Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62012CC0306

Conclusie van advocaat-generaal P. Cruz Villalón van 30 mei 2013.
Spedition Welter GmbH tegen Avanssur SA.
Verzoek van het Landgericht Saarbrücken om een prejudiciële beslissing.
Verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en controle op verzekering tegen deze aansprakelijkheid – Richtlijn 2009/103/EG – Artikel 21, lid 5 – Schaderegelaar – Machtiging voor in ontvangst nemen van betekeningen van gerechtelijke akten – Nationale regeling die rechtsgeldigheid van deze betekening afhankelijk stelt van uitdrukkelijke machtiging om deze in ontvangst te nemen – Richtlijnconforme uitlegging.
Zaak C‑306/12.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2013:359

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. CRUZ VILLALÓN

van 30 mei 2013 ( 1 )

Zaak C‑306/12

Spedition Welter GmbH

tegen

Avanssur SA

[verzoek van het Landgericht Saarbrücken (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Richtlijn 2009/103/EG — Verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven — Artikel 21, lid 5 — Schaderegelaar — Vertegenwoordiging voor het in ontvangst nemen van betekeningen van gerechtelijke akten — Nationale wettelijke regeling die de rechtsgeldigheid van de betekening afhankelijk stelt van het bestaan van een uitdrukkelijke machtiging van de vertegenwoordiger door de verweerder — Rechtstreekse werking — Verplichting tot conforme uitlegging — Driezijdige werking van een richtlijn”

1. 

Het Landgericht Saarbrücken heeft het Hof enkele vragen voorgelegd over de uitlegging en de inroepbaarheid van artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103/EG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid ( 2 ). De verwijzende rechter wenst meer in het bijzonder te vernemen of deze bepaling de burgerlijke rechter de bevoegdheid verleent een verzoekschrift rechtsgeldig aan de „schaderegelaar” te laten betekenen wanneer deze niet uitdrukkelijk door de verweerder is gemachtigd. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vraagt hij zich bovendien af of een beroep op artikel 21 kan worden gedaan in een „trilaterale” context als die van de onderhavige zaak, waarin een richtlijn van toepassing is op de overheid maar indirect gevolgen heeft voor een burger.

I – Toepasselijke bepalingen

A – Unierecht

2.

Bij richtlijn 2009/103 werd richtlijn 2000/26 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid ( 3 ) ingetrokken. In de nieuwe richtlijn is echter de formulering ongewijzigd gebleven van de bepalingen die in de onderhavige zaak uitlegging behoeven, waarvan met name de volgende punten van de considerans en de artikelen 20 en 21 relevant zijn.

„(20)

Er dient voor te worden gezorgd dat slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de Gemeenschap waar het ongeval zich heeft voorgedaan.

[...]

(34)

Een benadeelde die schade of letsel heeft geleden ten gevolge van een ongeval met een motorrijtuig dat onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt en dat zich in een andere staat dan die van zijn woonplaats heeft voorgedaan, moet in de lidstaat van zijn woonplaats een verzoek tot schadevergoeding kunnen indienen bij een aldaar door de verzekeringsonderneming van de aansprakelijke partij aangewezen schaderegelaar. Deze oplossing maakt het mogelijk om buiten de lidstaat van woonplaats van de benadeelde ontstane schade af te wikkelen op een wijze waarmee de benadeelde vertrouwd is.

(35)

Dit stelsel van schaderegelaars in de lidstaat van de woonplaats van de benadeelden heeft geen gevolgen voor de aanwijzing van het toepasselijke materiële recht of van de bevoegde rechter.

[...]

(37)

Er moet voor worden gezorgd dat de lidstaat waar een verzekeringsonderneming haar vergunning heeft verkregen, verlangt dat die onderneming in de overige lidstaten aldaar woonachtige of gevestigde schaderegelaars aanwijst en belast met het verzamelen van alle nodige inlichtingen met betrekking tot verzoeken tot schadevergoeding ingevolge dergelijke ongevallen en het nemen van passende maatregelen om het verzoek namens en voor rekening van de verzekeringsonderneming af te wikkelen, met inbegrip van de uitkering van de schadevergoeding. Deze schaderegelaars moeten over voldoende bevoegdheden beschikken om de verzekeringsonderneming te vertegenwoordigen tegenover personen die schade hebben geleden ten gevolge van dergelijke ongevallen, alsook om de verzekeringsonderneming te vertegenwoordigen voor de nationale instanties, waaronder in voorkomend geval voor de rechter, voor zover dit niet in strijd is met de regels van internationaal privaatrecht inzake de aanwijzing van de bevoegde rechter.

[...]

Artikel 20

Bijzondere bepalingen inzake de vergoeding van benadeelden ten gevolge van een ongeval dat zich voordoet in een andere lidstaat dan de lidstaat van hun woonplaats

1.   De artikelen 20 tot en met 26 hebben tot doel bijzondere bepalingen vast te stellen die van toepassing zijn op benadeelden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van materiële schade of lichamelijk letsel ten gevolge van ongevallen die zich hebben voorgedaan in een andere lidstaat dan de lidstaat van hun woonplaats en veroorzaakt zijn door de deelneming aan het verkeer door voertuigen die gewoonlijk zijn gestald en verzekerd in een lidstaat.

Zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de wetgeving van derde landen inzake de wettelijke aansprakelijkheid en aan het internationaal privaatrecht, zijn deze bepalingen ook van toepassing op in een lidstaat woonachtige benadeelden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van materiële schade of lichamelijk letsel ten gevolge van ongevallen die zich hebben voorgedaan in een derde land waarvan het nationale bureau van verzekeraars is aangesloten bij het groenekaartsysteem, wanneer dergelijke ongevallen zijn veroorzaakt door de deelneming aan het verkeer door voertuigen die gewoonlijk zijn gestald en verzekerd in een lidstaat.

2.   De artikelen 21 en 24 zijn slechts van toepassing met betrekking tot ongevallen die veroorzaakt zijn door het gebruik van een voertuig dat:

a)

verzekerd is via een vestiging in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de benadeelde; en

b)

gewoonlijk is gestald in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de benadeelde.

Artikel 21

Schaderegelaar

1.   Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen opdat elke verzekeringsonderneming die de risico’s dekt die zijn ingedeeld bij branche 10 van punt A van de bijlage bij richtlijn 73/239/EEG, uitgezonderd de aansprakelijkheid van de vervoerder, in iedere andere lidstaat dan die waar zij haar officiële vergunning heeft ontvangen, een schaderegelaar aanwijst.

Deze schaderegelaar wordt belast met de behandeling en afwikkeling van vorderingen ten gevolge van de in artikel 20, lid 1, bedoelde ongevallen.

De schaderegelaar heeft zijn woonplaats of vestiging in de lidstaat waar hij is aangesteld.

2.   De keuze van de schaderegelaar wordt overgelaten aan het oordeel van de verzekeringsonderneming.

Deze keuzevrijheid kan niet door de lidstaten worden beperkt.

3.   De schaderegelaar kan voor rekening van een of meer verzekeringsondernemingen optreden.

4.   De schaderegelaar verzamelt, met betrekking tot dergelijke verzoeken, alle inlichtingen die nodig zijn om de verzoeken te kunnen afhandelen en neemt alle passende maatregelen om over een afwikkeling te onderhandelen.

De eis dat een schaderegelaar wordt aangewezen doet niet af aan het recht van de benadeelde, of diens verzekeringsonderneming, om rechtstreeks degene die het ongeval heeft veroorzaakt, of diens verzekeringsonderneming, aan te spreken.

5.   De schaderegelaar beschikt over voldoende bevoegdheden om de verzekeringsonderneming in de in artikel 20, lid 1, genoemde gevallen ten aanzien van de benadeelden te vertegenwoordigen en om hun verzoeken volledig af te handelen.

Hij moet in staat zijn de zaak in de officiële taal of talen van de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde te behandelen.

6.   De aanwijzing van een schaderegelaar wordt op zich niet beschouwd als de opening van een bijkantoor in de zin van artikel 1, onder b), van richtlijn 92/49/EEG en de schaderegelaar wordt niet beschouwd als een vestiging in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 88/357/EEG noch als een vestiging in de zin van verordening (EG) nr. 44/2001.”

B – Nationaal recht

3.

Aan richtlijn 2009/103 is in Duitsland uitvoering gegeven bij het Versicherungsaufsichtsgesetz (wet toezicht verzekeringswezen; hierna: „VAG”). Artikel 21, lid 5, van de richtlijn is omgezet bij § 7b, lid 2, VAG, die luidt:

„De schaderegelaar heeft zijn woonplaats of vestiging in de staat waar hij is aangesteld. Hij kan voor rekening van een of meer verzekeringsondernemingen optreden. Hij moet over voldoende bevoegdheden beschikken om de verzekeringsonderneming ten aanzien van de benadeelden te vertegenwoordigen en om hun verzoeken volledig af te handelen. Hij moet in staat zijn de zaak in de officiële taal of talen van de staat waarvoor hij is aangesteld te behandelen.”

4.

De betekening in de Duitse civiele procedure is geregeld in de §§ 166 en volgende van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: „ZPO”). §171 ZPO, inzake de betekening via een vertegenwoordiger, bepaalt:

„De betekening kan met dezelfde rechtsgevolgen aan de bij overeenkomst aangewezen vertegenwoordiger worden gedaan als aan de vertegenwoordigde. De vertegenwoordiger moet een schriftelijke volmacht overleggen.”

II – Feiten en hoofdgeding

5.

Spedition Welter is een in Duitsland gevestigde onderneming, eigenares van een vrachtwagen die op 24 juni 2011 betrokken was bij een verkeersongeval in de omgeving van Parijs. Spedition Welter heeft naar aanleiding van het ongeval bij de Duitse rechter een vordering ingesteld tegen de in Frankrijk woonachtige chauffeur van het andere bij het ongeval betrokken motorrijtuig, die tegen wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd bij de ook in Frankrijk gevestigde verzekeringsonderneming Avanssur S.A.

6.

De rechter in eerste aanleg heeft het verzoekschrift laten betekenen aan AXA Versicherungs AG, de schaderegelaar in Duitsland van Avanssur S.A.

7.

AXA Versicherungs AG weigerde het verzoekschrift in ontvangst te nemen met de verklaring, niet uitdrukkelijk door verweerster te zijn gemachtigd om betekeningen en kennisgevingen voor haar in ontvangst te nemen.

8.

De rechter in eerste aanleg verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk wegens een ernstig vormverzuim, aangezien het niet rechtsgeldig aan verweerster was betekend. Naar zijn oordeel had het stuk rechtstreeks aan Avanssur S.A. moeten worden betekend overeenkomstig de geldende regelingen voor justitiële samenwerking, met name verordening (EG) nr. 1393/2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken ( 4 ).

9.

Verzoekster heeft zich tegen deze uitlegging verzet en hoger beroep ingesteld bij het Landgericht Saarbrücken met een rechtstreeks beroep op artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103. Haars inziens machtigt deze bepaling de vertegenwoordiger van rechtswege tot het in ontvangst nemen van betekeningen en kennisgevingen in het kader van een procedure inzake civiele aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven.

10.

Aangezien bij het Landgericht Saarbrücken twijfels rezen naar aanleiding van hetgeen door verzoekster is aangevoerd, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en besloten het onderhavige prejudiciële verzoek in te dienen bij het Hof van Justitie.

III – Prejudiciële vragen

11.

Op 26 juni 2012 is de verwijzingsbeslissing van het Landgericht Saarbrücken ter griffie van het Hof ingekomen, met de volgende vragen:

„1)

Moet artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103/EG […] aldus worden uitgelegd dat de bevoegdheden van de schaderegelaar het in ontvangst nemen van betekeningen en kennisgevingen voor de verzekeringsonderneming omvatten, zodat bij een door de benadeelde tegen de verzekeringsonderneming ingestelde vordering tot vergoeding van de door een ongeval veroorzaakte schade de betekening aan de door die onderneming aangewezen schaderegelaar kan worden beschouwd als geldige betekening aan de verzekeringsonderneming?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

2)

Heeft artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103/EG rechtstreekse werking in die zin dat de benadeelde zich voor de nationale rechter erop kan beroepen, zodat de nationale rechter ervan moet uitgaan dat bij een betekening aan de schaderegelaar, „als vertegenwoordiger” van de verzekeringsonderneming, geldig aan de verzekeringsonderneming is betekend, ook al is de schaderegelaar daartoe niet bij overeenkomst gemachtigd en voorziet het nationale recht voor dat geval evenmin in een wettelijke machtiging, terwijl de betekening voor het overige aan alle door het nationale recht voorgeschreven voorwaarden voldoet?”

12.

Avanssur S.A., de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

IV – Analyse

A – Eerste prejudiciële vraag

13.

Met zijn eerste vraag wenst het Landgericht Saarbrücken te vernemen of artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103 de „schaderegelaar” de bevoegdheid verleent tot het in ontvangst nemen van betekeningen en kennisgevingen aan de verzekeringsonderneming in een civiele procedure.

14.

De deelnemers aan de procedure hebben uiteenlopende standpunten verdedigd. Enerzijds stellen de Republiek Oostenrijk en de Commissie dat artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103 voorziet in een bevoegdheid tot het in ontvangst nemen van betekeningen die zich zowel tot administratieve als gerechtelijke procedures uitstrekt. Avanssur S.A. en de Portugese Republiek zijn daarentegen van mening dat de bepaling niets zegt over gerechtelijke procedures en dus elke bevoegdheid terzake in een context als de onderhavige uitsluit.

15.

Voor ik overga tot de uitlegging van artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103, wil ik enige inleidende opmerkingen maken.

16.

In de eerste plaats dient het bij de Duitse rechter aanhangige geding voor internationaal bevoegde rechterlijke instanties. Hun internationale bevoegdheid om zich over deze zaak uit te spreken wordt noch door partijen noch door de Duitse rechterlijke instanties die zich tot dusver hebben uitgesproken in twijfel getrokken. Zoals ik hierna zal aantonen, is dit een belangrijk punt omdat het veel van de onduidelijkheden in verband met de bewoordingen van artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103 wegneemt. Het gaat hier derhalve om een geschil dat uitsluitend de omvang van een bevoegdheid tot het in ontvangst nemen van betekeningen en kennisgevingen betreft, zonder dat deze vraag op enigerlei wijze iets aan- of afdoet aan de internationale rechterlijke bevoegdheid van de instanties waarvoor de zaak dient.

17.

Er is nog een ander, niet minder relevant aspect dat aandacht verdient. De litigieuze bevoegdheid ziet op vertegenwoordiging ten behoeve van specifiek het in ontvangst nemen van de betekening van een gerechtelijke akte – namelijk het gedinginleidend stuk. De vertegenwoordigingsbevoegdheid die AXA Versicherungs AG volgens Spedition Welter bezit, is niet bedoeld voor een verdediging in rechte en evenmin voor een algemene vertegenwoordiging van verweerster voor de Duitse rechter. De vertegenwoordigingsbevoegdheid die volgens Spedition Welter voortvloeit uit artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103 is beperkt tot de betekening van gerechtelijke akten, zonder dat Avanssur S.A. op enigerlei wijze wordt geraakt in haar hoedanigheid van verweerster, laat staan in de wijze waarop zij verweer moet voeren. Deze vertegenwoordiging voor het in ontvangst nemen van betekeningen van gerechtelijke stukken heeft het voordeel dat door verzoekster geen internationale betekening hoeft te worden gedaan of, in casu, een betekening overeenkomstig de procedures van verordening nr. 1393/2007, waaraan, zoals uit het dossier blijkt, vertalingskosten zijn verbonden die door de betekening via de vertegenwoordiger niet hoeven te worden gemaakt.

18.

De onderhavige vraag betreft derhalve een concreet en zeer specifiek punt. Vastgesteld moet namelijk worden of een „schaderegelaar” in de zin van richtlijn 2009/103 beschikt over de vertegenwoordigingsbevoegdheid tot het in ontvangst nemen van de betekening van een gerechtelijke akte, meer bepaald het verzoekschrift.

19.

Ik zal thans eerst de ontstaansgeschiedenis analyseren van artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103, en deze bepaling vervolgens uitleggen in het licht van het doel en de systematiek van deze richtlijn.

1. Ontstaansgeschiedenis van artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103

20.

Zoals ik hiervoor heb vermeld heeft richtlijn 2009/103 richtlijn 2000/26 ingetrokken, die op haar beurt de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG ( 5 ) ingrijpend had gewijzigd. Artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103 vindt zijn oorsprong in artikel 4 van richtlijn 2000/26. Deze laatste bepaling, die dus in 2000 werd opgenomen, was een van de vele verbeteringen van het geharmoniseerde stelsel van wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen.

21.

De Commissie heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat de schaderegelaar over de bevoegdheid diende te beschikken om betekeningen van gerechtelijke akten van rechterlijke instanties in ontvangst te nemen ter zake van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekeraar. Zij heeft dit vastgelegd in haar op 10 oktober 1997 gepubliceerde richtlijnvoorstel ( 6 ), waarin een bepaling was opgenomen die de voorgangster is van het huidige artikel 4, die luidde:

„De schaderegelaar beschikt over voldoende bevoegdheden om de onderneming te vertegenwoordigen ten aanzien van de personen die schade hebben geleden, om een vordering tot schadevergoeding in te stellen – daaronder begrepen om over te gaan tot bevrijdende betaling – en om de onderneming met betrekking tot deze vorderingen te vertegenwoordigen, voor zover dat in overeenstemming is met het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en met de regels van internationaal privaatrecht betreffende de toewijzing van rechterlijke bevoegdheid en, zo nodig, te laten vertegenwoordigen voor de rechter en de autoriteiten van de lidstaten op wier grondgebied hij de verzekeraar vertegenwoordigt.” ( 7 )

22.

In de toelichting bij het voorstel zette de Commissie verder uiteen dat bedoeld artikel de gevolgen bepaalde van de handelingen van de schaderegelaar jegens het slachtoffer. ( 8 ) Daar de schaderegelaar juridisch bevoegd zou zijn om de verzekeraar bij de afwikkeling van schadegevallen te vertegenwoordigen, zouden zijn handelingen de verzekeraar ten aanzien van het slachtoffer binden. En zij voegde hieraan toe:

„Deze bepaling geeft geen jurisdictie aan het land van verblijf van het slachtoffer. Dit zou overigens niet passend zijn voor gevallen die normaliter moeten worden afgedaan volgens een ander recht dan de lex fori, namelijk afhankelijk van het internationaal privaatrecht van de geadieerde rechter. De bevoegdheid van de schaderegelaar om de verzekeraar ‚in rechte’ te vertegenwoordigen, zal dan ook van beperkte praktische betekenis zijn in het kader van deze richtlijn.” ( 9 )

23.

De Commissie wees er hierbij nadrukkelijk op dat het processuele aspect van de wettelijke vertegenwoordiging op geen enkele wijze consequenties mocht hebben voor de regels inzake de internationale rechterlijke bevoegdheid. Om die reden beklemtoonde zij – en dit is van belang voor de onderhavige zaak – dat het processuele effect van de vertegenwoordiging gering zou zijn, of, zoals het in de toelichting heet, „in de praktijk van beperkt belang zal zijn”. Hiermee gaf de Commissie aan dat de procesvertegenwoordiging zich exclusief daartoe zou beperken, dus de vertegenwoordiging voor bepaalde procesformaliteiten, een functie waarvan het grootste voordeel is dat zij de betekeningsformaliteiten vergemakkelijkt maar de regels voor de internationale rechterlijke bevoegdheid niet wijzigt.

24.

In tweede lezing in het Europees Parlement onderging de bepaling een wijziging: de verwijzing in artikel 3, lid 5, naar „nationale instanties” werd verplaatst naar de considerans. De tussen de Commissie, de Raad en het Europees Parlement bereikte overeenstemming wordt weerspiegeld in een van de adviezen van de Commissie waarin zij, om elke mogelijke wijziging van de regels van internationaal privaatrecht te voorkomen, instemt met het schrappen van de verwijzing naar de rechter in de richtlijnbepalingen. De instellingen waren echter overeengekomen een verwijzing naar de rechter te handhaven in de considerans, juist om ten minste een „beperkte” mate van vertegenwoordiging te verzekeren, zoals de Commissie bij de aanvang van de wetgevingsprocedure had bepleit. ( 10 ) Deze consensus heeft uiteindelijk zijn neerslag gevonden in de definitieve tekst van richtlijn 2000/26 en zou ten slotte tot uitdrukking komen in richtlijn 2009/103.

25.

Uit de ontstaansgeschiedenis van richtlijn 2009/103 blijkt kortom dat de vertegenwoordiging van een verzekeraar in de staat van het slachtoffer volgens de bedoeling van de wetgever een vertegenwoordigingsbevoegdheid moest omvatten voor het in ontvangst nemen van gerechtelijke akten, zij het in beperkte mate. Zich bewust van de gevolgen die deze taak van de vertegenwoordiger kon hebben voor de waarborg die de bevoegdheidsregel van het forum rei voor de verweerder betekent, hebben de Commissie en het Europees Parlement er bovendien vanaf het begin van de behandeling op toegezien dat de vertegenwoordiging voor het in ontvangst nemen van betekeningen in geen enkel opzicht zou leiden tot een wijziging van de gewone of bijzondere regels van internationaal privaatrecht voor grensoverschrijdende geschillen over civielrechtelijke verkeersaansprakelijkheid.

26.

Het effect van een vertegenwoordiging voor de ontvangst van betekeningen en kennisgevingen moest blijkens de parlementaire behandeling hoe dan ook „beperkt” zijn. Het lijkt aannemelijk dat dit „beperkte” effect ten minste de bevoegdheid omvatte om betekeningen van gerechtelijke stukken in ontvangst te nemen namens de verweerder, wanneer de verzoeker een geschil voor het gerecht van zijn woonstaat heeft gebracht. In deze omstandigheden dient de betekening van het verzoekschrift aan de vertegenwoordiger er louter toe om de procesrechtelijke verhouding formeel tot stand te brengen. Wanneer de procedure wordt gevoerd voor de rechter van de woonstaat van de verzoeker, moet de verweerder beschikken over rechtsbijstand van een in het land van de verzoeker ingeschreven advocaat. Alle vervolgstukken worden betekend in de taal van de verzoeker, die immers ook de taal is van de advocaat van de verweerder. Bezien vanuit het perspectief van het effect van de vertegenwoordiging van artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103 tegenover de rechter gaat het dus inderdaad, zoals de ratio van die bepaling vereist, om een beperkt effect.

2. Systematische uitlegging van artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103

27.

Zoals ik hiervoor heb uiteengezet, had artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103, waar het bepaalt dat de vertegenwoordiger over „voldoende bevoegdheden” moet beschikken, hiermee het oog op de bevoegdheid tot vertegenwoordiging tegenover zowel de benadeelden als de nationale instanties, met inbegrip van de rechterlijke instanties, zij het met betrekking tot „beperkte” taken. Deze bedoeling van de wetgever is uitdrukkelijk verwoord in punt 37 van de considerans van de richtlijn, waarin ondubbelzinnig wordt gesteld dat de „voldoende bevoegdheden” zien op de vertegenwoordiging „voor de nationale instanties, waaronder in voorkomend geval voor de rechter”. ( 11 )

28.

Bovendien wordt er in de tweede alinea van artikel 21, lid 5, op gewezen dat de vertegenwoordiger „in staat [moet] zijn de zaak in de officiële taal of talen van de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde te behandelen”. Terwijl de hiervoor besproken bepalingen bevestigen dat de vertegenwoordiging volle werking heeft tegenover de rechterlijke instanties, bevestigt de zojuist aangehaalde bepaling dat die vertegenwoordiging geldt voor de formaliteiten waardoor de benadeelde zich in zijn eigen taal tot de vertegenwoordiger kan richten. Zoals ik in punt 17 van deze conclusie heb uiteengezet, is de reden waarom Spedition Welter de rechter om betekening van het verzoekschrift aan de vertegenwoordiger van Avanssur S.A. in Duitsland verzoekt, juist het voorkomen van de kosten van de volgens verordening nr. 1393/2007 vereiste vertaling. Punt 34 van de considerans van richtlijn 2009/103 benadrukt dit punt door te wijzen op het belang voor de benadeelde om zijn verzoek tot schadevergoeding te kunnen afwikkelen „op een wijze waarmee [hij] vertrouwd is”.

29.

Ik wijs ook op de relevantie van het feit dat de erkenning van een vertegenwoordigingsbevoegdheid voor het in ontvangst nemen van betekeningen van gerechtelijke akten niet leidt tot een wijziging van de ter zake toepasselijke regels van internationaal privaatrecht. Dit punt is belangrijk: immers, de vertegenwoordiging door de schaderegelaar omvat weliswaar een vertegenwoordiging voor de rechterlijke instanties, maar de instellingen hebben bewust ernaar gestreefd geen regels in te voeren die het broze evenwicht zouden verbreken tussen de internationale bevoegdheidsregels en de regels inzake het toepasselijk recht bij aansprakelijkheidsvorderingen ter zake van verkeersongevallen met grensoverschrijdende aspecten. Van dit streven wordt meermaals blijk gegeven in de punten 35, 36 in fine en 38 van de considerans van richtlijn 2009/103.

30.

Aan de hiervoor uiteengezette argumenten lijkt niet te worden afgedaan door het door Avanssur S.A. en de Portugese Republiek verdedigde standpunt dat het ontbreken van de uitdrukkelijke vermelding van de vertegenwoordiging voor het in ontvangst nemen van betekeningen van gerechtelijke akten de bedoeling van de wetgever zou bevestigen om deze vorm van vertegenwoordiging uit te sluiten. Zoals wij in de punten 20 tot en met 24 van deze conclusie hebben gezien, is het nu juist de bedoeling van de wetgever geweest dit soort vertegenwoordiging op te nemen, zij het in beperkte mate. Tegelijkertijd pleit ook de systematiek van richtlijn 2009/103 voor deze uitlegging. Er is echter nog een ander – terecht door de Commissie aangevoerd – argument dat het standpunt van Avanssur S.A. en de Portugese Republiek ontkracht.

31.

Zoals wij hiervoor hebben gezien, voorziet artikel 22 in een schadevergoedingsprocedure waarin de benadeelde zich rechtstreeks tot de vertegenwoordiger van de verzekeraar in zijn woonstaat kan wenden en hij de schadeclaim in zijn eigen taal kan afwikkelen. Bovendien vereist artikel 18 van richtlijn 2009/103 dat de lidstaten er zorg voor dragen dat personen die materiële schade of lichamelijk letsel hebben geleden welke is veroorzaakt door een voertuig dat door een verzekering is gedekt, „tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij een rechtstreekse vordering kunnen instellen”. Duitsland heeft hierin voorzien, zoals door de verwijzende rechter wordt vermeld onder verwijzing naar de internationale rechterlijke bevoegdheid van de Duitse rechter in het onderhavige geding. ( 12 )

32.

Het komt op zijn minst vreemd voor dat, wanneer de inleidende formaliteiten rechtstreeks met de vertegenwoordiger zijn vervuld en gegeven ook het rechtstreekse vorderingsrecht van de benadeelde tegen de verzekeraar, de betekening van de gerechtelijke stukken niet ook aan de vertegenwoordiger zou kunnen worden gedaan, wiens taak het is om overeenkomstig de doelstellingen van richtlijn 2009/103 de afwikkeling van de schadeclaim van de benadeelde en in voorkomend geval het instellen van een schadevordering te faciliteren.

33.

Op grond van hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet meen ik derhalve dat artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103, dat verwijst naar „voldoende bevoegdheden” van de schaderegelaar, gelet op zijn ontstaansgeschiedenis en zijn systematische context, aldus moet worden uitgelegd dat het een vertegenwoordigingsbevoegdheid omvat tot het in ontvangst nemen van betekeningen van gerechtelijke akten, zoals de betekening van een verzoekschrift van de benadeelde in het kader van een burgerlijke rechtsvordering voor de rechter die internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.

B – Tweede prejudiciële vraag

34.

Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103 rechtstreekse werking heeft, in die zin dat de benadeelde zich er voor de nationale rechter op kan beroepen, zodat deze ervan uit moet gaan dat bij een betekening aan de schaderegelaar „als vertegenwoordiger” van de verzekeringsonderneming, rechtsgeldig aan de verzekeringsonderneming is betekend.

35.

Zoals bekend is de vaststelling van de rechtstreekse werking van een bepaling van Unierecht, daaronder begrepen de richtlijnen, geen voorwaarde voor de toepassing ervan. Een bepaling van Unierecht kan toepasselijk zijn zonder noodzakelijkerwijs rechtstreekse werking te hebben. ( 13 ) De rechtstreekse werking bestaat dus in het vermogen van een Unierechtelijke bepaling om uit eigen hoofde, zonder een andere – communautaire dan wel nationale – bepaling, een geding te beslechten. ( 14 ) Toch kan ook een niet-rechtstreeks werkende Unierechtelijke bepaling een belangrijke rol spelen bij de beslechting van een geding en nuttig zijn voor de rechterlijke instantie die het moet beslechten. In dit laatste geval mist de Unierechtelijke bepaling weliswaar rechtstreekse werking maar is zij niettemin „toepasselijk” in de hier bedoelde zin.

36.

Het duidelijkste voorbeeld van het feit dat de toepasselijkheid van een Unierechtelijke bepaling niet altijd betekent dat zij rechtstreekse werking heeft, blijkt uit de zogenoemde verplichting tot conforme uitlegging. Een niet-rechtstreeks werkende Unierechtelijke bepaling, bijvoorbeeld een niet in nationaal recht omgezette richtlijn met werking tussen particulieren, kan op de zaak van toepassing zijn omdat de nationale rechter hoe dan ook gehouden is het nationale recht uit te leggen in het licht van die Unierechtelijke bepaling. De richtlijn is toepasselijk en de rechter moet haar toepassen bij de beslechting van het geding, al kan hij haar, omdat zij rechtstreekse werking ontbeert, slechts toepassen voor uitleggingsdoeleinden en voor zover het nationale recht er zich niet absoluut tegen verzet. Dat is in casu het geval. Daarom moet, om de verwijzende rechter van een antwoord te voorzien, eerst worden onderzocht of een uitlegging van het Duitse recht in overeenstemming met richtlijn 2009/103 mogelijk is. Zo ja, dan hoeft dus niet te worden onderzocht of artikel 21, lid 5, van de richtlijn rechtstreekse werking heeft.

37.

De Commissie heeft de mogelijkheid verdedigd van een uitlegging van het Duitse recht conform artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103. Haars inziens is artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103 in het Duitse recht letterlijk omgezet bij § 7b, lid 2, VAG. Wanneer deze richtlijnbepaling derhalve, zoals ik hiervoor heb voorgesteld, aldus moet worden uitgelegd dat zij de vertegenwoordiger een bevoegdheid verleent voor het in ontvangst nemen van gerechtelijke akten, mag § 7b, lid 2, VAG niet anders worden uitgelegd.

38.

Ik ben het met de Commissie eens. Wanneer het Hof de uitlegging van een bepaling van Unierecht heeft bevestigd, moeten de nationale bepalingen die deze bepaling rechtstreeks en letterlijk omzetten, op dezelfde wijze worden uitgelegd als de Unierechtelijke bepaling. Wanneer de nationale omzettingsbepaling, zoals in casu, in dezelfde bewoordingen is gesteld als de Unierechtelijke bepaling, is het evident dat slechts een gemeenschappelijke uitlegging van de Unierechtelijke en de nationale bepaling kan worden aanvaard. In dit geval en onverminderd het feit dat dit een beslissing is die aan de verwijzende rechter toekomt, meen ik dat § 7b, lid 2, VAG op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als de eraan ten grondslag liggende bepaling van Unierecht waarmee zij nauw verband houdt, in casu artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103.

39.

Voorts is er geen sprake van dat de ZPO de mogelijkheid van een vertegenwoordiging voor het in ontvangst nemen van betekeningen categorisch zou uitsluiten. De §§ 170 en 171 voorzien uitdrukkelijk in de mogelijkheid van betekening via een vertegenwoordiger. § 170 beperkt haar weliswaar tot bepaalde gevallen, maar §171 voorziet in het algemeen in die mogelijkheid in de gevallen waarin de vertegenwoordigde bij overeenkomst vooraf een vertegenwoordiger heeft aangewezen. Zoals gezegd verplicht artikel 21, lid 1, van richtlijn 2009/103 de lidstaten tot het nemen van de nodige maatregelen opdat de verzekeringsondernemingen in alle lidstaten een schaderegelaar aanwijzen. Uiteraard zal die vertegenwoordiging worden geformaliseerd door overeenkomsten tussen verzekeringsondernemingen. Aangezien richtlijn 2009/103 dus voorziet in een vertegenwoordiging voor het in ontvangst nemen van betekeningen, kan aan de overeenkomsten tussen de vertegenwoordiger en de vertegenwoordigde de functie worden toegedacht van wilsverklaringen waarmee een vooraf door de richtlijn gewaarborgde vertegenwoordiging concreet tot stand komt.

40.

De verwijzende rechter dient zijn nationale recht vanzelfsprekend uit te leggen in overeenstemming met artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103. Hij moet dit, in de woorden van het Hof, doen „door de toepassing van de [in het nationale recht] erkende uitleggingsmethoden [...] om het door de richtlijn beoogde resultaat te bereiken”. ( 15 ) Voor zover de mogelijkheid daartoe bestaat, en dat lijkt het geval te zijn, kan een uitspraak over de rechtstreekse werking van deze bepaling achterwege blijven.

41.

Alvorens de analyse van de tweede prejudiciële vraag af te sluiten moet ik echter nog nagaan of er sprake is van een van de twee in de rechtspraak van het Hof gemaakte uitzonderingen op de conforme uitlegging.

42.

In de eerste plaats kan de verplichting voor de nationale rechter om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht te refereren aan de inhoud van een richtlijn niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht. ( 16 ) Deze beperking is echter uitsluitend aan de orde wanneer de verschillende regels onmiskenbaar met elkaar in strijd zijn. Daarvan is in casu geen sprake. § 171 ZPO – onder voorbehoud van bevestiging door de verwijzende rechter – voorziet in de vertegenwoordiging voor het in ontvangst nemen van betekeningen in het algemeen en sluit een geval als het onderhavige niet uitdrukkelijk uit. Daarnaast is er de reeds aangehaalde § 7b, lid 2, VAG, waarvan de uitlegging in samenhang met § 171 ZPO niet tot een onoplosbaar conflict mag leiden tussen nationale bepalingen en Uniebepalingen.

43.

In de tweede plaats vindt de verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht te refereren aan de inhoud van een richtlijn, haar begrenzing in de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht. ( 17 )

44.

Van een dergelijk geval is in casu echter geen sprake. In het onderhavige geding tussen Spedition Welter en Avanssur staan zij weliswaar als partijen tegenover elkaar, maar wat betreft het in ontvangst nemen van de betekening van gerechtelijke akten gaat het veeleer om een „trilaterale situatie”, waarbij immers twee particulieren maar ook de overheid is betrokken. Wanneer een particulier de Duitse rechter om betekening van een gerechtelijke akte aan een andere particulier verzoekt, richt hij zich dus tot de lidstaat. De verweerder is de indirecte adressaat van het verzoek van de verzoeker, maar het verzoek heeft een duidelijke bestemming: de rechter.

45.

Met betrekking tot dit soort situaties is het vaste rechtspraak van het Hof dat „[l]outere negatieve gevolgen voor de rechten van derden [...], zelfs wanneer zij vaststaan, geen rechtvaardiging [zijn] om een particulier het recht te ontzeggen zich ten aanzien van de betrokken lidstaat te beroepen op de bepalingen van een richtlijn”. ( 18 ) Het zijn nu juist deze loutere negatieve gevolgen waarop Avanssur S.A. zich zou kunnen beroepen om zich te verzetten tegen een conforme uitlegging van het Duitse recht in het licht van artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103. Dit soort gevolgen staat echter, zoals ik hiervoor heb uiteengezet, niet in de weg aan de toepassing van een richtlijn, en a fortiori niet aan de mogelijkheid dat zij haar interpretatieve werking uitoefent op het nationale recht.

46.

Gelet op de hierboven geformuleerde overwegingen ben ik derhalve van mening dat, in zoverre de Duitse rechtsorde een omzettingsbepaling bevat die in dezelfde bewoordingen is gesteld als artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103, de nationale rechter het nationale recht moet uitleggen in overeenstemming met artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103. In de omstandigheden van de onderhavige zaak gelden er geen beperkingen voor die conforme uitlegging, nu het Unierecht immers niet dient als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht en evenmin inbreuk wordt gemaakt op de algemene rechtsbeginselen van rechtszekerheid en het verbod van terugwerkende kracht, een en ander ter verificatie door de verwijzende rechter.

V – Conclusie

47.

Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Landgericht Saarbrücken als volgt te beantwoorden:

„1)

Artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103, dat verwijst naar „voldoende bevoegdheden” van de schaderegelaar, moet aldus worden uitgelegd dat het een vertegenwoordigingsbevoegdheid omvat tot het in ontvangst nemen van betekeningen en kennisgevingen van gerechtelijke akten, zoals de betekening van een verzoekschrift dat door de benadeelde in het kader van een burgerlijke rechtsvordering is ingediend bij de rechter die internationaal bevoegd is tot kennisneming van het geding.

2)

In zoverre het Duitse recht een omzettingsbepaling bevat die in dezelfde bewoordingen is gesteld als artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103, moet de verwijzende rechter in de omstandigheden van het onderhavige geval het Duitse recht uitleggen in overeenstemming met artikel 21, lid 5, van richtlijn 2009/103.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.

( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 (PB L 263, blz. 11).

( 3 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG van de Raad (PB L 181, blz. 65).

( 4 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 (PB L 324, blz. 79).

( 5 ) Eerste richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228, blz. 3) en Tweede richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 73/239/EEG (PB L 172, blz. 1).

( 6 ) Voorstel voor een vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering, Brussel, 10 oktober 1997 [COM(97) 510 def. - COD 97/0264].

( 7 ) Cursivering van mij.

( 8 ) Voorstel voor de Vierde richtlijn, aangehaald in voetnoot 6, blz. 6‑9.

( 9 ) Ibid., blz. 8.

( 10 ) In het advies van de Commissie over de amendementen van het Europees Parlement op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad inzake het voorstel voor een richtlijn, Brussel, 22 februari 2000 [COM/2000/0094 def. - COD 97/0264, blz. 4], gaf de Commissie aan dat het van belang was een verwijzing naar de rechter te handhaven „om geen ruimte te laten voor de interpretatie dat de bevoegdheden van de schaderegelaar zich uitsluitend beperken tot nationale autoriteiten en niet tot gerechtelijke instanties. De verwijzing naar het internationaal privaatrecht is noodzakelijk om mogelijke strijdigheden met nationale jurisdictieregels uit te sluiten.”

( 11 ) Cursivering van mij.

( 12 ) De verwijzende rechter verwijst op dit punt naar het bepaalde in de §§ 68 en 72 tot en met 74 ZPO.

( 13 ) Zie hierover, Lenaerts, K., en Corthaut, T., „Of birds and hedges: the role of primacy in invoking norms of EU law”, European Law Review, 31, nr. 3, 2006.

( 14 ) Zie onder meer arresten van 5 februari 1963, Van Gend & Loos (26/62, Jurispr. blz. 3 e.v., blz. 23‑25); 3 april 1968, Molkerei-Zentrale Westfalen-Lippe (28/67, Jurispr. blz. 204, blz. 217‑218); 4 december 1974, Van Duyn (41/74, Jurispr. blz. 1337, punt 7), en 9 februari 1982, Garland (12/81, Jurispr. blz. 359, punten 14 en 15).

( 15 ) Arrest van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a. (gevoegde zaken C-397/01-C-403/01, Jurispr. blz. I-8835, punt 116).

( 16 ) Zie onder meer arresten van 15 april 2008, Impact (C-268/06, Jurispr. blz. I-2483, punt 100); 23 april 2009, Angelidaki e.a. (C-378/07-C-380/07, Jurispr. blz. I-3071, punt 199), en 24 januari 2012, Domínguez, (C‑282/10, punt 25).

( 17 ) Zie onder meer arrest van 8 oktober 1987, Kolpinghuis Nijmegen (80/86, Jurispr. blz. 3969, punt 13), arrest Impact, reeds aangehaald, punt 100, en tevens, bij analogie, arrest van 16 juni 2005, Pupino (C-105/03, Jurispr. blz. I-5285, punten 44 en 47).

( 18 ) Zie onder meer arresten van 22 februari 1990, Busseni (C-221/88, Jurispr. blz. I-495, punten 23‑26); 4 december 1997, Daihatsu Deutschland (C-97/96, Jurispr. blz. I-6843, punten 24 en 26); 7 januari 2004, Wells (C-201/02, Jurispr. blz. I-723, punt 57), en 17 juli 2008, Arcor AG (C‑152/07–C‑154/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 36).

Top