This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62024CC0076
Opinion of Advocate General Spielmann delivered on 27 March 2025.#Tradeinn Retail Services S.L. v PH.#Request for a preliminary ruling from the Bundesgerichtshof.#Reference for a preliminary ruling – Intellectual property – Trade marks – Directive (EU) 2015/2436 – Approximation of the laws of the Member States relating to trade marks – Article 10(3)(b) – Rights conferred by a trade mark – Right to prevent a third party from offering the goods, putting them on the market or stocking them for those purposes under the sign – Online trade – Goods offered for sale from a Member State other than that in which the mark is registered – Concept of ‘stocking’.#Case C-76/24.
Conclusie van advocaat-generaal D. Spielmann van 27 maart 2025.
Tradeinn Retail Services S.L. tegen PH.
Verzoek van het Bundesgerichtshof om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Merken – Richtlijn (EU) 2015/2436 – Aanpassing van het merkenrecht der lidstaten – Artikel 10, lid 3, onder b) – Rechten verbonden aan het merk – Recht om een derde het onder het teken aanbieden of in de handel brengen, of daartoe in voorraad hebben van waren te verbieden – Onlinehandel – Waren die te koop worden aangeboden vanuit een andere lidstaat dan die waar het merk is ingeschreven – Begrip ‚in voorraad hebben’.
Zaak C-76/24.
Conclusie van advocaat-generaal D. Spielmann van 27 maart 2025.
Tradeinn Retail Services S.L. tegen PH.
Verzoek van het Bundesgerichtshof om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Merken – Richtlijn (EU) 2015/2436 – Aanpassing van het merkenrecht der lidstaten – Artikel 10, lid 3, onder b) – Rechten verbonden aan het merk – Recht om een derde het onder het teken aanbieden of in de handel brengen, of daartoe in voorraad hebben van waren te verbieden – Onlinehandel – Waren die te koop worden aangeboden vanuit een andere lidstaat dan die waar het merk is ingeschreven – Begrip ‚in voorraad hebben’.
Zaak C-76/24.
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2025:220
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
D. SPIELMANN
van 27 maart 2025 ( 1 )
Zaak C‑76/24
Tradeinn Retail Services S.L.
tegen
PH
[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Nationale merken – Richtlijn (EU) 2015/2436 – Artikel 10, lid 3, onder b) – Aan het merk verbonden rechtsgevolgen – Recht om derden te verbieden waren in voorraad te hebben teneinde ze aan te bieden of in de handel te brengen – Begrip ‚daartoe in voorraad hebben’ van waren – Daartoe in voorraad hebben van waren in een andere lidstaat – Territorialiteitsbeginsel – Onlineverkoop – Verzending van waren naar de lidstaat van de merkenrechtelijke bescherming”
Inleiding
|
1. |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn (EU) 2015/2436. ( 2 ) |
|
2. |
Dit verzoek is ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), dat na beslissingen van een rechter van eerste aanleg en een rechter in hoger beroep in laatste instantie uitspraak moet doen in een geding tussen PH, houder van Duitse merken voor duikaccessoires, en Tradeinn Retail Services S.L. (hierna: „TRS”), een in Spanje gevestigde vennootschap, betreffende een vordering tot staking van het gebruik van die merken. |
|
3. |
Het Hof moet zich buigen over de vraag welke rechten zijn verbonden aan een op het grondgebied van een lidstaat beschermd nationaal merk, wanneer derden in een andere lidstaat waren in voorraad hebben waarop dit merk is aangebracht, teneinde deze waren aan te bieden of in de handel te brengen in de lidstaat waar het merk is beschermd. |
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
|
4. |
Artikel 10 van richtlijn 2015/2436 („Rechten verbonden aan het merk”) luidt: „1. De inschrijving van een merk geeft de houder daar een uitsluitend recht op. 2. Onverminderd de rechten van houders die vóór de datum van indiening of de datum van voorrang van het ingeschreven merk zijn verkregen, is de houder van een ingeschreven merk gerechtigd, iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, te verhinderen in het economische verkeer met betrekking tot waren of diensten gebruik te maken van een teken wanneer dit teken:
3. Met name kan krachtens lid 2 worden verboden: […]
[…]
[…]” |
Duits recht
|
5. |
Onder het opschrift „Uitsluitend recht van de merkhouder, verbodsactie, recht op schadevergoeding”, strekt § 14, leden 1 tot en met 3, van het Gesetz über den Schutz von Marken und sonstigen Kennzeichen – Markengesetz (wet inzake de bescherming van merken en andere onderscheidende tekens – merkenwet) van 25 oktober 1994 (BGBl. 1994 I, blz. 3082), zoals gewijzigd bij het Gesetz zur Umsetzung der Richtlinie (EU) 2015/2436 des Europäischen Parlaments und des Rates vom 16. Dezember 2015 zur Angleichung der Rechtsvorschriften der Mitgliedstaaten über die Marken (Markenrechtsmodernisierungsgesetz) (wet tot omzetting van richtlijn 2015/2436) van 11 december 2018 (BGBl. 2018 I, blz. 2357) (hierna: „MarkenG”), tot omzetting van artikel 10, leden 1 tot en met 3, van richtlijn 2015/2436. |
|
6. |
Ingevolge § 14, lid 2, eerste volzin, punt 1, MarkenG is het derden verboden om, zonder toestemming van de merkhouder, in het economisch verkeer voor waren of diensten gebruik te maken van een teken dat gelijk is aan het merk voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk is beschermd. |
|
7. |
Overeenkomstig § 14, lid 3, punten 2 en 6, MarkenG is het, wanneer aan de in lid 2 van dit artikel genoemde voorwaarden is voldaan, in het bijzonder verboden om waren onder het teken aan te bieden, in de handel te brengen of daartoe in voorraad te hebben, alsook om het teken te gebruiken in papieren voor zakelijk gebruik en in advertenties. |
|
8. |
Krachtens § 14, lid 5, MarkenG kan door de merkhouder tegen eenieder die in strijd met de leden 2 tot en met 4 een teken gebruikt een stakingsvordering worden ingesteld wanneer er herhalingsgevaar bestaat. Dit recht bestaat ook wanneer een inbreuk voor het eerst dreigt plaats te vinden. |
Feiten, hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
|
9. |
PH is houder van de hieronder afgebeelde twee Duitse beeldmerken met woordelementen die onder meer zijn ingeschreven voor „duiktoestellen, duikpakken, duikhandschoenen, duikmaskers en ademhalingstoestellen voor het duiken”: |
|
10. |
TRS, gevestigd in Spanje, heeft via haar website www.scubastore.com alsook via het handelsplatform www.amazon.de reclame gemaakt voor duikaccessoires die zij te koop heeft aangeboden met gebruikmaking van de merken van PH. Op sommige foto’s van de waren was te zien dat deze merken erop waren aangebracht. Dit was het geval bij een loodzak die PH op 8 juni 2019 bij wijze van proefaankoop had gekocht, maar die aan PH werd geleverd zonder dat deze merken op deze waar en de verpakking ervan waren aangebracht. |
|
11. |
Na een vergeefse sommering heeft PH bij het Landgericht Nürnberg‑Fürth (rechter in eerste aanleg Neurenberg‑Fürth, Duitsland) geëist TRS te bevelen het gebruik van de betrokken merken voor duikaccessoires in Duitsland in het economisch verkeer te staken. In het bijzonder heeft hij verzocht om TRS te verbieden deze tekens aan te brengen op duikaccessoires en de verpakking ervan, deze aan te bieden, te vervaardigen, te verkopen of anderszins in de handel te brengen en te adverteren met duikaccessoires waarop deze tekens zijn aangebracht, of deze voor bovengenoemde doeleinden in voorraad te hebben. PH heeft ook verzocht TRS te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, tot het verstrekken van bepaalde informatie en tot vergoeding van de kosten van de sommering, vermeerderd met rente. |
|
12. |
TRS heeft de vordering tot staking van het aanbieden van of het adverteren met duikaccessoires onder de betrokken merken en tot verstrekking van bepaalde informatie aanvaard, evenals de vordering tot vaststelling dat zij in dit verband verplicht is om schadevergoeding te betalen. |
|
13. |
Bij vonnis van 3 februari 2022 heeft het Landgericht Nürnberg‑Fürth TRS overeenkomstig haar gedeeltelijke aanvaarding veroordeeld, en voorts een bedrag ter zake van de sommeringskosten, vermeerderd met rente, aan PH toegekend. De vordering is voor het overige afgewezen. |
|
14. |
In het door PH ingestelde hoger beroep heeft het Oberlandesgericht Nürnberg (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Beieren, Neurenberg, Duitsland) het stakingsvonnis uitgebreid, met name door de toevoeging van de woorden „alsook te verkopen of daartoe in voorraad te hebben”, en dit hoger beroep voor het overige verworpen. |
|
15. |
Met haar beroep in Revision bij het Bundesgerichtshof, de verwijzende rechter, komt TRS met name op tegen haar veroordeling door het Oberlandesgericht Nürnberg wegens het in voorraad hebben van duikaccessoires die inbreuk zouden maken op de merken van PH, en verzoekt zij om herstel van het vonnis in eerste aanleg van het Landgericht Nürnberg‑Fürth. |
|
16. |
Volgens de verwijzende rechter vergt de in § 14, leden 2 en 3, punt 2, MarkenG bedoelde handeling bestaande in het onrechtmatig in voorraad hebbende combinatie van een materieel element, namelijk het in voorraad hebben van waren die inbreuk maken op het merkrecht, en een element van opzet, namelijk de wil om de waren in voorraad te hebben teneinde deze door enige rechtshandeling, daaronder begrepen het aanbieden ervan, in de handel te brengen. Aangezien deze regels tot doel hebben om artikel 10, lid 2, onder a), en lid 3, onder b) en e), van richtlijn 2015/2436 om te zetten, moeten zij overeenkomstig die richtlijn worden uitgelegd. |
|
17. |
De twijfels van de verwijzende rechter hebben betrekking op het materiële element. In de eerste plaats merkt de verwijzende rechter op dat krachtens het territorialiteitsbeginsel, dat de intellectuele eigendom beheerst, de bescherming van een Duits merk beperkt is tot het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland en dat alleen tegen op dit grondgebied verrichte handelingen kan worden opgetreden. In het licht van dit beginsel rijst bij hem de vraag of de houder van een nationaal merk op grond van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 aan een derde een verbod kan laten opleggen om in het buitenland waren in voorraad te hebben die inbreuk maken op zijn merk, teneinde deze waren aan te bieden of in de handel te brengen in het land waar het merk wordt beschermd. |
|
18. |
Volgens de verwijzende rechter kan deze bepaling op twee manieren worden uitgelegd. Zo zou op grond van het territorialiteitsbeginsel kunnen worden geoordeeld dat degene die in het buitenland waren in voorraad heeft geen inbreuk maakt op een nationaal merk, ook al heeft dit in voorraad hebben tot doel de waren onder het teken op het betrokken nationale grondgebied aan te bieden of deze daar in de handel te brengen. |
|
19. |
Evenwel is ook het oordeel denkbaar – zoals dat van de rechter in hoger beroep – dat het voor de vaststelling van een inbreuk op een nationaal merk volstaat dat de betrokken waren in het buitenland in voorraad worden gehouden met het oogmerk deze onder het teken aan te bieden en in de handel te brengen in de lidstaat waar die waren door het merk zijn beschermd. Ter ondersteuning van deze uitlegging verwijst de verwijzende rechter naar een arrest van het Hof ( 3 ) waarin op het gebied van het auteursrecht is geoordeeld dat een auteursrecht dat alleen nationale bescherming geniet, ook kan worden geschonden door in het buitenland verrichte handelingen. |
|
20. |
In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of het begrip „in voorraad hebben” in de zin van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 („besitzen” in de Duitstalige versie) vereist dat er daadwerkelijk over merkinbreukmakende waren kan worden beschikt, of dat het volstaat dat er invloed kan worden uitgeoefend op de persoon die daadwerkelijk over die waren beschikt. |
|
21. |
Dienaangaande zet de verwijzende rechter uiteen dat naar Duits recht het begrip „Besitz” ruim wordt opgevat en hieronder zowel onmiddellijk bezit als middellijk bezit valt. In het geval van onmiddellijk bezit wordt het bezit van een goed verkregen door het verwerven van de feitelijke beschikkingsmacht erover en eindigt het bezit wanneer de bezitter afstand doet van de feitelijke beschikkingsmacht of die verliest. Wanneer daarentegen iemand een zaak bezit krachtens een contractuele verhouding op grond waarvan hij ten opzichte van een andere persoon tijdelijk gerechtigd of verplicht is om dat goed in bezit te houden, dan is die derde daarvan de „middellijke bezitter”. De verwijzende rechter geeft in die zin het voorbeeld van een koop op afstand, waarbij de verkoper die de waren verzendt op het moment van overhandiging van de waren aan de logistieke dienstverlener, die de goederen van de verkoper naar de koper vervoert, de middellijke bezitter wordt, terwijl deze vervoerder de hoedanigheid van onmiddellijke bezitter verkrijgt. |
|
22. |
Hoewel TRS naar Duits recht dus als middellijke bezitter kan worden aangemerkt, betwijfelt de verwijzende rechter of ook het bezit van derden onder artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 valt. Dienaangaande beroept hij zich op de conclusie van advocaat‑generaal Campos Sánchez‑Bordona in de zaak Coty Germany ( 4 ), waaruit blijkt dat het begrip „in voorraad hebben” niet in alle taalversies van artikel 9 van verordening (EU) 2017/1001 ( 5 ) voorkomt, aangezien in sommige taalversies de voorkeur wordt gegeven aan werkwoorden of zelfstandige naamwoorden die verwijzen naar de „opslag” van waren, hetgeen rechtstreekse toegang tot de waren zou vereisen. |
|
23. |
De verwijzende rechter herinnert er evenwel aan dat het Unierecht het reeds mogelijk heeft gemaakt om door een logistieke dienstverlener of een vervoerder verrichte handelingen die inbreuk maken op een nationaal intellectuele‑eigendomsrecht, aan een marktdeelnemer toe te rekenen. ( 6 ) |
|
24. |
In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
|
25. |
De houder van de Duitse merken en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. |
Analyse
|
26. |
Krachtens artikel 10, lid 1, van richtlijn 2015/2436 geeft de inschrijving van een merk de merkhouder daarop een uitsluitend recht dat volgens artikel 10, lid 2, onder a), van die richtlijn, deze houder het recht geeft iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, te verhinderen in het economisch verkeer gebruik te maken van een teken dat gelijk is aan dat merk met betrekking tot dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven. Artikel 10, lid 3, van deze richtlijn bevat vervolgens een niet‑limitatieve opsomming van verschillende vormen van gebruik die de merkhouder kan verbieden. ( 7 ) In het bijzonder bepaalt artikel 10, lid 3, onder b), van deze richtlijn dat de houder van een ingeschreven merk het aanbieden of in de handel brengen, of daartoe in voorraad hebben van waren waarop zijn merk is aangebracht kan verbieden. |
|
27. |
Vooraf zij eraan herinnerd dat het kenmerkend is voor de merkenbescherming in de Europese Unie dat verschillende beschermingsregelingen naast elkaar bestaan. Ten eerste heeft de Uniewetgever zich met richtlijn 2015/2436 ingespannen om de nationale wetgevingen voor merkenrecht onderling aan te passen. Ten tweede is bij verordening 2017/1001 een uniform merkenrecht ingevoerd dat voor het hele grondgebied van de Unie geldt. Het merkenrecht van de Unie treedt niet in de plaats van het merkenrecht van de lidstaten, maar vult de nationale beschermingssystemen aan. De nationale merken blijven bestaan omdat zij noodzakelijk worden geacht voor ondernemingen die hun merk niet op Unieniveau wensen te beschermen. ( 8 ) |
|
28. |
Ik breng tevens in herinnering dat de rechtsgevolgen van een nationaal merk op grond van het territorialiteitsbeginsel (lex loci protectionis) beperkt zijn tot het grondgebied van de staat waar het merk wordt beschermd. ( 9 ) Dit beginsel houdt in dat het recht van de staat waar bescherming van een merk wordt verlangd, de voorwaarden van die bescherming bepaalt. Bovendien kan met het nationale recht slechts worden opgetreden tegen handelingen die op het grondgebied van de betrokken staat zijn verricht. Hieruit volgt dat de houder van een nationaal merk zich in de regel niet op die bescherming kan beroepen buiten dat grondgebied. ( 10 ) Dit beginsel geldt ook voor Uniemerken, aangezien een op het niveau van de Unie verkregen bescherming de houder in beginsel niet het recht geeft op bescherming in gebieden buiten de Unie. ( 11 ) |
|
29. |
In casu is het territorialiteitsbeginsel op zich geen voorwerp van discussie. Wel rijst de vraag of zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin handelingen in het buitenland als een inbreuk op een nationaal merkrecht worden beschouwd, met als gevolg dat de houder van dat recht zich op artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 kan beroepen om het aanbieden of in de handel brengen, of daartoe in voorraad hebben van waren die van zijn nationale merk zijn voorzien te verbieden. Met de twee prejudiciële vragen wordt meer in het bijzonder beoogd de strekking te bepalen van een van deze handelingen die de houder van een beschermd merk kan verbieden, namelijk het „daartoe in voorraad hebben [van waren]”. |
|
30. |
In dit verband voeg ik eraan toe dat het Hof reeds heeft kunnen verduidelijken dat uit de bewoordingen van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 naar voren komt dat het begrip „daartoe in voorraad hebben” ziet op het in voorraad hebben om de waren aan te bieden of in de handel te brengen. Hieruit volgt dat, om het in voorraad hebben van waren die zijn voorzien van tekens die gelijk zijn aan een beschermd merk te kunnen aanmerken als „gebruik” van dit teken in de zin van artikel 10, lid 2, van deze richtlijn en om de houder van dit merk in staat te stellen zijn rechten te doen gelden en zich op artikel 10, lid 3, onder b), van deze richtlijn te beroepen, de marktdeelnemer zelf het in deze bepaling bedoelde doel moet nastreven, namelijk het aanbieden of het in de handel brengen van de waren. Het in voorraad hebben van waren om deze in de handel te brengen is dus een handeling die aan de [terbeschikkingstelling] voor verbruik voorafgaat, en door de wetgever van de Unie uitdrukkelijk als zodanig is aangemerkt, waartegen de merkhouder kan opkomen. ( 12 ) |
Eerste vraag: inbreuk op een nationaal merkrecht door het buiten het grondgebied in voorraad hebben
|
31. |
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 aldus moet worden uitgelegd dat de houder van een nationaal merk een derde kan laten verbieden in het buitenland op zijn merk inbreukmakende waren in voorraad te hebben, teneinde deze waren aan te bieden in het land waar het merk wordt beschermd of ze daar in de handel te brengen. |
|
32. |
Mijns inziens maakt de rechtspraak van het Hof een bevestigend antwoord op deze vraag mogelijk. |
|
33. |
In een arrest over verkoopaanbiedingen of reclame op internet voor waren met een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met een beschermd merk, bestemd voor consumenten in de Unie, heeft het Hof namelijk verklaard dat aan de effectiviteit van de regels inzake de bescherming van merkrechten afbreuk zou worden gedaan indien het gebruik van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met een in de Unie ingeschreven merk aan de toepassing van die regels zou ontsnappen vanwege het enkele feit dat de derde van wie deze aanbieding of deze reclame afkomstig is, in een derde staat gevestigd is of de server van de website die hij gebruikt zich in een dergelijke staat bevindt, of nog de waar waarop deze aanbieding of deze reclame betrekking heeft, zich in een derde staat bevindt. Het Hof heeft geoordeeld dat de houder van het merk zich dan ook tegen deze verkoop, verkoopaanbieding of reclame kan verzetten krachtens het bepaalde in artikel 5 van de Eerste richtlijn 89/104 of artikel 9 van verordening nr. 40/94. ( 13 ) |
|
34. |
Het Hof heeft hieraan toegevoegd dat het niet volstaat dat een website vanaf het door het merk bestreken grondgebied toegankelijk is om te concluderen dat de daarop afgebeelde verkoopaanbiedingen bestemd zijn voor op dat grondgebied gevestigde consumenten. Het staat aan de nationale rechter om van geval tot geval te beoordelen of er relevante aanwijzingen zijn die de conclusie wettigen dat een verkoopaanbieding die getoond wordt op een onlinemarktplaats die vanaf het door het merk bestreken grondgebied toegankelijk is, bestemd is voor consumenten die daarop gevestigd zijn, waarbij met name rekening moet worden gehouden met het feit dat de verkoopaanbieding vergezeld gaat van een precisering ten aanzien van de geografische zones waarnaar de verkoper bereid is het product te verzenden. ( 14 ) |
|
35. |
Voorts heeft het Hof in een aantal zaken betreffende de maatregelen die de houder van een intellectuele‑eigendomsrecht ter beschikking staan bij de verkoop in de Unie van waren die van zijn merk zijn voorzien en uit een derde staat afkomstig zijn, met name wanneer de aanbieding of de verkoop van deze waren plaatsvindt terwijl de waren onder de regeling extern douanevervoer of de regeling douane‑entrepot zijn geplaatst, in wezen geoordeeld dat inbreuk kan worden gemaakt op beschermde intellectuele‑eigendomsrechten wanneer met betrekking tot uit derde landen afkomstige waren, zelfs vóór ze in het door die bescherming bestreken grondgebied binnenkomen, tot de consumenten op dat grondgebied gerichte commerciële handelingen worden verricht. De merkhouder kan zich er dus tegen verzetten dat dergelijke waren te koop worden aangeboden of worden verkocht, wanneer dit noodzakelijkerwijs impliceert dat zij in de Unie in de handel worden gebracht. ( 15 ) |
|
36. |
Zoals de verwijzende rechter opmerkt heeft het Hof bovendien, in antwoord op een verzoek om een prejudiciële beslissing in een strafzaak wegens medeplichtigheid aan de ongeoorloofde commerciële exploitatie van auteursrechtelijk beschermde werken, verklaard dat in het buitenland verrichte handelingen inbreuk kunnen maken op een recht dat louter op een nationaal grondgebied beschermd is. Zo heeft het Hof in het arrest Donner geoordeeld dat een handelaar die zijn reclame richt op leden van het publiek in een bepaalde lidstaat en voor hen een specifieke wijze van levering en betaling creëert of beschikbaar stelt, of dit aan een derde toestaat, zodat deze leden van het publiek kopieën van in die lidstaat auteursrechtelijk beschermde werken kunnen laten leveren, in de lidstaat waar de levering plaatsvindt een handeling verricht die inbreuk maakt op dat recht. ( 16 ) |
|
37. |
Evenzo heeft het Hof in een zaak betreffende de rechterlijke bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten in geval van een beweerde inbreuk op een aan het auteursrecht verbonden vermogensrecht geoordeeld dat de rechterlijke instanties van een lidstaat waarin de aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten zijn gewaarborgd, kennis moeten nemen van een beweerde inbreuk op deze rechten, zelfs indien de beweerde inbreuk op deze rechten het gevolg is van handelingen die in een andere lidstaat zijn verricht, wanneer de beweerde schade kan intreden in het rechtsgebied van de aangezochte rechter. ( 17 ) |
|
38. |
Uit al deze rechtspraak blijkt duidelijk dat de essentiële factor om te bepalen of de houder van een intellectuele‑eigendomsrecht zich op dit recht kan beroepen met betrekking tot handelingen die in het buitenland zijn verricht, in wezen het feit is dat deze handelingen, zoals de verkoop, het te koop aanbieden of het in de handel brengen van de betrokken waren, zijn gericht op consumenten die zich bevinden op het grondgebied waar het betrokken intellectuele‑eigendomsrecht wordt beschermd. |
|
39. |
Los van de specifieke context van deze arresten zijn de overwegingen met betrekking tot de rechtsgang die de houder van een intellectuele‑eigendomsrecht ter beschikking staat tegenover een vermeende inbreuk op dit recht door handelingen die zijn verricht in het buitenland, buiten het grondgebied waarop dit recht wordt beschermd, transversaal van aard en kunnen zij naar mijn mening derhalve in het onderhavige geval toepassing vinden. |
|
40. |
In casu moet namelijk – vergelijkbaar – worden voorkomen dat een derde die zonder toestemming van de houder van een nationaal merk gebruik heeft gemaakt van een teken dat gelijk is aan dat merk voor dezelfde waren als die waarvoor dat merk is ingeschreven, zich kan verzetten tegen de toepassing van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 en aldus het nuttig effect van deze bepaling kan ondermijnen door zich te beroepen op de plaats waar hij de waren in voorraad heeft, wanneer hij voornemens is deze aan te bieden of in de handel te brengen op het grondgebied waar dit merk wordt beschermd. |
|
41. |
Aangezien het in voorraad hebben van waren met het doel deze aan te bieden of in de handel te brengen een van de vormen van gebruik is in de zin van artikel 10, lid 2, van richtlijn 2015/2436 die door de merkhouder kunnen worden verboden, als uitdrukkelijk bedoeld in lid 3, onder b), van deze bepaling, moet de houder van een nationaal merk zich daar mijns inziens tegen kunnen verzetten op grond van het uitsluitende recht dat hem door het merk is verleend. |
|
42. |
Artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 moet derhalve aldus worden uitgelegd dat het de bescherming van een nationaal merk waarborgt tegen het in voorraad hebben van een waar waardoor inbreuk wordt gemaakt op de rechten op dat merk buiten het grondgebied waar het beschermd is, wanneer dit in voorraad hebben bedoeld is om de waar aan te bieden of in de handel te brengen in het land waar dat merk beschermd is. |
|
43. |
Aangezien er een relevant aanknopingspunt moet bestaan met het nationale grondgebied waarop het merk wordt beschermd, is een dergelijke uitlegging van deze bepaling in overeenstemming met het territorialiteitsbeginsel. Zij is ook in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof, dat herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het uitsluitende recht verleend is aan de merkhouder om hem de mogelijkheid te bieden zijn specifieke belangen als houder van dat merk te beschermen, dat wil zeggen zeker te stellen dat het merk zijn eigen functies kan vervullen. De uitoefening van dat recht moet beperkt blijven tot de gevallen waarin het gebruik van het teken door een derde afbreuk doet of kan doen aan de functies van het merk, waaronder de wezenlijke functie van het merk, namelijk dat aan de consument of de eindverbruiker de identiteit van de oorsprong van de gemerkte waar wordt gewaarborgd, zodat hij die waar zonder gevaar voor verwarring van waren van andere herkomst kan onderscheiden. ( 18 ) |
|
44. |
Gelet op de voorgaande overwegingen kom ik tot de slotsom dat artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 aldus moet worden uitgelegd dat de houder van een nationaal merk een derde kan laten verbieden om in een andere lidstaat op zijn merk inbreukmakende waren in voorraad te hebben teneinde deze waren aan te bieden in het land waar het merk wordt beschermd of ze daar in de handel te brengen. |
Tweede vraag: begrip „daartoe in voorraad hebben”
|
45. |
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 aldus moet worden uitgelegd dat om te kunnen spreken van „daartoe in voorraad hebben” in de zin van die bepaling daadwerkelijk sprake moet zijn van toegang tot de merkinbreukmakende waren, dan wel of het volstaat dat er invloed kan worden uitgeoefend op de persoon die daadwerkelijk toegang tot die waren heeft. |
|
46. |
In het licht van de betekenis van het begrip „Besitz” in het Duitse recht, zoals uiteengezet in punt 21 van deze conclusie, gaat het er bij deze prejudiciële vraag dus om of zij betrekking heeft op de vraag of het in voorraad hebben, in de zin van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 („besitzen” in de Duitse taalversie), enkel ziet op „het verwerven van de feitelijke beschikkingsmacht” over waren, zodat hiervan geen sprake meer is wanneer degene die de waren in voorraad heeft niet langer daadwerkelijk toegang tot die waren kan hebben, dan wel of zij, zoals in het Duitse recht, ook ziet op de situatie waarin een persoon een „recht of verplichting om die producten te bezitten”„verleent” of „oplegt” aan een derde, zodat die persoon een beslissende invloed heeft op die derde bij de beslissing wat de bestemming van de waren is. |
|
47. |
Volgens vaste rechtspraak vereisen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van het Unierecht die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd met inachtneming van de context van de bepaling en de door de betrokken regeling beoogde doelstelling. ( 19 ) |
|
48. |
De behoefte aan een eenvormige uitlegging van de verschillende taalversies van een Unierechtelijke bepaling vereist, indien daartussen verschillen bestaan, daarenboven dat deze bepaling wordt uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt. ( 20 ) |
|
49. |
Artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 verwijst niet naar het recht van de lidstaten om de betekenis en de draagwijdte ervan te bepalen, en uit een vergelijkend onderzoek van de verschillende taalversies van die bepaling blijkt dat zij op bepaalde punten verschillen. |
|
50. |
Zoals de verwijzende rechter terecht heeft benadrukt, heeft het Hof zich in het arrest Coty Germany gebogen over het begrip „daartoe in voorraad hebben”. Het ging met name om de vraag of de opslag van waren die inbreuk maakten op een merkrecht, zonder dat zij zelf te koop werden aangeboden of in de handel werden gebracht en zonder dat de intentie bestond om deze waren te koop aan te bieden of in de handel te brengen, kon worden beschouwd als „gebruik” van het merk in de zin van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 207/2009 en artikel 9, leden 1 en 2, van verordening 2017/1001, en meer bepaald als het „in voorraad hebben” van die waren met het oog op het aanbieden of in de handel brengen ervan in de zin van artikel 9, lid 2, onder b), van verordening nr. 207/2009, waarvan de inhoud is overgenomen in artikel 9, lid 3, onder b), van verordening 2017/1001. ( 21 ) |
|
51. |
Dienaangaande heeft advocaat‑generaal Campos Sánchez‑Bordona terecht opgemerkt dat het begrip „daartoe in voorraad hebben” niet in alle taalkundige versies van artikel 9, lid 3, onder b), van verordening 2017/1001 wordt gebruikt. Hij wijst erop dat in de Franse („détenir”) en de Duitse („besitzen”) taalversie termen worden gebruikt die rechtstreeks verband houden met de rechtsfiguur „possessio”. In andere taalversies, zoals de Spaanse, de Italiaanse, de Portugese, de Engelse, en de Zweedse (respectievelijk „almacenarlos”„stoccaggio”, „armazená‑los”, „stocking” en „lagra”) is de voorkeur gegeven aan werkwoorden of zelfstandige naamwoorden die uitdrukking geven aan de handeling van het opslaan van waren. ( 22 ) |
|
52. |
Hoewel het Hof in het arrest Coty Germany uiteindelijk niet hoefde te beslissen wat specifiek moet worden verstaan onder het begrip „daartoe in voorraad hebben” in de zin van artikel 9, lid 3, onder b), van verordening 2017/1001, en zich heeft gericht op het commerciële doel van het in voorraad hebben „om de waren aan te bieden of in de handel te brengen”, bieden dat arrest en de rechtspraak van het Hof nuttige aanknopingspunten bij het beantwoorden van de in de onderhavige zaak gestelde vraag. |
|
53. |
Zoals vermeld in punt 30 van deze conclusie, is het in voorraad hebben van waren die zijn voorzien van een beschermd merk immers een van de vormen van „gebruik” van het merk in de zin van artikel 9, lid 2, van verordening 2017/1001 of artikel 10, lid 2, van richtlijn 2015/2436, die niet‑limitatief zijn opgesomd in lid 3 van die bepalingen, die de houder van een Uniemerkrecht of een nationaal merkrecht kan verbieden, mits dat in voorraad hebben ertoe strekt de waren aan te bieden of in de handel te brengen. |
|
54. |
Het Hof is reeds in de gelegenheid geweest om te benadrukken dat de uitdrukking „het gebruik” in de gebruikelijke betekenis ervan een actieve gedraging vereist, alsook een, directe of indirecte, controle over de handeling waarin het gebruik bestaat. Dienaangaande heeft het opgemerkt dat artikel 9, lid 2, van verordening nr. 207/2009 en artikel 5, lid 3, van richtlijn 2008/95, waarvan de inhoud is overgenomen in artikel 10, lid 3, van richtlijn 2015/2436, dat een niet‑limitatieve opsomming bevat van soorten gebruik die de merkhouder kan verbieden, uitsluitend actieve gedragingen van de derde vermelden. ( 23 ) In dit verband heeft het Hof eraan herinnerd dat artikel 9 van verordening nr. 207/2009 en artikel 5 van richtlijn 2008/95 beogen de houder van een Uniemerk of een nationaal merk een rechtsinstrument aan te reiken waarmee hij elk gebruik dat een derde van zijn merk maakt zonder zijn toestemming, kan verbieden en dus kan laten beëindigen. Alleen een derde die directe of indirecte controle heeft over de handeling waarin het gebruik bestaat, is evenwel daadwerkelijk in staat om dat gebruik te staken en dus om dat verbod na te leven. ( 24 ) |
|
55. |
Het Hof heeft zich dus gebogen over verschillende situaties waarin een derde-dienstverrichter – de beheerder van een onlinemarktplaats, een adverteerder of een depothouder – heeft gebruikgemaakt van een teken dat overeenkomt met het merk van een ander, om te bepalen of die derde kan worden geacht „gebruik” te maken van dat teken. |
|
56. |
Zo heeft het Hof geoordeeld dat beheerders van onlinemarktplaatsen die opslagdiensten aanbieden aan verkopers die op deze marktplaatsen actief zijn en die niet tot doel hebben om de waren die zij opslaan zelf aan te bieden of in de handel te brengen, geen „gebruik” maken van de tekens die op de opgeslagen waren zijn aangebracht. Het Hof heeft gepreciseerd dat het feit dat iemand zorgt voor de technische voorzieningen die nodig zijn voor het gebruik van een teken, en daarvoor wordt vergoed, niet betekent dat degene die deze dienst verleent, zelf het teken gebruikt. Dit gebruik gaat uit van de klanten van de dienstverrichter, tenzij er een verband wordt aangetoond tussen het betrokken teken en de door een derde‑dienstverrichter verrichte diensten. ( 25 ) |
|
57. |
Bovendien kan, volgens het Hof, het gebruik van een teken niet aan een adverteerder worden toegerekend wanneer de reclame wordt gemaakt door andere marktdeelnemers, zoals exploitanten van internetzoekmachines die de uitdrukkelijke instructies van de adverteerder – die juist beogen dat gebruik van het merk te voorkomen – negeren of waarmee de adverteerder geen directe of indirecte band heeft en die niet in zijn opdracht en voor zijn rekening handelen, maar op eigen initiatief en in eigen naam. Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2015/2436 kan dan ook niet aldus worden uitgelegd dat een persoon, ongeacht zijn gedrag, kan worden geacht gebruik te maken van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met een merk van een ander, op de enkele grond dat dit gebruik hem een economisch voordeel kan verschaffen. ( 26 ) |
|
58. |
In het geval van een entrepothouder, die in het kader van de normale bedrijfsuitoefening louter goederen opslaat voor een derde, heeft het Hof eveneens geoordeeld dat bij de dienst die deze verricht ter zake van de opslag van de van het merk van een ander voorziene goederen, geen sprake is van „gebruik” van een teken. Tussenpersonen, zoals entrepothouders, die diensten verlenen aan hun klanten, zijn derhalve niet aansprakelijk voor een inbreuk op merkrechten die zij zouden kunnen plegen, wanneer zij geen gebruikmaken van het merk in hun eigen commerciële communicatie of in het kader van hun economische activiteiten. Dit ligt evenwel anders in gevallen waarin een marktdeelnemer goederen die zijn voorzien van een merk waarvan hij niet de houder is aan een depothouder overdraagt met het oog op het in de handel brengen ervan. Deze marktdeelnemer moet dan worden gekwalificeerd als de „daartoe in voorraad hebben[de]” in de zin van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436. Anders zouden de handelingen van het in voorraad hebben met het oog op het in de handel brengen als vermeld in dat artikel 10, lid 3, die normaal plaatsvinden zonder rechtstreeks contact met de potentiële consument, niet kunnen worden aangemerkt als „gebruik” in de zin van genoemd artikel en dus niet kunnen worden verboden, ofschoon de wetgever van de Unie ze uitdrukkelijk heeft vermeld als handelingen die kunnen worden verboden. ( 27 ) |
|
59. |
Om te bepalen of er sprake is van gebruik door een derde van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met een beschermd merk, in de zin van artikel 10, lid 2, van richtlijn 2015/2436, heeft het Hof dus een onderscheid aangebracht tussen de dienstverrichters naargelang van de diensten die zij aanbieden en het gedrag dat zij vertonen. Van een dergelijk gebruik is geen sprake wanneer de derde eenvoudigweg een technische oplossing aanbiedt die nodig is voor het gebruik van een teken of wanneer de gedragingen van die derde passief zijn, zonder dat hij directe of indirecte controle uitoefent over de handeling waarin het gebruik bestaat. ( 28 ) A contrario is sprake van gebruik in de zin van deze bepaling wanneer de betrokken derde direct of indirect controle uitoefent over de handeling waarin het verboden gebruik bestaat. Dit kan het geval zijn bij een verkoper die gebruikmaakt van onlinemarktplaatsen om goederen met een merk waarvan hij niet de houder is, aan te bieden of in de handel te brengen, of bij een marktdeelnemer die dergelijke goederen overdraagt aan een entrepothouder met het oog op het in de handel brengen ervan, en die het beschermde merk gebruikt in het kader van zijn eigen commerciële communicatie. ( 29 ) |
|
60. |
Uit al het voorgaande volgt dat, om te beginnen, het „in voorraad hebben” met het oog op het aanbieden of in de handel brengen van waren een van de uitdrukkelijk in artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 genoemde vormen van gebruik is die door de houder van een beschermd merk kunnen worden verboden. Voorts heeft het Hof reeds in wezen geoordeeld dat een marktdeelnemer die waren die zijn voorzien van een merk waarvan hij niet de houder is, aan een entrepothouder overdraagt met het oog op het in de handel brengen ervan, gebruikmaakt van dit merk en de waren in voorraad heeft in de zin van deze bepaling. Ik ben derhalve van mening dat artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 de houder van een beschermd nationaal merk het recht verleent om op te treden tegen iedere derde die directe of indirecte controle uitoefent over dit in voorraad hebben. |
|
61. |
Onder het in voorraad hebben van waren met het oog op het aanbieden of in de handel brengen ervan moet derhalve worden verstaan elke situatie waarin de derde die door de houder van het beschermde merk wordt aangesproken, de waren zelf opslaat met het oog op het aanbieden of in de handel brengen ervan op het grondgebied waarop het merk wordt beschermd, of ze daartoe voor zijn rekening door een andere persoon laat opslaan en op deze persoon een beslissende invloed heeft, in die zin dat deze derde, zelfs indirect, over de bestemming van deze waren kan beslissen. |
|
62. |
Een dergelijke uitlegging van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 is tevens in overeenstemming met de doelstelling van artikel 10 van deze richtlijn, namelijk de merkhouder een rechtsinstrument te verschaffen waarmee hij elk gebruik van zijn merk door een derde zonder zijn toestemming kan verbieden en dus kan doen staken. Zoals de Commissie terecht opmerkt, kan deze uitlegging zorgen voor een doeltreffende bescherming van de merkhouder. Anders zou de derde die indirect controle uitoefent via een andere persoon de rechtsgevolgen van artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 kunnen omzeilen, ook al heeft hij, zij het indirect, controle over de waren om deze op het beschermde grondgebied aan te bieden of in de handel te brengen. |
|
63. |
Ik kom derhalve tot de slotsom dat artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2436 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „daartoe in voorraad hebben” in de zin van deze bepaling het feit omvat dat beslissende invloed kan worden uitgeoefend op de persoon die daadwerkelijk toegang heeft tot de waren teneinde, zelfs indirect, te beslissen wat de bestemming van deze waren is. |
Conclusie
|
64. |
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de vragen van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt: „Artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat
|
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2015, L 336, blz. 1).
( 3 ) Arrest van 21 juni 2012, Donner (C‑5/11, EU:C:2012:370, punt 30; hierna: „arrest Donner”).
( 4 ) C‑567/18, EU:C:2019:1031, punten 46 en 47.
( 5 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1).
( 6 ) Zie arrest Donner (punt 27).
( 7 ) Zie arresten van 17 november 2022, Merck Sharp & Dohme e.a. (C‑224/20, EU:C:2022:893,punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: „arrest Merck Sharp & Dohme e.a.”), en 17 november 2022, Impexeco en PI Pharma (C‑253/20 en C‑254/20, EU:C:2022:894, punt 44).
( 8 ) Zie in die zin ook de overwegingen 5‑8 van verordening 2017/1001. Zie ook arrest van 22 maart 2012, Génesis (C‑190/10, EU:C:2012:157, punten 30 en 31), en de conclusie van advocaat‑generaal Jääskinen in de zaak Génesis (C‑190/10, EU:C:2011:202, punten 31‑33).
( 9 ) Zie overweging 5 van verordening 2017/1001; zie ook de conclusie van advocaat‑generaal Jääskinen in de zaak Génesis (C‑190/10, EU:C:2011:202, punt 29), en onder andere Wertheimer, H. W., „The Principle of Territoriality in the Trademark Law of the Common Market Countries”, International and Comparative Law Quarterly, 1967, deel 16, nr. 3, blz. 630, en Dinwoodie, G. B., „Territorial Overlaps in Trademark Law: The Evolving European Model”, Notre Dame Law Review, 2017, deel 92, nr. 4, blz. 1673.
( 10 ) Zie in die zin ook arresten van 22 juni 1994, IHT Internationale Heiztechnik en Danzinger (C‑9/93, EU:C:1994:261, punt 22), en 19 april 2012, Wintersteiger (C‑523/10, EU:C:2012:220, punt 25).
( 11 ) Zie in die zin arresten van 7 december 2017, Coca‑Cola/EUIPO – Mitico (Master) (T‑61/16, EU:T:2017:877, punt 81), en 21 december 2022, International Masis Tabak/EUIPO – Philip Morris Brands (Weergave van een sigarettenverpakking) (T‑44/22, EU:T:2022:843, punt 78).
( 12 ) Zie in die zin arrest van 16 juli 2015, TOP Logistics e.a. (C‑379/14, EU:C:2015:497, punten 38, 41 en 42), met verwijzing naar artikel 5, lid 3, van de Eerste richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1). Deze richtlijn is vervangen door richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 2008, L 299, blz. 25), die op haar beurt is vervangen door richtlijn 2015/2436. Artikel 5, leden 1, 2 en 3, onder b), van de Eerste richtlijn 89/104 heeft geen substantiële wijzigingen ondergaan wat betreft de bewoordingen, de context of het doel ervan ten opzichte van de overeenkomstige bepaling van richtlijn 2008/95 – artikel 5, leden 1, 2 en 3, onder b) – en die van richtlijn 2015/2436 – artikel 10, leden 1, 2, en 3, onder b). Hieruit volgt dat de verwijzingen naar de rechtspraak betreffende deze bepalingen van de Eerste richtlijn 89/104 en richtlijn 2008/95 relevant blijven voor de uitlegging van artikel 10 van richtlijn 2015/2436.
Zie ook arrest van 2 april 2020 in zaak C‑567/18, Coty Germany (EU:C:2020:267; hierna: „arrest Coty Germany”, punten 44 en 45) dat betrekking had op artikel 9, lid 2, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB 2009, L 78, blz. 1). Aangezien artikel 9 van verordening 2017/1001, waarvan de inhoud is overgenomen uit artikel 9 van verordening nr. 207/2009 en artikel 9 van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), nagenoeg identiek is geformuleerd als artikel 10 van richtlijn 2015/2436, zijn de redeneringen met betrekking tot deze bepalingen van de verordeningen inzake het Uniemerk mutatis mutandis van toepassing op deze bepaling van richtlijn 2015/2436. Zie in dit verband arrest Merck Sharp & Dohme e.a. (punten 112‑116); zie ook de conclusie van advocaat‑generaal Campos Sánchez‑Bordona in de zaak ÖKO‑Test Verlag (C‑690/17, EU:C:2019:39, punt 26).
( 13 ) Zie arrest van 12 juli 2011, L’Oréal e.a. (C‑324/09, EU:C:2011:474; hierna: „arrest L’Oréal e.a.”, punten 62, 63 en 67), dat onder andere betrekking had op waren die zich in een land buiten de Europese Economische Ruimte bevonden, voorzien waren van een in een lidstaat van de Europese Unie ingeschreven merk, en waarvoor een marktdeelnemer zonder toestemming van de houder van dat merk via een onlinemarktplatform reclame had gemaakt en deze waren te koop had aangeboden aan consumenten op het door dat merk bestreken grondgebied.
Zie in die zin ook arrest van 5 september 2019, AMS Neve e.a. (C‑172/18, EU:C:2019:674, punten 47‑49 en aldaar aangehaalde rechtspraak), dat betrekking had op de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van een lidstaat om kennis te nemen van een vordering wegens inbreuk op een Uniemerk wanneer online weergegeven reclame en verkoopaanbiedingen waren gericht op consumenten in die staat, ook al had de derde de beslissingen en maatregelen voor die elektronische weergave in een andere lidstaat genomen. In dit arrest heeft het Hof zich met name gebaseerd op de redenering in het arrest L’Oréal e.a.
( 14 ) Zie arrest L’Oréal e.a. (punten 64 en 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest van 5 september 2019, AMS Neve e.a. (C‑172/18, EU:C:2019:674, punt 56).
( 15 ) Zie in die zin arrest van 18 oktober 2005, Class International (C‑405/03, EU:C:2005:616, punten 58‑61), dat onder meer betrekking had op de uitlegging van artikel 5, leden 1 en 2, en lid 3, onder b), van de Eerste richtlijn 89/104 en artikel 9, lid 1 en lid 2, onder b), van verordening nr. 40/94; zie ook arrest van 1 december 2011, Philips (C‑446/09 en C‑495/09, EU:C:2011:796, punten 56‑58), dat betrekking had op waren die inbreuk konden maken op exclusieve rechten die waren verleend door geregistreerde modellen en bepaalde auteursrechten alsmede een Uniemerk, en waarin het Hof verwees naar het arrest L’Oréal e.a. en naar het arrest van 18 oktober 2005, Class International (C‑405/03, EU:C:2005:616). Zie ook arrest van 6 februari 2014, Blomqvist (C‑98/13, EU:C:2014:55, punten 32‑35).
( 16 ) Arrest Donner (punt 30). Meer specifiek heeft het Hof verklaard dat een dergelijke handelaar „distributie onder het publiek” verricht in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).
( 17 ) Zie arrest van 3 oktober 2013, Pinckney (C‑170/12, EU:C:2013:635, punten 43‑47). Het Hof heeft verklaard dat de aangezochte rechter slechts uitspraak mag doen over de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van zijn lidstaat.
( 18 ) Zie in die zin onder andere arrest van 27 oktober 2022, Soda‑Club (CO2) en SodaStream International (C‑197/21, EU:C:2022:834, punten 35 en 36); arrest Merck Sharp & Dohme e.a. (punt 45), en arrest van 25 januari 2024, Audi (Drager van een embleem in een grille) (C‑334/22, EU:C:2024:76, punt 31).
( 19 ) Zie onder andere arrest van 13 oktober 2022, Gemeinde Bodman‑Ludwigshafen (C‑256/21, EU:C:2022:786, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 20 ) Zie arrest van 22 maart 2012, Génesis (C‑190/10, EU:C:2012:157, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 21 ) Arrest Coty Germany (punt 35).
( 22 ) Zie de conclusie van advocaat‑generaal Campos Sánchez‑Bordona in de zaak Coty Germany (C‑567/18, EU:C:2019:1031, punt 46).
( 23 ) Zie arrest van 3 maart 2016, Daimler (C‑179/15, EU:C:2016:134; hierna: „arrest Daimler”, punt 40): „zoals het ‚aanbrengen’ van het teken op de waren en op hun verpakking, het ‚gebruik’ van het teken in stukken voor zakelijke doeleinden en in advertenties, het ‚aanbieden’, ‚in de handel brengen’ of daartoe ‚in voorraad hebben’ van waren en het ‚invoeren’ of ‚uitvoeren’ van waren dan wel het ‚aanbieden’ of ‚verrichten’ van diensten onder dat teken”.
( 24 ) Zie arrest Daimler (punten 39‑41); arrest van 25 juli 2018, Mitsubishi Shoji Kaisha en Mitsubishi Caterpillar Forklift Europe (C‑129/17, EU:C:2018:594, punt 38); arrest Coty Germany (punten 37 en 38), en arrest van 22 december 2022, Louboutin (Gebruik van een inbreukmakend teken op een onlinemarktplaats) (C‑148/21 en C‑184/21, EU:C:2022:1016, punten 27 en 28).
( 25 ) Zie in die zin ook arrest van 23 maart 2010, Google France en Google (C‑236/08–C‑238/08, EU:C:2010:159, punten 57 en 72); arrest L’Oréal e.a. (punten 92, 102 en 103); arrest van 15 december 2011, Frisdranken Industrie Winters (C‑119/10, EU:C:2011:837, punten 29 en 32), en arrest Coty Germany (punten 40‑48), waarbij de depothouder bovendien niet wist dat hij merkinbreukmakende waren in voorraad had; zie ook beschikking van 19 februari 2009, UDV North America (C‑62/08, EU:C:2009:111, punt 47).
( 26 ) Zie in die zin ook arrest Daimler (punten 34‑36, 39 en 42), en arrest van 2 juli 2020, mk advokaten (C‑684/19, EU:C:2020:519, punten 21‑25).
( 27 ) Zie in die zin arrest van 16 juli 2015, TOP Logistics e.a. (C‑379/14, EU:C:2015:497, punten 42‑45), met verwijzing naar artikel 5, lid 3, van de Eerste richtlijn 89/104.
( 28 ) Zie in die zin ook de conclusie van advocaat‑generaal Campos Sánchez‑Bordona in de zaak Coty Germany (C‑567/18, EU:C:2019:1031, punt 39), die heeft verwezen naar artikel 9, lid 2, van verordening 2017/1001.
( 29 ) Zie in dit verband ook naar analogie arrest Donner (punt 27), waarin het Hof heeft verklaard dat een handelaar aansprakelijk is voor elke door hemzelf of voor zijn rekening verrichte handeling die leidt tot „distributie onder het publiek”, in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29, in een lidstaat waar de verspreide goederen auteursrechtelijk worden beschermd. Het Hof heeft hieraan toegevoegd dat de handelaar ook aansprakelijk kan worden gesteld voor dergelijke handelingen van een derde wanneer hij zich specifiek richt op het publiek in de lidstaat van bestemming en hij niet onkundig kan zijn van de gedragingen van deze derde.