EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 01996L0016-20140110

Consolidated text: Richtlijn 96/16/EG van de Raad van 19 maart 1996 betreffende statistische enquêtes inzake melk en zuivelprodukten

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1996/16/2014-01-10

1996L0016 — NL — 10.01.2014 — 004.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

RICHTLIJN 96/16/EG VAN DE RAAD

van 19 maart 1996

betreffende statistische enquêtes inzake melk en zuivelprodukten

(PB L 078, 28.3.1996, p.27)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

 M1

VERORDENING (EG) Nr. 1882/2003 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 29 september 2003

  L 284

1

31.10.2003

►M2

RICHTLIJN 2003/107/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 5 december 2003

  L 7

40

13.1.2004

 M3

VERORDENING (EG) Nr. 219/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 maart 2009

  L 87

109

31.3.2009

►M4

VERORDENING (EU) Nr. 1350/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 december 2013

  L 351

1

21.12.2013




▼B

RICHTLIJN 96/16/EG VAN DE RAAD

van 19 maart 1996

betreffende statistische enquêtes inzake melk en zuivelprodukten



DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),

Gezien het advies van het Europees Parlement ( 2 ),

Overwegende dat Richtlijn 72/280/EEG van de Raad van 31 juli 1972 betreffende statistische enquêtes van de Lid-Staten inzake melk en zuivelprodukten ( 3 ) meerdere malen is gewijzigd; dat het, nu er opnieuw wijzigingen moeten worden aangebracht, omwille van de duidelijkheid wenselijk is om genoemde richtlijn te herwerken;

Overwegende dat de Commissie voor de vervulling van haar taken uit hoofde van het Verdrag en de communautaire bepalingen betreffende de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten behoefte heeft aan betrouwbare gegevens over de produktie en het gebruik van melk, en aan betrouwbare, regelmatige informatie op korte termijn over de levering van melk aan de ondernemingen die deze behandelen of verwerken, en over de produktie van zuivelprodukten in de Lid-Staten;

Overwegende dat er op basis van uniforme criteria overzichten van de produktie en het gebruik van melk op de landbouwbedrijven moeten worden opgesteld; dat de nauwkeurigheid van deze overzichten moet worden verbeterd en dat er in alle Lid-Staten maandelijkse enquêtes moeten worden gehouden bij de ondernemingen die de melk behandelen of verwerken;

Overwegende dat ter verkrijging van vergelijkbare resultaten gemeenschappelijke criteria moeten worden vastgesteld voor de afbakening van het waarnemingsgebied, de in de enquête op te nemen kenmerken en de enquêteringsmethoden;

Overwegende dat de bij de toepassing van de vorige regelgeving opgedane ervaring heeft aangetoond dat een verlichting van de daarin vervatte bepalingen, met name de opheffing van de verplichting om weekgegevens in te dienen, wenselijk is;

Overwegende dat, gezien het toenemende belang van het melkeiwitgehalte van zuivelprodukten, de nodige maatregelen moeten worden genomen;

Overwegende dat nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie, met name in het kader van het bij Besluit 72/279/EEG ( 4 ) ingestelde Permanent Comité voor de landbouwstatistiek, nodig is, teneinde de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de onderhavige richtlijn te vergemakkelijken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



Artikel 1

De Lid-Staten:

1. houden bij de in artikel 2 omschreven enquête-eenheden enquêtes betreffende de in artikel 4 gespecificeerde gegevens en stellen de Commissie in kennis van de maandelijkse, jaarlijkse en driejaarlijkse resultaten daarvan;

▼M4

2. stellen jaarlijks bij de landbouwbedrijven in de zin van artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1166/2008 van het Europees Parlement en de Raad ( 5 ) overzichten op van de productie en het gebruik van melk.

▼B

3. zijn gemachtigd gegevens uit andere officiële bronnen te gebruiken, mits de Commissie daarmee instemt.

Artikel 2

De in artikel 1, punt 1, bedoelde enquêtes hebben betrekking op:

1. ondernemingen of landbouwbedrijven die volle melk — en eventueel zuivelprodukten — kopen, hetzij rechtstreeks bij landbouwbedrijven, hetzij bij de in punt 2 bedoelde ondernemingen teneinde deze te verwerken tot zuivelprodukten;

2. ondernemingen die melk of room ophalen en deze, zonder behandeling of verwerking, volledig of gedeeltelijk aan de in punt 1 bedoelde ondernemingen overdragen.

De Lid-Staten nemen passende maatregelen om bij de presentatie van de resultaten dubbeltellingen zoveel mogelijk te voorkomen.

Artikel 3

1.  Als melk in de zin van deze richtlijn wordt beschouwd koe-, schape-, geite- en buffelmelk. De maandelijkse enquêtes als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), zijn beperkt tot koemelk en uitsluitend met koemelk bereide produkten.

▼M4

2.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 6 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst van zuivelproducten waarop de enquêtes betrekking hebben en tot bepaling van de bij de mededeling van de resultaten voor de verschillende producten toepasselijke uniforme definities.

Die gedelegeerde handelingen worden alleen vastgesteld wanneer zij noodzakelijk zijn om rekening te houden met economische en technische ontwikkelingen; zij veranderen het facultatieve karakter van de vereiste informatie niet en zij leggen de lidstaten of de respondenten geen aanzienlijke extra lasten op.

De Commissie motiveert de in de gedelegeerde handelingen vastgestelde statistische maatregelen naar behoren en maakt daarbij in voorkomend geval gebruik van bijdragen van relevante deskundigen op basis van een kostenefficiëntieanalyse, met inbegrip van een evaluatie van de lasten voor de respondenten en de productiekosten, als bedoeld in artikel 14, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad ( 6 ).

▼B

Artikel 4

1.  De in artikel 1, punt 1, bedoelde enquêtes worden zodanig opgezet dat ten minste de onder a), b) en c) bedoelde gegevens kunnen worden medegedeeld.

De vragenlijsten worden zodanig opgesteld dat dubbeltellingen worden voorkomen.

De gegevens hebben betrekking op:

a) maandelijks:

i) de opgehaalde hoeveelheden melk en room en het vetgehalte daarvan, alsmede het eiwitgehalte van de opgehaalde koemelk;

ii) de hoeveelheid van bepaalde behandelde en voor levering beschikbare verse zuivelprodukten en van bepaalde vervaardigde zuivelprodukten;

b) jaarlijks:

i) de hoeveelheid en het vet- en eiwitgehalte van de beschikbare melk en room;

ii) de hoeveelheid behandelde en voor levering beschikbare verse zuivelprodukten, alsmede de hoeveelheid vervaardigde overige zuivelprodukten, uitgesplitst naar soort;

iii) het gebruik van de grondstoffen in de vorm van volle en magere melk, en de bij de bereiding van zuivelprodukten gebruikte hoeveelheid vetten;

▼M2

iv) het eiwitgehalte van de voornaamste zuivelproducten; volgens de geschiktste schattings- of meetmethode om de betrouwbaarheid van de gegevens te waarborgen;

v) de hoeveelheid op de landbouwbedrijven geproduceerde koemelk op basis van de regio, territoriale eenheid op NUTS 2-niveau, volgens de geschiktste schattings- of meetmethode om de betrouwbaarheid van de gegevens te waarborgen;

▼B

c) om de drie jaar (vanaf 31 december 1997):

het aantal enquête-eenheden als bedoeld in artikel 2, naar grootteklasse.

▼M2 —————

▼B

Artikel 5

1.  Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea, worden de in artikel 1, punt 1, bedoelde enquêtes gehouden als volledige tellingen bij zuivelfabrieken die samen ten minste 95 % van de koemelk in de betrokken Lid-Staat ophalen; het saldo wordt geschat op basis van representatieve steekproeven of van gegevens uit andere bronnen.

De Lid-Staten kunnen de in artikel 4, lid 1, onder a), bedoelde maandelijkse enquêtes uitvoeren door middel van representatieve steekproeven. In dit geval mag de steekproeffout niet meer bedragen van 1 % (betrouwbaarheidsinterval van 68 %) van de totale in het land opgehaalde hoeveelheid melk en room.

2.  De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om volledige resultaten te verkrijgen met een toereikende graad van nauwkeurigheid. Zij doen de Commissie, in de vorm van een methodologisch rapport, alle gegevens toekomen die de beoordeling van de nauwkeurigheid van de ingezonden resultaten mogelijk maken, met name:

a) de gebruikte vragenlijsten;

b) de methoden ter voorkoming van dubbeltellingen;

c) de methoden voor de omzetting van de met behulp van vragenlijsten verkregen gegevens in de communautaire tabellen.

▼M4

De methodologische rapporten, de beschikbaarheid en de betrouwbaarheid van de gegevens en andere met de toepassing van deze richtlijn samenhangende vraagstukken worden eenmaal per jaar met de lidstaten besproken. De lidstaten verstrekken de Commissie jaarlijks de methodologische informatie met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gegevens, en maken daarbij gebruik van een standaardvragenlijst. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot bepaling van die standaardvragenlijsten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 7, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

▼B

Artikel 6

▼M4

1.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot bepaling van tabellen voor de indiening van de gegevens. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 7, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

▼B

Volgens dezelfde procedure kunnen deze tabellen worden gewijzigd.

2.  De Lid-Staten dienen de in lid 3 bedoelde resultaten, inclusief de gegevens die krachtens hun nationale wetgeving of de regels op het gebied van de statistische geheimhouding als vertrouwelijk zijn bestempeld, in overeenkomstig de bepalingen van Verordening (Euratom, EEG) nr. 1588/90 van de Raad van 11 juni 1990 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen ( 7 ).

3.  De Lid-Staten zenden de Commissie zo spoedig mogelijk na de samenvatting van de gegevens, en uiterlijk:

a) 45 dagen na het eind van de referentiemaand, de maandelijkse resultaten als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a);

b) in juni van het jaar volgende op het referentiejaar:

 de jaarlijkse resultaten als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b);

▼M2 —————

▼M2

c) in september van het jaar volgende op het jaar van de referentiedatum, de resultaten als bedoeld in artikel 1, punt 2, en artikel 4, lid 1, onder b), v), en artikel 4, lid 1, onder c).

▼B

4.  De Commissie brengt de door de Lid-Staten ingediende gegevens samen en deelt hun alle resultaten mede.

▼M4

Artikel 6 bis

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 3, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 10 januari 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van een termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

▼M4

Artikel 7

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EG) nr. 223/2009 ingestelde Comité voor het Europees statistisch systeem. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( 8 ).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

▼B

Artikel 8

Uiterlijk op 1 juli 1999 legt de Commissie aan de Raad een verslag voor over de bij de toepassing van deze richtlijn opgedane ervaring. Bij die gelegenheid legt zij met name de resultaten voor van de in artikel 4, lid 2, bedoelde analyse, in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor de definitieve periode.

Artikel 9

1.  Richtlijn 72/280/EEG wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 1997.

2.  Verwijzingen naar Richtlijn 72/280/EEG worden beschouwd als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn.

Artikel 10

1.  De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 1 januari 1997 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2.  De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mee van de belangrijke bepalingen van intern recht die zij op het door de richtlijn bestreken gebied nemen.

Artikel 11

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 12

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.



( 1 ) PB nr. C 321 van 1.12.1995, blz. 6.

( 2 ) PB nr. C 32 van 5.2.1996.

( 3 ) PB nr. L 179 van 7.8.1972, blz. 2. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

( 4 ) PB nr. L 179 van 7.8.1972, blz. 1.

( 5 ) Verordening (EG) nr. 1166/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende enquêtes naar de structuur van de landbouwbedrijven en de enquête naar de productiemethoden in de landbouw en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 571/88 van de Raad (PB L 321 van 1.12.2008, blz. 14).

( 6 ) Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).

( 7 ) PB nr. L 151 van 15.6.1990, blz. 1.

( 8 ) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

Top