Use quotation marks to search for an "exact phrase". Append an asterisk (*) to a search term to find variations of it (transp*, 32019R*). Use a question mark (?) instead of a single character in your search term to find variations of it (ca?e finds case, cane, care).
Order of the Court (Second Chamber) of 23 September 2004.#Axel Springer AG v Zeitungsverlag Niederrhein GmbH & Co. Essen KG (C-435/02) and Hans-Jürgen Weske (C-103/03).#References for a preliminary ruling: Landgericht Essen and Landgericht Hagen - Germany.#Article 104(3) of the Rules of Procedure - Partnership law and company law - Directive 90/605/EEC amending the scope of Directives 78/660/EEC and 83/349/EEC - Article 54(3)(g) of the EC Treaty (now, after amendment, Article 44(2)(g) EC) - Partnerships in the form of a limited partnership all the fully liable partners of which are constituted as private limited liability companies - GmbH and Co. KG - Publication of annual accounts - Right of third parties to consult those documents - Concept of a third party - Inclusion of, inter alios, competitors - Validity - Legal basis - Principles of freedom to pursue a trade or profession, freedom of the press and equal treatment.#Joined cases C-435/02 and C-103/03.
Beschikking van het Hof (Tweede kamer) van 23 september 2004. Axel Springer AG tegen Zeitungsverlag Niederrhein GmbH & Co. Essen KG (C-435/02) en Hans-Jürgen Weske (C-103/03). Verzoeken om een prejudiciële beslissing: Landgericht Essen e Landgericht Hagen - Duitsland. Artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering - Vennootschapsrecht - Richtlijn 90/605/EEG tot wijziging van het toepassingsgebied van de richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG - Artikel 54, lid 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 44, lid 2, sub g, EG) - Commanditaire vennootschap waarvan alle onbeperkt aansprakelijke vennoten besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid zijn - GmbH & Co. KG - Openbaarmaking van jaarrekening - Mogelijkheid tot inzage voor derden - Begrip derde - Concurrenten daaronder begrepen - Geldigheid - Rechtsgrondslag - Beginselen van vrije beroepsuitoefening, persvrijheid en gelijke behandeling. Gevoegde zaken C-435/02 en C-103/03.
Beschikking van het Hof (Tweede kamer) van 23 september 2004. Axel Springer AG tegen Zeitungsverlag Niederrhein GmbH & Co. Essen KG (C-435/02) en Hans-Jürgen Weske (C-103/03). Verzoeken om een prejudiciële beslissing: Landgericht Essen e Landgericht Hagen - Duitsland. Artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering - Vennootschapsrecht - Richtlijn 90/605/EEG tot wijziging van het toepassingsgebied van de richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG - Artikel 54, lid 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 44, lid 2, sub g, EG) - Commanditaire vennootschap waarvan alle onbeperkt aansprakelijke vennoten besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid zijn - GmbH & Co. KG - Openbaarmaking van jaarrekening - Mogelijkheid tot inzage voor derden - Begrip derde - Concurrenten daaronder begrepen - Geldigheid - Rechtsgrondslag - Beginselen van vrije beroepsuitoefening, persvrijheid en gelijke behandeling. Gevoegde zaken C-435/02 en C-103/03.
Zeitungsverlag Niederrhein GmbH & Co. Essen KG en Hans-Jürgen Weske
(verzoeken van het Landgericht Essen en het Landgericht Hagen om een prejudiciële beslissing)
„Artikel 104, lid 3, van Reglement voor procesvoering – Vennootschapsrecht – Richtlijn 90/605/EEG tot wijziging van toepassingsgebied van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG – Artikel 54, lid 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 44, lid 2, sub g, EG) – Vennootschap met rechtsvorm van commanditaire vennootschap waarvan alle onbeperkt aansprakelijke vennoten besloten vennootschappen
met beperkte aansprakelijkheid zijn – GmbH & Co. KG – Openbaarmaking van jaarrekening – Mogelijkheid tot inzage van deze documenten voor derden – Begrip derde – Concurrenten daaronder begrepen – Geldigheid – Rechtsgrondslag – Beginselen van vrije uitoefening van beroep, persvrijheid en gelijke behandeling”
Samenvatting van de beschikking
1. Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Vennootschappen – Richtlijn 90/605 – Jaarrekening en geconsolideerde
jaarrekening van bepaalde vormen van vennootschap – Mogelijkheid tot inzage van jaarrekening en jaarverslag voor elke derde
– Keuze van rechtsgrondslag – Artikel 54, lid 3, sub g, van Verdrag (thans, na wijziging, artikel 44, lid 2, sub g, EG) –
Geldigheid
[EG-Verdrag, art. 54, lid 3, sub g (thans, na wijziging, art. 44, lid 2, sub g, EG); richtlijn 90/605 van de Raad]
2. Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Vennootschappen – Richtlijn 90/605 – Jaarrekening en geconsolideerde
jaarrekening van bepaalde vormen van vennootschap – Mogelijkheid tot inzage van jaarrekening en jaarverslag van vennootschappen
voor elke derde – Inbreuk op vrije uitoefening van beroep en op vrijheid van meningsuiting van vennootschappen uit pers‑,
uitgeverij‑ of omroepsector – Geen
[EG-Verdrag, art. 54, lid 3, sub g (thans, na wijziging, art. 44, lid 2, sub g); richtlijn 90/605 van de Raad]
3. Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Vennootschappen – Richtlijn 90/605 – Jaarrekening en geconsolideerde
jaarrekening van bepaalde vormen van vennootschap – Verplichting tot openbaarmaking van jaarrekening voor één enkele categorie
commanditaire vennootschappen – Schending van gelijkheidsbeginsel – Geen
(Richtlijn 90/605 van de Raad)
1. Richtlijn 90/605 tot wijziging van de richtlijnen 78/660 en 83/349 betreffende respectievelijk de jaarrekening en de geconsolideerde
jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied van deze richtlijnen, kon, voorzover eruit volgt dat eenieder de jaarrekening
en het jaarverslag van de vennootschapsvormen waarop zij betrekking heeft, kan inzien zonder een beschermenswaardig recht
of belang te hoeven aantonen, worden vastgesteld op basis van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag (thans, na wijziging,
artikel 44, lid 2, sub g, EG), krachtens hetwelk de Raad en de Commissie zorgen voor de opheffing van de beperkingen van de
vrijheid van vestiging, door, voorzover nodig, de waarborgen te coördineren die in de lidstaten van de vennootschappen worden
verlangd, om de belangen van zowel de deelnemers in die rechtspersonen als van derden te beschermen, teneinde die waarborgen
gelijkwaardig te maken.
Deze bepaling, die de gemeenschapswetgever een ruime bevoegdheid toekent, vermeldt immers de bescherming van de belangen van
derden in het algemeen als doelstelling, zonder daarbij onderscheid te maken of bepaalde categorieën uit te sluiten, zodat
het begrip derde in de zin van dit artikel naar elke derde verwijst. Bijgevolg moet dit begrip ruim worden uitgelegd en omvat
het inzonderheid de concurrenten van de betrokken vennootschappen.
(cf. punten 34‑35, dictum 1)
2. Richtlijn 90/605 tot wijziging van de richtlijnen 78/660 en 83/349 betreffende respectievelijk de jaarrekening en de geconsolideerde
jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied van deze richtlijnen, is, voorzover eruit volgt dat eenieder de jaarrekening
en het jaarverslag kan inzien van ondernemingen met een van de vennootschapsvormen waarop zij betrekking heeft en die in de
pers‑, de uitgeverij‑ of de omroepsector werkzaam zijn, zonder een beschermenswaardig recht of belang te hoeven aantonen,
verenigbaar met de algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen van vrije uitoefening van een beroep en vrijheid van meningsuiting.
De uitoefening van deze rechten kan immers worden onderworpen aan beperkingen, mits deze daadwerkelijk beantwoorden aan door
de Gemeenschap nagestreefde doelstellingen van algemeen belang en, gelet op het nagestreefde doel, niet zijn te beschouwen
als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor deze rechten in hun kern worden aangetast. De krachtens richtlijn 90/605
opgelegde maatregelen inzake openbaarmaking beantwoorden aan deze doelstellingen, aangezien zij de in artikel 54, lid 3, sub g,
van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 44, lid 2, sub g, EG) vermelde dubbele doelstelling van algemeen belang nastreven,
namelijk, enerzijds, de bescherming van derden tegen de financiële risico’s van vennootschapsvormen die derden slechts een
vennootschapsvermogen als waarborg bieden en, anderzijds, de vaststelling in de Gemeenschap van gelijkwaardige juridische
minimumvereisten inzake de omvang van de financiële gegevens die door met elkaar concurrerende vennootschappen openbaar moeten
worden gemaakt. Zij vormen overigens geen onevenredige en onduldbare ingreep die de aan de orde zijnde rechten in hun kern
aantast, aangezien zij de concurrentiepositie van de betrokken vennootschappen niet kunnen wijzigen.
(cf. punten 36, 48, 50, 52‑53, 58‑59, dictum 2)
3. Richtlijn 90/605 tot wijziging van de richtlijnen 78/660 en 83/349 betreffende respectievelijk de jaarrekening en de geconsolideerde
jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied van deze richtlijnen, is verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel, voorzover
deze richtlijn verplichtingen tot openbaarmaking van de jaarrekening oplegt aan commanditaire vennootschappen waarvan alle
onbeperkt aansprakelijke vennoten besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid zijn, terwijl commanditaire vennootschappen
waarvan ten minste één onbeperkt aansprakelijke vennoot een natuurlijke persoon is, niet aan deze verplichtingen zijn onderworpen.
Het in richtlijn 90/605 gemaakte onderscheid berust immers op de omstandigheid dat de eerste categorie vennootschappen, anders
dan de tweede categorie commanditaire vennootschappen, derden slechts een vennootschapsvermogen als waarborg bieden. Dit onderscheid
is dus objectief gerechtvaardigd door overwegingen die verband houden met de bescherming van de belangen van derden, een wezenlijke
doelstelling van deze richtlijn.
(cf. punten 60, 67, 69, 73, dictum 3)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Tweede kamer) 23 september 2004(1)
In de gevoegde zaken C-435/02 en C-103/03, betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Landgericht Essen (Duitsland)
en het Landgericht Hagen (Duitsland) bij beschikkingen van 2 december 2002 en 11 februari 2003, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 25 november 2002 en 5 maart 2003, in de procedure:
Axel Springer AG
tegen
Zeitungsverlag Niederrhein GmbH & Co. Essen KG (C-435/02),
en
Axel Springer AG
tegen
Hans-Jürgen Weske (C-103/03),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans (rapporteur), kamerpresident, J.-P. Puissochet, R. Schintgen, F. Macken en N.
Colneric, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs, griffier: R. Grass,
na de verwijzende rechterlijke instanties ervan in kennis te hebben gesteld dat het Hof voornemens is, overeenkomstig artikel 104,
lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij met redenen omklede beschikking,na de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden te hebben verzocht, hun eventuele opmerkingen
dienaangaande in te dienen,de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de geldigheid van richtlijn 90/605/EEG van de Raad van 8 november 1990
tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG betreffende respectievelijk de jaarrekening en de geconsolideerde
jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied van deze richtlijnen (PB L 317, blz. 60).
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen, enerzijds tussen de vennootschap Axel Springer AG (hierna: „Springer”)
en de vennootschap Zeitungsverlag Niederrhein GmbH & Co. Essen KG (hierna: „Zeitungsverlag”) (C‑435/02) en anderzijds tussen
Springer en H. J. Weske, zaakvoerder van Radio Ennepe-Ruhr-Kreis mbH & Co. KG (hierna: „Radio Ennepe”) (C‑103/03), betreffende
de verzoeken van Springer om de jaarrekeningen van Zeitungsverlag en Radio Ennepe in te zien.
Rechtskader
Gemeenschapsregelgeving
3
Op basis van artikel 54, lid 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 44, lid 2, sub g, EG) zorgen de Raad van de
Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging,
door, voorzover nodig, de waarborgen te coördineren die in de lidstaten worden verlangd van de rechtspersonen in de zin van
de tweede alinea van artikel 58 EG-Verdrag (thans artikel 48, tweede alinea, EG), om de belangen te beschermen zowel van de
deelnemers in die rechtspersonen als van derden, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken.
4
Richtlijn 90/605 heeft tot doel het toepassingsgebied te wijzigen van onder meer de Vierde richtlijn (78/660/EEG) van de Raad
van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen
(PB L 222, blz. 11) (hierna: „vierde vennootschapsrichtlijn”).
5
De vierde vennootschapsrichtlijn schrijft maatregelen voor tot coördinatie van de nationale bepalingen betreffende de jaarrekening
van kapitaalvennootschappen. In Duitsland is zij van toepassing op de volgende vennootschapsvormen: de Aktiengesellschaft
(naamloze vennootschap), de Kommanditgesellschaft auf Aktien (commanditaire vennootschap op aandelen) en de Gesellschaft mit
beschränkter Haftung (besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid).
6
Krachtens de artikelen 1 en 2 van richtlijn 90/605 zijn de coördinatiemaatregelen van de vierde vennootschapsrichtlijn ook
van toepassing op bepaalde vormen van personenvennootschappen, zoals de Kommanditgesellschaft (commanditaire vennootschap)
in Duitsland, inzonderheid indien alle onbeperkt aansprakelijke vennoten van deze vennootschap kapitaalvennootschappen zijn
die zijn opgericht in een van de in het voorgaande punt van deze beschikking bedoelde vormen.
7
Aldus breidt richtlijn 90/605 de toepassing van de coördinatiemaatregelen van de vierde vennootschapsrichtlijn voor Duitsland
uit tot onder meer vennootschappen in de vorm van commanditaire vennootschappen waarvan alle onbeperkt aansprakelijke vennoten
besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid zijn (hierna: „GmbH & Co. KG”).
8
Deze vennootschapsvorm moet derhalve voldoen aan, inzonderheid, artikel 47, lid 1, van de vierde vennootschapsrichtlijn, zoals
gewijzigd bij artikel 38, lid 3, van de Zevende richtlijn (83/349/EEG) van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54,
lid 3, sub g, van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PB L 193, blz. 1), dat bepaalt:
„De jaarrekening wordt, na overeenkomstig de daarvoor geldende regels te zijn vastgesteld of goedgekeurd, tezamen met het
jaarverslag en het verslag van de met de controle van de jaarrekening belaste persoon openbaar gemaakt op de wijze die in
de wetgeving van elke lidstaat is vastgesteld overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 68/151/EEG.
De lidstaten kunnen evenwel in hun wetgeving toestaan dat het jaarverslag niet op de bovenbedoelde wijze openbaar wordt gemaakt.
In dat geval wordt het jaarverslag ter beschikking van het publiek gehouden ten kantore van de vennootschap in de betreffende
lidstaat. Op verzoek moet een volledig of gedeeltelijk afschrift kunnen worden verkregen. De prijs van dat afschrift mag niet
meer bedragen dan de daaraan verbonden administratieve kosten.”
9
Artikel 3, leden 1 tot en met 3, van de Eerste richtlijn (68/151/EEG) van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren
van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58
van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde
die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB L 65, blz. 8; hierna: „eerste vennootschapsrichtlijn”), bepaalt:
„1. In iedere lidstaat wordt hetzij bij een centraal register hetzij bij een handelsregister of vennootschapsregister voor elk
der aldaar ingeschreven vennootschappen een dossier aangelegd.
2. Alle akten en alle gegevens die krachtens artikel 2 openbaar gemaakt dienen te worden, worden in het dossier opgenomen of
ingeschreven in het register; de inhoud van het in het register ingeschrevene dient in elk geval uit het dossier te blijken.
3. Volledig of gedeeltelijk afschrift van elke in artikel 2 bedoelde akte of gegeven moet op schriftelijke aanvraag kunnen worden
verkregen; de kosten van dit afschrift mogen de administratiekosten niet overschrijden.
[…]”
10
Artikel 2, lid 1, sub f, van de eerste vennootschapsrichtlijn luidt:
„De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de verplichte openbaarmaking betreffende vennootschappen tenminste plaatsvindt
voor de volgende akten en gegevens:
[…]
f) de balans en de winst- en verliesrekening van elk boekjaar […]”
Nationale regelgeving
11
In het arrest van 22 april 1999, Commissie/Duitsland (C‑272/97, Jurispr. blz. I‑2175), heeft het Hof geoordeeld dat richtlijn
90/605 niet binnen de gestelde termijn in Duits recht was omgezet.
12
De Duitse wetgeving, meer bepaald het Handelsgesetzbuch (wetboek van koophandel; hierna: „HGB”), is sindsdien gewijzigd in
dier voege dat de coördinatiemaatregelen van de vierde vennootschapsrichtlijn thans ook van toepassing zijn op inzonderheid
de GmbH & Co. KG (§ 264 a HGB).
13
Volgens de nieuwe wetgeving worden bovendien overtredingen van de betrokken bepalingen bestraft met een geldboete van ten
minste 2 500 EUR en ten hoogste 25 000 EUR. De boete wordt opgelegd door het Amtsgericht (Duitsland), de rechterlijke instantie
die het handelsregister bijhoudt.
14
De geldboete kan echter slechts worden opgelegd na een bij het Amtsgericht ingediend verzoek. Daarentegen is de kring van
personen die dit verzoek kunnen indienen, onbeperkt (§§ 335 bis en 335 ter HGB).
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
15
Bij verzoekschriften ingediend bij de respectieve territoriaal bevoegde Amtsgerichte, vorderde Springer de overlegging op
straffe van een dwangsom van de jaarrekeningen van Zeitungsverlag, werkzaam in de pers- en uitgeverijsector, en van Radio
Eneppe, werkzaam in de omroepsector, teneinde deze te kunnen inzien.
16
In hun respectieve beschikkingen wezen de rechters de vorderingen toe en gelastten zij de zaakvoerders van deze vennootschappen,
respectievelijk Glandt en Weske, om de documenten binnen de gestelde termijn neer te leggen op straffe van een geldboete van
5 000 EUR.
17
De jaarrekeningen werden niet binnen de gestelde termijn neergelegd, waarop bij latere beschikkingen boetes zijn opgelegd.
18
Tegen laatstgenoemde beschikkingen hebben zowel Zeitungsverlag en Glandt als Weske bij de respectieve verwijzende rechters
hoger beroep ingesteld.
19
Deze zijn van oordeel dat de onderhavige zaken twijfel oproepen aangaande de geldigheid van richtlijn 90/605.
20
In zaak C‑435/02 heeft het Landgericht Essen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële
vragen gesteld:
„1)
Is richtlijn 90/605/EEG […] juncto artikel 47 van richtlijn 78/660/EEG […] verenigbaar met het communautaire grondrecht van
ondernemingsvrijheid, voorzover op grond daarvan commanditaire vennootschappen waarvan de beherend vennoot een besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid is, hun jaarrekening en jaarverslag openbaar dienen te maken zonder dat de kring van inzagegerechtigde
personen beperkt is?
2)
Is richtlijn 90/605/EEG […] juncto artikel 47 van richtlijn 78/660/EEG […] verenigbaar met het communautaire grondrecht van
pers- en omroepvrijheid, voorzover op grond daarvan commanditaire vennootschappen waarvan de beherend vennoot een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is en die werkzaam zijn in de pers- en de uitgeverijsector respectievelijk in
de omroepsector, hun jaarrekening en jaarverslag openbaar dienen te maken zonder dat de kring van inzagegerechtigde personen
beperkt is?
3)
Is richtlijn 90/605/EEG […] verenigbaar met het algemene gelijkheidsbeginsel, voorzover zij tot gevolg heeft dat commanditaire
vennootschappen waarvan de beherend vennoot een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, wordt benadeeld ten
opzichte van commanditaire vennootschappen waarvan de beherend vennoot een natuurlijke persoon is, hoewel de schuldeisers
van een commanditaire vennootschap waarvan de beherend vennoot een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is
ingevolge de openbaarmakingsverplichtingen van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid beter worden beschermd
dan schuldeisers van een commanditaire vennootschap, waarvan de beherend vennoot als natuurlijke persoon geen openbaarmakingsverplichtingen
heeft?”
21
In zaak C‑103/03 heeft het Landgericht Hagen eveneens de behandeling van de zaak geschorst en dezelfde drie prejudiciële vragen
gesteld, voorafgegaan door een eerste prejudiciële vraag, die luidt:
„Kon de Europese Gemeenschap richtlijn 90/605/EEG […] baseren op artikel 54, lid 1, juncto 3, sub g, EG-Verdrag, hoewel deze
richtlijn ook inzagerecht toekent aan derden die geen bescherming behoeven?”
22
Gezien hun samenhang zijn de zaken C‑435/02 en C‑103/03 voor de beschikking gevoegd.
De prejudiciële vragen
23
Van oordeel dat het antwoord op de eerste vraag in zaak C‑103/03 duidelijk kan worden afgeleid uit de rechtspraak zoals geformuleerd
in het arrest van 4 december 1997, Daihatsu Deutschland (C‑97/96, Jurispr. blz. I‑6843), en dat over het antwoord op de andere
vragen in zaak C‑103/03 evenals op de vragen in zaak C‑435/02 redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, heeft het Hof overeenkomstig
artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering de verwijzende rechters ervan in kennis gesteld dat het voornemens
was te beslissen bij een met redenen omklede beschikking en heeft het de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie
bedoelde belanghebbenden verzocht, hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen.
24
De Raad heeft met betrekking tot zaak C‑435/02 op het verzoek van het Hof gereageerd met de verklaring, geen bezwaar te hebben
tegen een beslissing bij een met redenen omklede beschikking. Zeitungsverlag en Weske hebben voor de zaken C‑435/02 en C‑103/03
wel bezwaar gemaakt, onder verwijzing naar de in hun schriftelijke opmerkingen aangevoerde argumenten. Dit doet het Hof evenwel
niet besluiten, een andere procedure te volgen.
De eerste vraag in zaak C‑103/03
25
Met de eerste vraag in zaak C‑103/03 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 90/605 kon worden vastgesteld
op basis van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag, voorzover eruit volgt dat een ieder de jaarrekening en het jaarverslag
van de vennootschappen waarop zij betrekking heeft kan inzien zonder een beschermenswaardig recht of belang te hoeven aantonen.
26
Onder de derden die krachtens artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag bescherming behoeven, zijn volgens Weske begrepen
de personen die een rechtsbetrekking hebben met de vennootschap evenals de personen die eventueel een dergelijke betrekking
zullen hebben, en dus ook potentiële vennoten, werknemers of schuldeisers.
27
Het begrip derde omvat zijns inziens echter niet elke persoon, ongeacht zijn hoedanigheid. De ruime uitlegging die in het
arrest Daihatsu Deutschland, reeds aangehaald, aan dit begrip is gegeven, roept derhalve bedenkingen op.
28
In dit verband moet worden vastgesteld dat, zoals de Raad en de Commissie hebben opgemerkt, het antwoord op deze vraag duidelijk
kan worden afgeleid uit het arrest Daihatsu Deutschland, reeds aangehaald.
29
Volgens de punten 19 en 20 van dit arrest vermeldt artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag zelf de doelstelling van de bescherming
van de belangen van derden in het algemeen, zonder daarbij onderscheid te maken of bepaalde categorieën uit te zonderen, zodat
het begrip derde in dit artikel niet kan worden beperkt tot met name de schuldeisers van de vennootschap.
30
In punt 21 van dit arrest heeft het Hof bovendien opgemerkt dat de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging,
met welke taak artikel 54, leden 1 en 2, van het Verdrag in zeer ruime bewoordingen de Raad en de Commissie belast, niet door
artikel 54, lid 3, van het Verdrag kan worden ingeperkt. Deze bepaling bevat namelijk enkel een niet uitputtende opsomming
van te nemen maatregelen voor de verwezenlijking van die taak, zoals blijkt uit het gebruik van het woord „met name” in artikel 54,
lid 3.
31
Het Hof heeft voor het overige in punt 22 van voormeld arrest uitdrukkelijk aangegeven dat artikel 3 van de eerste vennootschapsrichtlijn,
dat bepaalt dat een openbaar register moet worden aangelegd waarin alle akten en gegevens die openbaar dienen te worden gemaakt
moeten worden opgenomen en dat iedereen op schriftelijke aanvraag een afschrift van de jaarrekening kan verkrijgen, bevestigt
dat, zoals in de vierde overweging van deze richtlijn wordt verklaard, de openbaarmaking tot doel heeft om elke derde die
de boekhoudkundige en financiële situatie van de vennootschap niet voldoende kent of kan kennen, in staat te stellen daarvan
kennis te nemen.
32
In hetzelfde punt heeft het Hof daaraan toegevoegd dat deze wens eveneens tot uitdrukking komt in de considerans van de vierde
vennootschapsrichtlijn, waarin de noodzaak wordt vermeld om in de Gemeenschap gelijkwaardige juridische minimumvereisten vast
te stellen inzake de omvang van de door concurrerende vennootschappen openbaar te maken financiële gegevens (zie met name
de derde overweging).
33
Uit het arrest Daihatsu Deutschland, reeds aangehaald, kan dus duidelijk worden afgeleid dat de door artikel 3 van de eerste
vennootschapsrichtlijn voorgeschreven openbaarmakingsverplichtingen, waarnaar artikel 47, lid 1, van de vierde vennootschapsrichtlijn
verwijst en die krachtens richtlijn 90/605 ook van toepassing zijn op bepaalde vormen van personenvennootschappen, zoals de
thans in geding zijnde, impliceren dat een ieder de mogelijkheid heeft om de jaarrekening en het jaarverslag in te zien van
vennootschappen als bedoeld in de richtlijn, zonder een beschermenswaardig recht of belang te hoeven aantonen.
34
Uit de punten 21 en 22 van voornoemd arrest blijkt ook duidelijk dat een gemeenschapshandeling die dergelijke openbaarmakingsverplichtingen
bevat, op basis van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag kon worden vastgesteld. Deze bepaling, die de gemeenschapswetgever
een ruime bevoegdheid toekent, vermeldt immers de bescherming van de belangen van derden in het algemeen als doelstelling,
zonder daarbij onderscheid te maken of bepaalde categorieën uit te zonderen, zodat het begrip derde in de zin van dit artikel naar
elke derde verwijst. Bijgevolg moet dit begrip ruim worden uitgelegd en omvat het inzonderheid de concurrenten van de betrokken
vennootschappen.
35
Op de eerste vraag in zaak C‑103/03 dient dus te worden geantwoord dat richtlijn 90/605, voorzover eruit volgt dat een ieder
de jaarrekening en het jaarverslag van de vennootschappen waarop zij betrekking heeft kan inzien zonder een beschermenswaardig
recht of belang zonder een beschermenswaardig te hoeven aantonen, kon worden vastgesteld op basis van artikel 54, lid 3, sub g,
van het Verdrag.
De eerste twee vragen in zaak C‑435/02 en de tweede en de derde vraag in zaak C‑103/03
36
Met de eerste twee vragen in zaak C‑435/02 en de tweede en de derde vraag in zaak C‑103/03, die samen moeten worden behandeld,
wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen of richtlijn 90/605 verenigbaar is met de algemene gemeenschapsrechtelijke
beginselen van ondernemingsvrijheid en persvrijheid, voorzover eruit volgt dat een ieder de jaarrekening en het jaarverslag
kan inzien van ondernemingen met een van de vennootschapsvormen waarop zij betrekking heeft en die, zoals in casu, in de pers‑ en
de uitgeverij‑ of de omroepsector werkzaam zijn, zonder een beschermenswaardig recht of belang te hoeven aantonen.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
37
Volgens Zeitungsverslag en Weske streeft richtlijn 90/605, juncto artikel 47 van de vierde vennootschapsrichtlijn, een legitieme
doelstelling van algemeen belang na, voorzover de voorgeschreven openbaarmakingsverplichtingen ertoe strekken de vennoten,
de werknemers en de schuldeisers van de vennootschap te beschermen.
38
Wanneer alle geïnteresseerde personen, waaronder ook de concurrenten, het recht hebben om de betrokken documenten in te zien,
vormt zulks echter een last die onevenredig is gelet op inzonderheid het legitieme belang van de vennootschap om bepaalde
gegevens geheim te houden. Richtlijn 90/605 is daarom onverenigbaar met het gemeenschaprechtelijke beginsel van ondernemingsvrijheid
en is dus ongeldig.
39
Zeitungsverlag en Weske merken bovendien op dat de vrijheid van meningsuiting, als door het gemeenschapsrecht gewaarborgd
grondrecht, de activiteiten van ondernemingen in de perssector, en zelfs van ondernemingen in de omroepsector, beschermt.
40
Daar richtlijn 90/605 en de vierde vennootschapsrichtlijn geen uitzonderingen op de openbaarmakingsverplichtingen voorzien
teneinde ondernemingen in de pers‑ en omroepsector bijzonder te beschermen, zijn zij onverenigbaar met de vrijheid van meningsuiting.
41
Volgens de Belgische regering is de door richtlijn 90/605 opgelegde verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening gerechtvaardigd,
aangezien bij de vennootschappen waarop de richtlijn betrekking heeft derden slechts een beperkt verhaal hebben op de vennoot,
omdat dit een rechtspersoon met beperkte aansprakelijkheid is.
42
De Commissie verwijst naar de eerste drie overwegingen van de vierde vennootschapsrichtlijn, waaruit onder meer volgt dat
de bepalingen betreffende de openbaarmaking van de jaarrekening en het jaarverslag noodzakelijk zijn daar de vennootschapsvormen
waarop zij van toepassing zijn, derden slechts hun vennootschapsvermogen als waarborg bieden, en omdat in de Gemeenschap gelijkwaardige
juridische minimumvereisten moeten worden vastgesteld inzake de omvang van de door concurrerende vennootschappen openbaar
te maken financiële gegevens.
43
Dat inzonderheid concurrenten tot de inzagegerechtigde personen behoren, is nodig en passend ter bereiking van het zowel door
deze overwegingen als door artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag beoogde doel, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest
Daihatsu Duitsland, reeds aangehaald, namelijk niet alleen de vennoten, maar ook derden te beschermen.
44
De Commissie betoogt bovendien dat de vraag betreffende het algemene gemeenschapsrechtelijke beginsel van ondernemingsvrijheid
in casu ook de vraag inzake het algemene beginsel van persvrijheid omvat.
45
Volgens de Raad is richtlijn 90/605 geen onevenredige en onduldbare ingreep waardoor het recht van vrije beroepsuitoefening
in zijn kern wordt aangetast.
46
Bovendien is de Raad van mening dat de door richtlijn 90/605 voorgeschreven openbaarmakingsverplichting geen afbreuk doet
aan de persvrijheid zoals deze wordt gewaarborgd door in het bijzonder artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheiden, daar zij geen invloed heeft op de inhoud van de informatie of de
denkbeelden die door een onder de richtlijn vallende vennootschap worden meegedeeld.
Antwoord van het Hof
47
Vooraf zij opgemerkt dat de vraag of de openbaarmakingsverplichtingen die rusten op de personenvennootschappen die thans aan
de orde zijn, verenigbaar zijn met de vrijheid van meningsuiting, samenvalt met de vraag of deze verplichtingen verenigbaar
zijn met de vrije beroepsuitoefening. Die verplichtingen rusten immers op elke onderneming die een bepaalde vennootschapsvorm
heeft, ongeacht de aard van haar activiteiten. Bovendien hebben zij geen voldoende rechtstreekse en specifieke band met een
activiteit die door de vrijheid van meningsuiting wordt beschermd. Het gaat immers in wezen om een regelgeving die de betrokken
vennootschappen treft, ongeacht de uitgeoefende economische activiteit.
48
Het Hof heeft geoordeeld dat zowel het eigendomsrecht als de vrije beroepsuitoefening deel uitmaken van de algemene beginselen
van gemeenschapsrecht. Volgens deze rechtspraak kan de uitoefening van deze rechten echter worden onderworpen aan beperkingen,
mits deze daadwerkelijk beantwoorden aan door de Gemeenschap nagestreefde doelstellingen van algemeen belang en, gelet op
het nagestreefde doel, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor deze rechten in hun kern
worden aangetast (zie arresten van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad, C‑280/93, Jurispr. blz. I‑4973, punt 78, en 10 juli 2003,
Booker Aquaculture en Hydro Seafood, C‑20/00 en C‑64/00, Jurispr. blz. I‑7411, punt 68, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Gesteld al dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde openbaarmakingsverplichtingen een voldoende rechtstreekse en ingrijpende
weerslag hebben op de vrije beroepsuitoefening, kan derhalve de beperking die daarmee gepaard gaat, inzonderheid die betreffende
het recht van een onderneming om bepaalde potentieel gevoelige gegevens geheim te houden, hoe dan ook duidelijk gerechtvaardigd
worden geacht.
50
Blijkens de eerste drie overwegingen van de vierde vennootschapsrichtlijn streven de aan bepaalde vormen van kapitaalvennootschappen
opgelegde openbaarmakingsverplichtingen immers de in artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag vermelde dubbele doelstelling
van algemeen belang na, namelijk, enerzijds, de bescherming van derden tegen de financiële risico’s van vennootschapsvormen
die derden slechts een vennootschapsvermogen als waarborg bieden en, anderzijds, de vaststelling in de Gemeenschap van gelijkwaardige
juridische minimumvereisten inzake de omvang van de financiële gegevens die door met elkaar concurrerende vennootschappen
openbaar moeten worden gemaakt.
51
Volgens de eerste vijf overwegingen van richtlijn 90/605 heeft deze in het bijzonder tot doel de praktijk tegen te gaan waarbij
een groot en nog steeds groeiend aantal vennootschappen de regelgeving omzeilt door de vorm aan te nemen van personenvennootschappen
waarvan alle onbeperkt aansprakelijke vennoten kapitaalvennootschappen zijn, zodat zij niet hoeven te voldoen aan de openbaarmakingsverplichtingen
die op deze vennootschappen rusten. Deze praktijk miskent de doelstelling van de vierde vennootschapsrichtlijn, namelijk de
bescherming van derden tegen de financiële risico’s van vennootschapsvormen die derden slechts een vennootschapsvermogen als
waarborg bieden.
52
Bijgevolg beantwoorden de door richtlijn 90/605 voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk aan de doelstellingen van artikel 54,
lid 3, sub g, van het Verdrag en derhalve aan door de Gemeenschap nagestreefde doelstellingen van algemeen belang in de zin
van de in punt 48 van deze beschikking aangehaalde rechtspraak.
53
Het eventuele nadeel dat de door deze openbaarmakingsvoorschriften opgelegde verplichtingen met zich brengen, lijkt overigens
beperkt. Zo moet worden betwijfeld of deze regels, anders dan het geval was in de zaak die tot het arrest Duitsland/Raad,
reeds aangehaald (punt 81), heeft geleid, de concurrentiepositie van de betrokken vennootschappen kunnen wijzigen.
54
De bepalingen van de vierde vennootschapsrichtlijn, inzonderheid de artikelen 11, 27 en 44 tot en met 47, bevestigen deze
beoordeling. Op grond van deze bepalingen kan bepaalde informatie achterwege worden gelaten op de jaarrekening en het jaarverslag
van vennootschappen die de grenzen van bepaalde criteria niet overschrijden en kunnen deze vennootschappen een verkorte versie
van hun jaarrekening openbaar maken. Bovendien heeft artikel 45 van deze richtlijn onder meer tot doel te voorkomen dat de
openbaarmaking van bepaalde gegevens ernstig nadeel berokkent aan de betrokken ondernemingen.
55
Ook kunnen overeenkomstig artikel 46 van genoemde richtlijn de gegevens waarvan de vermelding in het jaarverslag verplicht
is, algemeen worden geformuleerd, zodat het, anders dan Zeitungsverlag en Weske opperen, niet nodig is om bepaalde gevoelige
gegevens, die bijvoorbeeld de grondslag voor de prijsberekening kunnen onthullen, gedetailleerd weer te geven.
56
Overigens verstrekt de openbaarmaking van de jaarrekening van kapitaalvennootschappen die de enige onbeperkt aansprakelijke
vennoten zijn van een onder richtlijn 90/605 vallende personenvennootschap, zoals die welke in de hoofdgedingen is opgericht
in de vorm van een GmbH & Co. KG, in casu dus de jaarrekening van besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid,
op zich slechts informatie over de situatie van deze vennoten en niet over die van de personenvennootschap. Zij maakt openbaarmaking
van de jaarrekening van laatstgenoemde vennootschap dus geenszins overbodig.
57
Bovendien kunnen ingevolge artikel 57 bis, dat in de vierde vennootschapsrichtlijn is ingevoegd bij artikel 1, lid 4, van
richtlijn 90/605, personenvennootschappen zoals de GmbH & Co. KG die in de hoofdgedingen aan de orde is, worden vrijgesteld
van de openbaarmakingsverplichtingen indien hun jaarrekening samen met die van een van hun onbeperkt aansprakelijke vennoten
moet worden gepubliceerd of indien zij is opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening van een groep vennootschappen.
58
In deze omstandigheden is de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening en het jaarverslag die is opgelegd aan personenvennootschappen
zoals de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde GmbH & Co. KG, geen onevenredige en onduldbare ingreep die de vrije beroepsuitoefening
in zijn kern aantast.
59
Gelet op het voorgaande dient op de eerste twee vragen in zaak C‑435/02 en op de tweede en de derde vraag in zaak C‑103/03
te worden geantwoord dat bij onderzoek daarvan aan de hand van de algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen van vrije beroepsuitoefening
en vrije meningsuiting niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van richtlijn 90/605 kunnen aantasten.
De derde vraag in zaak C‑435/02 en de vierde vraag in zaak C‑103/03
60
Met de derde vraag in zaak C‑435/02 en de vierde vraag in zaak C‑103/03 wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen
of richtlijn 90/605 verenigbaar is met het beginsel van gelijke behandeling, voorzover zij verplichtingen tot openbaarmaking
van de jaarrekening oplegt aan commanditaire vennootschappen waarvan alle onbeperkt aansprakelijke vennoten besloten vennootschappen
met beperkte aansprakelijkheid zijn. Deze vennootschappen zouden daardoor worden benadeeld ten opzichte van commanditaire
vennootschappen waarvan ten minste één onbeperkt aansprakelijke vennoot een natuurlijke persoon is en die niet aan deze verplichtingen
zijn onderworpen, hoewel de schuldeisers van vennootschappen die zijn opgericht in de eerste vennootschapsvorm beter beschermd
zijn dan de schuldeisers van vennootschappen in de tweede vorm, daar hun vennoten, als besloten vennootschappen met beperkte
aansprakelijkheid, moeten voldoen aan deze openbaarmakingsverplichtingen, maar natuurlijke personen niet.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
61
Zeitungsverlag en Weske betogen dat de aan de orde zijnde bepalingen inzake openbaarmaking leiden tot een ernstig verschil
in behandeling tussen, enerzijds, commanditaire vennootschappen waarvan ten minste één onbeperkt aansprakelijke vennoot een
natuurlijke persoon is, en, anderzijds, commanditaire vennootschappen waarvan alle onbeperkt aansprakelijke vennoten besloten
vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid zijn, zoals de GmbH & Co. KG, en dat deze situatie laatstgenoemde vennootschappen
aanzienlijk benadeelt.
62
Volgens de Raad volgt uit de eerste drie overwegingen van richtlijn 90/605, dat deze ertoe strekt, een uit de vierde vennootschapsrichtlijn
voortvloeiende leemte aan te vullen, die door de wetgever als in strijd met de geest en de doelstellingen van laatstgenoemde
richtlijn werd beschouwd. Een steeds groter aantal vennootschappen, zoals de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde commanditaire
vennootschappen, waren immers niet aan de openbaarmakingsverplichtingen onderworpen hoewel hun schuldeisers enkel konden optreden
tegen onbeperkt aansprakelijke vennoten die als besloten vennootschappen met onbeperkte aansprakelijkheid waren opgericht
en derden bijgevolg slechts hun vennootschapsvermogen als waarborg boden.
63
Ten opzichte van derden is er een fundamenteel verschil tussen deze commanditaire vennootschappen en de commanditaire vennootschappen
waarvan ten minste één onbeperkt aansprakelijke vennoot een natuurlijke persoon is die met zijn hele vermogen aansprakelijk
is voor de schulden van de vennootschap.
64
Dat er openbaarmakingsverplichtingen rusten op commanditaire vennootschappen waarvan alle onbeperkt aansprakelijke vennoten
de rechtsvorm hebben van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, zoals de GmbH & Co. KG, en niet op andere
commanditaire vennootschappen, is bijgevolg objectief gerechtvaardigd.
65
De Commissie beroept zich op hetzelfde objectieve verschil tussen de verschillende commanditaire vennootschappen en leidt
daaruit af dat richtlijn 90/605 niet discriminerend is.
Antwoord van het Hof
66
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het algemene beginsel van gelijke behandeling, dat deel uitmaakt van de fundamentele
beginselen van gemeenschapsrecht, vereist dat, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties niet verschillend
en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld (zie onder meer arrest van 9 september 2004, Spanje/Commissie, C‑304/01,
Jurispr. blz. I‑0000, punt 31).
67
Zoals uit punt 51 van deze beschikking blijkt, berust het in richtlijn 90/605 gemaakte onderscheid tussen de commanditaire
vennootschappen waarop zij betrekking heeft, zoals de GmbH & Co. KG, en de commanditaire vennootschappen waarvan minstens
één van de onbeperkt aansprakelijke vennoten een natuurlijke persoon is, die buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen,
op de omstandigheid dat de eerste categorie vennootschappen voor derden indirect dezelfde risico’s oplevert als de in de vierde
vennootschapsrichtlijn bedoelde kapitaalvennootschappen, te weten dat zij, anders dan de tweede categorie commanditaire vennootschappen,
derden slechts een vennootschapsvermogen als waarborg bieden.
68
Richtlijn 90/605 berust immers op dezelfde overwegingen als de vierde vennootschapsrichtlijn, waarvan zij de omzeiling dient
te verhinderen en ten opzichte waarvan zij in zoverre louter accessoir is. In die zin vult richtlijn 90/605 de vierde vennootschapsrichtlijn
aan in dier voege, dat het aan de beperking van de aansprakelijkheid verbonden voordeel dat bepaalde vennootschapsvormen genieten,
samengaat met een passende openbaarmaking ter bescherming van de belangen van derden.
69
Het onderscheid dat richtlijn 90/605 tussen de twee in punt 67 van deze beschikking vermelde categorieën van commanditaire
vennootschappen maakt ten einde het toepassingsgebied van de vierde vennootschapsrichtlijn en de door deze richtlijn opgelegde
openbaarmakingsverplichtingen vast te leggen, is dus objectief gerechtvaardigd door overwegingen die zijn ontleend aan de
bescherming van de belangen van derden, een wezenlijke doelstelling van richtlijn 90/605 en van de vierde vennootschapsrichtlijn.
70
De door de verwijzende rechters aangevoerde omstandigheid dat de schuldeisers van de onder richtlijn 90/605 vallende commanditaire
vennootschappen reeds worden beschermd doordat hun vennoten als besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, anders
dan natuurlijke personen, moeten voldoen aan de openbaarmakingsverplichtingen van de vierde vennootschapsrichtlijn, doet aan
deze beoordeling niet af.
71
Zoals reeds in punt 56 van deze beschikking is geoordeeld, verstrekt de openbaarmaking van de jaarrekening van kapitaalvennootschappen
die de enige onbeperkt aansprakelijke vennoten zijn van een onder richtlijn 90/605 vallende personenvennootschap, zoals die
welke in de hoofdgedingen is opgericht in de vorm van een GmbH & Co. KG, in casu dus de jaarrekening van besloten vennootschappen
met beperkte aansprakelijkheid, op zich immers slechts informatie over de situatie van deze vennoten en niet over die van
de personenvennootschap.
72
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat richtlijn 90/605 het beginsel van gelijke behandeling schendt.
73
In deze omstandigheden dient op de derde vraag in zaak C‑435/02 en op de vierde vraag in zaak C‑103/03 te worden geantwoord
dat bij onderzoek daarvan aan de hand van het beginsel van gelijke behandeling niet is gebleken van feiten of omstandigheden
die de geldigheid van richtlijn 90/605 kunnen aantasten.
Kosten
74
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale
rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof
gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1)
Richtlijn 90/605/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG betreffende
respectievelijk de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening, ten aanzien van het toepassingsgebied van deze richtlijnen,
kon, voorzover eruit volgt dat een ieder de jaarrekening en het jaarverslag van de vennootschapsvormen waarop zij betrekking
heeft kan inzien zonder een beschermenswaardig recht of belang te hoeven aantonen, worden vastgesteld op basis van artikel 54,
lid 3, sub g, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 44, lid 2, sub g, EG).
2)
Bij onderzoek van de eerste twee vragen in zaak C‑435/03 en de tweede en de derde vraag in zaak C‑103/03 aan de hand van de
algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen van vrije beroepsuitoefening en vrije meningsuiting is niet gebleken van feiten
of omstandigheden die de geldigheid van richtlijn 90/605 kunnen aantasten.
3)
Bij onderzoek van de derde vraag in zaak C‑435/02 en van de vierde vraag in zaak C‑103/03 aan de hand van het beginsel van
gelijke behandeling is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van richtlijn 90/605 kunnen aantasten.