Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61996TJ0182

Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 16 september 1999.
Partex - Companhia Portuguesa de Serviços SA tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Beroep tot nietigverklaring - Verlaging van financiële bijstand - Bevestiging van feitelijke en boekhoudkundige juistheid - Bevoegdheid ratione temporis van betrokken staat - Motivering - Recht van verweer - Misbruik van recht - Gewettigd vertrouwen - Bescherming van verkregen rechten - Misbruik van bevoegdheid.
Zaak T-182/96.

Jurisprudentie 1999 II-02673

ECLI identifier: ECLI:EU:T:1999:171

61996A0182

Arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 16 september 1999. - Partex - Companhia Portuguesa de Serviços SA tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Beroep tot nietigverklaring - Verlaging van financiële bijstand - Bevestiging van feitelijke en boekhoudkundige juistheid - Bevoegdheid ratione temporis van betrokken staat - Motivering - Recht van verweer - Misbruik van recht - Gewettigd vertrouwen - Bescherming van verkregen rechten - Misbruik van bevoegdheid. - Zaak T-182/96.

Jurisprudentie 1999 bladzijde II-02673


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1 Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleidingsacties - Bevestiging door lidstaten van feitelijke en boekhoudkundige juistheid van aanvragen om betaling van saldo - Draagwijdte

(Verordening nr. 2950/83 van de Raad, art. 5, lid 4; besluit 83/516 van de Raad, art. 2, lid 2; beschikking 83/673 van de Commissie, art. 7)

2 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking van Commissie waarbij op voorstel van lidstaat bijstand van Europees Sociaal Fonds voor beroepsopleidingsactie wordt verminderd

[EG-Verdrag, art. 190 (thans art. 253 EG)]

3 Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleidingsacties - Beschikking tot vermindering van aanvankelijk toegekende bijstand - Verplichting van Commissie - Inachtneming van redelijke termijn

4 Beroep tot nietigverklaring - Middelen - Misbruik van bevoegdheid - Begrip

Samenvatting


1 Omdat de lidstaat de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de aanvragen om betaling van het saldo verstrekte gegevens bevestigt, is die lidstaat ten opzichte van de Commissie verantwoordelijk voor de door hem gegeven bevestigingen.

Verder staan de lidstaten op grond van artikel 2, lid 2, van besluit 83/516 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds, in voor de adequate uitvoering van de gefinancierde acties, wat meebrengt, dat elke bevestiging als bedoeld in artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 moet worden beschouwd als een handeling die naar haar aard door de lidstaat onder voorbehoud wordt verricht, daar een andere uitlegging afbreuk zou doen aan het nuttig effect van artikel 7 van beschikking 83/673 betreffende het beheer van het Europees Sociaal Fonds, dat de lidstaat verplicht tot aanmelding van de bij het beheer van de uit het Fonds te financieren acties geconstateerde onregelmatigheden. Bovendien kan de Commissie krachtens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2950/83 houdende toepassing van besluit 83/516, de aanvragen om betaling van het saldo verifiëren "onverminderd de controles die door de lidstaten worden uitgeoefend". Die verplichtingen en bevoegdheden van de lidstaten zijn niet in de tijd beperkt. Daarom kan, wanneer een lidstaat de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de aanvraag om betaling van het saldo reeds heeft bevestigd, die lidstaat zijn beoordeling van de aanvraag om betaling van het saldo nog wijzigen, indien hij meent te maken te hebben met onregelmatigheden die niet eerder aan het licht waren gekomen.

2 De in artikel 190 van het Verdrag (thans artikel 253 EG) neergelegde verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is, dan wel eventueel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist, en de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te toetsen. Een beschikking houdende vermindering van aanvankelijk toegekende bijstand van het Europees Sociaal Fonds moet, met name gelet op het feit dat een dergelijke beschikking voor de begunstigde van de bijstand ernstige consequenties meebrengt, hetzij duidelijk de redenen aangeven die de vermindering van de bijstand ten opzichte van het aanvankelijk goedgekeurde bedrag rechtvaardigen, hetzij, zo dat niet het geval is, voldoende duidelijk verwijzen naar een besluit van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat waarin deze de redenen voor een dergelijke vermindering duidelijk uiteenzetten.

3 De redelijkheid van de termijn die is verstreken tussen de indiening van een aanvraag om betaling van het saldo door de nationale autoriteit die bevoegd is op het gebied van financiering door het Europees Sociaal Fonds, en het geven van een beschikking op die aanvraag door de Commissie moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van elke zaak en in het bijzonder met inachtneming van de context ervan, de verschillende etappes van de procedure die zijn gevolgd, de ingewikkeldheid van de zaak, alsmede het belang ervan voor de verschillende betrokken partijen.

4 Een besluit berust slechts op misbruik van bevoegdheid wanneer uit objectieve, relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt, dat het uitsluitend, althans hoofdzakelijk, is genomen ter bereiking van andere doeleinden dan die welke zijn gesteld, of ter omzeiling van een speciale procedure waarin het Verdrag voorziet om de betrokken omstandigheden het hoofd te bieden.

Partijen


In zaak T-182/96,

Partex - Companhia Portuguesa de Serviços, SA, vennootschap naar Portugees recht, gevestigd te Lissabon, vertegenwoordigd door R. Chancerelle de Machete, P. Machete en M. Pena Machete, advocaten te Lissabon, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Schiltz, advocaat aldaar, Rue du Fort Rheinsheim 2,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. T. Figueira en K. Simonsson, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

"betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking C (96) 1184 van de Commissie van 14 augustus 1996 houdende vermindering van de in het kader van project nr. 880412/P3 door het Europees Sociaal Fonds verleende financiële bijstand,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG

(Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, K. Lenaerts en J. Azizi, rechters,

griffier: J. Palacio González, administrateur

gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 december 1998,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


Rechtskader

1 In de eerste alinea van artikel 124 EG-Verdrag (thans artikel 147 EG) wordt het beheer van het Europees Sociaal Fonds (hierna: "ESF") aan de Commissie opgedragen.

2 Artikel 1, lid 2, sub a, van besluit 83/516/EEG van de Raad van 17 oktober 1983 betreffende de taken van het ESF (PB L 289, blz. 38; hierna: "besluit 83/516"), bepaalt, dat het ESF deelneemt in de financiering van acties op het gebied van de beroepsopleiding en de beroepskeuzevoorlichting.

3 Volgens artikel 2, lid 2, van dat besluit staan de betrokken lidstaten in voor de adequate uitvoering van de acties.

4 Verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516 (PB L 289, blz. 1; hierna: "verordening nr. 2950/83"), bepaalt in artikel 5, lid 1, dat de goedkeuring door het ESF van een aanvraag om bijstand, uitkering meebrengt van een voorschot van 50 % van de steun op de voor de aanvang van de opleidingsactie vastgestelde datum.

5 Artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 bepaalt, dat de aanvragen om betaling van het saldo een gedetailleerd verslag over de inhoud, de resultaten en de financiële aspecten van de betrokken actie bevatten, en verder dat de lidstaat de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de betalingsaanvragen verstrekte gegevens moet bevestigen.

6 Volgens artikel 6, lid 1, van deze verordening kan de Commissie, indien van de bijstand van het ESF geen gebruik wordt gemaakt op de wijze die in het goedkeuringsbesluit is vastgesteld, deze bijstand opschorten, verminderen of doen vervallen, na aan de betrokken lidstaat gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken.

7 Artikel 6, lid 2, bepaalt, dat overgemaakte bedragen waarvan geen gebruik is gemaakt op de wijze die in het goedkeuringsbesluit is vastgesteld, worden teruggevorderd.

8 Krachtens artikel 7, lid 1, kan de Commissie, onverminderd de controles die door de lidstaten worden uitgeoefend, verificaties ter plaatse uitvoeren.

9 Beschikking 83/673/EEG van de Commissie van 22 december 1983 betreffende het beheer van het ESF (PB L 377, blz. 1; hierna: "beschikking 83/673"), bepaalt in artikel 6, dat de aanvragen om betaling van de lidstaten de Commissie dienen te bereiken binnen een termijn van tien maanden na de datum waarop de acties zijn beëindigd. Gepreciseerd wordt, dat betaling van bijstand waarvoor de aanvraag na deze termijn wordt ingediend, is uitgesloten.

De feiten van het geding

A - De aan de bestreden beschikking voorafgaande feiten

10 In 1987 diende verzoekster, Partex - Companhia Portuguesa de Serviços, SA, (hierna: "Partex"), ten behoeve van de ondernemingen Pirites Alentejanas SA (hierna: "Pirites Alentejanas"), Tintas Robbialac SA (hierna: "Tintas Robbialac") en SAPEC - Produits et Engrais Chimiques du Portugal SA (hierna: "Sapec") aanvragen in om financiële bijstand van het ESF met het oog op de uitvoering van technische beroepsopleidingsacties in verband met de herstructurering van die ondernemingen.

11 Op 20 oktober 1987 diende het Departamento para os Assuntos do Fundo Social Europeu (dienst belast met de aangelegenheden van het Europees Sociaal Fonds, ressorterend onder het Portugese Ministerie van Arbeid en Sociale zekerheid; hierna: "DAFSE") namens de Portugese Republiek ten behoeve van verzoekster bij de diensten van het ESF een aanvraag in om financiële bijstand voor het boekjaar 1988 voor de financiering van een beroepsopleidingsproject van de ondernemingen Pirites Alentejanas, Tintas Robbialac en SAPEC (dossier nr. 880412/P3).

12 Bij beschikking C (88) 831 van 29 april 1988 kende verweerster verzoekster voor de genoemde ondernemingen bijstand toe voor een totaalbedrag van 146 321 461 ESC, bestemd voor de opleiding van 416 personen.

13 Op een niet gepreciseerde datum ontving verzoekster krachtens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2950/83 een voorschot van 73 160 730 ESC.

14 Na voltooiing van de opleidingsactie, die zich uitstrekte over zeven maanden tussen 1 januari en 31 december 1988, diende verzoekster op 30 april 1989 bij het DAFSE een aanvraag in om betaling van het saldo van de bijstand.

15 Bij brief van 13 oktober 1989 verzocht het DAFSE verzoekster, haar aanvraag van 30 april te wijzigen. In haar gewijzigde aanvraag van 23 oktober 1989 vermeldde verzoekster, dat de totale kosten van de opleidingsactie 130 350 556 ESC waren geweest, waarvan 64 523 525 ESC de bijdrage van het ESF vormde.

16 Op 30 oktober 1989 dienden de Portugese autoriteiten bij de Commissie een op 28 oktober 1989 gedateerde aanvraag in om betaling van het saldo van de bijstand ten bedrage van 8 637 205 ESC.

17 Aangezien het eerste voorschot 73 160 730 ESC had bedragen (zie hiervóór, punt 13), wijzigde het DAFSE die aanvraag op 12 februari 1990 in die zin, dat aan de Commissie moest worden terugbetaald een bedrag van 8 637 205 ESC, gelijk aan het verschil tussen het aan verzoekster uitgekeerde voorschot en het gedeelte van de totale kosten van de opleidingsactie ten laste van het ESF, zoals vermeld in verzoeksters gewijzigde aanvraag om betaling van het saldo (zie hiervóór, punt 15) (73 160 730 ESC - 64 523 525 ESC).

18 Op 24 juni 1991 verzamelde het DAFSE aanvullende gegevens over het betrokken dossier, teneinde het opnieuw te kunnen onderzoeken.

19 Bij brieven nrs. 1107 van 30 januari, 1941 en 1966 van 10 februari 1995, die respectievelijk Pirites Alentejanas, Tintas Robbialac en Sapec betroffen, stelde het DAFSE verzoekster in kennis van de door haar aan de Commissie voorgestelde bevestigingsbesluiten met betrekking tot elk van die ondernemingen. Ook werd verzoekster uitgenodigd haar opmerkingen over die besluiten in te dienen.

20 Bij die brieven waren overzichten gevoegd met tabellen van de wel en niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven, vergezeld van een inlegvel met een beschrijving van de criteria die bij het heronderzoek van de dossiers van 1988 waarin verzoekster een rol speelde, waren aangelegd (hierna: "heronderzoekscriteria").

21 Die criteria werden beschreven als volgt:

"Uit het onderzoek van de door Partex ingediende documenten met betrekking tot de rekeningen uit 1988 en de daarbij horende kosten wordt de volgende conclusie getrokken:

- de structuuruitgaven kunnen door hun aard niet als opleidingskosten worden aanvaard;

- de bedragen met betrekking tot de uitgaven die als opleidingskosten kunnen worden beschouwd lijken, gelet op het soort steun dat in het kader van de cursussen is verleend, niet redelijk."

22 Als bijlage bij de voorstellen voor bevestigingsbesluiten met betrekking tot Tintas Robbialac en Sapec waren bovendien door Oliveira Rego & Alexandre Hipólito opgestelde financiële controlerapporten gevoegd.

23 Bij brieven van 15 en 24 februari 1995 diende verzoekster haar opmerkingen over die voorgestelde bevestigingsbesluiten in. Pirites Alentejanas en Tintas Robbialac deden hetzelfde bij brieven van 16 respectievelijk 27 februari 1995.

24 Naar aanleiding van de opmerkingen van Pirites Alentejanas onderzocht het DAFSE het dossier opnieuw. Bij toelichtingsbrief nr. 615/DSAFEP/95 van 17 maart 1995 stelde het DAFSE het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag vast, dat hoger was dan het bedrag dat voor het onderdeel Pirites Alentajanas uit het voorstel voor een bevestigingsbesluit volgde. In de bijlage bevond zich een gecorrigeerde tabel, en het standpunt van het DAFSE over de betrokken opmerkingen.

25 Op 27 maart 1995 gaf het DAFSE met betrekking tot respectievelijk Pirites Alentejanas, Tintas Robbialac en Sapec beschikkingen houdende bevestiging van de aanvraag om betaling van het saldo en opdracht tot terugbetaling van bepaalde bedragen.

26 Bij elk van die beschikkingen was een toelichtingsbrief gevoegd. In de brieven betreffende de onderdelen Tintas Robbialac en Sapec werden de voorstellen die in de kennisgeving stonden, bevestigd (nr. 1233/DSJ/DSAFEP, punt 20, respectievelijk nr. 1218/DSJ/DSAFEP, punt 16), terwijl in de brief betreffende het onderdeel Pirites Alentejanas werd vermeld, dat na onderzoek van de door die vennootschap ingediende opmerkingen (zie hiervóór, punt 23), het in het voorstel voor een beschikking niet vergoedbaar verklaarde bedrag moest worden verminderd (nr. 1212/DSJ/DSAFEP, punt 17).

27 In die toelichtingsbrieven werd eveneens verklaard, dat het DAFSE de redelijkheid van de uitgaven kon beoordelen aan de hand van hun onmisbare karakter, hun bedrag, de marktprijzen, en de verplichting van de begunstigden om de subsidies van het ESF en de Portugese Staat te beheren alsof het om hun eigen geld ging (nr. 1218/DSJ/DSAFEP/95 betreffende Sapec, punten 18 en 19; nr. 1233/DSJ/DSAFEP/95 betreffende Tintas Robbialac, punten 22 en 23; nr. 1212/DSJ/DSAFEP/95 betreffende Pirites Alentejanas, punten 19 en 20) en dat een buitensporige uitgave aanleiding tot vermindering kon geven (nr. 1218, punt 46, nr. 1233, punt 50, en nr. 1212, punt 47).

28 Ten slotte werd in de brieven gepreciseerd, dat zij steunden op gronden die in eerder aan verzoekster gezonden documenten waren uiteengezet, met name in de brieven van het DAFSE nrs. 1107, 1941 en 1966 (zie hiervóór, punt 19).

29 Verzoekster vocht die beschikkingen aan voor het Tribunal Administrativo do Círculo de Lisboa. Dit schortte de uitvoering van de opdrachten tot terugbetaling op.

30 Bij brief nr. 4085 van 30 maart 1995 deelde het DAFSE de Commissie mede, dat na financiële controles was gebleken, dat de totale kosten van de opleidingsacties in werkelijkheid 100 591 892 ESC bedroegen, waarvan 49 792 986 ESC de bijstand van het ESF vormde.

31 Bij drie brieven van 19 juni 1995, stelde het DAFSE verzoekster ervan in kennis dat, onverminderd een eindbeslissing van de Commissie over de aanvraag tot betaling van het saldo, het bevestigde bedrag van de uitgaven na heronderzoek van het dossier voor het onderdeel Pirites Alentejanas 11 746 270 ESC bedroeg, voor het onderdeel Tintas Robbialac 10 349 849 ESC en voor het onderdeel Sapec 27 696 868 ESC.

32 Bij brief nr. 9600 van 22 augustus 1995 deelde het DAFSE het ESF mee, dat de wijzigingen in de bedragen die in het kader van de actie waren besteed en uit documenten van Partex bleken, waren aangebracht volgens de criteria die op 23 september 1994 door de werkgroep belast met het oude fonds waren vastgesteld.

33 Bij brieven nrs. 2567 en 2569 van 27 februari 1996 en 2837 van 1 maart 1996, bracht het DAFSE verzoekster ter kennis, dat de Commissie de bevestiging van de aanvraag om betaling van het saldo had goedgekeurd voor het in de brieven van 19 juni 1995 vermelde bedrag.

34 Bij brief van 22 maart 1996 en bij faxbericht van 11 april 1996 verzocht verzoekster het DAFSE om opheldering, en om een kopie van de beschikking van de Commissie.

35 Vervolgens stelde verzoekster bij het Gerecht beroep in tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie houdende goedkeuring van de door het DAFSE bevestigde aanvraag om betaling van het saldo (zie hiervóór, punt 33), ingeschreven onder nummer T-58/96. In haar verweerschrift erkende verweerster, dat haar beschikking niet voldeed aan de motiveringsvereisten, zoals gepreciseerd in punt 27 van het arrest van het Gerecht van 13 december 1995, Commissie/Branco [T-85/94 (122), Jurispr. blz. II-2993]. Om die reden trok zij haar beschikking in. Daarop heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht zaak T-58/96 doorgehaald in het register en verweerster bij beschikking van 3 juni 1997 in de kosten verwezen.

B - Bestreden beschikking

36 Op 14 augustus 1996 heeft verweerster beschikking C (96) 1184 gegeven houdende vermindering van de bijstand die het ESF overeenkomstig beschikking C (88) 831 van 29 april 1988 in het kader van project nr. 880412/P3 aan Partex had verleend (hierna: "bestreden beschikking").

37 Die beschikking luidt als volgt:

"overwegende, dat de Portugese regering op 30 oktober 1989 bij de Commissie een aanvraag heeft ingediend om betaling van het saldo ten bedrage van 8 637 205 ESC (aan de Commissie terug te betalen) en de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van die aanvraag overeenkomstig artikel 5, lid 4, van verordening (...) nr. 2950/83 heeft bevestigd;

overwegende dat de lidstaat ten gevolge van diverse vastgestelde onregelmatigheden bij de uitvoering van de door het [ESF] gefinancierde acties, heeft besloten om, nadat de Commissie daarvan in kennis was gesteld, een aantal dossiers opnieuw te onderzoeken; dat in het kader van die dossiers, na een nieuw onderzoek van de aanvraag om betaling van het saldo in dossier nr. 880412/P3 en financiële controle van de boekhouding van de door de ondernemingen $Tintas Robbialac SA' en $Sapec' uitgevoerde acties, een gedeelte van de gedeclareerde uitgaven niet kan worden aanvaard om de redenen die zijn genoemd in de door de lidstaat op 30 maart 1995 verzonden brief nr. 4085 met bijlage;

overwegende dat de lidstaat de bij de acties betrokken ondernemingen $Partex', $Tintas Robbialac', $Sapec' en $Pirites Alentejanas (...)', gelegenheid heeft gegeven om hun opmerkingen te maken (brieven van het DAFSE nr. 1107 van 30 januari 1995 en nrs. 1941 en 1966 van 10 februari 1995 aan Partex, nr. 1106 van 30 januari 1995 en nrs. 1940 en 1967 van 10 februari 1995 aan de andere betrokken ondernemingen); dat enkel de ondernemingen $Partex', $Pirites Alentejanas' en $Tintas Robbialac' hun opmerkingen hebben ingediend (bijlagen bij de brief van het DAFSE nr. 5653 van 10 mei 1996);

overwegende dat $Partex' van de totale door de Commissie in dossier nr. 880412/P3 goedgekeurde bijstand, die 146 321 461 ESC bedroeg, slechts een bedrag van 81 797 936 ESC heeft gebruikt; dat de Commissie na onderzoek van de opmerkingen van de lidstaat en van de ondernemingen $Partex', $Pirites Alentejanas' en $Tintas Robbialac' van mening is dat bepaalde door $Partex' gedeclareerde uitgaven niet voldoen aan de bij het goedkeuringsbesluit vastgestelde voorwaarden, zodat de bijstand nog moet worden verminderd met 14 730 539 ESC; dat de bijstand van het [ESF] dus moet worden vastgesteld op 49 792 986 ESC om de redenen genoemd in:

- de rapporten van de door $O. Rego & A. Hipólito' bij $Tintas Robbialac' en $Sapec' verrichte financiële controle,

- de toelichting nr. 615/DSAFEP/95 met betrekking tot het heronderzoek van de door $Pirites Alentejanas' gedeclareerde uitgaven,

- de brief van het DAFSE nr. 4085 van 30 maart 1995, met bijlagen,

- de brief van het DAFSE nr. 9600 van 22 augustus 1995, met bijlagen;

overwegende dat op grond van artikel 6, lid 2, van verordening (...) nr. 2950/83 de overgemaakte bedragen waarvan geen gebruik is gemaakt op de wijze die in het goedkeuringsbesluit is vastgesteld, worden teruggevorderd en dat de betrokken lidstaat subsidiair aansprakelijk is voor de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen;

overwegende dat krachtens artikel 5, lid 1, van verordening (...) nr. 2950/83, het bedrag van 73 160 730 ESC bij wijze van voorschot is uitgekeerd;

overwegende dat de lidstaat de Commissie het bedrag van 8 637 205 ESC heeft terugbetaald;

overwegende dat het bedrag van 14 730 539 ESC dient te worden teruggevorderd, stelt de volgende beschikking vast:

Artikel 1

De bijstand van het [ESF] van 146 321 461 ESC, aan $Partex [...]' verleend bij de beschikking van de Commissie nr. C (88) 0831 van 29 april 1988, wordt verminderd tot 49 792 986 ESC.

Artikel 2

Het bedrag van 14 730 539 ESC zal aan de Commissie moeten worden terugbetaald (...)"

Procesverloop

38 In die omstandigheden heeft verzoekster, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 november 1996, het onderhavige beroep ingesteld.

39 Op rapport van de rechter-rapporteur is het Gerecht (Derde kamer) zonder instructie overgegaan tot de mondelinge behandeling. Het heeft partijen echter enkele vragen gesteld, die binnen de gestelde termijn zijn beantwoord.

40 Partijen zijn ter terechtzitting van 15 december 1998 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.

Conclusies van partijen

41 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

- de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover zij betrekking heeft op vermindering van de aanvankelijk verleende bijstand en haar ertoe verplicht de Commissie het bedrag van 14 730 539 ESC terug te betalen;

- de Commissie in de kosten te verwijzen.

42 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:

- het beroep ongegrond te verklaren;

- verzoekster in de kosten te verwijzen.

Ten gronde

43 Verzoekster voert vier middelen aan, in de eerste plaats ontleend aan schending van de geldende regelgeving in verband met de tweede bevestiging van het DAFSE op 27 maart 1995, in de tweede plaats aan schending van de in artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG) voorgeschreven motiveringsplicht, in de derde plaats aan misbruik van recht, schending van het recht van verweer en van de beginselen van goede trouw, bescherming van het gewettigd vertrouwen en bescherming van verkregen rechten en, in de vierde plaats, aan misbruik van bevoegdheid.

A - Het eerste middel, betreffende schending van de geldende regelgeving in verband met de tweede bevestiging door het DAFSE

44 Verzoekster stelt, dat de tweede door het DAFSE op 27 maart 1995 gegeven bevestiging van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de uitgaven die zijn gedeclareerd tot staving van de aanvraag om betaling van het saldo van de financiële bijstand van het ESF, gebreken vertoont. Zij betwist daarom de wettigheid van de op basis van die bevestiging gegeven beschikking.

45 Dit eerste middel omvat twee onderdelen, die respectievelijk zijn ontleend aan onbevoegdheid ratione temporis van het DAFSE en aan schending van de regels voor de taakverdeling tussen de lidstaten en de Commissie.

Onbevoegdheid ratione temporis van het DAFSE

Argumenten van partijen

46 Verzoekster concludeert, dat het DAFSE om twee redenen ratione temporis onbevoegd is. In de eerste plaats was de termijn waarbinnen de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging moet plaatsvinden, verstreken (eerste grief). In de tweede plaats heeft het DAFSE de taakverdeling in de tijd tussen de betrokken lidstaat en de Commissie genegeerd (tweede grief).

- De eerste grief, ontleend aan tardiviteit van de tweede feitelijke en boekhoudkundige bevestiging

47 Volgens artikel 6, leden 1 en 2, van beschikking 83/673 moet de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging van de uitgaven die in de aanvraag om betaling van financiële bijstand van het ESF door de begunstigde zijn opgevoerd, plaatsvinden binnen een termijn van dertien maanden na de beëindiging van de aldus gefinancierde acties. In casu heeft verzoekster de gefinancierde actie aan het eind van het jaar 1988 beëindigd. De tweede feitelijke en boekhoudkundige bevestiging (zie hiervóór, punt 26) heeft dus niet binnen de bij die bepalingen gestelde termijn plaatsgevonden en is bijgevolg onwettig. Hoewel de bestreden beschikking enkel naar de eerste feitelijke en boekhoudkundige bevestiging verwijst, bevat zij ook de motivering van de tweede.

48 Aangezien de bestreden beschikking op dat onwettige besluit van het DAFSE berust, is zij zelf onwettig.

- De tweede grief, ontleend aan miskenning van de taakverdeling in de tijd tussen de betrokken lidstaat en de Commissie

49 Verzoekster merkt op, dat het DAFSE op 30 oktober 1989 de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de door haar overeenkomstig artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 ingediende aanvraag om betaling van het saldo heeft bevestigd. Na toezending van die bevestiging aan de Commissie is de bevoegdheid van het DAFSE en van de lidstaat geëindigd. De toepasselijke regeling, in het bijzonder verordening nr. 2950/83, staat immers niet toe, dat het DAFSE na toezending van de bevestiging aan de Commissie alsnog, zoals in casu, op eigen initiatief overgaat tot een "heronderzoek" van het dossier, en dan de eerdere bevestiging wijzigt.

50 In casu heeft het DAFSE op eigen initiatief het dossier heronderzocht en de Commissie een tweede feitelijke en boekhoudkundige bevestiging van de aanvraag om betaling van het saldo gezonden.

51 Door de bestreden beschikking op die tweede bevestiging te baseren, heeft verweerster de geldende regeling geschonden.

52 Verweerster betwist verzoeksters argumenten door te beklemtonen, dat de bevestigingsverplichting van de lidstaten moet worden beoordeeld in het licht van het belang om onregelmatigheden bij het gebruik van de door het ESF verleende bijstand te voorkomen en verder in het licht van de subsidiaire aansprakelijkheid van de lidstaat voor de terugbetaling van onregelmatig gebruikte bijstand (artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2950/83).

Beoordeling door het Gerecht

53 Omdat de lidstaat de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de in de aanvraag om betaling van het saldo verstrekte gegevens bevestigt, is hij ten opzichte van de Commissie verantwoordelijk voor de door hem gegeven bevestigingen (arrest Gerecht van 15 september 1998, Branco/Commissie, T-142/97, Jurispr. blz. II-3567, punt 44).

54 Rekening houdend met het feit dat de lidstaat op grond van artikel 2, lid 2, van besluit 83/516 instaat voor de adequate uitvoering van de gefinancierde acties, moet elke bevestiging als bedoeld in artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83 worden beschouwd als een handeling die naar haar aard door de lidstaat onder voorbehoud wordt verricht. Een andere uitlegging zou afbreuk doen aan het nuttig effect van artikel 7 van beschikking 83/673, dat de lidstaat verplicht tot aanmelding van de bij het beheer van de uit het ESF te financieren acties geconstateerde onregelmatigheden (arrest Gerecht van 16 juli 1998, Proderec/Commissie, T-72/97, Jurispr. blz. II-2847, punt 74). Bovendien kan de Commissie krachtens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2950/83 de aanvragen om betaling van het saldo verifiëren "onverminderd de controles die door de lidstaten worden uitgeoefend" (arrest Branco/Commissie, reeds aangehaald in punt 53, punt 45).

55 Die verplichtingen en bevoegdheden van de lidstaten zijn niet in de tijd beperkt (arrest Branco/Commissie, reeds aangehaald in punt 53, punt 46).

56 Daarom kan in een geval als het onderhavige, waarin de lidstaat de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de aanvraag om betaling van het saldo reeds heeft bevestigd, die lidstaat zijn beoordeling van die aanvraag nog wijzigen, indien hij meent te maken te hebben met onregelmatigheden die niet eerder aan het licht waren gekomen (arrest Branco/Commissie, reeds aangehaald in punt 53, punt 47).

57 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat artikel 6 van beschikking 83/673 bepaalt, dat de aanvragen om betaling van het saldo binnen een termijn van tien maanden na de datum waarop de opleidingsacties beëindigd zijn, bij de Commissie moeten worden ingediend, en dat elke betaling van bijstand waarvoor de aanvraag na deze termijn wordt ingediend, is uitgesloten. In deze omstandigheden zou het kunnen voorkomen, dat indien de controles van de regelmatigheid enkel vóór de bevestiging van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van een aanvraag om betaling van het saldo mochten worden verricht, de lidstaat niet in staat zou zijn deze aanvraag binnen de genoemde termijn van tien maanden bij de Commissie in te dienen, zodat de betaling van het saldo is uitgesloten. Hieruit volgt, dat de bevestiging van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van een aanvraag om betaling van het saldo vóór een controle van de regelmatigheid of vóór de beëindiging daarvan, in bepaalde gevallen in het belang van de begunstigde van de steun kan zijn (arrest Branco/Commissie, reeds aangehaald in punt 53, punt 48).

58 Uit het voorgaande volgt, dat verweerster de geldende regeling niet heeft miskend door de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging, zoals door het DAFSE gewijzigd bij beschikking van 27 maart 1995 (zie hiervóór, punt 25), te bekrachtigen. Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

Schending van de regels voor de taakverdeling tussen de lidstaten en de Commissie

Argumenten van partijen

59 In repliek heeft verzoekster subsidiair gesteld, dat het DAFSE de grenzen van zijn bevoegdheden heeft overschreden. De geldende regeling verleent de lidstaat bevoegdheid om na te gaan of de uitgaven waarvoor de begunstigde onderneming om vergoeding verzoekt, door het goedkeuringsbesluit zijn gedekt, en of de gegevens op het verzoek om betaling en hun boekhoudkundige weergave met de werkelijkheid in overeenstemming zijn, doch geen bevoegdheid om te beoordelen of een uitgave voor communautaire financiering in aanmerking komt. Immers, gelet op, in de eerste plaats, de beheersautonomie van het ESF als instrument van een gemeenschappelijk werkgelegenheids- en beroepsopleidingsbeleid en, in de tweede plaats, de noodzaak van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en meer in het bijzonder van de voorwaarden die in het besluit tot goedkeuring van een aanvraag om financiële bijstand van de Gemeenschap zijn vastgesteld, valt de beoordeling van de naleving van laatstgenoemde voorwaarden onder de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie.

60 Aangezien het DAFSE de bevestiging van 1995 had gegeven op basis van criteria met betrekking tot de "redelijkheid van de door de begunstigde gedane uitgaven" en het "behoorlijke financiële beheer van de bijstand", heeft het zijn bevoegdheid tot controle van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid van de gegevens in de betalingsaanvraag overschreden. Aangezien de bestreden beschikking op die onwettige bevestiging steunt, heeft verweerster de in de toepasselijke regeling vastgestelde bevoegdheidsverdeling tussen de lidstaat en de Commissie genegeerd. Bijgevolg is de bestreden beschikking eveneens ongeldig.

61 Verweerster verwerpt die argumenten.

Beoordeling door het Gerecht

62 Dit tweede onderdeel van het eerste middel moet worden beschouwd als een nieuw middel in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Het is immers voor het eerst in het stadium van de repliek voorgedragen. Aangezien het niet steunt op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken, moet het niet-ontvankelijk worden verklaard.

63 Daarenboven moet er aan worden herinnerd, dat de toepassing van criteria betreffende de "redelijkheid van de door de begunstigde gedane uitgaven" en het "behoorlijke financiële beheer van de bijstand" binnen het kader valt van de controle die de lidstaat overeenkomstig artikel 7 van beschikking 83/673 moet uitoefenen (arrest Proderec/Commissie, reeds aangehaald in punt 54, punt 88; arrest Gerecht van 15 september 1998, Mediocurso/Commissie, T-180/96 en T-181/96, Jurispr. blz. II-3481, punt 115).

64 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel in zijn geheel moet worden afgewezen.

B - Het tweede middel, ontleend aan schending van de in artikel 190 van het Verdrag voorgeschreven motiveringsplicht

Argumenten van partijen

65 Volgens verzoekster voldoet de bestreden beschikking niet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag. In de eerste plaats is de inhoud van de beschikkingsvoorstellen van het DAFSE (zie hiervóór, punt 19) niet in de bestreden beschikking opgenomen. In de tweede plaats heeft verzoekster geen kopie ontvangen van de brieven nrs. 4085 van 30 maart 1995 en 9600 van 22 augustus 1995 en hun bijlagen (zie hiervóór, punten 30 en 32), waarnaar de bestreden beschikking verwijst. In de derde plaats is de motivering van die beschikking feitelijk en rechtens niet te achterhalen en niet uitdrukkelijk vermeld.

66 Uit de motivering valt niet op te maken, waarom verweerster heeft gemeend, dat de voorwaarden voor toekenning van de bijstand niet in acht waren genomen, terwijl onduidelijkheid bestaat over de criteria "redelijkheid" en "behoorlijk financieel beheer" op basis waarvan verweerster heeft gemeend, dat een gedeelte van de uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking komt. Verder valt niet te bepalen, of die criteria uit het besluit tot bijstandsverlening van 29 april 1988 volgen, en in welke mate zij niet in acht zijn genomen.

67 Verzoekster veronderstelt, dat wanneer naar dat criterium "redelijkheid" wordt verwezen, de heronderzoekscriteria worden bedoeld (zie hiervóór, punt 21). In dat verband is zij niet op de hoogte van de redenen waarom de structuuruitgaven niet als opleidingsuitgaven kunnen worden aanvaard. Ook vraagt zij zich af, waarom bepaalde opleidingsuitgaven in het licht van de betrokken soort steun onredelijk leken.

68 Wat het onderdeel Pirites Alentejanas betreft bieden de rechtvaardigingen in het voorstel van het DAFSE (zie hiervóór, punt 19) geen verklaring voor de aanpassingen in met name de subrubrieken 14.2.7 (gespecialiseerde werkzaamheden), 14.3.1, sub b (salarissen van niet-onderwijzend technisch personeel), 14.3.1, sub c (salarissen van administratief personeel), 14.3.5 (reiskosten) en 14.3.14 (algemene administratieve kosten). Wat betreft de subrubrieken 14.3.1, sub a (salarissen van docenten) en 14.3.2 (salarislasten), heeft verweerster de reden van de vermindering niet duidelijk gemaakt, ondanks de opmerkingen van Pirites Alentejanas dat paragraaf 7 van besluit 20/MTS/87 van 19 juni 1987 van de Portugese minister van Werkgelegenheid en Sociale zekerheid (Diário da Républica, serie II, nr. 148 van 1 juli 1987, blz. 8141) niet op de betrokken rubrieken van toepassing was. Ten slotte is de vermindering in subrubriek 14.6 onvoldoende gemotiveerd.

69 Met betrekking tot het onderdeel Tintas Robbialac is verzoekster van mening, dat in het financiële controlerapport niet wordt vermeld welke voorwaarden van het besluit tot goedkeuring van de actie niet in acht zouden zijn genomen, in het bijzonder wanneer het gaat om verminderingen in de rubrieken 14.1 (inkomen van stagiairs in opleiding), 14.3 (uitvoering en beheer van de cursussen), 14.8 (verblijf en maaltijden van stagiairs) en 14.9 (reiskosten van stagiairs). De verminderingen in de subrubrieken 14.3.8 en 14.3.11 (andere leveringen en dienstverrichtingen door derden) zijn gebaseerd op subjectieve overwegingen. De redenen ter rechtvaardiging van de vermindering in subrubriek 14.3.15 (andere uitvoerings- en beheerskosten) zijn gebrekkig. De rechtvaardiging van de verminderingen in de rubrieken 14.2.6 (personeelskosten voor de voorbereiding van de cursussen), 14.2.7 (gespecialiseerde werkzaamheden), 14.3.1, sub b (salarissen van niet-onderwijzend technisch personeel), 14.3.1, sub c (salarissen van administratief personeel), 14.3.7 (begrotingsbeheer en -controle) en 14.3.8 (gespecialiseerde werkzaamheden) biedt door de verwijzing naar de heronderzoekscriteria geen mogelijkheid om de werkelijke redenen voor die verminderingen te achterhalen. Wat betreft de subrubrieken 14.3.1, sub a (salarissen van docenten) en 14.3.2 (salarislasten) heeft verweerster de reden van de vermindering niet duidelijk gemaakt, ondanks de opmerkingen van Tintas Robbialac met betrekking tot de verkeerde uitlegging van het reeds genoemde besluit 20/MTSS/87.

70 Wat ten slotte het onderdeel Sapec betreft, verweerster heeft enkel, met twijfelachtige argumenten, de regelmatigheid betwist van een gedeelte van de uitgaven met betrekking tot de subrubrieken 14.3.5 (reiskosten), 14.3.9 (huur van roerende en onroerende goederen) en 14.8 (verblijf en maaltijden van stagiairs). In het financiële controlerapport wordt niet vermeld welke voorwaarden van het besluit tot goedkeuring van de actie niet in acht zouden zijn genomen, en evenmin op grond van welke criteria eerder in 1989 goedgekeurde uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking komen. De precieze redenen van de weigering om maaltijdkosten tijdens reizen als reiskosten te beschouwen (punt 6.3.3 van het financiële controlerapport) en de vermindering met betrekking tot de huren en andere huurkosten (punt 6.3.6 van het financiële rapport) ontbreken eveneens.

71 Verweerster is van mening, dat de bestreden beschikking voldoende met redenen is omkleed, want zij verwijst duidelijk naar besluiten van het DAFSE waarin de redenen van de vermindering duidelijk uiteengezet zijn (arrest Gerecht van 12 januari 1995, Branco/Commissie, T-85/94, Jurispr. blz. II-45, punt 36). Verzoekster heeft kennis gekregen van de door Oliveira Rego & Alexandre Hipólito opgestelde financiële rapporten, van de toelichtingsbrief nr. 615/DSAFEP/95 en van de bijlagen bij de brief van het DAFSE nr. 4085, want zij heeft deze als bijlagen bij haar verzoekschrift gevoegd. In de bijlagen bij de brief van het DAFSE nr. 9600 wordt beschreven welke methode verweerster bij haar heronderzoek heeft toegepast. Die methode is eveneens ter kennis gebracht van verzoekster, die overigens aan de vaststelling ervan heeft meegewerkt.

72 Hetzelfde geldt voor de criteria betreffende de redelijkheid van de door de begunstigde gedane uitgaven en betreffende een behoorlijk financieel beheer van de bijstand. Blijkens de door verzoekster ingediende opmerkingen (zie hiervóór, punt 23) kende zij die criteria. Bovendien staan zij impliciet in het goedkeuringsbesluit, dat verwijst naar de toepasselijke nationale en communautaire bepalingen, die tot naleving van de regels van een behoorlijk financieel beheer dwingen.

Beoordeling door het Gerecht

1. Voorafgaande opmerkingen

73 De verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is, dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist. De omvang van de motiveringsplicht is afhankelijk van de aard van de betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld (arresten Hof van 7 april 1987, Sisma/Commissie, 32/86, Jurispr. blz. 1645, punt 8; 4 juni 1992, Consorgan/Commissie, C-181/90, Jurispr. blz. I-3557, punt 14, en Cipeke/Commissie, C-189/90, Jurispr. blz. I-3573, punt 14; arrest Gerecht van 12 januari 1995, Branco/Commissie, reeds aangehaald in punt 71, punt 32).

74 Een beschikking houdende vermindering van aanvankelijk toegekende bijstand van het ESF, die met name voor de begunstigde van de bijstand ernstige consequenties heeft, moet duidelijk de redenen aangeven die de vermindering van de bijstand ten opzichte van het aanvankelijk goedgekeurde bedrag rechtvaardigen (arresten Consorgan/Commissie, reeds aangehaald, punt 18, en Cipeke/Commissie, reeds aangehaald, punt 18; arresten Gerecht van 6 december 1994, Lisrestal/Commissie, T-450/93, Jurispr. blz. II-1177, punt 52, en 12 januari 1995, Branco/Commissie, reeds aangehaald in punt 71, punt 33).

75 De vraag of de motivering van een beschikking aan die vereisten voldoet, moet niet enkel in het licht van de tekst ervan worden beoordeeld, maar ook in het licht van de context en het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest Hof van 15 mei 1997, Siemens/Commissie, C-278/95 P, Jurispr. blz. I-2507, punt 17, en het daarin aangehaalde arrest).

2. Opneming van de motivering van besluiten van de nationale autoriteiten in de beschikking van de Commissie

76 In een geval als het onderhavige, waarin de Commissie het voorstel van een lidstaat om aanvankelijk toegekende bijstand te verminderen eenvoudig bevestigt, kan naar het oordeel van het Gerecht een beschikking van de Commissie worden geacht naar behoren met redenen te zijn omkleed in de zin van artikel 190 van het Verdrag, hetzij wanneer zij zelf duidelijk de redenen aangeeft die de vermindering van de bijstand rechtvaardigen, hetzij, zo dat niet het geval is, wanneer zij voldoende duidelijk verwijst naar een besluit van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat waarin deze duidelijk de redenen voor een dergelijke vermindering uiteenzetten (arrest van 12 januari 1995, Branco/Commissie, reeds aangehaald in punt 71, punt 36, bevestigd na verzet bij arrest Commissie/Branco, reeds aangehaald in punt 35, punt 27).

77 Aangezien uit het dossier blijkt, dat de beschikking van de Commissie niet op een of meer punten van de besluiten van de nationale autoriteiten afwijkt, mag de inhoud ervan worden geacht in de motivering van de beschikking van de Commissie te zijn opgenomen, althans voor zover de begunstigde van de bijstand daarvan kennis heeft kunnen nemen (arrest Proderec/Commissie, reeds aangehaald in punt 54, punt 105).

78 Er moet dus worden onderzocht, of verzoekster kennis heeft kunnen nemen van de besluiten van het DAFSE waarnaar in de zesde overweging van de considerans van de bestreden beschikking wordt verwezen, en of de daarin vervatte informatie, gelet op de context waarin de bestreden beschikking is gegeven, voldoende was om haar in staat te stellen de redenen van de toegepaste vermindering te achterhalen en te begrijpen.

3. Verzoeksters kennis van de gegevens waarnaar de bestreden beschikking verwijst

79 Onomstreden is, dat verzoekster de brieven van het DAFSE nrs. 4085 van 30 maart 1995 en 9600 van 22 augustus 1995 en de bijlagen daarbij niet heeft ontvangen. De motivering die zij bevatten, in het bijzonder in de documenten met de tabellen van de uitgaven die wel en die welke niet worden geacht voor vergoeding in aanmerking te komen, en verder in de financiële controlerapporten van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito, was echter reeds voordien ter kennis van verzoekster gebracht, met name bij de brieven nrs. 1107, 1941 en 1966 (zie hiervóór, punt 19).

80 Hieruit volgt, dat verzoekster in kennis is gesteld van alle redenen van de verminderingen die zijn toegepast in de documenten waarnaar de bestreden beschikking verwijst.

4. Genoegzaamheid van de motivering

81 Verzoekster betoogt eveneens, dat de motivering onvoldoende is. Aangezien de beschikking verwijst naar de redenen die het DAFSE voor zijn verminderingsvoorstellen in de bevestigingsbesluiten noemt (zie hiervóór, punten 25-28), maken die redenen onderdeel uit van de motivering van de bestreden beschikking. De beschikking moet dus worden beoordeeld in het licht van die redenen. Hierna zal het Gerecht die redenen voor elk van de onderdelen van het betrokken project afzonderlijk onderzoeken.

a) Redenen van de verminderingen die in het onderdeel van het project betreffende Pirites Alentejanas zijn toegepast

82 Verzoekster betwist niet, dat zij kennis heeft gekregen van de brief van het DAFSE van 17 maart 1995, getiteld "Informação nr. 615/DSAFEP/95", met betrekking tot het heronderzoek van de door Pirites Alentejanas gedeclareerde uitgaven. In die brief wordt vastgesteld hoeveel Pirites Alentejanas van het haar betreffende gedeelte van de financiële bijstand moet terugbetalen. Bij die brief is een bijlage gevoegd met een uiteenzetting van het DAFSE over de verschillende rubrieken van de aanvraag om betaling van het saldo en zijn standpunt met betrekking tot de door de belanghebbende ondernemingen ingediende opmerkingen over het voorstel voor een bevestigingsbesluit (zie hiervóór, punt 23).

83 Die brief en de bijlagen ervan, gecombineerd met de tabel met de wel en niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven (zie hiervóór, punt 20), bevatten gegevens over de redenen van de toegepaste verminderingen.

84 Hieronder zal het Gerecht de motivering met betrekking tot elk van de subrubrieken die aanleiding tot vermindering hebben gegeven, onderzoeken.

- Subrubriek 14.1.4 (verzekeringen)

85 Omdat de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van verzekering overeenkwamen met 7,286 % van het bedrag van de salarissen in rubriek 14.1.1, moest volgens het DAFSE het in rubriek 14.1.4 opgevoerde bedrag met 94 134 ESC worden verminderd.

86 Aangezien verzoekster wordt geacht de Portugese wetgeving met betrekking tot de verzekering tegen het risico van arbeidsongevallen te kennen, voldoet die motivering aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubriek 14.2.6 (kosten van bij de voorbereiding van de cursussen betrokken personeel)

87 Het DAFSE heeft verklaard, dat de in deze subrubriek bedoelde kosten met 267 012 ESC moesten worden verminderd, omdat zij reeds waren gedeclareerd als salarissen van administratief personeel (rubriek 14.3.1, sub c).

88 Op grond van de heronderzoekscriteria dienen zij bovendien te worden verminderd met een bedrag van 290 000 ESC. In het licht van die criteria (zie hiervóór, punt 21), zoals uiteengezet in het bevestigingsbesluit (zie hiervóór, punt 27), zijn die uitgaven, gelet op de aard van de prestaties en de marktprijzen, buitensporig geacht.

89 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubriek 14.2.7 (gespecialiseerde werkzaamheden)

90 Volgens het DAFSE komt, gelet op de heronderzoekscriteria, een bedrag van 722 000 ESC niet voor vergoeding in aanmerking. Uit die criteria (zie hiervóór, punt 21), zoals vermeld in het goedkeuringsbesluit (zie hiervóór, punt 27), volgt, dat die uitgaven, gelet op de aard van de prestaties en de marktprijzen, buitensporig waren.

91 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubriek 14.3.1, sub a (salarissen van docenten)

92 Het DAFSE heeft een vermindering van 753 304 ESC voorgesteld, omdat het bedrag voor praktijkuren niet op 50 % was gesteld overeenkomstig besluit 20/MTSS/87, waarin het luidt "het salaris van degenen die praktijkcursussen geven, bedraagt 50 % van de met toepassing van de vorige paragrafen vastgestelde bedragen".

93 Ook heeft het een vermindering van 465 511 ESC voorgesteld, omdat Pirites Alentejanas dat bedrag als BTW heeft afgetrokken.

94 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubrieken 14.3.1, sub b (salarissen van niet-onderwijzend technisch personeel) en 14.3.1, sub c (salarissen van administratief personeel)

95 Blijkens het document met de tabel van de wel en de niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven (zie hiervóór, punt 20) zijn met toepassing van de heronderzoekscriteria verminderingen toegepast met betrekking tot de salarissen van het niet-onderwijzend technisch personeel en van het administratief personeel. In het licht van die criteria (zie hiervóór, punt 21), zoals vermeld in het bevestigingsbesluit (zie hiervóór, punt 27), zijn die uitgaven, gelet op de aard van de prestaties en de marktprijzen, buitensporig geacht.

96 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubriek 14.3.2 (salarislasten)

97 De vermindering van de salarislasten is gerechtvaardigd door de overweging, dat het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag overeenkwam met 31,786 % van de bedragen die uit hoofde van de rubrieken 14.3.1, sub a (docenten), 14.3.1, sub b (niet-onderwijzend technisch personeel) en 14.3.1, sub c (administratief personeel) voor vergoeding in aanmerking komen voor zover het intern personeel betreft (24,5 % als socialezekerheidslasten en 7,286 % als bijdrage aan de verzekering tegen het risico van arbeidsongevallen).

98 Aangezien verzoekster wordt geacht de Portugese wetgeving met betrekking tot de sociale zekerheid te kennen, voldoet die motivering aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubrieken 14.3.3 (verblijfskosten) en 14.3.4 (maaltijdkosten)

99 Blijkens het document met de tabel van de wel en niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven (zie hiervóór, punt 20) zijn verminderingen van de voor het personeel van de onderneming uit hoofde van de rubrieken 14.3.3 (verblijfskosten) en 14.3.4 (maaltijdkosten) gedeclareerde bedragen toegepast, omdat zij geen rechtstreeks verband houden met de gefinancierde actie.

100 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubriek 14.3.5 (reiskosten)

101 Het DAFSE heeft verminderingen van de reiskosten voorgesteld ten bedrage van 40 930 ESC, omdat zij geen rechtstreeks verband houden met de gefinancierde actie, en ten bedrage van 339 000 ESC op basis van de heronderzoekscriteria. In het licht van die criteria (zie hiervóór, punt 21), zoals vermeld in het bevestigingsbesluit (zie hiervóór, punt 27), zijn die uitgaven, gelet op de aard van de prestaties en de marktprijzen, buitensporig geacht.

102 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubriek 14.3.14 (algemene administratieve kosten)

103 In het document met de tabel met de wel en de niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven (zie hiervóór, punt 20) is het DAFSE van mening, dat de algemene administratieve kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat zij betrekking hebben op het salaris van een docent, dat reeds in de rubriek betreffende salarissen is vermeld.

104 In de nota waarin het DAFSE een standpunt inneemt ten aanzien van bepaalde opmerkingen van Pirites Alentejanas (zie hiervóór, punt 23), verklaart het dat, rekening houdend met de bedragen in subrubriek 14.3.1, sub c (salaris van het administratief personeel), gedeclareerd als salaris van drie medewerkers voor een totaal van 807 uur, en in subrubriek 14.3.1, sub d (salaris van ander dan onderwijzend, technisch of administratief personeel), gedeclareerd als salaris van twee medewerkers voor 1 028 uur, het in de onderhavige rubriek opgenomen bedrag, gelet op de aard en de omvang van de actie, niet gerechtvaardigd is.

105 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubriek 14.6.3 (afschrijving van elektronische apparatuur)

106 In het document met de tabel met de wel en de niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven (zie hiervóór, punt 20) heeft het DAFSE vermeld, dat de afschrijving met betrekking tot een telefoonbeantwoorder, een videocamera en een autoradio niet zijn aanvaard, omdat zij niets met de gefinancierde actie te maken hebben.

107 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

b) Redenen van de verminderingen die in het onderdeel van het project betreffende Tintas Robbialac zijn toegepast

108 De hiervóór in de punten 19 tot en met 28, 31 en 33 genoemde documenten, die verzoekster vóór vaststelling van de bestreden beschikking ter kennis zijn gebracht, bevatten gegevens over de redenen van de toegepaste verminderingen.

109 Het Gerecht zal hierna de motivering met betrekking tot elk van de rubrieken waarvoor verminderingen zijn toegepast, onderzoeken.

- Rubriek 14.1 (inkomens van stagiairs in opleiding)

110 Het DAFSE heeft de volgende verminderingen voorgesteld:

- 3 105 095 ESC (subrubriek 14.1.1: salarissen en bezoldigingen); - 78 936 ESC (subrubriek 14.1.2: extra salarissen);

- 809 409 ESC (subrubriek 14.1.3: salarislasten);

- 65 083 ESC (subrubriek 14.1.4: verzekeringen).

111 Die voorstellen berusten op de conclusies van het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito. Volgens dat rapport is het als salaris voor vergoeding in aanmerking komende bedrag vastgesteld aan de hand van het uurloon en de op de presentielijsten geregistreerde aanwezigheid (blz. 11). In punt 5.6 van het rapport staat een overzicht van het aantal uren waarop de stagiairs de cursussen bezochten.

112 Wat subrubriek 14.1.2 (extra salarissen) betreft, wordt er in het rapport bovendien op gewezen, dat het DAFSE bij brief nr. 18861 van 13 oktober 1989 de begunstigde ervan in kennis heeft gesteld, dat de kosten verbonden aan premies voor productie, ijver, productiviteit en verdienste door de Commissie worden geacht niet voor vergoeding in aanmerking te komen, en dat de dienovereenkomstige verminderingen dus gerechtvaardigd zijn.

113 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Rubriek 14.2 (voorbereiding van de cursussen)

114 In de tabel, gevoegd bij het voorstel voor het bevestigingsbesluit (zie hiervóór, punt 20) heeft het DAFSE vermeld, dat de werkelijke kosten van het onderwijsmateriaal (subrubriek 14.2.1) en van de reproductie van documenten (subrubriek 14.2.5) 1 114 530 ESC respectievelijk 62 288 ESC bedragen.

115 Niet voor vergoeding in aanmerking komen volgens het DAFSE bedragen van 197 730 ESC (subrubriek 14.2.6: kosten van bij de voorbereiding van de cursussen betrokken personeel) en van 78 390 ESC (subrubriek 14.2.7: gespecialiseerde werkzaamheden).

116 Het DAFSE heeft zijn oordeel daarover gerechtvaardigd door de toepassing van de heronderzoekscriteria (zie hiervóór, punt 21). De uitgaven met betrekking tot die subrubrieken werden in het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito, waarnaar de bestreden beschikking in de motivering verwijst (zie hiervóór, punt 37), echter geacht volledig voor vergoeding in aanmerking te komen.

117 Verweerster heeft niet gepreciseerd, dat van het in dat rapport vervatte oordeel met betrekking tot die uitgaven moest worden afgeweken en evenmin vermeld om welke redenen daarvan moest worden afgeweken. In die omstandigheden is de motivering van de bestreden beschikking tegenstrijdig, omdat zowel wordt verwezen naar dat rapport, waarin wordt geconcludeerd dat alle uitgaven met betrekking tot de subrubrieken 14.2.6 en 14.2.7 voor vergoeding in aanmerking komen, als naar de brieven nrs. 4085 en 9600 en hun bijlagen, die de tabellen van het DAFSE bevatten (zie hiervóór, punten 20 en 79), waarin wordt geconcludeerd, dat een gedeelte van die uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking komt.

118 Hieruit volgt, dat die motivering niet aan de vereisten van artikel 190 voldoet.

- Rubriek 14.3 (uitvoering en beheer van de cursussen)

119 Blijkens de tabel (zie hiervóór, punt 20) komen volgens het DAFSE om de in het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito uiteengezette redenen, de volgende bedragen niet voor vergoeding in aanmerking:

- 1 780 080 ESC (subrubriek 14.3.1, sub a: salarissen van docenten);

- 121 669 ESC (subrubriek 14.3.2: salarislasten);

- 8 898 ESC (subrubriek 14.3.4: maaltijdkosten);

- 1 588 925 ESC (subrubriek 14.3.9: huur van onroerende en roerende goederen);

- 475 330 ESC (subrubriek 14.3.11: andere leveringen en diensten door derden);

- 103 400 ESC (subrubriek 14.3.15: andere kosten betreffende uitvoering en beheer).

120 Bovendien komen volgens het DAFSE op basis van de in de bijlage bij de tabel beschreven heronderzoekscriteria (zie hiervóór, punt 21) niet voor vergoeding in aanmerking:

- 464 490 ESC (subrubriek 14.3.1, sub b: salarissen van niet-onderwijzend technisch personeel);

- 186 030 ESC (subrubriek 14.3.1, sub c: salarissen van administratief personeel);

- 491 400 ESC (subrubriek 14.3.7: begrotingsbeheer en -controle);

- 315 900 ESC (subrubriek 14.3.8: gespecialiseerde werkzaamheden).

121 Het Gerecht zal hierna de motivering met betrekking tot elk van die subrubrieken onderzoeken.

- Subrubriek 14.3.1, sub a (docenten)

122 In het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito wordt verklaard, dat het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag is berekend op basis van de aanwezigheid van leraren en de kosten per lesuur, op de grondslag van besluit 20/MTSS/87, waarin de maximumsteun voor de salarissen van docenten bij de in 1988 uit te voeren acties wordt vastgesteld. Ook wordt verklaard, dat enkel de cursussen waarvoor door een docent of althans door een stagiair ondertekende presentielijsten bestaan, zijn geboekt en voor vergoeding in aanmerking komen. Bovendien is in het in besluit 20/MTSS/87 vastgestelde maximumsalaris BTW begrepen. Ten slotte voegt het rapport daaraan toe, dat het door Tintas Robbialac gedeclareerde uurloon van interne leraren in het algemeen hoger is dan door verzoekster voor de berekening van de te declareren uurkosten in aanmerking is genomen. De verschillen per docent worden in een tabel gepreciseerd (blz. 17-19 van het rapport).

123 Die uitgebreide motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubrieken 14.3.1, sub b (salarissen van niet-onderwijzend technisch personeel) en 14.3.1, sub c (salarissen van administratief personeel)

124 Volgens het DAFSE komt een gedeelte van de uitgaven met betrekking tot deze subrubrieken, gelet op de heronderzoekscriteria (zie hiervóór, punt 21), niet voor vergoeding in aanmerking. Die uitgaven worden in het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito, waarnaar de bestreden beschikking in de motivering verwijst (zie hiervóór, punt 37), echter geacht volledig voor vergoeding in aanmerking te komen.

125 Verzoekster heeft niet gepreciseerd, dat van het in dat rapport vervatte oordeel met betrekking tot die uitgaven moest worden afgeweken, en evenmin vermeld om welke redenen daarvan moest worden afgeweken. In die omstandigheden is de motivering van de bestreden beschikking tegenstrijdig, omdat zowel wordt verwezen naar dat rapport, waarin wordt geconcludeerd dat alle uitgaven met betrekking tot de subrubrieken 14.3.1, sub b en 14.3.1, sub c, voor vergoeding in aanmerking komen, als naar de brieven nrs. 4085 en 9600 en hun bijlagen, die de tabellen van het DAFSE bevatten (zie hiervóór, punten 20 en 79), waarin wordt geconcludeerd, dat een gedeelte van die uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking komt.

126 Hieruit volgt, dat die motivering niet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet.

- Subrubriek 14.3.2 (sociale lasten)

127 In het rapport wordt uiteengezet, dat de in het kader van subrubriek 14.3.1, sub a, toegepaste vermindering op grond van de door Tintas Robbialac gebruikte formule ter berekening van de te declareren sociale lasten voor intern administratief personeel en docenten, 121 669 ESC bedraagt.

128 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubriek 14.3.4 (maaltijdkosten van interne docenten)

129 Volgens het rapport dienden de uitgaven met betrekking tot docenten te worden aangepast, daar per onderneming 239 dagen zijn gedeclareerd, terwijl de opleiding slechts 190 dagen heeft geduurd. De hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende bedragen met betrekking tot deze personeelscategorie volgde uit vermenigvuldiging van het aantal opleidingsdagen met de kosten van een maaltijd en met het percentage tijd dat leraren aan de opleidingen hebben besteed. De uitgaven met betrekking tot de directeur van het project en de secretaresses zijn daarentegen integraal aanvaard.

130 Die uitgebreide motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubrieken 14.3.7 (begrotingsbeheer en -controle) en 14.3.8 (gespecialiseerde werkzaamheden)

131 In tegenstelling tot het document met de tabel van de wel en de niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven (zie hiervóór, punt 20), wordt in het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito geconcludeerd, dat de uitgaven met betrekking tot subrubriek 14.3.7 voor vergoeding in aanmerking komen. Wat subrubriek 14.3.8 betreft, vermeldt het rapport een rekening van Partex voor 89 arbeidsuren van twee deskundigen die de onderneming op het juridische en pedagogische vlak hebben geholpen, alsook met het onderzoek van de rapporten en met de totstandkoming van de aanvraag om betaling van het saldo. De opstellers van het rapport zijn tot de slotsom gekomen, dat het gedeclareerde bedrag moest worden verminderd met 20 %, zijnde 130 104 ESC, omdat de uitgaven voor de totstandkoming van de aanvraag om betaling van het saldo niet tijdens de looptijd van de actie zijn gedaan, en niet ten belope van 315 900 ESC, zoals het DAFSE voorstelt in het document met de tabel van de wel en de niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven.

132 Verweerster heeft echter niet gepreciseerd, dat er van het oordeel over de in dat rapport vervatte uitgaven moest worden afgeweken, en niet vermeld om welke reden daarvan moest worden afgeweken. In die omstandigheden is de motivering van de bestreden beschikking tegenstrijdig, omdat wordt verwezen naar de brieven nrs. 4085 en 9600 en hun bijlagen, die de tabellen van het DAFSE bevatten (zie hiervóór, punten 20 en 79), waarin wordt geconcludeerd, dat bepaalde uitgaven die in dat rapport, waarnaar de motivering ook verwijst, worden geacht wel voor vergoeding in aanmerking te komen, niet voor vergoeding in aanmerking komen.

133 Hieruit volgt, dat die motivering niet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet.

- Subrubriek 14.3.9 (huur van onroerende en roerende goederen)

134 In het rapport wordt vastgesteld, dat de huurprijs van de zalen van het Novotel door verzoekster is opgenomen onder de maaltijdkosten voor een bedrag van 8 230 ESC. Daaruit blijkt, dat die kosten in de rubriek 14.3.4 hadden moeten worden opgevoerd. In die rubriek was het toegestane maximum echter bereikt. Bijgevolg komt het bedrag van 8 230 ESC niet voor vergoeding in aanmerking.

135 Met betrekking tot de informatica-apparatuur wordt in het rapport verklaard, dat een totaalbedrag van 1 588 925 ESC wordt geacht niet voor vergoeding in aanmerking te komen, want de onderneming heeft die apparatuur na afloop van de huur gekocht. Voor vergoeding komt dus in aanmerking het bedrag dat is gebaseerd op de afschrijving volgens de tabel die is gevoegd bij besluit nr. 737/81 van 29 augustus 1981 (Diário da Républica, serie I, nr. 198 van 29 augustus 1981, blz. 2290), zoals gewijzigd. Aangezien de actie slechts zeven maanden heeft geduurd, is het voor vergoeding in aanmerking komend bedrag gelijk aan de koopprijs vermenigvuldigd met 7/60.

136 Die uitgebreide motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubriek 14.3.11 (andere leveringen en diensten door derden)

137 Vastgesteld is, dat de door Tintas Robbialac gedeclareerde stroom-, water- en brandstofkosten op jaarbasis 38 642 355 ESC bedragen, terwijl in haar belastingaangifte daarvoor slechts een bedrag van 22 060 815 ESC staat vermeld. Het voor vergoeding in aanmerking komend bedrag is, rekening houdend met die aangifte, berekend op basis van de door Tintas Robbialac voor declaratie van die kosten gebruikte formule. Volgens het rapport is een soortgelijke berekening gemaakt voor de telefoon-, fax- en telexkosten, waarvoor het gedeclareerde bedrag 22 791 837 ESC op jaarbasis was, terwijl in de belastingaangifte 16 738 000 ESC staat vermeld.

138 Die uitgebreide motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubriek 14.3.15 (andere uitgaven voor uitvoering en beheer)

139 In het rapport wordt vermeld, dat de uitgaven voor koffie niet voor bijstand van het ESF in aanmerking komen, zonder daarvoor evenwel de redenen te noemen.

140 Die motivering voldoet dus niet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Rubriek 14.8 (verblijf en maaltijden van stagiairs)

141 Volgens het document met de tabel met de uitgaven die wel en die niet worden geacht voor vergoeding in aanmerking te komen (zie hiervóór, punt 20), is een vermindering van 64 170 ESC toegepast in subrubriek 14.8.1 (kosten van verblijf buiten het centrum) om de reden die is vermeld in het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito. Daarin wordt geconcludeerd, dat dit bedrag niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat een bewijsstuk uit externe bron ontbreekt.

142 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Rubriek 14.9 (reiskosten van stagiairs)

143 Volgens het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito is het door de onderneming gedeclareerde bedrag niet in de aanvraag om bijstand voorzien en bestaat er geen enkele goede reden om daarvan af te wijken. Bijgevolg konden de kosten in deze rubriek niet uit de bijstand worden gefinancierd.

144 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

c) Redenen van de verminderingen die in het onderdeel van het project betreffende Sapec zijn toegepast

145 De hiervóór in de punten 19 tot en met 28, 31 en 33 genoemde documenten, die verzoekster vóór de vaststelling van de bestreden beschikking ter kennis zijn gebracht, bevatten gegevens over de redenen van de toegepaste verminderingen.

146 Het Gerecht zal hierna de motivering van elk van de rubrieken die aanleiding tot vermindering hebben gegeven, onderzoeken.

- Rubriek 14.2 (voorbereiding van de cursussen)

147 In het document met de tabel (zie hiervóór, punt 20) wordt verklaard, dat voor cursusmateriaal een bedrag van 100 000 ESC per cursus aanvaardbaar is, en dat het door verzoekster gedeclareerde bedrag, gelet op de aard en de omvang van de actie, overdreven is. Bijgevolg is het voor cursusmateriaal gedeclareerde bedrag verminderd met 1 435 850 ESC.

148 Subrubriek 14.2.8 (andere voorbereidingskosten) is op basis van de heronderzoekscriteria verminderd met 763 000 ESC. De uitgaven met betrekking tot deze subrubriek worden in het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito, waarnaar de bestreden beschikking in de motivering verwijst (zie hiervóór, punt 37), echter geacht volledig voor vergoeding in aanmerking te komen.

149 Verweerster heeft niet gepreciseerd, dat van het in dat rapport vervatte oordeel met betrekking tot die uitgaven moest worden afgeweken, en evenmin vermeld om welke redenen daarvan moest worden afgeweken. In die omstandigheden is de motivering van de bestreden beschikking tegenstrijdig, omdat zij zowel verwijst naar het rapport, waarin wordt geconcludeerd, dat alle uitgaven met betrekking tot subrubriek 14.2.8 voor vergoeding in aanmerking komen, als naar de brieven nrs. 4085 en 9600 en hun bijlagen, die de tabellen van het DAFSE bevatten (zie hiervóór, punten 20 en 79), waarin wordt geconcludeerd, dat een gedeelte van die uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking komt.

150 Hieruit volgt, dat die motivering niet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet.

- Rubriek 14.3 (uitvoering en beheer van de cursussen)

151 Volgens het DAFSE komen om de in het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito uiteengezette redenen niet voor vergoeding in aanmerking:

- 5 744 ESC (subrubriek 14.3.5: reiskosten) en

- 8 049 589 ESC (subrubriek 14.3.9: huur van onroerende en roerende goederen).

152 Verder komen volgens het DAFSE op basis van de in de bijlage bij de tabel beschreven heronderzoekscriteria (zie hiervóór, punt 20) niet voor vergoeding in aanmerking:

- 811 000 ESC (subrubriek 14.3.1, sub b: salarissen van niet-onderwijzend technisch personeel);

- 541 000 ESC (subrubriek 14.3.1, sub c: salarissen van administratief personeel;

- 1 082 000 ESC (subrubriek 14.3.7: begrotingsbeheer en -controle);

- 1 104 000 ESC (subrubriek 14.3.11: andere leveringen en diensten door derden).

153 Hierna zal het Gerecht de motivering met betrekking tot elk van die subrubrieken onderzoeken.

- Subrubrieken 14.3.1, sub b (salarissen van niet-onderwijzend technisch personeel) en 14.3.1, sub c (salarissen van administratief personeel)

154 Volgens het DAFSE komt een gedeelte van de uitgaven met betrekking tot deze subrubrieken, gelet op de heronderzoekscriteria (zie hiervóór, punt 21), niet voor vergoeding in aanmerking. Die uitgaven worden in het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito, waarnaar de bestreden beschikking in de motivering verwijst (zie hiervóór, punt 37), echter geacht volledig voor vergoeding in aanmerking te komen.

155 Verweerster heeft niet gepreciseerd, dat van het in het rapport vervatte oordeel met betrekking tot die uitgaven moest worden afgeweken, en evenmin vermeld om welke redenen daarvan moest worden afgeweken. In die omstandigheden is de motivering van de bestreden beschikking tegenstrijdig, omdat zij zowel verwijst naar het rapport, waarin wordt geconcludeerd, dat alle uitgaven met betrekking tot de subrubrieken 14.3.1, sub b, en 14.3.1, sub c, voor vergoeding in aanmerking komen, en naar de brieven nrs. 4085 en 9600 en hun bijlagen, die de tabellen van het DAFSE bevatten (zie hiervóór, punten 20 en 79), waarin wordt geconcludeerd, dat een gedeelte van die uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking komt.

156 Hieruit volgt, dat die motivering niet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet.

- Subrubriek 14.3.5 (reiskosten)

157 In punt 6.3.3 van het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito wordt verklaard, dat maaltijdkosten voor een bedrag van 5 744 ESC niet met wettige bewijsmiddelen zijn gestaafd.

158 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubriek 14.3.7 (begrotingsbeheer en -controle)

159 Volgens het DAFSE komt een gedeelte van de uitgaven met betrekking tot deze subrubriek, gelet op de heronderzoekscriteria (zie hiervóór, punt 21), niet voor vergoeding in aanmerking. Die uitgaven worden in het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito, waarnaar de bestreden beschikking in de motivering verwijst (zie hiervóór, punt 37), echter geacht volledig voor vergoeding in aanmerking te komen.

160 Verweerster heeft niet gepreciseerd, dat van het in dat rapport vervatte oordeel met betrekking tot die uitgaven moest worden afgeweken, en evenmin vermeld om welke redenen daarvan moest worden afgeweken. In die omstandigheden is de motivering van de bestreden beschikking tegenstrijdig, omdat zij zowel verwijst naar het rapport, waarin wordt geconcludeerd, dat alle uitgaven met betrekking tot subrubriek 14.3.7 voor vergoeding in aanmerking komen, als naar de brieven nrs. 4085 en 9600 en hun bijlagen, die de tabellen van het DAFSE bevatten (zie hiervóór, punten 20 en 79), waarin wordt geconcludeerd, dat een gedeelte van die uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking komt.

161 Hieruit volgt, dat de motivering niet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet.

- Subrubriek 14.3.9 (huur van onroerende en roerende goederen)

162 De in deze rubrieken gedeclareerde kosten betreffen de huur van zalen te Lisnave (waar de cursussen zijn gegeven), de apparatuur (een fotokopieerapparaat, een elektrische schrijfmachine en verschillende computers) en de huur van fabrieksapparaten.

163 In punt 6.3.6 van het financieel controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito staat een tabel waarin de bedragen worden genoemd die voor vergoeding in aanmerking komen, rekening houdend met de op die goederen toe te passen afschrijvingsregels. De toepassing van die regels wordt uiteengezet als volgt:

"Wij hebben vastgesteld, dat het fotokopieerapparaat en de elektrische schrijfmachine door de onderneming werden verworven in het kader van een lease-overeenkomst in twaalf driemaandelijkse termijnen, wat overeenkomt met een afschrijving van drie jaar. De onderneming heeft voor een van de apparaten vier termijnen gedeclareerd (huur van 32 175 ESC) en voor de andere apparaten vijf termijnen (huur van 46 800 ESC), die reeds waren betaald. Het afschrijvingspercentage dat krachtens de bij besluit nr. 737/81 van 29 augustus 1981 gevoegde tabel moet worden toegepast is 14,28 %. Het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag is dus 9/84 van de koopprijs.

Wat betreft de computers en het aanvullende informaticamateriaal die zijn gehuurd bij de onderneming Prológica Sistemas de Informação e Gestão SA, hebben wij geconstateerd, dat de onderneming na afloop van de huurperiode in het bezit van het materiaal is gebleven en dat er geen bewijs bestaat, dat het nog een restwaarde had.

Het gaat in dit geval dus om een echte huur met een lange looptijd en na afloop daarvan overname van de apparatuur. Dit kan worden gelijkgesteld met leasing.

Het afschrijvingspercentage in dit geval bedraagt 20 %, zodat 9/60 van de koopprijs moet worden geacht voor vergoeding in aanmerking te komen.

Gelet op de gebruiksperiode van negen maanden geldt de volgende tabel (...)"

164 In de conclusie van het rapport wordt vermeld, dat de kosten van de huur van de informatica-apparatuur onredelijk zijn gedeclareerd, omdat dit materiaal vervolgens door de onderneming is gekocht.

165 Die uitgebreide motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

- Subrubriek 14.3.11 (andere leveringen en diensten door derden)

166 Volgens het DAFSE komt een gedeelte van de uitgaven met betrekking tot deze subrubriek, gelet op de heronderzoekscriteria (zie hiervóór, punt 21), niet voor vergoeding in aanmerking. Die uitgaven worden in het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito, waarnaar de bestreden beschikking in de motivering verwijst (zie hiervóór, punt 37), echter geacht volledig voor vergoeding in aanmerking te komen.

167 Verweerster heeft niet gepreciseerd, dat van het in dat rapport vervatte oordeel met betrekking tot die uitgaven moest worden afgeweken, en evenmin vermeld om welke redenen daarvan moest worden afgeweken. In die omstandigheden is de motivering van de bestreden beschikking tegenstrijdig, omdat zij zowel verwijst naar het rapport, waarin wordt geconcludeerd, dat alle uitgaven met betrekking tot subrubriek 14.3.11 voor vergoeding in aanmerking komen, als naar de brieven nrs. 4085 en 9600 en hun bijlagen, die de tabellen van het DAFSE bevatten (zie hiervóór, punten 20 en 79), waarin wordt geconcludeerd, dat een gedeelte van die uitgaven niet voor vergoeding in aanmerking komt.

168 Hieruit volgt, dat de motivering niet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag voldoet.

- Subrubriek 14.8 (verblijf en maaltijden van de stagiairs)

169 Ten slotte is een bedrag van 891 502 ESC in subrubriek 14.8.4 (uitgaven voor maaltijden buiten het centrum) om de redenen die in het financiële controlerapport van Oliveira Rego & Alexandre Hipólito zijn uiteengezet, geacht niet voor vergoeding in aanmerking te komen.

170 In punt 6.5 van dat rapport wordt gezegd, dat de kosten voor maaltijden van stagiairs buiten het centrum niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat zij enkel worden gestaafd door interne documenten, terwijl die uitgaven moeten worden bewezen door middel van bewijsstukken uit een externe bron. Bijgevolg worden de in deze rubriek voor vergoeding in aanmerking komende uitgaven in het rapport op 2 280 404 ESC gewaardeerd.

171 Die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 van het Verdrag.

172 Uit het voorgaande volgt, dat het tweede middel strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking moet worden aanvaard, voor zover daarbij in de subrubrieken 14.2.6, 14.2.7, 14.3.1, sub b, 14.3.1, sub c, 14.3.7, 14.3.8 en 14.3.15 van het onderdeel van het project betreffende Tintas Robbialac en 14.2.8, 14.3.1, sub b, 14.3.1, sub c, 14.3.7 en 14.3.11 van het onderdeel van het project betreffende Sapec, een vermindering van de door verzoekster in haar aanvraag om betaling van het saldo gedeclareerde bedragen wordt gelast.

C - Het derde middel, ontleend aan misbruik van recht en schending van het recht van verweer en van de beginselen van goede trouw, de bescherming van het gewettigd vertrouwen en de bescherming van verkregen rechten

Argumenten van partijen

173 Volgens verzoekster is de Commissie, hoewel het gemeenschapsrecht geen termijn stelt waarbinnen zij haar beschikking over de aanvraag om betaling van het saldo moet geven, niettemin verplicht om binnen een redelijke termijn te beschikken.

174 Gezien de tijd die is verstreken tussen het indienen van de aanvraag om betaling van het saldo en het geven van de bestreden beschikking (zes jaar), is er in casu sprake van misbruik van recht en schending van het vertrouwensbeginsel.

175 Bovendien mocht de begunstigde na de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging van de lidstaat verwachten, dat de uitgekeerde voorschotten als verkregen konden worden beschouwd. Die gewettigde verwachting verandert na verloop van tijd stilzwijgend in een subjectief recht, ingeval de begunstigde niet is ingelicht over het bestaan van vermoedens van onregelmatigheden. Het dermate lang uitstellen van een beslissing over de aanvraag om betaling van het saldo, terwijl de verwachting van de begunstigde een subjectief recht is geworden, schaadt het recht van verweer, alsmede algemene beginselen van procesrecht, met name de beginselen van goede trouw, bescherming van het gewettigd vertrouwen en bescherming van verkregen rechten. Bovendien wordt zijn recht van verweer na zoveel tijd ernstig ondermijnd, want de mogelijkheid om bewijs te leveren voor feiten van acht jaar geleden is sterk verminderd.

176 Verweerster bestrijdt de verwijten van verzoekster. In de eerste plaats binden artikel 6, lid 1, noch artikel 7 van verordening nr. 2950/83 de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie aan een termijn. In de tweede plaats kan verzoekster, omdat zij niet aan de voorwaarden van het goedkeuringsbesluit heeft voldaan, geen geldig beroep doen op de beginselen van goede trouw, bescherming van het gewettigd vertrouwen en bescherming van verkregen rechten. In de derde plaats heeft verzoekster niet aangetoond, in hoeverre haar recht van verweer is geschonden.

Beoordeling door het Gerecht 1. De redelijkheid van de duur van de procedure

177 Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of de duur van een administratieve procedure redelijk is, worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van elke zaak en in het bijzonder met inachtneming van de context ervan, de verschillende etappes van de procedure die zijn gevolgd, de ingewikkeldheid van de zaak, alsmede het belang ervan voor de verschillende betrokken partijen (arrest Mediocurso/Commissie, reeds aangehaald in punt 63, punt 61, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

178 In dat perspectief moet worden beoordeeld, of de termijn die is verstreken tussen de indiening van de aanvraag om betaling van het saldo door het DAFSE op 30 oktober 1989 en het geven van de bestreden beschikking op 14 augustus 1996, redelijk is. In het kader van dat onderzoek moet rekening worden gehouden met de verschillende etappes van de procedure die in casu is gevolgd.

179 Op 12 februari 1990 rectificeerde het DAFSE de op 30 oktober 1989 aan de Commissie gezonden aanvraag om betaling van het saldo.

180 Op 24 juni 1991 achtte het DAFSE het noodzakelijk aanvullende inlichtingen met betrekking tot het betrokken dossier in te winnen en het accountantskantoor Oliveira Rego & Alexandre Hipólito op te dragen om bij Tintas Robbialac en Sapec een feitelijke en boekhoudkundige controle te verrichten.

181 Het dossier bevat geen gegevens waaruit blijkt, dat tussen 12 februari 1990 en 24 juni 1991 handelingen van administratieve aard zijn verricht. Niettemin kon het besluit om een accountantskantoor te belasten met een feitelijke en boekhoudkundige controle van de door beide ondernemingen in het kader van de betrokken bijstand uitgevoerde acties, enkel worden genomen nadat bij ambtenaren van het DAFSE twijfel was gerezen over de regelmatigheid van bepaalde uitgaven. Die twijfel kon pas ontstaan na heronderzoek van het betrokken dossier. Gelet op de ingewikkeldheid van dat dossier, het aantal bij de uitvoering van de acties betrokken personen en de noodzakelijke contacten tussen de nationale autoriteiten en de diensten van de Commissie, lijkt die termijn niet buitensporig.

182 Verweerster heeft verklaard, zonder door verzoekster te zijn weersproken, dat in het kader van het heronderzoek van de aanvraag om betaling van het saldo, tussen 1992 en 1994 contacten hebben plaatsgevonden tussen het DAFSE en Tintas Robbialac, Sapec en Pirites Alentejanas, met name in het kader van bijeenkomsten van de werkgroep belast met het oude fonds. Die werkgroep heeft met betrekking tot de dossiers van 1988 waarin verzoekster een rol speelde, heronderzoekscriteria vastgesteld, die vervolgens door verweerster in overleg met de Portugese autoriteiten zijn toegepast. De bij de uitvoering van de acties betrokken ondernemingen hebben het DAFSE diverse documenten overgelegd, die moesten worden onderzocht en beoordeeld. Gelet op de ingewikkeldheid van het dossier is die periode van drie jaar, hoewel ontegenzeglijk lang, binnen een redelijke termijn gebleven.

183 Vanaf 30 januari 1995 bracht het DAFSE voorstellen voor besluiten ter kennis van de ondernemingen, die in staat zijn gesteld hun opmerkingen daarover in te dienen.

184 Daarna deed het DAFSE verweerster op 30 maart 1995 een gecorrigeerde feitelijke en boekhoudkundige bevestiging toekomen (zie hiervóór, punt 30).

185 Op 19 juni 1995 deelde het DAFSE verzoekster mee welk bedrag van de uitgaven het na heronderzoek van het dossier had bevestigd, zij het onder voorbehoud van een definitieve beschikking van de Commissie over de aanvraag om betaling van het saldo (zie hiervóór, punt 31).

186 Bij brieven nrs. 2567 en 2569 van 27 februari 1996 en 2837 van 1 maart 1996 deelde het DAFSE verzoekster mee, dat de Commissie de bevestiging van de aanvraag om betaling van het saldo had goedgekeurd voor het in de brieven van 19 juni 1995 vermelde bedrag.

187 Ten slotte trok verweerster, met inachtneming van het arrest Commissie/Branco (reeds aangehaald in punt 35), een eerste beschikking in en verving die door de bestreden beschikking.

188 Uit die opeenvolging van gebeurtenissen blijkt, dat elk van de procedurele etappes die aan de bestreden beschikking vooraf zijn gegaan, binnen een redelijke termijn is gebleven, mede gelet op de omstandigheden waarmee de met het beheer van het ESF belaste nationale en communautaire organen in het kader van het onderzoek van de aanvragen om betaling van het saldo rekening mochten houden.

189 In die omstandigheden moet de grief ontleend aan schending van de beginselen van inachtneming van een redelijke termijn en van goede trouw en aan misbruik van recht, worden afgewezen.

2. De grieven betreffende schending van de beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen, rechtszekerheid en bescherming van verkregen rechten

190 In een geval waarin de begunstigde van bijstand van het ESF de opleidingsactie niet overeenkomstig de voorwaarden van die bijstandsverlening heeft uitgevoerd, kan die begunstigde zich niet op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van verkregen rechten beroepen om betaling van het saldo van het totale bedrag van de aanvankelijk toegekende bijstand te verkrijgen (arrest van 15 september 1998, Branco/Commissie, reeds aangehaald in punt 53, punten 97 en 105, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

191 Aangezien het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen een uitvloeisel is van het beginsel van rechtszekerheid, dat vereist dat de rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en dat ertoe strekt te waarborgen, dat door het gemeenschapsrecht beheerste rechtssituaties en -betrekkingen voorzienbaar zijn (arrest Hof van 15 februari 1996, Duff e.a., C-63/93, Jurispr. blz. I-569, punt 20), dringt dezelfde conclusie zich op waar het gaat om de beweerde schending van het rechtszekerheidsbeginsel.

192 Volgens de bestreden beschikking zijn voor bepaalde uitgaven de voorwaarden van het goedkeuringsbesluit niet in acht genomen. Verzoekster heeft niet aangetoond, dat het onderzoek waarbij verweerster tot die conclusie is gekomen, verkeerd was. Er moet dus worden aangenomen, dat verzoekster zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden waaraan de betrokken beroepsopleidingsacties waren onderworpen.

193 In elk geval kon verzoekster niet verwachten, dat de volledige financiële bijstand, of zelfs maar het bedrag van de uitgekeerde voorschotten, haar zou worden toegekend. Immers, zoals blijkt uit punt 18, kon uit stappen van het DAFSE sinds 1991 worden opgemaakt, dat het onderzoek van het dossier nog niet was beëindigd en dat er twijfel bestond over de gegrondheid van de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging van 30 oktober 1989. Verder kon verzoekster, omdat ingevolge artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2950/83 de Commissie de eindbeslissing neemt (arrest Hof van 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a., C-32/95 P, Jurispr. blz. I-5373, punt 29), er niet van uitgaan, dat de bevestiging van 30 oktober 1989 haar recht gaf op ontvangst van het bedrag waarom was verzocht in de aanvraag om betaling van het saldo, die het voorwerp van die bevestiging was.

194 Hieruit volgt, dat de grief betreffende schending van de beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen, rechtszekerheid en bescherming van verkregen rechten moet worden afgewezen.

3. De vermeende schending van verzoeksters recht van verweer

195 Verzoekster verklaart enkel in het algemeen dat zij, doordat sinds de uitvoering van de acties zoveel tijd is verlopen, minder goed in staat is het bewijs te leveren dat de haar gemaakte verwijten ongegrond zijn.

196 De uit de toepasselijke regelgeving voortvloeiende bijstandsregeling steunt met name op de eerbiediging door de begunstigde van een reeks voorwaarden die hem recht geven op ontvangst van de vastgestelde bijstand. Uit die regelgeving, met name artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2950/83, volgt, dat zowel de nationale autoriteiten als de Commissie het recht hebben te controleren of de begunstigde die voorwaarden naleeft. Daaruit volgt, dat de begunstigden, om zich te verzekeren van uitbetaling van de bijstand, de bewijsstukken waaruit blijkt dat zij aan die voorwaarden hebben voldaan, tenminste moeten bewaren totdat de Commissie definitief op de aanvraag om betaling van het saldo heeft beschikt.

197 Hieruit volgt, dat de grief betreffende schending van het recht van verweer moet worden afgewezen.

198 Uit het voorgaande volgt, dat het derde middel moet worden afgewezen.

D - Het vierde middel, betreffende misbruik van bevoegdheid

Argumenten van partijen

199 Subsidiair verwijt verzoekster verweerster, dat deze haar bevoegdheid heeft misbruikt door zich voor het verminderen van de betrokken bijstand in de plaats van de Portugese Staat te stellen en door daarmee de - onwettige - handelingen van het DAFSE na de feitelijke en boekhoudkundige bevestiging van 30 oktober 1989 te wettigen. Het DAFSE wilde met het oog op sanering van de begroting van sociale zekerheid, waaronder de in het kader van de bijstand van het ESF toegekende nationale bijdragen vallen, de eerder goedgekeurde bijstand tot elke prijs verminderen door de begunstigden van de ESF-financieringen te beschuldigen van onjuist gebruik van de bijstand. Door aldus de onwettige initiatieven van het DAFSE te legitimeren, heeft verweerster de grenzen van de haar bij artikel 7 van verordening nr. 2950/83 verleende bevoegdheden overschreden en zich schuldig gemaakt aan misbruik van bevoegdheid.

200 Dat misbruik van bevoegdheid blijkt uit:

- het feit dat het bedrag van de vermindering waartoe verweerster heeft besloten, overeenkomt met de in de bevestigingsbesluiten van het DAFSE van 19 juni 1995 geweigerde bedragen (zie hiervóór, punt 31);

- het heronderzoek van de betrokken dossiers in het licht van nieuwe criteria;

- de aandacht van de publieke opinie voor de situatie van de overheidsfinanciën in 1995, een jaar met parlementsverkiezingen;

- de bij het verweerschrift gevoegde stukken, in het bijzonder die aangaande de werkzaamheden van de werkgroep voor het oude fonds, waarbij het ging om de vaststelling van een methode voor het controleren van de dossiers betreffende de financiering van het ESF waarin verzoekster een rol speelde (stukken 7-9 en 17).

201 Verweerster verwerpt die beweringen en beklemtoont dat zij, met inachtneming van de ter zake geldende gemeenschapswetgeving, in het bijzonder artikel 6 van verordening nr. 2950/83, enkel de door de Portugese Staat gegeven bevestiging heeft bekrachtigd.

Beoordeling door het Gerecht

202 Een handeling berust slechts op misbruik van bevoegdheid, wanneer er objectieve, relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat zij uitsluitend, althans hoofdzakelijk, tot stand is gekomen ter bereiking van andere doeleinden dan gesteld, of ter omzeiling van een speciale procedure waarin het Verdrag voorziet om de betrokken omstandigheden het hoofd te bieden (zie onder meer arrest Proderec/Commissie, reeds aangehaald in punt 54, punt 118).

203 De elementen waarop verzoekster een beroep doet om een dergelijk misbruik te bewijzen, zijn onvoldoende om het vermoeden van wettigheid dat in beginsel voor handelingen van de instellingen van de Gemeenschap geldt, te weerleggen.

204 Zoals het Gerecht in het arrest Proderec/Commissie (reeds aangehaald in punt 54, punt 69) heeft verklaard, wordt de lidstaat door het afgeven van de bevestiging als bedoeld in artikel 5, lid 4, van verordening nr. 2950/83, niet ontslagen van de overige verplichtingen die krachtens de toepasselijke gemeenschapsregeling op hem rusten.

205 Bovendien zijn de betrokken dossiers heronderzocht in het licht van de criteria "redelijkheid van de door de begunstigde gedane uitgaven" en "behoorlijk financieel beheer". De toepassing van die criteria, waarbij eenvoudig wordt nagegaan of de door een begunstigde gestelde en gedane uitgaven de prestaties dekken waarvoor zij zijn gedeclareerd, past volledig in het kader van de controle die de lidstaat volgens artikel 7 van beschikking 83/673 naast de bevestiging van de feitelijke en boekhoudkundige juistheid moet verrichten, wanneer hij onregelmatigheden vermoedt die al dan niet frauduleus zijn (arrest Proderec/Commissie, reeds aangehaald in punt 54, punt 88).

206 Omdat de Portugese Staat in casu onregelmatigheden vermoedde in de dossiers betreffende ESF-financiering waarvoor op 30 oktober 1989 een feitelijke en boekhoudkundige bevestiging was afgegeven, hij die dossiers heeft heronderzocht en op grond daarvan zijn feitelijke en boekhoudkundige bevestiging heeft gewijzigd, en verweerster die bevestiging, zoals gewijzigd na het heronderzoek, heeft bekrachtigd, had laatstgenoemde het recht om de daaruit voortvloeiende verminderingen van de bijstand toe te passen.

207 Ten slotte vormt de aandacht van de Portugese publieke opinie voor de financiën van het land geenszins een aanwijzing voor misbruik van bevoegdheid.

208 De door verzoekster aangevoerde elementen zijn dan ook onvoldoende om misbruik van bevoegdheid aan te tonen, zodat het vierde middel moet worden afgewezen.

209 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking moet worden toegewezen, voor zover daarbij in de subrubrieken 14.2.6, 14.2.7, 14.3.1, sub b, 14.3.1, sub c, 14.3.7, 14.3.8 en 14.3.15 van het onderdeel van het project betreffende Tintas Robbialac en 14.2.8, 14.3.1, sub b, 14.3.1, sub c, 14.3.7 en 14.3.11 van het onderdeel van het project betreffende Sapec een vermindering van de door verzoekster in haar aanvraag om betaling van het saldo gevorderde bedragen wordt gelast.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

210 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.

211 In casu zijn de conclusies tot nietigverklaring van verzoekster, die verwijzing van de Commissie in de kosten van de onderhavige procedure heeft gevorderd, gedeeltelijk gegrond verklaard.

212 Bijgevolg dient elk der partijen haar eigen kosten te dragen.

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),

rechtdoende:

1) Verklaart nietig beschikking C (96) 1184 van de Commissie van 14 augustus 1996 houdende vermindering van de bijstand van het Europees Sociaal Fonds in het kader van project nr. 880412/P3, voor zover daarbij in de subrubrieken 14.2.6, 14.2.7, 14.3.1, sub b, 14.3.1, sub c, 14.3.7, 14.3.8 en 14.3.15 van het onderdeel van het project betreffende Tintas Robbialac SA en 14.2.8, 14.3.1, sub b, 14.3.1, sub c, 14.3.7 en 14.3.11 van het onderdeel van het project betreffende Sapec - Produits et Engrais Chimiques du Portugal SA, een vermindering van de door verzoekster in haar aanvraag om betaling van het saldo gevorderde bedragen wordt gelast.

2) Verwerpt het beroep voor het overige.

3) Verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.

Top