EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 29.7.2025
COM(2025) 434 final
BIJLAGEN
bij
Voorstel voor een besluit van de Raad
betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht
BIJLAGE 1
|
COMITÉ VAN MINISTERS
|
CM-documenten
|
CM(2025) 52-final
|
14 mei 2025
|
|
134e zitting van het Comité van Ministers
(Luxemburg, 13-14 mei 2025)
Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht
|
Preambule
De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die dit Verdrag hebben ondertekend,
Herinnerend aan de verklaring van Reykjavik, die is aangenomen op de 4e top van staatshoofden en regeringsleiders van de Raad van Europa (Reykjavik, 16-17 mei 2023) en waarin de staatshoofden en regeringsleiders van de Raad van Europa zich ertoe hebben verbonden hun werkzaamheden in de Raad van Europa met betrekking tot de mensenrechtenaspecten van het milieu te intensiveren, de uitdagingen in kaart te brengen die de drievoudige planetaire crisis van vervuiling, klimaatverandering en verlies van biodiversiteit met zich meebrengt voor de mensenrechten en bij te dragen aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke antwoorden daarop;
Herinnerend aan het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (ETS nr. 5, 1950) en de bijbehorende protocollen, het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa (ETS nr. 104, 1979) en het Landschapsverdrag van de Raad van Europa (ETS nr. 176 van 2000);
Gezien het Europees Verdrag betreffende uitlevering (ETS nr. 24, 1957) en de bijbehorende protocollen, het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (ETS nr. 30, 1959) en de bijbehorende protocollen, het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (ETS nr. 70, 1970), het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging (ETS nr. 73, 1972), het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie (ETS nr. 173, 1999), het Verdrag inzake cybercriminaliteit (ETS nr. 185, 2001) en de bijbehorende protocollen, en het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme (CETS nr. 198, 2005);
Gezien het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108, 1981) en het Protocol tot wijziging van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (CETS nr. 223, 2018);
Herinnerend aan de volgende aanbevelingen van het Comité van Ministers aan de lidstaten van de Raad van Europa: Aanbeveling nr. R (88) 18 betreffende de aansprakelijkheid van ondernemingen met rechtspersoonlijkheid voor delicten die zijn gepleegd bij de uitoefening van hun activiteiten, Aanbeveling nr. R (96) 8 over het criminaliteitsbeleid in Europa in een tijd van verandering, Aanbeveling Rec(2001)11 inzake richtsnoeren ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit, Aanbeveling CM/Rec(2014)7 over de bescherming van klokkenluiders, Aanbeveling CM/Rec(2022)9 over de bescherming van getuigen en personen die met justitie samenwerken en Aanbeveling CM/Rec(2022)20 over de mensenrechten en de bescherming van het milieu;
Herinnerend aan Resolutie (77) 28 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa over de rol van het strafrecht bij de bescherming van het milieu;
Herinnerend aan Resolutie 2398 (2021) en Aanbeveling 2213 (2021) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (“Aanpak van strafrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheidskwesties in de context van klimaatverandering”), Resolutie 2477 (2023) en Aanbeveling 2246 (2023) (“Milieueffect van gewapende conflicten”) en Aanbeveling 2272 (2024) (“Mainstreaming van het mensenrecht op een veilig, schoon, gezond en duurzaam milieu in het proces van Reykjavik”), waarin wordt opgeroepen tot de erkenning van ecocide, een begrip dat reeds is opgenomen in de wetgeving van bepaalde lidstaten van de Raad van Europa en op internationaal niveau wordt besproken;
Rekening houdend met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin belangrijke normen zijn vastgelegd met betrekking tot de bescherming van de mensenrechten en het milieu;
Indachtig Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG;
Indachtig het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (1992) en het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (1998);
Indachtig het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (2000) en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (2003);
Indachtig de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites) (1973) en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit (1992);
Indachtig het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol, 1973) en de bijbehorende protocollen, het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas-Verdrag, 1974), het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos, 1982), het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren (1992) en het Internationaal Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuvriendelijk recyclen van schepen (2009);
Indachtig het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal en de wijziging daarvan (1979), het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (1979), het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken (1987), het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (1989), het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband (1991), het Verdrag inzake nucleaire veiligheid (1994), het Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval (1997), het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (2001) en het Verdrag van Minamata inzake kwik (2013);
Herinnerend aan de beginselen van de Verklaring van de Conferentie der Verenigde Naties inzake het Leefmilieu (1972) en de Verklaring van Rio van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling (1992);
Herinnerend aan de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen tijdens de 21e Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) op 12 december 2015 en is opengesteld voor ondertekening op 22 april 2016, het Klimaatpact van Glasgow, dat is aangenomen op de COP26, het resultaat van de eerste algemene inventarisatie, die is aangenomen op de COP28 en het Mondiaal Biodiversiteitskader van Kunming-Montreal, dat op 18 december 2022 is aangenomen door de partijen bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit;
Herinnerend aan de volgende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties: A/RES/75/196 van 16 december 2020, met als titel “Versterking van het programma van de Verenigde Naties betreffende misdaadpreventie en strafrechtspleging, met name van de technische samenwerkingscapaciteit daarvan”, A/RES/76/185 van 16 december 2021, met als titel “Preventie en bestrijding van milieudelicten”, A/RES/76/300 van 28 juli 2022, met als titel “Het mensenrecht op een schoon, gezond en duurzaam milieu” en A/RES/77/325 van 25 augustus 2023, met als titel “Bestrijding van de illegale handel in wilde dieren en planten”;
Herinnerend aan de volgende resoluties van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties: Resolutie 2013/40 van 25 juli 2013 (“Misdaadpreventie en strafrechtelijke bestrijding van de illegale handel in beschermde, in het wild levende dier- en plantensoorten”), Resolutie 2008/25 van 24 juli 2008 (“Internationale samenwerking bij het voorkomen en bestrijden van de illegale internationale handel in bosbouwproducten, met inbegrip van hout, wilde dieren en planten en andere uit bossen afkomstige biologische rijkdommen”) en Resolutie 1996/10 van 23 juli 1996 (“De rol van het strafrecht bij de bescherming van het milieu”);
Herinnerend aan de Verklaring van Kyoto inzake het verbeteren van misdaadpreventie, strafrecht en de rechtsstaat: naar het verwezenlijken van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die is aangenomen op het 14e congres van de Verenigde Naties over misdaadpreventie en strafrecht, dat is gehouden in Kyoto, Japan, van 7 tot en met 12 maart 2021;
Herinnerend aan de volgende resoluties van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad: Resolutie 11/3 van oktober 2022, met als titel “Resultaten van de gezamenlijke thematische bespreking van de werkgroep van regeringsdeskundigen inzake technische bijstand en de werkgroep inzake internationale samenwerking bij de toepassing van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, ter voorkoming en bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde milieucriminaliteit”, Resolutie 31/1 van mei 2022 van de Commissie Misdaadpreventie en Strafrecht, met als titel “Versterking van het internationale rechtskader voor internationale samenwerking ter voorkoming en bestrijding van de illegale handel in wilde dieren en planten” en Resolutie 10/6 van oktober 2020, met als titel “Voorkoming en bestrijding van milieumisdrijven die onder het toepassingsgebied van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad vallen”;
Erkennende de primaire rol en verantwoordelijkheid van staten bij het bepalen van hun beleid en strategieën ter voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit;
Rekening houdend met het bestaande onderzoek naar de kosten van milieucriminaliteit;
Erkennende dat activiteiten van georganiseerde milieucriminaliteit de inspanningen van staten om het milieu te beschermen, de rechtsstaat te bevorderen en duurzame ontwikkeling tot stand te brengen, belemmeren en ondermijnen;
Erkennende dat milieucriminaliteit een negatief effect heeft op economieën, volksgezondheid, menselijke veiligheid, voedselzekerheid, bestaansmiddelen en habitats;
Erkennende de fundamentele rol van doeltreffende internationale samenwerking bij de voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit en in dit verband het belang erkennende van het aanpakken van en het doeltreffend reageren op internationale uitdagingen en belemmeringen die een dergelijke samenwerking in de weg staan;
Tevens erkennende dat andere relevante belanghebbenden, waaronder de private sector, het maatschappelijk middenveld, niet-gouvernementele organisaties, de media, de academische wereld en de wetenschappelijke gemeenschap, een belangrijke bijdrage leveren aan de voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit;
Tevens erkennende dat het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van niet-gouvernementele milieuorganisaties, op het gebied van milieubescherming een belangrijke rol speelt bij de publieke bewustwording van milieukwesties en de voorkoming en opsporing van milieudelicten;
Erkennende het belang van passende zorgvuldigheid door rechtspersonen teneinde de bescherming van het milieu te waarborgen en milieudelicten te voorkomen;
Erkennende dat milieucriminaliteit in toenemende mate extraterritoriale gevolgen heeft en de vorm aanneemt van internationale illegale handel, hetgeen, in combinatie met de versnelde achteruitgang van het milieu (klimaatverandering, erosie van de biodiversiteit, uitputting van natuurlijke hulpbronnen, vernietiging van habitats enz.), het noodzakelijk maakt algemene minimumnormen in het strafrecht vast te stellen als onderdeel van een gemeenschappelijk en op samenwerking gebaseerd internationaal kader;
Erkennende dat milieucriminaliteit vele vormen kan aannemen, die in de wetgeving op duidelijke, doeltreffende en evenredige wijze moeten worden geïdentificeerd, gedefinieerd en strafbaar gesteld, met volledige inachtneming van het legaliteitsbeginsel;
Erkennende dat bepaalde onder dit Verdrag vallende opzettelijke gedragingen bijzonder ernstige schade aan het milieu kunnen toebrengen en dus als bijzonder ernstige delicten moeten worden beschouwd;
Zijn het volgende overeengekomen:
Hoofdstuk I – Doel, toepassingsgebied, definities en non-discriminatie
Artikel 1 – Doelstellingen van het Verdrag
1.De doelstellingen van dit Verdrag zijn:
(a)het doeltreffend voorkomen en bestrijden van milieucriminaliteit;
(b)het bevorderen en versterken van nationale en internationale samenwerking bij de bestrijding van milieucriminaliteit;
(c)het vaststellen van minimumvoorschriften als richtsnoer voor staten in hun nationale wetgeving;
en aldus de bescherming van het milieu bevorderen en verbeteren.
2.Met het oog op de doeltreffende uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag door de partijen wordt een specifiek toezichtsmechanisme ingesteld.
Artikel 2 – Toepassingsgebied van het Verdrag
1.Dit Verdrag is van toepassing op het voorkomen, opsporen, onderzoeken, vervolgen en bestraffen van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven strafrechtelijke delicten.
2.Dit Verdrag is van toepassing in vredestijd en in situaties van gewapend conflict, oorlog of bezetting.
Artikel 3 – Definities
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
(a)“wederrechtelijk”: een schending van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of besluiten van bevoegde autoriteiten, gericht op de bescherming van het milieu. Zelfs wanneer gedragingen worden begaan uit hoofde van een machtiging van een bevoegde autoriteit van een partij, zijn ze wederrechtelijk wanneer die machtiging op frauduleuze wijze of door middel van corruptie, afpersing of dwang is verkregen;
(b)“water”: alle oppervlaktewatercategorieën, waaronder rivieren, meren, overgangswateren, kustwateren, alle grondwaterlichamen en alle mariene wateren, waaronder oceanen en zeeën;
(c)“ecosysteem”: een dynamisch complex van gemeenschappen van planten, schimmels, dieren en micro-organismen en hun niet-levende omgeving die met hun wisselwerkingen een functionele eenheid vormen. Het omvat habitattypen, habitats van soorten en soortenpopulaties;
(d)“afval”: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
Artikel 4 – Non-discriminatiebeginsel
De uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag door de partijen wordt gewaarborgd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, huidskleur, taal, leeftijd, godsdienst, politieke of andere opvatting, nationale of sociale afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, seksuele geaardheid, gezondheidstoestand, handicap of andere status.
Hoofdstuk II – Geïntegreerd beleid en gegevensverzameling
Artikel 5 – Alomvattend en gecoördineerd beleid
1.De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om een doeltreffend, alomvattend en gecoördineerd beleid vast te stellen en uit te voeren dat passende maatregelen omvat ter voorkoming en bestrijding van het plegen van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten.
2.De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om passende mechanismen in te stellen voor coördinatie en samenwerking op strategisch en operationeel niveau tussen al hun bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij de voorkoming en bestrijding van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten. Dergelijke mechanismen zijn gericht op:
(a)het waarborgen van een gemeenschappelijk begrip van de relatie tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving, alsmede het vaststellen van gemeenschappelijke prioriteiten en praktijken;
(b)het uitwisselen van informatie voor strategische en operationele doeleinden binnen de grenzen van het nationale recht, met inbegrip van gegevensbeschermingsregels, en
(c)het uitwisselen van beste praktijken.
3.De partijen overwegen een of meer officiële instanties aan te wijzen of op te richten die verantwoordelijk zijn voor de coördinatie, uitvoering, monitoring en evaluatie van beleid en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van het plegen van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, rekening houdend met hun constitutionele tradities, rechtsstelsels en nationale omstandigheden.
4.Bij de op grond van dit artikel genomen maatregelen worden alle relevante actoren betrokken, zoals overheidsinstanties, nationale, regionale en lokale parlementen en autoriteiten, met inbegrip van de rechterlijke macht, officieren van justitie, rechtshandhavingsinstanties en, in voorkomend geval, niet-gouvernementele organisaties en andere relevante organisaties en entiteiten.
5.De partijen overwegen gespecialiseerde onderzoekseenheden, officieren van justitie en rechters aan te wijzen voor de preventie, het onderzoek, de vervolging en de berechting van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, rekening houdend met hun constitutionele tradities, rechtsstelsels en nationale omstandigheden en met inachtneming van de regels inzake de status en taken van beoefenaars van juridische beroepen.
Artikel 6 – Nationale strategie
De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om een nationale strategie ter voorkoming en bestrijding van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten vast te stellen en bekend te maken, die gericht is op:
(a)de doelstellingen en prioriteiten van het nationale beleid op dit gebied;
(b)de rol en verantwoordelijkheden van de bevoegde autoriteiten;
(c)de benodigde middelen en de wijze waarop specialisatie van beroepsbeoefenaars op het gebied van handhaving zal worden ondersteund;
(d)regelingen om regelmatig te evalueren of de doelstellingen van deze nationale strategie zijn verwezenlijkt, en
(e)de bijstand van internationale netwerken die zich bezighouden met aangelegenheden die rechtstreeks verband houden met de voorkoming en bestrijding van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten en daarmee verband houdende inbreuken.
Artikel 7 – Middelen
De partijen wijzen passende financiële en personele middelen toe ter voorkoming en bestrijding van het plegen van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten.
Artikel 8 – Opleiding van beroepsbeoefenaars
1.De partijen zorgen voor een passende en regelmatige multidisciplinaire, technische en juridische opleiding voor de relevante beroepsbeoefenaars die betrokken zijn bij het voorkomen, opsporen, onderzoeken, vervolgen en berechten van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, met inachtneming van de regels inzake de status en taken van beoefenaars van juridische beroepen.
2.De partijen moedigen aan dat er in de in lid 1 van dit artikel bedoelde opleiding ook aandacht wordt besteed aan gecoördineerde samenwerking tussen verschillende instanties, zodat de doorverwijzing bij zaken betreffende in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten alomvattend is en adequaat verloopt.
Artikel 9 – Gegevensverzameling en onderzoek
1.Met het oog op de uitvoering van dit Verdrag verbinden de partijen zich ertoe:
(a)op gezette tijden relevante statistische gegevens te verzamelen over zaken betreffende in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, en
(b)onderzoek op het gebied van milieucriminaliteit te bevorderen, teneinde de onderliggende oorzaken en gevolgen ervan, de frequentie en de veroordelingspercentages alsmede de doeltreffendheid van de ter uitvoering van dit Verdrag genomen maatregelen te bestuderen.
2.De partijen verstrekken het in artikel 46 van dit Verdrag bedoelde Comité van de Partijen de uit hoofde van dit artikel verzamelde informatie.
3.De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de uit hoofde van dit artikel verzamelde informatie voor het publiek beschikbaar is.
Hoofdstuk III – Preventie
Artikel 10 – Algemene verplichtingen
De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te voorkomen dat een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict wordt gepleegd door een natuurlijke of rechtspersoon, in voorkomend geval in samenwerking met het maatschappelijk middenveld en niet-gouvernementele organisaties.
Artikel 11 – Bewustwording
1.De partijen nemen de maatregelen die nodig zijn om voorlichtings- en bewustwordingscampagnes over de voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit te bevorderen of te organiseren, waar nodig in samenwerking met het maatschappelijk middenveld en niet-gouvernementele organisaties.
2.De partijen nemen de maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor een brede verspreiding onder het publiek van informatie over maatregelen die beschikbaar zijn om de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten te voorkomen.
Hoofdstuk IV – Materieel strafrecht
Afdeling 1 – Verontreiniging, producten en stoffen
Artikel 12 – Delicten in verband met wederrechtelijke verontreiniging
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het lozen, uitstoten of anderszins brengen van een hoeveelheid materialen of stoffen, energie of ioniserende straling in de lucht, de bodem of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem, water of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt.
Artikel 13 – Delicten in verband met het in de handel brengen van producten die in strijd zijn met milieuvoorschriften
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het in de handel brengen, in strijd met een verbod of een ander voorschrift ter bescherming van het milieu, van een product waarvan het gebruik resulteert in het lozen, uitstoten of anderszins brengen van een hoeveelheid materialen of stoffen, energie of ioniserende straling in de lucht, de bodem of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, water of bodem of aan dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt, waarbij het gaat om het gebruik van het product op grotere schaal, namelijk het gebruik van het product door meerdere gebruikers, ongeacht hun aantal.
Artikel 14 – Delicten in verband met chemische stoffen
1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het vervaardigen, in de handel brengen of op de markt aanbieden, invoeren, uitvoeren of gebruiken van gereguleerde chemische stoffen, als zodanig of in mengsels of voorwerpen, met inbegrip van de verwerking ervan in voorwerpen, wanneer dergelijke gedragingen krachtens het nationale recht ter bescherming van het milieu verboden zijn en de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.
2.De partijen kunnen beslissen welke nationale bepalingen ze onder lid 1 van dit artikel laten vallen en deze ter kennis brengen van het Secretariaat.
Artikel 15 – Delicten in verband met radioactief materiaal of radioactieve stoffen
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het vervaardigen, produceren, bewerken, hanteren, gebruiken, voorhanden hebben, opslaan, vervoeren, invoeren, uitvoeren of verwijderen van radioactief materiaal of radioactieve stoffen, wanneer dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.
Artikel 16 – Delicten in verband met kwik
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het vervaardigen, gebruiken, opslaan, invoeren of uitvoeren van kwik, kwikverbindingen, mengsels van kwik en kwikhoudende producten, wanneer dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.
Artikel 17 – Delicten in verband met ozonafbrekende stoffen
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het produceren, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren, gebruiken of doen vrijkomen van ozonafbrekende stoffen, dan wel het produceren, in de handel brengen, invoeren of uitvoeren van producten en apparaten die ozonafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor hun werking.
Artikel 18 – Delicten in verband met gefluoreerde broeikasgassen
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het produceren, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren, gebruiken of doen vrijkomen van gefluoreerde broeikasgassen, dan wel het in de handel brengen of invoeren van producten en apparaten die gefluoreerde broeikasgassen bevatten of nodig hebben voor hun werking.
Afdeling 2 – Afval
Artikel 19 – Delicten in verband met het wederrechtelijk inzamelen, verwerken, vervoeren, hergebruiken, verwijderen of overbrengen van afvalstoffen
1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het inzamelen, verwerken, vervoeren, hergebruiken of verwijderen van afvalstoffen, het bedrijfstoezicht op dergelijke procedures en de nazorg voor verwijderingslocaties, met inbegrip van de handelingen die door handelaren of makelaars worden verricht (afvalbeheer), wanneer dergelijke gedragingen:
(a)betrekking hebben op gevaarlijke afvalstoffen zoals gedefinieerd overeenkomstig het nationale recht en een niet-verwaarloosbare hoeveelheid betreffen, of
(b)betrekking hebben op andere afvalstoffen dan die bedoeld in lid 1, punt a), van dit artikel en de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.
2.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen wanneer het een niet-verwaarloosbare hoeveelheid betreft en ongeacht of de overbrenging tot stand komt door één enkel transport dan wel door meerdere, kennelijk met elkaar in verband staande transporten.
Afdeling 3 – Installaties
Artikel 20 – Delicten in verband met het wederrechtelijk exploiteren of sluiten van een installatie waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht
1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het exploiteren of sluiten van een installatie waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht, wanneer dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.
2.De partijen kunnen beslissen welke nationale bepalingen ze onder lid 1 van dit artikel laten vallen en deze ter kennis brengen van het Secretariaat.
Artikel 21 – Delicten in verband met het wederrechtelijk exploiteren of sluiten van een installatie waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn
1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het exploiteren of sluiten van een installatie waar gevaarlijke stoffen of mengsels worden opgeslagen of gebruikt, wanneer dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.
2.De partijen kunnen beslissen welke nationale bepalingen ze onder lid 1 van dit artikel laten vallen en deze ter kennis brengen van het Secretariaat.
Afdeling 4 – Schepen
Artikel 22 – Delicten in verband met het wederrechtelijk recyclen van schepen
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het verzuim van een eigenaar van een schip om te voldoen aan de toepasselijke voorschriften die vereisen dat een schip wordt gerecycled in scheepsrecyclinginrichtingen die aan de vereiste milieunormen voldoen.
Artikel 23 – Delicten in verband met het lozen van verontreinigende stoffen vanaf schepen
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het lozen van verontreinigende stoffen vanaf schepen, wanneer dergelijke gedragingen een verslechtering van de waterkwaliteit of schade aan het mariene milieu veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.
Afdeling 5 – Natuurlijke hulpbronnen
Artikel 24 – Delicten in verband met het wederrechtelijk onttrekken van oppervlaktewater of grondwater
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: de onttrekking van oppervlaktewater of grondwater die aanzienlijke schade aan de ecologische toestand of het ecologisch potentieel van oppervlaktewaterlichamen of aan de kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen veroorzaakt dan wel dreigt te veroorzaken.
Artikel 25 – Delicten in verband met de handel in wederrechtelijk gekapt hout
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het in de handel brengen van wederrechtelijk gekapt hout of van producten van dergelijk hout, tenzij deze gedragingen betrekking hebben op een verwaarloosbare hoeveelheid.
Artikel 26 – Delicten in verband met wederrechtelijke mijnbouw
1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: mijnbouwactiviteiten waarvoor krachtens het nationale recht een milieueffectbeoordeling of een gelijkwaardige milieuprocedure vereist is, wanneer ze worden ondernomen zonder de krachtens het nationale recht vereiste wettelijke vergunning betreffende milieuaspecten en wanneer ze de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.
2.De partijen kunnen beslissen welke nationale bepalingen ze onder lid 1 van dit artikel laten vallen en deze ter kennis brengen van het Secretariaat.
Afdeling 6 – Biodiversiteit
Artikel 27 – Delicten in verband met het wederrechtelijk doden, vernietigen, vangen en bezitten van beschermde, in het wild levende dieren of planten
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het doden, vernietigen, vangen of bezitten van een specimen of specimens van beschermde, in het wild levende dier- of plantensoorten, met inbegrip van het vangen of bezitten van delen of afgeleide producten van die specimens, tenzij deze gedragingen betrekking hebben op een verwaarloosbare hoeveelheid van die specimens, in voorkomend geval rekening houdend met de staat van instandhouding van de betrokken soort.
Artikel 28 – Delicten in verband met het wederrechtelijk verhandelen van beschermde, in het wild levende dieren of planten
1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het verkopen of te koop aanbieden van een specimen of specimens van beschermde, in het wild levende dier- of plantensoorten of delen of afgeleide producten daarvan, tenzij deze gedragingen betrekking hebben op een verwaarloosbare hoeveelheid van die specimens, in voorkomend geval rekening houdend met de staat van instandhouding van de betrokken soort.
2.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het grensoverschrijdend verhandelen van specimens van beschermde, in het wild levende dier- of plantensoorten of delen of afgeleide producten daarvan, tenzij deze gedragingen betrekking hebben op een verwaarloosbare hoeveelheid van die specimens, in voorkomend geval rekening houdend met de staat van instandhouding van de betrokken soort.
Artikel 29 – Delicten in verband met het wederrechtelijk schade toebrengen aan beschermde habitats
1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het schade toebrengen aan een beschermde habitat of het verstoren van beschermde diersoorten in een beschermingszone, zoals gedefinieerd in het nationale recht, wanneer die schade of verstoring aanzienlijk is.
2.De partijen kunnen beslissen welke beschermde habitats en beschermde diersoorten ze onder lid 1 van dit artikel laten vallen en deze ter kennis brengen van het Secretariaat.
Artikel 30 – Delicten in verband met invasieve uitheemse soorten
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om in hun nationale recht als strafrechtelijk delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het binnenbrengen op het nationale grondgebied, het in de handel brengen, het houden, fokken, vervoeren, gebruiken, uitwisselen, het toestaan te reproduceren, te doen groeien of te telen, het in het milieu brengen of verspreiden van invasieve uitheemse soorten die in het nationale recht zijn aangemerkt als soorten die zorgwekkend zijn voor het milieu, wanneer dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken.
Afdeling 7 – Bijzonder ernstig delict
Artikel 31 – Bijzonder ernstig delict
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict als een bijzonder ernstig delict te omschrijven wanneer het opzettelijk wordt gepleegd en vernietiging of onomkeerbare, wijdverbreide en aanzienlijke schade veroorzaakt, of langdurige, wijdverbreide en aanzienlijke schade toebrengt aan een ecosysteem van aanzienlijke omvang of milieuwaarde, of aan een beschermde habitat, of aan de kwaliteit van lucht, bodem of water.
Afdeling 8 – Algemene bepalingen van strafrecht
Artikel 32 – Uitlokking, medeplichtigheid en poging
1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om als delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: het uitlokken van of medeplichtig zijn aan het plegen van een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict.
2.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om als delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: de poging tot het plegen van delicten omschreven in overeenstemming met de artikelen 12 tot en met 21, de artikelen 23, 24 en 25, artikel 28, lid 2, en artikel 30 van dit Verdrag.
3.De partijen overwegen de wetgevende maatregelen te nemen die nodig zijn om als delict te omschrijven, indien wederrechtelijk en opzettelijk gepleegd: de poging tot het plegen van delicten omschreven in overeenstemming met artikel 27 en artikel 28, lid 1, van dit Verdrag.
Artikel 33 – Rechtsmacht
1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om rechtsmacht te vestigen met betrekking tot een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict, wanneer dit delict is gepleegd:
(a)op hun grondgebied;
(b)aan boord van een schip dat onder hun vlag vaart;
(c)aan boord van een overeenkomstig hun wetgeving ingeschreven luchtvaartuig, of
(d)door een van hun onderdanen.
2.De partijen overwegen de wetgevende maatregelen te nemen die nodig zijn om rechtsmacht te vestigen met betrekking tot een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict, wanneer dit delict is gepleegd tegen een van hun onderdanen.
3.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om rechtsmacht te vestigen met betrekking tot een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict, wanneer de vermoedelijke dader zich op hun grondgebied bevindt en uitsluitend op grond van zijn of haar nationaliteit niet aan een andere staat kan worden uitgeleverd.
4.Wanneer meer dan een partij rechtsmacht opeist met betrekking tot een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven vermeend delict, raadplegen de betrokken partijen, wanneer dat passend is, elkaar teneinde te bepalen wier rechtsmacht het meest geëigend is ten behoeve van strafvervolging.
5.Onverminderd de algemene normen van het internationale recht, sluit dit Verdrag geen enkele rechtsmacht uit in strafzaken die een partij in overeenstemming met haar nationale recht uitoefent.
Artikel 34 – Aansprakelijkheid van rechtspersonen
1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld voor de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, wanneer deze te zijnen voordele zijn gepleegd door een natuurlijke persoon die, handelend in eigen persoon of als lid van een orgaan van de rechtspersoon, in de rechtspersoon een leidende positie bekleedt, gebaseerd op:
(a)de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;
(b)de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of
(c)de bevoegdheid om bij de rechtspersoon controle uit te oefenen.
2.Afgezien van de in lid 1 van dit artikel bedoelde gevallen, nemen de partijen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld, wanneer ten gevolge van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle door een in lid 1 van dit artikel bedoelde natuurlijke persoon een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict kon worden gepleegd ten voordele van die rechtspersoon door een onder het gezag daarvan handelende natuurlijke persoon.
3.Met inachtneming van de rechtsbeginselen van de partij, kan deze aansprakelijkheid van rechtspersonen strafrechtelijk, civielrechtelijk of bestuursrechtelijk zijn.
4.Deze aansprakelijkheid geldt onverminderd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke personen die de delicten hebben gepleegd.
Artikel 35 – Sancties en maatregelen
1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten die worden gepleegd door natuurlijke personen, worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, rekening houdend met de ernst van de delicten. De mogelijke sancties omvatten vrijheidsstraffen en kunnen ook geldboetes omvatten.
2.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat aan een rechtspersoon die overeenkomstig artikel 34 aansprakelijk wordt gesteld, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties kunnen worden opgelegd, die strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke geldboetes omvatten en ook andere maatregelen kunnen omvatten, zoals:
(a)het verbod om commerciële activiteiten uit te oefenen;
(b)uitsluiting van door de overheid verleende voordelen of steun;
(c)uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering, met inbegrip van aanbestedingsprocedures, subsidies en concessies, en intrekking van vergunningen en machtigingen;
(d)plaatsing onder rechterlijk toezicht;
(e)een rechterlijk bevel tot ontbinding;
(f)opschorting, intrekking of annulering van vergunningen of machtigingen voor de uitoefening van activiteiten die hebben geleid tot het betrokken strafrechtelijk delict;
(g)wanneer er sprake is van een algemeen belang, de publicatie van de rechterlijke beslissing — in haar geheel of een gedeelte ervan — die verband houdt met het betrokken milieudelict, onverminderd de regels inzake de privacy en de bescherming van persoonsgegevens, of
(h)een verplichting om de naleving van milieunormen op basis van zorgvuldig onderzoek te verbeteren.
3.De partijen nemen in de ruimst mogelijke mate binnen hun nationale rechtsstelsels de wetgevende en andere maatregelen die nodig kunnen zijn om de bevriezing, inbeslagneming en confiscatie mogelijk te maken van:
(a)hulpmiddelen, dat wil zeggen alle goederen die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt om een of meer in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten te plegen, en
(b)opbrengsten van misdrijven die zijn verkregen uit in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten of goederen waarvan de waarde overeenkomt met die opbrengsten.
4.De partijen overwegen overeenkomstig hun nationale recht de wetgevende en andere maatregelen te nemen die nodig zijn om onder de sancties en maatregelen die van toepassing zijn op natuurlijke personen en rechtspersonen, het herstel van het milieu op te nemen, overeenkomstig de volgende bepalingen:
(a)de bevoegde autoriteit kan onder bepaalde voorwaarden herstel van het milieu bevelen met betrekking tot een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict, en
(b)de bevoegde autoriteit kan een bevel tot herstel van het milieu waaraan niet is voldaan, doen uitvoeren voor rekening van de persoon tot wie het bevel is gericht, of kan deze persoon, in plaats daarvan of in aanvulling daarop, onderwerpen aan andere strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties.
Artikel 36 – Verzwarende omstandigheden
1.De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat een of meer van de volgende omstandigheden, voor zover deze niet reeds tot de bestanddelen van het delict behoren, in aanmerking kunnen worden genomen, overeenkomstig de relevante bepalingen van het nationale recht, als verzwarende omstandigheden bij het bepalen van de sancties met betrekking tot de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten:
(a)het delict heeft ernstige en wijdverbreide, of ernstige en langdurige, of ernstige en onomkeerbare schade toegebracht aan een ecosysteem;
(b)het delict is gepleegd in het kader van een criminele organisatie;
(c)bij het delict werden valse of vervalste documenten gebruikt door de dader;
(d)het delict werd gepleegd door een overheidsfunctionaris of door een overheidsfunctionaris bij de uitvoering van zijn of haar taken;
(e)de dader is eerder onherroepelijk veroordeeld voor in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, of
(f)het delict heeft aanzienlijk financieel voordeel opgeleverd, zou naar verwachting aanzienlijk financieel voordeel opleveren of heeft aanzienlijke uitgaven voorkomen, direct of indirect, voor zover dergelijke voordelen of uitgaven kunnen worden vastgesteld.
2.De in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde verzwarende omstandigheid is niet van toepassing op het in artikel 31 van dit Verdrag bedoelde delict.
Artikel 37 – Door een andere partij gewezen eerdere vonnissen
De partijen overwegen de wetgevende maatregelen te nemen die nodig zijn om te voorzien in de mogelijkheid om bij het bepalen van de sancties rekening te houden met onherroepelijke vonnissen die door een andere partij zijn gewezen met betrekking tot de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten.
Hoofdstuk V – Onderzoek, vervolging en procesrecht
Artikel 38 – Inleiding en voortzetting van procedures
De partijen nemen de wetgevende maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat het onderzoek naar of de vervolging van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, niet afhankelijk is van een klacht en dat de procedure kan worden voortgezet zelfs wanneer de klacht wordt ingetrokken.
Artikel 39 – Recht om deel te nemen aan een procedure
De partijen overwegen overeenkomstig hun nationale recht de wetgevende en andere maatregelen te nemen die nodig zijn om personen die een voldoende belang hebben bij of stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, alsmede niet-gouvernementele organisaties die milieubescherming bevorderen, het recht te verlenen deel te nemen aan strafrechtelijke procedures met betrekking tot in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, voor zover die procedurele rechten voor dergelijke personen en organisaties bestaan in de nationale rechtsstelsels van de partijen in procedures betreffende andere strafrechtelijke delicten, bijvoorbeeld als civiele partij.
Hoofdstuk VI – Internationale samenwerking
Artikel 40 – Internationale samenwerking in strafzaken
1.De partijen werken, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en door toepassing van relevante toepasselijke internationale en regionale instrumenten voor samenwerking in strafzaken, regelingen die zijn overeengekomen op basis van uniforme of wederkerige wetgeving en hun nationale recht, in zo ruim mogelijke mate met elkaar samen ten behoeve van:
(a)het voorkomen, bestrijden en vervolgen van in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, met inbegrip van bevriezing, inbeslagneming en confiscatie;
(b)het beschermen van en het verlenen van bijstand aan getuigen en personen die een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict melden en samenwerken met justitie;
(c)het voeren van onderzoeken of procedures met betrekking tot de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, en
(d)het ten uitvoer leggen van relevante strafrechtelijke vonnissen van de gerechtelijke autoriteiten van de partijen.
2.Indien een partij die uitlevering of wederzijdse rechtshulp in strafzaken afhankelijk maakt van het bestaan van een verdrag, een verzoek tot uitlevering of rechtshulp in strafzaken ontvangt van een partij waarmee zij een dergelijk verdrag niet heeft gesloten, kan zij mits zij volledig voldoet aan haar verplichtingen uit hoofde van het internationale recht en overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in het nationale recht van de aangezochte partij, dit Verdrag beschouwen als de juridische grondslag voor uitlevering of wederzijdse rechtshulp in strafzaken met betrekking tot de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten en kan zij daartoe, mutatis mutandis, de artikelen 16 en 18 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad toepassen.
Artikel 41 – Informatie
1.Een partij kan, binnen de grenzen van haar nationale recht en zonder voorafgaand verzoek, informatie die in het kader van haar eigen onderzoek is verkregen aan een andere partij verstrekken wanneer zij van oordeel is dat het verstrekken van dergelijke informatie de ontvangende partij kan helpen bij het voorkomen van de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten of bij het instellen of uitvoeren van onderzoeken of procedures ter zake van dergelijke delicten, of zou kunnen leiden tot een verzoek om samenwerking van deze partij uit hoofde van artikel 40 van dit Verdrag.
2.Een partij die in overeenstemming met lid 1 van dit artikel informatie ontvangt, verstrekt deze aan haar bevoegde autoriteiten zodat, indien dit passend wordt geacht, een procedure kan worden ingesteld of de informatie in aanmerking kan worden genomen in civielrechtelijke of strafrechtelijke procedures.
3.De verstrekkende partij kan op grond van haar nationale recht voorwaarden verbinden aan het gebruik van dergelijke informatie door de ontvangende partij. De ontvangende partij is aan die voorwaarden gebonden.
Artikel 42 – Gegevensbescherming
Elke doorgifte van persoonsgegevens door een partij overeenkomstig de artikelen 40 en 41 van dit Verdrag, vindt alleen plaats indien is voldaan aan de voorwaarden van de toepasselijke wetgeving en internationale overeenkomsten inzake de bescherming van persoonsgegevens.
Hoofdstuk VII – Beschermingsmaatregelen
Artikel 43 – Status van het slachtoffer in strafrechtelijke onderzoeken en procedures
1.De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om de rechten en belangen van slachtoffers in alle fasen van strafrechtelijke onderzoeken en procedures te beschermen, overeenkomstig hun nationale recht en met name door:
(a)hen te informeren over hun rechten, de voorzieningen waarover zij kunnen beschikken en, op verzoek, het gevolg dat aan hun klacht is gegeven, de tenlastelegging en het verloop van de strafrechtelijke procedure, behalve in uitzonderlijke gevallen waarin het goede verloop van de zaak door een dergelijke kennisgeving nadelig kan worden beïnvloed, en hun rol daarin alsmede over de uitkomst van hun zaak;
(b)hen in de gelegenheid te stellen om, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht, te worden gehoord, bewijzen aan te dragen en te kiezen op welke wijze hun opvattingen, behoeften en punten van zorg worden gepresenteerd en in overweging worden genomen, rechtstreeks of via een tussenpersoon;
(c)hen te voorzien van passende ondersteuning zodat hun rechten en belangen naar behoren kenbaar worden gemaakt en in aanmerking worden genomen, en
(d)ervoor te zorgen dat er maatregelen beschikbaar zijn om slachtoffers en hun familieleden te beschermen tegen secundaire en herhaalde victimisatie, intimidatie en vergelding.
2.De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers vanaf hun eerste contact met de bevoegde autoriteiten toegang hebben tot informatie over relevante gerechtelijke en bestuursrechtelijke procedures.
3.De partijen waarborgen dat slachtoffers die de status hebben van partij in de strafrechtelijke procedure, toegang hebben tot rechtsbijstand. De voorwaarden of procedureregels inzake de toegang van slachtoffers tot rechtsbijstand worden door het nationale recht bepaald.
4.De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers van een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict dat is gepleegd op het grondgebied van een andere partij dan de partij op het grondgebied waarvan zij verblijven, een klacht kunnen indienen bij de bevoegde autoriteiten van hun staat van verblijf indien zij dit niet kunnen doen in de partij waar het strafrechtelijk delict is gepleegd of, in het geval van een ernstig delict in de zin van het nationale recht van die partij, wanneer zij dat niet wensen.
5.De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om leden van groepen, stichtingen, verenigingen of gouvernementele of niet-gouvernementele organisaties in staat te stellen slachtoffers, indien deze daarmee instemmen, bij te staan en/of te ondersteunen tijdens de strafrechtelijke procedure met betrekking tot de in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten, tenzij er ter zake een andersluidende, met redenen omklede beslissing is genomen.
Artikel 44 – Bescherming van getuigen
1.De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om getuigen en, in voorkomend geval, hun familieleden en andere naasten doeltreffende en passende bescherming te bieden tegen elke vorm van mogelijke represailles of intimidatie tijdens strafrechtelijke procedures met betrekking tot in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delicten.
2.Lid 1 van dit artikel is ook van toepassing op slachtoffers, voor zover zij getuigen zijn.
Artikel 45 – Bescherming van personen die delicten melden of met justitie samenwerken
De partijen nemen de wetgevende en andere maatregelen die nodig zijn om een doeltreffende en passende bescherming te bieden aan personen die een in overeenstemming met dit Verdrag omschreven delict melden of anderszins samenwerken met de onderzoeks- of vervolgingsautoriteiten.
Hoofdstuk VIII – Toezichtsmechanisme
Artikel 46 – Comité van de Partijen
1.Het Comité van de Partijen bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen bij dit Verdrag.
2.Het Comité van de Partijen wordt bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. De eerste vergadering vindt plaats binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van de tiende ondertekenaar die het heeft bekrachtigd. Daarna komt het Comité bijeen op verzoek van ten minste een derde van de partijen of van de Secretaris-Generaal.
3.Het Comité van de Partijen stelt zijn reglement van orde vast.
4.Elke partij die geen lid is van de Raad van Europa, draagt bij aan de financiering van de activiteiten van het Comité van de Partijen. De bijdrage van een niet-lidstaat van de Raad van Europa wordt gezamenlijk door het Comité van Ministers en die niet-lidstaat vastgesteld.
Artikel 47 – Andere vertegenwoordigers
1.De Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, de Commissaris voor de Mensenrechten, het Europees Comité voor strafrechtelijke vraagstukken (CDPC) en andere relevante intergouvernementele comités van de Raad van Europa wijzen elk een vertegenwoordiger aan bij het Comité van de Partijen.
2.Het Comité van Ministers kan, na overleg met het Comité van de Partijen, andere organen van de Raad van Europa verzoeken een vertegenwoordiger aan te wijzen bij het Comité van de Partijen.
3.Vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, en met name niet-gouvernementele organisaties, kunnen als waarnemer worden toegelaten bij het Comité van de Partijen volgens de procedure die is vastgesteld in de desbetreffende regels van de Raad van Europa.
4.De overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van dit artikel aangewezen vertegenwoordigers nemen zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van het Comité van de Partijen.
Artikel 48 – Taken van het Comité van de Partijen
1.Het Comité van de Partijen ziet toe op de uitvoering van dit Verdrag. In het reglement van orde van het Comité van de Partijen wordt de procedure voor de evaluatie van de uitvoering van dit Verdrag vastgesteld.
2.Het Comité van de Partijen faciliteert het verzamelen, analyseren en uitwisselen van informatie, ervaringen en goede praktijken tussen de staten ter verbetering van hun mogelijkheden om het milieu door middel van het strafrecht te beschermen.
3.Het Comité van de Partijen is, indien van toepassing, ook belast met:
(a)het faciliteren van de doeltreffende werking en uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van het identificeren van problemen en de gevolgen van verklaringen of voorbehouden die uit hoofde van dit Verdrag zijn afgelegd of gemaakt, en
(b)het geven van advies omtrent enige vraag betreffende de toepassing van dit Verdrag en het faciliteren van de uitwisseling van informatie over belangrijke juridische, beleidsmatige of technologische ontwikkelingen.
4.Het Comité van de Partijen krijgt bij de uitvoering van zijn taken uit hoofde van dit artikel ondersteuning van het Secretariaat van de Raad van Europa.
5.Het Europees Comité voor strafrechtelijke vraagstukken (CDPC) wordt regelmatig op de hoogte gehouden van de in lid 1, 2 en 3 van dit artikel vermelde activiteiten.
Hoofdstuk IX – Verhouding tot andere bronnen van internationaal recht
Artikel 49 – Verhouding tot andere bronnen van internationaal recht
1.Dit Verdrag laat de rechten en verplichtingen onverlet die voortvloeien uit het internationaal gewoonterecht en andere internationale verdragen waarbij de partijen bij dit Verdrag partij zijn of zullen worden en die bepalingen bevatten over aangelegenheden waarop dit Verdrag van toepassing is.
2.De partijen bij dit Verdrag kunnen met elkaar bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten inzake de aangelegenheden die in dit Verdrag worden behandeld teneinde de bepalingen van dit Verdrag aan te vullen of aan te scherpen of de toepassing van de erin vervatte beginselen te faciliteren.
3.Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan de rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden van staten en personen uit hoofde van het internationale recht.
Hoofdstuk X – Wijzigingen van het Verdrag
Artikel 50 – Wijzigingen van het Verdrag
1.Elk voorstel tot wijziging van dit Verdrag dat door een partij wordt ingediend, wordt medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die het toezendt aan de lidstaten van de Raad van Europa, elke ondertekenaar, elke partij, de Europese Unie, elke staat die overeenkomstig artikel 53 is uitgenodigd dit Verdrag te ondertekenen en elke staat die overeenkomstig artikel 54 is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden.
2.Het Comité van Ministers van de Raad van Europa bestudeert voorgestelde wijzigingen en kan deze, na overleg met de partijen bij dit Verdrag die geen lid zijn van de Raad van Europa, aannemen met de meerderheid bedoeld in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa.
3.De tekst van elke door het Comité van Ministers overeenkomstig lid 2 van dit artikel aangenomen wijziging, wordt aan de partijen ter aanvaarding toegezonden.
4.Elke overeenkomstig lid 2 van dit artikel aangenomen wijziging treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van een maand na de datum waarop alle partijen de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa hebben medegedeeld dat ze haar hebben aanvaard.
Hoofdstuk XI – Slotbepalingen
Artikel 51 – Gevolgen van dit Verdrag
1.De bepalingen van dit Verdrag doen geen afbreuk aan de bepalingen van nationaal recht en bindende internationale instrumenten die reeds van kracht zijn of van kracht kunnen worden en krachtens welke gunstiger rechten op het gebied van voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit zijn of zouden worden toegekend aan personen.
2.De partijen die lid zijn van de Europese Unie, passen in hun wederzijdse betrekkingen de regels van de Europese Unie toe die gelden voor aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van dit Verdrag vallen. Dit laat de volledige toepassing van dit Verdrag in hun betrekkingen met andere partijen onverlet.
Artikel 52 – Geschillenregeling
1.De partijen bij een geschil dat kan ontstaan inzake de toepassing of uitlegging van de bepalingen van dit Verdrag trachten dat geschil in de eerste plaats te beslechten door middel van onderhandelingen, bemiddeling, arbitrage of op een andere onderling overeen te komen vreedzame wijze.
2.Het Comité van Ministers van de Raad van Europa kan procedures voor geschillenregeling vaststellen die beschikbaar zijn voor partijen bij een geschil indien ze daarmee instemmen.
Artikel 53 – Ondertekening en inwerkingtreding
1.Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa, door niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling hiervan en door de Europese Unie.
2.Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
3.Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop tien ondertekenaars, waaronder ten minste acht lidstaten van de Raad van Europa, overeenkomstig lid 2 van dit artikel hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht.
4.Ten aanzien van elke in lid 1 van dit artikel bedoelde staat of de Europese Unie, die daarna zijn of haar instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Artikel 54 – Toetreding tot het Verdrag
1.Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na raadpleging en verkrijging van unanieme instemming van de partijen bij dit Verdrag, elke staat die geen lid is van de Raad van Europa en die niet heeft deelgenomen aan de opstelling van het Verdrag, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden, door een door de meerderheid als bedoeld in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa genomen besluit en door de unanieme stemming door de vertegenwoordigers van de partijen die recht hebben op een zetel in het Comité van Ministers.
2.Ten aanzien van elke toetredende staat treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 55 – Territoriale toepassing
1.Elke staat of de Europese Unie kan, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het grondgebied of de grondgebieden waarop dit Verdrag van toepassing is, nader aanduiden.
2.Elke partij kan op een later tijdstip door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot elk ander grondgebied dat in de verklaring wordt genoemd en voor de internationale betrekkingen waarvan zij verantwoordelijk is of namens welk grondgebied zij bevoegd is verbintenissen aan te gaan. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-Generaal.
3.Elke krachtens de twee voorgaande leden gedane verklaring kan, met betrekking tot elk in die verklaring nader aangeduid grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 56 – Voorbehouden
1.Ten aanzien van de bepalingen van dit Verdrag kunnen geen voorbehouden worden gemaakt, met uitzondering van de voorbehouden bedoeld in de leden 2 en 3 van dit artikel.
2.Elke staat of de Europese Unie kan, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, verklaren dat hij of zij zich het recht voorbehoudt de bepalingen van artikel 33, lid 1, punt d), van dit Verdrag niet toe te passen of slechts in specifieke gevallen of omstandigheden toe te passen.
3.Op basis van hun geharmoniseerde wetgeving kunnen een organisatie voor regionale integratie en de lidstaten van die organisatie, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van hun akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, het volgende specificeren:
(a)de reikwijdte van de term “wederrechtelijk” in artikel 3, punt a), van dit Verdrag, en
(b)de reikwijdte van de begrippen “nationaal recht”, “nationale bepalingen”, “beschermd” en “voorschrift” die worden gebruikt voor het definiëren van delicten in de zin van de artikelen 13 en 14, de artikelen 19 tot en met 22 en de artikelen 26 tot en met 30 van dit Verdrag.
4.Elke partij kan een voorbehoud geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Een dergelijke verklaring wordt van kracht met ingang van de datum van ontvangst ervan door de Secretaris-Generaal.
Artikel 57 – Opzegging
1.Elke partij kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
2.Deze opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 58 – Kennisgeving
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa, de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag alsmede elke ondertekenaar, elke partij, de Europese Unie en elke staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden, in kennis van:
(a)elke ondertekening;
(b)de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
(c)elke datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in overeenstemming met de artikelen 53 en 54;
(d)elke wijziging die overeenkomstig artikel 50 is aangenomen en de datum waarop een dergelijke wijziging in werking treedt;
(e)elk voorbehoud en elke intrekking van een voorbehoud krachtens artikel 56;
(f)elke opzegging uit hoofde van artikel 57, of
(g)elke andere akte, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Verdrag.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
Gedaan te […] op […] [202x], in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar dat wordt nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet een gewaarmerkt afschrift toekomen aan elke lidstaat van de Raad van Europa, aan de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag, aan de Europese Unie en aan elke staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden.
BIJLAGE 2
Voorbehoud met betrekking tot de definitie van bepaalde termen in het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht
Overeenkomstig artikel 56, lid 3, van het Verdrag inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (“het Verdrag”) verklaart de Europese Unie dat voor de Europese Unie onder het begrip “nationaal recht” dat wordt gebruikt voor het definiëren van de term “wederrechtelijk” in artikel 3, punt a), van het Verdrag, wordt verstaan het recht van de Unie dat bijdraagt tot het nastreven van een van de doelstellingen van het milieubeleid van de Unie als omschreven in artikel 191, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, alsmede een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van een lidstaat van de Europese Unie of een besluit van een bevoegde autoriteit van een lidstaat, ter uitvoering van het relevante recht van de Unie. Dezelfde betekenis hebben de begrippen “nationaal recht” en “nationale bepalingen” die worden gebruikt voor het definiëren van de relevante gedragingen in de zin van de artikelen 14, 19, 20, 21, 26, 29 en 30 van het Verdrag. Voorts moeten de begrippen “beschermd” en “voorschrift” die worden gebruikt voor het definiëren van de relevante gedragingen in de zin van de artikelen 13, 22, 27, 28 en 29 van het Verdrag, worden uitgelegd in overeenstemming met het nationale recht, zoals hierboven gedefinieerd.