EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 01991R1534-20040501

Consolidated text: Verordening (EEG) nr. 1534/91 van de Raad van 31 mei 1991 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op bepaalde groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de verzekeringssector

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1991/1534/2004-05-01

Geconsolideerde TEKST: 31991R1534 — NL — 01.05.2004

1991R1534 — NL — 01.05.2004 — 001.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

VERORDENING (EEG) Nr. 1534/91 VAN DE RAAD

van 31 mei 1991

betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op bepaalde groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de verzekeringssector

(PB L 143, 7.6.1991, p.1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

►M1

Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002

  L 1

1

4.1.2003




▼B

VERORDENING (EEG) Nr. 1534/91 VAN DE RAAD

van 31 mei 1991

betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op bepaalde groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de verzekeringssector



DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 87,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 ),

Overwegende dat de bepalingen van artikel 85, lid 1, van het Verdrag overeenkomstig lid 3 van dat artikel voor groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die aan de in dat lid 3 genoemde voorwaarden voldoen, buiten toepassing kunnen worden verklaard;

Overwegende dat de toepassingsbepalingen van artikel 85, lid 3, moeten worden vastgesteld bij een op artikel 87 stoelende verordening;

Overwegende dat samenwerking tussen ondernemingen in de verzekeringssector tot op zekere hoogte gewenst is voor een goed functioneren van die sector en terzelfder tijd de belangen van de consument kan dienen;

Overwegende dat de Commissie in het kader van de toepassing van Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen ( 4 ) streng toezicht kan uitoefenen op concentratievraagstukken in alle sectoren, inclusief de verzekeringssector;

Overwegende dat vrijstellingen krachtens artikel 85, lid 3, zelf niet van invloed kunnen zijn op communautaire en nationale voorschriften ter bescherming van de consumentenbelangen in deze sector;

Overwegende dat de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe bijdragen dit doel te bereiken, voor zover zij onder het verbod van artikel 85, lid 1, vallen, onder bepaalde voorwaarden van dat verbod kunnen worden vrijgesteld; dat dit in het bijzonder het geval is voor overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde gedragingen in verband met gemeenschappelijke risicopremietarieven die op collectief opgestelde statistieken of het aantal schadegevallen berusten, standaardpoliscondities, het gemeenschappelijk verzekeren van bepaalde standaardrisico's, de schadeafwikkeling, het onderzoek en de goedkeuring van veiligheidsvoorzieningen en registers van alsmede informatie omtrent verhoogde risico's;

Overwegende dat het, gezien het grote aantal aanmeldingen op grond van Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962: Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag ( 5 ), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal, wenselijk is de Commissie, ten einde haar taak te vergemakkelijken, de mogelijkheid te geven bij verordening te verklaren dat de bepalingen van artikel 85, lid 1, niet op bepaalde groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van toepassing zijn;

Overwegende dat dient te worden vastgesteld onder welke voorwaarden de Commissie, in nauw en voortdurend contact met de bevoegde instanties van de Lid-Staten, deze bevoegdheid kan uitoefenen;

Overwegende dat de Commissie bij de uitoefening van dergelijke bevoegdheden niet alleen rekening houdt met het gevaar dat de mededinging verdwijnt in een wezenlijk deel van de relevante markt en met mogelijke voordelen die de verzekeringnemers ten gevolge van de overeenkomsten ten goede komen, maar ook met het gevaar dat voor de verzekeringnemers zou voortvloeien uit de uitbreiding van belemmerende clausules en het gebruik van „brievenbus”-maatschappijen;

Overwegende dat het bijhouden van de registers en de behandeling van informatie betreffende verzwaarde risico's zodanig moet gebeuren, dat de vertrouwelijkheid wordt beschermd;

Overwegende dat de Commissie krachtens artikel 6 van Verordening nr. 17 kan bepalen dat een beschikking overeenkomstig artikel 85, lid 3, van het Verdrag met terugwerkende kracht geldt; dat het wenselijk is dat de Commissie de bevoegdheid krijgt datzelfde bij verordening te bepalen;

Overwegende dat krachtens artikel 7 van Verordening nr. 17 overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen bij beschikking van de Commissie van het verbod kunnen worden vrijgesteld, met name indien zij in dier voege worden gewijzigd dat artikel 85, lid 3, daarop van toepassing is; dat het gewenst is dat de Commissie met betrekking tot deze overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde gedragingen datzelfde eveneens bij verordening kan bepalen indien zij zodanig worden gewijzigd dat zij onder een in een vrijstellingsverordening omschreven groep vallen;

Overwegende dat de mogelijkheid niet kan worden uitgesloten dat in een specifiek geval aan de voorwaarden in artikel 85, lid 3, niet is voldaan; dat de Commissie de bevoegdheid moet hebben een dergelijk geval overeenkomstig Verordening nr. 17 bij beschikking te regelen met werking voor de toekomst,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:



Artikel 1

1.  Onverminderd de toepassing van Verordening nr. 17 kan de Commissie, overeenkomstig artikel 85, lid 3, van het Verdrag, bij verordening verklaren dat artikel 85, lid 1, niet van toepassing is op groepen overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de verzekeringssector die betrekking hebben op samenwerking ten aanzien van:

a) gemeenschappelijke risicopremietarieven die op collectief opgestelde statistieken of op het aantal schadegevallen berusten;

b) gemeenschappelijke standaardpoliscondities;

c) het gemeenschappelijk verzekeren van bepaalde standaardrisico's;

d) de schadeafwikkeling;

e) het onderzoek en de goedkeuring van veiligheidsvoorzieningen;

f) registers van en informatie omtrent verhoogde risico's, op voorwaarde dat het bijhouden van deze registers en de behandeling van deze informatie zodanig gebeurt dat de vertrouwelijkheid wordt beschermd.

2.  In de in lid 1 bedoelde verordening van de Commissie moeten de groepen overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen worden omschreven waarop zij van toepassing is en moet met name worden aangegeven:

a) welke beperkingen of bedingen al dan niet in de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen mogen voorkomen;

b) welke bedingen in de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen moeten voorkomen of aan welke andere voorwaarden moet zijn voldaan.

Artikel 2

Verordeningen overeenkomstig artikel 1 worden voor een bepaalde periode vastgesteld.

Verordeningen kunnen worden ingetrokken of gewijzigd indien de omstandigheden met betrekking tot een punt van wezenlijk belang voor de vaststelling ervan zijn gewijzigd; in dat geval wordt voor de aanpassing van de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarop de vorige verordening van toepassing is, een termijn vastgesteld.

Artikel 3

In een verordening overeenkomstig artikel 1 kan worden bepaald dat zij met terugwerkende kracht van toepassing is op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarop op de datum van inwerkingtreding van die verordening een met terugwerkende kracht gegeven beschikking op grond van artikel 6 van Verordening nr. 17 van toepassing zou zijn geweest.

Artikel 4

1.  In een verordening overeenkomstig artikel 1 kan worden bepaald dat het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, voor een in die verordening vast te stellen tijdsduur niet geldt voor overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die reeds op 13 maart 1962 bestonden en die niet aan de voorwaarden van artikel 85, lid 3, voldoen, indien:

 zij binnen zes maanden na de inwerkingtreding van die verordening in dier voege worden gewijzigd dat zij volgens de bepalingen van die verordening aan de genoemde voorwaarden voldoen en

 de wijzigingen binnen de in die verordening gestelde termijn ter kennis van de Commissie worden gebracht.

De eerste alinea is op overeenkomstige wijze van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die op het tijdstip van toetreding van de nieuwe Lid-Staten bestonden, die ingevolge de toetreding onder artikel 85, lid 1, vallen en die niet aan de voorwaarden van artikel 85, lid 3, voldoen.

2.  Op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die overeenkomstig artikel 5 van Verordening nr. 17 vóór 1 februari 1963 aangemeld moesten worden, is lid 1 slechts van toepassing indien zij vóór genoemde datum zijn aangemeld.

Op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die op het tijdstip van toetreding van de nieuwe Lid-Staten bestonden, ingevolge de toetreding onder artikel 85, lid 1, vallen en overeenkomstig de artikelen 5 en 25 van Verordening nr. 17 binnen zes maanden na de datum van toetreding aangemeld moesten worden, is lid 1 slechts van toepassing indien zij binnen die periode zijn aangemeld.

3.  Op de krachtens lid 1 vastgestelde bepalingen kan geen beroep worden gedaan in rechtsgedingen die aanhangig zijn op de datum van inwerkingtreding van een verordening overeenkomstig artikel 1; op die bepalingen kan evenmin een beroep worden gedaan als grond voor een vordering tot schadevergoeding jegens derden.

Artikel 5

Alvorens een verordening vast te stellen, publiceert de Commissie een ontwerp ten einde alle betrokken personen en organisaties de gelegenheid te geven binnen een door de Commissie vast te stellen termijn van ten minste één maand hun opmerkingen kenbaar te maken.

Artikel 6

1.  De Commissie raadpleegt het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities alvorens

a) een ontwerp-verordening te publiceren;

b) een verordening vast te stellen.

2.  Artikel 10, leden 5 en 6, van Verordening nr. 17 inzake de raadpleging van het Adviescomité is van toepassing. Gemeenschappelijke bijeenkomsten met de Commissie zullen echter niet eerder plaatsvinden dan één maand na de verzending van de uitnodigingen daartoe.

▼M1 —————

▼B

Artikel 8

De Commissie legt uiterlijk zes jaar na de inwerkingtreding van de in artikel 1 bedoelde verordening van de Commissie aan het Europese Parlement en aan de Raad een verslag over de werking van deze verordening voor, vergezeld van in het licht van de opgedane ervaring noodzakelijk geachte voorstellen tot wijziging van de onderhavige verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.



( 1 ) PB nr. C 16 van 23. 1. 1990, blz. 13.

( 2 ) PB nr. C 260 van 15. 10. 1990, blz. 57.

( 3 ) PB nr. C 182 van 23. 7. 1990, blz. 27.

( 4 ) PB nr. L 395 van 30. 12. 1989, blz. 1.

( 5 ) PB nr. 13 van 21. 2. 1962, blz. 204/62.

Top