EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 16.7.2025
COM(2025) 574 final
2025/0574(CNS)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053
This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52025PC0574
Proposal for a COUNCIL DECISION on the system of own resources of the European Union and repealing Decision (EU, Euratom) 2020/2053
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053
COM/2025/574 final
EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 16.7.2025
COM(2025) 574 final
2025/0574(CNS)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053
TOELICHTING
1.MOTIVERING EN DOEL VAN HET VOORSTEL
De Europese Unie wordt geconfronteerd met toenemende eisen op belangrijke gebieden zoals concurrentievermogen, defensie, veiligheid, de groene en digitale transitie en weerbaarheid tegen externe schokken. Daarnaast moet het volgende meerjarig financieel kader (“MFK”) voorzien in de terugbetaling van NextGenerationEU zonder onnodige bezuinigingen op EU-programma’s of een buitensporige verhoging van de bni-bijdragen. Hoewel het huidige stelsel van eigen middelen heeft gezorgd voor een stabiele en voorspelbare financiering van de EU-begroting, is het grotendeels en in toenemende mate afhankelijk van bni-bijdragen, die hun grenzen zullen bereiken naarmate de financieringsbehoeften toenemen. De EU-begroting heeft tot doel Europese meerwaarde voor iedereen tot stand te brengen, en dit vraagt om gezamenlijke financiering van gemeenschappelijke prioriteiten. De invoering van nieuwe eigen middelen zal de lasten voor de lidstaten verminderen en de duurzame financiering van gemeenschappelijk EU-beleid en de terugbetaling van NextGenerationEU waarborgen. Bovendien hebben de afgelopen jaren aangetoond dat de EU-begroting flexibeler moet kunnen reageren op crises en een veranderende wereld.
Overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 2020 1 heeft de Commissie in 2021 en 2023 voorstellen ingediend om nieuwe eigen middelen in te voeren, die nog niet zijn goedgekeurd. Het onderhavige voorstel bouwt voort op de eerdere voorstellen en besprekingen. Het is in overeenstemming met de politieke prioriteiten van de EU in het kader van het volgende MFK en zou aanzienlijke inkomsten genereren. De eigen middelen zijn gebaseerd op bestaande sectorale wetgeving of het eigenmiddelenbesluit zelf en kunnen met redelijke administratieve lasten worden uitgevoerd.
De eigen middelen uit het emissiehandelssysteem blijven een centraal element van de voorstellen van de Commissie, aangezien zij nauw verbonden zijn met de klimaatdoelstellingen van de Unie en een aanzienlijk inkomstenpotentieel hebben. Als 30 % van de ontvangsten naar de EU-begroting gaat, zouden de meeste opbrengsten uit de veiling van emissierechten naar de nationale begrotingen blijven vloeien. Voorts heeft de Commissie besloten zich opnieuw uitsluitend te richten op ontvangsten uit het reeds bestaande emissiehandelssysteem (ETS1) en de eigen middelen niet te baseren op het nieuwe emissiehandelssysteem voor de wegvervoersector en de gebouwensector (ETS2).
De eigen middelen uit het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (“CBAM”) kunnen worden beschouwd als de “externe dimensie” van het ETS en blijven daarom integraal deel uitmaken van het pakket. Het CBAM zorgt ervoor dat de invoer in de EU onderworpen is aan de koolstofprijs die gelijkwaardig is aan de productie van dezelfde goederen in de EU.
De Commissie stelt drie extra nieuwe eigen middelen voor:
–Nieuwe eigen middelen op basis van de hoeveelheid niet ingezamelde elektrische en elektronische apparatuur (“e-afval”) die tot positieve milieuresultaten zouden leiden en tegelijkertijd de strategische autonomie van de Unie op het gebied van kritieke grondstoffen zouden ondersteunen. De invoering van nieuwe eigen middelen op basis van het door de lidstaten gerapporteerde niet-ingezamelde e-afval zou afvalvermindering stimuleren en vooruitgang op het gebied van inzamelingsregelingen aanmoedigen. De eigen middelen uit e-afval zouden gebaseerd zijn op reeds bestaande gegevens die door de lidstaten aan Eurostat zijn gerapporteerd, en worden berekend door een tarief van 2 EUR per kg toe te passen op niet-ingezameld e-afval. Om de reële waarde van het afdrachtpercentage te handhaven, zou het tarief vervolgens jaarlijks worden aangepast aan de inflatie.
–Eigen middelen uit tabaksaccijnzen (TEDOR) zouden de doelstellingen van het gezondheidsbeleid van de EU ondersteunen en het grensoverschrijdend winkelen voor bepaalde producten aanpakken, dat momenteel wordt beïnvloed door belastingverschillen tussen de lidstaten, en aanzienlijke inkomsten voor de EU-begroting genereren. Het voorstel is een aanvulling op het voorstel voor een herschikking van de richtlijn van de Raad inzake tabaksaccijnzen, die tot doel heeft de minimumaccijnzen in de EU aan te passen en het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden tot nieuwe producten. De voorgestelde TEDOR is echter niet juridisch afhankelijk van de vaststelling van de herschikking van de richtlijn van de Raad. Voor alle lidstaten zou een afdrachtpercentage van 15 % worden toegepast op de hoeveelheden tabaksfabrikaten en op de hoeveelheden tot verbruik uitgeslagen aan tabak verwante producten vermenigvuldigd met het voor elke lidstaat geldende minimumpercentage.
–Eigen middelen uit het bedrijfsleven voor Europa (CORE) moeten ervoor zorgen dat het bedrijfsleven, dat actief is op de grootste eengemaakte markt ter wereld met meer dan 450 miljoen consumenten, bijdraagt aan de financiering van de EU-begroting. De eigen middelen zouden gericht zijn op EU-ondernemingen en ondernemingen uit derde landen met een vaste inrichting in de EU met een jaarlijkse netto-omzet van meer dan 100 miljoen EUR. De CORE zou worden vastgesteld in de vorm van een jaarlijkse forfaitaire bijdrage, gedifferentieerd volgens netto-omzet van de ondernemingen.
Er worden gerichte aanpassingen van de bestaande eigen middelen voorgesteld om de inkomstenbasis van de EU-begroting te behouden. Het afdrachtpercentage voor de eigen middelen op basis van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval, dat aan het begin van het huidige MFK is ingevoerd, werd vastgesteld op een vast bedrag van 0,8/kg EUR. De inflatie heeft de reële waarde van de ontvangsten uit deze eigen middelen echter aanzienlijk uitgehold. Om dit te corrigeren, wordt voorgesteld het afdrachtpercentage in 2028 te verhogen tot een nieuw niveau van 1 EUR/kg en vanaf dat moment het jaarlijks aan de inflatie aan te passen. Bovendien leidt het huidige niveau van 25 % van de douanerechten die de lidstaten inhouden om hun inningskosten te dekken ertoe dat een groot deel van de eigen middelen niet ter beschikking van de begroting van de Unie wordt gesteld. Daarom wordt voorgesteld het aandeel van de inningskosten te verlagen tot 10 %. Tot slot wordt in het voorstel verduidelijkt dat bedragen in verband met elektronische handel zoals vastgesteld in het douanewetboek van de Unie onder de categorie traditionele eigen middelen vallen.
Om een transparant stelsel van eigen middelen te waarborgen, zullen er geen aanpassingen van de eigen middelen plaatsvinden. Bijgevolg zullen de aftopping van de btw-grondslag en de forfaitaire verlagingen van de eigen middelen op basis van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval en de bni-middelen worden stopgezet.
Met het oog op mogelijke wijzigingen in het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (“ESR 2010”) verduidelijkt het voorstel de aanpak en de behandeling van dergelijke wijzigingen, voor zover relevant voor het stelsel van eigen middelen.
De afgelopen jaren is gebleken dat de frequentie, de ernst en de omvang van zware crises, tegenspoed of de dreiging daarvan zijn toegenomen. De rigiditeit van de huidige begrotingsinfrastructuur heeft de Unie beperkt in haar reactie op dergelijke gebeurtenissen. Daarom moet een nieuw buitengewoon mechanisme worden ingesteld om in de periode van het komende MFK 2028-2034 op dergelijke gebeurtenissen te reageren. Het besluit om dit buitengewone en gerichte crisisresponsmechanisme in werking te stellen wordt genomen door de Raad, rekening houdend met de specifieke kenmerken en behoeften van een bepaalde crisis. De Raad besluit door middel van een verordening van de Raad, die wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 311, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), na goedkeuring door het Europees Parlement. Indien een dergelijk buitengewoon crisisresponsmechanisme wordt geactiveerd, wordt het uitgevoerd volgens de regels van het meest relevante programma of instrument.
De verordening van de Raad zal toestaan dat de Commissie op de kapitaalmarkten het bedrag van de leningen aan de lidstaten opneemt. In de verordening van de Raad worden ook de beginselen voor de terugbetaling vastgesteld. Dit buitengewone crisisresponsinstrument zal worden ondersteund door een specifieke verhoging van het maximum van de eigen middelen.
2.RECHTSKADER
2.1. Eigenmiddelenbesluit
Overeenkomstig artikel 311, lid 3, VWEU kan de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement, “nieuwe categorieën eigen middelen vaststellen of een bestaande categorie afschaffen”. Die bepaling biedt uitdrukkelijk de mogelijkheid om nieuwe eigen middelen te creëren.
Overeenkomstig de bijzondere wetgevingsprocedure van artikel 311, lid 3, VWEU stelt de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement, het besluit met eenparigheid van stemmen vast. Het besluit treedt in werking zodra het door de lidstaten overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen is goedgekeurd.
In dit voorstel van de Commissie wordt ten volle gebruik gemaakt van deze mogelijkheid door een begin te maken met de invoering van verschillende nieuwe eigen middelen.
2.2. Uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen en terbeschikkingstellingsverordeningen
Artikel 311, vierde alinea, VWEU bepaalt dat “[d]e Raad volgens een bijzondere wetgevingsprocedure bij verordeningen de uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Unie vast[stelt] voor zover het [eigenmiddelen]besluit daarin voorziet”. Die bepaling introduceert de mogelijkheid om, binnen de krijtlijnen uitgetekend door het eigenmiddelenbesluit, met betrekking tot het stelsel van de eigen middelen specifieke uitvoeringsmaatregelen vast te stellen in een verordening (“IMSOR”). De bepaling omvat geen aspecten van het stelsel van de eigen middelen die verband houden met de terbeschikkingstelling van de eigen middelen en om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien (zie hierna).
De IMSOR moet bepalingen van algemene aard bevatten die van toepassing zijn op alle soorten eigen middelen. Hier gaat het vooral om kwesties van controle en toezicht op ontvangsten en de daarmee samenhangende bevoegdheden van controleurs van de Commissie. De IMSOR zal ook enkele uitvoeringsaspecten van de CORE omvatten.
Naast de uitvoeringsmaatregelen worden de operationele vereisten voor de terbeschikkingstelling van de eigen middelen aan de EU-begroting en de rekeningen van de Commissie nader vastgesteld in Raadsverordeningen overeenkomstig artikel 322, lid 2, VWEU.
Er zijn nieuwe bepalingen nodig voor de terbeschikkingstelling van alle nieuwe eigen middelen.
De Commissie zal in een later stadium de nodige voorstellen indienen.
2025/0574 (CNS)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 311, derde alinea,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Parlement 2 ,
Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Het stelsel van eigen middelen van de Unie moet de zekerheid bieden dat de middelen toereikend zijn voor een geordende ontwikkeling van het beleid van de Unie, zonder dat daarbij een strakke begrotingsdiscipline uit het oog wordt verloren. De ontwikkeling van het stelsel van eigen middelen moet tevens zoveel mogelijk bijdragen tot de ontwikkeling van beleidsinitiatieven van de Unie.
(2)In het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 3 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het belang van de context van het herstelinstrument voor de Europese Unie erkend en verklaard dat “de uitgaven uit de Uniebegroting ten behoeve van de terugbetaling van het herstelinstrument voor de Europese Unie niet zouden mogen leiden tot een onnodige vermindering van programma-uitgaven of investeringsinstrumenten uit hoofde van het meerjarig financieel kader (“MFK”)”. Bovendien is in het Interinstitutioneel Akkoord tevens bepaald dat “het ook wenselijk [is] de verhoging van de eigen middelen op basis van het bruto nationaal inkomen (“bni-middelen”) van de lidstaten te verzachten”.
(3)Overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord heeft de Commissie in 2021 en 2023 voorstellen gedaan om nieuwe eigen middelen in te voeren. Dit besluit bouwt voort op eerdere besprekingen en weerspiegelt de politieke prioriteiten van de EU in het kader van het MFK. Daarom worden bij dit besluit vijf nieuwe eigen middelen ingevoerd.
(4)Recente ontwikkelingen wijzen op een toename van het aantal verkochte goederen bij afstandsverkopen. Om de stijgende kosten van het in het vrije verkeer brengen van die goederen te dekken door de verstrekte gegevens te controleren, een risicoanalyse uit te voeren en zo nodig controles op stukken en fysieke controles uit te voeren, kunnen in het handelsverkeer met derde landen nieuwe bedragen aan traditionele eigen middelen op basis van andere bedragen of factoren in rekening worden gebracht, zoals een afhandelingstarief van de Unie, dat in verhouding staat tot de diensten die worden verleend voor het in het vrije verkeer brengen van die goederen. Het is passend te specificeren dat dit afhandelingstarief van de Unie, als traditionele eigen middelen, pas vanaf 1 januari 2028 ter beschikking van de Unie wordt gesteld.
(5)Bij Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad is het aandeel van de traditionele eigen middelen dat de lidstaten inhouden om hun inningskosten van douanerechten te dekken, vastgesteld op 25 %. Dit leidt ertoe dat een groot deel van de eigen middelen niet ter beschikking van de begroting van de Unie wordt gesteld. De door lidstaten op de traditionele eigen middelen ingehouden inningkosten dienen van 25 % opnieuw op het niveau van 10 % te worden gebracht, om financiële ondersteuning voor douaneapparatuur, personeel, digitalisering en informatie beter af te stemmen op de daadwerkelijke kosten en behoeften.
(6)Er moet een financiële bijdrage uit het bedrijfsleven worden ingevoerd als eigen middelen. De eigen middelen uit het bedrijfsleven voor Europa (“CORE”) moeten van toepassing zijn op ondernemingen met fiscale woonplaats in de Unie met een netto-jaaromzet van meer dan 100 000 000 EUR. Evenzo moeten de CORE van toepassing zijn op in een lidstaat gelegen vaste inrichtingen van entiteiten die hun fiscale woonplaats in een derde land hebben. De CORE moeten van toepassing zijn op de netto-omzet van een vaste inrichting, ongeacht de netto-omzet van de entiteit met fiscale woonplaats in een derde land die niet door de vaste inrichting wordt gegenereerd.
(7)De CORE moeten worden vastgesteld als een jaarlijkse forfaitaire bijdrage op basis van de netto-omzet van ondernemingen binnen het toepassingsgebied, met hogere netto-omzet die resulteert in hogere bijdragen volgens een segmentering. Het gebruik van de netto-omzet als grondslag moet ervoor zorgen dat deze eigen middelen gebaseerd zijn op standaard bedrijfsgegevens. De toepassing van de netto-omzetdrempel van 100 000 000 EUR moet ervoor zorgen dat kleine en middelgrote ondernemingen in beginsel worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de CORE. Het is ook passend bepaalde entiteiten die op grond van hun specifieke doel en status over het algemeen geen commerciële of zakelijke activiteiten verrichten, van het toepassingsgebied van de CORE uit te sluiten. Daarom moeten overheidsinstanties (met uitzondering van staatsbedrijven), internationale organisaties en non-profitorganisaties buiten het toepassingsgebied van de CORE vallen. Evenzo moeten de CORE worden toegepast op entiteitsniveau of op het niveau van elke in een lidstaat gelegen vaste inrichting van entiteiten die hun fiscale woonplaats in een derde land hebben.
(8)Met het oog op de uitvoering van de CORE is het noodzakelijk vast te stellen welke ondernemingen ten aanzien van de Unie belastbaar zullen zijn en wat de reikwijdte van hun verplichtingen is. Daarnaast is het passend de lidstaten te belasten met het innen van de CORE namens de Unie en in overeenstemming met de voorschriften van de regelgeving van de Unie.
(9)Bij Richtlijn 2011/64/EU van de Raad zijn geharmoniseerde minimumtarieven voor tot verbruik uitgeslagen tabaksfabrikaten ingevoerd. Bij Richtlijn [XXX] van de Raad tot herschikking van Richtlijn 2011/64/EG van de Raad wordt de structuur van de minimumtarieven herzien en wordt het toepassingsgebied van de richtlijn uitgebreid tot aan tabakverwante producten. Tegelijkertijd blijft roken een probleem voor het gezondheidsbeleid in de hele EU. Ter ondersteuning van het gezondheidsbeleid inzake tabaksgebruik en gezien het concurrentieverstorende grensoverschrijdende winkelen in deze producten, als gevolg van belastingverschillen, is het passend dat een afdrachtpercentage van 15 % van de ontvangsten uit de toepassing van die geharmoniseerde minimumtarieven op de tot verbruik uitgeslagen producten als eigen middelen wordt vastgesteld.
(10)Bij Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad is het afdrachtpercentage voor de eigen middelen op basis van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval met ingang van 2021 vastgesteld op 0,8 EUR per kg. Sindsdien heeft de relatief hoge inflatie de reële waarde van de ontvangsten uit deze eigen middelen doen dalen, wat op zijn beurt ook de prikkels voor de lidstaten kan verminderen om hun inspanningen op te voeren om de recyclingdoelstelling van de EU te halen. Daarom lijkt een verhoging van het afdrachtpercentage tot 1 EUR per kg in 2028 passend.
(11)Om positieve milieuresultaten te behalen en de strategische autonomie van de Unie op het gebied van kritieke grondstoffen te versterken, moet de begroting van de Unie bijdragen tot een grotere inzameling van e-afval. Eigen middelen die evenredig zijn aan de hoeveelheid niet-ingezameld e-afval in elke lidstaat, met een afdrachtpercentage van 2 EUR per kg niet-ingezameld afval, zou afvalvermindering stimuleren en gescheiden inzameling aanmoedigen. Tegelijkertijd moet het in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel aan de beoordelingsvrijheid van de lidstaten worden overgelaten de meest geschikte maatregelen te nemen om die doelstellingen te behalen.
(12)De afdrachtpercentages met betrekking tot de eigen middelen uit kunststof verpakkingsafval en de eigen middelen uit e-afval moeten de ontwikkeling van het algemene prijsniveau voor goederen en diensten weerspiegelen en daarom worden aangepast aan de jaarlijkse inflatie.
(13)Het EU-emissiehandelssysteem (“ETS”), ingesteld bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, is een hoeksteen van het klimaatbeleid van de Unie. Gezien het nauwe verband tussen de handel in emissierechten en de doelstellingen van het klimaatbeleid van de Unie is het passend een deel van de opbrengsten van emissierechtenveilingen overeenkomstig artikel 3 quinquies en artikel 10 aan de begroting van de Unie toe te wijzen. 30 % van de opbrengsten van emissierechtenveilingen moet aan de begroting van de Unie worden afgedragen.
(14)De eigen middelen uit het emissiehandelssysteem omvatten een deel van de inkomsten afkomstig van de veiling van emissierechten in bepaalde sectoren die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2003/87/EG vallen. Overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG en Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad 4 kunnen de lidstaten besluiten een deel van de totale hoeveelheid emissierechten, gespecificeerd in Richtlijn 2003/87/EG, niet te veilen of over te dragen aan en te veilen ten behoeve van het bij die richtlijn ingestelde moderniseringsfonds. Deze emissierechten moeten ook in aanmerking worden genomen om het bedrag aan eigen middelen op basis van de handel in emissierechten te berekenen. Het is passend emissierechten voor het initiële dotatiekapitaal van het moderniseringsfonds en middelen voor het innovatiefonds uit te sluiten.
(15)Bij Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad 5 is een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie als aanvulling op het EU-emissiehandelssysteem ingesteld om de effectiviteit van het klimaatbeleid van de Unie te waarborgen. Gezien het nauwe verband tussen het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie en het klimaatbeleid van de Unie moet een deel van de inkomsten uit de verkoop van certificaten als eigen middelen aan de begroting van de Unie worden afgedragen.
(16)Aanpassingen van de eigen middelen vergroten de complexiteit en ondoorzichtigheid van het stelsel van eigen middelen. Om dit aan te pakken en de transparantie van het stelsel van eigen middelen te waarborgen, worden de aftopping van de btw-grondslag en de forfaitaire verlagingen van de eigen middelen voor niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval en de bni-middelen stopgezet.
(17)Een voldoende marge moet worden gehandhaafd onder de maxima voor de eigen middelen voor de Unie opdat zij al haar financiële verplichtingen en voorwaardelijke verplichtingen in een bepaald jaar kan nakomen. Het totale bedrag van de eigen middelen die aan de Unie worden toegewezen ter dekking van de jaarlijkse betalingskredieten, mag niet hoger liggen dan 1,75 % van de som van de bni's van alle lidstaten. Het totale jaarlijkse bedrag aan in de Uniebegroting opgenomen vastleggingskredieten mag niet hoger liggen dan 1,81 % van de som van de bni's van alle lidstaten.
(18)Het bni moet worden gedefinieerd als het jaarlijkse bni tegen marktprijzen zoals verstrekt door de Commissie overeenkomstig het Europees systeem van rekeningen 2010 (“ESR 2010”) in de zin van Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad 6 (“ESR 2010”). Na de goedkeuring door de Verenigde Naties van het “Systeem van nationale rekeningen 2025” wordt verwacht dat het ESR 2010 de komende jaren zal worden herzien in de vorm van een nieuw Europees systeem van rekeningen (“het herziene ESR”). Het is passend regels vast te stellen voor de wijze waarop een dergelijke herziening gevolgen zou hebben voor de definitie van het bni. Zodra de herziening van het ESR van toepassing is, moet het bni worden gedefinieerd als het jaarlijkse bni tegen marktprijzen, zoals bepaald op grond van het herziene ESR. Indien het herziene ESR een aanzienlijke wijziging van het niveau van het bni met zich meebrengt, moeten de maxima voor de eigen middelen voor betalings- en vastleggingskredieten worden aangepast. Een waarborg moet er echter voor zorgen dat aanpassing niet leidt tot een neerwaartse aanpassing van de maxima in euro.
(19)Er moeten regels worden vastgesteld om een soepele overgang naar de toepassing van het herziene ESR mogelijk te maken. Om wijzigingen met terugwerkende kracht in het toepasselijke boekhoudsysteem te voorkomen, moet het ESR 2010 van toepassing blijven voor de vaststelling van het bni van de lidstaten en voor de maxima van de eigen middelen met betrekking tot de jaren waarin het bni voor het eerst in het kader van ESR 2010 is vastgesteld.
(20)De afgelopen jaren is gebleken dat de frequentie, de ernst en de omvang van crises en tegenspoed die de Unie of haar lidstaten treffen, zijn toegenomen. Hiermee wordt aangetoond hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat de Unie over voldoende financiële capaciteit beschikt om te reageren. Sinds 2020 is de begroting van de Unie uitgerust met verschillende tijdelijke ad-hocinstrumenten: NextGenerationEU, het Europees instrument voor tijdelijke steun om het risico op werkloosheid te beperken in een noodtoestand (SURE-instrument) en het Optreden voor de veiligheid van Europa (SAFE-instrument). De Unie moet zichzelf de middelen blijven verschaffen om haar doelstellingen te verwezenlijken. Buitengewone financiële middelen op uitzonderlijke schaal kunnen nodig zijn om de budgettaire gevolgen aan te pakken van dergelijke gebeurtenissen, gerelateerd aan een of meer uitzonderlijke gebeurtenissen.
(21)Zonder voldoende begrotingscapaciteit om met eigen middelen gedekte leningen te verstrekken, is het vermogen van de begrotingsarchitectuur om efficiënt en tijdig op crises te reageren, beperkt. Daarom is het passend een nieuw beperkt, buitengewoon en gericht instrument vast te stellen om uitsluitend te reageren op ernstige crises, zware tegenspoed of een ernstige dreiging daarvan. Dit buitengewone crisisinstrument moet de begrotingsmiddelen voor de toekenning van leningen uitsluitend in de periode van het komende MFK 2028-2034 toewijzen. Het crisismechanisme mag niet worden geactiveerd wanneer programma’s van de Unie de gevolgen van de situatie reeds adequaat aanpakken.
(22)Over het gebruik van dit buitengewone en gerichte crisisresponsinstrument moet door de Raad ad hoc worden besloten, rekening houdend met de specifieke kenmerken en behoeften die zich voordoen, met erkenning van de rol van de Europese Raad bij het geven van de nodige impulsen voor de ontwikkeling van de Unie en bij het bepalen van de algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten, ook in tijden van crisis, tegenspoed of dreiging daarvan. De Raad moet een besluit nemen door middel van een verordening van de Raad, die wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 311, vierde alinea, VWEU, na goedkeuring door het Europees Parlement. De verordening van de Raad moet het bedrag van de leningen toestaan. De praktische regelingen en voorschriften voor de toewijzing van de in de verordening van de Raad vastgestelde bedragen van leningen moeten worden vastgesteld in het basisbesluit dat moet worden vastgesteld of aangepast in het licht van de behoeften die nodig zijn om de situatie aan te pakken.
(23)De als leningen opgenomen middelen die worden gebruikt om leningen aan lidstaten te verstrekken, moeten worden terugbetaald met gebruik van de bedragen die van de begunstigde lidstaten worden ontvangen. Om de Unie in staat te stellen de voorwaardelijke verplichting in verband met de voorgenomen lening van financiële middelen voor leningen te dragen, is een buitengewone en tijdelijke verhoging van de maxima van de eigen middelen noodzakelijk. Het maximum van de kredieten voor betalingen en het maximum van de kredieten voor vastleggingen moeten elk met 0,25 procentpunten worden verhoogd. Het enige doel van de verhoging moet zijn alle verplichtingen van de Unie te dekken die voortvloeien uit haar aangegane schulden voor leningen om de gevolgen van dergelijke gebeurtenissen aan te pakken.
(24)De machtiging van de Commissie om namens de Unie op de kapitaalmarkten leningen aan te gaan met als enig doel de financiering van de buitengewone maatregelen in de vorm van leningen om de gevolgen van de dergelijke crisissen te bestrijden, moet nauw samenhangen met de verhoging van het maximum van de eigen middelen dat is vastgelegd in dit besluit en, uiteindelijk, met de werking van het stelsel van eigen middelen van de Unie. De machtiging moet dienovereenkomstig in dit besluit worden opgenomen. De buitengewone aard van deze operatie en het uitzonderlijke bedrag van de te lenen middelen vragen om zekerheid over het totale volume van de verplichtingen van de Unie. Gezien het beoogde volume is het passend om voor het aangaan van leningen gebruik te maken van de gediversifieerde financieringsstrategie, de standaardmethode van artikel 224 van het Financieel Reglement 7 .
(25)De buitengewone verhoging van de maxima van de eigen middelen is evenwel noodzakelijk omdat de standaard maxima ontoereikend zouden zijn om de Unie voldoende middelen te geven om te voldoen aan de voorwaardelijke verplichtingen die voortvloeien uit de uitzonderlijke en tijdelijke machtiging om middelen op te nemen voor leningen.
(26)Het is passend de regel te handhaven dat de Unie op kapitaalmarkten geleende middelen niet mag gebruiken als externe bestemmingsontvangsten voor de financiering van beleidsuitgaven, hetgeen vastleggings- en betalingskredieten voor de begroting van de Unie genereert. De machtiging van de Commissie om geleende middelen te gebruiken voor uitgaven moet beperkt blijven tot het buitengewone en tijdelijke karakter van de aanpak van de gevolgen van de COVID-19-crisis via het herstelinstrument voor de Europese Unie,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp
Bij dit besluit worden de voorschriften vastgesteld voor de toekenning van eigen middelen aan de Unie om de financiering van de jaarlijkse begroting van de Unie te waarborgen.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
(1)“netto-omzet”: de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2013/34/EU 8 of in het nationale recht;
(2)“onderneming”: elke rechtspersoon of juridische constructie (“entiteit”) met fiscale woonplaats in een lidstaat en elke in een lidstaat gelegen vaste inrichting van entiteiten die hun fiscale woonplaats in een derde land hebben en waarvan de netto-omzet moet worden gerapporteerd. Onder “ondernemingen” vallen echter geen overheidsinstanties, internationale organisaties en non-profitorganisaties;
(3)“tabaksfabrikaten”: producten zoals gedefinieerd in artikel 2 en volgende van Richtlijn 2011/64/EU van de Raad 9 ;
(4)“aan tabak verwante producten”: producten zoals gedefinieerd in artikel 2 en volgende van [Richtlijn [XXX] van de Raad] 10 ;
(5)“het minimumtarief” dat op elke lidstaat toepasselijk is: voor de toepassing van artikel 3, lid 1, punt d), de in elke lidstaat toepasselijke minimale nominale waarde van de totale accijns zoals gedefinieerd in de artikelen 10 en 14 van Richtlijn 2011/64/EU van de Raad;
(6)“tot verbruik uitgeslagen”: tot verbruik uitgeslagen zoals gedefinieerd in artikel 6, lid 3, van Richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad 11 ;
(7)“kunststof”: kunststof zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 52), van Verordening (EU) 2025/40 van het Europees Parlement en de Raad 12 ;
(8)“verpakkingsafval”: verpakkingsafval zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 25), van Verordening (EU) 2025/40 van het Europees Parlement en de Raad;
(9)“recycling”: recycling zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2025/40 van het Europees Parlement en de Raad;
(10)“elektrische en elektronische apparatuur”: elektrische en elektronische apparatuur zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt a), van Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad 13 ;
(11)“inzameling”: voor de toepassing van artikel 3, lid 1, punt f), inzameling als bedoeld in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2012/19/EU;
(12)“in de handel gebracht”: voor de toepassing van artikel 3, lid 1, punt f), het in de handel brengen zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt k), van Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad.
Artikel 3
Categorieën eigen middelen en specifieke berekeningsmethoden
1.De in de Uniebegroting opgevoerde eigen middelen worden gevormd door de ontvangsten uit:
(a)traditionele eigen middelen bestaande uit de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen, rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Unie ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met derde landen, de douanerechten op de onder het vervallen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten, alsmede de bijdragen en andere heffingen die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld;
(b)jaarlijkse bijdragen van ondernemingen op basis van hun netto jaaromzet. De jaarlijkse bijdrage van elke onderneming wordt bepaald aan de hand van de volgende schaal:
I.netto-omzet van 100 000 000,01 EUR tot 249 999 999,99 EUR, een bijdrage van 100 000 EUR;
II.netto-omzet van 250 000 000 EUR tot 499 999 999,99 EUR, een bijdrage van 250 000 EUR;
III.netto-omzet van 500 000 000 EUR tot 749 999 999,99 EUR, een bijdrage van 500 000 EUR;
IV.netto-omzet van 750 000 000 EUR of meer, een bijdrage van 750 000 EUR;
(c)de toepassing van een uniform afdrachtpercentage van 0,30 % voor alle lidstaten op het totale bedrag aan btw-inkomsten dat is geïnd ten aanzien van alle belastbare leveringen, gedeeld door het gewogen gemiddeld btw-tarief, berekend over het betreffende kalenderjaar, zoals bepaald in Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad 14 ;
(d)de toepassing van een uniform afdrachtpercentage van 15 % voor alle lidstaten op de hoeveelheden tabaksfabrikaten en op de hoeveelheden tot verbruik uitgeslagen aan tabak verwante producten vermenigvuldigd met het minimumtarief dat in een kalenderjaar op elke lidstaat van toepassing is;
(e)de toepassing van een uniform afdrachtpercentage op het gewicht van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval dat in elke lidstaat wordt gegenereerd. Het uniform afdrachtpercentage bedraagt 1 EUR per kilogram.
Het gewicht van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval wordt berekend als het verschil tussen het gewicht van het kunststof verpakkingsafval dat in een bepaald jaar in een lidstaat wordt gegenereerd en het gewicht van het in dat jaar gerecyclede kunststof verpakkingsafval. Voor de berekening van het gegenereerde kunststof verpakkingsafval gebruiken de lidstaten beide benaderingen als bedoeld in artikel 53, lid 2, punten a) en b), van Verordening (EU) 2025/40, die worden aangepast om de vergelijkbaarheid, betrouwbaarheid en volledigheid van de resultaten te waarborgen;
(f)de toepassing van een uniform afdrachtpercentage op het gewicht van elektrische en elektronische apparatuur in elke lidstaat die in een jaar niet wordt ingezameld. Het uniform afdrachtpercentage bedraagt 2 EUR per kilogram.
Het gewicht van elektrische en elektronische apparatuur die in een bepaald jaar (N) in een lidstaat niet wordt ingezameld, wordt berekend als het jaarlijkse gemiddelde gewicht van elektrische en elektronische apparatuur die in de drie voorgaande jaren (N-1, N-2, N-3) in de handel is gebracht, verminderd met het gewicht van de afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die in jaar N is ingezameld.
Indien het verschil negatief is, wordt het gewicht van de elektrische en elektronische apparatuur die in een lidstaat niet wordt ingezameld, geacht nul te zijn;
(g)de toepassing van een uniform percentage van 30 % op:
(1)de opbrengsten van de veiling van rechten door de lidstaten overeenkomstig de artikel 3 quinquies en artikel 10 van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 15 ;
(2)het bedrag dat wordt berekend door de jaarlijkse hoeveelheid emissierechten waarvoor de betrokken lidstaat een van de volgende toepast:
(a)de mogelijkheid van beperkte annulering als bedoeld in artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad 16 ;
(b)het gebruik van de in artikel 10 quinquies, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG bedoelde emissierechten voor veiling ten behoeve van het in artikel 10 quinquies, lid 3, van die richtlijn bedoelde moderniseringsfonds;
te vermenigvuldigen met de gemiddelde gewogen prijs van de overeenkomstig de artikelen 3 quinquies en 10 van Richtlijn 2003/87/EG door lidstaten op het gemeenschappelijke veilingplatform geveilde emissierechten in het jaar waarin deze rechten zouden zijn geveild.
(h)de toepassing van een uniform afdrachtpercentage ten belope van 75 % van de inkomsten uit de verkoop van certificaten van het bij Verordening (EU) 2023/956 ingestelde mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens 17 ;
(i)de toepassing van een, met inachtneming van alle andere ontvangsten, in het kader van de begrotingsprocedure vast te stellen uniform afdrachtpercentage op de som van de bni’s van alle lidstaten.
2.Voor de toepassing van lid 1, punten e) en f), wordt het respectieve afdrachtpercentage uitgedrukt in prijzen van 2028 en omgerekend in actuele prijzen door toepassing van de door de Commissie meegedeelde, meest recente deflator voor het bruto binnenlands product voor de Unie uitgedrukt in euro die beschikbaar is wanneer de ontwerpbegroting wordt opgesteld.
3.Voor de toepassing van lid 1, punt i), is het uniforme afdrachtpercentage van toepassing op het bni van elke lidstaat.
Onder bni in de zin van lid 1, punt i), wordt verstaan een jaarlijks bni, uitgedrukt in marktprijzen, zoals dat door de Commissie is meegedeeld in toepassing van Verordening (EU) nr. 549/2013 18 , zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/734 19 , totdat het herziene ESR van toepassing wordt. Wanneer het bni voor een bepaald jaar voor het eerst overeenkomstig het ESR 2010 is vastgesteld, blijft het ESR 2010 voor de toepassing van dit lid van toepassing.
4.Indien de Uniebegroting bij het begin van het begrotingsjaar niet is vastgesteld, blijven de bestaande uniforme bni-afdrachtpercentages van toepassing tot de inwerkingtreding van de nieuwe percentages.
Artikel 4
Maxima van de eigen middelen
1.Het totale bedrag van de aan de Unie ter dekking van de jaarlijkse betalingskredieten toegewezen eigen middelen is niet hoger dan 1,75 % van de som van de bni’s van alle lidstaten.
2.De jaarlijks in de Uniebegroting opgevoerde vastleggingskredieten bedragen niet meer dan 1,81 % van de som van de bni’s van alle lidstaten.
3.Er wordt een gepaste verhouding tussen vastleggingskredieten en betalingskredieten in acht genomen om ervoor te zorgen dat zij verenigbaar zijn en om in de volgende jaren de hand te kunnen houden aan het in lid 1 bepaalde maximum.
4.Wanneer wijzigingen in Verordening (EU) nr. 549/2013, met name die tot invoering van het herziene ESR, leiden tot aanzienlijke veranderingen in het niveau van het bni, herberekent de Commissie de in de leden 1 en 2 vastgestelde maxima aan de hand van de volgende formule:
waarbij:
|
— |
“x %” het maximum van de eigen middelen voor betalingskredieten is; |
|
|
— |
“y %” het maximum van de eigen middelen voor vastleggingskredieten is; |
|
|
— |
“t” het laatste volledige jaar is waarvoor de bij Verordening (EU) 2019/516 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde gegevens beschikbaar zijn; |
|
|
— |
“ESR” het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Unie is. |
De aanpassingen zijn van toepassing vanaf het jaar waarvoor het bni voor het eerst overeenkomstig het herziene ESR moet worden vastgesteld. Wanneer het bni voor een bepaald jaar voor het eerst overeenkomstig het ESR 2010 is vastgesteld, blijft het ESR 2010 voor de toepassing van dit lid van toepassing.
Indien een dergelijke herberekening van de in de leden 1 en 2 vastgestelde maxima tot een neerwaartse aanpassing in euro zou leiden, worden de resultaten van die herberekening niet in aanmerking genomen voor de toepassing van dit lid.
Artikel 5
Gebruik van op kapitaalmarkten geleende middelen
De Unie gebruikt op kapitaalmarkten geleende middelen niet voor de financiering van beleidsuitgaven.
Artikel 6
Buitengewone leningen om de gevolgen van ernstige crises, zware tegenspoed of een ernstige dreiging daarvan in de periode 2028-2034 het hoofd te bieden
1.In geval van een ernstige crisis, zware tegenspoed of een ernstige dreiging daarvan waardoor de Unie of haar lidstaten worden getroffen, kan de Raad, door middel van een verordening die wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 311, lid 4, VWEU, een buitengewone lening activeren met als enig doel de gevolgen van een dergelijke situatie aan te pakken.
2.Binnen de totale limiet van de in artikel 7 bedoelde bedragen kan de verordening van de Raad toestaan dat leningen worden opgenomen voor leningen aan lidstaten, op voorwaarde dat de respectieve leningsovereenkomsten tussen 1 januari 2028 en 31 december 2034 in werking treden.
3.De in de eerste alinea vastgestelde procedure wordt niet geactiveerd wanneer programma’s van de Unie de gevolgen van de situatie reeds adequaat aanpakken.
Artikel 7
Maximumbedrag aan buitengewone leningen om de gevolgen van ernstige crises, zware tegenspoed of ernstige dreiging daarvan in de periode 2028-2034 het hoofd te bieden
1.De Commissie is gemachtigd om namens de Unie fondsen op de kapitaalmarkten te lenen, op voorwaarde dat aan de in artikel 6 bedoelde voorwaarden is voldaan en binnen de in lid 2 van dit artikel vastgestelde grenzen. De transacties tot het opnemen van leningen worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 224 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 en in euro.
2.De som van de uitstaande hoofdsommen die de Commissie voor dergelijke financiering op de kapitaalmarkten mag lenen, is beperkt tot het bedrag dat, in het licht van de verwachte meerjarige ontwikkeling van voorwaardelijke verplichtingen als gevolg van de door de Commissie namens de Unie opgenomen leningen, verenigbaar is met het in artikel 8 vastgestelde plafond.
Artikel 8
Buitengewone en tijdelijke verhoging van de maxima van de eigen middelen
De in artikel 4, leden 1 en 2, vastgestelde maxima worden elk tijdelijk verhoogd met 0,25 procentpunt met als enig doel alle verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit haar in artikel 7 bedoelde leningen voor leningen, te dekken totdat al deze verplichtingen zijn vervallen.
De verhoogde maxima van de eigen middelen mogen niet worden gebruikt ter dekking van andere verplichtingen van de Unie.
Artikel 9
Universaliteitsbeginsel
De in artikel 3 bedoelde ontvangsten worden zonder onderscheid gebruikt voor de financiering van alle uitgaven die in de jaarlijkse begroting van de Unie zijn opgenomen.
Artikel 10
Overdracht van het overschot
Het eventuele overschot van de ontvangsten van de Unie ten opzichte van de totale werkelijke uitgaven gedurende een begrotingsjaar wordt naar het volgende begrotingsjaar overgedragen.
Artikel 11
Inning van de eigen middelen en terbeschikkingstelling ervan aan de Commissie
1.De in artikel 3, lid 1, punt b), bedoelde eigen middelen zijn verschuldigd door elke onderneming.
2.De lidstaten innen de in artikel 3, lid 1, punten a) en b), bedoelde eigen middelen overeenkomstig de desbetreffende Uniewetgeving, de krachtens artikel 12 vastgestelde regels en de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om te zorgen voor de inning, met inbegrip van invordering, handhavingsmaatregelen, sancties en administratieve boetes in geval van niet-naleving. De lidstaten stellen die bepalingen vast of passen deze aan om deze in overeenstemming te brengen met de Unievoorschriften, met inachtneming van de beginselen van goed financieel beheer en bescherming van de financiële belangen van de Unie.
De Commissie onderzoekt de desbetreffende nationale bepalingen waarvan de lidstaten haar in kennis stellen, deelt de lidstaten de aanpassingen mee die zij noodzakelijk acht om deze bepalingen in overeenstemming te brengen met de Unievoorschriften, en brengt zo nodig verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad.
3.De lidstaten houden 10 % van de in artikel 3, lid 1, punt a), bedoelde bedragen in als inningskosten.
4.De lidstaten stellen de in artikel 3, lid 1, van dit besluit bedoelde eigen middelen ter beschikking van de Commissie, in overeenstemming met verordeningen die op grond van artikel 322, lid 2, VWEU worden vastgesteld. In die verordeningen worden ook regels vastgesteld betreffende de aansprakelijkheid van de lidstaten jegens de Unie voor de inning en invordering van de in artikel 3, lid 1, punten a) en b), bedoelde eigen middelen van douaneschuldenaren en ondernemingen.
Artikel 12
Uitvoeringsmaatregelen
De Raad kan, overeenkomstig de procedure van artikel 311, vierde alinea, VWEU, uitvoeringsmaatregelen vaststellen ten aanzien van de volgende elementen van het stelsel van eigen middelen van de Unie:
(a)de procedure voor de berekening van het saldo van de jaarlijkse begroting als bedoeld in artikel 10;
(b)de voorschriften en regelingen welke noodzakelijk zijn voor de controle en het toezicht op de inning van de in artikel 3, lid 1, bedoelde eigen middelen en eventuele relevante rapportagevereisten;
(c)met betrekking tot de in artikel 3, lid 1, punt b), bedoelde eigen middelen,
I.regels in verband met de verplichtingen van ondernemingen met betrekking tot de bijdrage;
II.alle regels die nodig zijn voor de praktische werking van de inning van de bijdrage door de lidstaten bij de ondernemingen, met inbegrip van regels in verband met administratieve procedures, formulieren, achterstandsrente, controlemaatregelen en alle relevante maatregelen met betrekking tot invordering, en sancties en administratieve boetes in geval van niet-naleving door de ondernemingen;
III.de regels voor de omrekening van de drempels en de bedragen van de bijdrage in nationale valuta in het geval van lidstaten die niet de euro als munt hebben;
(d)met betrekking tot de in artikel 3, lid 1, punt e), bedoelde eigen middelen, bepalingen inzake aanpassingen om de vergelijkbaarheid, betrouwbaarheid en volledigheid van de resultaten met betrekking tot het gewicht van gegenereerd kunststof verpakkingsafval te waarborgen.
Artikel 13
Overgangs- en slotbepalingen
1.Onder voorbehoud van de leden 2, 3 en 4 wordt Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad ingetrokken.
Verwijzingen naar Besluit 70/243/EGKS, EEG, Euratom van de Raad 20 , Besluit 85/257/EEG, Euratom van de Raad 21 , Besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad 22 , Besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad 23 , Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad 24 , Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad 25 , Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad 26 of Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad 27 worden beschouwd als verwijzingen naar dit besluit; verwijzingen naar het ingetrokken besluit worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage bij dit besluit.
2.De artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 94/728/EG, Euratom, de artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 2000/597/EG, Euratom, de artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 2007/436/EG, Euratom, de artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 2014/335/EU, Euratom en artikel 2 van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad blijven van toepassing op de berekening en de aanpassing van de ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van een afdrachtpercentage op de btw-grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld en beperkt tot 50 % à 55 % van het bnp of bni van elke lidstaat, al naargelang het jaar.
3.Artikel 5, artikel 6, en artikel 9, leden 4 tot en met 9, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad blijven van toepassing met het oog op de buitengewone en tijdelijke aanvullende middelen om de gevolgen van de COVID-19-crisis aan te pakken.
4.Het Europees systeem van rekeningen als bedoeld in artikel 2, lid 3, van Besluit 2020/2053 van de Raad blijft het ESR 2010.
5.Op de in artikel 3, lid 1, punt a), bedoelde bedragen die vóór 28 februari 2001 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 10 % als inningskosten ingehouden.
6.Op de in artikel 3, lid 1, punt a), bedoelde bedragen die tussen 1 maart 2001 en 28 februari 2014 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 25 % als inningskosten ingehouden.
7.Op de in artikel 3, lid 1, punt a), bedoelde bedragen die tussen 1 maart 2014 en 28 februari 2021 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 20 % als inningskosten ingehouden.
8.Op de in artikel 3, lid 1, punt a), bedoelde bedragen die tussen 1 maart 2021 en 29 februari 2028 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 25 % als inningskosten ingehouden.
9.In de periode tussen [1 november 2026] en 31 december 2027 worden, in afwijking van artikel 9, lid 3, en de krachtens artikel 10, punt b), van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 vastgestelde regels, bedragen aan traditionele eigen middelen in verband met de behandeling van het in het vrije verkeer brengen van in het kader van afstandsverkopen verkochte goederen niet beschikbaar gesteld en zijn de regels inzake controles, toezicht en rapportage niet van toepassing op die bedragen.
10.Voor de toepassing van dit besluit moeten alle bedragen worden uitgedrukt in euro.
Artikel 14
Inwerkingtreding
Het secretariaat-generaal van de Raad deelt dit besluit aan de lidstaten mee.
De lidstaten stellen de secretaris-generaal van de Raad onverwijld in kennis van de voltooiing van de volgens hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van dit besluit vereiste procedures.
Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand na de ontvangst van de laatste van de in de tweede alinea bedoelde kennisgevingen.
Het is van toepassing met ingang van [1 januari 2028].
Artikel 3, lid 1, punt b), is evenwel van toepassing met ingang van 1 januari van het eerste kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin dit besluit in werking is getreden.
Artikel 15
Adressaten
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter
Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 52).
EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 16.7.2025
COM(2025) 574 final
BIJLAGE
bij
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053
BIJLAGE
CONCORDANTIETABEL
|
Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 |
Dit besluit |
|
Artikel 1 |
Artikel 1 |
|
- |
Artikel 2 |
|
Artikel 2, lid 1, punt a) |
Artikel 3, lid 1, punt a) |
|
- |
Artikel 3, lid 1, punt b) |
|
Artikel 2, lid 1, punt b) |
Artikel 3, lid 1, punt c) |
|
- |
Artikel 3, lid 1, punt d) |
|
Artikel 2, lid 1, punt c) |
Artikel 3, lid 1, punt e) |
|
- |
Artikel 3, lid 1, punt f) |
|
- |
Artikel 3, lid 1, punt g) |
|
- |
Artikel 3, lid 1, punt h) |
|
Artikel 2, lid 1, punt d) |
Artikel 3, lid 1, punt i) |
|
- |
Artikel 3, lid 2 |
|
- |
Artikel 3, lid 3 |
|
Artikel 2, lid 2, eerste alinea |
Artikel 2, leden 7 tot en met 9 |
|
Artikel 2, lid 2, tweede alinea |
Artikel 3, lid 1, punt e) |
|
Artikel 2, lid 2, derde alinea |
- |
|
Artikel 2, lid 3 |
Artikel 3, lid 3 |
|
Artikel 2, lid 4 |
- |
|
Artikel 2, lid 5 |
Artikel 3, lid 4 |
|
Artikel 3 |
Artikel 4 |
|
Artikel 4 |
Artikel 5 |
|
- |
Artikel 6 |
|
- |
Artikel 7 |
|
- |
Artikel 8 |
|
Artikel 5 |
Artikel 13, lid 3 |
|
Artikel 6 |
Artikel 13, lid 3 |
|
Artikel 7 |
Artikel 9 |
|
Artikel 8 |
Artikel 10 |
|
- |
Artikel 11, lid 1 |
|
Artikel 9, lid 1 |
Artikel 11, lid 2 |
|
Artikel 9, lid 2 |
Artikel 11, lid 3 |
|
Artikel 9, lid 3 |
Artikel 11, lid 4 |
|
Artikel 9, leden 4 tot en met 9 |
Artikel 13, lid 3 |
|
Artikel 10, punten a) en b) |
Artikel 12, punten a) en b) |
|
- |
Artikel 12, punten c) en d) |
|
Artikel 11 |
Artikel 13 |
|
Artikel 12 |
Artikel 14 |
|
Artikel 13 |
Artikel 15 |