Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62024CA0232

Zaak C-232/24, Kosmiro: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 23 oktober 2025 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus – Finland) – in de procedure ingesteld door A Oy (Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Belastbare handelingen – Vrijstelling voor de verlening van kredieten – Artikel 135, lid 1, onder b) – Vrijstellingen voor financiële handelingen – Inning van schuldvorderingen – Artikel 135, lid 1, onder d) – Factoring via cessie van vorderingen – Factoring via verpanding)

PB C, C/2025/6479, 15.12.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6479/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6479/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

C-serie


C/2025/6479

15.12.2025

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 23 oktober 2025 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus – Finland) – in de procedure ingesteld door A Oy

(Zaak C-232/24  (1) , Kosmiro  (2) )

(Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Belastbare handelingen - Vrijstelling voor de verlening van kredieten - Artikel 135, lid 1, onder b) - Vrijstellingen voor financiële handelingen - Inning van schuldvorderingen - Artikel 135, lid 1, onder d) - Factoring via cessie van vorderingen - Factoring via verpanding)

(C/2025/6479)

Procestaal: Fins

Verwijzende rechter

Korkein hallinto-oikeus

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: A Oy

in tegenwoordigheid van: Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö

Dictum

1)

Artikel 2, lid 1, onder c), en artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

moeten aldus worden uitgelegd dat,

wanneer er sprake is van factoring via cessie van vorderingen waarbij de factor de klant ontlast van het innen van de vorderingen en van het risico dat die vorderingen niet worden gehonoreerd,

de door de klant betaalde financieringscommissie, die wordt aangerekend als vergoeding voor de dienst van inning van schuldvorderingen en die stijgt naarmate de betalingstermijn langer is en het door de factor gedragen risico groter, en

de eveneens door de klant betaalde aanvangsvergoeding, die een forfaitair bedrag vertegenwoordigt voor het opzetten van het factoringproces en met name de kosten dekt van de stappen die nodig zijn om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wetgeving inzake het witwassen van geld,

de daadwerkelijke tegenwaarde vormen voor diensten die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen.

2)

Artikel 135, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2006/112

moet aldus worden uitgelegd dat

de financieringsvergoeding, die wordt aangerekend als vergoeding voor de inning van schuldvorderingen en die stijgt naarmate de betalingstermijn langer is en het door de factor gedragen risico groter, en

de aanvangsvergoeding, die een forfaitair bedrag vertegenwoordigt voor het opzetten van het factoringproces en met name de kosten dekt van de stappen die nodig zijn om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wetgeving inzake het witwassen van geld,

welke door de factor worden ontvangen in het kader van factoring via cessie van vorderingen zoals bedoeld in het antwoord op de eerste en de tweede vraag, of factoring via verpanding – die wordt gekenmerkt doordat de factor zich belast met de invordering en inning van de betrokken schuldvorderingen die, zonder aan hem te worden overgedragen, worden gebruikt als zekerheid voor de aan de klant verstrekte financiering – de tegenprestatie vormen voor één enkele, ondeelbare dienst van “inning van schuldvorderingen” die aan de btw is onderworpen.

3)

Artikel 135, lid 1, onder d), van richtlijn 2006/112

moet aldus worden uitgelegd dat

de daarin neergelegde uitzondering voor de “inning van schuldvorderingen” onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om rechtstreekse werking te hebben, en derhalve door particulieren voor de nationale rechterlijke instanties tegen de staat kan worden ingeroepen.


(1)  PB C, C/2024/3447.

(2)  Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.


ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6479/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)


Top