EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02011D0172-20200321

Consolidated text: Besluit 2011/172/GBVB van de Raad van 21 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2011/172/2020-03-21

02011D0172 — NL — 21.03.2020 — 010.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

BESLUIT 2011/172/GBVB VAN DE RAAD

van 21 maart 2011

betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte

(PB L 076 van 22.3.2011, blz. 63)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

BESLUIT 2012/159/GBVB VAN DE RAAD van 19 maart 2012

  L 80

18

20.3.2012

►M2

BESLUIT 2012/723/GBVB VAN DE RAAD van 26 november 2012

  L 327

44

27.11.2012

 M3

BESLUIT 2013/144/GBVB VAN DE RAAD van 21 maart 2013

  L 82

54

22.3.2013

 M4

BESLUIT 2014/153/GBVB VAN DE RAAD van 20 maart 2014

  L 85

9

21.3.2014

 M5

BESLUIT (GBVB) 2015/486 VAN DE RAAD van 20 maart 2015

  L 77

16

21.3.2015

 M6

BESLUIT (GBVB) 2016/411 VAN DE RAAD van 18 maart 2016

  L 74

40

19.3.2016

 M7

BESLUIT (GBVB) 2017/496 VAN DE RAAD van 21 maart 2017

  L 76

22

22.3.2017

 M8

UITVOERINGSBESLUIT (GBVB) 2017/498 VAN DE RAAD van 21 maart 2017

  L 76

33

22.3.2017

 M9

BESLUIT (GBVB) 2018/466 VAN DE RAAD van 21 maart 2018

  L 78I

3

21.3.2018

►M10

BESLUIT (GBVB) 2019/468 VAN DE RAAD van 21 maart 2019

  L 80

40

22.3.2019

►M11

BESLUIT (GBVB) 2020/418 VAN DE RAAD van 19 maart 2020

  L 86

11

20.3.2020


Gerectificeerd bij:

 C1

Rectificatie, PB L 203, 11.7.2014, blz.  113 (2011/172/GBVB)




▼B

BESLUIT 2011/172/GBVB VAN DE RAAD

van 21 maart 2011

betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte



Artikel 1

1.  Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van of in bezit zijn van personen die zijn geïdentificeerd als zijnde verantwoordelijk voor het verduisteren van Egyptische overheidsmiddelen, of van de met hen geassocieerde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen als vermeld in de bijlage, worden bevroren.

2.  Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in de bijlage vermelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of organen.

3.  De bevoegde autoriteit van een lidstaat kan, onder voorwaarden die zij passend acht, toestemming geven voor de vrijgave of de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien zij heeft vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen:

a) 

noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlage genoemde natuurlijke personen en de leden van hun gezin die van hen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor voedsel, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of geneeskundige behandelingen, belastingen, verzekeringspremies of openbare voorzieningen;

b) 

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en de vergoeding van kosten in verband met de verlening van juridische diensten;

c) 

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor alleen het houden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen; of

d) 

noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de bevoegde autoriteiten de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie ten minste twee weken voordat zij de toestemming geven, in kennis stellen van de redenen waarom zij menen dat specifieke toestemming moet worden gegeven.

De lidstaten stellen elkaar en de Commissie in kennis van elke toestemming die overeenkomstig dit lid is verleend.

▼M2

4.  In afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) 

de tegoeden of economische middelen zijn het voorwerp van een scheidsrechterlijke beslissing die is gegeven vóór de datum waarop de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, de entiteit of het lichaam, bedoeld in lid 1, op de lijst in de bijlage is geplaatst, dan wel van een vóór of na die datum in de Unie gegeven rechterlijke of administratieve beslissing, of in de betrokken lidstaat uitvoerbare rechterlijke beslissing;

b) 

de tegoeden of economische middelen zullen uitsluitend worden aangewend om te voldoen aan de vorderingen die bij de beslissing zijn gewaarborgd of geldig zijn verklaard, overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften betreffende de rechten van de houders van die vorderingen;

c) 

de beslissing komt niet ten goede aan een op de lijst in de bijlage geplaatste persoon, entiteit of lichaam; en

d) 

de erkenning van de beslissing is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die overeenkomstig dit lid is verleend.

▼B

5.  Lid 1 belet niet dat een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam vermeld in de lijst een betaling verricht die verschuldigd is uit hoofde van een contract dat is gesloten vóór deze persoon of entiteit of dit lichaam in de bijlage werd opgenomen, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat de betaling niet rechtstreeks of onrechtstreeks wordt ontvangen door een persoon, entiteit of lichaam bedoeld in lid 1.

▼M2

6.  Lid 2 is niet van toepassing op de bijboeking op bevroren rekeningen van:

a) 

rente of andere inkomsten op deze rekeningen; of

b) 

betalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn gesloten of zijn ontstaan vóór de datum waarop de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen op de betrokken rekeningen van toepassing werden; of

c) 

betalingen uit hoofde van een justitieel of administratief vonnis dat of een arbitrale uitspraak die in de EU is uitgesproken, of dat in de betrokken lidstaat uitvoerbaar is,

mits deze rente, andere inkomsten en betalingen onder de in lid 1 bedoelde maatregelen blijven vallen.

▼B

Artikel 2

1.  De Raad stelt op voorstel van een lidstaat of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de in de bijlage opgenomen lijst en eventuele wijzigingen daarin vast.

2.  De Raad stelt de betrokken natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of het betrokken lichaam in kennis van het in lid 1 bedoelde besluit en van de motivering voor de plaatsing op de lijst, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij middels de bekendmaking van een kennisgeving, zodat deze persoon of entiteit of dit lichaam daarover opmerkingen kan indienen.

3.  Indien er opmerkingen worden ingediend of substantieel nieuw bewijsmateriaal wordt overgelegd, toetst de Raad het in lid 1 bedoelde besluit en brengt hij de betrokken persoon of entiteit of het betrokken lichaam daarvan op de hoogte.

Artikel 3

1.  In de bijlage worden de gronden voor opneming in de lijst van de in artikel 1, lid 1, bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen vermeld.

2.  De bijlage bevat tevens de informatie, indien beschikbaar, die nodig is om de betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen te identificeren. Met betrekking tot natuurlijke personen kan die informatie bestaan uit namen, inclusief aliassen, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, paspoort- en identiteitskaartnummers, geslacht, adres en functie of beroep. Met betrekking tot rechtspersonen, entiteiten of lichamen kan die informatie namen, plaats en datum van registratie, registratienummer en de plaats van vestiging omvatten.

Artikel 4

Om het effect van de in artikel 1, leden 1 en 2, bedoelde maatregelen zo groot mogelijk te maken, moedigt de Unie derde landen aan soortgelijke beperkende maatregelen als de in dit besluit vervatte te treffen.

▼M1

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

▼M11

Dit besluit is van toepassing tot en met 22 maart 2021.

▼M1

Dit besluit wordt voortdurend getoetst. Het wordt zo nodig verlengd of gewijzigd indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn verwezenlijkt.

▼M10




BIJLAGE

A.   Lijst van de in artikel 1 bedoelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen



 

Naam

(en eventuele aliassen)

Informatie ter identificatie

Redenen voor plaatsing op de lijst

▼M11

1.

Mohamed Hosni Elsayed Mubarak

Voormalig president van de Arabische Republiek Egypte

Geboortedatum: 4.5.1928

Man

(Overleden) persoon naar wiens activiteiten door de Egyptische autoriteiten een gerechtelijk onderzoek of een gerechtelijke procedure voor de ontneming van vermogensbestanddelen in gang is gezet naar aanleiding van een definitieve rechterlijke beslissing betreffende het verduisteren van overheidsgelden, op basis van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie.

▼M10

2.

Suzanne Saleh Thabet

Echtgenote van de heer Mohamed Hosni Elsayed Mubarak, voormalig president van de Arabische Republiek Egypte

Geboortedatum: 28.2.1941

Vrouw

Gelieerd aan Mohamed Hosni Elsayed Mubarak, tegen wie de Egyptische autoriteiten rechtsvervolging hebben ingesteld of een procedure voor de ontneming van vermogensbestanddelen in gang hebben gezet naar aanleiding van een definitieve rechterlijke beslissing betreffende het verduisteren van overheidsgelden, op basis van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie.

3.

Alaa Mohamed Hosni Elsayed Mubarak

Zoon van de heer Mohamed Hosni Elsayed Mubarak, voormalig president van de Arabische Republiek Egypte

Geboortedatum: 26.11.1960

Man

De Egyptische autoriteiten zijn tot rechtsvervolging van deze persoon overgegaan of hebben tegen hem een procedure voor de ontneming van vermogensbestanddelen in gang gezet naar aanleiding van een definitieve rechterlijke beslissing betreffende het verduisteren van overheidsgelden, op basis van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie.

▼M11

4.

Heidy Mahmoud Magdy Hussein Rasekh

(ook bekend als Heddy Mohamed Magdy Hussein Rassekh)

Echtgenote van de heer Alaa Mohamed Elsayed Mubarak, zoon van de voormalige president van de Arabische Republiek Egypte

Geboortedatum: 5.10.1971

Vrouw

De Egyptische autoriteiten zijn tot rechtsvervolging van deze persoon overgegaan of hebben tegen haar een procedure voor de ontneming van vermogensbestanddelen in gang gezet naar aanleiding van een definitieve rechterlijke beslissing betreffende het verduisteren van overheidsgelden, op basis van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie; zij is gelieerd aan Alaa Mohamed Hosni Elsayed Mubarak.

▼M10

5.

Gamal Mohamed Hosni Elsayed Mubarak

Zoon van de heer Mohamed Hosni Elsayed Mubarak, voormalig president van de Arabische Republiek Egypte

Geboortedatum: 28.12.1963

Man

De Egyptische autoriteiten zijn tot rechtsvervolging van deze persoon overgegaan of hebben tegen hem een procedure voor de ontneming van vermogensbestanddelen in gang gezet naar aanleiding van een definitieve rechterlijke beslissing betreffende het verduisteren van overheidsgelden, op basis van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie.

6.

Khadiga Mahmoud El Gammal

Echtgenote van de heer Gamal Mohamed Hosni Elsayed Mubarak, zoon van de voormalige president van de Arabische Republiek Egypte

Geboortedatum: 13.10.1982

Vrouw

De Egyptische autoriteiten zijn tot rechtsvervolging van deze persoon overgegaan of hebben tegen hem een procedure voor de ontneming van vermogensbestanddelen in gang gezet naar aanleiding van een definitieve rechterlijke beslissing betreffende het verduisteren van overheidsgelden, op basis van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie; is gelieerd aan Gamal Mohamed Hosni Elsayed Mubarak.

15.

Mohamed Zohir Mohamed Wahed Garrana

Voormalig minister van Toerisme

Geboortedatum: 20.2.1959

Man

De Egyptische autoriteiten zijn overgegaan tot rechtsvervolging van deze persoon wegens het verduisteren van overheidsgelden, op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie.

18.

Habib Ibrahim Habib Eladli

Voormalig minister van Binnenlandse Zaken

Geboortedatum: 1.3.1938

Man

De Egyptische autoriteiten zijn overgegaan tot rechtsvervolging van deze persoon wegens het verduisteren van overheidsgelden, op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie.

19.

Elham Sayed Salem Sharshar

Echtgenote van de heer Habib Ibrahim Eladli

Geboortedatum: 23.1.1963

Vrouw

Tegen deze persoon is rechtsvervolging ingesteld wegens het verduisteren van overheidsgelden, op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie; is gelieerd aan Habib Ibrahim Eladli.

▼M11

B.

Rechten van de verdediging en recht op effectieve rechtsbescherming volgens het Egyptische recht:

De rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming

Uit de artikelen 54, 97 en 98 van de Egyptische grondwet, de artikelen 77, 78, 124, 199, 214, 271, 272 en 277 van het Egyptische wetboek van strafvordering en de artikelen 93 en 94 van de Egyptische wet inzake de advocatuur (Wet nr. 17 van 1983) blijkt dat de Egyptische wetgeving de volgende rechten waarborgt:

— 
voor iedere persoon die van een strafbaar feit wordt verdacht of beschuldigd:
1. 

het recht op rechterlijke toetsing van elke wet en elk administratief besluit;

2. 

het recht zichzelf te verdedigen of te worden bijgestaan door een raadsman naar eigen keuze of, indien de verdachte onvoldoende middelen heeft om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een raadsman te worden bijgestaan indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit vereisen;

— 
voor iedere persoon die formeel in staat van beschuldiging van een strafbaar feit is gesteld:
1. 

het recht onverwijld en in een taal die hij verstaat, nauwkeurig geïnformeerd te worden over de aard en de grond van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;

2. 

het recht op de tijd en de faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;

3. 

het recht getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en de verschijning en ondervraging van getuigen à decharge te bewerkstelligen onder dezelfde voorwaarden als voor getuigen à charge;

4. 

het recht op kosteloze bijstand van een tolk indien hij de taal die in de rechtbank wordt gebruikt, niet verstaat of spreekt.

Toepassing van de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming

1. 

Mohamed Hosni Elsayed Mubarak

Uit de informatie in het Raadsdossier blijkt dat de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming van de heer Mubarak werden geëerbiedigd tijdens het proces waarop de Raad zich heeft gebaseerd. Dit blijkt met name uit het volgende.

Zaak

Op 27 juni 2013 werd de heer Mubarak samen met twee andere personen aangeklaagd wegens het verduisteren van overheidsgelden. Op 17 november 2013 ging het proces tegen hen van start bij de strafrechtbank van Caïro. Op 21 mei 2014 werden de drie verdachten veroordeeld door deze rechtbank. De verdachten vochten het vonnis aan bij het Hof van Cassatie. Op 13 januari 2015 vernietigde het Hof van Cassatie het vonnis en gaf opdracht tot een nieuw proces. In dit nieuwe proces werden op 4 en 29 april 2015 door de partijen mondelinge opmerkingen gemaakt en schriftelijke stukken ingediend. Op 9 mei 2015 veroordeelde de strafrechter van Caïro de verdachten en gelastte hij de terugbetaling van de verduisterde middelen en de betaling van een geldboete. Op 24 mei 2015 werd hiertegen hoger beroep ingesteld bij het Hof van Cassatie. Op 9 januari 2016 bekrachtigde het Hof van Cassatie de veroordelingen. Op 8 maart 2016 kwamen de verdachten tot een schikking binnen de Commissie van deskundigen die de minister-president bij Decreet nr. 2873 van 2015 had ingesteld. Deze schikking werd op 9 maart 2016 door de ministerraad goedgekeurd. De procureur-generaal heeft deze schikking niet aan het Hof van Cassatie voorgelegd ter definitieve goedkeuring, omdat de Commissie van deskundigen niet de ter zake bevoegde commissie was. Het staat de verdachten vrij een verzoek tot schikking in te dienen bij de bevoegde commissie, de nationale commissie voor terugvordering van activa in het buitenland (National Committee for Recovery of Assets Located Abroad — NCRAA). In maart 2019 werd het bedrag van de geldboete teruggevorderd. De terug te betalen som wordt momenteel teruggevorderd in het kader van de rechtshulpverzoeken die de Egyptische autoriteiten tot twee derde landen hebben gericht.

2. 

Suzanne Saleh Thabet

Uit de informatie in het Raadsdossier blijkt dat de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming van mevrouw Thabet werden geëerbiedigd tijdens het proces waarop de Raad zich heeft gebaseerd. Dit blijkt met name uit het volgende:

Bevel tot bevriezing

Op 28 februari 2011 heeft de procureur-generaal mevrouw Thabet en andere personen verboden hun activa en tegoeden te vervreemden overeenkomstig artikel 208 bis van het Egyptische wetboek van strafvordering, op grond waarvan de procureur-generaal een verdachte, zijn echtgenote en zijn kinderen kan verbieden hun tegoeden te vervreemden indien er reden is om aan te nemen dat die tegoeden de illegale opbrengst vormen van misdrijven waarvan de betrokkene verdacht wordt. Op 8 maart 2011 bevestigde de bevoegde strafrechter het verbod. De wetgeving van de Arabische Republiek Egypte geeft verdachten het recht om tegen het bevel van de rechtbank beroep aan te tekenen bij diezelfde rechtbank. Mevrouw Thabet heeft de uitspraak van 8 maart 2011 niet aangevochten.

3. 

Alaa Mohamed Hosni Elsayed Mubarak

Uit de informatie in het Raadsdossier blijkt dat de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming van de heer Alaa Mubarak werden geëerbiedigd tijdens het proces waarop de Raad zich heeft gebaseerd. Dit blijkt met name uit het volgende:

Bevel tot bevriezing

Op 28 februari 2011 verbood de procureur-generaal de heer Alaa Mubarak en andere personen hun activa en tegoeden te vervreemden overeenkomstig artikel 208 bis van het Egyptische wetboek van strafvordering, op grond waarvan de procureur-generaal een verdachte, diens echtgenote en zijn kinderen kan verbieden hun tegoeden te vervreemden indien er reden is om aan te nemen dat die tegoeden de illegale opbrengst vormen van misdrijven waarvan de betrokkene verdacht wordt. Op 8 maart 2011 bevestigde de bevoegde strafrechter het verbod. De wetgeving van de Arabische Republiek Egypte geeft verdachten het recht om tegen het bevel van de rechtbank beroep aan te tekenen bij diezelfde rechtbank. De heer Alaa Mubarak heeft de uitspraak van 8 maart 2011 niet aangevochten.

Eerste zaak

Op 30 mei 2012 werd de verdachte samen met een andere persoon verwezen naar de rechtbank (strafrechtbank van Caïro). Op 6 juni 2013 verwees de rechter de zaak voor nader onderzoek terug naar het openbaar ministerie. Na afronding van het onderzoek werd de zaak opnieuw verwezen naar de rechtbank. Op 15 september 2018 heeft de strafrechtbank van Caïro als volgt vonnis gewezen: (i) zij verzocht de Commissie van deskundigen die zij had aangewezen, het in juli 2018 aan de rechter voorgelegde deskundigenverslag aan te vullen; (ii) zij gelastte de aanhouding van de verdachten; en iii) zij verzocht de verdachten te verwijzen naar het nationaal comité voor de terugvordering van activa in het buitenland (NCRAA) met het oog op een mogelijke schikking. De verdachten vochten het aanhoudingsbevel met succes aan, en na een motie van wraking van de betrokken kamer van de strafrechtbank werd de zaak naar een andere kamer verwezen voor een onderzoek ten gronde, waarbij de verdachten op 22 februari 2020 werden vrijgesproken. Deze uitspraak is niet definitief en kan nog steeds door het openbaar ministerie worden aangevochten.

Tweede zaak

Op 27 juni 2013 werd de heer Alaa Mubarak samen met twee andere personen aangeklaagd wegens het verduisteren van overheidsgelden. Op 17 november 2013 ging het proces tegen hen van start bij de strafrechtbank van Caïro. Op 21 mei 2014 werden de drie verdachten veroordeeld door deze rechtbank. De verdachten vochten het vonnis aan bij het Hof van Cassatie. Op 13 januari 2015 vernietigde het Hof van Cassatie het vonnis en gaf opdracht tot een nieuw proces. In dit nieuwe proces werden op 4 en 29 april 2015 door de partijen mondelinge opmerkingen gemaakt en schriftelijke stukken ingediend. Op 9 mei 2015 veroordeelde de strafrechter van Caïro de verdachten en gelastte hij de terugbetaling van de verduisterde middelen en de betaling van een geldboete. Op 24 mei 2015 werd hiertegen hoger beroep ingesteld bij het Hof van Cassatie. Op 9 januari 2016 bekrachtigde het Hof van Cassatie de veroordelingen. Op 8 maart 2016 kwamen de verdachten tot een schikking binnen de Commissie van deskundigen die de minister-president bij Decreet nr. 2873 van 2015 had ingesteld. Deze schikking werd op 9 maart 2016 door de ministerraad goedgekeurd. De procureur-generaal heeft deze schikking niet aan het Hof van Cassatie voorgelegd ter definitieve goedkeuring, omdat de Commissie van deskundigen niet de ter zake bevoegde commissie was. Het staat de verdachten vrij een verzoek tot schikking in te dienen bij de bevoegde commissie, de nationale commissie voor terugvordering van activa in het buitenland (National Committee for Recovery of Assets Abroad — NCRAA). In maart 2019 werd het bedrag van de geldboete teruggevorderd. De terug te betalen som wordt momenteel teruggevorderd in het kader van de rechtshulpverzoeken die de Egyptische autoriteiten tot twee derde landen hebben gericht.

4. 

Heidy Mahmoud Magdy Hussein Rasekh

Uit de informatie in het Raadsdossier blijkt dat de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming van mevrouw Rasekh werden geëerbiedigd tijdens het proces waarop de Raad zich heeft gebaseerd. Dit blijkt met name uit het volgende:

Bevel tot bevriezing

Op 28 februari 2011 heeft de procureur-generaal mevrouw Rasekh en andere personen verboden hun activa en tegoeden te vervreemden overeenkomstig artikel 208 bis van het Egyptische wetboek van strafvordering, op grond waarvan de procureur-generaal een verdachte, zijn echtgenote en zijn kinderen kan verbieden hun tegoeden te vervreemden indien er reden is om aan te nemen dat die tegoeden de illegale opbrengst vormen van misdrijven waarvan de betrokkene verdacht wordt. Op 8 maart 2011 bevestigde de bevoegde strafrechter het verbod. De wetgeving van de Arabische Republiek Egypte geeft verdachten het recht om tegen het bevel van de rechtbank beroep aan te tekenen bij diezelfde rechtbank. Mevrouw Rasekh heeft de uitspraak van 8 maart 2011 niet aangevochten.

5. 

Gamal Mohamed Hosni Elsayed Mubarak

Uit de informatie in het Raadsdossier blijkt dat de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming van de heer Gamal Mubarak werden geëerbiedigd tijdens het proces waarop de Raad zich heeft gebaseerd. Dit blijkt met name uit het volgende:

Bevel tot bevriezing

Op 28 februari 2011 verbood de procureur-generaal de heer Gamal Mubarak en andere personen hun activa en tegoeden te vervreemden overeenkomstig artikel 208 bis van het Egyptische wetboek van strafvordering, op grond waarvan de procureur-generaal een verdachte, zijn echtgenote en zijn kinderen kan verbieden hun tegoeden te vervreemden indien er reden is om aan te nemen dat die tegoeden de illegale opbrengst vormen van misdrijven waarvan de betrokkene verdacht wordt. Op 8 maart 2011 bevestigde de bevoegde strafrechter het verbod. De wetgeving van de Arabische Republiek Egypte geeft verdachten het recht om tegen het bevel van de rechtbank beroep aan te tekenen bij diezelfde rechtbank. De heer Gamal Mubarak heeft de uitspraak van 8 maart 2011 niet aangevochten.

Eerste zaak

Op 30 mei 2012 zijn de heer Gamal Mubarak en een andere persoon verwezen naar de rechter (strafrechtbank van Caïro). Op 6 juni 2013 verwees de rechter de zaak voor nader onderzoek terug naar het openbaar ministerie. Na afronding van het onderzoek werd de zaak opnieuw verwezen naar de rechtbank. Op 15 september 2018 heeft de strafrechtbank van Caïro als volgt vonnis gewezen: (i) zij verzocht de Commissie van deskundigen die zij had aangewezen, het in juli 2018 aan de rechter voorgelegde deskundigenverslag aan te vullen; (ii) zij gelastte de aanhouding van de verdachten; en iii) zij verzocht de verdachten te verwijzen naar het nationaal comité voor de terugvordering van activa in het buitenland (NCRAA) met het oog op een mogelijke schikking. De verdachten vochten het aanhoudingsbevel met succes aan, en na een motie van wraking van de betrokken kamer van de strafrechtbank werd de zaak naar een andere kamer verwezen voor een onderzoek ten gronde, waarbij de verdachten op 22 februari 2020 werden vrijgesproken. Deze uitspraak is niet definitief en kan nog steeds door het openbaar ministerie worden aangevochten.

Tweede zaak

Op 27 juni 2013 werd de heer Gamal Mubarak samen met twee andere personen aangeklaagd wegens het verduisteren van overheidsgelden, en op 17 november 2013 ging het strafproces tegen hen van start bij de strafrechtbank van Caïro. Op 21 mei 2014 werden de drie verdachten veroordeeld door deze rechtbank. De verdachten vochten het vonnis aan bij het Hof van Cassatie. Op 13 januari 2015 vernietigde het Hof van Cassatie het vonnis en gaf opdracht tot een nieuw proces. In dit nieuwe proces werden op 4 en 29 april 2015 door de partijen mondelinge opmerkingen gemaakt en schriftelijke stukken ingediend. Op 9 mei 2015 veroordeelde de strafrechter van Caïro de verdachten en gelastte hij de terugbetaling van de verduisterde middelen en de betaling van een geldboete. Op 24 mei 2015 werd hiertegen hoger beroep ingesteld bij het Hof van Cassatie. Op 9 januari 2016 bekrachtigde het Hof van Cassatie de veroordelingen. Op 8 maart 2016 kwamen de verdachten tot een schikking binnen de Commissie van deskundigen die de minister-president bij Decreet nr. 2873 van 2015 had ingesteld. Deze schikking werd op 9 maart 2016 door de ministerraad goedgekeurd. De procureur-generaal heeft de schikking niet aan het Hof van Cassatie voorgelegd ter definitieve goedkeuring, omdat de Commissie van deskundigen niet de ter zake bevoegde commissie was. Het staat de verdachten vrij een verzoek tot schikking in te dienen bij de bevoegde commissie, de nationale commissie voor terugvordering van activa in het buitenland (National Committee for Recovery of Assets Located Abroad — NCRAA). In maart 2019 werd het bedrag van de geldboete teruggevorderd. De terug te betalen som wordt momenteel teruggevorderd in het kader van de rechtshulpverzoeken die de Egyptische autoriteiten tot twee derde landen hebben gericht.

6. 

Khadiga Mahmoud El Gammal

Uit de informatie in het dossier van de Raad blijkt dat de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming van mevrouw El Gammal werden gerespecteerd in de strafprocedures waarop de Raad zich heeft gebaseerd. Dit blijkt met name uit het volgende:

Bevel tot bevriezing

Op 28 februari 2011 heeft de procureur-generaal mevrouw Khadiga El Gammal en andere personen verboden hun activa en tegoeden te vervreemden overeenkomstig artikel 208 bis van het Egyptische wetboek van strafvordering, op grond waarvan de procureur-generaal een verdachte, zijn echtgenote en zijn kinderen kan verbieden hun tegoeden te vervreemden indien er reden is om aan te nemen dat die tegoeden de illegale opbrengst vormen van misdrijven waarvan de betrokkene verdacht wordt. Op 8 maart 2011 bevestigde de bevoegde strafrechter het verbod. De wetgeving van de Arabische Republiek Egypte geeft verdachten het recht om tegen het bevel van de rechtbank beroep aan te tekenen bij diezelfde rechtbank. Mevrouw El Gammal heeft de uitspraak van 8 maart 2011 niet aangevochten.

15. 

Mohamed Zohir Mohamed Wahed Garrana

Uit de informatie in het Raadsdossier blijkt dat de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming van de heer Garrana werden geëerbiedigd tijdens het proces waarop de Raad zich heeft gebaseerd. Dit blijkt met name uit het volgende:

Zaak

Het onderzoek naar het ten laste gelegde feit (de verduistering van overheidsgelden of -activa) loopt nog. De Raad heeft geen aanwijzingen gevonden dat de rechten van de verdediging of het recht op effectieve rechtsbescherming van de heer Garrana niet in acht zijn genomen.

18. 

Habib Ibrahim Habib Eladli

Uit de informatie in het Raadsdossier blijkt dat de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming van de heer Eladli werden geëerbiedigd tijdens het proces waarop de Raad zich heeft gebaseerd. Dit blijkt met name uit het volgende:

Zaak

De heer Eladli werd door de onderzoeksrechter verwezen naar de bevoegde rechtbank op beschuldiging van verduistering van overheidsgelden. Op 7 februari 2016 besloot de rechter dat de activa van de heer Eladli, van zijn echtgenote en van zijn minderjarige zoon moesten worden bevroren. Op basis van deze uitspraak heeft de procureur-generaal op 10 februari 2016 een beslissing tot bevriezing genomen overeenkomstig artikel 208 bis van het Egyptische wetboek van strafvordering, op grond waarvan de procureur-generaal een verdachte, zijn echtgenote en zijn kinderen kan verbieden hun tegoeden te vervreemden indien er reden is om aan te nemen dat die tegoeden de illegale opbrengst vormen van misdrijven waarvan de betrokkene verdacht wordt. De wetgeving van de Arabische Republiek Egypte geeft verdachten het recht om tegen het bevel van de rechtbank beroep aan te tekenen bij diezelfde rechtbank. Op 15 april 2017 werd de verdachte veroordeeld. De verdachte vocht het vonnis aan bij het Hof van Cassatie, dat het vonnis op 11 januari 2018 vernietigde en opdracht gaf tot een nieuw proces. In het kader van het nieuwe proces werd hij op 9 mei 2019 tot een geldboete veroordeeld. Zowel het openbaar ministerie als de heer Eladli stelden tegen die uitspraak hoger beroep in bij het Hof van Cassatie. De zaak is nog aanhangig bij het Hof.

19. 

Elham Sayed Salem Sharshar

Uit de informatie in het Raadsdossier blijkt dat de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming van mevrouw Sharshar werden geëerbiedigd tijdens het proces waarop de Raad zich heeft gebaseerd. Dit blijkt met name uit het volgende:

Bevel tot bevriezing

De echtgenoot van mevrouw Sharshar werd door de onderzoeksrechter verwezen naar de bevoegde rechtbank op beschuldiging van verduistering van overheidsgelden. Op 7 februari 2016 besloot de rechter tot bevriezing van de activa van haar echtgenoot, van haarzelf en van hun minderjarige zoon. Op basis van deze uitspraak heeft de procureur-generaal op 10 februari 2016 een beslissing tot bevriezing genomen overeenkomstig artikel 208 bis van het Egyptische wetboek van strafvordering, op grond waarvan de procureur-generaal een verdachte, zijn echtgenote en zijn kinderen kan verbieden hun tegoeden te vervreemden indien er reden is om aan te nemen dat die tegoeden de illegale opbrengst vormen van misdrijven waarvan de betrokkene verdacht wordt. De wetgeving van de Arabische Republiek Egypte geeft verdachten het recht om tegen het bevel van de rechtbank beroep aan te tekenen bij diezelfde rechtbank. Mevrouw Sharshar heeft de uitspraak van de rechtspraak niet aangevochten.

Top