EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62021CC0755

Conclusie van advocaat-generaal A. Rantos van 15 juni 2023.
Marián Kočner tegen Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol).
Hogere voorziening – Samenwerking inzake wetshandhaving – Verordening (EU) 2016/794 – Artikel 49, lid 3, en artikel 50 – Bescherming van persoonsgegevens – Onrechtmatige gegevensverwerking – In Slowakije tegen rekwirant ingeleide strafprocedure – Deskundigenonderzoek door het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) ten behoeve van het onderzoek – Extractie van gegevens van mobiele telefoons en een USB-gegevensdrager die eigendom zijn van rekwirant – Bekendmaking van deze gegevens – Immateriële schade – Beroep tot schadevergoeding – Aard van de niet-contractuele aansprakelijkheid.
Zaak C-755/21 P.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2023:481

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

A. RANTOS

van 15 juni 2023 (1)

Zaak C755/21 P

Marián Kočner

tegen

Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving

„Hogere voorziening – Verordening (EU) 2016/794 – Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) – Bescherming van persoonsgegevens – Artikelen 49 en 50 – Aansprakelijkheid van Europol als gevolg van onjuiste gegevensverwerking – Overweging 57 – Aard van de aansprakelijkheid – In Slowakije tegen rekwirant ingeleide strafprocedure – Deskundigenonderzoek door Europol ten behoeve van de instructie – Extractie van gegevens uit aan rekwirant toebehorende mobiele telefoons en USB-stick – Vermeende ongeoorloofde bekendmaking van die gegevens door Europol – Immateriële schade – Beroep tot schadevergoeding – Causaal verband”






I.      Inleiding

1.        Met zijn hogere voorziening verzoekt Marián Kočner (hierna: „rekwirant”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 29 september 2021, Kočner/Europol (T‑528/20, niet-gepubliceerd, EU:T:2021:631; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van zijn beroep tot vergoeding van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van de aantasting van zijn recht op eerbiediging van zijn privé- en gezins- en familieleven die in wezen het gevolg is van de gegevensverwerking door het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) in het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat de Slowaakse autoriteiten jegens hem hebben ingesteld naar aanleiding van de moord op een journalist en diens verloofde.

2.        De onderhavige hogere voorziening stelt het Hof voor het eerst in de gelegenheid om zich uit te spreken over onder meer de aard van de niet-contractuele aansprakelijkheid van Europol krachtens de artikelen 49 en 50 van verordening (EU) 2016/794(2), zoals uitgelegd in samenhang met overweging 57 van die verordening, en meer in het bijzonder het bestaan van de bijzondere regeling van hoofdelijke aansprakelijkheid tussen Europol en de lidstaat waarin schade is ontstaan als gevolg van de onjuiste gegevensverwerking door Europol of die lidstaat.

II.    Toepasselijke bepalingen

3.        De overwegingen 56, 57 en 65 van de Europol-verordening luiden als volgt:

„(56)      Europol dient onderworpen te zijn aan de op de instellingen, agentschappen en organen van de Unie toepasselijke algemene regels inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid, behalve wat betreft de regels inzake aansprakelijkheid voor onrechtmatige gegevensverwerking.

(57)      Het kan voor de betrokkene onduidelijk zijn of schade door een onrechtmatige gegevensverwerking het gevolg is van een handeling van Europol of van een lidstaat. Europol en de lidstaat waarin het schadeveroorzakend feit heeft plaatsgevonden, dienen derhalve gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk te zijn.

[...]

(65)      Europol verwerkt gegevens die bijzondere bescherming behoeven, aangezien zij gevoelige niet-gerubriceerde en gerubriceerde EU-informatie omvatten. Europol dient derhalve regels betreffende de vertrouwelijkheid en de verwerking van dergelijke informatie vast te stellen. De regels inzake de bescherming van gerubriceerde EU-informatie moeten consistent zijn met de basisbeginselen en minimumnormen van besluit 2013/488/EU van de Raad[(3)].”

4.        Volgens artikel 17, lid 1, van deze verordening verwerkt Europol uitsluitend informatie die het heeft ontvangen van onder meer de lidstaten overeenkomstig hun nationale recht en artikel 7 van deze verordening. Op grond van artikel 7, lid 2, kan Europol informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, uit openbaar beschikbare bronnen, inclusief internet en openbare gegevens, rechtstreeks opvragen en verwerken.

5.        Artikel 32 van deze verordening, dat het opschrift „Beveiliging van de verwerking” draagt, bepaalt in lid 1:

„Europol treft passende technische en organisatorische maatregelen om persoonsgegevens te beschermen tegen onbedoelde dan wel onrechtmatige vernietiging, onbedoeld verlies, ongeoorloofde verspreiding, wijziging en toegang, alsmede tegen enige andere vorm van ongeoorloofde verwerking.”

6.        Artikel 49 van de Europol-verordening, met het opschrift „Algemene bepalingen inzake aansprakelijkheid en recht op schadevergoeding”, bepaalt in lid 3 ervan:

„Onverminderd artikel 49[(4)], vergoedt Europol in geval van niet-contractuele aansprakelijkheid overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben alle door zijn diensten of personeelsleden in de uitoefening van hun functies veroorzaakte schade.”

7.        Artikel 50 van deze verordening, met het opschrift „Aansprakelijkheid voor onjuiste verwerking van persoonsgegevens en recht op schadevergoeding”, bepaalt:

„1.      Eenieder die schade heeft geleden ten gevolge van een onrechtmatige verwerking van gegevens, heeft, overeenkomstig het nationaal recht, recht op schadevergoeding voor de geleden schade, hetzij van Europol overeenkomstig artikel 340 VWEU, hetzij van de lidstaat waar het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan. De betrokkene stelt een procedure tegen Europol in bij het Hof van Justitie van de Europese Unie of tegen de lidstaat bij een bevoegde nationale rechter van die lidstaat.

2.      Alle geschillen tussen Europol en de lidstaten over de uiteindelijke aansprakelijkheid voor de overeenkomstig lid 1 aan een betrokkene toegekende schadevergoeding worden voorgelegd aan de raad van bestuur, die bij tweederdemeerderheid van de leden beslist, onverminderd het recht om die beslissing overeenkomstig artikel 263 VWEU te betwisten.”

III. Voorgeschiedenis van het geding

8.        In het kader van een onderzoek van de Slowaakse strafrechtelijke autoriteiten naar aanleiding van de op 21 februari 2018 in Slowakije gepleegde moord op een journalist en diens verloofde heeft Europol op verzoek van de Národná kriminálna agentúra (Nationaal Agentschap voor misdaadbestrijding, Slowakije; hierna: „NAKA”) op 10 oktober 2018 twee aan rekwirant toebehorende mobiele telefoons en op 17 oktober 2018 een USB-stick van NAKA overgenomen.

9.        Met betrekking tot deze mobiele telefoons heeft Europol op 21 juni 2019 de wetenschappelijke eindrapporten van de daarop verrichte operaties aan NAKA meegedeeld. Deze mededeling is volgens Europol voorafgegaan door de teruggave aan NAKA van een harde schijf met de uit voornoemde telefoons geëxtraheerde versleutelde gegevens, waarvan op 23 oktober 2018 een proces-verbaal is opgemaakt (hierna: „proces-verbaal van 23 oktober 2018”), en de daaropvolgende teruggave van de betrokken telefoons zelf, zoals bevestigd door een formulier van ontvangst/teruggave van bewijsstukken van 13 februari 2019.(5)

10.      In mei 2019 zou van deze mobiele telefoons afkomstige informatie over rekwirant, met inbegrip van transcripties van zijn intieme communicatie, openbaar zijn gemaakt via persberichten en een publicatie op een website.

11.      Wat de USB-stick betreft, heeft Europol in zijn op 14 februari 2019 aan NAKA overhandigd rapport van 13 januari 2019 verklaard dat rekwirant op 20 juni 2018 in hechtenis was genomen op verdenking van het plegen van financiële delicten en dat zijn naam onder meer rechtstreeks in verband werd gebracht met de zogeheten „lijsten van maffialeden” en de „Panama Papers”.(6)

12.      Bij brief van 4 mei 2020 heeft rekwirant krachtens artikel 50, lid 1, van de Europol-verordening een schadevergoeding van 100 000 EUR van Europol gevorderd voor de immateriële schade die hij meent te hebben geleden door, ten eerste, de publicatie in de pers en op internet van persoonlijke gegevens en met name de publicatie van transcripties van zijn intieme en seksuele communicatie en, ten tweede, de plaatsing van zijn naam op de „lijsten van maffialeden”, welke informatie door de pers zou zijn verspreid als gevolg van lekken in verband met het dossier van de nationale strafprocedure in verband met de in punt 8 van deze conclusie genoemde moord.

13.      Naar aanleiding van het in punt 8 van deze conclusie vermelde onderzoek door de Slowaakse strafrechtelijke autoriteiten is rekwirant, die als opdrachtgever was vervolgd wegens medeplichtigheid aan moord, in eerste aanleg vrijgesproken bij een vonnis dat is vernietigd door de Najvyšší súd Slovenskej republiky (hoogste rechterlijke instantie van de Slowaakse Republiek), die de zaak heeft terugverwezen naar de rechter in eerste aanleg.

IV.    Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

14.      Bij ter griffie van het Gerecht op 18 augustus 2020 neergelegde akte heeft rekwirant krachtens de artikelen 268 en 340 VWEU en artikel 50, lid 1, van de Europol-verordening beroep ingesteld strekkend tot vergoeding van de immateriële schade die hij door de gedragingen van Europol meent te hebben geleden. Hij heeft een vergoeding van 50 000 EUR gevorderd voor de immateriële schade die hij zou hebben geleden ten gevolge van de bekendmaking van persoonsgegevens (eerste vordering) en een vergoeding van eenzelfde bedrag voor de immateriële schade die hij zou hebben geleden ten gevolge van de vermelding op de „lijsten van maffialeden” (tweede vordering).

15.      Het Gerecht heeft dit beroep verworpen. Ten aanzien van de eerste vordering heeft het Gerecht geconcludeerd dat rekwirant niet had aangetoond dat er een causaal verband bestond tussen de gestelde schade en de gedraging van Europol.(7) Ten aanzien van de tweede vordering heeft het Gerecht geconcludeerd dat rekwirant geen enkel bewijs had geleverd waaruit kon worden opgemaakt dat de „lijsten van maffialeden” waren opgesteld en werden bijgehouden door een instelling van de Unie en in het bijzonder door Europol.(8) Voorts heeft het Gerecht ten aanzien van beide vorderingen nog gepreciseerd dat aan deze conclusies niet werd afgedaan door het bepaalde in overweging 57 van de Europol-verordening noch door het bepaalde in artikel 49 of artikel 50 van deze verordening.(9)

V.      Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

16.      Op 8 december 2021 heeft rekwirant hogere voorziening tegen het bestreden arrest ingesteld. Hij verzoekt het Hof om het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, alsook om een beslissing omtrent de kosten te geven.

17.      Europol, daarin ondersteund door de Slowaakse Republiek als interveniënte, verzoekt het Hof om de hogere voorziening af te wijzen en rekwirant in de kosten te veroordelen.

VI.    Analyse

A.      Hogere voorziening

18.      Tot staving van zijn hogere voorziening voert rekwirant zes middelen aan. Het eerste tot en met het vierde middel hebben betrekking op de immateriële schade ten gevolge van de openbaarmaking van persoonsgegevens (eerste vordering in eerste aanleg), terwijl het vijfde en het zesde middel betrekking hebben op de immateriële schade die zou zijn geleden ten gevolge van de vermelding van zijn naam op de „lijsten van maffialeden” (tweede vordering in eerste aanleg).(10)

19.      Europol werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op ten aanzien van het eerste en het vijfde middel, waarmee ik mijn bespreking zal beginnen.

1.      Ontvankelijkheid van het eerste en het vijfde middel, die zijn ontleend aan een onjuiste opvatting met betrekking tot de aard van de aansprakelijkheid van Europol

20.      Europol betoogt in wezen dat het eerste en het vijfde middel, waarmee wordt betoogd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door uit te sluiten dat Europol en de betrokken lidstaat hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade ten gevolge van de onrechtmatige gegevensverwerking door toedoen van Europol of die lidstaat, voor het eerst zijn aangevoerd in de fase van repliek van het geding in eerste aanleg. Het gaat dus om nieuwe middelen die in de loop van het geding zijn aangevoerd, zodat deze beide middelen niet-ontvankelijk zijn.(11)

21.      Rekwirant brengt hiertegen in dat hij deze argumenten in zijn verzoekschrift in eerste aanleg heeft aangevoerd toen hij melding maakte van overweging 57 van de Europol-verordening en artikel 50, leden 1 en 2, van deze verordening.

22.      Ik merk in dit verband op dat rekwirant Europol in zijn verzoekschrift aansprakelijk heeft gesteld overeenkomstig artikel 49, lid 3, en artikel 50 van de Europol-verordening en onder verwijzing naar de – door hem integraal aangehaalde – overweging 57 van die verordening. In zijn repliek heeft rekwirant dit argument nader onderbouwd door te preciseren dat, ook al zou de aansprakelijkheid van Europol voor de gelaakte handelwijze niet worden aangetoond, dit agentschap niettemin tezamen met de betrokken lidstaat hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de veroorzaakte schade.

23.      Ik ben dan ook van mening dat rekwirant in zijn verzoekschrift in eerste aanleg een middel heeft aangevoerd dat in wezen betrekking heeft op de hoofdelijke aansprakelijkheid van Europol, zodat het eerste en het vijfde middel van de hogere voorziening ontvankelijk zijn.

2.      Middelen betreffende de immateriële schade ten gevolge van de openbaarmaking van persoonsgegevens (eerste vordering in eerste aanleg)

a)      Eerste middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij het bepalen van de aansprakelijkheid van Europol voor onjuiste gegevensverwerking

24.      Met zijn eerste middel verwijt rekwirant het Gerecht in wezen dat het heeft uitgesloten dat Europol en de betrokken lidstaat hoofdelijk aansprakelijk waren voor de schade die was ontstaan als gevolg van onrechtmatige gegevensverwerking, waarmee het Gerecht is voorbijgegaan aan het bindende karakter van overweging 57 van de Europol-verordening.

25.      Rekwirant erkent weliswaar dat in de formulering van artikel 50, leden 1 en 2, van de Europol-verordening geen uitdrukkelijk voorschrift inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid van Europol en de betrokken lidstaat is te vinden, maar meent dat een dergelijke aansprakelijkheid niettemin voortvloeit uit deze bepaling, zoals uitgelegd in het licht van overweging 57 van deze verordening.

26.      Om te beginnen kan artikel 50, lid 2, van voornoemde verordening, dat voorziet in de beslechting van geschillen tussen Europol en de betrokken lidstaat via de raad van bestuur van Europol, volgens hem niet anders worden uitgelegd, omdat deze bepaling anders van elke betekenis zou worden beroofd.

27.      Ten tweede vloeit de hoofdelijke aansprakelijkheid van Europol in casu ook voort uit de doelstelling van de betrokken regelgeving, zoals die met name naar voren komt uit overweging 57 van de Europol-verordening, te weten het bieden van een betere bescherming aan de benadeelde partij.(12)

28.      Ten derde kan volgens rekwirant, gelet op het bepaalde in artikel 340 VWEU, het bestaan van een hoofdelijke aansprakelijkheid hoe dan ook, zelfs bij gebreke van een uitdrukkelijke regeling, worden afgeleid uit de algemene beginselen van Unierecht.

29.      Europol, daarin ondersteund door de Slowaakse Republiek, onderstreept om te beginnen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de Unie en de betrokken lidstaat, wanneer deze gezamenlijk optreden, in beginsel niet wordt erkend in het kader van artikel 340, tweede alinea, VWEU, maar dat zulks een uitdrukkelijke, daartoe strekkende vermelding door de Uniewetgever vereist.

30.      Ten eerste betoogt Europol dat artikel 50 van de Europol-verordening niet van toepassing is op de in casu bedoelde gegevensverwerking, omdat dit artikel enkel van toepassing is op de verwerking van gegevens in het kader van de operaties en taken van Europol.

31.      Ten tweede is deze bepaling uitsluitend van toepassing op schade die door de Unie en een lidstaat tezamen is veroorzaakt en kan zij hoe dan ook geen toepassing vinden wanneer er geen sprake is van een onrechtmatige gedraging van Europol en er geen causaal verband is vastgesteld.

32.      Ten derde spreekt overweging 57 van deze verordening weliswaar van hoofdelijke aansprakelijkheid, maar zij heeft geen bindend karakter en is in casu niet van toepassing. Daarnaast vooronderstelt het begrip hoofdelijke aansprakelijkheid dat er meer dan één entiteit aansprakelijk is voor dezelfde schade en niet dat een entiteit waarvan de aansprakelijkheid niet is aangetoond, schadevergoeding moet betalen. Tot slot heeft rekwirant niet eens een vordering uit aansprakelijkheid tegen de betrokken lidstaat ingesteld.(13)

33.      Ik herinner eraan dat het Gerecht in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat artikel 49, lid 3, en artikel 50, lid 1, van de Europol-verordening enkel bepalen dat Europol alle door zijn diensten of personeelsleden in de uitoefening van hun functies veroorzaakte schade moet vergoeden overeenkomstig de voorwaarden van artikel 340 VWEU, en dat niet was voldaan aan de voorwaarde inzake het causaal verband.(14) Overweging 57 van deze verordening doelt weliswaar op een regeling van hoofdelijke aansprakelijkheid, maar deze regeling is niet vastgelegd in de bepalingen van deze verordening, noch bieden die bepalingen daarvoor een grondslag.(15)

34.      Met betrekking tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie wijs ik erop dat artikel 340, tweede alinea, VWEU bepaalt dat „[inzake] de niet-contractuele aansprakelijkheid [...] de Unie overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade [moet] vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt”.(16) Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie krachtens deze bepaling aan een aantal voorwaarden zijn voldaan, te weten dat de gelaakte handelwijze van de instellingen onrechtmatig is, dat er werkelijke schade is geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de gedraging en de beweerdelijk geleden schade.(17) Aangezien deze voorwaarden cumulatief zijn, kan er geen sprake zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie wanneer een van deze voorwaarden niet is vervuld.(18)

35.      Wat meer in het bijzonder de eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid van Europol krachtens artikel 50 van de Europol-verordening betreft, merk ik op dat niet-contractuele hoofdelijke aansprakelijkheid in beginsel impliceert dat indien de schadeveroorzakende handeling aan verschillende personen kan worden toegerekend, deze personen hoofdelijk verplicht zijn de schade te vergoeden.(19)

36.      Het is eveneens vaste rechtspraak van het Hof dat bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van een Unierechtelijke bepaling kan relevante gegevens voor de uitlegging van die bepaling bevatten.(20)

37.      Wat om te beginnen de bewoordingen van artikel 50, lid 1, van de Europol-verordening aangaat, stipuleert deze bepaling in wezen dat iedere natuurlijke persoon die schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatige gegevensverwerking, recht heeft op vergoeding van de geleden schade, hetzij van Europol overeenkomstig artikel 340 VWEU (bij de Unierechter), hetzij van de lidstaat waar het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan overeenkomstig het nationale recht van die staat (bij de bevoegde nationale rechter).

38.      Naar mijn mening kan de aard van de betrokken aansprakelijkheid niet op eenduidige wijze worden uitgelegd aan de hand van de bewoordingen van deze bepaling.

39.      Ten eerste kunnen er in dit verband namelijk geen conclusies worden verbonden aan het gebruik van de uitdrukking „hetzij [...] hetzij”.(21) Deze uitdrukking kan net zo goed betekenen dat de aansprakelijkheid van Europol naast die van de betrokken lidstaat bestaat of dat de benadeelde persoon zich voor de volledige schade zowel tot de betrokken instelling als tot de betrokken lidstaat kan wenden.

40.      Ten tweede is ook de verwijzing in dezelfde bepaling naar artikel 340 VWEU niet van doorslaggevend belang en vergt deze verwijzing, gelet op het feit dat laatstgenoemde bepaling op haar beurt verwijst naar de „algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben”, een vergelijkende uitlegging, waaraan ik mij hieronder in het kader van de teleologische uitlegging van de betrokken bepaling zal wijden.(22)

41.      Wat in de tweede plaats de context van artikel 50, lid 1, van de Europol-verordening betreft, wijs ik er allereerst op dat overweging 56 van de Europol-verordening preciseert dat Europol onderworpen is aan de op de instellingen, agentschappen en organen van de Unie toepasselijke algemene regels inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid, „behalve wat betreft de regels inzake aansprakelijkheid voor onrechtmatige gegevensverwerking”. Met betrekking tot deze onrechtmatige gegevensverwerking laat overweging 57 van deze verordening aan duidelijkheid niets te wensen over door te bepalen dat „Europol en de lidstaat waarin het schadeveroorzakend feit heeft plaatsgevonden [...] gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk [dienen] te zijn” omdat „[het] voor de betrokkene onduidelijk [kan] zijn of schade door een onrechtmatige gegevensverwerking het gevolg is van een handeling van Europol of van een lidstaat”.

42.      Het is inderdaad een feit dat, zoals Europol in herinnering roept, de considerans van een handeling van de Unie geen bindende rechtskracht heeft en niet kan worden aangevoerd om van de bepalingen zelf van die handeling af te wijken, en evenmin om deze bepalingen uit te leggen in een zin die kennelijk in strijd is met de bewoordingen ervan.(23) Afgezien hiervan vormen deze overwegingen niettemin een belangrijk interpretatief element, dat licht kan werpen op de wil van de opsteller van de handeling.(24)

43.      Aangezien de bedoeling van de Uniewetgever, zoals deze ondubbelzinnig naar voren komt uit overweging 57 van de Europol-verordening, om de benadeelde partij te bevoordelen door een hoofdelijke aansprakelijkheid van Europol en de betrokken lidstaat in te voeren, niet in strijd is met de bewoordingen van artikel 50 van deze verordening, concludeer ik derhalve dat dit artikel kan (en moet) worden uitgelegd in het licht van deze overweging.

44.      Deze conclusie wordt bevestigd door artikel 50, lid 2, van de Europol-verordening, volgens welke bepaling alle geschillen tussen Europol en de lidstaten over de uiteindelijke aansprakelijkheid voor de overeenkomstig artikel 50, lid 1, van deze verordening aan een betrokkene toegekende schadevergoeding moeten worden voorgelegd aan de raad van bestuur van Europol.

45.      Wat in de tweede plaats het argument van Europol betreft dat het overnemen van de mobiele telefoons van rekwirant en het ontsleutelen van de daarop opgeslagen gegevens niet onder het begrip „verwerking van persoonsgegevens” in de zin van artikel 50 van de Europol-verordening vallen, zie ik niet in – en Europol legt dit ook niet uit – waarom de door Europol in casu verrichte ontsleuteling niet onder de definitie van artikel 88, lid 2, onder a), VWEU zou vallen, volgens welke bepaling de taken van Europol „de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van informatie die met name door de autoriteiten van de lidstaten of van derde landen of instanties worden verstrekt”, kunnen omvatten.(25)

46.      In de derde plaats lijkt het mij duidelijk dat een van de doelstellingen van de Europolverordening, blijkens overweging 57 ervan, erin bestaat om door middel van de hoofdelijke aansprakelijkheid van Europol en de betrokken lidstaat te vergemakkelijken dat iemand die schade als gevolg van onjuiste gegevensverwerking heeft geleden een rechtsmiddel kan aanwenden. Deze zienswijze vindt ook steun in de totstandkomingsgeschiedenis van de betrokken bepaling en in een vergelijkende uitlegging ervan in het licht van de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben.

47.      Wat in de eerste plaats de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 50 van de Europol-verordening betreft, merk ik op dat de formulering van dit artikel en van overweging 57 als zodanig zijn overgenomen uit het oorspronkelijke voorstel van de Commissie(26), hetgeen steun biedt aan de uitlegging dat dit artikel de bedoeling van de Uniewetgever, zoals tot uiting gebracht in deze overweging, concretiseert om een vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van Europol en de betrokken lidstaat in te voeren.(27)

48.      Bovendien kan de toepassing van deze bepaling, anders dan Europol betoogt, niet beperkt zijn tot de situatie waarin de Unie en een lidstaat gezamenlijk schade hebben veroorzaakt, omdat het in een dergelijke situatie naar mijn mening aan de bevoegde rechter is om te oordelen over de respectieve aansprakelijkheid van de entiteiten of personen die de schade hebben veroorzaakt.(28)

49.      Wat in de tweede plaats de vergelijkende uitlegging van artikel 50, lid 1, van de Europol-verordening betreft, breng ik in herinnering dat de benadeelde partij zich volgens deze bepaling op de aansprakelijkheid van Europol kan beroepen „overeenkomstig artikel 340 VWEU”, dat in de tweede alinea ervan verwijst naar de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben.(29)

50.      De rechtsstelsels van de lidstaten lijken op dit punt in zekere mate met elkaar overeen te komen waar het gaat om het bestaan van een hoofdelijke aansprakelijkheid in situaties waarin dezelfde schade aan verschillende personen kan worden toegerekend.(30) Ook de Europeesrechtelijke beginselen van wettelijke aansprakelijkheid gaan in dezelfde richting.(31)

51.      Ik merk verder op dat hoofdelijke aansprakelijkheid geen onbekend fenomeen is in het Unierecht op het gebied van gegevensverwerking, omdat met name artikel 82, lid 4, van verordening 2016/679 een dergelijke aansprakelijkheid invoert wanneer meerdere verwerkingsverantwoordelijken bij dezelfde verwerking betrokken zijn.(32)

52.      Deze conclusie wordt niet ontkracht door het in de rechtspraak geformuleerde beginsel dat in situaties waarin zowel de Unie als een lidstaat aansprakelijk is, particulieren die schade stellen te hebben geleden zich eerst tot de nationale rechter moeten wenden.(33) Indien dit beginsel, dat van toepassing is op situaties van gezamenlijke aansprakelijkheid, ook van toepassing was op situaties waarin er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid, zou laatstgenoemde vorm van aansprakelijkheid immers van elk nuttig effect worden beroofd.

53.      Concluderend ben ik van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door uit te sluiten dat artikel 50, lid 1, van de Europol-verordening, uitgelegd in het licht van overweging 57 van die verordening, een stelsel van hoofdelijke aansprakelijkheid van Europol en de betrokken lidstaat invoert voor schade als gevolg van onrechtmatige gegevensverwerking door toedoen van Europol of die lidstaat.

54.      Ik stel derhalve voor om het eerste middel van de hogere voorziening toe te wijzen.

55.      Bijgevolg zou het bestreden arrest moeten worden vernietigd voor zover daarin elk causaal verband tussen de door rekwirant gestelde schade en een eventuele gedraging van Europol wordt uitgesloten enkel en alleen omdat zowel Europol als de Slowaakse autoriteiten gedurende een bepaalde periode in het bezit zijn geweest van de op de betrokken mobiele telefoons opgeslagen gegevens.

56.      Dit gezegd hebbend, merk ik op dat, om Europol hoofdelijk aansprakelijk te kunnen stellen voor de gestelde schade, onder meer nog moet worden aangetoond dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde gedraging en die schade.(34) Er kan immers alleen sprake zijn van hoofdelijke aansprakelijkheid wanneer de verschillende schadeveroorzakende feiten van dien aard zijn dat zij de gestelde schade veroorzaken, ongeacht de vraag welke van die schendingen de onmiddellijke en beslissende oorzaak van de gebeurtenis is geweest.(35)

57.      In casu is het bestaan van dit causale verband inderdaad de rode draad van het betoog dat rekwirant in het kader van het tweede tot en met het vierde en het zesde middel van de hogere voorziening voert.

58.      Aangezien het Gerecht in het bestreden arrest echter in wezen heeft volstaan met de constatering dat een „exclusief” causaal verband tussen de gedraging van Europol en de gestelde schade ontbreekt, terwijl de onderhavige analyse niet de mogelijkheid biedt om het bestaan van een causaal verband, zoals is vereist in een situatie van hoofdelijke aansprakelijkheid, te beoordelen, ben ik van mening dat, voor zover het Hof mijn voorstel mocht overnemen om het eerste middel toe te wijzen, het bestreden arrest moet worden vernietigd en de zaak naar het Gerecht moet worden terugverwezen, althans voor wat betreft de eerste vordering in eerste aanleg, zodat het Gerecht zich kan uitspreken over het vraagstuk van het causaal verband in het kader van de hoofdelijke aansprakelijkheid en, in voorkomend geval, over de andere voorwaarden waaraan moet zijn voldaan, wil er sprake kunnen zijn van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie en haar instellingen of organen.(36)

59.      Voor het geval dat het Hof zich niet in de door mij voorgestelde oplossing kan vinden, zal ik hieronder ook de overige middelen van de hogere voorziening bespreken.(37)

b)      Tweede middel, ontleend aan onjuiste uitlegging van het nationale recht dat de inhoud van een onderzoeksdossier regelt

60.      Het tweede middel van rekwirant komt erop neer dat het proces-verbaal van 23 oktober 2018, in strijd met de nationale voorschriften met betrekking tot de inhoud van een onderzoeksdossier, niet was opgenomen in het hem betreffende onderzoeksdossier(38), hetgeen de betrouwbaarheid van dit dossier zou aantasten.

61.      In het bestreden arrest heeft het Gerecht op basis van het proces-verbaal van 23 oktober 2018 geconcludeerd dat Europol vanaf die datum niet meer de enige entiteit was die in het bezit was van de op de betrokken mobiele telefoons opgeslagen gegevens, aangezien ook de Slowaakse autoriteiten de beschikking over die gegevens hadden.(39)

62.      Naar aanleiding van de betwisting door rekwirant van de authenticiteit van het proces-verbaal heeft het Gerecht geoordeeld, dat het eventuele verzuim om dit document in het strafdossier op te nemen als zodanig geen gevolgen voor de authenticiteit ervan kan hebben, en dat rekwirant ook geenszins had gesteld dat dit proces-verbaal was gewijzigd.(40)

63.      Het argument van rekwirant aangaande de eventuele schending van nationale voorschriften met betrekking tot de inhoud van het dossier – die bovendien niet de authenticiteit van de daarin opgenomen documenten betreffen – is mijns inziens niet ter zake dienend, aangezien het niet toereikend aantoont dat het Gerecht de geldigheid van het proces-verbaal van 23 oktober 2018 onjuist heeft beoordeeld, laat staan dat het dit bewijselement onjuist heeft opgevat door geen rekening te houden met de door rekwirant in eerste aanleg aangevoerde nationale regelgeving. Er moet namelijk een onderscheid worden gemaakt tussen, enerzijds, de eventuele omstandigheid dat dit proces-verbaal niet strookt met de nationale voorschriften met betrekking tot de inhoud van het dossier, hetgeen in voorkomend geval de geldigheid ervan als een bestanddeel van dat dossier zou aantasten(41), en, anderzijds, het bestaan (en daarmee de authenticiteit) van ditzelfde proces-verbaal en de eventuele bewijskracht die er in de onderhavige zaak aan toekomt.

64.      Gelet op het feit dat de nationale regelgeving die door rekwirant is aangevoerd om de bewijskracht van het betrokken proces-verbaal te ondermijnen, kennelijk irrelevant is, kan het betoog van rekwirant dat het bestreden arrest op dit punt wordt gekenmerkt door een motiveringsgebrek, evenmin slagen.

65.      Derhalve stel ik voor om het tweede middel van de hogere voorziening af te wijzen.

c)      Derde middel, ontleend aan een feitelijk onjuiste beoordeling van het causaal verband voor wat betreft de eerste vordering in eerste aanleg

66.      Met zijn derde middel stelt rekwirant ten eerste dat het proces-verbaal van 23 oktober 2018 (waarvan de authenticiteit bovendien wordt betwist) slechts aantoont dat er „voorlopige resultaten” in de vorm van de verwerving en de extractie van de gegevens zijn overhandigd, hetgeen niet bewijst dat de „mededelingen” die het voorwerp van de onderhavige procedure zijn, eveneens zijn verstrekt.(42)

67.      Dienaangaande merk ik op dat het Gerecht in punt 68 van het bestreden arrest heeft geconcludeerd dat Europol op de datum van voornoemd proces-verbaal niet langer de enige entiteit was die over de litigieuze gegevens beschikte, die vanaf die datum toegankelijk waren voor de Slowaakse autoriteiten.(43)

68.      Ik ben echter van mening dat de door rekwirant geuite bedenkingen ten aanzien van de exacte inhoud van de door Europol aan de Slowaakse autoriteiten verstrekte gegevens en het feit dat hij zich niet kan vinden in de manier waarop het Gerecht de in het proces-verbaal van 23 oktober 2018 gebezigde uitdrukking „voorlopige resultaten” heeft uitgelegd, niet volstaan als bewijs dat er sprake is van feitelijke onjuistheden of beoordelingsfouten die een onjuiste opvatting van de bewijselementen door het Gerecht tot gevolg hebben.

69.      Rekwirant betoogt ten tweede dat het Gerecht niet heeft vastgesteld dat Europol de litigieuze mededelingen nimmer in ontsleutelde vorm in handen heeft gehad(44), dat ook een lek in versleutelde vorm tot de gestelde schade had kunnen leiden indien de gegevens vervolgens door een onbevoegde derde zouden zijn ontsleuteld(45), en dat ontsleuteling in casu uiterst gemakkelijk zou zijn geweest omdat Europol de bestanden met bijbehorende wachtwoorden reeds had geëxtraheerd.

70.      Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de litigieuze gegevens zelfs in versleutelde vorm hadden kunnen uitlekken, zoals rekwirant stelt, heeft hij geen enkel bewijs en geen enkele aanwijzing verstrekt waaruit blijkt dat deze gegevens zijn uitgelekt toen Europol de beschikking had over de betrokken mobiele telefoons(46), laat staan dat de beoordeling van het Gerecht dat de versleutelde gegevens niet ten grondslag hebben gelegen aan het uitlekken van de litigieuze mededelingen, berust op een onjuiste opvatting van de bewijselementen.(47)

71.      Ten derde herhaalt rekwirant de – door het Gerecht wegens het ontbreken van elk begin van bewijs afgewezen(48) – stelling dat het proces-verbaal van 23 oktober 2018 is geantedateerd, zonder nadere gegevens aan te voeren waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat.(49)

72.      In de vierde plaats voegt rekwirant hieraan toe dat de betrokken mobiele telefoons zonder voorafgaande toestemming van een onafhankelijke rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan waren overgedragen ten behoeve van de verwerving en de extractie van gegevens, hetgeen volgens hem aantoont dat er sprake is van een causaal verband.

73.      Het kost mij enige moeite om in te zien hoe een eventuele schending van de regels op het gebied van de verwerving en de extractie van de litigieuze gegevens als zodanig zou kunnen aantonen dat er een verband bestaat tussen die verwerving of die extractie en het uitlekken van die gegevens in het publieke domein.(50)

74.      Het feit dat de litigieuze gegevens door Europol aan de Slowaakse autoriteiten zijn doorgegeven, volstaat volgens mij om het „exclusieve” causale verband tussen het uitlekken van die gegevens en de gedraging van Europol te verbreken, ongeacht het feit dat Europol eveneens over die gegevens beschikte, in versleutelde dan wel ontsleutelde vorm, en ongeacht de mate waarin die gegevens eventueel waren ontsleuteld.(51)

75.      Ik stel derhalve voor om het derde middel van de hogere voorziening af te wijzen.

d)      Vierde middel, ontleend aan een motiveringsgebrek en een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de bewijsvoering, onjuiste opvatting van de bewijselementen en schending van de rechten van de verdediging

76.      Met het eerste onderdeel van zijn vierde middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het verzuimd heeft om zijn constatering dat artikel 50, leden 1 en 2, van de Europol-verordening niet geacht kan worden een grondslag voor hoofdelijke aansprakelijkheid te bieden, te motiveren en dat het de regels inzake de bewijslast heeft geschonden.

77.      Uit de analyse die ik in de punten 24 tot en met 53 van deze conclusie heb verricht, komt naar voren dat rekwirant uit de motivering van het Gerecht heeft kunnen opmaken waarom het Gerecht van oordeel was dat artikel 50 van de Europol-verordening geen grondslag voor hoofdelijke aansprakelijkheid bood en dat hij daartegen zijn argumenten heeft kunnen aanvoeren. Die motivering stelt het Hof naar mijn mening ook in staat om zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.

78.      Het tweede onderdeel van het vierde middel van rekwirant komt erop neer dat het Gerecht de bewijslast heeft omgekeerd door hem in het geding in eerste aanleg te belasten met het bewijs dat de diensten van Europol informatie hadden gelekt.

79.      In het bestreden arrest heeft het Gerecht geconcludeerd dat rekwirant geen causaal verband tussen de gestelde schade en een eventuele gedraging van Europol had aangetoond en dat dit volstond om elke aansprakelijkheid van Europol in de zin van artikel 340 VWEU uit te sluiten.

80.      Naar mijn mening heeft het Gerecht zijn beoordeling in beginsel terecht gemaakt in het licht van de vaste rechtspraak dat het aan de partij die zich op de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie beroept, staat om overtuigend bewijs over te leggen betreffende het bestaan van een voldoende rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de gedraging van de betrokken instelling en de gestelde schade.(52)

81.      In het derde onderdeel van zijn vierde middel klaagt rekwirant dat het Gerecht het hem betreffende dossier van het nationale strafonderzoek en het decreet van het Slowaakse ministerie van Justitie(53), dat de inhoud van dat dossier regelt, niet als bewijselement in aanmerking heeft genomen. In wezen herhaalt rekwirant het in het tweede middel aangevoerde argument dat het proces-verbaal van 23 oktober 2018 had moeten worden opgenomen in het hem betreffende strafrechtelijke onderzoeksdossier, zoals dit decreet voorschrijft.

82.      Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren dat, zoals ik in het kader van de analyse van het tweede middel heb opgemerkt, het argument van rekwirant betreffende de eventuele schending van de nationale voorschriften met betrekking tot de inhoud van het dossier niet relevant is, aangezien de eventuele omstandigheid dat dat proces-verbaal niet conform de nationale voorschriften betreffende de inhoud van het dossier is opgesteld, de bewijskracht ervan in het kader van de onderhavige zaak niet zou aantasten.(54)

83.      Wat het argument aangaat dat het feit dat Europol enkel een foto van het proces-verbaal van 23 oktober 2018 heeft overgelegd, zou aantonen dat dit agentschap niet over dit proces-verbaal beschikte en dat het dit in het kader van de gerechtelijke procedure van de Slowaakse autoriteiten had ontvangen, moet worden geconstateerd dat het hier, zoals rekwirant nadrukkelijk stelt, om een „overtuiging” van zijn advocaat gaat, die niet door enige aanwijzing of enig bewijselement wordt geschraagd(55)

84.      In het vierde onderdeel van zijn vierde middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het zijn rechten van verdediging heeft geschonden, omdat hij tijdens de pleitzitting van 30 juni 2021 niet zijn standpunt omtrent de antedatering van het proces-verbaal van 23 oktober 2018 kenbaar heeft kunnen maken. Zonder dit uitdrukkelijk te noemen, lijkt hij hiermee te doelen op een miskenning van het beginsel van hoor en wederhoor.

85.      Rekwirant licht echter niet toe welke argumenten en elementen hij had kunnen aanvoeren indien zijn rechten van verdediging waren geëerbiedigd, noch zet hij uiteen waarom zijn argumenten de beslissing van het geding hadden kunnen beïnvloeden indien het beginsel van hoor en wederhoor niet, zoals hij beweert, was miskend.(56)

86.      Bovendien heeft het Gerecht zich in de punten 74 tot en met 78 van het bestreden arrest uitgesproken over de argumenten die rekwirant in verband met deze vermeende antedatering heeft aangevoerd, door onder meer te overwegen dat deze argumenten niet door enig begin van bewijs werden gestaafd en dat rekwirant in repliek niet had gesteld dat het proces-verbaal van 23 oktober 2018 of het afschrift daarvan was gewijzigd.

87.      Rekwirant volstaat namelijk met de opmerking dat tot op heden nog steeds niet bekend is waar het originele exemplaar van het proces-verbaal van 23 oktober 2018 zich bevindt, dat het niet is opgenomen in het gerechtelijk dossier van de zaak waarvan het geacht wordt afkomstig te zijn, en dat uit documenten van een andere strafzaak zou blijken dat er ten minste twee verschillende exemplaren van dit proces-verbaal bestaan.

88.      In dit verband zij opgemerkt dat het volgens het in de rechtspraak van het Hof verankerde beginsel van de vrije beoordeling van bewijsmateriaal tot de beoordelingsvrijheid van het Gerecht behoort om te bepalen welke bewijskracht toekomt aan de bewijselementen(57), behoudens indien er sprake is van een onjuiste opvatting van die bewijselementen, hetgeen volgens vaste rechtspraak van het Hof duidelijk moet blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw moeten worden beoordeeld(58), hetgeen in casu niet het geval lijkt te zijn.

89.      Ik stel derhalve voor om het vierde middel van de hogere voorziening af te wijzen.

3.      Middelen betreffende de immateriële schade als gevolg van de plaatsing van de naam van rekwirant op de „lijsten van maffialeden” (tweede vordering in eerste aanleg)

a)      Vijfde middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij het bepalen van de aansprakelijkheid van Europol wegens onjuiste gegevensverwerking

90.      Met zijn vijfde middel, dat volledig verwijst naar het eerste middel, verwijt rekwirant het Gerecht in wezen dat het heeft uitgesloten dat Europol en de betrokken lidstaat hoofdelijk aansprakelijk waren voor de schade die was ontstaan door een onrechtmatige gegevensverwerking, waarmee het Gerecht is voorbijgegaan aan het bindende karakter van overweging 57 van de Europol-verordening.

91.      Zoals uit mijn analyse van het eerste middel naar voren komt(59), heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door uit te sluiten dat artikel 50, lid 1, van de Europol-verordening, uitgelegd in het licht van overweging 57 van die verordening, een stelsel van hoofdelijke aansprakelijkheid tussen Europol en de betrokken lidstaat invoert voor schade die is geleden als gevolg van onrechtmatige gegevensverwerking door toedoen van Europol of die lidstaat.

92.      Ik wijs er in dit verband op dat het Gerecht in punt 102 van het bestreden arrest ten aanzien van de tweede vordering tot de slotsom is gekomen dat rekwirant geen enkel element had aangevoerd waaruit bleek dat de „lijsten van maffialeden” waarop zijn naam zou zijn vermeld, door een instelling van de Unie en meer bepaald door Europol waren opgesteld en werden bijgehouden.

93.      Ik acht de onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht niet van dien aard dat deze constatering erdoor wordt ontkracht, althans voor zover zij niet op losse schroeven komt te staan door de argumenten die rekwirant in het kader van het zesde middel heeft aangevoerd, hetgeen ik hieronder zal onderzoeken.

94.      In deze omstandigheden stel ik voor om het vijfde middel van de hogere voorziening af te wijzen omdat het niet ter zake dienend is.

b)      Zesde middel, ontleend aan feitelijke onjuistheden bij de beoordeling van het causaal verband voor wat betreft de tweede vordering in eerste aanleg

95.      Het zesde middel van rekwirant komt er in wezen op neer dat Europol over geen enkele aanwijzing beschikte dat er een verband tussen hem en de zogenoemde „lijsten van maffialeden” bestond.

96.      Zoals het Gerecht echter heeft opgemerkt, heeft Europol in zijn rapport van 13 januari 2019(60) slechts vermeld dat de naam van rekwirant onder meer „direct verband hield met de zogenoemde lijsten van maffialeden en de Panama Papers”, zonder hem op enige lijst te plaatsen. Verder had Europol geconstateerd dat in persberichten die van eerdere datum waren dan dit rapport reeds was gewezen op de mogelijke betrokkenheid van rekwirant bij de maffia.(61)

97.      Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten van rekwirant, die in wezen beperkt blijven tot de stelling dat Europol niet heeft toegelicht waarom zij rekwirant in verband had gebracht met de „lijsten van maffialeden”, zodat dit agentschap het evenredigheidsbeginsel had geschonden, omdat het „recht om lijsten van maffialeden bij te houden” geen enkele grondslag vindt in het nationale recht of het Unierecht.

98.      Met deze argumenten gaat rekwirant namelijk uit van de onbewezen premisse dat Europol hem daadwerkelijk op die „lijsten van maffialeden” heeft geplaatst, zonder de conclusie van het Gerecht in punt 102 van het bestreden arrest te betwisten dat hij geen enkel bewijs had geleverd dat de „lijsten van maffialeden” waarop zijn naam zou zijn geplaatst, waren opgesteld en werden bijgehouden door een instelling van de Unie en meer bepaald door Europol.

99.      Ik stel derhalve voor het zesde middel van de hogere voorziening af te wijzen en bijgevolg de hogere voorziening af te wijzen met betrekking tot de middelen die zijn aangevoerd in het kader van de tweede vordering in eerste aanleg.

B.      Beroep in eerste aanleg

100. Zoals uit de voorgaande analyse blijkt, stel ik voor om het bestreden arrest te vernietigen voor wat betreft de eerste vordering in eerste aanleg en de hogere voorziening af te wijzen met betrekking tot de tweede vordering in eerste aanleg.

101. Volgens artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, wanneer het de beslissing van het Gerecht vernietigt, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

102. Mijns inziens is dit in casu niet het geval.

103. De onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven door te oordelen dat Europol en de betrokken lidstaat niet hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die is geleden als gevolg van een onrechtmatige gegevensverwerking door toedoen van Europol of die lidstaat, impliceert naar mijn mening namelijk dat het Gerecht de feiten opnieuw moet beoordelen voor wat betreft de vraag of er een causaal verband tussen de gedraging van Europol en de door rekwirant gestelde schade bestaat(62) alsook, in voorkomend geval, de overige voorwaarden waaraan voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie en haar instellingen of organen moet zijn voldaan.(63)

C.      Kosten

104. Aangezien ik voorstel om de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, moet overeenkomstig artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat volgens artikel 184, lid 1, van dit Reglement van overeenkomstige toepassing is op de procedure in hogere voorziening, de beslissing ten aanzien van de proceskosten die partijen in verband met de hogere voorziening hebben gemaakt, worden aangehouden.

VII. Conclusie

105. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:

–        het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 29 september 2021, Kočner/Europol (T‑528/20, niet-gepubliceerd, EU:T:2021:631), te vernietigen met betrekking tot de eerste vordering;

–        de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak over de eerste vordering;

–        de hogere voorziening voor het overige af te wijzen;

–        de beslissing omtrent de kosten aan te houden.


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ (PB 2016, L 135, blz. 53; hierna: „Europol-verordening”).


3      Besluit van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB 2013, L 274, blz. 1).


4      De verwijzing naar dit artikel is waarschijnlijk onjuist en moet worden opgevat als een verwijzing naar artikel 50 van de Europol-verordening, zoals blijkt uit het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie [COM(2013) 173 final van 27 maart 2013], waarin artikel 51 (dat overeenkomt met artikel 49 van de Europol-verordening) verwees naar artikel 52 (dat overeenkomt met artikel 50 van deze verordening).


5      Bovendien zouden de Slowaakse autoriteiten de informatie op de betrokken mobiele telefoons op 1 april 2019 hebben gebruikt in het kader van een tegen rekwirant ingeleide strafprocedure en zouden zij een analyse van de gegevens op die mobiele telefoons hebben gemaakt, zoals blijkt uit een proces-verbaal van de Slowaakse politiediensten van 18 juni 2019.


6      Bestreden arrest, punt 10.


7      Bestreden arrest, punt 91. Het Gerecht heeft in de eerste plaats vastgesteld dat Europol niet als enige in het bezit was van de gegevens die op de betrokken mobiele telefoons stonden opgeslagen, aangezien ook de Slowaakse autoriteiten hierover beschikten (bestreden arrest, punten 68 en 84), in de tweede plaats dat Europol nimmer over de litigieuze mededelingen in ontsleutelde en begrijpelijke vorm heeft beschikt (bestreden arrest, punt 86) en in de derde plaats dat uit een persbericht zou blijken dat informatie uit het nationale onderzoeksdossier was uitgelekt (bestreden arrest, punt 90).


8      Bestreden arrest, punt 102.


9      Bestreden arrest, punten 92‑95 en 105.


10      Meer specifiek hebben het eerste en het vijfde middel betrekking op de vraag of Europol en de betrokken lidstaat hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schade die is geleden ten gevolge van een onrechtmatige gegevensverwerking overeenkomstig overweging 57 van de Europol-verordening, terwijl het tweede tot en met het vierde middel alsook het zesde middel in wezen betrekking hebben op de beoordeling van het causaal verband tussen de schade die rekwirant stelt te hebben geleden en de gedragingen van Europol.


11      De niet-ontvankelijkheid van deze middelen is door Europol in zijn dupliek in eerste aanleg niet opgeworpen, noch heeft het Gerecht dit in het bestreden arrest ambtshalve onderzocht. Het feit dat deze niet-ontvankelijkheid in eerste aanleg niet is besproken, belet het Hof echter niet om in voorkomend geval vast te stellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze eventuele niet-ontvankelijkheid niet als een niet-ontvankelijkheidsgrond van openbare orde op te werpen.


12      Volgens rekwirant belet het beginsel dat elke wetgever op rationele wijze handelt bovendien, dat aan deze bepaling een andere betekenis wordt gehecht dan die welke voortvloeit uit overweging 57. Deze conclusie zou ook steun vinden in het feit dat, onder vigeur van de regelgeving van vóór de Europol-verordening, de betrokken lidstaat aansprakelijk was, zelfs wanneer Europol eveneens aansprakelijk was [volgens artikel 52, lid 1, van besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol) (PB 2009, L 121, blz. 37)]. Het zou van weinig consistentie getuigen om te veronderstellen dat de Uniewetgever deze vereenvoudigde aansprakelijkheidsregeling heeft ingeruild voor een regeling die ongunstiger uitvalt voor de benadeelde partij, die in dat geval eerst zou moeten vaststellen welke entiteit aansprakelijk is voor de schade, alvorens een rechtsvordering te kunnen instellen, hetgeen haaks zou staan op de doelstelling van deze regelgeving.


13      Verder meent Europol nog dat de door rekwirant genoemde omstandigheid dat de Uniewetgever de eerdere aansprakelijkheidsregeling – op grond waarvan de betrokken staat als enige aansprakelijk was, zelfs in situaties waarin Europol medeaansprakelijk was – heeft vervangen, geen steun biedt voor diens stelling dat de huidige regeling niet ongunstiger zou mogen uitvallen voor de benadeelde partij (zie voetnoot 11 bij deze conclusie). Deze veranderde wetgeving is eenvoudigweg terug te voeren tot het feit dat Europol sinds de wijzigingen als gevolg van het Verdrag van Lissabon onder de bevoegdheid van het Hof ressorteert.


14      Bestreden arrest, punt 93.


15      Bestreden arrest, punt 94.


16      In quasi-identieke bewoordingen preciseert artikel 41, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat „[e]enieder [...] recht op vergoeding door de Unie [heeft] van de schade die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt, overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben”.


17      Zie arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad (C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


18      Arrest van 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie (C‑257/98 P, EU:C:1999:402, punt 63), en beschikking van 12 maart 2020, EMB Consulting e.a./ECB (C‑571/19 P, niet-gepubliceerd, EU:C:2020:208, punt 29).


19      Zie onder meer artikel 9:101 van de Europeesrechtelijke beginselen van wettelijke aansprakelijkheid van de European Group on Tort Law [een poging tot codificatie van de Europeesrechtelijke beginselen van wettelijke aansprakelijkheid op basis van een vergelijkend onderzoek van de nationale stelsels, te vinden (in het Engels) op het volgende internetadres: http://www.egtl.org]. Met betrekking tot de definitie van het Hof van hoofdelijke aansprakelijkheid (op contractueel gebied), zie arrest van 18 mei 2017, Latvijas Dzelzceļš (C‑154/16, EU:C:2017:392, punt 85), waarin het Hof onderstreept dat uit de aard van hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeit dat elke schuldenaar is gehouden tot betaling van het volledige bedrag van de schuld en dat de schuldeiser in beginsel de vrijheid behoudt om de betaling van deze schuld te eisen van een of meerdere schuldenaren naar keuze.


20      Arrest van 16 maart 2023, Towercast (C‑449/21, EU:C:2023:207, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


21      Dit gaat ook op voor andere taalversies van deze bepaling. Zie namelijk, afgezien van de Franse taalversie, wat de oorspronkelijke taal van deze conclusie is (soit d’Europol [...], soit de l’État membre), onder meer ook de Griekse (είτε εκ μέρους της Ευρωπόλ [...], είτε εκ μέρους του κράτους μέλους), de Engelse (either from Europol [...] or from the Member State) en de Italiaanse (da Europol [...] o dallo Stato membro) taalversie.


22      Beide methoden zijn immers nauw met elkaar verbonden (zie doctrine, Lenaerts, K. en Gutiérrez-Fons, J. A., Les méthodes d’interprétation de la Cour de justice de l’Union européenne, Bruylant, Brussel, 2020, blz. 104).


23      Zie onder meer arrest van 19 juni 2014, Karen Millen Fashions (C‑345/13, EU:C:2014:2013, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


24      Zie arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde) (C‑569/20, EU:C:2022:401, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ter informatie ook de Gemeenschappelijke praktische handleiding van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie ten behoeve van eenieder die bij de opstelling van wetgevingsteksten van de Europese Unie is betrokken, Publicatiebureau van de Europese Unie, Luxemburg, 2015. Volgens het opschrift van punt 10 van dit document heeft een considerans onder meer tot doel om de „essentiële bepalingen van het regelgevende gedeelte beknopt te motiveren”.


25      Bovendien zou de in casu door Europol verrichte verwerking van persoonsgegevens ook kunnen vallen onder de definities van „persoonsgegevens”, „operationele persoonsgegevens” en „verwerking” in artikel 3, punten 1, 2 en 3, van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39). Weliswaar is verordening 2018/1725 volgens artikel 2, lid 3, ervan niet van toepassing op de verwerking van operationele persoonsgegevens door Europol totdat de Europol-verordening is aangepast in overeenstemming met artikel 98 van deze eerste verordening, maar bij gebreke van ad-hocdefinities in deze tweede verordening meen ik dat de betrokken definities in casu dienst kunnen doen als parameters voor de uitlegging. Bovendien komen de definities van „persoonsgegevens” en „verwerking” overeen met de definities in artikel 4, punten 1 en 2, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1, met rectificatie in PB 2018, L 127, blz. 2), welke verordening volgens artikel 2, lid 2, onder d), ervan echter niet van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten met het oog op onder meer de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten.


26      Overweging 57 en artikel 50 van de Europol-verordening komen namelijk in wezen overeen met respectievelijk overweging 47 en artikel 52 van het oorspronkelijke Commissievoorstel [COM(2013) 173 final van 27 maart 2013].


27      Daarentegen kan ik mij niet vinden in het, eveneens op het wetgevingsproces van de Europol-verordening gebaseerde argument van rekwirant dat het niet mogelijk is dat deze verordening minder bescherming aan de benadeelde zou bieden dan de vorige verordening (zie voetnoot 11 bij deze conclusie). Mijns inziens komt er namelijk meer overtuigingskracht toe aan het standpunt van Europol, volgens welk het feit dat de voorafgaande regelgeving uitging van een exclusieve aansprakelijkheid van de betrokken lidstaat voor alle schade als gevolg van de opslag of verwerking van gegevens, ook met betrekking tot het optreden van Europol, valt te verklaren doordat het optreden van Europol destijds (dat wil zeggen vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon) niet onder de bevoegdheid van de Unierechter viel.


28      Met dien verstande dat, zoals Europol opmerkt, volgens vaste rechtspraak de Unierechter de zaak pas kan beslechten nadat de nationale rechter als eerste uitspraak heeft gedaan (zie arrest van 14 juli 1967, Kampffmeyer e.a./Commissie, 5/66, 7/66, 13/66‑16/66 en 18/66‑24/66, niet-gepubliceerd, EU:C:1967:31, punt 344). In voetnoot 32 bij deze conclusie zal ik dit nader toelichten.


29      Op zeer vergelijkbare wijze bepaalt artikel 49 van de Europol-verordening dat Europol alle door zijn diensten of personeelsleden in de uitoefening van hun functies veroorzaakte schade vergoedt „overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben”.


30      Als voorbeeld noem ik artikel 840 van het Bürgerliche Gesetzbuch (Duits Burgerlijk Wetboek), artikel 926 van de Αστικού Κώδικα (Grieks Burgerlijk Wetboek) en artikel 2055 van de codice civile (Italiaans Burgerlijk Wetboek). Ook in common-law-stelsels lijkt met deze mogelijkheid rekening te worden gehouden (zie Van Dam, C., „Causation”, European Tort Law, Oxford, 2013, blz. 331). Zie in die zin ook artikel 1265 van het ontwerp van herziening van de wettelijke aansprakelijkheid in de Franse rechtsorde, waar hoe dan ook reeds een, door de rechtspraak geïntroduceerde, verplichting tot hoofdelijke aansprakelijkheid „in solidum” lijkt te bestaan (zie doctrine, Ligüerre, C. G., „Responsabilité solidaire et canalisation de la responsabilité”, Revue des contrats, nr. 4, 2019, blz. 252).


31      Een dergelijk beginsel is onder meer terug te vinden in artikel 9:101 van de Europeesrechtelijke beginselen van wettelijke aansprakelijkheid (zie European Group on Tort Law, Principles of European Tort Law. Text and Commentary, SpringerWienNewYork, 2005, blz. 206).


32      Volgens deze bepaling wordt, wanneer meerdere verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers bij dezelfde verwerking betrokken zijn, en verantwoordelijk zijn voor schade die door verwerking is veroorzaakt, elke verwerkingsverantwoordelijke of verwerker voor de gehele schade aansprakelijk gehouden teneinde te garanderen dat de betrokkene daadwerkelijk wordt vergoed. Degene die de schade geheel heeft vergoed, kan krachtens artikel 82, lid 5, van deze verordening op de andere verantwoordelijken het deel van de schadevergoeding verhalen dat overeenkomt met hun deel van de aansprakelijkheid voor de schade. De rechtstreekse toepasselijkheid van deze bepaling is in casu uitgesloten op grond van artikel 2, lid 2, onder d), van voornoemde verordening.


33      Meer concreet heeft de Unierechter in rechtspraak die teruggaat tot de zestiger jaren geoordeeld dat wanneer in verband met dezelfde schade twee verschillende schadevorderingen zijn ingesteld – de ene gericht tegen een lidstaat en ingesteld bij een nationale rechter, de andere gericht tegen de Unie en ingesteld bij de Unierechter –, het nodig kan blijken de uitspraak van de nationale rechter over de eventuele aansprakelijkheid van de lidstaat af te wachten alvorens de schade te ramen waarvoor de Unie aansprakelijk zal worden gesteld, om zo te voorkomen dat de verzoekende partij wegens een uiteenlopende beoordeling door twee verschillende rechters onvoldoende dan wel tot een te hoog bedrag schadeloos wordt gesteld (zie arresten van 14 juli 1967, Kampffmeyer e.a./Commissie, 5/66, 7/66, 13/66‑16/66 en 18/66‑24/66, niet-gepubliceerd, EU:C:1967:31; 30 november 1967, Becher/Commissie, 30/66, EU:C:1967:44, en 13 december 2006, É.R. e.a./Raad en Commissie, T‑138/03, EU:T:2006:390, punt 42). Voor de doctrine, zie Lenaerts, K., e.a., EU Procedural Law, Oxford University Press, 2014, blz. 506 en 507.


34      Zelfs bij gebreke van een Unierechtelijk causaliteitsbegrip (zie Van Dam, C., European tort law, Oxford, 2013, blz. 321; Gutman, K., „The non-contractual liability of the European Union: principle, practice and promise”, Research handbook on EU tort law, 2017, blz. 26‑60, met name blz. 57), komt het mij voor dat dit in de nationale stelsels van de lidstaten een verplicht element van hoofdelijke aansprakelijkheid is (zie onder meer Infantino, M., en Zervogianni, Ε., „Causation in European Tort Law”, The American Journal of Comparative Law, Cambridge, 2017, blz. 652 en 653).


35      In dit verband moet worden geconstateerd dat noch artikel 340, tweede alinea, VWEU, noch de beginselen van hoofdelijke aansprakelijkheid zoals die voortvloeien uit de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de mogelijkheid bieden om een instelling of orgaan van de Unie aansprakelijk te stellen wanneer een causaal verband tussen de gedraging van die instelling of dat orgaan en de gestelde schade ontbreekt.


36      Zie punt 34 van deze conclusie.


37      Waarbij ik nog wil opmerken dat het tweede, het derde en het vierde middel zonder voorwerp zullen geraken indien het Hof mijn voorstel om het eerste middel toe te wijzen overneemt, aangezien het Gerecht zijn beoordeling van de causaliteitsvraag dan hoe dan ook zal moeten herzien.


38      Voorschriften zoals vastgesteld bij decreet nr. 618/2005 van het Slowaakse ministerie van Justitie.


39      Zie bestreden arrest, punten 68 en 84. Het Gerecht heeft de bewijskracht van dit document beoordeeld op basis van het beginsel van de vrije beoordeling van bewijsmateriaal, met inaanmerkingneming van de in zijn rechtspraak genoemde factoren (te weten het arrest van 13 december 2018, Iran Insurance/Raad, T‑558/15, EU:T:2018:945, punten 153 en 154 en aldaar aangehaalde rechtspraak) (zie bestreden arrest, punt 80), en geconstateerd dat het betrokken proces-verbaal een gedetailleerde weergave behelsde van de door de functionaris van Europol aan de functionaris van NAKA overgedragen stukken en gegevens, het dossier waaruit de documenten en gegevens afkomstig waren, de wijze van overdracht ervan, de hoedanigheid van de betrokken functionarissen en de datum en het tijdstip van de overdracht (zie bestreden arrest, punten 79‑81).


40      Zie bestreden arrest, met name punten 71 en 77. Het Gerecht heeft voorts opgemerkt dat het betrokken proces-verbaal was geredigeerd op papier met het officiële briefhoofd van NAKA, betrekking had op een welbepaald dossier en was gedateerd en ondertekend door een met naam genoemde functionaris van NAKA, die verklaarde de betrokken harde schijf in ontvangst te hebben genomen van een eveneens met naam genoemde functionaris van Europol (punt 76 van het bestreden arrest), welke feiten niet door rekwirant worden betwist.


41      Ik merk verder nog op dat de Slowaakse Republiek in haar memorie van interventie het argument van rekwirant dat het betrokken proces-verbaal volgens de nationale regelgeving had moeten worden opgenomen in het onderzoeksdossier, weerlegt door te preciseren dat bepaalde procedurele stukken overeenkomstig die regelgeving niet worden opgenomen in het oorspronkelijke onderzoeksdossier, maar worden bewaard in een ander exemplaar van dat dossier.


42      Rekwirant voegt daaraan toe dat de in punt 67 van het bestreden arrest vermelde teruggave van de mobiele telefoons in dit verband evenmin relevant is, want het zijn niet deze mobiele telefoons maar de gegevens die daarop staan opgeslagen die in aanmerking moeten worden genomen. Bovendien impliceert het feit dat het Slowaakse openbaar ministerie vanaf 1 april 2019 over de litigieuze mededelingen beschikte, niet dat deze gegevens door hen openbaar zijn gemaakt.


43      Hetgeen zou worden bevestigd door de door rekwirant vermelde omstandigheid dat de Slowaakse strafrechtelijke autoriteiten de litigieuze gegevens op 1 april 2019 hadden gebruikt.


44      Rekwirant bestrijdt in dit verband de conclusie van het Gerecht die afkomstig is van een getuigenis van een functionaris van Europol voor een Slowaakse strafrechter (zie bestreden arrest, punt 82), namelijk dat Europol zich heeft beperkt tot de „verwerving en extractie” van de op de mobiele telefoons in versleutelde vorm opgeslagen gegevens, die door de Slowaakse autoriteiten zijn ontsleuteld (zie bestreden arrest, punt 87). Volgens rekwirant gingen de verwerving en de extractie door Europol gepaard met het downloaden van bestanden met de bijbehorende wachtwoorden, waardoor een willekeurige persoon de betrokken gegevens gemakkelijk had kunnen ontsleutelen.


45      In dat kader voert rekwirant ook een motiveringsgebrek aan omdat het Gerecht zou hebben verzuimd toe te lichten waarom gegevens die mogelijkerwijs in versleutelde vorm waren uitgelekt, niet door een derde hadden kunnen worden ontsleuteld. Het komt mij echter voor dat het Gerecht in casu rechtens genoegzaam heeft uitgelegd dat het Europol niet aansprakelijk achtte voor zover Europol niet in ontsleutelde vorm over de litigieuze mededelingen had beschikt, waarbij de vraag of deze stelling gegrond is, de juistheid van de motivering betreft.


46      Het argument van rekwirant berust dus louter op speculatie. Overigens erkent rekwirant zelf dat het moeilijk is om aan te tonen of Europol dan wel de betrokken lidstaat aansprakelijk is voor de schade en bepleit hij om die reden dat beide entiteiten hoofdelijk aansprakelijk zijn (zie eerste en vijfde middel van de hogere voorziening).


47      Ik wil hierbij preciseren dat, indien zou komen vast te staan dat Europol nimmer toegang tot de litigieuze mededelingen in ontsleutelde vorm heeft gehad, dit een sterke aanwijzing zou zijn voor het ontbreken van een „niet-exclusief” causaal verband tussen de gedraging van Europol en de gestelde schade, hetgeen ertoe zou kunnen leiden dat het bestaan van een dergelijk causaal verband ook in het kader van de hoofdelijke aansprakelijkheid van Europol wordt uitgesloten. Dit is volgens mij echter een feitelijke beoordeling die op voorhand door het Gerecht zou moeten worden gemaakt.


48      Bestreden arrest, punten 74 en 75.


49      Rekwirant legt niet uit hoe de gegevens op de twee betrokken mobiele telefoons na het proces-verbaal van 23 oktober 2018 zouden zijn geëxtraheerd, net zoals hij evenmin stelt bij een strafrechter te zijn opgekomen tegen deze gestelde wijziging. Ook het feit dat verweerster slechts een foto van het proces-verbaal van 23 oktober 2018 heeft overgelegd, volstaat niet als bewijs dat dit proces-verbaal is geantedateerd, laat staan dat hieruit blijkt dat het Gerecht dit bewijselement onjuist heeft opgevat door tot een tegengestelde conclusie te komen.


50      Zie ook punt 63 van deze conclusie.


51      Uit het feit dat Europol en de Slowaakse autoriteiten de betrokken gegevens met elkaar hebben gedeeld kan immers niet worden afgeleid dat Europol als enige over de betrokken mobiele telefoons en de bijbehorende transcripties beschikte, zoals door het Gerecht is bepaald in de punten 64 en 65 van het bestreden arrest.


52      Zie onder meer arrest van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze conclusie, die betrekking heeft op een algemene beoordeling van de bewijslast van het causaal verband zoals die in elk beroep tot schadevergoeding plaatsvindt, doet niet af aan de beoordeling van de aard van de aansprakelijkheid van Europol zoals die in het kader van het eerste en het vijfde middel is gemaakt. Mocht het Hof immers concluderen, zoals ik in de punten 24 tot en met 54 van deze conclusie heb voorgesteld, dat Europol in casu tezamen met de betrokken lidstaat hoofdelijk aansprakelijk is, dan volgt daaruit dat het Gerecht weliswaar een onjuiste bewijsmaatstaf heeft gehanteerd (door een „exclusief” causaal verband tussen de gegevensverwerking door Europol en de gestelde schade te verlangen), maar dat het de bewijslast van het causaal verband in eerste aanleg terecht bij rekwirant heeft gelegd.


53      Hoewel rekwirant dit niet preciseert, doelt hij waarschijnlijk op decreet nr. 618/2005, zoals aangehaald in het kader van het tweede middel.


54      Zie punt 63 van deze conclusie.


55      Hetzelfde geldt voor de stelling van rekwirant dat de inhoud van het betrokken proces-verbaal is gewijzigd, waarvoor geen enkele aanwijzing bestaat (zie voetnoot 49 bij deze conclusie).


56      Zie in die zin beschikking van 29 oktober 2004, Ripa di Meana/Parlement (C‑360/02 P, EU:C:2004:690, punt 36).


57      Zie in die zin arrest van 22 oktober 2020, EKETA/Commissie (C‑273/19 P, niet-gepubliceerd, EU:C:2020:852, punt 69).


58      Zie arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci (C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


59      Zie punten 33‑53 van deze conclusie.


60      Zie punt 11 van deze conclusie.


61      Bestreden arrest, punt 107.


62      Zoals ik immers in de punten 56 tot en met 58 van deze conclusie heb gepreciseerd, impliceert het bestaan van een hoofdelijke aansprakelijkheid niet dat er een „exclusief” causaal verband bestaat tussen het gedrag van een van de aansprakelijke personen en de gestelde schade overeenkomstig de gemeenschappelijke regels (zoals het Gerecht in casu heeft onderzocht), maar dat de verschillende schadeveroorzakende feiten van dien aard zijn dat zij de gestelde schade veroorzaken.


63      Zie punt 34 van deze conclusie.

Top