This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 61984CC0060
Opinion of Mr Advocate General Sir Gordon Slynn delivered on 20 March 1985. # Cinéthèque SA and others v Fédération nationale des cinémas français. # References for a preliminary ruling: Tribunal de grande instance de Paris - France. # Distribution of films in the form of video recordings - National prohibitions. # Joined cases 60 and 61/84.
Conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn van 20 maart 1985.
Cinéthèque SA en anderen tegen Fédération nationale des cinémas français.
Verzoeken om een prejudiciële beslissing: Tribunal de grande instance te Parijs - Frankrijk.
Verbreiding van films op videobanden en beeldplaten - Nationale verbodsbepalingen.
Gevoegde zaken 60 en 61/84.
Conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn van 20 maart 1985.
Cinéthèque SA en anderen tegen Fédération nationale des cinémas français.
Verzoeken om een prejudiciële beslissing: Tribunal de grande instance te Parijs - Frankrijk.
Verbreiding van films op videobanden en beeldplaten - Nationale verbodsbepalingen.
Gevoegde zaken 60 en 61/84.
Jurisprudentie 1985 -02605
ECLI identifier: ECLI:EU:C:1985:122
CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 20 maart 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Artikel 89 van de Franse wet nr. 82-652 van 29 juli 1982 op de audiovisuele communicatie bepaalt:
„Cinematografische werken die in bioscopen worden vertoond, mogen niet gelijktijdig worden geëxploiteerd door middel van beelddragers bestemd voor de verkoop of verhuur voor particulier gebruik, met name videocassettes of beeldplaten, voordat een bij decreet nader vast te stellen en op het tijdstip van afgifte van de exploitatievergunning ingaande termijn is verstreken. Van deze termijn, die tussen 6 en 18 maanden zal bedragen, kan worden afgeweken onder bij decreet vast te stellen voorwaarden.”
Bij uitvoeringsdecreet nr. 83-4 van 4 januari 1983 werd de betrokken termijn vastgesteld op één jaar vanaf de datum van afgifte van de exploitatievergunning waarbij toestemming wordt verleend om de betrokken film te vertonen. Dit decreet bepaalt verder, dat de minister van Cultuur op verzoek van de auteursrechthebbende van deze regel kan afwijken, na advies van een Commissie, ingesteld onder auspiciën van het Centre national de la cinematographic
Behoudens ontheffing is het dus gedurende een jaar na de datum van afgifte van de exploitatievergunning verboden om videocassettes te verkopen of te verhuren van een film die gelijktijdig in de bioscoop wordt vertoond. Het is duidelijk dat dit verbod alleen geldt voor vertoning in particuliere kring, en niet voor vertoning van video-opnamen in het openbaar, een nieuwe ontwikkeling die — naar het Hof werd meegedeeld — waarschijnlijk een grote vlucht zal nemen. Ook is wel duidelijk, dat het verbod niet in de weg staat aan de produktie of de invoer van zulke video-opnamen in de loop van dat jaar. Partijen zijn verdeeld over de vraag, of het verbod ook geldt voor cassettes die voor de export zijn bestemd. Eveneens heerst twijfel over de vraag, wat naar Frans recht moet worden verstaan onder „gelijktijdige exploitatie”, en wat rechtens zou zijn in geval een film rechtmatig op videocassettes wordt vertoond voordat hij — na afgifte van een exploitatievergunning — in de bioscoop wordt uitgebracht.
De Commissie wijst erop, dat een vergelijkbare wettelijke regeling in de andere Lid-Staten ontbreekt. In Duitsland evenwel is wettelijk bepaald dat een met overheidssubsidie geproduceerde film de eerste zes maanden na de bioscooppremière niet op videocassette of beeldplaat mag worden verspreid. De vertegenwoordiger van de Duitse regering heeft zulks ter terechtzitting bevestigd. In Denemarken geldt volgens de Commissie een soortgelijk verbod voor door het Deens Nationaal filminstituut gesubsidieerde films, en wel voor een periode van één jaar. Dit is door het Nationaal filminstituut zelf bepaald.
In een aantal Lid-Staten wordt hetzelfde resultaat bereikt door de filmindustrie zelf, zonder tussenkomst van de wetgever. Zo is bij voorbeeld in Italië in een overeenkomst tussen de beroepsorganisaties voorzien, dat een film niet in de vorm van videocassettes mag worden geëxploiteerd gedurende twaalf maanden nadat hij voor het eerst in de bioscopen is vertoond. Een soortgelijke overeenkomst tussen beroepsorganisaties bestaat ook in Duitsland en in Nederland, waar de termijn zes maanden bedraagt. In sommige andere Lid-Staten wordt zulk een verbod van geval tot geval in filmdistributiecontracten opgenomen. De termijn bedraagt dan drie tot zes maanden.
Verzoeksters in beide zaken stellen, dat deze Franse wettelijke bepalingen in strijd zijn met de artikelen 30, 34 en 59 EEG-Verdrag.
In zaak 60/84 (Cinéthèque) gaat het om de film „Merry Christmas, Mr. Lawrence”, die in de woorden van de Fédération nationale du cinéma français, „van Nieuwzeelandse nationaliteit” is. Ofschoon de exploitatievergunning eerst op 28 juni 1983 werd afgegeven, werd de film op 1 juni 1983 in de Franse bioscopen uitgebracht onder de titel „Furyo”. De auteursrechthebbende is een Britse vennootschap, Glinwood Films Ltd (de tweede verzoekster), die het alleenrecht voor de distributie en vertoning van de film in Franse bioscopen overdroeg aan de Franse vennootschap AAA. Bij overeenkomst van 28 juli 1983 verleende zij voorts aan Cinéthèque (de eerste verzoekster) het alleenrecht om gedurende een periode van zes jaar, voor Frankrijk ingaande op 1 oktober 1983 en voor België en Zwitserland op 1 juni 1984, videocassettes van deze film te vervaardigen en te verkopen. AAA, die een aandeel kreeg in de royalty's over de videocassettes, stemde schriftelijk in met deze overeenkomst tussen Glinwood en Cinéthèque. Daarop begon Cinéthèque met de produktie van de videocassettes, waarvan zij er een aantal verkocht aan Discophile Club de France (DCF) en Téléfrance. Voor deze film is bij de minister van Cultuur nimmer een verzoek om ontheffing van de termijn van één jaar ingediend.
Op 19 oktober 1983 verkreeg de Fédération nationale du cinéma français, die had gesteld dat verzoeksters in strijd met de Franse wetgeving ter zake hadden gehandeld, een beschikking in kort geding, waarbij de inbeslagneming werd gelast van de cassettes van de film die zich bij Cinéthèque en bij de verkopers bevonden, zulks tot het moment waarop de termijn van één jaar zou zijn verstreken, tenzij de minister van Cultuur in tussentijd een ontheffing zou verlenen. Tevens werd Cinéthèque een verbod opgelegd om nog exemplaren van de cassettes te verspreiden. Deze beschikking werd bevestigd bij een tweede beschikking van 15 november 1983. Cinéthèque en Glinwood dagvaardden daarop de Fédération nationale en vorderden intrekking van de beschikkingen. Nadien intervenieerde DCF aan de zijde van verzoekers; met deze zaak werd een door Téléfrance tegen de Fédération nationale aanhangig gemaakt geding gevoegd.
Het Tribunal de grande instance te Parijs, dat zich over deze zaak heeft uit te spreken, heeft het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen :
|
„1) |
Zijn de bepalingen van artikel 89 van de Franse wet van 29 juli 1982, aangevuld bij decreet van 4 januari 1983, waarbij de verbreiding van cinematografische werken in dier voege is geregeld, dat een fasering van de verbreidingswijzen wordt ingevoerd doordat de gelijktijdige exploitatie van films in bioscopen en in de vorm van videocassettes gedurende een termijn van één jaar — behoudens uitzonderingen — is verboden, verenigbaar met de bepalingen van de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen ? |
|
2) |
Zijn voornoemde bepalingen van nationaal recht verenigbaar met artikel 59 EEG-Verdrag betreffende het vrij verrichten van diensten ? |
|
3) |
Ingeval een van de eerste twee vragen ontkennend wordt beantwoord, is dan de regeling van artikel 89 van de wet van 29 juli 1982 en het decreet van 4 januari 1983 verenigbaar met artikel 36 EEG-Verdrag, waarin afwijkingen van de artikelen 30 en 34 van dat Verdrag zijn voorzien ?” |
In zaak 61/84 (Editions René Chateau) gaat het om de Franse film „Le Marginal”. De exploitatievergunning voor deze film werd verleend op 27 oktober 1983 en dezelfde dag nog werd hij in de bioscopen uitgebracht. Bij overeenkomst van 20 juni 1982 verleenden Cerito Films en Les Films Ariane aan Editions René Chateau (de eerste verzoekster) het recht om gedurende een periode van tien jaar, ingaande op uiterlijk 15 januari 1984, in Frankrijk, België, Luxemburg en een aantal derde landen, videocassettes van deze film te vervaardigen en te verkopen. Bij brief van 20 december 1983 gaf J.-P. Belmondo, algemeen directeur van Cerito Films en hoofdrolspeler in de film, toestemming om videocassettes te verspreiden met ingang van de datum van de brief, blijkbaar omdat illegaal geproduceerde kopieën („roofkopieën”) van de film in omloop waren gebracht. Samen met Cerito Films verzorgde Éditions René Chateau ook de distributie van de film in Parijs en omstreken. De tweede verzoekster, Hollywood Boulevard Diffusion-Michel Fahre, is eigenaresse van drie bioscopen in Parijs, waarin de film werd vertoond.
Ook in dit geval verkreeg de Fédération nationale een rechterlijke uitspraak, waarbij aan René Chateau en Hollywood Boulevard een verbod werd opgelegd de videocassettes te verspreiden en de inbeslagneming van bedoelde cassettes tot 27 oktober 1984 werd gelast, onder voorbehoud van een ontheffing van de termijn van één jaar, die de minister van Cultuur evenwel nooit heeft verleend. In elk geval hebben René Chateau en Hollywood Boulevard daarop de Fédération nationale gedagvaard met hetzelfde doel als verzoeksters in zaak 60/84. DGD, een Belgische vennootschap, intervenieerde aan de zijde van verzoeksters en voerde aan, dat de rechterlijke uitspraak haar belette om videocassettes van de film „Le Marginal” in- of uit te voeren.
Een punt van discussie was, in hoeverre de wet in het geval van bovenbedoelde films, gevolgen heeft of heeft gehad op de invoer of de uitvoer van videocassettes of van het origineel dat in Frankrijk voor de vervaardiging van gelicentieerde videocassettes wordt gebruikt. Als ik goed zie, gaat de verwijzende rechter er van uit, dat de wet de in-of uitvoer van videocassettes of van het origineel van films die tegelijkertijd in Frankrijk worden vertoond, niet uitdrukkelijk verbiedt.
Voor wat de invoer betreft, zijn de aan de orde gestelde problemen daarmee evenwel nog lang niet opgelost. Wanneer handelaren een produkt weliswaar rechtmatig mogen invoeren, doch gedurende een periode van tot twaalf maanden niet mogen verspreiden, dan kan zulks in de praktijk vanwege de financierings- en opslagkosten, tot gevolg hebben dat het produkt niet wordt ingevoerd. Het heeft weinig zin een produkt in te voeren zolang de detailhandelaar niet weet dat hij het kan verkopen of verhuren.
De eerste vraag komt derhalve hierop neer, of de hierbedoelde wet in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag op zich beschouwd, omdat wanneer dit niet het geval is, artikel 36 buiten beschouwing kan blijven. Verzoeksters in het hoofdgeding stellen, dat op dit geval duidelijk het beginsel van toepassing is dat door het Hof is ontwikkeld in zijn arrest van 11 juli 1974 (zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837). De wet zou „de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel (kunnen) belemmeren”, en bijgevolg als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking zijn te beschouwen. Volgens verzoeksters vormt de wet zulk een maatregel, ook wanneer zij niet enkel wordt toegepast op importen, doch „zonder onderscheid van toepassing is” op ingevoerde en op binnenlandse produkten, en zij niet als discriminerend kan worden beschouwd. Van een inbreuk op artikel 30 zou reeds sprake zijn, zodra de wet in de praktijk verhindert dat video-opnamen die in andere Lid-Staten zijn vervaardigd of wel in Frankrijk van een uit een andere Lid-Staat afkomstig origineel zijn gekopieerd, in Frankrijk worden geëxploiteerd.
Partijen lijken het erover eens te zijn, dat videocassettes en het origineel van de film goederen zijn waarop artikel 30 EEG-Verdrag van toepassing is. Gelet op de arresten van het Hof in de zaken 7/68 (Commissie/Italië, Jurispr. 1968, blz. 590) en 155/73 (Sacchi, Jurispr. 1974, blz. 409), komt het mij voor, dat daarover geen twijfel kan bestaan. In laatstgenoemde zaak is met zoveel woorden beslist, dat „het handelsverkeer in alle materialen, geluidsdragers, films, apparaten en andere voor de uitzending van televisie gebruikte produkten, aan de regels betreffende het vrije verkeer van goederen is onderworpen”.
Duidelijk is ook dat, gelijk verzoeksters betogen, een verbod (bijvoorbeeld op de verkoop) in strijd is met artikel 30, ook als het zonder onderscheid van toepassing is op nationale en ingevoerde produkten (vgl. de zaken 120/78, „Cassis de Dijon”, Jurispr. 1979, blz. 649; 788/79, Gilli, Jurispr. 1980, blz. 2071; 220/81, Robertson, Jurispr. 1982, blz. 2349). Dit wordt niet anders, wanneer het verbod slechts voor een beperkte periode geldt (zaak 82/77, Van Tiggele, Jurispr. 1978, blz. 25), en men kan ook niet stellen dat een verbod voor één jaar onder de de minimis- regel valt en derhalve te verwaarlozen is, zulks noch op grond van het arrest van het Hof van 5 april 1984 (gevoegde zaken 177 en 178/82, Van de Haar, Jurispr. 1984, blz. 1797), noch — indien de de minimis- regel toch van toepassing zou zijn — op grond van de feiten.
Ook de omstandigheid dat een ontheffing kan worden verleend, kan niet tot gevolg hebben dat de maatregel niet onder artikel 30 valt (zie de zaken Van Tiggele, reeds aangehaald, en 27/80, Fietje, Jurispr. 1980, blz. 3839).
In tal van gevallen heeft het Hof geoordeeld dat een maatregel die naar inhoud of vorm discriminerend was, een maatregel was van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking. Alleen al de discriminatie van produkten uit een andere Lid-Staat vormde of veroorzaakte de beperking. Ofschoon discriminatie een voldoende, ja zelfs een beslissende voorwaarde voor de toepasselijkheid van artikel 30 kan zijn, is het nochtans geen noodzakelijke voorwaarde. Dit valt af te leiden uit het arrest-Cassis de Dijon (r.o. 8), en wordt geïllustreerd door het arrest in zaak 53/80 (Kaasfabriek Eyssen, Jurispr. 1981, blz. 409), waarin het Hof verklaarde dat het verbod op de verkoop van smeltkaas onder artikel 30 viel, ofschoon van enige discriminatie van de invoer niet was gebleken. Zo kunnen immers maatregelen die zonder onderscheid van toepassing zijn op ingevoerde en op binnenslands geproduceerde goederen, de importeurs in de praktijk tot stappen dwingen die zij anders niet zouden nemen, en die hen indirect van import weerhouden of hen — doordat bijkomende moeilijkheden ontstaan — daarin belemmeren. Wanneer een Lid-Staat een producent in een andere Lid-Staat verplicht, zijn produkt in een doos of fles te verpakken waarvan de vorm of de afmetingen verschilt van die welke hij gewoonlijk gebruikt voor de verkoop op de nationale markt of voor de uitvoer naar andere Lid-Staten, komt dit — zelfs als die verplichting ook geldt voor de producenten in de betrokken Lid-Staat zelf — neer op een beperking in de zin van artikel 30. Zelfs een wettelijke maatregel die niet rechtstreeks op de import betrekking heeft, kan dus de importmogelijkheden voor produkten uit andere Lid-Staten nadelig beïnvloeden en derhalve inbreuk maken op artikel 30 (zaak 152/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1980, blz. 2299).
Anderzijds is het vaste rechtspraak, dat maatregelen van laatstbedoeld type, niet noodzakelijkerwijs onder artikel 30 vallen, wanneer geen sprake is van discriminatie.
Zo besliste het Hof in het arrest-Cassis de Dijon, dat bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling voor de produktie en de verhandeling van een produkt, het aan de Lid-Staten staat om, ieder op zijn eigen grondgebied, voor al hetgeen de produktie en verhandeling van dat produkt raakt, regelingen te treffen. „Belemmeringen van het intracommunautaire verkeer als gevolg van dispariteiten van de nationale wettelijke regelingen op de verhandeling der betrokken produkten moeten worden aanvaard voor zover dringende behoeften, onder meer verband houdend met de doeltreffendheid der fiscale controles, de bescherming van de volksgezondheid, de eerlijkheid der handelstransacties en de bescherming van de consumenten, ze noodzakelijk maken.” In het arrest-Gilli erkende het Hof, dat voorschriften die betrekking hebben op „de consumptie op het eigen grondgebied” alsook op de produktie en de verhandeling, in zulke dwingende eisen hun rechtvaardiging kunnen vinden. Doch enkel wanneer zij gerechtvaardigd zijn, mogen zij „afwijken van de uit artikel 30 voortvloeiende vereisten”, dat wil zeggen dat de intracommunautaire handel niet al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, wordt belemmerd. Evenals in het arrest-Cassis de Dijon overwoog het Hof, dat de betrokken voorschriften niet waren gericht „op een doelstelling van algemeen belang, die voorrang zou moeten hebben boven de eisen van het vrije verkeer van goederen, dat een van de grondbeginselen van de Gemeenschap is”. Integendeel, de werking van de betrokken voorschriften was hoofdzakelijk deze, „dat de nationale produktie (werd) beschermd door het verbod produkten uit andere Lid-Staten, die niet aan de specificaties van de nationale regeling voldoen, op de binnenlandse markt te brengen”.
In een andere context (zaak 75/81, Blesgen, Jurispr. 1982, blz. 1211) besliste het Hof dat een maatregel waarbij het verbruik of de verkoop van sterke dranken met een bepaald alcoholgehalte in voor het publiek toegankelijke plaatsen werd verboden, niet onder artikel 30 viel, omdat die maatregel geen onderscheid maakte naar gelang de aard of de herkomst van de produkten, en geen betrekking had op andere vormen van verhandeling van bedoelde sterke dranken. Een dergelijke wettelijke regeling hield geen verband met de invoer van de produkten en was daarom niet van dien aard dat zij de handel tussen de Lid-Staten belemmerde. In zaak 155/80 (Oebel, Jurispr. 1981, blz. 1993) besliste het Hof, dat de Duitse regeling die het verbod inhield om 's morgens vóór een bepaald uur brood- en banketwaren naar individuele verbruikers en kleinhandelszaken te vervoeren en aldaar af te leveren, niet in strijd was met artikel 30, omdat de in- en uitvoer tussen Lid-Staten er niet door werd beperkt, zolang de aflevering aan groothandelaars ongemoeid werd gelaten. Volgens het arrest in zaak 58/80 (Dansk Supermarked, Jurispr. 1981, blz. 181) mag een Lid-Staat de handel in ingevoerde waren verbieden wanneer de omstandigheden waaronder zij ten verkoop worden aangeboden, in strijd zijn met wat in de Lid-Staat van invoer doorgaat voor regelmatige en eerlijke handelspraktijken, zolang dat verbod geen betrekking heeft op de invoer zelf.
De werkingssfeer van artikel 30 is in een zeer groot aantal zaken reeds door het Hof onderzocht en zal onvermijdelijk nog nauwkeuriger worden afgebakend met elk nieuw geval waarover het uitspraak zal hebben te doen, maar bij mijn weten heeft het nog geen arrest gewezen dat een pasklare oplossing biedt voor het onderhavige geval.
Zoveel is echter zeker, dat artikel 30, ofschoon het in absolute bewoordingen lijkt te zijn geformuleerd en op het eerste gezicht elke de invoer beperkende maatregel absoluut verbiedt, volgens het Hof niet aldus moet worden gelezen.
Samenvattend zou ik willen zeggen, dat een maatregel in strijd is met artikel 30, indien hij a) de invoer verbiedt of kwantitatief beperkt; b) ingevoerde produkten discrimineert, bij voorbeeld doordat aan importeurs strengere normen worden opgelegd dan aan de binnenlandse producenten, waardoor het importeren in feite moeilijker wordt en zodoende de invoer wordt beperkt; c) ofschoon niet betrekking hebbend op de invoer als zodanig doch op binnenlandse zowel als op ingevoerde produkten, de producent of de handelaar ertoe noopt, naast de maatregelen die hij normaal al neemt om bij het in de handel brengen van zijn produkten aan de wet te voldoen, nog andere te nemen, die de invoer moeilijker maken en bijgevolg kunnen beperken, zodat de binnenlandse producenten in feite worden beschermd. Maatregelen van het laatste type zijn evenwel niet in strijd met artikel 30, indien kan worden aangetoond dat zij hun rechtvaardiging vinden in dwingende vereisten als bedoeld in het arrest-Cassis de Dijon.
Indien het evenwel een materie betreft die niet door gemeenschapsrechtelijke criteria of regels wordt beheerst, en waarbij de nationale maatregel niet in het bijzonder op de invoer betrekking heeft, de invoer niet discrimineert, het voor een importeur niet moeilijker maakt om zijn produkten te verkopen dan voor een binnenlandse producent, en de binnenlandse producenten niet beschermt, dan valt die maatregel mijns inziens prima facie niet onder artikel 30, ook niet wanneer hij in feite een beperking of een vermindering van de invoer tot gevolg heeft.
In het onderhavige geval worden importen door de wet niet gediscrimineerd. De importeur kan zonder meer invoeren. Zijn positie is dus precies dezelfde als die van de binnenlandse handelaar. Deze krijgt geen enkel extra voordeel ten opzichte van de importeur, en de importeur ondervindt door het exploitatieverbod voor videocassettes geen extra nadeel ten opzichte van de Franse handelaar. De reden waarom een handelaar in Frankrijk geen videocassettes zou kopen van een Franse grossier (hij mag ze niet verkopen of verhuren), zal hem er evenzeer van weerhouden om ze te kopen bij een grossier in een andere Lid-Staat. In dit opzicht verkeren beide grossiers commercieel gezien in dezelfde omstandigheden. De markt waarop zij werken, is voor beide dezelfde. In een dergelijk geval kan artikel 30 niet zijn bedoeld om de buitenlandse grossier te bevoordelen boven de binnenlandse. Als er kennelijk geen grond bestond om ingevoerde en binnenlandse produkten gelijk te behandelen, zou de maatregel om die reden afkeurenswaardig kunnen zijn. Dit is hier evenwel niet het geval, en mijns inziens valt de wet niet onder artikel 30.
Was ik niet tot deze conclusie gekomen, dat zou ik in elk geval van mening zijn geweest, dat het in de Franse wet neergelegde verbod een „dwingende” vereiste is, ofschoon zowel voor binnenslands geproduceerde als voor ingevoerde videocassettes een ontheffing kan worden verleend, als rechtvaardiging voor een op alle videocassettes, ook de ingevoerde, betrekking hebbend verbod, is aangevoerd dat het noodzakelijk is ter bescherming van de filmindustrie, waarvan de handel in videocassettes zelf afhankelijk is. Grof weergegeven komt het argument hierop neer: de produktie van speelfilms is een kostbare zaak. Of de producent uit de kosten komt en ook nog winst kan maken, hangt voornamelijk af van de vertoning van de film in de bioscoop. Deze is slechts gedurende een beperkte periode mogelijk. Het dalende bioscoopbezoek en de concurrentie van Amerikaanse films maken het voor de Europese — in casu de Franse — filmproducenten bijzonder moeilijk om het hoofd boven water te houden. Waren de verkoop of verhuur van videocassettes en uitzending op de televisie reeds toegestaan terwijl de film nog in de bioscoop draait, dan zou de situatie van de filmindustrie nog benarder worden dan zij al is. Een algemene regeling is van levensbelang; als de betrokkenen de situatie contractueel zouden moeten regelen, is de bedrijfstak als zodanig niet beschermd, en het feit dat in de onderhavige gevallen de auteursrechthebbenden en de distributeurs de verspreiding van videocassettes toestaan, betekent nog niet dat de wet niet gerechtvaardigd zou zijn.
Verzoeksters zijn het met deze redenering niet eens. Zij stellen, kort gezegd, dat de verhouding tussen de opbrengst uit bioscoopvoorstellingen en uit de exploitatie van videocassettes anders ligt. In ieder geval zou, wanneer videocassettes onmiddellijk mochten worden verkocht, de verkoop stijgen en daarmee de inkomsten uit royalty's. Bovendien zouden er slechts zeer weinig films zijn waarvan de kosten door de bioscooprecettes worden goedgemaakt. In de grote centra lopen films doorgaans slechts zeer kort. Een periode van twaalf maanden als algemene regel zou dan ook te lang zijn. De auteursrechthebbende zou zelf moeten kunnen beslissen hoe hij zijn film wenst te exploiteren, en de bescherming van de industrie zou evenals in andere Lid-Staten kunnen worden gewaarborgd doordat de auteursrechthebbenden en de distributeurs voor elke film een aparte overeenkomst sluiten.
Inzonderheid door de Commissie is gesteld, dat de film een deel is van de hedendaagse cultuur. Beperking van het vrije goederenverkeer, in afwijking van het beginsel van artikel 30, zou gerechtvaardigd zijn wanneer het gaat om de bescherming of bevordering van culturele activiteiten. Ik geloof niet, dat men dit zo algemeen kan stellen, zelfs wanneer men aanneemt dat culturele doelstellingen ooit een dwingend vereiste kunnen zijn. Het is duidelijk dat de bevordering van culturele doelstellingen in wezen afhangt van economische factoren. Wat men eigenlijk wil zeggen, is dat de filmindustrie economisch gezien slechts dan overlevingskansen heeft, wanneer de films gedurende een bepaalde periode uitsluitend in bioscoopversie beschikbaar zijn. Anders kan de Europese filmindustrie niet alleen geen films meer voor de bioscoop maken, doch zullen deze films onvermijdelijk ook niet langer op videocassette verkrijgbaar zijn of op de televisie kunnen worden getoond. Het is louter een zaak van eerlijke mededinging, dat de bedrijfstak die voor het grootste deel van de kosten moet opdraaien, ook een eerlijke kans krijgt om het geïnvesteerde geld terug te verdienen. Dit is alleen mogelijk indien er bioscopen bestaan, en de bioscopen kunnen enkel open blijven indien zij als eerste de films kunnen vertonen, te meer omdat de films in de eerste plaats voor een groot scherm worden gemaakt en niet voor verspreiding door middel van videocassettes.
Indien de feitelijke situatie zo is als de Fédération stelt, dan is het mijns inziens commercieel gezien billijk én in het algemeen belang, dat de vertoning van films in de bioscoop, op videocassette en op de televisie zodanig wordt geregeld, dat de filmindustrie wordt beschermd en ondersteund. Alleen op die manier kan de „consument” er zeker van zijn, dat er een aanbod van films zal blijven.
Indien ik dus al niet om de eerstgenoemde reden tot de conclusie was gekomen dat deze wet niet onder artikel 30 valt, dan zou dit mijns inziens nog het geval kunnen zijn indien die maatregel zijn rechtvaardiging bleek te vinden in de noodzaak het voortbestaan van de filmindustrie en het aanbod van films aan de consument veilig te stellen. Het gaat hier wel degelijk om een rechtmatig belang.
Ik ben het met de Commissie eens, dat de vraag of de ingevoerde regeling „gerechtvaardigd” is, door de nationale rechter moet worden beantwoord, aangezien het niet aan het Hof staat om geschillen tussen partijen op te lossen. De nationale rechter moet dus de overtuiging hebben, dat deze vorm van bescherming voor de filmindustrie en het aanbod van films noodzakelijk is. Is het juist dat de filmindustrie goeddeels wordt gefinancierd uit de bioscooprecettes ? Zou de industrie het zwaar te verduren krijgen indien de videocassettes tegelijkertijd op de markt werden gebracht ? Moet een verbod als het onderhavige inderdaad voor twaalf maanden gelden ?
Van groot belang is de vraag of het verbod ook dient te gelden voor gevallen waarin de auteursrechthebbende en de filmdistributeur ermee akkoord gaan, dat de videocassettes tegelijk met de film worden uitgebracht.
Daarentegen kan de betrokken wet mijns inziens niet onder een van de afwijkingen van artikel 36 EEG-Verdrag worden gebracht. Ingevolge deze wet immers kan de auteursrechthebbende zijn rechten in het eerste jaar niet ten volle exploiteren, en het is mijns inziens niet juist te stellen dat de wet zijn auteursrecht op de film beschermt, zodat een verlies op de videocassettes slechts een bijkomstig gevolg is. De wet is mijns inziens ook niet onder een van de andere in artikel 36 genoemde categorieën te brengen.
Wat de uitvoer betreft, is de feitelijke situatie minder duidelijk. De Franse regering stelt dat de wet in het geheel niet op de export van toepassing is, terwijl verzoeksters staande houden dat de beschikkingen waarbij de inbeslagneming werd bevolen, geen onderscheid maakten naar gelang van de beoogde bestemming van de videocassettes, en dat de cassettes bestemd voor export naar België metterdaad in beslag zijn genomen.
Hoe dit ook zij, naar mijn mening vallen noch de wet noch de beweerdelijk door de Franse autoriteiten genomen maatregelen onder artikel 34. In zaak 155/80 (Oebel, Jurispr. 1981, blz. 1993) besliste het Hof, dat „artikel 34 nationale maatregelen betreft die een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer tot doel of tot gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de buitenlandse uitvoerhandel van een Lid-Staat leiden, waardoor aan de nationale produktie of de binnenlandse markt van de betrokken Lid-Staat een bijzonder voordeel wordt verzekerd.” Blijkens het arrest in zaak 237/82 (Jongeneel Kaas, Jurispr. 1984, blz. 483) moet het begrip „voordeel voor de nationale produktie of de binnenlandse markt van de betrokken Lid-Staat” ruim worden uitgelegd. Onder verwijzing naar zijn eerdere arrest in zaak 53/76 (Bouhelier, Jurispr. 1977, blz. 197) verklaarde het Hof, dat een maatregel waarbij uitsluitend voor de export een controleattest werd verlangd, een maatregel van gelijke werking als bedoeld in artikel 34 vormde. Door de onderhavige wettelijke regeling evenwel worden voor uitvoer bestemde goederen noch formeel noch materieel gediscrimineerd, en zij heeft evenmin specifiek ten doel de uitvoer te beperken. Zij valt dan ook niet onder artikel 34.
Daaraan moet ten slotte nog worden toegevoegd, dat artikel 30 noch artikel 34 van toepassing zijn op zuiver binnenlandse transacties (vgl. gevoegde zaken 314-316/81 en 83/82, Waterkeyn, Jurispr. 1982, blz. 4337, en zaak 286/81, Oosthoek's Uitgeversmaatschappij, Jurispr. 1982, blz. 4575). Dit zou het geval zijn wanneer het gehele produktieproces van de film en de videocassettes in Frankrijk zou plaatsvinden en van uitvoer geen sprake zou zijn. Blijkens de aan het Hof bekende gegevens, kan dit het geval zijn in zaak 61/84, doch dit is een feitelijke kwestie waarover de nationale rechter zich moet uitspreken.
De tweede vraag luidt, of de bepalingen van de betrokken Franse wet verenigbaar zijn met artikel 59 EEG-Verdrag, dat de opheffing van beperkingen op het vrije verrichten van diensten binnen de Gemeenschap voorschrijft ten aanzien van de onderdanen van Lid-Staten die in een ander land zijn gevestigd dan dat waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.
Ook al is mijns inziens niet aangetoond, dat het verlenen van een licentie door de auteursrechthebbende of het exploiteren van de licentie door de houder ervan, diensten in de zin van artikel 60 zijn, dan nog kan een verbod om gedurende een jaar videocassettes te verhuren, een beperking zijn van de vrijheid van dienstverrichting, in zoverre het personen in een andere Lid-Staat daardoor een jaar lang onmogelijk wordt gemaakt om videocassettes aan in Frankrijk woonachtige personen te verhuren. Als de wettelijke regeling ook de Franse distributeurs zou beletten om cassettes aan klanten in andere Lid-Staten te verhuren, zou dat een zelfde beperking opleveren.
De beperkingen die verboden zijn, moeten evenwel hetzij discriminerend zijn hetzij voortvloeien uit vereisten „welke aan de verrichter van de dienst, met name op grond van zijn nationaliteit of de omstandigheid dat hij geen vaste woonplaats heeft in de staat waar de dienst wordt verricht, worden gesteld en niet gelden voor op het nationale grondgebied gevestigde personen dan wel geëigend zijn de werkzaamheden van de dienstverrichter anderszins te beletten of te hinderen” (zaak 33/74, Van Binsbergen, Jurispr. 1974, blz. 1299, r.o. 10, en zaak 39/75, Coenen, Jurispr. 1975, blz. 1547, r.o. 6). Nog onlangs wees het Hof erop dat de artikelen 48, 59 en 65 strekken tot afschaffing van alle maatregelen die de onderdanen van een Lid-Staat strenger behandelen of rechtens of feitelijk in een minder gunstige positie plaatsen dan de eigen onderdanen van de Lid-Staat die de maatregel vaststelt (arrest van 13 december 1984, zaak 251/83, Haug-Adrion, Jurispr. 1984, blz. 4277).
Voor zover ik kan zien, is er in de onderhavige zaak geen sprake van onderscheid naar gelang van de nationaliteit of de woonplaats van de leverancier of naar gelang van de plaats waar de videocassette wordt vervaardigd dan wel verspreid. De leverancier van de cassettes buiten Frankrijk is niet slechter af dan de leverancier in Frankrijk, en voor hem gelden evenmin strengere regels. Niet tussen binnenlandse en niet-binnenlandse aanbieders van dezelfde dienst wordt onderscheid gemaakt of gediscrimineerd, maar tussen twee diensten, te weten het leveren van films en het leveren van videocassettes.
Ik meen dan ook niet, dat de in de prejudiciële vraag bedoelde wetsbepalingen in strijd zijn met artikel 59 EEG-Verdrag. Was ik niet tot deze conclusie gekomen, dan had ik bepleit dat zij — afhankelijk van de feiten — hun rechtvaardiging kunnen vinden in het „algemeen belang” (vgl. arrest-Van Binsbergen). Weliswaar geloof ik niet, dat artikel 36 in casu op overeenkomstige wijze kan worden toegepast om de betrokken bepaling te sauveren, doch het lijkt mij op de eerdergenoemde gronden wel verdedigbaar, dat zij beantwoorden aan een dwingend vereiste dat in het kader van artikel 30 in aanmerking kan komen.
Verzoeksters betoogden ter terechtzitting dat de wet in strijd is met het beginsel van de vrije meningsuiting. Daartoe beriepen zij zich op artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, dat eenieder het recht op vrije meningsuiting garandeert, behoudens de afwijkingen voorzien in lid 2 van dat artikel.
Indien ik het op het eerste punt juist voorheb, dan behoeft dit argument niet meer te worden onderzocht.
De Franse regering heeft evenwel gerepliceerd, dat het niet aan het Hof staat om te beoordelen of door de Lid-Staten genomen maatregelen verenigbaar zijn met het Europees Verdrag. Uitgaande van het rapport van de Europese Commissie voor de rechten van de mens in zaak 5178/81 (De Geïllustreerde Pers), goedgekeurd door het Comité van Ministers bij beslissing van 17 februari 1977 (Decisions and reports, 1977, nr. 8), meent zij trouwens te kunnen stellen dat het Verdrag niet is geschonden.
De Commissie heeft refererend aan 's Hofs arrest in zaak 36/75 (Rutili, Jurispr. 1975, blz. 1219) betoogd, dat afwijkingen van de in het EEG-Verdrag neergelegde grondbeginselen moeten worden uitgelegd in het licht van het Europees Verdrag en dat, gelet op de zaak-De Geïllustreerde Pers, de Franse wet met laatstbedoeld Verdrag verenigbaar is, aangezien deze wet ertoe strekt de toekomst van de filmindustrie veilig te stellen, en zodoende „de rechten van anderen” beschermt.
Blijkens de arresten in de zaken 4/73 (Nold, Jurispr. 1974, blz. 491) en 44/79 (Hauer, Jurispr. 1979, blz. 3727) kan het Hof aan het Europees Verdrag aanwijzingen ontlenen bij de uitwerking van de fundamentele rechtsbeginselen die deel uitmaken van het gemeenschapsrecht, ofschoon dat Verdrag de Gemeenschap als zodanig niet bindt en geen onderdeel is van het gemeenschapsrecht (vgl. de zaken 48/75, Royer, Jurispr. 1976, blz. 497, en 118/75, Watson en Belman, Jurispr. 1976, blz. 1185, waarin het Hof de stelling dat het Europees Verdrag deel zou uitmaken van het gemeenschapsrecht, heeft verworpen).
Mijns inziens heeft de Commissie gelijk waar zij stelt, dat de in artikel 36 voorziene afwijkingen en de draagwijdte van de „dwingende vereisten” waardoor een maatregel buiten de werkingssfeer van artikel 30 komt te vallen, moeten worden uitgelegd in het licht van het Europees Verdrag (vgl. de zaak-Rutili, reeds aangehaald, en de conclusie van advocaatgeneraal Warner in zaak 34/79, Henn & Darby, Jurispr. 1979, blz. 3821).
Dat de vrijheid van meningsuiting deel uitmaakt van het gemeenschapsrecht telkens wanneer een verband kan worden gelegd met het werkterrein van de Gemeenschap, kan in de onderhavige context worden aanvaard. Naar mijn mening kan echter niet worden gesteld, dat artikel 10 van het Europees Verdrag reeds wordt geschonden doordat de volgorde van bepaalde wijzen van verbreiding van dezelfde film van overheidswege wordt geregeld; evenmin kan men stellen dat er een op genoemd Verdrag gebaseerde en op de naleving ervan gerichte gemeenschapsrechtelijke regel bestaat die zulk een regeling verbiedt.
Mijns inziens is in het onderhavige geval evenmin aangetoond, dat er, los van het Europees Verdrag, een gemeenschapsrechtelijk beginsel betreffende de vrijheid van meningsuiting bestaat, dat door de bestreden wettelijke regeling, waarbij de volgorde van de verschillende vormen van exploitatie van een film en het tijdsverloop daartussen wordt geregeld, zou zijn geschonden.
Ik heb mij in mijn conclusie in deze zaak beperkt tot de in de prejudiciële vragen genoemde artikelen van het EEG-Verdrag, en heb eventuele, na 's Hofs arrest van 10 januari 1985 (zaak 229/83, Leclerc, Jurispr. 1985, blz. 17) rijzende vragen in verband met artikel 5 junctis de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag bewust buiten beschouwing gelaten. Dat zijn namelijk vragen, die hier niet aan de orde zijn gesteld.
Bijgevolg ben ik van mening, dat de prejudiciële vragen aldus moeten worden beantwoord, dat artikel 89 van de Franse wet van 29 juli 1982, zoals aangevuld bij decreet van 4 januari 1983, waarbij de verbreiding van cinematografische werken in Frankrijk in dier voege is geregeld, dat eerst na verloop van tijd tot een andere verbreidingswijze kan worden overgegaan, doordat — behoudens ontheffing — gedurende een termijn van één jaar de gelijktijdige exploitatie van films in bioscopen en in de vorm van videocassettes verboden is, niet onverenigbaar is met de artikelen 30, 34 of 59 EEG-Verdrag.
De nationale rechter zal moeten beslissen over de kosten van de partijen in het hoofdgeding; de kosten van de andere partijen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, komen niet voor vergoeding in aanmerking.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.