Atlasiet eksperimentālās funkcijas, kuras vēlaties izmēģināt!

Šis dokuments ir izvilkums no tīmekļa vietnes EUR-Lex.

Dokuments 62019TO0715

Beschikking van het Gerecht (Achtste kamer) van 17 juli 2020.
Lukáš Wagenknecht tegen Europese Raad.
Beroep wegens nalaten – Bescherming van de financiële belangen van de Unie – Bestrijding van fraude – Bijeenkomst van de Europese Raad – Meerjarig financieel kader – Financieel Reglement – Vermeend belangenconflict van de vertegenwoordiger van de Tsjechische Republiek op een bijeenkomst van de Europese Raad – Vermeend niet-handelen van de Europese Raad – Artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering – Procesbelang – Procesbevoegdheid – Standpuntbepaling van de Europese Raad – Beëindiging van het nalaten – Niet-ontvankelijkheid – Artikel 15, lid 2, VEU – Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is.
Zaak T-715/19.

Eiropas judikatūras identifikators (ECLI): ECLI:EU:T:2020:340

 BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

17 juli 2020 ( *1 )

„Beroep wegens nalaten – Bescherming van de financiële belangen van de Unie – Bestrijding van fraude – Bijeenkomst van de Europese Raad – Meerjarig financieel kader – Financieel Reglement – Vermeend belangenconflict van de vertegenwoordiger van de Tsjechische Republiek op een bijeenkomst van de Europese Raad – Vermeend niet-handelen van de Europese Raad – Artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering – Procesbelang – Procesbevoegdheid – Standpuntbepaling van Europese Raad – Beëindiging van het nalaten – Niet-ontvankelijkheid – Artikel 15, lid 2, VEU – Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is”

In zaak T‑715/19,

Lukáš Wagenknecht, wonende te Pardubice (Tsjechië), vertegenwoordigd door A. Dolejská, advocaat,

verzoekende partij,

tegen

Europese Raad, vertegenwoordigd door A. Westerhof Löfflerová, A. Jensen en M. J. Bauerschmidt als gemachtigden,

verwerende partij,

betreffende een verzoek krachtens artikel 265 VWEU, strekkende tot vaststelling dat de Europese Raad op onwettige wijze heeft nagelaten een besluit te nemen naar aanleiding van het verzoek van verzoeker om de premier van de Tsjechische Republiek, Andrej Babiš, uit te sluiten van de bijeenkomst van de Europese Raad van 20 juni 2019 en van toekomstige bijeenkomsten betreffende de onderhandelingen over financiële vooruitzichten wegens zijn vermeende belangenconflict, gelet op de vereisten van artikel 325, lid 1, VWEU en artikel 61, lid 1, van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1),

geeft

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: J. Svenningsen (rapporteur), president, C. Mac Eochaidh en J. Laitenberger, rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

Voorgeschiedenis van het geding

1

Bij brief van 5 juni 2019 die op 10 juni 2019 is binnengekomen bij de Europese Raad heeft verzoeker, Lukáš Wagenknecht, lid van de Senát Parlamentu České republiky (senaat van de Tsjechische Republiek), de Europese Raad verzocht om de premier van de Tsjechische Republiek, Andrej Babiš, uit te sluiten van de bijeenkomst van de Europese Raad van 20 juni 2019 en van toekomstige bijeenkomsten betreffende de onderhandelingen over financiële vooruitzichten [meerjarig financieel kader MFK 2021/2027] (hierna: „uitnodiging tot handelen”), vanwege een vermeend belangenconflict van deze vertegenwoordiger van de Tsjechische Republiek door persoonlijke en familiale belangen in ondernemingen van de groep Agrofert, die met name actief is in de voedingsmiddelensector.

2

Op 24 juni 2019 heeft de Europese Raad aangegeven geen standpunt in te nemen over de inhoud van de beweringen van verzoeker en heeft hij verzoeker verzekerd dat de Europese Raad groot belang hecht aan bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden, en heeft hij op de uitnodiging tot handelen in wezen geantwoord door aan verzoeker uiteen te zetten dat in artikel 15, lid 2, VEU, een bepaling van primair recht, de samenstelling van de Europese Raad op onaantastbare wijze is vastgelegd. In dit artikel is bepaald dat de Europese Raad „bestaat uit de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten, zijn voorzitter en de voorzitter van de [Europese] Commissie”. Deze samenstelling kan dus niet worden gewijzigd, aangezien deze bepaling niet voorziet in de mogelijkheid van een dergelijke wijziging. Voorts heeft de Europese Raad uiteengezet dat de vraag welke persoon, het staatshoofd of de regeringsleider, elke lidstaat van de Unie diende te vertegenwoordigen uitsluitend onder het nationale grondwettelijke recht viel. Het was dus niet aan de Europese Raad of zijn voorzitter om te beoordelen wie de vertegenwoordiger van elke lidstaat binnen deze instelling moest zijn, noch om te besluiten of het staatshoofd dan wel de regeringsleider uitgenodigd moest worden voor de verschillende bijeenkomsten van de Europese Raad. Deze beginselen gelden ook voor de zittingen van de Raad van de Europese Unie. In die omstandigheden heeft de Europese Raad, gelet op de uitnodiging tot handelen, aan verzoeker geantwoord dat hij de premier van de Tsjechische Republiek niet kon uitsluiten van voormelde bijeenkomsten.

3

Op 2 juli 2019 heeft verzoeker zich opnieuw tot de Europese Raad gewend en de secretaris-generaal van deze instelling per e-mail om opheldering gevraagd naar aanleiding van het antwoord dat hem op 24 juni daaraan voorafgaand was gegeven. Die e-mail is niet beantwoord.

Procedure en conclusies van partijen

4

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 oktober 2019, heeft verzoeker door middel van een tijdelijk e-Curia-account dat door zijn raadsvrouw is aangemaakt, krachtens artikel 265 VWEU beroep ingesteld tot vaststelling van een nalaten van de Europese Raad, voor zover deze instelling op onwettige wijze zou hebben nagelaten een besluit te nemen in antwoord op de uitnodiging tot handelen.

5

Bij op diezelfde dag en in dezelfde omstandigheden ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoeker krachtens artikel 151 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht tevens een verzoek ingediend om de zaak volgens de versnelde procedure te behandelen.

6

Aangezien de vereiste bewijsstukken om het e-Curia-toegangsaccount te valideren ter griffie van het Gerecht zijn binnengekomen op 4 november 2019, terwijl deze overeenkomstig artikel 56 bis, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering binnen een termijn van tien dagen, te rekenen vanaf de neerlegging van het stuk waarmee de procedure in dit geval is ingeleid, de griffie hadden moeten bereiken, is verzoeker verzocht zijn opmerkingen daaromtrent in te dienen.

7

Op 21 november 2019 heeft verzoeker zijn opmerkingen ingediend waarin zijn raadsvrouw uiteenzette dat zij op 24 oktober 2019 de voor het aanmaken van het e-Curia-account vereiste bewijsstukken had verzonden via de internationale dienst voor de Tsjechische posterijen, die binnen twee tot drie werkdagen moest zorgen voor een levering te Luxemburg (Luxemburg). De verzending heeft echter uiteindelijk meer dan 11 dagen geduurd, als gevolg van vertragingen die toe te schrijven waren aan de Tsjechische en de Luxemburgse post. Voormelde raadsvrouw heeft hieraan toegevoegd dat zij de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht, maar dat zij dergelijke contractuele tekortkomingen van deze twee postdiensten niet kon verwachten en dat zij ook niet tijdig kon reageren vanwege haar ziekenhuisopname ter inleiding van de geboorte van haar eerste kind, die heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2019.

8

Bij beslissing van 11 december 2019 heeft het Gerecht vastgesteld dat er sprake was van toeval in de zin van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en heeft het bijgevolg het beroep niet
overeenkomstig artikel 56 bis, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk verklaard.

9

Verzoeker verzoekt het Gerecht te verklaren dat „de Europese Raad heeft nagelaten te handelen omdat hij, in strijd met artikel 325, lid 1, [VWEU] en artikel 61, lid 1, van verordening (EU) 2018/1046 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, geen enkele dwingende maatregel heeft genomen om het belangenconflict van Andrej Babiš, premier van de Tsjechische Republiek, te voorkomen of te behandelen, en omdat hij, in strijd met het in artikel 61, lid 1, van verordening 2018/1046 neergelegde verbod van belangenconflicten, Andrej Babiš, premier van de Tsjechische Republiek, niet heeft uitgesloten van deelname aan de beraadslagingen die tot vaststelling van het meerjarig financieel kader van de Unie voor 2021/2027 hebben geleid”.

10

Op 23 januari 2020 heeft de Europese Raad haar opmerkingen over het verzoek om toepassing van de versnelde procedure ingediend.

11

Bij beslissing van 10 februari 2020 heeft het Gerecht het verzoek om behandeling volgens de versnelde procedure afgewezen.

12

Op 19 maart 2020 heeft de Europese Raad, krachtens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen waarin hij het Gerecht verzoekt:

het beroep kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren;

verzoeker te verwijzen in de kosten.

13

Op 27 mei 2020 heeft verzoeker zijn opmerkingen over de opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend. Deze opmerkingen zijn geregulariseerd vanwege de buitensporige lengte ervan. In deze opmerkingen verzoekt verzoeker het Gerecht het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en de Europese Raad te verwijzen in de kosten.

14

Bij eveneens op 27 mei 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoeker krachtens artikel 279 van het VWEU de president van het Gerecht verzocht om een voorlopige maatregel tot bekendmaking van een algemene verklaring. Op 12 juni 2020 heeft de Europese Raad zijn opmerkingen over dit verzoek ingediend.

In rechte

15

Volgens artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering dient het Gerecht, wanneer de verweerder bij afzonderlijke akte het Gerecht verzoekt om uitspraak te doen over de niet-ontvankelijkheid of de onbevoegdheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan, zo spoedig mogelijk uitspraak te doen op het verzoek, in voorkomend geval na de mondelinge behandeling te hebben geopend. Voorts kan het Gerecht op grond van artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering, wanneer het kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van een beroep of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond is, te allen tijde, op voorstel van de rechter-rapporteur, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.

16

In casu acht het Gerecht zich voldoende geïnformeerd door de processtukken en besluit het om krachtens deze bepalingen uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.

17

De Europese Raad stelt in zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid dat het beroep om verschillende redenen kennelijk niet-ontvankelijk is. Ten eerste heeft de Europese Raad als instelling immers overeenkomstig artikel 265 VWEU een standpunt ingenomen binnen de termijn van twee maanden nadat hij tot handelen is uitgenodigd. Zijn antwoord aan verzoeker van 24 juni 2019 na de uitnodiging tot handelen heeft dus het door verzoeker gestelde nalaten beëindigd.

18

Ten tweede is de Europese Raad van mening dat hij, aangezien het VEU en het VWEU hem geen bevoegdheid hebben verleend in die zin, niet verplicht is om, in antwoord op de uitnodiging tot handelen, een maatregel te treffen die ertoe strekt de premier van de Tsjechische Republiek uit te sluiten van de onderhandelingen betreffende het MFK 2021/2027.

19

Ten derde betoogt de Europese Raad dat verzoeker in de onderhavige zaak noch procesbelang noch procesbevoegdheid kan ontlenen aan artikel 265, derde alinea, VWEU.

20

Volgens verzoeker is het onderhavige beroep ontvankelijk.

21

De Europese Raad heeft immers nagelaten te handelen waardoor de premier van de Tsjechische Republiek, die in een vermeend belangenconflict verwikkeld was, de bijeenkomst van de Europese Raad van 20 juni 2019 heeft kunnen bijwonen. Zoals blijkt uit punt 4 van de agenda van deze bijeenkomst is de begroting van de Unie doorgenomen op die bijeenkomst. Volgens verzoeker is de Europese Raad om te beginnen gehouden op te treden tegen die situatie van een belangenconflict waarin de premier van de Tsjechische Republiek zich bevindt, gelet op artikel 325, lid 1, VWEU en artikel 61, lid 1, van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1).

22

Vervolgens stelt verzoeker dat hij rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de handeling waarvan hij de Europese Raad vroeg deze vast te stellen ter beëindiging van het vermeende nalaten van deze instelling om tegen het vermeende belangenconflict van de premier van de Tsjechische Republiek op te treden, en hij betoogt dat het antwoord van de Europese Raad op de uitnodiging tot handelen niet overtuigend was, in die zin dat het tegenstrijdig was en het standpunt van deze instelling niet weergaf. Verzoeker betreurt bovendien dat hij van de secretaris-generaal geen antwoord heeft gekregen op zijn verzoek van 2 juli 2019, hoewel het standpunt van de Europese Raad volgens verzoeker verduidelijking verdiende.

23

Ten slotte voert verzoeker in zijn opmerkingen over de exceptie van
niet-ontvankelijkheid een nieuw en volgens hem doorslaggevend feit aan voor de uitkomst van het onderhavige beroep, namelijk het op 11 februari 2020 door de Ústavní soud (grondwettelijk hof, Tsjechië) in voltallige zitting gewezen arrest in de zaak Pl. ÚS 4/2017, waarin het specifiek gaat om belangenconflicten die vergelijkbaar zijn met die welke in casu door verzoeker aan de orde zijn gesteld. Bovendien is het volgens hem des te belangrijker dat het Gerecht hem in casu procesbevoegdheid toekent, enerzijds gelet op zijn mandaat van nationale vertegenwoordiger in de senaat van de Tsjechische Republiek, hetgeen inhoudt dat hij toezicht kan uitoefenen op de premier van zijn lidstaat, en anderzijds omdat hij na de instelling van het onderhavige beroep, net als een aantal leden van het Europees Parlement, met de dood bedreigd is en persoonlijk het mikpunt van een lastercampagne was.

24

Vooraf zij eraan herinnerd dat artikel 265, lid 1, VWEU bepaalt dat ingeval het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank of een orgaan of instantie van de Unie in strijd met de Verdragen nalaat een besluit te nemen, de lidstaten en de overige instellingen van de Unie zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie kunnen wenden om deze schending te doen vaststellen.

25

Artikel 265, derde alinea, VWEU bepaalt dat iedere natuurlijke of rechtspersoon onder dezelfde voorwaarden bij het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn bezwaren kan indienen tegen het feit dat een der instellingen, organen of de instanties van de Unie heeft nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling te verrichten dan het geven van een aanbeveling of een advies. Uit de bewoordingen van deze laatste bepaling volgt evenwel dat een natuurlijke of rechtspersoon, om in zijn beroep wegens nalaten ontvankelijk te zijn, moet aantonen dat zijn rechtspositie identiek is aan of vergelijkbaar is met die van de potentiële adressaat van een rechtshandeling die de betrokken instelling te zijnen aanzien zou moeten verrichten (zie in die zin arrest van 10 juni 1982, Bethell/Commissie, 246/81, EU:C:1982:224, punten 15 en 16; beschikkingen van 23 mei 1990, Asia Motor France/Commissie, C‑72/90, EU:C:1990:230, punten 1012, en 23 januari 1991, Prodifarma/Commissie, T‑3/90, EU:T:1991:2, punt 35). Met andere woorden, die natuurlijke of rechtspersoon moet aantonen dat hij de adressaat is van de handeling die de betrokken instelling zou hebben nagelaten ten aanzien van hem vast te stellen, dan wel dat die handeling hem op soortgelijke wijze als de adressaat van een dergelijke handeling rechtstreeks en individueel zou hebben geraakt (zie in die zin arresten van 26 november 1996, T. Port, C‑68/95, EU:C:1996:452, punt 59, en 15 september 1998, Gestevisión Telecinco/Commissie, T‑95/96, EU:T:1998:206, punt 58).

26

Bovendien moet de betrokken natuurlijke of rechtspersoon aantonen dat hij een procesbelang heeft wat artikel 265 VWEU betreft. Het bestaan daarvan veronderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (arresten van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 42; 17 april 2008, Flaherty e.a./Commissie, C‑373/06 P, C‑379/06 P en C‑382/06 P, EU:C:2008:230, punt 25, en 4 juni 2015, Andechser Molkerei Scheitz/Commissie, C‑682/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:356, punt 25). Daarentegen heeft een verzoeker geen procesbelang wanneer hij met een gunstige uitkomst van een beroep in geen geval zou zijn geholpen (zie arrest van 23 november 2017, Bionorica en Diapharm/Commissie, C‑596/15 P en C‑597/15 P, EU:C:2017:886, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27

In casu moet allereerst worden geconstateerd dat de handeling waarvan verzoeker de Europese Raad heeft gevraagd deze vast te stellen, namelijk dat de premier van de Tsjechische Republiek wordt uitgesloten van de bijeenkomsten van deze instelling betreffende de onderhandelingen over de financiële vooruitzichten, geen door de Europese Raad jegens verzoeker vastgestelde handeling zou zijn, maar een besluit van deze instelling dat tot die premier zou zijn gericht. Ook al beroept verzoeker zich op zijn hoedanigheid van lid van de nationale vertegenwoordiging van de betrokken lidstaat, namelijk de senaat van de Tsjechische Republiek, om in het algemeen belang te handelen, dit neemt niet weg dat de in de punten 25 en 26 aangehaalde rechtspraak evenwel met betrekking tot het bewijs van een procesbelang van hem vereist dat hij een persoonlijk, verkregen en daadwerkelijk belang heeft bij de vaststelling van het beweerde nalaten van de Europese Raad. Bovendien is in het geval van verzoeker hoe dan ook kennelijk niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 265, derde alinea, VWEU, betreffende de procesbevoegdheid, die inhoudt dat de natuurlijke of rechtspersoon bezwaar kan indienen tegen het feit dat de aangezochte instelling heeft nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling te verrichten dan een aanbeveling of een advies, welke handeling tot hem zou zijn gericht of die hem rechtstreeks en individueel zou raken, aangezien de maatregelen die van de Europese Raad worden gevorderd juist tot een derde zouden zijn gericht (zie in die zin beschikkingen van 23 januari 1991, Prodifarma/Commissie, T‑3/90, EU:T:1991:2, punt 37, en 26 november 1996, Kuchlenz-Winter/Raad, T‑167/95, EU:T:1996:172, punt 20).

28

Verder is een op grond van artikel 265, tweede alinea, VWEU ingesteld beroep enkel ontvankelijk indien de betrokken instelling, het betrokken orgaan of de betrokken instantie vooraf tot handelen is uitgenodigd. Uit deze alinea volgt evenwel dat het beroep alleen kan worden ingesteld binnen een nieuwe termijn indien de instelling, het orgaan of de instantie bij het verstrijken van de termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de uitnodiging tot handelen, geen standpunt heeft ingenomen.

29

In dit verband zij eraan herinnerd dat deze bepaling ziet op het nalaten van de betrokken instelling doordat zij heeft verzuimd een beslissing te nemen of een standpunt te bepalen (arresten van 13 juli 1971, Deutscher Komponistenverband/Commissie, 8/71, EU:C:1971:82, punt 2; 19 november 2013, Commissie/Raad, C‑196/12, EU:C:2013:753, punt 22, en 23 november 2017, Bionorica en Diapharm/Commissie, C‑596/15 P en C‑597/15 P, EU:C:2017:886, punt 52). De in artikel 265 VWEU voor de ontvankelijkheid van een beroep wegens nalaten gestelde voorwaarden zijn in beginsel niet vervuld wanneer de instelling die tot handelen is uitgenodigd, vóór de instelling van het beroep een standpunt heeft ingenomen ten aanzien van die uitnodiging (arresten van 1 april 1993, Pesqueras Echebastar/Commissie, C‑25/91, EU:C:1993:131, punt 11, en 21 juli 2016, Nutria/Commissie, T‑832/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:428, punt 45).

30

Voorts blijkt uit de rechtspraak dat artikel 265 VWEU betrekking heeft op een nalaten doordat is verzuimd een beslissing te nemen of een standpunt te bepalen, en niet op de vaststelling van een andere handeling dan die welke verzoeker zou hebben gewenst of noodzakelijk geacht (arrest van 21 juli 2016, Nutria/Commissie, T‑832/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:428, punt 46; zie in die zin ook arrest van 1 april 1993, Pesqueras Echebastar/Commissie, C‑25/91, EU:C:1993:131, punt 12 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31

Wanneer de instelling onder opgave van redenen weigert te handelen zoals in een dergelijke uitnodiging wordt gevraagd, vormt dat bijgevolg een standpuntbepaling die het nalaten beëindigt en levert die aldus geformuleerde en onderbouwde weigering een voor beroep vatbare handeling op in de zin van artikel 263 VWEU (zie in die zin arrest van 26 april 1988, Asteris e.a./Commissie, 97/86, 99/86, 193/86 en 215/86, EU:C:1988:199, punten 32 en 33, en beschikking van 7 december 2017, Techniplan/Commissie, T‑853/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:928, punt 20).

32

In casu heeft verzoeker, ofschoon de Europese Raad hem op 24 juni 2019 in duidelijke bewoordingen had uitgelegd waarom hij niet kon handelen op de van hem verlangde wijze, het onderhavige beroep niet ingesteld uit hoofde van artikel 263 VWEU, teneinde nietigverklaring te verkrijgen van het in die brief van 24 juni 2019 vervatte besluit om geen stappen te ondernemen in de zin zoals aangegeven in de uitnodiging tot handelen. In het kader van een dergelijk beroep tot nietigverklaring had hij in voorkomend geval, op voorwaarde dat hij erin slaagde het bewijs te leveren dat hij over de vereiste procesbevoegdheid beschikte om dat besluit aan te vechten, in rechte kunnen opkomen tegen de gronden die de Europese Raad in aanmerking heeft genomen ter rechtvaardiging van zijn beslissing om de premier van de Tsjechische Republiek niet uit te sluiten van de litigieuze bijeenkomsten van deze instelling.

33

In dit verband heeft de omstandigheid dat verzoeker in zijn brief van 2 juli 2019 de Europese Raad om nadere toelichting heeft verzocht over de strekking van de brief van de Raad van 24 juni 2019 die in antwoord op de uitnodiging tot handelen is gestuurd en waarvan verzoeker de inhoud bekritiseerde, geen invloed op de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep zoals deze in de punten 28 tot en met 32 is onderzocht. Verzoeker had de kritiek die hij in zijn brief van 2 juli 2019 heeft geuit, in voorkomend geval weliswaar in het kader van een krachtens artikel 263 VWEU ingesteld beroep tot nietigverklaring kunnen uiteenzetten, maar vastgesteld moet immers worden dat verzoeker in die brief de Europese Raad niet opnieuw heeft uitgenodigd om op een bepaalde wijze te handelen in de zin van artikel 265, tweede alinea, VWEU. Bijgevolg kan die brief niet worden beschouwd als een nieuwe uitnodiging tot handelen ten aanzien waarvan de Europese Raad vervolgens zou hebben nagelaten te handelen.

34

Wat voorts de vraag betreft of, zoals de Europese Raad in zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt, in casu op deze instelling geen enkele verplichting rustte aangaande de maatregelen waarom verzoeker in de uitnodiging tot handelen had verzocht, aangezien deze instelling onbevoegd is om die maatregelen vast te stellen, zij eraan herinnerd dat deze vraag hoe dan ook niet onder een van de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het beroep wegens nalaten valt, maar een vraag vormt die ten gronde moet worden onderzocht. Immers, juist om zich over de gegrondheid van het beroep wegens nalaten te kunnen uitpreken, dient het Gerecht na te gaan of, op het tijdstip waarop volgens artikel 265, tweede alinea, VWEU de uitnodiging tot handelen aan de betrokken instelling werd gericht, op die instelling een verplichting rustte om te handelen in de zin zoals door verzoeker werd aangegeven in zijn uitnodiging tot handelen (zie in die zin arrest van 29 september 2011, Ryanair/Commissie, T‑442/07, niet gepubliceerd, EU:T:2011:547, punten 27 en 28).

35

Los van de vraag of de door verzoeker ten aanzien van de regeringsleider van de Tsjechische Republiek geuite beweringen van corruptie gegrond zijn en ongeacht het arrest van de Ústavní soud, moet in casu evenwel worden vastgesteld, zoals ook de Europese Raad aangeeft, dat deze instelling geen handelingsvrijheid heeft bij de toepassing van artikel 15, lid 2, VEU wanneer de staatshoofden of de regeringsleiders worden uitgenodigd om bijeenkomsten van de Europese Raad bij te wonen. Aangezien deze bepaling op dit punt geen precisering bevat, moet ze immers aldus worden opgevat dat het onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt om nationale maatregelen te treffen – grondwettelijke maatregelen daaronder begrepen – aan de hand waarvan kan worden bepaald of deze lidstaten op bijeenkomsten van deze instelling moeten worden vertegenwoordigd door hun staatshoofden of door hun regeringsleiders, en of er in voorkomend geval redenen zijn die een van deze personen kunnen beletten om zijn lidstaat te vertegenwoordigen in de Europese Raad.

36

Deze vaststelling geldt temeer daar, behoudens, in voorkomend geval, de toepassing van de procedure van artikel 7 VEU indien er geen nationale maatregelen zijn vastgesteld ter voorkoming van kennelijke belangenconflicten bij de vertegenwoordiging van de lidstaat dan wel de toepassing van de procedures van de artikelen 258 en 259 VWEU met betrekking tot in naam en voor rekening van de Unie verrichte betwiste betalingen betreffende het sectorale beleid, de verdeling van de bevoegdheden binnen een lidstaat onder de bescherming valt die wordt geboden door artikel 4, lid 2, VEU, dat de Unie verplicht om de nationale identiteit van de lidstaten, die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, te eerbiedigen (zie arrest van 18 juni 2020, Porin kaupunki, C‑328/19, EU:C:2020:483, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37

Wat de toepassing van artikel 15, lid 2, VEU betreft staat het uitsluitend aan de lidstaten om, krachtens hun nationale grondwettelijke bepalingen, te bepalen of ze in het kader van de verschillende werkzaamheden bij de Europese Raad worden vertegenwoordigd door hun staatshoofden of door hun regeringsleiders. Dientengevolge is duidelijk dat de Europese Raad met zijn weigering om gevolg te geven aan de uitnodiging tot handelen in casu geenszins artikel 265, derde alinea, VWEU heeft geschonden, los van de vraag of de vertegenwoordiger van de Tsjechische Republiek in deze instelling in een belangenconflict is verwikkeld, gelet op artikel 325, lid 1, VWEU en artikel 61, lid 1, van verordening 2018/1046.

38

Wat overigens de beweringen aangaande het vermeende belangenconflict van de premier van de Tsjechische Republiek betreft, zij eraan herinnerd dat de rechtmatigheid van de betalingen die de Unie verricht in het kader van de middelen die in haar naam en voor haar rekening aan de lidstaten worden overgemaakt, onder de op die middelen toepasselijke regeling van de Unie valt en onderworpen is aan de daarin gestelde voorwaarden, zoals die bijvoorbeeld aan de orde zijn in de bij het Gerecht aanhangige zaak T‑76/20, Tsjechische Republiek/Commissie.

39

Gelet op een en ander moet de door de Europese Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden toegewezen en moet het beroep bijgevolg niet-ontvankelijk en hoe dan ook kennelijk rechtens ongegrond worden verklaard, waarbij met betrekking tot verzoekers betoog dat sprake zou zijn van rechtsweigering ingeval zijn beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard hoewel hij lid is van een nationaal parlement en zijn lichamelijke integriteit in gevaar is, dient te worden benadrukt dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet tot doel heeft het systeem van rechterlijke toetsing van de Verdragen te wijzigen (arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 97, en beschikking van 28 februari 2017, NF/Europese Raad, T‑192/16, EU:T:2017:128, punt 74).

Kosten

40

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Europese Raad dit heeft gevorderd, dient verzoeker te worden verwezen in de kosten.

 

HET GERECHT (Achtste kamer)

beschikt:

 

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk en hoe dan ook kennelijk rechtens ongegrond verklaard.

 

2)

Lukáš Wagenknecht wordt verwezen in de kosten.

 

Luxemburg, 17 juli 2020.

De griffier

E. Coulon

De president

J. Svenningsen


( *1 ) Procestaal: Engels.

Augša