Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52026PC0100

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een kader van maatregelen voor de versnelling van de industriële capaciteit en de decarbonisatie in strategische sectoren en tot wijziging van Verordeningen (EU) 2018/1724, (EU) 2024/1735 en (EU) 2024/3110

COM/2026/100 final

Brussel, 4.3.2026

COM(2026) 100 final

2026/0068(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van een kader van maatregelen voor de versnelling van de industriële capaciteit en
de decarbonisatie in strategische sectoren en tot wijziging van Verordeningen (EU) 2018/1724,
(EU) 2024/1735 en (EU) 2024/3110

(Voor de EER relevante tekst)

{SEC(2026) 70 final} - {SWD(2026) 70 final} - {SWD(2026) 71 final} - {SWD(2026) 72 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Deze toelichting vergezelt het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een kader van maatregelen voor de versnelling van de industriële capaciteit en de decarbonisatie van strategische sectoren: de “verordening industriële versnelling”.

In het huidige geopolitieke landschap vormt het frequente en gerichte gebruik van economische instrumenten om strategische doelstellingen te bevorderen een ernstige bedreiging voor de veerkracht, het concurrentievermogen, de economische veiligheid en de strategische autonomie van de Unie. Zoals benadrukt in het rapport-Draghi over het Europese concurrentievermogen, brengt het als wapen inzetten van de afhankelijkheid van de EU van handelspartners in strategische sectoren de veiligheid, het concurrentievermogen en de economie van de EU in gevaar 1 . Het vermogen van de Unie om te reageren en de afhankelijkheid van derde landen te verminderen, ligt in de kracht van haar industriële basis, haar innovatiecapaciteit en de integriteit van de eengemaakte markt.

De transitie naar een schone en digitale economie biedt een uitgelezen kans om de industriële basis van de EU te versterken, zoals onder meer uiteengezet in de mededeling van de Commissie over de Clean Industrial Deal 2 . Wereldwijde concurrentie, snelle technologische veranderingen, structurele kostennadelen, oneerlijke verstoringen van de wereldmarkt, zoals het toenemende gebruik van buitenlandse subsidies om een concurrentievoordeel te creëren, en de inzet van economische afhankelijkheden als wapen veranderen de mondiale waardeketens. Tegelijkertijd vergroten de toenemende geopolitieke spanningen de bestaande kwetsbaarheden en creëren zij er nieuwe. Tegen deze achtergrond moet de EU strategisch optreden om haar veerkracht, industriële basis en haar concurrentievermogen op lange termijn veilig te stellen en verder te versterken en ervoor te zorgen dat de klimaattransitie een motor van industriële groei wordt.

De be- en verwerkende industrie is van essentieel belang om de economische veerkracht van de EU op lange termijn te waarborgen en te versterken en haar doelstelling van klimaatneutraliteit te verwezenlijken. In 2024 was ze goed voor 18,3 % van de werkgelegenheid in het bedrijfsleven van de EU 3 en 14,3 % van het totale bbp van de EU, 4 terwijl ze 26,2 % van de broeikasgasemissies van de EU genereerde 5 . Ondanks het blijvende economische belang van de sector is het aandeel ervan in het bbp de afgelopen decennia gedaald van 17,4 % in 2000 tot het huidige niveau van 14,3 % 6 . Deze achteruitgang is niet alleen een economische realiteit, maar ook een strategisch waarschuwingssignaal met mogelijk structurele gevolgen voor de welvaart en sociale cohesie van de EU. Tegelijkertijd wordt de be- en verwerkende industrie steeds vaker geconfronteerd met uitdagingen, zoals hoge energieprijzen, wereldwijde overcapaciteit, hoge kapitaal- en exploitatiekosten voor decarbonisatie en de uitrol van nieuwe technologie, lage investeringen in vergelijking met andere regio’s, en regelgevingsbelemmeringen 7 .

Daarom heeft de verordening industriële versnelling tot doel ervoor te zorgen dat deze trend tegen 2035 wordt gekeerd en de be- en verwerkende industrie 20 % van het bbp van de EU vertegenwoordigt. Dit zal gebeuren door de vergunningverlening voor alle productieprojecten te versnellen en door een instrumentarium te bieden voor toegang tot de Europese eengemaakte markt op een manier die strategische afhankelijkheden voorkomt, banen in de productie creëert, decarbonisatie en klimaatprestaties stimuleert en de toegang van Europese burgers en bedrijven tot essentiële grondstoffen en producten te allen tijde waarborgt.

Om de strategische autonomie van de EU te verwezenlijken en tegelijkertijd de industrie koolstofvrij te maken en haar concurrentievermogen te behouden, is een sterke businesscase nodig. In dat verband is het versterken van het concurrentievermogen van bepaalde strategische sectoren en technologieën, met name nettonultechnologieën, energie-intensieve industrieën en de toeleveringsketen van de automobielsector, van essentieel belang voor de veerkracht, de strategische autonomie en de klimaatdoelstellingen van de EU. Als we cruciale toeleveringsketens niet veiligstellen en diversifiëren, brengt dat aanzienlijke economische en maatschappelijke risico’s met zich mee, wat zou kunnen leiden tot een verstoring van de openbare orde in de Unie. Externe kwetsbaarheden verminderen zou kunnen bijdragen tot het versterken van onze economie, het stimuleren van investeringen en het ondersteunen van de businesscase voor het lopende ingrijpende industriële transformatieproces.

De sectoren die onder de verordening industriële versnelling vallen — met name energie-intensieve industrieën, de productie van nettonultechnologieën en de automobielindustrie — zijn goed voor een beperkt deel van de productie in de EU, maar spelen een onevenredige strategische rol. Samen zijn de strategische sectoren waarop de verordening industriële versnelling betrekking heeft, goed voor ongeveer 15 % van de productie in de EU. Hun belang ligt daarom minder in hun totale omvang dan in hun centrale rol als upstreamleveranciers en facilitatoren van downstream industriële ecosystemen, waaronder bouw, mobiliteit, energie, ruimtevaart en defensie.

Vertraagde of onvoldoende vooruitgang op het gebied van klimaatactie kan de economische en sociale gevolgen van de klimaatverandering verergeren, met gevolgen voor de sociale stabiliteit. Er zijn met name maatregelen nodig in de volgende sectoren:

Energie-intensieve industrieën (EII’s) zijn een belangrijke pijler van de Europese welvaart en een hoeksteen van de industriële basis van het continent, en ondersteunen de meeste industriële ecosystemen. De productievolumes in EII’s zijn sinds 2021 echter aanzienlijk gedaald in vergelijking met andere productiesectoren 8 . De kostenverschillen met andere regio’s in de wereld zijn groter geworden en de invoer is toegenomen, met name voor basismetalen en chemische stoffen 9 . De bezettingsgraad blijft onhoudbaar laag 10 . Het koolstofvrij maken van deze industrieën vereist aanzienlijke investeringen 11 , maar het tempo van de decarbonisatie ligt niet hoog genoeg om de klimaatdoelstellingen van de EU te halen. Hoewel veel decarbonisatieprojecten zijn aangekondigd en sommige al aan de gang zijn, is meer dan de helft van de projecten sinds 2023 nog steeds niet uitgevoerd 12 . De modernisering van deze sectoren is niet alleen van fundamenteel belang voor de verwezenlijking van onze klimaatdoelstellingen, maar ook voor het vermogen van Europa om industriële waardeketens te verankeren en hoogwaardige banen te scheppen. Van de energie-intensieve industrieën zijn staal en cement de grootste uitstoters van broeikasgassen in de EU. De chemische industrie volgt op de derde plaats. Aluminium is ook zeer elektriciteitsintensief en wordt erkend als strategische grondstof waarvoor de vraag naar verwachting tot 2050 met 33 % zal toenemen. Tegelijkertijd hebben deze sectoren het afgelopen decennium een aanzienlijk marktaandeel in de EU verloren. Gezien hun hoge emissie-intensiteit en strategische rol voor de schone en digitale transitie worden deze sectoren als prioritair beschouwd om maatregelen aan de vraagzijde vast te stellen. Zij worden ook gekenmerkt door een beperkt kosteneffect op downstreamindustrieën.

Nettonultechnologieën worden geconfronteerd met uitdagingen op het gebied van concurrentievermogen en aanzienlijke kwetsbaarheden in de toeleveringsketen 13 . Hoewel de uitrol in de EU — en de rest van de wereld — vordert, neemt het mondiale marktaandeel van de EU in de productie van deze technologieën af. De productie is sterk geconcentreerd in China en is goed voor meer dan 80 % van de productiecapaciteit voor batterijen en fotovoltaïsche zonne-energie, met inbegrip van omvormers van zonne-energie, die een essentiële functie vervullen in de kritieke infrastructuur van de Unie. Bij andere nettonultechnologieën, zoals warmtepompen en geothermische energie, is de EU-productie sterk afhankelijk van componenten van leveranciers van buiten de EU. Windenergietechnologieën ondervinden kostendruk van laaggeprijsde Chinese invoer, terwijl technologieën voor koolstofafvang achterblijven bij het vervoer en de opslag van CO2. Zonder doortastend optreden dreigt de EU nog afhankelijker te worden van ingevoerde schone technologieën, juist op het moment dat mondiale partners hun industriële strategieën versnellen 14 en hun industriële sterke punten als wapen gebruiken. Tegelijkertijd zijn nettonultechnologieën een bron van industriële kracht van de EU. Zij moeten wereldwijd een gelijk speelveld krijgen in het licht van oneerlijk gesubsidieerde overcapaciteit door derde landen.

Ook downstreamindustrieën staan onder druk. Het concurrentievermogen van de Europese automobielindustrie - een symbool van het industriële leiderschap van de Unie - is aanzienlijk afgenomen. De gemiddelde winstgevendheid van Europese autoleveranciers is gedaald van 7,4 % in 2017 tot 5 % in 2023 en in 2024/25 zijn meer dan 100 000 ontslagen aangekondigd 15 . Uit recente enquêtes blijkt dat de helft van de Europese leveranciers van auto-onderdelen van plan is de productiecapaciteit in de EU de komende jaren te verminderen. Deze achteruitgang bedreigt honderdduizenden banen en de industriële toekomst van Europa.

Tegen deze achtergrond pakt het voorstel drie belangrijke subproblemen aan:

1)Kwetsbaarheden van de toeleveringsketen in strategische sectoren en technologieën. Mondiale, niet altijd eerlijke, concurrentie en afhankelijkheid van de internationale waardeketen ondermijnen het vermogen van Europa om de productie in strategische sectoren en technologieën te verhogen of te behouden. Een punt van zorg is het gebrek aan technologische knowhow en expertise op het gebied van productie in de EU voor bepaalde belangrijke nettonul- en digitale technologieën. Deze bezorgdheid wordt nog verergerd door een versnipperde EU-aanpak van buitenlandse investeringen, die vaak niet gepaard gaan met technologieoverdracht, het scheppen van banen en integratie van de waardeketen in de EU.

2)Beperkte vraag/geen leidende markten voor Europese koolstofarme industriële producten. Hoge productiekosten, verschillende niveaus van technologische paraatheid en een gebrek aan industriële schaaleffecten beperken de ontwikkeling en marktintroductie van koolstofarme producten in energie-intensieve industrieën, waardoor de investeringen in decarbonisatie worden ondermijnd of vertraagd. Dit wordt nog versterkt door de uitdagingen om koolstofarme industriële producten te onderscheiden van koolstofintensieve producten en de beperkte bereidheid van downstreamsectoren om een meerprijs voor koolstofarme producten te betalen.

3)Industriële technologieën worden niet op grote schaal ingezet. Langdurige, versnipperde en onzekere vergunningsprocedures voor industriële decarbonisatieprojecten, met inbegrip van aansluiting op infrastructuur, vertragen de uitrol en opschaling van nieuwe technologieën. Het koolstofvrij maken van industriële processen vereist een ingrijpende en dure transformatie van activa en activiteiten. De aanzienlijke investeringen die dit met zich meebrengt, kunnen tijdens lange vergunningsprocedures worden bevroren. Moeilijkheden om de risico’s van investeringen te verminderen en toegang te krijgen tot financiering vormen een groot knelpunt.

Tegen deze achtergrond werd in de Clean Industrial Deal een nieuw regelgevingsinitiatief aangekondigd om knelpunten in de vergunningverlening aan te pakken, veerkracht- en duurzaamheidscriteria in te voeren en leidende markten voor Europese schone en veerkrachtige industriële producten en technologieën tot stand te brengen.

Dit voorstel komt tegemoet aan de politieke toezegging van voorzitter Von der Leyen, die in de toespraak over de Staat van de Unie van 2025 een verordening industriële versnelling heeft aangekondigd om de vraag naar schone en in de EU vervaardigde producten in strategische sectoren en technologieën te stimuleren. Het voorstel is ook aangekondigd in de mededeling over de Europese economische strategie van 3 december 2025.

Het wetgevingsvoorstel heeft tot doel de economische veerkracht, welvaart en strategische autonomie van de EU op lange termijn te versterken door de industriële productie te ondersteunen en de decarbonisatie te versnellen. De doelstellingen zijn:

·De toegang tot en de omvang van de eengemaakte markt benutten om de vraag naar Europese koolstofarme industriële producten en nettonultechnologieën te stimuleren, onder meer door differentiatie voor koolstofarm staal te vergemakkelijken om de waarde en verhandelbaarheid ervan te vergroten.

·De kwaliteit en de voordelen voor de eengemaakte markt van buitenlandse investeringen in de EU in de meest strategische sectoren maximaliseren.

·Op grote schaal productieprojecten uitrollen door de vergunningen voor productieprojecten te versnellen en te vereenvoudigen, en door de ontwikkeling van industriële clusters in gebieden voor versnelde industriële productie (“versnellingsgebieden”) te vergemakkelijken.

Om deze doelstellingen te verwezenlijken, wordt met het voorstel een evenwichtige regelgevingsaanpak ingevoerd om het concurrentievermogen van de industrie te vergroten en strategische afhankelijkheden in belangrijke sectoren te beperken en te voorkomen. Het voorstel is beperkt tot de reeks minimumvereisten die nodig zijn om de problemen aan te pakken waarmee een geselecteerd aantal strategische sectoren momenteel worden geconfronteerd, zonder de markt en de technologische ontwikkeling onnodig te beperken of de kosten van specifieke materialen en producten onevenredig te verhogen. Bovendien voorziet het voorstel in een kader om de vergunningsprocedures te stroomlijnen en een gecoördineerde aanpak van investeringsprojecten in de hele Unie te bevorderen.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Het voorstel is een reactie op de Clean Industrial Deal, het “EU-kompas voor concurrentievermogen” en de gezamenlijke mededeling over de versterking van de economische veiligheid van de EU, waarin wordt erkend dat er dringend actie moet worden ondernomen om de toekomst van de EU als economische grootmacht, investeringsbestemming en productiecentrum veilig te stellen. Met het voorstel wordt uitvoering gegeven aan het actieplan voor de autosector, waarin wordt gesteld dat overheidssteun ten gunste van de automobielindustrie afhankelijk zal worden gesteld van veerkracht- en duurzaamheidscriteria. Er wordt een beroep gedaan op de verordening industriële versnelling om de “Made in EU” -vereisten voor batterijcellen en -componenten in elektrische voertuigen die in de EU worden verkocht, te bevorderen, in overeenstemming met de internationale verbintenissen van de Unie.

Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan het op 16 december 2025 aangenomen pakket voor de autosector, dat onder meer voorziet in de verlening van superkredieten voor kleine betaalbare elektrische voertuigen die vóór 2035 in de Unie zijn geproduceerd en de emissiereductiedoelstelling voor 2035 wijzigt, waarbij de resterende emissies moeten worden gecompenseerd door het gebruik van in de Unie geproduceerd koolstofarm staal of hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen. Dit voorstel 16 , dat Verordening (EU) 2019/631 wijzigt, verleent de Commissie de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen met de criteria op grond waarvan producten die binnen het toepassingsgebied ervan vallen, kunnen worden aangemerkt als “kleine emissievrije voertuigen die in de Unie zijn vervaardigd” of “koolstofarm staal dat in de Unie is vervaardigd”. Het pakket voor de autosector omvat ook een voorstel voor een verordening betreffende schone bedrijfsvoertuigen 17 . Dit voorstel beperkt financiële steun voor emissievrije en emissiearme bedrijfsvoertuigen en verleent de Commissie de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen om een methode te ontwerpen voor het bepalen van de criteria voor het keurmerk “Vervaardigd in de Europese Unie”. Om de samenhang tussen de drie instrumenten en de rechtszekerheid te waarborgen, voorziet deze verordening in geharmoniseerde definities van “in de Unie vervaardigde kleine betaalbare elektrische voertuigen”, “in de Unie vervaardigd koolstofarm staal” en “in de Europese Unie vervaardigde bedrijfswagens en bestelwagens”. Bijgevolg moeten de voorstellen van 16 december 2025 worden aangepast om te verwijzen naar de in deze verordening vastgestelde horizontale aanpak in plaats van naar gedelegeerde handelingen, teneinde de samenhang van het rechtskader te waarborgen.

Deze verordening is in overeenstemming met het douanewetboek van de Unie, waarin de niet-preferentiële oorsprongsregels van de Unie zijn vastgesteld. Voor het bepalen van de oorsprong van producten die onder deze verordening vallen, zijn de niet-preferentiële oorsprongsregels van de Unie, zoals vastgesteld in dat wetboek, van toepassing.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

De verordening industriële versnelling draagt bij tot de wetgeving die relevant is voor de economische veiligheid, het industriële concurrentievermogen en de decarbonisatie van de EU. Gezien de rol van energie-intensieve industrieën en nettonultechnologieën in talrijke sectoren van de economie en industriële waardeketens, zijn verschillende reeksen Europese beleidsmaatregelen en wetgeving relevant.

Ten eerste is de verordening industriële versnelling in overeenstemming met en vormt zij een aanvulling op de verordening voor een nettonulindustrie door gestroomlijnde vergunningsbepalingen, zoals centrale contactpunten en termijnen, uit te breiden tot alle energie-intensieve industriële decarbonisatieprojecten, en door “Made in EU”-vereisten in te voeren voor bepaalde specifieke componenten van nettonultechnologieën. Zo wordt omzeiling voorkomen en kunnen de productiecapaciteit van de EU en veerkrachtige en concurrerende binnenlandse waardeketens verder worden opgebouwd.

Ten tweede is het voorstel in overeenstemming met de Europese klimaatwet, aangezien het tot doel heeft bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstelling van klimaatneutraliteit door investeringen in de decarbonisatie van de industrie en in nettonultechnologieën te ondersteunen.

Ten derde is het voorstel in overeenstemming met de meest recente initiatieven om de vergunningsprocedures te stroomlijnen en het concurrentievermogen van de automobielsector te vergroten. De verordening industriële versnelling heeft met name tot doel belangrijke vergunningsprocedures te stroomlijnen, in het bijzonder door middel van digitalisering en het hergebruik van gegevens. Ze bouwt voort op het pakket maatregelen dat beschikbaar wordt gesteld in het kader van het voorstel inzake milieuvergunningen en past het toe op de specifieke behoeften van de sector.

Het voorstel is ook in overeenstemming met andere EU-wetgeving ter ondersteuning van de transformatie van de Europese industrie naar een schone, circulaire en klimaatneutrale economie. De verordening industriële versnelling is bijvoorbeeld in overeenstemming met en vormt een aanvulling op toekomstige productspecifieke milieuwetgeving. In de bouwsector vormt de wetgeving een aanvulling op de bouwproductenverordening, met inbegrip van de geharmoniseerde norm voor broeikasgasemissies en het geplande label voor koolstofarm beton. In de staalsector zal de komende gedelegeerde handeling inzake staalproducten in het kader van de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten de nodige elementen bevatten om de bepalingen inzake leidende markten voor staal uit te voeren. Daarbij wordt rekening gehouden met de verschillende decarbonisatiekenmerken van primaire en secundaire staalproducenten en wordt circulariteit beloond. Bij het ontwerpen van etiketterings- en informatievereisten op basis van prestatiedrempels voor verschillende producten moeten dergelijke drempels rekening houden met het gehalte aan gerecycled materiaal van het industriële product, waarbij de drempel in voorkomend geval afneemt naarmate het gehalte aan gerecycled materiaal in de producten toeneemt. De verordening industriële versnelling vormt ook een aanvulling op de batterijenverordening, waarin het kader voor de milieuambitie voor de productie van batterijen in de EU is vastgesteld. Daardoor kunnen bepalingen inzake leidende markten in het kader van de verordening industriële versnelling gericht zijn op “Made in EU” -vereisten. Ze vormt een aanvulling op de komende milieuprestatieregels voor fotovoltaïsche modules in het kader van het ecologisch ontwerp en de energie-etikettering door de productie van conforme producten in de EU te bevorderen. Wat het stimuleren van koolstofarme en biogebaseerde oplossingen betreft, is de wetgeving in overeenstemming met de nieuwe EU-strategie voor de bio-economie.

Het voorstel is ook in overeenstemming met de rest van de EU-klimaatwetgeving. Het EU-emissiehandelssysteem (EU-ETS) is het belangrijkste instrument van het klimaatbeleid om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en speelt een centrale rol bij het stimuleren van emissiereducties in energie-intensieve industrieën en bij elektriciteitsopwekking. Dit voorstel vormt een aanvulling op het prijssignaal van het EU-ETS en ondersteunt de totstandbrenging van leidende markten voor koolstofarme industriële producten. Het is ook afgestemd op de verordening betreffende het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (CBAM).

Wat de komende initiatieven betreft, zal het voorstel voor wetgeving op het gebied van circulaire economie de verordening industriële versnelling aanvullen door recycling en toegang tot secundaire grondstoffen te stimuleren en de afhankelijkheid en kwetsbaarheden ook voor energie-intensieve industriële producten te verminderen. Er zal ook worden gezorgd voor samenhang tussen de sectorspecifieke maatregelen in de verordening industriële versnelling en het overkoepelende kader van de komende herziening van de wetgeving inzake openbare aanbestedingen.

In het voorstel wordt rekening gehouden met de internationale verbintenissen van de Unie op het gebied van openbare aanbestedingen in het kader van de WTO-overeenkomst inzake openbare aanbestedingen en de desbetreffende bilaterale handelsovereenkomsten van de EU. Ondernemers die gevestigd zijn in landen waarvoor dergelijke verbintenissen gelden, kunnen afdwingbare toegang krijgen tot specifieke aanbestedingsprocedures die in de desbetreffende dekkingsschema’s zijn vastgesteld. Deze verbintenissen zijn gestructureerd over categorieën aanbestedende diensten, waaronder de centrale overheid, subcentrale autoriteiten, publiekrechtelijke instellingen en nutsbedrijven, en over soorten aanbestedingen zoals goederen, diensten en bouwwerken. De toepasselijkheid ervan hangt dus af van de aanbestedende dienst die de aanbesteding uitvoert en van het voorwerp van de opdracht. Daarnaast behoudt de Unie het recht om algemene of veiligheidsuitzonderingen toe te passen.

Als gevolg daarvan verlenen de verbintenissen van de Unie op het gebied van openbare aanbestedingen geen uniforme of alomvattende toegang aan alle partners en is het niet mogelijk één lijst op te stellen van derde landen met volledig beveiligde toegang tot de gehele aanbestedingsmarkt van de EU. De aanbestedende diensten beschikken over gedetailleerde informatie over aanbestedingsverbintenissen en subsidiabiliteit van leveranciers 18 , wat de consistente toepassing van internationale aanbestedingsverplichtingen ondersteunt en tegelijkertijd het vermogen van de Unie om haar in dit voorstel uiteengezette beleidsdoelstellingen na te streven, in stand houdt.

Hoewel de verordening industriële versnelling het kader vaststelt voor wat “Made in Europe” -aanbestedingen inhouden met betrekking tot energie-intensieve industriële producten, nettonultechnologieën en auto-onderdelen, zal bij de komende herziening van het rechtskader voor openbare aanbestedingen worden verduidelijkt hoe dergelijke aanbestedingen moeten worden uitgevoerd. De wetgeving zal met name sectorspecifieke vereisten die in relevante wetgevingshandelingen zijn vastgesteld, integreren en uitvoeren binnen een gemeenschappelijk aanbestedingskader en, voor belangrijke sectoren, aanbestedende diensten duidelijke instrumenten bieden om de voorkeur te geven aan inschrijvingen die voornamelijk uit Europese producten bestaan. Deze aanpak zorgt voor samenhang en rechtszekerheid voor zowel overheidsinkopers als marktdeelnemers.

In de voorgestelde verordening wordt ook rekening gehouden met de handelsbeschermingsinstrumenten van de Unie, waaronder de onlangs voorgestelde maatregel om de negatieve gevolgen van de wereldwijde overcapaciteit op de staalmarkt van de EU aan te pakken. Daarnaast vormt ze een aanvulling op het bestaande kader voor buitenlandse directe investeringen, dat betrekking heeft op veiligheid en openbare orde. Tot slot doet het voorstel geen afbreuk aan de toepassing van de mededingingsregels van de EU.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De passende rechtsgrondslag is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“het Verdrag”), op grond waarvan de Unie harmonisatiemaatregelen kan vaststellen. Gezien de complexiteit en het transnationale karakter van veerkracht en industriële decarbonisatie zijn dergelijke maatregelen nodig om de goede werking van de eengemaakte markt te waarborgen, met name voor strategische sectoren.

Bovendien moet ook artikel 207 van het Verdrag betreffende de gemeenschappelijke handelspolitiek van de EU worden gebruikt als aanvullende rechtsgrondslag voor bepaalde maatregelen die in het kader van deze verordening worden ingevoerd. De bepalingen inzake buitenlandse investeringen bestrijken een specifieke reeks sectoren om minimale investeringsvoorwaarden en productie met toegevoegde waarde in de Unie te waarborgen. Daarom zijn de bepalingen in de eerste plaats gericht op de goede werking van de eengemaakte markt. Niettemin zijn buitenlandse directe investeringen uitdrukkelijk opgenomen in het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk handelsbeleid van de EU.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Concurrentievermogen, duurzame welvaart, economische veiligheid en decarbonisatie zijn van groot belang voor de EU. Geen enkele lidstaat alleen is in staat om industriële decarbonisatie doeltreffend aan te pakken vanwege de geïntegreerde aard van de uitdaging: energiemarkten, inspanningen ter beperking van de klimaatverandering en de noodzaak van de goede werking van de eengemaakte markt voor energie-intensieve industriële producten en nettonultechnologieën. De uitdagingen op het gebied van concurrentievermogen waarmee de industrie momenteel wordt geconfronteerd, zullen de lidstaten er waarschijnlijk toe aanzetten unilaterale maatregelen te treffen. Hoewel dergelijke inspanningen gerechtvaardigd kunnen zijn, bestaat het risico dat zij zonder coördinatie negatieve gevolgen hebben voor de werking en versnippering van de eengemaakte markt, waardoor de EU kwetsbaarder wordt voor externe schokken en niet in staat is de troeven van de eengemaakte markt aan te wenden om voordelen te bieden aan lokale en Europese ecosystemen.

Een geharmoniseerde aanpak op EU-niveau is daarom noodzakelijk op grond van artikel 114 VWEU om de goede werking van de eengemaakte markt te waarborgen en de uitdagingen van veerkracht en industriële decarbonisatie aan te pakken, en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de EU te waarborgen. De maatregelen van dit initiatief zouden niet (zo) doeltreffend zijn als ze door de lidstaten afzonderlijk werden geïmplementeerd, omdat de problemen waarop ze gericht zijn verband houden met de eengemaakte markt. Ze zijn niet beperkt tot afzonderlijke lidstaten of een groep van lidstaten, maar hebben betrekking op de industriële basis en de waardeketens in de hele EU. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat maatregelen die alleen op het niveau van de lidstaten worden uitgevoerd, voldoen aan de behoeften van nauw verbonden toeleveringsketens binnen de eengemaakte markt. Dergelijke maatregelen kunnen leiden tot verdere marktversnippering en dreigen de toeleveringsketen te verstoren.

Bovendien is klimaatverandering een grensoverschrijdende uitdaging die zowel internationale als EU-maatregelen vergt ter aanvulling en versterking van regionale, nationale en lokale acties. De kosten van niet-handelen zijn pan-Europees. De noodzakelijke industriële transformatie zal gevolgen hebben voor veel sectoren in de hele EU-economie, waardoor gecoördineerde actie op EU-niveau onontbeerlijk is om een transformatieve, rechtvaardige en kosteneffectieve transitie en opwaartse convergentie te stimuleren. Ongecoördineerde nationale maatregelen dreigen uiteenlopende regels op te leggen aan marktdeelnemers, niet-geharmoniseerde praktijken op het gebied van openbare aanbestedingen, zoals groene praktijken op het gebied van openbare aanbestedingen en vergunningsprocedures, en ondermijnen uiteindelijk de werking van de eengemaakte markt.

Zonder verder optreden van de EU zal de status quo waarschijnlijk blijven bestaan, waardoor het risico toeneemt dat de EU strategische industriële capaciteiten en vermogens verliest, dat de eengemaakte markt verder versnipperd raakt en dat de EU voor het behalen van doelstellingen op het gebied van milieu, digitalisering, defensie en economische veiligheid sterk afhankelijk wordt van derde landen. Dit kan op zijn beurt negatieve gevolgen hebben voor de economische veiligheid en de sociale en territoriale cohesie van de Unie, voornamelijk door gevolgen voor de werkgelegenheid, de regionale ontwikkeling en billijke toegang tot industriële kansen.

In overeenstemming met deze logica zijn de voorgestelde acties gericht op gebieden waar optreden op het niveau van de Unie een aantoonbare meerwaarde heeft vanwege de omvang, de snelheid en de reikwijdte van de vereiste inspanningen: acties die gericht zijn op het verbeteren van de businesscase voor energie-intensieve industrieën om te investeren in decarbonisatie en voor strategische sectoren en technologieën van de EU om hun concurrentievermogen te versterken.

Artikel 5, lid 3, VEU bepaalt dat het subsidiariteitsbeginsel van toepassing is op gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen. Artikel 3, lid 1, punt e), VWEU bepaalt dat de Unie exclusief bevoegd is op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek. Artikel 207, lid 2, VWEU behoort tot de categorie exclusieve bevoegdheden. Daarom rijst de subsidiariteitskwestie niet voor zover artikel 207 VWEU wordt gebruikt als aanvullende rechtsgrondslag voor maatregelen ter uitvoering van de gemeenschappelijke handelspolitiek van de Unie.

Evenredigheid

De voorgestelde maatregelen voldoen aan het evenredigheidsbeginsel aangezien ze aantoonbare toegevoegde waarde hebben op het niveau van de Unie door de omvang, de urgentie en de reikwijdte van de vereiste inspanningen.

De maatregelen inzake vergunningen zullen de lidstaten verplichtingen opleggen om de processen te stroomlijnen. De digitalisering van de vergunningsprocedures zal op lange termijn tijd- en kostenbesparingen opleveren voor zowel autoriteiten als bedrijven, waardoor schone productie en industriële uitrol in de hele EU kunnen worden versneld.

De vereisten inzake koolstofarme productie en de “Made in EU”-vereisten staan in verhouding tot de Europese industriële productiecapaciteit en zijn zo opgezet dat ze geen aanzienlijke financiële lasten voor de administratieve begrotingen van de lidstaten met zich meebrengen. De totstandbrenging van leidende markten is van cruciaal belang om het concurrentievermogen van de belangrijkste sectoren en technologieën te vergroten, waardoor de industriële basis van de EU wordt versterkt en de autonomie in deze strategische sectoren wordt gewaarborgd.

Er zijn verplichte voorwaarden voor buitenlandse directe investeringen nodig om de voordelen van deze investeringen in alle lidstaten te maximaliseren, de voordelen van de eengemaakte markt te versterken en de toegang tot de eengemaakte markt te benutten. Zij zullen ervoor zorgen dat investeringen gepaard gaan met de ontwikkeling van knowhow, het scheppen van banen en integratie in de waardeketen.

De maatregelen inzake gebieden voor versnelde industriële productie laten het aan de lidstaten over om dergelijke gebieden in kaart te brengen en aan te wijzen, en bieden tegelijkertijd voordelen die erop gericht zijn betere en meer concurrerende voorwaarden voor de be- en verwerkende industrie mogelijk te maken.

Keuze van het instrument

Een verordening wordt het meest passende instrument geacht omdat daarin voorschriften kunnen worden opgenomen die rechtstreeks van toepassing zijn voor de nationale autoriteiten en de betrokken marktdeelnemers. Zo kan ervoor worden gezorgd dat de voorschriften tijdig en op geharmoniseerde wijze worden uitgevoerd, wat tot grotere rechtszekerheid leidt.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Niet van toepassing.

Raadpleging van belanghebbenden

In overeenstemming met de richtsnoeren voor betere regelgeving heeft de Commissie een uitgebreid raadplegingsproces van belanghebbenden uitgevoerd, met als doel betrouwbare informatie te verzamelen aan de hand van een reeks methoden, geraadpleegde partijen en instrumenten. De Commissie heeft meerdere activiteiten georganiseerd: een online openbare raadpleging van 15 april tot en met 8 juli 2025 (314 reacties en 133 bijgevoegde standpuntnota’s); een verzoek om input voor de effectbeoordeling (295 antwoorden); een gerichte raadpleging van verenigingen en bedrijven uit de EII-sector (62 reacties); een “realitycheck”-workshop voor bedrijven uit de EII-sector (40 deelnemers); een “realitycheck”-workshop over het EU-label voor koolstofarm staal, alleen voor staalbedrijven (34 deelnemers); een “realitycheck”-workshop voor de lidstaten (46 deelnemers), waarbij voor de drie realitychecks de mogelijkheid bestond om standpuntnota’s in te dienen en een gerichte raadpleging voor het ecosysteem voor batterijen en de downstreamsectoren ervan (63 respondenten). De resultaten van de openbare raadpleging zijn samengevat in het samenvattende feitenverslag dat, samen met de antwoorden op het verzoek om input, op het portaal “Uw mening telt!” is gepubliceerd.

In het algemeen voerden belanghebbenden de uitdagingen aan waarmee de energie-intensieve industrieën in de EU worden geconfronteerd, zoals het gebrek aan voldoende betaalbare hernieuwbare energie, oneerlijke internationale concurrentie, hoge kapitaal- en operationele kosten die worden toegeschreven aan decarbonisatie, de geringe bereidheid van downstreamsectoren om een groene toeslag te betalen, complexe, lange vergunningsprocedures en moeilijkheden bij de toegang tot financiering voor decarbonisatieprojecten.

De Commissie kreeg brede steun voor het idee om leidende markten voor koolstofarme, in de EU vervaardigde industriële producten te creëren en te beschermen, als een belangrijk mechanisme om de vraag te stimuleren en investeringen in decarbonisatie te bevorderen. De belanghebbenden waren het er ook over eens dat de totstandbrenging van leidende markten het concurrentievermogen van de schone technologie- en automobielindustrie in de EU zal beschermen. Zij bevestigden voorts dat “Made in EU”-vereisten belangrijk zijn om ervoor te zorgen dat de markt voor koolstofarme industrieproducten en producten op basis van schone technologie niet wordt ondermijnd door mededinging van buiten de EU. De meeste belanghebbenden uit de batterijsector steunden de “Made in EU”-vereisten ook in verschillende beleidsmaatregelen, zowel voor openbare aanbestedingen als voor producten die in de handel worden gebracht. Het stroomlijnen en versnellen van vergunningsprocedures kreeg veel steun, met name van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), die over minder middelen beschikken om de administratieve werklast te beheren. De belanghebbenden waren positief over de bepalingen voor buitenlandse investeringen en merkten op dat dergelijke maatregelen het broodnodige kapitaal zouden kunnen aantrekken, samen met extra voordelen.

Effectbeoordeling

In overeenstemming met de richtsnoeren voor betere regelgeving is dit regelgevingsvoorstel gebaseerd op een effectbeoordeling waarin het probleem en de subproblemen worden geanalyseerd die verband houden met de noodzaak voor de EU-industrie om de decarbonisatie van processen en producten te versnellen, in een mondiale context van uitdagingen op het gebied van concurrentievermogen. In de effectbeoordeling worden mogelijke beleidsopties aangedragen om de onderliggende oorzaken van de problemen aan te pakken, en worden de waarschijnlijke effecten van die opties beoordeeld. De effectbeoordeling was zodanig gestructureerd dat rekening werd gehouden met de raadpleging van de interdepartementale stuurgroep van de Commissie over de verordening industriële versnelling.

De effectbeoordeling heeft op 26 september 2025 van de Raad voor regelgevingstoetsing een negatief advies gekregen. De raad gaf de volgende aanbevelingen:

·Het dynamische basisscenario ontwikkelen, met inbegrip van een betere uitleg van de omvang van de vertraging van investeringen in decarbonisatie en de kloof in de decarbonisatiesnelheid.

·De analyse van probleemfactoren verbeteren, met inbegrip van factoren die verband houden met vergunningen en buitenlandse directe investeringen, en op basis daarvan de algemene en specifieke doelstellingen op een S.M.A.R.T-manier te herzien en de maatregelen te verbeteren.

·Een grondigere analyse uitvoeren van de beschikbaarheid en economische levensvatbaarheid van industriële decarbonisatietechnologieën en de vraag naar koolstofarme alternatieven, met inbegrip van prijselasticiteit en substitueerbaarheid.

·De kosten-batenanalyse verbeteren door deze beter te kwantificeren, alsook de verbetering van bijlage 3.

·De robuustheid van de modellering voor de kosten-batenanalyse erkennen en op transparante wijze verslag uitbrengen over de voor de berekening gebruikte aannames.

Alle bovengenoemde punten zijn zo goed mogelijk aangepakt. Voor de herziene effectbeoordeling die daarop is ingediend, heeft de raad op 20 november 2025 een positief advies met voorbehoud uitgebracht. In de punten van voorbehoud werd gewezen op de noodzaak om de analyse van de verwachte effecten van de algemene doelstelling en de wisselwerking met de gevolgen voor de economische veiligheid te verbeteren. Er werd ook opgemerkt dat de beperkingen in verband met de modellering, de kosten-batenberekeningen en de gevolgen voor consumenten en downstreamsectoren verder moeten worden toegelicht. De opmerkingen zijn aangepakt door middel van een verbeterde analyse en voor zover haalbaar. De adviezen van de Raad voor regelgevingstoetsing, de definitieve effectbeoordeling en de samenvatting ervan worden samen met dit voorstel gepubliceerd.

De effectbeoordeling is opgebouwd rond een reeks van vijf specifieke doelstellingen om de vastgestelde oorzaken van het probleem aan te pakken. Ze bevat drie beleidsopties voor elke specifieke doelstelling, op basis van het niveau van de beleidsinterventie, het toepassingsgebied, de efficiëntie en de samenhang, alsook de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit.

Beleidsoptie 1 (BO1) stelt een koolstofintensiteitslabel voor alle energie-intensieve sectoren voor. Ze heeft tot doel leidende markten te creëren door in het kader van openbare aanbestedingen en steunregelingen vereisten inzake koolstofarme productie in te voeren voor energie-intensieve materialen (staal, cement 19 en aluminium) in geselecteerde downstreamsectoren (automobielsector en bouw). Er wordt ook voorgesteld om minimale “Made in EU”-vereisten in te voeren voor batterijen, fotovoltaïsche zonne-energiesystemen en voertuigonderdelen in het kader van openbare aanbestedingsprocedures en steunregelingen van de overheid. Met betrekking tot de doelstelling om de voordelen voor BDI’s te maximaliseren, worden vrijwillige voorwaarden ingevoerd voor investeringen boven een bepaalde drempel voor de toeleveringsketen van batterijen en mogelijk voor relevante EII’s. Om de vergunningverlening te stroomlijnen, wordt in de optie een uniforme digitale procedure voor alle vergunningen voorgesteld, die van toepassing is op de hele be- en verwerkende industrie. Tot slot beveelt deze optie de lidstaten aan om overheidsfinanciering voor projecten in industriegebieden te vergemakkelijken.

Beleidsoptie 2 (BO2) bouwt voort op de eerste optie door het toepassingsgebied en de vereisten uit te breiden. Wat leidende markten betreft, worden in het kader van BO2 vereisten inzake koolstofarme productie en “Made in EU” ingevoerd in openbare aanbestedingen en steunregelingen voor staal, cement en aluminium die in geselecteerde downstreamsectoren (automobielsector en bouw) worden gebruikt. De voorwaarden voor specifieke investeringen zijn verplicht in plaats van vrijwillig. BO2 verhoogt de steun voor het vergunningsproces door de invoering van aanvullende maatregelen voor energie-intensieve industrieën. Ten slotte wordt de lidstaten niet aanbevolen, maar verplicht industriegebieden aan te wijzen. Het label verkleint echter het toepassingsgebied door een specifiek koolstofintensiteitslabel voor staal verplicht te stellen, met gedetailleerde regels die later kunnen worden uitgebreid tot andere energie-intensieve materialen.

Bij beleidsoptie 3 (BO3) worden de vorige twee opties verder uitgebreid. Wat leidende markten betreft, introduceert de optie vereisten inzake koolstofarme productie en “Made in EU” voor alle staal, cement en aluminium dat in de handel wordt gebracht voor gebruik in de automobielsector en de bouw. De “Made in EU”-vereisten worden ook uitgebreid tot alle batterijen, fotovoltaïsche zonne-energiesystemen en belangrijke voertuigonderdelen die in de handel worden gebracht. Wat vergunningverlening betreft, worden specifieke maatregelen voor industriegebieden ingevoerd.

In het algemeen is beleidsoptie 2 de voorkeursoptie, aangezien deze de doelstellingen op de meest doeltreffende en efficiënte manier zou verwezenlijken. Ze heeft ook een positiever effect op het gebied van evenredigheid dan de andere twee opties, aangezien ze de invoering van vereisten voor koolstofarme productie en “Made in EU” alleen voor openbare aanbestedingen en overheidssteun voorstelt, terwijl het ook de meest coherente optie is. BO2 zou kunnen leiden tot eenmalige nettoverminderingen van de administratieve lasten voor bedrijven met ongeveer 240 miljoen EUR, voornamelijk als gevolg van vergunningsbepalingen (zie bijlage 4 bij de effectbeoordeling). In de kosten-batenanalyse werd geconcludeerd dat BO2 in 2030 in totaal nettovoordelen van ongeveer 8 miljard EUR oplevert voor de economie, ondanks enkele aanpassingskosten voor downstreamsectoren die worden getroffen door de vereisten inzake koolstofarme productie en/of “Made in EU”. Deze verliezen worden echter grotendeels gecompenseerd door langetermijnvoordelen zoals het creëren van toegevoegde waarde, grotere economische veiligheid, veerkracht en banencreatie in de Europese strategische industrieën, wat uiteindelijk zorgt voor stabiliteit en duurzame economische welvaart. BO3 zou doeltreffender zijn bij het bereiken van bepaalde doelstellingen, met name wat betreft de bepalingen inzake leidende markten, maar zou de kosten voor de economie onevenredig verhogen.

Verschillen ten opzichte van de voorkeursoptie in de effectbeoordeling

Het voorstel voor de verordening bevat maatregelen die afwijken van de voorkeursoptie in de effectbeoordeling, namelijk:

·Wat de vergunningsprocedures betreft, zijn specifieke maatregelen voor industriële productieclusters ingevoerd (namelijk stilzwijgende goedkeuring in tussenfasen en prioritaire beoordeling van aansluitingsverzoeken), die niet de voorkeursoptie waren, gezien de synergetische voordelen die worden verwacht met de overige bepalingen inzake gebieden voor versnelde industriële productie.

·Wat het toepassingsgebied betreft, hebben de bepalingen inzake openbare aanbestedingsprocedures, veilingen en steunregelingen betrekking op aanvullende nettonultechnologieën, naast die welke in de effectbeoordeling zijn geanalyseerd. Het voorstel introduceert ook “Made in EU”-vereisten voor thermische zonne-energie, warmtepompen, wind, kernsplijting en waterstof, in overeenstemming met de doelstelling om de economische veiligheid, veerkracht, duurzaamheid en voorzieningszekerheid van de EU te vergroten. Aan de effectbeoordeling is een specifieke bijlage toegevoegd om de belangrijkste effecten van deze maatregelen te presenteren. Hoewel batterijen en fotovoltaïsche zonne-energiesystemen nu al te maken hebben met een unieke combinatie van grote mondiale overcapaciteit en een grote afhankelijkheid van de EU van één enkele voorzieningsbron, hebben de andere nettonultechnologieën in het toepassingsgebied te maken met hevige (niet altijd eerlijke) mondiale concurrentie en kunnen zij vergelijkbare marktontwikkelingen doormaken. Daarom heeft de Commissie besloten dergelijke bepalingen in te voeren om te anticiperen op potentiële toekomstige leverings- en marktrisico’s en deze te beperken.

Wat staal betreft, beperkt het voorstel de vereisten voor staal dat in de automobielsector en de bouw wordt gebruikt tot criteria van koolstofarme productie (in plaats van vereisten inzake koolstofarme productie en de oorsprong uit de Unie te combineren) in het kader van openbare aanbestedingen en steunregelingen. In het licht van de onlangs voorgestelde handelsmaatregel om de negatieve handelsgerelateerde gevolgen van de wereldwijde overcapaciteit voor de staalmarkt van de Unie aan te pakken, wordt de invoering van een voorkeur voor Europees staal niet noodzakelijk geacht.

·Met het oog op de naleving van de vereisten inzake koolstofarme productie wordt beton als koolstofarm beschouwd wanneer het voldoet aan de criteria voor “koolstofarm beton” die zijn vastgelegd in de uitvoeringsmaatregelen in het kader van de bouwproductenverordening. Evenzo moeten koolstofarme staalproducten die in de bouw worden gebruikt en onder een geharmoniseerde technische specificatie vallen, voldoen aan de definitie van “koolstofarm” in de bouwproductenverordening. Staalproducten die buiten het toepassingsgebied van de bouwproductenverordening vallen, zullen als koolstofarm worden beschouwd wanneer zij voldoen aan de voorwaarden voor “koolstofarm staal” die in de gedelegeerde handelingen in het kader van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten moeten worden vastgesteld. Deze aanpak zal zorgen voor consistentie van de regelgeving met de bestaande productspecifieke wetgeving.

·Daarnaast bevat het voorstel wijzigingen van artikel 25 van de verordening voor een nettonulindustrie wat openbare aanbestedingen betreft om de technologische reikwijdte te verduidelijken door alleen technologieën op te nemen die gewoonlijk openbaar worden aanbesteed. Het omvat ook wijzigingen van artikel 26 van de verordening voor een nettonulindustrie met betrekking tot veilingen om rekening te houden met het toenemende belang van veilingen voor het veiligstellen van de energievoorziening van de Unie en het waarborgen van haar technologische soevereiniteit. Het voorstel omvat ook wijzigingen van artikel 1 en artikel 22 van de bouwproductenverordening.

·Het voorstel volgt niet de voorkeursoptie om een vrijwillig staallabel vast te stellen ter ondersteuning van investeringsbeslissingen voor koolstofarm staal. In plaats daarvan wordt de nadruk gelegd op de snelle uitvoering van bestaande verbintenissen, zoals in het kader van de verordening ecologisch design voor duurzame producten, en op het ontwikkelen van een bevoegdheid om de bepalingen inzake leidende markten aan te vullen met de ontwikkeling van vrijwillige labels voor de koolstofarme prestatieklassen van energie-intensieve industriële producten.

Al deze maatregelen blijven binnen het algemene kader dat in de effectbeoordeling is beoordeeld en hebben geen significante invloed op de vergelijking van de opties. Voor schone technologieën houdt de uitbreiding van het toepassingsgebied in dat de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de elektriciteitsmarkten van grotere omvang kunnen zijn, ook voor downstreamgebruikers. Dezelfde waarborgen die in detail zijn geanalyseerd voor batterijen en zonne-energie zijn echter ook van toepassing op andere nettonultechnologieën.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Dit voorstel is bedoeld om de gevolgen van de vereisten inzake koolstofarme productie en de oorsprong uit de Unie en van de voorwaarden inzake buitenlandse directe investeringen, voor de regeldruk te beperken. Andere delen, bv. over vergunningverlening, verminderen de druk rechtstreeks voor marktdeelnemers.

De administratieve kosten voor bedrijven die rechtstreeks met deze verordening een aanvraag indienen, zullen naar verwachting worden gecompenseerd door efficiëntiewinsten als gevolg van gestroomlijnde vergunningen en langetermijnvoordelen in de vorm van een grotere veerkracht van toeleveringsketens. Zij hebben betrekking op verplichtingen om de naleving aan te tonen van bepalingen inzake leidende markten voor ondernemingen die actief zijn in relevante downstreamsectoren. Wat de voorwaarden voor investeringen betreft, zou een uniforme toepassing van de voorwaarden in de hele Unie forumshopping en een neerwaartse spiraal bij het aantrekken van buitenlandse investeringen grotendeels voorkomen en tegelijkertijd de zakelijke voorwaarden harmoniseren en vereenvoudigen.

Voor de lidstaten worden extra administratieve kosten verwacht in verband met het toezicht op en de uitvoering van bepalingen inzake leidende markten bij openbare aanbestedingen en steunregelingen. Evenzo zal de uitvoering van voorwaarden voor buitenlandse investeringen, met inbegrip van het voorschrijven, monitoren en bestraffen, de administratieve kosten verhogen. Vergunningsbepalingen zullen naar verwachting ook de kosten voor overheidsinstanties op korte termijn verhogen, terwijl digitalisering en vereenvoudiging op middellange en lange termijn aanzienlijke kosten- en tijdsbesparingen zullen opleveren, zowel voor het bedrijfsleven als voor overheidsinstanties. Tot slot zullen de aanwijzing van versnellingsgebieden en de uitvoering van voordelen voor industriegebieden extra administratieve kosten met zich meebrengen voor de lidstaten, terwijl individuele ondernemingen die in de gebieden actief zijn er voordeel bij zullen hebben.

Grondrechten

Artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: “het Handvest”) voorziet in de vrijheid van ondernemerschap. De maatregelen in het kader van dit voorstel creëren innovatiecapaciteit en stimuleren de vraag naar producten van energie-intensieve industrieën in de Unie, wat de vrijheid van ondernemerschap kan versterken overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgeving en praktijken.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft gevolgen voor de begroting van de Commissie. Er zullen met name ongeveer 6 voltijdequivalenten per jaar nodig zijn voor de uitvoering, extra terugkerende kosten van 20 000 EUR per deel voor de uitbreiding van bijlage I bij de verordening voor één digitale toegangspoort met de beoogde vergunningsbepalingen en eenmalige kosten van 20 000 EUR voor investeringen in de backend van het systeem van één digitale toegangspoort. In vergelijking met het effectbeoordelingsverslag zijn de cijfers aangepast om rekening te houden met het bredere toepassingsgebied van de voorgestelde maatregelen.

De gevolgen voor de begroting hebben voornamelijk betrekking op de uitvoering van de geplande werkzaamheden voor i) de beoordeling van kennisgevingen van buitenlandse directe investeringen die door de investeringsinstanties in de lidstaten worden ingediend; ii) het toezicht op de handhaving van de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot bepalingen inzake leidende markten; en iii) de uitbreiding van bijlage II bij de verordening voor één digitale toegangspoort en de backend van het systeem om aan de vergunningsbepalingen te voldoen.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De Commissie zal de samenhang, de resultaten, gevolgen, de evenredigheid en subsidiariteit van dit voorstel evalueren drie jaar na de datum waarop het van toepassing wordt. Na vijf jaar wordt een herzieningsclausule voorgesteld om te beoordelen of bepalingen inzake leidende markten noodzakelijk blijven in het licht van de marktontwikkelingen, dan wel of dergelijke maatregelen moeten worden overwogen voor andere sectoren die van cruciaal belang zijn voor de economische veiligheid van de EU. De voorgestelde maatregelen zijn bedoeld als gerichte interventies met een beperkte duur om de industriële capaciteit van de Unie te versnellen en alleen de economische veiligheid van strategische sectoren te vergroten. Dit garandeert dat de aanpak op maat flexibel en empirisch onderbouwd blijft en kan worden aangepast aan de veranderende behoeften van de industriële basis van Europa.

Met het oog op de uitvoering van de evaluatie verstrekken de lidstaten en de nationale bevoegde autoriteiten de Commissie op haar verzoek de nodige en relevante informatie.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk I van de verordening bevat de algemene bepalingen van de verordening waaronder het onderwerp, namelijk de verbetering van de werking van de interne markt door een kader vast te stellen om de toegang van de Unie tot een veilige, duurzame en veerkrachtige voorziening van relevante productiemiddelen en de toeleveringsketens daarvan te waarborgen, het toepassingsgebied van de verordening, de industrialiseringsdoelstelling en de definities die nodig zijn voor de toepassing van deze verordening.

Hoofdstuk II schetst de randvoorwaarden voor industriële productie en decarbonisatie. Het bevat bepalingen die zorgen voor gestroomlijnde, efficiënte en digitale vergunningsprocedures voor industriële productieprojecten. Er worden ook bepalingen ingevoerd over vergunningsprocedures voor decarbonisatieprojecten voor energie-intensieve industrieën en projecten voor een nettonulindustrie.

Hoofdstuk III stelt een kader vast voor de toepassing van vereisten inzake de oorsprong uit de Unie en koolstofarme productie op bepaalde producten en diensten uit strategische sectoren in het kader van openbare aanbestedingen en regelingen voor overheidssteun.

Het bevat vereisten inzake koolstofarme productie voor staal en vereisten inzake de oorsprong uit de Unie en koolstofarme productie voor beton en mortel en aluminium die worden gebruikt in specifieke downstreamsectoren, namelijk gebouwen, infrastructuur en vervoer, alsook vereisten inzake de oorsprong uit de Unie voor voertuigen. Daarnaast wordt de bevoegdheid verleend om maatregelen aan de vraagzijde vast te stellen met betrekking tot producten uit de chemische industrie.

Hoofdstuk IV stelt het kader vast voor het opleggen van voorwaarden aan buitenlandse directe investeringen in opkomende strategische sectoren met een investeringswaarde van meer dan 100 miljoen EUR. Een dergelijke investering gaat pas door wanneer volledig aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan. De door de lidstaten aangewezen investeringsinstanties zullen verantwoordelijk zijn voor de evaluatie van en het toezicht op de naleving van die voorwaarden, waarbij de Commissie een coördinerende rol zal spelen.

Hoofdstuk V stelt een kader vast voor de aanwijzing van gebieden voor versnelde industriële productie door de lidstaten op basis van een vastgestelde reeks criteria. Deze gebieden zijn bedoeld om de geografische clustering van industriële activiteiten te vergemakkelijken en gunstige voorwaarden voor de daarin gevestigde industrieën te bevorderen. De gebieden voor versnelde industriële productie zullen worden ontwikkeld in synergie met andere initiatieven van de Unie.

Hoofdstuk VI stelt de gemeenschappelijke slotbepalingen van de verordening vast door uitvoeringsvoorschriften vast te stellen, waaronder evaluatie, toezicht, herziening, uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie en sancties. Het bevat ook wijzigingen van Verordening (EU) 2018/1724 [één digitale toegangspoort]; Verordening (EU) 2024/1735 [verordening voor een nettonulindustrie], waaronder bepalingen inzake oorsprongsvereisten voor openbare aanbestedingsprocedures; cyberbeveiligingsvereisten voor openbare aanbestedingen en aangescherpte cyberbeveiligingsbepalingen voor veilingen; oorsprongsvereisten voor veilingen en voor andere soorten overheidsinterventies. Tot slot omvat het wijzigingen van Verordening (EU) 2024/3110 [bouwproductenverordening] om te zorgen voor samenhang en synergieën met dit voorstel en om de doelstellingen ervan te ondersteunen.

Bijlage I bevat de lijst van sectoren voor gebieden voor versnelde industriële productie.

In bijlage II worden de vereisten inzake koolstofarme productie en/of de oorsprong uit de Unie vastgesteld voor bepaalde producten van energie-intensieve industrieën in het kader van openbare aanbestedingsprocedures en regelingen voor overheidssteun.

Bijlage III bevat de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie voor voertuigen in het kader van openbare aanbestedingsprocedures en regelingen voor overheidssteun. Het bevat ook de criteria om een klein emissievrij voertuig te beschouwen als “vervaardigd in de EU” voor de toepassing van artikel 5 van Verordening (EU) 2019/631.

Bijlage IV bevat de wijziging van bijlagen I en II bij Verordening (EU) 2018/1724.

2026/0068 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van een kader van maatregelen voor de versnelling van de industriële capaciteit en
de decarbonisatie in strategische sectoren en tot wijziging van Verordeningen (EU) 2018/1724,

(EU) 2024/1735 en (EU) 2024/3110

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114 en artikel 207, lid2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 20 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 21 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De wereldwijde COVID-19-pandemie, de illegale en niet-uitgelokte aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne, vijandige economische acties, cyberaanvallen, buitenlandse inmenging, het inzetten van economische afhankelijkheden van de Unie als wapen, de willekeurige invoering van handelsmaatregelen, de toenemende gevolgen van de klimaatverandering en de toenemende geopolitieke spanningen hebben de kwetsbaarheden van de Unie aan het licht gebracht en vormen een ernstige bedreiging voor de samenlevingen, economieën en ondernemingen van de Unie. De economische veiligheid van de Unie is daarom onlosmakelijk verbonden met haar vermogen om haar veerkracht te versterken en de risico’s als gevolg van vijandige economische verwevenheid te beperken. De Unie is vastbesloten haar economische veiligheid te beschermen en bedreigingen voor haar toeleveringsketens, infrastructuur en sleuteltechnologieën weg te nemen. Haar economische afhankelijkheden mogen niet als wapen kunnen worden ingezet 22 . De economische veiligheid en de sociale cohesie van de Unie zijn onlosmakelijk verbonden met haar vermogen om haar veerkracht te versterken en de risico’s als gevolg van economische verwevenheid te beperken. Dat vereist de versterking van de veerkracht van haar toeleveringsketens en de bescherming van haar interne markt en industriële capaciteit, met behoud van de territoriale, sociale en economische cohesie, onder meer door het bevorderen van een sterke en concurrerende industriële basis in geselecteerde strategische sectoren, zoals schone en digitale technologieën, energie-intensieve industrieën en de automobielsector, om de toegang tot strategische materialen en technologieën te waarborgen en hoogwaardige banen in de Unie te behouden.

(2)In de strategie voor economische veiligheid van de EU 23 en de mededeling over economische veiligheid van 3 december 2025 24 is duidelijk het traject van de Unie uitgestippeld om geo-economische spanningen en technologische verschuivingen aan te pakken om economische afhankelijkheden in kritieke industriële toeleveringsketens, technologieën en infrastructuren te voorkomen, die tot lokale tekorten kunnen leiden en een bedreiging kunnen vormen voor het concurrentievermogen, de economie en uiteindelijk de sociale cohesie van de Unie.

(3)Ondanks de doelstellingen van de Unie op het gebied van economische veiligheid, veerkracht, hoogwaardige banen en klimaatneutraliteit is de productiecapaciteit de afgelopen twintig jaar afgenomen. Het aandeel van de be- en verwerkende industrie in het totale bbp is tussen 2000 en 2024 gedaald van 17,4 % tot 14,3 %. Daarom moeten de economische veerkracht, het concurrentievermogen en de werkgelegenheid worden versterkt en moet er tegelijkertijd voor worden gezorgd dat de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie worden gehaald. De productiecapaciteit van de Unie moet erop gericht zijn tegen 2035 ten minste 20 % van het bruto binnenlands product van de Unie uit te maken. De ontwikkeling van industriële productieprojecten binnen de Unie moet worden vergemakkelijkt om bij te dragen tot die doelstelling.

(4)De uitdagingen in verband met de noodzaak van industriële decarbonisatie en een veerkrachtige industriële productie zijn complex en overstijgen de nationale grenzen. Versnipperde nationale maatregelen om deze uitdagingen aan te pakken, dreigen de werking van de interne markt te ondermijnen. Maatregelen die door individuele lidstaten worden genomen, kunnen leiden tot uiteenlopende vereisten voor marktdeelnemers, inconsistente aanbestedingspraktijken en uiteenlopende vergunningsprocedures in de lidstaten. Dergelijke maatregelen kunnen belemmeringen voor de grensoverschrijdende handel binnen de Unie en verstoringen op de interne markt creëren, het vertrouwen van investeerders ondermijnen, de kosten verhogen en investeringsstromen binnen de Unie ombuigen. Daarom moeten geharmoniseerde maatregelen worden vastgesteld om de goede werking van de interne markt te waarborgen. 

(5)Met het oog op de rechtszekerheid moet worden verwezen naar de meest recente herziening van de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Unie (NACE, Rev. 2). Om de samenhang met de bestaande wetgeving van de Unie te waarborgen en de uniforme toepassing van deze verordening in de hele Unie mogelijk te maken, moeten zowel de industriële productie als de energie-intensieve industrieën worden gedefinieerd aan de hand van de NACE-classificatiecodes 25 .

(6)Energie-intensieve industrieën vormen een belangrijke pijler van de welvaart van de Unie. Zij maken een breed scala aan downstreamindustrieën mogelijk en dragen bij tot de economie van de Unie door banen te scheppen, groei te ondersteunen en innovatie te bevorderen. Zij zijn echter ook verantwoordelijk voor ongeveer 22,3 % van de broeikasgasemissies van de Unie en vereisen aanzienlijke investeringen in decarbonisatie, die leiden tot minder verontreiniging. De combinatie van hoge energieprijzen, de noodzaak van grootschalige investeringen in decarbonisatie en oneerlijke mondiale concurrentie plaatst energie-intensieve industrieën in een nadelige concurrentiepositie en er zijn steeds meer tekenen van industriële achteruitgang.

(7)Nettonultechnologieën zijn van cruciaal belang voor de verwezenlijking van de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie. Zij spelen een belangrijke rol bij het verminderen van broeikasgasemissies en het koolstofvrij maken van een breed scala aan economische sectoren, waaronder de bouw, het vervoer en de industrie. Zij zijn ook van cruciaal belang voor het bevorderen van duurzame energieoplossingen. Zij zorgen er immers voor dat de energievoorziening koolstofvrij kan worden gemaakt en bieden innovatieve oplossingen om de noodzakelijke uitbreiding en digitalisering van elektriciteitsnetten en het energiesysteem als geheel mogelijk te maken. De sector voor de productie van nettonultechnologie in de Unie staat echter voor aanzienlijke uitdagingen, waaronder toenemende mondiale concurrentiedruk en kwetsbaarheden in de toeleveringsketen, die het concurrentievermogen en de economische veerkracht van de Unie in gevaar brengen.

(8)De bio-economie kan zorgen voor duurzame biomassa en biogebaseerde oplossingen voor industriële productie. In de mededeling van de Commissie “Een strategisch kader voor een concurrerende en duurzame bio-economie van de EU” 26 worden leidende markten aangewezen, zoals biogebaseerde kunststoffen en polymeren, biogebaseerde chemische stoffen en biogebaseerde bouwproducten, alsook leidende technologieën die de strategische autonomie van de Unie en het koolstofvrij maken van de in dit initiatief genoemde industriële sectoren kunnen ondersteunen.

(9)De auto-industrie is een belangrijke hoeksteen van de economie van de Unie. Met het oog op de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Unie heeft de Europese automobielindustrie de afgelopen jaren zwaar geïnvesteerd in de ontwikkeling van schonere voertuigen en innovatieve onderdelen. Elektrische voertuigen en onderdelen van elektrische voertuigen, waaronder tractiebatterijen, componenten van elektrische aandrijflijnen en elektronische systemen, zijn essentiële technologieën om het wegvervoer koolstofvrij te maken. Als gevolg van het kostennadeel en de transformatie van de waardeketen met een toenemend waardeaandeel voor batterijen, elektrische aandrijflijnen en elektronica, neemt in voertuigen die in de Unie zijn geproduceerd het gehalte aan in de Unie geproduceerde inhoud af. Doeltreffende maatregelen om het risico van verplaatsing van de lokale productie te voorkomen, kunnen niet langer worden uitgesteld. Zonder dergelijke maatregelen zouden de huidige omstandigheden leiden tot een volledige afhankelijkheid van derde landen voor belangrijke voertuigonderdelen. Dat zou een ernstige bedreiging vormen voor de economische veiligheid en de toekomstige veerkracht van de Unie, alsook voor haar klimaatdoelstellingen.

(10)De onvoorspelbaarheid, complexiteit en soms buitensporig lange duur van nationale vergunningsprocedures ondermijnen de kosteneffectiviteit van investeringen die nodig zijn voor de ontwikkeling van industriële activiteiten. Om te zorgen voor en vaart te zetten achter de doeltreffende uitvoering van industriële productie, moeten de lidstaten daarom gestroomlijnde en digitale vergunningsprocedures toepassen. Een bevoegde autoriteit moet alle vergunningsprocedures coördineren en binnen de toepasselijke termijn een raambesluit nemen.

(11)De invoering van centrale toegangspunten moet gebaseerd zijn op de Europese portemonnees voor ondernemingen die zijn ingesteld krachtens het [voorstel voor een verordening tot instelling van Europese portemonnees voor ondernemingen 27 ], aangezien deze een veilig, gestandaardiseerd en interoperabel platform bieden voor de interactie van bedrijven met overheidsinstanties. Dit moet de efficiënte en doeltreffende indiening van aanvragen mogelijk maken en tegelijkertijd een hoog niveau van gegevensbescherming, cyberbeveiliging en betrouwbaarheid van informatie waarborgen. De Europese portemonnees voor ondernemingen zullen ook de stroomlijning van gedane investeringen mogelijk maken en onnodige overlappingen voorkomen, waardoor de middelen kunnen worden geoptimaliseerd en de administratieve lasten voor bedrijven kunnen worden verminderd. Bij de invoering van centrale toegangspunten moet ook, voor zover mogelijk, gebruik worden gemaakt van bestaande digitale infrastructuren, catalogi en bouwstenen van de Unie, waaronder die welke zijn ontwikkeld in het kader van het technisch systeem voor de toepassing van het eenmaligheidsbeginsel en de uitvoeringshandelingen daarvan. Dit zou de complementariteit, de interoperabiliteit en het efficiënte gebruik van overheidsmiddelen bevorderen en tegelijkertijd overlapping van bestaande digitale oplossingen voorkomen.

(12)Om gestroomlijnde en vereenvoudigde vergunningsprocedures te waarborgen, moet worden voorzien in één enkele aanvraag voor alle noodzakelijke vergunningen voor alle industriële productieprojecten, met uitzondering van de productiesector onder de C12-code. De aanvraag mag niet van toepassing zijn wanneer specifieke vergunningverlenings- of vergunningsprocedures of -vereisten zijn vastgesteld in de harmonisatiewetgeving van de Unie voor industriële productieprojecten, zoals op grond van de Verordeningen (EU) 2024/1735 28 en (EU) 2024/1252 29 van het Europees Parlement en de Raad. De sectorale wetgeving van de Unie inzake geneesmiddelen en medische hulpmiddelen is onlangs of wordt verder gestroomlijnd met betrekking tot geharmoniseerde regels en tijdschema’s voor vergunningen en certificeringen, met opties om het proces indien nodig te versnellen. Die regels mogen daarom in het kader van dit initiatief niet als vergunningsprocedures worden beschouwd.

(13)Bij Verordening (EU) [202X/XX] van [...] 30 is een gemeenschappelijk versnellingskader voor milieubeoordelingen vastgesteld om de uitrol van belangrijke technologieën door de Unie te stimuleren, afhankelijkheden te verminderen en het concurrentievermogen te versterken. De procedures in verband met milieubeoordelingen moeten worden versneld en gestroomlijnd voor plannen, programma’s en projecten in alle sectoren van de economie, met behoud van een hoog beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid en het milieu. Voor sommige sectoren zijn echter mogelijk nog snellere milieubeoordelingen nodig. Daarom, en om de samenhang van het rechtskader voor milieubeoordelingen te waarborgen en tevens rekening te houden met de extra behoeften aan versnelling in bepaalde strategische sectoren, wordt bij Verordening (EU) [202X/XX] een specifieke toolbox vastgesteld die in het kader van deze verordening moet worden gebruikt. Gezien hun essentiële rol bij het verwezenlijken van de klimaatdoelstellingen van de Unie en hun bijdrage aan de veerkracht en economische veiligheid van de Unie, moeten decarbonisatieprojecten voor energie-intensieve industrieën, projecten voor industriële productie in gebieden voor versnelde industriële productie en projecten voor nettonultechnologie worden beschouwd als strategische projecten in de zin van Verordening (EU) [202X/XX] en daarom profiteren van de specifieke toolbox die in het kader van die verordening is vastgesteld.

(14)Verordening (EU) 2024/1735 bevat bepalingen die de administratieve en vergunningsprocedures voor projecten voor de productie van nettonultechnologie stroomlijnen. Sommige specifieke componenten in de toeleveringsketen van nettonultechnologieën worden geproduceerd door middel van energie-intensieve productieprocessen. Decarbonisatieprojecten voor energie-intensieve industrieën vallen binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2024/1735 wanneer de desbetreffende faciliteiten componenten produceren die deel uitmaken van de toeleveringsketen van een nettonultechnologie. Energie-intensieve installaties die geen componenten produceren die in nettonultechnologieën worden gebruikt, zijn momenteel echter uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2024/1735. Dit brengt het risico met zich mee dat de omstandigheden in energie-intensieve industrieën ongelijk zijn en vertraagt de decarbonisatie-inspanningen. Voor alle energie-intensieve decarbonisatieprojecten moeten daarom dezelfde vergunningsprocedures gelden.

(15)De Unie moet haar economisch gewicht en de waarde van de toegang tot haar interne markt strategischer inzetten. In dat verband is het strategische gebruik van overheidsinterventie van essentieel belang om kritieke afhankelijkheden in de Unie te voorkomen. Openbare aanbestedingen zijn goed voor 15 % van het bbp van de Unie. Aanbestedende diensten en entiteiten moeten er daarom in voorkomend geval voor zorgen dat de vereisten inzake openbare aanbestedingen de economische veiligheid en veerkracht van toeleveringsketens bevorderen. Overheidssteunregelingen spelen ook een belangrijke rol bij het stimuleren van de vraag in downstreamsectoren die een aanzienlijk deel van de vraag naar bepaalde strategische producten en technologieën voor hun rekening nemen. Dergelijke regelingen moeten daarom in het voordeel zijn van begunstigden die een grotere bijdrage leveren aan het versterken van de veerkracht van de Unie en het bevorderen van haar decarbonisatiedoelstellingen. Veilingen zijn van cruciaal belang voor de uitrol van nettonultechnologieën en moeten worden opgezet om de vraag naar dergelijke technologieën en componenten die afkomstig zijn uit de Unie, te bevorderen.

(16)De Unie en de lidstaten handhaven een open investeringsklimaat, zoals verankerd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en in hun internationale verbintenissen. Dit omvat verbintenissen in het kader van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten van de Wereldhandelsorganisatie 31 en bilaterale handelsovereenkomsten om openbare aanbestedingsprocedures en andere vormen van overheidsinterventie te openen. Tegelijkertijd behoudt de Unie het recht om algemene of veiligheidsuitzonderingen toe te passen. De Commissie zal regelmatig beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden om een derde land uit te sluiten van het toepassingsgebied van de bepalingen die inhoud van oorsprong uit derde landen als gelijkwaardig beschouwen aan oorsprong uit de Unie, en zal passende maatregelen nemen. Economische veiligheid heeft tot doel de interne markt te beschermen en te versterken. De lidstaten kunnen zich niet beroepen op economische zekerheid om investeringen uit andere lidstaten te voorkomen, aan voorwaarden te onderwerpen of anderszins te belemmeren.

(17)De geleidelijke integratie van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten in de interne markt van de Unie, onder meer door hun stapsgewijze deelname aan beleidsmaatregelen en programma’s van de Unie, is van essentieel belang om hun aanpassing aan het acquis te ondersteunen, hun concurrentievermogen te versterken, hun diepere integratie in de waardeketens van de Unie te bevorderen en de economische veiligheid van de Unie te vergroten. Deze verordening moet daarom bijdragen tot het bevorderen van die geleidelijke integratie, onder meer door de deelname van marktdeelnemers uit die landen aan Uniebrede waardeketens, openbare aanbestedingen, steunregelingen van de overheid en veilingen te vergemakkelijken, waar passend en in overeenstemming met de belangen en doelstellingen van de Unie.

(18)Gezien het belang van het streven van de Unie naar meer strategische autonomie en veerkracht, moet de Unie omwille van de samenhang ook de proactieve inspanningen van partnerlanden erkennen om prioriteit te geven aan binnenlandse deelname aan economische activiteiten, vergelijkbaar met de maatregelen die in het kader van deze verordening zijn vastgesteld. In het kader van de uitvoering van de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie binnen bepaalde categorieën procedures voor openbare aanbestedingen en overheidsregelingen moet de Unie zorgvuldig rekening houden met de inhoudelijke voorwaarden van de partnerlanden voor strategische door de Unie gefinancierde of ondersteunde investeringen in deze partnerlanden, en de aanwezigheid van die inhoudelijke voorwaarden aanvaarden. Deze strategische aanpak zal naar verwachting de wederzijdse economische voordelen vergroten, strategische partnerschappen versterken en in overeenstemming zijn met de overkoepelende doelstellingen van internationale partnerschappen van de Unie.

(19)Maatregelen aan de vraagzijde moeten, waar passend, gericht zijn op het vaststellen van vereisten voor koolstofarme productie van staal, cement en aluminium dat wordt gebruikt in gebouwen, infrastructuur en motorvoertuigen, aangezien die sectoren de meest energie-intensieve industrieën zijn. Gerichte maatregelen aan de vraagzijde in de hele Unie kunnen bijdragen tot het creëren van leidende markten voor koolstofarme en in de Unie geproduceerde energie-intensieve industriële producten, het koolstofvrij maken van de economie ondersteunen en tegelijkertijd de industriële basis van de Unie versterken.

(20)Downstreamsectoren die goed zijn voor een groot deel van de vraag naar bepaalde energie-intensieve materialen, zoals de bouw- en automobielsector, moeten in het kader van deze verordening prioriteit krijgen bij het vaststellen van vereisten inzake koolstofarme productie, vereisten inzake de oorsprong uit de Unie, of beide. Dat is met name passend omdat dergelijke sectoren in aanzienlijke mate onderworpen zijn aan openbare aanbestedingen en steunregelingen, terwijl het aandeel van energie-intensieve input in de totale productiewaarde relatief klein is en derhalve het effect van een eventuele meerprijs tot een minimum beperkt.

(21)Om consistentie van de regelgeving met de bestaande productwetgeving van de Unie te waarborgen, moeten staal, beton en aluminium in de bouw als koolstofarm worden beschouwd overeenkomstig de vereisten van de uitvoeringsmaatregelen die zijn vastgesteld op grond van de Verordeningen (EU) 2024/3110 32 en (EU) 2024/1781 33 van het Europees Parlement en de Raad.

(22)In de mededeling over de Clean Industrial Deal 34 werd benadrukt dat er leidende markten moeten worden gecreëerd voor industriële producten met een lage broeikasgasemissie-intensiteit, onder meer door dergelijke producten op de interne markt te promoten door de vaststelling van een etiketteringsregeling van de Unie, te beginnen met de staalsector. Dit moet worden gezien in de context van de productwetgeving van de Unie die reeds is ontworpen om etiketterings- en informatievereisten in te voeren, waaronder uitgebreide etiketteringsvereisten die moeten worden vastgesteld in het kader van de gedelegeerde handelingen uit hoofde van de Verordeningen (EU) 2024/3110 en (EU) 2024/1781. Gezien het belang van zowel primaire als secundaire staalproductie voor de veerkracht van de industriële basis van de Unie op lange termijn, moeten dergelijke vereisten gebaseerd zijn op prestatieklassen waarin rekening wordt gehouden met de verschillende decarbonisatie-inspanningen van de technologische routes, waarbij circulariteit ook wordt beloond en de emissie-intensiteitsdrempels op basis van het percentage metaalschroot dat in de productie wordt gebruikt, waar nodig worden aangepast voor de productcategorieën waarvoor doorgaans primaire staalproductie nodig is. Het moet ook mogelijk zijn de op grond van de Verordeningen (EU) 2024/3110 en (EU) 2024/1781 vastgestelde gedelegeerde handelingen aan te vullen om de totstandbrenging van leidende markten te ondersteunen door investeringsbeslissingen te onderbouwen met betrekking tot producten waaraan een lagere broeikasgasintensiteitsprestatieklasse is toegekend, voor industriële producten die nog niet onder een gedelegeerde handeling uit hoofde van Verordening (EU) 2024/1781 vallen, of die vallen onder het toepassingsgebied van producten die zijn opgenomen in het overeenkomstig die verordening vastgestelde werkplan. Daartoe moet het mogelijk zijn vrijwillige classificatiesystemen vast te stellen op basis van de broeikasgasintensiteit van industriële producten. Om milieu-integriteit en administratieve haalbaarheid te bieden, is het belangrijk te vertrouwen op gevestigde en gemonitorde methoden voor de berekening van emissies. Voor installaties en subinstallaties in de EU voorziet het EU-emissiehandelssysteem (EU-ETS) in relevante productbenchmarks en systeemgrenzen in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie 35 en in regels voor geluidsemissies in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie 36 . Om de administratieve lasten met betrekking tot ingevoerde producten te beperken, is het passend het gebruik mogelijk te maken van gegevens die reeds zijn geverifieerd in het kader van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (CBAM), overeenkomstig de op grond van artikel 7, lid 7, punt a), van Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad 37 vastgestelde uitvoeringsvoorschriften. Om de broeikasgasintensiteit van het industriële product nauwkeurig weer te geven, is het, naast het dekken van de directe emissies die doorgaans verband houden met de activiteiten van de installatie die onder bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 38 vallen, passend ook rekening te houden met de belangrijkste bronnen van indirecte emissies, waaronder die van de productie van elektriciteit, waterstof en warmte die in het productieproces worden gebruikt. Om de consistentie te waarborgen en de administratieve lasten te beperken, moet bij de methoden die worden gebruikt om de vereisten inzake koolstofarme productie in het kader van deze verordening vast te stellen, gebruik worden gemaakt van de emissiegegevens die in het kader van het EU-ETS en het CBAM zijn gerapporteerd, indien beschikbaar en relevant.

(23)Om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van deze verordening worden verwezenlijkt, met name de totstandbrenging van leidende markten voor Europese koolstofarme industriële producten, moeten verplichte technische minimumspecificaties worden vastgesteld voor vereisten inzake koolstofarme productie en inzake de oorsprong uit de Unie in openbare aanbestedingsprocedures. Die vereisten moeten van toepassing zijn op de aanbesteding van die producten in het kader van openbare aanbestedingen voor leveringen en voor werken, voor diensten en concessies, wanneer die producten zullen worden gebruikt voor activiteiten in het kader van die opdrachten. In overeenstemming met het kader voor overheidsopdrachten moeten die verplichte technische minimumspecificaties voorkomen dat de mededinging kunstmatig wordt beperkt en een specifieke marktdeelnemer wordt bevoordeeld. Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties moeten de aanbestedingsprocedures afwikkelen overeenkomstig de Richtlijnen 2014/23/EU 39 , 2014/24/EU 40 en 2014/25/EU 41 van het Europees Parlement en de Raad en overeenkomstig de toepasselijke sectorale wetgeving. De oorsprong uit de Unie van producten en componenten moet worden bepaald overeenkomstig de douanewetgeving van de Unie.

(24)Om de haalbaarheid van de vereisten tegen redelijke kosten te waarborgen en beperking van de mededinging te voorkomen, moeten de voorwaarden worden vastgesteld waaronder aanbestedende diensten bij wijze van uitzondering kunnen besluiten de vereisten inzake koolstofarme productie en oorsprong uit de Unie niet toe te passen. Die voorwaarden moeten betrekking hebben op gevallen waarin de toepassing van dergelijke eisen zou leiden tot technische onverenigbaarheden bij de exploitatie of het onderhoud van een project, zoals situaties waarin het gebruik van dergelijke producten de naleving van de fundamentele eisen voor bouwwerken van het gebouw of de infrastructuur, zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2024/3110, in gevaar zou kunnen brengen. De in deze verordening vastgestelde vereisten moeten uitsluitend van toepassing zijn op aanbestedingsprocedures die binnen het toepassingsgebied van de richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU vallen, dat wil zeggen op procedures waarvan de geraamde waarde de in die richtlijnen vastgestelde drempelwaarden bereikt of overschrijdt. Bijgevolg mogen aanbestedingsprocedures die niet onder die richtlijnen vallen, met inbegrip van procedures onder de toepasselijke drempels, niet worden onderworpen aan de vereisten van deze verordening, waardoor onevenredige verplichtingen voor aanbestedingen van geringe waarde door aanbestedende diensten, ook op lokaal niveau, worden vermeden.

(25)Het op 16 december 2025 aangenomen pakket voor de autosector bevat een voorstel tot wijziging van Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad 42 , dat onder meer voorziet in de verlening van superkredieten voor kleine betaalbare elektrische voertuigen die vóór 2035 in de Unie zijn geproduceerd en de emissiereductiedoelstelling voor 2035 wijzigt, waarbij de resterende emissies moeten worden gecompenseerd door het gebruik van in de Unie geproduceerd koolstofarm staal of hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen. Het pakket voor de autosector omvat ook een [voorstel voor een verordening betreffende schone bedrijfsvoertuigen] dat de financiële steun voor bedrijfsvoertuigen beperkt tot emissievrije en emissiearme bedrijfsvoertuigen “die in de Europese Unie zijn vervaardigd”. Om rechtszekerheid en samenhang met Verordening (EU) 2019/631, zoals gewijzigd, en het [voorstel voor een verordening betreffende schone bedrijfsvoertuigen] te waarborgen, moeten in deze verordening definities worden vastgesteld van “kleine betaalbare elektrische voertuigen die in de Unie zijn vervaardigd”, “koolstofarm staal dat in de Unie is vervaardigd” en “bedrijfsauto’s en -bestelwagens die in de Europese Unie zijn vervaardigd”.

(26)Om de procedures te vereenvoudigen en de administratieve lasten te verminderen, mag de controle op de naleving van de in deze verordening vastgestelde vereisten geen onevenredige last opleggen aan ondernemers of aanbestedende diensten. Het verificatiesysteem moet daarom gebaseerd zijn op een eigen verklaring van de marktdeelnemers. Een dergelijke aanpak is in overeenstemming met het algemene kader voor overheidsopdrachten dat is vastgesteld bij Richtlijn 2014/24/EU, en met name artikel 59, dat voorziet in een eigen verklaring van naleving, onder voorbehoud van controle achteraf van de geselecteerde inschrijver. Voor voertuigen moeten fabrikanten bij de afgifte van het certificaat van overeenstemming overeenkomstig Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad 43 een begeleidend document verstrekken dat certificeert dat de voertuigen aan de desbetreffende voorschriften inzake de oorsprong uit de Unie voldoen. Dit document moet gelijkwaardig zijn aan een eigen verklaring en deel uitmaken van de bewijsstukken waaruit blijkt dat aan de vereisten van deze verordening is voldaan.

(27)Om ervoor te zorgen dat de bij deze verordening vastgestelde vereisten passend blijven, zelfs wanneer de marktomstandigheden, de technologische ontwikkelingen en de doelstellingen van het klimaat- en internemarktbeleid van de Unie evolueren, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om de vereisten te herzien op basis van objectieve criteria en monitoringresultaten. Bij de beoordeling of de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie, de vereisten inzake koolstofarme productie of beide moeten worden herzien, moet de Commissie rekening houden met ontwikkelingen in de desbetreffende wetgevingskaders, met inbegrip van de douanewetgeving inzake oorsprongsregels, het emissiehandelssysteem zoals vastgesteld in Richtlijn 2003/87/EG, het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2023/956, en handelsbeschermingsinstrumenten.

(28)Investeringen, ook van buitenlandse entiteiten, spelen een cruciale rol bij het bevorderen van een sterke interne markt en territoriale cohesie. Zij bevorderen met name innovatie en stimuleren economische groei in de Unie, wat essentieel is voor haar concurrentievermogen. In uitzonderlijke omstandigheden, dreigen grote investeringen uit derde landen met een zeer dominante marktpositie in de wereldwijde productiecapaciteit echter belangrijke toeleveringsketens en de veiligheid van opkomende strategische sectoren die van bijzonder belang zijn voor de ontwikkeling van de interne markt, te verstoren. Uiteenlopende voorwaarden die de lidstaten voor dergelijke investeringen hanteren, versnipperen de interne markt door ongelijke voorwaarden te creëren voor investeerders. Zij staan investeringen toe die geen echte toegevoegde waarde voor de economie van de Unie opleveren, en tegelijkertijd een aanzienlijk risico voor de ontwikkeling en de voorzieningszekerheid in deze sectoren creëren en een stimulans voor “regelgevingsarbitrage” door investeerders. Als dergelijke investeringen zonder voorwaarden doorgang kunnen vinden, kan dat betekenen dat de toegevoegde waarde die verbonden is aan geselecteerde strategische technologieën en innovatieve productieactiviteiten buiten de Unie blijft, wat nadelige gevolgen heeft voor de voorzieningszekerheid van de Unie en de technologische ontwikkeling in opkomende strategische sectoren. Bovendien dreigt de onvoorwaardelijke blootstelling van de interne markt aan dergelijke grote investeringen de technologische vooruitgang van de Unie die nodig is voor haar dubbele transitie en defensievermogens in gevaar te brengen. Daarom moeten de bepalingen van deze verordening ervoor zorgen dat dergelijke grote investeringen uit derde landen met een bijzonder aanzienlijke marktpositie de voorzieningszekerheid en de economische zekerheid van de Unie niet verstoren en haar technologische vooruitgang in opkomende strategische sectoren waarborgen. Als dergelijke investeringen niet zorgen voor voldoende deelname van de Unie en technologieoverdracht, wordt de voorzieningszekerheid op lange termijn van opkomende strategische sectoren belemmerd door een gebrek aan capaciteit van de Unie die onafhankelijk is van het land dat een aanzienlijk aandeel heeft in het relevante mondiale aanbod. Bovendien is vastgesteld dat sommige van dergelijke investeringen geen zinvolle werkgelegenheid voor werknemers in de Unie inhouden, waardoor de ontwikkeling van vaardigheden die van cruciaal belang zijn voor de ontwikkeling van opkomende strategische sectoren op de interne markt in gevaar komt.

(29)Om ervoor te zorgen dat de interne markt aantrekkelijk blijft voor investeringen en dat investeringen waarde toevoegen aan de economie en de samenleving van de Unie, moeten gemeenschappelijke voorwaarden worden vastgesteld voor buitenlandse directe investeringen in opkomende strategische productiesectoren. Die sectoren moeten productiesectoren met innovatief potentieel zijn waar de entiteiten van de Unie zich niet op of in de buurt van de mondiale innovatiegrens bevinden, en waar passend moeten de capaciteiten en deelname van de Unie worden gewaarborgd. Er moeten geharmoniseerde criteria gelden voor buitenlandse investeerders van een derde land dat meer dan 40 % van de wereldwijde productiecapaciteit in opkomende strategische sectoren bezit. Om de doeltreffendheid van de bepalingen van deze verordening te waarborgen, moet de Commissie toezicht houden op de wereldwijde productiecapaciteit van die sectoren en de resultaten ervan bekendmaken.

(30)Er is sprake van buitenlandse greenfieldinvesteringen wanneer de buitenlandse investeerder of een dochteronderneming van een buitenlandse investeerder in de Unie nieuwe installaties of een nieuwe onderneming in de Unie opricht. Zowel buitenlandse greenfield- als brownfieldinvesteringen moeten binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen voor zover zij betrekking hebben op de verwerving van zeggenschap over een doelonderneming of een actief in de Unie, aangezien beide mogelijk gevolgen hebben voor de goede werking van de interne markt.

(31)De evaluatie van de investeringen en de toepassing van de geharmoniseerde voorwaarden moeten overeenkomstig deze verordening worden uitgevoerd. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle beschikbare informatie en moet het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen. Bovendien moeten alle door de nationale autoriteiten of de Commissie genomen maatregelen met betrekking tot de evaluatie van buitenlandse investeringen in overeenstemming zijn met het Unierecht, en met name met de artikelen 49 en 63 VWEU.

(32)Daarom moeten de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn op buitenlandse directe investeringen in opkomende strategische sectoren overeenkomstig de bij deze verordening vastgestelde drempels, niettegenstaande het screeningmechanisme dat is ingesteld bij Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad 44 . Bovendien moeten de bepalingen van deze verordening ook van toepassing zijn onverminderd de instrumenten van het mededingingsrecht van de Unie, waaronder Verordening (EU) 2022/2560 van het Europees Parlement en de Raad 45 en Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad 46 .

(33)De criteria voor buitenlandse directe investeringen moeten betrekking hebben op opkomende strategische sectorale investeringen in de Unie door investeerders uit derde landen (“buitenlandse investeerders”) in de Unie. Het kan echter ook nodig zijn investeringen in de Unie op te nemen van entiteiten die direct of indirect onder zeggenschap staan van een persoon of entiteit uit een derde land, ongeacht de locatie van de uiteindelijke eigenaar (“dochteronderneming van de buitenlandse investeerder”), aangezien zij in gelijke mate de werking van de interne markt, met inbegrip van de voorzieningszekerheid en de economische veiligheid ervan, kunnen verstoren als gevolg van de zeggenschap die wordt uitgeoefend vanuit het derde land dat een aanzienlijk marktaandeel heeft. Daarom moeten investeringsinstanties de investeringscriteria toepassen wanneer zij duidelijk nodig zijn om de bescherming van de openbare veiligheid, de voorzieningszekerheid, de economische veiligheid en de ecologische duurzaamheid in de Unie doeltreffend te waarborgen, en wanneer dit essentieel is voor de technologische vooruitgang van de interne markt voor de groene en digitale transitie en defensiedoeleinden. Bovendien moet worden voorkomen dat de bepalingen van de verordening worden omzeild wanneer er redelijkerwijs geen alternatieve maatregelen beschikbaar zijn. Om de evenredige toepassing van de opgelegde voorwaarden op investeringen van de dochteronderneming van de buitenlandse investeerder te waarborgen, moet de Commissie de mogelijkheid hebben om de kennisgeving te beoordelen en de investeringsautoriteit te verzoeken bepaalde voorwaarden voor te schrijven. Afgezien van de screening van buitenlandse directe investeringen door de dochteronderneming van de buitenlandse investeerder, zoals vastgesteld bij deze verordening, mogen investeringen uit andere lidstaten van de Unie niet worden geconditioneerd of ontmoedigd.

(34)Er moet worden gezorgd voor een duurzame band tussen de buitenlandse investeerder en de doelonderneming in de Unie, ongeacht of deze rechtstreeks door een buitenlandse investeerder wordt uitgevoerd of via een in de Unie gevestigde entiteit die onder zeggenschap staat van een buitenlandse investeerder. Dit mag echter niet gelden voor de verwerving van effecten van vennootschappen die uitsluitend bedoeld zijn voor financiële investeringen en zonder de bedoeling invloed uit te oefenen op het bestuur van of de zeggenschap over de vennootschap (“portefeuillebeleggingen”).

(35)Herstructureringsoperaties binnen een ondernemingsgroep en investeringen in financiële instellingen in het kader van de toepassing van een afwikkelingsinstrument en van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden moeten buiten het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Interne herstructureringen mogen alleen van het toepassingsgebied worden uitgesloten voor zover zij uitsluitend worden uitgevoerd met het oog op de interne reorganisatie van een doelonderneming in de Unie of van de ondernemingsgroep waartoe de doelonderneming in de Unie behoort, zonder dat dit leidt tot wijzigingen in de uiteindelijk begunstigden van of de zeggenschap over de doelonderneming in de Unie. Interne herstructureringen moeten met name worden uitgesloten wanneer zij niet leiden tot een situatie waarin een nieuwe buitenlandse investeerder eigendom verwerft van of zeggenschap over de doelonderneming in de Unie of een onderneming die direct of indirect eigenaar is van of zeggenschap heeft over die doelonderneming in de Unie, wanneer er sprake is van een toename van de aandelen in handen van buitenlandse investeerders, of wanneer de transactie leidt tot aanvullende rechten voor buitenlandse investeerders die kunnen leiden tot een verandering in de daadwerkelijke deelname van een of meer buitenlandse investeerders in het beheer van of de zeggenschap over de doelonderneming in de Unie.

(36)De criteria voor buitenlandse directe investeringen mogen alleen van toepassing zijn op buitenlandse directe investeringen in opkomende strategische sectoren die een drempelwaarde voor de investeringswaarde bereiken die de werking van de interne markt kan verstoren. Een drempel van 100 miljoen EUR moet worden geacht van invloed te kunnen zijn op de goede werking van de interne markt in opkomende strategische sectoren. Dergelijke buitenlandse directe investeringen die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, zouden een hoog risico inhouden voor de veiligheid en de ecologische duurzaamheid van de Unie, maar zouden niet voldoende toegevoegde waarde opleveren, waaronder het waarborgen van de bijdrage van de Unie aan de investering, de verbetering van de technologische ontwikkeling van de Unie, de werkgelegenheid voor werknemers in de Unie en de bijdrage aan de waardeketens van de Unie voor de interne markt zonder dat aan de geharmoniseerde voorwaarden wordt voldaan.

(37)Om de doeltreffende toepassing van deze verordening te waarborgen, moet elke lidstaat een investeringsautoriteit aanwijzen die verantwoordelijk is voor het beoordelen van de voorwaarden voor investeringen door buitenlandse entiteiten in opkomende strategische sectoren. Bovendien moet de autoriteit beschikken over de juridische, administratieve en financiële middelen om haar taken doeltreffend en onafhankelijk uit te voeren, met inachtneming van de instanties die reeds verantwoordelijk zijn voor Uitvoeringsverordening (EU) 2019/452.

(38)Om de lidstaten in staat te stellen de in deze verordening omschreven investeringen doeltreffend te identificeren, moeten buitenlandse investeerders de bevoegde autoriteiten in kennis stellen voordat zij aanzienlijke belangen in ondernemingen of activa binnen de Unie verwerven of vestigen. De vaststelling van een drempel van 30 procent eigendom of andere rechten die zeggenschap voor zowel ondernemingen als activa tot stand brengen, moet ervoor zorgen dat het mechanisme betrekking heeft op investeringen die van invloed kunnen zijn op de goede werking van de interne markt.

(39)Om het risico op omzeiling door middel van gefragmenteerde of indirecte verwervingen tot een minimum te beperken, moeten, wanneer meerdere buitenlandse investeerders in onderling overleg handelen of wanneer investeringen worden gedaan via verbonden entiteiten of complexe eigendomsstructuren, hun respectieve belangen door de investeringsautoriteit worden geaggregeerd om de investeringswaarde en de kennisgevingsdrempel te bepalen. Aggregatie moet ook van toepassing zijn op bestaande deelnemingen in dezelfde onderneming of hetzelfde actief in de Unie, direct of indirect, individueel of gezamenlijk, om ervoor te zorgen dat opeenvolgende transacties die leiden tot invloed of zeggenschap van betekenis naar behoren worden gemeld.

(40)Om de deelname van de Unie in grote buitenlandse directe investeringen uit derde landen met een aanzienlijke mondiale positie te waarborgen, moeten in deze verordening grenzen worden gesteld aan de omvang van de eigendom van en zeggenschap over ondernemingen en activa in de Unie die buitenlandse investeerders kunnen verwerven. Buitenlandse investeerders mogen noch direct noch indirect eigendomsbelangen vestigen, verwerven, bezitten of laten gelden die meer dan 49 % van het aandelenkapitaal, de stemrechten of gelijkwaardige eigendomsbelangen in een doelonderneming in de Unie vertegenwoordigen, noch gelijkwaardige eigendoms-, erfpacht- of andere rechten vestigen of verwerven die controle over een actief in de Unie verschaffen.

(41)Om ervoor te zorgen dat buitenlandse investeerders en entiteiten van de Unie samenwerken in opkomende strategische sectoren en tegelijkertijd te zorgen voor voldoende deelname van partners van de Unie, moeten vereisten voor joint ventures worden voorgeschreven, die contractuele regelingen moeten omvatten. In de joint venture mag de buitenlandse investeerder niet meer dan 49 % bezitten van het aandelenkapitaal, de stemrechten, of gelijkwaardige eigendomsbelangen of andere rechten die zeggenschap verlenen in een van de entiteiten uit de Unie die aan de joint venture deelnemen. Die voorwaarde moet ook bijdragen tot de strategische autonomie van de Unie en zorgen voor toegevoegde waarde voor de interne markt.

(42)Als onderdeel van de voorwaarden voor de goedkeuring van een buitenlandse directe investering moet worden beoordeeld of de overdracht van technologie kan bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening. Daartoe moeten de buitenlandse investeerders worden aangemoedigd om aan de doelonderneming in de Unie, de joint venture of de juridische entiteit die het actief in de Unie verwerft of bezit, de relevante intellectuele-eigendomsrechten en knowhow in licentie te geven die nodig zijn voor de uitvoering van de betrokken economische activiteit in het kader van de buitenlandse directe investering. Passende licentieovereenkomsten voor intellectuele eigendom moeten daarom door de buitenlandse investeerder worden verleend aan de doelonderneming in de Unie, de joint venture of de juridische entiteit die het actief in de Unie verwerft of bezit. Het toepassingsgebied en de voorwaarden van deze overeenkomsten, zoals de exacte betrokken intellectuele-eigendomsrechten, het exclusieve karakter van de licentie, de duur van de licentie of vertrouwelijkheidsmaatregelen, moeten passend zijn voor de omstandigheden en voor de doelstelling die in het kader van deze verordening wordt nagestreefd en de desbetreffende investering. De buitenlandse investeerder moet zich ertoe verbinden de passende licenties van intellectuele-eigendomsrechten en relevante knowhow waarover hij beschikt te verlenen, zoals vereist voor de betrokken economische activiteit. Dit kan worden bereikt door op vertrouwelijke basis een beschrijving te geven van de belangrijkste aspecten van de mogelijke licentieovereenkomsten aan de investeringsautoriteit.

(43)Wanneer de doelonderneming in de Unie of de juridische entiteit die het actief in de Unie verwerft of bezit, vóór de buitenlandse investering intellectuele-eigendomsrechten bezit op een uitvinding, een werk of enig ander goed dat onder de bescherming van intellectuele eigendom valt, moeten die intellectuele-eigendomsrechten volledig en exclusief onder de zeggenschap blijven van de doelonderneming in de Unie of de juridische entiteit die het actief in de Unie verwerft of bezit. De buitenlandse investeerder mag geen intellectuele-eigendomsrechten claimen of activiteiten verrichten die van invloed zouden zijn op het vermogen van de doelonderneming in de Unie of de juridische entiteit die het actief in de Unie verwerft of bezit, om de intellectuele-eigendomsrechten op hun uitvindingen, werken, handelsmerken, ontwerpen of andere relevante activa die vóór de buitenlandse investering zijn verkregen, te bezitten en uit te oefenen. Wanneer een uitvinding, een werk of een ander goed dat onder de bescherming van intellectuele eigendom valt, het resultaat is van een samenwerkingsverband tussen de doelonderneming in de Unie of de juridische entiteit die het actief in de Unie verwerft of bezit en de buitenlandse investeerder of als gevolg van de joint venture, moeten de intellectuele-eigendomsrechten gezamenlijk eigendom zijn van de buitenlandse investeerder, de doelonderneming in de Unie of de juridische entiteit die het actief in de Unie verwerft of bezit, afhankelijk van de omstandigheden. De voorwaarden die gepaard gaan met de mede-eigendom van intellectuele-eigendomsrechten moeten, voor zover mogelijk, vóór de goedkeuring van de buitenlandse directe investering worden vastgesteld en aan de investeringsautoriteit worden meegedeeld. Deze voorwaarden moeten verduidelijkingen omvatten met betrekking tot de mogelijkheid voor één mede-eigenaar om een licentie te verlenen en inbreukprocedures in te leiden, alsook de financiële overeenkomsten met betrekking tot de indiening en registratie van intellectuele-eigendomsrechten en licentieovereenkomsten. In het geval van een joint venture zonder rechtspersoonlijkheid moet de investeringsautoriteit duidelijkheid worden verschaft over het bezit van intellectuele eigendom.

(44)Er moet voor worden gezorgd dat de deskundigheid van buitenlandse investeerders met betrekking tot de grote buitenlandse directe investering die onder het toepassingsgebied van deze verordening valt, bijdraagt tot de bevordering van de technologische ontwikkeling van de Unie, zowel binnen als buiten de doelonderneming in de Unie, de joint venture of de juridische entiteit die het actief van de Unie verwerft of bezit. Daartoe moeten buitenlandse investeerders investeren in binnen de Unie uit te voeren onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en er tegelijkertijd voor zorgen dat de Unie van de geproduceerde resultaten profiteert. Daarom moet, als onderdeel van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor goedkeuring van een buitenlandse directe investering, worden beoordeeld of de investeringen in onderzoek en ontwikkeling van de buitenlandse investeerders toereikend zijn om die doelstelling te verwezenlijken. Dergelijke investeringen kunnen ten goede komen aan in de Unie gevestigde onderzoeksinstellingen, onder meer in het kader van gezamenlijke projecten met de EU-doelonderneming, de joint venture of de juridische entiteit die het actief van de Unie verwerft of bezit. Die investeringen kunnen ook worden gedaan binnen de doelonderneming in de Unie, de joint venture of de juridische entiteit die het actief in de Unie verwerft of bezit, voor de ontwikkeling of uitvoering van specifieke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten. Die investeringen kunnen ook bestaan uit de opleiding van werknemers in de Unie, of directe of indirecte financiële steun aan onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten binnen de doelonderneming in de Unie, de joint venture of de juridische entiteit die het actief van de Unie verwerft of bezit. Beoordelingen die worden uitgevoerd met betrekking tot investeringen in binnen de Unie uit te voeren onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten mogen geen afbreuk doen aan de instrumenten van het mededingingsrecht van de Unie, waaronder de Verordeningen (EU) 2022/2560 en (EG) nr. 139/2004.

(45)Om de duurzame integratie van investeringen door buitenlandse entiteiten in de interne markt en de ontwikkeling van vaardigheden in opkomende strategische sectoren te bevorderen en een zinvolle sociale bijdrage op de plaats van de investering te waarborgen, moet bij dergelijke investeringen een deel van de werknemers in de Unie in dienst worden genomen en moet worden voorzien in passende maatregelen voor opleiding en capaciteitsopbouw, waarbij aanbieders van onderwijs en opleiding en de sociale partners worden betrokken. De buitenlandse investeerder moet ervoor zorgen dat de in deze verordening vastgestelde drempels worden gehaald voor alle categorieën werknemers, met inbegrip van de operationele, technische, toezichthoudende en leidinggevende functies.

(46)Om de industriële capaciteit van opkomende strategische sectoren te versterken en buitenlandse directe investeringen in het industriële ecosysteem van de Unie te integreren, moet een bepaald aandeel van de in de Unie vervaardigde inputs worden opgenomen in producten die door dergelijke investeringen in de Unie in de handel worden gebracht.

(47)Om ervoor te zorgen dat buitenlandse directe investeringen aan ten minste vier van de zes bij deze verordening vastgestelde voorwaarden voldoen, moet de bevoegde investeringsautoriteit elke kennisgeving onderzoeken en een met redenen omkleed besluit over de goedkeuring of afwijzing ervan nemen. De investeringsautoriteiten moeten vaststellen dat aan de voorwaarden is voldaan of, in voorkomend geval, dat de buitenlandse investeerder voornemens is aan de voorwaarden te voldoen. Dergelijke investeringen mogen niet worden uitgevoerd zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de investeringsautoriteit. Bijgevolg moeten buitenlandse investeerders aan een reeks voorwaarden voldoen voordat zij hun economische activiteit met betrekking tot de desbetreffende buitenlandse directe investering aanvangen. De investeringsautoriteiten moeten besluiten nemen binnen een termijn die zowel de procedurele efficiëntie als de rechtszekerheid waarborgt. Indien gerechtvaardigd door de complexiteit van de zaak of de behoefte aan aanvullende informatie, kan die termijn om gerechtvaardigde en naar behoren gemotiveerde redenen worden verlengd.

(48)De lidstaten moeten de Commissie op de hoogte brengen van de ontvangen kennisgevingen om de Commissie in staat te stellen het investeringslandschap doeltreffend te monitoren en te zorgen voor een geharmoniseerd investeringskader op de hele interne markt.

(49)Om de horizontale toepassing van deze verordening op de interne markt te waarborgen, moet de Commissie advies kunnen uitbrengen over de vraag of de investering aan de voorwaarden van deze verordening voldoet. Dergelijke adviezen worden voor het publiek toegankelijk gemaakt. Indien de investeringsautoriteit voornemens is in haar besluit af te wijken van het advies van de Commissie, moet zij de goedkeuringsprocedure met nog eens twee maanden verlengen om de argumenten van de Commissie naar behoren te beoordelen. Bij het nemen van een besluit moeten de lidstaten motiveren hoe zij rekening hebben gehouden met het advies van de Commissie.

(50)Om de horizontale toepassing van deze verordening op de eengemaakte markt te waarborgen, moet de Commissie buitenlandse directe investeringen kunnen evalueren op eigen initiatief of op initiatief van een lidstaat die gevolgen ondervindt van de buitenlandse directe investering. Dat moet met name het geval zijn voor investeringen die gevolgen hebben voor verschillende lidstaten, alsook voor investeringen met een hoge waarde en investeringen die van bijzonder strategisch belang zijn voor de Unie vanwege het effect ervan op de eengemaakte markt.

(51)De investeringsautoriteiten moeten er niet alleen voor zorgen dat de voorwaarden ten tijde van de kennisgeving van de buitenlandse directe investering worden nageleefd, maar ook, in voorkomend geval, gedurende de gehele looptijd ervan, om ervoor te zorgen dat de voordelen van de buitenlandse directe investering op de interne markt worden gemaximaliseerd.

(52)Om ervoor te zorgen dat de criteria voor buitenlandse directe investeringen voor de opkomende strategische sectoren passend blijven, ook al blijven de marktomstandigheden, technologische ontwikkelingen en de doelstellingen van het mededingingsbeleid van de Unie evolueren, moet de Commissie de mondiale productietrends van strategische sectoren monitoren en de bevoegdheid krijgen om uitvoeringshandelingen vast te stellen waarbij criteria voor buitenlandse investeringen worden opgelegd aan aanvullende strategische sectoren. De Commissie moet met name de drempelwaarde beoordelen en nagaan of alle in deze verordening bedoelde investeringscriteria passend en noodzakelijk zijn om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken.

(53)Het clusteren van industriële activiteiten kan aanzienlijk bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening en tot de versterking van bepaalde strategische sectoren op de interne markt. Daarom is het passend de ontwikkeling van gebieden voor versnelde industriële productie te bevorderen. Die gebieden moeten beperkt zijn in geografische en technologische reikwijdte om industriële symbiose te bevorderen. Bij de aanwijzing van de gebieden moeten de lidstaten, in voorkomend geval in samenwerking met de regionale autoriteiten, rekening houden met de industriële productie (met name voor bepaalde strategische sectoren) en het algemene ontwikkelingsniveau van hun regio’s, met bijzondere aandacht voor de minder ontwikkelde regio’s en overgangsregio’s. Om de veerkracht, de strategische autonomie en het concurrentievermogen van de industriële basis van de Unie te versterken, moet de aanwijzing van gebieden voor versnelde industriële productie bovendien worden afgestemd op strategische projecten en andere initiatieven van de Unie, zoals de valleien voor versnelde uitrol van nettonultechnologie.

(54)Bij de maatregelen voor industriële versnelling binnen de versnellingsgebieden moet worden gestreefd naar passende synergieën met andere initiatieven van de Unie, waaronder in de wetgeving van de Unie erkende strategische projecten, valleien voor versnelde uitrol van nettonultechnologie en financieringsmogelijkheden van de Unie, om de strategische prioriteiten op de interne markt op elkaar af te stemmen en ter bevordering van industriële installaties die van vitaal belang zijn voor de strategische autonomie en het concurrentievermogen van de Unie. Die voordelen moeten ook gelden voor ondernemingen waaraan het keurmerk voor concurrentievermogen is toegekend in het kader van Verordening (EU) XXXX/[XX]  47 (Europees Fonds voor concurrentievermogen), tenzij de lidstaat dit specifiek uitsluit.

(55)Om een toereikende voorziening van kritieke grondstoffen voor projecten in de versnellingsgebieden mogelijk te maken, moet de bij artikel 35 van Verordening (EU) 2024/1252 opgerichte Europese raad voor kritieke grondstoffen een platform bieden voor de uitwisseling van informatie over knelpunten in de toeleveringsketen van kritieke grondstoffen in de versnellingsgebieden. Projecten op relevante gebieden moeten kunnen profiteren van het bij artikel 25 van Verordening (EU) 2024/1252 ingestelde gezamenlijke aankoopmechanisme om hun vraag naar strategische grondstoffen te bundelen en hun onderhandelingspositie ten opzichte van potentiële verkopers te vergroten, met name wanneer zij kleine of middelgrote ondernemingen (kmo’s) en kleine midcap-ondernemingen omvatten.

(56)Een toereikende en tijdige energievoorziening aan de versnellingsgebieden is een fundamentele randvoorwaarde voor de doeltreffende uitrol ervan en voor de ontwikkeling van productieactiviteiten. Betrouwbare en nauwkeurige informatie over de toekomstige vraag naar energie draagt bij tot een kosteneffectieve ontwikkeling van het net. De lidstaten moeten daarom voor elk versnellingsgebied een analyse opstellen waarin de toekomstige energiebehoeften in kaart worden gebracht. Een dergelijke analyse moet tot doel hebben informatie te verstrekken voor de nationale netplanning en zo bij te dragen tot doelgerichte anticiperende investeringen in het net en snellere energieverbindingen voor het versnellingsgebied. Bij het bepalen van het toepassingsgebied moeten de lidstaten rekening houden met de beschikbaarheid van relevante vervoers- en netwerkinfrastructuur. De resultaten van deze beoordelingen moeten worden weerspiegeld in de nationale netontwikkelingsplannen om toekomstige punten van de energievraag adequaat mee te nemen in de komende netplanning.

(57)Gebieden voor versnelde industriële productie moeten worden opgezet in overeenstemming met het potentieel om toegang te krijgen tot onderwijs- en opleidingsmogelijkheden of deze te organiseren om de beschikbaarheid van geschoolde arbeidskrachten te waarborgen.

(58)Om de ontwikkeling van gebieden voor versnelde industriële productie te bevorderen en de vergunningsprocedures die nodig zijn voor industriële activiteiten in die gebieden te bespoedigen, moeten de lidstaten een geaggregeerde basisvergunning vaststellen die de specifieke kenmerken van elk vastgesteld gebied voor versnelde industriële productie weerspiegelt en is afgestemd op de industriële productiesector of -sectoren die daarin zal of zullen worden uitgerold. Die door overheidsinstanties afgegeven geaggregeerde basisvergunning moet betrekking hebben op de vergunningen die gewoonlijk vereist zijn voor dergelijke activiteiten binnen het gebied, met uitzondering van de vergunningen die installatiespecifiek zijn, zoals die welke vereist zijn uit hoofde van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad 48 en de vergunningsprocedure voor een netaansluiting. Bijgevolg moeten projectontwikkelaars worden verplicht alleen aanvullende vergunningen te verkrijgen voor activiteiten die niet onder de geaggregeerde basisvergunning vallen, alsook, indien vereist, milieubeoordelingen. In het geval van activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor beschermde gebieden op Unie- en nationaal niveau, mogen de desbetreffende vergunningen pas worden verleend nadat is gewaarborgd dat de activiteiten verenigbaar zijn met de instandhoudingsdoelstellingen van die gebieden. Een dergelijke aanpak moet de vergunningsprocedures aanzienlijk versnellen en de daarmee gepaard gaande administratieve lasten verminderen, met behoud van een hoog niveau van milieunormen.

(59)Om een kader vast te stellen om de strategische autonomie en economische veiligheid van de Unie te waarborgen door middel van toegang tot een veilige, duurzame en veerkrachtige voorziening van relevante industriële producten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van wijzigingen in de lijst van derde landen waarvan de inhoud niet wordt behandeld als gelijkwaardig aan de oorsprong uit de Unie, de invoering of wijziging van vereisten inzake de oorsprong uit de Unie en koolstofarme productie, onder meer voor aanvullende nettonultechnologieën en voor de in de bijlagen II en III vermelde producten en diensten, de vaststelling van maatregelen op Unieniveau aan de vraagzijde voor producten van de chemische industrie, rekening houdend met onder meer aanbevelingen van de alliantie voor kritieke chemische stoffen, de uitbreiding van criteria voor buitenlandse directe investeringen tot aanvullende opkomende strategische sectoren, de specificatie van gemeenschappelijke procedureregels voor criteria voor buitenlandse directe investeringen, en de vaststelling van classificatiesystemen op basis van de broeikasgasintensiteit van producten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt, ook op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen worden gehouden overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven 49 . Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(60)Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het specificeren van de methode voor het berekenen van het aandeel in het volume van producten en componenten van oorsprong uit de Unie en voor het verifiëren van de naleving van de voorwaarden van artikel 15. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 50 .

(61)De Commissie moet deze verordening evalueren op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie. Overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016, moet die evaluatie worden uitgevoerd op basis van de vijf criteria doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde voor de Unie. Zij moet ook de basis vormen voor effectbeoordelingen van mogelijke verdere maatregelen.

(62)Om ervoor te zorgen dat de bij deze verordening vastgestelde verplichtingen worden nageleefd, moeten de lidstaten voorzien in sancties voor ondernemingen die hun verplichtingen niet nakomen. Dergelijke sancties mogen geen afbreuk doen aan en moeten een aanvulling vormen op de specifieke sanctievereisten van deze verordening, bijvoorbeeld met betrekking tot buitenlandse directe investeringen. De lidstaten moeten in hun nationaal recht daarom in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voorzien ter bestraffing van de niet-naleving van deze verordening. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat projectontwikkelaars in voorkomend geval toegang hebben tot administratieve of rechterlijke toetsing overeenkomstig het nationaal recht.

(63)Bij de evaluatie van deze verordening moet de Commissie beoordelen of de bepalingen van de hoofdstukken III en IV moeten worden gewijzigd. Zij moet met name overwegen gerichte oorsprong uit de Unie in te voeren in vervoerssectoren die van cruciaal belang zijn voor de economische veiligheid van de Unie, met name de bouw van schepen en de bouw van rollend spoorwegmaterieel. De Commissie moet ook overwegen een uitgebreide evaluatie van buitenlandse directe investeringen in luchtvaartproducten en -onderdelen in te voeren.

(64)Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad 51 , waarbij één digitale toegangspoort is opgericht, bevat algemene regels inzake het online verstrekken van informatie, procedures en diensten voor ondersteuning met relevantie voor de werking van de interne markt. Om bedrijven en projectontwikkelaars uit de be-en verwerkende industrie, ook voor grensoverschrijdende projecten, in staat te stellen rechtstreeks te profiteren van de voordelen van de interne markt zonder onnodige extra administratieve lasten, is de informatie die in het kader van de vergunningsprocedure uit hoofde van deze verordening bij alle relevante instanties moet worden ingediend, de in bijlage I bij Verordening (EU) 2018/1724 vermelde informatie. De desbetreffende procedures zijn opgenomen in bijlage II bij die verordening om ervoor te zorgen dat projectontwikkelaars kunnen profiteren van volledig online procedures en de diensten van het technisch systeem voor de toepassing van het eenmaligheidsbeginsel. Met name ontwikkelaars van projecten in de be- en verwerkende industrie moeten volledig online toegang hebben tot alle procedures in verband met het vergunningverleningsproces en deze kunnen afhandelen, overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1724 en bijlage II bij die verordening. Verordening (EU) 2018/1724 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(65)Bij Verordening (EU) 2024/1735 zijn veerkrachtvereisten ingevoerd voor een reeks eindproducten met nettonultechnologie. Die vereisten zijn gericht op het verminderen van de afhankelijkheid voor levering van afzonderlijke derde landen, maar volstaan niet om de bedrijfstakken van de Unie in staat te stellen het potentieel van de interne markt op te schalen en houden een risico op omzeiling in. Om dergelijke uitdagingen aan te pakken, moet het wetgevingskader daarom zorgen voor de noodzaak om technologische knowhow binnen de Unie aan te trekken en te behouden, door middel van gerichte aanvullende interventie.

(66)De in deze verordening vastgestelde bepalingen inzake openbare aanbestedingen moeten voortbouwen op de bepalingen van Verordening (EU) 2024/1735 betreffende veerkracht en deze completeren door aanvullende vereisten in te voeren voor batterijsystemen voor energieopslag, technologieën voor fotovoltaïsche zonne-energie, warmtepompen, technologieën voor windenergie op land en op zee, elektrolyse-installaties en technologieën voor kernsplijtingsenergie. Dergelijke aanvullende vereisten moeten ervoor zorgen dat een bepaald deel van de producten en de belangrijkste specifieke componenten ervan van oorsprong zijn uit de Unie. Die aanpak moet zorgen voor voldoende diversificatie en tegelijkertijd de strategische productiecapaciteit en de technologische soevereiniteit binnen de Unie versterken. Het systeem voor de verificatie van de naleving van de vereisten moet de administratieve lasten beperken en in overeenstemming zijn met de gangbare praktijk op het gebied van openbare aanbestedingen en met het bestaande systeem voor de verificatie van de naleving uit hoofde van Verordening (EU) 2024/1735. Het verificatiesysteem moet daarom gebaseerd zijn op een eigen verklaring van de marktdeelnemers.

(67)Deze verordening vormt niet alleen een aanvulling op de bepalingen inzake overheidsopdrachten van Verordening (EU) 2024/1735, maar moet deze ook wijzigen om meer rechtszekerheid te bieden. Het toepassingsgebied van artikel 25 van Verordening (EU) 2024/1735 moet worden beperkt tot de nettonultechnologieën waarvoor naar verwachting openbare aanbestedingen van een relevante omvang zullen plaatsvinden, waardoor de bepaling duidelijker wordt.

(68)In overeenstemming met dezelfde beleidsdoelstelling die wordt nagestreefd voor veilingen voor hernieuwbare energie in het kader van Verordening (EU) 2024/1735, moeten bij deze verordening de aanvullende vereisten inzake de oorsprong uit de Unie worden uitgebreid tot veilingen voor hernieuwbare energie voor bepaalde technologieën voor hernieuwbare energie om bij te dragen tot de versterking van de industriële basis van de Unie en de veerkracht van toeleveringsketens voor nettonultechnologie te waarborgen. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van veilingen voor hernieuwbare energie, moeten de aanvullende vereisten van toepassing zijn op de nettonultechnologieën die het meest relevant zijn in het kader van veilingen, namelijk batterijsystemen voor energieopslag, technologieën voor fotovoltaïsche zonne-energie, elektrolyse-installaties en technologieën voor windenergie op land en op zee. Wanneer de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie van toepassing zijn op veilingen, mogen andere bepalingen waarbij soortgelijke vereisten voor steunregelingen van de overheid worden vastgesteld, niet van toepassing zijn op die veilingen.

(69)Om het kader doeltreffender te maken en rekening te houden met de recente toename van geopolitieke risico’s en mondiale marktverstoringen, moet het aandeel veilingen dat onder de vereisten valt, worden verhoogd en moet een hogere kostendrempel voor de opt-out van die vereisten worden vastgesteld. Dat moet ook buitensporig gebruik van vrijstellingen voorkomen en een doeltreffende stimulans bieden om de productie van hernieuwbare-energietechnologieën in de Unie te stimuleren.

(70)Bedrijven en huishoudens hebben een essentieel aandeel in de vraag naar nettonultechnologieën in de Unie. Overheidssteunregelingen die bedoeld zijn om de vraag van de consument naar dergelijke producten te ondersteunen, zijn belangrijke instrumenten om de economische veiligheid van de Unie te versterken en de groene transitie te versnellen. Om voort te bouwen op de bepalingen van Verordening (EU) 2024/1735 inzake veerkracht, moeten die bepalingen worden gecompleteerd met aanvullende vereisten voor batterijsystemen voor energieopslag, technologieën voor fotovoltaïsche zonne-energie en warmtepompen. Dergelijke aanvullende vereisten moeten ervoor zorgen dat bepaalde belangrijke specifieke componenten en, in sommige gevallen, het volledige eindproduct van oorsprong zijn uit de Unie. Die aanpak is in overeenstemming met de algemene doelstelling van steunregelingen om maatschappelijk wenselijke resultaten te bevorderen, teneinde vooruitgang te boeken met betrekking tot de ambities van de Europese pijler van sociale rechten en de milieu- en klimaatdoelstellingen. Bovendien moet die aanpak zorgen voor voldoende diversificatie en tegelijkertijd de strategische productiecapaciteit en de technologische soevereiniteit binnen de Unie versterken. Overheidsinstanties die met steunregelingen zijn belast, moeten de mogelijkheid hebben om de subsidiabiliteit van de regeling afhankelijk te stellen van de naleving van de vereisten, of om aanvullende financiële compensatie toe te kennen wanneer aan de vereisten is voldaan. In het laatste geval moet de aanvullende financiële compensatie een stimulerend effect hebben. Indien er echter sprake is van staatssteun, mag de aanvullende financiële compensatie de toepasselijke maximale steunintensiteit niet overschrijden.

(71)Digitale technologieën blijven de manier waarop we energie opwekken, distribueren en verbruiken, veranderen. Een dergelijke digitale ontwikkeling biedt weliswaar ongekende kansen, maar heeft ook geleid tot complexiteit en onderlinge afhankelijkheid binnen moderne energiesystemen, die nu vatbaar zijn voor een toenemend aantal cyberdreigingen. De integratie van digitale technologieën in energiesystemen vergroot het aanvalsoppervlak voor kwaadwillige actoren, die kwetsbaarheden kunnen benutten om activiteiten te verstoren, gevoelige gegevens te stelen of energiemarkten te manipuleren. Dergelijke verstoringen vormen niet alleen een bedreiging voor de veiligheid en stabiliteit van onze energie-infrastructuur en de continue energievoorziening, maar hebben ook cascade-effecten op alle sectoren van de economie die afhankelijk zijn van stabiele energie-inputs. Bovendien kunnen verstoringen van het energiesysteem het vertrouwen van investeerders ondermijnen en investeringen in essentiële moderniserings- en decarbonisatie-inspanningen ontmoedigen. Daarom is het waarborgen van de cyberbeveiliging van deze systemen van het grootste belang om de economische veiligheid te waarborgen, het vertrouwen te behouden en de weerbaarheid tegen toekomstige uitdagingen te bevorderen.

(72)Om een hoog niveau van cyberbeveiliging te waarborgen, moet worden voorkomen dat leveranciers met een hoog risico, zoals geïdentificeerd overeenkomstig [het voorstel voor een herziene cyberbeveiligingsverordening], kritieke componenten leveren aan inschrijvers op veilingen voor hernieuwbare energie, inschrijvers op openbare aanbestedingsprocedures en eindproducten die worden ondersteund door overheidsinterventie binnen het toepassingsgebied van deze verordening.

(73)Voorts moeten de cyberbeveiligingsbepalingen van artikel 26 van Verordening (EU) 2024/1735 niet alleen van toepassing zijn op 30 %, maar op alle veilingen voor hernieuwbare energie, aangezien cyberbeveiliging essentieel is voor de stabiliteit en integriteit van het energiesysteem van de Unie als geheel. Een lacune, zelfs in slechts één onderdeel van de cyberbeveiliging van een energiesysteem, kan de stabiliteit van het hele systeem in gevaar brengen. Naast het hoge niveau van cyberbeveiliging dat in kritieke sectoren wordt gewaarborgd door Richtlijn (EU) 2022/2555 en in producten met digitale elementen uit hoofde van Verordening (EU) 2024/2847, moet de uitbreiding van het toepassingsgebied van de cyberbeveiligingsvereisten van Verordening (EU) 2024/1735 tot alle veilingen voor hernieuwbare energie de kwetsbaarheden van het energiesysteem van de Unie verder verminderen en bijdragen tot het veiligstellen van energie en economische stabiliteit.

(74)De toepassing van de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie en cyberbeveiliging voor nettonultechnologieën moet een aanvulling vormen op de vereisten inzake duurzaamheid en veerkracht van Verordening (EU) 2024/1735. Zij moeten daarom in die verordening worden opgenomen om de samenhang te waarborgen en de uitvoering door de betrokken autoriteiten te vereenvoudigen.

(75)In overeenstemming met de maatregelen voor openbare aanbestedingen, veilingen en regelingen voor overheidssteun moet deze verordening ook Verordening (EU) 2024/1735 aanvullen met vereisten inzake de oorsprong uit de Unie voor steun van de lidstaten voor de bouw van kerncentrales en de productie van waterstofelektrolyse-installaties. Om de soevereiniteit, energiezekerheid en veerkracht van de sector van de Unie op lange termijn te waarborgen, is het van essentieel belang dat de nieuwe kerncentrales, zowel grootschalige reactoren als kleine modulaire reactoren, zoveel mogelijk prioriteit geven aan uit de Unie afkomstige technologieën en componenten, met behoud van de hoogste kwaliteitsnormen. Een dergelijke strategie zal niet alleen de capaciteit binnen de Unie vergroten, maar de Unie ook positioneren als een betrouwbare, concurrerende speler op de mondiale nucleaire markt. Om risico’s in verband met technologische lock-in te voorkomen, mogen de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie voor kerncentrales echter alleen van toepassing zijn op nieuwbouw en niet op renovatie en verlenging van de levensduur van bestaande kerncentrales.

(76)Verordening (EU) 2024/1735 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(77)Waterstof is een cruciale energiedrager voor de energietransitie in veel industriële toepassingen en speelt een belangrijke rol bij het aansturen van de transitie naar schonere energiesystemen. Om rekening te houden met de opkomst van de uitrol van elektrolyse-installaties op gigawattschaal in de Unie, is het van essentieel belang te beschikken over een gecoördineerd, versterkt ondersteuningssysteem.

(78)Wanneer de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie stellen dat een bepaald aantal componenten van oorsprong moet zijn uit de Unie zonder te specificeren welke componenten, moet de keuze aan de marktdeelnemers worden overgelaten. Dit zorgt voor voldoende mededinging tussen leveranciers van de vereiste componenten en stelt marktdeelnemers in staat de meest kostenefficiënte keuzes te maken bij de toepassing van de vereisten.

(79)Verordening (EU) 2024/3110 verleent de Commissie de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen om etiketteringsvoorschriften inzake ecologische duurzaamheid vast te stellen voor bepaalde productcategorieën en families van bouwproducten, op voorwaarde dat een product doorgaans door consumenten wordt gekozen en over zijn gehele levenscyclus geen verschillende algemene milieuprestaties heeft, afhankelijk van de installatie ervan. Dergelijke strenge voorwaarden moeten worden geschrapt om de Commissie in staat te stellen vereisten vast te stellen voor de etikettering van bouwproducten op basis van hun koolstofintensiteit, ook voor producten die doorgaans niet aan eindgebruikers worden verkocht. Verordening (EU) 2024/3110 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(80)Voor zover een van de in deze verordening bedoelde maatregelen staatssteun vormt, doen de bepalingen betreffende dergelijke maatregelen geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU.

(81)Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk veerkrachtige en koolstofvrije industriële productie ondersteunen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgestelde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I 
ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied 

1.Deze verordening heeft tot doel de werking van de interne markt te verbeteren door een kader vast te stellen ter ondersteuning van de ontwikkeling, het concurrentievermogen en de veerkracht van de productiesector van de Unie, met bijzondere aandacht voor geselecteerde strategische sectoren, en tegelijkertijd bij te dragen tot de klimaatdoelstelling van de Unie, economische veiligheid en het scheppen en behouden van en overstappen naar hoogwaardige banen.

2.Om de in lid 1 bedoelde algemene doelstelling te verwezenlijken, worden in deze verordening maatregelen vastgesteld om:

a)de vergunningsprocedures voor industriële productieprojecten, waaronder projecten voor het koolstofvrij maken van energie-intensieve industrieën, te versnellen;

b)leidende markten voor bepaalde producten in strategische sectoren te creëren, door in het kader van openbare aanbestedingen en steunregelingen van de overheid vereisten inzake de oorsprong uit de Unie, inzake koolstofarme productie of beide vast te stellen;

c)voorwaarden vast te stellen voor buitenlandse directe investeringen in opkomende strategische sectoren;

d)ervoor te zorgen dat gebieden voor versnelde industriële productie worden aangewezen door de lidstaten om industriële activiteiten te stimuleren.

Artikel 2
Industrialiseringsdoelstelling 

De Unie en de lidstaten streven ernaar dat de be- en verwerkende industrie van de Unie tegen 2035 goed is voor ten minste 20 % van het bruto binnenlands product van de Unie.

Artikel 3
Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

1)“industrieel productieproject”: de bouw, verbouwing of uitbreiding van een industrieterrein voor de uitoefening van een economische activiteit die is ingedeeld in NACE-code C (Industrie), met uitzondering van NACE-code C12;

2)“energie-intensieve industrieën”: de in bijlage I, punt 1, vermelde industrieën;

3)“decarbonisatieprojecten voor energie-intensieve industrieën”: de bouw of omzetting van de commerciële faciliteit van een energie-intensief bedrijf, zoals gedefinieerd in artikel 17, lid 1, punt a), van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad 52 , in de energie-intensieve industrieën in bijlage I, punt 1, bij deze verordening die de CO2-eq van industriële processen aanzienlijk en permanent verminderen, voor zover dat technisch haalbaar is;

4)“vergunningsprocedure”: een procedure die betrekking heeft op alle relevante vergunningen voor de bouw, uitbreiding, omzetting en exploitatie van industriële productieprojecten, met inbegrip van bouw-, chemische en netaansluitingsvergunningen zoals gedefinieerd in artikel 1 van [het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2018/2001, (EU) 2019/944 en (EU) 2024/1788 wat betreft de versnelling van vergunningsprocedures 53 ], en indien vereist milieubeoordelingen en -vergunningen, en die alle aanvragen en procedures omvat vanaf de bevestiging van de volledigheid van de aanvraag tot de kennisgeving van het raambesluit over het resultaat van de procedure;

5)“raambesluit”: een door een autoriteit of autoriteiten van een lidstaat genomen besluit of reeks besluiten waarin wordt bepaald of een projectpromotor een vergunning krijgt om een industrieel productieproject te bouwen, uit te breiden, om te bouwen en te exploiteren;

6)“opdracht”: overheidsopdrachten zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 5, van Richtlijn 2014/24/EU 54 , “opdrachten voor leveringen, werken en diensten” zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 2014/25/EU 55 , en “concessies” zoals gedefinieerd in artikel 5, punt 1, van Richtlijn 2014/23/EU;

7)“aanbestedende dienst”: aanbestedende dienst zoals gedefinieerd in artikel 6 van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 2, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 3 van Richtlijn 2014/25/EU;

8)“aanbestedende instantie”: aanbestedende instantie zoals gedefinieerd in artikel 7 van Richtlijn 2014/23/EU en artikel 4 van Richtlijn 2014/25/EU;

9)“marktdeelnemer”: de fabrikant, de gemachtigde, de importeur, de distributeur, de dealer en de fulfilmentdienstverlener en, voor de toepassing van openbare aanbestedingsprocedures, een marktdeelnemer in de zin van artikel 5, punt 2, van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 2, lid 1, punt 10, van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 2, punt 6, van Richtlijn 2014/25/EU;

10)“openbare aanbestedingsprocedure”: een van de volgende procedures:

a)een procedure voor de gunning van een concessie voor werken of diensten die valt onder Richtlijn 2014/23/EU;

b)alle soorten gunningsprocedures die vallen onder Richtlijn 2014/24/EU wat betreft het sluiten van een overheidsopdracht, of onder Richtlijn 2014/25/EU wat betreft het sluiten van een opdracht voor werken, leveringen en diensten;

11)“broeikasgasintensiteit”: emissies (gemeten in tCO2eq) die vrijkomen bij de productie van de in artikel 10, lid 2, bedoelde industriële producten;

12)“fabrikant”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een product vervaardigt of laat ontwerpen of vervaardigen en het onder zijn naam of merk verhandelt;

13)“systeemgrens”: de groep chemische of fysische processen die is opgenomen in de berekening van de broeikasgasintensiteit van producten;

14)“precursor”: elk uitgangsmateriaal in een productieproces dat deel uitmaakt van de systeemgrenzen;

15)“chemische industrie”: activiteiten die zijn ingedeeld in NACE Rev. 2, code C20 (Vervaardiging van chemische producten), en worden uitgevoerd door in de Unie gevestigde fabrikanten;

16)“duurzame koolstofbronnen”: biomassa die voldoet aan de duurzaamheidscriteria van artikel 29 van Richtlijn (EU) 2018/2001, afval en koolstof afkomstig van het afvangen van kooldioxide-emissies;

17)“stof”: een stof zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Verordening (EG) nr. 1272/2008;

18)“mengsel”: een mengsel zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 8, van Verordening (EG) nr. 1272/2008;

19)“op de markt aangeboden”: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, leveren van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de markt van de Unie;

20)“brandstofcelvoertuig” of “FCV”: een voertuig met een aandrijflijn die uitsluitend energieomzetters bevat die chemische energie (input) omzetten in elektrische energie (output), of omgekeerd, en elektrische machines als aandrijfenergieomzetters;

21)“motorvoertuig”: een motorvoertuig van categorie M of N zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, punten a) en b), van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad 56 ;

22)“extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig” of “OVC-HEV”: een voertuig met een aandrijflijn die ten minste twee verschillende categorieën aandrijfenergieomzetters omvat, waarbij een van de aandrijfenergieomzetters een elektrische machine is die door een externe bron kan worden opgeladen”;

23)“puur elektrisch voertuig” of “PEV”: een voertuig met een aandrijflijn die uitsluitend elektrische machines als aandrijfenergieomzetters en uitsluitend oplaadbare elektrische-energieopslagsystemen als aandrijfenergieopslagsystemen omvat; 

24)“voornaamste specifieke componenten”: de voornaamste specifieke componenten zoals vermeld in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1178 van de Commissie 57 ;

25)“tractiebatterij van het voertuig”: de batterij van het elektrische voertuig die specifiek is ontworpen om elektrisch vermogen voor tractie te leveren, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 14, van Verordening (EU) 2023/1542 58 ;

26)“componenten van elektrische aandrijflijnen”: vermogenselektronica, elektrische voortstuwingsmotoren voor vervoer en e-assen en de componenten daarvan, rotoren en stators;

27)“voornaamste elektronische systemen”: geavanceerde rijhulpsystemen (met inbegrip van lidars, radars, sensoren, camera’s, ECU’s en integratieplatforms), centrale computereenheden, draadloze toegangssystemen, infotainmentsystemen aan boord van voertuigen en chassiselektronica;

28)“voertuigonderdeel”: elk deel van een voertuig, met inbegrip van verwerkt materiaal;

29)“geassembleerd”: een voertuig dat het proces van de definitieve assemblage heeft ondergaan;

30)“voertuigfabrikant”: een natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuring van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid of van de individuele goedkeuring van een voertuig, of voor de vergunningsprocedure voor voertuigdelen en uitrustingsstukken, voor het waarborgen van de overeenstemming van de productie en voor markttoezichtaangelegenheden met betrekking tot geproduceerde voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen en uitrustingsstukken, ongeacht of die persoon wel of niet direct betrokken is bij alle fasen van het ontwerp en de bouw van het betrokken voertuig, systeem, onderdeel of de betrokken technische eenheid;

31)“buitenlandse directe investering”: een investering, met inbegrip van greenfieldinvesteringen, in een doelonderneming in de Unie of een actief in de Unie door een buitenlandse investeerder of diens dochteronderneming die gericht is op het vestigen of handhaven van duurzame directe betrekkingen tussen de buitenlandse investeerder en de ondernemer of de onderneming waaraan het kapitaal ter beschikking wordt gesteld, of die gericht is op het vestigen of handhaven van het gebruik van een actief in de Unie met het oog op de uitoefening van een economische activiteit in een lidstaat, met inbegrip van investeringen die de daadwerkelijke deelname aan het beheer van of de zeggenschap over een onderneming die een economische activiteit uitoefent, mogelijk maken;

32)“buitenlandse investeerder”: een natuurlijke persoon uit een derde land die niet de nationaliteit van de lidstaat heeft of een onderneming uit een derde land die voornemens is een buitenlandse directe investering te doen of deze heeft gedaan;

33)“dochteronderneming van een buitenlandse investeerder”: een onderneming die direct of indirect onder zeggenschap staat van een buitenlandse investeerder, ongeacht de plaats van vestiging;

34)“doelonderneming in de Unie”: een naar het recht van een lidstaat opgerichte onderneming;

35)“actief in de Unie”: onroerend actief dat wordt gebruikt of bestemd is om te worden gebruikt voor de vervaardiging van producten op het grondgebied van de Unie;

36)“werknemer in de Unie”: een natuurlijke persoon met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding zoals gedefinieerd in de in een lidstaat geldende wetgeving, collectieve overeenkomsten of praktijken, en die burger van de Unie of onderdaan van een derde land is die legaal in een lidstaat verblijft en op het moment van aanwerving over een geldige werkvergunning beschikt;

37)“portefeuillebeleggingen”: de verwerving van effecten van vennootschappen die uitsluitend bedoeld zijn voor financiële investeringen, zonder de bedoeling invloed uit te oefenen op het bestuur van of de zeggenschap over de vennootschap;

38)“omzet”: het door een onderneming gegenereerde bedrag in de zin van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad 59 ;

39)“actief materiaal”: materiaal dat chemisch reageert om elektrische energie op te wekken wanneer de batterijcel ontlaadt of om elektrische energie op te slaan wanneer de batterij wordt opgeladen;

40)“batterij voor een elektrisch voertuig”: een batterij voor een elektrisch voertuig als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 14), van Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad 60 ;

41)“leverancier”: een in de Unie gevestigde fabrikant, de officiële vertegenwoordiger van een fabrikant die niet in de Unie is gevestigd of een importeur die een product in de Unie in de handel brengt.

HOOFDSTUK II 
RANDVOORWAARDEN VOOR INDUSTRIËLE PRODUCTIE EN DECARBONISATIE

Artikel 4
Centrale toegangspunten

1.De lidstaten zetten op nationaal niveau een centraal toegangspunt op voor de indiening door projectontwikkelaars van de in artikel 5, lid 1, bedoelde enkele aanvraag voor industriële productieprojecten.

2.De centrale toegangspunten wijzen de vergunningsaanvragen automatisch toe aan de relevante autoriteit, stellen de aanvrager in kennis van alle stappen van de vergunningsprocedure, de status van de procedure en de besluiten van de relevante autoriteiten, en stellen de aanvrager in staat de naleving van de toepasselijke termijnen te controleren. Daartoe maken de centrale toegangspunten gebruik van de Europese portemonnees voor ondernemingen die zijn opgezet overeenkomstig [het voorstel voor een verordening tot instelling van Europese portemonnees voor ondernemingen].

Door het gebruik van Europese portemonnees voor ondernemingen maken de centrale toegangspunten het volgende mogelijk:

a)interoperabiliteit en geautomatiseerde gegevensuitwisseling tussen bevoegde autoriteiten;

a)hergebruik van gegevens en documenten die reeds in het bezit zijn van overheidsinstanties;

b)een hoog niveau van cyberbeveiliging en informatie-integriteit;

c)transparantie en verantwoordingsplicht in de vergunningsprocedure.

3.Bij het opzetten van de centrale toegangspunten maken de lidstaten in voorkomend geval gebruik van bestaande digitale infrastructuur, catalogi en bouwstenen van de Unie die bij het Unierecht zijn vastgesteld.

Artikel 5
Vergunningsprocedure

1.De lidstaten stellen één enkele vergunningsprocedure vast op basis van één enkele aanvraag voor alle vergunningen die vereist zijn voor industriële productieprojecten.

2.De lidstaten wijzen een bevoegde autoriteit aan om de in lid 1 bedoelde vergunningsprocedure te coördineren om ervoor te zorgen dat binnen de toepasselijke termijn een raambesluit wordt vastgesteld en uitgevaardigd.

3.Uiterlijk 45 dagen na ontvangst van de aanvraag voor een vergunning voor industriële productieprojecten bevestigt de bevoegde autoriteit dat de aanvraag volledig is of verzoekt zij om alle ontbrekende informatie die nodig is om de aanvraag te verwerken.

Indien de aanvraag na de indiening van ontbrekende informatie nog steeds als onvolledig wordt beschouwd, kan de bevoegde autoriteit binnen 30 dagen na de indiening van de gevraagde ontbrekende informatie een tweede verzoek om nog ontbrekende informatie indienen. De bevoegde autoriteit verzoekt niet om informatie betreffende gebieden die niet onder het eerste verzoek om aanvullende informatie vallen en verzoekt alleen om aanvullende informatie om de ontbrekende informatie aan te vullen.

4.De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer in andere wetgevingshandelingen van de Unie voor specifieke industriële productiesectoren regels zijn vastgesteld om de administratieve en vergunningsprocedures te stroomlijnen.

Artikel 6
Decarbonisatieprojecten voor energie-intensieve industrieën

1.Hoofdstuk II, afdeling II, van Verordening (EU) 2024/1735 is van toepassing op alle decarbonisatieprojecten voor energie-intensieve industrieën.

2.Alle decarbonisatieprojecten voor energie-intensieve industrieën worden beschouwd als strategische projecten die bijdragen aan de veerkracht en decarbonisatie of hulpbronnenefficiëntie voor de toepassing van [artikel 14 van het voorstel voor een verordening betreffende de versnelling van de milieueffectbeoordeling]. De punten I, II, en III van de bijlage bij die verordening zijn van toepassing.

HOOFDSTUK III
DE STRATEGISCHE INDUSTRIËLE WAARDEKETENS VAN DE UNIE VERSTERKEN

Artikel 7
Oorsprong uit de Unie

1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk verwijst inhoud van oorsprong uit de Unie naar inhoud die uit de Unie afkomstig is.

2.De oorsprong van producten en componenten wordt bepaald overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 8

Inhoud die gelijkgesteld wordt met oorsprong uit de Unie bij openbare aanbestedingen

1.Met betrekking tot de in artikel 11 bedoelde vereisten inzake de oorsprong uit de Unie wordt inhoud van oorsprong uit derde landen waarmee de Unie een overeenkomst tot instelling van een vrijhandelszone of een douane-unie heeft gesloten, of die partij zijn bij de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, waar de Unie uit hoofde van die overeenkomst relevante verplichtingen heeft, geacht van oorsprong te zijn uit de Unie.

2.De Commissie stelt overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast om een derde land geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van het toepassingsgebied van lid 1 op basis van een van de volgende criteria:

a)dat derde land is er niet in geslaagd te voorzien in een nationale behandeling van producten of entiteiten uit de Unie in het kader van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten met betrekking tot een van de in bijlage I vermelde sectoren;

b)een dergelijke uitsluiting is gerechtvaardigd om afhankelijkheden of andere ontwikkelingen te voorkomen die de voorzieningszekerheid van de betrokken producten in de Unie in gevaar kunnen brengen;

c)een dergelijke uitsluiting is gerechtvaardigd op grond van enige andere uitzondering uit hoofde van de toepasselijke overeenkomst.

Artikel 9

Inhoud die gelijkgesteld wordt met oorsprong uit de Unie bij andere vormen van overheidsinterventie

1.Met betrekking tot de in artikel 12 vastgestelde vereisten inzake de oorsprong uit de Unie wordt inhoud van oorsprong uit derde landen waarmee de Unie een overeenkomst tot instelling van een vrijhandelszone of een douane-unie heeft gesloten, geacht van oorsprong uit de Unie te zijn.

2.De Commissie stelt overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast om een derde land geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van het toepassingsgebied van lid 1 op basis van een van de volgende criteria:

a)dat derde land is er niet in geslaagd te voorzien in een nationale behandeling van producten of entiteiten uit de Unie in het kader van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten met betrekking tot een van de in bijlage I vermelde sectoren;

b)een dergelijke uitsluiting is gerechtvaardigd om afhankelijkheden of andere ontwikkelingen te voorkomen die de voorzieningszekerheid van de betrokken producten in de Unie in gevaar kunnen brengen;

c)een dergelijke uitsluiting is gerechtvaardigd op grond van enige andere uitzondering uit hoofde van de toepasselijke overeenkomst.

Artikel 10
Koolstofarme producten

1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een onder bijlage II vallend product als koolstofarm beschouwd wanneer het voldoet aan de vereisten van de gedelegeerde handelingen, en wel als volgt:

a)voor bouwproducten als bedoeld in Verordening (EU) 2024/3110 die onder een geharmoniseerde technische specificatie of een Europese technische beoordeling vallen, de krachtens artikel 5, lid 5, of artikel 22, lid 9, van Verordening (EU) 2024/3110 vastgestelde gedelegeerde handelingen;

b)voor alle andere producten, de krachtens artikel 4 van Verordening (EU) 2024/1781 vastgestelde gedelegeerde handelingen, naargelang het geval.

2.Om de totstandbrenging van leidende markten te ondersteunen door investeringsbeslissingen voor producten met een lagere broeikasgasintensiteitprestatieklasse te onderbouwen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door vrijwillige classificatiesystemen vast te stellen op basis van de broeikasgasintensiteit voor producten die worden vervaardigd door middel van in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG vermelde activiteiten (“industriële producten”) wanneer zij in de Unie in de handel worden gebracht, voor zover deze producten niet reeds zijn gereguleerd bij een gedelegeerde handeling uit hoofde van Verordening (EU) 2024/1781 of niet zijn opgenomen in de overeenkomstig die verordening vastgestelde werkplannen.

Emissies en alle andere relevante gegevens die worden gebruikt voor de berekening van de broeikasgasintensiteit worden geverifieerd door verificateurs die zijn geaccrediteerd krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2067 van de Commissie 61 of door verificateurs die zijn geaccrediteerd krachtens de op grond van artikel 18 van Verordening (EU) 2023/956 vastgestelde gedelegeerde handelingen, naargelang het geval. Emissies worden gemonitord overeenkomstig de regels van hoofdstuk III van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie en de methoden voor gegevensmonitoring en kwaliteitsvoorschriften van bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331. Voor ingevoerde producten kunnen de emissies worden gemonitord overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 en de methoden voor gegevensmonitoring en de kwaliteitsvoorschriften die zijn vastgesteld bij op grond van artikel 7, lid 7, punt a), van Verordening (EU) 2023/956 vastgestelde uitvoeringshandelingen, indien deze voorzien in een gelijkwaardige gegevensset.

In die gedelegeerde handelingen worden, in voorkomend geval, de volgende elementen gespecificeerd:

a)de identificatie van het product waarvoor een fabrikant een label voor de broeikasgasintensiteit kan aanvragen;

b)de relevante systeemgrenzen, met inbegrip van emissies van het industriële productieproces, emissies van relevante precursoren en emissies van het elektriciteitsverbruik. Deze emissies worden in aanmerking genomen, ongeacht of ze plaatsvinden in de faciliteit van de fabrikant of in andere faciliteiten, waarbij wordt erkend dat bepaalde precursoren van andere installaties kunnen worden gekocht;

c)de methode voor de berekening van de broeikasgasintensiteit van het product;

d)een classificatie met prestatieklassen;

e)aanvullende regels betreffende het beheer van het label, waaronder bevoegde entiteiten; alsmede

f)aanvullende regels inzake accreditatie, monitoring en verificatie.

Bij die ontwikkeling van die regels houdt de Commissie ten minste rekening met:

a)de meest recente toepasselijke productbenchmarkwaarden zoals gedefinieerd in Richtlijn 2003/87/EG;

b)gegevens die reeds beschikbaar zijn in het kader van het EU-ETS en het CBAM;

c)nieuwe regels van de Unie betreffende het in aanmerking nemen van emissies, onder meer uit elektriciteitsverbruik, koolstofarme brandstoffen en hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong;

d)opkomende koolstofarme productietechnologieën en het geraamde emissiereductiepotentieel van opkomende technologieën;

e)de noodzaak om het gebruik van gerecyclede materialen in alle productieroutes te stimuleren; alsmede

f)de afstemming op de doelstellingen van klimaatneutraliteit zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad 62 .

Artikel 11
Openbare aanbestedingen 

1.Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties sluiten van de toegang tot de in bijlage II, deel I, en bijlage III, deel I, bedoelde aanbestedingsprocedures inschrijvingen uit die zijn ingediend door marktdeelnemers die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van een entiteit die is gevestigd in derde landen die geen internationale overeenkomst met de Unie hebben gesloten die deze toegang garandeert.

2.Voor de in bijlage II, deel I, en bijlage III, deel I, bedoelde openbare aanbestedingsprocedures passen aanbestedende diensten en aanbestedende instanties de daarin vastgestelde vereisten inzake de oorsprong uit de Unie en koolstofarme productie toe overeenkomstig de artikelen 8 en 10.

3.Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties kunnen besluiten een of meer vereisten van de bijlagen II en III niet toe te passen wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)de vereiste producten of diensten kunnen alleen door een specifieke marktdeelnemer worden geleverd en er bestaat geen redelijk alternatief of een vervangende oplossing en het ontbreken van mededinging is niet het gevolg van een kunstmatige beperking van de parameters van de openbare aanbestedingsprocedure;

b)er zijn geen geschikte inschrijvingen of geschikte verzoeken tot deelname ingediend, ook niet naar aanleiding van een soortgelijke eerdere openbare aanbestedingsprocedure die door dezelfde aanbestedende dienst of aanbestedende instantie is uitgeschreven in de twee jaar voorafgaand aan de aanvang van de geplande nieuwe aanbestedingsprocedure;

c)de toepassing ervan zou een aanbestedende dienst of aanbestedende instantie ertoe verplichten goederen, diensten of werken aan te schaffen tegen onevenredige kosten of zou leiden tot technische incompatibiliteit bij het gebruik en het onderhoud ervan. Op basis van objectieve en transparante gegevens geraamde kostenverschillen van meer dan 25 % mogen door aanbestedende diensten en aanbestedende instanties als onevenredig worden beschouwd.

4.Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties verlangen van marktdeelnemers die producten of diensten leveren, dat zij een eigen verklaring of een gelijkwaardig document indienen waaruit blijkt dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.

Artikel 12
Andere vormen van overheidsinterventie

1.Onverminderd de artikelen 107 en 108 VWEU ontwerpen de lidstaten steunregelingen van de overheid zodanig dat deze bijdragen tot de doelstelling om de strategische industriële waardeketens van de Unie te versterken door middel van de in bijlage II, deel II, en bijlage III, deel II, vastgestelde vereisten inzake de oorsprong uit de Unie en/of koolstofarme productie, overeenkomstig de artikelen 9 en 10 en onverminderd artikel 13.

De lidstaten passen de in de eerste alinea bedoelde vereisten toe op steunregelingen van de overheid die goed zijn voor ten minste 45 % van de totale nationale begroting die is toegewezen aan de steunregelingen van de overheid die onder deel II van bijlage II vallen, en voor 100 % van de totale nationale begroting die is toegewezen aan de steunregelingen van de overheid die onder deel II van bijlage III vallen.

2.Bij het ontwerpen en uitvoeren van een overheidssteunregeling die onder deel II van bijlage II en deel II van bijlage III valt, beoordeelt de bevoegde autoriteit de bijdrage van producten en technologieën aan het daarin vastgestelde algemene streefcijfer op basis van een open, niet-discriminerende en transparante procedure.

3.De bevoegde autoriteit kan steunregelingen die niet aan de vereisten van bijlage II, deel II, en bijlage III, deel II, voldoen, nog steeds geheel of gedeeltelijk uitvoeren indien de toepassing van die vereisten:

a)zou leiden tot aanzienlijke vertragingen als gevolg van het niet beschikbaar zijn van de vereiste componenten of eindproducten. Op basis van objectieve, transparante en verifieerbare gegevens geraamde vertragingen van meer dan zeven maanden kunnen als aanzienlijk worden beschouwd;

b)onevenredig hoge kosten met zich mee zou brengen. Op basis van objectieve, transparante en verifieerbare gegevens wordt aangenomen dat er sprake is van onevenredige kosten wanneer toepassing van de vereisten de kosten van het onderliggende eindproduct of de onderliggende technologie met meer dan 30 % zou doen stijgen.

Artikel 13

Financiële steun voor bedrijfsvoertuigen

Voor de toepassing van artikel 4 van het [voorstel voor een verordening van 16 december 2025 betreffende schone bedrijfsvoertuigen] moet het criterium “vervaardigd in de Europese Unie” voor het verlenen van financiële steun voor het gebruik van bedrijfsauto’s en bestelwagens voldoen aan de criteria van deel II van bijlage III bij deze verordening.

Dit criterium “vervaardigd in de Europese Unie” wordt beschouwd als gelijkwaardig aan het criterium “van oorsprong uit de Unie” zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening.

Artikel 14
Kredieten voor CO2-emissienormen

1.Voor de toepassing van artikel 5, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2019/631 [zoals gewijzigd bij het voorstel voor een verordening van 16 december 2025 tot wijziging van Verordening (EU) 2019/631 wat betreft CO2-emissienormen voor nieuwe lichte voertuigen en de etikettering van voertuigen] voldoet het criterium “vervaardigd in de EU” voor kleine emissievrije voertuigen aan de criteria van deel III van bijlage III bij deze verordening.

Dit criterium “vervaardigd in de EU” wordt beschouwd als gelijkwaardig aan het criterium “van oorsprong uit de Unie” zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening.

2.Voor de toepassing van artikel 5 ter, van Verordening (EU) 2019/631 [zoals gewijzigd bij het voorstel voor een verordening van 16 december 2025 tot wijziging van Verordening (EU) 2019/631 wat betreft CO2-emissienormen voor nieuwe lichte voertuigen en de etikettering van voertuigen] wordt onder “koolstofarm staal dat in de EU is vervaardigd” het volgende verstaan:

a)“koolstofarm”: voldoet aan de voorwaarden van artikel 10, lid 1, van deze verordening;

b)“vervaardigd in de EU” wordt beschouwd als gelijkwaardig aan het criterium “van oorsprong uit de Unie” zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening.

Artikel 15
Certificering van de overeenstemming van een voertuig met de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie

Vanaf [OP please insert date: six months after entry into force], verstrekken de fabrikanten bij de afgifte van een certificaat van overeenstemming van een voertuig overeenkomstig de artikelen 36 en 37 van Verordening (EU) 2018/858, voor voertuigen die voldoen aan de desbetreffende vereisten inzake de oorsprong uit de Unie van bijlage III bij deze verordening een begeleidend document waaruit blijkt dat het voertuig aan de vereisten voldoet.

Artikel 16
Bevoegdheidsdelegatie

1.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door op het niveau van de Unie maatregelen aan de vraagzijde vast te stellen voor producten uit de chemische industrie ter bevordering van de volgende activiteiten:

a)de productie en verkoop van stoffen en mengsels van oorsprong uit de Unie die zijn afgeleid van duurzame koolstofbronnen;

b)het gebruik van producten die op de markt worden aangeboden van stoffen en mengsels van oorsprong uit de Unie die zijn afgeleid van duurzame koolstofbronnen.

Bij de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen moet de Commissie rekening houden met:

a)de bijdrage van de vereisten aan de in Verordening (EU) 2021/1119 vastgestelde doelstelling van de Unie inzake economische veiligheid, veerkracht en klimaatneutraliteit;

b)de marktsituatie op het niveau van de Unie, zoals vastgesteld door middel van monitoringactiviteiten, met inbegrip van een dalend marktaandeel in de Unie en de industrie in de Unie die onder de capaciteit produceert;

c)het effect van de vaststelling van dergelijke maatregelen op het algemene concurrentievermogen en de broeikasgasemissies van de betrokken sectoren, alsook op de kosten voor downstreamconsumenten en kleine en middelgrote ondernemingen en op de overheidsbegrotingen.

2.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage II of III met betrekking tot de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie, inzake koolstofarme productie of beide voor de daarin bedoelde producten, rekening houdend met de volgende criteria:

a)de marktsituatie op het niveau van de Unie, zoals vastgesteld door middel van monitoringactiviteiten, met inbegrip van een dalend marktaandeel in de Unie en de industrie in de Unie die onder de capaciteit produceert;

b)technologische vooruitgang;

c)de bijdrage van de vereisten aan de in Verordening (EU) 2021/1119 vastgestelde doelstelling van de Unie inzake openbare orde, economische veiligheid, veerkracht en klimaatneutraliteit;

d)de vraag naar de desbetreffende producten of technologieën als gevolg van de groei van de downstreamsectoren;

e)het aandeel van het product of de technologie in de totale productiewaarde van de downstreamsector;

f)het effect van de vaststelling van vereisten inzake de oorsprong uit de Unie, inzake koolstofarme productie, of beide, op het algemene concurrentievermogen en de broeikasgasemissies van de betrokken sectoren, alsook op de kosten voor downstreamconsumenten en kleine en middelgrote ondernemingen en op de overheidsbegrotingen.

3.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 31, lid 2, uitvoeringshandelingen vast te stellen om de methode voor de berekening van het aandeel van het volume van producten en componenten van oorsprong uit de Unie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013 te specificeren en, in voorkomend geval, te voorzien in het gebruik van gestandaardiseerde modellen voor certificaten van overeenstemming.

In de in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandelingen kunnen ook de methoden en procedures worden vastgesteld die de relevante bevoegde nationale autoriteiten, met inbegrip van aanbestedende diensten en aanbestedende instanties, moeten toepassen om de naleving van de in deze verordening vastgestelde vereisten te controleren en, in voorkomend geval, gebruik te maken van digitale instrumenten voor de berekening, de verificatie en het aantonen van de naleving.



HOOFDSTUK IV
BIJDRAGE VAN BUITENLANDSE INVESTERINGEN

Artikel 17
Toepassingsgebied

1.Dit hoofdstuk is van toepassing op buitenlandse directe investeringen met een waarde van meer dan 100 miljoen EUR in de in lid 2 bedoelde opkomende strategische productiesectoren, waarbij meer dan 40 % van de wereldwijde productiecapaciteit in handen is van het derde land waarvan de buitenlandse investeerder een onderdaan of onderneming is.

Dergelijke investeringen worden alleen uitgevoerd met de uitdrukkelijke goedkeuring van de investeringsautoriteit of de Europese Commissie, als bedoeld in artikel 19, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

2.Dit hoofdstuk is van toepassing op buitenlandse directe investeringen in de productie in een van de volgende opkomende strategische sectoren:

a)batterijtechnologieën en de bijbehorende waardeketen voor batterijsystemen voor energieopslag;

b)puur elektrische voertuigen, extern oplaadbare hybride elektrische voertuigen en elektrische brandstofcelvoertuigen, met inbegrip van onderdelen die verband houden met elektrificatie en digitalisering;

c)fotovoltaïsche technologieën;

d)de winning, verwerking en recycling van kritieke grondstoffen.

3.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

a)investeerders en investeringen die onder geldende of voorlopig door de Unie toegepaste economische partnerschaps- en vrijhandelsovereenkomsten vallen, voor zover in het kader van die overeenkomsten relevante verbintenissen zijn aangegaan, met inbegrip van investeringen door dochterondernemingen in de Unie van dergelijke buitenlandse investeerders;

b)investeringen die gericht zijn op het verlenen van diensten, met inbegrip van investeringen door dochterondernemingen van investeerders in de Unie;

c)portefeuillebeleggingen.

Artikel 18
Criteria inzake buitenlandse directe investeringen met toegevoegde waarde

1.De lidstaten moeten uiterlijk op [OP insert date: 1 month after entry into force of this Regulation] een investeringsautoriteit aanwijzen die de buitenlandse directe investeringen evalueert en de bepalingen van dit hoofdstuk uitvoert.

De lidstaten voorzien die investeringsautoriteit van de nodige hulpbronnen en juridische en administratieve middelen om de in deze verordening vastgestelde taken uit te voeren.

2.Met ingang van [OP insert date: 12 month after entry into force of this Regulation] keuren de investeringsautoriteiten alleen buitenlandse directe investeringen goed die rechtstreeks door buitenlandse investeerders worden gedaan en die aan vier of meer van de volgende zes voorwaarden voldoen:

a)buitenlandse investeerders verwerven, bezitten of laten geen eigendomsbelangen gelden die meer dan 49 % van het aandelenkapitaal, de stemrechten of gelijkwaardige eigendomsbelangen in een doelonderneming in de Unie vertegenwoordigen, noch gelijkwaardige eigendoms-, erfpacht- of andere rechten die controle over een actief in de Unie verschaffen;

b)een buitenlandse investeerder verricht de directe investering via een joint venture met een of meerdere entiteiten uit de Unie, waarbij de buitenlandse investeerder niet meer dan 49 % bezit van het aandelenkapitaal, de stemrechten, of gelijkwaardige eigendomsbelangen of andere rechten die zeggenschap verlenen in een van de entiteiten uit de Unie die aan de joint venture deelnemen. Dergelijke joint ventures worden zodanig gestructureerd dat de effectieve deelname van partners van de Unie aan beheer, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw wordt gewaarborgd;

c)buitenlandse investeerders hebben overeenkomsten gesloten die voorzien in de licentieverlening van hun intellectuele-eigendomsrechten en hun knowhow ten behoeve van de doelonderneming in de Unie, of het actief in de Unie, om haar in staat te stellen haar economische activiteiten in het kader van de buitenlandse directe investering uit te voeren. Alle intellectuele-eigendomsrechten of activa die vóór de buitenlandse investering of zonder de medewerking van de buitenlandse investeerder zijn ontwikkeld door de doelonderneming in de Unie of de juridische entiteit die eigenaar was van het actief in de Unie, zijn volledig en uitsluitend eigendom van de doelonderneming in de Unie of de juridische entiteit van het actief in de Unie. Alle intellectuele-eigendomsrechten of activa die in dat verband zijn ontwikkeld als gevolg van een samenwerking met de andere bedrijfsactiva van de buitenlandse investeerder, of, in het geval van punt b), door de joint venture zijn ontwikkeld, zijn gezamenlijk eigendom van de buitenlandse investeerder en de doelonderneming in de Unie, de in punt b) gedefinieerde joint venture of de juridische entiteit die eigenaar is van het actief in de Unie;

d)de buitenlandse investeerder besteedt jaarlijks een bedrag aan onderzoek en ontwikkeling in de Unie dat gelijk is aan ten minste 1 % van de jaarlijkse bruto-inkomsten van de doelonderneming in de Unie, of de jaarlijkse bruto-inkomsten die door het actief in de Unie worden gegenereerd, zoals toegepast in verhouding tot het aandeel in de zeggenschap van de buitenlandse investeerder;

e)ten minste 50 % van het personeel dat in het kader van de buitenlandse directe investering werkzaam is, bestaat ten tijde van de uitvoering en ononderbroken gedurende de gehele looptijd van de investering uit werknemers uit de Unie in alle categorieën van het personeel, met inbegrip van operationele, technische, toezichthoudende en leidinggevende functies. Deze werkgelegenheid gaat vergezeld van passende maatregelen op het gebied van opleiding en capaciteitsopbouw. Wanneer een doelonderneming of actief in de Unie reeds productieactiviteiten verrichtten vóór de verwerving van de investering, ook na een faillissement, moet het behoud van het bestaande personeel of het opnieuw in dienst nemen van het voormalige personeel prioriteit krijgen, in overeenstemming met het nationale recht en de toepassing van collectieve overeenkomsten. Indien de buitenlandse investeerder, de doelonderneming in de Unie of het actief in de Unie overheidsfinanciering ontvangt, verbindt hij zich ertoe, niettegenstaande artikel 107 VWEU, het aantal werknemers in de Unie gedurende een periode van vijf jaar niet te verminderen op straffe van terugvordering van de toegekende financiering door de bevoegde nationale autoriteiten;

f)in het kader van de buitenlandse directe investering bereidt de buitenlandse investeerder een strategie voor om de waardeketens van de Unie te versterken en prioriteit te geven aan de inkoop van inputs voor de productieactiviteiten binnen de Unie en streeft hij ernaar ten minste 30 % van de inputs die worden gebruikt voor de producten die in de Unie in de handel worden gebracht, uit de Unie in te kopen en publiceert hij deze strategie op zijn website.

3.De buitenlandse directe investering voldoet aan de in lid 2, punt e), bedoelde voorwaarde die overeenkomstig lid 2 door de investeringsautoriteit moet worden goedgekeurd.

4.De investeringsautoriteiten kunnen sommige of alle voorwaarden van lid 2 toepassen op directe investeringen die binnen de Unie worden gedaan door een dochteronderneming van een buitenlandse investeerder indien dit essentieel is om de doelstelling van deze verordening te verwezenlijken onder de volgende voorwaarden:

a)voorkomen dat deze verordening door de buitenlandse investeerder wordt omzeild; of

b)indien er redelijkerwijs geen alternatieve maatregelen, met inbegrip van door de buitenlandse investeerder of de dochteronderneming van de buitenlandse investeerder voorgestelde verbintenissen, beschikbaar zijn die de directe investeringen binnen de Unie minder beperken om de doelstellingen van de verordening te verwezenlijken.

5.De Commissie stelt uiterlijk op [OP please insert date: 6 months after entry into force of this Regulation] een uitvoeringshandeling vast om de nadere regels vast te stellen voor de controle op de naleving van de in lid 2 vastgestelde voorwaarden. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 19
Voorafgaande kennisgeving van geplande buitenlandse directe investeringen

1.Een buitenlandse investeerder stelt de investeringsautoriteit van de lidstaat waar de doelonderneming of het actief in de Unie zich bevindt, in kennis van elke geplande directe investering die binnen het toepassingsgebied van artikel 17 valt en die zou leiden tot zeggenschap over de doelonderneming of het actief in de Unie als bepaald in lid 3.

De kennisgeving moet alle informatie bevatten die de investeringsautoriteit nodig heeft om de investeringsbeoordeling overeenkomstig artikel 20 uit te voeren.

2.Om te bepalen of de investeringswaarde de in artikel 17, lid 1, vastgestelde drempel bereikt, worden alleen eerdere investeringen van een buitenlandse investeerder in dezelfde doelonderneming in de Unie of activa in de Unie door de buitenlandse investeerder vanaf [OP please insert the date = the date of the entry into force of this Regulation] geaggregeerd.

3.Buitenlandse investeerders worden geacht zeggenschap te hebben wanneer de betrokken investering een van de volgende drempels bereikt:

a)30 procent of meer van het aandelenkapitaal of de stemrechten in een doelonderneming in de Unie;

b)30 procent of meer van de eigendom een actief in de Unie, alsmede erfpacht of andere rechten die zeggenschap over een actief in de Unie verlenen.

4.Wanneer de verwerving of vestiging van een investering door een buitenlandse investeerder ertoe zou leiden dat buitenlandse investeerders gezamenlijk meer dan de in lid 3 vastgestelde eigendoms- of zeggenschapsdrempels bezitten, wordt van die verwerving of vestiging kennis gegeven.

5.Om te berekenen of een van de in lid 3 vastgestelde drempels is bereikt, wordt rekening gehouden met geaggregeerde belangen die direct of indirect worden gehouden, onder meer via verbonden ondernemingen, eigendomsketens of door buitenlandse investeerders die in onderling overleg handelen.

6.Wanneer de relevante doelondernemingen of activa in de Unie zich in meer dan één lidstaat bevinden, stelt de buitenlandse investeerder de bevoegde investeringsautoriteiten van alle betrokken lidstaten en de Commissie op dezelfde dag daarvan in kennis onder verwijzing naar de andere kennisgevingen. De betrokken lidstaten coördineren de evaluatie van dergelijke kennisgevingen en komen met de andere betrokken lidstaten en met de Commissie de opgelegde voorwaarden overeen.

De Commissie besluit welke voorwaarden van toepassing zijn op de buitenlandse directe investering indien er geen overeenkomst is tussen de betrokken lidstaten.

Buitenlandse directe investeringen waarvan overeenkomstig de eerste alinea kennis is gegeven, moeten in alle betrokken lidstaten aan de voorwaarden van artikel 18 voldoen.

Artikel 20
Evaluatie en goedkeuring

1.De investeringsautoriteit neemt binnen 30 dagen na ontvangst van de kennisgeving een besluit over de ontvankelijkheid van de kennisgeving overeenkomstig de artikelen 17 en 19. Die termijn kan met nog eens 15 dagen worden verlengd indien de investeringsautoriteit afdoende aantoont dat een verlenging door de omstandigheden gerechtvaardigd is.

Wanneer de investeringsautoriteit besluit dat een kennisgeving ontvankelijk is, zendt zij de volledige kennisgeving, met inbegrip van alle ontvangen documenten, onmiddellijk door naar de Commissie.

2.Binnen 30 dagen na ontvangst van de kennisgeving kan de Commissie een schriftelijk advies uitbrengen over de vraag of de buitenlandse directe investering binnen het toepassingsgebied van de artikelen 17 en 19 valt, of zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, lid 2, en of de investeringsautoriteit de investering al dan niet moet goedkeuren.

Wanneer de Commissie een schriftelijk advies uitbrengt, zendt zij dit onverwijld naar de investeringsautoriteit. De Commissie kan het schriftelijke advies delen met de investeringsautoriteiten van andere lidstaten of het schriftelijke advies op haar officiële website publiceren, met inachtneming van de vertrouwelijkheid.

3.Niet eerder dan de ontvangst van het advies van de Commissie of het verstrijken van de in lid 2 bedoelde termijn en niet later dan 60 dagen, of 75 dagen indien de termijn overeenkomstig lid 1 werd verlengd, na ontvangst van de kennisgeving, neemt de investeringsautoriteit een met redenen omkleed besluit tot goedkeuring of afwijzing van de buitenlandse directe investering. De investeringsautoriteit keurt de buitenlandse directe investering goed als deze voldoet aan vier van de zes voorwaarden van artikel 18. De termijn voor het nemen van het met redenen omkleed besluit kan met nog eens 30 dagen worden verlengd indien de investeringsautoriteit afdoende aantoont dat een verlenging door de omstandigheden gerechtvaardigd is.

De investeringsautoriteit deelt dergelijke met redenen omklede besluiten binnen drie dagen na de vaststelling ervan mee aan de Commissie.

4.Wanneer de investeringsautoriteit een besluit neemt dat afwijkt van het advies van de Commissie wat betreft de naleving door de buitenlandse directe investering van de in artikel 18 vastgestelde voorwaarden, beoordeelt de investeringsautoriteit de kennisgeving binnen een extra termijn van twee maanden nader en treedt het besluit pas na het verstrijken van deze termijn in werking.

De beleggingsautoriteiten motiveren in hun overeenkomstig lid 3 genomen met redenen omklede besluit hoe met het advies van de Commissie rekening is gehouden.

5.De investeringsautoriteit legt in haar goedkeuringsbesluit rapportageverplichtingen op aan de betrokken investeerder, met het oog op de beoordeling van de voortdurende naleving van de voorwaarden van artikel 18.

6.Elke partij die het voorwerp uitmaakt van een op grond van lid 1 of lid 3 genomen besluit, heeft het recht tegen dat besluit beroep in te stellen.

Artikel 21
Evaluatie van buitenlandse directe investeringen door de Commissie

1.Na de in artikel 19, lid 1, bedoelde kennisgeving kan de Commissie in de volgende omstandigheden besluiten de buitenlandse directe investering te beoordelen:

a)op eigen initiatief, wanneer de buitenlandse directe investering aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de creatie van toegevoegde waarde op de markt van de Unie;

b)op verzoek van een investeringsautoriteit die een kennisgeving behandelt, of van een investeringsautoriteit van een andere lidstaat waar de buitenlandse directe investering in kwestie een aanzienlijk effect op haar grondgebied zou hebben; of

c)op eigen initiatief, wanneer de buitenlandse directe investering een waarde heeft van meer dan 1 miljard EUR.

2.Voor de toepassing van lid 1 wordt de buitenlandse directe investering geacht aanzienlijke gevolgen te kunnen hebben voor de creatie van toegevoegde waarde op de interne markt in elk van de volgende gevallen:

a)zij is van bijzonder strategisch belang voor de interne markt;

b)zij heeft aanzienlijke economische gevolgen voor het grondgebied van meer dan één lidstaat;

c)zij heeft een groot potentieel om de voorzieningszekerheid van die opkomende strategische sector of aanverwante waardeketens in de Unie of de veiligheid in meer dan één lidstaat te verstoren;

d)zij heeft een groot potentieel om schadelijke milieueffecten te hebben in meer dan één lidstaat;

e)zij is bijzonder waardevol in vergelijking met andere investeringen in die opkomende strategische sector.

3.Na de in artikel 19, lid 1, bedoelde kennisgeving kan de Commissie besluiten de in artikel 18, lid 4, bedoelde beoordeling van een investering uit te voeren. De Commissie kan de beoordeling uitvoeren op eigen initiatief of op verzoek van een investeringsautoriteit die een kennisgeving behandelt, of van een investeringsautoriteit van een andere lidstaat waarop de buitenlandse directe investering in kwestie een aanzienlijk effect zou hebben.

Op basis van haar beoordeling kan de Commissie eisen dat de investeringsautoriteit sommige of alle voorwaarden van artikel 18, lid 2, op evenredige wijze toepast of niet toepast.

4.Wanneer de Commissie besluit de buitenlandse directe investering overeenkomstig dit artikel te beoordelen, zijn de bepalingen van artikel 18 op overeenkomstige wijze van toepassing vanaf haar beslissing om de beoordeling uit te voeren.

Artikel 22
Monitoring en handhaving door de investeringsautoriteit

1.De investeringsautoriteit houdt regelmatig toezicht op de buitenlandse directe investering om ervoor te zorgen dat deze aan de voorwaarden van artikel 18 blijft voldoen. Daartoe brengt de buitenlandse investeerder regelmatig verslag uit aan de investeringsautoriteit over de naleving van de voorwaarden.

2.Op verzoek van de Commissie bezorgt de investeringsautoriteit de overeenkomstig lid 1 ingediende verslagen van de investeerder aan de Commissie, samen met haar eigen beoordeling van elk verslag.

3.De investeringsautoriteit stelt sancties vast in geval van niet-naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk, met name wanneer buitenlandse investeerders of investeringen niet aan de volgende vereisten voldoen:

a)de kennisgevingsvereisten overeenkomstig artikel 19;

b)de in artikel 18 vastgestelde voorwaarden;

c)de in dit artikel vastgestelde monitoringverplichtingen.

4.De door de investeringsautoriteit vastgestelde dwangsommen bedragen niet minder dan 5 % van de gemiddelde dagelijkse totale omzet van de buitenlandse investeerder in geval van een schending overeenkomstig lid 3, punt a).

Wanneer de buitenlandse investeerder een particulier is, stelt de investeringsautoriteit een dwangsom vast van minstens 5 % van de investeringswaarde in geval van een schending overeenkomstig lid 3, punt a).

De door de investeringsautoriteit vastgestelde dwangsommen zijn doeltreffend en evenredig met de in lid 3 bedoelde schendingen.

De investeringsautoriteit stelt de Commissie onverwijld in kennis van elke niet-naleving als bedoeld in lid 3 en van de daaruit voortvloeiende opgelegde sancties.

Artikel 23
Monitoring door de Commissie

1.Voor de toepassing van artikel 17 monitort de Commissie de wereldwijde productiecapaciteit voor elk van de opkomende strategische sectoren, voortbouwend op bestaande monitoringactiviteiten die zijn uitgevoerd, met name op grond van Verordening (EU) 2024/1735.

2.De Commissie verstrekt en publiceert geactualiseerde informatie over het meest recente jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn voor elk van de in artikel 17, lid 2, bedoelde opkomende strategische sectoren.

Wanneer de Commissie besluit de buitenlandse directe investering overeenkomstig artikel 21 te beoordelen, kan zij bij besluit sancties opleggen indien de buitenlandse investeerder in zijn kennisgeving onjuiste of misleidende informatie verstrekt of indien hij niet de informatie verstrekt die de Commissie nodig heeft om haar verplichting tot toetsing na te komen.

De door de Commissie opgelegde sancties bedragen niet meer dan 5 % van de gemiddelde dagelijkse omzet van de buitenlandse investeerder of, in het geval van een particuliere buitenlandse investeerder, 5 % van de investeringswaarde.

Artikel 24
Bevoegdheidsdelegatie

1.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om de lijst van opkomende strategische sectoren die onder dit hoofdstuk moeten vallen, aan te vullen met sectoren die van cruciaal belang zijn voor de economische veiligheid van de Unie, met inbegrip van nettonultechnologieën als bedoeld in artikel 4, lid 1, punten b), d), e), g), h), j), k), n), p) en s), van Verordening (EU) 2024/1735, splijtstofcyclustechnologieën als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt i), van Verordening (EU) 2024/1735, elektrische voortstuwingstechnologieën voor vervoer als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt r), van Verordening (EU) 2024/1735, en met uitzondering van digitale technologieën, artificiële intelligentie, kwantumtechnologieën en halfgeleiders.

Deze gedelegeerde handelingen laten andere handelingen van de Unie tot vaststelling van investeringscriteria voor deze sectoren onverlet.

2.De in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen zijn gebaseerd op de volgende factoren:

a)een beoordeling van de vraag of een wijziging van de lijst van opkomende strategische sectoren buitenlandse directe investeringen in de Unie onnodig zou afschrikken of ontmoedigen;

b)het aantal buitenlandse directe investeringen in die sector, rekening houdend met de bijdrage ervan aan de voorzieningszekerheid van de Unie en de toegevoegde waarde ervan voor de economie van de Unie;

c)de marktsituatie en -omstandigheden, met inbegrip van verstoringen van de toeleveringsketen, op het niveau van de Unie;

d)de technologische ontwikkelingen en het concurrentievermogen van de Unie in die sector in vergelijking met derde landen;

e)afhankelijkheid van de toeleveringsketen in de betrokken sector van een of meer landen.

3.De op grond van lid 1 vastgestelde gedelegeerde handelingen bevatten de volgende elementen:

a)de in artikel 17, lid 1, bedoelde drempelwaarde voor elk van die aanvullende sectoren;

b)of de in artikel 18 bedoelde investeringsvoorwaarden passend en noodzakelijk zijn om de doelstellingen van deze verordening met betrekking tot de betrokken sector te verwezenlijken, en zo niet, welke van die criteria moet worden toegepast.

HOOFDSTUK V 
GEBIEDEN VOOR VERSNELDE INDUSTRIËLE PRODUCTIE

Artikel 25
De aanwijzing van nationale gebieden voor versnelde industriële productie

1.De lidstaten wijzen uiterlijk op [OP please insert date: 12 months following the entry into force of this Regulation] ten minste een gebied voor versnelde industriële productie op hun grondgebied aan om industriële productieprojecten te clusteren in een of meer van de in bijlage I vermelde strategische sectoren.

2.De lidstaten wijzen bij besluit gebieden voor versnelde industriële productie aan op basis van de volgende elementen:

a)het effect van de productie van het gebied voor versnelde industriële productie op de voorzieningszekerheid van de Unie voor de in bijlage I vermelde strategische sectoren;

b)het potentieel van het gebied voor versnelde industriële productie om de uitrol van de productiecapaciteit in de in bijlage I vermelde strategische sectoren te ondersteunen, de waardeketens van de Unie en het innovatiepotentieel van de Unie te versterken om duurzame industriële productieactiviteiten, met inbegrip van decarbonisatie en circulaire bedrijfspraktijken, te versnellen en de werking van de interne markt te bevorderen, in overeenstemming met strategische projecten en andere initiatieven, onder meer als nettonulindustrievalleien, die uit hoofde van andere wetgeving van de Unie worden uitgevoerd;

c)het aantal kmo’s en kleine midcap-ondernemingen dat zou profiteren van de bepalingen van dit hoofdstuk binnen het gebied voor versnelde industriële productie;

d)het ontwikkelingsniveau van de regio’s van de lidstaat, met inbegrip van de minst ontwikkelde gebieden, regio’s in transitie en regio’s die een industriële transformatie ondergaan.

3.Bij de aanwijzing van gebieden voor versnelde industriële productie, moeten de lidstaten:

a)een duidelijk geografisch toepassingsgebied voor het versnellingsgebied vaststellen;

b)prioriteit geven aan locaties waar de uitrol van een specifieke sector of sectoren van industriële productieprojecten naar verwachting geen aanzienlijke milieueffecten zal hebben;

c)prioriteit geven aan locaties buiten Natura 2000-gebieden en buiten aangewezen gebieden in het kader van nationale beschermingsregelingen voor natuur- en biodiversiteitsbehoud, alsook aan andere gebieden die zijn aangewezen op basis van gevoeligheidskaarten en buiten beschermde gebieden als bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2000/60/EG;

d)rekening houden met klimaatrisico’s in de aangewezen gebieden;

e)prioriteit geven aan kunstmatige en bebouwde oppervlakken, industriële locaties en brownfieldterreinen, alsook aan reeds geïdentificeerde strategische projecten op grond van andere wetgeving van de Unie.

4.bij de aanwijzing van gebieden voor versnelde industriële productie houden de lidstaten in voorkomend geval rekening met de volgende overwegingen:

a)de infrastructuurbehoeften van het versnellingsgebied;

b)de financieringsbehoeften van de productie in het versnellingsgebied en de mogelijkheid om die industrie te ondersteunen, indien van toepassing, in overeenstemming met de toepasselijke staatssteunregels;

c)de behoeften in de toeleveringsketen binnen het versnellingsgebied en de essentiële materialen, met name secundaire materialen, die nodig zijn voor productieactiviteiten;

d)de haalbaarheid van het verbinden van het versnellingsgebied met voldoende koolstofarme energievoorziening voor de versnelling van industriële productieactiviteiten;

e)de behoeften aan vaardigheden, de tekorten en trends op het gebied van werkgelegenheid en ondersteunende maatregelen om de lokale beroepsbevolking adequaat om- en bij te scholen;

f)de noodzaak, in voorkomend geval, van sanering van het versnellingsgebied om de start van nieuwe industriële activiteiten te vergemakkelijken;

g)onderzoeks- en innovatiebehoeften om de industriële productieactiviteiten in het gebied te versnellen;

h)relevante locatiespecifieke informatie die door de industrie openbaar wordt gemaakt, met inbegrip van klimaattransitieplannen voor bedrijven, daarmee verband houdende doelstellingen en acties, investeringsbehoeften en vereiste faciliterende beleidskaders.

5.Voordat de plannen of programma’s voor de aanwijzing van de gebieden voor versnelde industriële productie worden vastgesteld, worden zij onderworpen aan een milieubeoordeling overeenkomstig Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad 63 en, indien zij significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, aan de passende beoordeling overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad 64 en, indien van toepassing, aan de relevante beoordeling om te voldoen aan artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad 65 .

6.De lidstaten stellen de Commissie binnen 30 dagen na de vaststelling van het desbetreffende besluit in kennis van de aanwijzing van een gebied voor versnelde industriële productie.

Artikel 26
Randvoorwaarden

De lidstaten nemen in voorkomend geval de volgende maatregelen om de ontwikkeling van gebieden voor versnelde industriële productie te vergemakkelijken:

a)de financiering van projecten in de versnellingsgebieden vergemakkelijken door te zorgen voor coördinatie tussen autoriteiten en het stroomlijnen van interne procedures, in synergie met programma’s van de Unie en in voorkomend geval in overeenstemming met de bestaande staatssteunregels, rekening houdend met de deelname van kmo’s en kleine midcap-ondernemingen;

b)investeringen in onderzoek en innovatie bevorderen om het innovatiepotentieel, het concurrentievermogen en het technologisch leiderschap van de Unie aan te zwengelen in de versnellingsgebieden;

c)het uitvoeren en ten minste om de drie jaar evalueren van een uitgebreide analyse van de energiebehoeften van elk versnellingsgebied en het vaststellen van de vereiste energie-infrastructuurcapaciteit voor de goede werking en ontwikkeling van industriële productieprojecten in het versnellingsgebied.

Een dergelijke analyse wordt ten minste uitgevoerd bij de aanwijzing van het gebied voor versnelde industriële productie en voor de mijlpalen van de jaren 2030, 2040 en 2050, waarbij wordt gezorgd voor afstemming op het decarbonisatietraject van de Unie;

d)ervoor zorgen dat in de netwerkontwikkelingsplannen die door de transmissiesysteembeheerders overeenkomstig artikel 51 van Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad 66 en distributiesysteembeheerders overeenkomstig artikel 32 van Richtlijn (EU) 2019/944 worden opgesteld, naar behoren rekening wordt gehouden met de overeenkomstig punt c) van dit lid opgestelde analyse, rekening houdend met het potentieel van anticiperende investeringen om tegemoet te komen aan toekomstige systeembehoeften;

e)informatie over relevante toeleveringsketens uitwisselen, potentiële knelpunten in kaart brengen en de coördinatie tussen versnellingsgebieden op het gebied van kritieke grondstoffen versterken in het kader van de bij artikel 35 van Verordening (EU) 2024/1252 opgerichte Europese raad voor kritieke grondstoffen;

f)entiteiten in de versnellingsgebieden bevorderen en hun deelname, in voorkomend geval, aan het bij artikel 25 van Verordening (EU) 2024/1252 ingestelde gezamenlijke aankoopmechanisme vergemakkelijken, onder meer door richtsnoeren, ondersteuning en informatie te verstrekken om een doeltreffende betrokkenheid te waarborgen;

g)de ontwikkeling en beschikbaarheid van hooggekwalificeerde arbeidskrachten ondersteunen en passende opleidings- en stagemogelijkheden bieden en zo bijdragen aan hoogwaardige werkgelegenheid in die versnellingsgebieden;

h)informatie uitwisselen over de nodige vaardigheden, potentiële tekorten aan die vaardigheden en beste praktijken die worden toegepast op de versnellingsgebieden in het kader van de deskundigengroep van het industrieel forum, die is opgericht bij COM(2020) 102 67 ;

i)zorgen voor synergieën en voordelen bevorderen die worden geboden in het kader van het pact voor vaardigheden 68 of entiteiten die zijn opgericht in de versnellingsgebieden, met bijzondere aandacht voor grootschalige partnerschappen voor vaardigheden en regionale partnerschappen voor vaardigheden die daarin zijn opgenomen.

Artikel 27
Vergunningsprocedures in versnellingsgebieden

1.Voor elk aangewezen gebied voor versnelde industriële productie stellen de lidstaten een geaggregeerde basisvergunning op voor het toestaan van industriële activiteiten in dat gebied en geven zij deze af. Deze geaggregeerde basisvergunning omvat de vergunningen en administratieve goedkeuringen die vereist zijn voor de industriële productieprojecten in het versnellingsgebied, met uitzondering van de installatiespecifieke vergunningen.

2.Alvorens de in lid 1 bedoelde geaggregeerde basisvergunning af te geven, voeren de lidstaten alle nodige beoordelingen uit, met inbegrip van relevante milieubeoordelingen, planningsprocedures en evaluaties die van toepassing zijn op het niveau van het versnellingsgebied. De lidstaten houden rekening met de overeenkomstig artikel 25, lid 5, uitgevoerde beoordeling.

3.Voor industriële productieprojecten binnen een gebied voor versnelde industriële productie moeten alleen de aanvullende vergunningen of toestemmingen worden verkregen die buiten het toepassingsgebied van de in lid 1 bedoelde geaggregeerde basisvergunning vallen.

4.Alle industriële productieprojecten binnen een versnellingsgebied worden beschouwd als strategische projecten die bijdragen aan de veerkracht en decarbonisatie of hulpbronnenefficiëntie voor de toepassing van [artikel 14 van het voorstel voor een verordening betreffende de versnelling van de milieueffectbeoordeling]. De punten 1, 2, en 3 van de bijlage bij die verordening zijn van toepassing.

HOOFDSTUK VI 
SLOTBEPALINGEN

Artikel 28
Evaluatie

Tegen [OP: Please insert the date = two years after the date of entry into force of this Regulation], en vervolgens om de drie jaar voert de Commissie een evaluatie uit van deze verordening en van de bijdrage ervan aan de werking van de interne markt. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met:

a)de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de in artikel 1 genoemde doelstellingen, met name op het gebied van veerkracht, economische veiligheid en de decarbonisatie van de industriële productie;

b)de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de industrialiseringsdoelstelling overeenkomstig artikel 2, rekening houdend met de uitdagingen en kansen op de interne markt en de wereldmarkten;

c)de administratieve kosten die daarmee gepaard gaan, de economische gevolgen voor downstreamsectoren, kleine en middelgrote ondernemingen en de gevolgen voor de overheidsbegrotingen.

Artikel 29
Evaluatie

Tegen [OP: Please insert the date three years after the date of entry into force this Regulation], beoordeelt de Commissie of de hoofdstukken III en IV moeten worden gewijzigd. De Commissie kan een wetgevingsvoorstel indienen tot intrekking of wijziging van deze verordening. Die evaluatie wordt na de eerste evaluatie elke drie jaar uitgevoerd.

Bij haar evaluatie besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan de doeltreffendheid van deze verordening en het voortduren van de omstandigheden die de vaststelling van deze verordening hebben gerechtvaardigd en aan de noodzaak om vereisten inzake de oorsprong uit de Unie in te voeren voor producten uit bepaalde sectoren die van cruciaal belang zijn voor de economische veiligheid van de Unie, met name de bouw van schepen en rijdend spoorwegmaterieel.

Artikel 30
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.De in de artikelen 8, 9, 10, 16 en 24 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [OP please insert the date = the date of the entry into force of this Regulation].

3.De in de artikelen 8, 9, 10, 16 en 24 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.Een overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10, 16 en 24 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 31
Comitéprocedure

1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 32
Sancties

De lidstaten stellen voorschriften vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld van die voorschriften en maatregelen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen daarvan mee.

Artikel 33
Wijzigingen van Verordening (EU) 2018/1724

De bijlagen I en II bij Verordening (EU) nr. 2018/1724 worden gewijzigd overeenkomstig bijlage V bij deze verordening.

Artikel 34
Wijzigingen van Verordening (EU) 2024/1735

Verordening (EU) 2024/1735 wordt als volgt gewijzigd:

1)Aan artikel 3 worden de volgende punten 34, 35 en 36 toegevoegd:

a) “34) “industriële batterij”: een industriële batterij als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 13, van Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad*;”

b) “35) “batterijsysteem voor stationaire energieopslag”: een batterijsysteem voor stationaire opslag zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 15, van Verordening (EU) 2023/1542;”

c) “(36) “hydronische warmtepomp”: een ruimteverwarmingstoestel dat omgevingswarmte van een luchtbron, waterbron of de bodem gebruikt en/of restwarmte gebruikt voor het opwekken van warmte en het verwarmen van ruimten via een watercircuit.”

___

* Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/1542/oj).;

2)aan artikel 9 wordt het volgende lid 14 toegevoegd:

“14. Alle projecten voor de productie van nettonultechnologie worden beschouwd als strategische projecten die bijdragen aan de veerkracht en decarbonisatie of hulpbronnenefficiëntie voor de toepassing van artikel 14, lid 1, van [voorstel voor een verordening betreffende de versnelling van de milieueffectbeoordeling].”

3)Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

a)lid 1 wordt vervangen door:

“1. Voor openbare aanbestedingsprocedures die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/23/EU, 2014/24/EU of 2014/25/EU vallen, indien opdrachten deels betrekking hebben op in artikel 4, lid 1, punten a) tot d), h) en i) van deze verordening genoemde nettonultechnologieën, of bij opdrachten voor werken en concessies voor werken die deze technologie bevatten, passen aanbestedende diensten en aanbestedende instanties de verplichte minimumeisen inzake milieuduurzaamheid toe die zijn vastgelegd in de in lid 5 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling.”;

b)lid 7, eerste alinea, wordt vervangen door:

“In het geval van de in lid 1 bedoelde openbare aanbestedingsprocedures, opdrachten voor werken en concessies voor werken wordt overeenkomstig dit lid rekening gehouden met de bijdrage van de inschrijving aan de veerkracht.”

c)in lid 7 wordt punt a) vervangen door:

“a) de verplichting om er voor de duur van de opdracht voor te zorgen dat niet meer dan 50 % van de waarde van het in dit lid bedoelde specifieke eindproduct met nettonultechnologie afkomstig is uit elk individueel derde land, zoals bepaald door de Commissie;”

d)in lid 7 wordt punt b) vervangen door:

“b) de verplichting om er voor de duur van de opdracht voor te zorgen dat niet meer dan 50 % van de waarde van alle voornaamste specifieke componenten van de in dit lid bedoelde specifieke nettonultechnologie samen rechtstreeks door de geselecteerde inschrijver of door een onderaannemer uit één bepaald derde land worden geleverd of verstrekt, zoals bepaald door de Commissie;”

4)Het volgende artikel 25 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 25 bis 
Vereisten inzake de oorsprong voor openbare aanbestedingsprocedures

1.Voor de in bijlage II bedoelde openbare aanbestedingsprocedures sluiten aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten inschrijvingen uit van marktdeelnemers die in handen zijn van of onder controle staan van entiteiten gevestigd in derde landen die geen internationale overeenkomst met de Unie hebben gesloten waarin wederzijdse toegang tot dergelijke procedures is gegarandeerd.

2.Voor de in bijlage II bedoelde openbare aanbestedingsprocedures passen aanbestedende diensten en aanbestedende instanties de daarin vastgestelde vereisten inzake de oorsprong uit de Unie toe. Vereisten met betrekking tot de voornaamste specifieke componenten zijn alleen van toepassing voor zover die componenten in het eindproduct zijn opgenomen.

3.Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties kunnen besluiten een of meer vereisten van bijlage II niet toe te passen wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)de vereiste producten kunnen alleen door een specifieke marktdeelnemer worden geleverd en er bestaat geen redelijk alternatief of een vervangende oplossing en het ontbreken van mededinging is niet het gevolg van een kunstmatige beperking van de parameters van de openbare aanbestedingsprocedure;

b)er zijn geen geschikte inschrijvingen of geschikte verzoeken tot deelname ingediend, ook niet naar aanleiding van een soortgelijke eerdere openbare aanbestedingsprocedure die door dezelfde aanbestedende dienst of aanbestedende instantie is uitgeschreven in de twee jaar voorafgaand aan de aanvang van de geplande nieuwe aanbestedingsprocedure;

c)de toepassing ervan zou een aanbestedende dienst of aanbestedende instantie ertoe verplichten goederen, diensten of werken aan te schaffen tegen onevenredige kosten of zou leiden tot technische incompatibiliteit bij het gebruik en het onderhoud. Op basis van objectieve en transparante gegevens geraamde kostenverschillen van meer dan 25 % mogen door aanbestedende diensten en aanbestedende instanties als onevenredig worden beschouwd.

d)de toepassing ervan zou leiden tot aanzienlijke vertragingen bij de oplevering van het project als gevolg van het niet beschikbaar zijn van de vereiste componenten of eindproducten. Op basis van objectieve, transparante en verifieerbare gegevens geraamde vertragingen van meer dan zeven maanden mogen als aanzienlijk worden beschouwd;

4.Aanbestedende diensten verlangen van marktdeelnemers die onder dit artikel vallende producten leveren, dat zij een eigen verklaring of een gelijkwaardig document indienen waaruit blijkt dat aan de eisen van dit artikel is voldaan.”

5)Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

a)de titel wordt vervangen door: “Veilingen voor nettonultechnologieën”

b)lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

de inleidende zin wordt vervangen door:

“Bij het ontwerpen van veilingen voor de in artikel 4, lid 1, punten a) tot en met g), i) en j), genoemde nettonultechnologieën nemen de lidstaten het volgende op:”

in punt a) wordt het volgende punt iv) toegevoegd:

“iv) leveranciers met een hoog risico zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 39, van Verordening xxxx/xxxx [CSA2]: Voor veilingen die beheers- en controlesystemen, SCADA-systemen, systemen voor toegang op afstand of firewalls omvatten, worden leveranciers die overeenkomstig Verordening xxxx/xxxx [CSA2] als leveranciers met een hoog risico zijn aangemerkt, niet betrokken bij de volgende processen:

1)de levering van die producten of systemen;

2)het ontwerp, de ontwikkeling en de productie van die producten of systemen;

3)het beheer, de besturing of de werking van die producten of systemen;

4)de ontwikkeling, het onderhoud, de bediening of het updaten van de software ervan;

punt b) wordt vervangen door: “voorselectie- of gunningscriteria als bedoeld in de leden 2 en 2 bis”.

c)het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd: “2 bis. Wanneer de veilingen betrekking hebben op in bijlage II vermelde nettonultechnologieën, nemen de lidstaten de in bijlage II vastgestelde voorselectie- of gunningscriteria op. Criteria met betrekking tot de voornaamste specifieke componenten zijn alleen van toepassing voor zover die componenten in het eindproduct zijn opgenomen.”;

d)in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door: “De Commissie is bevoegd een uitvoeringshandeling vast te stellen tot nadere bepaling van de in lid 1, punten a), i), ii) en iii), en lid 2 bedoelde voorselectie- en gunningscriteria.”

e)lid 4 wordt vervangen door: “4. De lidstaten kennen aan elk van de in de leden 2 en 2 bis bedoelde criteria, wanneer deze als gunningscriteria worden toegepast, een minimumgewicht toe van 5 % en een gecombineerd gewicht tussen 15 % en 30 % van de gunningscriteria. Dat doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om een hoger gewicht toe te kennen aan de in lid 2, vierde alinea, bedoelde criteria, overeenkomstig eventuele beperkingen voor niet-prijsgerelateerde criteria die in de staatssteunregels zijn vastgesteld.”.

f)lid 5 wordt vervangen door: “5. De lidstaten zijn niet verplicht een of meer van de voorselectie- en gunningscriteria van lid 1, punten a), i), ii) en iii), en lid 1, punt b), toe te passen indien de toepassing van die criteria zou leiden tot onevenredige kosten of aanzienlijke vertragingen bij de oplevering van het project als gevolg van het niet beschikbaar zijn van de vereiste componenten of eindproducten. Op basis van objectieve en verifieerbare gegevens geraamde kostenverschillen van meer dan 20 % per veiling mogen door de lidstaten als onevenredig worden beschouwd. Op basis van objectieve, transparante en verifieerbare gegevens geraamde vertragingen van meer dan zeven maanden mogen als aanzienlijk worden beschouwd.”

g)lid 7 wordt vervangen door: “7. De leden 1 tot en met 5 zijn van toepassing op ten minste 40 % van de jaarlijks geveilde hoeveelheid per lidstaat, dan wel op ten minste 8 gigawatt per jaar per lidstaat. Lid 1, punt a), ii) en iv), is van toepassing op 100 % van de per lidstaat geveilde hoeveelheid.”

h)in lid 8 wordt de inleidende zin vervangen door: “Uiterlijk op 31 december 2027 voert de Commissie een uitgebreide beoordeling uit van de toepassing van de in lid 2 bedoelde criteria en het effect ervan op de versnelde uitrol van technologieën voor hernieuwbare energie. Uiterlijk op 31 december 2029 en vervolgens om de twee jaar voert de Commissie een uitgebreide beoordeling uit van de toepassing van de in de leden 2 en 2 bis bedoelde criteria en het effect ervan op de versnelde uitrol van technologieën voor hernieuwbare energie. De Commissie beoordeelt het effect van de criteria met name op:”

6)De volgende artikelen 28 bis tot en met 28 novies worden ingevoegd:

“Artikel 28 bis
Vereisten inzake de oorsprong voor andere vormen van overheidsinterventie

1.Onverminderd de artikelen 107 en 108 VWEU omvatten de in bijlage II bedoelde steunregelingen de daarin vastgestelde eisen. Vereisten met betrekking tot de voornaamste specifieke componenten zijn alleen van toepassing voor zover die componenten in het eindproduct zijn opgenomen.

2.Bij het ontwerpen en toepassen van een regeling uit hoofde van lid 1, beoordeelt de instantie of aan de vereisten is voldaan op basis van een open, niet-discriminerende en transparante procedure.

3.Wanneer aanvullende financiële compensatie wordt toegekend, bedraagt deze niet meer dan 15 % van de kosten van het eindproduct voor de consument, in voorkomend geval met inbegrip van de vervoers- en installatiekosten, met uitzondering van regelingen die gericht zijn op burgers die in energiearmoede leven, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) 2023/955 van het Europees Parlement en de Raad (57) , waarvoor de limiet 20 % bedraagt.

Artikel 28 ter
Beperkingen voor leveranciers met een hoog risico voor andere vormen van overheidsinterventie

Voor steunregelingen binnen het toepassingsgebied van de artikelen 28 en 28 bis die beheers- en controlesystemen, SCADA-systemen, systemen voor toegang op afstand of firewalls omvatten, ontwerpen de lidstaten die regelingen zodanig dat ervoor wordt gezorgd dat begunstigden alleen voor de regeling in aanmerking komen wanneer leveranciers die overeenkomstig Verordening xxxx/xxxx [CSA2] als leveranciers met een hoog risico zijn aangemerkt, niet betrokken zijn bij de volgende processen:

a)de levering van die producten of systemen;

b)het ontwerp, de ontwikkeling en de productie van die producten of systemen;

c)het beheer, de besturing of de werking van die producten of systemen;

d)de ontwikkeling, het onderhoud, de bediening of het updaten van de software ervan;”

Artikel 28 quater
Vereisten inzake de oorsprong uit de Unie voor steun van de lidstaten voor de bouw en productie van nettonultechnologieën

1.Onverminderd de artikelen 107 en 108 VWEU en in overeenstemming met de internationale verbintenissen van de Unie zorgen de lidstaten er bij het ondersteunen van de bouw of productie van de in bijlage II bij deze verordening bedoelde eindproducten met nettonultechnologie voor dat aan de in die bijlage vastgestelde vereisten inzake de oorsprong uit de Unie wordt voldaan. Vereisten met betrekking tot de voornaamste specifieke componenten zijn alleen van toepassing voor zover die componenten in het eindproduct zijn opgenomen.

2.De lidstaten kunnen besluiten een of meer van de in lid 1 bedoelde vereisten niet toe te passen wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)de vereiste componenten kunnen alleen door een specifieke marktdeelnemer worden geleverd en er bestaat geen redelijk alternatief of een vervangende oplossing en het ontbreken van mededinging is niet het gevolg van een kunstmatige beperking van de parameters van de openbare aanbestedingsprocedure;

b)de toepassing ervan zou leiden tot onevenredige kosten of technische onverenigbaarheid bij gebruik of onderhoud. Op basis van objectieve en transparante gegevens geraamde kostenverschillen van meer dan 25 % mogen als onevenredig worden beschouwd.

c)de toepassing ervan zou het project in gevaar brengen of zou leiden tot aanzienlijke vertragingen bij de oplevering van het project als gevolg van de onbeschikbaarheid van de vereiste componenten of eindproducten. Op basis van objectieve, transparante en verifieerbare gegevens geraamde vertragingen van meer dan zeven maanden mogen als aanzienlijk worden beschouwd.

3.Onverminderd de artikelen 107 en 108 VWEU en in overeenstemming met de internationale verbintenissen van de Unie zorgen de lidstaten ervoor dat leveranciers die overeenkomstig Verordening xxxx/xxxx [CSA2] zijn aangemerkt als leveranciers met een hoog risico, niet worden betrokken bij de volgende processen wanneer zij de productie van in bijlage II bij deze verordening bedoelde eindproducten met nettonultechnologie ondersteunen en die beheers- en controlesystemen, SCADA-systemen, systemen voor toegang op afstand of firewalls omvatten:

a)de levering van die producten of systemen;

b)het ontwerp, de ontwikkeling en de productie van die producten of systemen;

c)het beheer, de besturing of de werking van die producten of systemen;

d)de ontwikkeling, het onderhoud, de bediening of het updaten van de software ervan;

Artikel 28 quinquies
Oorsprong uit de Unie

1.Voor de toepassing van de artikelen 25 bis, 26, 28 bis en 28 quater verwijzen componenten van oorsprong uit de Unie naar componenten die van oorsprong zijn uit de Unie.

2.De oorsprong van goederen en componenten wordt bepaald overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement.

Artikel 28 sexies

Inhoud die gelijkgesteld wordt met oorsprong uit de Unie bij openbare aanbestedingen

1.Met betrekking tot de in artikel 25 bis bedoelde vereisten inzake de oorsprong uit de Unie wordt inhoud van oorsprong uit derde landen waarmee de Unie een overeenkomst tot instelling van een vrijhandelszone of een douane-unie heeft gesloten, of die partij zijn bij de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, waar de Unie uit hoofde van die overeenkomst relevante verplichtingen heeft, geacht van oorsprong te zijn uit de Unie.

2.De Commissie stelt overeenkomstig artikel 44 gedelegeerde handelingen vast om een derde land geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van het toepassingsgebied van lid 1 op basis van een van de volgende criteria:

e)dat derde land is er niet in geslaagd te voorzien in een nationale behandeling met betrekking tot producten of entiteiten uit de Unie in het kader van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten met betrekking tot een van de in artikel 4, punt 1, vermelde nettonultechnologieën;

f)een dergelijke uitsluiting is gerechtvaardigd om afhankelijkheden of andere ontwikkelingen te voorkomen die de voorzieningszekerheid van de betrokken producten in de Unie in gevaar kunnen brengen;

g)een dergelijke uitsluiting is gerechtvaardigd op grond van enige andere uitzondering uit hoofde van de toepasselijke overeenkomst.

Artikel 28 septies

Inhoud die gelijkgesteld wordt met oorsprong uit de Unie bij veilingen

3.Met betrekking tot de in artikel 26 bedoelde vereisten inzake de oorsprong uit de Unie wordt inhoud van oorsprong uit derde landen waarmee de Unie een overeenkomst tot instelling van een vrijhandelszone of een douane-unie heeft gesloten, geacht van oorsprong te zijn uit de Unie.

4.De Commissie stelt overeenkomstig artikel 44 gedelegeerde handelingen vast om een derde land geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van het toepassingsgebied van lid 1 op basis van een van de volgende criteria:

h)dat derde land is er niet in geslaagd te voorzien in een nationale behandeling met betrekking tot producten of entiteiten uit de Unie in het kader van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten met betrekking tot een van de in artikel 4, punt 1, vermelde nettonultechnologieën;

i)een dergelijke uitsluiting is gerechtvaardigd om afhankelijkheden of andere ontwikkelingen te voorkomen die de voorzieningszekerheid van de betrokken producten in de Unie in gevaar kunnen brengen;

j)een dergelijke uitsluiting is gerechtvaardigd op grond van enige andere uitzondering uit hoofde van de toepasselijke overeenkomst.

Artikel 28 octies

Inhoud die gelijkgesteld wordt met oorsprong uit de Unie bij andere vormen van overheidsinterventie

1.    Met betrekking tot de in artikel 28 bis vastgestelde vereisten inzake de oorsprong uit de Unie wordt inhoud van oorsprong uit derde landen waarmee de Unie een overeenkomst tot instelling van een vrijhandelszone of een douane-unie heeft gesloten, geacht van oorsprong uit de Unie te zijn.

2. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 44 gedelegeerde handelingen vast om een derde land geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van het toepassingsgebied van lid 1 op basis van een van de volgende criteria:

k)dat derde land is er niet in geslaagd te voorzien in een nationale behandeling met betrekking tot producten of entiteiten uit de Unie in het kader van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten met betrekking tot een van de in artikel 4, punt 1, vermelde nettonultechnologieën;

l)een dergelijke uitsluiting is gerechtvaardigd om afhankelijkheden of andere ontwikkelingen te voorkomen die de voorzieningszekerheid van de betrokken producten in de Unie in gevaar kunnen brengen;

m)een dergelijke uitsluiting is gerechtvaardigd op grond van enige andere uitzondering uit hoofde van de toepasselijke overeenkomst.

Artikel 28 novies
Bevoegdheidsdelegatie

1.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 44 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in bijlage II vastgestelde vereisten inzake de oorsprong uit de Unie te wijzigen, rekening houdend met de volgende criteria:

a)de marktsituatie op het niveau van de Unie, met inbegrip van een dalend marktaandeel in de Unie en de industrie in de Unie die onder de capaciteit produceert;

b)de bijdrage van de vereisten aan de in Verordening (EU) 2021/1119 vastgestelde doelstelling van de Unie inzake openbare orde, economische veiligheid, veerkracht en klimaatneutraliteit;

c)technologische vooruitgang;

d)de vraag naar de relevante nettonultechnologieën;

e)het effect van de vaststelling van vereisten inzake de oorsprong uit de Unie op het algemene concurrentievermogen en de broeikasgasemissies van de betrokken sectoren.

2.De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage II aan te vullen met vereisten inzake de oorsprong uit de Unie voor aanvullende specifieke eindproducten met nettonultechnologie als bedoeld in artikel 4, lid 1, punten g), h), j), k), n), p) en s), alsook thermische zonne-energietechnologieën als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt a), splijtstofcyclustechnologieën als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt i), en elektrische voortstuwingstechnologieën voor vervoer als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt r), die vereist zijn overeenkomstig de artikelen 25 bis, 26, 28 bis en 28 quater. Daarbij houdt de Commissie rekening met het volgende:

a)de marktsituatie op het niveau van de Unie, zoals vastgesteld door middel van monitoringactiviteiten, met inbegrip van een dalend marktaandeel in de Unie en de industrie in de Unie die onder de capaciteit produceert;

b)de bijdrage van de vereisten aan de doelstelling van de Unie inzake openbare orde, economische veiligheid, veerkracht en klimaatneutraliteit;

c)het effect van de vaststelling van vereisten inzake de oorsprong uit de Unie, vereisten inzake koolstofarme productie, of beide, op het algemene concurrentievermogen en de broeikasgasemissies van de betrokken sectoren, alsook op de downstreamkosten voor consumenten en kleine en middelgrote ondernemingen en op de overheidsbegrotingen.

d)de vraag naar de relevante producten of technologieën.

1.De in lid 2 bedoelde gedelegeerde handelingen bepalen de volgende elementen:

a)de producten en componenten waarop de minimale vereisten inzake de oorsprong uit de Unie van toepassing zijn;

b)het toepassingsgebied van de minimale vereisten inzake de oorsprong uit de Unie;

7)Artikel 42 wordt als volgt gewijzigd:

a)het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:

“2 bis. De lidstaten, overheidsinstanties, aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten die hoofdstuk IV van deze verordening toepassen, brengen overeenkomstig de bepalingen van dat hoofdstuk verslag uit over de toepassing van vrijstellingen.”

b)lid 3 wordt vervangen door:

“3. Indien zij niet reeds zijn opgenomen in, of in overeenstemming zijn met, de elementen van de nationale energie- en klimaatplannen, dient elke lidstaat uiterlijk op 15 maart 2027 en vervolgens om de drie jaar bij de Commissie een verslag in met de in lid 2 en lid 2 bis bedoelde gegevens.”;

8)De volgende bijlage II wordt toegevoegd:

“BIJLAGE II
Vereisten inzake de oorsprong uit de Unie voor nettonultechnologieën

Deel I — Openbare aanbestedingen

1.Overeenkomstig artikel 25 bis bevatten de aanbestedingsstukken voor openbare aanbestedingsprocedures die na de inwerkingtreding van deze verordening worden gepubliceerd en binnen het toepassingsgebied van de Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU of 2014/25/EU vallen, wanneer opdrachten, opdrachten voor werken of concessies voor werken de aanbesteding van de volgende nettonultechnologieën omvatten, de volgende vereisten:

a)Systemen voor de opslag van energie in batterijen:

Van [OP: Please insert the date = 1 year after entry into force of this Regulation] tot en met [3 years after entry into force of this Regulation] zijn batterijsystemen voor energieopslag van oorsprong uit de Unie en bevatten zij, voor projecten met inbegrip van batterijsystemen voor energieopslag van meer dan 1 megawattuur, een batterijbeheersysteem dat van oorsprong is uit de Unie.

Vanaf [OP: Please insert the date = 3 years after entry into force of this Regulation] zijn de batterijsystemen voor energieopslag afkomstig uit de Unie en bevatten zij batterijcellen, een batterijbeheersysteem en één extra component van de voornaamste specifieke componenten van oorsprong uit de Unie.

b)Fotovoltaïsche technologieën: Vanaf [OP: Please insert the date = 3 years after entry into force of this Regulation] zijn de PV-inverter en de PV-cellen of gelijkwaardige cellen van oorsprong uit de Unie.

c)Hydronische warmtepompen: Vanaf [OP: Please insert: 3 years after the entry into force of this Regulation] is de hydronische warmtepomp van oorsprong uit de Unie.

d)Technologieën voor windenergie op land en op zee:

Van [OP: Please insert the date = 1 year after the entry into force of this Regulation] tot en met [OP: Please insert the date = 3 years after entry into force of this Regulation] is één van de voornaamste specifieke componenten van oorsprong uit de Unie.

Vanaf [OP: Please insert: 3 years after the entry into force of this Regulation] zijn twee van de voornaamste specifieke componenten van oorsprong uit de Unie.

e)Kernsplijtingstechnologieën:

Voor openbare aanbestedingsprocedures die zijn gepubliceerd na [OP: Please insert the date = 4 years after entry into force of this Regulation] indien opdrachten voor werken of concessies voor werken de bouw omvatten van een nieuwe kerncentrale, met inbegrip van kleine modulaire kernreactoren, moeten ten minste twee van de voornaamste specifieke componenten afkomstig zijn uit de Unie.

Voor openbare aanbestedingsprocedures die zijn gepubliceerd na [OP: Please insert the date = 6 years after entry into force of this Regulation] indien opdrachten voor werken of concessies voor werken de bouw omvatten van een nieuwe kerncentrale, met inbegrip van kleine modulaire kernreactoren, moeten ten minste drie van de voornaamste specifieke componenten afkomstig zijn uit de Unie.

Deze vereisten zijn niet van toepassing op onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieprojecten, met inbegrip van de eerste industriële uitrol van kerncentrales.

Deel II — Veilingen

Overeenkomstig artikel 26 nemen de lidstaten, wanneer veilingen betrekking hebben op de volgende nettonultechnologieën, de volgende voorselectie- of gunningscriteria op:

a)Systemen voor de opslag van energie in batterijen:

Voor veilingen die worden gepubliceerd van [OP: Please insert the date = 1 year after entry into force of this Regulation] tot en met [OP: Please insert the date = 3 years after entry into force of this Regulation] is het batterijsysteem voor energieopslag van oorsprong uit de Unie en bevat het, voor projecten met inbegrip van batterijsystemen voor energieopslag van meer dan 1 megawattuur, een batterijbeheersysteem dat van oorsprong is uit de Unie.

Voor veilingen die zijn gepubliceerd na [OP: Please insert the date = 3 years after entry into force of this Regulation] is het batterijsystemen voor energieopslag afkomstig uit de Unie en bevat het batterijcellen, een batterijbeheersysteem en één extra component van de voornaamste specifieke componenten van oorsprong uit de Unie.

b)Fotovoltaïsche technologieën: Voor veilingen die zijn gepubliceerd na [OP: Please insert the date = 3 years after entry into force of this Regulation] zijn de PV-inverter en de PV-cellen of gelijkwaardige cellen van oorsprong uit de Unie.

c)Waterstof:

Voor veilingen die zijn gepubliceerd na [OP: Please insert the date = 1 years after entry into force of this Regulation] zijn de elektrolyse-installaties die voor de productie van de waterstof worden gebruikt, van oorsprong uit de Unie, en zijn de elektrolysestapels en één extra component van de voornaamste specifieke componenten van oorsprong uit de Unie.

Voor veilingen die zijn gepubliceerd na [OP: Please insert the date = 3 years after entry into force of this Regulation] zijn de elektrolyse-installaties die voor de productie van de waterstof worden gebruikt, van oorsprong uit de Unie, en de elektrolysestapels en twee extra componenten van de voornaamste specifieke componenten van oorsprong uit de Unie.

d)Technologieën voor windenergie op land en op zee:

Voor veilingen die zijn gepubliceerd van [OP: Please insert the date = 1 year after the entry into force of this Regulation] tot en met [OP: Please insert the date = 3 years after entry into force of this Regulation] is één extra component van de voornaamste specifieke componenten van de windturbine van oorsprong uit de Unie.

Voor veilingen die zijn gepubliceerd na [OP: Please insert: 3 years after the entry into force of this Regulation] zijn twee van de voornaamste specifieke componenten van de windturbine van oorsprong uit de Unie.

Deel III — Andere vormen van overheidsinterventie

Wanneer de lidstaten, regionale of lokale autoriteiten, publiekrechtelijke instellingen of samenwerkingsverbanden bestaande uit een of meer van deze autoriteiten of een of meer van deze instellingen besluiten nieuwe regelingen op te zetten of bestaande regelingen die ten goede komen aan huishoudens of bedrijven en de vraag naar de in dit lid vermelde eindproducten met nettonultechnologie ondersteunen, ontwerpen de lidstaten, regionale of lokale autoriteiten, publiekrechtelijke instellingen of samenwerkingsverbanden bestaande uit een of meer van deze autoriteiten of een of meer van deze instellingen, overeenkomstig artikel 28 ter de regelingen zodanig dat de begunstigden alleen in aanmerking komen voor de regeling of voor aanvullende financiële compensatie indien aan de onderstaande vereisten is voldaan:

a)Systemen voor de opslag van energie in batterijen:

Voor regelingen die tussen [OP: Please insert the date = 1 year after entry into force of this Regulation] en [3 years after entry into force of this Regulation] zijn opgezet of geactualiseerd, zijn de batterijsystemen voor energieopslag van oorsprong uit de Unie en bevatten zij, voor projecten met inbegrip van batterijsystemen voor energieopslag van meer dan 1 megawattuur, een batterijbeheersysteem dat van oorsprong is uit de Unie.

Voor regelingen die worden opgezet of geactualiseerd vanaf [OP: Please insert the date = 3 years after entry into force of this Regulation] zijn de batterijsystemen voor energieopslag afkomstig uit de Unie en bevatten zij batterijcellen, een batterijbeheersysteem en één extra component van de voornaamste specifieke component van oorsprong uit de Unie.

b)Fotovoltaïsche technologieën: Voor regelingen die worden opgezet of geactualiseerd vanaf [OP: Please insert the date = 3 years after entry into force of this Regulation] zijn de PV-inverter en de PV-cellen of gelijkwaardige cellen van oorsprong uit de Unie.

c)Hydronische warmtepompen: Voor regelingen die worden opgezet of geactualiseerd vanaf [OP: Please insert: 3 years after the entry into force of this Regulation] is de hydronische warmtepomp van oorsprong uit de Unie.

Deel IV — Steun van de lidstaten voor de bouw of productie van nettonultechnologieën

Overeenkomstig artikel 28 quater zorgen de lidstaten er bij de ondersteuning van de bouw of vervaardiging van de volgende eindproducten met nettonultechnologie voor dat aan de onderstaande vereisten inzake de oorsprong uit de Unie wordt voldaan:

a)Waterstof:

Vanaf [OP: Please insert the date = 1 year after entry into force of this Regulation] bij het opzetten van nieuwe steunregelingen voor investeringen ter ondersteuning van de productiecapaciteit van elektrolyse-installaties zorgen de lidstaten ervoor dat de elektrolyse-installatie van oorsprong is uit de Unie en de elektrolysestapels en ten minste één extra component van de voornaamste specifieke component van de elektrolyse-installatie van oorsprong zijn uit de Unie.

Vanaf [OP: Please insert the date = 3 year after entry into force of this Regulation] bij het opzetten van nieuwe steunregelingen voor investeringen ter ondersteuning van de productiecapaciteit van elektrolyse-installaties zorgen de lidstaten ervoor dat de elektrolyse-installatie van oorsprong is uit de Unie en de elektrolysestapels en ten minste twee extra componenten van de voornaamste specifieke componenten van de elektrolyse-installatie van oorsprong zijn uit de Unie.

b)Kernenergie:

Voor projecten waarvoor de steunaanvraag plaatsvindt na [OP: Please insert the date = 4 years after entry into force of this Regulation] bij de ondersteuning van de bouw van nieuwe kerncentrales, met inbegrip van kleine modulaire kernreactoren, zorgen de lidstaten ervoor dat ten minste twee van de voornaamste specifieke componenten van de eindproducten van de kernsplijtingstechnologie uit de Unie afkomstig zijn.

Voor projecten waarvoor de steunaanvraag plaatsvindt na [OP: Please insert the date = 6 years after entry into force of this Regulation] bij de ondersteuning van de bouw van nieuwe kerncentrales, met inbegrip van kleine modulaire kernreactoren, zorgen de lidstaten ervoor dat ten minste drie van de voornaamste specifieke componenten van de eindproducten van de kernsplijtingstechnologie uit de Unie afkomstig zijn.

Deze vereisten zijn niet van toepassing op onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieprojecten, met inbegrip van de eerste industriële uitrol van kerncentrales.

Artikel 35 
Wijzigingen van Verordening (EU) 2024/3110

In artikel 22, lid 9, van Verordening (EU) 2024/3110 wordt de eerste alinea vervangen door:

“Om transparantie voor gebruikers te waarborgen en duurzame producten te bevorderen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door specifieke etiketteringsvoorschriften inzake ecologische duurzaamheid vast te stellen voor bepaalde productfamilies en -categorieën.”.

Artikel 36
Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De artikelen 4 en 5 zijn van toepassing met ingang van [OP: Please insert the date = [one] year after the date of entry into force of this Regulation].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF3

1.1Benaming van het voorstel/initiatief3

1.2Betrokken beleidsterreinen3

1.3Doelstellingen3

1.3.1Algemene doelstellingen3

1.3.2Specifieke doelstellingen3

1.3.3Verwachte resultaten en gevolgen3

1.3.4Prestatie-indicatoren3

1.4Het voorstel/initiatief betreft:4

1.5Motivering van het voorstel/initiatief4

1.5.1Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief4

1.5.2Meerwaarde van het optreden van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “meerwaarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.4

1.5.3Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan4

1.5.4Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten5

1.5.5Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking5

1.6Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief6

1.7Wijzen van uitvoering van de begroting6

2BEHEERSMAATREGELEN8

2.1Regels inzake het toezicht en de verslagen8

2.2Beheers- en controlesystemen8

2.2.1Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie8

2.2.2Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken8

2.2.3Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)8

2.3Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden9

3GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF10

3.1Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven10

3.2Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten12

3.2.1Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten12

3.2.1.1Kredieten uit goedgekeurde begroting12

3.2.1.2Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten17

3.2.2Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten22

3.2.3Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten24

3.2.3.1 Kredieten uit goedgekeurde begroting24

3.2.3.2Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten24

3.2.3.3Totaal kredieten24

3.2.4Geraamde personeelsbehoeften25

3.2.4.1Gefinancierd uit goedgekeurde begroting25

3.2.4.2Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten26

3.2.4.3Totale personeelsbehoeften26

3.2.5Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen28

3.2.6Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader28

3.2.7Bijdragen van derden28

3.3Geraamde gevolgen voor de ontvangsten29

4Digitale dimensies29

4.1Voorschriften met digitale relevantie30

4.2Gegevens30

4.3Digitale oplossingen31

4.4Interoperabiliteitsbeoordeling31

4.5Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering32

1KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1Benaming van het voorstel/initiatief

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een kader van maatregelen voor het versnellen van de industriële capaciteit en het koolstofvrij maken van de industrie in strategische sectoren en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724, Verordening (EU) 2024/1735 en Verordening (EU) 2024/3110 (verordening industriële versnelling).

1.2Betrokken beleidsterreinen 

Eengemaakte markt, concurrentievermogen, klimaat.

1.3Doelstellingen

1.3.1Algemene doelstellingen

De algemene doelstelling is het vergroten van de koolstofvrije en veerkrachtige industriële productie in de be- en verwerkende industrie van de EU, met bijzondere aandacht voor energie-intensieve industrieën (EII’s) en schone technologieën, gezien hun bijdrage aan het concurrentievermogen, de economische veiligheid en de duurzame economische groei van Europa, in overeenstemming met de doelstellingen van de Clean Industrial Deal.

1.3.2Specifieke doelstellingen

Specifieke doelstelling nr. 1

Differentiatie voor koolstofarme industriële producten vergemakkelijken om de waarde en verhandelbaarheid ervan te vergroten.

Specifieke doelstelling nr. 2

De vraag naar Europese koolstofarme producten en schone technologie stimuleren.

Specifieke doelstelling nr. 3

De kwaliteit en de voordelen van buitenlandse investeringen in de EU maximaliseren.

Specifieke doelstelling nr. 4

Vergunningen voor industriële decarbonisatie versnellen en vereenvoudigen.

Specifieke doelstelling nr. 5

Meer investeringsprojecten in industriegebieden.

1.3.3Verwachte resultaten en gevolgen

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.

Economische effecten

De invoering van een geharmoniseerd koolstofarm label voor industriële producten en een verificatiemechanisme zullen de markttransparantie verbeteren, waardoor producenten de waarde van schonere productie kunnen vastleggen en de concurrentie wordt gestimuleerd op basis van prestaties in plaats van kosten alleen. Het zal nieuwe commerciële kansen creëren voor EU-fabrikanten, de prijsdifferentiatie op de internationale markten vergroten en particuliere investeringen in koolstofarme technologieën aantrekken.

Door het aandeel van in de EU vervaardigde en koolstofarme producten in het verbruik in de EU te vergroten, zal de maatregel de vraag op de Europese markt stimuleren, het concurrentievermogen van de industrie versterken en de afhankelijkheid van koolstofrijke of ingevoerde alternatieven verminderen. Het creëren van leidende markten voor koolstofarm staal, cement en schone technologieën zal schaalvoordelen versnellen en verdere investeringen stimuleren.

Het aanmoedigen van joint ventures en strategische partnerschappen die Europese meerwaarde opleveren, zal de kennisoverdracht, de industriële innovatie en de technologische soevereiniteit vergroten. Het zal de veiligheid van de toeleveringsketen verbeteren, de inputbronnen diversifiëren en de veerkracht van de industriële ecosystemen in de EU vergroten.

Het inkorten van de termijnen voor het verlenen van vergunningen zal vertragingen van projecten beperken en de financieringskosten verlagen, waardoor het investeringsklimaat voor het koolstofvrij maken van de industrie wordt versterkt. Snellere goedkeuringen zullen de uitrol van infrastructuur voor schone energie, koolstofafvanginstallaties en elektrificatieprojecten versnellen, waardoor de industriële productiviteit en regionale ontwikkeling worden gestimuleerd.

De ondersteuning van een groter aantal definitieve investeringsbeslissingen in industriegebieden zal kapitaalvorming stimuleren, bestaande inrichtingen moderniseren en aanvullende particuliere financiering aantrekken. Het concentreren van investeringen in industriële clusters zal schaalvoordelen opleveren en het regionale concurrentievermogen versterken.

Sociale effecten

Het label voor de broeikasgasintensiteit van industriële producten zal het vertrouwen van consumenten en kopers in koolstofarme producten versterken en gekwalificeerde banen in verificatie-, test- en certificeringsdiensten ondersteunen. Door innovatie te belonen, zal het bijdragen tot het behoud van hoogwaardige industriële banen en het bevorderen van om- en bijscholing in de toeleveringsketens in de productiesector.

De toegenomen vraag in de EU zal bijdragen tot het behoud en het scheppen van hoogwaardige banen in productieregio’s die overschakelen op koolstofarme industrieën. Het zal ook de regionale cohesie verbeteren door herindustrialisering in de getroffen gebieden te bevorderen en tegelijkertijd de aanpassingskosten voor werknemers te beperken door middel van stabiele vooruitzichten voor de productie.

Hoogwaardige buitenlandse investeringen en partnerschappen zullen nieuwe werkgelegenheidskansen creëren, met name in geavanceerde productiesegmenten en onderzoeksintensieve segmenten. Zij zullen ook de samenwerking tussen EU- en niet-EU-bedrijven versterken en de opleiding van arbeidskrachten en de uitwisseling van vaardigheden bevorderen.

. Meer transparantie en digitale instrumenten zullen het vertrouwen van de burgers in en hun deelname aan lokale industriële projecten vergroten.

Een toename van de industriële activiteit op bestaande locaties zal stabiele werkgelegenheid opleveren en de lokale toeleveringsketens versterken, terwijl de sociale ontwrichting tot een minimum wordt beperkt door gebruik te maken van brownfieldterreinen en aanwezige vaardigheden van arbeidskrachten optimaal te benutten. Industriële clustering zal regionale convergentie en veerkracht ondersteunen.

Milieueffecten

Een betrouwbaar en vergelijkbaar etiketteringskader zal de vermindering van broeikasgasemissies in alle industriële waardeketens stimuleren. Het zal een voortdurende verbetering van het productontwerp, het materiaalgebruik en de energie-efficiëntie aanmoedigen en de industrie helpen de doelstelling van klimaatneutraliteit te verwezenlijken.

Door de invoering van vereisten inzake koolstofarme productie zal een groter gebruik van koolstofarme producten leiden tot aanzienlijke emissiereducties in de bouw- en de vervoerssector. Deze vraaggestuurde aanpak vormt een aanvulling op innovatie aan de aanbodzijde en versnelt de algehele decarbonisatie van de Europese economie.

Kortere en meer voorspelbare vergunningsprocedures zullen de uitrol van koolstofarme technologieën en milieuverbeteringen versnellen, waardoor emissiereducties vroeger mogelijk worden en wordt bijgedragen aan de tussentijdse klimaatdoelstellingen van de EU.

Door nieuwe projecten in industriegebieden te concentreren, bevordert de maatregel een efficiënt gebruik van energie en natuurlijke hulpbronnen en maakt hij gedeelde infrastructuur voor CO2-afvang, hernieuwbare energie en afvalrecycling mogelijk. Deze aanpak stemt de industriële groei af op de beginselen van milieubescherming en de circulaire economie.

1.3.4Prestatie-indicatoren

Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten

De mate waarin koolstofarme certificeringen worden toegekend aan industriële producten, dient als maatstaf voor de ontwikkeling van een betrouwbaar en transparant systeem dat fabrikanten in staat stelt hun producten te onderscheiden op basis van hun koolstofprestaties. Hiermee kan worden aangetoond dat de EU vooruitgang boekt bij het zichtbaar, verifieerbaar en vergelijkbaar maken van koolstofarme industriële producten op de markt, waardoor het concurrentievermogen en de waardecreatie ervan worden versterkt.

Het aandeel van in de EU geproduceerde en van koolstofarme producten in het verbruik in de EU van relevante producten zal het aandeel van schone en in de EU geproduceerde materialen in de totale vraag in de EU weerspiegelen. Het toont aan of maatregelen aan de vraagzijde, zoals openbare aanbestedingen, investeringsprikkels en criteria inzake minimale EU-inhoud, het gebruik van koolstofarme en in Europa vervaardigde producten daadwerkelijk stimuleren. Een groeiend aandeel zal de opkomst van sterke leidende markten in de EU voor groene industriële goederen aantonen en wijzen op een verminderde afhankelijkheid van koolstofrijke invoer.

Het aantal joint ventures in relevante sectoren die Europese toegevoegde waarde, innovatie en industriële veerkracht creëren, zal het niveau meten van hoogwaardige industriële partnerschappen tussen EU- en niet-EU-actoren die bijdragen tot technologieoverdracht, innovatie en veilige toeleveringsketens. Deze indicator weerspiegelt het succes van de verordening industriële versnelling bij het aantrekken van duurzame buitenlandse investeringen van “hoge kwaliteit” en het bevorderen van samenwerking die de industriële basis van de EU versterkt. De toename van dergelijke initiatieven wijst op een veerkrachtiger en innovatiever industrieel ecosysteem dat binnen Europa meer waarde behoudt.

De gemiddelde termijn voor het verlenen van een vergunning voor industriële decarbonisatieprojecten zal een indicatie geven van de efficiëntie van de administratieve procedures in de lidstaten. Deze gaat na hoe lang de bevoegde autoriteiten nodig hebben om aanvragen voor industriële decarbonisatieprojecten, met inbegrip van netaansluitingen en aansluitingen voor schone energie, te verwerken en goed te keuren. Een verkorting van de termijn voor het verlenen van een vergunning zal aantonen dat de in het kader van de verordening industriële versnelling ingevoerde maatregelen voor stroomlijning, coördinatie en digitalisering de investeringen daadwerkelijk versnellen en de bureaucratische belemmeringen voor bedrijven verminderen.

Het aantal industriële definitieve investeringsbeslissingen die in de betrokken sectoren worden gerealiseerd, zal dienen als een directe indicator van het investeringsklimaat en het economisch vertrouwen in de industriële transitie van de EU. Het weerspiegelt de mate waarin bedrijven kapitaal inzetten voor nieuwe of verbeterde decarbonisatieprojecten, met name binnen bestaande industriegebieden en clusters. Uit het toenemende aantal gerealiseerde definitieve investeringsbeslissingen zal blijken dat het door de verordening industriële versnelling vastgestelde kader zich vertaalt in concrete projecten die het scheppen van banen, regionale herindustrialisering en een snellere uitrol van schone technologieën in heel Europa ondersteunen.

1.4Het voorstel/initiatief betreft:

 een nieuwe actie 

 een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie 69  

 de verlenging van een bestaande actie 

 de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie

1.5Motivering van het voorstel/initiatief

1.5.1Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

Het voorstel komt tegemoet aan de dringende noodzaak om de decarbonisatie van de industrie te versnellen en het concurrentievermogen van de Europese industrie te versterken in een context van wereldwijde technologische concurrentie en toenemende investeringsbehoeften. Het initiatief heeft tot doel belemmeringen weg te nemen die investeringen in koolstofarme en veerkrachtige industriële productie vertragen en de integriteit van de eengemaakte markt bij de transitie naar klimaatneutraliteit te waarborgen.

1.5.2Meerwaarde van het optreden van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “meerwaarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.

Redenen voor optreden op EU-niveau (ex ante)

Uitdagingen op het gebied van industriële decarbonisatie en veerkracht overstijgen de nationale grenzen. Uiteenlopende definities van koolstofarme producten, ongecoördineerde maatregelen aan de vraagzijde en inconsistente vergunningsprocedures dreigen de eengemaakte markt te versnipperen en de industriële basis van Europa te verzwakken. Alleen een gecoördineerd optreden op EU-niveau kan een gelijk speelveld waarborgen, verlegging van investeringen voorkomen en ervoor zorgen dat het klimaat- en industriebeleid elkaar versterken. De verordening handelt op grond van artikel 114 VWEU om de werking van de eengemaakte markt in stand te houden en, in voorkomend geval, op grond van artikel 207 VWEU om de samenhang van maatregelen met betrekking tot buitenlandse investeringen te waarborgen.

Verwachte meerwaarde EU (ex-post)

Het optreden van de EU zal blijvende voordelen opleveren door schaalvoordelen, lagere transactiekosten en meer rechtszekerheid voor investeerders en autoriteiten. Het zal de capaciteit van Europa versterken om koolstofarme producten te produceren, duurzame investeringen aan te trekken en de uitrol van projecten te versnellen. Geharmoniseerde criteria, gedeelde digitale instrumenten en consistente vergunningsbeginselen zullen de administratieve lasten verminderen en tegelijkertijd zorgen voor uniforme marktvoorwaarden in alle lidstaten.

1.5.3Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

Uit de ervaring met de verordening voor een nettonulindustrie, de Europese verordening kritieke grondstoffen en de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten blijkt dat gerichte instrumenten voor de eengemaakte markt die gemeenschappelijke definities, stimulansen aan de vraagzijde en administratieve vereenvoudiging combineren, een meetbare versnelling in investeringen opleveren. Deze precedenten tonen de doeltreffendheid aan van duidelijke regelgevingskaders en gestructureerde coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten. De verordening industriële versnelling past deze lessen specifiek toe op energie-intensieve industrieën en de productie van schone-energietechnologie en voertuigonderdelen, waarbij de samenhang met bestaande instrumenten wordt gewaarborgd en overlapping van regelgeving wordt vermeden.

1.5.4Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten

Het voorstel is volledig in overeenstemming met het meerjarig financieel kader 2021-2027 en zal worden uitgevoerd door middel van bestaande programma’s van de Unie. Er wordt voorzien in synergieën met het Innovatiefonds, InvestEU, Horizon Europa, de Connecting Europe Facility voor energie, de fondsen voor het cohesiebeleid en het instrument voor technische ondersteuning. Het initiatief vormt een aanvulling op de Clean Industrial Deal, de Europese verordening kritieke grondstoffen en het Europees Fonds voor concurrentievermogen, zonder nieuwe uitgavenportefeuilles of financiële verplichtingen te creëren die de bestaande middelen te boven gaan.

1.5.5Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking

Alle financiering zal worden gewaarborgd door herschikkingen van programma’s. Zonder vooruit te lopen op het resultaat van de onderhandelingen over het volgende MFK, zijn de vanaf 2028 geplande kredieten louter indicatief.

1.6Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief

beperkte geldigheidsduur: 

   van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ

   financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten.

onbeperkte geldigheidsduur:

Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,

gevolgd door een volledige uitvoering.

De verordening zal in 2027 in werking treden en na 2030 van toepassing blijven, met een evaluatie om de vijf jaar om de vooruitgang en de afstemming op de doelstellingen van de Unie op het gebied van klimaat en economische veiligheid te beoordelen.

1.7Wijzen van uitvoering van de begroting

 Direct beheer door de Commissie

  door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;

   door de uitvoerende agentschappen;

 Gedeeld beheer met de lidstaten

 Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken toe te vertrouwen aan:

derde landen of de door hen aangewezen organen

internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke)

de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds

de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen

publiekrechtelijke organen

privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties

privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die zijn voorzien van voldoende financiële garanties

organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling

in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het Unierecht vallen en die in aanmerking komen om overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, en beschikken over voldoende financiële garanties in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die voor elke actie beperkt kunnen blijven tot het maximumbedrag van de steun van de Unie.

2BEHEERSMAATREGELEN

2.1Regels inzake monitoring en verslaggeving

Dit memorandum omvat personeelsuitgaven. Voor dit soort uitgaven zijn de standaardregels van toepassing. De Commissie zal de output, resultaten en gevolgen van dit voorstel elke drie jaar evalueren na de datum waarop het van toepassing wordt. Bij de evaluatie zal de bijdrage van deze verordening aan de werking van de eengemaakte markt worden beoordeeld, met inbegrip van de in artikel 1 genoemde doelstellingen, met name op het gebied van veerkracht, economische veiligheid en het koolstofvrij maken van de industriële productie.

2.2Beheers- en controlesystemen

2.2.1Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

De beheersvorm voor het initiatief is direct beheer door de Commissie. Dit is de meest geschikte aanpak gezien de beperkte omvang van de uitgaven van de Unie, die beperkt is tot standaard administratieve kosten en kosten in verband met monitoring. Het gebruik van gevestigde interne procedures zorgt voor doeltreffende en efficiënte controles, lage foutenpercentages, snelle verwerking van verrichtingen en minimale controlekosten.

2.2.2Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken

In het algemeen zijn voor het initiatief personeelsuitgaven nodig. Voor dit soort uitgaven zijn de standaardregels van toepassing.

Voor de meeste aspecten van het initiatief worden vaste procedures gevolgd om met belanghebbenden samen te werken, bijvoorbeeld via het industrieel forum en de uitvoering van monitoringverplichtingen. Het belangrijkste operationele risico is onvoldoende administratieve capaciteit om de in de verordening vastgestelde werkplannen en monitoringactiviteiten uit te voeren.

Dit voorstel gaat vergezeld van een effectbeoordelingsverslag, dat de analyse bevat die ten grondslag ligt aan de gekozen beleidsaanpak. Bij de voorbereiding van het initiatief werden ook een openbare raadpleging en gerichte raadplegingen van belanghebbenden uit de sector, de lidstaten en brancheorganisaties gehouden, waardoor relevante gegevens, informatie en feedback konden worden verzameld. Niettemin kunnen zich tijdens de uitvoering nog steeds onbedoelde gevolgen of onvoorziene effecten voordoen. Deze zullen worden vastgesteld aan de hand van de in de verordening vastgestelde monitoringprocedures, zodat de Commissie ze tijdig en op passende wijze kan aanpakken.

2.2.3Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)

Het initiatief brengt beperkte administratieve uitgaven met zich mee. De standaardcontroleprocedures van de Commissie zijn van toepassing. Aangezien er geen financieringsprogramma’s of meerlagige uitvoeringsmechanismen worden opgezet, blijven de controleactiviteiten eenvoudig en kosteneffectief.

De controles worden volledig onder direct beheer uitgevoerd, en daarbij wordt gebruikgemaakt van standaardcontroles achteraf in het kader van het internecontrolekader van de Commissie. Dit zorgt voor een passend evenwicht tussen de controle-inspanningen en de beperkte waarde van de beheerde middelen.

Gezien de vereenvoudigde opzet en het ontbreken van financiële verrichtingen met een hoog risico is het verwachte foutenpercentage bij betaling en bij afsluiting laag en ruim onder de materialiteitsdrempel. Het controlesysteem biedt daarom een hoge mate van zekerheid tegen evenredige kosten.

2.3Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

Het initiatief voorziet niet in financieringsprogramma’s of financiële steunregelingen. Het is daarom gebaseerd op het bestaande internecontrolekader en de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie. Er zijn standaard preventieve en opsporingsmaatregelen van toepassing, waaronder risicogebaseerde interne controles, scheiding van taken en vastgestelde werkstromen voor administratieve uitgaven.

De Commissie zorgt ervoor dat passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van de taken die uit deze verordening voortvloeien, de financiële belangen van de EU worden beschermd.

Zoals bij alle door de Commissie beheerde activiteiten kunnen het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en het Europees Openbaar Ministerie (EOM) hun bevoegdheden uitoefenen overeenkomstig hun respectieve rechtsgrondslagen om fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad, te onderzoeken. De Europese Rekenkamer behoudt haar standaard-auditrechten op de uitgaven van de Commissie.

3GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven

Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarigfinancieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort uitgave

Bijdrage

Nummer  

GK/NGK( 70 ).

van EVA-landen 71

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten 72

van andere derde landen

andere bestemmingsontvangsten

1

03 02 01 02

GK

Ja

Nee

Nee

Nee

7

20 01 02 01

NGK

Nee

Nee

Nee

Nee

Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarigfinancieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort uitgave

Bijdrage

Nummer  

GK/NGK

van EVA-landen

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten

van andere derde landen

andere bestemmingsontvangsten

n.v.t.

3.2Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten

3.2.1Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten

Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

3.2.1.1Kredieten uit goedgekeurde begroting

Rubriek van het meerjarigfinancieel kader

1

“Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid”

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

DG: GROW

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

TOTAAL MFK 2028-2034 73

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

03 02 01 02

Vastleggingen

(1a)

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

Betalingen

(2a)

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

TOTAAL kredieten

voor DG GROW

Vastleggingen

=1a+1b

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

Betalingen

=2a+2b

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

DG: GROW

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 
2028-2034 74

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

Beleidskredieten

03 02 01 02

Vastleggingen

(1a)

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,140

Betalingen

(2a)

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,140

TOTAAL kredieten

voor DG GROW

Vastleggingen

=1a+1b

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,140

Betalingen

=2a+2b

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,140

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

TOTAAL MFK 2028-2034 75

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten  

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 1

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 
2028-2034 76

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

TOTAAL beleidskredieten
(inclusief bijdrage aan gedecentraliseerd agentschap)

Vastleggingen

(4)

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,140

Betalingen

(5)

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,140

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 1

Vastleggingen

=4+6

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,140

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,140

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

TOTAAL MFK 2028-2034 77

2024

2025

2026

2027

• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Vastleggingen

(4)

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

Betalingen

(5)

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

van het meerjarig financieel kader 
(referentiebedrag)

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 
2028-2034 78

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Vastleggingen

(4)

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,140

Betalingen

(5)

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,140

• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

(6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten 
onder de rubrieken 1 tot en met 6

Vastleggingen

=4+6

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,140

van het meerjarig financieel kader 
(referentiebedrag)

Betalingen

=5+6

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,020

0,140



Rubriek van het meerjarigfinancieel kader

7

“Administratieve uitgaven” 

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

DG: GROW

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

TOTAAL MFK 2028-2034 79

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

1,164

1,164

8,148

Andere administratieve uitgaven 

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG GROW

Kredieten

0,000

0,000

0,000

1,164

1,164

8,148

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

0,000

0,000

0,000

1,164

1,164

8,148

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

TOTAAL MFK 2028-2034 80

2024

2025

2026

2027

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7

Vastleggingen

0,000

0,000

0,000

1,204

1,204

8,288

van het meerjarig financieel kader 

Betalingen

0,000

0,000

0,000

1,204

1,204

8,288

Rubriek van het meerjarigfinancieel kader

7

“Administratieve uitgaven”[1]

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

DG: GROW

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 
2028-2034 81

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

 Personele middelen

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

8,148

Andere administratieve uitgaven 

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG GROW

Kredieten

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

8,148

TOTAAL kredieten 
onder RUBRIEK 7 
van het meerjarig financieel kader

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

8,148

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 
2028-2034 82

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

TOTAAL kredieten 
ONDER DE RUBRIEKEN 1 tot en met 7

Vastleggingen

1,184

1,184

1,184

1,184

1,184

1,184

1,184

8,288

van het meerjarig financieel kader 

Betalingen

1,184

1,184

1,184

1,184

1,184

1,184

1,184

8,288

3.2.2Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten (niet in te vullen voor gedecentraliseerde agentschappen)

Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Vermeld doelstellingen en outputs

Jaar  
2024

Jaar  
2025

Jaar  
2026

Jaar  
2027

Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

TOTAAL

OUTPUTS

Soort 83

Gem. kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Totaal aantal

Totale kosten

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1 84

- Output

- Output

- Output

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2…

- Output

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

TOTAAL

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

Vermeld doelstellingen en outputs

 

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL 
2028-2034 85

NA

ALGEMEEN

 

 

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

2034

TOTAAL

 

OUTPUTS

 

 

 

 

 

Soort

Gemiddelde 
kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1…

 

 

 

 

- Output

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0

0,000

 

 

0

0,000

- Output

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0

0,000

 

 

0

0,000

- Output

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0

0,000

 

 

0

0,000

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2…

 

 

 

 

- Output

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0

0,000

 

 

0

0,000

- Output

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0

0,000

 

 

0

0,000

- Output

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0

0,000

 

 

0

0,000

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

TOTAAL

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

0

0,000

3.2.3Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

3.2.3.1 Kredieten uit goedgekeurde begroting

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL 2021-2027

TOTAAL 2028-2034

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

1,164

1,164

8,148

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

1,164

1,164

8,148

Buiten RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

1,164

1,164

8,148

De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL 
2028 – 2034

NA

ALGEMEEN TOTAAL

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

2034

RUBRIEK 7

 

 

Personele middelen

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

8,148

0,000

8,148

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

8,148

0,000

8,148

Buiten RUBRIEK 7

 

 

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

 

TOTAAL

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

1,164

8,148

0,000

8,148

De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.

3.2.4Geraamde personeelsbehoeften

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

3.2.4.1Gefinancierd uit goedgekeurde begroting

Raming in voltijdequivalenten (vte’s)

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2034

 Posten in de personeelsformatie (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)

0

0

0

6

6

6

6

6

6

6

6

20 01 02 03 (EU-delegaties)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

01 01 01 01 (Onderzoek onder contract)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

• Extern personeel (in vte’s)

20 02 01 (AC, END uit de “totale financiële middelen”)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Admin. ondersteuning 
[XX.01.YY.YY]

- centrale diensten

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

- EU-delegaties

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

01 01 01 02 (AC, END — onderzoek onder contract)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

TOTAAL

0

0

0

6

6

6

6

6

6

6

6

De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen. De benodigde personele middelen zullen worden gefinancierd uit de middelen die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen de betrokken diensten zijn herverdeeld.

Aantal personeelsleden dat nodig is voor de uitvoering van het voorstel (in vte’s):

Uit te voeren door bestaand personeel van de diensten van de Commissie

Uitzonderlijk aanvullend personeel*

Te financieren uit rubriek 7 of onderzoek

Te financieren uit BA-onderdeel

Te financieren uit vergoedingen

Personeelsformatieposten

6

n.v.t.

Extern personeel (AC, END, INT)

Beschrijving van de uit te voeren taken door:

Ambtenaren en tijdelijk personeel

Er zal extra personeel (gelijk aan 6 vte’s) nodig zijn om de taken van het voorstel voor leidende markten en BDI-screening uit te voeren. De 6 vte’s zullen binnen het uitvoerende DG worden herschikt.

Extern personeel

3.2.5Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen

TOTAAL Digitale en IT-kredieten

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

TOTAAL MFK 2028-2034

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

IT-uitgaven (algemeen) 

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

 

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,040

0,040

0,140

3.2.6Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader

Het voorstel/initiatief:

   kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK)

   vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals gedefinieerd in de MFK-verordening

   vereist een herziening van het MFK

3.2.7Bijdragen van derden

Het voorstel/initiatief:

   voorziet niet in medefinanciering door derden

   voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar  
2024

Jaar  
2025

Jaar  
2026

Jaar  
2027

Jaar  
2028

Jaar  
2029

Jaar  
2030

Jaar  
2031

Jaar  
2032

Jaar  
2033

Jaar  
2034

Totaal

Medefinancieringsbron 

TOTAAL medegefinancierde kredieten

 
3.3    Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

   Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

   Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

   voor de eigen middelen;

   voor de overige inkomsten;

   geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten

Gevolgen van het voorstel/initiatief 86

Jaar 2024

Jaar 2025

Jaar 2026

Jaar 2027

Jaar  
2028

Jaar  
2029

Jaar  
2030

Jaar  
2031

Jaar  
2032

Jaar  
2033

Jaar  
2034

Artikel ………….

4Digitale dimensies

4.1Voorschriften met digitale relevantie

Indien wordt geoordeeld dat het beleidsinitiatief geen voorschriften met digitale relevantie omvat:

Toelichting waarom geen digitale middelen kunnen worden gebruikt om de uitvoering van het beleid te verbeteren en waarom het “digital by default”-beginsel niet van toepassing is.

n.v.t.

Anders:

Korte beschrijving van de voorschriften met digitale relevantie en de categorieën ervan (data, procesdigitalisering en ‑automatisering, digitale oplossingen en/of digitale overheidsdiensten)

Verwijzing naar voorschrift

Beschrijving van voorschrift

Betrokken actoren

Processen op hoog niveau

Categorieën

Artikel 4

Het beschikbaar stellen van één toegangspunt op nationaal niveau dat alle relevante overheidsinstanties met elkaar verbindt, om ervoor te zorgen dat de vergunningsprocedures voor industriële productie met uitsluitend digitale middelen worden uitgevoerd.

De lidstaten

Nationale bevoegde autoriteiten

Marktdeelnemers

Vergunningverlening

Gegevens

Digitale oplossing

Digitale overheidsdienst

Procesdigitalisering en -automatisering

Artikel 5

Het opzetten van nationale vergunningsprocedures om een éénloketsysteem voor het verlenen van vergunningen voor industriële productieprojecten mogelijk te maken.

De lidstaten

Nationale bevoegde autoriteiten

Vergunningverlening

Gegevens

Procesdigitalisering en -automatisering

Artikel 6

De toepassing van gestroomlijnde administratieve en vergunningsprocedures, zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2024/1735, wordt uitgebreid tot decarbonisatieprojecten voor energie-intensieve industrieën.

De lidstaten

Nationale bevoegde autoriteiten

Vergunningverlening

Procesdigitalisering en -automatisering

Artikel 20

Monitoring en publicatie van de mondiale productiecapaciteit voor opkomende strategische sectoren.

Europese Commissie

Monitoring

Gegevens

Artikel 16

Kennisgeving van geplande directe investeringen door buitenlandse investeerders.

Marktdeelnemers

Lidstaten

Kennisgevingen

Gegevens

Artikel 17

Toetsings- en goedkeuringsprocedure voor voorafgaande kennisgevingen van geplande directe investeringen.

Lidstaten

Europese Commissie

Kennisgevingen

Procesdigitalisering en -automatisering

Artikelen 19 tot en met 20

Toezicht op de naleving van de regels inzake buitenlandse investeringen.

Nationale bevoegde autoriteiten

Europese Commissie

Rapportage

Gegevens

Artikel 22

Kennisgeving door de lidstaten van aangewezen gebieden voor versnelde industriële productie, met inbegrip van de vereiste beoordelingen.

De lidstaten

Europese Commissie

Kennisgevingen

Gegevens

Artikel 24

Vaststelling van een geaggregeerde basisvergunning voor industriële activiteiten in aangewezen versnellingsgebieden.

De lidstaten

Nationale bevoegde autoriteiten

Vergunningverlening

Procesdigitalisering en -automatisering

Artikel 37

De lijst van informatiegebieden die relevant zijn voor burgers en bedrijven die hun bij Verordening (EU) 2018/1724 vastgestelde rechten op de interne markt uitoefenen, wordt uitgebreid met informatie over vergunningsprocedures, waarbij doeltreffend gebruik wordt gemaakt van oplossingen in het kader van één digitale toegangspoort.

Europese Commissie

De lidstaten

Nationale bevoegde autoriteiten

Marktdeelnemers

Burgers

Delen van informatie

Gegevens

Procesdigitalisering en -automatisering

Digitale overheidsdienst

4.2Gegevens

Korte beschrijving van de betrokken data

Soort data

Verwijzing naar voorschrift(en)

Standaard en/of specificatie (indien van toepassing)

Vergunningsaanvragen voor industriële productieprojecten

Artikel 4, artikel 5

De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen om technische normen vast te stellen die nodig zijn om de interoperabiliteit van de nationale centrale toegangspunten te waarborgen.

Gegevens over de mondiale productiecapaciteit voor opkomende strategische sectoren

Artikel 20

De Commissie verstrekt en publiceert geactualiseerde informatie over het meest recente jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn voor elk van de opkomende strategische sectoren.

Voorafgaande kennisgeving van geplande investeringen door buitenlandse investeerders

Artikel 16

n.v.t.

Verslagen over de naleving van de regels inzake buitenlandse investeringen

Artikelen 19 tot en met 20

n.v.t.

Kennisgeving over aangewezen gebieden voor versnelde industriële productie

Artikel 22

n.v.t.

Afstemming op de Europese datastrategie

Toelichting hoe het voorschrift of de voorschriften zijn afgestemd op de Europese datastrategie

Dit wetgevingsinitiatief is in overeenstemming met het gebruik van gegevens in particulier bezit door overheidsinstanties (business-to-government — B2G) om empirisch onderbouwde beleidsbeslissingen te waarborgen. Het digitaal vergunningsstelsel wordt zodanig ontworpen dat interoperabiliteit en geautomatiseerde gegevensuitwisseling tussen bevoegde autoriteiten, het hergebruik van gegevens en documenten die reeds in het bezit zijn van overheidsinstanties, een hoog niveau van cyberbeveiliging en informatie-integriteit, alsook transparantie en verantwoordingsplicht in de vergunningsprocedure worden gewaarborgd.

Afstemming op het eenmaligheidsbeginsel

Toelichting hoe het eenmaligheidsbeginsel in aanmerking is genomen en hoe is nagegaan of bestaande data kunnen worden hergebruikt

Het hergebruik van gegevens die reeds in het bezit zijn van overheidsinstanties wordt gewaarborgd. De vergunningsprocedures worden toegevoegd aan het toepassingsgebied van één digitale toegangspoort en één technisch systeem voor de toepassing van het eenmaligheidsbeginsel. Het eenmaligheidsbeginsel wordt in dit geval in acht genomen om de administratieve lasten voor actoren die actief zijn op de eengemaakte markt tot een minimum te beperken. De lidstaten en de Commissie waarborgen de bescherming van vertrouwelijke bedrijfsinformatie.

Toelichting hoe nieuw gecreëerde data vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar zijn en aan hoge standaarden voldoen

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde regels, technische normen en procedures vast die nodig zijn om de interoperabiliteit, beveiliging en doeltreffende werking van de digitale vergunningsstelsels te waarborgen.

Datastromen

Korte beschrijving van de datastromen

Soort data

Verwijzing naar voorschrift(en)

Actor die de gegevens verstrekt

Actor die de gegevens ontvangt

Aanleiding voor uitwisseling van data

Frequentie (indien van toepassing)

Vergunningsaanvragen

Artikel 4

Marktdeelnemer

Nationale bevoegde autoriteit

Vereist voor vergunningsaanvragen

n.v.t.

Voorafgaande kennisgeving van geplande investeringen door buitenlandse investeerders

Artikel 16

Marktdeelnemer

Nationale bevoegde autoriteit

Bij het voornemen om investeringen te doen

n.v.t.

Verslagen over de naleving van de regels inzake buitenlandse investeringen

Artikelen 19 tot en met 20

Nationale bevoegde autoriteit

Europese Commissie

Op verzoek

n.v.t.

Besluit over aangewezen gebieden voor versnelde industriële productie

Artikel 22

Lidstaat

Europese Commissie

Genomen beslissing

n.v.t.

4.3Digitale oplossingen

Geef voor elke digitale oplossing de referentie naar de eis(en) van digitaal belang met betrekking tot die oplossing, een beschrijving van de voorgeschreven functionaliteit van de digitale oplossing, de instantie die daarvoor verantwoordelijk zal zijn, en andere relevante aspecten zoals herbruikbaarheid en toegankelijkheid. Vermeld tot slot of het de bedoeling is dat de digitale oplossing gebruikmaakt van AI-technologieën.

Digitale oplossing

Verwijzing naar voorschrift(en)

Belangrijkste vereiste functies

Bevoegde instantie

Hoe wordt gezorgd voor toegankelijkheid?

Hoe wordt herbruikbaarheid in aanmerking genomen?

Gebruik van AI-technologie (indien van toepassing)

Digitaal vergunningsstelsel

Artikel 4

De vergunningsprocedures voor industriële productie worden met volledig digitale middelen uitgevoerd.

Het systeem voorziet in één gebruikersinterface die interactie met de relevante overheidsdiensten mogelijk maakt.

Het digitale vergunningssysteem maakt de papierloze indiening, opvolging en besluitvorming van vergunningsaanvragen mogelijk.

De lidstaten

Nationale bevoegde autoriteiten

Het digitale vergunningsstelsel maakt de papierloze indiening, opvolging en besluitvorming van vergunningsaanvragen mogelijk en is ontworpen om gebruiksvriendelijkheid en toegankelijkheid voor alle aanvragers, met inbegrip van personen met een handicap, te waarborgen.

Het digitale vergunningsstelsel maakt de papierloze indiening, opvolging en besluitvorming van vergunningsaanvragen mogelijk en is ontworpen om het hergebruik van gegevens en documenten die reeds in het bezit zijn van overheidsinstanties te waarborgen.

//

Toelichting hoe elke digitale oplossing aan het toepasselijke digitale beleid en de toepasselijke wetgevingshandelingen voldoet

Digitaal vergunningsstelsel

Digitale en/of sectorale beleidsmaatregelen (indien van toepassing)

Zo is gezorgd voor afstemming

AI-verordening

n.v.t.

EU-kader voor cyberbeveiliging

Het nationale digitale vergunningsstelsel wordt ontworpen om een hoog niveau van gegevensbescherming, cyberbeveiliging en integriteit van informatie te waarborgen.

eIDAS

//

Eén digitale toegangspoort en IMI

De verordening tot oprichting van één digitale toegangspoort wordt gewijzigd om informatie over vergunningsprocedures voor industriële productieprojecten en procedures in verband met industriële productieprojecten in het toepassingsgebied ervan op te nemen.

Andere beleidsmaatregelen

technisch systeem voor de toepassing van het eenmaligheidsbeginsel

4.4Interoperabiliteitsbeoordeling

Korte beschrijving van de digitale overheidsdienst(en) waarop de voorschriften betrekking hebben

Digitale overheidsdienst of categorie digitale overheidsdiensten

Beschrijving

Verwijzing naar voorschrift(en)

Interoperabel Europa-oplossing(en) (NIET VAN TOEPASSING)

Andere interoperabiliteitsoplossing(en)

Digitaal vergunningsstelsel

Categorie digitale overheidsdiensten volgens COFOG 04.7.4

De lidstaten maken een digitaal vergunningsstelsel op nationaal niveau mogelijk dat alle relevante overheidsinstanties met elkaar verbindt, om ervoor te zorgen dat de vergunningsprocedures voor industriële productie met volledig digitale middelen worden uitgevoerd.

Artikel 4

//

technisch systeem voor de toepassing van het eenmaligheidsbeginsel

Beoordeling van het effect van het voorschrift of de voorschriften op de grensoverschrijdende interoperabiliteit

Digitale overheidsdienst #1: Digitaal vergunningsstelsel

Beoordeling

Maatregel(en)

Mogelijke resterende belemmeringen (indien van toepassing)

Organisatorische maatregelen voor een vlotte grensoverschrijdende verlening van digitale overheidsdiensten

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling, de werking, het onderhoud, de beveiliging van en het toezicht op hun digitale vergunningsstelsels. In de mate van het mogelijke moet bij de uitvoering van de digitale vergunningsstelsels gebruik worden gemaakt van bestaande digitale infrastructuren, catalogi en bouwstenen van de Unie, waaronder die welke zijn ontwikkeld in het kader van het technisch systeem voor de toepassing van het eenmaligheidsbeginsel en de uitvoeringshandelingen daarvan. Dit zou de complementariteit, de interoperabiliteit en het efficiënte gebruik van overheidsmiddelen bevorderen en tegelijkertijd overlapping van bestaande digitale oplossingen voorkomen.

Er kunnen aanvullende organisatorische maatregelen op nationaal niveau nodig zijn om te zorgen voor een passende betrokkenheid van de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor individuele vergunningen.

Maatregelen om te zorgen voor een gedeeld begrip van de data

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde regels, technische normen en procedures vast die nodig zijn om de interoperabiliteit, beveiliging en doeltreffende werking van de digitale vergunningsstelsels te waarborgen. De vergunningsprocedures worden toegevoegd aan het toepassingsgebied van één digitale toegangspoort en één technisch systeem voor de toepassing van het eenmaligheidsbeginsel.

Gebruik van gezamenlijk overeengekomen open technische specificaties en standaarden

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde regels, technische normen en procedures vast die nodig zijn om de interoperabiliteit, beveiliging en doeltreffende werking van de digitale vergunningsstelsels te waarborgen.

4.5Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering

Vul onderstaande tabel in voor elke maatregel ter ondersteuning van de digitale uitvoering

Beschrijving van de maatregel

Verwijzing naar voorschrift(en)

Rol van de Commissie (indien van toepassing)

Actoren die erbij zullen worden betrokken (indien van toepassing)

Verwacht tijdschema (indien van toepassing)

Uitvoeringshandelingen

Artikelen 4, 13 en 31

Uitvoeringshandelingen

Europese Commissie

(1)    Gezamenlijke mededeling, Versterking van de economische veiligheid van de EU (JOIN(2025) 977 final.
(2)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “De Clean Industrial Deal: Een gezamenlijke routekaart voor concurrentievermogen en decarbonisatie”, COM(2025) 85 final van 26.2.2025.
(3)    Eurostat, Enterprises by detailed NACE Rev. 2 activity and special aggregates [sbs_ovw_act__custom_20259000] , laatst bijgewerkt op 8 december 2025, DOI: 10.2908/sbs_ovw_act.
(4)    Eurostat, Gross value added and income by main industry (NACE Rev.2 ) [nama_10_a10__custom_20259318] , laatst bijgewerkt op 20 februari 2026, DOI: 10.2908/nama_10_a10.
(5)    Eurostat, Air emissions accounts by NACE Rev. 2 activity [env_ac_ainah_r2__custom_20259376] , laatst bijgewerkt op 28 november 2025, DOI: 10.2908/env_ac_ainah_r2.
(6)    Eurostat, Gross value added and income by main industry (NACE Rev.2 ) [nama_10_a10__custom_20259318] , laatst bijgewerkt op 20 februari 2026, DOI: 10.2908/nama_10_a10.
(7)    Draghi, M. (2024). The future of European competitiveness – In-depth analysis and recommendations (Part B) .
(8)    Interne analyse van de Europese Commissie, zie effectbeoordeling.
(9)    OESO-werkdocumenten, A comprehensive overview of the Energy Intensive Industries ecosystem , 2025/09.
(10)    Een Europees actieplan voor staal en metaal COM(2025) 125 final van 19.3.2025.
(11)    Tegen 2040 is ongeveer 500 miljard EUR nodig voor de chemische industrie, de basismetaalindustrie, niet-metaalhoudende mineralen en de pulp- en papierindustrie - Draghi, M. (2024). The future of European competitiveness – In-depth analysis and recommendations (Part B) , blz. 99 en werkdocument van de diensten van de Commissie , effectbeoordeling, De klimaatdoelstelling van Europa voor 2040 en de weg naar klimaatneutraliteit tegen 2050 met het oog op de totstandbrenging van een duurzame, rechtvaardige en welvarende samenleving, Deel 3, blz.164.
(12)    JRC-analyse, zie effectbeoordeling.
(13)     Voortgangsverslag over het concurrentievermogen van schone-energietechnologieën , COM (2025) 74 final van 26.2.2025.
(14)    BloombergNEF, New Energy Outlook.
(15)     European automotive industry: What it takes to regain competitiveness , McKinsey, 10 maart 2025.
(16)    Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2019/631 wat betreft de CO2-emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen en de etikettering van voertuigen, en tot intrekking van Richtlijn 1999/94/EG.
(17)    Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende schone bedrijfsvoertuigen.
(18)    Gedetailleerde informatie is beschikbaar via het instrument “ Procurement for Buyers ” van de Europese Commissie op het Access2Markets-portaal en zal aanbestedende diensten in de EU helpen te achterhalen welke inschrijvers in aanmerking komen voor deelname aan openbare aanbestedingsprocedures in de EU-lidstaten, op basis van de bepalingen van de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten en bilaterale handelsovereenkomsten van de EU.
(19)    Voor de maatregelen voor leidende markten met betrekking tot cement worden de vereisten vastgesteld op het niveau van beton en mortel, aangezien dit de relevante eindproducten zijn die in de bouw worden gebruikt.
(20)    […] 
(21)    […] 
(22)    https://www.consilium.europa.eu/nl/policies/european-economic-security/
(23)    Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad betreffende een “strategie voor economische veiligheid van de EU” (JOIN(2023) 20 final).
(24)    Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad, Versterking van de economische veiligheid van de EU (JOIN(2025) 977 final).
(25)    Met uitzondering van NACE-code C12, e-vloeistoffen die worden gebruikt in vapingapparaten en nicotinehoudende producten onder C20.59 en de vervaardiging van elektronische sigaretten en toestellen voor de verwarming van tabak onder C32.99 (tenzij zij als geneesmiddel zijn toegelaten of als medisch hulpmiddel zijn gecertificeerd).
(26)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Een strategisch kader voor een concurrerende en duurzame bio-economie van de EU” (COM(2025) 960 final).
(27)    Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van Europese portemonnees voor ondernemingen (COM(2025) 838 final).
(28)    Verordening (EU) 2024/1735 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van een kader van maatregelen ter versterking van het Europese ecosysteem voor de productie van nettonultechnologie en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724 (PB L, 2024/1735, 28.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1735/oj).
(29)    Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020 (PB L, 2024/1252, 3.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1252/oj).
(30)    Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het versnellen van milieubeoordelingen (COM(2025) 984 final van 10.12.2025).
(31)    Wereldhandelsorganisatie (WHO), Agreement on Government Procurement 2012, beschikbaar op https://www.wto.org/english/docs_e/legal_e/rev-gpr-94_01_e.pdf .
(32)    Verordening (EU) 2024/3110 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 305/2011 (PB L 2024/3110, 18.12.2024, ELI:  http://data.europa.eu/eli/reg/2024/3110/oj ).
(33)    Verordening (EU) 2024/1781 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van vereisten inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2020/1828 en Verordening (EU) 2023/1542, en tot intrekking van Richtlijn 2009/125/EG (PB L, 2024/1781, 28.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1781/oj ).
(34)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Een industrieel plan voor de Green Deal voor het nettonultijdperk, (COM(2023) 62 final van 1.2.2023).
(35)    Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 59 van 27.2.2019, blz. 8, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/331/oj ).
(36)    Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PB L 334 van 31.12.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2018/2066/oj ).
(37)    Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 52, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/956/oj ).
(38)    Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj ).
(39)    Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1, ELI:  http://data.europa.eu/eli/dir/2014/23/oj ).
(40)    Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65, ELI:  http://data.europa.eu/eli/dir/2014/24/oj ).
(41)    Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
(42)    Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/631/oj).
(43)    Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/858/oj).
(44)    Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PB L 79I van 21.3.2019, blz. 1, ELI:  http://data.europa.eu/eli/reg/2019/452/oj ).
(45)    Verordening (EU) 2022/2560 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren (PB L 330 van 23.12.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2560/oj).
(46)    Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/139/oj).
(47)    Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Fonds voor concurrentievermogen, met inbegrip van een specifiek programma voor onderzoeks- en innovatieactiviteiten op defensiegebied, tot intrekking van de Verordeningen (EU) 2021/522, (EU) 2021/694, (EU) 2021/697 en (EU) 2021/783, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/696, (EU) 2023/588 en (EU) (COM(2025) 555 final van 16.7.2025).
(48)    Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2010/75/oj).    
(49)    PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1. http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2016/512/oj.
(50)    Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj ).
(51)    Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 tot oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1724/oj ).
(52)    Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51, ELI:  http://data.europa.eu/eli/dir/2003/96/oj ).
(53)    Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2018/2001, (EU) 2019/944 en (EU) 2024/1788 wat betreft het versnellen van de vergunningsprocedures ((2025/0400 (COD)).    
(54)    Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65, ELI:  http://data.europa.eu/eli/dir/2014/24/oj ).
(55)    Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243, ELI:  http://data.europa.eu/eli/dir/2014/25/oj ).
(56)    Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/858/oj).
(57)    Uitvoeringverordening (EU) 2025/1178 van de Commissie van 23 mei 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2024/1735 van het Europees Parlement en de Raad inzake de lijst van eindproducten met nettonultechnologie en de voornaamste specifieke componenten daarvan voor de beoordeling van de bijdrage aan de veerkracht (PB L, 2025/1178, 18.6.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1178/oj).
(58)    Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen ( PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 ).
(59)    Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/1542/oj).
(60)    Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2067 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de verificatie van gegevens en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 334 van 31.12.2018, blz. 94, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2018/2067/oj ).
(61)    Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1119/oj).
(62)    Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2001/42/oj).
(63)    Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1992/43/oj).
(64)    Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2000/60/oj).
(65)    Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/944/oj).
(66)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Een nieuwe industriestrategie voor Europa (COM(2020) 102 final).
(67)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Europese vaardighedenagenda voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht (COM(2020) 274 final).
(68)    In de zin van artikel 58, lid 2, punt a) of b), van het Financieel Reglement.
(69)    GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten.
(70)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.
(71)    Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële kandidaten van de Westelijke Balkan.
(72)    De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.
(73)    De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.
(74)    De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.
(75)    De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.
(76)    De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.
(77)    De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.
(78)    De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.
(79)    De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.
(80)    De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.
(81)    De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.
(82)    Outputs zijn de te verstrekken producten en diensten (bv. aantal gefinancierde studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen enz.).
(83)    Zoals beschreven in punt 1.3.2 “Specifieke doelstellingen”
(84)    De cijfers in bovenstaande tabellen zijn allemaal strikt indicatief in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen over het MFK 2028-2034, waarop niet kan worden vooruitgelopen.
(85)    Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 20 % aan inningskosten.
Top

Brussel, 4.3.2026

COM(2026) 100 final

BIJLAGEN

bij

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van een kader van maatregelen voor de versnelling van de industriële capaciteit en de decarbonisatie in strategische sectoren en tot wijziging van Verordeningen (EU) 2018/1724, (EU) 2024/1735 en (EU) 2024/3110

{SEC(2026) 70 final} - {SWD(2026) 70 final} - {SWD(2026) 71 final} - {SWD(2026) 72 final}


INHOUDSOPGAVE

BIJLAGE I
Strategische sectoren voor gebieden voor versnelde industriële productie
   2

BIJLAGE II
Vereisten inzake koolstofarme productie en oorsprong uit de Unie voor energie-intensieve industrieën
   2

Deel I — Openbare aanbestedingsprocedures2

Deel II — Andere vormen van overheidsinterventie3

BIJLAGE III
Vereisten inzake de oorsprong uit de Unie voor voertuigen
   4

Deel I — Openbare aanbestedingsprocedures voor elektrische voertuigen4

Deel II — Andere vormen van overheidsinterventie en financiële steun voor bedrijfsvoertuigen5

Deel III — Superkredieten voor kleine emissievrije voertuigen6

BIJLAGE IV
Wijziging van Verordening (EU)
2018/1724    7

BIJLAGE I
Strategische sectoren voor gebieden voor versnelde industriële productie

1.Energie-intensieve industrieën:

a)De vervaardiging van papier en papierwaren, zoals ingedeeld onder NACE-code C17;

b)De vervaardiging van cokes en van geraffineerde aardolieproducten, zoals ingedeeld onder NACE-code C19;

c)De vervaardiging van chemische producten, zoals ingedeeld onder NACE-code C20;

d)De vervaardiging van producten van rubber of kunststof, zoals ingedeeld onder NACE-code C22;

e)De vervaardiging van andere niet-metaalhoudende minerale producten, zoals ingedeeld onder NACE-code C23;

f)De vervaardiging van metalen in primaire vorm, zoals ingedeeld onder NACE-code C24.

2.Auto-industrie: de vervaardiging van motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers, zoals ingedeeld onder NACE-code C29;

3.Nettonultechnologieën, als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2024/1735;

BIJLAGE II
Vereisten inzake koolstofarme productie en oorsprong uit de Unie voor energie-intensieve industrieën

Deel I — Openbare aanbestedingsprocedures

Indien, in het kader van op of na 1 januari 2029 gestarte openbare aanbestedingsprocedures die binnen het toepassingsgebied van de Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU of 2014/25/EU vallen, de opdrachten, opdrachten voor werken of concessies voor werken de aankoop van producten uit energie-intensieve industrieën omvatten, eisen de aanbestedende diensten de volgende minimumpercentages:

a)staal en alle producten waarvan de prestaties hoofdzakelijk afhankelijk zijn van staal, bestemd voor gebruik in gebouwen, infrastructuur en motorvoertuigen voor civiele doeleinden: ten minste 25 % van het totale volume van het gebruikte staal moet koolstofarm zijn;

b)beton en mortel en alle producten waarvan de prestaties hoofdzakelijk afhankelijk zijn van beton en mortel, bestemd voor gebruik in gebouwen en infrastructuur voor civiele doeleinden: ten minste 5 % van het totale volume van de gebruikte beton en mortel, met inbegrip van de klinker en het cement die voor de productie ervan worden gebruikt, moet koolstofarm zijn en van oorsprong zijn uit de Unie;

c)aluminium en alle producten waarvan de prestaties hoofdzakelijk afhankelijk zijn van aluminium, bestemd voor gebruik in gebouwen, infrastructuur en motorvoertuigen voor civiele doeleinden: ten minste 25 % van het totale volume van het gebruikte aluminium moet koolstofarm zijn en van oorsprong zijn uit de Unie.

Deel II — Andere vormen van overheidsinterventie

Voor regelingen die op of na 1 januari 2029 zijn ingesteld of bijgewerkt die ten goede komen aan huishoudens of bedrijven en die in de eerste plaats tot doel hebben de bouw of renovatie van gebouwen voor residentiële en commerciële doeleinden en infrastructuur en de huur en aankoop van motorvoertuigen voor civiele doeleinden te ondersteunen, zorgen de lidstaten, regionale of lokale autoriteiten, publiekrechtelijke instellingen of samenwerkingsverbanden bestaande uit een of meer van deze autoriteiten of een of meer van deze publiekrechtelijke instellingen ervoor dat alleen begunstigden die aan de volgende minimumeisen voldoen, in aanmerking komen.

a)staal en alle producten waarvan de prestaties hoofdzakelijk afhankelijk zijn van staal: ten minste 25 % van het totale volume van het gebruikte staal in het product of project dat steun ontvangt, moet koolstofarm zijn;

b)beton en mortel en alle producten waarvan de prestaties hoofdzakelijk afhankelijk zijn van beton en mortel: ten minste 5 % van het totale volume van de gebruikte beton en mortel, met inbegrip van de klinker en het cement die voor de productie ervan worden gebruikt, in het product of project dat steun ontvangt, moet koolstofarm zijn en van oorsprong zijn uit de Unie;

c)aluminium en alle producten waarvan de prestaties hoofdzakelijk afhankelijk zijn van aluminium: ten minste 25 % van het totale volume van het gebruikte aluminium in het product of project dat steun ontvangt, moet koolstofarm zijn en van oorsprong zijn uit de Unie.

BIJLAGE III
Vereisten inzake de oorsprong uit de Unie voor voertuigen

Deel I — Openbare aanbestedingsprocedures voor elektrische voertuigen

Nieuwe puur elektrische voertuigen (PEV’s), extern oplaadbare hybride elektrische voertuigen (OVC-HEV’s) of brandstofcelvoertuigen (FCV’s) die worden gekocht, geleased, gehuurd of via huurkoop worden verkregen in het kader van openbare aanbestedingsprocedures die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/24/EU of Richtlijn 2014/25/EU vallen en die op of na [OP: Please insert the date = six months after the date of entry into force of this Regulation] moeten voldoen aan de in deze bijlage vastgestelde vereisten inzake de oorsprong uit de Unie.

Nieuwe PEV’s, OVC-HEV’s en FCV’s die worden gebruikt voor de verlening van diensten via openbare aanbestedingsprocedures die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/24/EU of Richtlijn 2014/25/EU vallen, moeten voldoen aan de in deze bijlage vastgestelde vereisten inzake de oorsprong uit de Unie.

De in de vorige alinea’s bedoelde voertuigen moeten voldoen aan de volgende vereisten inzake de oorsprong uit de Unie:

a)het voertuig is in de Unie geassembleerd;

b)de verhouding tussen de totale prijs af fabriek van voertuigonderdelen — met uitzondering van de voertuigbatterij — van oorsprong uit de Unie en de totale prijs af fabriek van alle componenten — met uitzondering van de batterij — bedraagt ten minste 70 %;

c)de tractiebatterij van het voertuig bevat ten minste drie van de voornaamste specifieke componenten van batterijen, waaronder de batterijcellen, die van oorsprong zijn uit de Unie;

d)de tractiebatterij van het voertuig bevat ten minste vijf van de voornaamste specifieke componenten van batterijen, waaronder de batterijcellen, het actief kathodemateriaal en het batterijbeheersysteem, die van oorsprong zijn uit de Unie;

e)de verhouding tussen de totale prijs af fabriek van componenten van elektrische aandrijflijnen van oorsprong uit de Unie en de totale prijs af fabriek van alle componenten van elektrische aandrijflijnen bedraagt ten minste 50 %;

f)de verhouding tussen de totale prijs af fabriek van de voornaamste elektronische systemen van oorsprong uit de Unie en de totale prijs af fabriek van alle voornaamste elektronische systemen is gelijk aan of groter dan 50 %.

De vereisten van de punten d), e) en f) zijn van toepassing met ingang van [OP: please insert date 3 years after the date of entry into force of this Regulation].

In afwijking van de bovenstaande vereisten moeten kleine elektrische voertuigen van subcategorie M1E, zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2018/858, voldoen aan de volgende vereisten inzake de oorsprong uit de Unie:

1.het voertuig is in de Unie geassembleerd;

2.en een van de twee onderstaande criteria:

a)de verhouding tussen de totale prijs af fabriek van de voertuigonderdelen — met uitzondering van de voertuigbatterij — van oorsprong uit de Unie en de totale prijs af fabriek van alle voertuigonderdelen— met uitzondering van de batterij — is gelijk aan of groter dan 70 %; of

b)de tractiebatterij van het voertuig bevat ten minste drie van de voornaamste specifieke componenten van batterijen, waaronder de batterijcellen, die van oorsprong zijn uit de Unie.

Op verzoek van een voertuigfabrikant kunnen alle PEV’s, OVC-HEV’s of FCV’s van die voertuigfabrikant worden geacht gedurende een periode van twaalf maanden aan de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie te voldoen indien de fabrikant aantoont dat het totale aantal van alle PEV’s, OVC-HEV’s of FCV’s die aan de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie voldoen en die door die voertuigfabrikant in de periode van 1 januari tot en met 31 december van het voorgaande jaar zijn geassembleerd, gelijk is aan of groter is dan 85 % van het totale aantal PEV’s, OVC-HEV’s of FCV’s van dezelfde voertuigfabrikant die in dezelfde periode in de Unie zijn geregistreerd.

Wanneer openbare aanbestedingsprocedures betrekking hebben op openbaredienstcontracten als bedoeld in alinea 2, worden voertuigen die reeds in de Unie zijn geregistreerd, tot en met 31 december 2035 geacht aan de vereisten van deze bijlage te voldoen.

Deel II — Andere vormen van overheidsinterventie en financiële steun voor bedrijfsvoertuigen

Voor regelingen die zijn ingesteld of bijgewerkt na [OP: Please insert the date = six months after the date of entry into force of this Regulation] die de aankoop, leasing, huur of huurkoop van nieuwe PEV’s, OVC-HEV’s of FCV’s ondersteunen, zorgen de lidstaten, regionale of lokale autoriteiten, publiekrechtelijke instellingen of samenwerkingsverbanden bestaande uit een of meer van deze autoriteiten of een of meer van deze publiekrechtelijke instellingen ervoor dat alleen voertuigen die voldoen aan de onderstaande minimale vereisten inzake de oorsprong uit de Unie in het kader van de regeling in aanmerking komen.

Voor het in aanmerking nemen van bedrijfswagens en bestelwagens “die in de Europese Unie zijn vervaardigd” overeenkomstig artikel 4 van het [voorstel voor een verordening van 16 december 2025 betreffende schone bedrijfsvoertuigen] zijn de onderstaande vereisten van toepassing.

a)het voertuig is in de Unie geassembleerd;

a)de verhouding tussen de totale prijs af fabriek van de voertuigonderdelen — met uitzondering van de voertuigbatterij — van oorsprong uit de Unie en de totale prijs af fabriek van alle voertuigonderdelen— met uitzondering van de batterij — is gelijk aan of groter dan 70 %;

b)de tractiebatterij van het voertuig bevat ten minste drie van de voornaamste specifieke componenten van batterijen, waaronder de batterijcellen, die van oorsprong zijn uit de Unie;

c)de tractiebatterij van het voertuig bevat ten minste vijf van de voornaamste specifieke componenten van batterijen, waaronder de batterijcellen, het actief kathodemateriaal en het batterijbeheersysteem, die van oorsprong zijn uit de Unie;

d)de verhouding tussen de totale prijs af fabriek van componenten van elektrische aandrijflijnen van oorsprong uit de Unie en de totale prijs af fabriek van alle componenten van elektrische aandrijflijnen is gelijk aan of groter dan 50 %;

e)de verhouding tussen de totale prijs af fabriek van de voornaamste elektronische systemen van oorsprong uit de Unie en de totale prijs af fabriek van alle voornaamste elektronische systemen is gelijk aan of groter dan 50 %.

De vereisten van de punten d), e) en f) zijn van toepassing met ingang van [OP: please insert date three years after the date of entry into force of this Regulation].

In afwijking van de bovenstaande vereisten moeten kleine elektrische voertuigen van subcategorie M1E, zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2018/858, voldoen aan de volgende vereisten inzake de oorsprong uit de Unie:

1.    het voertuig is in de Unie geassembleerd;

2.    en een van de twee onderstaande criteria:

a)de verhouding tussen de totale prijs af fabriek van de voertuigonderdelen — met uitzondering van de voertuigbatterij — van oorsprong uit de Unie en de totale prijs af fabriek van alle voertuigonderdelen— met uitzondering van de batterij — is gelijk aan of groter dan 70 %; of

b)de tractiebatterij van het voertuig bevat ten minste drie van de voornaamste specifieke componenten van batterijen, waaronder de batterijcellen, die van oorsprong zijn uit de Unie.

Op verzoek van een voertuigfabrikant kunnen alle PEV’s, OVC-HEV’s of FCV’s van die voertuigfabrikant worden geacht gedurende een periode van twaalf maanden aan de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie te voldoen indien de fabrikant aantoont dat alle PEV’s, OVC-HEV’s of FCV’s die aan de vereisten inzake de oorsprong uit de Unie voldoen en die door die voertuigfabrikant in de periode van 1 januari tot en met 31 december van het voorgaande jaar zijn geassembleerd, gelijk is aan of groter is dan 85 % van het totale aantal PEV’s, OVC-HEV’s of FCV’s van dezelfde voertuigfabrikant die in dezelfde periode in de Unie zijn geregistreerd.

Deel III — Superkredieten voor kleine emissievrije voertuigen

Voor het aanmerken van voertuigen als “vervaardigd in de EU” overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) 2019/631 [zoals gewijzigd bij het voorstel voor een verordening van 16 december 2025 tot wijziging van Verordening (EU) 2019/631 wat betreft CO2-emissienormen voor nieuwe lichte voertuigen en de etikettering van voertuigen] gelden de volgende criteria:

1.het voertuig is in de Unie geassembleerd;

2.en een van de twee onderstaande criteria:

a)de verhouding tussen de totale prijs af fabriek van de voertuigonderdelen — met uitzondering van de voertuigbatterij — van oorsprong uit de Unie en de totale prijs af fabriek van alle voertuigonderdelen— met uitzondering van de batterij — is gelijk aan of groter dan 70 %; of

b)de tractiebatterij van het voertuig bevat ten minste drie van de voornaamste specifieke componenten van batterijen, waaronder de batterijcellen, die van oorsprong zijn uit de Unie.

BIJLAGE IV
Wijziging van Verordening (EU) 2018/1724

De bijlagen I en II worden als volgt gewijzigd:

1.Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)de volgende rij “Vergunningsprocedures” wordt toegevoegd in de tabel voor “Informatiegebieden in verband met bedrijven” vóór de rij “AJ. Projecten inzake kritieke grondstoffen”:

“Vergunningsprocedures

Informatie over vergunningsprocedures voor industriële productieprojecten, met inbegrip van projecten voor de productie van nettonultechnologie en projecten inzake kritieke grondstoffen.”;

b)in rij “R. Projecten voor de productie van nettonultechnologie” wordt in de tweede kolom punt 1 geschrapt;

c)in rij “AJ. Projecten inzake kritieke grondstoffen” wordt in de tweede kolom punt 2 geschrapt;

2.Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)de rij “Starten, exploiteren en sluiten van een bedrijf” wordt als volgt gewijzigd:

a)in de tweede kolom wordt de volgende tweede alinea toegevoegd:

“Toestemming voor de uitoefening van een bedrijfsactiviteit, met inbegrip van procedures met betrekking tot alle relevante vergunningen voor de bouw en exploitatie van projecten inzake kritieke grondstoffen 1 , procedures voor alle relevante vergunningen voor het bouwen, uitbreiden, omzetten en exploiteren van projecten voor de productie van nettonultechnologie 2 , en procedures met betrekking tot industriële productieprojecten”; 

b)in de derde kolom wordt de volgende tweede alinea toegevoegd:

“Bevestiging van het verzoek om toestemming voor bedrijfsactiviteiten, alsook alle outputs met betrekking tot de procedures in verband met projecten inzake kritieke grondstoffen, de productie van nettonultechnologie en projecten voor industriële productie (variërend van de erkenning dat de aanvraag volledig is tot de kennisgeving van het raambesluit over het resultaat van de procedure, onder meer door het aangewezen contactpunt)”;

b)de rijen “Projecten inzake kritieke grondstoffen” en “Projecten voor de productie van nettonultechnologie” worden geschrapt.

(1)    Procedure met betrekking tot alle relevante vergunningen voor de bouw en exploitatie van projecten inzake kritieke grondstoffen, met inbegrip van bouwvergunningen, vergunningen voor chemische stoffen en vergunningen voor netaansluitingen, en, indien die vereist zijn, milieueffectbeoordelingen en milieuvergunningen, en die alle toepassingen en procedures omvat, van de erkenning van de volledigheid van de aanvraag tot de kennisgeving van het raambesluit over de resultaten van de procedure door het betrokken centrale contactpunt op grond van artikel 9 van Verordening (EU) 2024/1252.
(2)    Procedures voor alle relevante vergunningen voor het bouwen, uitbreiden, omzetten en exploiteren van projecten voor de productie van nettonultechnologie en strategische nettonulprojecten, met inbegrip van vergunningen in verband met de bouw, chemische stoffen en aansluiting op het net, en eventueel vereiste milieubeoordelingen en -vergunningen, en die alle aanvragen en procedures omvatten.
Top