Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 01997R1466-20111213

Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1997/1466/2011-12-13

01997R1466 — NL — 13.12.2011 — 002.005


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EG) Nr. 1466/97 VAN DE RAAD

van 7 juli 1997

over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid

(PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EG) Nr. 1055/2005 VAN DE RAAD van 27 juni 2005

  L 174

1

7.7.2005

►M2

VERORDENING (EU) Nr. 1175/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 16 november 2011

  L 306

12

23.11.2011




▼B

VERORDENING (EG) Nr. 1466/97 VAN DE RAAD

van 7 juli 1997

over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid



AFDELING 1

DOEL EN DEFINITIES

▼M2

Artikel 1

In deze verordening worden de regels vastgesteld betreffende de inhoud, de indiening, de beoordeling en de bewaking van de stabiliteitsprogramma's en convergentieprogramma's als onderdeel van het multilaterale toezicht door de Raad en de Commissie, teneinde in een vroeg stadium te voorkomen dat buitensporige overheidstekorten zich voordoen, en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid te bevorderen, en daarbij tegelijkertijd de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie voor groei en werkgelegenheid te ondersteunen.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„deelnemende lidstaten” : de lidstaten die de euro als munt hebben;

b)

„niet-deelnemende lidstaten” : de andere lidstaten dan die welke de euro als munt hebben.

▼M2



AFDELING 1-BIS

EUROPEES SEMESTER VOOR ECONOMISCHE BELEIDSCOÖRDINATIE

Artikel 2-bis

1.  Om nauwere coördinatie van het economisch beleid en duurzame convergentie van de economische prestaties van de lidstaten te waarborgen, oefent de Raad het multilaterale toezicht uit als integraal onderdeel van het Europees semester voor economische beleidscoördinatie in overeenstemming met de doelstellingen en bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

2.  Het Europees semester omvat:

a) het opstellen van en het toezicht op de uitvoering van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie (globale richtsnoeren voor het economisch beleid) overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU;

b) het opstellen, en het inspecteren van de uitvoering, van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid waarmee de lidstaten rekening moeten houden overeenkomstig artikel 148, lid 2, VWEU (richtsnoeren inzake werkgelegenheid);

c) het indienen en het beoordelen van de stabiliteits- of convergentieprogramma's van de lidstaten overeenkomstig deze verordening;

d) het indienen en het beoordelen van de nationale hervormingsprogramma's van de lidstaten die de strategie van de Unie voor groei en werkgelegenheid ondersteunen en die zijn opgesteld in overeenstemming met de richtsnoeren als bedoeld in punten a) en b) en de algemene richtsnoeren voor de lidstaten die door de Commissie en de Europese Raad worden gepubliceerd aan het begin van de jaarlijkse toezichtcyclus;

e) het toezicht voor de preventie en de correctie van macro-economische onevenwichtigheden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden ( 1 ).

3.  In de loop van het Europees semester, en ten einde tijdig en geïntegreerd beleidsadvies over de macrofiscale en macrostructurele beleidsintenties te verstrekken, richt de Raad, na de beoordeling van deze programma's op basis van aanbevelingen van de Commissie, als hoofdregel richtsnoeren aan de lidstaten, waarbij volledig gebruik wordt gemaakt van de wettelijke instrumenten die onder artikelen 121 en 148 VWEU en onder deze verordening en Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn voorzien.

De lidstaten houden naar behoren rekening met de aan hen gerichte richtsnoeren bij de ontwikkeling van hun economisch, werkgelegenheids- en begrotingsbeleid alvorens belangrijke besluiten met betrekking tot hun nationale begroting voor de volgende jaren te nemen. De Commissie houdt toezicht op de vooruitgang.

Als een lidstaat nalaat om de ontvangen richtsnoeren op te volgen, kan dit leiden tot:

a) verdere aanbevelingen om specifieke maatregelen te nemen;

b) een waarschuwing van de Commissie op grond van artikel 121, lid 4, VWEU;

c) maatregelen op grond van deze verordening, Verordening (EG) nr. 1467/97 of Verordening (EU) nr. 1176/2011.

De uitvoering van de maatregelen wordt onderworpen aan versterkt toezicht door de Commissie en kan toezichtmissies op grond van artikel -11 van deze verordening omvatten.

4.  Het Europees Parlement wordt naar behoren bij het Europees semester betrokken om de transparantie van, de toe-eigening van en de verantwoordelijkheid voor de genomen besluiten te vergroten, in het bijzonder door middel van de economische dialoog overeenkomstig artikel 2-bis ter van deze verordening. Het Economisch en Financieel Comité, het Comité voor de economische politiek, het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming worden in passende gevallen in het kader van het Europees semester geraadpleegd. Ter zake dienende belanghebbenden, met name de sociale partners, worden in passende gevallen in het kader van het Europees semester bij de belangrijkste beleidskwestie betrokken, in overeenstemming met de bepalingen van het VWEU en de nationale wettelijke en politieke regelingen.

De voorzitter van de Raad, en de Commissie in overeenstemming met artikel 121 VWEU, en, in voorkomend geval, de voorzitter van de eurogroep, brengen jaarlijks aan het Europees Parlement en aan de Europese Raad verslag uit over de resultaten van het multilaterale toezicht. Deze verslagen maken deel uit van de economische dialoog als bedoeld in artikel 2-bis ter van deze verordening.



AFDELING 1-BIS bis

ECONOMISCHE DIALOOG

Artikel 2-bis ter

1.  Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, te versterken en een grotere mate van transparantie en toerekenbaarheid te garanderen, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en in voorkomend geval de voorzitter van de Europese Raad of de voorzitter van de eurogroep uitnodigen om in de commissie te verschijnen ten einde het volgende te bespreken:

a) de informatie over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid die de commissie in overeenstemming met artikel 121, lid 2, VWEU van de Raad heeft ontvangen;

b) de algemene richtsnoeren aan de lidstaten die de Commissie aan het begin van de jaarlijkse toezichtcyclus uitgebracht;

c) de conclusies die de Europese Raad heeft vastgesteld met betrekking tot oriëntaties voor het economisch beleid in het kader van het Europees semester;

d) de resultaten van het multilaterale toezicht dat op grond van deze verordening is uitgeoefend;

e) de conclusies die de Europese Raad heeft vastgesteld met betrekking tot de oriëntaties voor en de resultaten van het multilaterale toezicht;

f) een eventuele beoordeling van de uitoefening van het multilaterale toezicht aan het einde van het Europees semester;

g) de aanbevelingen van de Raad die in overeenstemming met artikel 121, lid 4, VWEU aan de lidstaten zijn gericht in geval van een significante afwijking alsmede het door de Raad aan de Europese Raad uitgebrachte verslag als bedoeld in artikel 6, lid 2, en artikel 10, lid 2, van deze verordening.

2.  Van de Raad wordt als hoofdregel verwacht dat hij de aanbevelingen en voorstellen van de Commissie opvolgt of zijn standpunt publiekelijk toelicht.

3.  De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan een lidstaat die het onderwerp is van een aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 6, lid 2, of artikel 10, lid 2, de gelegenheid bieden om deel te nemen aan een gedachtewisseling.

4.  De Raad en de Commissie informeren het Europees Parlement op regelmatige basis over de toepassing van deze verordening.

▼M1



AFDELING 1BIS

MIDDELLANGETERMIJNBEGROTINGSDOELSTELLINGEN

▼M2

Artikel 2 bis

Elke lidstaat heeft een gedifferentieerde middellangetermijndoelstelling voor zijn begrotingssituatie. Deze landspecifieke middellangetermijndoelstellingen voor de begroting kunnen afwijken van het vereiste van een begrotingssituatie die vrijwel in evenwicht is dan wel een overschot vertoont, zolang wordt voorzien in een veiligheidsmarge ten opzichte van de referentiewaarde voor het overheidstekort van 3 % van het bbp. De middellangetermijndoelstellingen voor de begroting dient de houdbaarheid van de overheidsfinanciën of snelle vorderingen richting dergelijke houdbaarheid te garanderen, waarbij ruimte wordt gelaten voor budgettaire armslag, in het bijzonder gelet op de behoefte aan publieke investeringen.

Rekening houdend met deze factoren worden middellangetermijndoelstellingen voor de begroting voor de deelnemende lidstaten en voor de lidstaten die deel uitmaken van WKM2, per land bepaald binnen een vastgestelde marge tussen -1 % van het bbp en evenwicht dan wel overschot, na correctie voor conjunctuurschommelingen en ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen.

De middellangetermijndoelstelling voor de begroting wordt om de drie jaar bijgesteld. De middellangetermijndoelstelling voor de begroting van een lidstaat kan verder worden bijgesteld in het geval dat een structurele hervorming met een grote invloed op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën wordt uitgevoerd.

Het halen van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting maakt deel uit van de nationale begrotingskaders voor de middellange termijn overeenkomstig hoofdstuk IV van Richtlijn 2011/85/EU van 8 november 2011 van de Raad tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten ( 2 )

▼B



AFDELING 2

STABILITEITSPROGRAMMA'S

Artikel 3

▼M2

1.  Elke deelnemende lidstaat verstrekt aan de Raad en aan de Commissie met het oog op het regelmatige multilaterale toezicht krachtens artikel 121 VWEU de nodige informatie in de vorm van een stabiliteitsprogramma, dat een essentiële basis verschaft voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën die bevorderlijk is voor prijsstabiliteit, een sterke duurzame groei en het scheppen van werkgelegenheid.

▼B

2.  Een stabiliteitsprogramma moet de volgende informatie bieden:

▼M2

a) de middellangetermijndoelstelling voor de begroting en het aanpassingstraject met het oog op het bereiken van deze doelstelling voor het overheidsaldo als percentage van het bbp, de verwachte ontwikkeling van de schuldquote van de overheid, het geplande groeipad van de overheidsuitgaven, met inbegrip van de overeenkomstige toewijzing voor bruto-investeringen in vaste activa, in het bijzonder gelet op de voorwaarden en criteria voor de vaststelling van de uitgavengroei als bedoeld in artikel 5, lid 1, het geplande groeipad van de overheidsontvangsten bij ongewijzigd beleid en een kwantificering van de geplande discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde;

a bis) informatie over impliciete verplichtingen die verband houden met vergrijzing en voorwaardelijke verplichtingen, bijvoorbeeld overheidsgaranties, met potentieel grote gevolgen voor de overheidsrekeningen;

a ter) informatie over de consistentie van het stabiliteitsprogramma met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en het nationale hervormingsprogramma;

b) de voornaamste veronderstellingen over verwachte economische ontwikkelingen en belangrijke economische variabelen die voor het verwezenlijken van het stabiliteitsprogramma van belang zijn, zoals de investeringsuitgaven van de overheid, de reële groei van het bbp, de werkgelegenheid en de inflatie;

c) een kwantitatieve beoordeling van de budgettaire en andere economische beleidsmaatregelen die worden genomen of voorgesteld om de doelstellingen van het programma te verwezenlijken, inclusief een kosten-batenanalyse van grote structurele hervormingen met rechtstreekse positieve gevolgen voor de begroting op de lange termijn, mede door verhoging van de duurzame potentiële groei;

▼B

d) een analyse van de wijze waarop wijzigingen in de belangrijkste economische veronderstellingen de be-grotings- en de schuldsituatie nadelig zouden kunnen beïnvloeden;

▼M1

e) indien van toepassing, de redenen waarom wordt afgeweken van het aanpassingstraject richting middellangetermijnbegrotingsdoelstelling.

▼M2

2 bis.  Het stabiliteitsprogramma wordt gebaseerd op het meest waarschijnlijke macrobudgettaire scenario of op een meer prudente scenario. De macro-economische en budgettaire prognoses worden vergeleken met de meest recente prognoses van de Commissie en indien nodig met die van andere onafhankelijke instanties. Significante verschillen tussen het gekozen macrobudgettaire scenario en de prognoses van de Commissie worden beschreven en beargumenteerd, met name als het niveau of de groei van externe aannames significant afwijkt van de waarden in de prognoses van de Commissie.

De exacte aard van de informatie in de punten a), a bis), b), c) en d) van lid 2 wordt omschreven in een geharmoniseerd kader dat door de Commissie wordt opgesteld in samenwerking met de lidstaten.

▼M2

3.  De gegevens over de ontwikkeling van het overheidsaldo en van de schuldquote van de overheid, de groei van de overheidsuitgaven, het geplande groeipad van de overheidsontvangsten bij ongewijzigd beleid, de geplande, discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde, die behoorlijk moeten zijn gekwantificeerd, en de belangrijkste economische aannames als bedoeld in lid 2, onder a) en b), zijn op jaarbasis en hebben betrekking op het voorafgaande jaar, het lopende jaar en ten minste de drie volgende jaren.

4.  Elk programma omvat informatie over de status ervan in het kader van de nationale procedures, in het bijzonder of het programma is voorgelegd aan het nationale parlement, en of het nationale parlement de gelegenheid heeft gehad om een debat te hebben over het oordeel van de Raad betreffende het voorgaande programma of, indien hiervan sprake is, over een aanbeveling of een waarschuwing, en ook of het programma door het parlement is goedgekeurd.

Artikel 4

1.  De stabiliteitsprogramma's worden jaarlijks ingediend in april, bij voorkeur medio april en uiterlijk 30 april.

2.  De lidstaten maken hun stabiliteitsprogramma's openbaar.

Artikel 5

1.  Op basis van beoordelingen door de Commissie en het Economisch en Financieel Comité toetst de Raad in het kader van het multilaterale toezicht op grond van artikel 121 VWEU de middellangetermijndoelstellingen voor de begroting, zoals de desbetreffende lidstaten deze in hun stabiliteitsprogramma hebben beschreven, en beoordeelt de Raad of de economische veronderstellingen waarop het programma is gebaseerd, realistisch zijn, of het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, met inbegrip van het begeleidingstraject voor de schuldquote, passend is en of de met het oog op het voldoen aan het aanpassingstraject genomen of voorgenomen maatregelen afdoende zijn om de middellangetermijndoelstelling voor de begroting gedurende de cyclus te halen.

De Raad en de Commissie onderzoeken, wanneer zij het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting beoordelen, of de betrokken lidstaat een passende jaarlijkse verbetering van zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo nastreeft, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, die nodig is om zijn middellangetermijndoelstelling voor de begroting te bereiken, waarbij 0,5 % van het bbp geldt als benchmark. Voor lidstaten die een overheidsschuld van meer dan 60 % van het bbp hebben of aantoonbare risico's lopen wat betreft de algehele houdbaarheid van de schuldpositie, onderzoeken de Raad en de Commissie of de jaarlijkse verbetering van het conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, groter is dan 0,5 % van het bbp. De Raad en de Commissie nemen in aanmerking of in economisch goede tijden een grotere aanpassing wordt nagestreefd, terwijl in economisch slechte tijden een minder zware inspanning toelaatbaar kan zijn. Er wordt met name rekening gehouden met mee- en tegenvallers aan de ontvangstenzijde.

Of met betrekking tot de middellangetermijndoelstelling voor de begroting voldoende vooruitgang is geboekt, wordt beoordeeld op basis van een algehele evaluatie met het structurele saldo als het ijkpunt, en inclusief een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde. De Raad en de Commissie beoordelen hiertoe of het groeipad van de overheidsuitgaven, gezien in samenhang met het effect van de genomen of geplande maatregelen aan de ontvangstenzijde, aan de volgende voorwaarden voldoet:

a) voor lidstaten die hun middellangetermijndoelstelling voor de begroting hebben verwezenlijkt, ligt de jaarlijkse groei van de uitgaven niet hoger dan een referentiepercentage van potentiële groei van het bbp op middellange termijn, tenzij de overschrijding door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde wordt gecompenseerd;

b) voor lidstaten die hun middellangetermijndoelstelling voor de begroting nog niet hebben verwezenlijkt, ligt de jaarlijkse groei van de uitgaven niet hoger dan een percentage beneden een referentiepercentage van potentiële groei van het bbp op middellange termijn, tenzij de overschrijding door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde wordt gecompenseerd. De grootte van het tekort van het groeipercentage van de overheidsuitgaven, afgezet tegen een referentiepercentage van potentiële groei van het bbp op middellange termijn, wordt op zodanige wijze bepaald dat een deugdelijke aanpassing richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting wordt gewaarborgd;

c) voor lidstaten die de middellangetermijndoelstelling voor de begroting nog niet hebben verwezenlijkt, worden discretionaire verminderingen van overheidsontvangsten hetzij door uitgavenreducties, hetzij door discretionaire verhogingen van andere overheidsontvangsten hetzij door beide gecompenseerd.

In de totale uitgaven wordt geen rekening gehouden met rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma's van de Unie die volledig met inkomsten uit fondsen van de Unie worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen.

Een overschrijding van de middellangetermijnreferentie voor de uitgavengroei wordt niet als een afwijking van de benchmark aangemerkt voor zover deze overschrijding volledig wordt gecompenseerd door bij wet geregelde stijgingen van de inkomsten.

Het middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp wordt vastgesteld op basis van toekomstgerichte prognoses en ramingen die zijn gebaseerd op resultaten uit het verleden. De prognoses worden regelmatig geactualiseerd. De Commissie maakt de berekeningsmethode voor de prognoses en het hieruit resulterende middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp openbaar.

Bij het bepalen van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting voor de lidstaten die dit doel nog niet hebben bereikt, en bij het toestaan van een tijdelijke afwijking van deze doelstelling voor lidstaten die de doelstelling wel hebben bereikt, mits een passende veiligheidsmarge voor wat betreft de tekortreferentiewaarde is gewaarborgd en verwacht wordt dat de begrotingsituatie binnen de programmaperiode terugkeert naar de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, houden de Raad en de Commissie rekening met de uitvoering van grote structurele hervormingen die direct positieve lange termijneffecten voor de begroting hebben, mede doordat zij de potentiële duurzame groei verhogen, en bijgevolg een verifieerbare invloed op de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn hebben.

Bijzondere aandacht wordt besteed aan pensioenhervormingen die een meerpijlerstelsel invoeren, dat een verplichte pijler met volledige kapitaaldekking omvat. Het wordt lidstaten die dergelijke hervormingen doorvoeren, toegestaan om van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van de doelstelling zelf af te wijken, waarbij de afwijking het bedrag van de directe incrementele gevolgen van de hervorming voor het overheidsaldo moet weerspiegelen, mits een passende veiligheidsmarge ten opzichte van de referentiewaarde van het overheidstekort wordt aangehouden.

De Raad en de Commissie onderzoeken voorts of het stabiliteitsprogramma het verwezenlijken van duurzame en daadwerkelijke convergentie binnen het eurogebied en de nauwere coördinatie van het economisch beleid bevordert, en of het economisch beleid van de betrokken lidstaat strookt met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en met de richtsnoeren voor werkgelegenheid van de lidstaten en de Europese Unie.

In het geval van een buitengewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijke invloed heeft op de financiële positie van de overheid, of in perioden van ernstige economische neergang in het eurogebied of in de Unie als geheel, kan het de lidstaten worden toegestaan om tijdelijk af te wijken van het aanpassingstraject richting middellangetermijndoelstelling voor de begroting als bedoeld in de derde alinea, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.

2.  De Raad en de Commissie onderzoeken het stabiliteitsprogramma binnen ten hoogste drie maanden na de indiening ervan. De Raad stelt, op basis van een aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité, indien nodig, een advies over het programma vast. Daar waar de Raad overeenkomstig artikel 121 VWEU van mening is dat de doelstellingen en de inhoud van het programma moeten worden aangescherpt met een bijzondere verwijzing naar het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, verzoekt de Raad in zijn advies de betrokken lidstaat om zijn programma aan te passen.

Artikel 6

1.  Als onderdeel van het multilaterale toezicht overeenkomstig artikel 121, lid 3, VWEU, houden de Raad en de Commissie, op basis van de door de deelnemende lidstaten verstrekte gegevens en de door de Commissie en het Economisch en Financieel Comité verrichte evaluaties, toezicht op de uitvoering van de stabiliteitsprogramma's, met name om vast te stellen of de feitelijke of verwachte begrotingssituatie significant afwijkt van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van het passende aanpassingstraject in de richting van die doelstelling.

2.  Indien een significante afwijking van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting als bedoeld in artikel 5, lid 1, derde alinea, van deze verordening wordt vastgesteld, en ter voorkoming van een buitensporig tekort, richt de Commissie een waarschuwing tot de betrokken lidstaat in overeenstemming met artikel 121, lid 4, VWEU.

De Raad onderzoekt de situatie binnen een maand na de aanneming van de waarschuwing als bedoeld in de eerste alinea en stelt, op basis van een aanbeveling van de Commissie, krachtens artikel 121, lid 4, VWEU een aanbeveling voor de nodige beleidsmaatregelen vast. De aanbeveling legt een termijn op van ten hoogste vijf maanden om de afwijking te verhelpen. De termijn wordt tot drie maanden teruggebracht wanneer de Commissie, in haar waarschuwing, oordeelt dat de situatie bijzonder ernstig is en dringende maatregelen behoeft. De Raad maakt, op voorstel van de Commissie, de aanbeveling openbaar.

De betrokken lidstaat brengt binnen de termijn die de Raad in zijn aanbeveling uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU heeft vastgesteld, verslag uit aan de Raad over de maatregelen die zijn genomen in vervolg op de aanbeveling.

Indien de betrokken lidstaat geen passende maatregelen neemt binnen de in de aanbeveling van de Raad vastgestelde termijn als bedoeld in de tweede alinea, beveelt de Commissie de Raad onverwijld aan om bij gekwalificeerde meerderheid een besluit vast te stellen, waarin wordt vastgesteld dat geen effectieve actie is ondernomen. Tegelijkertijd kan de Commissie de Raad aanbevelen om uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU een herziene aanbeveling vast te stellen voor wat betreft de nodige beleidsmaatregelen.

In het geval dat de Raad het door de Commissie aanbevolen besluit dat geen effectieve actie is ondernomen, niet aanneemt en de lidstaat blijft verzuimen passende stappen te ondernemen, beveelt de Commissie de Raad één maand na haar eerdere aanbeveling aan om het besluit vast te stellen, waarbij wordt vastgesteld dat geen effectieve actie is ondernomen. Het besluit wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld tenzij de Raad bij gewone meerderheid besluit de aanbeveling binnen tien dagen nadat zij door de Commissie is vastgesteld, te verwerpen. Tegelijk kan de Commissie de Raad aanbevelen om uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU een herziene aanbeveling vast te stellen voor wat betreft de nodige beleidsmaatregelen.

Bij besluiten aangaande gevallen van niet-naleving als bedoeld in de vierde en vijfde alinea nemen alleen leden van de Raad die deelnemende lidstaten vertegenwoordigen aan de stemming deel en houdt de Raad geen rekening met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt.

De Raad legt de Europese Raad een formeel verslag voor over de aldus genomen besluiten.

3.  Een afwijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van het passende aanpassingstraject ter verwezenlijking ervan wordt beoordeeld op grond van een algehele evaluatie met het structurele saldo als ijkpunt, waaronder ook een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde als omschreven in artikel 5, lid 1.

Bij de beoordeling of een afwijking als significant moet worden aangemerkt, wordt met name rekening gehouden met de volgende criteria:

a) voor een lidstaat die de middellangetermijndoelstelling voor de begroting niet heeft bereikt: bij de beoordeling van de verandering van het structurele saldo, of de afwijking ten minste 0,5 % van het bbp in een enkel jaar of gemiddeld ten minste 0,25 % van het bbp per jaar in twee opeenvolgende jaren bedraagt;

b) bij de beoordeling van de ontwikkeling van de uitgaven, ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde: of de afwijking een totale weerslag heeft op het overheidssaldo ter grootte van ten minste 0,5 % van het bbp in een enkel jaar of een cumulatieve weerslag van die grootte binnen twee opeenvolgende jaren.

De afwijking in de ontwikkeling van de uitgaven wordt niet als significant aangemerkt indien de betrokken lidstaat de middellangetermijndoelstelling voor de begroting heeft overtroffen, rekening houdend met de mogelijkheid van significante meevallers aan de inkomstenzijde, en de begrotingsplannen van het stabiliteitsprogramma die doelstelling tijdens de programmaperiode niet in gevaar brengen.

De afwijking kan eveneens buiten beschouwing worden gelaten wanneer deze het resultaat is van een buitengewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijke invloed heeft op de financiële positie van de overheid, dan wel in geval van een ernstige economische neergang van het eurogebied of de Unie als geheel, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.

▼B



AFDELING 3

CONVERGENTIEPROGRAMMA'S

Artikel 7

▼M2

1.  Elke niet-deelnemende lidstaat verstrekt aan de Raad en aan de Commissie met het oog op het regelmatige multilaterale toezicht krachtens artikel 121 VWEU de nodige informatie in de vorm van een convergentieprogramma, dat een essentiële basis verschaft voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën die bevorderlijk is voor prijsstabiliteit, een sterke duurzame groei en het scheppen van werkgelegenheid.

▼B

2.  Een convergentieprogramma moet de volgende informatie verstrekken, met name over de variabelen die met de convergentiecriteria verband houden:

▼M2

a) de middellangetermijndoelstelling voor de begroting en het aanpassingstraject richting die doelstelling voor het overheidsaldo als percentage van het bbp, de verwachte ontwikkeling van de schuldquote van de overheid, het geplande groeipad van de overheidsuitgaven, met inbegrip van de overeenkomstige toewijzing voor bruto-investeringen in vaste activa, in het bijzonder gezien de voorwaarden en criteria voor de vaststelling van de uitgavengroei als bedoeld in artikel 9, lid 1, het geplande groeipad van de overheidsontvangsten bij ongewijzigd beleid en een kwantificering van de geplande discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde, de middellangetermijndoelstellingen voor het monetaire beleid, de relatie tussen die doelstellingen en de prijs- en wisselkoersstabiliteit en het verwezenlijken van duurzame convergentie;

a bis) informatie over impliciete verplichtingen die verband houden met vergrijzing en voorwaardelijke verplichtingen, bijvoorbeeld overheidsgaranties, met een potentieel grote invloed op de overheidsrekeningen;

a ter) informatie over de consistentie van het convergentieprogramma met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en het nationale hervormingsprogramma;

b) de voornaamste veronderstellingen over verwachte economische ontwikkelingen en belangrijke economische variabelen die voor het verwezenlijken van het convergentieprogramma van belang zijn, zoals de investeringsuitgaven van de overheid, de reële groei van het bbp, de werkgelegenheid en de inflatie;

c) een kwantitatieve beoordeling van de budgettaire en andere economische beleidsmaatregelen die worden genomen of voorgesteld om de doelstellingen van het programma te verwezenlijken, waaronder een kosten-batenanalyse van grote structurele hervormingen met rechtstreekse positieve effecten voor de begroting op de lange termijn, onder meer door verhoging van de duurzame potentiële groei;

▼B

d) een analyse van de invloed van wijzigingen in de belangrijkste economische veronderstellingen op de begrotings- en schuldsituatie;

▼M1

e) indien van toepassing, de redenen waarom wordt afgeweken van het aanpassingstraject richting middellangetermijnbegrotingsdoelstelling.

▼M2

2 bis.  Het convergentieprogramma wordt gebaseerd op het meest waarschijnlijke macrobudgettaire scenario of op een meer prudent scenario. De macro-economische en budgettaire prognoses worden vergeleken met de recentste prognoses van de Commissie en indien nodig die van andere onafhankelijke instanties. Significante verschillen tussen het gekozen macrobudgettaire scenario en de Commissieprognoses worden beschreven en beargumenteerd, in het bijzonder als het niveau of de groei van externe aannames significant afwijkt van de waarden in de prognoses van de Commissie.

De exacte aard van de informatie in de punten a), a bis), b), c) en d) van lid 2 wordt omschreven in een geharmoniseerd kader dat door de Commissie wordt opgesteld in samenwerking met de lidstaten.

▼M2

3.  De gegevens over de ontwikkelingen van het overheidsaldo en de schuldquote van de overheid, de groei van de overheidsuitgaven, het geplande groeipad van de overheidsontvangsten bij ongewijzigd beleid, de geplande, naar behoren gekwantificeerde discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde en de belangrijkste economische aannames als bedoeld in lid 2, onder a) en b), zijn op jaarbasis en hebben betrekking op het voorafgaande jaar, het lopende jaar en ten minste de drie volgende jaren.

4.  Elk programma omvat informatie over de status ervan in het kader van de nationale procedures, in het bijzonder of het programma is voorgelegd aan het nationale parlement, en of het nationale parlement de gelegenheid heeft gehad om een debat te hebben over het oordeel van de Raad betreffende het voorgaande programma of, indien hiervan sprake is, over een aanbeveling of een waarschuwing, en ook of het programma door het parlement is goedgekeurd.

Artikel 8

1.  De convergentieprogramma's worden jaarlijks ingediend in april, bij voorkeur medio april en uiterlijk 30 april.

2.  De lidstaten maken hun convergentieprogramma's openbaar.

Artikel 9

1.  Op basis van evaluaties door de Commissie en het Economisch en Financieel Comité onderzoekt de Raad in het kader van het multilaterale toezicht op grond van artikel 121 VWEU de door de betrokken lidstaten in hun convergentieprogramma gepresenteerde middellangetermijndoelstellingen voor de begroting, en beoordeelt de Raad of de economische veronderstellingen waarop het programma is gebaseerd, realistisch zijn, of het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, met inbegrip van het begeleidende traject voor de schuldquote, passend is en of de maatregelen die zijn genomen of zijn voorgesteld om te voldoen aan het aanpassingstraject, afdoende zijn om de middellangetermijndoelstelling voor de begroting gedurende de cyclus te halen en om duurzame convergentie te bereiken.

De Raad en de Commissie nemen bij de beoordeling van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting in aanmerking, of in economisch goede tijden een grotere aanpassing wordt nagestreefd, terwijl in economisch slechte tijden een minder zware inspanning toelaatbaar kan zijn. Er wordt in het bijzonder rekening gehouden met mee- en tegenvallers aan inkomstenzijde. Voor lidstaten die een schuldquote van meer dan 60 % van het bbp hebben of aantoonbare risico's lopen wat de algehele houdbaarheid van de schuldpositie betreft, onderzoeken de Raad en de Commissie of de jaarlijkse verbetering van het conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, groter is dan 0,5 % van het bbp. Voor lidstaten die deel uitmaken van WKM2 onderzoeken de Raad en de Commissie of de betrokken lidstaat een passende jaarlijkse verbetering van zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo nastreeft, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, die nodig is om zijn middellangetermijndoelstelling voor de begroting te bereiken, waarbij 0,5 % van het bbp geldt als benchmark.

Of met betrekking tot de middellangetermijndoelstelling voor de begroting voldoende vooruitgang is geboekt, wordt beoordeeld op basis van een algehele evaluatie met het structurele saldo als ijkpunt, waaronder ook een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde. Hiertoe beoordelen de Raad en de Commissie of het groeipad van de overheidsuitgaven, gezien in samenhang met het effect van de genomen of geplande maatregelen aan de ontvangstenzijde, aan de volgende voorwaarden voldoet:

a) voor lidstaten die hun middellangetermijndoelstelling voor de begroting hebben verwezenlijkt, ligt de jaarlijkse groei van de uitgaven niet hoger dan een referentiepercentage van potentiële groei van het bbp op middellange termijn, tenzij de overschrijding door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde wordt gecompenseerd;

b) voor lidstaten die hun middellangetermijndoelstelling voor de begroting nog niet hebben verwezenlijkt, ligt de jaarlijkse groei van de uitgaven niet hoger dan een percentage beneden een referentiepercentage van potentiële groei van het bbp op middellange termijn, tenzij de overschrijding door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde wordt gecompenseerd. De grootte van het tekort van het groeipercentage van de overheidsuitgaven, afgezet tegen een referentiepercentage van potentiële groei van het bbp op middellange termijn, wordt op zodanige wijze bepaald dat een deugdelijke aanpassing richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting wordt gewaarborgd;

c) voor lidstaten die de middellangetermijndoelstelling voor de begroting nog niet hebben verwezenlijkt, worden discretionaire verminderingen van overheidsontvangsten hetzij door uitgavenreducties, hetzij door discretionaire verhogingen van andere overheidsontvangsten hetzij door beide gecompenseerd.

In de totale uitgaven wordt geen rekening gehouden met rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma's van de Unie die volledig met inkomsten uit fondsen van Unie worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen.

Een overschrijding van de middellangetermijnreferentie voor de uitgavengroei wordt niet als een afwijking van het benchmark aangemerkt voor zover deze overschrijding volledig wordt gecompenseerd door bij wet geregelde stijgingen van de inkomsten.

Het middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp wordt vastgesteld op basis van toekomstgerichte prognoses en ramingen die zijn gebaseerd op resultaten uit het verleden. De prognoses worden regelmatig geactualiseerd. De Commissie maakt de berekeningsmethode voor de prognoses en het hieruit resulterende middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp openbaar.

Bij het bepalen van het aanpassingstraject richting middellangetermijndoelstelling voor de begroting voor de lidstaten die dit doel nog niet hebben bereikt, en bij het toestaan van een tijdelijke afwijking van deze doelstelling voor lidstaten die de doelstelling wel hebben bereikt, mits een passende veiligheidsmarge voor wat betreft de tekortreferentiewaarde is gewaarborgd en verwacht wordt dat de begrotingsituatie binnen de programmaperiode terugkeert naar de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, houden de Raad en de Commissie rekening met de uitvoering van grote structurele hervormingen die direct positieve lange termijneffecten voor de begroting hebben, mede doordat zij de potentiële duurzame groei verhogen, en bijgevolg een verifieerbare invloed op de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn hebben.

Bijzondere aandacht wordt besteed aan pensioenhervormingen die een meerpijlerstelsel invoeren, dat een verplichte pijler met volledige kapitaaldekking omvat. Het wordt lidstaten die dergelijke hervormingen doorvoeren, toegestaan om van het aanpassingstraject richting middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van de doelstelling zelf af te wijken, waarbij de afwijking het bedrag van de directe incrementele gevolgen van de hervorming voor het overheidssaldo moet weerspiegelen, mits een passende veiligheidsmarge ten opzichte van de referentiewaarde van het overheidstekort wordt aangehouden.

De Raad en de Commissie onderzoeken voorts of het convergentieprogramma het verwezenlijken van duurzame en reële convergentie en de nauwere coördinatie van het economisch beleid bevordert, en ook of het economisch beleid van de betrokken lidstaat strookt met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en met de richtsnoeren inzake werkgelegenheid van de lidstaten en de Unie. Voorts onderzoekt de Raad voor de lidstaten die deel uitmaken van WKM2 of het convergentieprogramma een probleemloze deelname aan het wisselkoersmechanisme waarborgt.

In geval van een buitengewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijke invloed heeft op de financiële positie van de overheid, of in perioden van ernstige economische neergang in het eurogebied of in de Unie als geheel, kan het de lidstaten worden toegestaan om tijdelijk af te wijken van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting als bedoeld in de derde alinea, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.

2.  De Raad en de Commissie onderzoeken het convergentieprogramma binnen ten hoogste drie maanden na de indiening ervan. De Raad stelt op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité indien nodig een advies over het programma vast. Daar waar de Raad overeenkomstig artikel 121 VWEU van mening is dat de doelstellingen en de inhoud van het programma moeten worden aangescherpt met een specifieke verwijzing naar het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, verzoekt de Raad in zijn advies de betrokken lidstaat om zijn programma aan te passen.

Artikel 10

1.  Als onderdeel van het multilaterale toezicht overeenkomstig artikel 121, lid 3, VWEU, houden de Raad en de Commissie, op basis van de door de lidstaten met een vrijstelling verstrekte gegevens en de door de Commissie en het Economisch en Financieel Comité verrichte evaluaties, toezicht op de uitvoering van de convergentieprogramma's, met name om vast te stellen of de feitelijke of verwachte begrotingssituatie significant afwijkt van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van het passende aanpassingstraject in de richting van die doelstelling.

Tevens volgen de Raad en de Commissie het economisch beleid van de niet-deelnemende lidstaten in het licht van de doelstellingen van het convergentieprogramma, teneinde zeker te stellen dat hun beleid op stabiliteit is gericht, en aldus het onjuist gericht zijn van reële wisselkoersenverhoudingen en buitensporige schommelingen van de nominale wisselkoersen te voorkomen.

2.  Indien een significante afwijking van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting als bedoeld in artikel 9, lid 1, derde alinea, van deze verordening wordt vastgesteld, en ter voorkoming van een buitensporig tekort, richt de Commissie een waarschuwing tot de betrokken lidstaat in overeenstemming met artikel 121, lid 4, VWEU.

De Raad onderzoekt de situatie binnen een maand na de aanneming van de waarschuwing als bedoeld in de eerste alinea en stelt, op basis van een aanbeveling van de Commissie, krachtens artikel 121, lid 4, VWEU een aanbeveling voor de nodige beleidsmaatregelen vast. De aanbeveling legt een termijn op van ten hoogste vijf maanden om de afwijking te verhelpen. De termijn wordt tot drie maanden teruggebracht wanneer de Commissie, in haar waarschuwing, oordeelt dat de situatie bijzonder ernstig is en dringende maatregelen behoeft. De Raad maakt, op voorstel van de Commissie, de aanbeveling openbaar.

De betrokken lidstaat brengt binnen de termijn die de Raad in zijn aanbeveling uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU heeft vastgesteld, verslag uit aan de Raad over de maatregelen die zijn genomen in vervolg op de aanbeveling.

Indien de betrokken lidstaat geen passende maatregelen neemt binnen de in de aanbeveling van de Raad vastgestelde termijn als bedoeld in de tweede alinea, beveelt de Commissie de Raad onverwijld aan om bij gekwalificeerde meerderheid een besluit vast te stellen, waarin wordt vastgesteld dat geen effectieve actie is ondernomen. Tegelijkertijd kan de Commissie de Raad aanbevelen om uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU een herziene aanbeveling vast te stellen voor wat betreft de nodige beleidsmaatregelen.

In het geval dat de Raad het door de Commissie aanbevolen besluit dat er geen effectieve actie is ondernomen, niet vaststelt en de lidstaat blijft verzuimen passende stappen te ondernemen, beveelt de Commissie de Raad één maand na haar eerdere aanbeveling aan om het besluit vast te stellen, waarbij wordt vastgesteld dat geen effectieve actie is ondernomen. Het besluit wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld tenzij de Raad bij gewone meerderheid besluit de aanbeveling binnen tien dagen nadat zij door de Commissie is vastgesteld, te verwerpen. Tegelijk kan de Commissie de Raad aanbevelen om uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU een herziene aanbeveling vast te stellen voor wat betreft de nodige beleidsmaatregelen.

Bij besluiten aangaande gevallen van niet-naleving als bedoeld in de vierde en vijfde alinea houdt de Raad geen rekening met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt.

De Raad legt de Europese Raad een formeel verslag voor over de aldus genomen besluiten.

3.  Een afwijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van het passende aanpassingstraject ter verwezenlijking ervan wordt beoordeeld op grond van een algehele evaluatie met het structurele saldo als ijkpunt, waaronder ook een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde als omschreven in artikel 9, lid 1.

Bij de beoordeling of een afwijking als significant moet worden aangemerkt, wordt met name rekening gehouden met de volgende criteria:

a) voor een lidstaat die de middellangetermijndoelstelling voor de begroting niet heeft bereikt: bij de beoordeling van de verandering van het structurele saldo, of de afwijking ten minste 0,5 % van het bbp in een enkel jaar of gemiddeld ten minste 0,25 % van het bbp per jaar in twee opeenvolgende jaren bedraagt;

b) bij de beoordeling van de ontwikkeling van de uitgaven, ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde: of de afwijking een totale weerslag heeft op het overheidssaldo ter grootte van ten minste 0,5 % van het bbp in een enkel jaar of een cumulatieve weerslag van die grootte binnen twee opeenvolgende jaren.

De afwijking in de ontwikkeling van de uitgaven wordt niet als significant aangemerkt indien de betrokken lidstaat de middellangetermijndoelstelling voor de begroting heeft overtroffen, rekening houdend met de mogelijkheid van significante meevallers aan de inkomstenzijde, en de begrotingsplannen van het convergentieprogramma die doelstelling tijdens de programmaperiode niet in gevaar brengen.

De afwijking kan eveneens buiten beschouwing worden gelaten wanneer deze het resultaat is van een buitengewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijke invloed heeft op de financiële positie van de overheid, dan wel in geval van een ernstige economische neergang van het eurogebied of de Unie als geheel, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.

▼M2



AFDELING 3 BIS

BEGINSEL VAN STATISTISCHE ONAFHANKELIJKHEID

Artikel 10 bis

Om te verzekeren dat het multilaterale toezicht is gebaseerd op betrouwbare en onafhankelijke statistische gegevens, waarborgen de lidstaten de professionele onafhankelijkheid van de nationale statistische instanties, welke in overeenstemming moet zijn met de praktijkcode Europese statistieken zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek ( 3 ). Dit vereist ten minste:

a) transparante aanwervings- en ontslagprocessen welke uitsluitend gebaseerd zijn op professionele criteria;

b) toewijzing van budgetten welke op jaarlijkse of meerjarige basis worden vastgesteld;

c) een publicatiedatum voor belangrijke statistische informatie die aanzienlijke tijd vooraf wordt bepaald.

▼B



AFDELING 4

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

▼M2

Artikel -11

1.  De Commissie zorgt in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening voor een permanente dialoog met de ter zake bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Hiertoe voert de Commissie in het bijzonder missies uit ter evaluatie van de economische situatie in de lidstaten en ter identificatie van eventuele risico's of moeilijkheden bij de naleving van de doelstellingen van deze verordening.

2.  De Commissie kan missies voor versterkt toezicht ondernemen in lidstaten die het onderwerp zijn van op grond van artikel 6, lid 2, of artikel 10, lid 2, gedane aanbevelingen, met als doel monitoring ter plaatse. De betrokken lidstaten leveren alle informatie aan die nodig is voor de voorbereiding en de uitvoering van die missies.

3.  Wanneer de betrokken lidstaat een deelnemende lidstaat is of een lidstaat die deel uitmaakt van WKM2, kan de Commissie indien wenselijk vertegenwoordigers van de Europese Centrale Bank verzoeken om deel te nemen aan toezichtmissies.

4.  De Commissie brengt aan de Raad verslag uit over het resultaat van de in lid 2 bedoelde missies en kan indien nodig besluiten haar bevindingen openbaar te maken.

5.  Bij het organiseren van de in lid 2 bedoelde missies deelt de Commissie haar voorlopige bevindingen voor commentaar mee aan de betrokken lidstaten.

▼B

Artikel 11

Als onderdeel van het in deze verordening bedoelde multilaterale toezicht, verricht de Raad de in ►M2  artikel 121 ◄ , lid 3, VWEU bedoelde algehele evaluatie.

Artikel 12

In de verslagen van de Voorzitter van de Raad en de Commissie aan het Europees Parlement worden overeenkomstig ►M2  artikel 121 ◄ , lid 4, tweede alinea, de resultaten verwerkt van het multilaterale toezicht dat in het kader van deze verordening wordt uitgeoefend.

▼M2

Artikel 12 bis

1.  Uiterlijk 14 december 2014, en daarna elke vijf jaar, brengt de Commissie een verslag uit over de toepassing van deze verordening.

In dat verslag wordt onder meer beoordeeld:

a) de doeltreffendheid van deze verordening, en met name of de bepalingen met betrekking tot de besluitvorming voldoende robuust zijn gebleken,

b) de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economisch beleid en aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU.

2.  Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening, inclusief wat de besluitvormingsprocedures betreft.

3.  Het verslag wordt toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

▼B

Artikel 13

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 1998.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.



( 1 ) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

( 2 ) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41.

( 3 ) PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164.

Top