Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02001R0539-20170611

Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2001/539/2017-06-11

02001R0539 — NL — 11.06.2017 — 013.002


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EG) Nr. 539/2001 VAN DE RAAD

van 15 maart 2001

tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

(PB L 081 van 21.3.2001, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EG) Nr. 2414/2001 VAN DE RAAD van 7 december 2001

  L 327

1

12.12.2001

►M2

VERORDENING (EG) Nr. 453/2003 VAN DE RAAD van 6 maart 2003

  L 69

10

13.3.2003

 M3

VERORDENING (EG) Nr. 851/2005 VAN DE RAAD van 2 juni 2005

  L 141

3

4.6.2005

►M4

VERORDENING (EG) Nr. 1791/2006 VAN DE RAAD van 20 november 2006

  L 363

1

20.12.2006

►M5

VERORDENING (EG) Nr. 1932/2006 VAN DE RAAD van 21 december 2006

  L 405

22

30.12.2006

►M6

VERORDENING (EG) Nr. 1244/2009 VAN DE RAAD van 30 november 2009

  L 336

1

18.12.2009

►M7

VERORDENING (EU) Nr. 1091/2010 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 24 november 2010

  L 329

1

14.12.2010

►M8

VERORDENING (EU) Nr. 1211/2010 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 december 2010

  L 339

6

22.12.2010

►M9

VERORDENING (EU) Nr. 517/2013 VAN DE RAAD van 13 mei 2013

  L 158

1

10.6.2013

►M10

VERORDENING (EU) Nr. 610/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN VAN DE RAAD van 26 juni 2013

  L 182

1

29.6.2013

►M11

VERORDENING (EU) Nr. 1289/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 december 2013

  L 347

74

20.12.2013

►M12

VERORDENING (EU) Nr. 259/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 3 april 2014

  L 105

9

8.4.2014

►M13

VERORDENING (EU) Nr. 509/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 mei 2014

  L 149

67

20.5.2014

►M14

VERORDENING (EU) 2017/371 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 1 maart 2017

  L 61

1

8.3.2017

►M15

VERORDENING (EU) 2017/372 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 1 maart 2017

  L 61

7

8.3.2017

►M16

VERORDENING (EU) 2017/850 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 17 mei 2017

  L 133

1

22.5.2017


Gewijzigd bij:

►A1

AKTE betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond

  L 236

33

23.9.2003


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 029, 3.2.2007, blz.  10 (1932/2006)

►C2

Rectificatie, PB L 258, 15.10.2018, blz.  7 (nr. 539/2001)

►C3

Rectificatie, PB L 258, 15.10.2018, blz.  8 (nr. 1211/2010)




▼B

VERORDENING (EG) Nr. 539/2001 VAN DE RAAD

van 15 maart 2001

tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld



▼M13

Artikel –1

Deze verordening beoogt de vaststelling van de derde landen waarvan de onderdanen onderworpen zijn aan, of vrijgesteld zijn van, de visumplicht, op basis van een toetsing van geval tot geval aan een aantal criteria die onder meer verband houden met illegale immigratie, openbare orde en veiligheid, economische voordelen, in het bijzonder op het gebied van toerisme en buitenlandse handel, en de externe betrekkingen van de Europese Unie met de betrokken derde landen, waarbij in het bijzonder gekeken wordt naar mensenrechten en fundamentele vrijheden alsmede naar de implicaties voor de regionale samenhang en de wederkerigheid.

▼B

Artikel 1

1.  De onderdanen van de in de lijst van bijlage I opgenomen derde landen dienen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit van een visum te zijn.

▼C1

Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de op 20 april 1959 te Straatsburg ondertekende Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen, dienen personen met een vluchtelingenstatus en staatlozen bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit te zijn van een visum indien het derde land waar zij verblijven en dat hun reisdocumenten heeft afgegeven, voorkomt op de lijst van bijlage I bij deze verordening.

▼B

►M10

 

De onderdanen van de in de lijst van bijlage II opgenomen derde landen zijn van de in lid 1 bedoelde visumplicht vrijgesteld voor een verblijf van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.

 ◄

▼M5

Ook de volgende personen zijn vrijgesteld van de visumplicht:

 de onderdanen van een in bijlage I bij deze verordening opgenomen derde land die in het bezit zijn van een vergunning voor klein grensverkeer die is afgegeven door de lidstaten op grond van Verordening (EG) nr. 1931/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van regels inzake klein grensverkeer aan de landbuitengrenzen van de lidstaten en tot wijziging van de bepalingen van de Schengenuitvoeringsovereenkomst ( 1 ) wanneer deze houders hun recht uitoefenen in het kader van de regeling klein grensverkeer;

 scholieren die onderdaan zijn van een in bijlage I opgenomen derde land en verblijven in een lidstaat die Besluit 94/795/JBZ van de Raad van 30 november 1994 inzake een gemeenschappelijk optreden, door de Raad aangenomen op basis van artikel K.3, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter vereenvoudiging van het reizen voor scholieren uit derde landen die in een lidstaat verblijven ( 2 ) toepast, wanneer zij in het kader van een door een leerkracht van de instelling begeleide groep scholieren deelnemen aan een georganiseerde reis;

 personen met een vluchtelingenstatus, staatlozen en andere personen zonder nationaliteit die in een lidstaat verblijven en in het bezit zijn van een reisdocument dat is afgegeven door die lidstaat.

▼B

3.  De onderdanen van nieuwe derde landen welke zijn ontstaan uit landen die zijn opgenomen in de lijsten van de bijlagen I en II, zijn respectievelijk onderworpen aan de bepalingen van de leden 1 en 2 totdat de Raad volgens de procedure van de toepasselijke bepaling van het Verdrag anders besluit.

▼M11

4.  De toepassing van de visumplicht door een in de lijst van bijlage II opgenomen derde land ten aanzien van onderdanen van ten minste één lidstaat leidt tot toepassing van de volgende bepalingen:

a) binnen 30 dagen na de datum met ingang waarvan de visumplicht ten uitvoer wordt gelegd door het derde land of, bij handhaving van de visumplicht die bestaat op 9 januari 2014, binnen 30 dagen na deze datum, stelt de betrokken lidstaat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan schriftelijk in kennis.

Deze kennisgeving:

i) bevat de datum met ingang waarvan de visumplicht ten uitvoer wordt gelegd en specificeert de betrokken soorten reisdocumenten en visa;

ii) bevat een uitvoerige beschrijving van de eerste maatregelen die de betrokken lidstaat reeds heeft genomen met het oog op het verzekeren van visumvrij reizen met het betrokken derde land, en alle relevante informatie.

Informatie over deze kennisgeving wordt onverwijld door de Commissie bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en bevat informatie over de datum met ingang waarvan de visumplicht ten uitvoer wordt gelegd en de betrokken soorten reisdocumenten en visa.

Indien het derde land besluit de visumplicht op te heffen voordat de in de eerste alinea van dit punt bedoelde termijn is verstreken, gebeurt de kennisgeving niet of wordt zij ingetrokken en wordt de informatie niet bekendgemaakt;

b) de Commissie onderneemt, onmiddellijk na de onder a), derde alinea, bedoelde datum van bekendmaking en in overleg met de betrokken lidstaat, stappen bij de autoriteiten van het betrokken derde land, met name op politiek, economisch en handelsgebied, met het oog op de herinvoering of invoering van het visumvrij reizen, en brengt het Europees Parlement en de Raad onverwijld van die stappen op de hoogte;

c) indien het derde land de visumplicht niet heeft opgeheven binnen 90 dagen na de onder a), derde alinea, bedoelde datum van bekendmaking niettegenstaande alle stappen die overeenkomstig punt b) zijn gezet, kan de betrokken lidstaat de Commissie verzoeken de vrijstelling van de visumplicht voor bepaalde categorieën onderdanen van dat betrokken derde land op te schorten. Indien een lidstaat daarom verzoekt, stelt hij het Europees Parlement en de Raad hiervan in kennis;

d) de Commissie houdt, bij de afweging van verdere stappen overeenkomstig punt e), f) of h), rekening met het resultaat van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen met het oog op het verzekeren van visumvrij reizen met het betrokken derde land, met de stappen die overeenkomstig punt b) zijn ondernomen alsook met de gevolgen van de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten met het betrokken derde land;

e) indien het betrokken derde land de visumplicht niet opheft, doet de Commissie, uiterlijk zes maanden na de onder a), derde alinea, bedoelde datum van bekendmaking en vervolgens met tussenpozen van ten hoogste zes maanden binnen een totale periode die de datum niet mag overschrijden waarop de onder f) bedoelde gedelegeerde handeling van kracht wordt of waarop er bezwaar tegen is aangetekend, het volgende:

i) zij stelt op verzoek van de betrokken lidstaat dan wel op eigen initiatief een uitvoeringshandeling vast waarbij voor bepaalde categorieën onderdanen van het betrokken derde land de vrijstelling van de visumplicht tijdelijk wordt opgeschort voor een periode van hoogstens zes maanden. In die uitvoeringshandeling wordt een datum binnen 90 dagen na de inwerkingtreding ervan vastgesteld waarop de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht ingaat, rekening houdend met de beschikbare middelen in de consulaten van de lidstaten. Bij de vaststelling van volgende uitvoeringshandelingen kan de Commissie de periode van opschorting verlengen met termijnen van hoogstens zes maanden en kan zij de categorieën onderdanen van het betrokken derde land waarvoor de vrijstelling van de visumplicht wordt opgeschort, wijzigen.

Die uitvoeringshandelingen worden in overeenstemming met de in artikel 4 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Onverminderd artikel 4, moeten alle in de uitvoeringshandelingen bedoelde categorieën onderdanen van het derde land tijdens de periode van opschorting in het bezit zijn van een visum bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten; of

ii) zij dient een verslag in bij het in artikel 4 bis, lid 1, bedoelde comité met een beoordeling van de situatie en een motivering van haar besluit om de vrijstelling van de visumplicht niet op te schorten; zij stelt het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis.

In dat verslag wordt rekening gehouden met alle relevante gegevens, zoals de onder d) bedoelde gegevens. Het Europees Parlement en de Raad kunnen op basis van dat verslag een politiek debat voeren;

f) indien het betrokken derde land de visumplicht niet heeft opgeheven binnen 24 maanden na de onder a), derde alinea, bedoelde datum van bekendmaking, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 4 ter een gedelegeerde handeling vast, waarbij de toepassing van bijlage II voor een periode van twaalf maanden tijdelijk wordt opgeschort voor de onderdanen van dat derde land. In de gedelegeerde handeling wordt een datum binnen 90 dagen na de inwerkingtreding ervan vastgesteld waarop de opschorting van de toepassing van bijlage II ingaat, rekening houdend met de beschikbare middelen in de consulaten van de lidstaten; de gedelegeerde handeling wijzigt bijlage II dienovereenkomstig. Deze wijziging zal geschieden door het invoegen naast de naam van het betrokken derde land van een voetnoot waarin staat dat de vrijstelling van de visumplicht wordt opgeschort met betrekking tot dat derde land en waarin de termijn van die opschorting wordt vermeld.

Vanaf de datum waarop de opschorting van de toepassing van bijlage II voor de onderdanen van het betrokken derde land van kracht wordt of waarop overeenkomstig artikel 4 ter, lid 5, bezwaar tegen de gedelegeerde handeling is aangetekend, verstrijkt een krachtens punt e) vastgestelde uitvoeringshandeling met betrekking tot dat derde land.

Wanneer de Commissie een wetgevingsvoorstel als bedoeld onder h) indient, wordt de in de eerste alinea van dit punt bedoelde periode van opschorting met zes maanden verlengd. De in die alinea bedoelde voetnoot wordt dienovereenkomstig gewijzigd.

Onverminderd de toepassing van artikel 4 moeten de onderdanen van het derde land waarop de gedelegeerde handeling van toepassing is tijdens de periodes van opschorting in het bezit zijn van een visum bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten;

g) een volgende kennisgeving door een andere lidstaat krachtens punt a) betreffende hetzelfde derde land tijdens de toepassingstermijn van de krachtens punt e) of f) aangenomen maatregelen ten aanzien van dat derde land, wordt opgenomen in de lopende procedures zonder dat de in die punten bedoelde uiterste data of periodes worden verlengd;

h) indien het betrokken derde land de visumplicht niet heeft opgeheven binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de onder f) bedoelde gedelegeerde handeling, kan de Commissie een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening indienen om de verwijzing naar het derde land van bijlage II naar bijlage I over te hevelen;

i) de onder e), f) en h) bedoelde procedures laten het recht van de Commissie onverlet om te allen tijde een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening in te dienen teneinde de verwijzing naar het betrokken derde land van bijlage II naar bijlage I over te hevelen;

j) indien het betrokken derde land de visumplicht opheft, stelt de betrokken lidstaat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis. De kennisgeving wordt onverwijld door de Commissie bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Een overeenkomstig punt e) of f) vastgestelde uitvoeringshandeling of gedelegeerde handeling betreffende het betrokken derde land verstrijkt zeven dagen na de bekendmaking bedoeld in de eerste alinea van dit punt. Indien het betrokken derde land een visumplicht voor onderdanen van twee of meer lidstaten heeft ingevoerd, verstrijkt de uitvoerings- of gedelegeerde handeling betreffende het betrokken derde land zeven dagen na de bekendmaking van de kennisgeving ten aanzien van de laatste betrokken lidstaat van wie de onderdanen waren onderworpen aan de visumplicht vanuit dat derde land. De onder f), eerste alinea, bedoelde voetnoot wordt geschrapt bij het verstrijken van de betrokken gedelegeerde handeling. De informatie over het verstrijken wordt onverwijld door de Commissie bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Indien het betrokken derde land de visumplicht opheft zonder dat de betrokken lidstaat de Commissie daar kennis van geeft overeenkomstig de eerste alinea van dit punt, gaat de Commissie op eigen initiatief onverwijld over tot de in die alinea bedoelde bekendmaking en wordt de tweede alinea van dit punt van toepassing.

▼M11 —————

▼M14

Artikel 1 bis

1.  In afwijking van artikel 1, lid 2, wordt de vrijstelling van de visumplicht voor onderdanen van een in bijlage II opgenomen derde land tijdelijk geschorst, op basis van relevante en objectieve gegevens, overeenkomstig dit artikel.

2.  Een lidstaat die over een periode van twee maanden, in vergelijking met dezelfde periode van het voorgaande jaar of met de laatste twee maanden vóór het ingaan van de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van een in bijlage II opgenomen derde land, wordt geconfronteerd met een of meer van de volgende omstandigheden, kan hiervan aan de Commissie kennis geven:

a) een wezenlijke toename van het aantal onderdanen van dat derde land aan wie de toegang wordt geweigerd of van wie wordt vastgesteld dat zij op het grondgebied van de lidstaat verblijven zonder dat zij daartoe gerechtigd zijn;

b) een wezenlijke toename van het aantal asielaanvragen door onderdanen van dat derde land waarvoor het aantal ingewilligde aanvragen laag is;

c) een met adequate gegevens onderbouwde vermindering van de samenwerking inzake overname met dat derde land, in het bijzonder een wezenlijke toename van het percentage afgewezen overnameverzoeken die de lidstaat bij dat derde land had gedaan voor zijn eigen onderdanen of voor onderdanen van derde landen die door dat derde land zijn gereisd, wanneer een tussen de Unie of die lidstaat en dat derde land gesloten overnameovereenkomst daarin voorziet;

d) een toegenomen risico voor of een onmiddellijke bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van de lidstaten, met name een wezenlijke toename van ernstige strafbare feiten, verband houdend met onderdanen van dat derde land en gestaafd door objectieve, concrete en relevante informatie en gegevens van bevoegde autoriteiten.

De in de eerste alinea bedoelde kennisgeving is met redenen omkleed en bevat alle relevante gegevens en statistieken, alsmede een uitvoerige beschrijving van de eerste maatregelen die de betrokken lidstaat reeds heeft getroffen teneinde verbetering te brengen in de situatie. De betrokken lidstaat kan in zijn kennisgeving nader bepalen op welke categorieën onderdanen van het betrokken derde land een uitvoeringshandeling uit hoofde van lid 4, onder a), van toepassing dient te zijn, met opgave van de gedetailleerde redenen daarvoor. De Commissie brengt het Europees Parlement en de Raad onmiddellijk op de hoogte van dergelijke kennisgeving.

2 bis.  Wanneer de Commissie, rekening houdend met relevante gegevens, verslagen en statistieken, beschikt over concrete en betrouwbare informatie dat de in lid 2, onder a), b), c) of d) bedoelde omstandigheden zich in een of meer lidstaten voordoen of over het feit dat het derde land geen medewerking verleent inzake overname, met name wanneer een overnameovereenkomst is gesloten tussen dat derde land en de Unie, bijvoorbeeld:

 het weigeren of nalaten overnameverzoeken tijdig te verwerken,

 het niet tijdig binnen de in de overnameovereenkomst gespecificeerde termijnen afgeven van reisdocumenten met het oog op terugkeer, of het niet aanvaarden van Europese reisdocumenten die na het verstrijken van de in de overnameovereenkomst gespecificeerde termijnen zijn afgegeven, of,

 het beëindigen of opschorten van de overnameovereenkomst,

stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad onverwijld van deze analyse in kennis, en zijn de bepalingen van lid 4 van toepassing.

2 ter.  De Commissie ziet toe op de voortdurende naleving van de op artikel –1 gebaseerde specifieke vereisten die zijn gebruikt om de geschiktheid van visumliberalisering na te gaan door de derde landen waarvan de onderdanen als gevolg van de succesvolle afsluiting van een visumliberaliseringsdialoog tussen de Unie en dat derde land vrijgesteld zijn van de visumplicht wanneer zij naar het grondgebied van de lidstaten reizen.

Voorts brengt de Commissie gedurende een periode van zeven jaar na de datum van inwerkingtreding van de visumliberalisering voor dat derde land op gezette tijden, dat wil zeggen ten minste jaarlijks, verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, en daarna indien de Commissie dit nodig acht, of het Europees Parlement of de Raad daarom verzoekt. Het verslag is toegespitst op de derde landen die volgens de Commissie op basis van concrete en betrouwbare informatie niet langer aan bepaalde vereisten voldoen.

Indien uit een verslag van de Commissie blijkt dat in verband met een bepaald derde land aan een of meer van de specifieke vereisten niet langer is voldaan, is lid 4 van toepassing.

3.  De Commissie onderzoekt een kennisgeving die krachtens lid 2 is verricht en houdt daarbij rekening met:

a) het al dan niet aanwezig zijn van een van de in de lid 2 beschreven situaties;

b) het aantal lidstaten dat wordt getroffen door een van de in lid 2 beschreven situaties;

c) het algemene effect van de in lid 2 bedoelde omstandigheden op de migratiesituatie in de Unie, zoals dat blijkt uit de gegevens die door de lidstaten zijn verstrekt of waarover de Commissie beschikt;

d) de verslagen van de Europese grens- en kustwacht, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken of de Europese Politiedienst (Europol), of van een andere instelling of instantie of een ander orgaan van de Unie of een internationale organisatie die bevoegd is voor onder deze verordening vallende aangelegenheden, indien de omstandigheden van het specifieke geval dit vereisen;

e) de eventuele aanwijzingen die de betrokken lidstaat heeft gegeven in zijn kennisgeving in verband met eventuele maatregelen uit hoofde van lid 4, onder a);

f) algemene overwegingen van openbare orde en binnenlandse veiligheid, in overleg met de betrokken lidstaat.

De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van de resultaten van dit onderzoek.

4.  Indien de Commissie, op basis van de in lid 2 bis bedoelde analyse, van het in lid 2 ter bedoelde verslag of van het in lid 3 bedoelde onderzoek, en rekening houdend met de gevolgen van een opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de externe betrekkingen van de Unie en de lidstaten met het betrokken derde land, terwijl zij nauw samenwerkt met dat derde land aan andere oplossingen voor de langere termijn, besluit dat moet worden opgetreden, of indien een gewone meerderheid van de lidstaten de Commissie in kennis heeft gesteld van het bestaan van de in lid 2, onder a), b), c), of d), bedoelde omstandigheden, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a) De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast waarbij de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van het betrokken derde land tijdelijk wordt opgeschort voor een periode van negen maanden. De opschorting is van toepassing op bepaalde categorieën onderdanen van het betrokken derde land, middels een verwijzing naar de betreffende soorten reisdocumenten en, in voorkomend geval, aanvullende criteria. Bij het bepalen van de categorieën waarop de opschorting van toepassing is, neemt de Commissie, op basis van de beschikbare informatie, categorieën op die voldoende ruim zijn om in elk specifiek geval efficiënt bij te dragen tot het verhelpen van de in de leden 2, 2 bis en 2 ter bedoelde omstandigheden, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De Commissie stelt de uitvoeringshandeling vast binnen een maand nadat zij:

i) de in lid 2 bedoelde kennisgeving heeft ontvangen;

ii) kennis heeft gekregen van de in lid 2 bis bedoelde informatie;

iii) het in lid 2 ter bedoelde verslag heeft ingediend; of

iv) van een gewone meerderheid van de lidstaten de kennisgeving van het bestaan van de in lid 2, onder a), b), c) of d), bedoelde omstandigheden heeft ontvangen.

Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 4 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. In de uitvoeringshandeling wordt bepaald op welke datum de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht van kracht wordt.

Tijdens de periode van opschorting onderhoudt de Commissie een intensievere dialoog met het betrokken derde land met het oog op het verhelpen van de omstandigheden in kwestie.

b) Indien de in de leden 2, 2 bis en 2 ter bedoelde omstandigheden voortduren, stelt de Commissie uiterlijk twee maanden vóór het verstrijken van de in dit lid onder a) bedoelde periode van negen maanden, overeenkomstig artikel 4 ter een gedelegeerde handeling vast waarbij de toepassing van bijlage II gedurende een periode van 18 maanden tijdelijk wordt opgeschort voor alle onderdanen van het betrokken derde land. De gedelegeerde handeling wordt van kracht op de datum waarop de in dit lid onder a) bedoelde uitvoeringshandeling verstrijkt en wijzigt bijlage II dienovereenkomstig. Deze wijziging geschiedt door het invoegen van een voetnoot naast de naam van het betrokken derde land, waarin staat dat de vrijstelling van de visumplicht wordt opgeschort met betrekking tot dat derde land en waarin de termijn van die opschorting wordt vermeld.

Indien de Commissie krachtens lid 5 een wetgevingsvoorstel heeft ingediend, wordt de periode van opschorting waarin de gedelegeerde handeling voorziet, met zes maanden verlengd. De voetnoot wordt dienovereenkomstig gewijzigd.

Onverminderd artikel 4 moeten de onderdanen van het betrokken derde land tijdens de periode van opschorting in het bezit zijn van een visum bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten.

Een lidstaat die overeenkomstig artikel 4 voorziet in nieuwe vrijstellingen van de visumplicht voor een categorie onderdanen van het derde land waarop de handeling houdende opschorting van de visumplicht van toepassing is, deelt die maatregelen overeenkomstig artikel 5 mee.

5.  Vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de overeenkomstig lid 4, onder b), vastgestelde gedelegeerde handeling dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en bij de Raad. Het verslag kan vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening teneinde de verwijzing naar het betrokken derde land van bijlage II naar bijlage I over te hevelen.

6.  Indien de Commissie krachtens lid 5 een wetgevingsvoorstel heeft ingediend, kan zij de geldigheidsduur van de overeenkomstig lid 4 vastgestelde uitvoeringshandeling met ten hoogste twaalf maanden verlengen. Het besluit om de geldigheidsduur van de uitvoeringshandeling te verlengen, wordt vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 4 bis, lid 2.

Artikel 1 ter

Uiterlijk 10 januari 2018 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van de efficiëntie van het in artikel 1, lid 4, bedoelde wederkerigheidsmechanisme en dient zij, indien nodig, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening in. Het Europees Parlement en de Raad handelen naar aanleiding van een dergelijk voorstel volgens de gewone wetgevingsprocedure.

▼M14

Artikel 1 quater

Uiterlijk 29 maart 2021 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van de efficiëntie van het in artikel 1 bis bedoelde opschortingsmechanisme en dient zij, indien nodig, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening in. Het Europees Parlement en de Raad handelen naar aanleiding van een dergelijk voorstel volgens de gewone wetgevingsprocedure.

▼M10

Artikel 2

In deze verordening wordt verstaan onder „visum”: een visum als gedefinieerd in artikel 2, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een communautaire visumcode (Visumcode) ( 3 ).

▼M5 —————

▼B

Artikel 4

▼M11

1.  Een lidstaat kan uitzonderingen op de visumplicht, bedoeld in artikel 1, lid 1, of op de vrijstelling van de visumplicht, bedoeld in artikel 1, lid 2, vaststellen ten aanzien van:

a) houders van diplomatieke paspoorten, dienstpaspoorten/officiële paspoorten of speciale paspoorten;

b) civiele vliegtuig- en scheepsbemanningsleden in de uitoefening van hun functies;

c) civiele scheepsbemanningsleden, wanneer zij aan wal gaan, die houder zijn van een identiteitsbewijs voor zeevarenden dat is afgegeven overeenkomstig de Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie nr. 108 van 13 mei 1958 of nr. 185 van 16 juni 2003 of het Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie van 9 april 1965 inzake het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee;

d) bemannings- en andere leden van hulp- of reddingsmissies in geval van een ramp of een ongeval;

e) civiele bemanningen van schepen die internationale binnenwateren bevaren;

f) houders van reisdocumenten die door intergouvernementele internationale organisaties waarvan ten minste één lidstaat lid is, of door andere entiteiten die door de betrokken lidstaat zijn erkend als internationale rechtssubjecten, zijn afgegeven aan ambtenaren van deze organisaties of entiteiten.

▼M5

2.  Een lidstaat kan vrijstelling van de visumplicht verlenen aan:

a) scholieren die onderdaan zijn van een in bijlage I opgenomen derde land en in een in bijlage II opgenomen derde land of in Zwitserland of Liechtenstein verblijven, wanneer zij in het kader van een door een leerkracht van de instelling begeleide groep scholieren deelnemen aan een georganiseerde reis;

b) personen met een vluchtelingenstatus en staatlozen, indien het land waar zij verblijven en dat hun reisdocumenten heeft afgegeven, is opgenomen in bijlage II;

c) leden van de krijgsmacht die zich verplaatsen in het kader van de NAVO of het Partnerschap voor de Vrede en die in het bezit zijn van de identiteits- en reisbewijzen die worden bedoeld in het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten van 19 juni 1951;

▼M11

d) onverminderd de vereisten die voortvloeien uit de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen (ondertekend te Straatsburg op 20 april 1959), personen met erkende vluchtelingenstatus, staatlozen en andere personen zonder nationaliteit die in het Verenigde Koninkrijk of Ierland verblijven en die houders zijn van een reisdocument dat is afgegeven door het Verenigd Koninkrijk of Ierland en dat is erkend door de betrokken lidstaat.

▼B

3.  Een lidstaat kan voor personen die tijdens hun verblijf een bezoldigde bezigheid verrichten uitzonderingen op de in artikel 1, lid 2, bedoelde visumvrijstelling vaststellen.

▼M11

Artikel 4 bis

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( 4 ).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is de derde alinea van artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

▼M14

Artikel 4 ter

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 1, lid 4, onder f), bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar vanaf 9 januari 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

2 bis.  De in artikel 1 bis, lid 4, onder b), bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 28 maart 2017. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 4, onder f), en artikel 1 bis, lid 4, onder b), bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

3 bis.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ( 5 ).

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdige kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 1, lid 4, onder f), vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van vier maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

6.  Een overeenkomstig artikel 1 bis, lid 4, onder b), vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken.

▼B

Artikel 5

1.  Binnen tien werkdagen na de inwerkingtreding van deze verordening delen de lidstaten de overige lidstaten en de Commissie de uitzonderingsmaatregelen mede die zij krachtens artikel 3, tweede streepje, en artikel 4 hebben getroffen. Latere wijzigingen van deze maatregelen worden medegedeeld binnen vijf werkdagen.

2.  De in lid 1 bedoelde mededelingen worden door de Commissie ter informatie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt.

Artikel 6

Deze verordening doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten tot het erkennen van staten en territoriale eenheden, alsmede paspoorten, identiteitsbewijzen en reisdocumenten die door de autoriteiten daarvan zijn afgegeven.

Artikel 7

1.  Verordening (EG) nr. 574/99 van de Raad ( 6 ) wordt vervangen door deze verordening.

2.  De definitieve versies van de Gemeenschappelijke Visuminstructie (GVI) en van het Gemeenschappelijk Handboek (GH), zoals die voortvloeien uit het besluit van het Comité van Schengen van 28 april 1999 (SCH/Com-ex (99) 13) wordt als volgt gewijzigd:

1. het opschrift van bijlage 1, deel I, van de GVI en van bijlage 5, deel I, van het GH wordt vervangen door:

„Gemeenschappelijke lijst van derde landen waarvan de onderdanen door alle lidstaten die gebonden zijn door Verordening (EG) nr. 539/2001, aan de visumplicht zijn onderworpen”

;

2. de lijst in bijlage 1, deel I, van de GVI en in bijlage 5, deel I, van het GH, wordt vervangen door de lijst in bijlage I van de verordening;

3. het opschrift van bijlage 1, deel II, van de GVI en van bijlage 5, deel II, van het GH wordt vervangen door:

„Gemeenschappelijke lijst van derde landen waarvan de onderdanen door alle lidstaten die gebonden zijn door Verordening (EG) nr. 539/2001, van de visumplicht zijn vrijgesteld”

;

4. de lijst in bijlage 1, deel II, van de GVI en in bijlage 5, deel II, van het GH wordt vervangen door de lijst in bijlage II van deze verordening;

5. deel III van bijlage 1 van de GVI en deel III van bijlage 5 van het GH worden geschrapt.

3.  De besluiten van het Uitvoerend Comité van Schengen van 15 december 1997 (SCH/Com-ex (97) 32) en van 16 december 1998 (SCH/Com-ex (98) 53, REV 2) worden ingetrokken.

▼M1

Artikel 8

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

▼B

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.




BIJLAGE I

Gemeenschappelijke lijst, bedoeld in artikel 1, lid 1

1. STATEN

Afghanistan

▼M7 —————

▼B

Algerije

Angola

▼M5 —————

▼B

Armenië

Azerbeidzjan

▼M5 —————

▼B

Bahrein

Bangladesh

▼M5 —————

▼B

Belarus

Belize

Benin

Bhutan

Birma/Myanmar

▼M5

Bolivia

▼M7 —————

▼B

Botswana

Burkina Faso

Burundi

Cambodja

Centraal-Afrikaanse Republiek

China

▼M13 —————

▼B

Comoren

Congo

Cuba

Democratische Republiek Congo

Djibouti

▼M13 —————

▼B

Dominicaanse Republiek

▼M2

Ecuador

▼B

Egypte

Equatoriaal-Guinea

Eritrea

Ethiopië

Fiji

Filipijnen

Gabon

Gambia

▼M15 —————

▼B

Ghana

▼M13 —————

▼B

Guinee

Guinee-Bissau

Guyana

Haïti

India

Indonesië

Irak

Iran

Ivoorkust

Jamaica

Jemen

Jordanië

Kaapverdië

Kameroen

Kazachstan

Kenia

Kirgizië

▼M13 —————

▼B

Koeweit

Laos

Lesotho

Libanon

Liberia

Libië

Madagaskar

Malawi

Maldiven

Mali

Marokko

▼M13 —————

▼B

Mauritanië

▼M5 —————

▼M13 —————

▼M12 —————

▼B

Mongolië

▼M6 —————

▼B

Mozambique

Namibië

▼M13 —————

▼B

Nepal

Niger

Nigeria

▼M8 —————

▼B

Noord-Korea

Oeganda

▼M16 —————

▼B

Oezbekistan

Oman

Pakistan

▼M13 —————

▼B

Papoea-Nieuw-Guinea

▼M13 —————

▼B

Qatar

Rusland

Rwanda

▼M5 —————

▼M13 —————

▼B

Sao Tomé en Principe

Saudi-Arabië

Senegal

▼M6 —————

▼M5 —————

▼B

Sierra Leone

Soedan

Somalië

Sri Lanka

Suriname

Swaziland

Syrië

Tadzjikistan

Tanzania

Thailand

▼M13 —————

▼B

Togo

▼M13 —————

▼B

Tsjaad

Tunesië

Turkije

Turkmenistan

▼M13 —————

▼B

Vietnam

▼M6 —————

▼B

Zambia

Zimbabwe

Zuid-Afrika

▼M13

Zuid-Sudan

2. ENTITEITEN EN TERRITORIALE AUTORITEITEN DIE DOOR TEN MINSTE ÉÉN LIDSTAAT NIET ALS STAAT WORDEN ERKEND

▼C2

▼M8 —————

▼M6

Kosovo als gedefinieerd bij Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999

▼B

Palestijnse Autoriteit

▼M2 —————

▼M13 —————

▼B




BIJLAGE II

Gemeenschappelijke lijst, bedoeld in artikel 1, lid 2

1. STATEN

▼M7

Albanië ( 7 )

▼B

Andorra

▼M5

Antigua en Barbuda ( 8 )

▼B

Argentinië

Australië

▼M5

Bahama's (8) 

Barbados (8) 

▼M5 —————

▼M7

Bosnië en Herzegovina (7) 

▼B

Brazilië

▼M5

Brunei Darussalam

▼M4 —————

▼B

Canada

Chili

▼M13

Colombia ( 9 )

▼B

Costa Rica

▼A1

▼M13

De Verenigde Arabische Emiraten (9) 

Dominica (9) 

▼M2 —————

▼B

El Salvador

▼A1

▼M15

Georgië ( 10 )

▼M13

Grenada (9) 

▼B

Guatemala

▼A1

▼B

Honduras

Japan

Israël

▼A1

▼M13

Kiribati (9) 

▼M9 —————

▼B

Maleisië

▼M13

Marshalleilanden (9) 

▼M5

Mauritius (8) 

▼M13

Micronesia (9) 

▼A1

▼B

Mexico

▼A1

▼B

Nicaragua

▼M12

Moldavië, Republiek ( 11 )

▼B

Monaco

▼M6

Montenegro (7) 

▼B

Panama

▼M13

Nauru (9) 

▼B

Nieuw-Zeeland

▼M16

Oekraïne ( 12 )

▼M13

Oost-Timor (9) 

Palau (9) 

Peru (9) 

▼A1

▼B

Paraguay

San Marino

▼M5

Saint Kitts en Nevis (8) 

▼M13

Saint Lucia (9) 

Saint Vincent en de Grenadines (9) 

Salomonseilanden (9) 

Samoa (9) 

▼M6

Servië (uitgezonderd de houders van een Servisch paspoort dat is afgegeven door het Servisch coördinatiedirectoraat (in het Servisch: Koordinaciona uprava)) (7) 

▼M5

Seychellen (8) 

▼M4 —————

▼A1

▼B

Singapore

▼A1

▼M13

Tonga (9) 

Trinidad en Tobago (9) 

Tuvalu (9) 

Vanuatu (9) 

▼B

Vaticaanstad

▼M6

voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (7) 

▼B

Uruguay

Venezuela

Verenigde Staten

Zuid-Korera

▼M2 —————

▼B

2. SPECIALE ADMINISTRATIEVE REGIO'S VAN DE VOLKSREPUBLIEK CHINA

Speciale Administratieve Regio („Special Administrative Region”) Hong Kong ( 13 )

Speciale Administratieve Regio Macao ( 14 )

▼M13

3. BRITSE BURGERS DIE GEEN ONDERDANEN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIÊ EN NOORD-IERLAND ZIJN IN DE ZIN VAN HET RECHT VAN DE UNIE:

British Nationals (Overseas)

British overseas territories citizens (BOTC)

British overseas citizen (BOC)

British protected persons (BPP)

British subjects (BS)

4. ENTITEITEN EN TERRITORIALE AUTORITEITEN DIE DOOR TEN MINSTE ÉÉN LIDSTAAT NIET ALS STAAT WORDEN ERKEND:

▼C3

▼M8

Taiwan ( 15 )



( 1 ) PB L 405 van 30.12.2006, blz. 1.

( 2 ) PB L 327 van 19.12.1994, blz. 1.

( 3 ) PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1.

( 4 ) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

( 5 ) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

( 6 ) PB L 72 van 18.3.1999, blz. 2.

( 7 ) De visumvrijstelling geldt alleen voor houders van een biometrisch paspoort.

( 8 ) De visumvrijstelling geldt vanaf de datum van inwerkingtreding van een met de Europese Gemeenschap te sluiten visumvrijstellingsovereenkomst.

( 9 ) De visumvrijstelling geldt vanaf de datum van inwerkingtreding van een met de Europese Unie te sluiten visumvrijstellingsovereenkomst.

( 10 ) De vrijstelling van de visumplicht wordt beperkt tot houders van een biometrisch paspoort dat door Georgië is afgegeven overeenkomstig de normen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO).

( 11 ) De vrijstelling van de visumplicht wordt beperkt tot houders van een biometrisch paspoort dat is afgegeven overeenkomstig de normen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO).

( 12 ) De vrijstelling van de visumplicht wordt beperkt tot houders van een biometrisch paspoort dat is afgegeven door Oekraïne overeenkomstig de normen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO).

( 13 ) De visumvrijstelling geldt alleen voor houders van het paspoort „Hong Kong Special Administrative Region”.

( 14 ) De visumvrijstelling geldt alleen voor houders van het paspoort „Região Administrativa Especial de Macau”.

( 15 ) De visumvrijstelling geldt alleen voor houders van door Taiwan afgegeven paspoorten waarop een identiteitskaartnummer staat vermeld.

Top