Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52025PC0434

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

COM/2025/434 final

Brussel, 29.7.2025

COM(2025) 434 final

2025/0244(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht


TOELICHTING

Dit voorstel betreft de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (hierna “het verdrag” genoemd).

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Milieucriminaliteit veroorzaakt aanzienlijke schade aan het milieu, de menselijke gezondheid en de economie en is een steeds groter punt van zorg geworden voor de EU en de rest van de wereld. Milieucriminaliteit is de op drie na grootste georganiseerde criminele activiteit ter wereld, na drugshandel, mensenhandel en namaakpraktijken. Ze groeit jaarlijks met 5 tot 7 %( 1 ). Misdrijven zoals illegale ontbossing, water-, lucht- en bodemverontreiniging, handel in ozonafbrekende stoffen, stroperij en andere delicten brengen de biodiversiteit ernstige schade toe, schaden de menselijke gezondheid en vernietigen hele ecosystemen. De wereldwijde impact van de daaruit voortvloeiende schade en aantasting, waarbij vaak sprake is van georganiseerde criminaliteit op transnationale schaal, vereist een doortastend optreden, sterke internationale samenwerking op basis van een gemeenschappelijk begrip van de categorieën milieudelicten, sancties en grensoverschrijdende samenwerking.

De afgelopen decennia heeft de EU haar inspanningen om gedragingen die schadelijk zijn voor het milieu te reguleren, geleidelijk opgevoerd. Vandaag bevat een aanzienlijk aantal wetgevingsinstrumenten van de EU, voornamelijk richtlijnen, relevante normen en beperkingen voor verschillende milieusectoren en daarmee samenhangende verplichtingen voor verantwoordelijke partijen. Om de bescherming van het milieu verder te verbeteren en de strijd tegen milieucriminaliteit op te voeren, is de EU overgegaan tot de vaststelling van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (hierna “richtlijn milieucriminaliteit” genoemd). De richtlijn milieucriminaliteit stelt gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast voor de definitie van strafrechtelijke delicten en sancties teneinde het milieu doeltreffender te beschermen alsook voor maatregelen ter voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit en ter effectieve handhaving van het milieurecht van de Unie. Deze richtlijn is op 20 mei 2024 in werking getreden en vereist dat de lidstaten uiterlijk op 20 mei 2026 de nodige omzettingsmaatregelen vaststellen.

De Raad van Europa, de instelling die met het Verdrag van 1998 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht( 2 ) (hierna het “verdrag van 1998” genoemd) het eerste internationale instrument ter bestrijding van milieucriminaliteit heeft aangenomen, erkent ook de noodzaak van een versterkte internationale aanpak ter bestrijding van deze misdrijven.

Het verdrag van 1998 is nooit in werking getreden omdat het vereiste minimumaantal ratificaties of toetredingen niet is bereikt.

Daarom heeft de Stuurgroep van de Raad van Europa voor het toezicht op en de coördinatie van activiteiten op het gebied van criminaliteitspreventie en —bestrijding — het Europees Comité voor strafrechtelijke vraagstukken (“CDPC”) — een Werkgroep van deskundigen voor de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (“CDPC-EC”) opgericht, die in een haalbaarheidsstudie( 3 ) moest nagaan hoe het verder moet en of de opstelling van een nieuw verdrag ter vervanging van het bestaande verdrag van 1998 haalbaar en passend was. In juni 2022 heeft de werkgroep besloten dat het haalbaar en passend was een nieuw verdrag op te stellen.

Op 23 november 2022 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa het mandaat vastgesteld voor een nieuw Comité van deskundigen voor de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (“PC-ENV”)( 4 ). Het PC-ENV werd opgericht en kreeg de opdracht om, onder het gezag van het Comité van Ministers en het CDPC, een nieuw verdrag inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht op te stellen.

De Unie heeft over het verdrag onderhandeld op basis van artikel 216, lid 1, vierde alternatief, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), op grond waarvan de Unie kan onderhandelen over een internationale overeenkomst en deze kan sluiten indien die overeenkomst “[...] gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen”.

De Europese Commissie heeft de Unie bij de onderhandelingen over het verdrag vertegenwoordigd, overeenkomstig artikel 218, leden 3 en 4, VWEU en conform het besluit van de Raad tot machtiging van de Europese Commissie om deel te nemen aan deze onderhandelingen( 5 ).

De Unie heeft actief aan de onderhandelingen deelgenomen en ernaar gestreefd de verenigbaarheid van het verdrag met het Unierecht, de samenhang met de richtlijn milieucriminaliteit en de kwaliteit en de meerwaarde van het verdrag op internationaal niveau te waarborgen.

Na verschillende onderhandelingsrondes( 6 ) heeft het PC-ENV overeenstemming bereikt over de tekst van het nieuwe verdrag tijdens zijn vierde vergadering, die plaatsvond van 4 tot en met 7 juni 2024.

Het Comité van Ministers van de Raad van Europa heeft het verdrag op [...] aangenomen en het op [...] te [...] opengesteld voor ondertekening.

Het verdrag is volledig verenigbaar met het Unierecht in het algemeen en de richtlijn milieucriminaliteit in het bijzonder, en zal belangrijke concepten uit de Unieaanpak van milieucriminaliteit wereldwijd bevorderen bij andere leden van de Raad van Europa en belangrijke internationale partners die partij kunnen worden bij het verdrag.

Inhoud van het verdrag

Het verdrag heeft tot doel milieucriminaliteit doeltreffend te voorkomen en te bestrijden, de nationale en internationale samenwerking te bevorderen en te versterken en minimumvoorschriften vast te stellen die staten als leidraad kunnen gebruiken in hun nationale wetgeving.

Het verdrag is van toepassing op het voorkomen, opsporen, onderzoeken, vervolgen en bestraffen van strafrechtelijke delicten en definieert de termen “wederrechtelijk”, “water”, “ecosysteem” en “afval”. Deze definities zijn volledig in overeenstemming met de relevante definities en begrippen in het EU-recht. 

Het verdrag verplicht de partijen ertoe de nodige maatregelen te nemen om de bepalingen van het verdrag aan te nemen. Het verdrag omvat maatregelen om de onder het verdrag vallende wederrechtelijke gedragingen in het nationale recht strafbaar te stellen en te voorzien in relevante sancties, alsook verschillende maatregelen om de doeltreffende bestrijding van milieucriminaliteit te waarborgen, onder meer op het gebied van middelen, opleiding, samenwerking en strategische benaderingen.

Het hoofdstuk over materieel strafrecht heeft betrekking op wederrechtelijke en opzettelijke delicten in verband met verontreiniging en het in de handel brengen van producten die in strijd zijn met milieuvoorschriften, delicten in verband met chemische stoffen, radioactief materiaal of radioactieve stoffen, kwik, ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen, delicten in verband met afval, installaties, schepen, alsook het wederrechtelijk onttrekken van oppervlaktewater of grondwater, de handel in wederrechtelijk gekapt hout, wederrechtelijke mijnbouw, het doden, vernietigen, vangen en bezitten van beschermde, in het wild levende planten of dieren, het verhandelen van beschermde, in het wild levende dieren of planten, het wederrechtelijk schade toebrengen aan beschermde habitats en delicten in verband met invasieve uitheemse soorten.

Het verdrag voorziet ook in de kwalificatie “bijzonder ernstig delict” voor alle onder het verdrag vallende delicten die opzettelijk worden gepleegd en tot bijzonder ernstige schade of vernietiging leiden.

Een specifieke afdeling met algemene strafrechtelijke bepalingen bevat bepalingen over uitlokking, medeplichtigheid en poging, rechtsmacht, aansprakelijkheid van rechtspersonen, sancties en maatregelen, verzwarende omstandigheden en het rekening houden met eerdere door een andere partij opgelegde straffen. De sancties voor natuurlijke personen moeten gevangenisstraffen omvatten en kunnen ook geldelijke sancties omvatten. De sancties voor rechtspersonen moeten strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke geldelijke sancties omvatten en kunnen andere maatregelen omvatten, zoals een verbod op het uitoefenen van commerciële activiteiten, uitsluiting van door de overheid verleende voordelen of steun of uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering en plaatsing onder rechterlijk toezicht. De partijen moeten ook de bevriezing, inbeslagneming en confiscatie mogelijk maken van hulpmiddelen en opbrengsten van de overeenkomstig het verdrag vastgestelde delicten.

Het onderzoek naar en de vervolging van delicten mogen niet afhankelijk zijn van het indienen van een klacht. Personen die een voldoende belang hebben bij of stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht alsook niet-gouvernementele organisaties die milieubescherming bevorderen, moeten het recht hebben om deel te nemen aan strafprocedures voor zover de betrokken partij voor andere strafrechtelijke delicten voorziet in dergelijke rechten in procedures.

Het verdrag verplicht de partijen ertoe samen te werken en onderling te coördineren overeenkomstig dit verdrag en gebruik te maken van relevante internationale en regionale instrumenten inzake samenwerking in strafzaken. Het verdrag maakt ook de uitwisseling van informatie tussen de partijen mogelijk, met inachtneming van de regels inzake gegevensbescherming.

Voorts voorziet het verdrag in maatregelen ter bescherming van slachtoffers en getuigen of personen die delicten melden of anderszins samenwerken met justitie.

Er wordt een Comité van de Partijen opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van de partijen, dat met behulp van een toezichtmechanisme toezicht houdt op de uitvoering van het verdrag en de verzameling, analyse en uitwisseling van informatie, ervaringen en goede praktijken tussen de partijen vergemakkelijkt.

Het verdrag biedt de partijen ook een basis om bepaalde voorbehouden te maken, waaronder de mogelijkheid voor organisaties voor regionale integratie om de draagwijdte van bepaalde verdragsrechtelijke termen te specificeren op basis van hun geharmoniseerde wetgeving.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Bij de onderhandelingen over het verdrag is rekening gehouden met de uitgebreide onderhandelingsrichtsnoeren die de Raad op 28 september 2023 heeft vastgesteld, samen met de machtiging om te onderhandelen.

Het verdrag is volledig in overeenstemming met het streven van de Unie naar een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, zoals neergelegd in artikel 3, lid 3, VEU en artikel 191 VWEU.

Het verdrag sluit nauw aan bij het toepassingsgebied, de structuur en de inhoud van de richtlijn milieucriminaliteit en bestrijkt aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Unie vallen, zoals bepaald in de Verdragen.

De juridische definities en terminologie in het verdrag zijn in overeenstemming met de relevante juridische definities en begrippen in het EU-recht, bijvoorbeeld de definitie van “ecosysteem” in artikel 2, lid 2, punt c), van de richtlijn milieucriminaliteit en in artikel 3, punt c), van het verdrag. De categorieën delicten in het verdrag komen overeen met de in de richtlijn milieucriminaliteit vastgestelde delicten alsook met de bepalingen inzake de aansprakelijkheid van personen en sancties; procedurele rechten en samenwerking; preventieve maatregelen en participatie van het maatschappelijk middenveld.

De milieudelicten in het verdrag en het toepassingsgebied ervan zijn duidelijk omschreven en zijn verenigbaar met het EU-recht, met name met de lijst van strafrechtelijke delicten in artikel 3, lid 2, van de richtlijn milieucriminaliteit. De lijst van strafrechtelijke delicten die onder het verdrag vallen, heeft betrekking op opzettelijke en wederrechtelijke gedragingen en is volledig in overeenstemming met de in de richtlijn milieucriminaliteit vastgestelde delicten. Het delict “wederrechtelijke visvangst” in het oorspronkelijke ontwerp van de Raad van Europa, is niet opgenomen in de op deskundigenniveau overeengekomen tekst, omdat de partijen daarover geen overeenstemming konden bereiken. Er is ook geen overeenstemming over het toepassingsgebied en de definitie van het delict “wederrechtelijke mijnbouw en wederrechtelijke handel in mineralen en metalen”, zoals voorgesteld in het oorspronkelijke ontwerp van de Raad van Europa. De desbetreffende bepaling is geherformuleerd en heeft nu alleen betrekking op mijnbouwactiviteiten die zonder de wettelijk vereiste vergunning worden uitgevoerd, hetgeen in overeenstemming is met de richtlijn milieucriminaliteit. Bovendien is er volgens het verdrag, net als volgens de richtlijn milieucriminaliteit, sprake van een “bijzonder ernstig delict” in het geval van vernietiging of onomkeerbare, wijdverbreide en aanzienlijke schade die langdurig is aan een ecosysteem van aanzienlijke omvang of milieuwaarde, of aan een beschermde habitat, of aan de kwaliteit van lucht, bodem of water.

Bepalingen van het oorspronkelijke ontwerpverdrag van de Raad van Europa met betrekking tot verplichtingen van staten en zorgvuldigheidseisen, niet-gouvernementele organisaties en het maatschappelijk middenveld, onderwijs, participatie van de private sector en de media, beoordeling van milieuclaims zijn geschrapt en zijn niet in de definitieve tekst van het verdrag opgenomen.

De in het verdrag opgenomen bepalingen inzake preventie en bewustmaking, opleiding van professionals en gegevensverzameling zijn gewijzigd en inhoudelijk afgestemd op de overeenkomstige bepalingen in de richtlijn milieucriminaliteit (bijvoorbeeld de artikelen 16 en 18 van de richtlijn milieucriminaliteit).

De in het verdrag opgenomen algemene strafrechtelijke bepalingen, zoals die inzake uitlokking, medeplichtigheid en poging, rechtsmacht, aansprakelijkheid van rechtspersonen, sancties en maatregelen, bevriezing en confiscatie en verzwarende omstandigheden, zijn grotendeels in overeenstemming met de overeenkomstige bepalingen in de richtlijn milieucriminaliteit. Daarnaast zijn deze bepalingen ook terug te vinden in andere strafrechtelijke instrumenten van de EU, zoals Richtlijn (EU) 2024/1226 (richtlijn betreffende de definitie van strafrechtelijke delicten en van sancties voor de schending van beperkende maatregelen van de Unie) of Richtlijn (EU) 2017/1371 (richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt), en in andere instrumenten, zoals Richtlijn (EU) 2024/1260 (richtlijn betreffende de ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen). 

De aansprakelijkheid van rechtspersonen in artikel 34 van het verdrag is volledig in overeenstemming met artikel 6 van de richtlijn milieucriminaliteit, aangezien in beide artikelen dezelfde voorwaarden zijn opgenomen en dezelfde formulering wordt gebruikt. Daarnaast is ook artikel 33 van het verdrag inzake rechtsmacht in overeenstemming met artikel 12 van de richtlijn milieucriminaliteit, aangezien in beide artikelen soortgelijke dwingende gronden voor het vestigen van rechtsmacht zijn vastgesteld en de bepaling inzake rechtsmachtclaims van meer dan één partij bij het verdrag qua inhoud en aard overeenstemt met de bepaling in de richtlijn milieucriminaliteit.

De bepalingen van het verdrag met betrekking tot sancties voor natuurlijke personen verplichten de partijen ervoor te zorgen dat onder het verdrag vallende delicten strafbaar worden gesteld met een gevangenisstraf (zonder echter specifieke minimumvereisten vast te stellen voor maximale gevangenisstraffen zoals in de richtlijn milieucriminaliteit). De partijen kunnen ook geldelijke sancties invoeren. Deze bepalingen inzake sancties voor natuurlijke personen zijn in overeenstemming met de richtlijn milieucriminaliteit en zijn ook opgenomen in andere strafrechtelijke instrumenten van de EU, zoals Richtlijn (EU) 2024/1226. Beide rechtskaders voorzien in geldelijke sancties voor rechtspersonen en in bijkomende sancties of maatregelen, zoals een verbod op het uitoefenen van commerciële activiteiten, uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering, waaronder aanbestedingsprocedures, subsidies en concessies, en intrekking van vergunningen en machtigingen. Alle soorten sancties en maatregelen in het verdrag zijn ook opgenomen in de richtlijn milieucriminaliteit en zijn afgestemd op andere strafrechtelijke rechtsinstrumenten van de EU, zoals artikel 9 van Richtlijn (EU) 2017/1371 en artikel 7 van Richtlijn (EU) 2024/1226.

De bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van strafrechtelijke milieudelicten die in het respectieve rechtskader zijn bedoeld, is opgenomen in artikel 35, lid 3, van het verdrag en in artikel 10 van de richtlijn milieucriminaliteit. Bovendien is het begrip “bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten” in artikel 35, lid 3, van het verdrag in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2024/1260 betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen en Verordening (EU) 2018/1805 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen. Soortgelijke bepalingen inzake de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten zijn ook te vinden in artikel 10 van Richtlijn (EU) 2024/1226 en artikel 10 van Richtlijn (EU) 2017/1371.

Beide rechtskaders voorzien in verzwarende omstandigheden, het verdrag in artikel 36 en de richtlijn milieucriminaliteit in artikel 8. Terwijl het verdrag dezelfde verzwarende omstandigheden bevat als de richtlijn milieucriminaliteit, gaat deze laatste verder door te voorzien in nog andere verzwarende omstandigheden, zoals de vernietiging van bewijsmateriaal of de intimidatie van getuigen of klagers door de dader. Bovendien zijn de verzwarende omstandigheden in artikel 8 van Richtlijn (EU) 2024/1226 bijna volledig in overeenstemming met die in het verdrag.

Het belang van het recht om deel te nemen aan procedures voor personen die een voldoende belang hebben of stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht en voor niet-gouvernementele organisaties die milieubescherming bevorderen, wordt benadrukt in artikel 39 van het verdrag en in artikel 15 van de richtlijn milieucriminaliteit.

Terwijl de richtlijn milieucriminaliteit van toepassing zal zijn op in de Unie gepleegde strafrechtelijke milieudelicten, heeft het verdrag een breder geografisch bereik, dat niet alleen de leden van de Raad van Europa bestrijkt maar ook derde landen wereldwijd die tot het verdrag kunnen toetreden. Het verdrag biedt dus een unieke kans om milieubescherming buiten de Unie te bevorderen door middel van een internationaal juridisch bindend verdrag.

Volgens de onderhandelingsrichtsnoeren moet worden bewerkstelligd dat het verdrag verenigbaar is met het acquis van de Unie en zo bijdraagt tot het nastreven van de doelstellingen van het beleid van de Unie ter bescherming van het milieu, en moet het het toepassingsgebied van de nieuwe richtlijn milieucriminaliteit zoveel mogelijk weerspiegelen. Een voorbehoud waarin de betekenis en de draagwijdte van de in artikel 56, lid 3, van het verdrag vermelde termen worden gespecificeerd, is een instrument om te waarborgen dat het verdrag in overeenstemming is met het acquis van de Unie, met inbegrip van en in het bijzonder met de richtlijn milieucriminaliteit.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Het verdrag is volledig in overeenstemming met ander EU‑beleid en vereist niet dat de EU overgaat tot wijziging van haar regels, voorschriften of normen op enig gereglementeerd gebied.

Het verdrag deelt ook gemeenschappelijke doelstellingen met ander beleid en andere wetgeving van de Unie die gericht zijn op de uitvoering van de in het Handvest van de grondrechten van de Unie verankerde grondrechten.

Met name het in het verdrag verankerde non-discriminatiebeginsel is volledig in overeenstemming met de non-discriminatiewetgeving van de Unie en zal de integratie van het gelijkheidsaspect in de uitvoering van het verdrag bevorderen.

Het verdrag is ook in overeenstemming met titel V van het derde deel van het VWEU, waarin aan de Europese Unie bevoegdheden worden verleend op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht. Naast de richtlijn milieucriminaliteit heeft de Europese Unie een uitgebreide reeks rechtsinstrumenten vastgesteld om, naast andere delicten, milieudelicten te bestrijden. De volgende rechtsinstrumenten maken deel uit van dit rechtskader:

·Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld;

·Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden.

·Richtlijn (EU) 2024/1260 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen;

·Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), en tot vervanging en intrekking van Besluit 2002/187/JBZ van de Raad;

·Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad;

·Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ;

·Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit.

Het verdrag is voorts in overeenstemming met het acquis van de Unie inzake gegevensbescherming, met inbegrip van de algemene verordening gegevensbescherming (AVG)( 7 ) en de richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving( 8 ).

Bovendien is het verdrag in overeenstemming met het alomvattende milieurecht van de Unie dat van kracht is of momenteel wordt herzien en wordt bestreken door de nieuwe richtlijn milieucriminaliteit als horizontaal instrument. Het milieurecht van de Unie en de richtlijn milieucriminaliteit interageren met elkaar, voor zover de definitie van een strafrechtelijk delict in de richtlijn milieucriminaliteit een wederrechtelijke gedraging vereist, d.w.z. een schending van verplichtingen zoals gedefinieerd in het milieurecht van de Unie.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Dit voorstel wordt bij de Raad ingediend overeenkomstig artikel 218, lid 6, VWEU.

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 6, VWEU te nemen besluit hangt in de eerste plaats af van de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling. Volgens de rechtspraak moet, indien uit onderzoek van een handeling van de Unie blijkt dat zij een tweeledig doel heeft of dat er sprake is van twee componenten, waarvan er een als hoofddoel of voornaamste component kan worden gezien, terwijl het andere doel of de andere component slechts van ondergeschikt belang is, de handeling op één enkele rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke is vereist, gelet op het hoofddoel of de overwegende component.

Het verdrag valt grotendeels samen met de richtlijn milieucriminaliteit. Aangezien het verdrag als hoofddoel heeft minimumvoorschriften voor de definitie van relevante strafrechtelijke delicten vast te stellen, minimumnormen voor sancties vast te leggen en minimumnormen te bepalen voor andere maatregelen om milieucriminaliteit doeltreffender te bestrijden, is de rechtsgrondslag van de richtlijn milieucriminaliteit, artikel 83, lid 2, VWEU, ook de materiële rechtsgrondslag voor de sluiting van het verdrag.

Aangezien het voorstel betrekking heeft op een gebied waarop de gewone wetgevingsprocedure wordt toegepast (artikel 83, lid 2, VWEU), is de procedurele rechtsgrondslag artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), v), VWEU en is derhalve de goedkeuring van het Europees Parlement vereist.

·Bevoegdheid van de Unie

De aard van de internationale overeenkomsten (“exclusieve EU”-overeenkomsten of “gemengde” overeenkomsten) hangt af van de bevoegdheden van de Unie met betrekking tot het specifieke onderwerp.

In artikel 3, lid 2, VWEU is bepaald dat de Unie exclusief bevoegd is “een internationale overeenkomst te sluiten [...] wanneer die sluiting gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen”. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met name verduidelijkt dat “voor de vaststelling dat er een dergelijk risico is [dat internationale verbintenissen regels aantasten of de strekking daarvan wijzigen], het door de internationale verbintenissen bestreken gebied en het door de Unieregeling bestreken gebied elkaar niet volledig [hoeven] te dekken”, maar dat “dergelijke verbintenissen de gemeenschappelijke regels van de Unie ook [kunnen] aantasten of de strekking ervan [kunnen] wijzigen wanneer die verbintenissen behoren tot een gebied dat reeds grotendeels wordt bestreken door dergelijke regels”( 9 ). Bij deze analyse van de aard van de bevoegdheid van de Unie moet rekening worden gehouden met de gebieden die door de EU-regels en de bepalingen van de beoogde overeenkomst worden bestreken, met de voorzienbare toekomstige ontwikkelingen daarvan en met de aard en de inhoud van die regels en die bepalingen, teneinde zich ervan te vergewissen of de beoogde overeenkomst afbreuk kan doen aan de uniforme en coherente toepassing van de EU-regels en aan de goede werking van het systeem dat daarbij is ingesteld( 10 ).

Aangezien het toepassingsgebied van het verdrag en dat van de richtlijn milieucriminaliteit elkaar grotendeels overlappen, kan de sluiting van het verdrag gevolgen hebben voor gemeenschappelijke regels van de Unie of de strekking daarvan wijzigen in de zin van artikel 3, lid 2, VWEU.

Het nieuwe verdrag sluit nauw aan bij de structuur, de aard, de inhoud en het toepassingsgebied van de richtlijn milieucriminaliteit. Beide bevatten op elkaar afgestemde bepalingen inzake doel en toepassingsgebied, terminologie en definities, strafrechtelijke delicten, aansprakelijkheid van rechtspersonen, rechtsmacht, sancties en maatregelen, verzwarende omstandigheden, procedurele rechten en samenwerking, preventieve maatregelen en participatie van het maatschappelijk middenveld. Bovendien werden tijdens de onderhandelingen verschillende bepalingen geschrapt uit het oorspronkelijke door het PC-ENV voorgestelde ontwerpverdrag, waardoor de tekst van het verdrag nog nauwer aansluit bij die van de richtlijn milieucriminaliteit. Ter illustratie: de geschrapte bepalingen hadden betrekking op verplichtingen van staten en zorgvuldigheidseisen, niet-gouvernementele organisaties en het maatschappelijk middenveld, onderwijs, participatie van de private sector en de media, beoordeling van milieuclaims, wederrechtelijke visvangst, de oprichting van een groep van deskundigen inzake milieubescherming en bestrijding van milieucriminaliteit, parlementaire betrokkenheid bij het toezicht en de geldigheid en herziening van voorbehouden. Verschillende bepalingen zijn ook aanzienlijk gewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp, bijvoorbeeld de definitie van “wederrechtelijk” en de kwalificatie “bijzonder ernstig delict” (oorspronkelijk “ecocide” genoemd), waardoor deze nu inhoudelijk nauw aansluiten bij de richtlijn milieucriminaliteit.

Voorts zijn er sinds 2008 regels van de Unie inzake milieucriminaliteit van kracht en zullen deze, gezien het toenemende belang en de toenemende impact van deze misdrijven, een hoge prioriteit blijven en op het niveau van de Unie verder worden ontwikkeld. Aangezien het verdrag binnen een gebied valt dat grotendeels door gemeenschappelijke regels van de EU wordt bestreken, moet de Unie derhalve de exclusieve externe bevoegdheid hebben om het verdrag voor de Unie te sluiten als een “exclusieve EU”-overeenkomst.

In het verdrag wordt bepaald dat het openstaat voor ondertekening door de Europese Unie (artikel 53, lid 1). Het verdrag bevat ook bepalingen inzake voorbehouden op grond waarvan in een verklaring de draagwijdte kan worden gespecificeerd van de term “wederrechtelijk” en van de begrippen “nationaal recht”, “nationale bepalingen”, “beschermd” en “vereiste”, die worden gebruikt in de definitie van bepaalde delicten in het kader van het verdrag. 

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Niet van toepassing.

Evenredigheid

Het verdrag gaat niet verder dan wat nodig is om de beleidsdoelstellingen inzake de doeltreffende bestrijding van milieucriminaliteit te verwezenlijken en is derhalve in overeenstemming met het in artikel 5, lid 4, VEU neergelegde evenredigheidsbeginsel. De Unie heeft haar interne bevoegdheid op dit gebied reeds uitgeoefend door de vaststelling van de richtlijn milieucriminaliteit.

De overwegingen die gelden voor de richtlijn milieucriminaliteit, gelden ook voor het verdrag, aangezien de gevolgen van milieudelicten en het belang van de bescherming van het milieu over de grenzen heen gaan en een internationale aanpak vereisen. In het verdrag wordt het toepassingsgebied van de strafrechtelijke delicten gedefinieerd met het oogmerk alle relevante gedragingen te bestrijken, doch dit toepassingsgebied te beperken tot wat noodzakelijk en evenredig is. Zowel de delicten als de sancties in het verdrag zijn beperkt tot ernstige inbreuken op het milieurecht en zijn dus in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.

Keuze van het instrument

In artikel 218, lid 6, VWEU wordt bepaald dat de Commissie of de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid voorstellen indient bij de Raad, die een besluit betreffende de sluiting van een internationale overeenkomst vaststelt. Gezien het onderwerp van het beoogde verdrag is het passend dat de Commissie een voorstel in die zin indient.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Niet van toepassing.

Raadpleging van belanghebbenden

De Europese Commissie heeft geen specifieke raadpleging van belanghebbenden over dit voorstel gehouden.

Het opstellen van het verdrag was een gezamenlijke inspanning van het Comité van deskundigen van de Raad van Europa voor de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht, waarbij zowel de lidstaten van de Raad van Europa als de waarnemende staten, waaronder de Heilige Stoel, betrokken waren.

In overeenstemming met de toezegging van de Raad van Europa om samen te werken met diverse belanghebbenden, is bij de ontwikkeling van het verdrag ook input geleverd door vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en andere internationale organisaties, waaronder het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC), het Global Initiative to End Wildlife Crime (EWC), Wild Legal en de Wildlife Justice Commission.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

De onderhandelingsstandpunten van de Unie voor het verdrag zijn opgesteld in overleg met de Groep justitiële samenwerking in strafzaken van de Raad (Copen).

Effectbeoordeling

Niet van toepassing.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Niet van toepassing.

Grondrechten

Het verdrag heeft tot doel het milieu te verbeteren, zoals vastgelegd in artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”), en dus ook het welzijn van de burgers, hetgeen een positieve impact heeft op het recht op leven (artikel 2 van het Handvest), het recht op lichamelijke integriteit (artikel 3), de zorg voor en het welzijn van kinderen (artikel 24), het recht op gezonde arbeidsomstandigheden (artikel 31) en het recht op toegang tot preventieve gezondheidszorg (artikel 35).

Het verdrag waarborgt de noodzaak en evenredigheid van elke inmenging in de bescherming van persoonsgegevens door ervoor te zorgen dat er passende waarborgen inzake gegevensbescherming worden toegepast op de overeenkomstig artikel 42 doorgegeven persoonsgegevens, in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving en internationale overeenkomsten.

Het verdrag heeft gevolgen voor de volgende grondrechten

de vrijheid van ondernemerschap door in artikel 34 de aansprakelijkheid van rechtspersonen vast te stellen en duidelijk te bepalen in welke gevallen een rechtspersoon aansprakelijk zal worden gesteld voor milieudelicten, en door in artikel 35, lid 2, te voorzien in sancties tegen rechtspersonen, die doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn, zodat wordt gewaarborgd dat elke inmenging in de vrijheid van ondernemerschap noodzakelijk en evenredig is;

het legaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen (artikel 49 van het Handvest) door in artikel 35 te voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende maatregelen, waarbij rekening wordt gehouden met de ernst van het delict, en door in artikel 31 te voorzien in bijzonder ernstige delicten en in artikel 36 in verzwarende omstandigheden;

het recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft (artikel 50 van het Handvest — ne bis in idem) door in artikel 37 te voorzien in de mogelijkheid om rekening te houden met door een andere partij opgelegde onherroepelijke straffen,

en moet door de partijen worden uitgevoerd en toegepast met inachtneming van deze rechten.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het verdrag beoogt dat niet-lidstaten financieel bijdragen aan de activiteiten van het Comité van de Partijen. Alle leden van de Raad van Europa dragen bij via de gewone begroting van de Raad van Europa overeenkomstig het Statuut van de Raad van Europa, maar partijen die geen lid zijn, leveren extrabudgettaire bijdragen. De bijdrage van een niet-lidstaat van de Raad van Europa wordt gezamenlijk door het Comité van Ministers en die niet-lidstaat vastgesteld.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Het verdrag voorziet in een toezichtmechanisme waarbij het Comité van de Partijen, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen, toezicht houdt op de uitvoering van het verdrag. Het comité zal ook het verzamelen, analyseren en uitwisselen van informatie, ervaringen en goede praktijken tussen de partijen vergemakkelijken en zal waar nodig ook de doeltreffende werking en uitvoering van het verdrag faciliteren en zal zich uitspreken over alle kwesties in verband met de toepassing ervan.

Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

Niet van toepassing.

Artikelsgewijze toelichting

In artikel 1 wordt het doel van het verdrag toegelicht.

In artikel 2 wordt het toepassingsgebied van het verdrag bepaald.

In artikel 3 zijn de definities van belangrijke termen van het verdrag opgenomen.

In artikel 4 staat dat het non-discriminatiebeginsel van toepassing is in het kader van het verdrag.

In artikel 5 wordt voorzien in een alomvattend en gecoördineerd beleid van de partijen bij het verdrag.

In artikel 6 wordt voorzien in de vaststelling en publicatie van een nationale strategie.

In artikel 7 wordt bepaald dat de partijen financiële en personele middelen toewijzen.

In artikel 8 wordt voorzien in de opleiding van professionals door de partijen.

In artikel 9 wordt de draagwijdte van gegevensverzameling en onderzoek toegelicht.

In artikel 10 wordt voorzien in de algemene verplichting uit hoofde van het verdrag om de nodige wetgevende of andere maatregelen te nemen ter voorkoming van de in het verdrag vastgestelde delicten.

In artikel 11 wordt voorzien in bewustmakingsmaatregelen.

In artikel 12 wordt voorzien in delicten in verband met wederrechtelijke verontreiniging.

In artikel 13 wordt voorzien in delicten in verband met het in de handel brengen van producten die in strijd zijn met milieuvoorschriften.

In artikel 14 wordt voorzien in delicten in verband met chemische stoffen.

In artikel 15 wordt voorzien in delicten in verband met radioactief materiaal of radioactieve stoffen.

In artikel 16 wordt voorzien in delicten in verband met kwik.

In artikel 17 wordt voorzien in delicten in verband met ozonafbrekende stoffen.

In artikel 18 wordt voorzien in delicten in verband met gefluoreerde broeikasgassen.

In artikel 19 wordt voorzien in delicten in verband met het wederrechtelijk inzamelen, verwerken, vervoeren, terugwinnen, verwijderen of overbrengen van afval.

In artikel 20 wordt voorzien in delicten in verband met het wederrechtelijk exploiteren of sluiten van een installatie waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht.

In artikel 21 wordt voorzien in delicten in verband met het wederrechtelijk exploiteren of sluiten van een installatie waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn.

In artikel 22 wordt voorzien in delicten in verband met het wederrechtelijk recyclen van schepen.

In artikel 23 wordt voorzien in delicten in verband met het lozen van verontreinigende stoffen vanaf schepen.

In artikel 24 wordt voorzien in delicten in verband met het wederrechtelijk onttrekken van oppervlaktewater of grondwater.

In artikel 25 wordt voorzien in delicten in verband met de handel in wederrechtelijk gekapt hout.

In artikel 26 wordt voorzien in delicten in verband met wederrechtelijke mijnbouw.

In artikel 27 wordt voorzien in delicten in verband met het wederrechtelijk doden, vernietigen, vangen en bezitten van beschermde, in het wild levende dieren of planten.

In artikel 28 wordt voorzien in delicten in verband met het wederrechtelijk verhandelen van beschermde, in het wild levende dieren of planten.

In artikel 29 wordt voorzien in delicten in verband met het wederrechtelijk schade toebrengen aan beschermde habitats.

In artikel 30 wordt voorzien in delicten in verband met invasieve uitheemse soorten.

In artikel 31 wordt bepaald wat als een bijzonder ernstig delict moet worden beschouwd.

In artikel 32 wordt voorzien in uitlokking, medeplichtigheid en poging.

In artikel 33 wordt bepaald in welke gevallen de partijen hun rechtsmacht met betrekking tot het verdrag vestigen.

In artikel 34 wordt voorzien in de aansprakelijkheid van rechtspersonen.

In artikel 35 wordt voorzien in sancties en maatregelen.

In artikel 36 wordt voorzien in verzwarende omstandigheden.

In artikel 37 wordt voorzien in de mogelijkheid om rekening te houden met eerdere door een andere partij opgelegde straffen.

In artikel 38 wordt voorzien in de inleiding en voortzetting van procedures.

In artikel 39 wordt een opsomming gegeven van gevallen waarin de partijen moeten overwegen personen en niet-gouvernementele organisaties het recht te verlenen om aan procedures deel te nemen.

In artikel 40 wordt voorzien in internationale samenwerking in strafzaken.

In artikel 41 wordt voorzien in de mogelijkheid om zonder voorafgaand verzoek informatie tussen de partijen door te geven.

In artikel 42 wordt bepaald dat de gegevensbeschermingsregels in de toepasselijke wetgeving en internationale overeenkomsten inzake de bescherming van persoonsgegevens moeten worden nageleefd.

In artikel 43 wordt voorzien in de status van het slachtoffer in het strafonderzoek en de strafprocedure.

In artikel 44 wordt voorzien in de bescherming van getuigen in het kader van het verdrag.

In artikel 45 wordt voorzien in de bescherming van personen die delicten melden of met justitie samenwerken in het kader van het verdrag.

In artikel 46 worden de samenstelling van het Comité van de Partijen en zijn interne procedures geregeld.

In artikel 47 wordt bepaald welke andere vertegenwoordigers er worden of kunnen worden aangewezen in het Comité van de Partijen.

In artikel 48 worden de taken van het Comité van de Partijen opgesomd.

Artikel 49 heeft betrekking op de verhouding tot andere bronnen van internationaal recht.

Artikel 50 heeft betrekking op wijzigingen van het verdrag.

In artikel 51 worden de gevolgen van het verdrag toegelicht.

In artikel 52 wordt voorzien in het mechanisme voor de beslechting van geschillen met betrekking tot het verdrag.

In artikel 53 wordt voorzien in de ondertekening en inwerkingtreding van het verdrag.

In artikel 54 wordt voorzien in de toetreding tot het verdrag.

Artikel 55 heeft betrekking op de territoriale toepassing van het verdrag.

In artikel 56 wordt voorzien in de mogelijkheid van voorbehouden met betrekking tot sommige bepalingen van het verdrag, met name de mogelijkheid voor organisaties voor regionale integratie om de draagwijdte van bepaalde verdragsrechtelijke termen te specificeren op basis van hun geharmoniseerde wetgeving.

In artikel 57 wordt voorzien in de opzegging van het verdrag.

In artikel 58 wordt bepaald in welke gevallen de secretaris-generaal van de Raad van Europa kennisgevingen moet doen.

·Tekst van het verdrag en kennisgevingen

De tekst van het verdrag wordt samen met dit voorstel aan de Raad voorgelegd.

De tekst van het voorbehoud wordt samen met dit voorstel ingediend.

Overeenkomstig de Verdragen is het aan de Commissie om namens de Unie over te gaan tot de in artikel 58 van het verdrag bedoelde kennisgeving, teneinde kenbaar te maken dat de Unie ermee instemt door het verdrag gebonden te zijn.

Overeenkomstig de Verdragen is het ook aan de Commissie om de in artikel 14, lid 2, artikel 20, lid 2, artikel 21, lid 2, artikel 26, lid 2, en artikel 29, lid 2, van het verdrag bedoelde kennisgevingen te doen.

2025/0244 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 83, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement( 11 ),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Overeenkomstig Besluit [XXX] van de Raad van [...]( 12 ) is het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (“het verdrag”) op [...] ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een latere datum.

(2)Het verdrag bevat bepalingen inzake doel en toepassingsgebied, juridische definities en terminologie, strafrechtelijke delicten, aansprakelijkheid van rechtspersonen, sancties en andere maatregelen, verzwarende en verzachtende omstandigheden, procedurele rechten en samenwerking, preventieve maatregelen en participatie van het maatschappelijk middenveld met betrekking tot milieucriminaliteit.

(3)Op 11 april 2024 hebben het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 83, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad( 13 ) vastgesteld, die in grote lijnen in overeenstemming is met het verdrag.

(4)Aangezien het toepassingsgebied en de materiële bepalingen van het verdrag grotendeels overlappen met Richtlijn (EU) 2024/1203, kan de sluiting van het verdrag gevolgen hebben voor gemeenschappelijke regels van de Unie of de strekking daarvan wijzigen in de zin van artikel 3, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Derhalve is de Unie exclusief extern bevoegd om het verdrag te sluiten.

(5)Om de verenigbaarheid van het verdrag met Richtlijn (EU) 2024/1203 te waarborgen, moet de Unie gebruikmaken van de in artikel 56, lid 3, van het verdrag geboden mogelijkheid om door middel van een voorbehoud de draagwijdte van de term “wederrechtelijk” en andere begrippen die worden gebruikt om strafrechtelijke delicten in het kader van het verdrag te definiëren, te specificeren.

(6)Het verdrag en het voorbehoud moeten worden goedgekeurd.

(7)[Overeenkomstig artikel 3 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft Ierland [bij brief van...] te kennen gegeven dat het aan de vaststelling en toepassing van dit besluit wenst deel te nemen.] of [Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt Ierland niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op Ierland.]

(8)Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken.

(9)De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad 14 en heeft op XXXX een advies uitgebracht 15 ,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht wordt hierbij goedgekeurd( 16 ).

Artikel 2

Het voorbehoud wordt hierbij goedgekeurd( 17 ).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op […]( 18 ).

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1) ()    UNEP-INTERPOL, Rapid Response Assessment: The Rise of Environmental Crime, juni 2016.
(2) ()    Verdrag inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht, ETS nr. 172, aangenomen op 4 november 1998.
(3) ()    Haalbaarheidsstudie over de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht, CDPC(2021)9-Fin.
(4) ()    Europees Comité voor strafrechtelijke vraagstukken (CDPC) — mandaat van het Comité van deskundigen voor de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PC-ENV), CM(2022) 148-add2final.
(5) ()    Besluit (EU) 2023/2170 van de Raad van 28 september 2023 tot machtiging van de Europese Commissie om namens de Europese Unie deel te nemen aan onderhandelingen over een verdrag van de Raad van Europa dat in de plaats treedt van het Verdrag inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (ETS nr. 172) van 1998, PB L, 2023/2170, 16.10.2023, ELI:. http://data.europa.eu/eli/dec/2023/2170/oj.
(6) ()    De onderhandelingsrondes vonden plaats van 16 tot en met 18 oktober 2023, 27 tot en met 29 februari 2024 en 4 tot en met 7 juni 2024.
(7) ()    Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
(8) ()    Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.
(9) ()    Zaak C-114/12, Commissie/Raad, ECLI:EU:C:2014:2151, punten 69 en 70.
(10) ()    Advies 1/13 van 14 oktober 2014, ECLI:EU:C:2014:2303, punt 74.
(11) ()    Goedkeuring bekendgemaakt in PB L [...].
(12) ()    PB L […] van […], blz. […].
(13) ()    Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG, PB L, 2024/1203, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1203/oj.
(14) ()    Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39; ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj ).
(15) ()    PB C […] van […], blz. […].
(16) ()    De tekst van het verdrag is bekendgemaakt in PB L, […].
(17) ()    Het voorbehoud is bekendgemaakt in PB L, [...].
(18) ()    De datum van inwerkingtreding van het verdrag wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Top

Brussel, 29.7.2025

COM(2025) 434 final

BIJLAGEN

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht


BIJLAGE 1

COMITÉ VAN MINISTERS

CM-documenten

CM(2025) 52-final

14 mei 2025

134e zitting van het Comité van Ministers

(Luxemburg, 13-14 mei 2025)

Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

Preambule

De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die dit Verdrag hebben ondertekend,

Herinnerend aan de verklaring van Reykjavik, die is aangenomen op de 4e top van staatshoofden en regeringsleiders van de Raad van Europa (Reykjavik, 16-17 mei 2023) en waarin de staatshoofden en regeringsleiders van de Raad van Europa zich ertoe hebben verbonden hun werkzaamheden in de Raad van Europa met betrekking tot de mensenrechtenaspecten van het milieu te intensiveren, de uitdagingen in kaart te brengen die de drievoudige planetaire crisis van vervuiling, klimaatverandering en verlies van biodiversiteit met zich meebrengt voor de mensenrechten en bij te dragen aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke antwoorden daarop;

Herinnerend aan het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (ETS nr. 5, 1950) en de bijbehorende protocollen, het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa (ETS nr. 104, 1979) en het Landschapsverdrag van de Raad van Europa (ETS nr. 176 van 2000);

Gezien het Europees Verdrag betreffende uitlevering (ETS nr. 24, 1957) en de bijbehorende protocollen, het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (ETS nr. 30, 1959) en de bijbehorende protocollen, het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (ETS nr. 70, 1970), het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging (ETS nr. 73, 1972), het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie (ETS nr. 173, 1999), het Verdrag inzake cybercriminaliteit (ETS nr. 185, 2001) en de bijbehorende protocollen, en het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme (CETS nr. 198, 2005);

Gezien het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108, 1981) en het Protocol tot wijziging van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (CETS nr. 223, 2018);

Herinnerend aan de volgende aanbevelingen van het Comité van Ministers aan de lidstaten van de Raad van Europa: Aanbeveling nr. R (88) 18 betreffende de aansprakelijkheid van ondernemingen met rechtspersoonlijkheid voor delicten die zijn gepleegd bij de uitoefening van hun activiteiten, Aanbeveling nr. R (96) 8 over het criminaliteitsbeleid in Europa in een tijd van verandering, Aanbeveling Rec(2001)11 inzake richtsnoeren ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, Aanbeveling CM/Rec(2014)7 over de bescherming van klokkenluiders, Aanbeveling CM/Rec(2022)9 over de bescherming van getuigen en personen die met justitie samenwerken en Aanbeveling CM/Rec(2022)20 over de mensenrechten en de bescherming van het milieu;

Herinnerend aan Resolutie (77) 28 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa over de rol van het strafrecht bij de bescherming van het milieu;

Herinnerend aan Resolutie 2398 (2021) en Aanbeveling 2213 (2021) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (“Aanpak van strafrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheidskwesties in de context van klimaatverandering”), Resolutie 2477 (2023) en Aanbeveling 2246 (2023) (“Milieueffect van gewapende conflicten”) en Aanbeveling 2272 (2024) (“Mainstreaming van het mensenrecht op een veilig, schoon, gezond en duurzaam milieu in het proces van Reykjavik”), waarin wordt opgeroepen tot de erkenning van ecocide, een begrip dat reeds is opgenomen in de wetgeving van bepaalde lidstaten van de Raad van Europa en op internationaal niveau wordt besproken;

Rekening houdend met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin belangrijke normen zijn vastgelegd met betrekking tot de bescherming van de mensenrechten en het milieu;

Indachtig Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG;

Indachtig het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (1992) en het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (1998);

Indachtig het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (2000) en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (2003);

Indachtig de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites) (1973) en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit (1992);

Indachtig het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol, 1973) en de bijbehorende protocollen, het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas-Verdrag, 1974), het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos, 1982), het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren (1992) en het Internationaal Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuvriendelijk recyclen van schepen (2009);

Indachtig het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal en de wijziging daarvan (1979), het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (1979), het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken (1987), het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (1989), het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband (1991), het Verdrag inzake nucleaire veiligheid (1994), het Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval (1997), het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (2001) en het Verdrag van Minamata inzake kwik (2013);

Herinnerend aan de beginselen van de Verklaring van de Conferentie der Verenigde Naties inzake het Leefmilieu (1972) en de Verklaring van Rio van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling (1992);

Herinnerend aan de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen tijdens de 21e Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) op 12 december 2015 en is opengesteld voor ondertekening op 22 april 2016, het Klimaatpact van Glasgow, dat is aangenomen op de COP26, het resultaat van de eerste algemene inventarisatie, die is aangenomen op de COP28 en het Mondiaal Biodiversiteitskader van Kunming-Montreal, dat op 18 december 2022 is aangenomen door de partijen bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit;

Herinnerend aan de volgende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties: A/RES/75/196 van 16 december 2020, met als titel “Versterking van het programma van de Verenigde Naties betreffende misdaadpreventie en strafrechtspleging, met name van de technische samenwerkingscapaciteit daarvan”, A/RES/76/185 van 16 december 2021, met als titel “Preventie en bestrijding van milieudelicten”, A/RES/76/300 van 28 juli 2022, met als titel “Het mensenrecht op een schoon, gezond en duurzaam milieu” en A/RES/77/325 van 25 augustus 2023, met als titel “Bestrijding van de illegale handel in wilde dieren en planten”;

Herinnerend aan de volgende resoluties van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties: Resolutie 2013/40 van 25 juli 2013 (“Misdaadpreventie en strafrechtelijke bestrijding van de illegale handel in beschermde, in het wild levende dier- en plantensoorten”), Resolutie 2008/25 van 24 juli 2008 (“Internationale samenwerking bij het voorkomen en bestrijden van de illegale internationale handel in bosbouwproducten, met inbegrip van hout, wilde dieren en planten en andere uit bossen afkomstige biologische rijkdommen”) en Resolutie 1996/10 van 23 juli 1996 (“De rol van het strafrecht bij de bescherming van het milieu”);

Herinnerend aan de Verklaring van Kyoto inzake het verbeteren van misdaadpreventie, strafrecht en de rechtsstaat: naar het verwezenlijken van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die is aangenomen op het 14e congres van de Verenigde Naties over misdaadpreventie en strafrecht, dat is gehouden in Kyoto, Japan, van 7 tot en met 12 maart 2021;

Herinnerend aan de volgende resoluties van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad: Resolutie 11/3 van oktober 2022, met als titel “Resultaten van de gezamenlijke thematische bespreking van de werkgroep van regeringsdeskundigen inzake technische bijstand en de werkgroep inzake internationale samenwerking bij de toepassing van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, ter voorkoming en bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde milieucriminaliteit”, Resolutie 31/1 van mei 2022 van de Commissie Misdaadpreventie en Strafrecht, met als titel “Versterking van het internationale rechtskader voor internationale samenwerking ter voorkoming en bestrijding van de illegale handel in wilde dieren en planten” en Resolutie 10/6 van oktober 2020, met als titel “Voorkoming en bestrijding van milieumisdrijven die onder het toepassingsgebied van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad vallen”;

Erkennende de primaire rol en verantwoordelijkheid van staten bij het bepalen van hun beleid en strategieën ter voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit;

Rekening houdend met het bestaande onderzoek naar de kosten van milieucriminaliteit;

Erkennende dat activiteiten van georganiseerde milieucriminaliteit de inspanningen van staten om het milieu te beschermen, de rechtsstaat te bevorderen en duurzame ontwikkeling tot stand te brengen, belemmeren en ondermijnen;

Erkennende dat milieucriminaliteit een negatief effect heeft op economieën, volksgezondheid, menselijke veiligheid, voedselzekerheid, bestaansmiddelen en habitats;

Erkennende de fundamentele rol van doeltreffende internationale samenwerking bij de voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit en in dit verband het belang erkennende van het aanpakken van en het doeltreffend reageren op internationale uitdagingen en belemmeringen die een dergelijke samenwerking in de weg staan;

Tevens erkennende dat andere relevante belanghebbenden, waaronder de private sector, het maatschappelijk middenveld, niet-gouvernementele organisaties, de media, de academische wereld en de wetenschappelijke gemeenschap, een belangrijke bijdrage leveren aan de voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit;

Tevens erkennende dat het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van niet-gouvernementele milieuorganisaties, op het gebied van milieubescherming een belangrijke rol speelt bij de publieke bewustwording van milieukwesties en de voorkoming en opsporing van milieudelicten;

Erkennende het belang van passende zorgvuldigheid door rechtspersonen teneinde de bescherming van het milieu te waarborgen en milieudelicten te voorkomen;

Erkennende dat milieucriminaliteit in toenemende mate extraterritoriale gevolgen heeft en de vorm aanneemt van internationale illegale handel, hetgeen, in combinatie met de versnelde achteruitgang van het milieu (klimaatverandering, erosie van de biodiversiteit, uitputting van natuurlijke hulpbronnen, vernietiging van habitats enz.), het noodzakelijk maakt algemene minimumnormen in het strafrecht vast te stellen als onderdeel van een gemeenschappelijk en op samenwerking gebaseerd internationaal kader;

Erkennende dat milieucriminaliteit vele vormen kan aannemen, die in de wetgeving op duidelijke, doeltreffende en evenredige wijze moeten worden geïdentificeerd, gedefinieerd en strafbaar gesteld, met volledige inachtneming van het legaliteitsbeginsel;

Erkennende dat bepaalde onder dit Verdrag vallende opzettelijke gedragingen bijzonder ernstige schade aan het milieu kunnen toebrengen en dus als bijzonder ernstige delicten moeten worden beschouwd;

Zijn het volgende overeengekomen:

Hoofdstuk I – Doel, toepassingsgebied, definities en non-discriminatie

Artikel 1 – Doelstellingen van het Verdrag

1.De doelstellingen van dit Verdrag zijn:

(a)het doeltreffend voorkomen en bestrijden van milieucriminaliteit;

(b)het bevorderen en versterken van nationale en internationale samenwerking bij de bestrijding van milieucriminaliteit;

(c)het vaststellen van minimumvoorschriften als richtsnoer voor staten in hun nationale wetgeving;

en aldus de bescherming van het milieu bevorderen en verbeteren.

2.Met het oog op de doeltreffende uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag door de partijen wordt een specifiek toezichtsmechanisme ingesteld.

Artikel 2 – Toepassingsgebied van het Verdrag

1.Dit Verdrag is van toepassing op het voorkomen, opsporen, onderzoeken, vervolgen en bestraffen van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven strafrechtelijke delicten.

2.Dit Verdrag is van toepassing in vredestijd en in situaties van gewapend conflict, oorlog of bezetting.

Artikel 3 – Definities

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

(a)“wederrechtelijk”: een schending van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of besluiten van bevoegde autoriteiten, gericht op de bescherming van het milieu. Zelfs wanneer gedragingen worden begaan uit hoofde van een machtiging van een bevoegde autoriteit van een partij, zijn ze wederrechtelijk wanneer die machtiging op frauduleuze wijze of door middel van corruptie, afpersing of dwang is verkregen;

(b)“water”: alle oppervlaktewatercategorieën, waaronder rivieren, meren, overgangswateren, kustwateren, alle grondwaterlichamen en alle mariene wateren, waaronder oceanen en zeeën;

(c)“ecosysteem”: een dynamisch complex van gemeenschappen van planten, schimmels, dieren en micro-organismen en hun niet-levende omgeving die met hun wisselwerkingen een functionele eenheid vormen. Het omvat habitattypen, habitats van soorten en soortenpopulaties;

(d)“afval”: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Artikel 4 – Non-discriminatiebeginsel

De uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag door de partijen wordt gewaarborgd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, huidskleur, taal, leeftijd, godsdienst, politieke of andere opvatting, nationale of sociale afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, seksuele geaardheid, gezondheidstoestand, handicap of andere status.

Hoofdstuk II – Geïntegreerd beleid en gegevensverzameling

Artikel 5 – Alomvattend en gecoördineerd beleid

1.De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om een doeltreffend, alomvattend en gecoördineerd beleid vast te stellen en uit te voeren dat passende maatregelen omvat ter voorkoming en bestrijding van het plegen van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten.

2.De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om passende mechanismen in te stellen voor coördinatie en samenwerking op strategisch en operationeel niveau tussen al hun bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij de voorkoming en bestrijding van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten. Dergelijke mechanismen zijn gericht op:

(a)het waarborgen van een gemeenschappelijk begrip van de relatie tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving, alsmede het vaststellen van gemeenschappelijke prioriteiten en praktijken;

(b)het uitwisselen van informatie voor strategische en operationele doeleinden binnen de grenzen van het nationale recht, met inbegrip van gegevensbeschermingsregels, en

(c)het uitwisselen van beste praktijken.

3.De partijen overwegen een of meer officiële instanties aan te wijzen of op te richten die verantwoordelijk zijn voor de coördinatie, uitvoering, monitoring en evaluatie van beleid en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van het plegen van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, rekening houdend met hun constitutionele tradities, rechtsstelsels en nationale omstandigheden.

4.Bij de op grond van dit artikel genomen maatregelen worden alle relevante actoren betrokken, zoals overheidsinstanties, nationale, regionale en lokale parlementen en autoriteiten, met inbegrip van de rechterlijke macht, officieren van justitie, rechtshandhavingsinstanties en, in voorkomend geval, niet-gouvernementele organisaties en andere relevante organisaties en entiteiten.

5.De partijen overwegen gespecialiseerde onderzoekseenheden, officieren van justitie en rechters aan te wijzen voor de preventie, het onderzoek, de vervolging en de berechting van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, rekening houdend met hun constitutionele tradities, rechtsstelsels en nationale omstandigheden en met inachtneming van de regels inzake de status en taken van beoefenaars van juridische beroepen.

Artikel 6 – Nationale strategie

De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om een nationale strategie ter voorkoming en bestrijding van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten vast te stellen en bekend te maken, die gericht is op:

(a)de doelstellingen en prioriteiten van het nationale beleid op dit gebied;

(b)de rol en verantwoordelijkheden van de bevoegde autoriteiten;

(c)de benodigde middelen en de wijze waarop specialisatie van beroepsbeoefenaars op het gebied van handhaving zal worden ondersteund;

(d)regelingen om regelmatig te evalueren of de doelstellingen van deze nationale strategie zijn verwezenlijkt, en

(e)de bijstand van internationale netwerken die zich bezighouden met aangelegenheden die rechtstreeks verband houden met de voorkoming en bestrijding van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten en daarmee verband houdende inbreuken. 

Artikel 7 – Middelen

De partijen wijzen passende financiële en personele middelen toe ter voorkoming en bestrijding van het plegen van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten.

Artikel 8 – Opleiding van beroepsbeoefenaars

1.De partijen zorgen voor een passende en regelmatige multidisciplinaire, technische en juridische opleiding voor de relevante beroepsbeoefenaars die betrokken zijn bij het voorkomen, opsporen, onderzoeken, vervolgen en berechten van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, met inachtneming van de regels inzake de status en taken van beoefenaars van juridische beroepen.

2.De partijen moedigen aan dat er in de in lid 1 van dit artikel bedoelde opleiding ook aandacht wordt besteed aan gecoördineerde samenwerking tussen verschillende instanties, zodat de doorverwijzing bij zaken betreffende in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten alomvattend is en adequaat verloopt.

Artikel 9 – Gegevensverzameling en onderzoek

1.Met het oog op de uitvoering van dit Verdrag verbinden de partijen zich ertoe:

(a)op gezette tijden relevante statistische gegevens te verzamelen over zaken betreffende in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, en

(b)onderzoek op het gebied van milieucriminaliteit te bevorderen, teneinde de onderliggende oorzaken en gevolgen ervan, de frequentie en de veroordelingspercentages alsmede de doeltreffendheid van de ter uitvoering van dit Verdrag genomen maatregelen te bestuderen.

2.De partijen verstrekken het in artikel 46 van dit Verdrag bedoelde Comité van de Partijen de uit hoofde van dit artikel verzamelde informatie.

3.De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de uit hoofde van dit artikel verzamelde informatie voor het publiek beschikbaar is.

Hoofdstuk III – Preventie

Artikel 10 – Algemene verplichtingen

De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te voorkomen dat een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict wordt gepleegd door een natuurlijke of rechtspersoon, in voorkomend geval in samenwerking met het maatschappelijk middenveld en niet-gouvernementele organisaties.

Artikel 11 – Bewustwording

1.De partijen nemen de maatregelen die nodig zijn om voorlichtings- en bewustwordingscampagnes over de voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit te bevorderen of te organiseren, waar nodig in samenwerking met het maatschappelijk middenveld en niet-gouvernementele organisaties.

2.De partijen nemen de maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor een brede verspreiding onder het publiek van informatie over maatregelen die beschikbaar zijn om de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten te voorkomen.

Hoofdstuk IV – Materieel strafrecht

Afdeling 1 – Verontreiniging, producten en stoffen

Artikel 12 – Delicten in verband met wederrechtelijke verontreiniging

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het lozen, uitstoten of anderszins brengen van een hoeveelheid materialen of stoffen, energie of ioniserende straling in de lucht, de bodem of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem, water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt.

Artikel 13 – Delicten in verband met het in de handel brengen van producten die in strijd zijn met milieuvoorschriften

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het in de handel brengen, in strijd met een verbod of een ander voorschrift ter bescherming van het milieu, van een product waarvan het gebruik resulteert in het lozen, uitstoten of anderszins brengen van een hoeveelheid materialen of stoffen, energie of ioniserende straling in de lucht, de bodem of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, water of bodem of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt, waarbij het gaat om het gebruik van het product op grotere schaal, namelijk het gebruik van het product door meerdere gebruikers, ongeacht hun aantal.

Artikel 14 – Delicten in verband met chemische stoffen

1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het vervaardigen, in de handel brengen of op de markt aanbieden, invoeren, uitvoeren of gebruiken van gereguleerde chemische stoffen, als zodanig of in mengsels of voorwerpen, met inbegrip van de verwerking ervan in voorwerpen, wanneer dergelijke gedragingen krachtens het nationale recht ter bescherming van het milieu verboden zijn en de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.

2.De partijen kunnen beslissen welke nationale bepalingen ze onder lid 1 van dit artikel laten vallen en deze ter kennis brengen van het Secretariaat.

Artikel 15 – Delicten in verband met radioactief materiaal of radioactieve stoffen

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het vervaardigen, produceren, bewerken, hanteren, gebruiken, voorhanden hebben, opslaan, vervoeren, invoeren, uitvoeren of verwijderen van radioactief materiaal of radioactieve stoffen, wanneer dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.

Artikel 16 – Delicten in verband met kwik

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het vervaardigen, gebruiken, opslaan, invoeren of uitvoeren van kwik, kwikverbindingen, mengsels van kwik en kwikhoudende producten, wanneer dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.

Artikel 17 – Delicten in verband met ozonafbrekende stoffen

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het produceren, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren, gebruiken of doen vrijkomen van ozonafbrekende stoffen, dan wel het produceren, in de handel brengen, invoeren of uitvoeren van producten en apparaten die ozonafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor hun werking.

Artikel 18 – Delicten in verband met gefluoreerde broeikasgassen

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het produceren, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren, gebruiken of doen vrijkomen van gefluoreerde broeikasgassen, dan wel het in de handel brengen of invoeren van producten en apparaten die gefluoreerde broeikasgassen bevatten of nodig hebben voor hun werking.

Afdeling 2 – Afval

Artikel 19 – Delicten in verband met het wederrechtelijk inzamelen, verwerken, vervoeren, hergebruiken, verwijderen of overbrengen van afvalstoffen

1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het inzamelen, verwerken, vervoeren, hergebruiken of verwijderen van afvalstoffen, het bedrijfstoezicht op dergelijke procedures en de nazorg voor verwijderingslocaties, met inbegrip van de handelingen die door handelaren of makelaars worden verricht (afvalbeheer), wanneer dergelijke gedragingen:

(a)betrekking hebben op gevaarlijke afvalstoffen zoals gedefinieerd overeenkomstig het nationale recht en een niet-verwaarloosbare hoeveelheid betreffen, of

(b)betrekking hebben op andere afvalstoffen dan die bedoeld in lid 1, punt a), van dit artikel en de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.

2.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen wanneer het een niet-verwaarloosbare hoeveelheid betreft en ongeacht of de overbrenging tot stand komt door één enkel transport dan wel door meerdere, kennelijk met elkaar in verband staande transporten.

Afdeling 3 – Installaties

Artikel 20 – Delicten in verband met het wederrechtelijk exploiteren of sluiten van een installatie waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht

1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het exploiteren of sluiten van een installatie waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht, wanneer dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.

2.De partijen kunnen beslissen welke nationale bepalingen ze onder lid 1 van dit artikel laten vallen en deze ter kennis brengen van het Secretariaat.

Artikel 21 – Delicten in verband met het wederrechtelijk exploiteren of sluiten van een installatie waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn

1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het exploiteren of sluiten van een installatie waar gevaarlijke stoffen of mengsels worden opgeslagen of gebruikt, wanneer dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.

2.De partijen kunnen beslissen welke nationale bepalingen ze onder lid 1 van dit artikel laten vallen en deze ter kennis brengen van het Secretariaat.

Afdeling 4 – Schepen

Artikel 22 – Delicten in verband met het wederrechtelijk recyclen van schepen

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het verzuim van een eigenaar van een schip om te voldoen aan de toepasselijke voorschriften die vereisen dat een schip wordt gerecycled in scheepsrecyclinginrichtingen die aan de vereiste milieunormen voldoen.

Artikel 23 – Delicten in verband met het lozen van verontreinigende stoffen vanaf schepen

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het lozen van verontreinigende stoffen vanaf schepen, wanneer dergelijke gedragingen een verslechtering van de waterkwaliteit of schade aan het mariene milieu veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.

Afdeling 5 – Natuurlijke hulpbronnen

Artikel 24 – Delicten in verband met het wederrechtelijk onttrekken van oppervlaktewater of grondwater

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: de onttrekking van oppervlaktewater of grondwater die aanzienlijke schade aan de ecologische toestand of het ecologisch potentieel van oppervlaktewaterlichamen of aan de kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen veroorzaakt dan wel dreigt te veroorzaken.

Artikel 25 – Delicten in verband met de handel in wederrechtelijk gekapt hout

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het in de handel brengen van wederrechtelijk gekapt hout of van producten van dergelijk hout, tenzij deze gedragingen betrekking hebben op een verwaarloosbare hoeveelheid.

Artikel 26 – Delicten in verband met wederrechtelijke mijnbouw

1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: mijnbouwactiviteiten waarvoor krachtens het nationale recht een milieueffectbeoordeling of een gelijkwaardige milieuprocedure vereist is, wanneer ze worden ondernomen zonder de krachtens het nationale recht vereiste wettelijke vergunning betreffende milieuaspecten en wanneer ze de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.

2.De partijen kunnen beslissen welke nationale bepalingen ze onder lid 1 van dit artikel laten vallen en deze ter kennis brengen van het Secretariaat.

Afdeling 6 – Biodiversiteit

Artikel 27 – Delicten in verband met het wederrechtelijk doden, vernietigen, vangen en bezitten van beschermde, in het wild levende dieren of planten

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het doden, vernietigen, vangen of bezitten van een specimen of specimens van beschermde, in het wild levende dier- of plantensoorten, met inbegrip van het vangen of bezitten van delen of afgeleide producten van die specimens, tenzij deze gedragingen betrekking hebben op een verwaarloosbare hoeveelheid van die specimens, in voorkomend geval rekening houdend met de staat van instandhouding van de betrokken soort.

Artikel 28 – Delicten in verband met het wederrechtelijk verhandelen van beschermde, in het wild levende dieren of planten

1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het verkopen of te koop aanbieden van een specimen of specimens van beschermde, in het wild levende dier- of plantensoorten of delen of afgeleide producten daarvan, tenzij deze gedragingen betrekking hebben op een verwaarloosbare hoeveelheid van die specimens, in voorkomend geval rekening houdend met de staat van instandhouding van de betrokken soort.

2.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het grensoverschrijdend verhandelen van specimens van beschermde, in het wild levende dier- of plantensoorten of delen of afgeleide producten daarvan, tenzij deze gedragingen betrekking hebben op een verwaarloosbare hoeveelheid van die specimens, in voorkomend geval rekening houdend met de staat van instandhouding van de betrokken soort.

Artikel 29 – Delicten in verband met het wederrechtelijk schade toebrengen aan beschermde habitats

1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het schade toebrengen aan een beschermde habitat of het verstoren van beschermde diersoorten in een beschermingszone, zoals gedefinieerd in het nationale recht, wanneer die schade of verstoring aanzienlijk is.

2.De partijen kunnen beslissen welke beschermde habitats en beschermde diersoorten ze onder lid 1 van dit artikel laten vallen en deze ter kennis brengen van het Secretariaat.

Artikel 30 – Delicten in verband met invasieve uitheemse soorten

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het binnenbrengen op het nationale grondgebied, het in de handel brengen, het houden, fokken, vervoeren, gebruiken, uitwisselen, het toestaan te reproduceren, te doen groeien of te telen, het in het milieu brengen of verspreiden van invasieve uitheemse soorten die in het nationale recht zijn aangemerkt als soorten die zorgwekkend zijn voor het milieu, wanneer dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.

Afdeling 7 – Bijzonder ernstig delict

Artikel 31 – Bijzonder ernstig delict

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict als een bijzonder ernstig delict te omschrijven wanneer het opzettelijk wordt gepleegd en vernietiging of onomkeerbare, wijdverbreide en aanzienlijke schade veroorzaakt, of langdurige, wijdverbreide en aanzienlijke schade toebrengt aan een ecosysteem van aanzienlijke omvang of milieuwaarde, of aan een beschermde habitat, of aan de kwaliteit van lucht, bodem of water.

Afdeling 8 – Algemene bepalingen van strafrecht

Artikel 32 – Uitlokking, medeplichtigheid en poging

1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om als delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het uitlokken van of medeplichtig zijn aan het plegen van een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict.

2.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om als delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: de poging tot het plegen van delicten omschreven in overeenstemming met de artikelen 12 tot en met 21, de artikelen 23, 24 en 25, artikel 28, lid 2, en artikel 30 van dit Verdrag.

3.De partijen overwegen de wetgevende maatregelen te nemen die nodig zijn om als delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: de poging tot het plegen van delicten omschreven in overeenstemming met artikel 27 en artikel 28, lid 1, van dit Verdrag.

Artikel 33 – Rechtsmacht

1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om rechtsmacht te vestigen met betrekking tot een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict, wanneer dit delict is gepleegd:

(a)op hun grondgebied;

(b)aan boord van een schip dat onder hun vlag vaart;

(c)aan boord van een overeenkomstig hun wetgeving ingeschreven luchtvaartuig, of

(d)door een van hun onderdanen.

2.De partijen overwegen de wetgevende maatregelen te nemen die nodig zijn om rechtsmacht te vestigen met betrekking tot een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict, wanneer dit delict is gepleegd tegen een van hun onderdanen.

3.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om rechtsmacht te vestigen met betrekking tot een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict, wanneer de vermoedelijke dader zich op hun grondgebied bevindt en uitsluitend op grond van zijn of haar nationaliteit niet aan een andere staat kan worden uitgeleverd.

4.Wanneer meer dan een partij rechtsmacht opeist met betrekking tot een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven vermeend delict, raadplegen de betrokken partijen, wanneer dat passend is, elkaar teneinde te bepalen wier rechtsmacht het meest geëigend is ten behoeve van strafvervolging.

5.Onverminderd de algemene normen van het internationale recht, sluit dit Verdrag geen enkele rechtsmacht uit in strafzaken die een partij in overeenstemming met haar nationale recht uitoefent.

Artikel 34 – Aansprakelijkheid van rechtspersonen

1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld voor de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, wanneer deze te zijnen voordele zijn gepleegd door een natuurlijke persoon die, handelend in eigen persoon of als lid van een orgaan van de rechtspersoon, in de rechtspersoon een leidende positie bekleedt, gebaseerd op:

(a)de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;

(b)de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of

(c)de bevoegdheid om bij de rechtspersoon controle uit te oefenen.

2.Afgezien van de in lid 1 van dit artikel bedoelde gevallen, nemen de partijen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld, wanneer ten gevolge van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle door een in lid 1 van dit artikel bedoelde natuurlijke persoon een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict kon worden gepleegd ten voordele van die rechtspersoon door een onder het gezag daarvan handelende natuurlijke persoon.

3.Met inachtneming van de rechtsbeginselen van de partij, kan deze aansprakelijkheid van rechtspersonen strafrechtelijk, civielrechtelijk of bestuursrechtelijk zijn.

4.Deze aansprakelijkheid geldt onverminderd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke personen die de delicten hebben gepleegd.

Artikel 35 – Sancties en maatregelen

1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten die worden gepleegd door natuurlijke personen, worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, rekening houdend met de ernst van de delicten. De mogelijke sancties omvatten vrijheidsstraffen en kunnen ook geldboetes omvatten.

2.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat aan een rechtspersoon die overeenkomstig artikel 34 aansprakelijk wordt gesteld, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties kunnen worden opgelegd, die strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke geldboetes omvatten en ook andere maatregelen kunnen omvatten, zoals:

(a)het verbod om commerciële activiteiten uit te oefenen;

(b)uitsluiting van door de overheid verleende voordelen of steun;

(c)uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering, met inbegrip van aanbestedingsprocedures, subsidies en concessies, en intrekking van vergunningen en machtigingen;

(d)plaatsing onder rechterlijk toezicht;

(e)een rechterlijk bevel tot ontbinding;

(f)opschorting, intrekking of annulering van vergunningen of machtigingen voor de uitoefening van activiteiten die hebben geleid tot het betrokken strafrechtelijk delict;

(g)wanneer er sprake is van een algemeen belang, de publicatie van de rechterlijke beslissing — in haar geheel of een gedeelte ervan — die verband houdt met het betrokken milieudelict, onverminderd de regels inzake de privacy en de bescherming van persoonsgegevens, of

(h)een verplichting om de naleving van milieunormen op basis van zorgvuldig onderzoek te verbeteren.

3.De partijen nemen in de ruimst mogelijke mate binnen hun nationale rechtsstelsels de wetgevende en andere maatregelen die nodig kunnen zijn om de bevriezing, inbeslagneming en confiscatie mogelijk te maken van:

(a)hulpmiddelen, dat wil zeggen alle goederen die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt om een of meer in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten te plegen, en

(b)opbrengsten van misdrijven die zijn verkregen uit in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten of goederen waarvan de waarde overeenkomt met die opbrengsten.

4.De partijen overwegen overeenkomstig hun nationale recht de wetgevende en andere maatregelen te nemen die nodig zijn om onder de sancties en maatregelen die van toepassing zijn op natuurlijke personen en rechtspersonen, het herstel van het milieu op te nemen, overeenkomstig de volgende bepalingen:

(a)de bevoegde autoriteit kan onder bepaalde voorwaarden herstel van het milieu bevelen met betrekking tot een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict, en

(b)de bevoegde autoriteit kan een bevel tot herstel van het milieu waaraan niet is voldaan, doen uitvoeren voor rekening van de persoon tot wie het bevel is gericht, of kan deze persoon, in plaats daarvan of in aanvulling daarop, onderwerpen aan andere strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties.

Artikel 36 – Verzwarende omstandigheden

1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat een of meer van de volgende omstandigheden, voor zover deze niet reeds tot de bestanddelen van het delict behoren, in aanmerking kunnen worden genomen, overeenkomstig de relevante bepalingen van het nationale recht, als verzwarende omstandigheden bij het bepalen van de sancties met betrekking tot de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten:

(a)het delict heeft ernstige en wijdverbreide, of ernstige en langdurige, of ernstige en onomkeerbare schade toegebracht aan een ecosysteem;

(b)het delict is gepleegd in het kader van een criminele organisatie;

(c)bij het delict werden valse of vervalste documenten gebruikt door de dader;

(d)het delict werd gepleegd door een overheidsfunctionaris of door een overheidsfunctionaris bij de uitvoering van zijn of haar taken;

(e)de dader is eerder onherroepelijk veroordeeld voor in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, of

(f)het delict heeft aanzienlijk financieel voordeel opgeleverd, zou naar verwachting aanzienlijk financieel voordeel opleveren of heeft aanzienlijke uitgaven voorkomen, direct of indirect, voor zover dergelijke voordelen of uitgaven kunnen worden vastgesteld.

2.De in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde verzwarende omstandigheid is niet van toepassing op het in artikel 31 van dit Verdrag bedoelde delict.

Artikel 37 – Door een andere partij gewezen eerdere vonnissen

De partijen overwegen de wetgevende maatregelen te nemen die nodig zijn om te voorzien in de mogelijkheid om bij het bepalen van de sancties rekening te houden met onherroepelijke vonnissen die door een andere partij zijn gewezen met betrekking tot de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten.

Hoofdstuk V – Onderzoek, vervolging en procesrecht

Artikel 38 – Inleiding en voortzetting van procedures

De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat het onderzoek naar of de vervolging van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, niet afhankelijk is van een klacht en dat de procedure kan worden voortgezet zelfs wanneer de klacht wordt ingetrokken.

Artikel 39 – Recht om deel te nemen aan een procedure

De partijen overwegen overeenkomstig hun nationale recht de wetgevende en andere maatregelen te nemen die nodig zijn om personen die een voldoende belang hebben bij of stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, alsmede niet-gouvernementele organisaties die milieubescherming bevorderen, het recht te verlenen deel te nemen aan strafrechtelijke procedures met betrekking tot in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, voor zover die procedurele rechten voor dergelijke personen en organisaties bestaan in de nationale rechtsstelsels van de partijen in procedures betreffende andere strafrechtelijke delicten, bijvoorbeeld als civiele partij.

Hoofdstuk VI – Internationale samenwerking

Artikel 40 – Internationale samenwerking in strafzaken

1.De partijen werken, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en door toepassing van relevante toepasselijke internationale en regionale instrumenten voor samenwerking in strafzaken, regelingen die zijn overeengekomen op basis van uniforme of wederkerige wetgeving en hun nationale recht, in zo ruim mogelijke mate met elkaar samen ten behoeve van:

(a)het voorkomen, bestrijden en vervolgen van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, met inbegrip van bevriezing, inbeslagneming en confiscatie;

(b)het beschermen van en het verlenen van bijstand aan getuigen en personen die een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict melden en samenwerken met justitie;

(c)het voeren van onderzoeken of procedures met betrekking tot de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, en

(d)het ten uitvoer leggen van relevante strafrechtelijke vonnissen van de gerechtelijke autoriteiten van de partijen.

2.Indien een partij die uitlevering of wederzijdse rechtshulp in strafzaken afhankelijk maakt van het bestaan van een verdrag, een verzoek tot uitlevering of rechtshulp in strafzaken ontvangt van een partij waarmee zij een dergelijk verdrag niet heeft gesloten, kan zij mits zij volledig voldoet aan haar verplichtingen uit hoofde van het internationale recht en overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in het nationale recht van de aangezochte partij, dit Verdrag beschouwen als de juridische grondslag voor uitlevering of wederzijdse rechtshulp in strafzaken met betrekking tot de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten en kan zij daartoe, mutatis mutandis, de artikelen 16 en 18 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad toepassen.

Artikel 41 – Informatie

1.Een partij kan, binnen de grenzen van haar nationale recht en zonder voorafgaand verzoek, informatie die in het kader van haar eigen onderzoek is verkregen aan een andere partij verstrekken wanneer zij van oordeel is dat het verstrekken van dergelijke informatie de ontvangende partij kan helpen bij het voorkomen van de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten of bij het instellen of uitvoeren van onderzoeken of procedures ter zake van dergelijke delicten, of zou kunnen leiden tot een verzoek om samenwerking van deze partij uit hoofde van artikel 40 van dit Verdrag.

2.Een partij die in overeenstemming met lid 1 van dit artikel informatie ontvangt, verstrekt deze aan haar bevoegde autoriteiten zodat, indien dit passend wordt geacht, een procedure kan worden ingesteld of de informatie in aanmerking kan worden genomen in civielrechtelijke of strafrechtelijke procedures.

3.De verstrekkende partij kan op grond van haar nationale recht voorwaarden verbinden aan het gebruik van dergelijke informatie door de ontvangende partij. De ontvangende partij is aan die voorwaarden gebonden.

Artikel 42 – Gegevensbescherming

Elke doorgifte van persoonsgegevens door een partij overeenkomstig de artikelen 40 en 41 van dit Verdrag, vindt alleen plaats indien is voldaan aan de voorwaarden van de toepasselijke wetgeving en internationale overeenkomsten inzake de bescherming van persoonsgegevens.

Hoofdstuk VII – Beschermingsmaatregelen

Artikel 43 – Status van het slachtoffer in strafrechtelijke onderzoeken en procedures

1.De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om de rechten en belangen van slachtoffers in alle fasen van strafrechtelijke onderzoeken en procedures te beschermen, overeenkomstig hun nationale recht en met name door:

(a)hen te informeren over hun rechten, de voorzieningen waarover zij kunnen beschikken en, op verzoek, het gevolg dat aan hun klacht is gegeven, de tenlastelegging en het verloop van de strafrechtelijke procedure, behalve in uitzonderlijke gevallen waarin het goede verloop van de zaak door een dergelijke kennisgeving nadelig kan worden beïnvloed, en hun rol daarin alsmede over de uitkomst van hun zaak;

(b)hen in de gelegenheid te stellen om, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht, te worden gehoord, bewijzen aan te dragen en te kiezen op welke wijze hun opvattingen, behoeften en punten van zorg worden gepresenteerd en in overweging worden genomen, rechtstreeks of via een tussenpersoon;

(c)hen te voorzien van passende ondersteuning zodat hun rechten en belangen naar behoren kenbaar worden gemaakt en in aanmerking worden genomen, en

(d)ervoor te zorgen dat er maatregelen beschikbaar zijn om slachtoffers en hun familieleden te beschermen tegen secundaire en herhaalde victimisatie, intimidatie en vergelding.

2.De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers vanaf hun eerste contact met de bevoegde autoriteiten toegang hebben tot informatie over relevante gerechtelijke en bestuursrechtelijke procedures.

3.De partijen waarborgen dat slachtoffers die de status hebben van partij in de strafrechtelijke procedure, toegang hebben tot rechtsbijstand. De voorwaarden of procedureregels inzake de toegang van slachtoffers tot rechtsbijstand worden door het nationale recht bepaald.

4.De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers van een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict dat is gepleegd op het grondgebied van een andere partij dan de partij op het grondgebied waarvan zij verblijven, een klacht kunnen indienen bij de bevoegde autoriteiten van hun staat van verblijf indien zij dit niet kunnen doen in de partij waar het strafrechtelijk delict is gepleegd of, in het geval van een ernstig delict in de zin van het nationale recht van die partij, wanneer zij dat niet wensen.

5.De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om leden van groepen, stichtingen, verenigingen of gouvernementele of niet-gouvernementele organisaties in staat te stellen slachtoffers, indien deze daarmee instemmen, bij te staan en/of te ondersteunen tijdens de strafrechtelijke procedure met betrekking tot de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, tenzij er ter zake een andersluidende, met redenen omklede beslissing is genomen.

Artikel 44 – Bescherming van getuigen

1.De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om getuigen en, in voorkomend geval, hun familieleden en andere naasten doeltreffende en passende bescherming te bieden tegen elke vorm van mogelijke represailles of intimidatie tijdens strafrechtelijke procedures met betrekking tot in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten.

2.Lid 1 van dit artikel is ook van toepassing op slachtoffers, voor zover zij getuigen zijn.

Artikel 45 – Bescherming van personen die delicten melden of met justitie samenwerken

De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om een doeltreffende en passende bescherming te bieden aan personen die een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict melden of anderszins samenwerken met de onderzoeks- of vervolgingsautoriteiten.

Hoofdstuk VIII – Toezichtsmechanisme

Artikel 46 – Comité van de Partijen

1.Het Comité van de Partijen bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen bij dit Verdrag.

2.Het Comité van de Partijen wordt bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. De eerste vergadering vindt plaats binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van de tiende ondertekenaar die het heeft bekrachtigd. Daarna komt het Comité bijeen op verzoek van ten minste een derde van de partijen of van de Secretaris-Generaal.

3.Het Comité van de Partijen stelt zijn reglement van orde vast.

4.Elke partij die geen lid is van de Raad van Europa, draagt bij aan de financiering van de activiteiten van het Comité van de Partijen. De bijdrage van een niet-lidstaat van de Raad van Europa wordt gezamenlijk door het Comité van Ministers en die niet-lidstaat vastgesteld.

Artikel 47 – Andere vertegenwoordigers

1.De Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, de Commissaris voor de Mensenrechten, het Europees Comité voor strafrechtelijke vraagstukken (CDPC) en andere relevante intergouvernementele comités van de Raad van Europa wijzen elk een vertegenwoordiger aan bij het Comité van de Partijen.

2.Het Comité van Ministers kan, na overleg met het Comité van de Partijen, andere organen van de Raad van Europa verzoeken een vertegenwoordiger aan te wijzen bij het Comité van de Partijen.

3.Vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, en met name niet-gouvernementele organisaties, kunnen als waarnemer worden toegelaten bij het Comité van de Partijen volgens de procedure die is vastgesteld in de desbetreffende regels van de Raad van Europa.

4.De overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van dit artikel aangewezen vertegenwoordigers nemen zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van het Comité van de Partijen.

Artikel 48 – Taken van het Comité van de Partijen

1.Het Comité van de Partijen ziet toe op de uitvoering van dit Verdrag. In het reglement van orde van het Comité van de Partijen wordt de procedure voor de evaluatie van de uitvoering van dit Verdrag vastgesteld.

2.Het Comité van de Partijen faciliteert het verzamelen, analyseren en uitwisselen van informatie, ervaringen en goede praktijken tussen de staten ter verbetering van hun mogelijkheden om het milieu door middel van het strafrecht te beschermen.

3.Het Comité van de Partijen is, indien van toepassing, ook belast met:

(a)het faciliteren van de doeltreffende werking en uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van het identificeren van problemen en de gevolgen van verklaringen of voorbehouden die uit hoofde van dit Verdrag zijn afgelegd of gemaakt, en

(b)het geven van advies omtrent enige vraag betreffende de toepassing van dit Verdrag en het faciliteren van de uitwisseling van informatie over belangrijke juridische, beleidsmatige of technologische ontwikkelingen.

4.Het Comité van de Partijen krijgt bij de uitvoering van zijn taken uit hoofde van dit artikel ondersteuning van het Secretariaat van de Raad van Europa.

5.Het Europees Comité voor strafrechtelijke vraagstukken (CDPC) wordt regelmatig op de hoogte gehouden van de in lid 1, 2 en 3 van dit artikel vermelde activiteiten.

Hoofdstuk IX – Verhouding tot andere bronnen van internationaal recht 

Artikel 49 – Verhouding tot andere bronnen van internationaal recht

1.Dit Verdrag laat de rechten en verplichtingen onverlet die voortvloeien uit het internationaal gewoonterecht en andere internationale verdragen waarbij de partijen bij dit Verdrag partij zijn of zullen worden en die bepalingen bevatten over aangelegenheden waarop dit Verdrag van toepassing is.

2.De partijen bij dit Verdrag kunnen met elkaar bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten inzake de aangelegenheden die in dit Verdrag worden behandeld teneinde de bepalingen van dit Verdrag aan te vullen of aan te scherpen of de toepassing van de erin vervatte beginselen te faciliteren.

3.Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan de rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden van staten en personen uit hoofde van het internationale recht.

Hoofdstuk X – Wijzigingen van het Verdrag

Artikel 50 – Wijzigingen van het Verdrag

1.Elk voorstel tot wijziging van dit Verdrag dat door een partij wordt ingediend, wordt medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die het toezendt aan de lidstaten van de Raad van Europa, elke ondertekenaar, elke partij, de Europese Unie, elke staat die overeenkomstig artikel 53 is uitgenodigd dit Verdrag te ondertekenen en elke staat die overeenkomstig artikel 54 is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden.

2.Het Comité van Ministers van de Raad van Europa bestudeert voorgestelde wijzigingen en kan deze, na overleg met de partijen bij dit Verdrag die geen lid zijn van de Raad van Europa, aannemen met de meerderheid bedoeld in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa.

3.De tekst van elke door het Comité van Ministers overeenkomstig lid 2 van dit artikel aangenomen wijziging, wordt aan de partijen ter aanvaarding toegezonden.

4.Elke overeenkomstig lid 2 van dit artikel aangenomen wijziging treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van een maand na de datum waarop alle partijen de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa hebben medegedeeld dat ze haar hebben aanvaard.

Hoofdstuk XI – Slotbepalingen

Artikel 51 – Gevolgen van dit Verdrag

1.De bepalingen van dit Verdrag doen geen afbreuk aan de bepalingen van nationaal recht en bindende internationale instrumenten die reeds van kracht zijn of van kracht kunnen worden en krachtens welke gunstiger rechten op het gebied van voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit zijn of zouden worden toegekend aan personen.

2.De partijen die lid zijn van de Europese Unie, passen in hun wederzijdse betrekkingen de regels van de Europese Unie toe die gelden voor aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van dit Verdrag vallen. Dit laat de volledige toepassing van dit Verdrag in hun betrekkingen met andere partijen onverlet.

Artikel 52 – Geschillenregeling

1.De partijen bij een geschil dat kan ontstaan inzake de toepassing of uitlegging van de bepalingen van dit Verdrag trachten dat geschil in de eerste plaats te beslechten door middel van onderhandelingen, bemiddeling, arbitrage of op een andere onderling overeen te komen vreedzame wijze.

2.Het Comité van Ministers van de Raad van Europa kan procedures voor geschillenregeling vaststellen die beschikbaar zijn voor partijen bij een geschil indien ze daarmee instemmen.

Artikel 53 – Ondertekening en inwerkingtreding

1.Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa, door niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling hiervan en door de Europese Unie.

2.Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

3.Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop tien ondertekenaars, waaronder ten minste acht lidstaten van de Raad van Europa, overeenkomstig lid 2 van dit artikel hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht.

4.Ten aanzien van elke in lid 1 van dit artikel bedoelde staat of de Europese Unie, die daarna zijn of haar instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 54 – Toetreding tot het Verdrag

1.Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na raadpleging en verkrijging van unanieme instemming van de partijen bij dit Verdrag, elke staat die geen lid is van de Raad van Europa en die niet heeft deelgenomen aan de opstelling van het Verdrag, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden, door een door de meerderheid als bedoeld in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa genomen besluit en door de unanieme stemming door de vertegenwoordigers van de partijen die recht hebben op een zetel in het Comité van Ministers.

2.Ten aanzien van elke toetredende staat treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 55 – Territoriale toepassing

1.Elke staat of de Europese Unie kan, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het grondgebied of de grondgebieden waarop dit Verdrag van toepassing is, nader aanduiden.

2.Elke partij kan op een later tijdstip door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot elk ander grondgebied dat in de verklaring wordt genoemd en voor de internationale betrekkingen waarvan zij verantwoordelijk is of namens welk grondgebied zij bevoegd is verbintenissen aan te gaan. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-Generaal.

3.Elke krachtens de twee voorgaande leden gedane verklaring kan, met betrekking tot elk in die verklaring nader aangeduid grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 56 – Voorbehouden

1.Ten aanzien van de bepalingen van dit Verdrag kunnen geen voorbehouden worden gemaakt, met uitzondering van de voorbehouden bedoeld in de leden 2 en 3 van dit artikel.

2.Elke staat of de Europese Unie kan, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, verklaren dat hij of zij zich het recht voorbehoudt de bepalingen van artikel 33, lid 1, punt d), van dit Verdrag niet toe te passen of slechts in specifieke gevallen of omstandigheden toe te passen. 

3.Op basis van hun geharmoniseerde wetgeving kunnen een organisatie voor regionale integratie en de lidstaten van die organisatie, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van hun akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, het volgende specificeren:

(a)de reikwijdte van de term “wederrechtelijk” in artikel 3, punt a), van dit Verdrag, en

(b)de reikwijdte van de begrippen “nationaal recht”, “nationale bepalingen”, “beschermd” en “voorschrift” die worden gebruikt voor het definiëren van delicten in de zin van de artikelen 13 en 14, de artikelen 19 tot en met 22 en de artikelen 26 tot en met 30 van dit Verdrag.

4.Elke partij kan een voorbehoud geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Een dergelijke verklaring wordt van kracht met ingang van de datum van ontvangst ervan door de Secretaris-Generaal.

Artikel 57 – Opzegging

1.Elke partij kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

2.Deze opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 58 – Kennisgeving

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa, de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag alsmede elke ondertekenaar, elke partij, de Europese Unie en elke staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden, in kennis van:

(a)elke ondertekening;

(b)de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;

(c)elke datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in overeenstemming met de artikelen 53 en 54;

(d)elke wijziging die overeenkomstig artikel 50 is aangenomen en de datum waarop een dergelijke wijziging in werking treedt;

(e)elk voorbehoud en elke intrekking van een voorbehoud krachtens artikel 56;

(f)elke opzegging uit hoofde van artikel 57, of

(g)elke andere akte, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Verdrag.

Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

Gedaan te […] op […] [202x], in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar dat wordt nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet een gewaarmerkt afschrift toekomen aan elke lidstaat van de Raad van Europa, aan de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag, aan de Europese Unie en aan elke staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden.

BIJLAGE 2

Voorbehoud met betrekking tot de definitie van bepaalde termen in het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

Overeenkomstig artikel 56, lid 3, van het Verdrag inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (“het Verdrag”) verklaart de Europese Unie dat voor de Europese Unie onder het begrip “nationaal recht” dat wordt gebruikt voor het definiëren van de term “wederrechtelijk” in artikel 3, punt a), van het Verdrag, wordt verstaan het recht van de Unie dat bijdraagt tot het nastreven van een van de doelstellingen van het milieubeleid van de Unie als omschreven in artikel 191, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, alsmede een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van een lidstaat van de Europese Unie of een besluit van een bevoegde autoriteit van een lidstaat, ter uitvoering van het relevante recht van de Unie. Dezelfde betekenis hebben de begrippen “nationaal recht” en “nationale bepalingen” die worden gebruikt voor het definiëren van de relevante gedragingen in de zin van de artikelen 14, 19, 20, 21, 26, 29 en 30 van het Verdrag. Voorts moeten de begrippen “beschermd” en “voorschrift” die worden gebruikt voor het definiëren van de relevante gedragingen in de zin van de artikelen 13, 22, 27, 28 en 29 van het Verdrag, worden uitgelegd in overeenstemming met het nationale recht, zoals hierboven gedefinieerd. 

Top