EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 19.11.2025
COM(2025) 847 final
2025/0847(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van een kader van maatregelen om het vervoer van militair materieel en personeel en van militaire goederen in de hele Unie te vergemakkelijken
{SWD(2025) 847 final}
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Militaire mobiliteit is het vermogen van de krijgsmachten van de lidstaten om in de Unie en over haar buitengrenzen snel troepen en materieel te verplaatsen voor militaire doeleinden. Dit vormt een essentiële factor voor de veiligheid en het afschrikkingsvermogen van Europa, en draagt bij tot de paraatheid en gereedheid van de Unie. Militaire mobiliteit is vitaal voor de Europese veiligheid en defensie en voor het vermogen om te reageren op natuurlijke en door de mens veroorzaakte verstoringen. De krijgsmachten van de EU-lidstaten moeten militair materieel, goederen en passagiers kunnen vervoeren in de Unie en over haar buitengrenzen, en tegelijkertijd moeten de gevolgen van dergelijk vervoer voor het civiele vervoer tot een minimum worden beperkt en worden verzacht, en moet snel en op voldoende grote schaal kunnen worden gereageerd op crises die zich aandienen aan en over de buitengrenzen van de EU. De Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne heeft bovendien aangetoond hoe belangrijk het is om militaire steun en benodigdheden zo snel en soepel mogelijk te kunnen verplaatsen.
Hoewel er belangrijke vooruitgang is geboekt, blijven er in de EU aanzienlijke belemmeringen bestaan voor doeltreffende militaire mobiliteit. Uiteenlopende nationale voorschriften, versnipperde procedures en het ontbreken van duidelijke coördinatie blijven het militaire vervoer vertragen. De vervoersinfrastructuur van de EU is onvoldoende afgestemd op de vereisten voor tweeërlei gebruik en blijft kwetsbaar voor verstoringen. Ook is de toegang tot brandstoffen voor militaire vervoersactiviteiten nog steeds een uitdaging. Vervoersvermogens voor tweeërlei gebruik — die cruciaal zijn voor militaire vervoersactiviteiten — blijven schaars. Deze belemmeringen leggen kritieke kwetsbaarheden in het vervoersnetwerk van de Unie bloot en ondermijnen de veiligheidspositie, de civielebeschermingsactiviteiten en het afschrikkingsvermogen van de EU.
In het gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030 van maart 2025 wordt erkend dat de belemmeringen op het gebied van regelgeving, infrastructuur en vermogens moeten worden aangepakt om de militaire mobiliteit aanzienlijk te kunnen verbeteren. In de routekaart voor defensiegereedheid 2030 van 16 oktober 2025 wordt dit vertaald in duidelijke streefdoelen en mijlpalen en wordt voor november 2025 een pakket militaire mobiliteit aangekondigd.
In de conclusies van de Europese Raad van 26 juni 2025 werden de Commissie en de hoge vertegenwoordiger ook verzocht verdere voorstellen te presenteren om de militaire mobiliteit te versterken, zodat defensiematerieel en -personeel in de hele Unie efficiënt kunnen worden verplaatst.
De verordening beantwoordt aan deze oproepen en maakt, samen met de gezamenlijke mededeling over militaire mobiliteit, deel uit van het pakket militaire mobiliteit. Erin wordt een uitgebreide reeks maatregelen voorgesteld om het vervoer van materieel, goederen en personeel voor militaire doeleinden te vergemakkelijken en tegelijkertijd de gevolgen van dergelijk vervoer voor het civiele vervoer tot een minimum te beperken en te verzachten.
De verordening omvat een uitgebreide reeks maatregelen om:
a)grensoverschrijdend militair vervoer te stroomlijnen (vaststelling van een uniform kader voor vergunningsprocedures en waarborging van ononderbroken en veilig militair vervoer);
b)de respons in noodsituaties te verbeteren (totstandbrenging van een doeltreffend, gecoördineerd en doelmatig kader om militair vervoer bij tijdelijke, buitengewone en dringende situaties te vergemakkelijken);
c)de gereedheid en bescherming van infrastructuur te verbeteren (vaststelling van voorschriften om de gereedheid van vervoersinfrastructuur voor tweeërlei gebruik te vergroten en strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik beter te beschermen tegen alle gevaren en dreigingen);
d)solidariteit en het delen van vermogens te bevorderen (aanmoedigen van het delen en bundelen van vervoers- en logistieke vermogens door middel van een solidariteitspool en vergroten van het inzicht in bestaande militaire vervoersvermogens).
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Deze verordening, die is gericht op de aanpassing van vervoersinfrastructuur en vervoersmiddelen voor tweeërlei gebruik, alsook op procedures om vervoer voor doeleinden van militaire mobiliteit te vergemakkelijken en tegelijkertijd de gevolgen van dergelijk vervoer voor het civiele vervoer tot een minimum te beperken en te verzachten, is volledig in overeenstemming met en vormt een aanvulling op de vooruitgang die tot dusver is geboekt met de verbetering van de militaire mobiliteit.
Sinds 2017 volgt de EU een specifieke agenda om de militaire mobiliteit te versterken. In twee actieplannen voor militaire mobiliteit uit 2018 en 2022 is een reeks maatregelen voorgesteld om fysieke, procedurele en regelgevende belemmeringen voor militaire verplaatsingen weg te nemen. In 2024 hebben de lidstaten zich er in hun ambitieuze toezegging inzake militaire mobiliteit toe verbonden de resterende lacunes op het gebied van militaire mobiliteit te dichten. Militaire mobiliteit is ook een prioritair gebied in de samenwerking tussen de EU en de NAVO.
Wat regelgevingsaspecten betreft, waren de inspanningen tot nu toe voornamelijk gericht op vergunningen voor grensoverschrijdende militaire verplaatsingen. In dit verband hebben het Europees Defensieagentschap (EDA) en de bijdragende lidstaten technische regelingen vastgesteld om de vergunningsprocedures voor grensoverschrijdende verplaatsingen te standaardiseren, met als doel deze te vereenvoudigen en harmoniseren. Hoewel deze regelingen een belangrijke stap voorwaarts betekenen, is de uitvoering ervan ontoereikend om militair vervoer daadwerkelijk te versoepelen en vergemakkelijken.
Wat infrastructuur betreft, moeten de lidstaten op grond van de herziene TEN-T-verordening van 2024 militaire mobiliteit integreren in het Europees vervoersbeleid teneinde een netwerk voor tweeërlei gebruik tot stand te brengen. Om de investeringen in goede banen te leiden, heeft de Raad in 2025 vier prioritaire multimodale militaire mobiliteitscorridors aangewezen, die nauwere samenwerking tussen de lidstaten en een meer samenhangende planning mogelijk zullen maken. De totstandbrenging van een netwerk voor tweeërlei gebruik vereist aanzienlijke investeringen. In het kader van het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 is 1,69 miljard EUR bestemd voor de medefinanciering van infrastructuur voor tweeërlei gebruik via de Connecting Europe Facility (CEF), waarmee 95 projecten in 21 lidstaten werden ondersteund. De vraag overschreed de beschikbare middelen echter aanzienlijk: de overinschrijvingsratio bedroeg bij de derde en laatste oproep voor projecten op het gebied van vervoersinfrastructuur voor tweeërlei gebruik in het kader van de CEF 4,7. 22 lidstaten hebben in het kader van deze oproep een aanvraag ingediend voor in totaal 112 projecten (met een totale aangevraagde EU-medefinanciering van 3,7 miljard EUR), en uiteindelijk werd 807 miljoen EUR toegewezen om 38 projecten in 18 lidstaten te ondersteunen. Dit, in combinatie met de toegenomen urgentie om de defensie van de EU te versterken, heeft de Commissie ertoe aangezet een vertienvoudiging van de begroting voor militaire mobiliteit voor te stellen voor het CEF-voorstel voor het volgende MFK 2028-2034. Bovendien kunnen de lidstaten in het volgende MFK investeringen in infrastructuur voor tweeërlei gebruik, met name in TEN-T-infrastructuur, ondersteunen in het kader van hun nationale en regionale plannen. Daarnaast kunnen de lidstaten in deze MFK-periode middelen van het cohesiebeleid herbestemmen en het SAFE-instrument gebruiken om projecten voor tweeërlei gebruik te financieren. Tot slot heeft de Europese Investeringsbank Groep onlangs haar beleid inzake kredietverlening op het gebied van defensie gewijzigd en is zij voornemens om in 2025 3,5 miljard EUR te investeren in veiligheid en defensie, onder meer in defensie-infrastructuur en militaire mobiliteit.
Er is niet alleen vooruitgang geboekt op het gebied van regelgevingsaspecten en infrastructuur, maar ook met betrekking tot vermogens en digitalisering, en de ontwikkeling van in de toekomst noodzakelijke, voor militaire mobiliteit cruciale vervoersmiddelen. Zo heeft de EU via het Europees Defensiefonds (EDF) projecten ondersteund op het gebied van digitale informatie-uitwisseling, bovenmaatse luchtvracht en toekomstige luchtsystemen. Horizon Europa, het belangrijkste onderzoeks- en innovatieprogramma van de EU, heeft ook onderzoek en innovatie ondersteund die de militaire mobiliteit indirect verbetert, zoals accu’s, brandstofcellen, waterstoftechnologieën, spoorwegsystemen met hoge capaciteit en intelligente vervoerssystemen. Op grond van het voorstel van de Commissie voor het volgende Horizon Europa-kaderprogramma kan militaire mobiliteit mogelijk op een directere manier worden ondersteund, aangezien maatregelen voor tweeërlei gebruik in aanmerking zouden komen voor steun. De lidstaten kunnen bovendien het SAFE-instrument gebruiken om de aanschaf van vermogens op het gebied van militaire mobiliteit te financieren. In het kader van het volgende MFK heeft de Commissie in het voorstel voor het Europees Fonds voor concurrentievermogen (EFC) een specifieke component inzake de facilitering en ondersteuning van militaire logistiek voorgesteld, met inbegrip van activiteiten in verband met de digitalisering van militaire mobiliteitsprocessen, de aankoop van producten die de toegang tot vermogens op het gebied van militaire mobiliteit verbeteren, de bescherming en weerbaarheid van infrastructuur voor tweeërlei gebruik, en bijstand aan de lidstaten bij de toegang tot de vereiste vervoers- en logistieke middelen en materieel. De vormgeving en werking van de solidariteitspool maken een optimale afstemming mogelijk op potentiële investeringen ter verbetering van de toegang tot militaire vervoersvermogens in het kader van het EFC-voorstel. Het InvestEU-instrument van het EFC kan leningen en garanties verstrekken voor infrastructuur voor tweeërlei gebruik.
Deze verordening is volledig in overeenstemming met de tot dusver geboekte vooruitgang, geleverde inspanningen en gepresenteerde voorstellen. In de verordening is aandacht voor belangrijke, tot dusver niet adequaat aangepakte aspecten in alle drie de dimensies: regelgeving, infrastructuur en vermogens. De verordening is volledig afgestemd op de voor het volgende MFK voorziene financiële investeringen en zal in harmonie met deze investeringen worden uitgevoerd. Zo zullen investeringen in infrastructuur via de CEF een synergetisch effect teweegbrengen door de beschikbaarheid van aangepaste infrastructuur voor tweeërlei gebruik binnen de Unie te vergroten, en zo het militaire vervoer vergemakkelijken .
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
De verordening is in overeenstemming met de gezamenlijke mededeling van 26 maart 2025 over de strategie voor een paraatheidsunie. In deze mededeling wordt gepleit voor intensievere civiel-militaire samenwerking met betere interactie tussen civiele en militaire actoren, een aanpak die centraal staat in deze verordening en waarmee wordt beoogd de maatschappijbrede en overheidsbrede aanpak van militaire vervoersactiviteiten te verbeteren.
De verordening is ook in overeenstemming met de mededeling van de Commissie “EU-strategie voor het aanleggen van voorraden: de materiële paraatheid van de EU ten aanzien van crises bevorderen”. In de verordening worden concrete maatregelen voorgesteld om tegemoet te komen aan de in deze mededeling gedane oproep om de samenwerking en coördinatie te verbeteren teneinde aanpasbare beleidsmaatregelen en regelgevingskaders voor grensoverschrijdende verplaatsingen in tijden van crisis en verstoring tot stand te brengen, met name door de procedures voor de grensoverschrijdende verplaatsing en toewijzing van middelen te vereenvoudigen en gerichte flexibiliteit te bieden in vervoersverordeningen. De bepalingen van deze verordening die verband houden met het Europees systeem voor versterkte respons inzake militaire mobiliteit (European Military Mobility Enhanced Response System — EMERS) zijn met name in overeenstemming met de benadering die wordt beschreven in de EU-strategie voor het aanleggen van voorraden.
De verordening voorziet in de mogelijkheid om een solidariteitspool van gedeelde vervoers- en logistieke vermogens op te zetten om de vermogenslacunes te dichten waarmee de lidstaten worden geconfronteerd bij het uitvoeren van militaire vervoersactiviteiten, en bouwt rechtstreeks voort op de succesvolle ervaring van de Commissie met de Europese pool voor civiele bescherming en rescEU in het kader van het Uniemechanisme voor civiele bescherming.
Hoewel met deze verordening wordt beoogd de weerbaarheid van de strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik te vergroten, wordt ook voortgebouwd op de bestaande richtlijn betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten. De verordening komt onder meer tegemoet aan de specifieke noodzaak om de weerbaarheid te vergroten en de bescherming te verbeteren van infrastructuur voor tweeërlei gebruik die van strategisch belang is voor militair vervoer, door aanvullende voorschriften in te voeren die voortbouwen op de bovengenoemde bestaande richtlijn, met bijzondere aandacht voor de aanwijzing en weerbaarheid van dergelijke vervoersinfrastructuur.
Tot slot worden specifieke en aanvullende bepalingen inzake douaneprocedures voor militair vervoer voorgesteld, die strikt noodzakelijk zijn om de uitvoering van de beoogde vervoersmaatregelen te vergemakkelijken, maar blijft deze verordening volledig verenigbaar met de voorgestelde herziening van het douanewetboek van de Unie, waarin de douanevoorschriften en -procedures voor het douanegebied van de EU zijn vastgesteld.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
De krijgsmachten van de lidstaten zijn voor hun militaire vervoersactiviteiten sterk afhankelijk van vervoersinfrastructuur en vervoersmiddelen voor tweeërlei gebruik. Door deze dimensie van tweeërlei gebruik te erkennen kan het gemeenschappelijk vervoersbeleid worden ingezet en ontwikkeld om tegemoet te komen aan de specifieke eisen van militair vervoer.
Voorts moeten de voorschriften inzake grensoverschrijdend militair vervoer worden ontwikkeld binnen en naar behoren worden geïntegreerd in het gemeenschappelijk vervoersbeleid, dat op Unieniveau wordt ontwikkeld, met name om rekening te houden met relevante specifieke kenmerken van vervoersactiviteiten die namens krijgsmachten door civiele ondernemingen worden verricht, en om te waarborgen dat de gevolgen van militair vervoer voor andersoortig, civiel vervoer tot een minimum worden beperkt en worden verzacht.
Rekening houdend met het bovenstaande en ook met het feit dat de verordening niet alleen maatregelen bevat die van toepassing zijn op vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren, maar ook op lucht- en zeevervoer, wordt de rechtsgrondslag van de verordening gevormd door de artikelen 91 en 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De verordening voorziet in een reeks maatregelen en passende bepalingen waarmee wordt beoogd het militaire vervoer in de Unie en over haar buitengrenzen te vergemakkelijken en de gevolgen van dergelijk vervoer voor het civiele vervoer tot een minimum te beperken en te verzachten.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Met “militaire mobiliteit in de EU” wordt verwezen naar het vermogen van de krijgsmachten van de lidstaten om in de Unie en over haar buitengrenzen snel troepen en materieel te verplaatsen voor militaire doeleinden. Gezien de inherent transnationale aard van militaire mobiliteit ondervindt deze aanzienlijke gevolgen van de complexiteit van grensoverschrijdende verplaatsingen. Door de uitdagingen in verband met grensoverschrijdend militair vervoer aan te pakken, wordt met deze verordening het subsidiariteitsbeginsel geëerbiedigd en gewaarborgd dat besluiten op het meest doeltreffende niveau worden genomen teneinde soepele en efficiënte militaire mobiliteit in de hele EU te bevorderen.
Wat regelgeving betreft, is er, ondanks nationale en intergouvernementele inspanningen, onvoldoende vooruitgang geboekt bij het vergemakkelijken van grensoverschrijdend militair vervoer. Het huidige regelgevingslandschap wordt gekenmerkt door inconsistente en uiteenlopende nationale voorschriften, wat leidt tot een versnipperd kader dat het efficiënte gebruik van vervoersinfrastructuur voor tweeërlei gebruik, en derhalve het grensoverschrijdende vervoer van militair personeel en materieel, belemmert en het tot een minimum beperken van de gevolgen voor het civiele vervoer bemoeilijkt. Om dit probleem aan te pakken, is een uniform regelgevingskader op Unieniveau nodig om een samenhangende en uniforme aanpak vast te stellen die waarborgt dat vervoersinfrastructuur voor tweeërlei gebruik kan worden aangewend voor militaire verplaatsingen. Daarnaast moeten de voorschriften inzake grensoverschrijdend militair vervoer worden geïntegreerd en ontwikkeld in het kader van het gemeenschappelijk vervoersbeleid, dat op Unieniveau wordt vastgesteld.
Wat infrastructuur betreft, zijn grensoverschrijdende militaire vervoersactiviteiten inherent afhankelijk van infrastructuurnetwerken voor tweeërlei gebruik die meerdere lidstaten bestrijken. De in 2025 aangewezen militaire mobiliteitscorridors zijn uitstekende voorbeelden van deze grensoverschrijdende dimensie. Bijgevolg zijn de in deze verordening voorgestelde maatregelen om de gereedheid en weerbaarheid van infrastructuur voor tweeërlei gebruik te vergroten zowel noodzakelijk om een soepele uitvoering van grensoverschrijdende militaire vervoersactiviteiten te waarborgen als in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. Versnipperde nationale benaderingen zouden daarentegen ontoereikend zijn om te waarborgen dat voor grensoverschrijdende militaire vervoersactiviteiten infrastructuur voor tweeërlei gebruik kan worden gebruikt die geschikt is voor het beoogde doel.
Wat vervoers- en logistieke vermogens betreft, worden de lidstaten geconfronteerd met aanzienlijke lacunes die in de praktijk moeilijk volledig op nationaal niveau kunnen worden overbrugd, gezien de aanzienlijke investeringen die hiervoor nodig zijn en omdat een afzonderlijke aanpak zou leiden tot onnodig dubbel werk. Dit kan efficiënt militair vervoer in de Unie en over haar buitengrenzen beletten. Om dit probleem te verhelpen, zijn diverse lidstaten geslaagde initiatieven gestart voor het bundelen en delen van vervoers- en logistieke vermogens, zoals strategisch luchttransport, waaruit het potentieel van op samenwerking gebaseerde benaderingen blijkt. Op dit moment zijn deze initiatieven echter nog versnipperd en beperkt tot een aantal lidstaten. De voorgestelde verordening heeft tot doel op deze successen voort te bouwen door deze toegankelijk te maken voor alle lidstaten en het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot aanvullende vervoerswijzen en -vermogens. Door een solidariteitspool op te zetten en maatregelen in te voeren om de solidariteit tussen de lidstaten bij de toegang tot relevante vermogens te vergroten en zo de vermogenslacunes aan te pakken die het militaire vervoer op Unieniveau momenteel belemmeren, eerbiedigt het voorstel het subsidiariteitsbeginsel door een oplossing op Unieniveau te bieden voor een grensoverschrijdende uitdaging. Deze aanpak maakt een efficiënter en beter gecoördineerd gebruik van middelen mogelijk, wat uiteindelijk alle lidstaten ten goede komt.
Tot slot is door de Europese Rekenkamer en in raadplegingen van belanghebbenden gewezen op de noodzaak en relevantie van maatregelen op EU-niveau om systemische belemmeringen voor militaire mobiliteit aan te pakken, en is tussenkomst van de EU daarnaast noodzakelijk gezien de dringende noodzaak om de militaire mobiliteit te verbeteren en tot een samenhangende oplossing met de vereiste snelheid en schaal te komen.
•Evenredigheid
Met de verordening wordt beoogd militair vervoer binnen de Unie te vergemakkelijken en stroomlijnen door tweeërlei gebruik van civiele infrastructuur en een betere coördinatie tussen de lidstaten te bevorderen. Om dit doel te bereiken, worden de voorgestelde maatregelen zorgvuldig afgestemd op de behoeften van de verordening, waarbij naar een evenwicht wordt gezocht tussen gestroomlijnde voorschriften en procedures voor militair vervoer en de primaire verantwoordelijkheid van de lidstaten met betrekking tot militaire mobiliteit. De verordening doet geen afbreuk aan de soevereiniteit van de lidstaten om te beslissen of zij hun krijgsmachten al dan niet verplaatsen binnen de Unie en verplicht hen ook niet om de krijgsmachten van een andere lidstaat toestemming te verlenen om over hun grondgebied te reizen. In plaats daarvan wordt ernaar gestreefd een doeltreffende uitvoering van dergelijke soevereine besluiten mogelijk te maken, zodat de militaire mobiliteit in het algemeen kan worden verbeterd. Door een evenredige aanpak te hanteren, zorgt de verordening ervoor dat militair vervoer wordt vergemakkelijkt met volledige eerbiediging van de soevereiniteit van de lidstaten.
Bovendien wordt in de verordening gestreefd naar een zorgvuldig evenwicht tussen het vergemakkelijken van militaire vervoersactiviteiten en het beperken van de gevolgen ervan voor burgers, zodat een evenredige aanpak gewaarborgd is. Met de voorgestelde voorschriften wordt beoogd het regelgevingskader te verduidelijken voor civiele exploitanten die worden ingehuurd door de krijgsmachten van de lidstaten en die het leeuwendeel van de militaire vervoersactiviteiten in de Unie uitvoeren. Door onderscheid te maken tussen voorschriften voor normaal militair vervoer en noodmaatregelen in het kader van het EMERS, volgt de verordening bovendien een gefaseerde en progressieve aanpak, waarbij ingrijpende en verstrekkende maatregelen uitsluitend worden genomen in situaties waarin dat noodzakelijk is. Deze gerichte aanpak beperkt de gevolgen voor de civiele sector tot wat strikt noodzakelijk is om de toegenomen militaire vervoersactiviteiten in de Unie op te vangen. Voorts vergroten de maatregelen de voorspelbaarheid voor civiele activiteiten en bieden zij de civiele sector mogelijkheden om actief bij te dragen aan de verbetering van de militaire mobiliteit in de Unie, waardoor een op samenwerking gebaseerd en wederzijds gunstig klimaat wordt bevorderd.
•Keuze van het instrument
De Commissie stelt een verordening van het Europees Parlement en de Raad voor. Dit is het geschiktste rechtsinstrument, aangezien alleen een verordening, met uniforme toepassing, bindend karakter en rechtstreekse toepasbaarheid, de noodzakelijke mate van uniformiteit kan bieden om militair vervoer aanzienlijk te vergemakkelijken en stroomlijnen. Bovendien is dit in overeenstemming met artikel 91 en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die verwijzen naar de gewone wetgevingsprocedure voor de vaststelling van maatregelen op hun respectieve toepassingsgebieden.
Er wordt met name niet voor een richtlijn gekozen omdat die optie noodzakelijkerwijs een omzettingstermijn voor de lidstaten met zich meebrengt, die tijd en inspanningen vergt die onverenigbaar zijn met de urgentie waarmee de Unie de militaire mobiliteit moet verbeteren, zoals uiteengezet in het gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
Dit voorstel voor een verordening is een nieuw beleidsinitiatief. Er bestaat er op EU-niveau nog geen wetgeving inzake grensoverschrijdend militair vervoer van militair personeel en militaire goederen.
•Raadpleging van belanghebbenden
Om kwalitatieve en kwantitatieve gegevens en feedback over belangrijke kwesties van het pakket militaire mobiliteit 2025 te verzamelen, is een gerichte raadpleging van belanghebbenden gehouden voor het pakket militaire mobiliteit. Deze raadpleging werd op 12 juni 2025 door de Europese Commissie in samenwerking met de hoge vertegenwoordiger gestart en was gericht tot de lidstaten en alle relevante actoren, waaronder de NAVO, relevante PESCO-projecten, militairemobiliteitsgebieden, bedrijven, beheerders van vervoersinfrastructuur en -middelen, belanghebbenden uit de douane- en energiesector en de financiële sector. Deze gerichte raadpleging van belanghebbenden omvatte een specifieke online-enquête en de mogelijkheid om tot 31 juli 2025 standpuntnota’s en schriftelijke bijdragen in te dienen. De Europese Dienst voor extern optreden en de diensten van de Europese Commissie hebben daarnaast in september 2025 bilaterale bijeenkomsten met de lidstaten gehouden.
In totaal heeft de Commissie 107 beantwoorde enquêtes ontvangen, waarvan 39 van de lidstaten en 2 van Noorwegen, 36 van bedrijven, 12 van brancheorganisaties en 4 van andere organisaties. Andere bijdragen waren onder meer afkomstig van havenautoriteiten (12), spoorwegautoriteiten (1) en werknemers (1). Wat de vertegenwoordigde sectoren betreft, werden er (voor zover het mogelijk was om de sector te bepalen) 6 bijdragen ontvangen uit de luchtvaartsector, 3 van douaneautoriteiten, 1 uit de energiesector, 21 uit de spoorwegsector, 2 uit de wegvervoersector en 18 uit het maritieme domein. Tijdens de raadpleging werden ook 76 standpuntnota’s ontvangen: 7 van de lidstaten en 69 van bedrijven, denktanks en andere organisaties. Er werd ook input ontvangen van de NAVO.
De bilaterale bijeenkomsten met de lidstaten boden gelegenheid om de verstrekte schriftelijke bijdragen verder te bespreken en beter te begrijpen, en de geaggregeerde resultaten van de onder belanghebbenden verspreide enquête aan de lidstaten te presenteren.
•Bijeenbrengen en gebruik van expertise
Niet van toepassing
•Effectbeoordeling
De militaire mobiliteit moet dringend worden verbeterd als onderdeel van de bredere strategische doelstelling om de Europese defensiegereedheid te vergroten, zoals wordt benadrukt in het strategisch kompas van 2022 en het gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030. Gezien de urgentie van veiligheidsaangelegenheden en de dringende noodzaak om militair vervoer te vergemakkelijken in het licht van de geopolitieke situatie, wordt het voorstel bij wijze van uitzondering ingediend zonder begeleidende effectbeoordeling.
Het voorstel van de Commissie voor een verordening gaat echter vergezeld van een werkdocument van de diensten van de Commissie waarin feitelijke argumenten worden aangedragen voor actie op EU-niveau, teneinde aan te tonen hoe de EU met haar regelgevings-, begrotings- en coördinatiemaatregelen meerwaarde kan bieden en het pad te effenen voor de vaststelling van het pakket militaire mobiliteit zelf. Op deze manier wordt gewaarborgd dat het nieuwe voorstel wordt gestaafd door een gestructureerde analyse van de problemen, doelstellingen en beschikbare opties.
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
De algemene doelstelling van de verordening is ook het vergemakkelijken en stroomlijnen van de voorschriften inzake militair vervoer, waardoor de administratieve lasten naar verwachting zullen afnemen, met name de lasten in verband met de behandeling door de lidstaten van verzoeken om een vergunning voor grensoverschrijdend militair vervoer en de daarmee verband houdende procedures.
•Grondrechten
Dit voorstel voor een verordening is volledig in overeenstemming met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”). Het voorstel eerbiedigt het vrije verkeer van personen en goederen, dat is verankerd in het Handvest. Hoewel deze verordening geen afbreuk doet aan de bevoegdheden van de lidstaten om in vredestijd grensoverschrijdende militaire vervoersvergunningen te verlenen, worden bij de verordening wel procedurele en juridische kaders vastgesteld om te waarborgen dat de lidstaten deze besluiten toepassen op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van eerlijke procedures (artikel 47 van het Handvest) en behoorlijk bestuur (artikel 41 van het Handvest).
Door militaire mobiliteit te vergemakkelijken, kunnen de effecten voor het civiele vervoer tot een minimum worden beperkt en derhalve de grondrechten van EU-burgers worden gewaarborgd.
Artikel 8 van het Handvest heeft betrekking op het recht op bescherming van persoonsgegevens. Indien persoonsgegevens (bv. namen van eigenaren/exploitanten) deel uitmaken van de voorziene uitwisseling van informatie over vermogens (bv. infrastructuur) voor tweeërlei gebruik met militaire autoriteiten, moeten dergelijke persoonsgegevens altijd worden verwerkt in overeenstemming met de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming (met name Verordening (EU) 2016/679 en Verordening (EU) 2018/1725) teneinde een evenwicht tussen operationele behoeften en privacy te waarborgen.
In artikel 17, lid 1, van het Handvest wordt bepaald dat eenieder het recht heeft de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken.
Om de militaire mobiliteit binnen de EU te vergemakkelijken, vereist deze verordening echter dat de lidstaten een kader instellen of hebben dat tijdelijke zeggenschap over/een tijdelijk recht op gebruik van infrastructuur, activa of materieel mogelijk maakt, om de continuïteit en doeltreffendheid van hun militaire vervoersactiviteiten te waarborgen en het treffen van dergelijke maatregelen van tijdelijk zeggenschap ter ondersteuning van de militaire vervoersactiviteiten van andere lidstaten op verzoek toe te staan. Dit moet in overeenstemming zijn met artikel 17, lid 1, dat uitzonderingen op het eigendomsrecht toestaat wanneer dit in het algemeen belang is en in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet, en op voorwaarde dat verliezen tijdig en op billijke wijze worden gecompenseerd. In deze verordening wordt bepaald dat eigenaren, exploitanten en beheerders van infrastructuur, activa of materieel waarop een maatregel van tijdelijk zeggenschap van toepassing is, niet onredelijk mogen worden belast en naar behoren moeten worden gecompenseerd voor de uitgaven die zij als gevolg van dergelijke maatregelen moeten doen en de schade die zij lijden.
Elke beperking van het recht op eigendom in dit voorstel zal, overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest, bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen en in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
De gevolgen van dit initiatief voor de begroting zijn beperkt tot kredieten voor personele middelen om de taken en doelstellingen uit hoofde van deze verordening uit te voeren en te verwezenlijken, en de IT-systemen op te zetten die nodig zijn voor de ontwikkeling en het onderhoud van databanken. In alle diensten van de Commissie (DG MOVE, DG DEFIS, DG TAXUD, DG ECHO) zullen personele middelen nodig zijn om te waarborgen dat de nodige uitvoerings- en gedelegeerde handelingen worden vastgesteld om de nieuwe verantwoordelijkheden van de Commissie te vervullen en de maatregelen en taken uit hoofde van deze verordening uit te voeren (met name met betrekking tot de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit, de solidariteitspool en het digitale informatiesysteem, de uitvoering van de militaire mobiliteitscorridors en de strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik met meer verantwoordelijkheden voor het TEN-T-comité en de vereenvoudiging en digitalisering van douaneformaliteiten). Het vereiste budget voor de personele middelen voor de uitvoering van deze taken wordt geraamd op 53,7 miljoen EUR, waarvan 4,5 miljoen EUR voor de begrotingsperiode 2021-2027.
Ook bij gedecentraliseerde agentschappen zal waarschijnlijk behoefte zijn aan personele middelen. De Commissie zal worden bijgestaan door het EASA bij de uitvoering van de bepalingen van de verordening met betrekking tot de luchtvaart, met name voor de ontwikkeling van voorschriften voor onbemande luchtvaartuigsystemen, de levering van nieuwe militaire mobiliteitsvermogens door het faciliteren van innovatieve drones voor tweeërlei gebruik, bemande luchtvaartuigen en systemen ter bestrijding van onbemande luchtvaartuigen (Counter Unmanned Aerial System, “C-UAS”), geharmoniseerde technische voorschriften en richtsnoeren voor systemen ter bestrijding van onbemande luchtvaartuigen, geharmoniseerde technische regels en richtsnoeren om de militaire mobiliteit in de lucht en de interoperabiliteit met de burgerluchtvaart te bevorderen. De Commissie zal worden bijgestaan door het Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA) bij de uitvoering van de bepalingen van de verordening met betrekking tot spoorwegvervoer, met name i) de bijdrage aan besprekingen over militaire eisen aan spoorweginfrastructuur en -activa; ii) in voorkomend geval, de integratie van bestaande militaire normen in de technische specificaties voor interoperabiliteit om deze afdwingbaar te maken; iii) de harmonisatie van operationele (veiligheids-) en technische voorschriften voor militair vervoer; iv) aanvullende taken met betrekking tot vergunningen voor voertuigen voor tweeërlei gebruik, onder meer als registratie-entiteit; en v) de aanpassing van bestaande registers en instrumenten, met inbegrip van het Europees voertuigregister. Het vereiste budget voor personele middelen voor de uitvoering van deze taken bij beide agentschappen wordt geraamd op 17,5 miljoen EUR, waarvan 2,6 miljoen EUR voor de begrotingsperiode 2021-2027.
De digitale investeringen in verband met dit initiatief, met name voor de solidariteitspool en andere vereiste IT-instrumenten, worden geraamd op 2,5 miljoen EUR.
Met de indicatieve begroting voor het volgende MFK wordt niet vooruitgelopen op de onderhandelingen over het volgende MFK.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
De lidstaten zullen de uitvoering monitoren teneinde te garanderen dat de bevoegde autoriteiten de voorschriften van de voorgestelde verordening doeltreffend en consequent toepassen. Hiertoe moeten de lidstaten op grond van het voorstel een nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer aanstellen en wordt een Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit opgericht, die bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten, die regelmatig bijeenkomen om onder meer kwesties in verband met de uitvoering van delen van de verordening te bespreken. De monitoring van aspecten die verband houden met vervoersinfrastructuur, met name met de militaire mobiliteitscorridors en de aanwijzing van strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik, zal via het TEN-T-comité lopen.
De Commissie kan, in samenwerking met de lidstaten en relevante EU-organen, stresstests uitvoeren voor het testen en evalueren van de doeltreffendheid van de overheidsbrede aanpak bij de uitvoering van de doelstellingen van dit voorstel, met inbegrip van de coördinatie en samenwerking tussen relevante organen, autoriteiten en belanghebbenden, alsook voor het testen van de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening in een specifiek geografisch gebied, zoals een specifieke militaire mobiliteitscorridor of Europese grensregio’s van een lidstaat met een derde land, of in een specifieke sector, zoals de douane.
De Commissie zal deze verordening uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding evalueren om de daadwerkelijke effecten ervan te beoordelen en de efficiëntie en doeltreffendheid en de mate waarin de resultaten in overeenstemming zijn met de doelstellingen te evalueren. De Commissie deelt de resultaten van deze evaluatie mee aan het Europees Parlement en de Raad.
•Artikelsgewijze toelichting
Niet van toepassing
2025/0847 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van een kader van maatregelen om het vervoer van militair materieel en personeel en van militaire goederen in de hele Unie te vergemakkelijken
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91 en artikel 100, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)De Commissie en de hoge vertegenwoordiger hebben op 19 maart 2025 een gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030 gepresenteerd, waarin wordt benadrukt dat militaire mobiliteit een essentiële factor is voor de Europese veiligheid en defensie en voor de steun van Europa aan Oekraïne. In het gezamenlijk witboek werd geconstateerd dat er de afgelopen jaren weliswaar aanzienlijke vooruitgang is geboekt, maar dat aanzienlijke belemmeringen voor een ongehinderde verplaatsing van troepen en materieel in de hele Unie nog steeds niet zijn aangepakt.
(2)In de conclusies van de Europese Raad van 26 juni 2025 hebben de staatshoofden en regeringsleiders de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid verzocht verdere voorstellen te presenteren om de militaire mobiliteit te versterken, zodat defensiematerieel en -personeel in de hele Unie efficiënt kunnen worden verplaatst.
(3)Militaire vervoersactiviteiten door middel van het tweeërlei gebruik van civiele infrastructuur en mobiele activa in de Unie en over haar buitengrenzen moeten worden vergemakkelijkt, terwijl de gevolgen van dergelijke activiteiten voor het civiele vervoer moeten worden beperkt. Dit laat de verantwoordelijkheid van de lidstaten om de nationale veiligheid te beschermen en hun bevoegdheid om andere essentiële staatsfuncties te beschermen, waaronder het verdedigen van de territoriale integriteit van de staat en het handhaven van de openbare orde, onverlet.
(4)In het verleden werden militaire goederen en materieel hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend, door krijgsmachten zelf vervoerd, en in de meeste lidstaten waren de Unievoorschriften inzake goederenvervoer niet op dergelijk vervoer van toepassing. Krijgsmachten besteden hun vervoer echter steeds vaker uit aan commerciële vervoerders. Er moet voor worden gezorgd dat overal in de Unie dezelfde voorschriften gelden op het gebied van militair vervoer, ongeacht of militaire vervoersactiviteiten door de krijgsmachten van de lidstaten van de Unie zelf worden verricht of namens hen worden verricht door civiele ondernemingen of andere contractanten die door die krijgsmachten in de arm worden genomen.
(5)Grensoverschrijdend militair vervoer dat door krijgsmachten zelf wordt verricht, wordt belemmerd door versnipperde procedures en door het feit dat de Unievoorschriften inzake vervoer geen maatregelen bevatten die rekening houden met de specifieke kenmerken van dergelijk vervoer, waarvoor verschillende nationale voorschriften gelden. Deze nationale eisen zijn strikter dan die welke van toepassing zijn op civiele vervoersactiviteiten. Administratieve voorschriften (bv. diplomatieke toestemmingen) zijn in alle lidstaten vaak complex en/of niet gedigitaliseerd (bv. douane). Dit leidt tot vertragingen, inefficiënties en knelpunten en belemmert het militaire vervoer. De Unie beschikt niet over een uniform kader om militair vervoer op haar grondgebied en daarbuiten te waarborgen en ondersteunen. Een dergelijk kader is cruciaal om onder alle omstandigheden soepel militair vervoer te waarborgen, met name in situaties waarin snel en op grote schaal militair(e) personeel, goederen en materieel moeten worden vervoerd.
(6)Om het vervoer van materieel, goederen en personen voor militaire of civiele bescherming te vergemakkelijken, is met name een alomvattend Uniebreed kader vereist voor de vergunningen die door een ontvangende lidstaat worden verleend voor militaire vervoersactiviteiten die op zijn grondgebied worden verricht door of namens de krijgsmacht van een verzoekende lidstaat. Het Europees Defensieagentschap (EDA) en sommige lidstaten hebben al technische regelingen voor vergunningsprocedures voor grensoverschrijdende verplaatsingen ontwikkeld, maar deze worden op vrijwillige basis en inconsequent toegepast. Dit leidt tot lacunes in de harmonisatie van voorschriften en procedures inzake militair vervoer en tot operationele onzekerheid en administratieve lasten, en brengt het vermogen van de Unie om interventies inzake civiele bescherming uit te voeren, alsmede haar algemene paraatheid in gevaar. Om deze problemen aan te pakken, moeten vergunningen voor grensoverschrijdend militair vervoer worden gestroomlijnd voor alle vervoerswijzen (weg, spoor, binnenwateren, lucht en zee). Alle lidstaten moeten dezelfde procedures toepassen voor administratieve vergunningen en diplomatieke toestemmingen, zodat de vertragingen en administratieve lasten en kosten aanzienlijk kunnen worden verminderd. Voortbouwend op de bestaande jaarlijkse vergunningen in het kader van de technische regelingen van het EDA is het noodzakelijk zowel de voorspelbaarheid als de operationele gereedheid te vergroten door een permanente vergunning voor militair vervoer in te voeren die geldig is tot de intrekking.
(7)Permanente militaire vervoersvergunningen mogen niet worden gekoppeld aan een specifieke militaire vervoersactiviteit. Het moeten vooraf geautoriseerde vergunningen voor grensoverschrijdend militair vervoer zijn voor vooraf bepaalde soorten militaire vervoersactiviteiten. Bij het verlenen van permanente vergunningen voor militaire vervoersactiviteiten moeten de lidstaten overeenstemming kunnen bereiken over de voorwaarden waaronder die activiteiten moeten worden verricht, met inbegrip van toepasselijke verkeersregelingen en vooraf vastgestelde routes, zodat toegestane vervoersactiviteiten die verkeersregelingen vereisen, kunnen worden vergemakkelijkt door de beschikbare infrastructuur voor tweeërlei gebruik te benutten.
(8)Om meer transparantie en operationele samenhang bij het beheer van vervoersinfrastructuur voor tweeërlei gebruik te waarborgen, moeten de lidstaten zo veel mogelijk van tevoren coördineren, in overeenstemming met de toezegging inzake militaire mobiliteit 2024, waarin de nadruk wordt gelegd op multilaterale en bilaterale coördinatiemechanismen om procedures te harmoniseren en de efficiëntie langs de belangrijkste corridors te vergroten. Derhalve moeten lidstaten die aan dezelfde militaire mobiliteitscorridor liggen, hun permanente vergunningen voor militair vervoer op elkaar kunnen afstemmen en moeten zij deze vooraf geplande regelingen en vooraf vastgestelde routes van tevoren kunnen coördineren. Indien bij een militaire vervoersactiviteit meerdere lidstaten worden doorkruist, moet de verzoekende lidstaat de kennisgeving tegelijkertijd indienen bij alle betrokken lidstaten die permanente vergunningen voor militair vervoer aan die lidstaat hebben verleend.
(9)In dit stadium moet toepassingsgebied van de permanente vergunning voor militair vervoer worden beperkt tot uitsluitend eenvoudige militaire vervoersactiviteiten, met de mogelijkheid om het toepassingsgebied in de toekomst uit te breiden tot complexere militaire vervoersactiviteiten. Dat proces moet gepaard gaan met een investeringsinspanning om de infrastructuur van de militaire mobiliteitscorridors aan te passen en te moderniseren, en met een betere coördinatie op vooraf bepaalde routes voor alle soorten militaire vervoersactiviteiten en een betere toegang tot vervoersvermogens.
(10)Ad-hocvergunningen voor militair vervoer zijn noodzakelijk om militaire vervoersactiviteiten uit te voeren indien geen permanente vergunning is afgegeven of wanneer deze activiteiten buiten het toepassingsgebied van een bestaande permanente vergunning vallen, en moeten voornamelijk worden gebruikt voor op korte termijn uit te voeren, ongeplande militaire vervoersactiviteiten die verder gaan dan het overeengekomen toepassingsgebied van de permanente vergunning, in overeenstemming met de toezegging inzake militaire mobiliteit van 2024, waarin de lidstaten zich ertoe hebben verbonden binnen maximaal drie werkdagen vergunningen voor grensoverschrijdende verplaatsingen te verlenen.
(11)Naast vergunningen vereisen bepaalde grensoverschrijdende militaire vervoersactiviteiten verkeersregelingen. Dergelijke regelingen kunnen betrekking hebben op routes voor het veilige vervoer van abnormale militaire vracht of gevaarlijke goederen, de escortes die militaire vervoersactiviteiten moeten begeleiden, de noodzakelijke gastlandondersteuning in het kader van een militaire vervoersactiviteit of op andere specifieke verkeersveiligheidsmaatregelen of -eisen voor een vervoerswijze die verder gaan dan de gewone voorschriften, zoals beperkte toegang tot spoorwegovergangen of geblokkeerde wegen of beperking van het luchtruim. Bovendien moet de spoorweginfrastructuurbeheerder in de spoorwegsector ook een individuele dienstregeling toewijzen en specifieke vergunningen verlenen voor uitzonderlijk vervoer, en moeten spoorwegondernemingen de controles van de trajectverenigbaarheid en treinsamenstelling uitvoeren die vereist zijn voor een militaire vervoersactiviteit. Dergelijke verkeersregelingen en toewijzingen van dienstregelingspaden helpen de negatieve gevolgen voor civiele vervoersactiviteiten tot een minimum te beperken. Er zijn gemeenschappelijke procedures en termijnen nodig voor het verzoeken om en toekennen van verkeersregelingen, onder meer voor de coördinatie met infrastructuurbeheerders, om processen te harmoniseren en stroomlijnen en vertragingen en verstoringen te verminderen. De uit hoofde van deze verordening vastgestelde verkeersregelingen mogen geen afbreuk doen aan andere operationele procedures of voorschriften die uit hoofde van de Unie- of nationale wetgeving mogelijk van toepassing zijn op de uitvoering van de betrokken militaire vervoersactiviteiten.
(12)Om vertragingen, inefficiënties en operationele knelpunten te voorkomen, moeten de procedurele formaliteiten worden gestroomlijnd en moeten modellen worden verstrekt voor verzoeken en kennisgevingen in verband met militair vervoer. Voor elk verzoek en elke kennisgeving met betrekking tot een vergunning voor militair vervoer, ook voor het militaire vervoer van gevaarlijke goederen en abnormale militaire vracht, moeten de lidstaten het model in bijlage II bij deze verordening gebruiken. Alle verzoeken en kennisgevingen in verband met één militaire vervoersactiviteit moeten worden gecombineerd in één vergunningsverzoek of één kennisgeving. Lidstaten mogen het gebruik van aanvullende formulieren niet verplicht stellen. Dit mag geen afbreuk doen aan de toepasselijke douanevoorschriften van de Unie, met name met betrekking tot de formulieren 302 van de EU en van de NAVO. Alle communicatie tussen de lidstaten in het kader van verzoeken en kennisgevingen in verband met militaire vervoersactiviteiten en verkeersregelingen moet via de respectieve nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer lopen.
(13)Om uniforme voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, en in overeenstemming met de doelstelling in de toezegging inzake militaire mobiliteit van 2024 om waar mogelijk gedigitaliseerde en geharmoniseerde procedures te ontwikkelen en toe te passen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om een beveiligd en beperkt toegankelijk digitaal informatiesysteem voor militaire mobiliteit op te zetten, dat uiterlijk in 2030 moet worden uitgerold. Zodra dit systeem is uitgerold, moeten alle lidstaten er gebruik van maken voor alle vergunningen voor militair vervoer, verkeersregelingen en douaneformaliteiten voor grensoverschrijdend militair vervoer in verband met het EU-formulier 302. Wat de douaneformaliteiten in verband met het EU-formulier 302 betreft, moet het systeem in overeenstemming zijn met de relevante douanewetgeving van de Unie, met inbegrip van de gemeenschappelijke gegevensvereisten uit hoofde van het EU-model voor douanegegevens.
(14)Bij militaire vervoersactiviteiten binnen het douanegebied van de Unie mag geen sprake zijn van onnodige verstoring aan binnengrensovergangen en moeten knelpunten voor het civiele vervoer worden beperkt. Tijdens escortes van militair vervoer moeten voertuigen worden gemarkeerd en moet op juiste wijze worden omgegaan met wapens en munitie om zowel veiligheid als efficiëntie te waarborgen. Controles aan de grens kunnen leiden tot vertragingen die de tijdigheid van militaire vervoersactiviteiten in gevaar kunnen brengen. Eventuele noodzakelijke controlemaatregelen mogen alleen worden uitgevoerd bij de eerste geplande stop na de binnengrens van een lidstaat.
(15)Er zijn al bepaalde internationale overeenkomsten van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen door of voor krijgsmachten. Dergelijk vervoer is echter grotendeels onderworpen aan de desbetreffende nationale voorschriften en de vergunningsstelsels van de lidstaten. Dit leidt tot vertragingen en onnodige administratieve lasten. Daarom moet militair vervoer van gevaarlijke goederen binnen de Unie door of voor krijgsmachten worden toegestaan, mits wordt voldaan aan dezelfde eisen als die welke zijn vastgelegd in de desbetreffende internationale overeenkomsten en voorschriften inzake het vervoer van gevaarlijke goederen. Indien een NAVO-bondgenoot die geen lidstaat is en geen partij is bij deze overeenkomsten, overeenkomstig deze verordening wordt behandeld als een verzoekende lidstaat en voldoet aan de desbetreffende NAVO-voorschriften of, indien er geen NAVO-voorschriften van toepassing zijn, aan de toepasselijke nationale voorschriften, naargelang het geval, moet hij ook militair vervoer van gevaarlijke goederen in de Unie kunnen verrichten.
(16)Het moet worden gewaarborgd dat het vervoer over de weg van abnormale militaire vracht die de in Richtlijn 96/53/EG van de Raad vastgestelde maximale gewichten of afmetingen overschrijdt, wordt toegestaan, met inachtneming van eventuele noodzakelijke verkeersregelingen en op voorwaarde dat een ondeelbare lading wordt vervoerd.
(17)De meeste lidstaten verlenen voor militaire vervoersactiviteiten bepaalde vrijstellingen van verboden op verplaatsingen in het weekend of tijdens vakantieperioden en soortgelijke periodieke verkeersbeperkingen, maar de verschillen binnen de Unie zijn in dit opzicht aanzienlijk. Derhalve moet een algemene vrijstelling van dergelijke tijdsgebonden verkeersbeperkingen worden ingevoerd om te garanderen dat militaire vervoersactiviteiten in de hele Unie ook tijdens die perioden snel en soepel kunnen worden verricht.
(18)Verkeersbeperkingen die van toepassing zijn op specifieke weggedeelten en zijn gebaseerd op de milieuprestaties van voertuigen, kunnen in bepaalde omstandigheden een onevenredige last vormen voor militaire transporten die door krijgsmachten zelf wordt verricht. Militaire wegvoertuigen zijn namelijk vaak aanzienlijk zwaarder dan civiele wegvoertuigen, hetgeen inhoudt dat er minder emissievrije en -arme alternatieven zijn. Bovendien worden dergelijke zware militaire wegvoertuigen minder vaak vernieuwd dan het civiele wagenpark. Om die redenen moet militair vervoer dat door krijgsmachten zelf wordt verricht, worden vrijgesteld van verkeersbeperkingen die van toepassing zijn op specifieke weggedeelten en zijn gebaseerd op de milieuprestaties van voertuigen.
(19)Cabotage over de weg wordt in de Unie op grond van Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad beperkt. Hoewel door krijgsmachten verrichte militaire vervoersactiviteiten van deze beperkingen zijn uitgesloten, geldt dat niet voor activiteiten die worden verricht door civiele contractanten. Om militair vervoer te vergemakkelijken, moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om door civiele exploitanten verrichte militaire vervoersactiviteiten vrij te stellen van die beperkingen wanneer dat nodig is om militair vervoer te vergemakkelijken.
(20)Vermijdbare vertragingen en onnodige administratieve lasten bij het vervoer van goederen in het kader van militaire vervoersactiviteiten zijn vaak het gevolg van een ontoereikende benutting door exploitanten van de versoepelingen waarin de douanewetgeving van de Unie voorziet, alsook, in mindere mate, van de uiteenlopende nationale toepassing van de douanevoorschriften van de Unie. Zij kunnen ook leiden tot belangrijke knelpunten met negatieve gevolgen voor het civiele vervoer. Om de douaneformaliteiten voor grensoverschrijdend militair vervoer van goederen te stroomlijnen en vereenvoudigen, heeft de Unie het EU-formulier 302 ontwikkeld, dat bedoeld is om de douaneprocedures voor dergelijke militaire goederen te vereenvoudigen. De formulieren 302 van de EU- en van de NAVO moeten standaard worden gebruikt om aan de relevante douaneformaliteiten te voldoen, tenzij de militaire autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de respectieve activiteit aangeven de voorkeur te geven aan de indiening van een standaarddouaneaangifte. De lidstaten moeten het gebruik van de formulieren 302 van de EU en van de NAVO bevorderen en aanmoedigen. Om een doeltreffende toepassing van deze formulieren te bevorderen, moeten marktdeelnemers deze standaard gebruiken, tenzij de militaire autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de respectieve activiteit uitdrukkelijk aangeven dat zij de voorkeur geven aan de indiening van een standaarddouaneaangifte. Indien controles vereist zijn, moeten deze met voorrang worden verricht teneinde een evenwicht te vinden tussen operationele behoeften en risicobeheer, in overeenstemming met de douanewetgeving van de Unie.
(21)Wat betreft vergunningen voor militair vervoer, verkeersregelingen, modellen, het digitale systeem, vervoersvoorschriften voor het ononderbroken vervoer van militair materieel en personeel, militair vervoer van gevaarlijke goederen en abnormaal militair vervoer, en andere voorschriften met betrekking tot verboden tijdens vakantieperioden en cabotage, moeten de lidstaten die lid zijn van de NAVO elk van de NAVO-bondgenoten in het kader van NAVO-activiteiten behandelen als een verzoekende lidstaat, behalve met betrekking tot regels en bepalingen inzake douaneformaliteiten en de daarmee verband houdende digitalisering van het EU-formulier 302. De gelijkwaardige behandeling uit hoofde van deze verordening mag de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten niet in gevaar brengen. Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van het Verdrag tussen de partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag inzake de status van de strijdkrachten (NATO SOFA), op 19 juni 1951 te Londen ondertekend door de lidstaten die partij zijn bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO).
(22)Zoals wordt benadrukt in het actieplan voor militaire mobiliteit 2.0, is een Uniekader nodig om grootschalig en versneld vervoer van militair personeel en materieel te vergemakkelijken wanneer dat in uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijk is. Daartoe moet een Europees systeem voor versterkte respons inzake militaire mobiliteit (“EMERS”) worden opgezet om te voorzien in tijdelijke en buitengewone Uniebrede maatregelen om in dergelijke omstandigheden tijdig en ononderbroken militair vervoer in de hele Unie te waarborgen en tegelijkertijd verstoringen van het civiele verkeer tot een minimum te beperken.
(23)Het EMERS moet door de Raad worden geactiveerd wanneer een bestaande of verwachte toename van het volume, de frequentie of de snelheid van militair vervoer in de Unie niet kan worden gerealiseerd op grond van de normale vervoersvoorschriften van de Unie of gezien de capaciteit van het vervoersnetwerk van de Unie. Een dergelijke toegenomen behoefte aan militair vervoer kan onder meer worden veroorzaakt door een verslechtering van het veiligheidsklimaat van de Unie, door natuurrampen of door de mens veroorzaakte crises in een deel van of de hele Unie waarvoor krijgsmachten moeten worden ingezet, of door dreigingen in derde landen.
(24)Het EMERS kan worden geactiveerd op eigen initiatief van de Commissie of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van ten minste één lidstaat. Alvorens bij de Raad een voorstel in te dienen voor de activering van het EMERS, moet de Commissie alle beschikbare deskundigheid benutten en alle relevante informatie verzamelen om het risico van een aanzienlijke toename van het volume, de frequentie of de snelheid van militair vervoer binnen de Unie te beoordelen, onder meer door contact te onderhouden met de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de NAVO.
(25)Indien de Commissie bepaalt dat activering van het EMERS gerechtvaardigd is, moet zij een dergelijke activering voorstellen aan de Raad. Na ontvangst van dit activeringsverzoek moet de Raad het EMERS binnen 48 uur kunnen activeren door een uitvoeringshandeling vast te stellen waarin de duur van de toepassing van het EMERS wordt gespecificeerd, die maximaal twaalf maanden mag bedragen. In de uitvoeringshandeling moet bovendien worden aangegeven welke bepalingen door de lidstaten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag moeten worden toegepast op militaire transporten die worden verricht door partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag die geen lidstaat zijn, onverminderd de relevante douaneformaliteiten. Bij het nemen van een besluit om bepaalde bepalingen ook toe te passen op bondgenoten, moet de Raad met name rekening houden met activiteiten, missies en oefeningen waarover binnen de NAVO overeenstemming is bereikt en die verband houden met de oorzaken van de EMERS-activering, en de belangen van de Unie en haar lidstaten op het gebied van veiligheid en defensie eerbiedigen. De toekenning van deze bevoegdheden aan de Raad kan worden gerechtvaardigd door de gevoelige aard van het besluit om het EMERS te activeren en de bijzondere aard van de noodmaatregelen die in het kader van dat mechanisme worden toegepast.
(26)Tijdens de activeringsperiode van het EMERS moet de Commissie bijeenkomsten kunnen beleggen van de buitengewone Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit, bestaande uit vertegenwoordigers van de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), met inbegrip van de Militaire Staf van de Europese Unie, het EDA en de lidstaten (die hun regeringen vertegenwoordigen), en moet zij nauwe coördinatie met de lidstaten waarborgen. De lidstaten moeten de Commissie onverwijld in kennis stellen van nationale maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de activering van het EMERS, teneinde operationele samenhang en solidariteit te bevorderen. Het EMERS-kader moet in synergie werken met de in het kader van Imera en [EDIP] vastgestelde noodkaders. In geval van activering van het EMERS moet terdege rekening worden gehouden met de voorzieningscrisistoestand of de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand uit hoofde van het [EDIP] en de noodfase uit hoofde van Imera, met name wanneer deze actief zijn, teneinde de effecten op de eengemaakte markt te beoordelen en te bepalen of deze als aanvulling kunnen dienen op de militaire vervoersactiviteiten, met name door het vrije verkeer van werknemers te waarborgen.
(27)Om militair vervoer te vergemakkelijken, moeten tijdens de activeringsperiode van het EMERS specifieke voorschriften met betrekking tot vervoer gelden. Er moet vanuit worden gegaan dat militaire vervoersactiviteiten automatisch door de ontvangende lidstaten worden toegestaan. Verzoekende lidstaten moeten ontvangende lidstaten slechts zo spoedig mogelijk en uiterlijk zes uur vóór de geplande aankomsttijd bij de grensdoorlaatpost van de ontvangende lidstaat in kennis stellen van een geplande militaire vervoersactiviteit. Kennisgevingen moeten alle relevante details en, indien van toepassing, het verzoek om gastlandondersteuning of andere verkeersregelingen bevatten, zodat de ontvangende lidstaten zich naar behoren kunnen voorbereiden. Indien de ontvangende lidstaat verkeersregelingen vereist, moeten deze tijdig worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de vervoersactiviteit volgens schema kan plaatsvinden, waarbij snelle coördinatie moet worden gewaarborgd en een evenwicht moet worden gevonden tussen militaire gereedheid en de behoefte aan tijdige en voorspelbare grensoverschrijdende activiteiten, zodat verstoringen van het civiele verkeer tot een minimum worden beperkt. Voor zover deze verordening indirecte gevolgen kan hebben voor het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten, voorziet zij in voorschriften die de specifieke kenmerken van de veiligheids- en defensieregelingen van die lidstaten in acht nemen.
(28)In zijn conclusies over de veiligheid en defensie van de EU van 27 mei 2024 verbindt de Raad zich ertoe te garanderen dat uiterlijk in 2026 prioritaire toegang of de status van nood- of crisissituatieverkeer kan worden verleend aan militair spoorwegvervoer. Prioritaire toegang voor militair spoor- of luchtvervoer kan worden verleend op grond van de bepalingen inzake crisis- of noodsituaties in respectievelijk Verordening [voorstel voor een verordening betreffende spoorwegcapaciteit] van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad. Er zijn echter specifiekere, beter op het EMERS afgestemde voorschriften nodig op grond waarvan prioritaire toegang kan worden verleend voor alle vervoerswijzen. Derhalve moet een horizontaal prioritair toegangsrecht voor krijgsmachten tot vervoersnetwerken en -infrastructuur en verwante diensten en voorzieningen voor alle vervoerswijzen worden ingevoerd. Gezien het uitzonderlijke karakter van het EMERS en teneinde de financiële lasten voor krijgsmachten te beperken, zijn de krijgsmachten geen compensatie verschuldigd aan vervoergebruikers die negatieve gevolgen ondervinden van een dergelijke prioritaire toegang, bijvoorbeeld omdat hun trein vertraging heeft of hun vaartuig niet in een specifieke haventerminal kan aanmeren. Gezien deze mogelijk ernstige en kostbare gevolgen voor andere vervoergebruikers wordt prioritaire toegang voor krijgsmachten alleen verondersteld gerechtvaardigd te zijn indien het EMERS is geactiveerd.
(29)Tijdens de activeringsperiode van het EMERS moeten de lidstaten, wanneer de in internationale overeenkomsten vastgelegde voorschriften van toepassing zijn op militair vervoer van gevaarlijke goederen uit hoofde van deze verordening, de mogelijkheid krijgen om militair vervoer van gevaarlijke goederen vrij te stellen van die voorschriften, met uitzondering van douaneformaliteiten. In dit kader mogen zij geen aanvullende nationale voorschriften opleggen. Zij moeten dergelijke vrijstellingen bovendien coördineren om te waarborgen dat op militaire vervoersactiviteiten consistente voorschriften worden toegepast met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen.
(30)In normale situaties mag de te vervoeren vracht omwille van de verkeersveiligheid de toepasselijke maximumgewichten en -afmetingen niet overschrijden, tenzij de vracht ondeelbaar is. Tijdens de activeringsperiode van het EMERS kan het vanwege de noodsituatie echter nodig zijn om grote ladingen snel en doeltreffend te vervoeren. Daarom moet het vervoer van abnormale vracht, ook al is deze niet ondeelbaar, tijdens deze periode worden toegestaan.
(31)Tijdens de activeringsperiode van het EMERS moeten de lidstaten toegang hebben tot de vervoers- en logistieke vermogens die nodig zijn om hun militaire vervoersactiviteiten uit te voeren. Derhalve moeten de lidstaten in dit verband meer steun kunnen krijgen. De Commissie moet de lidstaten ook kunnen helpen om toegang te krijgen tot die vermogens om de doeltreffende uitvoering van militaire vervoersactiviteiten te waarborgen. De Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit moet specifieke, in de solidariteitspool geregistreerde vervoersvermogens kunnen aanwijzen waaraan bepaalde lidstaten dringend behoefte hebben. In dergelijke gevallen moeten de deel- en coördinatie-inspanningen in het kader van de solidariteitspool worden gericht op het ondersteunen van die prioritaire verzoeken, en moet worden gegarandeerd dat de vereiste vermogens tijdig en efficiënt beschikbaar worden gesteld.
(32)Tijdens de activeringsperiode van het EMERS zullen mogelijk meer militaire vervoersactiviteiten met cabotage nodig zijn. De lidstaten moeten daarom al het militaire vervoer van materieel, goederen en personeel gedurende die periode vrijstellen van cabotagebeperkingen.
(33)De voorschriften van de Unie inzake rijtijden, onderbrekingen en rusttijden voor het wegvervoer, zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad, zijn belangrijk om de verkeersveiligheid en de gezondheid en het welzijn van werknemers in de vervoerssector te waarborgen. Hoewel de verkeersveiligheid essentieel blijft tijdens de activeringsperiode van het EMERS, kunnen de beperkingen voor militaire vervoersactiviteiten die uit deze voorschriften voortvloeien tot kritieke vertragingen leiden. Daarom moeten tijdens deze periode voor militair wegvervoer minder restrictieve voorschriften gelden, zonder dat het welzijn van werknemers en de veiligheid van het vervoer in gevaar mogen worden gebracht.
(34)In Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad is bepaald dat een spoorwegonderneming, voordat zij een voertuig op een bepaald net gebruikt, moet controleren of het voertuig voor dit gebruiksgebied is goedgekeurd en naar behoren is geregistreerd. Aangezien er tijdens de activeringsperiode van het EMERS meer en frequentere militaire vervoersactiviteiten nodig zijn, kan het voorkomen dat spoorwegvoertuigen voor tweeërlei gebruik moeten worden ingezet buiten de gespecificeerde toegestane gebruiksgebieden. Spoorwegondernemingen moeten deze voertuigen dan buiten die gebieden kunnen gebruiken, mits de veiligheid via andere mechanismen wordt gewaarborgd.
(35)Unie- en nationale voorschriften die het verkeer beperken op grond van geluidshinder, luchtkwaliteit en andere milieucriteria, dragen bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie om de milieueffecten van de vervoerssector te verminderen en het welzijn van de burgers te waarborgen. In noodgevallen waarin om dwingende redenen van openbare veiligheid meer en frequentere militaire vervoersactiviteiten nodig zijn, kunnen die voorschriften echter leiden tot onevenredige beperkingen en vertragingen van dergelijk vervoer. Tijdens de activeringsperiode van het EMERS moet militair vervoer worden vrijgesteld van beperkingen voor wegverkeer die zijn gebaseerd op de milieuprestaties van voertuigen en van beperkingen op basis van luchtkwaliteit en geluidsbeheersing in havens en luchthavens.
(36)Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad bevat voorschriften voor de uitvoering van officiële controles door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op de naleving van de wetgeving van de Unie op bepaalde terreinen, waaronder de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders en diergezondheid. Verordening (EU) 2017/625 vereist met name dat bepaalde categorieën dieren en goederen uit derde landen bij eerste binnenkomst in de Unie bij een grenscontrolepost worden aangeboden voor officiële controles om de naleving van de voorschriften van de Unie met betrekking tot onder meer volksgezondheid en diergezondheid te verifiëren.
(37)Verordening (EU) 2017/625 voorziet niet in specifieke mechanismen voor versnelde officiële controles of vrijstelling in noodsituaties op grond waarvan relevante goederen versneld het grondgebied van de Unie kunnen worden binnengebracht. Tijdens de activeringsperiode van het EMERS dreigt de in Verordening (EU) 2017/625 vastgelegde eis om verplichte grenscontroles uit te voeren vertragingen te veroorzaken die onverenigbaar zijn met een dringend en soepel militair vervoer van levensmiddelen, diervoeders en honden. Om snel en ongehinderd militair vervoer te garanderen wanneer het EMERS wordt geactiveerd, is een afwijking nodig van de op grond van Verordening (EU) 2017/625 vereiste officiële controles bij grenscontroleposten voor levensmiddelen, diervoeders en militaire honden die de Unie binnenkomen.
(38)Om snel en ongehinderd militair vervoer binnen de Unie te waarborgen in situaties waarin het EMERS wordt geactiveerd, en om knelpunten te voorkomen die negatieve gevolgen kunnen hebben voor het civiele vervoer, moeten de douaneprocedures in goede banen worden geleid door de protocollen en procedures die zijn opgesteld door de douaneautoriteit van de Europese Unie, in overleg met de Commissie, en het crisisbeheersingsmechanisme voor de douane dat is vastgesteld bij Verordening [douanehervorming] te activeren.
(39)De prioritaire militaire mobiliteitscorridors van de EU, waarnaar wordt verwezen in het document “Militaire eisen voor militaire mobiliteit binnen en buiten de EU” van de Raad, zijn een instrument om de gecoördineerde uitvoering van de onderdelen van het trans-Europees vervoersnetwerk van bijzondere militaire waarde te vergemakkelijken. Zij zijn met name bedoeld om een vlotte verplaatsing van militair(e) troepen en materieel binnen en buiten de Unie te waarborgen. Door zich te concentreren op de meest dringende investeringen in infrastructuur voor tweeërlei gebruik langs die corridors, en met name op gerichte kortetermijninvesteringen (“hotspots”), kunnen de lidstaten die corridors snel en op gecoördineerde en gesynchroniseerde wijze moderniseren.
(40)Bovendien vormen deze corridors een basis voor lidstaten en spoorweginfrastructuurbeheerders of nationale luchtvaartautoriteiten om vooraf overeenstemming te bereiken over aangewezen routes en ondersteunende voorzieningen, met name voor militair vervoer van gevaarlijke goederen en voor abnormaal militair vervoer, en over vooraf bepaalde grensoverschrijdende luchtverbindingen of connectiviteitspunten. Dergelijke routes moeten vooraf worden overeengekomen of geregeld zodat verzoeken om verkeersregelingen aanzienlijk sneller kunnen worden behandeld.
(41)Binnen het vervoerssysteem van de Unie worden verkeersmaatregelen en technische voorschriften opgesteld om de veiligheid en betrouwbaarheid van vervoer te waarborgen en vergroten. Deze doelstellingen dragen eveneens positief bij aan militair vervoer waarvoor gebruik wordt gemaakt van infrastructuur voor tweeërlei gebruik, en aan de weerbaarheid en beveiliging van vervoerssystemen.
(42)Op grond van Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad moeten de lidstaten kritieke entiteiten aanwijzen die essentiële diensten verlenen in elf belangrijke sectoren van de interne markt, teneinde die kritieke entiteiten beter bestand te maken tegen alle gevaren, met inachtneming van zowel natuurlijke als door de mens veroorzaakte risico’s. Op grond van Richtlijn (EU) 2022/2557 moeten de lidstaten bovendien garanderen dat kritieke entiteiten maatregelen nemen om hun weerbaarheid te vergroten. Daarnaast kan bepaalde vervoers-, energie- en digitale infrastructuur voor tweeërlei gebruik van cruciaal belang zijn voor militair vervoer, met name de infrastructuur in of langs de militaire mobiliteitscorridors van de EU. Deze infrastructuur heeft een strategische waarde die de nationale grenzen overschrijdt. Dergelijke strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik (strategic dual-use infrastructure, “SDI”) moet daarom, onder coördinatie van de Commissie, door de lidstaten worden aangewezen en beschermd vanwege het strategische belang ervan.
(43)Dergelijke SDI moeten derhalve door de lidstaten en eigenaren, exploitanten en beheerders worden beschermd tegen alle gevaren, teneinde de weerbaarheid ervan te vergroten en te garanderen dat deze infrastructuur te allen tijde doeltreffend functioneert. Eigenaren, exploitanten en beheerders van SDI moeten ten minste voldoen aan de verplichtingen voor kritieke entiteiten uit hoofde van Richtlijn (EU) 2022/2557 en de voorschriften voor essentiële en belangrijke entiteiten uit hoofde van Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad, of zij nu wel of niet binnen het toepassingsgebied van die richtlijnen vallen.
(44)Bovendien moeten de lidstaten, naar aanleiding van de aankondigingen in dit verband in het witboek over de toekomst van de Europese defensie, ook striktere voorschriften invoeren voor de eigendom van en zeggenschap over strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik. Hoewel een doeltreffende screening van nieuwe buitenlandse investeringen in SDI overeenkomstig Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad kan helpen risico’s in verband met kwaadwillige buitenlandse eigendom of zeggenschap te voorkomen, moeten de lidstaten ook de reeds bestaande risico’s in verband met buitenlandse eigendom van SDI beperken en aanpakken.
(45)Zoals in het actieplan voor militaire mobiliteit 2.0 wordt benadrukt, worden de lidstaten geconfronteerd met vermogenstekorten op het gebied van militaire mobiliteit. Deze vermogenstekorten belemmeren het vermogen van de lidstaten om militaire vervoersactiviteiten uit te voeren. Derhalve is het passend de Commissie de bevoegdheid toe te kennen om een solidariteitspool op te zetten om de vermogenstekorten aan te pakken waarmee de lidstaten worden geconfronteerd. Deze solidariteitspool moet de lidstaten in staat stellen vervoers- en logistieke vermogens te bundelen en delen, waaronder vermogens die de energiezekerheid vergroten, zodat zij gemakkelijker toegang kunnen krijgen tot de nodige vermogens en beter in staat zijn militaire vervoersactiviteiten uit te voeren.
(46)De Commissie moet waarborgen dat de solidariteitspool zodanig wordt opgezet dat de lidstaten worden aangemoedigd om hun vervoers- en logistieke vermogens, met inbegrip van mobiele activa voor tweeërlei gebruik zoals voer- en vaartuigen, vrijwillig te delen, en dat de Uniefinanciering om de inzet en het onderhoud van die vermogens te ondersteunen, efficiënt kan worden aangewend. De solidariteitspool moet ook de vervoers- en logistieke vermogens van de Unie omvatten, ook die welke zijn uitbesteed aan particuliere exploitanten. Dergelijke vervoers- en logistieke vermogens op Unieniveau moeten in het bijzonder gericht zijn op zeldzame en schaarse vermogens waarover de krijgsmachten van de lidstaten niet eenvoudig kunnen beschikken en waarvoor de aanbesteding van diensten op Unieniveau een aanzienlijke meerwaarde zou kunnen bieden.
(47)De lidstaten moeten toegang hebben tot informatie over bestaande vervoersvermogens voor tweeërlei gebruik om toekomstige militaire vervoersactiviteiten op passende wijze te plannen en persistente vermogenslacunes te detecteren. De meeste civiele spoor- en wegvoertuigen, vaartuigen en vliegtuigen zijn ingeschreven in nationale of in Europese registers. Het inzicht van de lidstaten in de bestaande vermogens moet daarom worden verbeterd door ervoor te zorgen dat de nationale diensten die verantwoordelijk zijn voor militair vervoer, toegang hebben tot die registers. Om het overzicht op Unieniveau te verbeteren en de planning van militair vervoer te ondersteunen, moet ook de Commissie toegang hebben tot die informatie.
(48)Grote aantallen civiele spoorwegvoertuigen kunnen worden beschouwd als voertuigen voor tweeërlei gebruik die geschikt zijn voor militaire vervoersactiviteiten, of gemakkelijk kunnen worden aangepast voor die doeleinden. Daarom moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om vast te stellen of en onder welke voorwaarden spoorwegondernemingen die eigenaar zijn van dergelijke voertuigen, houders van voertuigen die ervoor verantwoordelijk zijn en voertuigfabrikanten die deze voertuigen produceren, moeten beoordelen of spoorwegvoertuigen de technische kenmerken hebben om te worden gebruikt als onderdeel van militair vervoer. Die bevoegdheden moeten de ontwikkeling omvatten van geharmoniseerde technische parameters waarop een dergelijke aanwijzing kan worden gebaseerd.
(49)In uitzonderlijke omstandigheden kunnen voor militaire vervoersactiviteiten gespecialiseerde infrastructuur, activa of materieel nodig zijn om het militaire vervoer verder te vergemakkelijken. Om een ononderbroken toegang tot dergelijke kritieke vervoersmiddelen te waarborgen, moeten de lidstaten een kader vaststellen of hebben dat hen in staat stelt tijdig toegang tot die middelen te krijgen wanneer alternatieve oplossingen, zoals uitbesteding, niet binnen de vereiste termijn beschikbaar zijn.
(50)Een dergelijk kader moet de lidstaten in staat stellen de tijdelijke zeggenschap over of het tijdelijke recht op gebruik van infrastructuur, activa of materieel te verkrijgen, als laatste redmiddel wanneer dat strikt noodzakelijk is om militair vervoer te waarborgen. Op verzoek moeten zij het treffen van dergelijke maatregelen van tijdelijk zeggenschap ook mogelijk maken om de militaire vervoersactiviteiten van andere lidstaten te ondersteunen. Eigenaren, exploitanten en beheerders van de infrastructuur, de activa of het materieel in kwestie mogen echter niet op oneerlijke wijze door dergelijke maatregelen worden belast en moeten derhalve op passende wijze worden gecompenseerd voor uitgaven die zij hebben gedaan of de schade die zij hebben geleden als gevolg van de uitrol. Overeenkomstig het Handvest van de grondrechten moeten de lidstaten garanderen dat, indien dergelijke maatregelen inbreuk maken op het recht op eigendom, zij bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen en in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel.
(51)Hoewel de Europese Raad in de toezegging inzake militaire mobiliteit van 2024 heeft benadrukt dat het belangrijk is raamovereenkomsten met civiele vervoersaanbieders te sluiten, moeten toekomstige raamovereenkomsten transparanter en flexibeler zijn.
(52)Vanwege de schaarse vervoersvermogens kan het voorkomen dat een lidstaat reeds door een andere lidstaat geboekte vervoersvermogens vooraanbesteedt. Om dergelijke risico’s in verband met dubbele boekingen aan te pakken, moet in nieuwe raamovereenkomsten worden bepaald dat vervoersaanbieders de lidstaten op de hoogte moeten brengen van dergelijke dubbele boekingen. Om de toegang tot noodzakelijke vervoersdiensten te waarborgen, moeten nieuwe raamovereenkomsten de lidstaten daarnaast ook de mogelijkheid bieden andere lidstaten uit te nodigen om zich aan te sluiten als partij bij de overeenkomst.
(53)Onverminderd het netwerk van nationale contactpunten dat is opgericht in het kader van het project Militaire mobiliteit van de permanente gestructureerde samenwerking op defensiegebied (PESCO), moet elke lidstaat een nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer aanwijzen om een doeltreffende coördinatie, communicatie en uitvoering van grensoverschrijdende militaire vervoersactiviteiten te waarborgen, met name wanneer het EMERS wordt geactiveerd.
(54)De nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer moet te allen tijde bereikbaar zijn om een tijdige uitwisseling van informatie en verzoeken in verband met militaire vervoersactiviteiten te faciliteren, onder meer door verzoeken om vergunningen voor militair vervoer en kennisgevingen te ontvangen en door te geven. Om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken, moet de nationale coördinator ook over de nodige deskundigheid en middelen beschikken om advies en ondersteuning te geven op het gebied van douaneformaliteiten, verzoeken om prioritaire toegang te ontvangen en beantwoorden die tijdens een activeringsperiode van het EMERS worden ingediend, de noodzakelijke procedures te faciliteren en te coördineren met alle relevante actoren op nationaal, regionaal en lokaal niveau die zijn betrokken zijn bij militaire vervoersactiviteiten.
(55)Om de Commissie bij te staan bij de uitvoering van deze verordening en de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de lidstaten te vergemakkelijken, moet een Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit worden opgericht. Een dergelijke Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit is onder meer essentieel om samenwerking te faciliteren bij de verlening van vergunningen voor militair vervoer en verkeersregelingen (met name tussen lidstaten die langs dezelfde militaire mobiliteitscorridors liggen), coördinatie en samenwerking tussen lidstaten te bevorderen , onder meer voor de uitvoering van de relevante douaneformaliteiten, de aanwijzing en pre-positionering van belangrijke vervoersvermogens voor de solidariteitspool te vergemakkelijken, uitdagingen op het gebied van energiezekerheid voor militaire vervoersactiviteiten aan te pakken en gebieden vast te stellen waarop een gezamenlijke aanbesteding van vermogens voor militair vervoer mogelijk is. De Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit moet, in voorkomend geval en met inachtneming van de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten, Oekraïne, Moldavië en de landen van de Europese Economische Ruimte kunnen uitnodigen om bijeenkomsten bij te wonen als waarnemer. In voorkomend geval moet de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit ook gezamenlijke bijeenkomsten met het bij artikel 57 van Verordening [EDIP-voorstel] opgerichte Comité voor de voorzieningszekerheid op defensiegebied kunnen organiseren om kwesties in verband met de beschikbaarheid van militaire activa en vermogens te bespreken.
(56)Om de doeltreffendheid van militaire vervoersactiviteiten in de Unie te bevorderen, moeten alle lidstaten een jaarlijkse controle van hun gereedheid voor militair vervoer uitvoeren om te bepalen in welke mate zij gereed zijn om militaire vervoersactiviteiten uit te voeren of daaraan bij te dragen, en om het EMERS uit te voeren. Dergelijke controles moeten er onder meer toe bijdragen dat de lidstaten voldoende voorbereid zijn om grensoverschrijdende militaire vervoersactiviteiten op hun grondgebied te verwelkomen en dat zij de nodige maatregelen hebben getroffen om de verlening van vergunningen voor militair vervoer te faciliteren en een overheidsbrede benadering te waarborgen.
(57)In de toezegging inzake militaire mobiliteit van de Europese Raad van 2024 werd benadrukt dat er regelmatig oefeningen moeten worden gehouden om grensoverschrijdende militaire verplaatsingen te testen. Het vermogen van de Commissie om stresstests uit te voeren is ook essentieel om de doeltreffendheid van deze verordening in dit opzicht te evalueren. Daarom moet de Commissie, in samenwerking met de lidstaten en relevante organen van de Unie, stresstests kunnen uitvoeren om de paraatheid van de lidstaten en actoren op Unieniveau om deze verordening uit te voeren, te verbeteren. Dergelijke tests moeten zijn gericht op aspecten als de voorbereiding op de activering van het EMERS, de beoordeling van de doeltreffendheid van de overheidsbrede aanpak bij de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening en de beoordeling van de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening in specifieke geografische gebieden, zoals specifieke militaire mobiliteitscorridors, of in specifieke sectoren, waaronder de douane.
(58)Met het oog op de verwezenlijking van de doelstelling van deze verordening om uniforme Unievoorschriften voor militair vervoer vast te stellen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen voor het bijwerken van de in bijlage I opgenomen lijst van soorten militaire vervoersactiviteiten die onder permanente militaire vervoersvergunningen vallen, en voor het bijwerken van het model voor verzoeken en kennisgevingen met betrekking tot militaire vervoersvergunningen in bijlage II teneinde te garanderen dat dit model actueel blijft. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(59)Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om een beveiligd en beperkt toegankelijk digitaal informatiesysteem voor militaire mobiliteit op te zetten, basisbeschermings- en weerbaarheidsmaatregelen en aangescherpte beschermingsmaatregelen voor strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik vast te stellen, een solidariteitspool op te zetten die de uitvoering van militaire vervoersactiviteiten garandeert, optimaliseert en vergemakkelijkt, categorieën spoorwegvoertuigen aan te wijzen die het meest geschikt zijn voor gebruik als onderdeel van militair vervoer en technische specificaties vast te stellen waarop een dergelijke aanwijzing kan worden gebaseerd en aan de hand waarvan kan worden bepaald of en onder welke voorwaarden spoorwegondernemingen, houders van voertuigen en fabrikanten dergelijke voertuigen moeten aanwijzen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
(60)Grote aantallen spoorwegvoertuigen kunnen worden overwogen voor tweeërlei gebruik en noodzakelijk zijn voor de militaire vervoersdoeleinden van de spoorwegen. Het Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA) moet de Commissie kunnen bijstaan bij de vaststelling van criteria voor de aanwijzing van geschikte voertuigen. Bovendien moeten, om spoorwegvoertuigen die zijn betrokken bij militair vervoer snel en doeltreffend in gebruik te kunnen nemen, de processen worden gestroomlijnd en moeten de lidstaten de vergunningverlening voor voertuigen die voor militaire transporten kunnen worden gebruikt, aan het ERA kunnen delegeren. Nadat het ERA voertuigvergunningen heeft verleend, moet het net als de lidstaten de bevoegdheid krijgen om met onmiddellijke ingang de informatie in het Europees voertuigregister (EVR) bij te werken. Verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2016/797 moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd. Tot slot moet meer in het algemeen Verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad worden gewijzigd om rekening te houden met de rol die het Spoorwegbureau van de Europese Unie speelt bij de ondersteuning van militaire mobiliteit door de paraatheid, weerbaarheid en veiligheid van het spoorwegsysteem te verbeteren.
(61)Solide, permanent beschikbare communicatiediensten tussen lucht- en grondactiva zijn van cruciaal belang om het gebruik van het luchtruim te optimaliseren. Met Verordening (EU) 2024/2803 van het Europees Parlement en de Raad, die op 1 december 2024 in werking is getreden, wordt beoogd de weerbaarheid van kritieke luchtverkeersinfrastructuur te versterken. De verordening schrijft voor dat leveranciers van communicatie-, navigatie- en surveillancesystemen en verleners van luchtvaartinformatiediensten, automatisch afhankelijke surveillance, meteorologische diensten en luchtverkeersleidingsdiensten voor luchtvaartterrein- en naderingsluchtverkeersleiding moeten voldoen aan strikte eisen inzake certificering en eigendom. Die eisen, waaronder dat aanbieders voor meer dan 50 % eigendom moeten zijn van en daadwerkelijk onder zeggenschap moeten staan van lidstaten of hun onderdanen, zijn bedoeld om de integriteit en veiligheid van luchtverkeersdiensten te waarborgen. Om verstoringen van luchtverkeersdiensten te voorkomen, is het echter cruciaal dat Verordening (EU) 2024/2803 wordt gewijzigd door de toepassing van de desbetreffende bepalingen op aanbieders van communicatiediensten uit te stellen zodat hun operationele gereedheid kan worden gehandhaafd,
(62)Het huidige samenwerkingsmodel tussen het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) en nationale krijgsmachten is doeltreffend gebleken voor de certificering van luchtvaartuigen voor tweeërlei gebruik. De certificering van grote drones vormt echter een aanzienlijke uitdaging, aangezien nationale krijgsmachten deze op ongecoördineerde wijze certificeren, waardoor het risico ontstaat van versnippering en non-conformiteit met toekomstige civiele regelgeving. De integratie van die drones in het algemeen luchtverkeer — zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 4, van Verordening (EU) 2024/2803 — wordt door krijgsmachten noodzakelijk geacht. Om het tweeërlei gebruik van dergelijke drones voor vervoersdoeleinden mogelijk te maken, is het cruciaal dat de militaire eisen worden afgestemd op toekomstige civiele eisen. Het huidige regelgevingskader van de Unie biedt onvoldoende flexibiliteit voor de certificering van innovatieve technologieën en producten, zoals bepaalde categorieën drones. Artikel 71 van Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad moet worden gewijzigd om vrijstellingen van toepasselijke eisen mogelijk te maken wanneer dergelijke eisen de certificering van innovatieve technologieën en producten in de weg staan — waarbij echter wel het hoogste niveau van veiligheid en beveiliging moet worden gewaarborgd — en om tot een gecoördineerde aanpak tussen het EASA en nationale krijgsmachten te komen voor de vaststelling van eisen voor de certificering van grote drones.
(63)Om het militaire vervoer te verbeteren, moet de Unie innovatieve luchtvervoersoplossingen voor tweeërlei gebruik bevorderen, waaronder onbemande luchtvaartuigen, autonome systemen, geavanceerde concepten voor stedelijke luchtmobiliteit en cyberbeveiligde luchtverkeersbeheersystemen. Er moeten testomgevingen voor regelgeving (ook wel “regulatory sandboxes” genoemd) worden opgezet om een snellere en autonomere ontwikkeling van dergelijke technologieën in de Unie door middel van samenwerking tussen civiele en militaire autoriteiten te bevorderen. Door experimenten onder gecontroleerde voorwaarden mogelijk te maken, moeten die testomgevingen bijdragen tot een versnelde inzet van nieuwe vermogens, een verbeterde logistiek en beheer van toeleveringsketens en een hoger niveau van gereedheid en doeltreffendheid van militair vervoer. Voorts moeten zij de harmonisatie van civiele en militaire regelgevingskaders bevorderen om de naadloze integratie van luchtvervoersmiddelen voor tweeërlei gebruik in zowel commerciële als militaire vervoersactiviteiten mogelijk te maken en tegelijkertijd de administratieve lasten in verband met het schakelen tussen vervoerswijzen verminderen. Op die manier moeten testomgevingen voor regelgeving bestaande lacunes in de regelgeving helpen dichten, interoperabiliteit bevorderen en bijdragen tot een weerbaarder, efficiënter en responsiever systeem voor militair vervoer binnen de Unie. Verordening (EU) 2018/1139 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, onverminderd de relevante voorschriften en formaliteiten van de Unie op gebieden als gezondheid, veiligheid, milieu en mededinging, alsook douaneformaliteiten en -procedures die niet kunnen worden opgeheven voor testomgevingen voor regelgeving.
(64)De lidstaten en de Commissie moeten alle nodige maatregelen nemen om de bescherming van vertrouwelijke informatie te waarborgen, zulks met inachtneming van met name Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie, Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie en de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie. Deze maatregelen moeten met name het verbod omvatten om gerubriceerde informatie een lagere rubriceringsgraad te geven of te derubriceren zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opsteller. Niet-gerubriceerde gevoelige informatie of informatie die op vertrouwelijke basis wordt verstrekt, moet door de autoriteiten als dusdanig worden behandeld.
(65)Indien op grond van deze verordening persoonsgegevens worden verwerkt, moeten de toepasselijke voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens in acht worden genomen. De verwerking van persoonsgegevens door de lidstaten moet met name overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad verlopen. De verwerking van persoonsgegevens door de Commissie moet met name overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad verlopen.
(66)Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het vergemakkelijken van militair vervoer in de Unie en over haar buitengrenzen, waarbij de gevolgen van dergelijk vervoer voor het civiele vervoer tot een minimum worden beperkt en worden verzacht, door de lidstaten afzonderlijk niet in afdoende mate kunnen worden gerealiseerd omdat de huidige versnippering, inefficiëntie en onsamenhangende uitvoering van nationaal beleid een doeltreffende oplossing op lidstaatniveau in de weg staan, en deze doelstellingen derhalve beter op Unieniveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(67)Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, en op [DD/MM/JJJJ] heeft hij een advies uitgebracht,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Hoofdstuk I
Algemene bepalingen
Artikel 1
Voorwerp
Bij deze verordening worden maatregelen vastgesteld met betrekking tot materieel, vervoersmiddelen en infrastructuur voor tweeërlei gebruik om militair vervoer in de Unie en over haar buitengrenzen te vergemakkelijken en tegelijkertijd de gevolgen van dergelijk vervoer voor het civiele vervoer tot een minimum te beperken en te verzachten.
Deze verordening voorziet in het bijzonder in:
a)een uniform kader voor vergunningsprocedures voor grensoverschrijdend militair vervoer en voor maatregelen die een ononderbroken en veilig militair vervoer waarborgen, met inbegrip van maatregelen ter vereenvoudiging van de douaneformaliteiten die van toepassing zijn op dergelijk vervoer aan de buitengrenzen van de Unie;
b)doeltreffende, gecoördineerde en doelmatige maatregelen om militair vervoer in het kader van tijdelijke, buitengewone en dringende situaties te vergemakkelijken;
c)voorschriften om vervoersinfrastructuur voor tweeërlei gebruik geschikt te maken voor tweeërlei gebruik en om strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik te beschermen en bestand te maken tegen alle gevaren en dreigingen;
d)maatregelen om de vervoers- en logistieke vermogens van de Unie en de lidstaten te delen en bundelen en het inzicht in bestaande vervoersvermogens voor militair vervoer te vergroten.
Artikel 2
Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing op het vervoer van materieel, goederen en personeel dat wordt uitgevoerd door of onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmachten van de lidstaten of, in de in de artikelen 17 en 19 van deze verordening bedoelde gevallen, bondgenoten van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), dat geheel of gedeeltelijk in de Unie plaatsvindt en waarvoor gebruik wordt gemaakt van infrastructuur, activa en vermogens voor tweeërlei gebruik die zich in de Unie bevinden.
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1)“militair vervoer”: vervoer van materieel, goederen of personen dat rechtstreeks door krijgsmachten wordt verricht, alsmede vervoer dat namens hen wordt verricht door civiele ondernemingen of andere contractanten die door die krijgsmachten in de arm zijn genomen, onder meer in het kader van een militaire oefening, operatie of missie, en met inbegrip van het bemande of onbemande vervoer van voertuigen, vaartuigen of luchtvaartuigen door middel van hun eigen aandrijving;
2)“militaire vervoersactiviteit”: een rit met of zonder lading voor militair vervoer;
3)“vergunning voor militair vervoer”: een door een ontvangende lidstaat aan een verzoekende lidstaat verleende vergunning of diplomatieke toestemming voor grensoverschrijdend militair vervoer;
4)“verzoekende lidstaat”: de lidstaat die een ontvangende lidstaat om toestemming verzoekt voor de verrichting van een militaire vervoersactiviteit over het grondgebied van die ontvangende lidstaat, of de lidstaat die een verzoek om ondersteuning in het kader van de in artikel 35 bedoelde solidariteitspool indient;
5)“ontvangende lidstaat”: de lidstaat van bestemming van een militaire vervoersactiviteit of de lidstaat waar tijdens een militaire vervoersactiviteit doorheen wordt gereisd of overheen wordt gevlogen;
6)“abnormale militaire vracht”: militaire goederen of materieel waarvoor speciale vergunningen, op maat gemaakte vervoersplannen of gespecialiseerde logistieke afhandeling nodig zijn om veilig vervoer te waarborgen, en die, samen met het voertuig waarmee de militaire vervoersactiviteit wordt verricht, de volgende drempels overschrijden:
a)in het geval van vervoer over de weg, de maximaal toegestane afmetingen (lengte, breedte, hoogte) of maximumgewichten die worden vermeld in bijlage I bij Richtlijn 96/53/EG;
b)in het geval van vervoer per spoor, de maximumgewichten, het laadprofiel of andere technische kenmerken die zijn gespecificeerd in het infrastructuurregister als bedoeld in artikel 49 van Richtlijn (EU) 2016/797 en in de RINF-toepassing als bedoeld in Uitvoeringsverordening (EU) 2019/777 van de Commissie;
7)“abnormaal militair vervoer”: het militaire vervoer van abnormale militaire vracht;
8)“gevaarlijke goederen”: de stoffen en voorwerpen die binnen het toepassingsgebied van de in artikel 10, lid 1, van deze verordening bedoelde internationale overeenkomsten en verordeningen vallen;
9)“gastlandondersteuning”: elke actie of bijstand die door of namens een ontvangende lidstaat wordt verleend om de doorreis over en de tijdelijke stationering op het grondgebied van de ontvangende lidstaat van militair personeel en materieel van de verzoekende lidstaat te vergemakkelijken, met inbegrip van toegang tot bijtank-, oplaad- en parkeer- en rustvoorzieningen, in het kader van een militaire vervoersactiviteit;
10)“verkeersregelingen”: operationele regelingen die door de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaten worden vastgesteld en die specifiek bedoeld zijn om militaire vervoersactiviteiten op hun grondgebied mogelijk te maken, met inbegrip van maatregelen met betrekking tot verkeerscontrolediensten, maatregelen om het veilige vervoer van abnormale militaire vracht en gevaarlijke goederen te waarborgen, begeleiding en andere beveiligingsregelingen, gastlandondersteuning en alle andere specifieke vereisten voor vervoerswijzen, zoals de instelling van tijdelijk beperkte gebieden voor luchtverplaatsingen;
11)“escorte”: begeleiding van een militaire vervoersactiviteit door een bewaker of politieagent;
12)“cabotage”:
a)nationaal goederenvervoer voor rekening van derden dat tijdelijk in een lidstaat wordt verricht door een in een andere lidstaat gevestigde vervoerder; of
b)nationaal personenvervoer over de weg voor rekening van derden dat tijdelijk in een lidstaat wordt verricht door een in een andere lidstaat gevestigde vervoerder;
13)“raamovereenkomst”: een overeenkomst tussen een of meer aanbestedende diensten en een of meer marktdeelnemers met het doel gedurende een bepaalde periode de voorwaarden inzake te plaatsen opdrachten vast te leggen, met name wat betreft de prijs en, in voorkomend geval, de beoogde hoeveelheid;
14)“vervoersvermogens”: materieel, vervoersmiddelen of personeel, afzonderlijk of in combinatie, die kunnen worden gebruikt om militaire vervoersactiviteiten te vergemakkelijken, mogelijk te maken of uit te voeren, alsook mobiele activa voor de reparatie van strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik;
15)“logistieke vermogens”: personeel, materieel en diensten die kunnen worden gebruikt om activiteiten van gastlandondersteuning te vergemakkelijken, mogelijk te maken en uit te voeren, met inbegrip van de opslag en distributie van brandstof, benodigdheden en andere essentiële goederen;
16)“strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik” of “SDI”: infrastructuur die voldoet aan de criteria van artikel 33;
17)“eigenaren, exploitanten en beheerders van infrastructuur”: entiteiten die verantwoordelijk zijn voor investeringen in of de dagelijkse exploitatie van die infrastructuur;
18)“militaire eisen van de Raad”: het document “Militaire eisen voor militaire mobiliteit binnen en buiten de EU”, goedgekeurd door de Raad op 26 juni 2023 en 23 oktober 2023, en eventuele latere wijzigingen daarvan, zoals goedgekeurd door de Raad;
19)“militaire mobiliteitscorridor”: een van de prioritaire militaire mobiliteitscorridors van de EU die zijn opgenomen in bijlage II bij de militaire eisen van de Raad;
20)“tweeërlei gebruik”: de mogelijkheid om voor zowel civiele als militaire vervoersdoeleinden te worden gebruikt;
21)“levensmiddel”: levensmiddel of voedingsmiddel als gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad;
22)“goederen die in het kader van militaire activiteiten worden vervoerd of gebruikt”: goederen, met inbegrip van dieren, die worden vervoerd of gebruikt in het kader van:
a)activiteiten die zijn georganiseerd door of onder toezicht vallen van de militaire autoriteiten van een of meer lidstaten of van een derde land waarmee een of meer lidstaten een overeenkomst hebben gesloten om militaire activiteiten te verrichten binnen het douanegebied van de Unie; of
b)militaire activiteiten die worden ondernomen op basis van:
i)
het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Europese Unie (GVDB);
ii)
het Noord-Atlantisch Verdrag, ondertekend op 4 april 1949 te Washington D.C.
Hoofdstuk II
Uniform kader voor militaire mobiliteit
Afdeling 1
Uniforme vergunningsprocedures en voorschriften voor militair vervoer
Artikel 4
Vergunningen voor militair vervoer
Om grensoverschrijdend militair vervoer te vergemakkelijken, kan de ontvangende lidstaat aan de verzoekende lidstaat:
a)een permanente vergunning voor militair vervoer als bedoeld in artikel 5 verlenen;
b)een ad-hocvergunning voor militair vervoer als bedoeld in artikel 6 verlenen.
Artikel 5
Permanente vergunningen voor militair vervoer
1.In een permanente vergunning voor militair vervoer worden de soorten militaire vervoersactiviteiten vermeld die worden geacht door de ontvangende lidstaten te zijn toegestaan tijdens de geldigheidsduur ervan. Permanente vergunningen voor militair vervoer bestrijken ten minste de in bijlage I vermelde soorten militaire vervoersactiviteiten.
2.De ontvangende lidstaten nemen uiterlijk twee maanden na ontvangst van het verzoek om een permanente vergunning voor militair vervoer een besluit om een permanente vergunning voor militair vervoer te verlenen of weigeren.
3.De ontvangende en verzoekende lidstaat komen in de permanente vergunning voor militair vervoer voor zover mogelijk overeen onder welke voorwaarden de militaire vervoersactiviteiten waarop die permanente vergunning voor militair vervoer betrekking heeft, moeten worden verricht, met inbegrip van toepasselijke verkeersregelingen en vooraf vastgestelde routes.
4.De lidstaten, met name die welke aan dezelfde militaire mobiliteitscorridor liggen, kunnen hun permanente vergunningen voor militair vervoer op elkaar afstemmen en vooraf coördineren, met name om de samenhang van verkeersregelingen en vooraf vastgestelde routes te waarborgen.
5.Permanente vergunningen voor militair vervoer zijn geldig totdat zij uitdrukkelijk worden opgeschort of ingetrokken door de ontvangende lidstaat. De lidstaat schort een permanente vergunning voor militair vervoer alleen op of trekt deze alleen in in geval van overmacht of wanneer er sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid in die lidstaat, en motiveert zijn besluit. De ontvangende lidstaat die de vergunning intrekt of opschort, stelt de verzoekende lidstaat daarvan zo spoedig mogelijk in kennis.
6.De ontvangende lidstaat kan een permanente vergunning voor militair vervoer in naar behoren gemotiveerde gevallen wijzigen, en moet de verzoekende lidstaat daarvan ten minste drie werkdagen van tevoren in kennis stellen.
7.Alvorens een militaire vervoersactiviteit te verrichten op grond van een geldige permanente vergunning voor militair vervoer, doet de verzoekende lidstaat een kennisgeving toekomen aan de ontvangende lidstaat. Indien de verzoekende lidstaat om gastlandondersteuning of andere verkeersregelingen verzoekt, wordt een dergelijk verzoek opgenomen in de kennisgeving.
8.De in lid 7 bedoelde kennisgeving wordt uiterlijk 72 uur vóór de geplande aankomsttijd bij de grensdoorlaatpost van de ontvangende lidstaat verzonden. In geval van doorreis door meerdere lidstaten dient de verzoekende lidstaat de kennisgeving tegelijkertijd in bij alle ontvangende lidstaten. Indien de kennisgeving een of meer verzoeken om verkeersregelingen omvat, coördineren en behandelen de ontvangende lidstaten deze verzoeken gelijktijdig om samenhangende verkeersregelingen voor het militaire vervoer te waarborgen. De ontvangende en de verzoekende lidstaat kunnen in de permanente vergunning voor militair vervoer een kortere termijn overeenkomen voor kennisgevingen inzake militaire vervoersactiviteiten.
9.Na ontvangst van een kennisgeving als bedoeld in lid 7 kan de ontvangende lidstaat specifieke verkeersregelingen vaststellen of voorwaarden opleggen voor de militaire vervoersactiviteit in kwestie, met inbegrip van het gebruik van specifieke routes, met name wanneer dat noodzakelijk is voor het veilige vervoer van abnormale militaire vracht of gevaarlijke goederen overeenkomstig de artikelen 10 en 11. In dergelijke gevallen coördineert de ontvangende lidstaat de nodige regelingen onverwijld met de verzoekende lidstaat teneinde te waarborgen dat de militaire vervoersactiviteit volgens plan kan plaatsvinden.
10.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 44 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I te wijzigen teneinde de lijst van soorten militaire vervoersactiviteiten die onder permanente vergunningen voor militair vervoer vallen, bij te werken.
Artikel 6
Ad-hocvergunningen voor militair vervoer
1.De ontvangende lidstaat kan de verzoekende lidstaat een ad-hocvergunning voor militair vervoer verlenen voor een of meer militaire vervoersactiviteiten waarvoor geen geldige permanente militaire vergunning is afgegeven. Een dergelijke ad-hocvergunning voor militair vervoer is slechts geldig gedurende de termijn die erin wordt vermeld.
2.De verzoekende lidstaat dient het verzoek om een ad-hocvergunning voor militair vervoer zo spoedig mogelijk in, in ieder geval op tijd om de ontvangende lidstaat in staat te stellen de vergunning overeenkomstig lid 3 te verlenen of weigeren. Indien de verzoekende lidstaat om gastlandondersteuning of andere verkeersregelingen verzoekt, wordt dit verzoek om verkeersregelingen opgenomen in het verzoek om een ad-hocvergunning voor militair vervoer. In geval van doorreis door meerdere lidstaten dient de verzoekende lidstaat de kennisgeving tegelijkertijd in bij alle ontvangende lidstaten. De ontvangende lidstaten coördineren en behandelen de verzoeken vervolgens gelijktijdig om samenhangende verkeersregelingen voor het militaire vervoer te waarborgen.
3.De ontvangende lidstaat neemt uiterlijk drie werkdagen na ontvangst van het verzoek om een ad-hocvergunning een besluit tot verlening of weigering van de ad-hocvergunning. In zijn besluit om een ad-hocvergunning voor militair vervoer te verlenen, kan de ontvangende lidstaat specifieke verkeersregelingen vaststellen of voorwaarden opleggen voor de militaire vervoersactiviteit in kwestie, met inbegrip van het gebruik van specifieke routes, met name wanneer dat noodzakelijk is voor het veilige vervoer van abnormale militaire vracht of gevaarlijke goederen overeenkomstig de artikelen 10 en 11. In dergelijke gevallen coördineert de ontvangende lidstaat de nodige regelingen onverwijld met de verzoekende lidstaat teneinde te waarborgen dat de militaire vervoersactiviteit volgens plan kan plaatsvinden.
4.De ontvangende lidstaat kan een ad-hocvergunning voor militair vervoer alleen intrekken in geval van overmacht of wanneer er sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid in die lidstaat. De ontvangende lidstaat die de vergunning intrekt, stelt de verzoekende lidstaat daarvan zo spoedig mogelijk in kennis, en motiveert dit besluit naar behoren.
5.De ontvangende lidstaat kan de afgegeven ad-hocvergunning voor militair vervoer alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen wijzigen. De ontvangende lidstaat stelt de verzoekende lidstaat zo spoedig mogelijk in kennis van de wijzigingen.
6.De verzoekende lidstaat kan een eerder ingediend verzoek om een ad-hocvergunning voor militair vervoer wijzigen. De verzoekende lidstaat doet dit uiterlijk drie werkdagen vóór de oorspronkelijk geplande datum van aankomst bij de grensdoorlaatpost. De ontvangende lidstaat antwoordt zonder onnodige vertraging op verzoeken om wijziging.
7.De verzoekende lidstaat dient een nieuw verzoek om een ad-hocvergunning voor militair vervoer in indien de geplande wijzigingen betrekking hebben op het vervoer van gevaarlijke goederen of abnormale militaire vracht, significante wijzigingen in de gastlandondersteuning of datumwijzigingen.
Artikel 7
Individuele dienstregelingspaden voor militair vervoer per spoor
1.Alvorens een militaire vervoersactiviteit per spoor te verrichten, vraagt de verzoekende lidstaat, rechtstreeks of via een spoorwegonderneming die het militaire vervoer namens die verzoekende lidstaat verricht, een individueel dienstregelingspad aan bij de spoorweginfrastructuurbeheerder(s) in de ontvangende lidstaat overeenkomstig artikel 48 van Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad.
2.Indien de medewerking van de infrastructuurbeheerder vereist is om te waarborgen dat de spoorwegvoertuigen, met name wanneer zij abnormale militaire vracht vervoeren, compatibel zijn met de route en naar behoren zijn geïntegreerd in de samenstelling van de trein overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn (EU) 2016/797, verstrekt de infrastructuurbeheerder de nodige informatie aan de spoorwegonderneming en verschaft hij de vereiste tests zo spoedig mogelijk.
3.Indien de spoorwegvoertuigen, met name wanneer zij abnormale militaire vracht vervoeren, onder normale bedrijfsomstandigheden niet compatibel zijn met de parameters van de route die zijn vastgesteld in de gemeenschappelijke specificaties voor het infrastructuurregister uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/777, bepaalt de infrastructuurbeheerder zo spoedig mogelijk of die voertuigen onder bijzondere bedrijfsomstandigheden veilig kunnen worden gebruikt.
4.Indien het vervoer over het spoor van gevaarlijke goederen op grond van artikel 10 wordt toegestaan, nemen de infrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming alle nodige maatregelen om te waarborgen dat de in artikel 10 bedoelde bepalingen worden nageleefd.
5.In geval van doorreis door meerdere lidstaten zorgen de infrastructuurbeheerders van die lidstaten voor coördinatie teneinde een samenhangende behandeling van de militaire vervoersactiviteit te waarborgen.
Artikel 8
Praktische regelingen voor vergunningsprocedures voor militair vervoer
1.De verzoeken om vergunningen voor militair vervoer, kennisgevingen in het kader van dergelijke vergunningen en verzoeken om verkeersregelingen waarin dit hoofdstuk voorziet, met inbegrip van verzoeken met betrekking tot militair vervoer van gevaarlijke goederen en abnormale militaire vracht, worden ingediend met behulp van het model in bijlage II. Verzoeken en kennisgevingen voor hetzelfde militaire vervoer worden gecombineerd in één vergunningsverzoek, één kennisgeving of één verzoek om verkeersregelingen. Onverminderd de toepasselijke douanewetgeving van de Unie, met inbegrip van de in artikel 15 bedoelde formulieren 302 van de NAVO en van de EU, stelt geen enkele lidstaat het gebruik van aanvullende formulieren verplicht.
2.De Commissie is bevoegd om in voorkomend geval overeenkomstig artikel 44 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen II, III, V en VI naar aanleiding van technische, operationele of wetenschappelijke ontwikkelingen.
3.Alle communicatie tussen de verzoekende en de ontvangende lidstaat uit hoofde van de artikelen 5 en 6 verloopt via de overeenkomstig artikel 40, lid 1, aangewezen nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer.
Artikel 9
Ononderbroken militair vervoer
Bij militaire vervoersactiviteiten binnen de Unie worden alle noodzakelijke controlemaatregelen in verband met de escorte van militaire vervoersactiviteiten, het markeren van voertuigen voor militair vervoer, en wapens en munitie, alleen uitgevoerd bij de eerste geplande stop van de militaire vervoersactiviteit na de overschrijding van de binnengrens van een lidstaat, teneinde ononderbroken militair vervoer te waarborgen.
Artikel 10
Militair vervoer van gevaarlijke goederen
1.Militair vervoer van gevaarlijke goederen is, onder voorbehoud van een geldige vergunning voor militair vervoer als bedoeld in artikel 5 en 6, toegestaan indien het voldoet aan de eisen die zijn vastgesteld in een van de volgende instrumenten, naargelang het geval:
a)Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, gesloten te Genève op 30 september 1957 (ADR);
b)Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, gesloten te Genève op 26 mei 2000 (ADN);
c)Reglement betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, als opgenomen in bijlage C bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF), gesloten te Vilnius op 3 juni 1999 (RID);
d)Internationale Code voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over zee (IMDG-code);
e)Internationale Burgerluchtvaartorganisatie — Technische instructies (ICAO-TI);
f)Allied Movement Publication 6 van de NAVO (AMovP-6).
2.Militaire vervoersactiviteiten die overeenkomstig artikel 17 worden uitgevoerd door de krijgsmacht van een NAVO-bondgenoot die geen overeenkomstsluitende partij is bij ADR, ADN, RID, de IMDG-code of ICAO-TI, zijn toegestaan indien zij voldoen aan NAVO-AMovP-6 of, indien deze voorschriften niet van toepassing zijn, aan de nationale voorschriften die van toepassing zijn in het land van oorsprong, naargelang het geval.
3.Indien nodig worden in de krachtens deze verordening vastgestelde verkeersregelingen specifieke maatregelen opgenomen om te garanderen dat wordt voldaan aan de eisen die zijn vastgesteld in de in de leden 1 en 2 vermelde instrumenten.
4.Voor militair vervoer van gevaarlijke goederen met een vergunning voor militair vervoer is het niet vereist om voorafgaand aan het militaire vervoer formulieren of documenten in te dienen waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorschriften van ADR, ADN, RID, de IMDG-code, ICAO-TI, NAVO-AMovP-6 of de nationale voorschriften die van toepassing zijn in het land van oorsprong, naargelang het geval.
Artikel 11
Abnormaal militair vervoer over de weg
1.Militair vervoer over de weg waarvoor voertuigen of voertuigcombinaties worden gebruikt die de in bijlage I bij Richtlijn 96/53/EG vastgestelde maximumgewichten of -afmetingen overschrijden, is, indien deze voertuigen of voertuigcombinaties ondeelbare ladingen als gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 96/53/EG vervoeren of daarvoor zijn bestemd, toegestaan mits dit vervoer onder een geldige vergunning voor militair vervoer als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van deze verordening valt.
2.Voor overeenkomstig lid 1 uitgevoerd militair vervoer stelt de ontvangende lidstaat verkeersregelingen vast om het veilige vervoer van abnormale militaire vracht en de compatibiliteit van infrastructuur te waarborgen. Dergelijke verkeersregelingen vervangen de speciale vergunningen en soortgelijke regelingen als bedoeld in artikel 4, lid 3, van Richtlijn 96/53/EG.
Artikel 12
Vrijstelling van verkeersbeperkingen voor militair vervoer
1.Militair vervoer dat wordt verricht op grond van een geldige vergunning voor militair vervoer als bedoeld in de artikelen 5 en 6, is toegestaan tijdens weekends, feestdagen, nationale vieringen, ‘s nachts en gedurende alle andere perioden waarvoor verkeersbeperkingen kunnen gelden.
2.De lidstaten stellen rechtstreeks door krijgsmachten verrichte militaire vervoersactiviteiten vrij van verkeersbeperkingen die van toepassing zijn op specifieke weggedeelten en zijn gebaseerd op de milieuprestaties van voertuigen.
Artikel 13
Vrijstelling van de cabotageregels voor militair vervoer
1.De lidstaten kunnen, indien dit nodig is om militair vervoer te vergemakkelijken, militair vervoer door civiele exploitanten vrijstellen van de in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1072/2009 vastgestelde beperkingen voor cabotageactiviteiten.
2.De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van dergelijke vrijstellingen.
Artikel 14
Digitaal informatiesysteem voor militaire mobiliteit
1.De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen inzake het opzetten van een beveiligd en beperkt toegankelijk digitaal informatiesysteem voor militaire mobiliteit (“het systeem”), met inachtneming van de volgende vereisten:
a)het systeem wordt uiterlijk in 2030 uitgerold;
b)bij de digitalisering van het EU-formulier 302 in het kader van het systeem wordt de toepasselijke douanewetgeving van de Unie nageleefd, met inbegrip van de gemeenschappelijke gegevensvereisten uit hoofde van het EU-model voor douanegegevens, zoals gedefinieerd in artikel 36 van Verordening (EU) [douanehervorming];
c)het systeem wordt door de Commissie beheerd en onderhouden;
d)het systeem houdt, behalve met betrekking tot de desbetreffende douanewetgeving, rekening met militair vervoer in het kader van NAVO-activiteiten, zoals bepaald in artikel 17;
e)het systeem waarborgt waar nodig interoperabiliteit en wordt ontwikkeld op basis van Unie- en internationale normen, met inachtneming van de douanewetgeving van de EU.
Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 45, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
2.Zodra het systeem is opgezet en operationeel is, wordt het door de lidstaten gebruikt voor alle in dit hoofdstuk genoemde procedures, waaronder voor douaneformaliteiten in verband met het EU-formulier 302, waarnaar wordt verwezen in deze verordening.
Artikel 15
Vereenvoudigde douaneformaliteiten
1.Militair vervoer van goederen die worden vervoerd of gebruikt in het kader van militaire activiteiten waarbij de buitengrenzen van de Unie worden overschreden, is onderworpen aan douanetoezicht en wordt aangegeven binnen de desbetreffende douaneregeling met behulp van het NAVO-formulier 302 of het EU-formulier 302, naargelang het geval, zoals gedefinieerd in artikel 1, punten 50 en 51, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie tenzij de militaire autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de respectieve militaire vervoersactiviteit uitdrukkelijk besluiten een standaarddouaneaangifte in te dienen.
2.Indien zendingen die zijn aangegeven met behulp van een EU- of NAVO-formulier 302 zijn geselecteerd voor een fysieke of op documenten gebaseerde controle, wordt deze controle met voorrang verricht.
Artikel 16
Digitalisering van het EU-formulier 302
1.Zodra het in artikel 14 bedoelde digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit is opgezet en operationeel is, gebruiken de douaneautoriteiten van de lidstaten het voor de uitwisseling en opslag van informatie met betrekking tot het EU-formulier 302, op basis van gemeenschappelijke gegevensvereisten die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EU) [douanehervorming]. De douaneautoriteiten van de lidstaten en de douaneautoriteit van de Europese Unie hebben toegang tot dat systeem om aan hun douaneverplichtingen in het kader van militaire mobiliteit te voldoen.
2.In geval van een tijdelijke storing in het digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit verstrekken marktdeelnemers en andere personen, met inbegrip van militaire autoriteiten, de informatie die vereist is om de betrokken formaliteiten te vervullen op de wijze die wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 203 van Verordening [douanehervorming], en in dit kader kunnen onder meer andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt.
Artikel 17
Militair vervoer in het kader van NAVO-operaties
1.Bij militair vervoer in het kader van activiteiten, missies en oefeningen die gezamenlijk zijn overeengekomen binnen de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) of in het kader van activiteiten, missies en oefeningen tussen NAVO-leden op multilateraal en bilateraal niveau, behandelen de lidstaten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag andere partijen bij dit verdrag voor de toepassing van de artikelen 4 tot en met 13 van deze afdeling als verzoekende lidstaten. In dit geval passen zij de voorschriften uit de artikelen 4 tot en met 13 van deze afdeling op overeenkomstige wijze toe, zonder afbreuk te doen aan de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten.
2.Lidstaten die geen partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag kunnen eveneens besluiten om partijen bij dit verdrag die geen lidstaten zijn, voor de toepassing van de artikelen 4 tot en met 13 te behandelen als verzoekende lidstaten en die voorschriften op overeenkomstige wijze op hen toe te passen.
Afdeling 2
Europees systeem voor versterkte respons inzake militaire mobiliteit (EMERS)
Artikel 18
EMERS
1.Er wordt een Europees systeem voor versterkte respons inzake militaire mobiliteit (European Military Mobility Enhanced Response System — EMERS) opgezet. Na te zijn geactiveerd overeenkomstig de procedures en voorwaarden van artikel 19, kunnen in het kader van het EMERS de in deze afdeling bedoelde tijdelijke maatregelen worden uitgevoerd.
2.Tijdens de activeringsperiode van het EMERS zijn de tijdelijke maatregelen uit hoofde van deze afdeling van toepassing op het volledige grondgebied van de Unie.
Artikel 19
Activering van het EMERS
1.Het EMERS kan worden geactiveerd volgens de procedure die wordt beschreven in lid 2 indien er een bestaande of verwachte behoefte is aan aanzienlijk meer, frequenter of sneller militair vervoer in de Unie of een deel daarvan, en indien met de bestaande voorschriften inzake militair vervoer en de capaciteit van het vervoersnetwerk niet aan die behoefte kan worden voldaan of deze niet toereikend zijn om aan die behoeften te voldoen.
2.Indien de Commissie van oordeel is dat aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van ten minste één lidstaat, dient de Commissie bij de Raad zo spoedig mogelijk een voorstel in voor een uitvoeringshandeling ter activering van het EMERS.
Alvorens om activering van het EMERS te verzoeken en indien dit gezien de urgentie mogelijk is, raadpleegt de Commissie de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit.
Voorafgaand aan of tegelijkertijd met het verzoek om activering voert de Commissie een beoordeling uit van het effect van de activering van het EMERS op de werking van de interne markt en evalueert zij of risicobeperkende maatregelen vereist zijn.
3.De Raad kan, naar aanleiding van het in lid 2 bedoelde voorstel van de Commissie, uiterlijk 48 uur na ontvangst van het activeringsverzoek de uitvoeringshandeling ter activering van het EMERS vaststellen. In de uitvoeringshandeling van de Raad wordt de duur van de toepassing van het EMERS vastgesteld, die in geen geval langer mag zijn dan twaalf maanden.
In de uitvoeringshandeling tot activering van het EMERS geeft de Raad aan welke bepalingen van deze afdeling door de lidstaten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag ook moeten worden toegepast op militaire transporten die worden verricht door partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag die geen lidstaat zijn, onverminderd de relevante douaneformaliteiten. Ook de lidstaten die geen partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag kunnen besluiten de EMERS-voorschriften toe te passen op partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag die geen lidstaat zijn. Bij het nemen van een besluit om bepaalde bepalingen ook toe te passen op partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag die geen lidstaten zijn, houdt de Raad met name rekening met activiteiten, missies en oefeningen waarover binnen de NAVO overeenstemming is bereikt en die verband houden met de oorzaken van de EMERS-activering, met eerbiediging van de belangen van de Unie en haar lidstaten op het gebied van veiligheid en defensie.
4.Tijdens de toepassing van het EMERS belegt de Commissie, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, indien nodig buitengewone bijeenkomsten van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit. De lidstaten werken nauw samen met de Commissie door haar tijdig in kennis te stellen van nationale maatregelen die zijn genomen in het kader van de activering van het EMERS, en dergelijke maatregelen met haar te coördineren.
5.Op gemotiveerd verzoek van ten minste één lidstaat of op eigen initiatief beoordeelt de Commissie of nog steeds aan de voorwaarden van lid 1 wordt voldaan en dient zij in voorkomend geval een nieuw voorstel in bij de Raad. Op basis van de beoordeling van de Commissie kan de Raad, overeenkomstig de procedure van lid 2, besluiten de toepassing van het EMERS te verlengen of beëindigen vóór het verstrijken van de termijn die is vastgesteld in de in lid 3 bedoelde uitvoeringshandeling van de Raad. Elke uitvoeringshandeling tot verlenging van de toepassing van het EMERS blijft maximaal twaalf maanden van kracht. Indien na die datum verdere verlenging vereist is, wordt de procedure in dit artikel herhaald.
Artikel 20
Kennisgeving van militair vervoer tijdens de activeringsperiode van het EMERS
1.In afwijking van artikel 5 en 6 worden verzoeken om vergunningen voor militair vervoer tijdens de activeringsperiode van het EMERS geacht te zijn aanvaard door de ontvangende lidstaten. Dit laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet.
2.De verzoekende lidstaat stelt ontvangende lidstaten zo spoedig mogelijk en uiterlijk zes uur vóór de geplande aankomsttijd bij de grensdoorlaatpost van de ontvangende lidstaat in kennis van een beoogde militaire vervoersactiviteit. De kennisgeving bevat alle relevante details, met inbegrip van het toepassingsgebied, de voorgenomen route en het tijdschema van het vervoer en, indien van toepassing, het verzoek om gastlandondersteuning of andersoortige verkeersregelingen.
3.Wanneer de ontvangende lidstaat verkeersregelingen overeenkomstig artikel 5, lid 9, en artikel 6, lid 3, vereist, stelt hij deze onverwijld vast om te waarborgen dat het vervoer volgens plan kan plaatsvinden.
Artikel 21
Prioritaire toegang tijdens de activeringsperiode van het EMERS
1.Tijdens de activeringsperiode van het EMERS verlenen de lidstaten, alsmede eigenaren, exploitanten en beheerders van infrastructuur of, in voorkomend geval, aanbieders van verwante diensten of voorzieningen, militaire transporten, met inbegrip van abnormale militaire transporten of transporten van gevaarlijke goederen, prioritaire toegang tot vervoersnetwerken en -infrastructuur, met inbegrip van wegennetwerken, parkeer- en rustplaatsen langs de weg, spoorwegnetwerken, stations en dienstverleningsvoorzieningen, maritieme en binnenvaartinfrastructuur, met inbegrip van binnenwateren en territoriale wateren zoals gedefinieerd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos), zeeroutes, vaargeulen, uitgebaggerde kanalen, toegangsvaarwegen, zeestraten die worden gebruikt voor de internationale scheepvaart en gebieden die onder maritiem verkeersbeheer of loodsdiensten vallen, sluizen, havens en haventerminals, zeekanalen, luchtvaartterreinen, luchtruim, multimodale goederenterminals, tank-/laadinfrastructuur voor alle vervoerswijzen en verwante diensten en voorzieningen.
2.Om prioritaire toegang voor een militaire vervoersactiviteit te waarborgen, dient de krijgsmacht die het militaire vervoer verricht of uitbesteedt een verzoek om prioritaire toegang in bij de overeenkomstig artikel 40 benoemde nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer van de ontvangende lidstaat.
3.Het in lid 2 bedoelde verzoek wordt zo spoedig mogelijk ingediend en bevat de informatie die vereist is om de prioritaire toegang voor het militaire vervoer naar behoren voor te bereiden. In het verzoek worden met name de verwachte aankomsttijd en de duur van de prioritaire toegang en het aantal voertuigen, een beschrijving van de vracht en de respectieve afmetingen en gewichten ervan vermeld. Ook wordt aangegeven of het militaire vervoer gevaarlijke goederen omvat, en, indien dat het geval is, de aard van die gevaarlijke goederen. Ook kan er een verzoek om de in artikel 20, lid 2, bedoelde verkeersregelingen in worden opgenomen.
4.De nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer van de ontvangende lidstaat stelt de eigenaren, exploitanten en beheerders van de betrokken infrastructuur of, in voorkomend geval, de aanbieders van verwante diensten of voorzieningen, onverwijld in kennis van het verzoek om prioritaire toegang en van het feit dat zij waarschijnlijk betrokken zullen zijn bij de militaire vervoersactiviteit, zodat zij hieraan overeenkomstig lid 6 prioriteit kunnen toekennen.
5.Met de hulp van de nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer verzoekt de krijgsmacht die het militair vervoer verricht of uitbesteedt:
a)de bevoegde infrastructuurbeheerders om individuele dienstregelingspaden;
b)de bevoegde havenautoriteiten om toewijzing van aanlegplaatsen en havendiensten;
c)de bevoegde luchthavenbeheerders en -coördinatoren, de Europese netwerkbeheerder en de aanbieder van luchtvaartnavigatiediensten, naargelang het geval, om het vereiste luchtruim en toegang tot luchthavendiensten.
6.De prioritaire toegang wordt zo spoedig mogelijk na indiening van de in de leden 2 en 5 bedoelde verzoeken verleend en de krijgsmacht die het militaire vervoer verricht of uitbesteedt, wordt hiervan onmiddellijk in kennis gesteld overeenkomstig de bepalingen van dit lid. Voor zover nodig en met inachtneming van de veiligheidsmaatregelen worden lopende of geplande vervoersdiensten en -activiteiten onderbroken, uitgesteld of geannuleerd om prioritaire toegang voor het militaire vervoer mogelijk te maken.
Voor militair wegvervoer stellen de eigenaren, exploitanten en beheerders van de betrokken wegeninfrastructuur de krijgsmacht die het militair vervoer verricht of uitbesteedt ervan in kennis dat zij de nodige maatregelen hebben genomen om prioritaire toegang te waarborgen tot de tolwegen, parkeer- en rustplaatsen langs de weg, bruggen en tunnels die deel uitmaken van hun wegennet. De nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer kan een route en weginfrastructuur aanbevelen om een optimaal niveau van prioritaire toegang te waarborgen voor de verzoekende krijgsmacht.
Voor militair vervoer per spoor wijst de infrastructuurbeheerder, in afwijking van artikel 7, lid 1, binnen zes uur individuele dienstregelingspaden toe. In het geval van vervoer van gevaarlijke goederen of abnormaal militair vervoer wijst de spoorweginfrastructuurbeheerder de afzonderlijke dienstregelingspaden echter zo spoedig mogelijk toe.
Als havens worden aangedaan, stellen de bevoegde havenautoriteiten de krijgsmacht die het militaire vervoer verricht of uitbesteedt in kennis van de toegewezen ligplaats en de aangeboden havendiensten.
Voor militair vervoer over binnenwateren informeert de nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer de krijgsmacht die het militair vervoer verricht of uitbesteedt zo nodig over de route en de binnenvaartinfrastructuur, waarbij een optimaal niveau van prioritaire toegang wordt gewaarborgd.
Voor militair luchtvervoer informeren de bevoegde luchthavenbeheerders en -coördinatoren, de Europese netwerkbeheerder en de verlener van luchtvaartnavigatiediensten, naargelang het geval, de krijgsmacht die het militaire vervoer verricht, uitbesteedt of er opdracht toe geeft, over het beschikbare luchtruim en de toegang tot luchthavendiensten die op de betrokken luchthavens worden aangeboden.
7.Wanneer uit hoofde van lid 1 prioritaire toegang wordt verleend aan militair vervoer, is geen compensatie verschuldigd aan gedupeerde andere vervoergebruikers. De lidstaten en de eigenaren, exploitanten en beheerders van infrastructuur of, in voorkomend geval, de aanbieders van verwante diensten of voorzieningen, leveren alle redelijke inspanningen om de gevolgen van een dergelijke prioritaire toegang te beperken, bijvoorbeeld door alternatieve routes, “slots”, vervoersdiensten of voorzieningen aan te bieden, naargelang het geval en afhankelijk van de beschikbaarheid, en informeren de vervoergebruikers zo spoedig mogelijk.
8.Wanneer noodmaatregelen aanzienlijke gevolgen hebben voor het grensoverschrijdende verkeer, coördineren de lidstaten, de eigenaren, exploitanten en beheerders van infrastructuur of, in voorkomend geval, de aanbieders van verwante diensten of voorzieningen, maatregelen om de gevolgen voor de verkeersstroom zoveel mogelijk te beperken.
Artikel 22
Militair vervoer van gevaarlijke goederen tijdens de activeringsperiode van het EMERS
1.Tijdens de activeringsperiode van het EMERS kunnen de lidstaten, indien de eisen van de in artikel 10, lid 1, bedoelde internationale overeenkomsten of nationale voorschriften van toepassing zijn op militair vervoer van gevaarlijke goederen uit hoofde van deze verordening, dergelijk vervoer vrijstellen van die eisen of nationale voorschriften, voor zover deze eisen op grond van die overeenkomsten niet verplicht moeten worden toegepast. Wanneer een lidstaat een dergelijke vrijstelling verleent, mag hij uit hoofde van het nationale recht geen nieuwe eisen opleggen.
2.De lidstaten die betrokken zijn bij het militaire vervoer coördineren alle overeenkomstig dit artikel verleende vrijstellingen en stellen de andere lidstaten daarvan onverwijld in kennis via de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit.
Artikel 23
Abnormaal militair vervoer over de weg tijdens de activeringsperiode van het EMERS
Tijdens de activeringsperiode van het EMERS is militair vervoer over de weg dat wordt verricht met voertuigen of voertuigcombinaties die de in bijlage I bij Richtlijn 96/53/EG vastgestelde maximumgewichten of -afmetingen overschrijden, ongeacht of de lading al dan niet ondeelbaar is, toegestaan, onverminderd eventuele noodzakelijke verkeersregelingen.
Artikel 24
Verhoogde bescherming van strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik tijdens de activeringsperiode van het EMERS
Tijdens de activeringsperiode van het EMERS activeren de lidstaten striktere beschermingsmaatregelen met betrekking tot de overeenkomstig artikel 33 aangewezen strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik op hun grondgebied, teneinde deze te beschermen, bestand te maken tegen alle gevaren en dreigingen en de doeltreffende werking ervan te allen tijde te waarborgen.
Artikel 25
Betere toegang tot vervoers- en logistieke vermogens tijdens de activeringsperiode van het EMERS
1.Tijdens de activeringsperiode van het EMERS en indien de in artikel 35 bedoelde solidariteitspool operationeel is, kan de Commissie, rekening houdend met het advies van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit, specifieke in de solidariteitspool geregistreerde vermogens aanwijzen die dringend nodig zijn om bepaalde lidstaten te ondersteunen. In dergelijke gevallen wordt prioriteit toegekend aan verzoeken om die vermogens die afkomstig zijn van de getroffen lidstaten en van lidstaten die militaire vervoersactiviteiten voor de getroffen lidstaten ondersteunen.
De deel- en coördinatie-inspanningen in het kader van de solidariteitspool als bedoeld in artikel 35, worden gericht op het ondersteunen van die prioritaire verzoeken, waarbij wordt gegarandeerd dat de vereiste vermogens tijdig en efficiënt beschikbaar worden gesteld.
Indien een lidstaat de vermogens na de inwerkingtreding van deze verordening heeft verworven, uitbesteed of aangekocht met financiële steun van de Unie en deze vermogens kunnen worden gebruikt om prioritaire verzoeken overeenkomstig de eerste alinea van dit lid te ondersteunen, beroept de lidstaat zich niet op de uitzonderlijke situatie die het gebruik van deze vermogens vereist, als bedoeld in artikel 35, leden 10 en 11.
2.De Commissie kan de lidstaten bijstaan bij het uitbesteden van relevante vervoers- en logistieke vermogens.
3.De Commissie kan alle relevante vervoers- en logistieke vermogens uitbesteden naar aanleiding van een advies van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit.
Artikel 26
Vrijstelling van militaire wegvervoersactiviteiten van de cabotageregels tijdens de activeringsperiode van het EMERS
Tijdens de activeringsperiode van het EMERS is militair vervoer dat wordt verricht door civiele exploitanten vrijgesteld van de in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1072/2009 vastgestelde beperkingen op cabotageritten en van beperkingen met betrekking tot de duur en frequentie van cabotageritten die worden uitgevoerd in het kader van personenvervoer over de weg.
Artikel 27
Afwijkingen van de voorschriften inzake rij- en rusttijden voor militaire vervoersactiviteiten tijdens de activeringsperiode van het EMERS
1.Tijdens de activeringsperiode van het EMERS zijn de volgende afwijkingen van de in Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde rijtijden, onderbrekingen en rusttijden van toepassing op militaire vervoersactiviteiten die worden verricht door civiele exploitanten:
a)in afwijking van artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 561/2006 wordt de dagelijkse rijtijd van 9 uur tweemaal in de week verlengd tot 11 uur;
b)in afwijking van artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 561/2006 wordt de wekelijkse rijtijd van 56 uur verlengd tot 60 uur;
c)in afwijking van artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 561/2006 wordt de totale gedurende twee opeenvolgende weken geaccumuleerde rijtijd verlengd van 90 uur tot 96 uur;
d)in afwijking van artikel 7, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 561/2006 wordt de rijperiode van vier en een half uur waarna de bestuurder een aaneengesloten onderbreking van ten minste 45 minuten moet nemen, verlengd tot vijf en een half uur. De onderbreking kan worden vervangen door drie onderbrekingen van elk 15 minuten, die zodanig worden verdeeld dat aan het bepaalde in artikel 7, eerste alinea, van die verordening wordt voldaan;
e)in afwijking van artikel 8, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 561/2006 wordt de dagelijkse rusttijd van 9 uur beschouwd als een verkorte dagelijkse rusttijd;
f)in afwijking van artikel 8, lid 6, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 561/2006 mag een bestuurder in twee opeenvolgende weken twee verkorte wekelijkse rusttijden van ten minste 24 uur nemen. Wanneer gebruik wordt gemaakt van deze afwijking, mag het begin van de in artikel 8, lid 6, tweede alinea, van die verordening bedoelde wekelijkse rusttijd worden uitgesteld tot na het einde van zes perioden van 24 uur vanaf het einde van de vorige wekelijkse rusttijd, waarbij echter nooit twaalf perioden van 24 uur mogen worden overschreden;
g)in afwijking van artikel 8, lid 6 ter, van Verordening (EG) nr. 561/2006 wordt een verkorting van de wekelijkse rusttijd gecompenseerd door een gelijkwaardige rusttijd die voor het einde van de twaalfde week na de betrokken week wordt genomen, “en bloc” of in de vorm van twee rusttijden waarvan er één ten minste 45 uur bedraagt;
h)in afwijking van artikel 8, lid 8, van Verordening (EG) nr. 561/2006 mogen de normale wekelijkse rusttijden en wekelijkse rusttijden van meer dan 45 uur ter compensatie van eerdere verkorte wekelijkse rusttijden in een voertuig worden genomen, mits het voertuig veilig geparkeerd is en adequate omstandigheden voor rust biedt;
i)in afwijking van artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 561/2006 wordt de toegestane periode van onderbreking, wanneer een bestuurder een voertuig begeleidt dat per veerboot of trein wordt vervoerd en een normale dagelijkse rusttijd of een verkorte wekelijkse rusttijd neemt in een slaapcabine, bed of slaapbank, verlengd van één tot twee uur.
2.Het gebruik van de in lid 1 van dit artikel vastgestelde afwijkingen laat de maximale werktijden uit hoofde van Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad onverlet.
3.In het kader van controles langs de weg moet de bestuurder op verzoek van een bevoegde, met controle belaste ambtenaar de registratiebladen en alle handmatige registraties en afdrukken van de lopende dag en de voorgaande dagen kunnen overleggen die het gebruik van de afwijkingen rechtvaardigen.
Artikel 28
Gebruik van spoorwegvoertuigen buiten hun gespecificeerde gebruiksgebied tijdens de activeringsperiode van het EMERS
1.Tijdens de activeringsperiode van het EMERS mogen spoorwegvoertuigen worden gebruikt buiten het gebruiksgebied dat is gespecificeerd in hun vergunning voor het in de handel brengen uit hoofde van artikel 21 van Richtlijn (EU) 2016/797, of buiten het gebruiksgebied waarvoor zij in gebruik zijn genomen uit hoofde van het Unie- of nationale rechtskader dat van toepassing was vóór het bij die richtlijn vastgestelde vergunningskader, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)het voertuig is onderworpen aan controles overeenkomstig artikel 23, lid 1, punten b) en c), van Richtlijn (EU) 2016/797;
b)het voertuig is bestemd voor gebruik als onderdeel van militair vervoer;
c)het voertuig is in gebruik op één netwerk voordat het op een ander netwerk wordt gebruikt;
d)het voertuig is aangewezen om potentieel te worden gebruikt als onderdeel van een militair vervoer overeenkomstig artikel 37 van deze verordening.
2.De inzet van de in lid 1 bedoelde voertuigen vindt plaats in overleg tussen de betrokken infrastructuurbeheerders en spoorwegondernemingen, in overeenstemming met elk van hun veiligheidsbeheersystemen als bedoeld in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad en, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 10, lid 9, van die richtlijn.
Artikel 29
Vrijstelling van militaire vervoersactiviteiten van verkeersbeperkingen tijdens de activeringsperiode van het EMERS
1.Tijdens de activeringsperiode van het EMERS zijn militaire vervoersactiviteiten over de weg toegestaan tijdens weekends, feestdagen, nationale feestdagen, ‘s nachts en gedurende elke andere periode waarin verkeersbeperkingen kunnen gelden.
2.Tijdens de activeringsperiode van EMERS stellen de lidstaten militaire vervoersactiviteiten vrij van verkeersbeperkingen die op specifieke weggedeelten gelden en zijn gebaseerd op de milieuprestaties van voertuigen, en van beperkingen op basis van luchtkwaliteit en geluidsbeheersing die worden toegepast in havens en luchthavens.
Artikel 30
Vrijstelling van officiële controles van levensmiddelen, diervoeders en honden bij binnenkomst in de Unie tijdens de activeringsperiode van het EMERS
1.Tijdens de activeringsperiode van het EMERS zijn de artikelen 43 tot en met 57 en de artikelen 65 tot en met 72 van Verordening (EU) 2017/625 niet van toepassing op levensmiddelen, diervoeders en honden die de Unie binnenkomen en die goederen vormen die worden vervoerd of gebruikt in het kader van militaire activiteiten, op voorwaarde dat zij:
a)zijn aangegeven met een EU- of NAVO-formulier 302, als bedoeld in artikel 15;
b)door middel van markering of etikettering zijn aangemerkt als uitsluitend bestemd voor militair gebruik, overeenkomstig de interne procedures die worden toegepast door de militaire autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de respectieve militaire vervoersactiviteit;
c)de Unie binnenkomen onder toezicht van de militaire autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de respectieve militaire vervoersactiviteit.
2.Na binnenkomst in de Unie van de in lid 1 bedoelde levensmiddelen, diervoeders en honden zorgen de militaire autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de respectieve militaire vervoersactiviteit ervoor dat die goederen onder hun toezicht worden vervoerd en uitsluitend voor militair gebruik worden bestemd.
3.De militaire autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de respectieve militaire vervoersactiviteit, zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde levensmiddelen en diervoeders niet in de Unie in de handel worden gebracht, maar worden geconsumeerd, veilig worden verwijderd of weer uit de Unie worden uitgevoerd.
4.De militaire autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de respectieve militaire vervoersactiviteit zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde honden geen risico vormen voor de diergezondheid of de volksgezondheid in de Unie en dat hun eigendom niet in de Unie wordt overgedragen.
Artikel 31
Versnelde douaneprocedures tijdens de activeringsperiode van het EMERS
1.Tijdens de activeringsperiode van het EMERS heeft de in artikel 19, lid 3, van deze verordening bedoelde uitvoeringshandeling van de Raad tot gevolg dat procedures en protocollen worden geactiveerd overeenkomstig de in artikel 203, lid 1, van Verordening [douanehervorming] voorziene procedures en het mechanisme voor crisisbeheersing op douanegebied zoals gedefinieerd in artikel 204 van Verordening [douanehervorming].
2.De douaneautoriteit van de Europese Unie, als bedoeld in titel XII van Verordening [douanehervorming], stelt in overleg met de Commissie de in lid 1 van dit artikel bedoelde procedures en protocollen op voor de uitvoering van maatregelen in geval van activering van het EMERS als omschreven in artikel 19.
Hoofdstuk III
Weerbaarheid van vervoersinfrastructuur
Artikel 32
Paraatheid van het vervoersnetwerk voor tweeërlei gebruik
1.De lidstaten moderniseren de infrastructuur voor tweeërlei gebruik die is aangewezen als onderdeel van de militaire mobiliteitscorridors met voorrang en volgens een gecoördineerde en gesynchroniseerde aanpak, zodat deze voldoet aan de infrastructuureisen die worden gedefinieerd in bijlage II bij de militaire eisen van de Raad. Bij de modernisering van die gedeelten voor tweeërlei gebruik van de militaire mobiliteitscorridors kennen de lidstaten prioriteit toe aan de volgende projecten:
a)de continuïteit van het vervoersnetwerk waarborgen door ontbrekende schakels te sluiten en belangrijke knelpunten voor militair vervoer weg te nemen;
b)de interoperabiliteit van het vervoersnetwerk waarborgen, onder meer door te migreren naar de Europese nominale standaardspoorbreedte;
c)de infrastructuur geschikt maken voor abnormaal militair vervoer, onder meer door bruggen voor spoor- en wegvervoer te versterken en de infrastructuur voor spoorwegen, wegen, havens en luchtvaartterreinen te versterken en uit te breiden;
d)wegtunnels moderniseren zodat deze aan de eisen van ADR-categorie A voldoen, of voorzien in alternatieve routes voor voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren die niet compatibel zijn met de huidige tunnelcategorie;
e)de verwerkingscapaciteit voor alle vervoerswijzen vergroten, onder meer door de toegang per spoor en over de weg tot havens en luchthavens te verbeteren en haven-, luchthaven- en terminalvoorzieningen en -materieel te verbeteren;
f)de weerbaarheid van infrastructuur voor communicatie, controle, navigatie, bewaking en energievoorziening vergroten, met name ten aanzien van interferentie met radiofrequentiecommunicatie;
g)een toereikend niveau van weerbaarheid en redundantie van het netwerk waarborgen.
2.De lidstaten die aan dezelfde militaire mobiliteitscorridor liggen, werken samen om potentiële risico’s die van invloed kunnen zijn op de functionaliteit, beveiliging of weerbaarheid van die corridor, met name de risico’s voor grensoverschrijdend vervoer, in kaart te brengen en aan te pakken. Hiertoe doen zij het volgende:
a)de functionaliteit van de militaire mobiliteitscorridors evalueren;
b)analyseren in hoeverre de infrastructuur van de militaire mobiliteitscorridor voldoet aan de vervoersinfrastructuureisen als beschreven in de militaire eisen van de Raad;
c)potentiële leemten in de infrastructuur, ontbrekende schakels en knelpunten detecteren die de vlotte doorstroming van militair vervoer belemmeren;
d)de nauwkeurige en exacte technische kenmerken van hun vervoersinfrastructuur bepalen, evenals de omstandigheden waaronder abnormale militaire vracht kan worden vervoerd;
e)de weerbaarheid van de infrastructuur voor communicatie, controle, navigatie, bewaking en brandstofvoorziening monitoren, met name ten aanzien van interferentie met radiofrequentiecommunicatie, en handhavingsmaatregelen evalueren;
f)alle andere potentiële risico’s voor militaire vervoersactiviteiten langs de militaire mobiliteitscorridors evalueren, met het oog op een passende bescherming van de verwante vervoersinfrastructuur;
g)de weerbaarheid vergroten door compatibiliteit te waarborgen met de door de ruimtesystemen van de Unie aangeboden diensten, zoals systemen voor plaatsbepaling, navigatie en tijdsbepaling (PNT), aardobservatie (AO) en beveiligde connectiviteit. In het bijzonder maken zij, wanneer zij gebruikmaken van PNT-diensten, gebruik van de authenticatiediensten die worden aangeboden door het ruimtevaartprogramma van de Unie of, bij wijze van alternatief, van de publiek gereguleerde dienst (PRS) van Galileo, voor zover dit haalbaar is en zonder afbreuk te doen aan de prerogatieven van de lidstaten met betrekking tot het gebruik van PRS op hun grondgebied. Voorts maken de lidstaten gebruik van de in de ruimte gestationeerde AO-diensten van de Unie indien deze monitoring- en beschermingsoplossingen aanbieden.
3.Op basis van de overeenkomstig lid 2 uitgevoerde analyse wijst de Commissie, in nauwe samenwerking met de lidstaten, gerichte kortetermijninvesteringen (“hotspots” voor vervoersinfrastructuur) langs de militaire mobiliteitscorridors aan die prioritair door de lidstaten moeten worden uitgevoerd. Daartoe belegt de Commissie specifieke bijeenkomsten voor individuele militaire mobiliteitscorridors om overeenstemming te bereiken over de gesynchroniseerde en gecoördineerde uitvoering van dergelijke hotspots. De betrokken lidstaten worden voor dergelijke bijeenkomsten uitgenodigd en in het kader van de beoordeling worden militaire deskundigen geraadpleegd.
4.De lidstaten coördineren, met de steun van de Commissie en de EDEO, het volgende:
a)het bereiken van overeenstemming over aangewezen routes, vervoersknooppunten en ondersteunende voorzieningen zoals ondersteuningscentra voor militair vervoer, en een optimale benutting van militaire mobiliteitscorridors;
b)de bevordering van de coördinatie en samenwerking tussen spoorweginfrastructuurbeheerders in verschillende lidstaten, met name voor het garanderen van een efficiënte behandeling van verzoeken om verkeersregelingen overeenkomstig artikel 7 en van snelle en efficiënte controles van de trajectverenigbaarheid voor abnormaal militair vervoer dat meer dan één netwerk doorkruist;
c)het bevorderen van coördinatie en samenwerking tussen nationale luchtvaartautoriteiten, met de steun van het EDA en, in voorkomend geval, de netwerkbeheerder zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 49, van Verordening (EU) 2024/2803, teneinde grensoverschrijdende connectiviteitspunten tussen alle lidstaten vast te stellen, overeenkomstig de beginselen van Verordening (EG) nr. 2150/2005 van de Commissie.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), dragen de lidstaten infrastructuurbeheerders op overeenstemming te bereiken over voorgeschreven routes voor grensoverschrijdend militair vervoer, met name voor gevaarlijke goederen en abnormaal militair vervoer.
5.Bij de uitvoering van dit artikel wordt de Commissie bijgestaan door het bij artikel 61 van Verordening (EU) 2024/1679 ingestelde comité. In voorkomend geval kan de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit worden geraadpleegd.
Artikel 33
Aanwijzing van strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik
1.Onverminderd Richtlijn (EU) 2022/2557 en in aanvulling erop, wijzen de lidstaten de volgende infrastructuur op hun grondgebied aan als strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik voor de toepassing van deze verordening:
a)belangrijke vervoersinfrastructuur die de hoofdstad van elke lidstaat bedient, met inbegrip van, indien van toepassing, de grootste zee- en binnenhavens en de grootste luchthaven- en multimodale goederenterminal, op basis van de hoogste verkeersvolumes en/of verwerkingscapaciteit;
b)belangrijke vervoersinfrastructuur die stedelijke knooppunten van het trans-Europees vervoersnetwerk met een bevolking van ten minste 1 miljoen inwoners bedient;
c)voor elke NUTS 2-regio langs de militaire mobiliteitscorridors, de grootste zeehaven en binnenhaven en de grootste luchthaven- en multimodale goederenterminal, op basis van de hoogste verkeersvolumes en/of verwerkingscapaciteit.
2.Naast de in lid 1 bedoelde strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik wijzen de lidstaten vervoersinfrastructuur die aan de volgende criteria voldoet aan als strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik voor de toepassing van deze verordening:
a)infrastructuur met een strategische capaciteit om grootschalige militaire vervoersactiviteiten te ondersteunen;
b)infrastructuur die van strategisch belang is voor militair vervoer langs een of meerdere militaire mobiliteitscorridors;
c)infrastructuur die een strategische bijdrage levert of heeft geleverd aan gepland of eerder verricht militair vervoer;
d)infrastructuur waarvan bekend is dat deze een knelpunt of ontbrekende schakel vormt voor militaire vervoersactiviteiten, zoals een strategische rivierkruising of tunnel.
3.Naast de in lid 1 bedoelde strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik wijzen de lidstaten ook essentiële ondersteunende infrastructuur, waaronder energie- en communicatie-infrastructuur, die aan de volgende criteria voldoet, aan als strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik voor de toepassing van deze verordening:
a)infrastructuur met een strategische capaciteit om grootschalige militaire vervoersactiviteiten te ondersteunen;
b)infrastructuur die een strategische bijdrage levert of heeft geleverd aan gepland of eerder verricht militair vervoer;
c)infrastructuur die een strategische rol speelt bij de verlening van diensten voor goederen- of personenvervoer naar lidstaten of regio’s die kwetsbaar zijn voor veiligheidsdreigingen;
d)infrastructuur die is uitgerust met zeer gespecialiseerde diensten of voorzieningen voor tweeërlei gebruik die essentieel zijn voor militair vervoer en waarvoor elders in dezelfde lidstaat of langs dezelfde militaire mobiliteitscorridor zeer weinig alternatieven beschikbaar zijn;
e)infrastructuur die een strategische rol speelt bij de opslag van activa voor tweeërlei gebruik die militair vervoer langs de militaire mobiliteitscorridors vergemakkelijken.
4.Uiterlijk [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] stellen alle lidstaten een lijst op van de overeenkomstig dit artikel aangewezen strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik op hun grondgebied. Zij leggen die lijst voor aan de Commissie voor eventuele opmerkingen en herzien deze dienovereenkomstig. De lidstaten werken de lijst regelmatig bij en volgen hiervoor dezelfde procedure. De lijst wordt behandeld als “gevoelig/limité”.
5.Bij de uitvoering van de leden 1 en 2 wordt de Commissie bijgestaan door het bij artikel 61 van Verordening (EU) 2024/1679 ingestelde comité.
Bij de uitvoering van lid 3 wordt de Commissie bijgestaan door de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit.
Artikel 34
Basisbeschermingsmaatregelen voor SDI
1.De lidstaten nemen de volgende basisbeschermingsmaatregelen met betrekking tot SDI op hun grondgebied teneinde deze infrastructuur tegen alle gevaren te beschermen, de weerbaarheid ervan te vergroten en te waarborgen dat deze te allen tijde doeltreffend functioneert:
a)de eigenaren, exploitanten en beheerders van de infrastructuur in kennis stellen van de aanwijzing ervan als SDI en alle relevante informatie verstrekken die zij nodig hebben om aan hun verplichtingen uit hoofde van dit artikel te voldoen;
b)de risico’s in verband met buitenlandse eigendom van of zeggenschap over SDI afwenden, beperken en aanpakken, onder meer door de screening van buitenlandse investeringen overeenkomstig Verordening (EU) 2019/452;
c)de risico’s afwenden, beperken en aanpakken die zijn geassocieerd met het beheer of de exploitatie van specifieke activa die deel uitmaken van of verband houden met SDI, zoals specifieke hefapparatuur, IT-systemen, beveiligings-, controle- en detectieapparatuur, alsook kritiek personeel en kritieke activiteiten, zoals die van aanbieders van goederenvervoer per spoor, logistieke bedrijven, aanbieders van havendiensten zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad, zeevarenden en loodsen;
d)in voorkomend geval basismaatregelen nemen om de SDI te beschermen tegen interferentie en aanvallen door statelijke en niet-statelijke actoren, met inbegrip van terroristische aanvallen, cyberaanvallen en andere hybride aanvallen, en de SDI uitrusten met interferentiecapaciteit voor elektronische oorlogvoering om luchtaanvallen en droneaanvallen, met inbegrip van “jamming” en “spoofing”, tegen te gaan.
2.De eigenaren, exploitanten en beheerders van SDI nemen, in voorkomend geval samen met elkaar, alle nodige technische, veiligheids- en organisatorische maatregelen binnen hun verantwoordelijkheidsgebied om te waarborgen dat de SDI naar behoren wordt beschermd tegen alle gevaren, dat de weerbaarheid ervan wordt vergroot en dat de doeltreffende werking ervan te allen tijde gewaarborgd is. De eigenaren, exploitanten en beheerders van SDI doen met name het volgende:
a)de relevante basisbeschermings- en weerbaarheidsmaatregelen voor SDI uitvoeren;
b)voldoen aan de verplichtingen voor kritieke entiteiten die voortvloeien uit Richtlijn (EU) 2022/2557, met name die in de artikelen 12 tot en met 15, ongeacht of de eigenaar, exploitant of beheerder van SDI binnen het toepassingsgebied van die richtlijn valt;
c)de voorschriften voor essentiële of belangrijke entiteiten toepassen die voortvloeien uit de artikelen 20 en 21 van Richtlijn (EU) 2022/2555, ongeacht of de eigenaar, exploitant of beheerder van SDI binnen het toepassingsgebied van die richtlijn valt;
d)gedetailleerde informatie verstrekken over de eigendomsstructuur van de SDI op het eerste verzoek van de lidstaat waar de SDI zich bevindt.
3.De lidstaten stellen de Commissie en de lidstaten langs dezelfde militaire mobiliteitscorridors onverwijld in kennis van incidenten met betrekking tot SDI op hun grondgebied die de verlening van essentiële diensten in de zin van artikel 15, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2557 aanzienlijk verstoren of kunnen verstoren en waarvan zij door de eigenaren, exploitanten en beheerders van SDI in kennis zijn gesteld of waarvan zij via andere kanalen kennis hebben gekregen. Dergelijke kennisgevingen bevatten alle beschikbare informatie om de bevoegde autoriteit in staat te stellen de aard, de oorzaak en mogelijke gevolgen van het incident te beoordelen, met inbegrip van alle beschikbare informatie om de daaruit voortvloeiende capaciteitsbeperkingen en mogelijke grensoverschrijdende gevolgen van het incident te bepalen.
4.De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde basisbeschermings- en weerbaarheidsmaatregelen voor SDI en de in artikel 24 van deze verordening bedoelde aangescherpte beschermingsmaatregelen voor SDI vast te stellen. Daartoe houdt de Commissie in het bijzonder rekening met de op grond van artikel 13, lid 5, van Richtlijn (EU) 2022/2557 vastgestelde richtsnoeren van de Commissie en kan zij ook het advies inwinnen van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit en het bij artikel 61 van Verordening (EU) 2024/1679 ingestelde comité. Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 45, lid 4, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure. De Commissie kan voorstellen de maatregelen die onder die uitvoeringshandeling vallen, op te nemen in de militaire eisen van de Raad.
Hoofdstuk IV
Beschikbaarheid van vervoers- en logistieke vermogens voor militaire vervoersactiviteiten
Artikel 35
Solidariteitspool om militaire vervoersactiviteiten te vergemakkelijken
1.Er wordt een solidariteitspool opgezet. Deze pool neemt de vorm aan van een lijst van geregistreerde vermogens van de lidstaten en eventuele Unievermogens. De in de solidariteitspool geregistreerde vermogens bestaan uit vervoers- en logistieke vermogens en worden gebruikt om de uitvoering van militaire vervoersactiviteiten te waarborgen, optimaliseren en vergemakkelijken. De solidariteitspool wordt operationeel onder voorbehoud van de vaststelling door de Commissie van de in lid 15 bedoelde uitvoeringshandeling.
2.Op basis van het advies van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit en de resultaten van de in artikel 43 bedoelde stresstests kan de Commissie richtsnoeren vaststellen waarin de soorten en het aantal essentiële vervoersvermogens worden gespecificeerd die nodig zijn om met de solidariteitspool de lacunes op het gebied van militaire vervoersvermogens in de Unie te dichten.
3.De solidariteitspool is 24 uur per dag, zeven dagen per week operationeel.
4.De lidstaten kunnen vrijwillig hun eigen vermogens in de solidariteitspool registreren. Vermogens die door de lidstaten zijn verworven of uitbesteed met financiële steun van de Unie, worden geregistreerd in de solidariteitspool.
5.Multinationale vermogens die door twee of meer lidstaten worden geleverd, worden gezamenlijk geregistreerd door alle betrokken lidstaten of door een relevante entiteit.
6.Afhankelijk van de beschikbaarheid van Uniefinanciering kunnen vermogens op Unieniveau worden ingekocht met als doel de lacunes op het gebied van vervoersvermogens in de Unie te dichten, onder voorwaarden die moeten worden gespecificeerd in de in lid 15 bedoelde uitvoeringshandeling. Unievermogens worden automatisch geregistreerd in de solidariteitspool.
7.De vermogens die door de lidstaten of de Unie, of beide, in de solidariteitspool worden geregistreerd, kunnen eigen vermogens zijn of vermogens die zijn verkregen door middel van dienstverleningsovereenkomsten met commerciële exploitanten, indien dergelijke overeenkomsten registratie toestaan.
8.In de solidariteitspool geregistreerde vermogens zijn beschikbaar voor ondersteuning naar aanleiding van een verzoek van een verzoekende lidstaat aan de Commissie, tenzij deze vermogens reeds worden gebruikt om een ander verzoek te ondersteunen. In geval van concurrerende verzoeken worden besluiten tot toewijzing van de vermogens genomen in nauwe coördinatie tussen de verzoekende lidstaten, de Commissie en, in voorkomend geval, de lidstaat die de vermogens heeft geregistreerd.
9.Wanneer vermogens die in het kader van de solidariteitspool zijn geregistreerd, niet worden gebruikt of niet nodig zijn voor geplande ondersteuning, kunnen zij voor nationale doeleinden worden gebruikt door de registrerende lidstaten of voor commerciële doeleinden door de commerciële exploitant die door de registrerende lidstaat of de Unie is de arm is genomen.
10.De in de solidariteitspool geregistreerde vermogens van een lidstaat kunnen van ondersteuning worden uitgesloten indien die lidstaat wordt geconfronteerd met een uitzonderlijke situatie die het gebruik van die vermogens vereist. Indien een lidstaat zich op een dergelijke uitzonderlijke situatie beroept, stelt hij de Commissie daarvan zo spoedig mogelijk in kennis en verstrekt hij haar daarbij een toelichting.
11.De in de solidariteitspool geregistreerde vermogens van een lidstaat die ter ondersteuning worden ingezet, blijven onder het bevel en de controle van die lidstaat staan. Indien de registrerende lidstaat wordt geconfronteerd met een uitzonderlijke situatie die het gebruik van reeds ingezette geregistreerde vermogens vereist, kan hij deze, na overleg met de Commissie en de verzoekende lidstaat waarvoor de vermogens zijn ingezet, terugtrekken.
12.Unievermogens worden ondergebracht in een lidstaat. De Commissie en de lidstaten waarborgen in voorkomend geval een adequate geografische spreiding van Unievermogens. De verzoekende lidstaat waarvoor Unievermogens worden ingezet, is verantwoordelijk voor de aansturing van ondersteuningsactiviteiten.
13.Vermogens die in het kader van de solidariteitspool zijn geregistreerd, kunnen worden voorgepositioneerd. Wanneer vermogens worden voorgepositioneerd, worden zij ondergebracht in voorzieningen waar, in voorkomend geval, de in artikel 34 bedoelde basisbeschermingsmaatregelen worden toegepast.
14.De kosten van het onderhoud en de uitrol van de vermogens van de lidstaten komen ten laste van de registrerende lidstaat, tenzij in de in lid 15 bedoelde uitvoeringshandeling anders is bepaald.
15.Afhankelijk van de beschikbaarheid van Uniefinanciering kan de Commissie een uitvoeringshandeling vaststellen om de solidariteitspool in gebruik te nemen. Die uitvoeringshandeling bevat ook een beschrijving van:
a)de procedures die moeten worden gevolgd voor de behandeling van verzoeken van de lidstaten om vermogens in het kader van de solidariteitspool;
b)aanvullende specificaties op grond waarvan de in lid 14 vermelde kosten kunnen worden gefinancierd;
c)aanvullende specificaties op grond waarvan de kosten in verband met de voorpositionering van vermogens kunnen worden gefinancierd;
d)aanvullende specificaties op grond waarvan de opleidings-, omscholings- en bijscholingskosten kunnen worden gefinancierd van personeel dat de in het kader van de solidariteitspool geregistreerde vermogens gebruikt;
e)eventuele aanvullende regels inzake de werking van de solidariteitspool, indien noodzakelijk;
Deze uitvoeringshandeling kan een beschrijving bevatten van:
a)de voorwaarden waaronder de onderhouds- en uitrolkosten van de vermogens van de lidstaten moeten worden toegewezen;
b)de voorwaarden waaronder een op kredieten gebaseerd systeem kan worden gebruikt als een soort niet-financieel uitwisselingsmechanisme voor vermogens die in de solidariteitspool zijn geregistreerd.
Artikel 36
Toegang tot voertuigregisters voor potentieel gebruik in militair vervoer
1.De lidstaten zorgen ervoor dat hun diensten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van militaire vervoersactiviteiten toegang hebben tot de respectieve nationale registers van wegvoertuigen, met het oog op de aanwijzing van wegvoertuigen voor tweeërlei gebruik.
2.De lidstaten zorgen er in samenwerking met het Spoorwegbureau van de Europese Unie voor dat hun diensten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van militaire vervoersactiviteiten toegang hebben tot de respectieve nationale registers van spoorwegvoertuigen en tot het Europees voertuigregister als bedoeld in artikel 47, lid 5, van Richtlijn (EU) 2016/797, met het oog op de aanwijzing van spoorwegvoertuigen voor tweeërlei gebruik.
3.De lidstaten zorgen ervoor dat hun diensten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van militaire vervoersactiviteiten toegang hebben tot de respectieve nationale lucht- en scheepvaartregisters, met het oog op de aanwijzing van luchtvaartuigen en vaartuigen voor tweeërlei gebruik.
4.De Commissie krijgt eveneens toegang tot de in de leden 1 tot en met 3 bedoelde registers, met het oog op de aanwijzing van voertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen voor tweeërlei gebruik.
Artikel 37
Aanwijzing van spoorwegvoertuigen voor potentieel gebruik in militair vervoer
1.De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met het oog op:
c)de aanwijzing van categorieën spoorwegvoertuigen die het meest geschikt zijn voor gebruik als onderdeel van militair vervoer;
d)indien beschikbaar en na raadpleging van het Spoorwegbureau van de Europese Unie, de vaststelling van technische specificaties waarop de in punt a) bedoelde aanwijzing kan worden gebaseerd, en, indien nodig, van passende technische parameters en bijbehorende methoden om naleving te testen;
e)voor spoorwegvoertuigen waarvoor reeds een vergunning is verleend op grond van artikel 21 van Richtlijn (EU) 2016/797 of die in gebruik zijn genomen uit hoofde van het Unie- of nationale rechtskader dat van toepassing was vóór het bij die richtlijn vastgestelde vergunningskader, de bepaling of en onder welke voorwaarden:
1)spoorwegondernemingen en houders van voertuigen moeten nagaan of de voertuigen waarvoor zij verantwoordelijk zijn tot een van de in punt a) genoemde categorieën behoren en, zo ja, alle relevante technische kenmerken van die voertuigen moeten vaststellen;
2)fabrikanten van spoorwegmaterieel moeten nagaan of de door hen geproduceerde voertuigen tot een van de in punt a) genoemde categorieën behoren en zo ja, de volledige relevante technische kenmerken van die voertuigen moeten vaststellen.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 45, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
2.Indien de Commissie de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling vaststelt, neemt de houder van het voertuig voor elk geregistreerd spoorwegvoertuig de aanwijzing als voertuig dat kan worden gebruikt als onderdeel van militair vervoer en alle krachtens lid 1, punt b), vastgestelde relevante parameters op in de technische documentatie van het respectieve voertuig. De houders van voertuigen zijn verantwoordelijk voor de registratie van die parameters in het in artikel 47, lid 5, van Richtlijn (EU) 2016/797 bedoelde Europees voertuigregister, in samenwerking met de registratie-instanties.
Artikel 38
Vaststelling van een kader voor tijdelijke zeggenschap of een tijdelijk gebruiksrecht voor militair vervoer
1.Uiterlijk [één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] beschikt elke lidstaat over een kader op grond waarvan, in laatste instantie, bindende bevelen kunnen worden uitgevaardigd om tijdelijke zeggenschap of een tijdelijk gebruiksrecht te verkrijgen ten aanzien van voor de uitvoering van militaire vervoersactiviteiten vereist(e) infrastructuur, activa of materieel op zijn grondgebied, indien het niet mogelijk is in onderling overleg of in het kader van een bestaande overeenkomst binnen de vereiste termijn een alternatieve oplossing te vinden. Wanneer een lidstaat over een bestaand kader beschikt dat een dergelijke tijdelijke zeggenschap of een dergelijk tijdelijk gebruiksrecht mogelijk maakt, zorgt hij ervoor dat het bestaande kader voldoet aan de eisen in de leden 2 en 3.
2.De lidstaten zorgen ervoor dat hun in lid 1 bedoelde kader aan de volgende minimumeisen voldoet:
a)het voorziet in de tijdelijke zeggenschap over of het tijdelijke recht op gebruik van infrastructuur, activa of materieel ter ondersteuning van de militaire vervoersactiviteiten van een andere lidstaat, op verzoek van die lidstaat, alsmede in een procedure voor de indiening van een dergelijk verzoek;
b)het omvat een compensatiemechanisme om de door de eigenaren, exploitanten en beheerders van de/het betrokken infrastructuur, activa of materieel gemaakte kosten en geleden schade te vergoeden;
c)het omvat transparante en niet-discriminerende regels en procedures met betrekking tot een dergelijke tijdelijke zeggenschap en een dergelijk tijdelijk gebruiksrecht, en op grond van dergelijke regels en procedures zijn maatregelen getroffen.
3.De lidstaten waarborgen dat alle in het in lid 1 bedoelde kader vastgestelde maatregelen strikt noodzakelijk en evenredig zijn.
Artikel 39
Raamovereenkomsten met aanbieders van vervoersdiensten voor tweeërlei gebruik
1.De lidstaten kunnen raamovereenkomsten sluiten met aanbieders van vervoersdiensten voor tweeërlei gebruik teneinde de beschikbaarheid van vervoersvermogens voor militaire vervoersactiviteiten, met inbegrip van de snelle inzet van personeel, materieel en voorraden, te garanderen.
2.De in lid 1 bedoelde raamovereenkomsten die na de inwerkingtreding van deze verordening worden gesloten, verlengd of ingrijpend worden gewijzigd:
a)zijn zodanig ontworpen dat andere lidstaten zich als overeenkomstsluitende partij kunnen aansluiten, en kunnen worden gewijzigd om extra deelnemers op te nemen zonder afbreuk te doen aan de primaire doelstelling van de ondersteuning van militair vervoer;
b)bevatten de verplichting voor aanbieders van vervoersdiensten om alle deelnemende lidstaten op de hoogte te brengen van eventuele dubbele boekingen van vervoersvermogens voordat zij conflicterende orders aanvaarden.
3.De lidstaten en de in lid 2, punt b), bedoelde aanbieders van vervoersdiensten voeren procedures in om geschillen over de toewijzing van vervoersvermogens op te lossen en te waarborgen dat zonder onnodige vertraging tegemoet wordt gekomen aan prioriteiten op het gebied van militair vervoer.
Hoofdstuk V
Horizontale bepalingen
Artikel 40
Nationaal coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer
1.Uiterlijk [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] wijst elke lidstaat een permanent beschikbare nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer aan om coördinatie en doeltreffende communicatie over grensoverschrijdend militair vervoer te waarborgen.
2.De lidstaten zorgen ervoor dat hun respectieve nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer:
a)verzoeken om vergunningen voor militair vervoer en kennisgevingen als bedoeld in artikel 8, lid 3, en artikel 20, lid 2, ontvangt en verzendt;
b)over de nodige deskundigheid en middelen beschikt om advies te kunnen geven en ondersteuning te kunnen bieden met betrekking tot alle douaneformaliteiten;
c)verzoeken om prioritaire toegang die tijdens een activeringsperiode van het EMERS worden ingediend, ontvangt en beantwoordt en de nodige procedures faciliteert, overeenkomstig artikel 21;
d)in staat is alle relevante actoren op nationaal, regionaal en lokaal niveau die betrokken zijn bij militaire vervoersactiviteiten te coördineren, teneinde de soepele uitvoering van grensoverschrijdende militaire vervoersactiviteiten te waarborgen, in het bijzonder tijdens de activering van het EMERS, en de in artikel 42 bedoelde controle van de gereedheid voor militair vervoer te coördineren.
Artikel 41
Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit
1.De Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit wordt opgericht om de Commissie bij te staan, advies te geven en aanbevelingen te doen en om de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de lidstaten over kwesties in verband met deze verordening te vergemakkelijken.
2.De specifieke taken van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit zijn:
a)besprekingen en dialoog tussen de lidstaten bevorderen om de verlening van vergunningen voor militair vervoer en de toekenning van verkeersregelingen te vergemakkelijken, met name tussen lidstaten die aan dezelfde militaire mobiliteitscorridors liggen;
b)het gebruik vergemakkelijken van vooraf geplande verkeersregelingen en vooraf vastgestelde routes voor militaire vervoersactiviteiten;
c)advies uitbrengen over basis- en aangescherpte beschermingsmaatregelen als bedoeld in respectievelijk artikel 34, lid 4, en artikel 24;
d)de aanwijzing en het voorpositioneren van belangrijke vervoers- en logistieke vermogens voor de solidariteitspool vergemakkelijken teneinde de lacunes die in de Unie op dit gebied bestaan aan te pakken wanneer overeenkomstig artikel 35 een solidariteitspool operationeel is gemaakt;
e)de gezamenlijke aankoop door de lidstaten van vervoers- en logistieke vermogens voor militair vervoer vergemakkelijken;
f)de resultaten van de overeenkomstig de artikelen 42 en 43 uitgevoerde controles van de gereedheid voor militair vervoer en stresstests evalueren en op basis daarvan zo nodig aanbevelingen doen;
g)advies uitbrengen over de technische specificaties en modules voor het digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit, indien dat is opgezet overeenkomstig artikel 14, met inachtneming van de toepasselijke douanewetgeving van de Unie;
h)geraadpleegd worden over de in artikel 33, lid 3, bedoelde lijst van strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik.
3.De Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit bestaat uit vertegenwoordigers van de Commissie, de EDEO, met inbegrip van de Militaire Staf van de Europese Unie, het Europees Defensieagentschap en de lidstaten. De vertegenwoordigers van elke lidstaat kunnen het standpunt van hun respectieve regeringen vertegenwoordigen. Indien dit relevant is voor douaneformaliteiten, worden ook de douaneautoriteiten van de lidstaten en de douaneautoriteit van de Europese Unie uitgenodigd om deel te nemen. De Commissie zit de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit voor en verzorgt het secretariaat ervan.
4.De Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit kan, in voorkomend geval, overeenkomstig haar reglement van orde en met gepaste inachtneming van de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten, Oekraïne, Moldavië en de landen van de Europese Economische Ruimte uitnodigen om vergaderingen bij te wonen als waarnemer.
5.De Commissie garandeert transparantie door de leden van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit gelijke toegang tot informatie te geven.
6.De Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit komt regelmatig, en elke keer dat de situatie dit vereist bijeen, op verzoek van de Commissie of van een lidstaat. Zij stelt haar reglement van orde vast op grond van een voorstel van de Commissie.
7.De Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit kan op verzoek van de Commissie of op eigen initiatief adviezen uitbrengen en aanbevelingen doen. De Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit streeft ernaar oplossingen te vinden die de ruimst mogelijke steun genieten.
Artikel 42
Controle van de gereedheid voor militair vervoer
1.De lidstaten voeren eenmaal per jaar een controle van de gereedheid voor militair vervoer uit om na te gaan of zij gereed zijn om militair vervoer te verrichten. Voor de controle van de gereedheid voor militair vervoer wordt informatie over al het volgende geanalyseerd:
a)de maatregelen die op nationaal niveau moeten worden genomen om de uitvoering van het EMERS te waarborgen;
b)de maatregelen die op nationaal niveau zijn genomen om een overheidsbrede aanpak van militair vervoer te waarborgen;
c)of de nodige maatregelen en verkeersregelingen zijn getroffen voor geplande grensoverschrijdende militaire vervoersactiviteiten;
d)of er gastlandondersteuningsmaatregelen zijn genomen om gepland grensoverschrijdend militair vervoer op het grondgebied van de lidstaat in kwestie mogelijk te maken;
e)of verzoeken om vergunningen voor militair vervoer zijn ingediend bij en ontvangen door andere lidstaten overeenkomstig de artikelen 5 en 6;
f)of er overeenkomstig artikel 35 een solidariteitspool operationeel is gemaakt en of er verzoeken om ondersteuning uit de solidariteitspool zijn ingediend.
2.De nationale coördinator voor grensoverschrijdend militair vervoer van elke lidstaat deelt de resultaten van zijn controle van de gereedheid voor militair vervoer mee aan de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit.
Artikel 43
Stresstests
1.De Commissie kan in samenwerking met de lidstaten en relevante organen van de Unie stresstests uitvoeren om de paraatheid van de Unie om militair vervoer te faciliteren, te testen en evalueren. Dergelijke tests:
a)dienen als voorbereiding op de activering van het EMERS;
b)testen de doeltreffendheid van de overheidsbrede aanpak bij de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening, met inbegrip van de coördinatie en samenwerking tussen relevante organen, autoriteiten en belanghebbenden;
c)testen de uitvoering van de bepalingen van deze verordening in een specifiek geografisch gebied, zoals een specifieke militaire mobiliteitscorridor, in grensregio’s van een lidstaat met een derde land of in een specifieke sector, met inbegrip van douane.
2.De lidstaten kunnen de Commissie verzoeken de in lid 1 bedoelde stresstests uit te voeren.
3.De Commissie deelt de resultaten van de overeenkomstig dit artikel uitgevoerde stresstests mee aan de deelnemende lidstaten en aan de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit.
4.De Commissie kan, op verzoek van een lidstaat of op naar aanleiding van een relevante uitnodiging, ook deelnemen aan stresstests of oefeningen met als doel de paraatheid van de Unie om militair vervoer te faciliteren, te testen en evalueren.
Artikel 44
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.De in de artikelen 5 en 8 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de [DATUM VAN INWERKINGTREDING].
3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 5 en 8 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.Een overeenkomstig de artikelen 5 en 8 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 45
Comitéprocedure
1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.De Europese Dienst voor extern optreden wordt uitgenodigd om de vergaderingen van het comité bij te wonen.
3.Het Europees Defensieagentschap, het Spoorwegbureau van de Europese Unie, het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, de netwerkbeheerder (als gedefinieerd in artikel 2, punt 49, van Verordening (EU) 2024/2803) en het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging worden als waarnemers uitgenodigd om hun standpunten en deskundigheid te delen met het comité.
4.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Hoofdstuk VI
Wijzigingen van andere handelingen van de Unie
Artikel 46
Wijziging van Verordening (EU) nr. 2016/796
Verordening (EU) 2016/796 wordt als volgt gewijzigd:
1.aan artikel 1, lid 3, wordt het volgende punt toegevoegd: “d) de paraatheid van het spoorwegsysteem van de Unie als bedoeld in Verordening (EU) 202X/XXX.”;
2.in artikel 2 wordt de laatste zin vervangen door: “Bij het nastreven van deze doelstellingen houdt het Bureau ten volle rekening met het uitbreidingsproces van de Unie en met de specifieke beperkingen in verband met spoorverbindingen met derde landen, en helpt het de weerbaarheid en het reactievermogen bij veiligheidsincidenten van het spoorwegsysteem van de Unie te waarborgen.”;
3.aan artikel 19, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd: “m) Het Bureau verleent de Commissie bijstand bij de vaststelling van technische specificaties inzake militaire mobiliteit voor de aanwijzing van voertuigen die geschikt zijn voor gebruik als onderdeel van militair vervoer overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) 202X/XXX.”;
4.aan artikel 20 wordt de volgende alinea toegevoegd: “Het Bureau kent een Europees voertuignummer (EVN) toe overeenkomstig artikel 46, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/797.”;
5.aan artikel 80, lid 2, wordt het volgende punt toegevoegd: “e) de registratie van voertuigen in het Europees voertuigregister overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn (EU) 2016/797.”.
Artikel 47
Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2016/797
Richtlijn (EU) 2016/797 wordt als volgt gewijzigd:
1.aan artikel 21 wordt het volgende lid toegevoegd:
“18. In gevallen waarin het gebruiksgebied is beperkt tot een of meer netwerken binnen een lidstaat, kunnen de lidstaten met het Bureau overeenkomen dat zij hun bevoegdheid om vergunningen te verlenen voor spoorwegvoertuigen die kunnen worden gebruikt voor militair vervoer zoals gedefinieerd in artikel 37 van Verordening (EU) 202X/XXXX, delegeren aan het Bureau. De details van een dergelijke delegatie worden overeengekomen in samenwerkingsovereenkomsten uit hoofde van artikel 76 van Verordening (EU) 2016/796, en het Bureau deelt de delegaties die het van de lidstaat heeft gekregen via het bij artikel 12 van Verordening (EU) 2016/796 ingestelde éénloketsysteem.”;
2.in artikel 22 wordt lid 3 vervangen door:
“3. Wanneer het gebruiksgebied van het voertuig het grondgebied van meer dan één lidstaat bestrijkt, wordt het geregistreerd in één van de betrokken lidstaten of door het Bureau.”;
3.in artikel 46 wordt lid 1 vervangen door:
“1. Bij de registratie overeenkomstig artikel 22 kent de bevoegde autoriteit aan elk voertuig een Europees voertuignummer (EVN) toe. Het toegekende EVN wordt op elk voertuig aangebracht.”.
Artikel 48
Wijzigingen van Verordening (EU) 2024/2803
Verordening (EU) 2024/2803 wordt als volgt gewijzigd:
1.in artikel 9, lid 1, wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd:
“In afwijking [van de eerste alinea] mogen aanbieders van luchtvaartnavigatiediensten tot en met 31 december 2030 gebruikmaken van de communicatiediensten van andere dienstverleners die niet zijn gecertificeerd of die geen verklaring van bekwaamheid hebben afgelegd overeenkomstig artikel 41 van Verordening (EU) 2018/1139, op voorwaarde dat die dienstverleners reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening communicatiediensten in de Unie verleenden.”;
2.aan artikel 11, lid 6, worden de volgende alinea’s toegevoegd:
“In afwijking van dit lid kan een aanbieder van communicatiediensten die dergelijke diensten reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening in de Unie verleende, tot en met 31 december 2030 worden geselecteerd om dezelfde diensten in de Unie te verlenen, zelfs als hij niet aan de in punt a) vermelde voorwaarde voldoet.
In afwijking van dit lid kan een aanbieder van communicatiediensten die dergelijke diensten reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening in de Unie verleende, tot en met 31 december 2033 worden geselecteerd om dezelfde diensten in de Unie te verlenen, zelfs als hij niet aan de in de punten b) en c) vermelde voorwaarden voldoet.”.
Artikel 49
Wijzigingen van Verordening (EU) 2018/1139
Verordening (EU) 2018/1139 wordt als volgt gewijzigd:
1.aan artikel 3 wordt het volgende punt toegevoegd:
“(35) “testomgeving voor regelgeving”: een tijdelijk en gecontroleerd kader, opgezet door een lidstaat of het Agentschap, om het ontwerpen, ontwikkelen, testen en demonstreren van innovatieve producten en diensten, met inbegrip van producten en diensten voor tweeërlei gebruik, in een realistische omgeving mogelijk te maken, onder vooraf vastgestelde voorwaarden en tijdschema’s en onder toezicht van een bevoegde autoriteit, met als doel innovatie en militaire mobiliteit te bevorderen.”;
2.in artikel 71 wordt lid 1 vervangen door:
“1. De lidstaten kunnen aan elke natuurlijke of rechtspersoon die onder deze verordening valt, in de volgende omstandigheden vrijstellingen verlenen van de eisen die voor die persoon gelden uit hoofde van hoofdstuk III (met uitzondering van de in dat hoofdstuk vastgestelde essentiële eisen) of uit hoofde van de op basis van dat hoofdstuk vastgestelde gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen:
a)in geval van dringende en onvoorzienbare omstandigheden die gevolgen hebben voor die personen of voor de dringende operationele behoeften van die personen;
b)indien die eisen de certificering, het gebruik of de exploitatie van innovatieve technologieën, producten, apparatuur, systemen, onderdelen, operationele concepten of bedrijfsmodellen beletten.
De in de eerste alinea bedoelde vrijstellingen kunnen worden verleend indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a)het is niet mogelijk op passende wijze aan deze omstandigheden of behoeften tegemoet te komen in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften;
b)er wordt gezorgd voor veiligheid, milieubescherming en naleving van de toepasselijke essentiële eisen, indien nodig via de toepassing van beperkende maatregelen;
c)de lidstaat heeft alle mogelijke marktverstoringen ten gevolge van het verlenen van afwijkingen zoveel mogelijk beperkt; en
d)de omvang en de duur van de ontheffing zijn beperkt tot wat strikt noodzakelijk is en de ontheffing wordt op niet-discriminerende wijze toegepast.
In een dergelijk geval stelt de betrokken lidstaat de Commissie, het Agentschap en de andere lidstaten via het bij artikel 74 ingestelde register onmiddellijk in kennis van de toegekende ontheffing, de looptijd ervan, de reden van de toekenning ervan en, voor zover van toepassing, de nodige beperkende maatregelen die zijn toegepast.”;
3.aan artikel 74, lid 1, tweede alinea, wordt het volgende punt toegevoegd:
“s) kennisgevingen van besluiten van de lidstaten of het Agentschap met betrekking tot de totstandbrenging, opschorting en beëindiging van testomgevingen voor regelgeving uit hoofde van artikel 86 bis, en het bijbehorende gezamenlijke verslag.”;
4.aan artikel 75, lid 2, wordt het volgende punt toegevoegd:
“k) samenwerken met nationale militaire autoriteiten en relevante Unie- en internationale organen om luchtvervoersoplossingen voor tweeërlei gebruik en de veilige integratie ervan in het civiele luchtverkeer mogelijk te maken.”;
5.het volgende artikel 86 bis wordt ingevoegd:
“Artikel 86 bis
Testomgevingen voor regelgeving
1. Testomgevingen voor regelgeving kunnen door een lidstaat of het Agentschap op eigen initiatief of op verzoek van een organisatie worden opgezet om bij te dragen tot de volgende doelstellingen:
a)innovatie en concurrentievermogen in de luchtvaartsector bevorderen;
b)een tijdige en veilige invoering van innovaties op de luchtvaartmarkt van de Unie mogelijk maken;
c)de rechtszekerheid verbeteren en de naleving vergemakkelijken van deze verordening, van de uit hoofde ervan vastgestelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen en, in voorkomend geval, van ander toepasselijk Unie- en nationaal recht; empirisch onderbouwde leerprocessen op regelgevingsgebied en de ontwikkeling van op prestaties gebaseerde eisen bevorderen.
2. Een testomgeving voor regelgeving kan worden opgezet wanneer aan de volgende criteria wordt voldaan:
a)de te testen technologieën, producten, apparatuur, systemen, onderdelen, operationele concepten of bedrijfsmodellen vormen een echte innovatie en zullen naar verwachting voordelen opleveren voor de consument of voor de bredere samenleving;
b)de innovatie is voldoende ver ontwikkeld om te worden getest in een gecontroleerde omgeving onder realistische omstandigheden, en er zijn relevante belemmeringen of lacunes in de wetgeving vastgesteld;
c)veiligheid en milieubescherming zijn gewaarborgd en de toepasselijke essentiële eisen worden nageleefd, indien nodig door middel van de toepassing van beperkende maatregelen.
3. Voor een testomgeving voor regelgeving worden de volgende aspecten duidelijk omschreven:
a)de doelstellingen;
b)het toepassingsgebied en de duur, die beperkt blijven tot wat strikt noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de voorgestelde doelstellingen;
c)de governancestructuur, met inbegrip van de rol en verantwoordelijkheden van alle deelnemende autoriteiten en entiteiten, die:
i)
de aanwijzing omvat van een bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de testomgeving;
ii)
garandeert dat alle lidstaten en autoriteiten waarvoor de doelstellingen en het toepassingsgebied van de testomgeving gevolgen hebben, op passende wijze worden betrokken bij de totstandbrenging en uitvoering ervan;
iii)
garandeert dat de betrokkenheid van het Agentschap, met name bij de ontwikkeling van de veiligheidsdocumentatie en de verwachte lessen op regelgevingsgebied;
d)de monitoring- en evaluatiecriteria;
e)transparante en niet-discriminerende toelatingscriteria en -procedures;
f)de rapportageverplichtingen, die een adequate follow-up van activiteiten mogelijk maken.
4. Een organisatie die een aanvraag voor deelname aan een testomgeving indient, toont aan dat de te testen technologieën, producten, apparatuur, systemen, componenten, operationele concepten of bedrijfsmodellen voldoen aan de criteria van lid 2. In dat kader doet de organisatie het volgende:
a)de doelstellingen van het innovatieve project of de innovatieve oplossing specificeren;
b)de concrete regelgevingsbelemmeringen of -lacunes in kaart brengen die moeten worden aangepakt;
c)veiligheidsdocumentatie opstellen waarin wordt uiteengezet welke risicobeperkende maatregelen moeten worden genomen om een passend niveau van veiligheid en milieubescherming en, voor zover mogelijk, naleving van de toepasselijke essentiële eisen te waarborgen.
5. Na ontvangst van een verzoek of aanvraag van een organisatie beoordeelt de lidstaat of het Bureau of de voorgestelde risicobeperkende maatregelen passend en toereikend zijn om een passend veiligheidsniveau te waarborgen, en stelt de lidstaat of het Agentschap eventuele aanvullende noodzakelijk geachte maatregelen voor. In dit kader worden ook de lessen op regelgevingsgebied gespecificeerd die naar verwachting zullen kunnen worden getrokken uit de testomgeving.
6. Als een lidstaat of het Agentschap een testomgeving voor regelgeving opzet, stelt deze lidstaat of het Agentschap de andere lidstaten en het Agentschap onmiddellijk in kennis van de totstandbrenging van de testomgeving. De kennisgeving bevat alle in lid 3 genoemde elementen.
7. De totstandbrenging van een testomgeving voor regelgeving doet geen afbreuk aan de toezichts- of corrigerende bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten die toezicht houden op de testomgeving. De nationale bevoegde autoriteiten en het Agentschap hebben de bevoegdheid om het testproces of de deelname aan de testomgeving op te schorten of te beëindigen indien doeltreffende risicobeperking niet mogelijk is. Zij stellen het Agentschap en de lidstaten via het bij artikel 74 ingestelde register in kennis van dergelijke besluiten.
8. Na afloop van de experimenten in de testomgeving voor regelgeving stellen de organisatie en de betrokken lidstaat of het Agentschap gezamenlijk een verslag op. In dit verslag worden de uitgevoerde activiteiten, de behaalde resultaten en de getrokken lessen op regelgevingsgebied in detail beschreven. Organisaties kunnen dat verslag gebruiken om aan te tonen dat zij voldoen aan deze verordening en de uit hoofde van de verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen. Het Agentschap neemt dit verslag op in het bij artikel 74 ingestelde register.
9. De lidstaten en het Agentschap coördineren hun activiteiten in het kader van de testomgeving voor regelgeving en wisselen beste praktijken uit.
10. Organisaties die deelnemen aan de testomgeving voor regelgeving blijven aansprakelijk overeenkomstig de toepasselijke Unie- en nationale wetgeving voor aan derden toegebrachte schade als gevolg van de experimenten in de testomgeving. Indien de organisatie het plan en de voorwaarden voor de testomgeving naleeft en te goeder trouw de richtsnoeren van de lidstaat of het Agentschap volgt, worden er echter geen administratieve geldboeten opgelegd of maatregelen genomen ten aanzien van bestaande certificaten naar aanleiding van inbreuken op deze verordening en de uit hoofde daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.
11. Om de uitvoering van dit artikel te vergemakkelijken, stelt het Agentschap overeenkomstig artikel 115 richtsnoeren vast voor de oprichting en werking van testomgevingen voor regelgeving. De richtsnoeren omvatten ten minste gemeenschappelijke beginselen en procedures met betrekking tot de volgende kwesties:
a)toelatings- en selectiecriteria voor deelname aan de testomgevingen voor regelgeving;
b)de toepassing van, de deelname aan, het toezicht op, de terugtrekking uit en de beëindiging van testomgevingen voor regelgeving, met inbegrip van het plan voor de testomgeving en het gezamenlijke verslag;
c)de voorwaarden die van toepassing zijn op de deelnemers.”;
6.aan artikel 126, lid 1, eerste alinea, wordt het volgende punt toegevoegd:
“d) de totstandbrenging en werking van en het toezicht op testomgevingen voor regelgeving als bedoeld in artikel 86 bis.”.
Hoofdstuk VII
Slotbepalingen
Artikel 50
Vertrouwelijkheids- en beveiligingsvoorschriften inzake de bescherming van de ontvangen informatie
1.Informatie die naar aanleiding van de toepassing van deze verordening is ontvangen, wordt slechts gebruikt voor het doel waarvoor zij werd gevraagd.
2.De lidstaten en de Commissie waarborgen de bescherming van handels- en bedrijfsgeheimen en andere gevoelige en gerubriceerde informatie die bij de toepassing van deze verordening is verkregen en opgesteld, overeenkomstig het Unie- en het nationale recht.
3.De Commissie deelt geen informatie die zij in het kader van deze verordening heeft ontvangen op een manier die kan leiden tot de identificatie van een individuele marktdeelnemer wanneer het delen van de informatie resulteert in potentiële commerciële of reputatieschade voor die marktdeelnemer of in de onthulling van handelsgeheimen.
4.De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat op grond van deze verordening verstrekte of uitgewisselde gerubriceerde informatie geen lagere rubriceringsgraad krijgt of gederubriceerd wordt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opsteller van die informatie.
Artikel 51
Bescherming van persoonsgegevens
1.Deze verordening doet geen afbreuk aan de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in het kader van Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn 2002/58/EG, noch aan de verplichtingen van de Commissie en, waar passend, andere instellingen, organen en instanties van de Unie, met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in het kader van Verordening (EU) 2018/1725 bij het uitoefenen van hun taken.
2.De lidstaten, de Commissie en, in voorkomend geval, andere instellingen, organen en instanties van de Unie kunnen persoonsgegevens verwerken wanneer dat nodig is om te voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van deze verordening, voor de uitoefening van het openbaar gezag of voor taken van algemeen belang die bij deze verordening aan hen zijn toevertrouwd.
Artikel 52
Evaluatie
De Commissie evalueert de toepassing van deze verordening en legt uiterlijk [drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] een verslag hierover voor aan het Europees Parlement en de Raad. Het evaluatieverslag bouwt voort op raadplegingen van de lidstaten en de belangrijkste belanghebbenden.
Artikel 53
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter
[...]
[...]
FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM — AGENTSCHAPPEN
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
•Evenredigheid
•Keuze van het instrument
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
•Raadpleging van belanghebbenden
•Bijeenbrengen en gebruik van expertise
•Effectbeoordeling
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
•Grondrechten
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
•Artikelsgewijze toelichting
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
1.2.Betrokken beleidsterreinen
1.3.Doelstellingen
1.3.1.Algemene doelstellingen
1.3.2.Specifieke doelstellingen
1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen
Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.
1.3.4.Prestatie-indicatoren
Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten
1.4.Het voorstel/initiatief betreft:
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten
1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking
1.6.Duur van het voorstel/initiatief en van de financiële gevolgen ervan
1.7.Wijzen van uitvoering van de begroting
2.BEHEERSMAATREGELEN
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen
2.2.Beheers- en controlesystemen
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie
2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven
3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting
3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten
3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting
3.2.3.3.Totaal kredieten
3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften
3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting
3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen
3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader
3.2.7.Bijdragen van derden
3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
4.Digitale dimensies
4.1.Voorschriften met digitale relevantie
4.2.Gegevens
4.3.Digitale oplossingen
Afstemming op Europese datastrategie
4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling
4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader van maatregelen in verband met militaire mobiliteit om het vervoer van militaire goederen en militair materieel en personeel in de hele Unie te vergemakkelijken
1.2.Betrokken beleidsterreinen
Defensie-industriebeleid van de Unie
Vervoersbeleid van de Unie
Douane- en belastingbeleid van de Unie
Voedselveiligheidsbeleid van de Unie
1.3.Doelstellingen
1.3.1.Algemene doelstellingen
De overkoepelende doelstelling van de verordening inzake militaire mobiliteit is om op EU-niveau een samenhangend en geharmoniseerd kader tot stand te brengen dat het vervoer van militaire goederen en militair materieel en personeel over het grondgebied van de Europese Unie mogelijk maakt, vergemakkelijkt en versnelt.
Met de verordening wordt beoogd de behoeften en eisen op het gebied van militair vervoer in de wetgeving en programma’s van de EU op te nemen door middel van wijzigingen in de bestaande wetgeving en, indien noodzakelijk, nieuwe, op zichzelf staande bepalingen.
1.3.2.Specifieke doelstellingen
Grensoverschrijdend militair vervoer stroomlijnen (vaststelling van een uniform kader voor vergunningsprocedures en waarborging van ononderbroken en veilig militair vervoer), onder meer door de douaneformaliteiten voor dergelijk vervoer aan de buitengrenzen van de Unie te vereenvoudigen
De respons in noodsituaties verbeteren (totstandbrenging van een doeltreffend, gecoördineerd en doelmatig kader om militair vervoer in het kader van tijdelijke, buitengewone en dringende situaties te vergemakkelijken)
De gereedheid en bescherming van infrastructuur verbeteren (vaststelling van voorschriften om de gereedheid van vervoersinfrastructuur voor tweeërlei gebruik te vergroten en de veilige inzet ervan mogelijk te maken en strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik beter te beschermen tegen alle gevaren en dreigingen, met inbegrip van dreigingen voor het radiofrequentiespectrum dat wordt gebruikt om vervoer mogelijk te maken)
Solidariteit en het delen van vermogens bevorderen (aanmoedigen van het delen en bundelen van vervoers- en logistieke vermogens door middel van een solidariteitspool en vergroten van het inzicht in bestaande militaire vervoersvermogens)
1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen
Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.
Algemeen:
met de verordening wordt gestreefd naar een zorgvuldig evenwicht tussen het vergemakkelijken van militaire vervoersactiviteiten en het beperken van de gevolgen ervan voor burgers. In de verordening wordt getracht het regelgevingskader voor exploitanten te verduidelijken en onderscheid gemaakt tussen normale regels voor militair vervoer en noodmaatregelen in het kader van EMERS, zodat een gefaseerde en progressieve aanpak mogelijk wordt. Deze gerichte aanpak beperkt de gevolgen voor de civiele sector tot wat strikt noodzakelijk is om de toegenomen militaire vervoersactiviteiten in de Unie op te vangen. Voorts vergroten de maatregelen de voorspelbaarheid voor civiele activiteiten en bieden zij de civiele sector mogelijkheden om actief bij te dragen aan de verbetering van de militaire mobiliteit in de Unie, waardoor een op samenwerking gebaseerd en wederzijds gunstig klimaat wordt bevorderd.
d)vermogen om militair vervoer in vredestijd veel sneller en met veel minder administratieve lasten te organiseren dan nu het geval is;
e)beschikbaarheid van vervoersexploitanten die worden ingehuurd voor doeleinden van militaire mobiliteit: beschikbaarheid van voldoende en gespecialiseerde roerende activa om transporten uit te voeren; mogelijkheid om deze in noodsituaties in heel Europa te gebruiken, vermindering van de administratieve lasten;
f)exploitanten en infrastructuurbeheerders: voorbereid op buitengewone operationele omstandigheden en grootschalige militaire verplaatsingen (weerbaarheid en veiligheid);
g)grotere weerbaarheid en hoger beschermingsniveau van strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik.
Met betrekking tot de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit:
h) betere coördinatie tussen de lidstaten door de oprichting van een Groep militair vervoer die toezicht kan houden op de uitvoering van deze verordening.
Met betrekking tot de solidariteitspool:
i)betere beschikbaarheid van en toegang tot militaire mobiliteitsvermogens (vervoersmiddelen en logistiek materieel) dankzij bundeling en deling tussen de lidstaten.
Met betrekking tot het ERA:
j)gestroomlijnde aanvragen voor voertuigvergunningen, bijvoorbeeld bij aanpassing van spoorwegvoertuigen voor militaire toepassingen;
k)voorschriften: vaststelling van militaire behoeften die moeten worden omgezet in technische specificaties voor TSI’s;
l)vaststelling van nationale voorschriften en harmonisatie van voorschriften met betrekking tot uitzonderlijk vervoer dat het maximumgewicht of de maximumafmetingen overschrijdt om te voldoen aan de doorlooptijd van 24 uur (momenteel maximaal 80 dagen) voor vergunningen voor militair vervoer en vervoersregelingen, zoals voor wegvervoer (uit subsidie gefinancierde vte’s);
m)aanwijzing — aanwijzing en digitalisering van geschikte routes met behulp van het RINF zodat de afhandeling van verzoeken met betrekking tot uitzonderlijk vervoer voorspelbaarder wordt (uit subsidie gefinancierde vte’s);
n)samenwerking met belanghebbenden uit de commerciële sector om binnen de bestaande vloot rollend materieel aan te wijzen dat mogelijk ook voor militaire doeleinden kan worden gebruikt;
o)aanvullend — samenwerking met belanghebbenden uit de commerciële sector om binnen de bestaande vloot rollend materieel aan te wijzen dat mogelijk ook voor militaire doeleinden kan worden gebruikt (uit subsidie gefinancierde vte’s);
p)aanvullende voertuigvergunningen om het gebruiksgebied uit te breiden van bestaande voertuigen die zijn aangemerkt als potentieel bruikbaar voor militaire transporten buiten het gebied waarin het gebruik ervan commercieel rendabel is (uit vergoedingen gefinancierde vte’s);
q) registratie — om processen te versnellen, moet het ERA net als de lidstaten rollend materieel registreren, een volledig nieuwe taak waarvoor naast technisch inzicht ook kennis van het privaatrecht nodig is (dit is essentieel voor de versnelde afgifte van voertuigvergunningen voor militaire mobiliteit, maar zal op langere termijn baten opleveren voor alle vergunningen) (uit vergoedingen gefinancierde vte’s);
r)harmonisatie — harmonisatie van de storingsbestendige wijze van besturing, bediening en seingeving van treinen (uit subsidie gefinancierde vte’s);
s)ontwikkeling — ontwikkeling en uitvoering van wijzigingen in ERA-registers om het beheer van voertuigregistratie in EVR te koppelen aan het vergunningsproces en mogelijk het éénloketsysteem in verband met de voertuigregistratie door het ERA (uit subsidie gefinancierde vte’s);
t)organisatie — organiseren en voorzitten van forums waarin spoorwegdeskundigen en militaire deskundigen samenkomen om technische problemen op te lossen (gezamenlijk netwerksecretariaat voor militaire aangelegenheden) (uit subsidie gefinancierde vte’s);
u)organisatie — organiseren en voorzitten van forums waarin spoorwegdeskundigen en militaire deskundigen samenkomen om technische problemen op te lossen (gezamenlijk netwerksecretariaat voor militaire aangelegenheden) (uit subsidie gefinancierde vte’s);
v)herziening en harmonisatie van de bestaande militaire normen;
w)herziening — herziening en harmonisatie van de bestaande militaire normen (uit subsidie gefinancierde vte’s);
x)aanpassing — aanpassing van de betrokken TSI’s, GVM’s, praktische regelingen voor voertuigvergunningen en andere documenten waarvoor dit gevolgen heeft.
y)
Met betrekking tot het EASA:
z)versnelling van de ontwikkeling van voorschriften voor onbemande luchtvaartuigsystemen (UAS) in de categorie “gecertificeerd” ter ondersteuning van tweeërlei gebruik van onbemande luchtvaartuigen. Door bij te dragen aan de ontwikkeling van voorschriften voor civiele operaties met UAS in de categorie “gecertificeerd” kan de Europese ontwikkeling van onbemande luchtvaartuigen voor tweeërlei gebruik en de integratie ervan in het Europese luchtruim worden versneld. Er moet prioriteit worden toegekend aan de ontwikkeling van een verordening inzake drones in de categorie “gecertificeerd” door het EASA in samenwerking met de militaire autoriteiten;
aa)versnelling van de levering van nieuwe militaire mobiliteitsvermogens door tests en demonstraties van innovatieve drones, bemande luchtvaartuigen en systemen ter bestrijding van onbemande luchtvaartuigen (C-UAS) voor tweeërlei gebruik te vergemakkelijk door middel van de oprichting van een netwerk van civiel-militaire testcentra en een geharmoniseerd kader voor testomgevingen voor regelgeving;
bb)geharmoniseerde technische voorschriften en richtsnoeren voor systemen ter bestrijding van onbemande luchtvaartuigen om de weerbaarheid van infrastructuur te vergroten en de veiligheidsrisico’s voor de luchtvaart te beperken;
cc)geharmoniseerde technische voorschriften en richtsnoeren om de militaire mobiliteit in de lucht en de interoperabiliteit met de burgerluchtvaart te vergemakkelijken en tegelijkertijd een passend veiligheidsniveau te waarborgen in de volgende domeinen: i) het gebruik van militaire luchtvaartuigen of van materieel op luchtvaartterreinen voor tweeërlei gebruik; ii) transportvliegtuigen voor tweeërlei gebruik in de solidariteitspool; iii) het gemeenschappelijke gebruik van technische normen door de EU en de NAVO (met name voor drones met op AI gebaseerde functies); iv) de methode voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van op AI gebaseerde functies van drones; en v) luchtverkeersintegratie in lage sferen van het luchtruim en de U-space;
dd)ontwikkeling van voorgestelde wijzigingen om de bescherming van essentiële communicatie-, navigatie- en surveillance-infrastructuur en het spectrum dat door die systemen wordt gebruikt, op te nemen in de lijst van essentiële diensten die moeten worden beschermd uit hoofde van Richtlijn (EU) 2022/2557 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2450 van de Commissie tot vaststelling van een lijst van essentiële diensten;
ee)ontwikkeling van richtsnoeren voor een betere monitoring van verstoringen van radiofrequenties en betere coördinatie met lokale spectrum- en rechtshandhavingsinstanties om de verstoring van communicatie-, navigatie- en surveillance-infrastructuur te voorkomen en erop te reageren.
ff)
1.3.4.Prestatie-indicatoren
Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten
Algemeen:
gezien de algemene doelstelling van de verordening inzake militaire mobiliteit zullen de resultaten en effecten ervan worden beoordeeld aan de hand van een evaluatie na afloop van de uitvoeringsperiode. De Commissie waarborgt dat passende prestatie-indicatoren worden geformuleerd en gemonitord. Het kan daarbij onder meer om de volgende indicatoren gaan:
— afname van de gemiddelde verwerkingstijd voor vergunningen voor grensoverschrijdende militaire verplaatsingen;
— aantal in de solidariteitspool geregistreerde vervoersmiddelen voor tweeërlei gebruik en dienstverleners;
— verbeterde beschikbaarheid en interoperabiliteit van infrastructuur voor tweeërlei gebruik die is aangemerkt als strategisch voor militaire mobiliteit — aantal lidstaten dat deelneemt aan of profiteert van de solidariteitspool; — aantal bijeenkomsten van de Groep militaire mobiliteit en relevante secretariaatsondersteuning door de Commissie bij de organisatie van deze bijeenkomsten — aantal binnen de kaders voor paraatheid en weerbaarheid uitgevoerde oefeningen, stresstests en noodsimulaties;
— vermindering van het aantal gemelde procedurele of infrastructurele knelpunten in de Unie die gevolgen hebben voor de militaire mobiliteit.
Met betrekking tot het ERA:
— aantal voertuigen voor tweeërlei gebruik dat is aangewezen in ERA-registers (EVR, ERATV) en aantal voertuigen waarvoor door het ERA een vergunning is verleend na delegatie door de nationale veiligheidsinstanties van de lidstaten;
— afname van de duur van de vergunningsprocedure voor deze voertuigen;
— aantal technische en operationele voorschriften waarvan wijziging wordt aanbevolen om militair vervoer te vergemakkelijken;
— aantal ERA-registerparameters dat is toegevoegd om uitzonderlijk vervoer te vergemakkelijken.
Met betrekking tot het EASA:
— aantal aanvragen voor certificering van luchtvaartuigen voor tweeërlei gebruik (met inbegrip van onbemande luchtvaartuigen) of wijzigingen daarvan overeenkomstig door het EASA ontwikkelde gemeenschappelijke voorschriften;
— aantal testomgevingen voor regelgeving dat is opgezet voor innovatieve technologieën voor luchtvaartuigen voor tweeërlei gebruik;
— aantal technische en operationele voorschriften dat is vastgesteld of gewijzigd om militair vervoer te vergemakkelijken of de weerbaarheid van kritieke infrastructuur te vergroten.
1.4.Het voorstel/initiatief betreft:
een nieuwe actie
een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie
de verlenging van een bestaande actie
de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
Algemeen:
bij de verordening wordt een geharmoniseerd rechtskader vastgesteld dat snel, veilig en voorspelbaar vervoer van militair personeel en materieel in de hele Unie mogelijk maakt. Dit kader zal vanaf de datum van inwerkingtreding van de verordening bindend zijn. Op korte termijn zal het accent bij de uitvoering liggen op de vaststelling van de nodige uitvoeringshandelingen. Onmiddellijk na de inwerkingtreding van de verordening, naar verwachting nog tijdens dit MFK 2021-27, zullen concrete stappen worden gezet om de solidariteitspool op te zetten en meer inzicht te krijgen in de beschikbare vervoersmiddelen voor tweeërlei gebruik. In dit kader zal onder meer een beveiligde IT-module worden ontwikkeld die kan worden gebruikt om militaire mobiliteitsvermogens voor de pool te registreren en verzoeken om bijstand te verwerken. Hiervoor zijn in 2027 IT-medewerkers ( naar schatting twee vte’s) nodig.
Daarnaast zal de Commissie onmiddellijk na de inwerkingtreding van de verordening voor 2027 twee vte’s nodig hebben binnen DG DEFIS om het secretariaat van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit te verzorgen en toezicht te houden op het proces voor het opzetten van de solidariteitspool.
Voor het volgende MFK 2028-2034 worden de vereiste personele middelen voor de operationele administratie en het beheer van de pool (daadwerkelijke registratie van vermogens, behandeling van verzoeken en inzet van vermogens) geraamd op dertig vte’s per jaar. Via het Europees Fonds voor concurrentievermogen kunnen in het volgende MFK uitgaven in verband met de totstandbrenging en werking van de solidariteitspool worden gesubsidieerd.
Voor de ondersteuning van het secretariaat van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit en het toezicht op de totstandbrenging en aansturing van de solidariteitspool zullen binnen DG DEFIS jaarlijks twee vte’s nodig blijven.
Daarnaast zullen vanaf de inwerkingtreding van de verordening en in het volgende MFK 2028-2034 [vijf] vte’s (AD) nodig zijn binnen DG MOVE. Ten eerste zullen extra personele middelen nodig zijn voor de coördinatie van de vier militaire mobiliteitscorridors, aangezien de verordening nieuwe verplichtingen oplegt aan de lidstaten en de Commissie nieuwe taken en verantwoordelijkheden toebedeelt. Nu de vier corridors verplicht moeten worden gemoderniseerd zodat zij voldoen aan de normen voor militaire infrastructuur, zal DG MOVE moeten analyseren of de corridors aan deze normen voldoen. Het zal nieuwe processen moeten aansturen en aanvullende coördinatietaken moeten uitvoeren in verband met de afstemming van investeringsbehoeften en uitvoeringstermijnen langs de corridors, de samenhang van de investeringsplanning en de coördinatie tussen de ministeries van Defensie en Vervoer van de lidstaten. DG MOVE zal de lidstaten ook moeten ondersteunen bij hun nieuwe coördinatieverplichtingen als bedoeld in artikel 32, onder meer met betrekking tot de aanwijzing van routes, vervoersknooppunten en voorzieningen langs de corridors en een alomvattende risicobeoordeling. Om te waarborgen dat de Commissie voldoet aan haar nieuwe verantwoordelijkheid uit hoofde van de verordening om de lidstaten te ondersteunen bij de aanwijzing en samenhangende uitvoering van “hotspot”-investeringen langs de corridors (artikel 32), moeten aanzienlijke aanvullende coördinatiewerkzaamheden worden uitgevoerd. Ten tweede zal DG MOVE extra middelen nodig hebben om te voldoen aan de nieuwe verantwoordelijkheid van de Commissie om de door de lidstaten ingediende lijsten van strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik regelmatig te beoordelen en om in dit kader basis- en aangescherpte beschermings- en weerbaarheidsmaatregelen vast te stellen (artikelen 33 en 34). Tot slot heeft DG MOVE extra middelen nodig voor de taken die moeten worden uitgevoerd in het kader van de komende herziening van de militaire eisen voor infrastructuur van de EU.
Op middellange termijn wordt gestreefd naar een operationeel gebruik van geharmoniseerde procedures, nationale contactpunten en een digitaal platform voor vergunningen voor verplaatsingen. Doelstellingen op langere termijn zijn onder meer de integratie van weerbaarheidsmaatregelen voor strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik en convergentie met het oog op een hoger niveau van interoperabiliteit met de NAVO en andere partners. De verordening is derhalve ontworpen om geleidelijk te worden uitgevoerd, waarbij bepaalde elementen al in een vroeg stadium zullen worden ingevoerd en tijdens het volgende meerjarig financieel kader volledige maturiteit kan worden bereikt.
Bij DG TAXUD zal één extra vte nodig zijn voor de vereenvoudiging van de douaneformaliteiten en de digitalisering van het EU-formulier 302, met inbegrip van de analytische en voorbereidende werkzaamheden om de vaststelling te waarborgen van het kader voor douaneaspecten en de specifieke eisen, alsook voor de follow-up van de correcte integratie van deze douaneaspecten in het potentiële toekomstige IT-instrument.
Met betrekking tot het ERA:
— TSI’s en GVM’s afstemmen op het pakket militaire mobiliteit;
— harmonisatie van technische vereisten voor militaire mobiliteit;
— ERA-registers en -instrumenten aanpassen.
Met betrekking tot het EASA:
het EASA moet eerst de ontwikkeling versnellen van voorschriften voor onbemande luchtvaartuigsystemen (unmanned aircraft system, UAS) in de categorie “gecertificeerd”, in het bijzonder de integratie ervan in het algemene luchtverkeer, en dienovereenkomstig testomgevingen voor regelgeving bevorderen. Na een eerste experiment, dat op initiatief van verschillende EU-lidstaten wordt uitgevoerd, moet het EASA richtsnoeren blijven ontwikkelen voor de beoordeling van nieuwe risico’s in verband met het gebruik van militaire luchtvaartuigen en de plaatsing van militair materieel op civiele luchtvaartterreinen. Hiervoor moet het EASA in een zeer vroeg stadium van het proces worden versterkt met twee extra vte’s.
Het ESA moet de prioritaire activiteiten uitvoeren die verband houden met de bestrijding van UAS en geharmoniseerde voorschriften, richtsnoeren en normen. De in punt 1.3.3 genoemde taken en doelstellingen maken momenteel geen deel uit van het mandaat van het EASA, dat gericht is op het civiele domein. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, zijn extra middelen nodig (naar schatting zes vte’s). Sommige van de activiteiten in dit kader zullen worden gefinancierd uit vergoedingen en heffingen (in totaal drie vte’s), terwijl andere doelstellingen en taken louter regelgevend van aard zijn en zijn gericht op de vaststelling en handhaving van nieuwe voorschriften om het huidige regelgevingskader van de EU aan te vullen en geharmoniseerde, soepele en veilige civiele en militaire luchtvaartactiviteiten mogelijk te maken. Deze kunnen niet worden gefinancierd uit vergoedingen en heffingen en vereisen derhalve aanvullende financiering in de vorm van een subsidie (drie vte’s). Het EASA beschikt niet over de deskundigheid om de voorgestelde activiteiten uit te voeren. De mogelijkheid van een interne herschikking van middelen werd beoordeeld, maar niet passend (gebrek aan deskundigheid) of mogelijk geacht zonder de lopende activiteiten in gevaar te brengen die krachtens de basisverordening aan het EASA zijn opgedragen.
1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.
Redenen voor optreden op EU-niveau (ex ante)
Betrokkenheid van de EU heeft een duidelijke meerwaarde omdat zij in alle lidstaten samenhang, interoperabiliteit en rechtszekerheid op het gebied van militaire mobiliteit kan waarborgen (doelstellingen die met een uitsluitend nationaal optreden niet kunnen worden verwezenlijkt). De verordening creëert een kader voor procedures voor grensoverschrijdend vervoer en voorziet in maatregelen om de weerbaarheid van infrastructuur te vergroten en vermogens te bundelen, waardoor versnippering wordt verholpen, de administratieve lasten worden verminderd en een gecoördineerde Uniebrede respons in noodsituaties mogelijk wordt. Daarnaast wordt complementariteit met de planningsprocessen van de NAVO gewaarborgd en de efficiëntie gemaximaliseerd door een digitaal instrument op te zetten waarin de nadruk ligt op interoperabiliteit. Het subsidiariteitsbeginsel wordt geëerbiedigd en de meerwaarde van de EU is bevestigd.
Verwachte toegevoegde waarde EU (ex-post)
De harmonisatie van de voorschriften die relevant zijn voor militaire mobiliteit op EU-niveau zal de coördinatie ten goede komen.
Voor de solidariteitspool:
— betere beschikbaarheid van militaire mobiliteitsvermogens;
— effectiever gebruik van de beschikbare vermogens;
— betere coördinatie om vermogenslacunes op EU-niveau op te vullen.
Voor de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit:
— betere coördinatie tussen de lidstaten op het gebied van militaire mobiliteit;
— verbeterde kosteneffectiviteit van de maatregelen van lidstaten;
— verschaft een forum voor collegiale toetsing, beoordeling van de vooruitgang en strategische besluitvorming inzake de solidariteitspool.
Voor ERA:
— meer doeltreffendheid dankzij het gebruik van bestaande processen voor de harmonisatie van technische en operationele voorschriften voor spoorwegvervoer.
Voor het EASA:
— de militaire luchtvaartautoriteiten van de EU hebben erkend dat harmonisatie positief bijdraag aan de doeltreffendheid. Zij hebben gemeenschappelijke eisen ontwikkeld in het kader van het door het EDA geleide Forum van militaire luchtwaardigheidsautoriteiten (MAWA), maar door de uitvoering ervan op nationaal niveau is de doeltreffendheid hiervan beperkt. De technische deskundigheid en het regelgevingskader van het EASA zorgen voor meer doeltreffendheid en kostenefficiëntie dankzij de synergieën met het bestaande kader voor de burgerluchtvaart;
— meer harmonisatie zal, in voorkomend geval, ook leiden tot een hoger niveau van interoperabiliteit en moet worden uitgebreid tot nieuwe soorten luchtvaartuigen, zoals drones voor tweeërlei gebruik en andere gebieden van de luchtvaart, zoals luchtvaartterreinen, luchtverkeersbeheer en luchtvaartnavigatiediensten;
— het niveau van luchtvaartveiligheid zal worden gehandhaafd in een context van toenemende civiele en militaire activiteiten.
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
Uit de ervaring met de uitvoering van eerdere actieplannen voor militaire mobiliteit en de bijbehorende financieringsinstrumenten van de EU is gebleken dat een sterkere coördinatie, duidelijkere governancestructuren en juridisch bindende procedures nodig zijn om een uniforme uitvoering in alle lidstaten te waarborgen. Hoewel er aanzienlijke vooruitgang is geboekt, hebben eerdere initiatieven geresulteerd in ongelijke vooruitgang, versnipperde investeringen en beperkte interoperabiliteitswinsten.
De Europese Rekenkamer heeft in haar Speciaal verslag nr. 04/2025 aspecten met betrekking tot strategische prioritering, monitoring en projectselectie aangewezen die voor verbetering vatbaar zijn. Deze lessen zijn meegenomen in de opzet van deze verordening, waarbij bindende procedures worden ingevoerd om consistentie, efficiëntie en verantwoording bij de toekomstige uitvoering te waarborgen.
De middelen die in het kader van het vierde spoorwegpakket (2016) aan het ERA zijn toegewezen, zijn ontoereikend gebleken om de in de uitvoerings- en gedelegeerde handelingen vastgestelde taken binnen het geplande tijdschema uit te voeren.
Overheids- en militaire luchtvaartuigen vallen niet onder het mandaat van het EASA uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1039. Uit een aantal specifieke projecten voor grote militaire vrachtvliegtuigen en voor militaire doeleinden aangepaste civiele helikopters is echter de toegevoegde waarde van certificeringsactiviteiten voor tweeërlei gebruik gebleken. Door deze geslaagde initiatieven uit te breiden naar andere domeinen van de luchtvaart kunnen voordelen op het gebied van doeltreffendheid, kostenefficiëntie en interoperabiliteit worden verwacht. Aangezien activiteiten ter ondersteuning van het leger niet onder het mandaat van het EASA vallen, zijn de middelen die momenteel aan het agentschap zijn toegewezen ontoereikend om het in staat te stellen de Commissie te ondersteunen op het gebied van militaire luchtmobiliteit, met name op prioritaire gebieden als drones voor tweeërlei gebruik en droneafweer, luchtvaartterreinen voor tweeërlei gebruik, strategische luchtvervoerreserves en steun voor onderzoek en innovatie met betrekking tot vermogens voor tweeërlei gebruik.
Militaire mobiliteit moet dringend worden vergemakkelijkt. Derhalve moeten voldoende middelen worden toegewezen aan het ERA en het EASA zodat zij hun aanvullende taken in verband met militaire mobiliteit kunnen uitvoeren.
1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten
Het initiatief is volledig in overeenstemming met het huidige MFK en vormt een aanvulling op bestaande Unie-instrumenten voor de ondersteuning van veiligheid, defensie en vervoer. Het bouwt voort op de vooruitgang die in het kader van het Europees Defensiefonds is geboekt op het gebied van de digitalisering van grensoverschrijdend verkeer. Er wordt aanvullende complementariteit verwacht met het Uniemechanisme voor civiele bescherming (rescEU) en het ERCC in situaties waarin de solidariteitspool kan steunen op eerder opgedane ervaring en, indien mogelijk, bestaande structuren. In het kader van het voorgestelde Europees Fonds voor concurrentievermogen kunnen binnen het volgende MFK acties worden gesubsidieerd ter ondersteuning van digitalisering, het solidariteitsmechanisme en de aankoop van militaire mobiliteitsvermogens voor registratie in de pool.
Er zullen synergieën tot stand worden gebracht door gebruik te maken van bestaande processen, instrumenten en deskundigheid bij het ERA en het EASA om taken op het gebied van militaire mobiliteit uit te voeren.
1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking
De gevolgen van dit voorstel voor de begroting worden behandeld in dit financieel memorandum.
Wat de uitgaven betreft, zijn de specifieke budgettaire gevolgen van dit initiatief beperkt tot kredieten voor personele middelen (om het secretariaat van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit te verzorgen, toezicht te houden op de totstandbrenging en aansturing van de solidariteitspool, te voldoen aan de nieuwe taken en verantwoordelijkheden van de Commissie met betrekking tot de militaire mobiliteitscorridors, hotspotprojecten en de aanwijzing en bescherming van strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik, zoals uiteengezet in punt 1.5 en financiële en personele middelen om de ontwikkeling in een veilige omgeving van IT-systemen voor de solidariteitspool tijdens de opstartfase na de inwerkingtreding van deze verordening te waarborgen. De voortzetting hiervan in het volgende MFK zal afhangen van het resultaat van de onderhandelingen. Deze middelen zullen ook worden ingezet voor verkennende werkzaamheden voor de ontwikkeling van het digitale instrument.
Het is belangrijk dat al in dit MFK personele en financiële middelen worden toegewezen, zodat de tijd vóór het volgende MFK doeltreffend kan worden gebruikt om de structuur van de solidariteitspool op te zetten zodat kan worden toegewerkt naar een snelle en efficiënte registratie van activa, om snel over te gaan tot de vaststelling van beschermingsmaatregelen voor strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik teneinde de lidstaten te helpen met hun nieuwe verplichtingen, om de herziening van de militaire eisen van de EU voor infrastructuur te ondersteunen en om te voldoen aan de nieuwe verantwoordelijkheden van de Commissie met betrekking tot de corridors voor militaire mobiliteit en “hotspot”-projecten.
Wat de uitgaven betreft, zijn de specifieke gevolgen van dit initiatief voor de begroting beperkt tot kredieten voor personele middelen om de hierboven vermelde taken en doelstellingen uit te voeren en te verwezenlijken, en de IT-systemen op te zetten die nodig zijn voor de ontwikkeling en het onderhoud van databanken. Dit houdt een permanente uitbreiding in van de takenpakketten van het ERA en het EASA met taken die specifiek verband houden met militaire mobiliteit, terwijl hun huidige taken niet minder zullen worden. Derhalve zullen de kosten voor de middelen die nodig zijn in het huidige MFK worden gecompenseerd door een verlaging van het budget voor het programma Connecting Europe Facility (CEF), en zal de financiering vanaf 2028 worden vergoed vanuit een relevant programma van het volgende MFK, zonder vooruit te lopen op het akkoord dat wordt bereikt over het toekomstige MFK.
1.6.Duur van het voorstel/initiatief en van de financiële gevolgen ervan
beperkte geldigheidsduur
–
van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ
– financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten
onbeperkte geldigheidsduur
–uitvoering met een opstartperiode vanaf 2027 tot en met JJJJ,
–gevolgd door een volledige uitvoering.
1.7.Wijzen van uitvoering van de begroting
Direct beheer door de Commissie
– door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie
–
door de uitvoerende agentschappen
Gedeeld beheer met de lidstaten
Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken toe te vertrouwen aan:
– derde landen of de door hen aangewezen organen
– internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke)
– de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds
– de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen
– publiekrechtelijke organen
– privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties
– privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die zijn voorzien van voldoende financiële garanties
– organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling
–in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het Unierecht vallen en die in aanmerking komen om overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, en beschikken over voldoende financiële garanties in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die voor elke actie beperkt kunnen blijven tot het maximumbedrag van de steun van de Unie.
Opmerkingen
2.BEHEERSMAATREGELEN
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen
De Commissie zal in het algemeen verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de voorgestelde verordening en voor de verslaglegging aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering en naleving.
De Commissie zal aan de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit verslag uitbrengen over de uitvoering van de solidariteitspool.
Het ERA zal regelmatig verslag uitbrengen over de uitvoering van de bijdrageovereenkomsten (MFK 2021-2027), de subsidie (MFK 2028-2034) en verwante maatregelen.
Het EASA zal in het kader van de jaarlijkse kwijting verslag uitbrengen aan de begrotingsautoriteit over de uitvoering van de bijdrageovereenkomsten, de subsidie en verwante maatregelen.
Er moeten gegevens worden verzameld uit verschillende bronnen, onder meer bij de autoriteiten van de lidstaten. De activiteiten op het gebied van gegevensverzameling worden gecoördineerd door elk gedecentraliseerd agentschap.
Zie voor de digitale aspecten van het potentiële digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit ook de toelichting in punt 4 van dit financieel en digitaal memorandum.
De diensten van de Commissie zullen toezicht houden op de uitvoering en de doeltreffendheid van dit initiatief door middel van een aantal acties en een reeks kernindicatoren om de vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen te meten. Drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de wetgeving moeten de diensten van de Commissie een evaluatie uitvoeren om na te gaan in welke mate de doelstellingen van het initiatief zijn bereikt.
2.2.Beheers- en controlesystemen
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie
De Commissie zal door het ERA worden bijgestaan bij de uitvoering van de bepalingen van de verordening die verband houden met spoorwegvervoer, met name i) aanvullende vergunningstaken in verband met voertuigen voor tweeërlei gebruik, ook als registratie-instantie; ii) de harmonisatie van bestaande normen voor militaire mobiliteit en de integratie ervan in de technische specificaties voor interoperabiliteit (om deze in voorkomend geval afdwingbaar te maken); en iii) de harmonisatie van operationele (veiligheids-) en technische voorschriften voor militaire mobiliteit, de aanpassing van registers en instrumenten, en het opschonen van bestaande nationale regels die door dergelijke nieuwe geharmoniseerde regels overbodig zijn geworden.
Het ERA bevindt zich in de beste positie om deze taken op EU-niveau uit te voeren, aangezien deze een hoog niveau van deskundigheid op het gebied van de harmonisatie van spoorwegvoorschriften en een grondig inzicht in complexe technische kwesties in verband met zowel interoperabiliteit als veiligheid vereisen, hetgeen indirect beheer rechtvaardigt.
De Commissie zal worden bijgestaan door het EASA bij de uitvoering van de bepalingen van de verordening met betrekking tot de luchtvaart. Het EASA bevindt zich in de beste positie om deze taken op EU-niveau uit te voeren, aangezien deze een hoog niveau van deskundigheid vereisen op het gebied van de certificering van luchtvaartproducten en van luchtvaartterreinen/luchtverkeersbeheer, evenals een grondig inzicht in complexe technische kwesties in verband met zowel tweeërlei gebruik als veiligheid, hetgeen indirect beheer rechtvaardigt.
DG MOVE, in het kader van zijn toezicht op gedecentraliseerde entiteiten, en het ERA en het EASA zullen hun respectieve controlestrategieën op deze uitgaven toepassen.
2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken
De belangrijkste vastgestelde risico’s hebben betrekking op i) mogelijke vertragingen bij het opzetten van de solidariteitspool (beveiligd IT-systeem).
De eventuele begrotingsgevolgen van deze risico’s zijn zeer beperkt ten opzichte van de werkelijke behoeften. De financiële risico’s worden aangemerkt als laag, gezien de beperkte blootstelling van de begroting en de benutting van bestaande EU-programma’s met gevestigde controlestructuren.
Hoewel de Commissie in het algemeen verantwoordelijk zal zijn voor de uitvoering van de voorgestelde verordening en voor de verslaglegging aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering en naleving, zullen het ERA en het EASA verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de vastgestelde taken en werking, en voor de uitvoering van het internecontrolekader. Het ERA zal bestaande IT-instrumenten en -modules moeten uitbreiden.
Het ERA en het EASA, autonome EU-organen, hebben de verantwoordelijkheid om passende controlesystemen op te zetten om de naleving van de vijf internecontroledoelstellingen te waarborgen, te weten wettigheid en regelmatigheid, resultaten van de verrichtingen, fraudepreventie, de bescherming van activa, en getrouwe en eerlijke verslaglegging. Het risico op fouten in verband met de uitvoering van EU-bijdragen op het niveau van de agentschappen zal naar verwachting ruim onder de materialiteitsdrempel van 2 % liggen. De extra middelen die ter beschikking van het ERA en het EASA worden gesteld, vallen derhalve onder de internecontrole- en risicobeheersystemen van het bureau/het agentschap, die in overeenstemming zijn met de relevante internationale normen, en specifieke controles omvatten om belangenconflicten te voorkomen en de bescherming van klokkenluiders te waarborgen.
Op het niveau van de Commissie zal DG MOVE de controles uitvoeren in verband met het toezicht op het ERA en het EASA als gedecentraliseerd bureau/agentschap. Er wordt vanuit gegaan dat met bijdragen aan EU-agentschappen geen foutenrisico zijn gemoeid bij betaling en afsluiting. Er zijn geen aanvullende specifieke risico’s vastgesteld in verband met de uitvoering van de aanvullende begroting die aan het ERA en het EASA moet worden toegewezen.
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)
Het ERA en het EASA zijn volledig verantwoordelijk voor de uitvoering van hun begroting, en DG MOVE is verantwoordelijk voor de regelmatige betaling van de bijdragen die de begrotingsautoriteit tijdens het MFK 2021-2027 vaststelt en van de verhoogde subsidie die de begrotingsautoriteit vanaf het MFK 2028-2034 vaststelt. De extra taken die uit de voorgestelde verordening voortvloeien, zullen naar verwachting niet leiden tot significante extra controles. Daarom zullen de controlekosten (gemeten aan de hand van de waarde van de beheerde middelen) voor DG MOVE waarschijnlijk stabiel blijven.
Afgaande op de ervaring die is opgedaan met vergelijkbare instrumenten, zal het resterende foutenrisico bij betaling naar verwachting laag zijn (< 2 %). Al met al wordt het controlekader geacht in verhouding te staan tot de omvang en het risicoprofiel van de in het kader van het initiatief geplande uitgaven.
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
Naast de controles die voortvloeien uit de hierboven genoemde controlestrategie, is de actie onderworpen aan controle door de dienst Interne Audit in zijn hoedanigheid van interne controleur van de Commissie en van de gedecentraliseerde agentschappen, en door de Europese Rekenkamer in haar hoedanigheid van externe auditor van de EU-instellingen.
Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is bevoegd om onderzoek uit te voeren met betrekking tot de werkzaamheden die in het kader van dit initiatief worden ondersteund. Voor acties die uit deze verordening voortvloeien, wordt voorzien in toezicht en financiële controle door de Commissie of een door haar gemachtigde vertegenwoordiger, en in audits door de Europese Rekenkamer, het Europees Openbaar Ministerie (EOM) of OLAF, zo nodig ter plaatse.
De bijdrageovereenkomsten tussen de Commissie en het ERA en het EASA zullen specifieke bepalingen bevatten om ervoor te zorgen dat controleurs en, indien nodig, de onderzoeksinstanties (EOM, OLAF) onbeperkt toegang hebben tot de nodige informatie. De overeenkomsten zullen ook de nodige bepalingen bevatten om ervoor te zorgen dat de Commissie tijdig in kennis wordt gesteld van alle kwesties die de uitvoering van de acties kunnen belemmeren.
De Commissie handhaaft een robuuste fraudebestrijdingsstrategie, die DG MOVE aanvult met lokale fraudebestrijdingsstrategieën voor de activiteiten die onder zijn respectieve bevoegdheid vallen.
Het ERA en het EASA, autonome EU-organen, zijn verantwoordelijk voor de toepassing van een fraudebestrijdingsstrategie en voor de bescherming van de belangen van de EU.
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven
·Bestaande begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Begrotingsonderdeel
|
Soort uitgave
|
Bijdrage
|
|
|
Nummer
|
GK/NGK
|
van EVA-landen
|
van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten
|
van andere derde landen
|
andere bestemmings¬ontvangsten
|
|
1
|
02.10.03 — Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA)
|
GK
|
JA
|
NEE
|
NEE
|
NEE
|
|
1
|
02.10.1 — Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)
|
GK
|
JA
|
NEE
|
NEE
|
NEE
|
|
1
|
02.03.01 — Connecting Europe Facility — Vervoer
|
GK
|
NEE
|
NEE
|
NEE
|
NEE
|
|
5
|
13.08.01 — Programma voor de Europese defensie-industrie (EDIP)
|
GK
|
JA
|
NEE
|
NEE
|
NEE
|
3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
–
Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig
–
Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven
De bedragen voor de periode na 2027 zijn indicatief en lopen niet vooruit op het resultaat van de lopende onderhandelingen over het volgende MFK.
3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
1
|
Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid
|
|
DG
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
Beleidskredieten
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Vastleggingen
|
1a)
|
|
|
0
|
0
|
0
|
|
|
Betalingen
|
2a)
|
|
|
0
|
0
|
0
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Vastleggingen
|
1b)
|
|
|
|
|
|
|
|
Betalingen
|
2b)
|
|
|
|
|
|
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
|
Begrotingsonderdeel
|
|
3)
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten
|
Vastleggingen
|
=1a+1b+3
|
|
|
|
|
|
|
|
Betalingen
|
=2a+2b+3
|
|
|
|
|
|
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA)
|
Jaar
2025
|
Jaar
2026
|
Jaar
2027
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
Begrotingsonderdeel: 02 10 03 — Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA)/bijdrage uit de EU-begroting aan het bureau
|
|
|
2,064
|
2,064
|
11,124
|
De kredieten/de bijdrage van de EU-begroting aan het bureau zal worden gecompenseerd door een verlaging van het budget voor het volgende programma CEF — Vervoer/begrotingsonderdeel: 02.0301/in het jaar of de jaren: 2027. Zonder vooruit te lopen op de onderhandelingen over het volgende MFK zullen de vanaf 2028 aan het bureau toegewezen kredieten worden gecompenseerd door een verlaging van de begroting van een van de programma’s in verband met dit initiatief onder dezelfde MFK-rubriek als de subsidie van het bureau.
|
Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)
|
Jaar
2025
|
Jaar
2026
|
Jaar
2027
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
Begrotingsonderdeel: 02 10 01 — Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart/bijdrage uit de EU-begroting aan het agentschap
|
|
|
0. 498
|
0. 498
|
3,771
|
De kredieten/de bijdrage van de EU-begroting aan het agentschap zal worden gecompenseerd door een verlaging van het budget voor het volgende programma CEF — Vervoer/begrotingsonderdeel: 02.0301/in het jaar of de jaren: 2027. Zonder vooruit te lopen op de onderhandelingen over het volgende MFK zullen de vanaf 2028 aan het agentschap toegewezen kredieten worden gecompenseerd door een verlaging van het budget van een van de programma’s in verband met dit initiatief onder dezelfde MFK-rubriek als de subsidie van het agentschap.
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
|
TOTAAL beleidskredieten
|
Vastleggingen
|
4)
|
0,000
|
0,000
|
2,562
|
2,562
|
14,894
|
|
|
Betalingen
|
5)
|
0,000
|
0,000
|
2,562
|
2,562
|
14,894
|
|
TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
6)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 1
|
Vastleggingen
|
=4+6
|
0,000
|
0,000
|
2,562
|
2,562
|
14,894
|
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen
|
=5+6
|
0,000
|
0,000
|
2,562
|
2,562
|
14,894
|
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
5
|
Veiligheid en defensie
|
|
DG DEFIS
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
Beleidskredieten
|
|
Begrotingsonderdeel 13.08.01 EDIP
|
Vastleggingen
|
1a)
|
|
|
0
|
2,500
|
2,500
|
|
|
Betalingen
|
2a)
|
|
|
0
|
2,500
|
2,500
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Vastleggingen
|
1b)
|
|
|
|
|
|
|
|
Betalingen
|
2b)
|
|
|
|
|
|
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
|
Begrotingsonderdeel
|
|
3)
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten
voor DG
|
Vastleggingen
|
=1a+1b+3
|
|
|
|
2,500
|
2,500
|
|
|
Betalingen
|
=2a+2b+3
|
|
|
|
2,500
|
2,500
|
De kredieten van het EDIP zullen worden gebruikt voor de financiering van het IT-instrument voor het beheer van de toekomstige solidariteitspool.
|
|
|
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
|
|
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
|
• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)
|
Vastleggingen
|
4)
|
0,000
|
0,000
|
5,062
|
5,062
|
14,894
|
|
|
Betalingen
|
5)
|
0,000
|
0,000
|
5,062
|
5,062
|
14,894
|
|
• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)
|
6)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6
|
Vastleggingen
|
=4+6
|
0,000
|
0,000
|
5,062
|
5,062
|
14,894
|
|
van het meerjarig financieel kader
(referentiebedrag)
|
Betalingen
|
=5+6
|
0,000
|
0,000
|
5,062
|
5,062
|
14,894
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
7
|
“Administratieve uitgaven”
|
|
DG: DEFIS
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
TOTAAL MFK
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
2028-2034
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,376
|
0,376
|
2,632
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL DG DEFIS
|
Kredieten
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,376
|
0,376
|
2,632
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
DG ECHO
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK
2021-2027
|
TOTAAL MFK
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
2028-2034
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
1,504
|
1,504
|
3,008
|
39,480
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL DG ECHO
|
Kredieten
|
0,000
|
0,000
|
1,504
|
1,504
|
3,008
|
39,480
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
DG TAXUD
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK
2021-2027
|
TOTAAL MFK
2028-2034
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,101
|
0,101
|
0,303
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,00
|
|
TOTAAL DG TAXUD
|
Kredieten
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,101
|
0,101
|
0,303
|
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
DG MOVE
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK
2021-2027
|
TOTAAL MFK
2028-2034
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,940
|
0,940
|
6,580
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,030
|
0,030
|
0,210
|
|
TOTAAL DG MOVE
|
Kredieten
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,970
|
0,970
|
6,790
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader
|
(totaal vastleggingen = totaal betalingen)
|
0,000
|
0,000
|
1,504
|
2,951
|
4,455
|
49,205
|
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
|
TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7
|
Vastleggingen
|
0,000
|
0,000
|
1,504
|
8,013
|
9,517
|
64,099
|
|
van het meerjarig financieel kader
|
Betalingen
|
0,000
|
0,000
|
1,504
|
8,013
|
9,517
|
64,099
|
3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten
Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Vermeld doelstellingen en outputs
|
|
|
Jaar
2024
|
Jaar
2025
|
Jaar
2026
|
Jaar
2027
|
Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
TOTAAL
|
|
|
OUTPUTS
|
|
|
Soort
|
Gem. kosten
|
Aantal
|
Kos¬ten
|
Aantal
|
Kos¬ten
|
Aantal
|
Kos¬ten
|
Aantal
|
Kos¬ten
|
Aantal
|
Kos¬ten
|
Aantal
|
Kos¬ten
|
Aantal
|
Kos¬ten
|
Totaal aantal
|
Totale kosten
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1…
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2…
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
–
Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig
–Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven
3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL 2021-2027
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
|
|
RUBRIEK 7
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
1,504
|
2,921
|
4,425
|
48,995
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,030
|
0,030
|
0,210
|
|
Subtotaal RUBRIEK 7
|
0,000
|
0,000
|
1,504
|
2,951
|
4,455
|
49,205
|
|
|
Buiten RUBRIEK 7
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 7
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
|
|
|
TOTAAL
|
0,000
|
0,000
|
1,504
|
2,951
|
4,455
|
49,205
|
3.2.3.3.Totaal kredieten
|
TOTAAL GOEDGEKEURDE KREDIETEN + EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL 2021-2027
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
|
RUBRIEK 7
|
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
1,504
|
2,921
|
4,425
|
48,995
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,030
|
0,030
|
0,210
|
|
Subtotaal RUBRIEK 7
|
0,000
|
0,000
|
1,504
|
2,951
|
4,455
|
49,205
|
|
Buiten RUBRIEK 7
|
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 7
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
|
|
|
|
TOTAAL
|
0,000
|
0,000
|
1,504
|
2,951
|
4,455
|
49,205
|
De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.
3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften
–
Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig
–
Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven
3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting
Raming in voltijdequivalenten (vte’s)
|
GOEDGEKEURDE KREDIETEN
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)
|
|
20 01 02 01(centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)
|
0
|
0
|
8
|
15
|
|
20 01 02 03 (EU-delegaties)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
01 01 01 01 (onderzoek onder contract)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
01 01 01 11 (eigen onderzoek)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
• Extern personeel (in vte’s)
|
|
20 02 01(AC, END van de “totale financiële middelen”)
|
0
|
0
|
0
|
1
|
|
20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Admin. ondersteuning
[XX.01.YY.YY]
|
- centrale diensten
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
|
- EU-delegaties
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
01 01 01 02(AC, END – onderzoek onder contract)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
TOTAAL
|
0
|
0
|
8
|
16
|
Aantal personeelsleden dat nodig is voor de uitvoering van het voorstel (in vte’s):
|
2026
|
Bestaand personeel van de diensten van de Commissie
|
Extra personeel*
|
|
|
|
Te financieren uit rubriek 7/onderzoek
|
Te financieren uit BA-onderdeel
|
Te financieren uit vergoedingen
|
|
Personeelsformatieposten
|
8
|
|
|
|
|
Extern personeel (AC, END, INT)
|
|
|
|
|
|
2027
|
Bestaand personeel van de diensten van de Commissie
|
Extra personeel*
|
|
|
|
Te financieren uit rubriek 7/onderzoek
|
Te financieren uit BA-onderdeel
|
Te financieren uit vergoedingen
|
|
Personeelsformatieposten
|
15
|
|
|
|
|
Extern personeel (AC, END, INT)
|
1
|
|
|
|
|
2028-2034
|
Bestaand personeel van de diensten van de Commissie
|
Extra personeel*
|
|
|
|
Te financieren uit rubriek 7/onderzoek
|
Te financieren uit BA-onderdeel
|
Te financieren uit vergoedingen
|
|
Personeelsformatieposten
|
37
|
|
|
|
|
Extern personeel (AC, END, INT)
|
1
|
|
|
|
Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van deze actie is toegewezen en/of binnen het DG is herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen. De cijfers voor de periode na 2027 zijn indicatief en lopen niet vooruit op het resultaat van de lopende onderhandelingen over het volgende MFK.
Beschrijving van de uit te voeren taken door:
|
Ambtenaren en tijdelijk personeel
|
In 2026:
acht vte’s voor DG ECHO: vier vte’s (IT-personeel AD) om toezicht te houden op de ontwikkeling van de beveiligde module van het IT-instrument voor het beheer van de toekomstige solidariteitspool + vier vte’s (AD-personeel) om het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties te versterken in voorbereiding op de nieuwe functies.
In 2027:
twee vte’s (AD) voor DEFIS om het secretariaat van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit te verzorgen en toezicht te houden op de totstandbrenging en aansturing van de solidariteitspool;
acht vte’s voor DG ECHO: vier vte’s (IT-personeel AD) om toezicht te houden op de ontwikkeling van de beveiligde module van het IT-instrument voor het beheer van de toekomstige solidariteitspool + vier vte’s (AD-personeel) om het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties te versterken in voorbereiding op de nieuwe functies;
vijf vte’s (AD) voor DG MOVE om te voldoen aan de nieuwe verantwoordelijkheden van de Commissie inzake de coördinatie van de vier militaire mobiliteitscorridors en de uitvoering van “hotspot”-projecten (zoals beschreven in punt 1.5.1), om basis- en aangescherpte beschermings- en weerbaarheidsmaatregelen voor strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik vast te stellen, om de door de lidstaten ingediende lijsten met dergelijke infrastructuur te beoordelen en om de herziening van de militaire eisen voor infrastructuur van de EU te ondersteunen.
In 2028-2034:
twee vte’s (AD) voor DEFIS om het secretariaat van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit te verzorgen en toezicht te houden op de totstandbrenging en aansturing van de solidariteitspool;
dertig vte’s voor DG ECHO voor het operationele en administratieve beheer van de solidariteitspool. Deze cijfers houden verband met de nieuwe verantwoordelijkheid van DG ECHO om de solidariteitspool voor militaire mobiliteit te beheren.
De vijf vte’s (AD) die voor DG MOVE worden aangevraagd voor 2027, zullen in het volgende MFK worden gehandhaafd zodat het DG de door de lidstaten ingediende lijsten met strategische infrastructuur voor tweeërlei gebruik regelmatig kan beoordelen en waar nodig de basis- en aangescherpte beschermings- en weerbaarheidsmaatregelen kan bijwerken die in dit kader vereist zijn, de aanvullende coördinatieverantwoordelijkheden met betrekking tot de corridors voor militaire mobiliteit die op grond van de verordening aan de Commissie zijn toegewezen kan nakomen en “hotspot”-projecten kan vaststellen om de lidstaten te ondersteunen bij hun nieuwe verplichtingen.
|
|
Extern personeel
|
Eén vte (CA FGIV) voor DG TAXUD voor 2027 en tot 2030 voor de digitalisering van het EU-formulier 302, met inbegrip van de analytische en voorbereidende werkzaamheden om het douanekader op te zetten en specifieke vereisten vast te stellen, alsook toezicht op de correcte integratie van de douanedimensie in het toekomstige IT-instrument.
|
3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen
|
TOTAAL Digitale en IT-kredieten
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
Jaar
|
TOTAAL MFK 2021-2027
|
|
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
|
RUBRIEK 7
|
|
IT-uitgaven (algemeen)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Subtotaal RUBRIEK 7
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Buiten RUBRIEK 7
|
|
IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
2,500
|
2,500
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 7
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
2,500
|
2,500
|
|
|
|
TOTAAL
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
2,500
|
2,500
|
3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader
Het voorstel/initiatief:
–
kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK)
Begroting van lopende programma’s zal worden gebruikt om de aanvullende operationele kosten te financieren
–
vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals gedefinieerd in de MFK-verordening
–
vereist een herziening van het MFK
3.2.7.Bijdragen van derden
Het voorstel/initiatief:
–
voorziet niet in medefinanciering door derden
–
voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:
Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar 2024
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
Totaal
|
|
Medefinancieringsbron
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL medegefinancierde kredieten
|
|
|
|
|
|
3.2.8.
Geraamde personeelsbehoeften en vereiste administratieve kredieten in een gedecentraliseerd agentschap
Personeelsbehoeften (voltijdequivalenten)
|
Agentschap: Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA)
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
MFF 2028-2034
|
|
Tijdelijke functionarissen (AD‑rangen)
|
|
|
9
|
9
|
|
Tijdelijke functionarissen (AST‑rangen)
|
|
|
|
|
|
Subtotaal tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
0
|
|
9
|
9
|
|
Arbeidscontractanten
|
|
|
3
|
3
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
|
|
|
|
|
Subtotaal arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen
|
0
|
0
|
3
|
3
|
|
TOTAAL personeel
|
0
|
0
|
12
|
12
|
In het kader van zijn kerntaak om het spoorwegsysteem van de EU in technisch opzicht te harmoniseren en vanuit het oogpunt van het tweeërlei gebruik van infrastructuur, heeft het ERA voorbereidende taken uitgevoerd op het gebied van militaire mobiliteit. Om dit te kunnen doen, heeft het ERA intern vte’s herschikt om andere organisaties en EU-agentschappen (zoals de NAVO en het EDA) te ondersteunen en voorafgaande ondersteuning te bieden aan leveranciers bij de vervaardiging van voertuigen voor militaire escortes. Daarnaast heeft het aantal aanvragen voor voertuigvergunningen ongekende hoogten bereikt en is de werklast van het Bureau exponentieel toegenomen, met als gevolg dat het Bureau geen extra vte’s kan herschikken voor de taken die in het kader van dit voorstel zijn toegewezen.
De extra taken die in het kader van dit voorstel aan het Bureau worden toegewezen, omvatten onder meer, maar niet uitsluitend, de vaststelling van militaire behoeften en de omzetting daarvan in technische specificaties voor TSI’s, de harmonisatie van nationale eisen om de vergunningverlening te versnellen voor vervoer van militaire goederen die de maximumafmetingen overschrijden, en de uitbreiding van voertuigvergunningen voor militair gebruik tot andere gebieden dan waar zij commercieel worden toegepast, en zullen worden gefinancierd uit subsidies of vergoedingen. Daarnaast moet verplicht een register van rollend materieel worden opgezet dat vergelijkbaar is met dat van de lidstaten teneinde de verlening van voertuigvergunningen efficiënter te maken, wat zowel technische als juridische expertise vereist. Een andere taak is de harmonisatie van normen inzake besturing, bediening en seingeving, evenals bestaande militaire normen, wat essentieel is voor veerkrachtige en consistente activiteiten (gefinancierd uit subsidies).
Om de extra taken uit te voeren die aan het agentschap zijn toegewezen, zal het ERA zes vte’s (TA AD-rangen) nodig hebben die worden gefinancierd uit subsidies en zes vte’s (drie CA FG IV- en drie TA AD-rangen) die worden gefinancierd uit vergoedingen en heffingen.
|
Agentschap: Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
MFF 2028-2034
|
|
Tijdelijke functionarissen (AD‑rangen)
|
|
|
4
|
4
|
|
Tijdelijke functionarissen (AST‑rangen)
|
|
|
|
|
|
Subtotaal tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
0
|
0
|
4
|
4
|
|
Arbeidscontractanten
|
|
|
2
|
2
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
|
|
|
|
|
Subtotaal arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen
|
0
|
0
|
2
|
2
|
|
TOTAAL personeel
|
0
|
0
|
6
|
6
|
De in punt 1.3.3 genoemde taken en doelstellingen maken momenteel geen deel uit van het mandaat van het EASA, dat gericht is op het civiele domein. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, zijn extra middelen nodig (naar schatting zes vte’s). Sommige van de bijbehorende activiteiten zullen worden gefinancierd uit vergoedingen en heffingen (in totaal drie vte’s). Andere doelstellingen en taken zijn van louter regelgevende aard. Er wordt mee beoogd nieuwe voorschriften vast te stellen om het huidige regelgevingskader van de EU aan te vullen en geharmoniseerde, soepele en veilige civiele en militaire luchtvaartactiviteiten mogelijk te maken, en dergelijke voorschriften in de loop der tijd te handhaven. Deze kunnen niet worden gefinancierd uit vergoedingen en heffingen en vereisen derhalve aanvullende financiering in de vorm van een subsidie (drie vte’s).
Aan deze behoeften kan niet worden voldaan door middel van interne herschikking, aangezien het agentschap niet beschikt over personele middelen met deze specifieke expertise. Een interne herschikking van middelen om deze in te zetten voor de voorgestelde activiteiten, zou bovendien de lopende activiteiten in gevaar te brengen die krachtens de basisverordening aan het EASA zijn opgedragen.
|
DG DEFIS
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
MFF 2028-2034
|
|
Tijdelijke functionarissen (AD‑rangen)
|
|
|
2
|
14 (2 vte’s x 7 jaar)
|
|
Tijdelijke functionarissen (AST‑rangen)
|
|
|
|
|
|
Subtotaal tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
0
|
0
|
2
|
14 (2 vte’s x 7 jaar)
|
|
Arbeidscontractanten
|
|
|
|
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
|
|
|
|
|
Subtotaal arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
TOTAAL personeel
|
0
|
0
|
2
|
14 (2 vte’s x 7 jaar)
|
|
DG MOVE
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
Tijdelijke functionarissen (AD‑rangen)
|
|
|
5
|
5 (jaarlijks)
|
|
Tijdelijke functionarissen (AST‑rangen)
|
|
|
|
|
|
Subtotaal tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
0
|
0
|
5
|
5 (jaarlijks)
|
|
Arbeidscontractanten
|
|
|
|
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
|
|
|
|
|
Subtotaal arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
TOTAAL personeel
|
0
|
0
|
5
|
5 (jaarlijks)
|
|
DG ECHO
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
MFF 2028-2034
|
|
Tijdelijke functionarissen (AD‑rangen)
|
|
8
|
8
|
210 (30 vte’s x 7 jaar)
|
|
Tijdelijke functionarissen (AST‑rangen)
|
|
|
|
|
|
Subtotaal tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
0
|
8
|
8
|
210 (30 vte’s x 7 jaar)
|
|
Arbeidscontractanten
|
|
|
|
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
|
|
|
|
|
Subtotaal arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
TOTAAL personeel
|
0
|
8
|
8
|
210 (30 vte’s x 7 jaar)
|
Kredieten gedekt door bijdragen uit de EU-begroting in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Agentschap: ERA
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
TOTAAL 2021-2027
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
Titel 1: Personeelskosten
|
|
|
1,314
|
1,314
|
9,964
|
|
Titel 2: Infrastructuuruitgaven en huishoudelijke uitgaven
|
|
|
|
0,000
|
0,000
|
|
Titel 3: Operationele uitgaven
|
|
|
0,750
|
0,750
|
1,160
|
|
TOTAAL kredieten gedekt door EU-begroting
|
0,000
|
0,000
|
2,064
|
2,064
|
11,124
|
|
Agentschap: EASA
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
TOTAAL 2021-2027
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
Titel 1: Personeelskosten
|
|
|
0,498
|
0,498
|
3,771
|
|
Titel 2: Infrastructuuruitgaven en huishoudelijke uitgaven
|
|
|
|
0,000
|
|
|
Titel 3: Operationele uitgaven
|
|
|
|
0,000
|
|
|
TOTAAL kredieten gedekt door EU-begroting
|
0,000
|
0,000
|
0,498
|
0,498
|
3,771
|
Kredieten gedekt door eventuele vergoedingen, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Agentschap: ERA
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
TOTAAL 2021-2027
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
Titel 1: Personeelskosten
|
|
|
1,010
|
1,010
|
7,658
|
|
Titel 2: Infrastructuuruitgaven en huishoudelijke uitgaven
|
|
|
|
0,000
|
|
|
Titel 3: Operationele uitgaven
|
|
|
|
0,000
|
|
|
TOTAAL kredieten gedekt door vergoedingen
|
0,000
|
0,000
|
1,010
|
1,010
|
7,658
|
|
Agentschap: EASA
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
TOTAAL 2021-2027
|
TOTAAL 2028-2034
|
|
Titel 1: Personeelskosten
|
|
|
0,498
|
0,498
|
3,771
|
|
Titel 2: Infrastructuuruitgaven en huishoudelijke uitgaven
|
|
|
|
0,000
|
|
|
Titel 3: Operationele uitgaven
|
|
|
|
0,000
|
|
|
TOTAAL kredieten gedekt door vergoedingen
|
0,000
|
0,000
|
0,498
|
0,498
|
3,771
|
Overzicht/samenvatting van personeel en kredieten (in miljoenen euro’s) die voor het voorstel/initiatief nodig zijn in een gedecentraliseerd agentschap
|
Agentschap: ERA
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
TOTAAL 2021-2027
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
Tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
0
|
0
|
9
|
9
|
9
|
|
Arbeidscontractanten
|
0
|
0
|
3
|
3
|
3
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Totaal personeel
|
0
|
0
|
12
|
12
|
12
|
|
Kredieten gedekt door EU-begroting
|
0,000
|
0,000
|
2,064
|
2,064
|
11,124
|
|
Kredieten gedekt door vergoedingen
(indien van toepassing)
|
0,000
|
0,000
|
1,010
|
1,010
|
7,658
|
|
Medegefinancierde kredieten
(indien van toepassing)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL kredieten
|
0,000
|
0,000
|
3,074
|
3,074
|
18,782
|
|
Agentschap: EASA
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
TOTAAL 2021-2027
|
TOTAAL MFK 2028-2034
|
|
Tijdelijke functionarissen (AD + AST)
|
0
|
0
|
4
|
4
|
4
|
|
Arbeidscontractanten
|
0
|
0
|
2
|
2
|
2
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
0
|
0
|
0
|
0
|
0
|
|
Totaal personeel
|
0
|
0
|
6
|
6
|
6
|
|
Kredieten gedekt door EU-begroting
|
0,000
|
0,000
|
0,498
|
0,498
|
3,771
|
|
Kredieten gedekt door vergoedingen
(indien van toepassing)
|
0,000
|
0,000
|
0,498
|
0,498
|
3,771
|
|
Medegefinancierde kredieten
(indien van toepassing)
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
TOTAAL kredieten
|
0,000
|
0,000
|
0,996
|
0,996
|
7,541
|
3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
–
Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten
–
Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:
–
voor de eigen middelen
–
voor overige ontvangsten
–
geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven
in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)
|
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:
|
Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten
|
Gevolgen van het voorstel/initiatief
|
|
|
|
Jaar 2024
|
Jaar 2025
|
Jaar 2026
|
Jaar 2027
|
|
Artikel ………….
|
|
|
|
|
|
Vermeld voor de toegewezen ontvangsten de betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven.
Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).
4.Digitale dimensies
De door het ERA uit te voeren werkzaamheden zullen leiden tot de wijziging van bestaande IT-instrumenten en -registers van het agentschap en hebben derhalve een digitale dimensie. De details hiervan zijn in dit stadium nog niet bekend.
4.1.Voorschriften met digitale relevantie
|
In artikel 14 van dit voorstel voor een verordening is bepaald dat de Commissie door middel van de vaststelling van een uitvoeringshandeling van de Commissie een beveiligd, beperkt toegankelijk digitaal informatiesysteem voor militaire mobiliteit kan opzetten, dat uiterlijk in 2030 moet worden uitgerold. Deze uitrol zal een aanzienlijke stroomlijning en automatisering van processen voor militaire vervoer mogelijk maken, met name voor grensoverschrijdende militaire vervoersactiviteiten. Zo zouden in dit digitale systeem bijvoorbeeld de douaneaspecten voor EU-formulier 302 worden geïntegreerd overeenkomstig Verordening (EU) 202X/XXXX [douanehervorming]. [Deze nieuwe digitale oplossing wordt beheerd en onderhouden door de Commissie] en zal, zodra zij operationeel is, door de lidstaten worden gebruikt voor alle in dit hoofdstuk genoemde procedures en voor douaneformaliteiten in verband met het EU-formulier 302, waarnaar wordt verwezen in deze verordening.
In artikel 16 is bepaald dat de douaneautoriteiten van de lidstaten en de douaneautoriteit van de EU het in artikel 14 bedoelde digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit, zodra het operationeel is, gebruiken voor de uitwisseling en opslag van informatie met betrekking tot het EU-formulier 302, op basis van gemeenschappelijke gegevensvereisten die zijn gedefinieerd overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) 202X/XXXX [douanehervorming]. De douaneautoriteiten van de lidstaten en de douaneautoriteit van de EU hebben toegang tot dit systeem om aan hun douaneverplichtingen in het kader van militaire mobiliteit te voldoen.
Om interoperabiliteit en gegevensuitwisseling tussen systemen te vergemakkelijken, wordt bij de digitalisering van het formulier bij voorkeur gebruikgemaakt van gestandaardiseerde formaten (d.w.z. JSON, JSON-LD, RDF of XML). Voorts wordt een doeltreffend kader voor gegevensbeheer vastgesteld om het beheer en de standaardisering van gegevenskwaliteit te waarborgen en zo nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en consistentie tussen verschillende systemen en entiteiten te waarborgen.
Artikel 35 voorziet ook in de mogelijkheid voor de Commissie om een solidariteitspool op te zetten om de uitvoering van militaire vervoersactiviteiten te vergemakkelijken. Mogelijk moet een beveiligd digitaal instrument voor het beheer van deze solidariteitspool worden ontwikkeld, voortbouwend op het bestaande instrument dat door DG ECHO wordt gebruikt in het kader van het Europees Coördinatiecentrum voor respons.
|
Verwijzing naar voorschrift
|
Beschrijving van voorschrift
|
Betrokken actoren
|
Processen op hoog niveau
|
Categorieën
|
|
Artikel 14
|
Vaststelling van gegevens voor het digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit — onder voorbehoud van de vaststelling van de uitvoeringshandeling
|
Commissie, lidstaten, douaneautoriteiten van de lidstaten, militaire autoriteiten, douaneautoriteit van de Europese Unie
|
Opzetten van de digitale overheidsdienst
|
Gegevens
Digitale oplossing
Digitale overheidsdienst
|
|
Artikel 16
|
Digitalisering van het EU-formulier 302 — onder voorbehoud van de vaststelling van de uitvoeringshandeling tot instelling van het digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit en onder voorbehoud van de vaststelling van Verordening (EU) 202X/XXXX tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie en tot oprichting van de douaneautoriteit van de Europese Unie, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 952/2013 en de uitvoeringshandeling/gedelegeerde handeling tot vaststelling van het EU-model voor douanegegevens.
|
Douaneautoriteiten van de lidstaten, douaneautoriteit van de Europese Unie.
|
Uitwisseling en opslag van informatie
|
Gegevens
Digitale oplossing
Digitale overheidsdienst
|
|
Artikel 35
|
Opzetten van een solidariteitspool (vrijwillig geregistreerde vervoersvermogens van de lidstaten en van de Unie om de uitvoering van militaire vervoersactiviteiten te vergemakkelijken) — onder voorbehoud van de vaststelling van de uitvoeringshandeling
|
Commissie, lidstaten
|
Opzetten van de digitale overheidsdienst
|
Gegevens
Digitale oplossing
Digitale overheidsdienst
|
|
4.2.Gegevens
|
Overheidsinstanties en militaire autoriteiten die het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit gebruiken voor het verzamelen, verwerken, genereren, uitwisselen of delen van gegevens in verband met militaire vervoersactiviteiten, doen dit met strikte inachtneming van de toepasselijke wet- en regelgeving en specifieke regels voor de behandeling van gevoelige en gerubriceerde informatie. Hetzelfde geldt voor het verzamelen, verwerken, genereren, uitwisselen en delen van gegevens met betrekking tot het beveiligde digitale instrument dat mogelijk wordt opgezet om de eventuele solidariteitspool te beheren.
Het EU-formulier 302 zal worden gedigitaliseerd in overeenstemming met het in het kader van de douanehervorming vastgestelde EU-model voor douanegegevens.
|
Soort data
|
Verwijzing naar voorschrift(en)
|
Standaard en/of specificatie (indien van toepassing)
|
|
Gegevens voor het digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit — onder voorbehoud van de vaststelling van de uitvoeringshandeling tot instelling van het systeem
|
Artikel 14
|
|
|
Gedigitaliseerd EU-formulier 302 — onder voorbehoud van de vaststelling van de uitvoeringshandeling tot instelling van het digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit en onder voorbehoud van de vaststelling van Verordening (EU) 202X/XXXX tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie en tot oprichting van de douaneautoriteit van de Europese Unie, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 952/2013 en de uitvoeringshandeling/gedelegeerde handeling tot vaststelling van het EU-model voor douanegegevens.
|
Artikel 16
|
Op basis van gemeenschappelijke gegevensvereisten zoals gedefinieerd overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EU) 202X/XXXX [douanehervorming]
|
|
Register voor de solidariteitspool — onder voorbehoud van de vaststelling van de uitvoeringshandeling tot instelling van het register
|
Artikel 35
|
//
|
|
|
|
4.3.Digitale oplossingen
|
De technische specificaties en modules van het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit moeten worden vastgesteld op basis van het advies van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit. De douaneaspecten in verband met de digitalisering van het EU-formulier 302 in het instrument worden ontwikkeld overeenkomstig de toepasselijke EU-douanewetgeving en met inachtneming van het advies van de douaneautoriteiten van de EU-lidstaten en van de douaneautoriteit van de Europese Unie, in samenwerking met de Commissie. Gezien de gevoelige aard van de gegevens die via het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit worden verwerkt, wordt deze digitale oplossing ontworpen en toegepast met een sterk accent op cyberbeveiliging en met inachtneming van de meest strikte en actuele normen en beste praktijken. Dezelfde aanpak zou worden toegepast voor het beveiligde digitale instrument dat mogelijk zal worden opgezet om de eventuele solidariteitspool te beheren.
|
Afstemming op Europese datastrategie
|
Overheidsinstanties en militaire autoriteiten die het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit gebruiken voor het verzamelen, verwerken, genereren, uitwisselen of delen van gegevens in verband met militaire vervoersactiviteiten, doen dit met strikte inachtneming van de toepasselijke wet- en regelgeving en specifieke regels voor de behandeling van gevoelige en gerubriceerde informatie. Hetzelfde geldt voor het verzamelen, verwerken, genereren, uitwisselen en delen van gegevens met betrekking tot het beveiligde digitale instrument dat mogelijk wordt opgezet om de eventuele solidariteitspool te beheren.
|
4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling
|
Voor het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit kan interactie vereist zijn over de grenzen van de lidstaten heen, tussen EU-entiteiten of tussen EU-entiteiten en overheidsinstanties als douaneautoriteiten. Het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit kan gevolgen hebben voor de grensoverschrijdende interoperabiliteit. De daaraan verbonden gevolgen zullen afhangen van de technische specificaties en modules van het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit.
Ook moet interoperabiliteit worden beoogd tussen het eventuele digitale informatiesysteem voor mobiliteit en andere relevante instrumenten en organen van het NAVO-kader, onverminderd de verwante bepalingen in de douanewetgeving van de EU.
Een vergelijkbare aanpak zou worden toegepast voor het beveiligde digitale instrument dat mogelijk zal worden opgezet om de eventuele solidariteitspool te beheren.
|
4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering
|
De Commissie kan een uitvoeringshandeling vaststellen tot instelling van het digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit. Op basis van het advies van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit en onverminderd de verwante bepalingen in de douanewetgeving van de EU en een eventueel advies van douaneautoriteiten, moeten in de uitvoeringshandeling van de Commissie de specificaties en modules van een dergelijk systeem worden opgenomen. De uitrol en exploitatie van deze potentiële digitale oplossing moeten in het volgende MFK 2028-2034 worden ondersteund met mogelijke financiering uit het toekomstige Europees Fonds voor concurrentievermogen.
Het beveiligde digitale instrument dat mogelijk wordt opgezet om de eventuele solidariteitspool te beheren, kan worden ondersteund met financiering uit het programma voor de Europese defensie-industrie.
|
Korte beschrijving van de digitale oplossingen
|
Digitale oplossing
|
Verwijzing naar voorschrift(en)
|
Belangrijkste vereiste functies
|
Bevoegde instantie
|
Hoe wordt gezorgd voor toegankelijkheid?
|
Hoe wordt herbruikbaarheid in aanmerking genomen?
|
Gebruik van AI-technologie (indien van toepassing)
|
|
Digitaal informatiesysteem voor militaire mobiliteit — onder voorbehoud van de vaststelling van de uitvoeringshandeling tot instelling van het systeem
|
Artikel 14
|
Onder voorbehoud van de uitvoeringshandeling tot instelling van een digitaal informatiesysteem voor militaire mobiliteit
De lidstaten gebruiken het systeem voor alle procedures in verband met het uniforme kader voor militaire mobiliteit uit hoofde van hoofdstuk I
uitwisseling en opslag van informatie in verband met het EU-formulier 302
|
Commissie
|
//
|
//
|
//
|
|
Register en beveiligd beheerinstrument voor de solidariteitspool — onder voorbehoud van de vaststelling van de uitvoeringshandeling tot instelling van het register
|
Artikel 35
|
Onder voorbehoud van de uitvoeringshandeling tot instelling van het register
vervoersvermogens van de lidstaten en van de Unie registreren
Operationele capaciteit 24 uur per dag, 7 dagen per week
|
Commissie
|
//
|
//
|
//
|
Toelichting hoe elke digitale oplossing aan het toepasselijke digitale beleid en de toepasselijke wetgevingshandelingen voldoet
Digitale oplossing 1
|
Digitale en/of sectorale beleidsmaatregelen (indien van toepassing)
|
Zo is gezorgd voor afstemming
|
|
AI-verordening
|
//
|
|
EU-kader voor cyberbeveiliging
|
Overheidsinstanties en militaire autoriteiten die het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit gebruiken voor het verzamelen, verwerken, genereren, uitwisselen of delen van gegevens in verband met militaire vervoersactiviteiten, doen dit met strikte inachtneming van de toepasselijke wet- en regelgeving en specifieke regels voor de behandeling van gevoelige en gerubriceerde informatie.
|
|
eIDAS
|
//
|
|
Eén digitale toegangspoort en IMI
|
//
|
|
Andere beleidsmaatregelen
|
//
|
Digitale oplossing 2
|
Digitale en/of sectorale beleidsmaatregelen (indien van toepassing)
|
Zo is gezorgd voor afstemming
|
|
AI-verordening
|
//
|
|
EU-kader voor cyberbeveiliging
|
Bij het verzamelen, verwerken, genereren, uitwisselen en delen van gegevens in verband met de solidariteitspool moeten de toepasselijke wet- en regelgeving en specifieke regels voor de behandeling van gevoelige en gerubriceerde informatie strikt in acht worden genomen.
|
|
eIDAS
|
//
|
|
Eén digitale toegangspoort en IMI
|
//
|
|
Andere beleidsmaatregelen
|
//
|
4.4. Interoperabiliteitsbeoordeling
Korte beschrijving van de digitale overheidsdienst(en) waarop de voorschriften betrekking hebben
|
Digitale overheidsdienst of categorie digitale overheidsdiensten
|
Beschrijving
|
Verwijzing naar voorschrift(en)
|
Interoperabel Europa-oplossing(en)
(NIET VAN TOEPASSING)
|
Andere interoperabiliteitsoplossing(en)
|
|
Digitale overheidsdienst 1
|
//
|
//
|
//
|
//
|
|
Categorie digitale overheidsdiensten volgens
Cofog
1
|
//
|
//
|
//
|
//
|
Effect van het voorschrift/de voorschriften op grensoverschrijdende interoperabiliteit per digitale overheidsdienst
Digitale overheidsdienst 1
|
Beoordeling
|
Maatregel(en)
|
Mogelijke resterende belemmeringen (indien van toepassing)
|
|
Afstemming op bestaand digitaal en sectoraal beleid
Vermeld het toepasselijke digitale en sectorale beleid dat is vastgesteld.
|
//
|
//
|
|
Organisatorische maatregelen voor een vlotte grensoverschrijdende verlening van digitale overheidsdiensten
Vermeld de geplande governancemaatregelen.
|
//
|
//
|
|
Maatregelen om te zorgen voor een gedeeld begrip van de data
Geef een lijst met dergelijke maatregelen.
|
//
|
//
|
|
Gebruik van gezamenlijk overeengekomen open technische specificaties en standaarden
Geef een lijst met dergelijke maatregelen.
|
//
|
//
|
4.5. Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering
Korte beschrijving van maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering
|
Beschrijving van de maatregel
|
Verwijzing naar voorschrift(en)
|
De rol van de Commissie
(indien van toepassing)
|
Te betrekken actoren
(indien van toepassing)
|
Verwacht tijdschema
(indien van toepassing)
|
|
Uitvoeringshandeling tot instelling van een beveiligd en beperkt toegankelijk digitaal informatiesysteem voor militaire mobiliteit
De technische specificaties en modules van het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit moeten worden vastgesteld op basis van het advies van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit.
Gezien de gevoelige aard van de gegevens die via het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit worden verwerkt, wordt deze digitale oplossing ontworpen en toegepast met een sterk accent op cyberbeveiliging en met inachtneming van de meest strikte en actuele normen en beste praktijken.
Interoperabiliteit. Voor het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit kan interactie vereist zijn over de grenzen van de lidstaten heen, tussen EU-entiteiten of tussen EU-entiteiten en overheidsinstanties als douaneautoriteiten. Het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit kan gevolgen hebben voor de grensoverschrijdende interoperabiliteit. De daaraan verbonden gevolgen zullen afhangen van de technische specificaties en modules van het eventuele digitale informatiesysteem voor militaire mobiliteit.
Op basis van het advies van de Groep vervoer in het kader van militaire mobiliteit moeten de verschillende technische specificaties en modules in de uitvoeringshandeling van de Commissie worden opgenomen. De uitrol en exploitatie van deze potentiële digitale oplossing moeten in het volgende MFK 2028-2034 worden ondersteund met mogelijke financiering uit het toekomstige Europees Fonds voor concurrentievermogen.
|
Artikel 14
|
Kan de handeling vaststellen
|
//
|
//
|
|
Uitvoeringshandeling, overeenkomstig de in artikel 45, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure, tot instelling van een solidariteitspool om de uitvoering van militaire vervoersactiviteiten te vergemakkelijken.
Gezien de gevoelige aard van de gegevens wordt deze digitale oplossing ontworpen en toegepast met een sterk accent op cyberbeveiliging en met inachtneming van de meest strikte en actuele normen en beste praktijken.
Interoperabiliteit van het register/beveiligde instrument met andere relevante instrumenten en organen van het NAVO-kader moet ook worden beoogd en gewaarborgd.
Het beveiligde digitale instrument dat mogelijk wordt opgezet om de eventuele solidariteitspool te beheren, kan worden ondersteund met financiering uit het programma voor de Europese defensie-industrie.
|
Artikel 38, lid 1
|
Kan de handeling vaststellen
|
//
|
//
|
|
Richtsnoeren waarin de soorten en het aantal essentiële vervoersvermogens worden gedefinieerd die vereist zijn voor de solidariteitspool
|
Artikel 35, lid 2
|
Kan richtsnoeren vaststellen
|
//
|
//
|