Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62013CJ0157

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 4 september 2014.
Nickel & Goeldner Spedition GmbH tegen „Kintra” UAB.
Verzoek van het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 1346/2000 – Artikel 3, lid 1 – Begrip ‚met een insolventieprocedure verbonden vordering die er nauw mee samenhangt’ – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Artikel 1, lid 2, sub b – Begrip ‚faillissement’ – Vordering tot betaling van een schuld ingesteld door de curator – Schuldvordering wegens internationaal goederenvervoer – Verhouding van de verordeningen nrs. 1346/2000 en 44/2001 tot het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR).
Zaak C‑157/13.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2014:2145

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

4 september 2014 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EG) nr. 1346/2000 — Artikel 3, lid 1 — Begrip ‚met een insolventieprocedure verbonden vordering die er nauw mee samenhangt’ — Verordening (EG) nr. 44/2001 — Artikel 1, lid 2, sub b — Begrip ‚faillissement’ — Schuldvordering ingesteld door de curator — Vordering tot betaling van een schuldvordering voor internationaal goederenvervoer — Verhouding van de verordeningen nr. 1346/2000 en nr. 44/2001 tot het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR)”

In zaak C‑157/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (Litouwen) bij beslissing van 20 maart 2013, ingekomen bij het Hof op 26 maart 2013, in de procedure

Nickel & Goeldner Spedition GmbH

tegen

„Kintra” UAB,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, A. Borg Barthet, E. Levits, M. Berger (rapporteur), en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: N. Jääskinen,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Nickel & Goeldner Spedition GmbH, vertegenwoordigd door F. Heemann, advokatas,

„Kintra” UAB, vertegenwoordigd door V. Onačko, advokatas,

de Litouwse regering, vertegenwoordigd door D. Kriaučiūnas en G. Taluntytė als gemachtigden,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze, J. Möller en J. Kemper als gemachtigden,

de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door M. Jametti als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Steiblytė en M. Wilderspin als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3, lid 1, en 44, lid 3, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB L 160, blz. 1), alsook de artikelen 1, lid 2, sub b, en 71 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Nickel & Goeldner Spedition GmbH (hierna: „Nickel & Goeldner Spedition”), een vennootschap naar Duits recht, en „Kintra” UAB (hierna: „Kintra”), een vennootschap naar Litouws recht in vereffening, over de betaling, primair, van een schuld van 194077,76 Litouwse litas (LTL) uit hoofde van internationaal goederenvervoer.

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 1346/2000

3

Volgens punt 6 van de considerans ervan behelst verordening nr. 1346/2000 alleen „voorschriften [...] tot regeling van de rechterlijke bevoegdheid inzake de opening van een insolventieprocedure en de beslissingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen”.

4

Artikel 3, lid 1, van die verordening, over internationale bevoegdheid, legt de volgende beginselbevoegdheid vast:

„De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.”

5

Artikel 44, lid 3, sub a, van die verordening luidt:

„Deze verordening is niet van toepassing:

a)

in de lidstaten, voor zover zij in strijd is met verplichtingen die met betrekking tot een faillissement ontstaan uit een verdrag dat de betrokken lidstaat vóór de inwerkingtreding van deze verordening met een of meer derde staten heeft gesloten”.

Verordening nr. 44/2001

6

Volgens punt 7 van de considerans van verordening nr. 44/2001 is het „van belang dat alle belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van deze verordening worden gebracht, met uitzondering van bepaalde duidelijk omschreven aangelegenheden”.

7

Artikel 1 van die verordening bakent de werkingssfeer van die verordening als volgt af:

„1.   Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.

2.   Zij is niet van toepassing op:

[...]

b)

het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures;

[...]”

8

Aangaande de bevoegdheidsregels is in artikel 2, lid 1, van die verordening de volgende basisregel opgenomen:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

9

Aangaande verbintenissen uit overeenkomst voorziet artikel 5, punt 1, van dezelfde verordening in een bijzondere regel, die als volgt luidt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1)

a)

ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)

voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)

punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is”.

10

Artikel 71, lid 1, van verordening nr. 44/2001, over de verhouding tot de verdragen over bijzondere onderwerpen (hierna: „bijzondere verdragen”) waarbij de lidstaten partij zijn, luidt:

„Deze verordening laat onverlet de verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.”

CMR

11

Het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, ondertekend te Genève op 19 mei 1956, zoals gewijzigd bij het protocol van Genève van 5 juli 1978 (hierna: „CMR”), is krachtens artikel 1, lid 1, ervan, van toepassing „op iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering [...] gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan ten minste één een bij het verdrag partij zijnd land is, ongeacht de woonplaats en de nationaliteit van partijen”.

12

Over het CMR werd in het kader van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties onderhandeld. Meer dan 50 staten, waaronder de Republiek Litouwen, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, zijn tot het CMR toegetreden.

13

Artikel 31, lid 1, CMR luidt:

„Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, kunnen door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan:

a)

de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoersovereenkomst is gesloten, of

b)

de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen;

zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14

Op 28 mei 2009 heeft de Vilniaus apygardos teismas (regionale rechtbank te Vilnius) een insolventieprocedure geopend tegen Kintra, waarvan de statutaire zetel zich in Litouwen bevindt.

15

Kintra’s curator heeft de Vilniaus apygardos teismas verzocht Nickel & Goeldner Spedition, waarvan de statutaire zetel zich in Duitsland bevindt, te gelasten, primair, een bedrag van 194077,76 LTL te betalen dat was verschuldigd voor internationaal goederenvervoer dat Kintra voor Nickel & Goeldner Spedition had verricht, met name in Frankrijk en Duitsland.

16

Volgens Kintra’s curator was de Vilniaus apygardos teismas bevoegd op grond van artikel 14, lid 3, van de Litouwse wet inzake insolventie van ondernemingen. Nickel & Goeldner Spedition heeft die bevoegdheid betwist op grond dat het geding binnen de werkingssfeer van artikel 31 CMR en verordening nr. 44/2001 viel.

17

Bij vonnis van 29 augustus 2011 heeft de Vilniaus apygardos teismas de vordering van Kintra’s curator toegewezen na te hebben vastgesteld dat zij bevoegd was op grond van de Litouwse wet inzake insolventie van ondernemingen en verordening nr. 1346/2000.

18

Bij beslissing van 6 juni 2012 heeft het Lietuvos apeliacinis teismas (hof van beroep van Litouwen) het vonnis in eerste aanleg bevestigd. Het heeft geoordeeld dat het geding onder de in artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 44/2001 bedoelde uitzondering voor faillissement viel, en dat de rechterlijke instantie die bevoegd was hiervan kennis te nemen, moest worden vastgesteld volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 en de Litouwse wet inzake insolventie van ondernemingen.

19

Het Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hooggerechtshof van Litouwen), waarbij hogere voorziening is ingesteld, heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Wanneer een vordering wordt ingesteld door een curator, die in het belang van alle crediteuren van de onderneming handelt en tracht de solvabiliteit van de onderneming te herstellen en het vermogen van de insolvente onderneming te vermeerderen, zodat zo veel mogelijk vorderingen van crediteuren kunnen worden betaald – terwijl moet worden opgemerkt dat dezelfde gevolgen worden nagestreefd met bijvoorbeeld een vordering van een curator tot nietigverklaring van een transactie (actio pauliana), waarvan is erkend dat zij nauw samenhangt met de insolventieprocedure – en gelet op het feit dat in casu op grond van het [CMR] en het Litouwse burgerlijk wetboek (algemene bepalingen van privaatrecht) betaling is gevorderd van een schuldvordering voor internationaal goederenvervoer, moet die vordering dan worden geacht nauw samen te hangen (door een rechtstreeks verband) met verzoeksters insolventieprocedure, moet de bevoegdheid om ervan kennis te nemen worden vastgesteld volgens de regels van verordening nr. 1346/2000 en valt die vordering onder de uitzondering op de toepassing van verordening nr. 44/2001?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst de vraag of, wanneer de betrokken verplichting (verweersters verplichting, die is gebaseerd op de onjuiste uitvoering van haar contractuele verplichtingen, tot betaling aan de insolvente verzoekster van de schuld voor internationaal goederenvervoer, vermeerderd met vertragingsrente) vóór de opening van verzoeksters insolventieprocedure is ontstaan, artikel 44, lid 3, sub a, van verordening nr. 1346/2000 moet worden toegepast dan wel of deze verordening niet van toepassing is omdat de bevoegdheid ratione materiae moet worden vastgesteld overeenkomstig artikel 31 van het [CMR], als bepaling van een bijzonder verdrag.

3)

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord en het onderhavige geding binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt, moet worden verduidelijkt of in casu, voor zover artikel 31, lid 1, van het [CMR] en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 44/2001 niet met elkaar in strijd zijn, moet worden aangenomen dat, wanneer de betrokken verhoudingen binnen de werkingssfeer van het [CMR] (het bijzondere verdrag) vallen, de regels van artikel 31 van het [CMR] moeten worden toegepast om de staat te bepalen waarvan de rechterlijke instanties bevoegd zijn om van de betrokken vordering kennis te nemen, indien de regels van artikel 31, lid 1, van het [CMR] niet in strijd zijn met de hoofddoelstellingen van verordening nr. 44/2001, niet tot minder gunstige resultaten voor de bewerkstelliging van de goede werking van de interne markt leiden en voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

20

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de vordering tot betaling van een schuldvordering voor vervoersdiensten die wordt ingesteld door de curator die is aangewezen in een in een lidstaat geopende insolventieprocedure tegen de in een andere lidstaat gevestigde ontvanger van die diensten, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 dan wel van verordening nr. 44/2001 valt.

21

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof, met name op grond van historische werken over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), dat is vervangen door verordening nr. 44/2001, heeft geoordeeld dat deze laatste verordening en verordening nr. 1346/2000 aldus moeten worden uitgelegd dat elke overlapping tussen de in die teksten vervatte rechtsregels en elk rechtsvacuüm worden vermeden. De krachtens artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 44/2001 van de werkingssfeer van die verordening uitgesloten vorderingen, voor zover zij deel uitmaken van „het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures”, vallen derhalve binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000. Parallel daaraan vallen vorderingen die niet onder artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 vallen, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 (arrest F-Tex, C‑213/10, EU:C:2012:215, punten 21, 29 en 48).

22

Voorts heeft het Hof erop gewezen dat, zoals met name in punt 7 van de considerans van verordening nr. 44/2001 is aangegeven, de Uniewetgever heeft willen kiezen voor een ruime opvatting van het begrip „burgerlijke en handelszaken” in artikel 1, lid 1, van die verordening, en, bijgevolg, voor een ruime werkingssfeer van die verordening. De werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 mag volgens punt 6 van de considerans ervan daarentegen niet ruim worden uitgelegd (arrest German Graphics Graphische Maschinen, C‑292/08, EU:C:2009:544, punten 23‑25).

23

Volgens die beginselen heeft het Hof geoordeeld dat alleen vorderingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen, buiten de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 vallen. Dientengevolge vallen alleen die vorderingen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 (arrest F‑Tex, EU:C:2012:215, punten 23 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24

Aangaande de toepassing van dat onderscheid heeft het Hof geoordeeld dat een vordering tot aanzuivering van vennootschapsschulden, die naar Frans recht door de curator kan worden ingesteld tegen de bestuurders van de vennootschap om hen aansprakelijk te stellen, moet worden aangemerkt als een vordering die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeit en daarmee nauw samenhangt. Het heeft zich voor die conclusie in hoofdzaak gebaseerd op de overweging dat die vordering haar rechtsgrondslag vond in bepalingen die afwijken van de algemene regels van het burgerlijk recht (zie met betrekking tot het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken arrest Gourdain, 133/78, EU:C:1979:49, punten 4‑6). Het Hof is tot een soortgelijk oordeel gekomen met betrekking tot de actio pauliana, die naar Duits recht door de curator kan worden ingesteld om op te komen tegen handelingen die vóór de opening van de insolventieprocedure met benadeling van de crediteuren zijn verricht. In dat verband heeft het opgemerkt dat de vordering haar rechtsgrondslag vond in de nationale regels betreffende de insolventieprocedure (arrest Seagon, C‑339/07, EU:C:2009:83, punt 16).

25

Daarentegen heeft het Hof geoordeeld dat het verband tussen een vordering die op basis van een beding van eigendomsvoorbehoud wordt ingesteld tegen een curator en een insolventieprocedure noch voldoende rechtstreeks noch voldoende nauw is, in wezen op grond dat de in een dergelijke vordering opgeworpen rechtsvraag losstaat van de opening van een insolventieprocedure (arrest German Graphics Graphische Maschinen, EU:C:2009:544, punten 30 en 31). Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de vordering die door een verzoeker wordt ingesteld op basis van een door een curator gecedeerde vordering, met als voorwerp het recht om de nietigheid in te roepen dat het Duitse faillissementsrecht aan de curator toekent, niet nauw samenhangt met de insolventieprocedure. Dienaangaande heeft het Hof erop gewezen dat de uitoefening van het door de cessionaris verkregen recht aan andere regels was onderworpen dan de regels die van toepassing zijn in een insolventieprocedure (arrest F‑Tex, EU:C:2012:215, punten 41 en 42).

26

Uit deze rechtspraak volgt dat het Hof bij zijn beoordeling weliswaar rekening heeft gehouden met het feit dat de verschillende soorten vorderingen waarvan het kennis heeft genomen, waren ingesteld naar aanleiding van een insolventieprocedure. Het is echter telkens nagegaan of de betrokken vordering haar oorsprong vond in het recht inzake insolventieprocedures dan wel in andere regels.

27

Het doorslaggevende criterium voor het Hof om vast te stellen onder welk gebied een vordering valt, is derhalve niet de procedurele context van die vordering, maar de rechtsgrondslag van die vordering. Volgens deze benadering moet worden nagegaan of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd, voortvloeit uit de gemeenschappelijke regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht dan wel uit specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures.

28

In het hoofdgeding staat vast dat de betrokken vordering een schuldvordering voor diensten uit hoofde van een vervoersovereenkomst is. Die vordering had door de crediteur zelf kunnen worden ingesteld voordat hij onbevoegd was geworden als gevolg van het feit dat tegen hem een insolventieprocedure is geopend, en alsdan zou zij onder de in burgerlijke en handelszaken toepasselijke regels inzake rechterlijke bevoegdheid zijn gevallen.

29

Dat na de opening van een insolventieprocedure tegen de dienstverrichter de vordering tot betaling van een schuldvordering wordt ingesteld door de in die procedure aangewezen curator en dat die curator in het belang van de crediteuren handelt, verandert in wezen niets aan de aard van de onderliggende schuldvordering, die ten gronde onderworpen blijft aan ongewijzigde rechtsregels.

30

Vastgesteld zij dus dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering geen rechtstreeks verband houdt met de insolventieprocedure tegen verzoekster.

31

Zonder dat hoeft te worden nagegaan of zij nauw samenhangt met de insolventieprocedure, moet die vordering derhalve worden geacht niet binnen de werkingssfeer van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 te vallen en bijgevolg evenmin onder het begrip faillissement in de zin van artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 44/2001.

32

Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van die bepaling de vordering tot betaling van een schuldvordering voor vervoersdiensten valt die wordt ingesteld door de curator die is aangewezen in een in een lidstaat geopende insolventieprocedure tegen de in een andere lidstaat gevestigde ontvanger van die diensten.

Tweede vraag

33

De tweede vraag is slechts gesteld voor het geval het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 valt.

34

Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeft deze vraag niet te worden beantwoord.

Derde vraag

35

Met zijn derde vraag wenst de rechter te vernemen of, indien een geding binnen de werkingssfeer van zowel verordening nr. 44/2001 als het CMR valt, een lidstaat volgens artikel 71, lid 1, van die verordening de regels inzake rechterlijke bevoegdheid van het CMR, en niet die van deze verordening, kan toepassen.

36

Uit het antwoord op de eerste vraag blijkt weliswaar dat het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt, maar het staat aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om de feiten te beoordelen, om na te gaan of de vervoersdiensten waarop het aan hem voorgelegde verzoek tot betaling betrekking heeft, voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van het CMR, zoals neergelegd in artikel 1 van dat verdrag.

37

Voor het geval de verwijzende rechter tot die conclusie komt, zij eraan herinnerd dat volgens de uitlegging door het Hof van artikel 71 van verordening nr. 44/2001 de regels inzake rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen die zijn neergelegd in de bijzondere verdragen waarbij de lidstaten reeds partij waren op het tijdstip van inwerkingtreding van die verordening, de toepassing van de bepalingen van die verordening die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, in principe uitsluiten (arrest TNT Express Nederland, C‑533/08, EU:C:2010:243, punten 39 en 45‑48). Het CMR, betreffende het internationaal vervoer van goederen over de weg, waartoe de Republiek Litouwen in 1993 is toegetreden, is een van de in die bepaling bedoelde bijzondere verdragen.

38

Het Hof heeft echter geoordeeld dat de toepassing, voor onderwerpen die zijn geregeld in bijzondere verdragen, van de regels van die verdragen geen afbreuk mag doen aan de beginselen die aan de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken binnen de Europese Unie ten grondslag liggen, zoals de in de punten 6, 11, 12 en 15 tot en met 17 van verordening nr. 44/2001 genoemde beginselen van vrij verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van voorzienbaarheid van de bevoegde rechterlijke instanties en, bijgevolg, van rechtszekerheid voor de justitiabelen, van een goede rechtsbedeling, van het zo veel mogelijk beperken van parallel lopende procedures en van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Unie [arresten TNT Express Nederland, EU:C:2010:243, punt 49, en Nipponkoa Insurance Co. (Europe), C‑452/12, EU:C:2013:858, punt 36].

39

Aangaande de in de derde vraag aan de orde zijnde regels, te weten de regels inzake rechterlijke bevoegdheid van artikel 31, lid 1, CMR, blijkt met name uit die bepaling dat de verzoeker op grond hiervan kan kiezen tussen de gerechten van het land waar de gedaagde zijn gewone verblijfplaats heeft, die van het land van inontvangstneming der goederen en die van het land bestemd voor de aflevering der goederen.

40

De aldus aan de verzoeker gelaten keuze komt in wezen overeen met de keuzemogelijkheid van verordening nr. 44/2001. Wat verbintenissen uit overeenkomst betreft, kan de verzoeker volgens de artikelen 2, lid 1, en 5, punt 1, van die verordening immers kiezen tussen de gerechten van de lidstaat waar de gedaagde zijn woonplaats heeft en die van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. In het geval van vervoersovereenkomsten, die behoren tot de categorie overeenkomsten voor de verstrekking van diensten (zie in die zin arrest Rehder, C‑204/08, EU:C:2009:439, punten 29 en 30), bevindt die plaats zich volgens artikel 5, punt 1, sub b, tweede streepje, van die verordening in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden.

41

Op grond van artikel 5, punt 1, sub b, tweede streepje, van verordening nr. 44/2001, dat slechts in één plaats van uitvoering voorziet, heeft de verzoeker weliswaar een beperktere keuze dan op grond van artikel 31, lid 1, CMR, volgens hetwelk hij kan kiezen tussen de plaats van inontvangstneming en de plaats van aflevering der goederen. Die omstandigheid kan echter niet afdoen aan de verenigbaarheid van artikel 31, lid 1, CMR met de beginselen die aan de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken binnen de Unie ten grondslag liggen. Het Hof heeft inzake vervoersovereenkomsten immers erkend dat de verzoeker in bepaalde situaties kan kiezen tussen de gerechten van de plaats van vertrek en die van de plaats van aankomst. Dienaangaande heeft het benadrukt dat met een dergelijke keuzemogelijkheid voor de eiser niet alleen het criterium van nabijheid in acht wordt genomen, maar ook wordt voldaan aan het vereiste van voorspelbaarheid, aangezien daardoor zowel de eiser als de verweerder gemakkelijk kan uitmaken voor welke gerechten het geding aanhangig kan worden gemaakt. Voorts is deze keuzemogelijkheid in overeenstemming met het doel van rechtszekerheid, omdat de keuze van de eiser in het kader van artikel 5, punt 1, sub b, tweede streepje, van verordening nr. 44/2001 beperkt is tot twee gerechten (arrest Rehder, EU:C:2009:439, punt 45).

42

Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 71 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat, indien een geding binnen de werkingssfeer van zowel die verordening als het CMR valt, een lidstaat volgens artikel 71, lid 1, van die verordening de regels inzake rechterlijke bevoegdheid van artikel 31, lid 1, CMR kan toepassen.

Kosten

43

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van die bepaling de vordering tot betaling van een schuldvordering voor vervoersdiensten valt die wordt ingesteld door de curator die is aangewezen in een in een lidstaat geopende insolventieprocedure tegen de in een andere lidstaat gevestigde ontvanger van die diensten.

 

2)

Artikel 71 van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat, indien een geding binnen de werkingssfeer valt van zowel die verordening als het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, ondertekend te Genève op 19 mei 1956, zoals gewijzigd bij het protocol van Genève van 5 juli 1978, een lidstaat volgens artikel 71, lid 1, van die verordening de regels inzake rechterlijke bevoegdheid van artikel 31, lid 1, van dat verdrag kan toepassen.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Litouws.

Top