This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62014CJ0595
Judgment of the Court (Third Chamber) of 23 December 2015.#European Parliament v Council of the European Union.#Actions for annulment — Replacement of the contested decision in the course of the proceedings — Purpose of the action — Police and judicial cooperation in criminal matters — New psychoactive substance subjected to control measures — Legal framework applicable after the entry into force of the Treaty of Lisbon — Transitional provisions — Consultation of the European Parliament.#Case C-595/14.
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 23 december 2015.
Europees Parlement tegen Raad van de Europese Unie.
Beroep tot nietigverklaring – Vervanging van het bestreden besluit gedurende de procedure – Voorwerp van het beroep – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Onderwerping van een nieuwe psychoactieve stof aan controlemaatregelen – Rechtskader dat van toepassing is na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon – Overgangsbepalingen – Raadpleging van het Europees Parlement.
Zaak C-595/14.
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 23 december 2015.
Europees Parlement tegen Raad van de Europese Unie.
Beroep tot nietigverklaring – Vervanging van het bestreden besluit gedurende de procedure – Voorwerp van het beroep – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Onderwerping van een nieuwe psychoactieve stof aan controlemaatregelen – Rechtskader dat van toepassing is na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon – Overgangsbepalingen – Raadpleging van het Europees Parlement.
Zaak C-595/14.
Court reports – general
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2015:847
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
23 december 2015 ( * )
„Beroep tot nietigverklaring — Vervanging van het bestreden besluit gedurende de procedure — Voorwerp van het beroep — Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken — Onderwerping van een nieuwe psychoactieve stof aan controlemaatregelen — Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon toepasselijk rechtskader — Overgangsbepalingen — Raadpleging van het Europees Parlement”
In zaak C‑595/14,
betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU, ingesteld op 19 december 2014,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door F. Drexler, A. Caiola en M. Pencheva als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door K. Pleśniak en K. Michoel als gemachtigden,
verweerder,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), kamerpresident, D. Šváby, J. Malenovský, M. Safjan en M. Vilaras, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Met zijn verzoekschrift vordert het Europees Parlement nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2014/688/EU van de Raad van 25 september 2014 betreffende het onderwerpen van 4-jood-2,5-dimethoxy-N-(2-methoxybenzyl)fenethylamine (25I-NBOMe), 3,4-dichloor-N-[[1-(dimethylamino)cyclohexyl]methyl]benzamide (AH-7921), 3,4-methyleendioxypyrovaleron (MDPV) en 2-(3-methoxyfenyl)-2-(ethylamino)cyclohexanon (methoxetamine) aan controlemaatregelen (PB L 287, blz. 22; hierna: „bestreden besluit”). |
Toepasselijke bepalingen
Besluit 2005/387/JBZ
|
2 |
Artikel 1 van besluit 2005/387/JBZ van de Raad van 10 mei 2005 inzake de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen (PB L 127, blz. 32), bepaalt: „Bij dit besluit wordt een systeem ingesteld voor de snelle uitwisseling van informatie over nieuwe psychoactieve stoffen. [...] Dit besluit voorziet ook in de beoordeling van de aan deze nieuwe psychoactieve stoffen verbonden risico’s, zodat de in de lidstaten geldende controlemaatregelen inzake verdovende middelen en psychotrope stoffen ook op de nieuwe psychoactieve stoffen kunnen worden toegepast.” |
|
3 |
Ingevolge artikel 6 van voormeld besluit kan de Raad van de Europese Unie verlangen dat voor een nieuwe psychoactieve stof een risicobeoordelingsverslag wordt opgesteld. |
|
4 |
Onder het opschrift „Procedure om specifieke nieuwe psychoactieve stoffen onder controle te stellen” bevat artikel 8 van voormeld besluit de volgende bepaling: „1. Binnen zes weken na de datum van ontvangst van het risicobeoordelingsverslag dient de Commissie bij de Raad een initiatief in om de nieuwe psychoactieve stof aan controlemaatregelen te laten onderwerpen. [...] 2. Mocht de Commissie het niet nodig achten een initiatief in te dienen om de nieuwe psychoactieve stof aan controlemaatregelen te laten onderwerpen, dan kan het initiatief, bij voorkeur uiterlijk zes weken na de datum waarop de Commissie bij de Raad haar verslag heeft ingediend, door één of meer lidstaten bij de Raad worden ingediend. 3. De Raad besluit op grond van artikel 34, lid 2, onder c), [EU], op een overeenkomstig lid 1 of lid 2 ingediend initiatief, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen of de nieuwe psychoactieve stof aan controlemaatregelen wordt onderworpen.” |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1875
|
5 |
In de overwegingen 34 en 35 van uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1875 van de Raad van 8 oktober 2015 betreffende het onderwerpen van 4-jood-2,5-dimethoxy-N-(2-methoxybenzyl)fenethylamine (25I-NBOMe), 3,4-dichloor-N-[[1-(dimethylamino)cyclohexyl]methyl]benzamide (AH-7921), 3,4-methyleendioxypyrovaleron (MDPV) en 2-(3-methoxyfenyl)-2-(ethylamino)cyclohexanon (methoxetamine) aan controlemaatregelen (PB L 275, blz. 38) wordt het volgende verklaard:
|
|
6 |
Artikel 1 van dit besluit luidt: „De volgende nieuwe psychoactieve stoffen worden in de hele Unie aan controlemaatregelen onderworpen:
|
|
7 |
Artikel 2 van voormeld besluit bevat de volgende bepaling: „[Het bestreden besluit] wordt vervangen, onverminderd de termijnverplichtingen van de lidstaten voor het onderwerpen van 4-jood-2,5-dimethoxy-N-(2-methoxybenzyl)fenethylamine (25I-NBOMe), 3,4-dichloor-N-[[1-(dimethylamino)cyclohexyl]methyl]benzamide (AH-7921), 3,4-methyleendioxypyrovaleron (MDPV) en 2-(3-methoxyfenyl)-2-(ethylamino)cyclohexanon (methoxetamine) aan de controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties waarin is voorzien door hun nationale wetgeving, als neergelegd in artikel 2 van [het bestreden besluit].” |
|
8 |
Overeenkomstig artikel 3 van bovenbedoeld besluit is dit in werking getreden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
Bestreden besluit
|
9 |
Het bestreden besluit, dat het VWEU en besluit 2005/387, met name artikel 8, lid 3, van dit besluit, aanhaalt, bevat het volgende artikel 1: „De volgende nieuwe psychoactieve stoffen worden in de hele Unie aan controlemaatregelen onderworpen:
|
|
10 |
Artikel 2 van dat besluit bepaalt dat de lidstaten uiterlijk op 2 oktober 2015 de in artikel 1 bedoelde nieuwe psychoactieve stoffen onderwerpen aan de controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties waarin is voorzien door hun wetgeving. |
Conclusies van partijen
|
11 |
Het Parlement verzoekt het Hof:
|
|
12 |
De Raad verzoekt het Hof:
|
Beroep
Voorwerp van het beroep
Argumenten van partijen
|
13 |
De Raad merkt op dat, aangezien het bestreden besluit is vervangen en ingetrokken door uitvoeringsbesluit 2015/1875, dat is vastgesteld na raadpleging van het Parlement en dat dezelfde psychoactieve stoffen als die waarop het bestreden besluit betrekking heeft aan controlemaatregelen onderwerpt, het Hof dient vast te stellen dat in de onderhavige zaak niet hoeft te worden beslist. |
|
14 |
Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat het voorwerp van het geschil en het procesbelang moeten blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing, hetgeen veronderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld. |
|
15 |
Voorts is de Raad van oordeel dat, ofschoon volgens de rechtspraak van het Hof het procesbelang van de verzoeker kan blijven bestaan wanneer de beweerde onrechtmatigheid zich in de toekomst opnieuw kan voordoen, ongeacht de omstandigheden van de zaak, dat in casu niet het geval is daar de Raad reeds de maatregelen ter uitvoering van de arresten Parlement/Raad (C‑317/13 en C‑679/13, EU:C:2015:223) en Parlement/Raad (C‑540/13, EU:C:2015:224) heeft getroffen en hij de aan het bestreden besluit klevende onrechtmatigheid in de rechtsorde van de Unie heeft weggenomen. |
Beoordeling door het Hof
|
16 |
Aangezien de Raad zich beroept op de intrekking en de vervanging van het bestreden besluit door uitvoeringsbesluit 2015/1875, moet in herinnering worden gebracht dat de intrekking van de bestreden handeling, die heeft plaatsgevonden na de instelling van het beroep, op zich niet meebrengt dat de rechter van de Unie moet constateren dat op het beroep niet hoeft te worden beslist wegens het ontbreken van procesbelang op de datum van uitspraak van het arrest (arrest Xeda International en Pace International/CommissieC‑149/12 P, EU:C:2013:433, punt 32en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
17 |
Zoals de Raad opmerkt, is het niettemin vaste rechtspraak van het Hof dat het procesbelang van een verzoeker, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid moet bestaan in het stadium van de instelling van het beroep. Dat voorwerp van het geschil moet, evenals het procesbelang, op straffe van afdoening zonder beslissing blijven bestaan tot de uitspraak van de rechterlijke beslissing, hetgeen veronderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (zie in die zin arrest Abdulrahim/Raad en Commissie, C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 61en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
18 |
Het Hof heeft hieruit afgeleid dat het, wanneer de bestreden handeling gedurende de procedure heeft opgehouden effect te sorteren, in concreto moet beoordelen of de verzoeker nog procesbelang heeft, rekening houdend met onder meer de gevolgen van de beweerde onrechtmatigheid en de aard van de beweerdelijk geleden schade (zie in die zin arrest Abdulrahim/Raad en Commissie, C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punten 62 en 65). |
|
19 |
Opgemerkt moet echter worden dat deze oplossing is toegepast in zaken waarin voor de ontvankelijkheid van de beroepen moest worden aangetoond dat de verzoeker procesbelang had, aangezien de beroepen waren ingesteld door natuurlijke personen of rechtspersonen bedoeld in artikel 263, vierde alinea, VWEU. |
|
20 |
Het in artikel 263, tweede alinea, VWEU neergelegde recht van het Parlement om beroep in te stellen, kan, evenals het in dezelfde bepaling neergelegde recht van beroep van de lidstaten, worden uitgeoefend zonder dat procesbelang hoeft te worden aangetoond (zie in die zin arrest Parlement/Raad, C‑355/10, EU:C:2012:516, punt 37). |
|
21 |
Hieruit volgt dat voor de beslissing van het Hof om in de onderhavige zaak uitspraak te doen of daarentegen vast te stellen dat op het beroep niet hoeft te worden beslist, logischerwijs niet hoeft te worden nagegaan of het Parlement na de vaststelling van uitvoeringsbesluit 2015/1875 nog procesbelang heeft. |
|
22 |
Het Hof heeft kunnen vaststellen dat op door lidstaten ingestelde beroepen niet meer hoefde te worden beslist wanneer die staten, nadat de bestreden handeling nietig was verklaard of was ingetrokken, het met hun beroep beoogde resultaat hadden bereikt (zie in die zin beschikking Duitsland/Commissie, C‑46/96, EU:C:1997:103, punt 6, en arresten Italië/Commissie, C‑372/97, EU:C:2004:234, punt 37, en Italië/Commissie, C‑138/03, C‑324/03 en C‑431/03, EU:C:2005:714, punt 25). |
|
23 |
In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat hoe dan ook de vervanging van het bestreden besluit door uitvoeringsbesluit 2015/1875 de gevolgen van het bestreden besluit in het verleden heeft laten bestaan en dus niet dezelfde werking heeft gehad als nietigverklaring van dat besluit in beginsel zou hebben gehad. |
|
24 |
Zo blijkt uit de gezamenlijke bepalingen van de artikelen 1 en 3 van dat uitvoeringsbesluit dat de erin neergelegde verplichting om de betrokken psychoactieve stoffen aan controlemaatregelen te onderwerpen, pas is gaan gelden de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Die verplichting treedt dus voor het tijdvak voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat uitvoeringsbesluit niet in de plaats van de overeenkomstige verplichting die was neergelegd in het bestreden besluit. |
|
25 |
Evenzo volgt uit overweging 34 en artikel 2 van uitvoeringsbesluit 2015/1875 weliswaar dat dit het bestreden besluit vervangt, maar niets in dat uitvoeringsbesluit geeft aan dat die vervanging terugwerkende kracht heeft. |
|
26 |
Daarentegen volgt uit overweging 35 en artikel 2 van voormeld uitvoeringsbesluit dat dit geldt „onverminderd” de verplichtingen die uit het bestreden besluit voortvloeien met betrekking tot de termijn om de betrokken psychoactieve stoffen aan controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties te onderwerpen, te weten uiterlijk 2 oktober 2015. De Raad heeft dan ook noch de geldigheid van die verplichtingen zoals zij voortvloeien uit het bestreden besluit opnieuw aan de orde willen stellen, noch met terugwerkende kracht de geldigheid van die verplichtingen vastgesteld op de grondslag van uitvoeringsbesluit 2015/1875. |
|
27 |
Voor het overige zij erop gewezen dat de Raad voor het Hof enkel de intrekking en vervanging van het bestreden besluit door uitvoeringsbesluit 2015/1875 heeft ingeroepen, zonder aan te voeren dat daarbij sprake was van vervanging ex tunc met dezelfde werking als nietigverklaring van het bestreden besluit. |
|
28 |
Bijgevolg heeft de inwerkingtreding van dat uitvoeringsbesluit niet alle gevolgen van het bestreden besluit weggenomen en is het door het Parlement in de onderhavige zaak ingestelde beroep er niet volledig door zonder voorwerp geraakt. |
|
29 |
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat het Parlement het Hof voor het geval dit het bestreden besluit nietig mocht verklaren verzoekt, de gevolgen van dat besluit te handhaven totdat het zal zijn vervangen door een nieuw besluit. Het is immers aan het Hof om uitspraak te doen over de gevolgen van nietigverklaring zonder aan de dienaangaande door partijen geformuleerde voorstellen te zijn gebonden, en een instelling kan hoe dan ook op goede gronden een verklaring van onrechtmatigheid wensen te verkrijgen, ook ingeval de gevolgen van de nietig verklaarde handeling volledig in stand mochten worden gelaten (zie in die zin arrest Raad/Parlement, C‑284/90, EU:C:1992:154, punt 36). |
|
30 |
Uit het voorgaande volgt dat op het door het Parlement ingestelde beroep moet worden beslist. |
Ten gronde
|
31 |
Het Parlement voert tot staving van zijn beroep twee middelen aan, die zijn ontleend aan respectievelijk de keuze van een ingetrokken of onrechtmatige rechtsgrondslag en schending van een wezenlijk vormvoorschrift doordat het Parlement niet heeft deelgenomen aan de procedure tot vaststelling van het bestreden besluit. |
Tweede middel, ontleend aan schending van een wezenlijk vormvoorschrift
– Argumenten van partijen
|
32 |
Het Parlement voert aan dat het feit dat het niet heeft deelgenomen aan de vaststelling van het bestreden besluit, schending van een wezenlijk vormvoorschrift oplevert. |
|
33 |
Het merkt op dat dat besluit had moeten worden vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure op de grondslag van artikel 83, lid 1, VWEU, en niet in het kader van een procedure waaraan het Parlement niet heeft deelgenomen. |
|
34 |
De Raad geeft toe dat, daar het Parlement niet is geraadpleegd, de voor de vaststelling van het bestreden besluit gevolgde procedure niet beantwoordde aan de vereisten van artikel 34, lid 2, onder c), EU. |
– Beoordeling door het Hof
|
35 |
Allereerst moet worden beklemtoond dat de regelmatige raadpleging van het Parlement in de gevallen waarin de toepasselijke regels van het recht van de Unie daarin voorzien, een wezenlijk vormvoorschrift is waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid van de betrokken handeling leidt (arresten Parlement/Raad, C‑317/13 en C‑679/13, EU:C:2015:223, punt 63, en Parlement/Raad, C‑540/13, EU:C:2015:224, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
36 |
Om uitspraak te doen over het tweede middel dat het Parlement tot staving van zijn beroep heeft aangevoerd moet dus worden vastgesteld of het Parlement vóór de vaststelling van het bestreden besluit moest worden geraadpleegd. |
|
37 |
In dit verband zij in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de rechtsgrondslag van een handeling de voor de vaststelling van deze laatste te volgen procedure bepaalt (zie in die zin arresten Parlement/Raad, C‑130/10, EU:C:2012:472, punt 80, en Parlement/Raad, C‑658/11, EU:C:2014:2025, punt 57). |
|
38 |
In het onderhavige geval verschillen partijen van mening over de rechtsgrondslag die de Raad daadwerkelijk heeft gebruikt om het bestreden besluit vast te stellen, maar uit de bewoordingen van dat besluit volgt duidelijk dat dit is gebaseerd op artikel 8, lid 3, van besluit 2005/387 (zie naar analogie arrest Parlement/Raad, C‑317/13 en C‑679/13, EU:C:2015:223, punten 28‑31). |
|
39 |
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat artikel 8, lid 3, van besluit 2005/387 krachtens artikel 9 van protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon rechtsgevolgen blijft sorteren zolang het niet is ingetrokken, nietig verklaard of gewijzigd, en dat op grond ervan dan ook uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig de erin vastgelegde procedure kunnen worden vastgesteld (zie in die zin arrest Parlement/Raad, C‑317/13 en C‑679/13, EU:C:2015:223, punten 57 en 65). |
|
40 |
Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat artikel 8, lid 3, van besluit 2005/387 overeenkomstig artikel 39, lid 1, EU aldus moet worden uitgelegd dat de Raad op grond daarvan pas na raadpleging van het Parlement een nieuwe psychoactieve stof aan controlemaatregelen mag onderwerpen (arrest Parlement/Raad, C‑317/13 en C‑679/13, EU:C:2015:223, punt 50). |
|
41 |
De intrekking van artikel 39, lid 1, EU bij het Verdrag van Lissabon kan niet afdoen aan die verplichting tot raadpleging van het Parlement, aangezien de verplichting om een handeling van afgeleid recht in overeenstemming met het primaire recht uit te leggen voortvloeit uit het algemene uitleggingsbeginsel dat een bepaling zo veel mogelijk aldus moet worden uitgelegd dat de geldigheid ervan niet aan de orde wordt gesteld, en omdat de rechtmatigheid van een handeling van de Unie moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke situatie en rechtssituatie op de datum waarop die handeling werd vastgesteld (zie in die zin arrest Parlement/Raad, C‑317/13 en C‑679/13, EU:C:2015:223, punten 45, 49 en 67). |
|
42 |
Vast staat dat het bestreden besluit door de Raad is vastgesteld zonder voorafgaande raadpleging van het Parlement. |
|
43 |
Bijgevolg is het tweede door het Parlement ingeroepen middel gegrond en moet het bestreden besluit dus nietig worden verklaard. |
Eerste middel, ontleend aan de keuze van een ingetrokken of onrechtmatige rechtsgrondslag
|
44 |
Daar het tweede middel van het Parlement slaagt en het bestreden besluit dus nietig moet worden verklaard, hoeft het eerste middel dat het Parlement tot staving van zijn beroep aanvoert niet te worden onderzocht. |
Het verzoek om handhaving van de gevolgen van het bestreden besluit
|
45 |
Zowel het Parlement als de Raad verzoekt het Hof voor het geval het het bestreden besluit nietig verklaart, de gevolgen van dat besluit te handhaven totdat het zal zijn vervangen door een nieuwe handeling. |
|
46 |
Volgens artikel 264, tweede alinea, VWEU kan het Hof, zo het dit nodig oordeelt, bepalen welke gevolgen van de nietig verklaarde handeling als definitief moeten worden beschouwd. |
|
47 |
In het onderhavige geval moet worden opgemerkt dat de Raad, om het proceduregebrek dat aan het bestreden besluit kleefde te verhelpen, uitvoeringsbesluit 2015/1875 heeft vastgesteld en dat dit, vanaf de datum waarop het in werking is getreden, het bestreden besluit heeft vervangen. |
|
48 |
Wanneer het bestreden besluit echter nietig werd verklaard zonder te beslissen dat de gevolgen ervan worden gehandhaafd, zou onder meer onzekerheid ontstaan over de datum met ingang waarvan de lidstaten de betrokken psychoactieve stoffen aan controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties moeten onderwerpen en zouden daardoor de doeltreffendheid van de controle van de bij dat besluit betrokken psychoactieve stoffen en bijgevolg de bescherming van de volksgezondheid kunnen worden aangetast. Het Parlement nu vordert nietigverklaring van dat besluit wegens schending van een wezenlijk vormvoorschrift, maar komt niet op tegen het doel noch tegen de inhoud ervan. |
|
49 |
De gevolgen van het bestreden besluit moeten dan ook worden gehandhaafd. |
Kosten
|
50 |
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van het Parlement in de kosten te worden verwezen. |
|
Het Hof (Derde kamer) verklaart: |
|
|
|
|
ondertekeningen |
( * ) Procestaal: Frans.