Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52025PC0312

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst (RED II)

COM/2025/312 final

Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 312 final

2025/0164(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst

(RED II)

(Voor de EER relevante tekst)


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot vaststelling van het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt in verband met de beoogde vaststelling van het besluit van het Gemengd Comité van de EER tot wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst.

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.De EER-overeenkomst

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd) waarborgt gelijke rechten en verplichtingen binnen de interne markt voor burgers en marktdeelnemers in de EER. De EER-overeenkomst voorziet in de opname erin van EU-wetgeving met betrekking tot de vier vrijheden in de 30 EER-staten, bestaande uit de EU-lidstaten, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Daarnaast heeft de EER-overeenkomst betrekking op samenwerking op andere belangrijke gebieden, zoals onderzoek en ontwikkeling, onderwijs, sociaal beleid, milieu, consumentenbescherming, toerisme en cultuur, gezamenlijk aangeduid als “flankerend en horizontaal” beleid. De EER-overeenkomst is op 1 januari 1994 in werking getreden. De Europese Unie is samen met haar lidstaten partij bij de EER-overeenkomst.

2.2.Het Gemengd Comité van de EER

Het Gemengd Comité van de EER is verantwoordelijk voor het beheer van de EER-overeenkomst. Het is een forum voor het uitwisselen van standpunten in verband met de werking van de EER-overeenkomst. Zijn besluiten worden bij consensus genomen en zijn bindend voor de partijen. Het Secretariaat-generaal van de Europese Commissie is verantwoordelijk voor de coördinatie van EER-aangelegenheden aan EU-zijde. 

2.3.De beoogde handeling van het Gemengd Comité van de EER

Het Gemengd Comité van de EER zal naar verwachting het besluit van het Gemengd Comité van de EER vaststellen tot wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst (hierna “de beoogde handeling” genoemd).

Het doel van de beoogde handeling is Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/759 van de Commissie inzake een methode voor de berekening van de hoeveelheid hernieuwbare energie die wordt gebruikt voor koeling en stadskoeling 1 en Richtlijn (EU) 2018/2001 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) 2 in de EER-overeenkomst op te nemen.

De beoogde handeling zal voor de partijen bindend zijn overeenkomstig de artikelen 103 en 104 van de EER-overeenkomst.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

De Commissie legt het bijgaande ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER voor aan de Raad met het oog op vaststelling van het standpunt van de Unie. Dit standpunt dient na vaststelling zo spoedig mogelijk in het Gemengd Comité van de EER te worden uiteengezet.

Het bijgaande ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER voorziet in aanpassingen voor de EER-EVA-staten zoals uiteengezet in de overwegingen en de tekst met wijzigingen in het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité in de bijlage, hetgeen verder gaat dan wat als louter technische aanpassingen kan worden beschouwd in de zin van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad 3 . Het standpunt van de Unie moet derhalve door de Raad worden vastgesteld.

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van de “standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 4 .

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

Het Gemengd Comité van de EER is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, namelijk de EER-overeenkomst. De door het Gemengd Comité van de EER vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal overeenkomstig de artikelen 103 en 104 van de EER-overeenkomst volkenrechtelijk bindend zijn.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de EER-overeenkomst. De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU, in samenhang met artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, in samenhang met artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad, vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de materiële rechtsgrondslag van de in de EER-overeenkomst op te nemen EU-rechtshandelingen.

Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component terwijl de andere doelstelling of andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

Aangezien bij het besluit van het Gemengd Comité Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/759 van de Commissie samen met Richtlijn (EU) 2018/2001 in de EER-overeenkomst wordt opgenomen, is het passend dit besluit van de Raad op dezelfde materiële rechtsgrondslag te baseren als de opgenomen handelingen. De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 194, lid 2, VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit moet artikel 194, lid 2, VWEU zijn, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU en artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad.

5.Bekendmaking van de beoogde handeling

Aangezien de handeling van het Gemengd Comité van de EER strekt tot wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst, is het passend die handeling na de vaststelling ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken.

2025/0164 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst

(RED II)


(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 5 , en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 6 (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan bijlage IV (Energie) bij die overeenkomst bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/759 van de Commissie inzake een methode voor de berekening van de hoeveelheid hernieuwbare energie die wordt gebruikt voor koeling en stadskoeling 7 en Richtlijn (EU) 2018/2001 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) 8 moeten in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(4)Verscheidene bepalingen van Richtlijn (EU) 2018/2001 vereisen wezenlijke aanpassingen die de specifieke kenmerken van de EER-overeenkomst en van de EVA-staten weerspiegelen.

(5)Aangezien het bindende streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie niet van toepassing is op de EVA-staten, mag het in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001 vastgestelde streefcijfer van de Unie niet van toepassing zijn op de EVA-staten. Dat artikel is derhalve dienovereenkomstig aangepast. De EVA-staten hebben echter op vrijwillige wijze hun nationale indicatieve streefcijfers voor hernieuwbare energie vastgesteld, zoals uiteengezet in de verklaring van de EVA-staten die aan het besluit van het Gemengd Comité van de EER is gehecht. Bijgevolg mogen de EVA-staten geen deel uitmaken van het Unieplatform voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie, noch deelnemen aan statistische overdrachten met de lidstaten. Artikel 8 van Richtlijn (EU) 2018/2001 hoeft derhalve niet van toepassing zijn op de EVA-staten.

(6)Gezien de afgelegen geografische ligging van IJsland en de daarmee samenhangende uitdagingen bij de berekening van het bruto-eindverbruik van energie in verhouding tot de hoeveelheid energie die in de luchtvaart wordt verbruikt, moet voor IJsland dezelfde drempel gelden als voor Cyprus en Malta in artikel 7 van Richtlijn (EU) 2018/2001.

(7)Wat de vergunningsprocedures van artikel 16 van Richtlijn (EU) 2018/2001 betreft, wordt in het besluit van het Gemengd Comité rekening gehouden met de bijzondere verplichtingen van Noorwegen om de Sami-bevolking te raadplegen, zodat de termijnen voor de vergunningsprocedure als bedoeld in artikel 16, leden 4 tot en met 6, van Richtlijn (EU) 2018/2001 met maximaal één jaar kunnen worden verlengd.

(8)De EVA-staten moeten het beleid van de Unie ten aanzien van de wederzijdse erkenning van garanties van oorsprong met derde landen als bedoeld in artikel 19, lid 11, van Richtlijn (EU) 2018/2001 volgen. Bijgevolg mogen zij door een derde land afgegeven garanties van oorsprong niet erkennen, tenzij de Unie een overeenkomst met dat derde land heeft gesloten en aan de criteria van dat artikel is voldaan. Artikel 19, lid 11, van Richtlijn (EU) 2018/2001 is daarom dienovereenkomstig aangepast.

(9)Aangezien Noorwegen en IJsland een groot aandeel hernieuwbare elektriciteit hebben en Noorwegen die elektriciteit voornamelijk voor verwarmingsdoeleinden gebruikt, terwijl IJsland zijn vraag naar verwarming dekt uit hernieuwbare geothermische bronnen of hernieuwbare elektriciteit, is het passend de berekeningsmethoden met betrekking tot de mainstreaming van verwarming en koeling als bedoeld in artikel 23 van Richtlijn (EU) 2018/2001 aan te passen.

(10) Bovendien is het voor Liechtenstein momenteel niet mogelijk om de artikelen 25 tot en met 31 van Richtlijn (EU) 2018/2001 betreffende hernieuwbare energie in de vervoerssector en duurzaamheidseisen voor hernieuwbare brandstoffen toe te passen, aangezien het brandstofbeleid wordt gereguleerd in de regionale unie van Liechtenstein met Zwitserland. Daarom moet aan Liechtenstein een tijdelijke afwijking worden toegestaan, rekening houdend met het feit dat het binnen die regionale unie een systeem toepast om biobrandstoffen te verhogen op basis van een CO2-compensatiemechanisme met een streefcijfer van 23 % dat sinds 2024 van toepassing is. De afwijking mag alleen van toepassing zijn totdat Richtlijn (EU) 2018/2001, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2023/2413, in de EER-overeenkomst is opgenomen.

(11)Bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER dient derhalve te worden gebaseerd op het hieraan gehechte ontwerpbesluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/759 van de Commissie van 14 december 2021 tot wijziging van bijlage VII bij Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake een methode voor de berekening van de hoeveelheid hernieuwbare energie die wordt gebruikt voor koeling en stadskoeling (PB L 139 van 18.5.2022, blz. 1).
(2)    Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82), gerectificeerd bij PB L 311 van 25.9.2020, blz. 11 en PB L 41 van 22.2.2022, blz. 37.
(3)    Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6).
(4)    Arrest van het Hof van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(5)     PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.
(6)     PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.
(7)     Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/759 van de Commissie van 14 december 2021 tot wijziging van bijlage VII bij Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake een methode voor de berekening van de hoeveelheid hernieuwbare energie die wordt gebruikt voor koeling en stadskoeling (PB L 139 van 18.5.2022, blz. 1).
(8)     Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82), gerectificeerd bij PB L 311 van 25.9.2020, blz. 11 en PB L 41 van 22.2.2022, blz. 37.
Top