EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02009R0663-20181224

Consolidated text: Verordening (EG) nr. 663/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 houdende vaststelling van een programma om het economisch herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/663/2018-12-24

02009R0663 — NL — 24.12.2018 — 002.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EG) Nr. 663/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 juli 2009

houdende vaststelling van een programma om het economisch herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie

(PB L 200 van 31.7.2009, blz. 31)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) Nr. 1233/2010 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 december 2010

  L 346

5

30.12.2010

►M2

VERORDENING (EU) 2018/1999 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 december 2018

  L 328

1

21.12.2018




▼B

VERORDENING (EG) Nr. 663/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 juli 2009

houdende vaststelling van een programma om het economisch herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie



HOOFDSTUK I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt een financieringsinstrument ingesteld, met als titel het Europees energieprogramma voor herstel („European Energy Programme for Recovery”, hierna „het EEPR”), voor de ontwikkeling van projecten op het gebied van energie in de Gemeenschap die door financiële impulsen bijdragen tot economisch herstel, zekerheid van de energievoorziening en vermindering van de broeikasgasemissies.

Deze verordening stelt subprogramma's in om deze doelstellingen te bevorderen op de volgende gebieden:

a) gas- en elektriciteitsinfrastructuur;

b) offshore windenergie, en

c) koolstofafvang en -opslag.

Voorts wordt in deze verordening vastgesteld welke projecten in het kader van elk subprogramma worden gefinancierd en worden de criteria bepaald voor de selectie en uitvoering van acties om deze projecten te realiseren.

▼M1

Deze verordening voorziet in de totstandbrenging van een financiële regeling (hierna „regeling” genoemd) ter ondersteuning van energie-efficiëntie en initiatieven inzake hernieuwbare energie.

▼B

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a)

„koolstofafvang en –opslag” : het afvangen van de door industriële installaties uitgestoten koolstofdioxide (CO2), het transporteren ervan naar een opslaglocatie en het injecteren ervan in een geschikte ondergrondse geologische formatie met het oog op opslag voor onbeperkte duur;

b)

„subsidiabele kosten” : heeft dezelfde betekenis als in Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002;

c)

„gas- en elektriciteitsinfrastructuur” :

i) alle hoogspanningslijnen, met uitzondering van de lijnen van distributienetten, en onderzeese verbindingen, mits deze infrastructuur wordt gebruikt voor interregionale of internationale elektriciteitstransmissie of voor interregionale of internationale elektriciteitsverbindingen;

ii) hogedrukgaspijpleidingen, met uitzondering van leidingen van distributienetten;

iii) de met de in punt ii) bedoelde hogedrukgaspijpleidingen verbonden ondergrondse opslaginstallaties;

iv) installaties voor de ontvangst, opslag en hervergassing van vloeibaar aardgas (LNG), en

v) alle apparatuur en installaties die voor de goede werking van de in de punten i), ii), iii) of iv) bedoelde infrastructuur essentieel zijn, met inbegrip van de beveiligings-, controle- en regelsystemen;

d)

„deel van een project” : elke activiteit die financieel, technisch of in de tijd onafhankelijk is en bijdraagt tot de verwezenlijking van een project;

e)

„investeringsfase” : de fase van een project waarin de bouw plaatsvindt en investeringskosten worden gemaakt;

f)

„offshore windenergie” : de elektrische stroom, opgewekt door met wind aangedreven turbines op zee, dichtbij of ver van de kustlijn;

g)

„planningsfase” : de fase van een project die voorafgaat aan de investeringsfase, waarin de uitvoering van het project wordt voorbereid, inclusief, in voorkomend geval, een haalbaarheidsbeoordeling, voorbereidende en technische studies, het verkrijgen van licenties en vergunningen en het maken van investeringskosten.

Artikel 3

Begroting

1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het EEPR voor 2009 en 2010 bedragen 3 980 000 000 EUR, die als volgt worden toegewezen:

a) gas- en elektriciteitinfrastructuurprojecten: 2 365 000 000 EUR;

b) offshore windenergieprojecten: 565 000 000 EUR;

c) projecten voor koolstofafvang en -opslag: 1 050 000 000 EUR.

▼M1

2.  De afzonderlijke juridische verbintenissen krachtens hoofdstuk II tot uitvoering van de vastleggingen in de begrotingen van 2009 en 2010 worden uiterlijk op 31 december 2010 aangegaan. De afzonderlijke juridische verbintenissen krachtens hoofdstuk II bis worden uiterlijk op 31 maart 2011 aangegaan.

▼M1

3.  De in bijlage II bedoelde financiële tusseninstanties streven ernaar alle in het kader van de regeling beschikbare middelen uit hoofde van de bijdrage van de Unie uiterlijk op 31 maart 2014 toe te wijzen aan investeringsprojecten en technische bijstand voor projecten op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie. Na die datum worden geen middelen uit hoofde van de bijdrage van de Unie toegewezen. Alle middelen uit hoofde van de bijdrage van de Unie die niet uiterlijk op 31 maart 2014 door de financiële tusseninstanties zijn toegewezen, vloeien terug naar de algemene begroting van de Unie. De aan investeringsprojecten toegewezen middelen uit hoofde van de bijdrage van de Unie blijven geïnvesteerd gedurende een bepaalde periode die niet langer mag duren dan 31 maart 2034. De Unie heeft tijdens de hele duur van de regeling naar rato van haar bijdrage aan de regeling en in overeenstemming met haar rechten als aandeelhouder recht op de opbrengst van haar investering in het kader van de regeling.

▼B



HOOFDSTUK II

SUBPROGRAMMA'S



DEEL 1

Gas- en elektriciteitinfrastructuurprojecten

Artikel 4

Doelstellingen

De Gemeenschap bevordert de gasinfrastructuur- en elektriciteitsinfrastructuurprojecten met de hoogste meerwaarde voor de Gemeenschap, die bijdragen tot de volgende doelstellingen:

a) continuïteit en diversificatie van de energiebronnen, aanvoerroutes en de voorziening;

b) de optimalisering van de capaciteit van het energienetwerk en integratie van de interne markt voor energie, met name wat het grensoverschrijdende gedeelte betreft;

c) de netontwikkeling ter verbetering van de economische en sociale samenhang door ontsluiting van de minst begunstigde regio's en eilanden in de Gemeenschap;

d) de aansluiting en integratie van hernieuwbare energiebronnen, en

e) de veiligheid, betrouwbaarheid en interoperabiliteit van de gekoppelde energienetten, waaronder indien nodig de mogelijkheid tot het gebruik van gasstromen in meerdere richtingen.

Artikel 5

Prioriteiten

Het EEPR strekt tot dringende aanpassing en ontwikkeling van de energienetten die van bijzonder belang zijn voor de Gemeenschap, om de werking van de interne energiemarkt te ondersteunen en, in het bijzonder, om de interconnectiecapaciteit, de zekerheid en de diversificatie van de voorziening te vergroten en ecologische, technische en financiële hindernissen te overwinnen. Speciale communautaire steun is nodig om energienetten intensiever te ontwikkelen en de totstandbrenging ervan te versnellen, namelijk in gebieden met een geringe diversiteit aan aanvoerroutes en voorzieningsbronnen.

Artikel 6

Toekenning van communautaire financiële bijstand

1.  Financiële bijstand uit hoofde van het EEPR („EEPR-bijstand”) voor gas- en elektriciteitsinfrastructuurprojecten wordt toegekend voor acties ter uitvoering van de projecten opgenomen in deel A van de bijlage of delen daarvan, die bijdragen tot de verwezenlijking van de in artikel 4 vermelde doelstellingen.

2.  De Commissie roept op tot het indienen van voorstellen om de in lid 1 bedoelde acties aan te duiden en beoordeelt of die voorstellen voldoen aan de in artikel 7 bepaalde subsidiabiliteitscriteria en de in artikel 8 bepaalde selectie- en gunningscriteria.

3.  De Commissie stelt de begunstigden in kennis van de toe te kennen EEPR-bijstand.

Artikel 7

Subsidiabiliteit

1.  De voorstellen komen slechts voor EEPR-bijstand in aanmerking indien zij strekken tot uitvoering van in deel A van de bijlage opgenomen projecten, het aldaar vastgelegde maximumbedrag van de EEPR-bijstand niet overschrijden, en voldoen aan de selectie- en gunningscriteria van artikel 8.

2.  De voorstellen kunnen worden ingediend:

a) door één of meer lidstaten die gezamenlijk optreden;

b) met de instemming van alle lidstaten die rechtstreeks bij het project in kwestie betrokken zijn:

i) door één of meer openbare of particuliere ondernemingen of instellingen die gezamenlijk optreden;

ii) door één of meer internationale organisaties die gezamenlijk optreden, of

iii) door een gemeenschappelijke onderneming.

3.  Door natuurlijke personen ingediende voorstellen komen niet in aanmerking.

Artikel 8

Selectie- en gunningscriteria

1.  Bij de beoordeling van de voorstellen die worden ontvangen in het kader van de in artikel 6, lid 2, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen, hanteert de Commissie de volgende selectiecriteria:

a) de degelijkheid en de technische geschiktheid van de voorgestelde aanpak;

b) de degelijkheid van het financiële pakket voor de volledige investeringsfase van de actie.

2.  Bij de beoordeling van de voorstellen die worden ontvangen in het kader van de in artikel 6, lid 2, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen, hanteert de Commissie de volgende gunningscriteria:

a) de rijpheid, omschreven als het bereiken van de investeringsfase, en het verrichten van aanzienlijke kapitaaluitgaven vóór eind 2010;

b) de mate waarin een gebrek aan toegang tot financiële middelen de uitvoering van de actie vertraagt;

c) de mate waarin de EEPR-bijstand openbare en particuliere financiering zal stimuleren;

d) sociaaleconomische effecten;

e) milieueffecten;

f) de bijdrage tot de continuïteit en interoperabiliteit van het energienet, alsmede tot de optimalisering van de capaciteit ervan;

g) de bijdrage tot de verbetering van de kwaliteit, veiligheid en zekerheid van de dienst;

h) de bijdrage tot de totstandbrenging van een goed geïntegreerde energiemarkt.

Artikel 9

Financieringsvoorwaarden

1.  De EEPR-bijstand vormt een bijdrage in de projectgerelateerde uitgaven voor de uitvoering van het project en die door de begunstigden of door met de uitvoering belaste derden zijn gedaan.

2.  De EEPR-bijstand bedraagt ten hoogste 50 % van de subsidiabele kosten.

Artikel 10

Instrumenten

1.  Na de in artikel 6, lid 2, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen selecteert de Commissie, volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde beheersprocedure, de voorstellen die EEPR-bijstand ontvangen en bepaalt zij het bedrag van de te verlenen EEPR-bijstand. De Commissie preciseert de voorwaarden voor en de wijze van de uitvoering van de voorstellen.

2.  De EEPR-bijstand wordt toegekend op basis van besluiten van de Commissie.

Artikel 11

Financiële verantwoordelijkheden van de lidstaten

1.  De lidstaten verrichten de technische bewaking van en de financiële controle op de projecten in nauwe samenwerking met de Commissie en certificeren het bedrag van de uitgaven die in verband met het project of de projectonderdelen zijn gedaan, alsmede hun conformiteit met deze verordening. De lidstaten kunnen de Commissie verzoeken aan controles ter plaatse deel te nemen.

2.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de overeenkomstig lid 1 genomen maatregelen en verstrekken haar met name een beschrijving van de controle-, beheers- en bewakingsystemen die zijn opgezet om de succesvolle uitvoering van de projecten te verzekeren.



DEEL 2

Offshore windenergieprojecten

Artikel 12

Toekenning van EEPR-bijstand

1.  EEPR-bijstand voor offshore windenergieprojecten wordt toegekend na een oproep tot het indienen van voorstellen voor acties ter uitvoering van de in deel B van de bijlage genoemde projecten.

2.  De Commissie roept op tot het indienen van voorstellen om de in lid 1 bedoelde acties aan te duiden en beoordeelt of de voorstellen voldoen aan de in artikel 13 bepaalde subsidiabiliteitscriteria en de in artikel 14 bepaalde selectie- en gunningscriteria.

3.  De Commissie stelt de begunstigden in kennis van de toe te kennen EEPR -bijstand.

Artikel 13

Subsidiabiliteit

1.  De voorstellen komen slechts voor EEPR-bijstand in aanmerking indien zij strekken tot uitvoering van in deel B van de bijlage opgenomen projecten, het aldaar vastgelegde maximumbedrag van de EEPR-bijstand niet overschrijden, en voldoen aan de selectie- en gunningscriteria van artikel 14. Deze projecten worden geleid door een particuliere onderneming.

2.  De voorstellen kunnen worden ingediend door een of meer ondernemingen die gezamenlijk optreden.

3.  Door natuurlijke personen ingediende voorstellen komen niet in aanmerking.

Artikel 14

Selectie- en gunningscriteria

1.  Bij de beoordeling van de voorstellen die worden ontvangen in het kader van de in artikel 12, lid 1, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen, hanteert de Commissie de volgende selectiecriteria:

a) de degelijkheid en de technische geschiktheid van de voorgestelde aanpak;

b) de degelijkheid van het financiële pakket voor de volledige investeringsfase van het project.

2.  Bij de beoordeling van de voorstellen die worden ontvangen in het kader van de in artikel 12, lid 1, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen, hanteert de Commissie de volgende gunningscriteria:

a) de rijpheid, omschreven als het bereiken van de investeringsfase, en het verrichten van aanzienlijke kapitaaluitgaven vóór eind 2010;

b) de mate waarin een gebrek aan toegang tot financiële middelen de uitvoering van de actie vertraagt;

c) de mate waarin het project de schaal van reeds in aanbouw zijnde of geplande installaties en infrastructuurvoorzieningen verbetert of verhoogt;

d) de mate waarin het project de bouw van installaties en infrastructuur op volledige grootte en op industriële schaal omvat en waarin met name het volgende aan bod komt:

i) het balanceren van de veranderlijkheid van windelektriciteit door integratiesystemen;

ii) het bestaan van systemen voor opslag op grote schaal;

iii) het beheer van windmolenparken als virtuele elektriciteitscentrales (meer dan 1 GW);

iv) het bestaan van turbines die verder van de kust of in diepere wateren worden geplaatst (20 tot 50 m) dan momenteel gebruikelijk is;

v) nieuwe substructuurontwerpen, of

vi) processen voor de assemblage, de installatie, het gebruik en de buitengebruikstelling van windturbines en het testen van die processen in projecten op ware grootte;

e) de innovatieve kenmerken van het project en de mate waarin het aantoonbaar zal bijdragen tot de uitvoering van die kenmerken;

f) het effect van het project en de bijdrage ervan tot het communautaire netwerk voor offshore windenergie, met inbegrip van het herhalingspotentieel ervan;

g) de aangetoonde bereidheid van de begunstigden om de resultaten van de door het project geboekte technologische vooruitgang ter beschikking te stellen van andere Europese exploitanten, op een wijze die strookt met het Gemeenschapsrecht en in het bijzonder met de doelstellingen en structuren van het Europees strategisch plan voor energietechnologie.

Artikel 15

Financieringsvoorwaarden

1.  De EEPR-bijstand vormt een bijdrage in de projectgerelateerde uitgaven voor de uitvoering van het project.

2.  De EEPR-bijstand bedraagt ten hoogste 50 % van de subsidiabele kosten.

Artikel 16

Instrumenten

1.  Na de in artikel 12, lid 1, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen selecteert de Commissie, volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde beheersprocedure, de voorstellen die EEPR-bijstand ontvangen en bepaalt zij het bedrag van de toe te kennen financiering. De Commissie preciseert de voorwaarden voor en de wijze van de uitvoering van de voorstellen.

2.  De EEPR-bijstand wordt toegekend op basis van subsidieovereenkomsten.



DEEL 3

Projecten voor koolstofafvang en -opslag

Artikel 17

Toekenning van EEPR-bijstand

1.  De EEPR-bijstand voor projecten voor koolstofafvang en -opslag wordt toegekend aan acties ter uitvoering van de projecten in deel C van de bijlage.

2.  De Commissie roept op tot het indienen van voorstellen om de in lid 1 van dit artikel bedoelde acties aan te duiden en beoordeelt of de voorstellen voldoen aan de in artikel 18 bepaalde subsidiabiliteitscriteria en de in artikel 19 bepaalde selectie- en gunningscriteria.

3.  Als verschillende projectvoorstellen uit dezelfde lidstaat voldoen aan de in de artikel 18 bepaalde subsidiabiliteitscriteria en aan de in artikel 19, lid 1, bepaalde selectiecriteria, selecteert de Commissie op basis van de gunningscriteria van artikel 19, lid 2, niet meer dan één voorstel per lidstaat dat in aanmerking komt voor EEPR-bijstand.

4.  De Commissie stelt de begunstigden in kennis van de toe te kennen EEPR-bijstand.

Artikel 18

Subsidiabiliteit

1.  Voorstellen komen slechts voor EEPR-bijstand in aanmerking indien zij strekken tot uitvoering van in deel C van de bijlage opgenomen projecten en voldoen aan de selectie- en gunningscriteria van artikel 19 en de volgende voorwaarden:

a) de projecten tonen aan dat zij de mogelijkheid bieden om ten minste 80 % van de CO2 af te vangen in industriële installaties en om die CO2 te transporteren en veilig ondergronds in geologische lagen op te slaan;

b) voor elektriciteitsinstallaties wordt de CO2-afvang gedemonstreerd op een installatie met een elektrische productie van ten minste 300 MW of equivalent;

c) de projectontwikkelaars leggen een bindende verklaring af dat zij de generieke kennis die de vrucht is van de demonstratie-installatie ter beschikking stellen van de gehele sector en aan de Commissie om bij te dragen aan het Europees strategisch plan voor energietechnologie.

2.  De voorstellen worden ingediend door één of meer ondernemingen die gezamenlijk optreden.

3.  Door natuurlijke personen ingediende voorstellen komen niet in aanmerking.

Artikel 19

Selectie- en gunningscriteria

1.  Bij de beoordeling van de voorstellen die worden ontvangen in het kader van de in artikel 17, lid 2, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen, hanteert de Commissie de volgende selectiecriteria:

a) de degelijkheid en de technische geschiktheid van de voorgestelde aanpak;

b) de rijpheid, omschreven als het bereiken van de investeringsfase, inclusief het verkennen en ontwikkelen van opslagmogelijkheden en het verrichten van aanzienlijke investeringuitgaven voor het project vóór eind 2010;

c) de degelijkheid van het financiële pakket voor de volledige investeringsfase van het project;

d) de vermelding van alle vergunningen die noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging en de werking van het project op de voorgestelde site(s) en het bestaan van een strategie voor het verkrijgen van die vergunningen.

2.  Bij de beoordeling van de voorstellen die worden ontvangen in het kader van de in artikel 17, lid 2, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen, hanteert de Commissie de volgende gunningscriteria:

a) de mate waarin een gebrek aan toegang tot financiële middelen de uitvoering van de actie vertraagt;

b) de gevraagde financiering per ton CO2-vermindering tijdens de eerste vijf jaar van het project;

c) de complexiteit van het project en het niveau van innovatie van de gehele installatie, inclusief andere begeleidende onderzoeksactiviteiten en de aangetoonde bereidheid van de begunstigden om de resultaten van de door het project geboekte technologische vooruitgang beschikbaar te stellen voor andere Europese exploitanten, op een wijze die strookt met het Gemeenschapsrecht en met name de doelstellingen en structuren van het Europees strategisch plan voor energietechnologie;

d) de degelijkheid en de geschiktheid van het managementplan, met betrekking tot de wetenschappelijke, technologische en technische informatie en gegevens, zodat aangetoond wordt dat er via het voorgestelde concept voor kan worden gezorgd dat het project tegen 31 december 2015 operationeel is.

Artikel 20

Financieringsvoorwaarden

1.  De EEPR-bijstand draagt uitsluitend bij in de projectgerelateerde uitgaven voor de uitvoering van het project die verband houden met koolstofafvang, -transport en -opslag, rekening houdend met de eventuele exploitatiebaten.

2.  De EEPR-bijdrage bedraagt ten hoogste 80 % van de totale subsidiabele investeringskosten.

Artikel 21

Instrumenten

1.  Na de in artikel 17, lid 2, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen selecteert de Commissie, volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde beheersprocedure, de voorstellen die EEPR-bijstand ontvangen en bepaalt zij het bedrag van de te verlenen EEPR-bijstand. De Commissie specificeert de voorwaarden voor en de wijze van de uitvoering van de voorstellen.

2.  De EEPR-bijstand wordt toegekend op basis van subsidieovereenkomsten.

▼M1



HOOFDSTUK II bis

FINANCIËLE REGELING

Artikel 21 bis

Middelen die niet kunnen worden vastgelegd krachtens hoofdstuk II

1.  Middelen voor een bedrag van 146 344 644,50 EUR, die overeenkomstig artikel 3, lid 2, niet onder afzonderlijke juridische verbintenissen krachtens hoofdstuk II kunnen vallen, worden toegewezen aan de regeling als bedoeld in artikel 1, lid 4, teneinde in samenwerking met financiële instellingen passende financieringsinstrumenten te ontwikkelen om een krachtige impuls aan projecten voor energie-efficiëntie en de exploitatie van hernieuwbare energiebronnen te geven.

2.  De regeling wordt uitgevoerd in overeenstemming met bijlage II. Artikel 23, lid 1, is niet van toepassing op de regeling.

3.  De risicopositie die de Unie inneemt met betrekking tot de regeling, waaronder beheerskosten en andere in aanmerking komende kosten, blijft beperkt tot de bijdrage van de Unie aan die regeling als bedoeld in lid 1, en brengt geen andere passiefpost op de algemene begroting van de Unie met zich mee.

▼B



HOOFDSTUK III

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

▼M1 —————

▼B

Artikel 23

Programmerings- en uitvoeringsmodaliteiten

1.  De oproepen tot het indienen van voorstellen worden rechtstreeks door de Commissie uitgebracht op basis van de in artikel 3, lid 1, bedoelde beschikbare begrotingsmiddelen en op basis van de in hoofdstuk II bepaalde subsidiabiliteits-, selectie- en gunningscriteria.

▼M1

2.  De EEPR-bijstand is uitsluitend bestemd voor projectgerelateerde uitgaven die door de begunstigden en, wat betreft projecten uit hoofde van artikel 9, door met de uitvoering belaste derden zijn gedaan. De uitgaven krachtens hoofdstuk II zijn vanaf 13 juli 2009 subsidiabel.

▼M1

2 bis.  De financiële steun krachtens hoofdstuk II bis dekt de uitgaven van de in punt 3 van deel A van bijlage II bedoelde begunstigden in verband met investeringsprojecten en technische bijstand voor projecten op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie. Deze uitgaven zijn vanaf 1 januari 2011 subsidiabel.

▼B

3.  De btw is een niet in aanmerking komende uitgave, met uitzondering van de niet-terugvorderbare btw.

4.  De projecten en acties waarvoor uit hoofde van deze verordening financiering wordt verleend, worden uitgevoerd overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en houden rekening met toepasselijk communautair beleid, met name op de gebieden mededinging (inclusief de voorschriften inzake staatssteun), milieubescherming, gezondheid, duurzame ontwikkeling en gunning van overheidsopdrachten.

Artikel 24

Algemene verantwoordelijkheden van de lidstaten

De lidstaten stellen alles in het werk om binnen hun verantwoordelijkheidsgebied de projecten uit te voeren waarvoor EEPR-bijstand wordt toegekend, met name door middel van doelmatige administratieve vergunnings-, licentie- en certificatieprocedures.

Artikel 25

Bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschap

1.  De Commissie ziet erop toe dat, wanneer uit hoofde van deze verordening gefinancierde acties worden uitgevoerd, de financiële belangen van de Gemeenschap worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere onrechtmatige handelingen, zulks door de uitvoering van doeltreffende controles en de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bedragen en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95, Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 en Verordening (EG) nr. 1073/1999.

2.  Voor de uit hoofde van deze verordening gefinancierde communautaire acties wordt onder „onregelmatigheid” in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 verstaan elke schending van een bepaling van het Gemeenschapsrecht of niet-nakoming van een contractuele verplichting als gevolg van een handelen of nalaten van een marktdeelnemer die door een ongerechtvaardigde uitgave een nadelig effect heeft of zou hebben op de algemene begroting van de Europese Unie of op de door de Europese Unie beheerde begrotingsmiddelen.

3.  Alle uitvoeringsmaatregelen uit hoofde van deze verordening voorzien met name in toezicht en financiële controle door de Commissie of een door haar gemachtigde vertegenwoordiger en in audits van de Europese Rekenkamer, indien nodig ter plaatse.



HOOFDSTUK IV

UITVOERINGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 26

Comités

1.  De Commissie wordt bijgestaan door de volgende comités:

a) voor gas- en elektriciteitsinfrastructuurprojecten, het bij artikel 15 van Verordening (EG) nr. 680/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie ( 1 ) ingestelde comité;

b) voor offshore windenergieprojecten, het bij artikel 8 van Beschikking 2006/971/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma Samenwerking tot uitvoering van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) ( 2 ) ingestelde comité;

c) voor projecten voor koolstofafvang en -opslag, het bij artikel 8 van Beschikking 2006/971/EG ingestelde comité;

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op één maand.

Artikel 27

Evaluatie

▼M2 —————

▼M1

1 bis.  Uiterlijk op 30 juni 2013 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een tussentijds evaluatieverslag voor over de krachtens hoofdstuk II bis genomen maatregelen, met name wat betreft:

a) de kosteneffectiviteit, het hefboomeffect en de additionaliteit van de regeling;

b) bewijs van goed financieel beheer;

c) de mate waarin met deze regeling de doelstellingen van deze verordening zijn verwezenlijkt;

d) de mate waarin voortzetting van de steun in het kader van de regeling nodig is voor projecten op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen.

Het tussentijds evaluatieverslag gaat zo nodig, met name indien de beoordeling door de Commissie van de krachtens hoofdstuk II bis genomen maatregelen positief is, vergezeld van een wetgevingsvoorstel inzake voortzetting van de regeling.

▼B

2.  De Commissie kan een begunstigde lidstaat verzoeken een specifieke evaluatie van de uit hoofde van hoofdstuk II, deel 1, van deze verordening gefinancierde projecten in te dienen of desgevallend de voor de evaluatie van deze projecten vereiste informatie en assistentie te verstrekken.

▼M2 —————

▼B

Artikel 29

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




►M1  BIJLAGE I ◄

SUBSIDIABELE PROJECTEN

A.    Gas- en elektriciteitinfrastructuurprojecten



1.  Gasinterconnectie

Project

Locatie van de gesteunde projecten

Beoogde bijdrage van de Gemeenschap

(miljoen EUR)

Zuidelijke gascorridor

NABUCCO

Oostenrijk, Hongarije, Bulgarije, Duitsland, Roemenië

200

ITGI — Poseidon

Italië, Griekenland

100

Interconnectie van de Baltische landen

Skanled/Baltic Pipe

Polen, Denemarken, Zweden

150

LNG-netwerk

Terminal voor vloeibaar aardgas aan de Poolse kust (haven van Świnoujście)

Polen

80

Centraal- en Zuid-Oost-Europa

Interconnectie Slowakije-Hongarije (Veľký Krtíš — Vecsés)

Slowakije, Hongarije

30

Gastransmissiesysteem in Slovenië tussen de Oostenrijkse grens en Ljubljana (uitgezonderd het stuk Rogatec-Kidričevo)

Slovenië

40

Interconnectie Bulgarije-Griekenland (Stara Zagora — Dimitrovgrad-Komotini)

Bulgarije, Griekenland

45

Gasinterconnectie Roemenië-Hongarije

Roemenië, Hongarije

30

Uitbreiding van de gasopslagcapaciteit in Tsjechië

Tsjechië

35

Infrastructuur en uitrusting om het mogelijk te maken het gas in de omgekeerde richting te sturen in het geval van een korte onderbreking van de aanvoer

Oostenrijk, Bulgarije, Tsjechië, Estland, Griekenland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Portugal, Roemenië, Slowakije

80

Interconnectie Slowakije-Polen

Slowakije, Polen

20

Interconnectie Hongarije-Kroatië

Hongarije

20

Interconnectie Bulgarije-Roemenië

Bulgarije, Roemenië

10

Middellandse Zeegebied

Versterking van het Franse gasnetwerk op de as Afrika-Spanje-Frankrijk

Frankrijk

200

GALSI (gaspijpleiding Algerije-Italië)

Italië

120

Gasinterconnectie westelijke as Larrau-tak

Spanje

45

Noordzeegebied

Pijpleiding Duitsland-België-Verenigd Koninkrijk

België

35

Connectie Frankrijk-België

Frankrijk, België

200

TOTAAL

 

1 440



2.  Elektriciteitsinterconnectie

Project

Locatie van de gesteunde projecten

Beoogde bijdrage van de Gemeenschap

(miljoen EUR)

Interconnectie van de Baltische landen

Estlink-2

Estland, Finland

100

Interconnectie Zweden-Baltische staten en versterking van het net in de Baltische staten

Zweden, Letland, Litouwen

175

Centraal- en Zuid-Oost-Europa

Halle/Saale — Schweinfurt

Duitsland

100

Wien — Győr

Oostenrijk, Hongarije

20

Middellandse Zeegebied

Versterking van de interconnectie Portugal-Spanje

Portugal

50

Interconnectie Frankrijk-Spanje (Baixas — Sta Llogaia)

Frankrijk, Spanje

225

Nieuwe 380 kV AC onderzeese kabel tussen Sicilië en het Italiaanse vasteland (Sorgente — Rizziconi)

Italië

110

Noordzeegebied

500 MW interconnectie Ierland/Wales (Meath-Deeside)

Ierland, Verenigd Koninkrijk

110

Elektriciteitsinterconnectie Malta-Italië

Malta/Italië

20

TOTAAL

 

910



3.  Projecten voor kleine eilanden

Initiatieven voor kleine, geïsoleerde eilanden

Cyprus

10

Malta

5

TOTAAL

 

15

B.    Offshore windenergieprojecten



Project

Capaciteit

Locatie van de gesteunde projecten

Vestigingsplaats Gemeenschap Bijdrage

(miljoen EUR)

1.  Koppeling van offshore windenergie aan het net

1.1.  Baltic — Kriegers Flak I, II, III

Voortzetten van projecten in ontwikkeling. Financiering van de extra kosten voor een gemeenschappelijke interconnectieoplossing.

1,5 GW

Denemarken, Zweden, Duitsland, Polen

150

1.2.  Noordzeenet

Modulaire ontwikkeling van het offshorenet, demonstratie van virtuele offshore-elektriciteitscentrale en integratie in het bestaande netwerk aan land

1 GW

Verenigd Koninkrijk, Nederland, Duitsland, Ierland, Denemarken, België, Frankrijk, Luxemburg

165

2.  Nieuwe turbines, structuren en componenten, optimalisering van de productiecapaciteit

2.1.  Borkum West II — Bard 1 — Nordsee Ost — Global tech 1

Nieuwe generatie multi-MW-turbines (5-7 MW) en innovatieve structuren, in diepere wateren (tot 40 m), ver van de kust (tot 100 km).

1,6 GW

Duitsland

200

2.2.  Offshorewindmolenpark Aberdeen (Europees testcentrum)

Voortzetten van projecten in ontwikkeling. Testen van multi-MW-turbines. Ontwikkeling van innovatieve structuren en substructuren, inclusief optimalisering van de productiecapaciteit van installaties voor offshore windenergieproductie. Een toename met 100 MW kan worden beoogd.

0,25 GW

Verenigd Koninkrijk

40

2.3.  Thornton Bank

Voortzetten van projecten in ontwikkeling. Lessen trekken uit het Downvind-project (gecofinancierd via KP6). Uitbreiding van de turbines van de Downvind-installaties (5 MW) in diepe wateren (tot 30 m) met lage visuele impact (tot 30 km).

90 MW

België

10

TOTAAL

 

 

565

C.    Projecten voor afvang en opslag van kooldioxide



Naam en locatie van het project

Beoogde bijdrage van de Gemeenschap

(miljoen EUR)

Brandstof

Capaciteit

Afvang-techniek

Opslagconcept

Huerth

Duitsland

180

Kool

450 MW

IGCC

Zoutwatervoerende lagen

Jaenschwalde

 

 

Kool

500 MW

Oxyfuel

Olie-/gasvelden

Eemshaven

Nederland

180

Kool

1 200 MW

IGCC

Olie-/gasvelden

Rotterdam

Kool

1 080 MW

PC

Olie-/gasvelden

Rotterdam

Kool

800 MW

PC

Olie-/gasvelden

Belchatów

Polen

180

Kool

858 MW

PC

Zoutwatervoerende lagen

Compostella

(León)

Spanje

180

Kool

500 MW

Oxyfuel

Zoutwatervoerende lagen

Kingsnorth

Verenigd Koninkrijk

180

Kool

800 MW

PC

Olie-/gasvelden

Longannet

Kool

3 390 MW

PC

Zoutwatervoerende lagen

Tilbury

Kool

1 600 MW

PC

Olie-/gasvelden

Hatfield

(Yorkshire)

Kool

900 MW

IGCC

Olie-/gasvelden

Porto Tolle

Italië

100

Kool

660 MW

PC

 

Project inzake industriële afvang van kooldioxide

Florange

Frankrijk

50

Vervoer van CO2 van industriële installatie (staalfabriek) naar ondergrondse opslaginstallatie (zoutwatervoerende lagen)

TOTAAL

1 050

▼M1




BIJLAGE II

FINANCIERINGSREGELING

A.    Uitvoering van de financieringsregeling voor projecten op het gebied van duurzame energie

1.    Toepassingsgebied van de regeling

De financieringsregeling (hierna „regeling” genoemd) wordt gebruikt voor de ontwikkeling van projecten op het gebied van energiebesparing, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie en ter bevordering van de financiering van investeringen op dat gebied door lokale, regionale en, in naar behoren gemotiveerde gevallen, nationale autoriteiten. De regeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de bij het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften ervan vastgestelde bepalingen inzake het delegeren van taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting.

De regeling wordt gebruikt ter ondersteuning van projecten op het gebied van duurzame energie, met name in stedelijke omgevingen. Daaronder vallen met name projecten betreffende:

a) openbare en particuliere gebouwen die oplossingen op het gebied van energie-efficiëntie en/of hernieuwbare energie behelzen, inclusief oplossingen die op het gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT) zijn gebaseerd;

b) investeringen voor warmtekrachtkoppeling (WKK), inclusief microwarmtekrachtkoppeling, en netwerken voor stadsverwarming/-koeling, met name op basis van hernieuwbare energiebronnen, met een hoge energie-efficiëntie;

c) gedecentraliseerde en lokaal geïntegreerde hernieuwbare energiebronnen en de integratie hiervan in de elektriciteitsnetten;

d) micro-opwekking uit hernieuwbare energiebronnen;

e) schoon stadsvervoer ter ondersteuning van een verhoogde energie-efficiëntie en de integratie van hernieuwbare energiebronnen, met de nadruk op openbaar vervoer, elektrische en waterstofvoertuigen en verminderde broeikasgasemissies;

f) lokale infrastructuur, met inbegrip van efficiënte buitenverlichting van openbare infrastructuur zoals straatverlichting, oplossingen voor elektriciteitsopslag, slimme meters en intelligente netwerken, die ten volle gebruikmaken van ICT;

g) technologieën op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie met innovatie- en economisch potentieel waarbij gebruik wordt gemaakt van de beste procedures die beschikbaar zijn.

De regeling mag ook worden gebruikt om stimulansen en technische bijstand te bieden en om de kennis van lokale, regionale en nationale autoriteiten te verhogen zodat er optimaal kan worden gebruikgemaakt van de structuur- en cohesiefondsen, met name wanneer het gaat om verbeteringen op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie in huizen en andere soorten gebouwen. De regeling dient ter ondersteuning van investeringsprojecten die economisch en financieel leefbaar zijn, om de in het kader van de regeling toegekende investeringen te restitueren en publieke en particuliere investeringen aan te trekken. Zo kan de regeling onder meer de verstrekking en toewijzing van kapitaal voor leningen, garanties, equity en andere financiële producten omvatten. Voorts mag maximaal 15 % van de in artikel 21 bis bedoelde middelen worden gebruikt voor technische bijstand aan lokale, regionale of nationale autoriteiten in verband met het opzetten van projecten op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie en de introductiefase van de technologie op deze terreinen.

2.    Synergieën

Bij de verstrekking van financiële of technische bijstand moet ook aandacht worden geschonken aan synergie met andere financiële middelen die in de lidstaten beschikbaar zijn, bijvoorbeeld de structuurfondsen, het Cohesiefonds en de ELENA-faciliteit, om overlapping met andere financiële instrumenten te voorkomen.

3.    Begunstigden

De begunstigden van de regeling zijn de autoriteiten, bij voorkeur op lokaal en regionaal niveau, en publieke of private organisaties die optreden namens die autoriteiten.

B.    Samenwerking met financiële tusseninstanties

1.    Selectie en algemene vereisten, waaronder de kosten

De regeling wordt opgezet in samenwerking met een of meer financiële tusseninstanties en staat open voor deelname van geschikte investeerders. De financiële tusseninstanties worden geselecteerd op basis van hun gebleken bekwaamheid om de middelen zo efficiënt en doeltreffend mogelijk te gebruiken overeenkomstig de in deze bijlage vastgestelde regels en criteria.

De Commissie zorgt ervoor dat de totale overheadkosten die aan de invoering en de tenuitvoerlegging van de regeling zijn verbonden, inclusief de beheerskosten en andere in aanmerking komende kosten die door de financiële tusseninstanties worden gefactureerd, overeenkomstig de beste praktijken voor dergelijke instrumenten en met waarborging van de vereiste kwaliteit van de regeling zo beperkt mogelijk blijven.

De bijdrage van de Unie aan de regeling wordt uitgevoerd door de Commissie overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 53 en 54 van het Financieel Reglement.

De financiële tusseninstanties voldoen aan de toepasselijke, in het Financieel Reglement en zijn uitvoeringsregels vastgelegde vereisten inzake het delegeren van taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting, met name wat betreft de regels voor het plaatsen van opdrachten, interne controle, boekhouding en externe controle. Deze financiële tusseninstanties ontvangen uitsluitend middelen ter dekking van de beheerskosten en van de kosten die zijn verbonden aan de invoering en de tenuitvoerlegging van de regeling.

De voorwaarden van de invoering en de raamvoorwaarden van de regeling, met inbegrip van toezicht en controle, worden in detail vastgelegd in een of meer overeenkomsten tussen de Commissie en de financiële tusseninstanties.

2.    Beschikbaarheid van de informatie

In het kader van de regeling wordt online alle informatie over het programmabeheer beschikbaar gesteld die voor de betrokken partijen relevant is. Dit omvat met name aanvraagprocedures, informatie over beste praktijken en een overzicht van projecten en verslagen.

C.    Financieringsvoorwaarden en subsidiabiliteits- en selectiecriteria

1.    Toepassingsgebied van de financiering

Overeenkomstig deze bijlage blijft de regeling beperkt tot de financiering van:

a) investeringsprojecten met een snelle, meetbare en substantiële impact op het economische herstel in de Unie, een grotere energiezekerheid, de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen; en

b) technische bijstand voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie.

2.    Factoren waarmee rekening moet worden gehouden

Bij de selectie van de projecten moet speciaal aandacht worden besteed aan het geografische evenwicht.

Om aanzienlijke investeringen in de Unie te genereren, zal bij de financiering van investeringsprojecten de nodige aandacht uitgaan naar het bereiken van een groot hefboomeffect tussen de totale investering en de financiering van de Unie; het hefboomeffect voor individuele investeringsprojecten kan echter variëren, afhankelijk van een aantal factoren zoals de feitelijke omvang van het project en het soort project en van plaatselijke omstandigheden, waaronder de omvang en de financiële mogelijkheden van de begunstigde.

3.    Voorwaarden waaronder autoriteiten toegang kunnen krijgen tot financiering in het kader van de regeling

De autoriteiten die verzoeken om financiering voor investeringsprojecten of technische bijstand voor projecten op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) zij zijn een politieke verbintenis aangegaan, of zijn deze aan het aangaan, om de klimaatverandering te beperken en hebben daarbij eventueel concrete doelstellingen vooropgesteld, bijvoorbeeld met betrekking tot een hogere energie-efficiëntie en/of het gebruik van energie op basis van hernieuwbare bronnen;

b) zij werken aan het ontwikkelen van meerjarige strategieën om de klimaatverandering te beperken en, zo nodig, hun doelstellingen te verwezenlijken, of zij nemen deel aan een meerjarige strategie op lokaal, regionaal of nationaal niveau om de klimaatverandering te beperken;

c) zij aanvaarden de publieke verantwoordelijkheid voor de voortgang van hun totaalstrategie.

4.    Subsidiabiliteits- en selectiecriteria voor in het kader van de regeling gefinancierde investeringsprojecten

Voor in het kader van de regeling gefinancierde investeringsprojecten gelden de volgende subsidiabiliteits- en selectiecriteria:

a) de degelijkheid en de technische geschiktheid van de voorgestelde aanpak;

b) de degelijkheid en kosteneffectiviteit van de financiering voor de volledige investeringsfase van de actie;

c) het geografische evenwicht tussen alle projecten die onder deze verordening vallen;

d) de rijpheid, omschreven als het bereiken van de investeringsfase, en het zo snel mogelijk verrichten van aanzienlijke kapitaaluitgaven;

e) de mate waarin een gebrek aan toegang tot financiële middelen de uitvoering van de actie vertraagt;

f) de mate waarin de middelen uit hoofde van de regeling openbare en particuliere financiering zullen stimuleren;

g) gekwantificeerde sociaaleconomische effecten;

h) gekwantificeerde milieueffecten.

5.    Subsidiabiliteits- en selectiecriteria voor in het kader van de regeling gefinancierde projecten op het gebied van technische bijstand.

Voor in het kader van de regeling gefinancierde projecten op het gebied van technische bijstand gelden de subsidiabiliteits- en selectiecriteria als bedoeld in punt 4, onder a), c), e), f) en g).

▼B




VERKLARING VAN DE COMMISSIE

De Commissie benadrukt dat energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen zowel om ecologische redenen als om redenen van voorzieningszekerheid hoofdprioriteiten van het EU-energiebeleid zijn. De verordening zal tot deze prioriteiten bijdragen door te voorzien in aanzienlijke steun voor offshore-windenergieprojecten.

De Commissie memoreert in dit verband de diverse andere nieuwe initiatieven ter ondersteuning van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen, die zij met name heeft voorgesteld in haar Europees herstelplan waaraan de Europese Raad van december 2008 zijn goedkeuring heeft gehecht. Het gaat daarbij onder meer om:

Een wijziging van de EFRO-verordening om investeringen tot 8 miljard EUR in energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen in woningen mogelijk te maken in alle lidstaten.

Een publiek-privaat partnerschap inzake een „Europees initiatief voor energie-efficiënte gebouwen”, ter bevordering van groene technologieën en van de ontwikkeling van energie-efficiënte systemen en materialen in nieuwe en gerenoveerde gebouwen. De begrotingsmiddelen voor deze actie worden op 1 miljard EUR geraamd: 500 miljoen EUR uit de bestaande begroting voor het zevende EG-kaderprogramma voor de periode 2007-2013, en 500 miljoen euro van het bedrijfsleven.

Het EG-EIB-initiatief „EU-initiatief voor de financiering van duurzame energie”, dat investeringen voor projecten op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen in stedelijke milieus mogelijk moet maken. De Commissie financiert een faciliteit voor technische bijstand uit het programma Intelligente energie voor Europa (toewijzing van 15 miljoen EUR voor 2009). Deze door de EIB beheerde faciliteit zal de toegang tot EIB-leningen met een aanzienlijk hefboomeffect vergemakkelijken.

De oprichting door institutionele beleggers uit de EU - onder leiding van de EIB - van een marktgeoriënteerd beleggingsfonds „Marguerite”: het Europees Fonds 2020 voor energie, klimaatverandering en infrastructuur. Dit fonds investeert op de gebieden energie en klimaatverandering (TEN-E, duurzame energieproductie, hernieuwbare energie, nieuwe technologieën, energie-efficiëntie, voorzieningszekerheid en milieu-infrastructuur). De Commissie steunt dit initiatief.

Voorts zal de Commissie voor eind november 2009 de herziening van het actieplan inzake energie-efficiëntie presenteren, zoals gevraagd door de Raad (conclusies van de Europese Raad van maart 2009) en het Europees Parlement (EP-Resolutie P6_TA(2009)0064).

Deskundigen zijn het erover eens dat energie-efficiëntie de goedkoopste beschikbare optie is om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. De Commissie zal tegen november 2009 een gedetailleerde analyse voorleggen van de elementen die meer investeringen in energie-efficiëntie in de weg staan. Zij zal daarin met name nagaan of er behoefte is aan meer financiële stimulansen in de vorm van leningen met een lage rentevoet en/of subsidies en hoe de Europese begroting daartoe kan worden gebruikt, en zij zal, indien nodig, onder meer voorzien in extra middelen voor de financiering van energie-efficiëntie in het nieuwe EU-instrument voor energiezekerheid en -infrastructuur dat in 2010 zal worden voorgelegd.

Bij de herziening van het actieplan inzake energie-efficiëntie zal de Commissie bijzondere aandacht besteden aan de nabuurschapsdimensie van energie-efficiëntie. Zij zal nagaan hoe zij met stimulansen op financieel en regelgevend gebied buurlanden ertoe kan aanzetten hun investeringen in energie-efficiëntie op te voeren.

Indien de Commissie, bij de rapportage over de uitvoering van de verordening in 2010 conform artikel 28 daarvan, constateert dat een deel van de middelen voor de in de bijlage bij de verordening vermelde projecten niet tegen eind 2010 zal kunnen worden vastgelegd, dan stelt zij in voorkomend geval een geografisch evenwichtige wijziging van de verordening voor, zodat naast de bovengenoemde initiatieven ook projecten op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen kunnen worden gefinancierd, mede aan de hand van soortgelijke subsidiabiliteitscriteria als die voor de projecten welke staan vermeld in de bijlage bij deze verordening.

Verklaring van Portugal

Portugal stemt voor, evenwel met dien verstande dat in het kader van een evaluatie van het programma uit hoofde van artikel 28 overwogen moet worden projecten voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie en met name projecten voor micro-opwekking en voor intelligente netwerken en meters, op te nemen, om de in artikel 4, onder a) en onder b), van de verordening genoemde doelstellingen te helpen verwezenlijken.



( 1 ) PB L 162 van 22.6.2007, blz. 1.

( 2 ) PB L 400 van 30.12.2006, blz. 86.

Top