Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016CJ0556

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 19 oktober 2017.
Lutz GmbH tegen Hauptzollamt Hannover.
Verzoek van het Finanzgericht Hamburg om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Verordening (EEG) nr. 2658/87 – Douane-unie – Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefindeling – Gecombineerde nomenclatuur – Tariefposten – Postonderverdeling 6212 20 00 [gainebroeken (panty’s)] – Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur – Toelichtingen op het geharmoniseerde systeem.
Zaak C-556/16.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2017:777

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

19 oktober 2017 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EEG) nr. 2658/87 – Douane-unie – Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefindeling – Gecombineerde nomenclatuur – Tariefposten – Onderverdeling 6212 20 00 [gainebroeken (panty’s)] – Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur – Toelichtingen op het geharmoniseerde systeem”

In zaak C‑556/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) bij beslissing van 11 mei 2016, ingekomen bij het Hof op 3 november 2016, in de procedure

Lutz GmbH

tegen

Hauptzollamt Hannover,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: C. Vajda, kamerpresident, E. Juhász (rapporteur) en K. Jürimäe, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Lutz GmbH, vertegenwoordigd door T. Lutz,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en A. Caeiros als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van onderverdeling 6212 20 00 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 927/2012 van de Commissie van 9 oktober 2012 (PB 2012, L 304, blz. 1) (hierna: „GN”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Lutz GmbH en het Hauptzollamt Hannover (douanehoofdkantoor Hannover, Duitsland) met betrekking tot de tariefindeling van vormslips.

Toepasselijke bepalingen

Gecombineerde nomenclatuur

3

Deel II van de GN, met het opschrift „Tabel der rechten”, bevat een afdeling XI inzake „Textielstoffen en textielwaren”. In deze afdeling staan de hoofdstukken 61 en 62.

4

In hoofdstuk 61 van de GN, met het opschrift „Kleding en kledingtoebehoren, van brei- of haakwerk”, staat aantekening 2, onder a), op grond waarvan dat hoofdstuk niet geldt voor de artikelen van post 6212.

5

Onderverdeling 6108 22 00 van de GN heeft betrekking op „Onderjurken, onderrokken, slips, nachthemden, pyjama’s, negligés, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, van brei- of haakwerk, voor dames of voor meisjes – slips en onderbroeken van synthetische of kunstmatige vezels”.

6

Voor deze onderverdeling geldt een conventioneel douanerecht van 12 %.

7

In hoofdstuk 62 van de GN, met het opschrift „Kleding en kledingtoebehoren, andere dan van brei- of haakwerk”, staat een aantekening 1, op grond waarvan onder dit hoofdstuk slechts geconfectioneerde artikelen van textiel, met uitzondering van die van watten of die van brei- of haakwerk (andere dan bedoeld bij post 6212) worden ingedeeld.

8

Post 6212 van de GN heeft betrekking op „Bustehouders, gaines (step-ins), korsetten, bretels, jarretelles, kousenbanden en dergelijke artikelen, alsmede delen daarvan, ook indien van brei- of haakwerk”.

9

Onderverdeling 6212 20 00 van de GN ziet op „Bustehouders, gaines (step-ins), korsetten, bretels, jarretelles, kousenbanden en dergelijke artikelen, alsmede delen daarvan, ook indien van brei- of haakwerk – gaines (step-ins) en gainebroeken ([panty’s]).”

10

Onderverdeling 6212 90 00 van de GN is gericht op „Bustehouders, gaines (step-ins), korsetten, bretels, jarretelles, kousenbanden en dergelijke artikelen, alsmede delen daarvan, ook indien van brei- of haakwerk, andere dan bustehouders, gaines (step-ins) en gainebroeken ([panty’s]), en corseletten.”

11

Voor de volledige post 6212 geldt een conventioneel douanerecht van 6,5 %.

Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur

12

Krachtens artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2658/87 stelt de Commissie toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Unie vast (hierna: „GN-toelichtingen”).

13

Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat voor de beslechting van het hoofdgeding de toelichtingen op de GN die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 4 maart 2015 (PB 2015, C 76, blz. 1) relevant zijn. De GN-toelichting op de betreffende onderverdeling 6212 20 00 luidt als volgt:

„Gaines (step-ins) en gainebroeken (panty’s)

Tot deze onderverdeling behoren in het bijzonder de gainebroeken (panty’s), ook indien van brei- of haakwerk, met de snit van een onderbroek met of zonder korte pijpen of van een onderbroek met of zonder korte pijpen met hoge taille.

Zij dienen de volgende kenmerken te vertonen:

a)

zij omsluiten nauw de taille en de heupen; de zijgedeelten zijn langer dan 8 cm (gemeten vanaf de beenopening tot aan de bovenrand);

b)

zij zijn in de hoogte rekbaar, maar in de breedte (dwarsrichting) is de elasticiteit beperkt. Een versteviging of een voering bij de buik, evenals kantwerk, linten, passementwerk en dergelijke zijn toegestaan, voor zover dit geen afbreuk doet aan de rekbaarheid in de hoogte;

c)

zij zijn vervaardigd van de volgende textielmaterialen:

mengsel van katoen en ten minste 15 % elastomeergaren, of

mengsel van synthetische of kunstmatige vezels en ten minste 10 % elastomeergaren, of

mengsel van katoen (niet meer dan 50 %) met een hoog gehalte aan synthetische of kunstmatige vezels en ten minste 10 % elastomeergaren.”

Toelichtingen op het geharmoniseerde systeem

14

De Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie (WCO), werd opgericht bij het op 15 december 1950 te Brussel gesloten verdrag houdende instelling ervan. Het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen (hierna: „GS”) is opgesteld door de WCO en is aangenomen bij het op 14 juni 1983 te Brussel gesloten Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, dat met zijn protocol van wijziging van 24 juni 1986 namens de Europese Economische Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB 1987, L 198, blz. 1).

15

Op basis van artikel 6, lid 1, van dit verdrag is onder de naam „Comité voor het Geharmoniseerde Systeem” bij de Internationale Douaneraad een comité ingesteld dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van elk van de verdragsluitende partijen. Dit comité heeft onder meer tot taak wijzigingen van dit verdrag voor te stellen, alsmede toelichtingen (hierna: „GS-toelichtingen”), indelingsadviezen en andere adviezen voor de interpretatie van het GS op te stellen.

16

Volgens de GS-toelichtingen op post 6212 behoren tot die post goederen die ertoe bestemd zijn bepaalde lichaamsdelen te ondersteunen of verschillende kledingstukken bij het dragen in positie te houden, en toebehoren daarvan. De producten kunnen zijn vervaardigd van verschillende soorten (elastische) textielmaterialen, met inbegrip van brei- en haakwerk.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17

Lutz heeft in oktober 2013 om een bindende tariefinlichting verzocht voor een vormslip en bij zijn verzoek voorgesteld deze slip in te delen in onderverdeling 6212 90 00 van de GN.

18

De Duitse douaneautoriteiten hebben een bindende tariefinlichting afgegeven op grond waarvan deze slip moest worden ingedeeld onder onderverdeling 6108 22 00 van de GN.

19

Lutz stond op het standpunt dat deze indeling onjuist was, tekende hiertegen tevergeefs bezwaar aan en stelde vervolgens beroep in bij het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland).

20

Deze rechter vermeldt dat het bij het betrokken artikel gaat om een gebreide damesvormslip met de snit van een heupslip, die zowel in de hoogte als in de breedte rekbaar is. Verder is de slip bij handmatig uitrekken in de breedte minder goed rekbaar dan in de hoogte: de beoordeling van de mindere mate van de rekbaarheid in de breedte kan naargelang de persoonlijke indruk verschillen. De verwijzende rechter wijst erop dat dit artikel geen specifieke hierin opgenomen elementen bevat die niet in de breedte elastisch zijn.

21

Zijns inziens zijn de onderverdelingen 6108 22 00 en 6212 20 00 van de GN en de toelichtingen hierop van belang voor de beslechting van het hoofdgeding.

22

Mocht het betrokken artikel inderdaad een gainebroek (panty) vormen in de zin van onderverdeling 6212 20 00 [gaines (step-ins) en gainebroeken (panty’s)], dan zou het moeten worden ingedeeld onder post 6212 als zijnde de post met de – in verhouding tot post 6108 – meest specifieke omschrijving.

23

Mocht het echter niet gaan om een gainebroek in de zin van onderverdeling 6212 20 00, dan moet het artikel worden ingedeeld onder post 6108 en daarbinnen dan in onderverdeling 6108 22 00 (slips en onderbroeken van synthetische of kunstmatige vezels).

24

De verwijzende rechter voegt hieraan toe dat de GN-toelichting bij onderverdeling 6212 20 00 de „gainebroek (panty)”, in de zin van deze onderverdeling, nader omschrijft en dat vaststaat dat het betrokken artikel de kenmerken vertoont die staan beschreven in de tweede alinea, onder a) en c), van deze toelichting.

25

In deze omstandigheden is volgens de verwijzende rechter de bepalende vraag of dit artikel naast deze kenmerken ook het kenmerk vertoont dat is beschreven in de tweede alinea, onder b), eerste zin, van deze toelichting, dat wil zeggen dat het in de hoogte rekbaar is, maar dat de elasticiteit in de breedte (dwarsrichting) beperkt is.

26

Zijns inziens zijn de bewoordingen in de tweede alinea, onder b), eerste zin, van deze toelichting, namelijk „in de hoogte rekbaar [...], maar dat de elasticiteit in de breedte (dwarsrichting) beperkt is”, onvoldoende duidelijk en precies.

27

Met zijn vragen verzoekt hij het Hof dus om een uitlegging te geven aan de tweede alinea, onder b), eerste zin, van de GN-toelichting op onderverdeling 6212 20 00.

28

In de eerste plaats twijfelt de verwijzende rechter, die uitgaat van de premisse dat gainebroeken altijd rekbaar moeten zijn in de breedte, over de vergelijking die moet worden gemaakt tussen de elasticiteit in de breedte en die in de hoogte. In dit verband benadrukt hij dat de elasticiteit in de breedte duidelijk veel geringer zou moeten zijn dan die in de hoogte, aangezien een elasticiteit in de breedte die slechts minimaal geringer is dan de elasticiteit in de hoogte niet aan de vereisten van die toelichting voldoet.

29

In de tweede plaats merkt deze rechter op dat het kenmerk „beperkt” ook zou kunnen doelen op een absolute beperktheid van de elasticiteit in de breedte, in die zin dat de elasticiteit in de breedte van de gainebroek, door bijkomende middelen, op een vast punt wordt begrensd, waardoor de elasticiteit in de breedte op een bepaald punt bij het uitrekken wordt geblokkeerd. In dit verband zou de tweede alinea, onder b), tweede zin, van de GN-toelichting op onderverdeling 6212 20 00 erop kunnen wijzen dat wordt gedoeld op dit soort begrenzing van de elasticiteit.

30

Volgens de verwijzende rechter is het tevens de vraag aan de hand van welke objectieve criteria de elasticiteit in de hoogte en die in de breedte moeten worden vergeleken, dan wel, indien de elasticiteit in de breedte een absolute begrenzing kent, aan de hand van welke objectieve criteria een dergelijke begrenzing wordt getypeerd. Wanneer wordt uitgegaan van de hypothese waarin de elasticiteit in de hoogte wordt vergeleken met die in de breedte, zou bijvoorbeeld gebruik kunnen worden gemaakt van een puur sensorische test waarbij het materiaal met de hand wordt uitgerekt, of van technische meetprocedés die gegevens over de rekbaarheid van het gebruikte materiaal opleveren.

31

Tot slot merkt de verwijzende rechter op dat, aangezien de kenmerken en eigenschappen van de betrokken gainebroeken die relevant zijn voor de indeling niet aan de hand van de tweede alinea, onder b), eerste zin, van de GN-toelichting bij onderverdeling 6212 20 00 kunnen worden bepaald, wat betreft de vereisten waaraan de elasticiteit in de breedte moet voldoen, gelet op de GS-toelichting op post 6212, uitsluitend moet worden uitgegaan van het bestaan van een aantoonbaar steunvermogen voor bepaalde lichaamsdelen.

32

Daarop heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

a)

Dienen de [GN-toelichtingen] betreffende onderverdeling 6212 20 00 [...] aldus te worden uitgelegd dat bij gainebroeken (panty’s) de elasticiteit „in de breedte (dwarsrichting)” reeds „beperkt” is wanneer de elasticiteit in de breedte geringer is dan de elasticiteit in de hoogte?

b)

Ingeval de eerste vraag, onder a), bevestigend wordt beantwoord:

Aan de hand van welke objectieve criteria dient deze vergelijking tussen de elasticiteit in de breedte en de elasticiteit in de hoogte te worden verricht?

2)

Ingeval de eerste vraag, onder a), ontkennend wordt beantwoord:

a)

Dienen de [GN-toelichtingen] betreffende onderverdeling 6212 20 00 aldus te worden uitgelegd dat bij gainebroeken (panty’s) de elasticiteit „in de breedte (dwarsrichting)” pas dan „beperkt” is wanneer de elasticiteit in de breedte duidelijk geringer is dan de elasticiteit in de hoogte?

b)

Ingeval de tweede vraag, onder a), bevestigend wordt beantwoord:

Aan de hand van welke objectieve criteria dient deze vergelijking tussen de elasticiteit in de breedte en de elasticiteit in de hoogte te worden verricht en welke beoordelingsmaatstaf dient daarbij te worden toegepast?

3)

Ingeval de tweede vraag, onder a), ontkennend wordt beantwoord:

a)

Dienen de [GN-toelichtingen] op de onderverdeling 6212 20 00 aldus te worden uitgelegd dat de beperking van de elasticiteit in de breedte bij gainebroeken (panty’s) niet wordt gedefinieerd door de verhouding tussen de elasticiteit in de breedte en de elasticiteit in de hoogte, maar dat hiermee een absolute beperking van de elasticiteit in de breedte wordt bedoeld?

b)

Ingeval de derde vraag, onder a), bevestigend wordt beantwoord:

Aan de hand van welke objectieve criteria moet worden onderzocht of de elasticiteit van een gainebroek (panty) in de breedte beperkt is in de zin van deze vraag, onder a)?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

33

Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen in hoeverre een slip elastisch in de breedte moet zijn om onder post 6212 20 00 van de GN te vallen.

34

Vooraf moet eraan worden herinnerd dat de gainebroeken volgens de bewoordingen in de tweede alinea, onder b), eerste zin, van de GN-toelichting inzake onderverdeling 6212 20 00, „in de hoogte rekbaar [moeten zijn], maar [...] de elasticiteit [ervan] in de breedte (dwarsrichting) [...] beperkt is” om in die onderverdeling te worden ingedeeld.

35

Toch moet met betrekking tot de GN-toelichtingen worden opgemerkt dat zij, ofschoon belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten, rechtens niet bindend zijn (zie in die zin arrest van 9 juni 2016, MIS, C‑288/15, EU:C:2016:424, punt 23en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36

Het moet worden benadrukt dat uit afdeling A, met het opschrift „Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur”, van titel I, met het opschrift „Algemene regels”, van het eerste gedeelte van de GN, met het opschrift „Inleidende bepalingen”, naar voren komt dat de bewoordingen van de posten en van de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken bepalend zijn voor de indeling van goederen, terwijl de tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden (zie in die zin arrest van 8 december 2016, Lemnis Lighting, C‑600/15, EU:C:2016:937, punt 35).

37

In het belang van de rechtszekerheid en ter vergemakkelijking van de controles, moet het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen dan ook in de regel worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de GN-post en in de aantekeningen op de afdeling of het hoofdstuk zijn omschreven (arresten van 8 december 2016, Lemnis Lighting, C‑600/15, EU:C:2016:937, punt 36, en 16 februari 2017, Aramex Nederland, C‑145/16, EU:C:2017:130, punt 22).

38

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de Raad van de Europese Unie de Commissie, handelend in samenwerking met de douanedeskundigen van de lidstaten, een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft gelaten bij de verduidelijking van de inhoud van de posten die voor de indeling van een bepaald goed in aanmerking komen. De bevoegdheid van de Commissie om maatregelen te treffen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), b), d) en e), van verordening nr. 2658/87, zoals het opstellen van aanvullende aantekeningen, machtigt haar evenwel niet om de inhoud te wijzigen van de tariefposten die zijn vastgesteld op basis van het GS, dat is ingevoerd bij het Internationaal Verdrag betreffende het GS, ten aanzien waarvan de Europese Unie zich bij artikel 3 van dit verdrag ertoe heeft verbonden de draagwijdte niet te wijzigen (arrest van 12 februari 2015, Raytek en Fluke Europe, C‑134/13, EU:C:2015:82, punt 29en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39

Volgens de tekst van GN-post 6212 omvat deze post „Bustehouders, gaines (step-ins), korsetten, bretels, jarretelles, kousenbanden en dergelijke artikelen, alsmede delen daarvan, ook indien van brei- of haakwerk”. Onderverdeling 6212 20 00 van de GN ziet, in het kader van GN-post 6212, specifiek op „gaines (step-ins) en gainebroeken (panty’s)”.

40

Met betrekking tot de GS-toelichtingen zij opgemerkt dat die weliswaar niet bindend zijn, maar toch belangrijke instrumenten vormen ter verzekering van de uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief en als zodanig nuttige gegevens bevatten voor de uitlegging daarvan (arrest van 17 maart 2016, Sonos Europe, C‑84/15, EU:C:2016:184, punt 33en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41

Er zij aan herinnerd dat, volgens de GS-toelichtingen op post 6212, tot die post goederen behoren die ertoe bestemd zijn bepaalde lichaamsdelen te ondersteunen of verschillende kledingstukken bij het dragen in positie te houden, en toebehoren daarvan. De goederen kunnen zijn vervaardigd van verschillende soorten (elastische) textielmaterialen, met inbegrip van brei- en haakwerk.

42

Uit de generieke termen „gaines (step-ins)”, „gainebroeken (panty’s)” en „korset”, die zijn onderbouwd met verwijzingen in de bijlagen bij de schriftelijke opmerkingen die door de Commissie bij het Hof zijn ingediend, komt naar voren dat de goederen die met deze termen overeenkomen het menselijk lichaam ondersteunen en vormen door dat lichaam in te snoeren.

43

Een dergelijke werking is alleen mogelijk wanneer de elasticiteit in de breedte van deze goederen sterk is verminderd.

44

De Commissie betoogt dat een dergelijke elasticiteit in de breedte een absolute grens moet hebben, hetgeen vereist dat niet-elastische materialen worden gebruikt of dat uit dergelijke materialen vervaardigde elementen speciaal in de gainebroeken zijn verwerkt.

45

Ofschoon moet worden toegegeven dat de elasticiteit in de breedte sterk moet worden beperkt, lijkt het niet strikt noodzakelijk dat de gainebroeken niet-elastische materialen of onderdelen bevatten.

46

Het lijkt namelijk technisch mogelijk dat bij het breien van buisvormige gebreide gaines (step-ins) en gainebroeken (panty’s) hierin slanker makende zones worden verwerkt.

47

Het is dan ook van belang rekening te houden met de bestemming van het product dat in het hoofdgeding aan de orde is, aangezien deze bestemming een objectief indelingscriterium kan zijn wanneer die bestemming inherent is aan het product, waarbij die inherentie moet kunnen worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product (zie in die zin arrest van 26 april 2017, Stryker EMEA Supply Chain Services, C‑51/16, EU:C:2017:298, punt 40en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48

Gelet op de bestemming van het product dat in het hoofdgeding aan de orde is, dat door de verwijzende rechter is gekwalificeerd als „vormslip” en door het douanehoofdkantoor Hannover als „seamless shapewear”, blijkt dat dit door zijn werking beoogt het menselijk lichaam te ondersteunen en te vormen. Dit product heeft dus, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, het wezenlijke kenmerk van een sterk verminderde elasticiteit in de breedte teneinde het menselijk lichaam te ondersteunen zodat het silhouet objectief slanker wordt.

49

In dit verband stelt Lutz in wezen dat, anders dan bij de klassieke corsetten en gaines (step-ins), die het menselijk lichaam in het algemeen steunen en vormen door middel van een stijf, ingenaaid deel aan de buikzijde en elastische onderdelen aan de zijkanten, hetgeen meebrengt dat de verschillende onderdelen met behulp van een naaimachine in elkaar worden gezet, bij het nieuwe systeem van rondgebreide ondersteunende riemen in deze onderkleding – een geoctrooieerde technische uitvinding – de slanker makende zones automatisch in deze onderkleding worden verwerkt, zodat deze een ingebouwde, geleidelijk insnoerende werking heeft.

50

Zo moet worden vastgesteld dat de betrokken gaine (step-in) of gainebroek (panty) kan worden onderscheiden van gewone onderkleding door een sterk verminderde elasticiteit in de breedte, om het menselijk lichaam te ondersteunen en te zorgen voor een slanker silhouet.

51

Voorts beogen de GN-toelichtingen, die in de punten 13 en 34 van dit arrest in herinnering zijn geroepen, niet om aan de indeling van een gaine of gainebroek in onderverdeling 6212 20 00 van de GN de voorwaarde te stellen dat iedere elasticiteit in de breedte ontbreekt.

52

Uit de objectieve kenmerken en eigenschappen van de onderbroek die in het hoofdgeding aan de orde is, volgt dan ook dat deze in onderverdeling 6212 20 00 van de GN kan vallen.

53

Het is aan de verwijzende rechter om de fysieke kenmerken van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde product en de beweringen van partijen in het hoofdgeding daarover na te gaan.

54

Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat de GN aldus moet worden uitgelegd dat een onderbroek die wordt gekenmerkt door een verminderde elasticiteit in de breedte, maar desondanks geen niet-elastische elementen bevat die in de breedterichting in het product zijn verwerkt, kan worden ingedeeld in onderverdeling 6212 20 00 van de GN, wanneer uit onderzoek blijkt dat deze een sterk verminderde elasticiteit in de breedte bezit om het menselijk lichaam te ondersteunen en te zorgen voor een slanker silhouet.

Kosten

55

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

 

De gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 927/2012 van de Commissie van 9 oktober 2012, moet aldus worden uitgelegd dat een onderbroek die wordt gekenmerkt door een verminderde elasticiteit in de breedte, maar desondanks geen niet-elastische elementen bevat die in de breedterichting in het product zijn verwerkt, kan worden ingedeeld in onderverdeling 6212 20 00 van de gecombineerde nomenclatuur wanneer uit onderzoek blijkt dat deze een sterk verminderde elasticiteit in de breedte bezit om het menselijk lichaam te ondersteunen en te zorgen voor een slanker silhouet.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top