EG-typegoedkeuringsmerk wordt onuitwisbaar en goed leesbaar op de motor aangebracht. Het moet zichtbaar zijn wanneer de motor in het voertuig wordt geïnstalleerd en moet worden bevestigd aan een onderdeel dat noodzakelijk is voor het normale bedrijf van de motor en tijdens de levensduur van de motor normaliter niet hoeft te worden vervangen.

Het op de motor aangebrachte EG-goedkeuringsmerk mag ook via het dashboard te vinden zijn. In dat geval moet het gemakkelijk voor inspectie beschikbaar zijn en wordt in de handleiding bij het voertuig aangegeven op welke wijze het toegankelijk is.

▼B

3.2.4. In aanhangsel 8 is een voorbeeld opgenomen van het EG-typegoedkeuringsmerk.

▼M4

3.3.

Labels voor aardgas/biomethaan- en lpg-motoren

Voor op aardgas/biomethaan en lpg lopende motoren met een typegoedkeuring voor een beperkt aantal brandstoffen moeten de volgende labels worden aangebracht met de in punt 3.3.1 vermelde informatie.

▼B

3.3.1.

De volgende informatie moet op het label worden aangebracht:

In het geval van punt 1.2.1.3 staat op het label: „ALLEEN VOOR GEBRUIK MET AARDGAS VAN GROEP H”. „H” wordt in voorkomend geval vervangen door „L”.

In het geval van punt 1.2.2.2 staat op het label: „ALLEEN VOOR GEBRUIK MET AARDGAS, SPECIFICATIE…” of „ALLEEN VOOR GEBRUIK MET VLOEIBAAR PETROLEUMGAS, SPECIFICATIE…”. Alle gegevens in de desbetreffende tabel in bijlage IX worden vermeld met de afzonderlijke bestanddelen en grenswaarden die zijn opgegeven door de motorfabrikant.

De letters en cijfers zijn ten minste 4 mm hoog.

Als er op het label niet voldoende plaats is voor die gegevens, mag een vereenvoudigde code worden gebruikt. In dat geval moet nadere uitleg met alle voornoemde informatie gemakkelijk toegankelijk zijn voor wie de brandstoftank vult of onderhoud of reparaties aan de motor en de toebehoren ervan verricht, alsmede voor de betrokken autoriteiten. De plaats waar die nadere uitleg zich bevindt en de inhoud ervan worden bepaald in overleg tussen de fabrikant en de goedkeuringsinstantie.

3.3.2.

Eigenschappen

De labels moeten even lang meegaan als de motor. Zij moeten goed leesbaar zijn en de letters en cijfers moeten onuitwisbaar zijn. Bovendien moeten de labels zodanig worden aangebracht dat ze tijdens de hele levensduur van de motor bevestigd blijven en mogen ze niet kunnen worden verwijderd zonder vernietigd of onleesbaar te worden.

3.3.3.

Plaatsing

De labels moeten worden bevestigd aan een motoronderdeel dat noodzakelijk is voor het normale bedrijf van de motor en tijdens de levensduur van de motor normaliter niet hoeft te worden vervangen. Bovendien moeten ze zodanig worden geplaatst dat ze gemakkelijk leesbaar zijn nadat alle voor de werking van de motor noodzakelijke toebehoren op de motor zijn gemonteerd.

3.4.

Bij een aanvraag voor EG-typegoedkeuring van een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies en toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft of EG-typegoedkeuring van een voertuig wat emissies en toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft, moet het in punt 3.3 bedoelde label ook dicht bij de vulopening van de brandstoftank worden aangebracht.

4.   MONTAGE IN HET VOERTUIG

4.1.

De montage van de motor in het voertuig moet zodanig worden uitgevoerd dat wordt voldaan aan de voorschriften voor typegoedkeuring. Met betrekking tot de typegoedkeuring van de motor dient rekening te worden gehouden met de volgende kenmerken:

4.1.1. de inlaatonderdruk mag niet meer bedragen dan de in deel 1 van aanhangsel 4 aangegeven waarde voor de typegoedkeuring van de motor;

4.1.2. de uitlaattegendruk mag niet meer bedragen dan de in deel 1 van aanhangsel 4 aangegeven waarde voor de typegoedkeuring van de motor;

4.1.3. het vermogen dat wordt geabsorbeerd door de hulpapparatuur die noodzakelijk is voor de werking van de motor mag niet meer bedragen dan de in deel 1 van aanhangsel 4 voor de typegoedkeuring van de motor aangegeven waarde;

4.1.4. de kenmerken van het uitlaatgasnabehandelingssysteem moeten in overeenstemming zijn met de kenmerken in deel 1 van aanhangsel 4 voor de typegoedkeuring van de motor.

4.2.

Montage van een motor waarvoor typegoedkeuring is verleend in een voertuig

De montage van een motor waarvoor typegoedkeuring is verleend als technische eenheid in een voertuig moet daarnaast voldoen aan de volgende voorschriften:

a) wat de conformiteit van het OBD-systeem betreft moet de montage overeenkomstig aanhangsel 1 van bijlage 9B bij VN/ECE-Reglement nr. 49 voldoen aan de montagevoorschriften van de fabrikant zoals aangegeven in deel 1 van aanhangsel 4;

▼M6

b) wat de conformiteit van het systeem betreft waarmee de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd, moet de montage overeenkomstig aanhangsel 4 van bijlage 11 bij VN/ECE-reglement nr. 49 voldoen aan de desbetreffende voorschriften van de fabrikant zoals aangegeven in deel 1 van bijlage 1 bij dat reglement;

▼M4

c) de installatie in een voertuig van een dualfuelmotor waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid is verleend, moet tevens voldoen aan de specifieke installatievoorschriften van punt 6 van bijlage 15 bij VN/ECE-Reglement nr. 49 en aan de overeenkomstig punt 7 van bijlage XVIII bij deze verordening vereiste installatievoorschriften van de fabrikant.

▼B

4.3.

Brandstoftankinlaten in geval van motoren die lopen op benzine of E85

4.3.1. De vulopening van de benzine- of E85-tank is zodanig ontworpen dat de tank niet kan worden gevuld met een slang met een mondstuk met een buitendiameter van 23,6 mm of meer.

4.3.2. Punt 4.3.1 is niet van toepassing op voertuigen die aan beide volgende voorwaarden voldoen:

a) het voertuig is zodanig ontworpen en geconstrueerd dat geen enkel systeem ter beperking van de emissie van verontreinigende gassen door loodhoudende benzine kan worden aangetast;

b) het voertuig is op opvallende, leesbare en onuitwisbare wijze voorzien van het symbool voor loodvrije benzine, zoals omschreven in ISO-norm 2575:2004, op een plaats die onmiddellijk zichtbaar is voor een persoon die de brandstoftank vult. Extra merktekens zijn toegestaan.

4.3.3. Er worden maatregelen getroffen ter voorkoming van overmatige verdampingsemissies en brandstofverspilling als gevolg van een ontbrekende brandstoftankdop. Dit kan worden gerealiseerd door middel van:

a) een vast gemonteerde tankdop die automatisch open- en dichtgaat;

b) een specifiek ontwerp ter voorkoming van overmatige verdampingsemissies bij een ontbrekende tankdop;

c) of in geval van voertuigen van de categorieën M1 en N1 elke andere voorziening met hetzelfde resultaat. Enkele enuntiatieve voorbeelden zijn: een vastgemaakte tankdop, een tankdop aan een kettinkje of een tankdop met dezelfde sleutel als voor het contactslot van het voertuig. In dit laatste geval mag de sleutel alleen uit het slot van de tankdop kunnen worden genomen wanneer de tankdop op slot is.

5.   VOORSCHRIFTEN EN TESTS VOOR TESTEN TIJDENS HET GEBRUIK

5.1.    Inleiding

Dit gedeelte bevat de specificaties en tests voor de gegevens van de elektronische regeleenheid bij typegoedkeuring met het oog op tests tijdens het gebruik.

5.2.    Algemene voorschriften

▼M4

5.2.1. Voor het testen tijdens het gebruik worden als verplichte datastream-informatie de berekende belasting (motorkoppel als percentage van maximumkoppel en het bij het huidige motortoerental beschikbare maximumkoppel), het motortoerental, de motorkoelmiddeltemperatuur, het momentane brandstofverbruik en het referentiemaximumkoppel van de motor als functie van het motortoerental met een frequentie van ten minste 1 Hz in real time beschikbaar gesteld door de elektronische regeleenheid.

▼B

5.2.2. Het uitvoerkoppel mag door de elektronische regeleenheid worden geschat met behulp van ingebouwde algoritmen ter berekening van het geproduceerde interne koppel en het wrijvingskoppel.

5.2.3. Het motorkoppel in Nm dat resulteert uit bovenstaande datastream-informatie moet rechtstreeks kunnen worden vergeleken met de waarden die worden gemeten bij de bepaling van het motorvermogen volgens bijlage XIV. Met name eventuele correcties met betrekking tot hulpaggregaten dienen in bovenstaande datastream-informatie te worden opgenomen.

5.2.4. Toegang tot de in punt 5.2.1 vereiste informatie wordt verstrekt overeenkomstig bijlage X en de normen die vermeld zijn in aanhangsel 6 van bijlage 9B bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

5.2.5. De gemiddelde belasting bij iedere werkingsomstandigheid in Nm berekend op basis van de in punt 5.2.1 vereiste informatie mag niet meer dan het volgende percentage afwijken van de gemiddelde gemeten belasting bij die werkingsomstandigheid:

a) 7 % bij de bepaling van het motorvermogen volgens bijlage XIV;

▼M9

b) 10 % bij het uitvoeren van de test van de wereldwijd geharmoniseerde cyclus in statische toestand (hierna WHSC-test genoemd) overeenkomstig bijlage III, met uitzondering van de fasen 1 en 13 (stationair draaien).

▼B

Krachtens VN/ECE-Reglement nr. 85 ( 5 ) mag de feitelijke maximale motorbelasting vanwege mogelijke variaties in het fabricageproces 5 % afwijken van het referentiemaximum. In bovenstaande waarden is rekening gehouden met deze tolerantie.

5.2.6. Externe toegang tot de in punt 5.2.1 vereiste informatie mag de emissies of prestaties van het voertuig niet beïnvloeden.

▼M9

5.2.7. Indien het verschil tussen de gemeten waarde van het motorkoppel bij een aangegeven, in de handel verkrijgbare brandstof en het koppel dat op basis van de in punt 5.2.1 gevraagde informatie is berekend, een van de in punt 5.2.5 vermelde waarden overschrijdt, wordt voor de motorenfamilie een vermogenscorrectiefactor bepaald voor elke aanvullende in de handel verkrijgbare brandstof die overeenkomstig punt 1.1.2 door de fabrikant wordt toegestaan. De correctiefactor wordt berekend als de verhouding tussen het gemiddelde op de in bijlage IX gespecificeerde referentiebrandstof gemeten maximumkoppel [Nm] en het gemiddelde op de aangegeven in de handel verkrijgbare brandstof gemeten maximumkoppel [Nm].

▼B

5.3.    Controle van de beschikbaarheid en conformiteit van de voor tests tijdens het gebruik vereiste informatie van de elektronische regeleenheid

5.3.1. De beschikbaarheid van de in punt 5.2.1 vereiste datastream-informatie overeenkomstig punt 5.2.2 wordt aangetoond met een externe OBD-scanner als beschreven in bijlage X.

5.3.2. Indien deze informatie niet op adequate wijze kan worden opgehaald met een scanner die correct functioneert, wordt ervan uitgegaan dat de motor niet aan de voorschriften voldoet.

▼M9

5.3.3. Naleving van het in punt 5.2.5 bedoelde voorschrift wordt voor de basismotor van een motorenfamilie aangetoond bij de bepaling van het motorvermogen overeenkomstig bijlage XIV en bij de uitvoering van de WHSC-test overeenkomstig bijlage III en van laboratoriumtests buiten de cyclus bij typegoedkeuring overeenkomstig bijlage VI, punt 6.

5.3.3.1. Naleving van het in punt 5.2.5 bedoelde voorschrift wordt voor elk lid van de motorenfamilie aangetoond bij de bepaling van het motorvermogen overeenkomstig bijlage XIV. Hiertoe worden aanvullende metingen uitgevoerd bij meerdere deellast- en toerentalwerkpunten (bijvoorbeeld bij de WHSC-teststanden en enkele aanvullende, willekeurig gekozen punten).

▼M9

5.3.3.2. Indien van toepassing wordt de vermogenscorrectiefactor voor de motorenfamilie, zoals bedoeld in punt 5.2.7, bepaald met de basismotor van de motorenfamilie.

▼M4

5.3.4. Indien de geteste motor niet overeenstemt met de in bijlage XIV beschreven voorschriften betreffende hulpaggregaten, wordt het gemeten koppel gecorrigeerd volgens de correctiemethode in bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

▼B

5.3.5. De conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid wordt als bewezen beschouwd wanneer het koppelsignaal binnen de in punt 5.2.5 vastgelegde toleranties valt.

6.   MOTORENFAMILIE

▼M4

6.1.    Parameters die de motorenfamilie bepalen

De motorenfamilie, zoals bepaald door de motorfabrikant, moet voldoen aan punt 5.2 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49 en, bij dualfuelmotoren en -voertuigen, aan punt 3.1 van bijlage 15 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

6.2.    Keuze van de basismotor

De basismotor van de familie wordt gekozen overeenkomstig punt 5.2.4 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49 en, bij dualfuelmotoren en -voertuigen, punt 3.1.2 van bijlage 15 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

▼B

6.3.    Parameters om een OBD-motorenfamilie te definiëren

De OBD-motorfamilie kan worden gedefinieerd aan de hand van basisontwerpparameters die gemeenschappelijk zijn voor de motorsystemen binnen die familie overeenkomstig punt 6.1 van bijlage 9B bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

▼M4

6.4.    Uitbreiding om een nieuw motorsysteem in een motorenfamilie op te nemen

6.4.1. Op verzoek van de fabrikant en met het akkoord van de goedkeuringsinstantie kan een nieuw motorsysteem als lid van een gecertificeerde motorenfamilie worden opgenomen als aan de in punt 6.1 bedoelde criteria wordt voldaan.

6.4.2. Indien de constructie-elementen van het basismotorsysteem overeenkomen met die van het nieuwe motorsysteem overeenkomstig punt 6.2 of, bij dualfuelmotoren, overeenkomstig punt 3.1.2 van bijlage 15 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, moet het basismotorsysteem ongewijzigd blijven en moet de fabrikant het in bijlage I gespecificeerde inlichtingenformulier wijzigen.

6.4.3. Indien de constructie-elementen van het nieuwe motorsysteem niet overeenkomen met het basismotorsysteem overeenkomstig punt 6.4.2 maar wel representatief zijn voor de hele familie, wordt het nieuwe motorsysteem de nieuwe basismotor. In dat geval moet worden aangetoond dat de nieuwe constructie-elementen voldoen aan de bepalingen van deze verordening en moet het in bijlage I gespecificeerde inlichtingenformulier worden gewijzigd.

▼B

7.   CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

7.1.    Algemene eisen

Overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2007/46/EG worden maatregelen genomen om de conformiteit van de productie te waarborgen. De conformiteit van de productie wordt gecontroleerd op basis van de beschrijving in de typegoedkeuringscertificaten overeenkomstig aanhangsel 4 van deze bijlage. Bij de toepassing van aanhangsel 1, 2 of 3 moeten op de gemeten emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren waarvan de conformiteit van de productie moet worden gecontroleerd, de desbetreffende verslechteringsfactoren voor die motor worden toegepast, zoals vastgelegd in het addendum bij EG-typegoedkeuringscertificaat dat overeenkomstig deze verordening is verleend.

De bepalingen van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG zijn van toepassing indien de goedkeuringsinstanties de berekeningsmethode van de fabrikant ontoereikend achten.

Alle geteste motoren worden willekeurig uit de serieproductie genomen.

7.2.    Emissie van verontreinigende stoffen

7.2.1. Indien de emissies van verontreinigende stoffen gemeten moeten worden bij een motortype waarvan de typegoedkeuring een of meer keren is uitgebreid, worden de tests uitgevoerd op de motoren die zijn beschreven in het informatiepakket betreffende de betrokken uitbreiding.

7.2.2. Conformiteit van de motor die aan een emissietest wordt onderworpen:

Nadat de motor aan de instantie is verstrekt, stelt de fabrikant de gekozen motoren niet meer bij.

7.2.2.1. Er worden drie motoren genomen uit de serieproducties van de te testen motoren. Motoren worden voor controle van de conformiteit van de productie onderworpen aan WHTC- en in voorkomend geval aan WHSC-tests. In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 595/2009 zijn de grenswaarden uiteengezet.

7.2.2.2. Indien de door de fabrikant overeenkomstig bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG opgegeven standaarddeviatie van de productie voor de goedkeuringsinstantie bevredigend is, worden de tests overeenkomstig aanhangsel 1 van deze bijlage uitgevoerd.

Indien de door de fabrikant overeenkomstig bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG opgegeven standaarddeviatie van de productie voor de goedkeuringsinstantie onbevredigend is, worden de tests overeenkomstig aanhangsel 2 van deze bijlage uitgevoerd.

Op verzoek van de fabrikant kunnen de tests worden uitgevoerd overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage.

7.2.2.3. De serieproductie van de motoren in kwestie wordt op grond van tests met willekeurig gekozen motoren zoals beschreven in punt 7.2.2.2 geacht conform respectievelijk niet-conform te zijn, wanneer volgens de testcriteria van het toepasselijke aanhangsel een positief oordeel voor alle verontreinigende stoffen, respectievelijk een negatief oordeel over één verontreinigende stof is bereikt.

Indien voor een verontreinigende stof een positief oordeel is bereikt, mag daarvan niet worden afgeweken op grond van een resultaat van aanvullende tests die worden uitgevoerd om tot een oordeel te komen over andere verontreinigende stoffen.

Indien er geen positief oordeel voor alle verontreinigende stoffen en geen negatief oordeel voor enige verontreinigende stof wordt geveld, wordt er een test met een andere motor uitgevoerd (zie figuur 1).

Indien geen oordeel wordt geveld, mag de fabrikant te allen tijde besluiten de tests te beëindigen. In dat geval wordt een negatief oordeel in het rapport opgenomen.

Figuur 1
Schema van de controle van de conformiteit van de productie image

7.2.3. De tests worden uitgevoerd op nieuwe motoren.

7.2.3.1. Op verzoek van de fabrikant kunnen de tests echter worden uitgevoerd op motoren die ten hoogste 125 uur zijn ingereden. In dat geval laat de fabrikant de motoren inlopen. Hij verbindt zich ertoe die motoren niet meer bij te stellen.

7.2.3.2. Wanneer de fabrikant verzoekt de motor overeenkomstig punt 7.2.3.1 in te mogen laten lopen, mag dat met:

a) alle motoren die worden getest;

b) de eerste motor die wordt getest, waarbij een als volgt bepaalde evolutiecoëfficiënt op die motor wordt toegepast:

i) de verontreinigende emissies worden op de nieuwe motor en vóór het in punt 7.2.3.1 vastgelegde maximum van 125 uur gemeten bij de eerste testmotor,

ii) de evolutiecoëfficiënt van de emissies tussen beide tests wordt voor elke verontreinigende stof als volgt berekend:

Emissies bij tweede test/Emissies bij eerste test

De evolutiecoëfficiënt mag een waarde van minder dan één hebben.

De andere testmotoren laat men niet inlopen, maar de emissies van nieuwe motoren worden aangepast met behulp van de evolutiecoëfficiënt.

In dit geval worden de volgende waarden genomen:

a) de waarden uit de tweede test voor de eerste motor;

b) de waarde van een nieuwe motor, vermenigvuldigd met de evolutiecoëfficiënt, voor de andere motoren.

▼M4

7.2.3.3. Bij motoren die op diesel, ethanol (ED95), benzine, E85, lng20, lng en lpg lopen, met inbegrip van dualfuelmotoren, mogen alle tests met de toepasselijke in de handel verkrijgbare brandstoffen worden uitgevoerd. Op verzoek van de fabrikant mogen echter de in bijlage IX gespecificeerde referentiebrandstoffen worden gebruikt. Dit betekent dat tests, zoals beschreven in punt 1 van deze bijlage, met ten minste twee referentiebrandstoffen voor elke lpg- of lng-motor, met inbegrip van dualfuelmotoren, moeten worden verricht.

7.2.3.4. Voor cng-motoren, met inbegrip van dualfuelmotoren, kunnen al deze tests worden verricht met de volgende in de handel verkrijgbare brandstoffen:

a) voor met H gemerkte motoren een in de handel zijnde brandstof van gasgroep H (0,89 ≤ Sλ ≤ 1,00);

b) voor met L gemerkte motoren een in de handel zijnde brandstof van gasgroep L (1,00 ≤ Sλ ≤ 1,19);

c) voor met HL gemerkte motoren een in de handel zijnde brandstof binnen de uiterste waarden van de λ-verschuivingsfactor (0,89 ≤ Sλ ≤ 1,19).

Op verzoek van de fabrikant mogen echter de in bijlage IX gespecificeerde referentiebrandstoffen worden gebruikt. Dit betekent dat de tests worden verricht zoals beschreven in punt 1 van deze bijlage.

7.2.3.5. Non-conformiteit van gas- en dualfuelmotoren

In geval van een geschil wanneer, bij gebruik van een in de handel zijnde brandstof, een gasmotor, met inbegrip van dualfuelmotoren, niet aan de grenswaarden voldoet, worden de tests uitgevoerd met elke referentiebrandstof waarmee de basismotor is getest, en eventueel met de extra derde brandstof, als bedoeld in de punten 1.1.4.1 en 1.2.1.1, waarmee de basismotor eventueel getest is. In voorkomend geval wordt de uitkomst omgerekend met behulp van de toepasselijke factoren „r”, „ra” of „rb”, zoals beschreven in de punten 1.1.5, 1.1.6.1 en 1.2.1.2. Indien r, ra of rb kleiner is dan 1, vindt geen correctie plaats. De meetresultaten en, in voorkomend geval, de berekende uitkomsten moeten aantonen dat de motor aan de grenswaarden voldoet met alle relevante brandstoffen (bijvoorbeeld de brandstoffen 1, 2 en 3 bij aardgasmotoren en de brandstoffen A en B bij lpg-motoren).

7.2.3.6. De tests om overeenkomstig punt 1.2.2 van deze bijlage de conformiteit van de productie te controleren van gasmotoren die ontworpen zijn voor een brandstof van één bepaalde samenstelling, moeten worden verricht met de brandstof waarvoor de motor is gekalibreerd.

▼B

7.3.    Boorddiagnose (OBD)

▼M4

7.3.1. Wanneer de goedkeuringsinstantie constateert dat de productiekwaliteit onvoldoende lijkt, kan zij verzoeken om controle van de conformiteit van de productie van het OBD-systeem. Een dergelijke controle moet worden uitgevoerd met inachtneming van het volgende:

Er wordt een willekeurige motor uit de serieproductie genomen en aan de in bijlage 9B bij VN/ECE-Reglement nr. 49 beschreven tests onderworpen. Een dualfuelmotor moet in dualfuelmodus en, indien van toepassing, in dieselmodus draaien. De tests mogen worden uitgevoerd op een motor die ten hoogste 125 uur is ingelopen.

7.3.2. De productie wordt geacht conform te zijn indien deze motor voldoet aan de voorschriften van de in bijlage 9B bij VN/ECE-Reglement nr. 49 beschreven tests, en bij dualfuelmotoren aan de aanvullende voorschriften in punt 7 van bijlage 15 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

7.3.3. Indien de uit de serieproductie genomen motor niet voldoet aan punt 7.3.2, moeten nog eens vier willekeurige motoren uit de serieproductie worden genomen en aan de in punt 7.3.1 bedoelde tests worden onderworpen.

▼B

7.3.4. De productie wordt geacht conform te zijn indien ten minste drie van de extra vier willekeurige motoren voldoen aan de voorschriften van de in bijlage 9B bij VN/ECE-Reglement nr. 49 beschreven tests.

7.4.    Informatie van de elektronische regeleenheid die vereist is voor tests tijdens het gebruik

7.4.1. De beschikbaarheid van de in punt 5.2.1 vereiste datastream-informatie overeenkomstig punt 5.2.2 wordt aangetoond met een externe OBD-scanner als beschreven in bijlage X.

7.4.2. Indien deze informatie niet op adequate wijze kan worden opgehaald met een scanner die correct functioneert overeenkomstig bijlage X, wordt ervan uitgegaan dat de motor niet aan de voorschriften voldoet.

7.4.3. De conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid met de punten 5.2.2. en 5.2.3. wordt aangetoond door de WHSC-test overeenkomstig bijlage III uit te voeren.

▼M4

7.4.4. Indien de testapparatuur niet voldoet aan de in bijlage XIV beschreven voorschriften betreffende hulpaggregaten, wordt het gemeten koppel gecorrigeerd volgens de correctiemethode in bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49.

▼B

7.4.5. De conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid wordt toereikend 2geacht wanneer het berekende koppel binnen de in punt 5.2.5 vastgelegde toleranties valt.

7.4.6. De fabrikant controleert bij ieder geproduceerd motortype binnen iedere geproduceerde motorenfamilie regelmatig of de voor tests tijdens het gebruik benodigde informatie van de elektronische regeleenheid beschikbaar en conform is.

7.4.7. De uitkomsten van het door de fabrikant uitgevoerde onderzoek worden op verzoek aan de goedkeuringsinstantie verstrekt.

7.4.8. Op verzoek van de goedkeuringsinstantie moet de fabrikant de beschikbaarheid of conformiteit van de informatie van de elektronische regeleenheid in serieproductie aantonen door de geschikte tests uit te voeren waarnaar wordt verwezen in de punten 7.4.1 tot en met 7.4.4 op een steekproef van motoren van hetzelfde type. De regels voor de steekproef, waaronder de grootte van de steekproef en de statistische criteria voor af- of goedkeuring zijn de in deze bijlage beschreven regels voor controle van de conformiteit van emissies.

8.   DOCUMENTATIE

8.1.  ►M4  Het documentatiepakket dat krachtens de artikelen 5, 7 en 9 verplicht is en op grond waarvan de goedkeuringsinstantie een oordeel kan vellen over de emissiebeperkingsstrategieën en de systemen aan boord van het voertuig en van de motor voor juiste werking van NOx-beperkingsmaatregelen, alsook de documentatiepakketten die zijn voorgeschreven in bijlage VI (emissies buiten de cyclus), bijlage X (OBD) en bijlage XVIII (dualfuelmotoren), worden in de twee volgende delen beschikbaar gesteld: ◄

a) het „formele documentatiepakket”, dat op verzoek ter beschikking kan worden gesteld aan geïnteresseerde partijen;

b) het „uitgebreide documentatiepakket”, dat strikt vertrouwelijk blijft.

8.2. Het formele documentatiepakket mag beknopt zijn, mits wordt aangetoond dat alle uitgangswaarden die zijn toegestaan volgens een matrix die uit het regelbereik van de ingangswaarden van de individuele eenheid wordt verkregen, zijn geïdentificeerd. In de documentatie wordt de functionele werking beschreven van het bij bijlage XIII voorgeschreven aansporingssysteem, inclusief de parameters die noodzakelijk zijn voor het ophalen van de informatie die verband houdt met dat systeem. Dit materiaal wordt door de goedkeuringsinstantie bewaard.

▼M4

8.3. Het uitgebreide documentatiepakket bevat de volgende informatie:

a) informatie over de werking van de primaire en aanvullende emissiestrategieën, waaronder een beschrijving van de parameters die door een aanvullende emissiestrategie worden gewijzigd en de grensomstandigheden waaronder de aanvullende emissiestrategie werkt, en een aanduiding welke emissiestrategieën bij de omstandigheden van de in bijlage VI beschreven testprocedures waarschijnlijk actief zullen zijn;

b) een beschrijving van de besturingslogica, de timingstrategieën en de schakelpunten van het brandstofsysteem in alle werkingsmodi;

c) een volledige beschrijving van het aansporingssysteem dat krachtens bijlage XIII verplicht is, inclusief de bijbehorende bewakingsstrategieën;

d) een beschrijving van de in artikel 5, lid 4, onder b), en artikel 7, lid 4, onder a), bedoelde maatregelen ter voorkoming van manipulatie.

▼B

8.3.1. Het uitgebreide documentatiepakket blijft strikt vertrouwelijk. Het kan worden bewaard door de goedkeuringsinstantie, of naar goeddunken van de goedkeuringsinstantie, door de fabrikant. Indien de fabrikant het documentatiepakket in bewaring houdt, wordt het desbetreffende pakket na controle en goedkeuring geïdentificeerd en gedateerd door de goedkeuringsinstantie. Het wordt bij de goedkeuring of op elk ogenblik tijdens de geldigheidsduur van de goedkeuring beschikbaar gesteld voor inspectie door de goedkeuringsinstantie.




Aanhangsel 1

Procedure voor controle van de conformiteit van de productie wanneer de standaardafwijking aanvaardbaar is

1. In dit aanhangsel wordt de procedure beschreven om de conformiteit van de productie te controleren wat betreft de emissies van verontreinigende stoffen wanneer de standaarddeviatie van de productie van de fabrikant aanvaardbaar is. De toepasselijke procedure wordt beschreven in aanhangsel 1 van VN/ECE-Reglement nr. 49, met de volgende uitzonderingen:

▼M4

1.1. In punt A.1.3 van aanhangsel 1 van VN/ECE-Reglement nr. 49 wordt de verwijzing naar punt 5.3 gelezen als een verwijzing naar de tabel in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 595/2009.

1.2. In punt A.1.3 van aanhangsel 1 van VN/ECE-Reglement nr. 49 wordt de verwijzing naar figuur 1 in punt 8.3 gelezen als een verwijzing naar figuur 1 van bijlage I bij deze verordening.




Aanhangsel 2

Procedure voor controle van de conformiteit van de productie wanneer de standaardafwijking niet aanvaardbaar of niet beschikbaar is

1. In dit aanhangsel wordt de procedure beschreven om de conformiteit van de productie te controleren wat betreft de emissies van verontreinigende stoffen wanneer de standaarddeviatie van de productie van de fabrikant niet aanvaardbaar of beschikbaar is. De toepasselijke procedure wordt beschreven in aanhangsel 2 van VN/ECE-Reglement nr. 49, met de volgende uitzonderingen:

▼M4

1.1. In punt A.2.3 van aanhangsel 2 van VN/ECE-Reglement nr. 49 wordt de verwijzing naar punt 5.3 gelezen als een verwijzing naar de tabel in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 595/2009.




Aanhangsel 3

Procedure voor controle van de conformiteit van de productie op verzoek van de fabrikant

1. In dit aanhangsel wordt de procedure beschreven om de conformiteit van de productie wat betreft de emissies van verontreinigende stoffen op verzoek van de fabrikant te controleren. De toepasselijke procedure wordt beschreven in aanhangsel 3 van VN/ECE-Reglement nr. 49, met de volgende uitzonderingen:

▼M4

1.1. In punt A.3.3 van aanhangsel 3 van VN/ECE-Reglement nr. 49 wordt de verwijzing naar punt 5.3 gelezen als een verwijzing naar de tabel in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 595/2009.

1.2. In punt A.3.3 van aanhangsel 3 van VN/ECE-Reglement nr. 49 wordt de verwijzing naar figuur 1 in punt 8.3 gelezen als een verwijzing naar figuur 1 van bijlage I bij deze verordening.

1.3. In punt A.3.5 van aanhangsel 3 van VN/ECE-Reglement nr. 49 wordt de verwijzing naar punt 8.3.2 gelezen als een verwijzing naar punt 7.2.2 van deze bijlage.




Aanhangsel 4

Modellen van het inlichtingenformulier

betreffende de:

EG-typegoedkeuring van een motor of motorenfamilie als technische eenheid,

EG-typegoedkeuring van een voertuig met een goedgekeurde motor wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft,

EG-typegoedkeuring van een voertuig wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft.

De onderstaande gegevens worden in drievoud verstrekt en gaan vergezeld van een inhoudsopgave. Eventuele tekeningen worden op een passende schaal met voldoende details in formaat A4 of tot dat formaat gevouwen verstrekt. Op eventuele foto's zijn voldoende details te zien.

Indien de in dit aanhangsel bedoelde systemen, onderdelen en technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, worden gegevens over de prestaties verstrekt.

Toelichting (bij het invullen van de tabel):

De letters A, B, C, D, E die overeenkomen met leden van de motorenfamilie worden vervangen door de feitelijke namen van de leden van de motorenfamilie.

Wanneer voor een bepaald motorkenmerk dezelfde waarde/beschrijving van toepassing is op alle leden van de motorenfamilie, worden de cellen die overeenstemmen met A-E samengevoegd.

Wanneer de familie uit meer dan 5 leden bestaat, mogen nieuwe kolommen worden toegevoegd.

▼M6

Bij een aanvraag om EG-typegoedkeuring van een motor of motorenfamilie als technische eenheid moeten het algemene deel en de delen 1 en 3 worden ingevuld.

Bij een aanvraag om EG-typegoedkeuring van een voertuig met een goedgekeurde motor wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft, moeten het algemene deel en deel 2 worden ingevuld.

Bij een aanvraag om EG-typegoedkeuring van een voertuig wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft, moeten het algemene deel en de delen 1, 2 en 3 worden ingevuld.

▼B

De voetnoten zijn opgenomen in aanhangsel 10 van deze bijlage.



 

 

Basismotor of motortype

Leden van de motorenfamilie

A

B

C

D

E

0.

ALGEMEEN

0.l.

Merk (handelsnaam van de fabrikant):

 

0.2.

Type

 

0.2.0.3.

Motortype als technische eenheid/motorenfamilie als technische eenheid/voertuig met een goedgekeurde motor wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft/voertuig wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft (1)

 

0.2.1.

Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar):

 

 

 

 

 

 

0.3.

Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op de technische eenheid (b):

 

 

 

 

 

 

0.3.1.

Plaats van dat identificatiemiddel:

 

 

 

 

 

 

0.5.

Naam en adres van de fabrikant:

 

0.7.

In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

 

 

 

 

 

 

0.8.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

 

 

 

 

 

 

0.9.

Eventueel naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant:

 

Deel 1

:

ESSENTIËLE KENMERKEN VAN DE (BASIS)MOTOR EN DE MOTORTYPEN BINNEN EEN MOTORENFAMILIE

Deel 2

:

ESSENTIËLE KENMERKEN VAN DE VOERTUIGONDERDELEN EN SYSTEMEN MET BETREKKING TOT UITLAATEMISSIES

Deel 3

:

TOEGANG TOT REPARATIE- EN ONDERHOUDSINFORMATIE

Aanhangsel van het inlichtingenformulier: Informatie over de testomstandigheden

FOTO’S EN/OF TEKENINGEN VAN DE BASISMOTOR, HET MOTORTYPE EN, INDIEN VAN TOEPASSING, VAN DE MOTORRUIMTE.

LIJST VAN EVENTUELE VERDERE AANHANGSELS.

DATUM, DOSSIER



DEEL 1

ESSENTIËLE KENMERKEN VAN DE (BASIS)MOTOR EN DE MOTORTYPEN BINNEN EEN MOTORENFAMILIE

 

 

Basismotor of motortype

Leden van de motorenfamilie

A

B

C

D

E

3.2.

Verbrandingsmotor

 

 

 

 

 

 

3.2.1.

Specifieke gegevens over de motor

 

 

 

 

 

 

▼M4

3.2.1.1.

Werkingsprincipe: elektrische ontsteking/compressieontsteking/dualfuel (1)

Cyclus: viertakt/tweetakt/draaizuiger (1):

 

▼M4

3.2.1.1.1.

Type dualfuelmotor: type 1A/1B/2A/2B/3B (1) (d1)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.1.2.

Gasenergieverhouding tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus: … % (d1)

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.1.2.

Aantal en opstelling van de cilinders:

 

 

 

 

 

 

3.2.1.2.1.

Boring (l) mm

 

 

 

 

 

 

3.2.1.2.2.

Slag (l) mm

 

 

 

 

 

 

3.2.1.2.3.

Ontstekingsvolgorde

 

 

 

 

 

 

3.2.1.3.

Cilinderinhoud (m) cm3

 

 

 

 

 

 

3.2.1.4.

Volumetrische compressieverhouding (2):

 

 

 

 

 

 

3.2.1.5.

Tekeningen van verbrandingskamer, zuigerkop en, in het geval van motoren met elektrische ontsteking, zuigerveren

 

 

 

 

 

 

3.2.1.6.

Normaal stationair toerental (2) min-1

 

 

 

 

 

 

3.2.1.6.1.

Hoog stationair toerental (2) min-1

 

 

 

 

 

 

▼M4

3.2.1.6.2.

Stationair draaien op diesel: ja/neen (1) (d1)

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.1.7.

Volumepercentage koolmonoxide in de uitlaatgassen bij stationair draaiende motor (2): % volgens fabrieksopgave (alleen voor motoren met elektrische ontsteking)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.8.

Nettomaximumvermogen (n) … kW bij … min-1 (volgens fabrieksopgave)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.9.

Maximaal toegestaan motortoerental volgens fabrieksopgave: min-1

 

 

 

 

 

 

3.2.1.10.

Nettomaximumkoppel (n) … Nm bij … min-1 (volgens fabrieksopgave)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.11.

Verwijzingen van de fabrikant naar het documentatiepakket dat krachtens de artikelen 5, 7 en 9 van Verordening (EU) nr. 582/2011 verplicht is en op grond waarvan de goedkeuringsinstantie een oordeel kan vellen over de emissiebeperkingsstrategieën en de systemen aan boord van het voertuig en van de motor voor juiste werking van NOx-beperkingsmaatregelen

 

 

 

 

 

 

3.2.2.

Brandstof

 

 

 

 

 

 

▼M4

3.2.2.2.

Zware voertuigen: diesel/benzine/lpg/NG-H/NG-L/NG-HL/ethanol (ED95)/ethanol (E85)/lng/lng20 (1) (6)

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.2.2.1.

Brandstoffen die voor de motor kunnen worden gebruikt zoals opgegeven door de fabrikant overeenkomstig punt 1.1.2 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 582/2011 (naargelang het geval)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.

Brandstoftoevoer

 

 

 

 

 

 

▼M4

3.2.4.2.

Door brandstofinspuiting (alleen compressieontsteking of dualfuel): ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.4.2.1.

Beschrijving van het systeem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.2.

Werkingsprincipe: directe inspuiting/voorkamer/wervelkamer (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.

Inspuitpomp

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.3.

Maximale brandstofopbrengst (1) (2) … mm3/slag of cyclus bij een motortoerental van … min-1 of eventueel karakteristiek schema

(Als aanjaagdrukregeling wordt toegepast, de karakteristieke brandstofopbrengst vermelden, alsmede de aanjaagdruk met bijbehorend motortoerental)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.4.

Vast inspuittijdstip (2)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.5.

Inspuitvervroegingscurve (2)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.6.

Kalibreringsmethode: testbank/motor (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.

Regulateur

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.1.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.2.

Uitschakelingspunt

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.2.1.

Uitschakelpunt onder belasting: min-1

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.2.2.

Maximumtoerental in onbelaste toestand: min-1

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.2.3.

Stationair toerental: min-1

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.5.

Inspuitleidingen

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.5.1.

Lengte: mm

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.5.2.

Inwendige diameter: mm

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.5.3.

Common rail, merk en type:

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.6.

Inspuiter(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.6.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.6.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.6.3.

Openingsdruk (2): kPa of karakteristiek diagram (2):

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.7.

Koudstartsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.7.1.

Merk(en):

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.7.2.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.7.3.

Beschrijving

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.8.

Hulpstartsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.8.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.8.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.8.3.

Beschrijving van het systeem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.

Elektronische inspuiting: ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.2.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.

Beschrijving van het systeem (bij andere dan continue inspuitsystemen soortgelijke gegevens verstrekken):

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.1.

Merk en type van de regeleenheid (ECU)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.2.

Merk en type van de brandstofregelaar

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.3.

Merk en type van de luchtmassasensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.4.

Merk en type van de brandstofverdelerpomp

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.5.

Merk en type van het smoorklephuis

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.6.

Merk en type van de watertemperatuursensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.7.

Merk en type van de luchttemperatuursensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.8.

Merk en type van de luchtdruksensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.9.

Softwarekalibratienummer(s):

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.

Door brandstofinspuiting (alleen elektrische ontsteking): ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.1.

Werkingsprincipe: inlaatspruitstuk (monopoint/multipoint/directe inspuiting (1)/ andere (specificeren):

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.2.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.3.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.

Beschrijving van het systeem (bij andere dan continue inspuitsystemen soortgelijke gegevens verstrekken):

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.1.

Merk en type van de regeleenheid (ECU)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.2.

Merk en type van de brandstofregelaar:

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.3.

Merk en type van de luchtstroomsensor:

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.4.

Merk en type van de brandstofverdelerpomp:

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.5.

Merk en type van de drukregelaar:

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.6.

Merk en type van de microschakelaar:

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.7.

Merk en type van de instelschroef voor stationair draaien

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.8.

Merk en type van het smoorklephuis:

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.9.

Merk en type van de watertemperatuursensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.10.

Merk en type van de luchttemperatuursensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.11.

Merk en type van de luchtdruksensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.12.

Softwarekalibratienummer(s):

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.5.

Inspuiters: openingsdruk (2): … kPa of karakteristiek diagram (2):

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.5.1.

Merk:

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.5.2.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.6.

Inspuittiming

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.7.

Koudstartsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.7.1.

Werkingsprincipe(s):

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.7.2.

Bedrijfsgrenzen/instellingen (1) (2)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.4.

Brandstofpomp

 

 

 

 

 

 

3.2.4.4.1.

Druk (2): … kPa of karakteristiek diagram (2):

 

 

 

 

 

 

3.2.5.

Elektrische installatie

 

 

 

 

 

 

3.2.5.1.

Nominale spanning: … V, positieve/negatieve massaverbinding (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.5.2.

Generator

 

 

 

 

 

 

3.2.5.2.1.

Type:

 

 

 

 

 

 

3.2.5.2.2.

Nominaal vermogen: VA

 

 

 

 

 

 

3.2.6.

Ontstekingssysteem (alleen elektrische-ontstekingsmotoren)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.3.

Werkingsprincipe

 

 

 

 

 

 

3.2.6.4.

Ontstekingsvervroegingscurve of -diagram (2):

 

 

 

 

 

 

3.2.6.5.

Vast ontstekingstijdstip (2): … graden vóór BDP

 

 

 

 

 

 

3.2.6.6.

Bougies

 

 

 

 

 

 

3.2.6.6.1.

Merk:

 

 

 

 

 

 

3.2.6.6.2.

Type:

 

 

 

 

 

 

3.2.6.6.3.

Elektrodenafstand: … mm

 

 

 

 

 

 

3.2.6.7.

Bobine(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.7.1.

Merk:

 

 

 

 

 

 

3.2.6.7.2.

Type:

 

 

 

 

 

 

3.2.7.

Koelsysteem: vloeistof/lucht (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.

Vloeistof

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.1.

Aard van de vloeistof

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.2.

Circulatiepomp(en): ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.3.

Kenmerken: … of

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.3.1.

Merk(en):

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.3.2.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.4.

Aandrijvingsverhouding(en):

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.

Lucht

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.1.

Ventilator: ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.2.

Eigenschappen … of

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.2.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.2.2.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.3.

Aandrijvingsverhouding(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.

Inlaatsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.8.1.

Drukvulling: ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.1.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.1.2.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.8.1.3.

Beschrijving van het systeem (bv. maximale vuldruk: … kPa, afvoerklep, indien van toepassing)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.2.

Tussenkoeler: ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.2.1.

Type: lucht-lucht/lucht-water (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.3.

Inlaatonderdruk bij nominaal motortoerental en bij 100 % belasting (alleen voor motoren met compressieontsteking)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.3.1.

Toelaatbaar minimum: … kPa

 

 

 

 

 

 

3.2.8.3.2.

Toelaatbaar maximum: … kPa

 

 

 

 

 

 

3.2.8.4.

Beschrijving en tekeningen van inlaatpijpen en bijbehorende onderdelen (drukkamer, voorverwarmingssysteem, extra luchtinlaten, enz.)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.4.1.

Beschrijving van het inlaatspruitstuk (met tekeningen en/of foto's)

 

 

 

 

 

 

3.2.9.

Uitlaatsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.9.1.

Beschrijving en/of tekeningen van het uitlaatspruitstuk

 

 

 

 

 

 

3.2.9.2.

Beschrijving en/of tekening van het uitlaatsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.9.2.1.

Beschrijving en/of tekening van de elementen van het uitlaatsysteem die deel uitmaken van het motorsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.9.3.

Maximaal toelaatbare uitlaattegendruk bij nominaal motortoerental en bij 100 % belasting (alleen voor motoren met compressieontsteking): … kPa (3)

 

 

 

 

 

 

▼M4 —————

▼M4

3.2.9.7.1.

Acceptabele inhoud van het uitlaatsysteem (voertuig en motorsysteem): … dm3

 

 

 

 

 

 

▼M4

3.2.9.7.2.

Inhoud van het uitlaatsysteem die een deel van het motorsysteem vormt: … dm3

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.10.

Minimumdwarsdoorsnede van inlaat- en uitlaatpoorten

 

 

 

 

 

 

3.2.11.

Klepafstelling of equivalente gegevens

3.2.11.1.

Maximale lichthoogte van de kleppen, openings- en sluitingshoeken of gegevens over de afstelling van alternatieve distributiesystemen, ten opzichte van dode punten. Bij variabele kleptiming, de minimum- en maximumtiming

 

 

 

 

 

 

3.2.11.2.

Referentie- en/of afstelbereik (3):

 

 

 

 

 

 

3.2.12.

Voorzieningen tegen luchtverontreiniging

3.2.12.1.1.

Voorziening voor het recycleren van cartergassen: ja/neen (2)

Indien ja: beschrijving en tekeningen: …

Indien neen: conformiteit met bijlage V bij Verordening (EU) nr. 582/2011 vereist

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.

Extra systemen voor verontreinigingsbeheersing (indien aanwezig en niet elders vermeld)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.

Katalysator: ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.1.

Aantal katalysatoren en elementen (onderstaande informatie voor elke eenheid verstrekken):

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.2.

Afmetingen, vorm en volume van de katalysator(en):

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.3.

Soort katalytische werking

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.4.

Totale hoeveelheid edelmetalen:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.5.

Relatieve concentratie

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.6.

Substraat (structuur en materiaal):

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.7.

Celdichtheid:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.8.

Type katalysatorhuis:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.9.

Plaats van de katalysator(en) (plaats en de referentieafstand in de uitlaatpijp):

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.10.

Hitteschild: ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.

Regeneratiesystemen/-methode van de uitlaatnabehandelingssystemen, beschrijving:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.5.

Normaal bedrijfstemperatuurbereik: … K

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.6.

Verbruiksreagentia: ja/neen (1):

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.7.

Type en concentratie van het reagens dat nodig is voor de katalytische werking:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.8.

Normaal bedrijfstemperatuurbereik van het reagens K

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.9.

Internationale norm:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.10.

Vulfrequentie reagens: continu/bij onderhoud (1):

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.12.

Merk van de katalysator

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.13.

Identificatienummer van het onderdeel

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.

Zuurstofsensor: ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.1.

Merk:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.2.

Plaats:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.3.

Regelbereik:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.4.

Type:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.5.

Identificatienummer van het onderdeel:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.3.

Luchtinspuiting: ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.3.1.

Type (pulse air, luchtpomp enz.):

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.4.

Uitlaatgasrecirculatie (EGR): ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.4.1.

Kenmerken (merk, type, debiet enz.):

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.

Deeltjesvanger: ja/neen (1):

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.1.

Afmetingen, vorm en inhoud van de deeltjesvanger:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.2.

Ontwerp van de deeltjesvanger:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.3.

Plaats (referentieafstand in de uitlaatpijp):

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.4.

Regeneratiemethode of -systeem, beschrijving en/of tekening: …

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.5.

Merk van de deeltjesvanger

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.6.

Identificatienummer van het onderdeel:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.7.

Normale bedrijfstemperatuur: … (K) en normaal drukbereik: (kPa)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.8.

In het geval van periodieke regeneratie

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.8.1.1.

Aantal WHTC-testcycli zonder regeneratie (n)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.8.2.1.

Aantal WHTC-testcycli met regeneratie (nR):

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.9.

Andere systemen: ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.9.1.

Beschrijving en werking

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.

OBD-systeem:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.0.1.

Aantal OBD-motorenfamilies binnen de motorenfamilie

 

3.2.12.2.7.0.2.

Lijst van de OBD-motorenfamilies (indien van toepassing)

OBD-motorenfamilie 1: …

OBD-motorenfamilie 2: …

enz.

3.2.12.2.7.0.3.

Nummer van de OBD-motorenfamilie waartoe de basismotor/het familielid behoort:

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.0.4.

Verwijzingen van de fabrikant naar de OBD-documentatie die krachtens artikel 5, lid 4, onder c), en artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 582/2011 verplicht is en is beschreven in bijlage X bij die verordening ter goedkeuring van het OBD-systeem

 

3.2.12.2.7.0.5.

Indien van toepassing, verwijzing van de fabrikant naar de documentatie voor installatie van een motorsysteem met boorddiagnose in een voertuig

 

3.2.12.2.7.2.

Lijst en doel van alle onderdelen die door het OBD-systeem worden bewaakt (4)

 

3.2.12.2.7.3.

Beschrijving in woorden (algemene werkingsbeginselen) voor

 

3.2.12.2.7.3.1.

Motoren met elektrische ontsteking (4)

 

3.2.12.2.7.3.1.1.

Bewaking van de katalysator (4)

 

3.2.12.2.7.3.1.2.

Detectie van ontstekingsfouten: (4)

 

3.2.12.2.7.3.1.3.

Bewaking van de zuurstofsensor: (4)

 

3.2.12.2.7.3.1.4.

Andere door het OBD-systeem bewaakte onderdelen:

 

3.2.12.2.7.3.2.

Compressieontstekingsmotoren: (4)

 

3.2.12.2.7.3.2.1.

Bewaking van de katalysator: (4)

 

3.2.12.2.7.3.2.2.

Bewaking van de deeltjesvanger: (4)

 

3.2.12.2.7.3.2.3.

Bewaking van het elektronische brandstoftoevoersysteem: (4)

 

3.2.12.2.7.3.2.4.

Bewaking van het NOx-verwijderingssysteem: (4)

 

3.2.12.2.7.3.2.5.

Andere door het OBD-systeem bewaakte onderdelen: (4)

 

3.2.12.2.7.4.

Criteria voor MI-activering (vast aantal rijcycli of statistische methode): (4)

 

3.2.12.2.7.5.

Lijst van alle gebruikte OBD-uitvoercodes en -formaten (met telkens een verklaring): (4)

 

3.2.12.2.7.6.5.

Norm voor OBD-communicatieprotocol: (4)

 

3.2.12.2.7.7.

Verwijzing van de fabrikant naar de OBD-informatie die krachtens artikel 5, lid 4, onder d), en artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 582/2011 verplicht is voor naleving van de bepalingen inzake OBD- en reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig, of

 

3.2.12.2.7.7.1.

Als alternatief voor een verwijzing van de fabrikant zoals beschreven in punt 3.2.12.2.7.7, een verwijzing naar het bijvoegsel bij dit aanhangsel dat de volgende tabel bevat, dat volgens onderstaand voorbeeld is ingevuld:

Onderdeel — Foutcode — Bewakingsstrategie — Foutdetectiecriteria — MI-activeringscriteria — Secundaire parameters — Voorconditionering — Demonstratietest

Katalysator — P0420 — Signalen van de zuurstofsensoren 1 en 2 — Verschil tussen de signalen van sensor 1 en 2 — 3e cyclus — Toerental, belasting van de motor, A/F modus, katalysatortemperatuur — Twee cycli van type 1 — Type 1

 

▼M4

3.2.12.2.7.8.0.

Alternatieve goedkeuring overeenkomstig punt 2.4.1 van bijlage X bij Verordening (EU) nr. 582/2011 toegepast: ja/neen (1)

 

▼M4

3.2.12.2.8.

Andere systemen (beschrijving en werking)

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.12.2.8.1.

Systemen waarmee de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd

 

 

 

 

 

 

▼M4

3.2.12.2.8.2.

Aansporingssysteem voor de bestuurder

 

 

 

 

 

 

▼M4

3.2.12.2.8.2.1.

Motor met permanente deactivering van het aansporingssysteem, voor gebruik door hulpverleningsinstanties of in voertuigen zoals beschreven in artikel 2, lid 3, onder b), van Richtlijn 2007/46/EG: ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.8.2.2.

Activering van de kruipmodus „uitschakelen na opnieuw starten”/„uitschakelen na tanken”/„uitschakelen na parkeren” (7) (1)

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.12.2.8.3.

Aantal OBD-motorenfamilies binnen de motorenfamilie in kwestie bij het garanderen van de correcte werking van NOx-beperkingsmaatregelen

 

▼M4

3.2.12.2.8.3.1.

Lijst van de voor het garanderen van de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen gebruikte OBD-motorenfamilies binnen de motorenfamilie (indien van toepassing)

OBD-motorenfamilie 1: …

OBD-motorenfamilie 2: …

Enz.

3.2.12.2.8.3.2.

Nummer van de OBD-motorenfamilie waartoe de basismotor/het familielid behoort

 

 

 

 

 

 

▼M4 —————

▼M4

3.2.12.2.8.5.

Referentienummer van de voor het garanderen van de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen gebruikte OBD-motorenfamilie waartoe de basismotor/het familielid behoort

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.12.2.8.6.

Laagste concentratie van het in het reagens aanwezige, werkzame ingrediënt waarmee het waarschuwingssysteem niet wordt geactiveerd (CDmin): vol. %

 

3.2.12.2.8.7.

Indien van toepassing, verwijzing van de fabrikant naar de documentatie voor installatie in een voertuig van de systemen waarmee de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd

 

 

 

 

 

 

▼M4

3.2.12.2.8.8.4.

Alternatieve goedkeuring overeenkomstig punt 2.1 van bijlage XIII bij Verordening (EU) nr. 582/2011 toegepast: ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.8.8.5.

Verwarmde/niet-verwarmde tank met reagens en doseringssysteem (zie punt 2.4 van bijlage 11 bij VN/ECE-Reglement nr. 49)

 

▼M4

3.2.17.

Specifieke informatie over gas- en dualfuelmotoren voor zware bedrijfsvoertuigen (voor systeemvarianten soortgelijke informatie verstrekken) (indien van toepassing)

 

 

 

 

 

 

▼B

3.2.17.1.

Brandstof: lpg/aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.

Drukregelaar(s) of verdamper(s)/drukregelaar(s) (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.1.

Merk(en):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.2.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.3.

Aantal drukreduceerfasen:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.4.

Druk in de eindfase, minimum: … kPa — maximum: kPa

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.5.

Aantal hoofdafstelpunten:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.6.

Aantal afstelpunten stationair:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.7.

Typegoedkeuringsnummer:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.3.

Brandstofsysteem: mengeenheid/gasinspuiting/vloeistofinspuiting/directe inspuiting (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.3.1.

Mengverhoudingregeling:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.3.2.

Systeembeschrijving en/of -diagram en tekeningen:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.3.3.

Typegoedkeuringsnummer:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.

Mengeenheid

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.1.

Aantal:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.2.

Merk(en):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.3.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.4.

Plaats:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.5.

Afstelmogelijkheden:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.6.

Typegoedkeuringsnummer:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.

Inspuiting in het inlaatspruitstuk

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.1.

Inspuiting: monopoint/multipoint (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.2.

Inspuiting: continu/simultaan/sequentieel (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.

Inspuitapparatuur

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.1.

Merk(en):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.2.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.3.

Afstelmogelijkheden:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.4.

Typegoedkeuringsnummer:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.4.

Voedingspomp (indien aanwezig)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.4.1.

Merk(en):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.4.2.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.4.3.

Typegoedkeuringsnummer:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.5.

Verstuiver(s):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.5.1.

Merk(en):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.5.2.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.5.3.

Typegoedkeuringsnummer:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.

Directe inspuiting

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.

Inspuitpomp/drukregelaar (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.1.

Merk(en):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.2.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.3.

Inspuitduur:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.4.

Typegoedkeuringsnummer:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.

Inspuiter(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.1.

Merk(en):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.2.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.3.

Openingsdruk of karakteristiek diagram (2):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.4.

Typegoedkeuringsnummer:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.

Elektronische regeleenheid (ECU)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.1.

Merk(en):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.2.

Type(n):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.3.

Afstelmogelijkheden:

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.4.

Softwarekalibratienummer(s):

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.

Specifieke aardgasapparatuur

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.1.

Variant 1 (alleen in geval van goedkeuring van motoren voor diverse specifieke brandstofsamenstellingen)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.1.0.1.

Functie voor zelf aanpassen? ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.1.0.2.

Kalibratie voor een specifieke gassamenstelling aardgas-H/aardgas-L/ aardgas-HL (1)

Omzetting voor een specifieke gassamenstelling aardgas-Ht/aardgas-Lt/ aardgas-HLt (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.1.1.



methaan (CH4): … basis:

mol %

min. …mol %

max. mol %

ethaan (C2H6): … basis:

mol %

min. …mol %

max. mol %

propaan (C3H8): … basis:

mol %

min. …mol %

max. mol %

butaan (C4H10): … basis:

mol %

min. …mol %

max. mol %

C5/C5+: … basis:

mol %

min. …mol %

max. mol %

zuurstof (O2): … basis:

mol %

min. …mol %

max. mol %

inert gas (N2, He enz.): … basis:

mol %

min. …mol %

max. mol %

▼M4

3.2.17.9.

Indien van toepassing, fabrieksreferentie van de documentatie voor het installeren van de dualfuelmotor in een voertuig (d1)

 

 

 

 

 

 

▼B

3.5.4.

CO2-emissies voor zware motoren

 

 

 

 

 

 

▼M4

3.5.4.1.

CO2-massa-emissies WHSC-test (d3): … g/kWh

 

 

 

 

 

 

3.5.4.2.

CO2-massa-emissies WHSC-test in dieselmodus (d2): … g/kWh

 

 

 

 

 

 

▼M4

3.5.4.3.

CO2-massa-emissies WHSC-test in dualfuelmodus (d1): … g/kWh

 

 

 

 

 

 

3.5.4.4.

CO2-massa-emissies WHTC-test (5) (d3): … g/kWh

 

 

 

 

 

 

3.5.4.5.

CO2-massa-emissies WHTC-test in dieselmodus (5) (d2): … g/kWh

 

 

 

 

 

 

3.5.4.6.

CO2-massa-emissies WHTC-test in dualfuelmodus (5) (d1):… g/kWh

 

 

 

 

 

 

▼B

3.5.5.

Brandstofverbruik voor zware motoren

 

 

 

 

 

 

▼M4

3.5.5.1.

Brandstofverbruik WHSC-test (d3): … g/kWh

 

 

 

 

 

 

3.5.5.2.

Brandstofverbruik WHSC-test in dieselmodus (d2): … g/kWh

 

 

 

 

 

 

▼M4

3.5.5.3.

Brandstofverbruik WHSC-test in dualfuelmodus (d1): … g/kWh

 

 

 

 

 

 

3.5.5.4.

Brandstofverbruik WHTC-test (5) (d3): … g/kWh

 

 

 

 

 

 

3.5.5.5.

Brandstofverbruik WHTC-test in dieselmodus (5) (d2): … g/kWh

 

 

 

 

 

 

3.5.5.6.

Brandstofverbruik WHTC-test in dualfuelmodus (5) (d1): … g/kWh

 

 

 

 

 

 

▼B

3.6.

Door de fabrikant toegestane temperaturen

 

 

 

 

 

 

3.6.1.

Koelsysteem

 

 

 

 

 

 

3.6.1.1.

Vloeistofkoeling,

maximumtemperatuur bij de uitlaat: … K

 

 

 

 

 

 

3.6.1.2.

Luchtkoeling

 

 

 

 

 

 

3.6.1.2.1.

Referentiepunt:

 

 

 

 

 

 

3.6.1.2.2.

Maximumtemperatuur op het referentiepunt: … K

 

 

 

 

 

 

3.6.2.

Maximumuitlaattemperatuur van de inlaattussenkoeler: … K

 

 

 

 

 

 

3.6.3.

Maximale uitlaattemperatuur op het punt in de uitlaatpijp(en) ter hoogte van de buitenflens (-flenzen) van het (de) uitlaatspruitstuk(ken) of de drukvuller(s): … K

 

 

 

 

 

 

3.6.4.

Brandstoftemperatuur minimum:

K — maximum: K

Voor dieselmotoren bij de inlaat van de inspuitpomp, voor gasmotoren bij de eindtrap van de drukregelaar.

 

 

 

 

 

 

3.6.5.

Smeermiddeltemperatuur

Minimum: K — maximum: K

 

 

 

 

 

 

3.8

Smeersysteem

 

 

 

 

 

 

3.8.1.

Beschrijving van het systeem

 

 

 

 

 

 

3.8.1.1.

Plaats van het smeermiddelreservoir

 

 

 

 

 

 

3.8.1.2.

Toevoersysteem (pomp/inspuiting in het inlaatsysteem/vermenging met brandstof enz.) (1)

 

 

 

 

 

 

3.8.2.

Smeerpomp

 

 

 

 

 

 

3.8.2.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.8.2.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.8.3.

Vermenging met brandstof

 

 

 

 

 

 

3.8.3.1.

Percentage:

 

 

 

 

 

 

3.8.4.

Oliekoeler: ja/neen (1)

 

 

 

 

 

 

3.8.4.1.

Tekening(en)

 

 

 

 

 

 

3.8.4.1.1.

Merk(en):

 

 

 

 

 

 

3.8.4.1.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 



DEEL 2

ESSENTIËLE KENMERKEN VAN DE VOERTUIGONDERDELEN EN -SYSTEMEN MET BETREKKING TOT UITLAATEMISSIES

 

 

Basismotor of motortype

Leden van de motorenfamilie

A

B

C

D

E

3.1.

Fabrikant van de motor

 

3.1.1.

Motorcode van de fabrikant (zoals op de motor vermeld of ander identificatiemiddel)

 

 

 

 

 

 

3.1.2.

Goedkeuringsnummer (in voorkomend geval), inclusief brandstofidentificatiemarkering:

 

 

 

 

 

 

3.2.2.

Brandstof

 

3.2.2.3.

Vulopening brandstoftank: vernauwde opening/sticker

 

▼M4

3.2.2.4.1.

Dualfuelvoertuig: ja/neen (1)

 

▼B

3.2.3.

Brandstoftank(s)

 

3.2.3.1.

Bedrijfsbrandstoftank(s)

 

3.2.3.1.1.

Aantal en inhoud van elke tank:

 

3.2.3.2.

Reservebrandstoftank(s)

 

3.2.3.2.1.

Aantal en inhoud van elke tank:

 

3.2.8.

Inlaatsysteem

 

3.2.8.3.3.

Feitelijke onderdruk in het inlaatsysteem bij het nominale motortoerental en 100 % belasting van het voertuig: kPa

 

3.2.8.4.2.

Luchtfilter, tekeningen: … of …

 

3.2.8.4.2.1.

Merk(en)

 

3.2.8.4.2.2.

Type(n):

 

3.2.8.4.3.

Inlaatgeluiddemper, tekeningen

 

3.2.8.4.3.1.

Merk(en):

 

3.2.8.4.3.2.

Type(n):

 

3.2.9.

Uitlaatsysteem

 

3.2.9.2.

Beschrijving en/of tekening van het uitlaatsysteem

 

3.2.9.2.2.

Beschrijving en/of tekening van de elementen van het uitlaatsysteem die geen deel uitmaken van het motorsysteem

 

3.2.9.3.1.

Feitelijke uitlaattegendruk bij nominaal motortoerental en bij 100 % belasting van het voertuig (alleen voor motoren met compressieontsteking): … kPa

 

▼M4

3.2.9.7.

Inhoud van het volledige uitlaatsysteem (voertuig en motorsysteem): … dm3

 

3.2.9.7.1.

Acceptabele inhoud van het uitlaatsysteem (voertuig en motorsysteem): … dm3

 

▼B

3.2.12.2.7.

OBD-systeem

 

▼M4 —————

▼M4

3.2.12.2.7.8.

OBD-onderdelen aan boord van het voertuig

 

3.2.12.2.7.8.0.

Alternatieve goedkeuring overeenkomstig punt 2.4.1 van bijlage X bij Verordening (EU) nr. 582/2011 toegepast: ja/neen (1)

 

3.2.12.2.7.8.1.

Lijst van OBD-onderdelen aan boord van het voertuig

 

3.2.12.2.7.8.2.

Beschrijving in woorden en/of tekening van de MI (6)

 

3.2.12.2.7.8.3.

Beschrijving in woorden en/of tekening van de OBD-communicatie-interface buiten het voertuig (6)

 

▼M4

3.2.12.2.8.

Andere systemen (beschrijving en werking)

 

▼B

3.2.12.2.8.0

Alternatieve goedkeuring zoals gedefinieerd in punt 2.1 van bijlage XIII bij Verordening (EU) nr. 582/2011 gebruikt. ja/neen

 

▼M4

3.2.12.2.8.1.

Systemen om de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen te garanderen

 

3.2.12.2.8.2.

Aansporingssysteem voor de bestuurder

 

▼M4

3.2.12.2.8.2.1.

Motor met permanente deactivering van het aansporingssysteem, voor gebruik door hulpverleningsinstanties of in voertuigen zoals beschreven in artikel 2, lid 3, onder b), van Richtlijn 2007/46/EG: ja/neen (1)

 

3.2.12.2.8.2.2.

Activering van de kruipmodus „uitschakelen na opnieuw starten”/„uitschakelen na tanken”/„uitschakelen na parkeren” (7) (1)

 

▼B

3.2.12.2.8.3.

Indien van toepassing, verwijzing van de fabrikant naar het documentatiepakket met betrekking tot de installatie in het voertuig van het systeem waarmee de correcte werking van NOx-beperkingsmaatregelen van een goedgekeurde motor wordt gegarandeerd

 

▼M4 —————

▼M4

3.2.12.2.8.8.

Onderdelen aan boord van het voertuig van de systemen waarmee de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd

 

3.2.12.2.8.8.1.

Lijst van onderdelen aan boord van het voertuig van de systemen waarmee de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd

 

3.2.12.2.8.8.2.

Indien van toepassing, fabrieksreferentie van het documentatiepakket met betrekking tot de installatie in het voertuig van het systeem dat de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen van een goedgekeurde motor garandeert

 

3.2.12.2.8.8.3.

Beschrijving in woorden en/of tekening van het waarschuwingssignaal (6)

 

3.2.12.2.8.8.4.

Alternatieve goedkeuring overeenkomstig punt 2.1 van bijlage XIII bij Verordening (EU) nr. 582/2011 toegepast: ja/neen (1)

 

3.2.12.2.8.8.5.

Verwarmde/niet-verwarmde tank met reagens en doseringssysteem (zie punt 2.4 van bijlage 11 bij VN/ECE-Reglement nr. 49)

 

▼M1



DEEL 3

TOEGANG TOT REPARATIE- EN ONDERHOUDSINFORMATIE

16.

TOEGANG TOT REPARATIE- EN ONDERHOUDSINFORMATIE

16.1.

Adres van de belangrijkste website voor toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie

16.1.1.

Datum vanaf wanneer deze beschikbaar is (uiterlijk zes maanden na de datum van typegoedkeuring)

16.2.

Voorwaarden voor toegang tot de website

16.3.

Formaat van de via de website toegankelijke reparatie- en onderhoudsinformatie

▼B




Aanhangsel

van het inlichtingenformulier

Informatie over de testomstandigheden

1.    Bougies

1.1. Merk:

1.2. Type:

1.3. Instelling van de elektrodenafstand:

2.    Ontstekingsspoel

2.1. Merk:

2.2. Type:

3.    Smeermiddel

3.1. Merk:

3.2. Type: (het percentage olie in het mengsel vermelden, indien smeermiddel en brandstof vermengd zijn)

4.    Door de motor aangedreven hulpapparatuur

4.1. Het door de (hulp)apparatuur opgenomen vermogen moet alleen worden bepaald:

a) indien de benodigde (hulp)apparatuur niet op de motor is gemonteerd en/of

b) indien de niet benodigde (hulp)apparatuur op de motor is gemonteerd.

Opmerking: Vereisten voor door de motor aangedreven hulpapparatuur zijn niet hetzelfde voor emissietests en vermogenstests.

4.2. Lijst en omschrijving van bijzonderheden:

4.3. Vermogen dat wordt opgenomen bij voor de emissietest specifieke motortoerentallen

▼M4



Tabel 1

Benodigdheden

Stationair

Laag toerental

Hoog toerental

Aanbevolen toerental (2)

n95h

Pa (hulp)apparatuur die is vereist overeenkomstig VN/ECE-Reglement nr. 49, bijlage 4, aanhangsel 6

 

 

 

 

 

Pb (hulp)apparatuur die niet is vereist overeenkomstig VN/ECE-Reglement nr. 49, bijlage 4, aanhangsel 6

 

 

 

 

 

5.    Motorprestaties (opgegeven door de fabrikant) (8)

▼M4

5.1. Motortoerentallen voor emissietest overeenkomstig bijlage III bij Verordening (EU) nr. 582/2011 (9)(d5)

Laag toerental (nlo) … tpm

Hoog toerental (nhi) … tpm

Stationair toerental … tpm

Aanbevolen toerental … tpm

n95h … tpm

▼M4

5.2. Opgegeven waarden voor vermogenstest overeenkomstig bijlage XIV bij Verordening (EU) nr. 582/2011 (d5)

5.2.1. Stationair toerental … tpm

5.2.2. Toerental bij maximumvermogen … tpm

5.2.3. Maximumvermogen … kW

5.2.4. Toerental bij maximumkoppel … tpm

5.2.5. Maximumkoppel … Nm

6.    Instelling van het door de rollenbank opgenomen vermogen (indien van toepassing)

6.3. Instelling rollenbank met kromme voor een niet-regelbaar opgenomen vermogen (indien van toepassing)

6.3.1. Alternatieve methode voor instelling van het door de rollenbank opgenomen vermogen (ja/neen)

6.3.2. Traagheidsmassa (kg):

6.3.3. Opgenomen effectief vermogen bij 80 km/h, inclusief rolverliezen van het voertuig op de rollenbank (kW)

6.3.4. Opgenomen effectief vermogen bij 50 km/h, inclusief rolverliezen van het voertuig op de rollenbank (kW)

6.4. Instelling rollenbank met kromme voor een regelbaar opgenomen vermogen (indien van toepassing)

6.4.1. Uitrolinformatie over de testbaan

6.4.2. Merk en type van de banden:

6.4.3. Afmetingen banden (voor/achter):

6.4.4. Bandenspanning (voor/achter) (kPa):

6.4.5. Testmassa voertuig inclusief bestuurder (kg):

6.4.6. Uitroltijd op de weg (indien van toepassing)



Tabel 2

Uitroltijd op de weg

V (km/h)

V2 (km/h)

V1 (km/h)

Gemiddelde gecorrigeerde uitlooptijd

120

 

 

 

100

 

 

 

80

 

 

 

60

 

 

 

40

 

 

 

20

 

 

 

6.4.7. Gemiddeld gecorrigeerd op de weg gebruikt vermogen (indien van toepassing)



Tabel 3

Gemiddeld gecorrigeerd op de weg gebruikt vermogen

V (km/h)

CP na correctie (kW)

120

 

100

 

80

 

60

 

40

 

20

 

7.    Testomstandigheden voor OBD-tests

7.1. Gebruikte testcyclus voor controle van het OBD-systeem:

7.2. Aantal voorconditioneringscycli vóór de tests voor OBD-controle:




Aanhangsel 5

Modellen van het EG-typegoedkeuringscertificaat van een motortype/onderdeel als technische eenheid

De voetnoten zijn opgenomen in aanhangsel 10 van deze bijlage.

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT



Mededeling betreffende de:

— EG-typegoedkeuring (1)

— uitbreiding van de EG-typegoedkeuring (1)

— weigering van de EG-typegoedkeuring (1)

— intrekking van de EG-typegoedkeuring (1)

Stempel van de typegoedkeuringsinstantie

van een type onderdeel/technische eenheid (1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 595/2009, ten uitvoer gelegd bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

Verordening (EG) nr. 595/2009 en Verordening (EU) nr. 582/2011, laatstelijk gewijzigd bij …

EG-typegoedkeuringsnummer:

Reden voor uitbreiding:

DEEL I

0.1. Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2. Type:

0.3. Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op het onderdeel/de technische eenheid (1) (a):

0.3.1. Plaats van dat identificatiemiddel:

0.4. Naam en adres van de fabrikant:

0.5. In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

0.6. Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.7. Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL II

1. Aanvullende informatie (indien van toepassing): zie addendum

2. Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:

3. Datum van het testrapport:

4. Nummer van het testrapport:

5. Eventuele opmerkingen: zie addendum

6. Plaats:

7. Datum:

8. Handtekening:

Bijvoegsels: Informatiepakket

Testrapport.




Addendum

bij EG-typegoedkeuringscertificaat nr.…

1.   AANVULLENDE INFORMATIE:

1.1.

Nadere bijzonderheden met betrekking tot de typegoedkeuring van een voertuig met geïnstalleerde motor:

1.1.1 Merk motor (naam bedrijf):

1.1.2 Type en handelsbenaming (ook van eventuele varianten):

1.1.3 Motorcode van de fabrikant, zoals vermeld op de motor:

1.1.4 Voertuigcategorie (indien van toepassing) (b):

▼M4

1.1.5. Motorcategorie: diesel/benzine/lpg/NG-H/NG-L/NG-HL/ethanol (ED95)/ethanol (E85)/lng/lng20 (1):

▼M4

1.1.5.1. Type dualfuelmotor: type 1A/1B/2A/2B/3B (1) (d1):

▼B

1.1.6 Naam en adres van de fabrikant:

1.1.7 Naam en adres van de bevoegde vertegenwoordiger van de fabrikant (indien van toepassing):

1.2.

Indien voor de in punt 1.1 bedoelde motor een typegoedkeuring is verleend als technische eenheid:

1.2.1 Typegoedkeuringsnummer van de motor/motorfamilie (1):

1.2.2 Het softwarekalibratienummer van de elektronische regeleenheid van de motor (ECU):

1.3.

Nadere bijzonderheden met betrekking tot de typegoedkeuring van een motor/motorfamilie (1) als technische eenheid (voorwaarden die in acht moeten worden genomen bij de installatie van de motor op een voertuig):

1.3.1 Toelaatbare maximuminlaatluchtdruk:

1.3.2 Toelaatbare maximumtegenluchtdruk:

1.3.3 Inhoud van het uitlaatsysteem:

1.3.4 Eventuele gebruiksbeperkingen:

▼M4

1.4.

Emissieniveaus van de motor/basismotor (1)

Verslechteringsfactor (DF): berekend/vast (1)

Specificeer de DF-waarden en de emissies voor de WHSC- (indien van toepassing) en WHTC-tests in onderstaande tabel

▼B

1.4.1.    WHSC-test

▼M4



Tabel 4

WHSC-test

WHSC-test (indien van toepassing) (10) (d5)

DF

CO

THC

NMHC (d4)

NOx

Deeltjesmassa

NH3

Deeltjesaantal

Mult/add (1)

 

 

 

 

 

 

 

Emissies

CO

(mg/kWh)

THC

(mg/kWh)

NMHC (d4)

(mg/kWh)

NOx

(mg/kWh)

Deeltjesmassa

(mg/kWh)

NH3

ppm

Deeltjesaantal

(#/kWh)

Testresultaat

 

 

 

 

 

 

 

Berekend met DF

 

 

 

 

 

 

 

CO2-massa-emissie: … g/kWh

Brandstofverbruik … g/kWh

▼B

1.4.2.    WHTC-test

▼M4



Tabel 5

WHTC-test

WHTC-test (10) (d5)

DF

CO

THC

NMHC (d4)

CH4 (d4)

NOx

Deeltjesmassa

NH3

Deeltjesaantal

Mult/add (1)

 

 

 

 

 

 

 

 

Emissies

CO

(mg/kWh)

THC

(mg/kWh)

NMHC (d4)

(mg/kWh)

CH4 (d4)

(mg/kWh)

NOx

(mg/kWh)

Deeltjesmassa

(mg/kWh)

NH3

ppm

Deeltjesaantal

(#/kWh)

Koude start

 

 

 

 

 

 

 

 

Warme start zonder regeneratie

 

 

 

 

 

 

 

 

Warme start met regeneratie (1)

 

 

 

 

 

 

 

 

kr,u (mult/add) (1)

 

 

 

 

 

 

 

 

kr,d (mult/add) (1)

Gewogen testresultaat

 

 

 

 

 

 

 

 

Eindresultaat test met DF

 

 

 

 

 

 

 

 

CO2-massa-emissie: … g/kWh

Brandstofverbruik: … g/kWh

▼B

1.4.3.    Test stationair



Tabel 6

Test stationair

Test

CO-waarde

(vol. %)

Lambda (1)

Motortoerental (min–1)

Temperatuur motorolie (°C)

Laag stationair

 

n.v.t.

 

 

Hoog stationair

 

 

 

 

▼M1

1.4.4.    Demonstratietest met draagbaar emissiemeetsysteem



Tabel 6a

Demonstratietest met draagbaar emissiemeetsysteem

Voertuigtype (bv. M3, N3) en toepassing (bv. enkelvoudige of gelede vrachtwagen, stadsbus)

 

Beschrijving van het voertuig (bv. voertuigmodel, prototype)

 

Negatieve/positieve resultaten (7)

CO

THC

NMHC

CH4

NOx

Deeltjesmassa

Werkvenster conformiteitsfactor

 

 

 

 

 

 

Venster CO2-massa conformiteitsfactor

 

 

 

 

 

 

Informatie over de rit

Stad

Platteland

Autosnelweg

Percentage van de totale duur van de rit dat wordt ingenomen door de verschillende rijcycli (stads-, plattelands- en snelwegcyclus), zoals beschreven in bijlage II, punt 4.5, bij Verordening (EU) nr. 582/2011

 

 

 

Percentage van de totale duur van de rit dat wordt ingenomen door versnelling, vertraging, constante snelheid en stoppen, zoals beschreven in bijlage II, punt 4.5.5, bij Verordening (EU) nr. 582/2011

 

 

 

 

Min.

Max.

Werkvenster gemiddeld vermogen (%)

 

 

Vensterduur CO2-massa (s)

 

 

Werkvenster: percentage geldige vensters

 

Venster CO2-massa: percentage geldige vensters

 

Consistentiefactor brandstofverbruik

 

▼B

1.5

Meting van het vermogen

1.5.1.    Motorvermogen gemeten op een testbank



Tabel 7

Motorvermogen gemeten op een testbank

Gemeten motortoerental (tpm)

 

 

 

 

 

 

 

Gemeten brandstofstroom (g/h)

 

 

 

 

 

 

 

Gemeten koppel (Nm)

 

 

 

 

 

 

 

Gemeten vermogen (kW)

 

 

 

 

 

 

 

Luchtdruk (kPa)

 

 

 

 

 

 

 

Waterdampdruk (kPa)

 

 

 

 

 

 

 

Temperatuur van de inlaatlucht (K)

 

 

 

 

 

 

 

Vermogenscorrectiefactor

 

 

 

 

 

 

 

Gecorrigeerd vermogen (kW)

 

 

 

 

 

 

 

Vermogen van de hulpapparatuur (kW) (1)

 

 

 

 

 

 

 

Nettovermogen (kW)

 

 

 

 

 

 

 

Nettokoppel (Nm)

 

 

 

 

 

 

 

Gecorrigeerd specifiek brandstofverbruik (g/kWh)

 

 

 

 

 

 

 

▼M9

1.5.2.    Aanvullende gegevens, bv. de vermogenscorrectiefactor voor elke aangegeven brandstof (indien van toepassing)

▼B




Aanhangsel 6

Modellen van het EG-typegoedkeuringscertificaat voor een voertuigtype met een goedgekeurde motor

De voetnoten zijn opgenomen in aanhangsel 10 van deze bijlage.

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT



Mededeling betreffende de:

— EG-typegoedkeuring (1)

— uitbreiding van de EG-typegoedkeuring (1)

— weigering van de EG-typegoedkeuring (1)

— intrekking van de EG-typegoedkeuring (1)

Stempel van de typegoedkeuringsinstantie

van een type voertuig met een goedgekeurde motor overeenkomstig Verordening (EG) nr. 595/2009, ten uitvoer gelegd bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

Verordening (EG) nr. 595/2009 en Verordening (EU) nr. 582/2011, laatstelijk gewijzigd bij …

EG-typegoedkeuringsnummer:

Reden voor uitbreiding:

DEEL I

0.1. Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2. Type:

0.3. Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op het onderdeel/de technische eenheid (1) (a):

0.3.1. Plaats van dat identificatiemiddel:

0.4. Naam en adres van de fabrikant:

0.5. In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

0.6. Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.7. Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL II

1. Aanvullende informatie (indien van toepassing): zie addendum

2. Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:

3. Datum van het testrapport:

4. Nummer van het testrapport:

5. Eventuele opmerkingen: zie addendum

6. Plaats:

7. Datum:

8. Handtekening:




Aanhangsel 7

Modellen van het EG-typegoedkeuringscertificaat voor een voertuigtype met betrekking tot een systeem

De voetnoten zijn opgenomen in aanhangsel 10 van deze bijlage.

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT



Mededeling betreffende de:

— EG-typegoedkeuring (1)

— uitbreiding van de EG-typegoedkeuring (1)

— weigering van de EG-typegoedkeuring (1)

— intrekking van de EG-typegoedkeuring (1)

Stempel van de typegoedkeuringsinstantie

van een type voertuig met betrekking tot een systeem overeenkomstig Verordening (EG) nr. 595/2009, ten uitvoer gelegd bij Verordening (EU) nr. 582/2011.

Verordening (EG) nr. 595/2009 en Verordening (EU) nr. 582/2011, laatstelijk gewijzigd bij …

EG-typegoedkeuringsnummer:

Reden voor uitbreiding:

DEEL I

0.1. Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2. Type:

0.2.1. Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar):

0.3. Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op het voertuig (1) (a):

0.3.1. Plaats van dat identificatiemiddel:

0.4. Voertuigcategorie (b):

0.5. Naam en adres van de fabrikant:

0.6. Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.7. Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL II

1. Aanvullende informatie (indien van toepassing): zie addendum

2. Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:

3. Datum van het testrapport:

4. Nummer van het testrapport:

5. Eventuele opmerkingen: zie addendum

6. Plaats:

7. Datum:

8. Handtekening:

Bijvoegsels: Informatiepakket

Testrapport

Addendum




Addendum

bij het EG-typegoedkeuringscertificaat nr. …

1.   AANVULLENDE INFORMATIE:

1.1.

Nadere bijzonderheden met betrekking tot de typegoedkeuring van een voertuig met geïnstalleerde motor:

1.1.1 Merk motor (naam bedrijf):

1.1.2 Type en handelsbenaming (ook van eventuele varianten):

1.1.3 Motorcode van de fabrikant, zoals vermeld op de motor:

1.1.4 Voertuigcategorie (indien van toepassing):

▼M4

1.1.5. Motorcategorie: diesel/benzine/lpg/NG-H/NG-L/NG-HL/ethanol (ED95)/ethanol (E85)/lng/lng20 (1):

▼M4

1.1.5.1. Type dualfuelmotor: type 1A/1B/2A/2B/3B (1) (d1):

▼B

1.1.6 Naam en adres van de fabrikant:

1.1.7 Naam en adres van de bevoegde vertegenwoordiger van de fabrikant (indien van toepassing):

1.2.

Indien voor de in punt 1.1 bedoelde motor een typegoedkeuring is verleend als technische eenheid:

1.2.1 Typegoedkeuringsnummer van de motor/motorfamilie (1):

1.2.2 Het softwarekalibratienummer van de elektronische regeleenheid van de motor (ECU):

1.3.

Nadere bijzonderheden met betrekking tot de typegoedkeuring van een motor/motorfamilie (1) als technische eenheid (voorwaarden die in acht moeten worden genomen bij de installatie van de motor op een voertuig):

1.3.1 Toelaatbare maximuminlaatluchtdruk:

1.3.2 Toelaatbare maximumtegenluchtdruk:

1.3.3 Inhoud van het uitlaatsysteem:

1.3.4 Eventuele gebruiksbeperkingen:

▼M4

1.4.

Emissieniveaus van de motor/basismotor (1)

Verslechteringsfactor (DF): berekend/vast (1)

Specificeer de DF-waarden en de emissies voor de WHSC- (indien van toepassing) en WHTC-tests in onderstaande tabel

▼B

1.4.1.    WHSC-test

▼M4



Tabel 4

WHSC-test

WHSC-test (indien van toepassing) (10) (d5)

DF

CO

THC

NMHC (d4)

NOx

Deeltjesmassa

NH3

Deeltjesaantal

Mult/add (1)

 

 

 

 

 

 

 

Emissies

CO

(mg/kWh)

THC

(mg/kWh)

NMHC (d4)

(mg/kWh)

NOx

(mg/kWh)

Deeltjesmassa

(mg/kWh)

NH3

ppm

Deeltjesaantal

(#/kWh)

Testresultaat

 

 

 

 

 

 

 

Berekend met DF

 

 

 

 

 

 

 

CO2-massa-emissie: … g/kWh

Brandstofverbruik: … g/kWh

▼B

1.4.2.    WHTC-test

▼M4



Tabel 5

WHTC-test

WHTC-test (10) (d5)

DF

CO

THC

NMHC (d4)

CH4 (d4)

NOx

Deeltjesmassa

NH3

Deeltjesaantal

Mult/add (1)

 

 

 

 

 

 

 

 

Emissies

CO

(mg/kWh)

THC

(mg/kWh)

NMHC (d4)

(mg/kWh)

CH4 (d4)

(mg/kWh)

NOx

(mg/kWh)

Deeltjesmassa

(mg/kWh)

NH3

ppm

Deeltjesaantal

(#/kWh)

Koude start

 

 

 

 

 

 

 

 

Warme start zonder regeneratie

 

 

 

 

 

 

 

 

Warme start met regeneratie (1)

 

 

 

 

 

 

 

 

kr,u (mult/add) (1)

 

 

 

 

 

 

 

 

kr,d (mult/add) (1)

Gewogen testresultaat

 

 

 

 

 

 

 

 

Eindresultaat test met DF

 

 

 

 

 

 

 

 

CO2-massa-emissie: … g/kWh

Brandstofverbruik: … g/kWh

▼B

1.4.3.    Test stationair



Tabel 6

Test stationair

Test

CO-waarde

(vol. %)

Lambda (1)

Motortoerental (min–1)

Temperatuur motorolie (°C)

Laag stationair

 

n.v.t.

 

 

Hoog stationair