This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62017TO0719
Order of the President of the General Court of 22 June 2018 (Extracts).#FMC Corp. v European Commission.#Application for interim measures — Plant protection products — Implementing Regulation (EU) 2017/1496 — Non-renewal of approval of the active substance DPX KE 459 (flupyrsulfuron-methyl) — Application for suspension of operation — Lack of urgency — Balancing of interests.#Case T-719/17 R.
Beschikking van de president van het Gerecht van 22 juni 2018 (Uittreksels).
FMC Corp. tegen Europese Commissie.
Kort geding – Gewasbeschermingsmiddelen – Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1496 – Niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof DPX KE 459 (flupyrsulfuronmethyl) – Verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging – Geen spoedeisendheid – Belangenafweging.
Zaak T-719/17 R.
Beschikking van de president van het Gerecht van 22 juni 2018 (Uittreksels).
FMC Corp. tegen Europese Commissie.
Kort geding – Gewasbeschermingsmiddelen – Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1496 – Niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof DPX KE 459 (flupyrsulfuronmethyl) – Verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging – Geen spoedeisendheid – Belangenafweging.
Zaak T-719/17 R.
Court reports – general
ECLI identifier: ECLI:EU:T:2018:408
Voorlopige editie
BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
22 juni 2018 (*)
„Kort geding – Gewasbeschermingsmiddelen – Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1496 – Niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof DPX KE 459 (flupyrsulfuronmethyl) – Verzoek tot opschorting van tenuitvoerlegging – Geen spoedeisendheid – Belangenafweging”
In zaak T‑719/17 R,
FMC Corp., gevestigd te Philadelphia, Pennsylvania (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door D. Waelbroeck, I. Antypas en A. Accarain, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Koleva, A. Lewis en I. Naglis als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek op grond van de artikelen 278 en 279 VWEU tot opschorting van de tenuitvoerlegging van uitvoeringsverordening (EU) 2017/1496 van de Commissie van 23 augustus 2017 tot niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof DPX KE 459 (flupyrsulfuronmethyl) overeenkomstig verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (PB 2017, L 218, blz. 7),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking (1)
[omissis]
In rechte
[omissis]
Spoedeisendheid
[omissis]
26 Bovendien is volgens vaste rechtspraak enkel sprake van spoedeisendheid indien de ernstige en onherstelbare schade waar de om voorlopige maatregelen verzoekende partij voor vreest, dermate dreigend is dat het ontstaan daarvan met een voldoende mate van waarschijnlijkheid is te voorzien. Die partij moet in elk geval bewijs leveren van de feiten waarop zij de verwachting van dergelijke schade meent te kunnen baseren, met dien verstande dat zuiver hypothetische schade, in zoverre het intreden ervan van onzekere toekomstige gebeurtenissen afhangt, niet kan dienen ter rechtvaardiging van het toewijzen van voorlopige maatregelen (zie beschikking van 23 maart 2017, Gollnisch/Parlement, T‑624/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:243, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Voorts bevatten verzoeken in kort geding volgens artikel 156, lid 4, tweede zin, van het Reglement voor de procesvoering „al het beschikbare bewijs en de bewijsaanbiedingen ter rechtvaardiging van de toekenning van de voorlopige maatregelen”.
28 Zo moet een verzoek in kort geding op zich volstaan om de verwerende partij in staat te stellen om haar opmerkingen voor te bereiden, en de kortgedingrechter om op dit verzoek te beslissen, in voorkomend geval zonder nadere informatie, daar de wezenlijke elementen, zowel feitelijk als rechtens, waarop het is gebaseerd, uit de tekst zelf van dit verzoek moeten blijken (zie beschikking van 6 september 2016, Inclusion Alliance for Europe/Commissie, C‑378/16 P‑R, niet gepubliceerd, EU:C:2016:668, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Het is eveneens vaste rechtspraak dat de kortgedingrechter, wil hij kunnen beoordelen of aan de in de punten 25, 26 en 28 hierboven genoemde voorwaarden is voldaan, moet beschikken over met gedetailleerde en gecertificeerde documenten onderbouwde concrete en nauwkeurige aanwijzingen die tot het bewijs strekken van de financiële situatie van de partij die om de voorlopige maatregelen verzoekt, en op basis waarvan kan worden beoordeeld welke naar alle waarschijnlijkheid de gevolgen zouden zijn, indien de gevraagde maatregelen niet zouden worden toegekend. Het staat dus aan die partij – met name wanneer zij stelt dat er sprake is van financiële schade – om, met stukken onderbouwd, de inlichtingen te verschaffen op basis waarvan een getrouw en algemeen beeld van haar financiële situatie kan worden geschetst (zie in die zin beschikking van 29 februari 2016, ICA Laboratories e.a./Commissie, T‑732/15 R, niet gepubliceerd, EU:T:2016:129, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Ten slotte is het juist dat het verzoek in kort geding op specifieke punten kan worden aangevuld door verwijzingen naar bepaalde als bijlage gevoegde stukken, maar deze stukken kunnen het ontbreken van de essentiële elementen in dat verzoek niet ondervangen. Het is niet de taak van de kortgedingrechter om in plaats van de betrokken partij te achterhalen welke elementen in de bijlagen bij het verzoek in kort geding, in het verzoekschrift in de hoofdzaak of in de bijlagen bij het verzoekschrift in de hoofdzaak, het verzoek in kort geding kunnen staven. Wanneer een dergelijke verplichting aan de kortgedingrechter zou worden opgelegd, zou artikel 156, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering, dat bepaalt dat het verzoek om voorlopige maatregelen bij afzonderlijke akte moet worden gedaan, bovendien elk nut verliezen (zie in die zin beschikking van 20 juni 2014, Wilders/Parlement e.a., T‑410/14 R, niet gepubliceerd, EU:T:2014:564, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Aan de hand van deze criteria moet worden onderzocht of verzoekster heeft kunnen aantonen dat er ernstige en onherstelbare schade is.
32 Verzoekster beweert dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden verordening ernstige en onherstelbare schade dreigt te veroorzaken wegens het verlies van haar marktaandelen op de Europese markt voor graanherbiciden.
33 Zij gaat er in dit verband van uit dat zij schade dreigt te lijden wegens, ten eerste, het verlies van haar huidige marktaandelen op de Europese markt voor graanherbiciden en, ten tweede, het verlies van de marktaandelen die in haar bezit zouden zijn na de overname van de activiteiten betreffende flupyrsulfuronmethyl (hierna: „FPS”).
Ernst van de beweerde schade wegens het verlies van marktaandelen
[omissis]
59 In de vierde plaats moet ten slotte worden benadrukt dat uit de rechtspraak volgt dat niet kan worden uitgesloten dat financiële schade die objectief gezien aanzienlijk is en beweerdelijk het gevolg is van de verplichting om definitief een belangrijke commerciële keuze te maken binnen een daartoe ongeschikte termijn, als „ernstig” kan worden beschouwd, of zelfs dat de ernst van dergelijke schade als vanzelfsprekend kan worden beschouwd, zelfs wanneer informatie over de omvang van de betrokken onderneming ontbreekt [zie in die zin beschikking van 7 maart 2013, EDF/Commissie, C‑551/12 P(R), EU:C:2013:157, punt 33].
60 Die rechtspraak moet evenwel worden bezien in de context van de sector waarin verzoekster actief is. Het is immers vaste rechtspraak dat in een sterk gereglementeerde markt zoals die in het hoofdgeding, hetgeen verzoekster erkent, en waar de bevoegde instanties, om redenen die niet altijd kunnen worden voorzien, soms snel dienen in te grijpen wanneer de volksgezondheid wordt bedreigd, het aan de betrokken ondernemingen is om zich tegen de gevolgen van dat ingrijpen te wapenen door middel van een adequaat beleid, omdat zij anders zelf de daardoor veroorzaakte schade dienen te dragen [zie beschikking van 16 juni 2016, ICA Laboratories e.a./Commissie, C‑170/16 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2016:462, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
61 In casu beschikte DuPont ten vroegste op 6 november 2014, de datum waarop de conclusies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna: „EFSA”) zijn overgelegd waarin werd voorgesteld om FPS in de categorie van vermeende kankerverwekkende en reproductietoxische stoffen in te delen (C2 en R2) (zie punt 5 hierboven), of althans op 18 maart 2015, toen de Commissie haar ontwerpevaluatieverslag heeft bekendgemaakt met daarin haar voorstel om de goedkeuring van die stof niet te verlengen (zie punt 6 hierboven), over informatie op basis waarvan zij zorgvuldigheidshalve, overeenkomstig de in punt 60 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, de gepaste maatregelen kon nemen om zich te wapenen tegen de regelgevingsrisico’s die mogelijkerwijze gepaard gingen met het verbod om FPS in de handel te brengen. Deze regelgevingsrisico’s werden trouwens bevestigd, zowel in de publicatie van de EFSA van de herziene versie van haar conclusies op 3 oktober 2016 als in de publicatie van de Commissie van de herziene versie van haar ontwerpevaluatieverslag op 22 december 2016 (zie punt 7 hierboven).
62 Al deze overwegingen zijn bovendien des te relevanter in de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak, waar duidelijk blijkt dat verzoekster in het kader van haar overname van de aan FPS verbonden activiteiten van DuPont al die informatie grondig had moeten onderzoeken.
63 Hoe dan ook voert verzoekster dienaangaande geen enkel specifiek element aan. Overeenkomstig de in de punten 26 tot en met 30 hierboven genoemde rechtspraak staat het echter niet aan de kortgedingrechter om, in plaats van de betrokken partij, deze gegevens op te sporen.
64 Gelet op de specifieke omstandigheden van het onderhavige verzoek in kort geding kan derhalve niet worden geoordeeld dat het beweerde verlies van marktaandelen op de Europese markt voor graanherbiciden kan worden gekwalificeerd als „objectief aanzienlijke financiële schade” in de zin van de in punt 59 hierboven genoemde rechtspraak.
[omissis]
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 22 juni 2018.
De griffierDe president
E. CoulonM. Jaeger
* Procestaal: Engels.
1 Enkel de punten van de beschikking waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.