EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61978CV0001

Advies van het Hof van 4 oktober 1979.
Uitgebracht krachtens artikel 228, lid 1, tweede alinea, EEG-Verdrag - Internationale overeenkomst overeenkomst betreffende natuurlijke rubber.
Advies 1/78.

European Court Reports 1979 -02871

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1979:224

61978V0001

ADVIES VAN HET HOF VAN 4 OKTOBER 1979 UITGEBRACHT KRACHTENS ARTIKEL 228, LID 1, TWEEDE ALINEA, VAN HET EEG - VERDRAG. - (" INTERNATIONALE OVEREENKOMST BETREFFENDE NATUURLIJKE RUBBER "). - ADVIES 1/78.

Jurisprudentie 1979 bladzijde 02871
Griekse bijz. uitgave bladzijde 00401
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00527
Finse bijz. uitgave bladzijde 00561
Spaanse bijz. uitgave bladzijde 01411


Samenvatting
Overwegingen van het arrest
Dictum

Trefwoorden


1. INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN - DOOR DE GEMEENSCHAP GESLOTEN OVEREENKOMSTEN - VOORAFGAAND ADVIES VAN HET HOF - VERENIGBAAR MET EEG-VERDRAG - BEOORDELING DOOR HET HOF - OMVANG

(EEG-VERDRAG, ARTIKEL 228, LID 1, TWEEDE ALINEA)

2. INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN - DOOR DE GEMEENSCHAP GESLOTEN OVEREENKOMSTEN - VOORAFGAAND ADVIES VAN HET HOF - VERZOEK OM ADVIES - TOELAATBAARHEID - AMENDERINGSBEVOEGDHEID VAN DE RAAD TEN AANZIEN VAN VOORSTELLEN VAN DE COMMISSIE - ZONDER BETEKENIS

(EEG-VERDRAG, ARTIKELEN 149 EN 228, LID 1, TWEEDE ALINEA)

3. INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN - DOOR DE GEMEENSCHAP GESLOTEN OVEREENKOMSTEN - VOORAFGAAND ADVIES VAN HET HOF - VERZOEK OM ADVIES - TOELAATBAARHEID - VOORWAARDEN - BEKEND ZIJN VAN HET ONDERWERP VAN DE OVEREENKOMST - BESCHIKBARE GEGEVENS

(EEG-VERDRAG, ARTIKEL 228, LID 1, TWEEDE ALINEA)

4. GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - BEGRIP - BEPERKENDE UITLEGGING - ONTOELAATBAARHEID - LIBERALISATIE VAN HET HANDELSVERKEER - REGELING VAN INTERNATIONALE HANDEL - INSLUITING

(EEG-VERDRAG, ARTIKEL 113)

5. GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - ECONOMISCH BELEID - BEGRIPPEN - AFBAKENING

(EEG-VERDRAG, ARTIKELEN 6, 103-116, 145)

6. GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - BEGRIP - ORGANISATIE VAN ECONOMISCHE BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN - VORMING VAN VEILIGHEIDSVOORRADEN VAN EEN PRODUKT - BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP - BEVOEGDHEID VAN DE LID-STATEN INZAKE ECONOMISCH BELEID - ZONDER BETEKENIS

(EEG-VERDRAG, ARTIKEL 113)

7. INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN - GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - OVEREENKOMSTEN WAAROVER IN HET KADER VAN INTERNATIONALE ORGANISATIES WORDT ONDERHANDELD - DEELNEMING VAN DE GEMEENSCHAP OF GEZAMENLIJK OPTREDEN DER LID-STATEN - RESPECTIEF TOEPASSINGSGEBIED VAN DE TWEE PROCEDURES - AFBAKENING - CRITERIA - ONDERWERP VAN DE ONDERHANDELINGEN

(EEG-VERDRAG, ARTIKELEN 113, 114, 116 EN 228, LID 1, TWEEDE ALINEA)

8. INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN - GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - OVEREENKOMST INHOUDENDE EEN FINANCIERINGSVERPLICHTING - BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP - NOODZAAK VAN DEELNEMING VAN DE LID-STATEN - BEOORDELING VOLGENS LASTENVERDELING

(EEG-VERDRAG, ARTIKEL 113)

9. INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN - DOOR DE GEMEENSCHAP GESLOTEN OVEREENKOMSTEN - AFHANKELIJKE GEBIEDEN VAN EEN LID-STAAT, DIE NIET TOT DE GEMEENSCHAP BEHOREN - MODALITEITEN VAN DEELNEMING AAN DE OVEREENKOMSTEN - VERTEGENWOORDIGING DOOR DE BETROKKEN LID-STAAT - ZONDER BETEKENIS VOOR BEVOEGDHEIDSVERDELING TUSSEN GEMEENSCHAP EN LID-STATEN

(EEG-VERDRAG, ARTIKEL 228, LID 1, TWEEDE ALINEA)

Samenvatting


1. IN DE PROCEDURE VAN ARTIKEL 228, LID 1, TWEEDE ALINEA, EEG-VERDRAG KUNNEN ALLE VRAGEN WORDEN ONDERZOCHT WAARVAN DE VERENIGBAARHEID VAN EEN BEOOGD AKKOORD MET DE VERDRAGSBEPALINGEN KAN AFHANGEN. HET OORDEEL OVER DE VERENIGBAARHEID VAN EEN AKKOORD MET HET VERDRAG KAN IMMERS NIET ENKEL AFHANKELIJK ZIJN VAN BEPALINGEN VAN MATERIEEL RECHT, MAAR OOK VAN DIE BETREFFENDE DE BEVOEGDHEID, DE PROCEDURE OF DE INSTITUTIONELE ORGANISATIE VAN DE GEMEENSCHAP.

2. OOK AL MACHTIGT ARTIKEL 149 EEG-VERDRAG DE RAAD, MET EENPARIGHEID VAN STEMMEN AF TE WIJKEN VAN EEN VOORSTEL VAN DE COMMISSIE, TOCH KAN HET NIET ALDUS WORDEN UITGELEGD, NOCH KAN DEZE WIJZE VAN BESLUITEN ALDUS WORDEN OPGEVAT, ALS ZOU DE RAAD IN DAT GEVAL ONTSLAGEN ZIJN VAN DE PLICHT DE OVERIGE VERDRAGSREGELS NA TE LEVEN, MET NAME DIE BETREFFENDE DE BEVOEGDHEIDSVERDELING TUSSEN DE GEMEENSCHAP EN DE LID-STATEN. BIJ TWIJFEL OVER DEZE VERDELING VAN BEVOEGDHEID INZAKE ONDERHANDELINGEN OVER OF HET SLUITEN VAN INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN, VERZET ARTIKEL 149 ZICH DUS ER NIET TEGEN DAT DE COMMISSIE OF, IN VOORKOMEND GEVAL, DE RAAD ZELF OF EEN LID-STAAT GEBRUIK MAAKT VAN DE PROCEDURE VAN ARTIKEL 228 TENEINDE DIE TWIJFEL TE DOEN WEGNEMEN.

3. EEN VERZOEK OM ADVIES KRACHTENS ARTIKEL 228 EEG-VERDRAG IS NIET VOORTIJDIG OP DE ENKELE GROND DAT OP HET TIJDSTIP WAAROP HET VERZOEK BIJ HET HOF WORDT INGEDIEND, ER NOG EEN AANTAL ALTERNATIEVEN BESTAAN TEN AANZIEN VAN DE TEKST VAN HET BEOOGDE AKKOORD EN MENINGSVERSCHILLEN OVER DE REDACTIE VAN BEPAALDE CLAUSULES.

EEN VERZOEK OM ADVIES OVER DE BEVOEGDHEID BIJ HET ONDERHANDELEN OVER EN HET SLUITEN VAN EEN AKKOORD, DAT IN EEN DERGELIJKE SITUATIE WORDT GEDAAN, IS TOELAATBAAR WANNEER HET ONDERWERP VAN DE OVEREENKOMST AL VOOR DE OPENING VAN DE ONDERHANDELINGEN BEKEND IS EN HET HOF OVER DE GEGEVENS BESCHIKT OP BASIS WAARVAN HET ZICH MET VOLDOENDE ZEKERHEID EEN OORDEEL KAN VORMEN OVER DE GESTELDE VRAAG. WANNEER HET OM EEN BEVOEGDHEIDSKWESTIE GAAT, IS HET IN HET BELANG VAN ALLE BETROKKEN STATEN, MET INBEGRIP VAN DERDE STATEN, DAT DIT PROBLEEM AL BIJ HET BEGIN VAN DE ONDERHANDELINGEN WORDT OPGELOST.

4. EEN EFFECTIEVE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK IS NIET MEER MOGELIJK WANNEER DE GEMEENSCHAP NIET OOK OVER MEER VERFIJNDE, VOOR DE ONTWIKKELING VAN DE INTERNATIONALE HANDEL BEDOELDE ACTIEMIDDELEN ZOU KUNNEN BESCHIKKEN. MEN MAG DERHALVE ARTIKEL 113 EEG-VERDRAG NIET EEN UITLEGGING OPDWINGEN WAARDOOR EEN GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK ZOU WORDEN BEPERKT TOT HET GEBRUIK VAN SLECHTS DIE INSTRUMENTEN DIE ENKEL DE TRADITIONELE ASPECTEN VAN DE BUITENLANDSE HANDEL VERMOGEN TE BEINVLOEDEN, ZOALS DE LIBERALISERING VAN HET HANDELSVERKEER, MET UITSLUITING VAN MEER VERFIJNDE REGELINGEN GERICHT OP DE ORDENING VAN DE MARKT VAN EEN BASISPRODUKT OP WERELDNIVEAU.

ARTIKEL 113 GEEFT DE GEMEENSCHAP DE BEVOEGDHEID, EEN OP "GEMEENSCHAPPELIJKE BEGINSELEN" GEBASEERDE HANDELS- "POLITIEK" TOT STAND TE BRENGEN, EN MAAKT DAARMEE DUIDELIJK DAT HET VRAAGSTUK VAN DE BUITENLANDSE HANDEL IN EEN GEEST VAN OPENHEID MOET WORDEN OPGELOST EN DAT MEN DAARBIJ NIET ENKEL OOG MOET HEBBEN VOOR HET BEHEER VAN BEPAALDE WELOMSCHREVEN STELSELS ZOALS DOUANEREGELINGEN EN KWANTITATIEVE BEPERKINGEN. TOT DEZELFDE CONCLUSIE LEIDT HET FEIT DAT DE OPSOMMING, IN ARTIKEL 113, VAN DE ONDERWERPEN VAN DE HANDELSPOLITIEK NIET LIMITATIEF IS EN ALS ZODANIG NIET DE DEUR MAG SLUITEN VOOR DE TOEPASSING, IN EEN GEMEENSCHAPPELIJK KADER, VAN ANDERE WERKWIJZEN TER REGELING VAN DE BUITENLANDSE HANDEL. EEN BEPERKENDE UITLEGGING VAN HET BEGRIP GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK BERGT HET GEVAAR IN ZICH VAN MOEILIJKHEDEN IN HET INTRACOMMUNAUTAIRE HANDELSVERKEER VANWEGE DE ONGELIJKHEDEN DIE DAN IN BEPAALDE SECTOREN VAN DE ECONOMISCHE BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN ZOUDEN BLIJVEN BESTAAN.

5. BIJ DE AFBAKENING VAN DE BEGRIPPEN "HANDELSPOLITIEK" EN "ECONOMISCH BELEID" IN HET STELSEL VAN HET VERDRAG MOET WORDEN OPGEMERKT DAT HET ECONOMISCH BELEID IN SOMMIGE BEPALINGEN, ZOALS DE ARTIKELEN 6 EN 145, ALS EEN ZAAK VAN NATIONAAL BELANG WORDT BESCHOUWD, TERWIJL HET IN ANDERE ALS EEN BELANG VAN DE GEMEENSCHAP WORDT GEZIEN, ZOALS IN DE ARTIKELEN 103 TOT EN MET 116, DIE ZIJN SAMENGEVAT IN EEN TITEL GEWIJD AAN "HET ECONOMISCH BELEID" VAN DE GEMEENSCHAP; TOT DEZE TITEL BEHOORT HET HOOFDSTUK OVER DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK.

WANNEER DE INTERNATIONALE SAMENWERKING OP ECONOMISCH GEBIED ALTHANS TEN DELE ONDER DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK VALT, DAN KAN ZIJ NIET ONDER DE NOEMER ALGEMEEN ECONOMISCH BELEID AAN DE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP WORDEN ONTTROKKEN.

6. GELET OP HET SPECIFIEKE KARAKTER VAN DE VERDRAGSBEPALINGEN BETREFFENDE DE HANDELSPOLITIEK - IN ZOVERRE ZIJ BETREKKING HEBBEN OP DE RELATIES MET DE DERDE LANDEN EN, VOLGENS ARTIKEL 113, UITGAAN VAN HET BEGRIP GEMEENSCHAPPELIJKE POLITIEK -, MAG MEN HUN DRAAGWIJDTE NIET BEPERKEN AAN DE HAND VAN MEER ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE HET ECONOMISCH BELEID, DIE UITGAAN VAN DE GEDACHTE VAN ENKEL COORDINATIE. WANNEER BIJGEVOLG DE STRUCTURERING VAN DE ECONOMISCHE BANDEN VAN DE GEMEENSCHAP MET DERDE LANDEN GEVOLGEN ZOU KUNNEN HEBBEN VOOR BEPAALDE SECTOREN VAN HET ECONOMISCH BELEID - ZOALS DE BEVOORRADING VAN DE GEMEENSCHAP MET GRONDSTOFFEN OF DE PRIJSPOLITIEK, ZOALS JUIST HET GEVAL IS BIJ DE REGULERING VAN DE INTERNATIONALE HANDEL IN BASISPRODUKTEN -, IS DAT GEEN REDEN OM DERGELIJKE ONDERWERPEN UIT TE SLUITEN VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN DE REGELS VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK. EVENZO IS DE OMSTANDIGHEID DAT EEN PRODUKT VANWEGE DE VORMING VAN VEILIGHEIDSVOORRADEN POLITIEK BELANGRIJK IS, GEEN REDEN OM HET BUITEN HET GEBIED VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK TE PLAATSEN.

7. DE ARTIKELEN 113 EN 116 HEBBEN EEN ZELFDE DOEL, IN DIE ZIN DAT BEIDE DE VERWEZENLIJKING VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJK BELEID INZAKE DE INTERNATIONALE ECONOMISCHE BETREKKINGEN BEOGEN. MAAR OP HET STUK VAN DE ACTIEMIDDELEN GAAN DE TWEE ARTIKELEN UIT VAN VERSCHILLENDE PREMISSEN EN VORMEN ZIJ MITSDIEN DE UITWERKING VAN VERSCHILLENDE CONCEPTIES. VOLGENS ARTIKEL 113 WORDT DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK DOOR DE GEMEENSCHAP BEPAALD - AUTONOOM, DAT WIL ZEGGEN DOOR DE GEMEENSCHAP ALS ZODANIG VIA HAAR EIGEN INSTELLINGEN; INZONDERHEID DE AKKOORDEN DIE KRACHTENS DIT ARTIKEL TOT STAND KOMEN, WORDEN, IN DE WOORDEN VAN ARTIKEL 114, "NAMENS DE GEMEENSCHAP GESLOTEN" EN DERHALVE WORDEN DE DESBETREFFENDE ONDERHANDELINGEN GEVOERD VOLGENS DE IN DEZE ARTIKELEN EN IN ARTIKEL 228 BEDOELDE PROCEDURES. DAARENTEGEN VOORZIET ARTIKEL 116 IN EEN GEZAMENLIJK OPTREDEN VAN DE LID-STATEN IN DE INTERNATIONALE ORGANISATIES WAARVAN DE GEMEENSCHAP GEEN LID IS; IN EEN DERGELIJKE SITUATIE IS HET ENIGE PASSENDE MIDDEL EEN GEZAMENLIJK EN SOLIDAIR OPTREDEN VAN DE LID-STATEN ALS LEDEN VAN BEDOELDE ORGANISATIES.

BIJ DE AFBAKENING VAN HET RESPECTIEVE TOEPASSINGSGEBIED VAN DE ARTIKELEN 113 EN 114 ENERZIJDS EN ARTIKEL 116 ANDERZIJDS MET BETREKKING TOT DE DEELNEMING VAN DE GEMEENSCHAP EN HAAR LID-STATEN AAN EEN INTERNATIONALE OVEREENKOMST WAAROVER IN HET KADER VAN EEN INTERNATIONALE ORGANISATIE WORDT ONDERHANDELD, GAAT HET IN DE EERSTE PLAATS OM DE VRAAG OF MET ZULKE ONDERHANDELINGEN WORDT BEOOGD TE KOMEN TOT EEN OVEREENKOMST IN DE ZIN VAN ARTIKEL 228, DAT WIL ZEGGEN EEN DOOR VOLKENRECHTELIJKE SUBJECTEN AANGEGANE VERBINTENIS MET VERBINDENDE KRACHT. IN ZO ' N GEVAL ZIJN DE VERDRAGSBEPALINGEN BETREFFENDE HET ONDERHANDELEN OVER EN HET SLUITEN VAN AKKOORDEN VAN TOEPASSING - MET ANDERE WOORDEN DE ARTIKELEN 113, 114 EN 228, EN NIET ARTIKEL 116.

8. MET BETREKKING TOT EEN INTERNATIONALE OVEREENKOMST DIE RESSORTEERT ONDER DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK IN DE ZIN VAN ARTIKEL 113 EEG-VERDRAG EN DE VERPLICHTING INHOUDT BIJ TE DRAGEN AAN DE FINANCIERING VAN EEN BUFFERVOORRAAD, KAN DE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP OM OVER DIE OVEREENKOMST TE ONDERHANDELEN EN ZE TE SLUITEN, AFHANGEN VAN DE FINANCIERINGSMODALITEITEN. ZO DE FINANCIERINGSLASTEN OP DE BEGROTING VAN DE GEMEENSCHAP DRUKKEN, IS DEZE BEVOEGD; KOMEN DIE LASTEN RECHTSTREEKS OP DE BEGROTINGEN VAN DE LID-STATEN TE DRUKKEN, DAN DIENEN ZIJ TEZAMEN MET DE GEMEENSCHAP AAN DE OVEREENKOMST DEEL TE NEMEN.

ZOLANG DE KWESTIE VAN DE VERDELING VAN DE LASTEN NIET IS OPGELOST, MOETEN DE LID-STATEN AAN DE ONDERHANDELINGEN OVER DE OVEREENKOMST KUNNEN DEELNEMEN.

9. DE "AFHANKELIJKE GEBIEDEN" WIER BUITENLANDSE BELANGEN DOOR EEN LID-STAAT WORDEN BEHARTIGD EN DIE NIET TOT DE GEMEENSCHAP BEHOREN, VERKEREN TEGENOVER DE GEMEENSCHAP IN EEN ZELFDE POSITIE ALS DERDE LANDEN. DERHALVE TREDEN DE LID-STATEN DIE DE BUITENLANDSE BELANGEN VAN DIE GEBIEDEN BEHARTIGEN, TEN OPZICHTE VAN EEN DOOR DE GEMEENSCHAP TE SLUITEN OVEREENKOMST IN TWEEERLEI HOEDANIGHEID OP : ENERZIJDS ALS LID VAN DE GEMEENSCHAP, ANDERZIJDS ALS VERTEGENWOORDIGER VAN DIE GEBIEDEN IN HET INTERNATIONALE VERKEER. DE POSITIE VAN EEN DERGELIJKE STAAT ALS LID VAN DE GEMEENSCHAP WORDT NIET AANGETAST DOOR HET FEIT DAT HIJ ALS INTERNATIONAAL VERTEGENWOORDIGER VAN BEDOELDE GEBIEDEN KAN OPTREDEN. MAAR DAN IS HET IN DEZE LAATSTE HOEDANIGHEID EN NIET ALS LID-STAAT VAN DE GEMEENSCHAP DAT HIJ AAN DE OVEREENKOMST MOET DEELNEMEN. DEZE BIJZONDERE POSITIE KAN DUS GEEN INVLOED UITOEFENEN OP DE OPLOSSING VAN HET PROBLEEM VAN DE AFBAKENING VAN DE BEVOEGDHEIDSSFEREN BINNEN DE GEMEENSCHAP.

Overwegingen van het arrest


1 OP 13 NOVEMBER 1978 HEEFT DE COMMISSIE KRACHTENS ARTIKEL 228, LID 1, TWEEDE ALINEA, EEG-VERDRAG BIJ HET HOF EEN VERZOEK INGEDIEND OM EEN ADVIES OVER DE VERENIGBAARHEID MET HET VERDRAG, VAN HET ONTWERP VAN EEN INTERNATIONALE OVEREENKOMST BETREFFENDE NATUURLIJKE RUBBER, WAAROVER MOMENTEEL WORDT ONDERHANDELD IN HET KADER VAN DE CONFERENTIE VAN DE VERENIGDE NATIES VOOR HANDEL EN ONTWIKKELING (UNCTAD), INZONDERHEID MET BETREKKING TOT DE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP OM DIE OVEREENKOMST TE SLUITEN.

2 DE COMMISSIE HEEFT DEZE STAP GENOMEN NA EEN MENINGSVERSCHIL, TUSSEN HAAR EN DE RAAD GEREZEN OVER DE AFBAKENING VAN DE RESPECTIEVE BEVOEGDHEDEN VAN DE GEMEENSCHAP EN DE LID-STATEN OM OVER DE OVEREENKOMST TE ONDERHANDELEN EN ZE TE SLUITEN. DE TEN DEZE DOOR DE COMMISSIE EN DE RAAD VERDEDIGDE STANDPUNTEN KUNNEN WORDEN SAMENGEVAT ALS VOLGT.

VOLGENS DE COMMISSIE VALT DE BEOOGDE OVEREENKOMST GEHEEL OF ALTHANS HOOFDZAKELIJK BINNEN HET KADER VAN ARTIKEL 113 EEG-VERDRAG BETREFFENDE DE EMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK. UIT DIEN HOOFDE IS DE GEMEENSCHAP BIJ UITSLUITING BEVOEGD OVER DE OVEREENKOMST TE ONDERHANDELEN EN ZE TE SLUITEN; BIJGEVOLG DIENT DE GEMEENSCHAP DOOR MIDDEL VAN HAAR INSTELLINGEN ALLE RECHTEN EN VERPLICHTINGEN OP ZICH TE NEMEN DIE AAN HAAR HOEDANIGHEID VAN PARTIJ BIJ DE OVEREENKOMST VERBONDEN ZIJN, MOET ZIJ OP GELIJKE VOET MET DE ANDERE PARTIJEN DEELNEMEN AAN DE INSTELLINGEN DIE IN DAT KADER ZULLEN WORDEN OPGERICHT, ER OVER EEN EIGEN STEMRECHT BESCHIKKEN EN DIT RECHT ENKEL VIA HAAR EIGEN VERTEGENWOORDIGERS UITOEFENEN.

VOLGENS DE RAAD REGELT DE OVEREENKOMST MEER DAN ALLEEN MAAR HANDELSPOLITIEKE ONDERWERPEN, ZODAT ER SPRAKE IS VAN EEN GEDEELDE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP EN DE LID-STATEN. DE OVEREENKOMST MOET DERHALVE, NAAR HET VOORBEELD VAN ANDERE GELIJKSOORTIGE OVEREENKOMSTEN, WORDEN GESLOTEN VOLGENS DE FORMULE VAN DE ZOGENOEMDE "GEMENGDE" OVEREENKOMST, DAT WIL ZEGGEN DOOR DE GEMEENSCHAP EN DE LID-STATEN TEZAMEN. DEZE FORMULE, DIE HAAR BRUIKBAARHEID REEDS HERHAALDELIJK HEEFT BEWEZEN - BIJ ASSOCIATIEREGELINGEN, BIJ ONDERHANDELINGEN IN DE CONTEXT VAN DE NOORD-ZUIDDIALOOG, EN BIJ EERDER GESLOTEN AKKOORDEN BETREFFENDE GRONDSTOFFEN -, HAD VOLGENS DE RAAD OP VOLSTREKT BEVREDIGENDE WIJZE UITDRUKKING KUNNEN GEVEN AAN DE EENHEID VAN DE GEMEENSCHAP OP INTERNATIONAAL VLAK.

3 BLIJKENS HET VOORGAANDE IS HET RECHT VAN DE GEMEENSCHAP OM AAN DE BEOOGDE OVEREENKOMST DEEL TE NEMEN, OP ZICH ZELF NIET OMSTREDEN. HET ENIGE PUNT IN GESCHIL IS, OF DE MATERIE VAN DE OVEREENKOMST GEHEEL TOT DE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP BEHOORT DAN WEL AANLEIDING GEEFT TOT EEN BEVOEGDHEIDSVERDELING IN DIE ZIN, DAT GEZAMENLIJKE DEELNEMING AAN DE OVEREENKOMST VAN DE GEMEENSCHAP EN DE LID-STATEN GERECHTVAARDIGD ZOU ZIJN.

I - VOORGESCHIEDENIS EN STAND VAN DE PROCEDURE

4 DE DEELNEMING VAN DE GEMEENSCHAP AAN INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN BETREFFENDE GRONDSTOFFEN IS NIET IETS GEHEEL NIEUWS. ZIJ IS IMMERS PARTIJ BIJ DE INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN BETREFFENDE TARWE (1967 EN 1971), CACAO (1972 EN 1975) EN KOFFIE (1976), ALSMEDE BIJ DE VIERDE EN VIJFDE OVEREENKOMST BETREFFENDE TIN (1970 EN 1975) (ZIE VOOR DE MEEST RECENTE OVEREENKOMSTEN, IN BOVENSTAANDE VOLGORDE : PB L 219 VAN 1974, BLZ. 34; PB L 321 VAN 1976, BLZ. 29; PB L 309 VAN 1976, BLZ. 28; PB L 222 VAN 1976, BLZ. 1). AL DEZE OVEREENKOMSTEN ZIJN GESLOTEN DOOR DE GEMEENSCHAP TEZAMEN MET DE LID-STATEN. VOOR DE GEMEENSCHAP ZIJN ZIJ IN WERKING GETREDEN OP BASIS VAN ARTIKEL 113 EEG-VERDRAG. DE GEMEENSCHAP HEEFT BOVENDIEN DEELGENOMEN AAN DE ONDERHANDELINGEN OVER INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN BETREFFENDE SUIKER EN OLIJFOLIE, MAAR HET UITEINDELIJK NIET WENSELIJK GEACHT TOT DEZE OVEREENKOMSTEN TOE TE TREDEN. OPGEMERKT ZIJ DAT OOK IN ENKELE BILATERALE HANDELSAKKOORDEN DIE DOOR DE GEMEENSCHAP OP BASIS VAN ARTIKEL 113 ZIJN GESLOTEN, CLAUSULES ZIJN TE VINDEN OVER DE HANDEL IN GRONDSTOFFEN OF GELIJKSOORTIGE PRODUKTEN, DIE IN SOMMIGE GEVALLEN BEVOORRADINGSGARANTIES OMVATTEN.

5 AANGEZIEN DE LOPENDE ONDERHANDELINGEN BETREFFENDE NATUURLIJKE RUBBER IN HET KADER VAN DE UNCTAD WORDEN GEVOERD, LIJKT HET WENSELIJK EERST IETS TE ZEGGEN OVER HET STATUUT VAN DIT ORGAAN, DAT IS VASTGESTELD BIJ RESOLUTIE 1975 (XIX) VAN DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE VERENIGDE NATIES VAN 30 DECEMBER 1964. VOLGENS DIT STATUUT HEEFT DE UNCTAD TOT TAAK "DE ONTWIKKELING TE BEVORDEREN VAN DE INTERNATIONALE HANDEL, VOORNAMELIJK MET HET OOG OP EEN VERSNELLING VAN DE ECONOMISCHE ONTWIKKELING, EN INZONDERHEID VAN DE HANDEL TUSSEN LANDEN MET EEN VERSCHILLEND ONTWIKKELINGSNIVEAU, TUSSEN ONTWIKKELINGSLANDEN EN TUSSEN LANDEN MET VERSCHILLENDE ECONOMISCHE EN SOCIALE STELSELS", ALSMEDE "BEGINSELEN EN EEN BELEID TE FORMULEREN INZAKE DE INTERNATIONALE HANDEL EN DE DAARMEE SAMENHANGENDE PROBLEMEN VAN ECONOMISCHE ONTWIKKELING". DAARTOE DIENT ZIJ INITIATIEVEN TE ONTPLOOIEN "MET HET OOG OP ONDERHANDELINGEN OVER EN DE VASTSTELLING VAN MULTILATERALE RECHTSINSTRUMENTEN OP HET GEBIED VAN DE INTERNATIONALE HANDEL" (II, 3, SUB A, B EN E, VAN DE GENOEMDE RESOLUTIE).

6 OP BASIS HIERVAN HEEFT DE ALGEMENE VERGADERING OP 1 MEI 1974 EEN VERKLARING EN EEN ACTIEPROGRAMMA VASTGESTELD INZAKE DE VESTIGING VAN EEN "NIEUWE INTERNATIONALE ECONOMISCHE ORDE" (RESOLUTIES 3201 EN 3202 (S-VI)), ALSMEDE OP 12 DECEMBER 1974 HET "HANDVEST VAN ECONOMISCHE RECHTEN EN PLICHTEN VAN STATEN" (RESOLUTIE 3281 (XXIX)). ONDER DE BEGINSELEN VAN DEZE "NIEUWE ECONOMISCHE ORDE" NOEMT RESOLUTIE 3201 (S-VI) "RECHTVAARDIGE EN BILLIJKE VERHOUDINGEN TUSSEN DE PRIJZEN VAN DE DOOR DE ONTWIKKELINGSLANDEN GEEXPORTEERDE GRONDSTOFFEN, BASISPRODUKTEN, EINDPRODUKTEN EN HALFFABRIKATEN EN DE PRIJZEN VAN DE DOOR HEN GEIMPORTEERDE GRONDSTOFFEN, BASISPRODUKTEN, EINDPRODUKTEN, UITRUSTING EN MATERIEEL, TENEINDE TEN GUNSTE VAN DEZE LANDEN EEN AANHOUDENDE VERBETERING VAN DE ONBEVREDIGENDE RUILVOET EN DE GROEI VAN DE WERELDECONOMIE TE BEWERKSTELLIGEN" (PAR. 4, 5). RESOLUTIE 3202 (S-VI) VERLANGT DAT AL HET MOGELIJKE WORDT GEDAAN OM EEN OMKERING TE BEWERKSTELLIGEN VAN "DE - ONDANKS EEN ALGEMENE STIJGING VAN DE GRONDSTOFFENPRIJZEN - AANHOUDENDE TENDENS TOT STAGNERENDE OF DALENDE REELE PRIJZEN VAN VERSCHILLENDE, DOOR DE ONTWIKKELINGSLANDEN UITGEVOERDE GRONDSTOFFEN, HETGEEN LEIDT TOT EEN VERMINDERING VAN DE EXPORTOPBRENGSTEN VAN DIE ONTWIKKELINGSLANDEN" (I, PAR. 1 C). DE RESOLUTIE BEVEELT VOORTS AAN, "DE OPSTELLING VAN OVEREENKOMSTEN BETREFFENDE GRONDSTOFFEN TE BESPOEDIGEN, TENEINDE DE WERELDMARKT VAN GRONDSTOFFEN EN BASISPRODUKTEN NAAR BEHOEFTE TE REGULARISEREN EN TE STABILISEREN", EN "EEN GLOBAAL GEINTEGREERD PROGRAMMA VOOR TE BEREIDEN DAT RICHTLIJNEN GEEFT EN REKENING HOUDT MET DE LOPENDE WERKZAAMHEDEN OP DIT GEBIED VOOR EEN GROTE REEKS GRONDSTOFFEN WAARVAN DE UITVOER VAN BELANG IS VOOR DE ONTWIKKELINGSLANDEN" (IBID. , PAR. 3, A, III, EN IV). OP BASIS VAN DEZE RESOLUTIES HEEFT DE UNCTAD TIJDENS HAAR VERGADERING TE NAIROBI OP 30 MEI 1976 RESOLUTIE 93 (IV) VASTGESTELD, DIE TOT TITEL HEEFT : "GEINTEGREERD PROGRAMMA VOOR GRONDSTOFFEN" (HIERNA : "RESOLUTIE VAN NAIROBI ").

7 DE RESOLUTIE VAN NAIROBI, DIE HET DIRECTE REFERENTIEKADER VORMT VOOR DE ONDERHANDELINGEN BETREFFENDE NATUURLIJKE RUBBER, BEVAT VERSCHEIDENE AANWIJZINGEN OMTRENT DE AARD VAN DE BEOOGDE OVEREENKOMST. DE RESOLUTIE HERINNERT ERAAN DAT HET GAAT OM EEN PROGRAMMA VOOR DE GRONDSTOFFEN WAARVAN DE UITVOER VAN BELANG IS VOOR DE ONTWIKKELINGSLANDEN, EN DAT EEN VAN DE HOOFDDOELEN MOET ZIJN, BESLUITEN TE NEMEN OVER "DE VERBETERING VAN DE MARKTSTRUCTUUR" VOOR DIE PRODUKTEN. ZIJ MAAKT OOK MELDING VAN DE GEDACHTE OM TOT DE INSTELLING TE KOMEN VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJK FONDS VOOR VERSCHILLENDE GRONDSTOFFEN. ZIJ ERKENT VOORTS DE NOODZAAK OM DE INTERNATIONALE HANDEL TE ORGANISEREN OP BASIS VAN WEDERZIJDS VOORDEEL EN BILLIJKE OPBRENGSTEN, REKENING HOUDEND MET DE BELANGEN VAN ALLE STATEN EN INZONDERHEID DIE VAN DE ONTWIKKELINGSLANDEN; TENSLOTTE WIJST ZIJ OP DE NOODZAAK "VAN EEN BREDE OPZET EN VAN EEN GEINTEGREERD PROGRAMMA VOOR GRONDSTOFFEN, DAT EEN GLOBAAL ACTIEPROGRAMMA IS TER VERBETERING VAN DE STRUCTUUR VAN DE INTERNATIONALE HANDEL IN GRONDSTOFFEN DIE VOOR DE ONTWIKKELINGSLANDEN VAN BELANG ZIJN, DAT BEANTWOORDT AAN DE BELANGEN VAN ALLE LANDEN, INZONDERHEID DIE VAN DE ONTWIKKELINGSLANDEN, EN DAT TEN VOLLE REKENING HOUDT MET ALLE BETROKKEN FACTOREN ZONDER DE BIJZONDERE KENMERKEN VAN ELK PRODUKT AFZONDERLIJK UIT HET OOG TE VERLIEZEN" (AL. 7, RESP. 14).

8 IN HET DISPOSITIEF (SUB I) VAN DE RESOLUTIE WORDT DE ALGEMENE EN FUNDAMENTELE DOELSTELLING VAN HET GEINTEGREERD PROGRAMMA OMSCHREVEN ALS "DE VERBETERING VAN DE RUILVOET VAN DE ONTWIKKELINGSLANDEN" EN DE OPHEFFING VAN "HET GEBREK AAN ECONOMISCH EVENWICHT TUSSEN ONTWIKKELDE LANDEN EN ONTWIKKELINGSLANDEN." DAARTOE ZIJN DE VOLGENDE DOELSTELLINGEN VASTGESTELD :

"1. EEN STABIELE HANDEL IN GRONDSTOFFEN VERZEKEREN DOOR DE PRIJZEN TE HANDHAVEN OP NIVEAUS DIE

A) LONEND EN RECHTVAARDIG ZIJN VOOR DE PRODUCENTEN EN BILLIJK VOOR DE CONSUMENTEN;

B)REKENING HOUDEN MET DE INFLATIE EN MET DE VERANDERINGEN IN DE ECONOMISCHE EN MONETAIRE WERELDSITUATIE;

C)HET EVENWICHT VAN VRAAG EN AANBOD IN HET KADER VAN EEN STEEDS GROEIENDE WERELDHANDEL IN GRONDSTOFFEN BEVORDEREN.

2. HET REELE INKOMEN VAN DE VERSCHILLENDE ONTWIKKELINGSLANDEN VERBETEREN EN OP PEIL HOUDEN DOOR HUN EXPORTOPBRENGSTEN TE VERGROTEN.

3. DE TOEGANG TOT DE MARKTEN EN HET VEILIG STELLEN VAN DE BEVOORRADING MET BASISPRODUKTEN VERBETEREN.

4. DE PRODUKTIE VAN DE ONTWIKKELINGSLANDEN DIVERSIFIEREN EN HUN INDUSTRIALISATIE BEVORDEREN.

5. DE CONCURRENTIEKRACHT VAN NATUURLIJKE PRODUKTEN TEN OPZICHTE VAN SYNTHETISCHE EN VERVANGINGSPRODUKTEN VERGROTEN.

6. DE MARKTSTRUCTUUR IN DE SECTOR GRONDSTOFFEN EN BASISPRODUKTEN VERBETEREN.

7. DE COMMERCIALISATIE-, DISTRIBUTIE- EN VERVOERSTELSELS VOOR DE DOOR DE ONTWIKKELINGSLANDEN UITGEVOERDE GRONDSTOFFEN VERBETEREN."

9 IN DEEL II GEEFT DE RESOLUTIE VAN NAIROBI EEN - NIET LIMITATIEVE - OPSOMMING VAN DE BETROKKEN PRODUKTEN, TE WETEN : BANANEN, BAUXIET, CACAO, KOFFIE, KOPER, KATOEN EN KATOENEN GARENS, HARDE VEZELS, IJZER, JUTE, MANGAAN, VLEES, FOSFATEN, RUBBER, SUIKER, THEE, TROPISCHE HOUTSOORTEN, TIN EN PLANTAARDIGE OLIEN. EEN GROOT AANTAL VAN DEZE PRODUKTEN ZIJN IN DE EERSTE PLAATS VOOR DE ONTWIKKELINGSLANDEN VAN BELANG; ENKELE ERVAN, ZOALS IJZER, VLEES, SUIKER EN PLANTAARDIGE OLIEN, WORDEN OOK DOOR DE GEMEENSCHAP GEPRODUCEERD. OPGEMERKT ZIJ DAT, ZOALS HIERVOOR WERD AANGEGEVEN, VOOR VERSCHEIDENE VAN DIE PRODUKTEN ER REEDS LANGERE TIJD OVEREENKOMSTEN BESTAAN.

10 NA TE HEBBEN VASTGESTELD DAT ER MAATREGELEN ZULLEN WORDEN GENOMEN MET HET OOG OP ONDERHANDELINGEN OVER EEN GEMEENSCHAPPELIJK FONDS, NOEMT DE RESOLUTIE IN DEEL III DE INTERNATIONALE MAATREGELEN DIE IN HET KADER VAN HET GEINTEGREERD PROGRAMMA MOETEN WORDEN GETROFFEN, MET NAME :

- INSTELLING VAN INTERNATIONALE REGELINGEN OP HET GEBIED VAN DE VOORRAADVORMING,

- HARMONISATIE VAN HET VOORRAADBELEID,

- INSTELLING VAN PRIJSREGELINGEN,

- VASTSTELLING VAN MAATREGELEN TOT REGULERING VAN HET AANBOD, DAARONDER BEGREPEN CONTINGENTERING VAN DE EXPORT, PRODUKTIEBELEID EN EVENTUEEL BEVOORRADINGS- EN AANKOOPVERPLICHTINGEN OP LANGE TERMIJN,

- VERBETERING EN UITBREIDING VAN FINANCIERINGSMOGELIJKHEDEN MET HET OOG OP DE GROEI VAN DE EXPORTOPBRENGSTEN VAN DE ONTWIKKELINGSLANDEN,

- VERBETERING VAN DE TOEGANG TOT DE MARKT,

- VERBETERING VAN DE INFRASTRUCTUUR EN DE INDUSTRIELE CAPACITEIT VAN DE ONTWIKKELINGSLANDEN,

- DE MOGELIJKHEID VAN BIJZONDERE MAATREGELEN VOOR GRONDSTOFFEN WAARVAN DE PROBLEMEN NIET DOOR MIDDEL VAN VOORRAADVORMING ADEQUAAT KUNNEN WORDEN OPGELOST.

11 NA ENKELE VOORBEREIDENDE VERGADERINGEN BESLOOT DE UNCTAD BEGIN 1978 ONDERHANDELINGEN TE OPENEN OVER EEN INTERNATIONALE OVEREENKOMST BETREFFENDE NATUURLIJKE RUBBER. DIT ZIJN DE EERSTE ONDERHANDELINGEN DIE INGEVOLGE DE RESOLUTIE VAN NAIROBI INZAKE HET "GEINTEGREERD PROGRAMMA" WORDEN GEVOERD.

12 MET HET OOG OP DEZE ONDERHANDELINGEN HEEFT DE COMMISSIE OP 22 NOVEMBER 1977 EN 24 MEI 1978 DE RAAD MEDEDELINGEN DOEN TOEKOMEN BETREFFENDE RICHTLIJNEN VOOR HET STANDPUNT VAN DE GEMEENSCHAP. DEZE STUKKEN BEVATTEN EEN OVERZICHT VAN DE WERKZAAMHEDEN IN HET KADER VAN DE UNCTAD, WAARAAN DE COMMISSIE HAD DEELGENOMEN, EN GEVEN ENKELE AANWIJZINGEN VOOR DE VOORBEREIDING VAN DE KOMENDE ONDERHANDELINGEN. NADAT DE OPENING HIERVAN OP 13 NOVEMBER 1978 WAS VASTGESTELD, HEEFT DE COMMISSIE OP 5 OKTOBER 1978 DE RAAD EEN "AANBEVELING" ALS BEDOELD IN ARTIKEL 113, LID 3, EEG-VERDRAG GEDAAN, MET EEN ONTWERP VAN EEN "BESLUIT BETREFFENDE DE ONDERHANDELINGEN OVER EEN INTERNATIONALE OVEREENKOMST INZAKE NATUURLIJKE RUBBER", ALSMEDE EEN ONTWERP VOOR "ONDERHANDELINGSRICHTLIJNEN". VOLGENS DIT ONTWERP ZOU DE COMMISSIE WORDEN GEMACHTIGD "NAMENS DE GEMEENSCHAP DE ONDERHANDELINGEN TE VOEREN OVEREENKOMSTIG DE DOOR DE RAAD VASTGESTELDE RICHTLIJNEN EN IN OVERLEG MET HET IN ARTIKEL 113 VAN HET VERDRAG BEDOELDE SPECIALE COMITE".

13 IN DE TOELICHTING BIJ HAAR AANBEVELING HEEFT DE COMMISSIE DE DEELNEMING VAN DE GEMEENSCHAP AAN DE OVEREENKOMST ALDUS GERECHTVAARDIGD : "ALLE REGELINGEN VAN DE OVEREENKOMST HEBBEN RECHTSTREEKSE EN WEZENLIJKE INVLOED OP OMVANG EN VOORWAARDEN VAN DE INTERNATIONALE HANDEL IN NATUURLIJKE RUBBER EN VALLEN DERHALVE ONDER DE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP OP BASIS VAN ARTIKEL 113 VAN HET VERDRAG VAN ROME. BIJGEVOLG NEEMT DE GEMEENSCHAP ZELF DE FINANCIELE TENUITVOERLEGGING VAN DE RUBBEROVEREENKOMST OP ZICH VIA EEN RECHTSTREEKSE BIJDRAGE UIT DE BEGROTING VAN DE GEMEENSCHAP".

14 AAN DE HAND VAN DEZE AANBEVELING HEEFT DE RAAD DE VRAGEN BETREFFENDE DE DEELNEMING VAN DE GEMEENSCHAP AAN DE BEOOGDE OVEREENKOMST ONDERZOCHT. TIJDENS ZIJN BIJEENKOMST VAN 17 OKTOBER 1978 HEEFT HIJ ZIJN GOEDKEURING GEHECHT AAN EEN PROCEDUREBESLUIT, VOORBEREID DOOR HET COMITE VAN PERMANENTE VERTEGENWOORDIGERS. DIT BESLUIT DRAAGT HET OPSCHRIFT "WIJZE VAN DEELNEMING AAN DE CONFERENTIE" EN LUIDT ALS VOLGT :

"DE GEMEENSCHAP EN HAAR LID-STATEN NEMEN AAN DE RUBBERONDERHANDELINGEN DEEL MET EEN COMMUNAUTAIRE DELEGATIE EN NEGEN NATIONALE DELEGATIES. DE COMMUNAUTAIRE DELEGATIE ZAL VOLGENS DE GEBRUIKELIJKE FORMULE ZIJN SAMENGESTELD UIT EEN GEMENGDE DELEGATIE (COMMISSIE EN VOORZITTER + EEN AMBTENAAR PER LID-STAAT).

1 - ZIE NOOT OP BLZ. 2876, RESP. BLZ. 2877.

DE ONDERHANDELINGEN WORDEN GEVOERD OP GROND VAN EEN VAN TEVOREN VASTGESTELD GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT.

VOOR DE GEBIEDEN VAN COMMUNAUTAIRE BEVOEGDHEID HEEFT DE COMMISSIE TOT TAAK NAMENS DE GEMEENSCHAP TE ONDERHANDELEN.

VOOR DE OVERIGE GEBIEDEN DIE VOOR DE GEMEENSCHAP VAN BIJZONDER BELANG ZIJN, WORDT GEDURENDE ALLE ONDERHANDELINGEN GEMEENSCHAPPELIJK OPGETREDEN; DE ROL VAN GEMEENSCHAPPELIJK WOORDVOERDER WORDT NORMAAL TOEVERTROUWD AAN DE VERTEGENWOORDIGER VAN DE COMMISSIE OVEREENKOMSTIG DE VOOR DE GEMENGDE DELEGATIES VASTGESTELDE PROCEDURE; DE INTERVENTIES VAN DE LID-STATEN VINDEN PLAATS IN HET KADER VAN HET VAN TEVOREN VASTGESTELDE GEMEENSCHAPPELIJKE STANDPUNT, TENEINDE DIT GEMEENSCHAPPELIJKE STANDPUNT TE ONDERSTEUNEN EN TE ONTWIKKELEN.

IN GEVAL VAN MOEILIJKHEDEN TER PLAATSE, WENDEN DE DELEGATIES ZICH TOT DE INSTANTIES VAN DE RAAD TE BRUSSEL."

15 IN HET TERZAKE AAN DE RAAD AANGEBODEN RAPPORT VAN HET COMITE VAN PERMANENTE VERTEGENWOORDIGERS WORDT VERKLAARD DAT HET OM EEN "PRAGMATISCHE FORMULE" GAAT, DIE GEBASEERD IS "OP DE MODALITEITEN DIE OOK REEDS BIJ ANDERE ONDERHANDELINGEN OVER GRONDSTOFFEN ZIJN TOEGEPAST"; VERDER WORDT VASTGESTELD DAT "DEZE FORMULE GEENSZINS AFBREUK DOET AAN DE TERZAKE DOOR DE VERSCHILLENDE DELEGATIES EN IN HET BIJZONDER DOOR DE COMMISSIE VERDEDIGDE JURIDISCHE STANDPUNTEN." IN EEN VOETNOOT ONDER HET RAPPORT WORDT GEZEGD : "VOLGENS DE COMMISSIE BEHOREN DE ONDERHANDELINGEN OVER DE ONDERHAVIGE OVEREENKOMST TOT DE UITSLUITENDE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP OP BASIS VAN ARTIKEL 113 EEG-VERDRAG. VERSCHEIDENE DELEGATIES DAARENTEGEN MENEN DAT DEZE ONDERHANDELINGEN IN EEN RUIMERE CONTEXT DAN DIE VAN ARTIKEL 113 MOETEN WORDEN GEZIEN, EN VOLGENS ENKELE VAN DEZE DELEGATIES ZIJN DE ARTIKELEN 113 EN 116 VAN TOEPASSING."

16 DE DEELNEMING AAN DE ONDERHANDELINGEN, DIE OP DE VASTGESTELDE DATUM IN HET KADER VAN DE UNCTAD ZIJN BEGONNEN, GESCHIEDDE OVEREENKOMSTIG HET BESLUIT VAN DE RAAD. OPMERKING VERDIENT NOG, DAT DE RAAD, EVENEENS OP VOORSTEL VAN DE COMMISSIE, OP 15 NOVEMBER 1978 EEN "GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT" VOOR DE ONDERHANDELINGEN HEEFT VASTGESTELD, MET DIEN VERSTANDE DAT DE VERDERE UITWERKING HIERVAN IN ONDERLING OVERLEG TER PLAATSE, TE GENEVE, ZOU GESCHIEDEN EN DAT IN GEVAL VAN MOEILIJKHEDEN CONTACT ZOU WORDEN OPGENOMEN MET DE INSTANTIES VAN DE RAAD TE BRUSSEL.

17 NADAT DE COMMISSIE HAD GECONSTATEERD DAT HAAR KRACHTENS ARTIKEL 113 GEDANE AANBEVELING BETREFFENDE DE ONDERHANDELINGSMODALITEITEN BIJ HET BESLUIT VAN 17 OKTOBER 1978 STILZWIJGEND WAS AFGEWEZEN, HEEFT ZIJ TERSTOND BIJ HET HOF EEN VERZOEK OM ADVIES KRACHTENS ARTIKEL 228 INGEDIEND, TENEINDE OPHELDERING TE VERKRIJGEN OVER HAAR MENINGSVERSCHIL MET DE RAAD. DE RAAD HEEFT OP 19 FEBRUARI 1979 SCHRIFTELIJKE OPMERKINGEN INGEDIEND. ROND DEZELFDE DATUM ZIJN MEMORIES INGEDIEND DOOR DE REGERING VAN DE FRANSE REPUBLIEK EN DE REGERING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK, DIE DE CONCLUSIES VAN DE RAAD ONDERSTEUNEN. HET HOF HEEFT DE COMMISSIE EN DE RAAD UITGENODIGD VOOR EEN (NIET-OPENBARE) HOORZITTING OP 9 MEI 1979, WAAROP ZIJ HUN RESPECTIEVE STANDPUNTEN HEBBEN KUNNEN TOELICHTEN EN DE DOOR VERSCHEIDENE LEDEN VAN HET HOF GESTELDE VRAGEN HEBBEN BEANTWOORD. DE REGERINGEN VAN DE LID-STATEN ZIJN EVENEENS VAN DEZE HOORZITTING IN KENNIS GESTELD. HET HOF HEEFT, OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 108 VAN HET REGLEMENT VOOR DE PROCESVOERING, DE ADVOCATEN-GENERAAL IN RAADKAMER GEHOORD.

II - ANALYSE VAN DE ONTWERP-OVEREENKOMST

18 DE COMMISSIE HEEFT ZICH TOT HET HOF GEWEND OP HET MOMENT WAAROP DE ONDERHANDELINGEN, NA VOORBEREIDENDE BESPREKINGEN IN HET KADER VAN DE UNCTAD, OFFICIEEL ZOUDEN WORDEN GEOPEND. DE AAN HET HOF OVERGELEGDE DOCUMENTEN HEBBEN DAN OOK BETREKKING OP EEN VERSIE VAN DE TEKSTEN WAAROVER GING WORDEN ONDERHANDELD. NA DE INDIENING VAN HET VERZOEK HEBBEN TWEE ONDERHANDELINGSZITTINGEN PLAATSGEVONDEN, WAARVAN DE EERSTE ZOALS VOORZIEN OP 13 NOVEMBER 1978 IS BEGONNEN, TERWIJL DE TWEEDE, VOORBEREID DOOR EEN AANVULLENDE MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD OVER DE STAND VAN DE WERKZAAMHEDEN, IN MAART EN APRIL 1979 IS GEHOUDEN.

19 NA DEZE LAATSTE ZITTING HEEFT DE COMMISSIE HET HOF DE ONDERHANDELINGSDOCUMENTEN MET DE LAATSTE STAND VAN DE TEKSTEN OVERGELEGD. HET VERST GEVORDERDE STADIUM IS BELICHAAMD IN EEN STUK VAN DE VOORZITTER VAN DE CONFERENTIE BETREFFENDE DE INSTELLING VAN EEN BUFFERVOORRAAD VOOR NATUURLIJKE RUBBER, DE FINANCIERING VAN DEZE VOORRAAD EN DE TOEKOMSTIGE SAMENHANG ERVAN MET HET "GEMEENSCHAPPELIJK FONDS", DE GARANTIE VAN EEN REGELMATIGE BEVOORRADING VAN DE VERBRUIKERSLANDEN, EN DE RAADPLEGING OVER NATIONALE POLITIEKEN DIE HET AANBOD VAN OF DE VRAAG NAAR RUBBER KUNNEN BEINVLOEDEN. VOLGENS DE DOOR DE COMMISSIE VERSTREKTE EN DOOR DE RAAD NIET WEERSPROKEN INLICHTINGEN IS OVER DEZE TEKST EENSTEMMIGHEID BEREIKT TUSSEN CONSUMENTEN- EN VERBRUIKERS LANDEN. DRIE ANDERE DOCUMENTEN, OPGESTELD DOOR DE JURIDISCHE REDACTIECOMMISSIE EN DOOR CONFERENTIECOMMISSIES, BEHANDELEN, NAAST VERSCHILLENDE ONDERGESCHIKTE BEPALINGEN BETREFFENDE DE WERKING VAN DE BUFFERVOORRAAD, DE STRUCTURELE, FINANCIELE EN JURIDISCHE ASPECTEN VAN DE OVEREENKOMST. DEZE TEKSTEN BEVATTEN NOG EEN AANTAL VOORBEHOUDEN EN VARIANTEN, MAAR IN HUN GEHEEL GENOMEN GEVEN ZIJ EEN VOLDOENDE NAUWKEURIG INZICHT IN DE HOOFDLIJNEN VAN DE OVEREENKOMST. VOOR ZOVER VAN BELANG VOOR HET ONDERHAVIGE ADVIES, KUNNEN DEZE KENMERKEN WORDEN SAMENGEVAT ALS VOLGT.

A) HET ECONOMISCH DOEL VAN DE OVEREENKOMST

20 HET VOORNAAMSTE DOEL VAN DE INTERNATIONALE OVEREENKOMST BETREFFENDE NATUURLIJKE RUBBER IS HET TOT STAND BRENGEN VAN EEN EVENWICHT TUSSEN VRAAG EN AANBOD, TENEINDE DE PRIJS VAN NATUURLIJKE RUBBER TE STABILISEREN ROND EEN TENDENTIE OP LANGE TERMIJN. DEZE PRIJS MOET DE EXPORTERENDE LANDEN STABIELE EXPORTOPBRENGSTEN GARANDEREN EN TEGELIJKERTIJD DE VEILIGHEID VAN DE BEVOORRADING DER IMPORTERENDE LANDEN TEGEN BILLIJKE PRIJZEN WAARBORGEN. DOOR DEZE PRIJSPOLITIEK MOET DE CONCURRENTIEKRACHT VAN NATUURLIJKE RUBBER TEGENOVER SYNTHETISCHE RUBBER EN VERVANGINGSPRODUKTEN WORDEN VERSTERKT, TERWIJL DE PRODUKTIE VAN LAATSTBEDOELDE PRODUKTEN IN DE IMPORTERENDE LANDEN MOET WORDEN AFGESTEMD OP DE INVOER VAN NATUURLIJKE RUBBER. IN HAAR GEHEEL GENOMEN WIL DE OVEREENKOMST ALDUS EEN EVENWICHTIGE GROEI VAN ZOWEL DE PRODUKTIE ALS HET VERBRUIK VAN NATUURLIJKE RUBBER BEVORDEREN, TENEINDE HET HOOFD TE BIEDEN AAN DE ERNSTIGE MOEILIJKHEDEN DIE VOOR DE BETROKKEN PARTIJEN VOORTVLOEIEN UIT DE CONJUNCTUURGEBONDEN OVERSCHOT- EN SCHAARSTESITUATIES.

21 DIT DOEL MOET WORDEN VERWEZENLIJKT DOOR DE VORMING VAN EEN BUFFERVOORRAAD DIE DE RUBBEROVERSCHOTTEN IN PERIODES VAN DALENDE PRIJZEN OPKOOPT EN DE OPGESLAGEN RUBBER IN PERIODES VAN STIJGENDE PRIJZEN VERKOOPT, ZODAT DE PRIJS BINNEN EEN TEVOREN VASTGESTELDE FLUCTUATIEMARGE BLIJFT. EEN VAN DE BELANGRIJKSTE STRIJDPUNTEN BIJ DE ONDERHANDELINGEN IS DE VASTSTELLING VAN DE CENTRALE REFERENTIEPRIJS EN DE FLUCTUATIEMARGES AAN WEERSZIJDEN DAARVAN, BIJ OVERSCHRIJDING WAARVAN DE BUFFERVOORRAAD, NAAR GELANG VAN HET GEVAL, KAN OF MOET INTERVENIEREN. DE BEOOGDE REFERENTIEPRIJZEN ZIJN GEEN MINIMUM- OF MAXIMUM-GARANTIEPRIJZEN, MAAR DE DREMPEL DIE HET BUFFERVOORRAADMECHANISME IN WERKING STELT; DE MARKTPRIJS WORDT DOOR VRAAG EN AANBOD BEPAALD. NAAST DE NORMALE BUFFERVOORRAAD, WAARVAN DE OMVANG IS BEPAALD OP 400 000 TON, IS DE INSTELLING VOORZIEN VAN EEN AANVULLENDE NOODVOORRAAD VAN 150 000 TON, VOOR HET GEVAL HET MECHANISME VAN DE NORMALE BUFFERVOORRAAD ONVOLDOENDE ZOU BLIJKEN OM EEN EINDE TE MAKEN AAN EEN UITZONDERLIJKE PRIJSDALING.

22 HET PROBLEEM VAN DE FINANCIERING VAN DE BUFFERVOORRAAD HEEFT AANVANKELIJK AANLEIDING GEGEVEN TOT MENINGSVERSCHILLEN TUSSEN DE DELEGATIES : SOMMIGE WENSTEN FINANCIERING DOOR MIDDEL VAN EEN HEFFING OP DE HANDEL IN HET BETROKKEN PRODUKT, ANDERE GAVEN DE VOORKEUR AAN FINANCIERING DOOR DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN UIT HUN OPENBARE MIDDELEN, VOLGENS EEN BILLIJKE VERDELING TUSSEN DE PRODUCENTEN- EN DE VERBRUIKERSGROEP. BLIJKENS DE MEEST RECENTE DOCUMENTEN IS VOOR DEZE LAATSTE OPLOSSING GEKOZEN, MET DIEN VERSTANDE EVENWEL DAT HET IEDERE PARTIJ ZAL VRIJ STAAN HET ORGAAN AAN TE WIJZEN DAT DE DOOR DIE PARTIJ VERSCHULDIGDE BIJDRAGEN ZAL VOLDOEN. IN HETZELFDE DOCUMENT WORDT VERKLAARD DAT DE INTERNATIONALE RUBBERRAAD GEBRUIK ZAL MAKEN VAN DE FINANCIERINGSFACILITEITEN VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK FONDS, ZODRA DIT IN WERKING ZAL ZIJN GETREDEN.

B) DE STRUCTUUR VAN DE OVEREENKOMST

23 VOOR DE TENUITVOERLEGGING VAN DE BEPALINGEN VAN DE OVEREENKOMST ZAL EEN "INTERNATIONALE ORGANISATIE VOOR NATUURLIJKE RUBBER" WORDEN OPGERICHT. LID VAN DEZE ORGANISATIE ZIJN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN, MET DIEN VERSTANDE DAT DIT ZOWEL STATEN KUNNEN ZIJN ALS INTERGOUVERNEMENTELE ORGANISATIES DIE BEVOEGD ZIJN OVER INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN, INZONDERHEID OVEREENKOMSTEN BETREFFENDE GRONDSTOFFEN, TE ONDERHANDELEN, DEZE TE SLUITEN EN TOE TE PASSEN. OVER DE REDACTIE VAN DE CLAUSULE BETREFFENDE DEZE LAATSTE MOGELIJKHEID IS NOG GEEN OVEREENSTEMMING BEREIKT; HET SCHIJNT ECHTER ZEKER, DAT DE OVEREENKOMST OFWEL UITDRUKKELIJK DE EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP ALS MOGELIJKE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJ ZAL NOEMEN, OFWEL EEN ALGEMENE FORMULERING ZAL BEZIGEN DIE RUIM GENOEG IS OM DE GEMEENSCHAP IN STAAT TE STELLEN AAN DE OVEREENKOMST DEEL TE NEMEN.

24 DE HOOGSTE AUTORITEIT VAN DE ORGANISATIE IS DE INTERNATIONALE RUBBERRAAD, WAARVAN ALLE LEDEN VAN DE ORGANISATIE DEEL UITMAKEN. DE RAAD BENOEMT EEN DIRECTEUR ALSMEDE EEN BEHEERDER VAN DE BUFFERVOORRAAD, DIE OVER HET VOOR HET BEHEER VAN DE OVEREENKOMST NOODZAKELIJKE PERSONEEL ZULLEN KUNNEN BESCHIKKEN. DE RAAD OEFENT ALLE BEVOEGDHEDEN UIT EN VERVULT ALLE FUNCTIES DIE VOOR DE TENUITVOERLEGGING VAN DE BEPALINGEN VAN DE OVEREENKOMST NOODZAKELIJK ZIJN. TE DIEN EINDE KAN HIJ REGELINGEN VASTSTELLEN, MET NAME VOOR HET BEHEER VAN DE BUFFERVOORRAAD, ALSMEDE DE FINANCIELE REGELS VAN DE ORGANISATIE. DE RAAD KAN COMMISSIES INSTELLEN EN DAARAAN SOMMIGE VAN ZIJN BEVOEGDHEDEN DELEGEREN.

25 DE BESLUITVORMING BINNEN DE RAAD WORDT GEREGELD DOOR BEPALINGEN DIE IN OVEREENKOMSTEN VAN DEZE AARD GEBRUIKELIJK ZIJN. DE PARTIJEN ZIJN VERDEELD IN TWEE GROEPEN : EXPORTERENDE LEDEN EN IMPORTERENDE LEDEN. ELK VAN BEIDE GROEPEN HEEFT IN TOTAAL 1 000 STEMMEN. BINNEN ELKE GROEP WORDEN DE STEMMEN OP TWEE VERSCHILLENDE MANIEREN VERDEELD. EEN EERSTE DEEL VAN DE BESCHIKBARE STEMMEN (100-200, AL NAAR GELANG DE VOORGESTELDE VARIANTEN) WORDT GELIJKELIJK VERDEELD ONDER DE LEDEN VAN DE BETROKKEN GROEP; DE REST (D.W.Z. 800-900 STEMMEN) WORDT VERDEELD OVEREENKOMSTIG HET AANDEEL IN DE IMPORT, RESPECTIEVELIJK DE EXPORT VAN RUBBER, DAT ELK DER PARTIJEN BEZIT. DEZE AANDELEN WORDEN BEREKEND AAN DE HAND VAN DE OMVANG VAN HET DOUANEGEBIED VAN ELKE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJ, HETGEEN STELLIG ERTOE ZAL LEIDEN DAT VOOR DE GEMEENSCHAP EEN GLOBAAL AANDEEL WORDT VASTGESTELD. AANGEZIEN DE GEMEENSCHAP EEN VAN DE TWEE GROOTSTE RUBBERVERBRUIKERS TER WERELD IS (22 A 23 % VAN DE WERELDIMPORT, EVEN VEEL ALS DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA), ZAL ZIJ IN DE GROEP VAN DE IMPORTEURS EEN RELATIEF STERKE POSITIE INNEMEN.

26 VOLGENS DE OVEREENKOMST BESLUIT DE RAAD MET MEERDERHEID VAN STEMMEN, HETZIJ EEN EENVOUDIGE (AANGEDUID ALS : "VERDEELDE EENVOUDIGE MEERDERHEID") HETZIJ AAN GEKWALIFICEERDE ("BIJZONDERE") MEERDERHEID, VOLGENS DE NAVOLGENDE STEMREGELING : DE EXPORTEURS- EN DE IMPORTEURSGROEP STEMMEN AFZONDERLIJK EN EEN BESLUIT IS SLECHTS GENOMEN INDIEN DE VEREISTE MEERDERHEID (TWEE-DERDE VAN DE STEMMEN VOOR "BIJZONDERE MEERDERHEID" EN DE HELFT VAN DE STEMMEN BIJ "VERDEELDE EENVOUDIGE MEERDERHEID") IN ELK VAN BEIDE GROEPEN IS BEREIKT.

C) ANDERE BEPALINGEN

27 NAAST DE GEBRUIKELIJKE STANDAARDCLAUSULES BEVAT DE ONTWERP-OVEREENKOMST EEN AANTAL BEPALINGEN VAN JURIDISCH-ADMINISTRATIEVE AARD. DEZE BETREFFEN ONDER MEER HET STATUUT VAN DE ORGANISATIE, DE FINANCIELE REGELS, EEN KLACHTPROCEDURE VOOR HET GEVAL EEN LID ZIJN VERPLICHTINGEN NIET NAKOMT, EN EEN GESCHILLENREGELING.

VOORTS KAN WORDEN GEWEZEN OP VERSCHEIDENE BEPALINGEN VAN ECONOMISCHE AARD BETREFFENDE DE TAAK VAN DE INTERNATIONALE RUBERRAAD, ONDER MEER MET BETREKKING TOT STUDIES OVER DE VERBETERING VAN DE PRODUKTIE EN COMMERCIALISATIE VAN RUBBER, HET VERZAMELEN EN PUBLICEREN VAN STATISTISCHE GEGEVENS, ALSMEDE, VOLGENS DE VOORSTELLEN VAN BEPAALDE DELEGATIES, DE ARBEIDSVOORWAARDEN IN DE RUBBERINDUSTRIE EN DE FISCALE BEHANDELING VAN RUBBEREXPORTEN.

III - PRELIMINAIRE BEZWAREN MET BETREKKING TOT DE TOELAATBAARHEID VAN HET VERZOEK

28 DE RAAD HEEFT UITING GEGEVEN AAN TWIJFEL IN VERBAND MET DE VRAAG OF HET VERZOEK OM ADVIES VAN DE COMMISSIE NIET PREMATUUR IS EN, BOVENDIEN, NIET EEN ONJUIST GEBRUIK VAN DE PROCEDURE VAN ARTIKEL 228 VORMT, DOORDAT ERMEE WORDT BEOOGD, HET HOF VRAGEN TE DOEN BESLISSEN DIE NIET IN DEZE PROCEDURE THUISHOREN. DEZE OPVATTING WORDT GEDEELD DOOR DE REGERING VAN DE FRANSE REPUBLIEK EN DE REGERING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK. DE FRANSE REGERING HEEFT INZONDERHEID VERKLAARD VAN MENING TE ZIJN DAT HET VERZOEK VAN DE COMMISSIE NIET-ONTVANKELIJK IS EN MISBRUIK VAN PROCEDURE TEN AANZIEN VAN ARTIKEL 228 OPLEVERT.

SUBSIDIAIR, EN IN ALLE GEVAL, GEEFT DE RAAD HET HOF IN OVERWEGING, ZIJN UITSPRAAK AAN TE HOUDEN TOT HET TIJDSTIP WAAROP DE ONDERHANDELINGEN VERDER ZULLEN ZIJN GEVORDERD.

A) HET BEROEP OP ARTIKEL 228

29 VOLGENS DE RAAD VALT HET VERZOEK OM ADVIES VAN DE COMMISSIE NIET BINNEN DE TERMEN VAN ARTIKEL 228. DE ZIENSWIJZE DIE AAN DIT STANDPUNT TEN GRONDSLAG LIJKT TE LIGGEN, IS DAT DEZE PROCEDURE ZICH NIET LEENT VOOR HET BESLISSEN VAN VRAGEN BETREFFENDE DE BEVOEGDHEIDSVERDELING INZAKE BUITENLANDSE BETREKKIN GEN, EN MET NAME VAN VRAGEN VAN ALGEMENE STREKKING BETREFFENDE DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 113 EN DE WETTIGHEID VAN DE PRAKTIJK DER ZOGENAAMDE "GEMENGDE" AKKOORDEN, GETOETST AAN DEZE BEPALING. HET REEDS LANG BESTAANDE MENINGSVERSCHIL TUSSEN DE RAAD EN DE COMMISSIE OVER DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 113 MOET VOLGENS DE RAAD ZIJN OPLOSSING VINDEN - EN HEEFT DIE TOT NU TOE OOK GEVONDEN - IN DE REGELING VAN ARTIKEL 149 VAN HET VERDRAG, DAT DE VOORWAARDEN OMSCHRIJFT WAARONDER DE COMMISSIE DEELNEEMT AAN DE TOTSTANDKOMING VAN BESLUITEN VAN DE RAAD. DE DOOR DE COMMISSIE VOORGESTELDE RECHTSGRONDSLAG VOOR EEN DOOR DE RAAD VAST TE STELLEN BESLUIT (ZOWEL IN DE INTERNE ALS IN DE EXTERNE SFEER) VORMT EEN INTEGREREND DEEL VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE : INDIEN DE RAAD MEENT DAT DE VOORGESTELDE MAATREGEL NIET KAN STEUNEN OP DE VOORGESTELDE RECHTSGRONDSLAG, KAN HIJ MET EENPARIGHEID VAN STEMMEN BESLUITEN, DIE RECHTSGRONDSLAG TE WIJZIGEN.

30 IN VROEGERE UITSPRAKEN HEEFT HET HOF EROP GEWEZEN DAT BIJ DE PROCEDURE VAN ARTIKEL 228 - ZOALS BIJ DIE VAN ARTIKEL 103 EGA-VERDRAG - ALLE VRAGEN KUNNEN WORDEN AANGESNEDEN WAARVAN DE VERENIGBAARHEID VAN EEN BEOOGD AKKOORD MET DE VERDRAGSBEPALINGEN KAN AFHANGEN (ADVIES 1/75 VAN 11 NOVEMBER 1975, JURISPR. 1975, BLZ. 1355, DEEL A; ADVIES 1/76 VAN 26 APRIL 1977, JURISPR. 1977, BLZ. 741, NR. 10; UITSPRAAK 1/78 KRACHTENS ARTIKEL 103 EGA-VERDRAG VAN 14 NOVEMBER 1978, JURISPR. 1978, BLZ. 2151, NR. 5). UIT DEZE UITSPRAKEN VOLGT DAT IMMERS HET OORDEEL OVER DE VERENIGBAARHEID VAN EEN AKKOORD MET HET VERDRAG NIET ENKEL KAN AFHANGEN VAN BEPALINGEN VAN MATERIEEL RECHT, MAAR OOK VAN DIE BERTREFFENDE DE BEVOEGDHEID, DE PROCEDURE OF DE INSTITUTIONELE ORGANISATIE VAN DE GEMEENSCHAP. DEZELFDE OPVATTING KOMT OVERIGENS TOT UITDRUKKING IN ARTIKEL 107 VAN'S HOFS REGLEMENT VOOR DE PROCESVOERING.

31 ARTIKEL 149, WAAR DE RAAD ZICH OP BEROEPT, ZEGT DUIDELIJK DAT WANNEER OP GROND VAN HET VERDRAG EEN BESLUIT VAN DE RAAD WORDT GENOMEN OP VOORSTEL VAN DE COMMISSIE, DE RAAD SLECHTS MET EENPARIGHEID VAN STEMMEN VAN DAT VOORSTEL KAN AFWIJKEN. DEZE BEPALING KAN EVENWEL NIET ALDUS WORDEN UITGELEGD, NOCH KAN DEZE WIJZE VAN BESLUITEN ALDUS WORDEN OPGEVAT, ALS ZOU DE RAAD IN DAT GEVAL ONTSLAGEN ZIJN VAN DE PLICHT DE OVERIGE VERDRAGSREGELS NA TE LEVEN, MET NAME DIE BETREFFENDE DE BEVOEGDHEIDSVERDELING TUSSEN DE GEMEENSCHAP EN DE LID-STATEN. HIERUIT VOLGT DAT BIJ TWIJFEL OVER DEZE VERDELING VAN BEVOEGDHEID INZAKE ONDERHANDELINGEN OVER EN HET SLUITEN VAN INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN, ARTIKEL 149 ZICH NIET ERTEGEN VERZET DAT DE COMMISSIE OF, IN VOORKOMEND GEVAL, DE RAAD ZELF OF EEN LID-STAAT GEBRUIK MAAKT VAN DE PROCEDURE VAN ARTIKEL 228 TENEINDE DIE TWIJFEL TE DOEN WEGNEMEN.

B) DE VOORTIJDIGHEID VAN HET VERZOEK OM ADVIES

32 DE TEGENWERPING DAT HET VERZOEK OM ADVIES PREMATUUR IS, IS HIEROP GEBASEERD DAT DE ONDERHANDELINGEN OP HET MOMENT WAAROP DE COMMISSIE HAAR VERZOEK INDIENDE, ZICH NOG IN EEN WEINIG GEVORDERD STADIUM BEVONDEN. VOLGENS DE RAAD BESTAAT ER NOG GEEN "BEOOGD AKKOORD" IN DE ZIN VAN ARTIKEL 228 EN KAN DERHALVE NIET MET DE GEWENSTE NAUWKEURIGHEID WORDEN VASTGESTELD WAT HET DOEL VAN HET AKKOORD ZAL ZIJN EN WELKE CLAUSULES HET ZAL BEVATTEN, OM VERVOLGENS MET KENNIS VAN ZAKEN TE KUNNEN UITMAKEN WELKE ONDERDELEN VAN DE BETROKKEN OVEREENKOMST ONDER DE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP EN WELKE ONDER DIE VAN DE LID-STATEN VALLEN. DE FRANSE REGERING HEEFT ER INZONDERHEID OP GEWEZEN DAT DE INDIENING VAN HET VERZOEK IN DEZE FASE VERSCHEIDENE ACHTEREENVOLGENDE ADVIEZEN VAN HET HOF NOODZAKELIJK ZOU KUNNEN MAKEN, NAARMATE DE ONDERHANDELINGEN, WAARVAN HET EINDRESULTAAT NOG NIET IS TE VOORZIEN, VORDEREN. DAAROM ZIJN DE RAAD EN DE HEM ONDERSTEUNENDE REGERINGEN VAN MENING DAT MEN OP ZIJN MINST HET EINDE VAN DE ONDERHANDELINGEN ZOU MOETEN AFWACHTEN OM EEN OORDEEL TE KUNNEN UITSPREKEN.

33 IN DEZE OMSTANDIGHEDEN MOEST HET HOF ZICH DE VRAAG STELLEN OF HET VERZOEK OM ADVIES OP HET JUISTE MOMENT WAS INGEDIEND. HET IS TOT DE SLOTSOM GEKOMEN DAT HET VERZOEK VAN DE COMMISSIE IN DIT STADIUM TOELAATBAAR IS, EN WEL OM TWEE REDENEN.

34 IN DE EERSTE PLAATS BLIJKT UIT DE VERSLAGEN DIE DE COMMISSIE BIJ DE RAAD HEEFT INGEDIEND TOEN ZIJ OM EEN OMSCHRIJVING VAN HET ONDERHANDELINGSMANDAAT VERZOCHT, DAT HET ONDERWERP VAN DE BEOOGDE OVEREENKOMST REEDS TOEN - DAT WIL ZEGGEN VOOR DE OPENING VAN DE ONDERHANDELINGEN - BEKEND WAS. IN ELK GEVAL, OOK AL ZIJN ER OP DIT MOMENT NOG EEN AANTAL ALTERNATIEVEN EN MENINGSVERSCHILLEN OVER DE REDACTIE VAN BEPAALDE CLAUSULES, OP GROND VAN DE AAN HET HOF OVERGELEGDE DOCUMENTEN EN DE TER HOORZITTING DOOR PARTIJEN VERSTREKTE GEGEVENS KAN MEN ZICH MET VOLDOENDE ZEKERHEID EEN OORDEEL VORMEN OVER DE DOOR DE COMMISSIE GESTELDE VRAAG.

35 IN DE TWEEDE PLAATS VALT NIET TE ONTKENNEN DAT DE COMMISSIE ER BELANG BIJ HAD, TERSTOND NADAT HAAR MENINGSVERSCHIL MET DE RAAD INZAKE DE BEVOEGDHEID OM OVER DE BEOOGDE OVEREENKOMST TE ONDERHANDELEN EN ZE TE SLUITEN, AAN DE DAG WAS GETREDEN, HAAR VERZOEK IN TE DIENEN, ZULKS TE MEER NU SOORTGELIJKE TWIJFELS OOK WAREN GEREZEN NAAR AANLEIDING VAN VERSCHEIDENE EERDERE OVEREENKOMSTEN VAN DEZELFDE AARD. WANNEER HET OM EEN BEVOEGDHEIDSKWESTIE GAAT, IS HET IMMERS IN HET KLAARBLIJKELIJKE BELANG VAN ALLE BETROKKEN STATEN, MET INBEGRIP VAN DERDE STATEN, DAT DIT PROBLEEM AL BIJ HET BEGIN VAN DE ONDERHANDELINGEN WORDT OPGELOST.

IV - ONDERWERP EN DOELSTELLINGEN VAN DE BEOOGDE OVEREENKOMST

36 ZOALS DE RAAD HEEFT OPGEMERKT, MOET HET AAN'S HOFS BEOORDELING ONDERWORPEN BEVOEGDHEIDSPROBLEEM VANUIT TWEE GEZICHTSPUNTEN WORDEN ONDERZOCHT. IN DE EERSTE PLAATS : VALT DE BEOOGDE OVEREENKOMST, GELET OP ONDERWERP EN DOELSTELLINGEN ERVAN, ONDER HET IN ARTIKEL 113 EEG-VERDRAG BEDOELDE BEGRIP GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK? EN IN DE TWEEDE PLAATS - DOCH ENKEL ZO DE VOORGAANDE VRAAG BEVESTIGEND WORDT BEANTWOORD - : IS DE DEELNEMING VAN DE LID-STATEN AAN DE OVEREENKOMST NOODZAKELIJK, ZULKS WEGENS BEPAALDE SPECIFIEKE MODALITEITEN OF BIJZONDERE BEPALINGEN DIE GEBIEDEN BETREFFEN WAAROP DE LID-STATEN BEVOEGD ZIJN?

HET HOF ZAL EERST INGAAN OP DE ALGEMENE GEZICHTSPUNTEN MET BETREKKING TOT HET ONDERWERP EN DE DOELSTELLINGEN VAN DE OVEREENKOMST.

37 DE KERNVRAAG DIE HET VERZOEK VAN DE COMMISSIE OPWERPT, IS OF DE INTERNATIONALE RUBBEROVEREENKOMST GEHEEL OF TENMINSTE HOOFDZAKELIJK BEHOORT TOT HET GEBIED VAN DE "GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK" ALS BEDOELD IN ARTIKEL 113 EEG-VERDRAG. DAT DE VOORGESTELDE OVEREENKOMST NAUW VERBAND HOUDT MET DE HANDELSPOLITIEK, STAAT BUITEN KIJF. HET MENINGSVERSCHIL BETREFT DE OMVANG VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN ARTIKEL 113, ZODAT ONZEKER IS OF DE MATERIE VAN DE ONDERHAVIGE OVEREENKOMST GEHEEL ONDER DIT ARTIKEL VALT.

38 DE COMMISSIE IS ER ZICH VAN BEWUST DAT DE VERDRAGSBEPALINGEN BETREFFENDE DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK NOGAL BEKNOPT ZIJN UITGEVALLEN. ZIJ WIJST ER ECHTER OP, DAT ' S HOFS RECHTSPRAAK VERSCHEIDENE UITSPRAKEN BEVAT DIE AAN DE UITLEGGING VAN DEZE BEPALINGEN HEBBEN BIJGEDRAGEN; ZIJ NOEMT DE ARRESTEN VAN 12 JULI 1973 (ZAAK 8/73, MASSEY-FERGUSON, JURISPR. 1973, BLZ. 908) EN 15 DECEMBER 1976 (ZAAK 41/76, DONCKERWOLCKE, JURISPR. 1976, BLZ. 1921), WAARIN HET HOF DE NOODZAAK VAN EEN VOLLEDIG EN COHERENT BEHEER VAN DE INTERNATIONALE HANDEL VAN DE GEMEENSCHAP IN HET LICHT HEEFT GESTELD, ALSMEDE ADVIES 1/75 VAN 11 NOVEMBER 1975 (JURISPR. 1975, BLZ. 1355), WAARIN HET HOF ENERZIJDS HEEFT BEKLEMTOOND DAT HET BEGRIP HANDELSPOLITIEK VOOR DE GEMEENSCHAP GEEN BEPERKTER INHOUD KAN HEBBEN DAN VOOR DE STATEN, EN ANDERZIJDS DAT DE GEMEENSCHAP OP HET ALDUS OMSCHREVEN GEBIED EEN EXCLUSIEVE BEVOEGDHEID BEZIT. UITGAANDE VAN DEZE RICHTSNOEREN MEENT DE COMMISSIE, DAT MEN BIJ DE VRAAG OF EEN MAATREGEL VAN HANDELSPOLITIEKE AARD IS, HOOFDZAKELIJK MOET ZIEN NAAR ZIJN SPECIFIEK KARAKTER VAN INSTRUMENT TOT REGELING VAN DE INTERNATIONALE HANDEL, ZULKS GELET OP HET DOOR HET VERDRAG GELEGDE VERBAND TUSSEN DE AFSCHAFFING VAN HANDELSBELEMMERINGEN TUSSEN DE LID-STATEN EN DE TOTSTANDBRENGING VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK. VANWEGE HET VERSCHILLEND GEBRUIK DAT IN DE ONDERSCHEIDEN LID-STATEN WORDT GEMAAKT VAN DE INSTRUMENTEN TOT REGELING VAN DE BUITENLANDSE HANDEL, ZOU EEN RESTRICTIEVE OPVATTING VAN HET BEGRIP GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK KUNNEN LEIDEN TOT HANDHAVING VAN BELEMMERINGEN VAN HET INTRACOMMUNAUTAIRE HANDELSVERKEER. AANGEZIEN NU HET STABILISEREN VAN DE PRIJZEN VAN NATUURLIJKE RUBBER HET VOORNAAMSTE DOEL VAN DE VOORGESTELDE OVEREENKOMST IS, ZOU HET HIER GAAN OM EEN KARAKTERISTIEK MECHANISME VOOR DE REGELING VAN DE BUITENLANDSE HANDEL EN DUS OM EEN HANDELSPOLITIEK MECHANISME.

39 DE RAAD HERINNERT ERAAN DAT HET EXCLUSIEVE KARAKTER VAN DE GEMEENSCHAPSBEVOEGDHEID OP HET STUK VAN DE HANDELSPOLITIEK NIET IN GEDING IS EN DAT HIJ NIET AFWIJZEND STAAT TEGENOVER DE GEDACHTE VAN EEN GELEIDELIJKE ONTWIKKELING OP DIT GEBIED. NIETTEMIN, ZO VERVOLGT DE RAAD, HEEFT DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK EEN EIGEN FUNCTIE IN HET STELSEL VAN HET VERDRAG, IN ZOVERRE ZIJ BETREKKING HEEFT OP "IEDERE MAATREGEL DIE DE OMVANG OF DE STROOM VAN HET HANDELSVERKEER BEOOGT TE BEINVLOEDEN." MITSDIEN MOET ARTIKEL 113 ZO WORDEN GEINTERPRETEERD, DAT ANDERE VERDRAGSBEPALINGEN DAARDOOR NIET VAN HUN WERKING WORDEN BEROOFD - MET NAME DE BEPALINGEN BETREFFENDE HET ALGEMEEN ECONOMISCH BELEID, INCLUSIEF HET BEVOORRADINGSBELEID TEN AANZIEN VAN GRONDSTOFFEN, WAARVOOR DE LID-STATEN BEVOEGD BLIJVEN EN DE RAAD UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 145 ENKEL EEN COORDINERENDE BEVOEGDHEID HEEFT. VOLGENS DE RAAD ZIJN DE COMMUNAUTAIRE EN NATIONALE BEVOEGDHEDEN OP DIT GEBIED NAUW VERVLOCHTEN, OMDAT DE INTERNATIONALE ECONOMISCHE BETREKKINGEN MOEILIJK ZIJN TE SCHEIDEN VAN DE ALGEMENE POLITIEKE BETREKKINGEN. IN DIT VERBAND WIJST DE RAAD ER NOG OP, DAT RUBBER EEN "STRATEGISCH PRODUKT" IS, ZODAT DE ONDERHAVIGE OVEREENKOMST OOK DE DEFENSIEPOLITIEK VAN DE LID-STATEN RAAKT. DERHALVE MEENT DE RAAD DAT DE ONDERHANDELINGEN OVER DE BEOOGDE OVEREENKOMST NIET ENKEL ONDER ARTIKEL 113 EEG-VERDRAG VALLEN, MAAR TEVENS ONDER ARTIKEL 116 BETREFFENDE DE COORDINATIE TUSSEN DE LID-STATEN IN HET KADER VAN INTERNATIONALE ORGANISATIES VAN ECONOMISCHE AARD, WAARBIJ ZIJ ZIJN AANGESLOTEN.

40 VOORTS MERKT DE RAAD OP DAT DE ONDERHANDELINGEN IN HET KADER VAN DE UNCTAD MET HET OOG OP SLUITING VAN OVEREENKOMSTEN OVER EEN ZEKER AANTAL GRONDSTOFFEN MOETEN WORDEN GEZIEN "TEGEN DE ALGEMENE POLITIEKE ACHTERGROND VAN DE NOORD-ZUID-BETREKKINGEN TUSSEN INDUSTRIELANDEN EN ONTWIKKELINGSLANDEN". UIT DE AARD VAN DEZE OVEREENKOMSTEN, ALDUS DE RAAD, VOLGT DAT ZIJ, ONDANKS HET STREVEN VAN DE ONDERHANDELAARS VAN DE VERBRUIKERSLANDEN OM TOT EEN EVENWICHTIGE REGELING TE KOMEN, ELEMENTEN VAN "NIET-WEDERKERIGHEID" BEVATTEN DIE TYPISCH ZIJN VOOR "ONTWIKKELINGSHULP". DIT ZOU MET NAME HET GEVAL ZIJN MET HET STELSEL VAN VASTGESTELDE PRIJZEN IN HET KADER VAN DE REGELING VAN DE BUFFERVOORRAAD. DEZE ELEMENTEN VAN ONTWIKKELINGSHULP, DIE INHERENT ZIJN AAN DE OVEREENKOMST, HOREN NIET THUIS OP HET GEBIED VAN DE HANDELSPOLITIEK. IN DE MEMORIE VAN DE FRANSE REGERING WORDT BIJZONDER DE AANDACHT OP DIT ASPECT GEVESTIGD : DE FRANSE REGERING ZEGT, NIET TE KUNNEN AANVAARDEN DAT DE RUBBEROVEREENKOMST INHOUDELIJK GEHEEL EEN ZAAK VAN HANDELSPOLITIEK ZOU ZIJN. VOLGENS HAAR GAAT HET IMMERS OM "DE VERVULLING VAN EEN PLICHT VAN INTERNATIONALE SOLIDARITEIT, BUITEN MERCANTIELE OVERWEGINGEN OM".

A) DE OVEREENKOMST IN RELATIE TOT DE HANDELSPOLITIEK EN DE ONTWIKKELINGSPROBLEMATIEK

41 DOOR HAAR BIJZONDERE REGELING ALSMEDE DOOR BEPAALDE ASPECTEN VAN HAAR JURIDISCHE STRUCTUUR ONDERSCHEIDT DE BEOOGDE INTERNATIONALE OVEREENKOMST BETREFFENDE NATUURLIJKE RUBBER ZICH VAN DE GEWONE HANDELS- EN TARIEFAKKOORDEN, WAARIN DOUANERECHTEN EN KWANTITATIEVE BEPERKINGEN EEN BELANGRIJKE ROL SPELEN. DE ONDERHAVIGE OVEREENKOMST IS EEN MEER GESTRUCTUREERD INSTRUMENT, IN DE VORM VAN EEN MARKTORDENING OP WERELDNIVEAU, EN ONDERSCHEIDT ZICH DAARDOOR VAN DE KLASSIEKE HANDELSAKKOORDEN. OM DE IN HET VERZOEK GESTELDE VRAAG TE KUNNEN BEANTWOORDEN, MOET MEN UITGAAN VAN DE STREKKING EN DE CONSEQUENTIES VAN DE SPECIFIEKE KENMERKEN VAN DEZE OVEREENKOMST IN VERBINDING MET HET BEGRIP GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK ALS BEDOELD IN ARTIKEL 113 VAN HET VERDRAG. TEVENS MOET WORDEN ONDERZOCHT OF DE DOOR DE RAAD GESIGNALEERDE RELATIE TUSSEN DE VOORGESTELDE OVEREENKOMST EN DE PROBLEMEN VAN ONTWIKKELINGSHULP DE OVEREENKOMST EVENTUEEL ONTTREKT AAN HET GEBIED VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK ZOALS DEZE DOOR HET VERDRAG WORDT OMSCHREVEN.

42 BLIJKENS DE RESOLUTIE VAN NAIROBI, DIE AAN DE RUBBERONDERHANDELINGEN TEN GRONDSLAG LIGT, WORDEN MET DE GRONDSTOFFENOVEREENKOMSTEN MEERVOUDIGE DOELEN NAGESTREEFD, WAARVAN GEEN ENKEL ELEMENT MAG WORDEN VERWAARLOOSD. OFSCHOON DE RESOLUTIE DE KLEMTOON LEGT OP DE BEHOEFTEN VAN DE ONTWIKKELINGSLANDEN, SPREEKT ZIJ OP TAL VAN PLAATSEN OVER REGELINGEN VAN COMMERCIELE AARD EN NEGEERT ZIJ NIET DE BEHOEFTEN VAN DE INDUSTRIELANDEN. WAT INZONDERHEID HET BELANG VAN DE INDUSTRIELANDEN BETREFT, IS HET JUIST DAT DE GRONDSTOFFENOVEREENKOMSTEN DE TOEKENNING VAN VOORDELEN KUNNEN MEEBRENGEN DIE KENMERKEND ZIJN VOOR DE ONTWIKKELINGSHULP; MAAR MEN DIENT OOK TE ERKENNEN DAT ZIJ BEANTWOORDEN AAN EEN MEER FUNDAMENTEEL STREVEN VAN DIE LANDEN, NAMELIJK OM TOT EEN VERBETERING VAN DE RUILVOET TE KOMEN EN ALDUS HUN EXPORTOPBRENGSTEN TE VERGROTEN. DIT KENMERK KOMT HEEL STERK NAAR VOREN IN DE ONDERHAVIGE OVEREENKOMST, DIE EEN RECHTVAARDIG EVENWICHT TOT STAND WIL BRENGEN TUSSEN DE BELANGEN VAN DE PRODUCENTENLANDEN EN DIE VAN DE VERBRUIKERSLANDEN. HET SPREEKT VANZELF DAT BIJ DE ONDERHANDELINGEN OVER EEN DERGELIJKE OVEREENKOMST DE GEINDUSTRIALISEERDE LANDEN, BIJ AL HUN STREVEN HUN EIGEN BELANG TE VERDEDIGEN, GENOODZAAKT ZIJN REKENING TE HOUDEN MET DE SITUATIE VAN DE PRODUCENTENLANDEN, DIE VANUIT EEN ANDERE ECONOMISCHE POSITIE ONDERHANDELEN, EN DAT, WIL MEN TOT OVEREENSTEMMING KUNNEN KOMEN, EEN REDELIJK VERGELIJK TUSSEN DIE STANDPUNTEN MOET WORDEN GEVONDEN.

43 OOK DIENT MEN REKENING TE HOUDEN MET DE - DOOR DE RESOLUTIE VAN NAIROBI BEKLEMTOONDE - ONDERLINGE SAMENHANG TUSSEN DE VERSCHILLENDE GRONDSTOFFENOVEREENKOMSTEN. WAAR HET GAAT OM EEN TOENEMEND AANTAL PRODUKTEN DIE ECONOMISCH VAN BIJZONDER BELANG ZIJN, IS HET DUIDELIJK DAT EEN COHERENTE HANDELSPOLITIEK NIET TE VERWEZENLIJKEN ZOU ZIJN INDIEN DE GEMEENSCHAP HAAR BEVOEGDHEID NIET OOK ZOU KUNNEN UITOEFENEN TEN AANZIEN VAN EEN CATEGORIE OVEREENKOMSTEN DIE, NAAST DE TRADITIONELE HANDELSAKKOORDEN, EEN BELANGRIJKE ROL ZULLEN KRIJGEN IN DE REGELING VAN HET INTERNATIONALE ECONOMISCHE VERKEER.

44 NA DE IMPULS DIE DE UNCTAD AAN DE ONTWIKKELING VAN DIT SOORT REGELING HEEFT GEGEVEN, LIJKT EEN EFFECTIEVE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK NIET MEER MOGELIJK WANNEER DE GEMEENSCHAP NIET OOK OVER MEER VERFIJNDE, VOOR DE ONTWIKKELING VAN DE INTERNATIONALE HANDEL BEDOELDE, ACTIEMIDDELEN ZOU KUNNEN BESCHIKKEN. MEN MAG DERHALVE ARTIKEL 113 EEG-VERDRAG NIET EEN UITLEGGING OPDWINGEN WAARDOOR DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK ZOU WORDEN BEPERKT TOT HET GEBRUIK VAN SLECHTS DIE INSTRUMENTEN DIE ENKEL DE TRADITIONELE ASPECTEN VAN DE BUITENLANDSE HANDEL VERMOGEN TE BEINVLOEDEN, MET UITSLUITING VAN MEER VERFIJNDE REGELINGEN ALS IN DE BEOOGDE OVEREENKOMST VOORKOMEN. EEN ALDUS OPGEVATTE "HANDELSPOLITIEK" ZOU GEDOEMD ZIJN GELEIDELIJK ELKE BETEKENIS TE VERLIEZEN. OOK AL KAN MEN ZEGGEN DAT TEN TIJDE VAN DE OPSTELLING VAN HET VERDRAG DE IDEE VAN DE LIBERALISERING VAN HET HANDELSVERKEER OP DE VOORGROND STOND, DIT BETEKENT NIET DAT HET VERDRAG ZICH ERTEGEN VERZET DAT DE GEMEENSCHAP EEN HANDELSPOLITIEK ONTWIKKELT DIE VOOR BEPAALDE PRODUKTEN MEER OP REGULERING VAN DE WERELDHANDEL DAN ENKEL OP LIBERALISATIE VAN HET HANDELSVERKEER IS GERICHT.

45 ARTIKEL 113 GEEFT DE GEMEENSCHAP DE BEVOEGDHEID, EEN OP "GEMEENSCHAPPELIJKE BEGINSELEN" GEBASEERDE HANDELS- "POLITIEK" TOT STAND TE BRENGEN, EN MAAKT DAARMEE DUIDELIJK DAT HET VRAAGSTUK VAN DE BUITENLANDSE HANDEL IN EEN GEEST VAN OPENHEID MOET WORDEN OPGELOST EN DAT MEN DAARBIJ NIET ENKEL OOG MOET HEBBEN VOOR HET BEHEER VAN BEPAALDE WELOMSCHREVEN STELSELS ZOALS DOUANEREGELINGEN EN KWANTITATIEVE BEPERKINGEN. TOT DEZELFDE CONCLUSIE LEIDT HET FEIT DAT DE OPSOMMING, IN ARTIKEL 113, VAN DE ONDERWERPEN VAN DE HANDELSPOLITIEK (TARIEFWIJZIGINGEN, HET SLUITEN VAN TARIEF- EN HANDELSAKKOORDEN, HET EENVORMIG MAKEN VAN LIBERALISATIEMAATREGELEN, UITVOERPOLITIEK, HANDELSPOLITIEKE BESCHERMINGSMAATREGELEN) ALS EEN NIET-LIMITATIEVE OPSOMMING IS BEDOELD, DIE ALS ZODANIG NIET DE DEUR MAG SLUITEN VOOR DE TOEPASSING, IN EEN GEMEENSCHAPPELIJK KADER, VAN ANDERE WERKWIJZEN TER REGELING VAN DE BUITENLANDSE HANDEL. EEN BEPERKENDE UITLEGGING VAN HET BEGRIP GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK BERGT HET GEVAAR IN ZICH VAN MOEILIJKHEDEN IN HET INTRACOMMUNAUTAIRE HANDELSVERKEER VANWEGE DE ONGELIJKHEDEN DIE DAN IN BEPAALDE SECTOREN VAN DE ECONOMISCHE BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN ZOUDEN BLIJVEN BESTAAN.

46 DAARENBOVEN, WANNEER MEN HEEL HET SCALA VAN BESTAANDE EN VOORGESTELDE OVEREENKOMSTEN OVERZIET, DAN BLIJKT DAT BIJ DE ONDERHANDELINGEN DAAROVER ZEER UITEENLOPENDE BELANGEN VAN DE GEMEENSCHAP OP HET SPEL STAAN EN DAT ER VERBANDEN BESTAAN MET DE MEEST VERSCHILLENDE GEBIEDEN WAAROP DE GEMEENSCHAP BEPAALDE VERANTWOORDELIJKHEDEN DRAAGT. BIJ VOORBEELD, NAAST OVEREENKOMSTEN DIE, ZOALS DE RUBBEROVEREENKOMST, PRODUKTEN BETREFFEN TEN AANZIEN WAARVAN (UITERAARD ONDER VOORBEHOUD VAN HET PROBLEEM DER VERVANGINGSPRODUKTEN) DE GEMEENSCHAP LOUTER ALS VERBRUIKER VERSCHIJNT, ZIJN ER ANDERE OVEREENKOMSTEN, BIJ VOORBEELD DIE BETREFFENDE TARWE, VETTEN EN SUIKER, WAARBIJ DE GEMEENSCHAP OOK ALS PRODUCENT BELANG HEEFT EN DIE EVENZEER HAAR UITVOERPOLITIEK - IN ARTIKEL 113 UITDRUKKELIJK GENOEMD ALS EEN DER ONDERWERPEN VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - ALS HAAR INVOERPOLITIEK BEINVLOEDEN. VERSCHEIDENE VAN LAATSTBEDOELDE OVEREENKOMSTEN ZIJN BOVENDIEN NIET LOS TE ZIEN VAN DE VERWEZENLIJKING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK LANDBOUWBELEID.

B) DE OVEREENKOMST IN RELATIE TOT HET ALGEMEEN ECONOMISCH BELEID

47 IN ZIJN BETOOG SNIJDT DE RAAD HET PROBLEEM AAN, HOE DE BEGRIPPEN "ECONOMISCH BELEID" EN "HANDELSPOLITIEK" IN HET STELSEL VAN HET VERDRAG TEGENOVER ELKAAR MOETEN WORDEN AFGEBAKEND. IN SOMMIGE BEPALINGEN IMMERS WORDT HET ECONOMISCH BELEID PRIMAIR BESCHOUWD ALS EEN ZAAK VAN NATIONAAL BELANG : ZO DE ARTIKELEN 6 EN 145, DIE OM DIE REDEN VOOR DE LID-STATEN ENKEL EEN VERPLICHTING TOT COORDINATIE BEVATTEN. IN ANDERE BEPALINGEN WORDT HET ECONOMISCH BELEID ALS EEN BELANG VAN DE GEMEENSCHAP GEZIEN, ZOALS IN DE ARTIKELEN 103 TOT EN MET 116, DIE ZIJN SAMENGEVAT IN EEN TITEL GEWIJD AAN "HET ECONOMISCH BELEID". TOT DEZE TITEL BEHOORT HET HOOFDSTUK BETREFFENDE DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK.

48 DE HIERVOOR ONTWIKKELDE OVERWEGINGEN GEVEN AL GEDEELTELIJK ANTWOORD OP DE ARGUMENTEN ONTLEEND AAN HET ONDERSCHEID DAT MEN ZOU MOETEN MAKEN TUSSEN DE GEBIEDEN VAN HET ALGEMEEN ECONOMISCH BELEID EN DIE VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK, OMDAT DE INTERNATIONALE SAMENWERKING, VOOR ZOVER ZIJ NIET BIJ DE HANDELSPOLITIEK THUISHOORT, MET HET ALGEMEEN ECONOMISCH BELEID ZOU SAMENVALLEN. ALS BLIJKT DAT DIE INTERNATIONALE SAMENWERKING, ZOALS HIERVOOR IS AANGEDUID, ALTHANS TEN DELE ONDER DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK VALT, DAN IS DUIDELIJK DAT ZIJ NIET ONDER DE NOEMER ALGEMEEN ECONOMISCH BELEID AAN DE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP KAN WORDEN ONTTROKKEN.

49 GELET OP HET SPECIFIEKE KARAKTER VAN DE BEPALINGEN BETREFFENDE DE HANDELSPOLITIEK - IN ZOVERRE ZIJ BETREKKING HEBBEN OP DE RELATIES MET DE DERDE LANDEN EN, VOLGENS ARTIKEL 113, UITGAAN VAN HET BEGRIP GEMEENSCHAPPELIJKE POLITIEK -, MAG MEN HUN DRAAGWIJDTE NIET BEPERKEN AAN DE HAND VAN MEER ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE HET ECONOMISCH BELEID, DIE UITGAAN VAN DE GEDACHTE VAN ENKEL COORDINATIE. WANNEER BIJGEVOLG DE STRUCTURERING VAN DE ECONOMISCHE BANDEN VAN DE GEMEENSCHAP MET DERDE LANDEN GEVOLGEN ZOU KUNNEN HEBBEN VOOR BEPAALDE SECTOREN VAN HET ECONOMISCH BELEID - ZOALS DE BEVOORRADING VAN DE GEMEENSCHAP MET GRONDSTOFFEN OF DE PRIJSPOLITIEK, ZOALS JUIST HET GEVAL IS BIJ DE REGULERING VAN DE INTERNATIONALE HANDEL IN BASISPRODUKTEN -, IS DAT GEEN REDEN OM DERGELIJKE ONDERWERPEN UIT TE SLUITEN VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN DE REGELS VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK. EVENZO IS DE OMSTANDIGHEID DAT EEN PRODUKT VANWEGE DE VORMING VAN VEILIGHEIDSVOORRADEN POLITIEK BELANGRIJK IS, GEEN REDEN OM HET BUITEN HET GEBIED VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK TE PLAATSEN.

50 IN HET LICHT VAN DEZE ZELFDE OVERWEGINGEN DIENT DE VERHOUDING TE WORDEN BEPAALD TUSSEN ARTIKEL 113 EN ARTIKEL 116 IN HET KADER VAN HET HOOFDSTUK BETREFFENDE DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK. DEZE TWEE BEPALINGEN HEBBEN STELLIG EEN ZELFDE DOEL, IN DIE ZIN DAT BEIDE DE VERWEZENLIJKING VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJK BELEID INZAKE DE INTERNATIONALE ECONOMISCHE BETREKKINGEN BEOGEN. MAAR OP HET STUK VAN DE ACTIEMIDDELEN GAAN DE TWEE ARTIKELEN UIT VAN VERSCHILLENDE PREMISSEN EN VORMEN ZIJ MITSDIEN DE UITWERKING VAN VERSCHILLENDE CONCEPTIES. VOLGENS ARTIKEL 113 WORDT DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK DOOR DE GEMEENSCHAP BEPAALD - AUTONOOM, DAT WIL ZEGGEN DOOR DE GEMEENSCHAP ALS ZODANIG VIA HAAR EIGEN INSTELLINGEN; INZONDERHEID DE AKKOORDEN DIE KRACHTENS DIT ARTIKEL TOT STAND KOMEN, WORDEN, IN DE WOORDEN VAN ARTIKEL 114, "NAMENS DE GEMEENSCHAP GESLOTEN" EN DERHALVE WORDEN DE DESBETREFFENDE ONDERHANDELINGEN GEVOERD VOLGENS DE IN DEZE ARTIKELEN EN IN ARTIKEL 228 BEDOELDE PROCEDURES. DAARENTEGEN VOORZIET ARTIKEL 116 IN EEN GEZAMENLIJK OPTREDEN VAN DE LID-STATEN IN DE INTERNATIONALE ORGANISATIES WAARVAN DE GEMEENSCHAP GEEN LID IS; IN EEN DERGELIJKE SITUATIE IS HET ENIGE PASSENDE MIDDEL EEN GEZAMENLIJK EN SOLIDAIR OPTREDEN VAN DE LID-STATEN ALS LEDEN VAN BEDOELDE ORGANISATIES.

51 IN HET ONDERHAVIGE GEVAL STELT ZICH HET PROBLEEM VAN DE AFBAKENING VAN DE RESPECTIEVE TOEPASSINGSGEBIEDEN VAN DE ARTIKELEN 113 EN 114 ENERZIJDS EN ARTIKEL 116 ANDERZIJDS, DOORDAT DE ONDERHANDELINGEN OVER DE GRONDSTOFFENOVEREENKOMSTEN THANS IN HET KADER VAN DE UNCTAD WORDEN GEVOERD. OVER DIT PROBLEEM HEEFT HET HOF ZICH AL UITGESPROKEN IN ADVIES 1/75, DAT BETREKKING HAD OP EEN INTERNATIONAAL AKKOORD DAT IN HET KADER VAN EEN INTERNATIONALE ORGANISATIE - DE OESO - TOT STAND WAS GEKOMEN. IN DAT ADVIES HEEFT HET HOF EROP GEWEZEN, DAT DE VRAAG WAAROP HET VOOR DE TOEPASSING VAN HET VERDRAG AANKOMT, IS OF MET DE IN HET KADER VAN EEN INTERNATIONALE ORGANISATIE GEVOERDE ONDERHANDELINGEN WORDT BEOOGD TE KOMEN TOT EEN "DOOR VOLKENRECHTELIJKE SUBJECTEN AANGEGANE VERBINTENIS MET VERBINDENDE KRACHT". IN ZO ' N GEVAL ZIJN DE VERDRAGSBEPALINGEN BETREFFENDE HET ONDERHANDELEN OVER EN HET SLUITEN VAN AKKOORDEN - MET ANDERE WOORDEN DE ARTIKELEN 113, 114 EN 228 - VAN TOEPASSING, EN NIET ARTIKEL 116.

V - PROBLEMEN VOORTVLOEIENDE UIT DE FINANCIERING VAN DE OVEREENKOMST EN UIT ANDERE BIJZONDERE BEPALINGEN

52 REKENING HOUDEND MET WAT HIERBOVEN IS VASTGESTELD MET BETREKKING TOT DE OVEREENSTEMMING TUSSEN HET DOEL VAN DE BEOOGDE OVEREENKOMST EN HET BEGRIP GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK, MOET NOG WORDEN ONDERZOCHT OF DE WIJZE VAN FINANCIERING VAN DE BUFFERVOORRAAD OF BEPAALDE BIJZONDERE CLAUSULES VAN DE OVEREENKOMST - BETREFFENDE DE TECHNOLOGISCHE BIJSTAND, DE ONDERZOEKPROGRAMMA ' S, DE TOEPASSING VAN BEHOORLIJKE ARBEIDSVOORWAARDEN IN DE RUBBERINDUSTRIE ALSMEDE HET OVERLEG OVER NATIONALE BELASTINGREGELINGEN DIE DE RUBBERPRIJS KUNNEN BEINVLOEDEN - GROND OPLEVEREN OM DE GEMEENSCHAP GEEN EXCLUSIEVE BEVOEGDHEID TERZAKE TOE TE KENNEN.

53 MET BETREKKING TOT HET PROBLEEM VAN DE FINANCIERING BETOGEN DE RAAD EN DE REGERINGEN DIE ZIJN OPVATTING ONDERSTEUNEN, DAT DE UITVOERING VAN DE OVEREENKOMST FINANCIELE VERPLICHTINGEN ZAL SCHEPPEN VOOR DE LID-STATEN, AANGEZIEN DE ONDERHANDELAARS VOOR FINANCIERING UIT DE OPENBARE MIDDELEN HEBBEN GEKOZEN. HET ZOU DAN OOK ONAANVAARDBAAR ZIJN DAT ZIJ, ZONDER BIJ DE ONDERHANDELINGEN BETROKKEN TE ZIJN, VOOR DERGELIJKE VERPLICHTINGEN WORDEN GESTELD. DAARENTEGEN MEENT DE COMMISSIE DAT HET PROBLEEM VAN DE BEVOEGDHEID VOORAFGAAT AAN DAT VAN DE FINANCIERING EN DAT MEN DUS DE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP NIET KAN DOEN AFHANGEN VAN DE KEUZE VAN DE FINANCIELE MODALITEITEN.

54 VOOR WAT DE VORENBEDOELDE BIJZONDERE CLAUSULES BETREFT, WIJST DE RAAD EROP DAT BEPALINGEN VAN DEZE AARD IN ELK GEVAL BUITEN HET GEBIED VAN DE HANDELSPOLITIEK VALLEN, MET HET GEVOLG DAT DE ONDERHANDELINGEN OVER DE BEOOGDE OVEREENKOMST UIT DIEN HOOFDE EVENEENS WORDEN BEHEERST DOOR ARTIKEL 116 BETREFFENDE DE COORDINATIE VAN DE LID-STATEN BINNEN INTERNATIONALE ORGANISATIES.

55 HET HOF MEENT DAT MEN HIER ONDERSCHEID MOET MAKEN TUSSEN DE DOOR DE RAAD GESIGNALEERDE BIJZONDERE CLAUSULES EN DE FINANCIELE BEPALINGEN, WELKE LAATSTE IN DE OPBOUW VAN DE OVEREENKOMST ZO ' N CENTRALE PLAATS INNEMEN EN DAARDOOR EEN MEER FUNDAMENTELE MOEILIJKHEID DOEN RIJZEN MET BETREKKING TOT DE AFBAKENING VAN DE RESPECTIEVE BEVOEGDHEDEN VAN DE GEMEENSCHAP EN VAN DE LID-STATEN.

56 ZOUDEN IN DE OVEREENKOMST CLAUSULES VOORKOMEN BETREFFENDE ONDERWERPEN ZOALS TECHNISCHE BIJSTAND, ONDERZOEKPROGRAMMA ' S, ARBEIDSVOORWAARDEN IN DE BETROKKEN INDUSTRIE OF RAADPLEGING OVER NATIONALE BELASTINGMAATREGELEN DIE DE RUBBERPRIJS KUNNEN BEINVLOEDEN, DAN KAN DAT VOLGENS HET HOF GEEN WIJZIGING BRENGEN IN DE KWALIFICATIE VAN DE OVEREENKOMST. DEZE KWALIFICATIE DIENT TE GESCHIEDEN MET INACHTNEMING VAN HET VOORNAAMSTE ONDERWERP VAN DE OVEREENKOMST EN IS NIET AFHANKELIJK VAN BIJZONDERE CLAUSULES DIE, ALLES BIJEEN, VAN BIJKOMSTIGE OF ONDERGESCHIKTE AARD ZIJN. DIT GELDT TE MEER, NU BEDOELDE CLAUSULES IN FEITE ZO NAUW VERBAND HOUDEN MET HET ONDERWERP VAN DE OVEREENKOMST EN MET DE TAKEN VAN DE ORGANEN DIE IN HET KADER VAN DE DOOR DE OVEREENKOMST IN HET LEVEN TE ROEPEN INTERNATIONALE ORGANISATIE VOOR NATUURLIJKE RUBBER ZULLEN FUNCTIONEREN. DE ONDERHANDELINGEN OVER EN DE TENUITVOERLEGGING VAN DEZE CLAUSULES DIENEN DUS DE REGELING TE VOLGEN DIE VOOR DE OVEREENKOMST IN HAAR GEHEEL GELDT.

57 MET BETREKKING TOT DE FINANCIERINGSREGELING ZIJ ER IN DE EERSTE PLAATS AAN HERINNERD DAT DE COMMISSIE IN DE AANBEVELING DIE ZIJ OP 5 OKTOBER 1978 KRACHTENS ARTIKEL 113 BIJ DE RAAD HEEFT INGEDIEND, HAD VOORGESTELD DAT DE GEMEENSCHAP ZELF DE FINANCIELE TENUITVOERLEGGING VAN DE RUBBEROVEREENKOMST OP ZICH ZOU NEMEN VIA EEN RECHTSTREEKSE BIJDRAGE UIT DE BEGROTING VAN DE GEMEENSCHAP. DE RAAD ERKENDE DAT DE FINANCIELE BEPALINGEN VAN HET EEG-VERDRAG AAN DEZE FINANCIERINGSWIJZE NIET IN DE WEG STAAN, DOCH VERKLAARDE DE VOORKEUR TE GEVEN AAN FINANCIERING DOOR DE LID-STATEN. TOT NU TOE IS ECHTER OP DIT PUNT GEEN FORMELE BESLISSING GENOMEN. BOVENDIEN BESTAAT ER GEEN ENKELE ZEKERHEID OMTRENT DE HOUDING VAN DE LID-STATEN TEGENOVER DEZE KWESTIE EN DE IMPLICATIES ERVAN VOOR DE VERDELING VAN DE FINANCIELE LASTEN.

58 GEZIEN DE ONZEKERHEID DIE IS BLIJVEN BESTAAN OVER DE MANIER WAAROP DIT PROBLEEM UITEINDELIJK ZAL WORDEN OPGELOST, ZIET HET HOF ZICH GENOODZAAKT TWEE VERSCHILLENDE HYPOTHESEN ONDER OGEN TE ZIEN : DIE WAARIN DE FINANCIELE BIJDRAGEN WELKE UIT DE OVEREENKOMST VOORTVLOEIEN, OP DE GEMEENSCHAPSBEGROTING KOMEN TE DRUKKEN, EN DIE WAARIN DEZE BIJDRAGEN RECHTSTREEKS TEN LASTE VAN DE BEGROTINGEN DER LID-STATEN WORDEN GEBRACHT. HET STAAT IMMERS NIET AAN HET HOF OM IN HET KADER VAN DE ONDERHAVIGE PROCEDURE VOOR EEN VAN DEZE TWEE MOGELIJKHEDEN TE KIEZEN.

59 IN HET EERSTE GEVAL IS ER GEEN ENKEL PROBLEEM MET BETREKKING TOT DE UITSLUITENDE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP OM DE BETROKKEN OVEREENKOMST TE SLUITEN. ZOALS HIERBOVEN GEZEGD, HEEFT HET MECHANISME VAN DE BUFFERVOORRAAD TEN DOEL HET HANDELSVERKEER TE REGELEN, EN VORMT HET UIT DIEN HOOFDE EEN INSTRUMENT VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK. DIENVOLGENS IS FINANCIERING DOOR DE GEMEENSCHAP VAN DE DAARUIT VOORTVLOEIENDE FINANCIELE LASTEN EEN OPLOSSING DIE IN OVEREENSTEMMING IS MET HET VERDRAG.

60 HET PROBLEEM KOMT ANDERS TE LIGGEN, WANNEER DE VOORKEUR ZOU WORDEN GEGEVEN AAN DE TWEEDE MOGELIJKHEID. DE FINANCIERING VAN DE BUFFERVOORRAAD IS ONTEGENZEGLIJK EEN WEZENLIJK ELEMENT VAN HET MARKTREGULERINGSSYSTEEM DAT MEN WIL INVOEREN. DE OMVANG EN MODALITEITEN VAN DE FINANCIELE VERBINTENISSEN DIE DE LID-STATEN ZULLEN HEBBEN NA TE KOMEN, ZULLEN RECHTSTREEKS BEPALEND ZIJN VOOR DE MOGELIJKHEDEN EN DE DOELTREFFENDHEID VAN DE INTERVENTIES VAN HET REGULERINGSMECHANISME, TERWIJL DE TE NEMEN BESLISSINGEN OVER HET PEIL VAN DE CENTRALE REFERENTIEPRIJS EN DE TOEGESTANE FLUCTUATIEMARGES NAAR BOVEN EN NAAR BENEDEN ONMIDDELLIJK ZULLEN DOORWERKEN IN HET GEBRUIK VAN DE FINANCIELE MIDDELEN WAAROVER DE IN HET LEVEN TE ROEPEN INTERNATIONALE RUBBERRAAD BESCHIKT, EN IN DE OMVANG VAN DE FINANCIELE MIDDELEN DIE HEM TER BESCHIKKING MOETEN WORDEN GESTELD. BOVENDIEN MAG MEN NIET VERGETEN DAT, ZOALS WORDT OPGEMERKT IN DE AAN HET HOF OVERGELEGDE DOCUMENTEN BETREFFENDE DE LAATSTE STAND VAN DE ONDERHANDELINGEN, DE BEOOGDE FINANCIELE STRUCTUUR EEN COORDINATIE NOODZAKELIJK MAAKT TUSSEN HET GEBRUIK VAN DE BIJZONDERE FINANCIELE MIDDELEN DIE TER BESCHIKKING VAN DE TOEKOMSTIGE INTERNATIONALE RUBBERRAAD ZIJN GESTELD, EN DE MIDDELEN DIE DEZE IN HET IN TE STELLEN GEMEENSCHAPPELIJK FONDS ZAL KUNNEN VINDEN. ZO DE GEMEENSCHAP VOOR DE FINANCIERING VAN DE OVEREENKOMST MOET INSTAAN, ZULLEN DE NODIGE BESLUITEN NA DE GEEIGENDE COMMUNAUTAIRE PROCEDURES WORDEN GENOMEN. KOMT DAARENTEGEN DE FINANCIERING TEN LASTE VAN DE LID-STATEN, DAN BETEKENT DIT DAT DE LID-STATEN AAN DIE BESLUITVORMING MOETEN DEELNEMEN OF OP ZIJN MINST MOETEN INSTEMMEN MET DE BEOOGDE FINANCIERINGSMODALITEITEN EN, BIJGEVOLG, DAT ZIJ TEZAMEN MET DE GEMEENSCHAP AAN DE OVEREENKOMST MOETEN DEELNEMEN. IN DIT GEVAL KAN VAN EEN UITSLUITENDE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP GEEN SPRAKE ZIJN.

VI - DE VERTEGENWOORDIGING VAN BEPAALDE "AFHANKELIJKE GEBIEDEN" DIE NIET TOT DE GEMEENSCHAP BEHOREN

61 DE FRANSE EN DE BRITSE REGERING HEBBEN EROP GEWEZEN DAT IN DE VOORGESTELDE OVEREENKOMST EEN CLAUSULE VOORKOMT BETREFFENDE DE DEELNEMING VAN "AFHANKELIJKE GEBIEDEN" VAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE STATEN. VOLGENS DE FRANSE REGERING DIENT ZIJ, BIJ DEZE OVEREENKOMST OF BIJ GELIJKSOORTIGE OVEREENKOMSTEN, DE FRANSE OVERZEESE GEBIEDEN TE VERTEGENWOORDIGEN DIE, ANDERS DAN DE OVERZEESE DEPARTEMENTEN NIET TOT DE EUROPESE GEMEENSCHAP BEHOREN. EEN ZELFDE SITUATIE BESTAAT VOOR HET VERENIGD KONINKRIJK MET BETREKKING TOT DE VERTEGENWOORDIGING IN HET INTERNATIONALE VERKEER VAN AFHANKELIJKE GEBIEDEN (BIJ VOORBEELD HONG KONG) DIE NIET TOT DE GEMEENSCHAP BEHOREN.

62 DOORDAT DE BETROKKEN GEBIEDEN BUITEN DE WERKINGSSFEER VAN HET EEG-VERDRAG VALLEN, VERKEREN ZIJ TEGENOVER DE GEMEENSCHAP IN EEN ZELFDE POSITIE ALS DE DERDE LANDEN. DERHALVE MOET DE POSITIE VAN DE LID-STATEN DIE DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN VAN DIE GEBIEDEN BEHARTIGEN, TEN OPZICHTE VAN DE VOORGESTELDE OVEREENKOMST OP TWEEERLEI WIJZE WORDEN OMSCHREVEN : ENERZIJDS HEBBEN ZIJ DE HOEDANIGHEID VAN LID VAN DE GEMEENSCHAP, ANDERZIJDS DIE VAN VERTEGENWOORDIGER IN HET INTERNATIONALE VERKEER VAN BEPAALDE AFHANKELIJKE GEBIEDEN DIE BUITEN DE WERKINGSSFEER VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT VALLEN. DE OMSTANDIGHEID DAT DIE STATEN TOT DE GEMEENSCHAP BEHOREN, HEEFT DUS GEEN INVLOED OP HUN POSITIE VOOR ZOVER ZIJ KUNNEN OPTREDEN ALS VERTEGENWOORDIGER VAN BEDOELDE GEBIEDEN IN HET INTERNATIONAL VERKEER. MAAR DAN IS HET IN DEZE LAATSTE HOEDANIGHEID EN NIET ALS LID-STATEN VAN DE GEMEENSCHAP, DAT ZIJ AAN DE OVEREENKOMST MOETEN DEELNEMEN. DEZE BIJZONDERE POSITIE KAN DUS GEEN INVLOED UITOEFENEN OP DE OPLOSSING VAN HET PROBLEEM VAN DE AFBAKENING VAN DE BEVOEGDHEIDSSFEREN BINNEN DE GEMEENSCHAP. OPGEMERKT ZIJ DAT BIJ DE VISSERIJOVEREENKOMST VOOR HET NOORDWESTELIJK DEEL VAN DE ATLANTISCHE OCEAAN, GETEKEND TE OTTAWA OP 24 OKTOBER 1978 (VERORDENING NR. 3179/78 VAN DE RAAD VAN 28 DECEMBER 1978, PB L 378 VAN 1978, BLZ. 1) ZICH REEDS EEN SOORTGELIJK PROBLEEM HEEFT VOORGEDAAN MET BETREKKING TOT DE DEELNEMING VAN DE FAROER, DIE BIJ DIE OVEREENKOMST DOOR DENEMARKEN WERDEN VERTEGENWOORDIGD. HET IS ENKEL EN ALLEEN UIT DIEN HOOFDE DAT DEZE STAAT NAAST DE GEMEENSCHAP AAN DE OVEREENKOMST DEELNEEMT.

VII - CONCLUSIE

63 UIT HET VORENOVERWOGENE VOLGT DAT DE BEOOGDE INTERNATIONALE OVEREENKOMST BETREFFENDE NATUURLIJKE RUBBER, ONDANKS DE BIJZONDERHEDEN DIE HAAR VAN DE KLASSIEKE HANDELS- EN TARIEFAKKOORDEN ONDERSCHEIDEN, BEHOORT TOT DE HANDELSPOLITIEK ALS BEDOELD IN ARTIKEL 113 EEG-VERDRAG.

DE CONSEQUENTIES DIE UIT DEZE VASTSTELLING VOORTVLOEIEN MET BETREKKING TOT DE UITSLUITENDE BEVOEGDHEID DER GEMEENSCHAP OM OVER DE OVEREENKOMST TE ONDERHANDELEN EN ZE TE SLUITEN, ZOUDEN ECHTER WIJZIGING KUNNEN ONDERGAAN, AFHANKELIJK VAN DE NOG TE MAKEN KEUZE OP HET STUK VAN DE WIJZE VAN FINANCIERING VAN HET REGULERINGSMECHANISME, INDIEN DE LID-STATEN DE DAARMEE VERBONDEN FINANCIELE LASTEN RECHTSTREEKS OP ZICH ZOUDEN NEMEN.

Dictum


MITSDIEN GEEFT

HET HOF VAN JUSTITIE

HET NAVOLGENDE ADVIES :

1. DE BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP TER ZAKE VAN DE HANDELSPOLITIEK IN DE ZIN VAN ARTIKEL 113 VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP, STREKT ZICH UIT TOT DE INTERNATIONALE OVEREENKOMST BETREFFENDE NATUURLIJKE RUBBER, WAAROVER THANS IN HET KADER VAN DE CONFERENTIE VAN DE VERENIGDE NATIES VOOR HANDEL EN ONTWIKKELING WORDT ONDERHANDELD.

2. DE VRAAG OF DE GEMEENSCHAP BIJ UITSLUITING BEVOEGD IS, HANGT IN CASU AF VAN DE WIJZE WAAROP DE OPERATIES VAN DE BIJ DIE OVEREENKOMST IN TE STELLEN BUFFERVOORRAAD WORDEN GEFINANCIERD.

ZO DE LASTEN TER FINANCIERING VAN DIE VOORRAAD OP DE GEMEENSCHAPSBEGROTING KOMEN TE DRUKKEN, IS DE GEMEENSCHAP BIJ UITSLUITING BEVOEGD.

WORDEN DIE LASTEN DAARENTEGEN RECHTSTREEKS DOOR DE LID-STATEN GEDRAGEN, DAN HOUDT DIT IN DAT DE LID-STATEN TEZAMEN MET DE GEMEENSCHAP AAN DE OVEREENKOMST DEELNEMEN.

3. ZOLANG DE BEVOEGDE COMMUNAUTAIRE INSTANTIES OP DIT PUNT GEEN BESLISSING HEBBEN GENOMEN, MOET DE LID-STATEN WORDEN TOEGESTAAN DEEL TE NEMEN AAN DE ONDERHANDELINGEN OVER DE OVEREENKOMST.

Top