EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61974CJ0041

Arrest van het Hof van 4 december 1974.
Yvonne van Duyn tegen Home Office.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: High Court of Justice, Chancery Division - Verenigd Koninkrijk.
Zaak 41-74.

European Court Reports 1974 -01337

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1974:133

61974J0041

ARREST VAN HET HOF VAN 4 DECEMBER 1974. - YVONNE VAN DUYN TEGEN HOME OFFICE. - (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR CHANCERY DIVISION OF THE HIGH COURT OF JUSTICE). - ZAAK NO. 41/74.

Jurisprudentie 1974 bladzijde 01337
Griekse bijz. uitgave bladzijde 00537
Portugese bijz. uitgave bladzijde 00567
Spaanse bijz. uitgave bladzijde 00529
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00389
Finse bijz. uitgave bladzijde 00395


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . WERKNEMERS - VRIJ VERKEER - RECHTSTREEKSE WERKING

( EEG-VERDRAG, ART . 48 )

2 . HANDELINGEN VAN EEN INSTELLING - RECHTSTREEKSE WERKING - RICHTLIJN

( EEG-VERDRAG, ART . 177 EN 189 )

3 . WERKNEMERS - VRIJ VERKEER - BEPERKINGEN - ARTIKEL 3 VAN RICHTLIJN NR . 64/221 VAN DE RAAD - RECHTSTREEKSE WERKING

4 . GEMEENSCHAPSRECHT - GRONDBEGINSEL - UITZONDERING - NATIONALE OPENBARE ORDE - STRIKTE UITLEGGING - BEOORDELINGSBEVOEGDHEID VAN DE NATIONALE AUTORITEITEN

5 . WERKNEMERS - VRIJ VERKEER - UITZONDERING - INBREUK OP DE NATIONALE OPENBARE ORDE - ONDERDAAN VAN EEN ANDERE LID-STAAT - PERSOONLIJK GEDRAG - AANSLUITING BIJ EEN NIET-VERBODEN GROEP - ALS GEVAAR VOOR DE MAATSCHAPPIJ BESCHOUWDE ACTIVITEITEN VAN DIE GROEP

( EEG-VERDRAG, ART . 48, RICHTLIJN NR . 64/221 VAN DE RAAD, ART . 3, LID 1 )

Samenvatting


1 . DAAR DE BEPERKINGEN VAN HET BEGINSEL VAN HET VRIJE VERKEER VAN WERKNEMERS WAAROP DE LID-STAAT ZICH OM REDENEN VAN OPENBARE ORDE, OPENBARE VEILIGHEID EN VOLKSGEZONDHEID KAN BEROEPEN ONDER HET TOETSINGSBEREIK VAN DE RECHTER VALLEN, VERHINDERT HET VOORBEHOUD VAN ARTIKEL 3 NIET DAT ARTIKEL 48 VOOR PARTICULIEREN RECHTEN DOET ONTSTAAN, WELKE ZIJ IN RECHTE GELDEND KUNNEN MAKEN EN WELKE DE NATIONALE RECHTER DIENT TE HANDHAVEN .

2 . HET WARE ONVERENIGBAAR MET DE DWINGENDE WERKING DIE IN ARTIKEL 189 AAN DE RICHTLIJN WORDT TOEGEKEND, INDIEN MEN IN BEGINSEL ZOU UITSLUITEN DAT EEN DAARBIJ OPGELEGDE VERPLICHTING KAN WORDEN INGEROEPEN, DOOR PERSONEN OP WIE ZIJ BETREKKING HEEFT . MET NAME IN GEVALLEN WAARIN DE GEZAGSORGANEN VAN DE GEMEENSCHAP DE LID-STATEN BIJ RICHTLIJN HEBBEN VERPLICHT EEN BEPAALDE GEDRAGSLIJN TE VOLGEN, ZOU HET NUTTIG EFFECT VAN ZODANIGE HANDELING WORDEN VERZWAKT WANNEER DE JUSTITIABELEN ZICH DAAROP IN RECHTE NIET ZOUDEN MOGEN BEROEPEN EN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES DAAROP NIET ALS ELEMENT VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT ACHT ZOUDEN MOGEN SLAAN . ARTIKEL 177, WAARIN AAN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES WORDT TOEGESTAAN ZICH TOT HET HOF TE WENDEN INZAKE DE GELDIGHEID EN DE UITLEGGING VAN ALLE HANDELINGEN DER INSTELLINGEN, ZONDER ONDERSCHEID, IMPLICEERT DAT DIE HANDELINGEN DOOR JUSTITIABELEN BIJ GENOEMDE RECHTERLIJKE INSTANTIES MOGEN WORDEN INGEROEPEN .

IN IEDER AFZONDERLIJK GEVAL MOET WORDEN ONDERZOCHT, OF AARD , OPZET EN BEWOORDINGEN VAN HET BETROKKEN VOORSCHRIFT MEDEBRENGEN DAT HET IN DE RECHTSBETREKKINGEN TUSSEN DE LID-STATEN EN PARTICULIEREN TOT DIRECTE GEVOLGEN KAN LEIDEN .

3 . ARTIKEL 3, LID 1, VAN RICHTLIJN NR . 64/221 VAN DE RAAD VAN 25 FEBRUARI 1964 VOOR DE COORDINATIE VAN DE VOOR VREEMDELINGEN GELDENDE BIJZONDERE MAATREGELEN TEN AANZIEN VAN VERPLAATSING EN VERBLIJF, DIE GERECHTVAARDIGD ZIJN UIT HOOFDE VAN DE OPENBARE ORDE, DE OPENBARE VEILIGHEID EN DE VOLKSGEZONDHEID DOET VOOR PARTICULIEREN RECHTEN ONTSTAAN, WELKE ZIJ IN EEN LID-STAAT IN RECHTE GELDEND KUNNEN MAKEN EN WELKE DE NATIONALE RECHTER DIENT TE HANDHAVEN .

4 . HET BEGRIP OPENBARE ORDE IN COMMUNAUTAIR VERBAND EN MET NAME ALS RECHTVAARDIGING VAN EEN UITZONDERING OP EEN GRONDBEGINSEL VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT MOET STRIKT WORDEN OPGEVAT, ZODAT DE STREKKING ERVAN NIET EENZIJDIG DOOR ELK DER LID-STATEN ZONDER CONTROLE VAN DE GEMEENSCHAPSINSTELLINGEN KAN WORDEN BEPAALD .

NIETTEMIN KUNNEN DE SPECIFIEKE OMSTANDIGHEDEN DIE EEN BEROEP OP HET BEGRIP OPENBARE ORDE ZOUDEN KUNNEN RECHTVAARDIGEN NAAR LAND EN TIJD VERSCHILLEN EN MITSDIEN MOET TEN DEZE AAN DE BEVOEGDE NATIONALE AUTORITEITEN EEN BEOORDELINGSMARGE, BINNEN DE DOOR HET VERDRAG GESTELDE GRENZEN, WORDEN TOEGEKEND .

5 . ARTIKEL 48 EEG-VERDRAG EN ARTIKEL 3, LID 1, VAN RICHTLIJN NR . 64/221 DIENEN ALDUS TE WORDEN VERSTAAN DAT EEN LID-STAAT, MET EEN BEROEP OP DE BEPERKINGEN DIE DOOR DE OPENBARE ORDE ZIJN GERECHTVAARDIGD, ALS PERSOONLIJK GEDRAG VAN DE BETROKKENE IN AANMERKING MAG NEMEN DAT DEZE IS AANGESLOTEN BIJ EEN GROEP OF ORGANISATIE, WIER ACTIVITEITEN DOOR DE LID-STAAT ALS EEN GEVAAR VOOR DE MAATSCHAPPIJ WORDEN BESCHOUWD ZONDER EVENWEL TE ZIJN VERBODEN, EN ZULKS ZELFS WANNEER GEEN BEPERKINGEN WORDEN OPGELEGD AAN ONDERDANEN VAN DIE STAAT, DIE BIJ DIEZELFDE GROEPEN OF ORGANISATIES EEN SOORTGELIJKE DIENSTBETREKKING WENSEN TE AANVAARDEN ALS DE ONDERDAAN VAN EEN ANDERE LID-STAAT .

Partijen


IN DE ZAAK 41-74,

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VAN HET "HIGH COURT OF JUSTICE", "CHANCERY DIVISION", IN ENGELAND, IN HET ALDAAR AANHANGIG GEDING TUSSEN

YVONNE VAN DUYN

EN

HOME OFFICE

Onderwerp


OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING INZAKE DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 48 EEG-VERDRAG EN ARTIKEL 3 VAN RICHTLIJN NR . 64/221/EEG VAN DE RAAD VAN 25 FEBRUARI 1964 VOOR DE COORDINATIE VAN DE VOOR VREEMDELINGEN GELDENDE BIJZONDERE MAATREGELEN TEN AANZIEN VAN VERPLAATSING EN VERBLIJF, DIE GERECHTVAARDIGD ZIJN UIT HOOFDE VAN DE OPENBARE ORDE, DE OPENBARE VEILIGHEID EN DE VOLKSGEZONDHEID ( PB VAN 4 APRIL 1964, BLZ . 850 ),

Overwegingen van het arrest


1 OVERWEGENDE DAT DE CHANCERY DIVISION VAN HET ENGELSE HIGH COURT OF JUSTICE, BIJ BESCHIKKING VAN DE VICE CHANCELOR VAN 1 MAART 1974, TEN HOVE INGEKOMEN OP 13 JUNI, KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG DRIE VRAGEN HEEFT GESTELD MET BETREKKING TOT DE UITLEGGING VAN EEN AANTAL BEPALINGEN VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT INZAKE HET VRIJE VERKEER VAN WERKNEMERS;

2 DAT DEZE VRAGEN ZIJN GESTELD IN HET KADER VAN EEN BEROEP, INGESTELD TEGEN HET HOME OFFICE DOOR EEN NEDERLANDSE ONDERDANE DIE GEEN TOESTEMMING KREEG HET VERENIGD KONINKRIJK BINNEN TE KOMEN TEN EINDE ALDAAR ALS SECRETARESSE BIJ DE "CHURCH OF SCIENTOLOGY" WERKZAAM TE ZIJN;

3 DAT HAAR DE TOEGANG WERD GEWEIGERD OVEREENKOMSTIG HET BELEID VAN DE REGERING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK JEGENS GENOEMDE ORGANISATIE, WIER ACTIVITEITEN DOOR DEZE ALS EEN GEVAAR VOOR DE MAATSCHAPPIJ WORDEN BESCHOUWD;

TEN AANZIEN VAN DE EERSTE VRAAG

4 OVERWEGENDE DAT HET HOF IN DE EERSTE PLAATS WORDT GEVRAAGD OF ARTIKEL 48 EEG-VERDRAG RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK IS IN DIE ZIN DAT HET VOOR PARTICULIEREN RECHTEN DOET ONTSTAAN, WELKE ZIJ IN EEN LID-STAAT IN RECHTE GELDEND KUNNEN MAKEN;

5 OVERWEGENDE DAT ARTIKEL 48, LEDEN 1 EN 2, BEPAALT DAT HET VRIJE VERKEER VAN WERKNEMERS AAN HET EINDE VAN DE OVERGANGSPERIODE TOT STAND WORDT GEBRACHT EN "DE AFSCHAFFING" INHOUDT "VAN ELKE DISCRIMINATIE OP GROND VAN DE NATIONALITEIT TUSSEN DE WERKNEMERS DER LID-STATEN, WAT BETREFT DE WERKGELEGENHEID, DE BELONING EN DE OVERIGE ARBEIDSVOORWAARDEN";

6 DAT DEZE BEPALINGEN DE LID-STATEN EEN DUIDELIJK OMSCHREVEN VERPLICHTING OPLEGGEN WAARTOE GENERLEI HANDELING VAN HETZIJ DE GEMEENSCHAPSINSTELLINGEN HETZIJ DE LID-STATEN NODIG IS EN DIE LAATSTGENOEMDE BIJ DE UITVOERING DIER VERPLICHTING GEEN ENKELE BEOORDELINGSBEVOEGDHEID LAAT ;

7 DAT LID 3 BIJ DE OMSCHRIJVING VAN DE RECHTEN DIE HET BEGINSEL VAN HET VRIJE VERKEER VAN WERKNEMERS MEEBRENGT, EEN VOORBEHOUD MAAKT INZAKE DE BEPERKINGEN DIE OM REDENEN VAN OPENBARE ORDE, OPENBARE VEILIGHEID EN VOLKSGEZONDHEID ZIJN GERECHTVAARDIGD;

DAT DE TOEPASSING VAN DIT VOORBEHOUD EVENWEL VATBAAR IS VOOR RECHTERLIJKE TOETSING, ZODAT DE MOGELIJKHEID VOOR EEN LID-STAAT OM HET VOORBEHOUD IN TE ROEPEN NIET VERHINDERT DAT ARTIKEL 48, WAARIN HET BEGINSEL VAN HET VRIJE VERKEER VAN WERKNEMERS IS NEERGELEGD, VOOR PARTICULIEREN RECHTEN DOET ONTSTAAN, WELKE ZIJ IN RECHTE GELDEND KUNNEN MAKEN EN WELKE DE NATIONALE RECHTER DIENT TE HANDHAVEN;

8 DAT DE EERSTE VRAAG DERHALVE BEVESTIGEND DIENT TE WORDEN BEANTWOORD;

TEN AANZIEN VAN DE TWEEDE VRAAG

9 OVERWEGENDE DAT HET HOF IN DE TWEEDE PLAATS WORDT GEVRAAGD OF RICHTLIJN NR . 64/221 VAN DE RAAD VAN 25 FEBRUARI 1964 VOOR DE COORDINATIE VAN DE VOOR VREEMDELINGEN GELDENDE BIJZONDERE MAATREGELEN TEN AANZIEN VAN VERPLAATSING EN VERBLIJF, DIE GERECHTVAARDIGD ZIJN UIT HOOFDE VAN DE OPENBARE ORDE, DE OPENBARE VEILIGHEID EN DE VOLKSGEZONDHEID, RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK IS IN DIE ZIN, DAT ZIJ VOOR PARTICULIEREN RECHTEN DOET ONTSTAAN, WELKE ZIJ IN EEN LID-STAAT IN RECHTE GELDEND KUNNEN MAKEN;

10 DAT UIT DE VERWIJZINGSBESCHIKKING VOLGT DAT HET VAN DE BEPALINGEN DER RICHTLIJN HIER ALLEEN GAAT OM ARTIKEL 3, LID 1, DAT VOORSCHRIJFT DAT "DE MAATREGELEN VAN OPENBARE ORDE OF OPENBARE VEILIGHEID UITSLUITEND MOETEN BERUSTEN OP HET PERSOONLIJK GEDRAG VAN DE BETROKKENE";

11 OVERWEGENDE DAT HET VERENIGD KONINKRIJK HEEFT OPGEMERKT DAT ARTIKEL 189 VAN HET VERDRAG ONDERSCHEID MAAKT TUSSEN DE WERKING VAN VERORDENINGEN, RICHTLIJNEN EN BESCHIKKINGEN EN DAT BIJGEVOLG MOET WORDEN AANGENOMEN DAT DE RAAD, DOOR GEEN VERORDENING MAAR EEN RICHTLIJN VAST TE STELLEN, HEEFT GEWILD DAT DE RICHTLIJN ANDERS ZOU WERKEN DAN EEN VERORDENING EN DUS NIET RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK ZOU ZIJN;

12 OVERWEGENDE EVENWEL, DAT WANNEER KRACHTENS DE VOORSCHRIFTEN VAN ARTIKEL 189 VERORDENINGEN RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK ZIJN EN MITSDIEN NAAR HUN AARD TOT DIRECTE GEVOLGEN KUNNEN LEIDEN, ZULKS NIET WIL ZEGGEN DAT ANDERE GROEPEN HANDELINGEN ALS IN DIT ARTIKEL BEDOELD NIMMER ANALOGE GEVOLGEN TEWEEG KUNNEN BRENGEN;

DAT HET MET DE DWINGENDE WERKING, DIE IN ARTIKEL 189 AAN DE RICHTLIJN WORDT TOEGEKEND, ONVERENIGBAAR WARE INDIEN MEN IN BEGINSEL ZOU UITSLUITEN DAT EEN DAARBIJ OPGELEGDE VERPLICHTING KAN WORDEN INGEROEPEN DOOR PERSONEN OP WIE ZIJ BETREKKING HEEFT;

DAT MET NAME IN GEVALLEN WAARIN DE GEZAGSORGANEN VAN DE GEMEENSCHAP DE LID-STATEN BIJ RICHTLIJN HEBBEN VERPLICHT EEN BEPAALDE GEDRAGSLIJN TE VOLGEN, HET NUTTIG EFFECT VAN ZODANIGE HANDELING ZOU WORDEN VERZWAKT WANNEER DE JUSTITIABELEN ZICH DAAROP IN RECHTE NIET ZOUDEN MOGEN BEROEPEN EN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES DAAROP NIET ALS ELEMENT VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT ACHT ZOUDEN MOGEN SLAAN;

DAT ARTIKEL 177, WAARIN AAN DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES WORDT TOEGESTAAN ZICH TOT HET HOF TE WENDEN INZAKE DE GELDIGHEID EN DE UITLEGGING VAN ALLE HANDELINGEN DER INSTELLINGEN, ZONDER ONDERSCHEID, VOORTS IMPLICEERT DAT DIE HANDELINGEN DOOR JUSTITIABELEN BIJ GENOEMDE RECHTERLIJKE INSTANTIES MOGEN WORDEN INGEROEPEN;

DAT IN IEDER AFZONDERLIJK GEVAL MOET WORDEN ONDERZOCHT, OF AARD, OPZET EN BEWOORDINGEN VAN HET BETROKKEN VOORSCHRIFT MEDEBRENGEN DAT HET IN DE RECHTSBETREKKINGEN TUSSEN DE LID-STATEN EN PARTICULIEREN TOT DIRECTE GEVOLGEN KAN LEIDEN;

13 OVERWEGENDE DAT ARTIKEL 3, LID 1, VAN RICHTLIJN NR . 64/221, DOOR HET VOORSCHRIFT DAT DE MAATREGELEN VAN OPENBARE ORDE UITSLUITEND MOETEN BERUSTEN OP HET PERSOONLIJK GEDRAG VAN DE BETROKKENE, STREKT TOT BEPERKING VAN DE DISCRETIONAIRE BEVOEGDHEID WELKE DE NATIONALE WETGEVINGEN IN HET ALGEMEEN TOEKENNEN AAN DE TER ZAKE VAN TOELATING EN UITZETTING VAN VREEMDELINGEN BEVOEGDE AUTORITEITEN;

DAT ENERZIJDS DE BEPALING EEN VERPLICHTING BEVAT, WAARAAN GEEN ENKEL VOORBEHOUD OF VOORWAARDE IS VERBONDEN EN DIE NAAR HAAR AARD GEEN ENKELE NADERE HANDELING NODIG MAAKT VAN HETZIJ DE GEMEENSCHAPSINSTELLINGEN, HETZIJ DE LID-STATEN;

DAT ANDERZIJDS, DAAR HET OM EEN VERPLICHTING VOOR DE LID-STATEN GAAT OM, BIJ DE TOEPASSING VAN EEN UITZONDERINGSBEPALING OP EEN DER GRONDBEGINSELEN VAN HET VERDRAG TEN GUNSTE VAN PARTICULIEREN, GEEN REKENING TE HOUDEN MET FACTOREN BUITEN HET PERSOONLIJK GEDRAG, DE RECHTSZEKERHEID VAN DE BELANGHEBBENDEN VERLANGT DAT ZIJ DIE VERPLICHTING KUNNEN INROEPEN, OOK AL IS DEZE VERVAT IN EEN NORMATIEVE HANDELING DIE NIET VAN RECHTSWEGE IN HAAR GEHEEL RECHTSTREEKS WERKT;

14 DAT, WANNEER OVER DE UITLEGGING VAN DE ZIN EN JUISTE STREKKING VAN DE BEPALING VRAGEN KUNNEN RIJZEN, DEZE LANGS GERECHTELIJKE WEG KUNNEN WORDEN OPGELOST, MEDE GELET OP DE PROCEDURE VAN ARTIKEL 177 VAN HET VERDRAG;

15 DAT DERHALVE DE GESTELDE VRAAG ALDUS MOET WORDEN BEANTWOORD DAT ARTIKEL 3, LID 1, VAN RICHTLIJN NR . 64/221 VAN DE RAAD VAN 25 FEBRUARI 1964 VOOR PARTICULIEREN RECHTEN DOET ONTSTAAN, WELKE ZIJ IN EEN LID-STAAT IN RECHTE GELDEND KUNNEN MAKEN EN WELKE DE NATIONALE RECHTER DIENT TE HANDHAVEN;

TEN AANZIEN VAN DE DERDE VRAAG

16 OVERWEGENDE DAT HET HOF IN DE DERDE PLAATS WORDT GEVRAAGD OF ARTIKEL 48 VAN HET VERDRAG EN ARTIKEL 3 VAN RICHTLIJN NR . 64/221 ALDUS DIENEN TE WORDEN VERSTAAN DAT

"EEN LID-STAAT BIJ HET NAKOMEN VAN ZIJN VERPLICHTING OM DE MAATREGEL VAN OPENBARE ORDE UITSLUITEND TE DOEN BERUSTEN OP HET PERSOONLIJK GEDRAG VAN DE BETROKKEN PERSOON, IS GERECHTIGD ALS PERSOONLIJK GEDRAG IN AANMERKING TE NEMEN :

A ) HET FEIT DAT DE BETROKKEN PERSOON IS OF WAS AANGESLOTEN BIJ EEN GROEP OF ORGANISATIE, WIER ACTIVITEITEN DOOR DE LID-STAAT STRIJDIG WORDEN GEACHT MET HET OPENBAAR BELANG, MAAR IN DIE STAAT NIET ONWETTIG ZIJN,

B ) HET FEIT DAT DE BETROKKEN PERSOON VOORNEMENS IS IN DIE LID-STAAT EEN DIENSTBETREKKING BIJ EEN DERGELIJKE GROEP OF ORGANISATIE TE AANVAARDEN, TERWIJL AAN DE ONDERDANEN VAN DIE LID-STAAT, DIE BIJ EEN DERGELIJKE GROEP OF ORGANISATIE EEN SOORTGELIJKE DIENSTBETREKKING WENSEN TE AANVAARDEN, GEEN BEPERKINGEN IN DE WEG WORDEN GELEGD ."

17 OVERWEGENDE DAT TEN DEZE ALLEREERST DIENT TE WORDEN ONDERZOCHT OF AANSLUITING BIJ EEN GROEP OF ORGANISATIE OP ZICHZELF PERSOONLIJK GEDRAG KAN OPLEVEREN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 3 VAN RICHTLIJN NR . 64/221;

DAT, AL VERMAG EEN AANSLUITING DIE IN HET VERLEDEN IS GEEINDIGD IN HET ALGEMEEN NIET RECHTVAARDIGEN DAT HET RECHT OP VRIJ VERKEER BINNEN DE GEMEENSCHAP AAN DE BELANGHEBBENDE WORDT ONTZEGD, NIETTEMIN EEN TEGENWOORDIGE AANSLUITING, ALS BLIJK VAN DEELNEMING AAN DE ACTIVITEITEN VAN DE GROEP OF ORGANISATIE ALSMEDE VAN IDENTIFICERING MET HAAR DOEL EN STREKKING, KAN WORDEN BESCHOUWD ALS EEN VRIJWILLIGE HANDELING VAN DE BETROKKENE EN BIJGEVOLG ALS ONDERDEEL VAN DIENS PERSOONLIJK GEDRAG IN DE ZIN VAN GENOEMDE BEPALING;

18 OVERWEGENDE DAT DE GESTELDE VRAAG VOORTS HET PROBLEEM DOET RIJZEN WELK BELANG MOET WORDEN TOEGEKEND AAN HET FEIT DAT DE ACTIVITEITEN VAN DE BETROKKEN ORGANISATIE, DIE DOOR DE LID-STAAT STRIJDIG WORDEN GEACHT MET HET OPENBAAR BELANG , DOOR DE NATIONALE WET TOCH NIET ZIJN VERBODEN;

DAT TEN DEZE ZIJ OPGEMERKT DAT HET BEGRIP OPENBARE ORDE IN COMMUNAUTAIR VERBAND EN MET NAME ALS RECHTVAARDIGING VAN EEN UITZONDERING OP HET GRONDBEGINSEL VAN HET VRIJE VERKEER VAN WERKNEMERS, STRIKT MOET WORDEN OPGEVAT, ZODAT DE STREKKING ERVAN NIET EENZIJDIG DOOR ELK DER LID-STATEN ZONDER CONTROLE VAN DE GEMEENSCHAPSINSTELLINGEN KAN WORDEN BEPAALD;

DAT NIETTEMIN DE SPECIFIEKE OMSTANDIGHEDEN DIE EEN BEROEP OP HET BEGRIP OPENBARE ORDE ZOUDEN KUNNEN RECHTVAARDIGEN, NAAR LAND EN TIJD KUNNEN VERSCHILLEN EN DAT MITSDIEN TEN DEZE AAN DE BEVOEGDE NATIONALE AUTORITEITEN EEN BEOORDELINGSMARGE, BINNEN DE DOOR HET VERDRAG GESTELDE GRENZEN, MOET WORDEN TOEGEKEND;

19 DAT HIERUIT VOLGT DAT VAN EEN LID-STAAT, WELKS BEVOEGDE AUTORITEITEN EEN DUIDELIJK STANDPUNT HEBBEN INGENOMEN TEN OPZICHTE VAN DE ACTIVITEITEN VAN EEN BEPAALDE ORGANISATIE DOOR DEZE ALS EEN GEVAAR VOOR DE MAATSCHAPPIJ AAN TE MERKEN, EN DIE BESTUURLIJKE MAATREGELEN HEBBEN GETROFFEN OM DIE ACTIVITEITEN TEGEN TE GAAN, VOOR EEN BEROEP OP HET BEGRIP OPENBARE ORDE NIET KAN WORDEN VERLANGD DIE ACTIVITEITEN BIJ DE WET TE DOEN VERBIEDEN, INDIEN ZULKS ONDER DE GEGEVEN OMSTANDIGHEDEN NIET DIENSTIG WORDT GEACHT;

20 OVERWEGENDE DAT DE GESTELDE VRAAG TENSLOTTE HET PROBLEEM DOET RIJZEN OF EEN LID-STAAT OM REDENEN VAN OPENBARE ORDE GERECHTIGD IS ZICH ERTEGEN TE VERZETTEN DAT EEN ONDERDAAN VAN EEN ANDERE LID-STAAT OP ZIJN GRONDGEBIED EEN DIENSTBETREKKING AANVAARDT BIJ EEN GROEP OF ORGANISATIE, TERWIJL AAN ZIJN EIGEN ONDERDANEN GEEN ANALOGE BEPERKINGEN IN DE WEG WORDEN GELEGD;

21 OVERWEGENDE DAT TEN DEZE HET VERDRAG, OOK AL BEVAT DIT HET BEGINSEL VAN HET VRIJE VERKEER VAN WERKNEMERS ZONDER DISCRIMINATIE TUSSEN DE ONDERDANEN VAN DE LID-STATEN, IN ARTIKEL 48, LID 3, BIJ DE DAARUIT VOORTVLOEIENDE RECHTEN EEN VOORBEHOUD MAAKT VOOR BEPERKINGEN DIE ZIJN GERECHTVAARDIGD UIT HOOFDE VAN OPENBARE ORDE, OPENBARE VEILIGHEID EN VOLKSGEZONDHEID;

DAT, ONDER DIT VOORBEHOUD, DE RECHTEN KRACHTENS GENOEMDE BEPALING ONDER MEER OMVATTEN HET RECHT OM IN TE GAAN OP EEN FEITELIJK AANBOD VAN TEWERKSTELLING, ZICH TE DIEN EINDE VRIJ TE VERPLAATSEN OVER HET GRONDGEBIED DER LID-STATEN EN IN EEN DER LID-STATEN TE VERBLIJVEN TENEINDE DAAR EEN BEROEP UIT TE OEFENEN;

DAT HET GENOEMDE VOORBEHOUD, INDIEN VAN TOEPASSING, DERHALVE TOT GEVOLG HEEFT DAT DE TOEGANG TOT HET GRONDGEBIED VAN EEN LID-STAAT EN HET VERBLIJF ALDAAR KUNNEN WORDEN GEWEIGERD AAN EEN ONDERDAAN VAN EEN ANDERE LID-STAAT;

22 DAT ANDERZIJDS EEN BEGINSEL VAN INTERNATIONAAL RECHT DAT HET EEG-VERDRAG NIET GEACHT KAN WORDEN IN DE BETREKKINGEN TUSSEN DE LID-STATEN TE MISKENNEN, ZICH ERTEGEN VERZET DAT EEN LID-STAAT ZIJN EIGEN ONDERDANEN HET RECHT VAN TOEGANG TOT ZIJN GRONDGEBIED EN VERBLIJF ALDAAR ONTZEGT;

23 DAT HIERUIT VOLGT DAT EEN LID-STAAT OM REDENEN VAN OPENBARE ORDE IN VOORKOMEND GEVAL EEN ONDERDAAN VAN EEN ANDERE LID-STAAT KAN VERHINDEREN GEBRUIK TE MAKEN VAN HET BEGINSEL VAN HET VRIJE VERKEER VAN WERKNEMERS OM EEN BEPAALDE DIENSTBETREKKING TE AANVAARDEN, OOK AL LEGT ZIJ HAAR EIGEN ONDERDANEN GEEN ANALOGE BEPERKING OP;

24 DAT MITSDIEN OP DE GESTELDE VRAAG MOET WORDEN GEANTWOORD DAT ARTIKEL 48 EEG-VERDRAG EN ARTIKEL 3, LID 1, VAN RICHTLIJN NR . 64/221 ALDUS DIENEN TE WORDEN VERSTAAN DAT EEN LID-STAAT, MET EEN BEROEP OP DE BEPERKINGEN DIE DOOR DE OPENBARE ORDE ZIJN GERECHTVAARDIGD, ALS PERSOONLIJK GEDRAG VAN DE BETROKKENE IN AANMERKING MAG NEMEN DAT DEZE IS AANGESLOTEN BIJ EEN GROEP OF ORGANISATIE, WIER ACTIVITEITEN DOOR DE LID-STAAT ALS EEN GEVAAR VOOR DE MAATSCHAPPIJ WORDEN BESCHOUWD ZONDER EVENWEL TE ZIJN VERBODEN, EN ZULKS ZELFS WANNEER GEEN BEPERKINGEN WORDEN OPGELEGD AAN ONDERDANEN VAN DIE STAAT, DIE BIJ DIEZELFDE GROEPEN OF ORGANISATIES EEN SOORTGELIJKE DIENSTBETREKKING WENSEN TE AANVAARDEN ALS DE ONDERDAAN VAN EEN ANDERE LID-STAAT;

Beslissing inzake de kosten


TEN AANZIEN VAN DE KOSTEN

25 OVERWEGENDE DAT DE KOSTEN, DOOR HET VERENIGD KONINKRIJK EN DOOR DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HUNNER OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT, NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KUNNEN KOMEN;

DAT DE PROCEDURE TEN AANZIEN VAN DE PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING ALS EEN ALDAAR GEREZEN INCIDENT IS TE BESCHOUWEN, ZODAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN;

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

UITSPRAAK DOENDE OP DE DOOR HET HIGH COURT OF JUSTICE BIJ BESCHIKKING VAN 1 MAART 1974 GESTELDE VRAGEN, VERKLAART VOOR RECHT :

1 . ARTIKEL 48 EEG-VERDRAG HEEFT RECHTSTREEKSE WERKING IN DE RECHTSORDEN VAN DE LID-STATEN EN DOET VOOR PARTICULIEREN RECHTEN ONTSTAAN, WELKE DE NATIONALE RECHTER DIENT TE HANDHAVEN .

2 . ARTIKEL 3, LID 1, VAN RICHTLIJN NR . 64/221 VAN DE RAAD VAN 25 FEBRUARI 1964 VOOR DE COORDINATIE VAN DE VOOR VREEMDELINGEN GELDENDE BIJZONDERE MAATREGELEN TEN AANZIEN VAN VERPLAATSING EN VERBLIJF, DIE GERECHTVAARDIGD ZIJN UIT HOOFDE VAN DE OPENBARE ORDE, DE OPENBARE VEILIGHEID EN DE VOLKSGEZONDHEID, DOET VOOR PARTICULIEREN RECHTEN ONTSTAAN, WELKE ZIJ IN EEN LID-STAAT IN RECHTE GELDEND KUNNEN MAKEN EN WELKE DE NATIONALE RECHTER DIENT TE HANDHAVEN .

3 . ARTIKEL 48 EEG-VERDRAG EN ARTIKEL 3, LID 1, VAN RICHTLIJN NR . 64/221 DIENEN ALDUS TE WORDEN VERSTAAN DAT EEN LID-STAAT, MET EEN BEROEP OP DE BEPERKINGEN DIE DOOR DE OPENBARE ORDE ZIJN GERECHTVAARDIGD, ALS PERSOONLIJK GEDRAG VAN DE BETROKKENE IN AANMERKING MAG NEMEN DAT DEZE IS AANGESLOTEN BIJ EEN GROEP OF ORGANISATIE, WIER ACTIVITEITEN DOOR DE LID-STAAT ALS EEN GEVAAR VOOR DE MAATSCHAPPIJ WORDEN BESCHOUWD ZONDER EVENWEL TE ZIJN VERBODEN, EN ZULKS ZELFS WANNEER GEEN BEPERKINGEN WORDEN OPGELEGD AAN ONDERDANEN VAN DIE STAAT, DIE BIJ DIEZELFDE GROEPEN OF ORGANISATIES EEN SOORTGELIJKE DIENSTBETREKKING WENSEN TE AANVAARDEN ALS DE ONDERDAAN VAN EEN ANDERE LID-STAAT .

Top