Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CC0043

Conclusie van advocaat-generaal M. Szpunar van 11 april 2018.
Liam Jenkinson tegen Raad e.a.
Hogere voorziening – Arbitragebeding – Personeel van internationale missies van de Europese Unie – Bevoegdheid om uitspraak te doen in geschillen inzake arbeidsovereenkomsten – Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Arbitragebedingen waarbij in de laatste overeenkomst de rechterlijke instanties van de Unie zijn aangewezen en in de eerdere overeenkomsten de rechtbanken van Brussel (België) – Besluit om de laatste overeenkomst niet te vernieuwen – Verzoek tot herkwalificatie van de gehele contractuele verhouding als ,overeenkomst voor onbepaalde tijd’ – Verzoeken tot schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag – Inaanmerkingneming van de aan de laatste overeenkomst voorafgaande contractuele relaties – Bevoegdheid van het Gerecht van de Europese Unie.
Zaak C-43/17 P.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2018:231

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. SZPUNAR

van 11 april 2018 ( 1 )

Zaak C‑43/17 P

Liam Jenkinson

tegen

Europese Dienst voor extern optreden,

Raad van de Europese Unie,

Europese Commissie,

Eulex Kosovo

„Hogere voorziening – Personeel van internationale missies van de Europese Unie – Toepasselijk recht en bevoegdheid om uitspraak te doen in geschillen inzake arbeidsovereenkomsten – Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Besluit om de laatste overeenkomst niet te vernieuwen – Vordering tot schadevergoeding – Vaststellen van de verwerende partij”

Inleiding

1.

De onderhavige procedure in hogere voorziening vloeit voort uit een geschil tussen enerzijds Liam Jenkinson (hierna: „rekwirant”), oud-werknemer van de Missie Eulex Kosovo ( 2 ), en anderzijds de Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Missie Eulex Kosovo (hierna: „verweerders”) inzake het niet vernieuwen door de Missie Eulex Kosovo van de laatste overeenkomst van een reeks arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die rekwirant tussen 1994 en 2014 met drie missies van de Europese Unie had gesloten ( 3 ).

2.

Met zijn hogere voorziening verzoekt rekwirant het Hof om vernietiging van de beschikking in de zaak Jenkinson/Raad e.a. ( 4 ), waarbij het Gerecht het beroep van rekwirant heeft verworpen betreffende, primair, een vordering krachtens artikel 272 VWEU om ten eerste zijn contractuele verhouding te herkwalificeren als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en om de schade te vergoeden die hij zou hebben geleden als gevolg van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en onrechtmatig ontslag, en ten tweede te verklaren dat de EDEO, de Raad en de Commissie hem hebben gediscrimineerd en hen bijgevolg te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, en, subsidiair, een vordering uit hoofde van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese instellingen.

3.

Volgens het eerste middel dat rekwirant ter ondersteuning van zijn eerste vordering in hogere voorziening aanvoert, berust de bestreden beschikking van het Gerecht ten aanzien van de reikwijdte van de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie om kennis te nemen van het contractuele onderdeel van het geschil op meerdere onjuiste rechtsopvattingen, en heeft het Gerecht de beschikking dienaangaande niet afdoende gemotiveerd.

4.

Met dit middel werpt rekwirant een niet eerder gestelde vraag op die nader moet worden onderzocht. Want hoewel het Hof zich reeds heeft uitgesproken over de reikwijdte van een arbitragebeding in de zin van artikel 272 VWEU in het kader van een doorlopende arbeidsverhouding die was gebaseerd op een reeks opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd ( 5 ), moet in de onderhavige zaak voor het eerst uitspraak te worden gedaan over de reikwijdte van een arbitragebeding dat is opgenomen in de laatste door partijen ondertekende overeenkomst, terwijl in de voorgaande overeenkomsten een arbitragebeding was opgenomen ten gunste van de rechterlijke instanties te Brussel. Overeenkomstig de wens van het Hof zal ik mij in deze conclusie beperken tot een analyse van deze specifieke vraag.

Toepasselijke bepalingen

Gemeenschappelijk optreden 2008/124

5.

Ingevolge artikel 1 van gemeenschappelijk optreden 2008/124, met als opschrift „Missie”, heeft de Europese Unie in Kosovo de rechtsstaatmissie genaamd „Eulex Kosovo” ingesteld.

6.

Artikel 2, eerste alinea, van dit gemeenschappelijk optreden heeft als opschrift „Missieverklaring” en luidt als volgt:

„EULEX KOSOVO staat de instellingen, het justitieel apparaat en de wetshandhavingsinstanties van Kosovo bij in hun vorderingen op weg naar duurzaamheid en verantwoordingsplicht en bij de verdere ontwikkeling en versterking van een onafhankelijk multi-etnisch justitieel apparaat en een multi-etnisch politioneel en douaneapparaat; daarbij moet ervoor worden gezorgd dat deze instellingen vrij zijn van politieke inmenging en de internationaal erkende normen en Europese beste praktijken naleven.”

7.

Gemeenschappelijk optreden 2008/124 is meerdere keren verlengd. ( 6 ) Bij besluit 2014/349/GBVB ( 7 ), dat op de feiten van de onderhavige zaak van toepassing is, is het gemeenschappelijk optreden verlengd tot 14 juni 2016.

8.

Bij dit besluit is artikel 15 bis toegevoegd aan het gemeenschappelijk optreden, dat als volgt luidt:

„EULEX KOSOVO heeft de bevoegdheid diensten en leveringen aan te besteden, contracten en administratieve regelingen te sluiten, personeel in dienst te nemen, bankrekeningen te bezitten, eigendommen te verkrijgen of te vervreemden en haar schulden te vereffenen […]”.

9.

Meest recentelijk is gemeenschappelijk optreden 2008/124 bij besluit (GBVB) 2016/947 ( 8 ) verlengd tot 14 juni 2018.

Voorgeschiedenis van het geding

10.

De voorgeschiedenis van het geding, zoals deze blijkt uit de bestreden beschikking, kan als volgt worden samengevat.

11.

Rekwirant is allereerst van 20 augustus 1994 tot en met 5 juni 2002 werkzaam geweest bij de Waarnemersmissie van de Europese Unie ( 9 ) op grond van een reeks opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Vervolgens is hij, wederom op grond van een reeks opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, van 17 juni 2002 tot en met 31 december 2009 werkzaam geweest bij de Politiemissie van de Europese Unie ( 10 ). Ten slotte is rekwirant van 5 april 2010 tot en met 14 november 2014 werkzaam geweest bij de Missie Eulex Kosovo op grond van elf opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. ( 11 )

12.

Tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst die liep van 15 juni tot en met 14 oktober 2014, is aan rekwirant bij brief van 26 juni 2014 door het hoofd van de Missie Eulex Kosovo meegedeeld dat zijn missie zou worden beëindigd en zijn arbeidsovereenkomst na 14 november 2014 niet zou worden vernieuwd.

13.

Eulex Kosovo en rekwirant hebben een laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (hierna: „laatste overeenkomst”) gesloten voor de periode van 15 oktober tot en met 14 november 2014, welke niet is vernieuwd. Op grond van artikel 21 van deze laatste overeenkomst is het Hof van Justitie van de Europese Unie krachtens artikel 272 VWEU bevoegd om kennis te nemen van alle geschillen inzake de overeenkomst. ( 12 )

Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking

14.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 oktober 2015, heeft rekwirant beroep ingesteld strekkende, primair, tot ten eerste herkwalificatie van zijn contractuele verhouding als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, vaststelling dat verweerders hun contractuele verplichtingen niet zijn nagekomen, met name de verplichting tot inachtneming van een opzegtermijn voor de beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, vaststelling dat het ontslag onrechtmatig is en bijgevolg veroordeling van partijen tot vergoeding van de schade als gevolg van het misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, het niet in acht nemen van een opzegtermijn en het onrechtmatige ontslag. Ten tweede heeft rekwirant het Gerecht verzocht vast te stellen dat de Raad, de Commissie en de EDEO hem tijdens zijn dienstverband bij de missies hebben gediscrimineerd op het punt van beloning, pensioenrechten en andere arbeidsvoorwaarden, en dat hij als tijdelijke functionaris van een van verweerders in dienst had moeten worden genomen, en heeft hij bijgevolg veroordeling van verweerders tot schadevergoeding gevorderd. Subsidiair heeft rekwirant veroordeling van verweerders tot schadevergoeding uit hoofde van niet-contractuele aansprakelijkheid gevorderd ter vergoeding van de schade die het gevolg was van het niet nakomen van hun verplichtingen.

15.

Het Gerecht heeft zich bij de bestreden beschikking kennelijk onbevoegd verklaard om zich uit te spreken over de twee onderdelen van de primaire vordering en heeft de subsidiaire vordering afgewezen op grond van kennelijke niet-ontvankelijkheid. Dientengevolge heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen en rekwirant verwezen in de kosten.

Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

16.

Rekwirant verzoekt het Hof de bestreden beschikking te vernietigen, het beroep toe te wijzen en verweerders te verwijzen in de kosten van de procedures in eerste en tweede aanleg. De Raad en de Commissie concluderen tot afwijzing van de hogere voorziening en verwijzing van rekwirant in de kosten. De EDEO en Eulex Kosovo verzoeken het Hof primair zich onbevoegd te verklaren om uitspraak te doen in de hogere voorziening en subsidiair de hogere voorziening af te wijzen en rekwirant te verwijzen in de kosten. De Raad en de EDEO verzoeken het Hof voorts om, ingeval de hogere voorziening gegrond wordt verklaard, de hogere voorziening en het beroep, voor zover deze tegen hen zijn gericht, niet-ontvankelijk te verklaren.

17.

De hogere voorziening is voor het Hof schriftelijk behandeld. Partijen is verzocht om hun pleidooien toe te spitsen op het eerste middel dat is aangevoerd ter ondersteuning van de eerste vordering. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 januari 2018.

Analyse van het eerste middel dat is aangevoerd ter ondersteuning van de eerste vordering van de hogere voorziening

Argumenten van partijen

18.

Het eerste middel dat is aangevoerd ter ondersteuning van de eerste vordering van de hogere voorziening, ziet op de beoordeling door het Gerecht van de reikwijdte van de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie om kennis te nemen van het contractuele onderdeel van het geschil. Het eerste middel valt in wezen uiteen in vier onderdelen.

Eerste onderdeel: onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht en motiveringsgebrek met betrekking tot de vaststelling van de bevoegdheid van het Gerecht om kennis te nemen van de gehele contractuele verhouding

19.

Rekwirant verwijt het Gerecht dat het niet is ingegaan op het in eerste aanleg aangevoerde argument dat de bevoegdheid van het Hof om kennis te nemen van contractuele geschillen weliswaar uitsluitend kan voortvloeien uit een arbitragebeding dat door partijen is opgenomen in een overeenkomst, voor zover deze rechtsgeldig is, maar de geldigheid, de reikwijdte en de gevolgen van het litigieuze beding desondanks moeten worden onderzocht in het licht van het nationale recht dat op de overeenkomst van toepassing is, in casu het Belgische recht.

20.

Bovendien heeft het Gerecht volgens rekwirant blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door uitspraak te doen op de excepties van niet-ontvankelijkheid zonder het dossier ten gronde te onderzoeken. Volgens het Belgische recht moet een arbeidsovereenkomst namelijk worden ondertekend voordat de werknemer met zijn werkzaamheden begint. Anders zouden de bedingen van de overeenkomst hem niet kunnen worden tegengeworpen en zou bijgevolg alleen rekwirant zich op een arbitragebeding kunnen beroepen.

21.

Wat betreft de uitlegging en de reikwijdte van het litigieuze beding stelt rekwirant dat het Gerecht in elk geval in het licht van het Belgische recht had moeten onderzoeken wat op het tijdstip van ondertekening van de laatste overeenkomst de wil van partijen was ten aanzien van het arbitragebeding. Bij twijfel hierover prevaleert volgens het Belgisch recht namelijk de uitlegging die het meest gunstig is voor de zwakkere partij bij de overeenkomst. Aangezien met het arbitragebeding een langdurige contractuele verhouding werd beoogd, kon uit de context waarin de ondertekening van dit beding plaatsvond worden opgemaakt dat het niet de wil van partijen was om voor de beslechting van het geschil de gerechtelijke instanties van de Unie uitsluitend voor de laatste overeenkomst bevoegdheid te verlenen. Volgens rekwirant komt de uitlegging van het Gerecht er bovendien op neer dat de missies eenvoudigweg in iedere arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een ander bevoegdheidsbeding zouden kunnen opnemen teneinde te voorkomen dat hun werknemers een gerechtelijke procedure kunnen aanspannen overeenkomstig het hun toekomende recht op een eerlijk proces, en hen te dwingen om het geschil aanhangig te maken bij evenveel gerechten als het aantal ondertekende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. De bestreden beschikking is op dit punt dan ook niet gemotiveerd en berust op een onjuiste rechtsopvatting.

22.

De EDEO, de Raad, de Commissie en Eulex Kosovo betwisten de argumenten die rekwirant heeft aangevoerd ter ondersteuning van het eerste onderdeel.

Tweede onderdeel: onjuiste rechtsopvatting aangaande de schending van de bepalingen van het Belgische recht en van het litispendentiebeginsel

23.

Rekwirant verwijt het Gerecht dat het zich in punt 41 van de bestreden beschikking onbevoegd heeft verklaard met de overweging dat de Belgische gerechten zich bevoegd zouden verklaren om het geschil met betrekking tot alle arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, uitgezonderd de laatste overeenkomst, te beslechten. Volgens rekwirant kan namelijk niet worden uitgesloten dat de Belgische gerechten het arbitragebeding van de laatste overeenkomst van toepassing verklaren op zijn gehele contractuele verhouding met verweerders. En de Belgische gerechten kunnen hoe dan ook geen individuele administratieve handeling nietig verklaren waarvan door de missie of instellingen kennis is gegeven of die aan hen kan worden toegeschreven; zij kunnen hooguit de toepassing ervan opschorten. Bijgevolg is de bestreden beschikking niet afdoende gemotiveerd en berust zij op onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot het Belgische recht en het litispendentiebeginsel.

24.

De EDEO en de Commissie betwisten de argumenten van rekwirant ter ondersteuning van het tweede onderdeel.

Derde onderdeel: onjuiste rechtsopvatting op grond waarvan het Gerecht zich onbevoegd heeft verklaard om uitspraak te doen over de gevolgen van de eerdere arbeidsovereenkomsten tussen rekwirant en verweerders

25.

Rekwirant verwijt het Gerecht in punt 39 van de bestreden beschikking ten onrechte te hebben vastgesteld dat het, voor zover het uitsluitend bevoegd was inzake de laatste overeenkomst, niet bevoegd was om uitspraak te doen over de gevolgen van de eerdere arbeidsovereenkomsten. Volgens rekwirant kan de herkwalificatie van zijn gehele contractuele verhouding als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in geen geval los worden gezien van het bestaan van de laatste overeenkomst en, meer in het bijzonder, van de beëindiging van deze overeenkomst. Het is voor rekwirant immers onmogelijk om de herkwalificatie van zijn contractuele verhouding deels voor de nationale gerechten en deels voor de rechterlijke instanties van de Unie te vorderen. Het Gerecht heeft aldus verzuimd in te gaan op de aangevoerde argumenten en daarmee in de bestreden beschikking blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

26.

De EDEO, de Raad en de Commissie betwisten de argumenten van rekwirant.

Vierde onderdeel: geen onderzoek van de vordering met betrekking tot de laatste overeenkomst

27.

Rekwirant stelt dat het Gerecht in ieder geval heeft verzuimd om zijn vordering te onderzoeken aangaande de administratieve ontslagdocumenten die krachtens het Belgische recht na afloop van de laatste overeenkomst moesten worden toegezonden, wat volgens rekwirant gelijkstaat aan rechtsweigering.

28.

De Raad en de Commissie betwisten de argumenten die rekwirant heeft aangevoerd ter ondersteuning van het vierde onderdeel.

Beoordeling

29.

Deze analyse betreft uitsluitend de reikwijdte van de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie om op grondslag van artikel 272 VWEU krachtens het arbitragebeding kennis te nemen van het contractuele onderdeel van het geschil. Deze analyse impliceert dus een autonome uitlegging van deze bepaling. Bijgevolg loopt deze conclusie niet vooruit op de herkwalificatie van de contractuele verhouding die het voorwerp is van het geschil, aangezien deze kwestie moet worden beoordeeld aan de hand van het recht dat op de zaak ten gronde van toepassing is. ( 13 )

Strekking van artikel 272 VWEU

30.

In de eerste plaats moet in herinnering worden gebracht dat, ten aanzien van de rechterlijke instantie die bevoegd is om geschillen te beslechten waarbij de Unie partij is, in artikel 274 VWEU is bepaald dat „[b]ehoudens de bevoegdheid die bij de Verdragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt verleend, […] de geschillen waarin de Unie partij is, niet uit dien hoofde onttrokken [zijn] aan de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties”. Volgens het Hof biedt het door het VWEU ingevoerde stelsel van verdeling van rechterlijke bevoegdheden partijen „niet de keuze tussen de rechtsmacht van de communautaire of die van de nationale rechterlijke instanties”. Overeenkomstig dit stelsel sluit de bevoegdheid van de rechterlijke instantie van de Unie de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties immers uit. ( 14 )

31.

Aangaande de exclusieve bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie is ingevolge artikel 272 VWEU „[h]et Hof van Justitie van de Europese Unie […] bevoegd, uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Unie gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst”. ( 15 ) Dit artikel vormt een specifieke bepaling op grond waarvan de partijen bij een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst krachtens een door hen opgesteld arbitragebeding een geschil aanhangig kunnen maken bij de Unierechter. ( 16 ) De bevoegdheid van het Hof is dus in de eerste plaats afhankelijk van het bestaan van een overeenkomst tussen enerzijds een instelling, orgaan of autoriteit van de Unie en anderzijds een particulier en in de tweede plaats van het bestaan van een arbitragebeding in de betrokken overeenkomst. ( 17 )

32.

Hoewel het Hof in het kader van een krachtens artikel 272 VWEU overeengekomen arbitragebeding kan worden verzocht een geschil te beslechten op basis van het nationale recht dat op de overeenkomst van toepassing is ( 18 ), heeft het immers reeds geoordeeld dat zijn bevoegdheid om kennis te nemen van een uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiend geschil uitsluitend moet worden vastgesteld aan de hand van artikel 272 VWEU en het arbitragebeding, zonder dat aan het Hof bepalingen van nationaal recht kunnen worden tegengeworpen die zijn bevoegdheid zouden uitsluiten. ( 19 ) Teneinde zijn bevoegdheid vast te stellen, moet het Hof daarom nagaan of in de overeenkomst die voorwerp is van het geschil, een arbitragegeding is opgenomen. Indien een dergelijk beding bestaat, wordt de bevoegdheid van andere rechterlijke instanties dus uitgesloten. ( 20 )

33.

Zo blijkt uit de lezing van artikel 272 VWEU in samenhang met artikel 274 VWEU dat geschillen die betrekking hebben op overeenkomsten waarbij de Unie partij is of waarbij in ieder geval een van de contractpartijen optreedt als vertegenwoordiger van de Unie, in de regel onder de bevoegdheid van de nationale rechter vallen. ( 21 ) De bevoegdheid van de rechterlijke instantie van de Unie sluit echter de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties uit. ( 22 ) Zodra de rechterlijke instanties van de Unie van oordeel zijn dat de vorderingen van een beroep onder een arbitragebeding vallen, zijn de nationale rechterlijke instanties niet langer bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Deze rechterlijke instanties moeten zich derhalve onbevoegd verklaren wegens ten eerste het beginsel van voorrang van het Unierecht ( 23 ) en ten tweede de eerbiediging van de wil van partijen.

34.

Er ontstaan echter problemen op het moment dat ook bevoegdheid is verleend aan een andere rechterlijke instantie, hetzij in dezelfde overeenkomst (concurrerende bevoegdheden) ( 24 ), hetzij, zoals in casu het geval is, in de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die in het kader van een arbeidsverhouding voorafgaand aan de laatste overeenkomst door partijen zijn gesloten ( 25 ).

35.

Volgens de rechtspraak vormt de bevoegdheid die het Hof aan een arbitragebeding ontleent, een afwijking van het gemene recht en moet deze derhalve eng worden uitgelegd. Het Hof mag immers enkel kennisnemen van vorderingen die voortvloeien uit een door de Unie gesloten overeenkomst waarin een arbitragebeding is opgenomen, of van vorderingen die rechtstreeks verband houden met de verbintenissen uit die overeenkomst. ( 26 )

36.

Aangezien de stellingen van rekwirant in het eerste middel zijn gebaseerd op ofwel misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd ofwel zijn onrechtmatige ontslag, zal ik dienaangaande nader ingaan op het verband tussen enerzijds de vorderingen van rekwirant en anderzijds de verschillende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (met inbegrip van de laatste overeenkomst) of de verbintenissen uit deze overeenkomsten.

Kwalificatie van de arbeidsverhouding tussen rekwirant en Eulex Kosovo

37.

Om na te gaan of de vorderingen van rekwirant in het kader van het eerste middel rechtstreeks voortvloeien uit de laatste overeenkomst die door partijen is ondertekend en waarin een arbitragebeding is opgenomen, of rechtstreeks verband houden met de verbintenissen uit de laatste overeenkomst, moet vooraf worden verduidelijkt of de arbeidsverhouding tussen rekwirant en Eulex Kosovo, die was gebaseerd op een reeks van elf arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moet worden gekwalificeerd als één enkele doorlopende arbeidsverhouding dan wel of, integendeel, de laatste overeenkomst de basis vormt voor een arbeidsverhouding die los kan worden gezien van de arbeidsverhouding die voortvloeit uit de eerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.

38.

Ik wijs er nogmaals op dat rekwirant gedurende bijna twintig jaar werkzaam is geweest bij drie verschillende missies van de Unie die in het kader van het GBVB werden uitgevoerd. Ten aanzien van de arbeidsverhouding tussen rekwirant en Eulex Kosovo, die hier aan de orde is, moet worden opgemerkt dat de werkzaamheden die rekwirant tussen 5 april 2010 en 14 november 2014 voor deze missie heeft verricht, hebben geresulteerd in een arbeidsverhouding die was gebaseerd op elf opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.

39.

De arbeidsverhouding tussen rekwirant en Eulex Kosovo was dus van contractuele aard. De vraag is nu of een dergelijke arbeidsverhouding al dan niet één enkele doorlopende arbeidsverhouding vormt.

40.

Het lijdt geen twijfel dat deze vraag in casu bevestigend moet worden beantwoord. Ten eerste blijkt uit de voorgeschiedenis van het geding dat de laatste overeenkomst tussen Eulex Kosovo en rekwirant is gesloten voor de periode die liep van 15 oktober tot en met 14 november 2014. Bij brief van 26 juni 2014 heeft het hoofd van de missie rekwirant meegedeeld dat de „laatste overeenkomst” na 14 november 2014 niet zou worden vernieuwd door Eulex Kosovo. In deze brief wordt dus verwezen naar de einddatum van de laatste overeenkomst, te weten 14 november 2014. Het feit dat hier wordt verwezen naar de laatste overeenkomst impliceert dat deze overeenkomst deel uitmaakt van één en dezelfde arbeidsverhouding tussen rekwirant en Eulex Kosovo. Ten tweede moet worden vastgesteld dat voor zover rekwirant – zoals Eulex Kosovo ter terechtzitting in antwoord op een vraag over de aard van de arbeidsverhouding tussen partijen zelf heeft erkend – in 2010 is begonnen met zijn werkzaamheden voor Eulex Kosovo, de post die rekwirant tot het einde van zijn laatste overeenkomst heeft bezet, al sinds 2010 bestond, en dat de taken die rekwirant verrichtte naar hun aard identiek waren aan de taken die hij in het kader van de voorgaande arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd had verricht.

41.

Ik ben dan ook van mening dat een dergelijke arbeidsverhouding in het kader waarvan rekwirant van 5 april 2010 tot en met 14 november 2014 op grond van een reeks arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd werkzaam is geweest voor Eulex Kosovo, moet worden aangemerkt als één enkele doorlopende arbeidsverhouding tussen partijen.

Rechterlijke instantie die bevoegd is om kennis te nemen van een arbeidsverhouding die is gebaseerd op een reeks arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd

42.

Allereerst moet in herinnering worden gebracht dat in de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die rekwirant en Eulex Kosovo tussen 5 april 2010 tot en met 14 oktober 2014 hebben gesloten, een arbitragebeding ten gunste van de gerechten te Brussel is opgenomen. In artikel 21 van de laatste overeenkomst is echter bepaald dat het Hof van Justitie van de Europese Unie op grond van artikel 272 VWEU bevoegd is. Volgens dit artikel strekt de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie zich uit tot alle geschillen die uit de overeenkomst voortvloeien.

43.

Gelet op het voorgaande rijst de vraag welke rechterlijke instantie bevoegd is in het kader van contractuele verhoudingen die zijn gebaseerd op een reeks arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, waarbij het merendeel van de overeenkomsten bevoegdheid verleent aan de rechterlijke instanties van een lidstaat, terwijl in de laatste overeenkomst die aan deze verhouding ten grondslag ligt, een arbitragebeding in de zin van in artikel 272 VWEU is opgenomen waarbij de rechterlijke instanties van de Unie bevoegd zijn verklaard. ( 27 )

44.

Om deze vraag te beantwoorden, moet een keuze worden gemaakt tussen twee mogelijkheden. De rechterlijke instantie die bevoegd is om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot één en dezelfde arbeidsverhouding zou namelijk ofwel de rechterlijke instantie moeten zijn waaraan bevoegdheid is verleend in het merendeel van de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd waarop deze arbeidsverhouding gebaseerd is (in casu de gerechten te Brussel), ofwel de rechterlijke instantie waaraan bevoegdheid is verleend in de laatste overeenkomst (in casu de rechterlijke instanties van de Unie). Ik ben ervan overtuigd dat moet worden gekozen voor de tweede mogelijkheid.

45.

In dit verband verwijs ik naar de zaak die heeft geleid tot het arrest Porta/Commissie [arrest van 1 juli 1982 (109/81, EU:C:1982:253)], waarin een soortgelijke arbeidsverhouding als in de onderhavige zaak aan de orde was. Porta had namelijk een reeks opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van een jaar gesloten met de directeur van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek in Ispra om voor een periode van vijftien jaar Italiaanse les te geven. De arbeidsverhouding was gedurende de eerste vijf jaar niet in een schriftelijke overeenkomst geregeld en berustte nadien op als overeenkomst geldende brieven. De laatste vier jaar was de arbeidsverhouding tussen partijen gebaseerd op nader uitgewerkte overeenkomsten waarin een arbitragebeding in de zin van artikel 181 EEG (thans artikel 272 VWEU) was opgenomen op grond waarvan het Hof bij uitsluiting bevoegd was „voor alle geschillen inzake de geldigheid, de uitlegging en de uitvoering” van de overeenkomsten.

46.

In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat „het feit dat dit [arbitragebeding] niet in de eerdere contracten voorkomt en dat er voor wat de eerste vijf jaren betreft, zelfs geen schriftelijke contracten bestaan, […] niet [belet] dat het Hof bij de beoordeling van de verhouding tussen de partijen, alle tussen hen bestaan hebbende overeenkomsten in aanmerking kan nemen […]”. ( 28 ) Hoewel alleen in de laatste overeenkomsten een arbitragebeding was opgenomen waarin werd verwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie, heeft het Hof voor de beoordeling van de situatie dus rekening gehouden met alle voorgaande arbeidsverhoudingen die tussen partijen bestonden.

47.

Ik merk hier nogmaals op dat in casu de stellingen van rekwirant betrekking hebben op het bestaan van één en dezelfde doorlopende arbeidsverhouding die op een reeks arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd berust. Zo lijdt het geen twijfel dat zowel de vordering van rekwirant op grond van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd als diens vordering betreffende de onrechtmatigheid van het ontslag op alle overeenkomsten berust die tussen 5 april 2010 en 14 november 2014 zijn gesloten. De laatste overeenkomst maakt hier ontegenzeggelijk deel van uit. Het is immers door het niet vernieuwen van de laatste overeenkomst dat de arbeidsverhouding tussen rekwirant en Eulex Kosovo is beëindigd, zoals blijkt uit de opzeggingsbrief. ( 29 ) De beëindiging van de arbeidsverhouding tussen partijen zou dus in geen geval kunnen worden onderzocht zonder naar deze laatste overeenkomst te verwijzen. Het is dan ook aan de hand van het in de laatste overeenkomst opgenomen arbitragebeding dat moet worden bepaald welke rechterlijke instantie bevoegd is om kennis te nemen van alle geschillen die betrekking hebben op de gehele arbeidsverhouding. Een tegengestelde zienswijze zou ertoe kunnen leiden dat een geschil over één en dezelfde arbeidsverhouding zou moeten worden opgesplitst naar het aantal arbitragebedingen op grond waarvan bevoegdheid is verleend aan verschillende rechterlijke instanties. Een dergelijk standpunt zou indruisen tegen het recht op een doeltreffende voorziening in rechte.

48.

Ervan uitgaande dat de arbeidsverhouding in het kader waarvan rekwirant tussen 2010 en 2014 werkzaam is geweest bij Eulex Kosovo, één en dezelfde arbeidsverhouding is, moet overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte ( 30 ) de rechterlijke instantie waarnaar wordt verwezen in de laatste overeenkomst derhalve de rechterlijke instantie zijn die bevoegd is voor alle geschillen met betrekking tot deze op een reeks arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd berustende arbeidsverhouding. Het feit dat heeft geleid tot de beëindiging van de arbeidsverhouding tussen rekwirant en Eulex Kosovo, te weten het niet vernieuwen van de laatste overeenkomst, heeft immers overduidelijk betrekking op de laatste overeenkomst, ongeacht het tijdstip waarop de opzeggingsbrief aan rekwirant is verzonden.

49.

Deze redenering wordt kracht bijgezet door de keuze van partijen om in de laatste overeenkomst een arbitragebeding als bedoeld in artikel 272 VWEU op te nemen. Hieruit blijkt immers dat het de uitdrukkelijke wil van partijen was om het Hof van Justitie bevoegdheid te verlenen voor geschillen die voortvloeien uit hun arbeidsverhouding. In dit verband verwijs ik naar het rechtsbeginsel op grond waarvan de laatstelijk tot uitdrukking gebrachte wil van partijen prevaleert. De eerbiediging van dit beginsel betekent dus met name dat het Hof van Justitie bevoegd is om een geschil te beslechten dat voortvloeit uit een contractuele verhouding die op het tijdstip van de eerste precontentieuze handelingen bestaat. ( 31 ) Indien partijen er in dit verband voor hebben gekozen om een andere rechterlijke instantie als bevoegd aan te wijzen voor de beslechting van de geschillen met betrekking tot hun contractuele verhouding, moet deze keuze worden gerespecteerd.

Analyse van de vaststellingen van het Gerecht

50.

De kritiek van rekwirant in het eerste middel betreft zowel de punten 23 tot en met 26 als de punten 39 en 41 van de bestreden beschikking.

51.

In de punten 23 tot en met 26 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht overeenkomstig de rechtspraak met betrekking tot artikel 272 VWEU vastgesteld dat het op grond van een arbitragebeding in de laatste overeenkomst enkel bevoegd was om kennis te nemen van geschillen uit deze laatste overeenkomst, en dat het kennelijk onbevoegd was om geschillen te beslechten die zouden kunnen voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten die rekwirant voorafgaand aan de laatste overeenkomst had gesloten, aangezien hierin een beding was opgenomen waarin uitdrukkelijk bevoegdheid werd verleend aan de Belgische gerechten.

52.

Deze redenering kan mijns inziens geen stand houden in het kader van één en dezelfde doorlopende arbeidsverhouding tussen rekwirant en diens werkgever, die is gebaseerd op een reeks opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.

53.

Zoals rekwirant aanvoert, komt deze uitlegging van het Gerecht erop neer dat de missies eenvoudigweg in iedere arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een ander bevoegdheidsbeding zouden kunnen opnemen teneinde te voorkomen dat hun werknemers een gerechtelijke procedure kunnen aanspannen overeenkomstig het recht op een doeltreffende voorziening in rechte.

54.

In punt 39 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht de stelling van rekwirant onderzocht ten aanzien van de herkwalificatie van de gehele contractuele verhouding als overeenkomst voor onbepaalde tijd.

55.

Dienaangaande heeft het Gerecht vastgesteld dat het zich niet kon uitspreken over de gevolgen van de eerder gesloten arbeidsovereenkomsten, aangezien zijn bevoegdheid beperkt was tot de laatste overeenkomst en het bijgevolg kennelijk onbevoegd was om kennis te nemen van de vorderingen met betrekking tot de opzeggingsbrief en de administratieve ontslagdocumenten die overeenkomstig het Belgische recht na afloop van de laatste overeenkomst moesten worden verstrekt.

56.

In punt 41 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht zich onbevoegd verklaard op de grond dat de Belgische gerechten zich bevoegd zouden verklaren om het geschil met betrekking tot alle arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, uitgezonderd de laatste overeenkomst, te beslechten.

57.

Ik stel vast dat het Gerecht, zoals blijkt uit punt 47 van deze conclusie, eraan voorbij is gegaan dat het einde van de arbeidsverhouding tussen partijen niet zou kunnen worden begrepen zonder het bestaan van de laatste overeenkomst. Het feit dat heeft geleid tot de beëindiging van de arbeidsverhouding tussen rekwirant en Eulex Kosovo, te weten het niet vernieuwen van de laatste overeenkomst, heeft immers betrekking op deze laatste overeenkomst.

58.

Aangezien het geschil de vraag oproept of sprake is van een doorlopende en dus één en dezelfde arbeidsverhouding, moet, zoals ik in de punten 48 en 49 van deze conclusie heb uiteengezet, op grond van het arbitragebeding in de laatste overeenkomst worden bepaald welke rechterlijke instantie bevoegd is om kennis te nemen van alle geschillen die verband houden met de gehele arbeidsverhouding.

59.

Hieruit volgt dat, voor zover de redenering van het Gerecht geen rekening houdt met het doorlopende karakter van de arbeidsverhouding tussen rekwirant en Eulex Kosovo, noch met de gevolgen van de vrijelijk uitgedrukte wil van partijen in het arbitragebeding, het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich te baseren op de overweging dat de reikwijdte van het arbitragebeding uitdrukkelijk beperkt blijft tot geschillen die voortvloeien uit de laatste overeenkomst en zich niet uitstrekt tot de eerdere overeenkomsten.

60.

Aangezien het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van zijn bevoegdheid om kennis te nemen van het beroep behoeven de argumenten van rekwirant dat de bestreden beschikking niet is gemotiveerd en dat niet is ingegaan op de vordering betreffende de laatste overeenkomst, niet te worden onderzocht.

61.

Bijgevolg moet het eerste middel van de hogere voorziening worden aanvaard.

62.

Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat het kennelijk onbevoegd was om kennis te nemen van het beroep van rekwirant.

Gevolgen van de vernietiging van de bestreden beschikking

63.

Krachtens artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht indien het verzoek om hogere voorziening gegrond is. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.

64.

Ik ben van mening dat de zaak niet in staat van wijzen is. Het onderzoeken van de gegrondheid van de argumenten van rekwirant zou immers betekenen dat het Hof zich zou moeten uitspreken over feitelijke vragen op grond van elementen die niet door het Gerecht in de bestreden beschikking zijn beoordeeld, omdat het zich kennelijk onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het beroep. Bovendien zijn de feitelijke beweringen met betrekking tot de grond van de zaak niet voor het Hof bepleit.

Conclusie

65.

Gelet op al het voorgaande ben ik van mening dat het eerste middel dat door rekwirant is aangevoerd ter ondersteuning van zijn eerste vordering van de hogere voorziening moet worden aanvaard en geef ik het Hof in overweging op deze enkele grond, onverminderd het onderzoek van de andere middelen van de hogere voorziening, de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 9 november 2016, Jenkinson/Raad e.a. (T‑602/15, EU:T:2016:660), te vernietigen en de zaak voor afdoening ten gronde terug te verwijzen naar het Gerecht, alsmede de beslissing omtrent de kosten aan te houden.


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) Gemeenschappelijk optreden 2008/124/GBVB van de Raad van 4 februari 2008 inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo, EULEX KOSOVO (PB 2008, L 42, blz. 92).

( 3 ) Uit het dossier van de zaak blijkt dat rekwirant tussen 1994 en 2014 werkzaam is geweest bij drie verschillende missies van de Unie in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en dat rekwirant met elk van deze missies een reeks arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd had gesloten (zie de punten 11‑13 van deze conclusie).

( 4 ) Beschikking van 9 november 2016 (T‑602/15, EU:T:2016:660; hierna: „bestreden beschikking”).

( 5 ) Zie arrest van 1 juli 1982, Porta/Commissie (109/81, EU:C:1982:253, punt 10).

( 6 ) Het gemeenschappelijk optreden is voor het eerst verlengd tot 14 juni 2012 bij besluit 2010/322/GBVB van de Raad van 8 juni 2010 tot wijziging en verlenging van gemeenschappelijk optreden 2008/124/GBVB (PB 2010, L 145, blz. 13), en vervolgens tot 14 juni 2014 bij besluit 2012/291/GBVB van de Raad van 5 juni 2012 tot wijziging en verlenging van gemeenschappelijk optreden 2008/124/GBVB (PB 2012, L 146, blz. 46).

( 7 ) Besluit van de Raad van 12 juni 2014 tot wijziging van gemeenschappelijk optreden 2008/124/GBVB (PB 2014, L 174, blz. 42).

( 8 ) Besluit van de Raad van 14 juni 2016 tot wijziging van gemeenschappelijk optreden 2008/124/GBVB (PB 2016, L 157, blz. 26).

( 9 ) De Waarnemersmissie van de Europese Unie (EUMM) was sinds 1991 in de westelijke Balkan aanwezig en was ingesteld bij een op 13 juli 1991 in Belgrado ondertekend memorandum van overeenstemming. Deze missie was opgezet bij gemeenschappelijk optreden 2000/811/GBVB van de Raad van 22 december 2000 betreffende de Waarnemersmissie van de Europese Unie (PB 2000, L 328, blz. 53). Uit de voorgeschiedenis van het geding blijkt dat er een tussenperiode van slechts zestien dagen was tussen het einde van de overeenkomst van rekwirant met de Waarnemersmissie van de Europese Unie en het begin van de overeenkomst met de Politiemissie van de Europese Unie.

( 10 ) Deze missie was opgezet bij gemeenschappelijk optreden 2002/210/GBVB van de Raad van 11 maart 2002 inzake de politiemissie van de Europese Unie (PB 2002, L 70, blz. 1).

( 11 ) Uit de voorgeschiedenis van het geding blijkt dat er een tussenperiode van drie maanden was tussen het einde van de laatste overeenkomst met de Politiemissie van de Europese Unie en het begin van de contractuele verhouding met Eulex Kosovo.

( 12 ) In zijn hogere voorziening benadrukt rekwirant dat hij met de genoemde missies een veertigtal opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd heeft gesloten. Voorts wijst hij erop dat hij tijdens en na afloop van zijn laatste overeenkomst stappen heeft ondernomen om een arbitrageprocedure in gang te zetten, en dat Eulex Kosovo hieraan geen gevolg heeft gegeven.

( 13 ) Hoewel we ons hier op het terrein van het GBVB bevinden, ben ik van mening dat de missies van de Unie, overeenkomstig de op hen rustende loyaliteitsverplichting, in hun hoedanigheid van werkgever rekening moeten houden met de wettelijke bepalingen die op Unieniveau zijn vastgesteld. Zie naar analogie arrest van 13 december 2016, IPSO/ECB (T‑713/14, EU:T:2016:727, punt 106). Hier moeten mijns inzien twee belangrijke punten onder de aandacht worden gebracht. Ten eerste is richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB 1999, L 175, blz. 43), waarbij uitvoering is gegeven aan deze raamovereenkomst, weliswaar tot de lidstaten gericht, maar kunnen de regels en beginselen die in de richtlijn zijn opgenomen of die hieruit kunnen worden afgeleid, ook worden ingeroepen tegen de instellingen (en organen en andere autoriteiten) wanneer deze regels en beginselen zelf enkel de specifieke uitdrukking vormen van de fundamentele regels van het Verdrag en van de algemene beginselen die voor die instellingen rechtstreeks gelden. Zie in die zin arrest van 9 september 2003, Rinke (C‑25/02, EU:C:2003:435, punten 24 en 25). Zo behoort het verbod van misbruik van bevoegdheid, op grond waarvan niemand misbruik mag maken van rechtsregels, tot de algemene rechtsbeginselen waarvan de rechter de eerbiediging verzekert. Ten tweede wijs ik erop – rekening houdend met het feit dat het Hof in het kader van een krachtens artikel 272 VWEU opgenomen arbitragebeding kan worden verzocht om het geschil te beslechten op basis van het nationale recht dat op de overeenkomst van toepassing is – dat richtlijn 1999/70 is omgezet in de regels van het nationale recht en dat bijgevolg deze regels van toepassing zijn op een reeks arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, zoals de reeks overeenkomsten die het voorwerp is van het onderhavige geschil.

( 14 ) Zie arrest van 9 oktober 2001, Flemmer e.a. (C‑80/99‐C‑82/99, EU:C:2001:525, punt 41). De zaak die tot dit arrest heeft geleid, betrof de schadevergoeding voor bepaalde producenten van melk en zuivel die tijdelijk hun activiteiten niet hadden kunnen uitoefenen. Artikel 238 EG (thans artikel 272 VWEU) was dus niet van toepassing.

( 15 ) Wat betreft de aard van een arbitragebeding in de zin van artikel 272 VWEU zijn sommige auteurs van mening dat de term „arbitragebeding”„misleidend” kan zijn of ongeschikt is, aangezien de rechterlijke instanties van de Unie die krachtens een dergelijk beding bevoegd zijn, niet als arbiter optreden maar als rechterlijke instantie die arresten wijst die rechtstreeks kunnen worden toegepast. Zie in dit verband Lenaerts, K., Maselis, I., en Gutman, K., EU Procedural Law, Oxford University Press, Oxford, 2014, hoofdstuk 19, blz. 686‑699, in het bijzonder punt 19.8. Zie in dezelfde zin Kremlis, G., „De quelques clauses d’élection de for et de droit applicable stipulées dans les contrats de droit privé conclus par les Communautés européennes dans le cadre de leurs activités d’emprunt et de prêt”, Diritto comunitario e degli scambi internazionali, Milaan, 1986, blz. 782: „[W]anneer bij het [Hof van Justitie] op grond van een dergelijk beding beroep wordt ingesteld, verandert het Hof niet in een arbitragehof […]”. Zie ook de overwegingen van D’Alessandro, E., „L’art. 272 del Trattato sul funzionamento dell’Unione europea: mero accordo attributivo della competenza giurisdizionale o convenzione arbitrale? (nota a Trib. dell’Unione Europea, 17 dicembre 2010, causa T‑460/08)”, Rivista dell’arbitrato, Rome, 2011, nr. 4, blz. 622‑628, over het feit dat een arbitragebeding niet als een arbitraal beding maar als een bevoegdheidsbeding moet worden beschouwd.

( 16 ) Zie in die zin arrest van 26 februari 2015, Planet/Commissie (C‑564/13 P, EU:C:2015:124, punt 23).

( 17 ) Hier moet in herinnering worden gebracht dat het Hof zich in het verleden ook bevoegd heeft verklaard op grond van een arbitragebeding dat was opgenomen in een niet ondertekende „ontwerpovereenkomst” die ter voorbereiding op de contractuele verhouding tussen partijen was opgesteld. Zie in dit verband arrest van 7 december 1976, Pellegrini/Commissie en Flexon-Italia (23/76, EU:C:1976:174, punten 810). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Mayras in de zaak Pellegrini/Commissie en Flexon-Italia (23/76, EU:C:1976:143): „Maar het lijkt ons buitensporig formeel om iedere geldigheid aan het arbitragebeding te ontzeggen op de enkele grond dat de bevestigingsbrieven slechts een gewone, zij het uitdrukkelijke, verwijzing naar de ontwerpovereenkomst bevatten.” Wanneer echter geen arbitragebeding in de zin van artikel 272 VWEU is overeengekomen, zijn de rechterlijke instanties van de Unie niet bevoegd om zich uit te spreken over de vernieuwing van een arbeidsovereenkomst die verzoeker en de Commissie hebben gesloten in het kader van technische samenwerking tussen de Unie en een derde land dat door het Europees Ontwikkelingsfonds wordt gefinancierd. Zie arrest van 20 mei 2009, Guigard/Commissie (C‑214/08 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:330, punt 41).

( 18 ) Zie over het recht dat van toepassing is op privaatrechtelijke overeenkomsten waarin een arbitragebeding is opgenomen Kohler, C., „La Cour de justice des Communautés européennes et le droit international privé”, Droit international privé: travaux du Comité français de droit international privé, 12e jaar, 1993‑1995, Éditions A. Pedone, Parijs, 1996, blz. 71‑95, in het bijzonder blz. 78: „[Op de Unie] dienen zoveel mogelijk de regels van het ‚gemeenschappelijke recht’ (droit commun), in de dubbele betekenis van het woord, te worden toegepast, wat vrijwel automatisch tot het Verdrag van Rome (Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst), leidt”.

( 19 ) Zie arresten van 18 december 1986, Commissie/Zoubek (426/85, EU:C:1986:501, punt 10); 8 april 1992, Commissie//Feilhauer (C‑209/90, EU:C:1992:172, punt 13), en 26 februari 2015, Planet/Commissie (C‑564/13 P, EU:C:2015:124, punt 21).

( 20 ) Arrest van 26 november 1985, Commissie/CO.DE.MI. (318/81, EU:C:1985:467, punt 9).

( 21 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Tizzano in de gevoegde zaken Flemmer e.a. (C‑80/99‐C‑82/99, EU:C:2001:57, punt 41).

( 22 ) Zie arrest van 9 oktober 2001, Flemmer e.a. (C‑80/99‐C‑82/99, EU:C:2001:525, punt 39).

( 23 ) Zie Lenaerts, K., Maselis, I., en Gutman, K., op. cit., blz. 689, punt 19.9: „If the clause confers an exclusive right on the Court of Justice of the EU to hear and determine disputes concerning a contract, courts in Member States must decline jurisdiction by reason of the primacy of Union Law (i.e. compliance with the arbitration clause concluded pursuant to artikel 272 TFEU)”. [„Als krachtens het beding het Hof van Justitie van de Europese Unie exclusief bevoegd is om contractuele geschillen te beslechten, moeten de gerechten van de lidstaten zich onbevoegd verklaren op grond van de voorrang van het Unierecht (d.w.z. krachtens het arbitragebeding dat op grond van artikel 272 VWEU is overeengekomen)”.]

( 24 ) Soms wordt zelfs voorzien in de concurrerende bevoegdheid tussen het Hof van Justitie van de Europese Unie en bepaalde nationale rechterlijke instanties (in concurrerende bedingen). Zie Kohler, C., op. cit., blz. 78. Dergelijke bedingen komen met name voor in leningovereenkomsten tussen de Unie en één of meerdere banken die zich speciaal voor de transactie in een consortium hebben verenigd. Concurrerende bedingen kunnen leiden tot positieve bevoegdheidsconflicten tussen rechterlijke instanties. Zie over deze kwestie Kremlis, G., „De quelques clauses d’élection de for et de droit applicable stipulées dans les contrats de droit privé conclus par les Communautés européennes dans le cadre de leurs activités d’emprunt et de prêt”, Diritto comunitario e degli scambi internazionali, Milaan, 1986, blz. 777‑792, in het bijzonder blz. 783.

( 25 ) Zie Lenaerts, K., Maselis, I., en Gutman, K., op. cit., blz. 689, punt 19.9: „If a number of Courts, including the GC, are entitled to determine disputes under the arbitration clause, a problem of lis alibi pendens may arise. No specific rules are set forth in the Treaties for resolving this problem.” [„Indien op grond van het arbitragebeding meerdere rechterlijke instanties, waaronder het Gerecht van de Europese Unie, bevoegd zijn om geschillen te beslechten, kan dit leiden tot een litispendentieprobleem. De Verdragen voorzien niet in specifieke regels om dit conflict op te lossen.”]

( 26 ) Zie arrest van 18 december 1986, Commissie/Zoubek (426/85, EU:C:1986:501, punt 11).

( 27 ) Hierbij moet worden opgemerkt dat in de zaak Bitiqi e.a./Commissie e.a. (beschikking van 30 september 2014, T‑410/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:871, punt 8), betreffende het besluit van het hoofd van de Missie Eulex Kosovo om de arbeidsovereenkomsten van het contractuele personeel niet te vernieuwen, het Gerecht het beroep van verzoekers heeft verworpen door zich kennelijk onbevoegd te verklaren. In deze zaak was echter in alle arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd een beding opgenomen op grond waarvan de gerechten te Brussel bevoegd waren voor alle geschillen met betrekking tot de overeenkomsten. Geen van deze overeenkomsten bevatte dus een arbitragebeding in de zin van artikel 272 VWEU.

( 28 ) Zie arrest van 1 juli 1982, Porta/Commissie (109/81, EU:C:1982:253, punt 10). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Capotorti in de zaak Porta/Commissie (109/81, EU:C:1982:143, punt 2): „Men kan zich voorts afvragen of het feit dat de forumclausule eerst vanaf 1977 in de arbeidsovereenkomsten is opgenomen, het Hof belet de aard van de arbeidsovereenkomst in de periode daarvoor – van 1963 tot 1977 – te beoordelen. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord nu het geschil mede de vraag opwerpt of er bij de arbeidsverhouding in het kader waarvan verzoekster van 1963 tot 1980 bij het GCO onderwijs heeft gegeven, al dan niet sprake was van een continue verhouding.” Cursivering van mij.

( 29 ) Zie punt 40 van deze conclusie.

( 30 ) Dienaangaande is in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaald dat „[e]enieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, […] recht [heeft] op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden”. Volgens de tweede alinea van dit artikel heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Zie naar analogie beslissing van 12 juli 2012, Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX, EU:C:2012:468).

( 31 ) Zie voetnoot 12.

Top