Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52025PC0265

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD inzake de sluiting namens de Europese Unie van het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat

COM/2025/265 final

Brussel, 3.6.2025

COM(2025) 265 final

2025/0136(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

inzake de sluiting namens de Europese Unie van het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat


TOELICHTING

(1)ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Bij Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie (“de AI-verordening”) 1 heeft de Unie de eerste uitgebreide verordening en een wereldwijde norm over artificiële intelligentie (“AI”) vastgesteld. Met de AI-verordening, die op 1 augustus 2024 in werking is getreden, worden de regels voor het in de handel brengen, het in gebruik stellen en het gebruik van AI-systemen in de lidstaten volledig geharmoniseerd 2 , met als doel de innovatie in en de toepassing van betrouwbare AI te bevorderen en de gezondheid, de veiligheid en de grondrechten, waaronder de democratie, de rechtsstaat en het milieu, te beschermen.

Diverse internationale organisaties, waaronder de Raad van Europa, hebben ook hun inspanningen voor de regulering van AI opgevoerd en onderkennen dat AI een grensoverschrijdend karakter heeft en dat internationale samenwerking noodzakelijk is om de gemeenschappelijke uitdagingen van deze technologie aan te pakken.

Tussen juni 2022 en maart 2024 heeft het Comité artificiële intelligentie 3 (“CAI”) van de Raad van Europa gewerkt aan een juridisch bindend kaderverdrag (“het Verdrag”) om de potentiële risico’s van AI voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat aan te pakken.

Het Comité van Ministers van de Raad van Europa heeft de tekst van het Verdrag 4 op 17 mei 2024 vastgesteld, besloten het Verdrag op 5 september 2024 in Vilnius (Litouwen) voor ondertekening open te stellen, en de leden van de Raad van Europa, andere niet-leden die aan de opstelling hebben deelgenomen en de Unie verzocht het Verdrag bij die gelegenheid te ondertekenen, eraan herinnerend dat het Verdrag ook voor toetreding van andere niet-leden openstaat 5 .

De Unie heeft het Verdrag op 5 september 2024 ondertekend, na de vaststelling door de Raad van Besluit (EU) 2024/2218 van de Raad van 28 augustus 2024 inzake de ondertekening namens de Europese Unie van het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat 6 . Het Verdrag is bij die gelegenheid ook ondertekend door Andorra, Georgië, IJsland, Israël, Montenegro, Noorwegen, de Republiek Moldavië, San Marino, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika. Het staat open voor ondertekening voor andere leden van de Raad van Europa en voor niet-leden die op enig moment aan de opstelling ervan hebben deelgenomen. Na de inwerkingtreding kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, met inachtneming van de procedure van artikel 31 van het Verdrag, elke derde staat van de Raad van Europa die niet aan de opstelling van dit Verdrag heeft deelgenomen, uitnodigen om tot het Verdrag toe te treden.

In dit verband heeft het onderhavige voorstel voor een besluit van de Raad tot doel het proces voor de sluiting van het Verdrag namens de Unie op gang te brengen overeenkomstig Besluit 2024/2218 van de Raad houdende machtiging tot ondertekening ervan. De sluiting van het eerste internationale akkoord inzake AI biedt de Unie een waardevolle gelegenheid om een gemeenschappelijke aanpak ter regulering van AI op internationaal niveau te bevorderen en een kader te bieden voor samenwerking met leden van de Raad van Europa en derde landen die partij worden bij het Verdrag.

·Inhoud van het Verdrag

Het Verdrag heeft tot doel te waarborgen dat de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen volledig conform de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat zijn.

De partijen bij het Verdrag moeten het uitvoeren met passende wettelijke, bestuurlijke of andere maatregelen om het gevolg te doen vinden, volgens een gekalibreerde en gedifferentieerde aanpak en naargelang de ernst en de waarschijnlijkheid van negatieve effecten. Het Verdrag moet in de Unie uitsluitend worden uitgevoerd aan de hand van de AI-verordening, die de regels voor het in de handel brengen, het in gebruik stellen en het gebruik van AI-systemen en ander toepasselijk acquis van de Unie volledig harmoniseert.

Het toepassingsgebied van het Verdrag omvat AI-systemen die de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat kunnen schenden, waarbij een gedifferentieerde aanpak wordt gevolgd. De beginselen en de verplichtingen die in het Verdrag zijn bepaald, gelden voor de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen die door overheidsinstanties of door namens hen optredende particuliere partijen worden verricht. Wat de particuliere sector betreft, zijn de partijen verplicht om voor de risico’s en de gevolgen die voortvloeien uit de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen door particuliere partijen een aanpak te volgen die conform het onderwerp en het doel van het Verdrag is, maar hebben de partijen de keuze om de verplichtingen van het Verdrag toe te passen of andere passende maatregelen te treffen. In de bijlage bij het onderhavige voorstel voor een besluit van de Raad is een ontwerpverklaring opgenomen die de Unie bindt, door middel van de AI-verordening en ander toepasselijk acquis van de Unie, om de beginselen en de verplichtingen van de hoofdstukken II tot en met VI van het Verdrag uit te voeren ten aanzien van de activiteiten van particuliere partijen die AI-systemen in de Unie in de handel brengen, in gebruik stellen en gebruiken.

AI-activiteiten in verband met de nationale veiligheid zijn van het toepassingsgebied van het Verdrag uitgesloten, met dien verstande dat zij in elk geval moeten worden verricht op een wijze die strookt met het toepasselijke internationale recht inzake de mensenrechten en de democratische instellingen en processen in acht neemt. Het Verdrag sluit ook onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten uit met betrekking tot nog niet voor gebruik beschikbaar gestelde AI-systemen, tenzij testen of soortgelijke activiteiten de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat kunnen schenden. Overeenkomstig het Statuut van de Raad van Europa vallen aangelegenheden betreffende nationale defensie niet binnen het toepassingsgebied van het Verdrag.

Voorts zijn in het Verdrag algemene verplichtingen en fundamentele beginselen opgenomen, waaronder de bescherming van de menselijke waardigheid en de individuele autonomie, alsmede de bevordering van gelijkheid en non-discriminatie. Daarnaast geldt er een plicht tot eerbiediging van de bescherming van de privacy en persoonsgegevens, alsook inzake transparantie en toezicht ter waarborging van de verantwoordingsplicht en aansprakelijkheid. Ook is er een beginsel aan veilige innovatie en experimenten in een gecontroleerde omgeving gewijd.

Een hoofdstuk over rechtsmiddelen bevat maatregelen om toegankelijke en doeltreffende rechtsmiddelen tegen schendingen van de mensenrechten als gevolg van de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen beschikbaar te stellen. Het omvat ook doeltreffende procedurele waarborgen voor personen wier rechten door het gebruik van AI-systemen ernstig zijn aangetast. Daarnaast moeten personen ervan in kennis worden gesteld dat zij met een AI-systeem en niet met een mens in contact staan.

Het Verdrag bevat ook een hoofdstuk over iteratief uit te voeren maatregelen voor de beoordeling en de beperking van risico’s en negatieve effecten om feitelijke en potentiële gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat in kaart te brengen en passende preventieve en beperkende maatregelen te treffen.

Voorts is in het Verdrag bepaald dat de partijen moeten beoordelen of er verboden of moratoria nodig zijn voor bepaalde toepassingen van AI-systemen die onverenigbaar met de eerbiediging van de mensenrechten, de werking van de democratie of de rechtsstaat worden geacht.

Het Verdrag bevat een follow-upmechanisme binnen het kader van een Conferentie van de Partijen, bestaande uit vertegenwoordigers van de partijen die periodiek overleg voeren teneinde de doeltreffende toepassing en uitvoering van het Verdrag te vergemakkelijken.

Het Verdrag bevat verder een mechanisme voor internationale samenwerking, zowel tussen de partijen bij het Verdrag als in de betrekkingen met niet-lidstaten en belanghebbenden, om het doel van het Verdrag te verwezenlijken.

Tot slot moet elke partij op nationaal niveau een of meer doeltreffende mechanismen instellen of aanwijzen om op de naleving van de verplichtingen van het Verdrag door de partijen toe te zien.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Het Verdrag bevat algemene beginselen en verplichtingen voor de bescherming van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat die volledig consistent met en conform aan de doelstellingen van de AI-verordening en de nadere voorschriften voor AI-systemen zijn, alsook conform de verplichtingen die aan aanbieders en exploitanten van dergelijke systemen zijn opgelegd.

De definitie van “AI-systeem” in het Verdrag komt volledig overeen met die in de AI-verordening, aangezien ze allebei op de definitie van dergelijke systemen in de AI-beginselen 7 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (“OESO”) gebaseerd zijn, als waarborg van een gemeenschappelijke interpretatie van de vraag welke digitale technologie tot AI behoort.

Zowel het Verdrag als de AI-verordening volgen ook een op risico’s gebaseerde benadering van de regulering van AI-systemen en bevatten specifieke bepalingen voor risico- en effectbeoordelingen en risicobeperkende maatregelen. De AI-verordening omvat met name een aantal verboden en gevallen van gebruik met een hoog risico voor AI-systemen in de publieke en de particuliere sector, onder meer op het gebied van democratie en justitie. De nadere regels en procedures van de AI-verordening voor de ontwikkeling, het in de handel brengen en de uitrol van AI-systemen op die gebieden zullen er aldus voor zorgen dat de grondrechten, de democratie en de rechtsstaat gedurende de gehele levenscyclus van AI-systemen worden geëerbiedigd.

Het Verdrag omvat beginselen en verplichtingen die reeds onder de AI-verordening vallen, zoals maatregelen ter bescherming van de mensenrechten, veiligheid en betrouwbaarheid, verantwoordingsplicht en verantwoordelijkheid, gegevensbeheer en gegevensbescherming, transparantie en toezicht, gelijkheid en non-discriminatie, en digitale vaardigheden en geletterdheid.

Transparantie is een ander gemeenschappelijk element in beide rechtsinstrumenten, met onder andere maatregelen ter bepaling van door AI gegenereerde inhoud en ter kennisgeving aan personen die AI-systemen gebruiken. Beide rechtsinstrumenten bevatten ook bepalingen inzake risico- en effectbeoordelingen en risicobeheer, het bijhouden van gegevens, openbaarmaking (aan bevoegde instanties en autoriteiten en, in voorkomend geval, betrokken personen), traceerbaarheid en verklaarbaarheid, veilige innovatie en experimenten in een gecontroleerde omgeving, alsook maatregelen om doeltreffende rechtsmiddelen te bieden, waaronder procedurele waarborgen en het recht om bij een bevoegde autoriteit inlichtingen op te vragen en te krijgen en klachten in te dienen.

Het in het Verdrag beoogde toezichtstelsel komt ook volledig overeen met het uitgebreide governance- en handhavingstelsel van de AI-verordening, dat bestaat uit handhaving op Unie- en nationaal niveau, met procedures voor de consistente uitvoering van de Unieregels in de lidstaten. In het Verdrag zijn met name een of meer doeltreffende toezichtmechanismen op nationaal niveau gepland die hun taken onafhankelijk en onpartijdig moeten uitoefenen en over de nodige bevoegdheden, deskundigheid en middelen moeten beschikken om doeltreffend toe te zien op de naleving van de verplichtingen van het Verdrag door de partijen.

De AI-verordening zal van toepassing zijn op AI-systemen die in de Unie in de handel worden gebracht, in gebruik worden genomen of worden gebruikt, maar het Verdrag heeft een breder geografisch bereik dat niet alleen de leden van de Raad van Europa maar ook niet-lidstaten wereldwijd omvat die tot het Verdrag kunnen toetreden. Het Verdrag biedt dus een unieke kans om betrouwbare AI buiten de Unie te bevorderen in een eerste juridisch bindend internationaal Verdrag dat door een sterke mensenrechtenbenadering van AI-regelgeving wordt geschraagd.

Zowel het Verdrag als de AI-verordening zijn integraal onderdeel van een regelgevingsaanpak van AI, met consistente en elkaar versterkende verbintenissen op verscheidene internationale niveaus en met de gemeenschappelijke doelstelling om betrouwbare AI te waarborgen.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Het Verdrag deelt ook gemeenschappelijke doelstellingen met ander beleid en andere wetgeving van de Unie die op de uitvoering van de in het Handvest van de grondrechten van de Unie verankerde grondrechten gericht zijn 8 .

Met name het in het Verdrag verankerde beginsel van gelijkheid en non-discriminatie is volledig conform de non-discriminatiewetgeving van de Unie en zal de integratie van gelijkheidsoverwegingen in het ontwerp, de ontwikkeling en het gebruik van AI-systemen en de doeltreffende uitvoering van het discriminatieverbod bevorderen, zoals bepaald in het toepasselijke internationale en nationale recht van de partijen.

Het Verdrag is voorts conform het acquis van de Unie inzake gegevensbescherming, met inbegrip van de algemene verordening gegevensbescherming 9 met betrekking tot de grondrechten inzake privacy en de bescherming van persoonsgegevens, met doeltreffende waarborgen voor natuurlijke personen conform de toepasselijke nationale en internationale wettelijke verplichtingen van de partijen.

De in het Verdrag beoogde maatregelen ter bescherming van de democratische processen van de partijen in het kader van activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen komen volledig overeen met de doelstellingen en de nadere regels van de digitaledienstenverordening 10 (en de gedragscode op het gebied van desinformatie 11 ), die de verlening van tussenhandelsdiensten in de Unie regelt om een veilige, voorspelbare en betrouwbare onlineomgeving te creëren waarin de grondrechten, met inbegrip van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht om informatie te ontvangen en te delen, worden geëerbiedigd. Ze zijn ook conform de verordening betreffende transparantie en gerichte politieke reclame 12 , die een specifiek transparantievereiste bevat als AI-systemen worden gebruikt voor de verspreiding van politieke reclameboodschappen. Verder zijn de maatregelen conform het beleid van de Unie op het gebied van de democratie en vrije, eerlijke en veerkrachtige verkiezingen 13 , waaronder het actieplan voor Europese democratie van 2020 14 , het pakket voor verkiezingen en integriteit 15 , en recent ook het pakket over de verdediging van de democratie van 2023 16 .

Het Verdrag is conform de digitale strategie van de Unie, aangezien het bijdraagt tot de bevordering van technologie die werkt voor de mensen, een van de drie belangrijkste pijlers van de beleidsoriëntatie en de doelstellingen die in de mededeling “De digitale toekomst van Europa vormgeven” zijn benoemd 17 . Het doel van die mededeling is dat AI wordt ontwikkeld op een manier die de mensenrechten eerbiedigt en het vertrouwen van de mensen waardig is, zodat Europa klaar is voor het digitale tijdperk en we van dit decennium het digitale decennium kunnen maken 18 .

Bovendien bevat de Europese verklaring over digitale rechten en beginselen voor het digitale decennium 19 verscheidene digitale rechten en beginselen die op de doelstellingen en de beginselen van het Verdrag zijn afgestemd en bevorderen beide instrumenten een sterke, op mensenrechten gebaseerde benadering van technologie.

Tot slot is het Verdrag conform de EU-strategie voor de rechten van het kind 20 en de Europese strategie voor een beter internet voor kinderen (BIK+) 21 , die tot doel hebben te waarborgen dat kinderen online worden beschermd, geëerbiedigd en mondig worden gemaakt om de uitdagingen van nieuwe virtuele werelden en AI het hoofd te bieden.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Het voorstel voor een besluit houdende machtiging tot sluiting van het Verdrag namens de Unie wordt overeenkomstig artikel 218, lid 6, punt a), v), VWEU bij de Raad ingediend.

De procedurele rechtsgrondslag voor het besluit van de Raad — artikel 218, lid 6, punt a), v), VWEU — omvat een besluit van de Raad houdende sluiting van de overeenkomst, op voorstel van de Commissie als onderhandelaar; in het geval van een overeenkomst betreffende een gebied waarop de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is, na goedkeuring van het Europees Parlement. Artikel 218, lid 8, eerste alinea, VWEU bepaalt dat er wordt gestemd met gekwalificeerde meerderheid voor de vaststelling van het besluit van de Raad.

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 6, punt a), v), VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats door de doelstelling en de inhoud van de overeenkomst bepaald. Volgens de rechtspraak moet, indien uit onderzoek van een handeling van de Europese Unie blijkt dat zij een tweeledig doel heeft of dat er sprake is van twee componenten, waarvan er een als hoofddoel of voornaamste component kan worden gezien, terwijl het andere doel of de andere component slechts van ondergeschikt belang is, de handeling op één enkele rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke is vereist, gelet op het hoofddoel of de overwegende component. Indien daarentegen vaststaat dat de handeling tegelijkertijd meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden doelstellingen of componenten heeft zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, zodat verschillende bepalingen van de Verdragen van toepassing zijn, moet deze maatregel bij wijze van uitzondering op de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen worden gebaseerd.

Wat de materiële rechtsgrondslag betreft, valt het materiële toepassingsgebied van het Verdrag onder het toepassingsgebied van de AI-verordening, onder meer ten aanzien van de vrijstelling van het toepassingsgebied met betrekking tot AI-systemen die uitsluitend voor onderzoek en ontwikkeling, nationale veiligheid en militaire activiteiten worden gebruikt. Uit bovenstaande analyse blijkt ook dat de beginselen en verplichtingen in het Verdrag grotendeels worden bestreken door en overlappen met de nadere vereisten voor AI-systemen en de specifieke verplichtingen van aanbieders en exploitanten van dergelijke systemen uit hoofde van de AI-verordening. Indien de Raad het voorgestelde besluit vaststelt en de Unie het Verdrag sluit, vormt de AI-verordening de belangrijkste Uniewetgeving om het Verdrag in de rechtsorde van de Unie uit te voeren met volledig geharmoniseerde regels inzake het in de handel brengen, het in gebruik stellen en het gebruik van AI-systemen in de Unie die rechtstreeks in de lidstaten toepasselijk zijn, tenzij de AI-verordening specifiek anders bepaalt 22 .

Aangezien het toepassingsgebied en de doelstellingen van het Verdrag op elkaar zijn afgestemd en volledig conform die van de AI-verordening zijn en beide rechtsinstrumenten in grote mate overlappen, is de materiële rechtsgrondslag voor de sluiting van het Verdrag artikel 114 VWEU, te weten de primaire rechtsgrondslag van de AI-verordening.

De aard van de internationale overeenkomsten (uitsluitend de EU betreffende of gemengde overeenkomsten) hangt af van de verenigbaarheid van het specifieke onderwerp met de uitsluitende of gedeelde bevoegdheden van de Unie.

In artikel 3, lid 2, VWEU is bepaald dat de Unie exclusief bevoegd is “een internationale overeenkomst te sluiten [...] wanneer die sluiting gemeenschappelijke regels kan aantasten of de strekking daarvan kan wijzigen”. Een internationale overeenkomst kan de gemeenschappelijke regels aantasten of hun strekking wijzigen indien de door de overeenkomst omvatte reikwijdte grotendeels met het Unierecht samenvalt of daardoor wordt omvat 23 .

Het personele toepassingsgebied van het Verdrag is volledig conform de AI-verordening, aangezien beide rechtsinstrumenten in beginsel zowel publieke als particuliere partijen bestrijken (met de facultatieve toepassing van de beginselen en de verplichtingen van het Verdrag op andere particuliere partijen dan degene die namens overheidsinstanties optreden); het materiële toepassingsgebied van beide rechtsinstrumenten sluit AI-activiteiten uitsluitend in verband met nationale veiligheid, militaire activiteiten en onderzoek evenwel van de toepasselijke regels uit.

Aangezien het personele en het materiële toepassingsgebied van het Verdrag en de AI-verordening overlappen, kan de sluiting van het Verdrag gevolgen hebben voor gemeenschappelijke regels van de Unie of de strekking daarvan wijzigen in de zin van artikel 3, lid 2, VWEU. Bijgevolg moet de Unie worden geacht exclusieve externe bevoegdheid te hebben om het Verdrag te sluiten en moet het Verdrag namens de Unie worden gesloten als een uitsluitend de EU betreffende overeenkomst, aangezien het was ondertekend op grond van de goedkeuring ingevolge Besluit 2024/2218 van de Raad.

Evenredigheid

Het Verdrag gaat niet verder dan wat nodig is om de beleidsdoelstellingen te verwezenlijken om een coherente aanpak van AI-regelgeving op internationaal niveau te ontwikkelen.

Door het Verdrag wordt een rechtskader op hoog niveau voor AI vastgesteld dat flexibiliteit mogelijk maakt, waardoor de partijen de uitvoeringskaders concreet kunnen ontwerpen. De op risico’s gebaseerde aanpak waarborgt ook de evenredigheid van de regels en maakt differentiatie van de uitvoeringsmaatregelen mogelijk zodat dit in verhouding staat tot de risico’s, op soortgelijke wijze als de AI-verordening.

Keuze van het instrument

Het gekozen instrument is een voorstel voor een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 218, lid 6, punt a), v), VWEU.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Grondrechten

Het Verdrag heeft tot doel potentiële risico’s voor en de aantasting van de mensenrechten aan te pakken door te waarborgen dat de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen overeenkomen met de beginselen van de eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, en door het potentieel van AI te onderkennen om de uitoefening van die rechten in de digitale omgeving te beschermen en te vergemakkelijken en het maatschappelijk en milieuwelzijn en de technologische vooruitgang te verbeteren.

De concrete beginselen en verplichtingen van het Verdrag zijn gericht op de bescherming en de eerbiediging van de mensenrechten, die in verscheidene internationale en regionale instrumenten zijn verankerd 24 , zoals die op de partijen van toepassing zijn, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Unie en de internationale instrumenten inzake mensenrechten die de Unie heeft gesloten.

Aldus is in het Verdrag een gemeenschappelijke minimumnorm voor de bescherming van de mensenrechten in de context van AI vastgelegd, waarbij de bestaande bescherming van de mensenrechten wordt gewaarborgd en de partijen een ruimere bescherming met strengere waarborgen kunnen bieden.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het Verdrag beoogt dat niet-lidstaten financieel aan de activiteiten van de Conferentie van de Partijen bijdragen. De leden van de Raad van Europa dragen bij via de gewone begroting van de Raad van Europa overeenkomstig het Statuut van de Raad van Europa, maar partijen die geen lid zijn, leveren extrabudgettaire bijdragen. De bijdrage van een niet-lidstaat van de Raad van Europa wordt gezamenlijk door het Comité van Ministers en die niet-lidstaat vastgesteld.

Het Verdrag laat nationale wet- en regelgeving van de partijen inzake begrotingsbevoegdheden en procedures voor begrotingskredieten onverlet. Het Kaderverdrag bepaalt niet in welke vorm de bijdragen, met inbegrip van de bedragen en de betalingsvoorwaarden, van de partijen die geen lid zijn van de Raad van Europa, worden vastgesteld. De rechtsgrondslag voor de bijdrage van die partijen is het Kaderverdrag zelf en de handeling(en) waarbij die bijdrage wordt vastgesteld 25

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De Conferentie van de Partijen, bestaande uit vertegenwoordigers van de partijen, ziet toe op de daadwerkelijke uitvoering van het Verdrag door de partijen en doet daartoe specifieke aanbevelingen. De Conferentie van de Partijen zal ook mogelijke wijzigingen van het Verdrag in overweging nemen.

Elke partij moet de Conferentie van de Partijen binnen de eerste twee jaar na de toetreding en vervolgens op gezette tijden een verslag verstrekken waarin de maatregelen ter uitvoering van het Verdrag zijn beschreven. Voorts worden de partijen aangemoedigd samen te werken om de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken. Deze internationale samenwerking kan het delen van belangrijke inlichtingen over AI omvatten, alsook het potentieel ervan om de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat negatief of positief te beïnvloeden.

Met het oog op het toezicht en de uitvoering van het Verdrag moet elke partij een of meer doeltreffende toezichtmechanismen op nationaal niveau aanwijzen. Op Unieniveau zorgt de Commissie voor het toezicht op en de uitvoering van het Verdrag, overeenkomstig de Verdragen.

De overwegingen van het onderhavige voorstel voor de sluiting van het Verdrag bevestigen dat de Raad, overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, op voorstel van de Commissie besluiten moet vaststellen tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in de Conferentie van de Partijen wanneer dat lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met name het reglement van orde van de Conferentie van Partijen. Tijdens de onderhandelingen van dat reglement van orde, dat twaalf maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag bij consensus moet worden vastgesteld 26 , streeft de Unie ernaar dat zij 27 stemmen krijgt toegewezen, hetgeen overeenkomt met het aantal lidstaten. In het geval dat de 27 stemmen aan de Unie worden toegewezen, streeft de Commissie als vertegenwoordiger van de Unie ernaar te zorgen voor een betere coördinatie met de lidstaten om eenvormige standpunten uit te brengen in de Conferentie van de Partijen, en haar stemrecht namens de Unie uit te oefenen. Een dergelijke verbeterde coördinatie is met name van belang aangezien alle lidstaten ook lid zijn van de Raad van Europa, artificiële intelligentie van snel veranderende aard is en een coherent mondiaal toepasbaar kader op dit gebied noodzakelijk is. Met het oog op die verbeterde coördinatie moet de Raad worden betrokken bij het opstellen van standpunten, ongeacht de aard ervan, met inbegrip van standpunten die gebaseerd zijn op artikel 16, lid 1, VEU en artikel 218, lid 9, VWEU. Indien de Unie er, ondanks haar inspanningen, niet in slaagt 27 stemmen toegewezen te krijgen, stelt de Commissie voor dat de lidstaten uit hoofde van artikel 2, lid 1, VWEU en met volledige inachtneming van de exclusieve bevoegdheid van de Unie worden gemachtigd om naast de Unie tot het Verdrag toe te treden, teneinde te waarborgen dat de Unie een aantal stemmen heeft dat haar gewicht in de Raad van Europa weerspiegelt en haar in staat stelt haar belangen op passende wijze te verdedigen.

De Commissie zal elke lidstaat verzoeken één vertegenwoordiger te sturen ter begeleiding van de vertegenwoordiging van de Commissie als onderdeel van de delegatie van de Unie bij de vergaderingen van de Conferentie van de Partijen. Hierbij moet het beginsel van loyale samenwerking worden geëerbiedigd.

2025/0136 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

inzake de sluiting namens de Europese Unie van het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, in samenhang met artikel 218, lid 6, punt a,) v),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Overeenkomstig Besluit (EU) 2024/2218 van de Raad 27 is het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en mensenrechten, democratie en de rechtsstaat (“het Verdrag”) op 5 september 2024 namens de Europese Unie ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een latere datum.

(2)Het Verdrag bevat algemene beginselen en verplichtingen die de partijen bij het Verdrag moeten naleven om met betrekking tot de activiteiten binnen de levenscyclus van artificiële-intelligentiesystemen (“AI-systemen”) de bescherming van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat te waarborgen.

(3)Op 13 juni 2024 hebben het Europees Parlement en de Raad, op grond van de artikelen 16 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad 28 vastgesteld, die , over het algemeen op volledige harmonisatie gebaseerde regels bevat die het in de handel brengen, het in gebruik stellen en het gebruik van AI-systemen in de Unie regelen. Die regels zijn rechtstreeks in de lidstaten van toepassing, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in die verordening. Het Verdrag wordt in de Unie uitsluitend door middel van Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad en ander toepasselijk acquis van de Unie uitgevoerd.

(4)Activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen die verband houden met de bescherming van nationale veiligheidsbelangen zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van dit Verdrag. AI-systemen die uitsluitend voor nationale veiligheidsdoeleinden in de handel worden gebracht, in gebruik worden gesteld of worden gebruikt, met of zonder wijzigingen, alsook de output van AI-systemen die uitsluitend voor dergelijke doeleinden in de Unie worden gebruikt, ongeacht het soort entiteit dat deze activiteiten uitvoert, worden ook uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad, die de belangrijkste rechtshandeling van de Unie is voor de uitvoering van het Verdrag. Bovendien blijft nationale veiligheid de exclusieve bevoegdheid van iedere lidstaat overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Bijgevolg moet het standpunt van de Unie dat in de door het Verdrag ingestelde Conferentie van de Partijen tot uitdrukking moet worden gebracht, de hierboven uiteengezette grenzen in acht nemen. De Commissie moet zich met name onthouden van besprekingen over activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen met betrekking tot de bescherming van nationale veiligheidsbelangen en geen standpunt hierover innemen tijdens de vergaderingen van de Conferentie van de Partijen.

(5)Aangezien het personele en het materiële toepassingsgebied van het Verdrag en de materiële bepalingen daarvan grotendeels overlappen met Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad, die wordt aangevuld door ander toepasselijk acquis van de Unie, kan de sluiting van het Verdrag gevolgen hebben voor gemeenschappelijke regels van de Unie of de strekking daarvan wijzigen in de zin van artikel 3, lid 2, VWEU. Dergelijk ander relevant acquis van de Unie omvat rechtshandelingen die gericht zijn op de uitvoering van de grondrechten die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn verankerd, zoals de wetgeving van de Unie inzake non-discriminatie, met inbegrip van de Richtlijnen 2000/43/EG 29 en 2000/78/EG 30 van de Raad; het acquis van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens, met inbegrip van Verordeningen (EU) 2016/679 31 en (EU) 2022/2065 32 van het Europees Parlement en de Raad, die gericht zijn op een veilige, voorspelbare en betrouwbare onlineomgeving waarin de grondrechten, inclusief het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht om informatie te ontvangen en te verstrekken, worden geëerbiedigd; Verordening (EU) 2024/900 van het Europees Parlement en de Raad betreffende politieke reclame 33 ; en wetgeving inzake productveiligheid en wetgeving inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, zoals Richtlijn 85/374/EEG van de Raad 34 . De Unie is derhalve exclusief extern bevoegd om het Verdrag te sluiten. Bijgevolg mag alleen de Unie partij worden bij het Verdrag.

(6)De Conferentie van de Partijen zal een belangrijke rol spelen bij de feitelijke uitvoering van het Verdrag, onder meer door specifieke aanbevelingen te doen met betrekking tot de interpretatie en de toepassing ervan. De Conferentie van de Partijen zal ook mogelijke wijzigingen van het Verdrag in overweging nemen. Overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU moet de Raad op voorstel van de Commissie besluiten vaststellen tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in de Conferentie van de Partijen wanneer dat lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met name het reglement van orde van de Conferentie van Partijen. Tijdens de onderhandelingen van dat reglement van orde, dat twaalf maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag bij consensus moet worden vastgesteld, streeft de Unie ernaar dat zij 27 stemmen krijgt toegewezen, hetgeen overeenkomt met het aantal lidstaten. In het geval dat de 27 stemmen aan de Unie worden toegewezen, moet de Commissie als vertegenwoordiger van de Unie zorgen voor een betere coördinatie met de lidstaten om eenvormige standpunten uit te dragen in de Conferentie van de Partijen, en haar stemrecht namens de Unie uitoefenen. Een dergelijke verbeterde coördinatie is met name van belang aangezien alle lidstaten ook lid zijn van de Raad van Europa, AI van snel veranderende aard is en een coherent mondiaal toepasbaar kader op het gebied van AI noodzakelijk is. Met het oog op die verbeterde coördinatie moet de Raad worden betrokken bij het opstellen van standpunten, ongeacht de aard ervan, met inbegrip van standpunten die gebaseerd zijn op artikel 16, lid 1, VEU en artikel 218, lid 9, VWEU. Indien de Unie er, ondanks haar inspanningen, niet in slaagt 27 stemmen toegewezen te krijgen, moet de Commissie voorstellen dat de lidstaten uit hoofde van artikel 2, lid 1, VWEU en met volledige inachtneming van de exclusieve bevoegdheid van de Unie worden gemachtigd om naast de Unie tot het Verdrag toe te treden, teneinde te waarborgen dat de Unie een aantal stemmen heeft dat haar gewicht in de Raad van Europa weerspiegelt en haar in staat stelt haar belangen op passende wijze te verdedigen.

(7)De Commissie zal elke lidstaat verzoeken één vertegenwoordiger te sturen ter begeleiding van de vertegenwoordiging van de Commissie als onderdeel van de delegatie van de Unie bij de vergaderingen van de Conferentie van de Partijen. Hierbij moet het beginsel van loyale samenwerking worden geëerbiedigd.

(8)Ter zake van alle eventuele andere overeenkomsten die in de toekomst worden gesloten onder auspiciën van de Raad van Europa of in andere internationale fora, onder meer op het gebied van AI, en ten aanzien van alle wijzigingen van het Verdrag, moet de verdeling van de externe bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten worden beoordeeld in het licht van de specifieke kenmerken van elk van die instrumenten. Het is van het grootste belang dat de Unie en haar lidstaten op een consistente en gecoördineerde wijze en volledig in overeenstemming met de Verdragen hun rechtstreekse en actieve rol kunnen blijven uitoefenen bij het laten horen van de stem van de Unie en het beschermen van haar belangen.

(9)Het Verdrag moet namens de Unie worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De sluiting van het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (“het Verdrag”) wordt hierbij namens de Unie goedgekeurd.

De tekst van het te sluiten Verdrag is als bijlage I aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa voor te leggen verklaringen, die in bijlage II bij dit besluit zijn gevoegd, worden hierbij namens de Unie goedgekeurd.

Artikel 3

Het Verdrag wordt in de Unie uitsluitend door middel van Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie en ander toepasselijk acquis van de Unie uitgevoerd.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op […].

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 300/2008, (EU) nr. 167/2013, (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1139 en (EU) 2019/2144 en de Richtlijnen 2014/90/EU, (EU) 2016/797 en (EU) 2020/1828 (verordening artificiële intelligentie).
(2)    AI-verordening, overwegingen 1 en 8.
(3)     Besluit inzake de werkzaamheden van het CAI tijdens de 132e zitting van het Comité van Ministers – Follow-up (CM/Inf(2022)20, DD(2022)245) .
(4)    Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, Vilnius, 5.IX.2024, CETS 225
(5)    CM/Del/Dec(2024)133/4.
(6)    Besluit (EU) 2024/2218 van de Raad van 28 augustus 2024 inzake de ondertekening namens de Europese Unie van het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, ST/12385/2024/INIT, PB L, 2024/2218.
(7)    De OESO-definitie van een “AI-systeem” is op 8 november 2023 geactualiseerd [C(2023)151 en C/M(2023)14, punt 218] om te waarborgen dat zij technisch nauwkeurig blijft en technologische ontwikkelingen weerspiegelt, onder meer met betrekking tot generatieve AI.
(8)

   Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB C 326 van 26.10.2012, blz. 391).

(9)    Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(10)    Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (PB L 277 van 27.10.2022, blz. 1).
(11)     De EU-gedragscode op het gebied van desinformatie Shaping Europe’s digital future
(12)    Verordening (EU) 2024/900 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 betreffende transparantie en gerichte politieke reclame, PE/90/2023/REV/1 (PB L, 2024/900, 20.3.2024).
(13)     Bescherming van de democratie - Europese Commissie (europa.eu) .
(14)     https://commission.europa.eu/strategy-and-policy/priorities-2019-2024/new-push-european-democracy/protecting-democracy_nl .
(15)     https://commission.europa.eu/publications/reinforcing-democracy-and-integrity-elections-all-documents_en .
(16)    Mededeling van de Commissie over de verdediging van de democratie (COM(2023) 630 final).
(17)    Mededeling van de Commissie – De digitale toekomst van Europa vormgeven (COM(2020) 67 final).
(18)    Mededeling van de Commissie “ Digitaal kompas 2030: de Europese aanpak voor het digitale decennium , (COM(2021) 118 final).
(19)     Europese verklaring over digitale rechten en beginselen voor het digitale decennium (COM(2022) 28 final).
(20)    Mededeling van de Commissie over de EU-strategie voor de rechten van het kind (COM(2021) 142 final).
(21)    Mededeling van de Commissie – Een digitaal decennium voor kinderen en jongeren: de nieuwe Europese strategie voor een beter internet voor kinderen (BIK+) (COM(2022) 212 final).
(22)    Zie artikel 1 en overweging 1 van de AI-verordening.
(23)    Bv. zaak C-114/12, Commissie/Raad (naburige rechten van omroeporganisaties), ECLI:EU:C:2014:2151, punten 68-69; advies 1/13, toetreding van derde landen tot het Verdrag van Den Haag, ECLI:EU:C:2014:2303, punten 71-74; zaak C-66/13, Green Network, ECLI:EU:C:2014:2399, punten 27-33; advies 3/15, Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben, ECLI:EU:C:2017:114, punten 105-108.
(24)    Zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (ETS nr. 5) van 1950, het Europees Sociaal Handvest (ETS nr. 35) van 1961, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966, hun bijbehorende protocollen, het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989, het Europees Sociaal Handvest (herziene versie) (ETS nr. 163) van 1996 en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van 2006.
(25)    Zie punt 134 van de toelichting bij het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat
(26)    Overeenkomstig artikel 30, lid 3, van het Verdrag treedt het in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop vijf ondertekenaars, waaronder ten minste drie lidstaten van de Raad van Europa, hun instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht.
(27)    Besluit (EU) 2024/2218 van de Raad van 28 augustus 2024 inzake de ondertekening namens de Europese Unie van het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, ST/12385/2024/INIT, PB L, 2024/2218, 4.9.2024.
(28)    Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 300/2008, (EU) nr. 167/2013, (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1139 en (EU) 2019/2144, en de Richtlijnen 2014/90/EU, (EU) 2016/797 en (EU) 2020/1828 (verordening artificiële intelligentie) ( PB L, 2024/1689, 12.7.2024, ELI :  http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj ).
(29)    Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming ( PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22 ).
(30)    Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep ( PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16 ).
(31)    Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) ( PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1 ).
(32)    Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een interne markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) ( PB L 277 van 27.10.2022, blz. 1 ).
(33)    Verordening (EU) 2024/900 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 betreffende transparantie en gerichte politieke reclame ( PB L, 2024/900, 20.3.2024, ELI:  http://data.europa.eu/eli/reg/2024/900/oj ).
(34)    Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad, PE/7/2024/REV/1, PB L, 2024/2853, 18.11.2024.
Top

Brussel, 3.6.2025

COM(2025) 265 final

BIJLAGEN

bij

Voorstel voor een Besluit van de Raad

inzake de sluiting namens de Europese Unie van het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat


BIJLAGE I

Tekst van het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat

Vilnius, 5.IX.2024

Preambule

De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is om een grotere eenheid tussen zijn leden tot stand te brengen, met name op basis van de eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

De waarde onderkennend van het bevorderen van de samenwerking tussen de partijen bij dit Verdrag en van de uitbreiding daarvan tot andere staten die dezelfde waarden delen;

Zich bewust van de snelle ontwikkelingen op het gebied van wetenschap en technologie en van de ingrijpende veranderingen die voortvloeien uit de activiteiten binnen de levenscyclus van artificiële-intelligentiesystemen (“AI-systemen”), die door een verbetering van de vooruitgang en innovatie het potentieel hebben om de menselijke welvaart, het individuele en het maatschappelijke welzijn, de duurzame ontwikkeling, de gendergelijkheid, de empowerment van vrouwen en meisjes en andere belangrijke doelstellingen en belangen te bevorderen;

Onderkennend dat de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen ongekende kansen kunnen bieden om de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat te beschermen en te bevorderen;

Bezorgd dat bepaalde activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen de menselijke waardigheid, de individuele autonomie, de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat kunnen ondermijnen;

Bezorgd over de risico’s van discriminatie in digitale context, met name indien daar AI-systemen mee gemoeid zijn, en over de potentiële gevolgen van die systemen voor het creëren of verergeren van ongelijkheden, bijvoorbeeld voor vrouwen en personen in kwetsbare situaties, met betrekking tot de uitoefening van hun mensenrechten en hun volledige, gelijke en doeltreffende deelname aan economische, sociale, culturele en politieke aangelegenheden;

Bezorgd over misbruik van AI-systemen en zich verzettend tegen het gebruik van dergelijke systemen voor repressieve doeleinden die met het internationaal recht inzake de mensenrechten in strijd zijn, onder meer door willekeurige of onrechtmatige inzet van toezicht en censuur die de privacy en de individuele autonomie uithollen;

Zich bewust van de inherente verbinding tussen de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

Ervan overtuigd dat prioriteit moet worden gegeven aan de instelling van een mondiaal toepasselijk rechtskader met gemeenschappelijke algemene beginselen en regels voor de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen, dat doeltreffend de gedeelde waarden in stand houdt en de voordelen van AI benut, ter bevordering van deze waarden op een voor verantwoorde innovatie bevorderlijke wijze;

Onderkennend dat de digitale geletterdheid en de kennis van en het vertrouwen in het ontwerp, de ontwikkeling, het gebruik en de ontmanteling van AI-systemen moeten worden bevorderd;

Onderkennend dat dit Verdrag een kaderkarakter heeft en met extra instrumenten kan worden aangevuld om specifieke kwesties in verband met de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen aan te pakken;

Onderstrepend dat dit Verdrag is bedoeld om specifieke uitdagingen aan te pakken die zich tijdens de levenscyclus van AI-systemen voordoen en de bredere risico’s en gevolgen van deze technologie in overweging te nemen, waaronder, maar niet uitsluitend, de volksgezondheid, het milieu en sociaal-economische aspecten zoals werkgelegenheid en arbeid;

Nota nemend van de inspanningen ter bevordering van het internationale begrip en de internationale samenwerking op het gebied van AI door andere internationale en supranationale organisaties en fora;

Indachtig de toepasselijke internationale mensenrechteninstrumenten, zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (ETS nr. 5) van 1950, het Europees Sociaal Handvest (ETS nr. 35) van 1961, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966, hun bijbehorende protocollen, en het Europees Sociaal Handvest (herziene versie) (ETS nr. 163) van 1996;

Mede indachtig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989 en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap van 2006;

Voorts indachtig de privacyrechten van personen en de bescherming van persoonsgegevens, zoals van toepassing bij en verleend krachtens bijvoorbeeld het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108) van 1981 en de bijbehorende protocollen;

De toezegging bevestigend van de partijen aan de bescherming van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, en aan de bevordering van de betrouwbaarheid van AI-systemen door middel van dit verdrag,

zijn als volgt overeengekomen:

Hoofdstuk I – Algemene bepalingen

Artikel 1 – Onderwerp en doel

(1)Dit Verdrag heeft tot doel te waarborgen dat de activiteiten binnen de levenscyclus van artificiële-intelligentiesystemen volledig conform de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat zijn.

(2)Elke partij treft of handhaaft passende wettelijke, bestuurlijke of andere maatregelen om dit Verdrag gevolg te doen vinden. Deze maatregelen zijn gekalibreerd en gedifferentieerd naargelang de ernst en de waarschijnlijkheid van de negatieve gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat gedurende de hele levenscyclus van artificiële-intelligentiesystemen. Dit kunnen specifieke of horizontale maatregelen zijn die ongeacht het soort technologie van toepassing zijn.

(3)Om te waarborgen dat de partijen het Verdrag doeltreffend uitvoeren, wordt een follow-upmechanisme ingesteld en internationale samenwerking vastgesteld.

Artikel 2 – Definitie van artificiële-intelligentiesystemen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder “artificiële-intelligentiesysteem” (“AI-systeem”) verstaan een machinaal systeem dat voor expliciete of impliciete doeleinden uit de ontvangen input afleidt hoe het output kan genereren zoals voorspellingen, inhoud, aanbevelingen en beslissingen die op fysieke of virtuele omgevingen van invloed kunnen zijn. De autonomie en het aanpassingsvermogen van de verschillende AI-systemen na de uitrol lopen uiteen.

Artikel 3 – Toepassingsgebied

(1)Het toepassingsgebied van dit Verdrag omvat de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen die de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat kunnen schenden, als volgt:

(a)elke partij past dit Verdrag toe op de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen die door overheidsinstanties of door namens hen optredende particuliere partijen worden verricht;

(b)voor de risico’s en de gevolgen die voortvloeien uit de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen door particuliere partijen voor zover deze niet onder a) vallen, volgt elke partij een aanpak die conform het onderwerp en het doel van dit Verdrag is.

Elke partij specificeert in een verklaring die bij de ondertekening of de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa wordt ingediend, hoe de partij voornemens is deze verplichting uit te voeren: hetzij door de beginselen en de verplichtingen van de hoofdstukken II tot en met VI van dit Verdrag op de activiteiten van particuliere partijen toe te passen hetzij door andere passende maatregelen te treffen om aan deze verplichting te voldoen. De partijen kunnen hun verklaringen te allen tijde en op dezelfde wijze wijzigen.

Bij de uitvoering van deze verplichting mag een partij niet afwijken of de toepassing beperken van haar internationale verplichtingen ter bescherming van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat.

(2)Een partij is niet verplicht dit Verdrag toe te passen op activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen die met de bescherming van haar nationale veiligheidsbelangen verband houden, met dien verstande dat die activiteiten stroken met het toepasselijke internationale recht, waaronder de internationaalrechtelijke verplichtingen inzake de mensenrechten, en de democratische instellingen en processen in acht nemen.

(3)Onverminderd artikel 13 en artikel 25, lid 2, is dit Verdrag niet van toepassing op onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten met betrekking tot nog niet voor gebruik beschikbaar gestelde AI-systemen, tenzij testen of soortgelijke activiteiten worden uitgevoerd op een wijze die de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat kunnen schenden.

(4)Aangelegenheden welke betrekking hebben op de nationale verdediging vallen niet binnen het toepassingsgebied van dit verdrag.

Hoofdstuk II – Algemene verplichtingen

Artikel 4 – Bescherming van de mensenrechten

Elke partij treft of handhaaft maatregelen om te waarborgen dat de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen overeenkomstig de toepasselijke nationale en internationale mensenrechtenverplichtingen.

Artikel 5 – Integriteit van de democratische processen en eerbiediging van de rechtsstaat

(1)Elke partij treft of handhaaft maatregelen om te waarborgen dat AI-systemen niet worden gebruikt om de integriteit, de onafhankelijkheid en de doeltreffendheid van de democratische instellingen en processen te ondermijnen, zoals het beginsel van de scheiding der machten, de eerbiediging van een onafhankelijke rechterlijke macht en de toegang tot de rechter.

(2)Elke partij treft of handhaaft maatregelen om haar democratische processen in het kader van activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen te beschermen, zoals een billijke toegang van personen tot en deelname aan het publieke debat en vrije meningsvorming.

Hoofdstuk III – Beginselen betreffende activiteiten binnen de levenscyclus van artificiële-intelligentiesystemen

Artikel 6 – Algemene benadering

Dit hoofdstuk bevat algemene gemeenschappelijke beginselen betreffende AI-systemen die elke partij moet uitvoeren op een wijze die bij haar nationale rechtsstelsel en de andere verplichtingen van dit Verdrag past.

Artikel 7 – Menselijke waardigheid en individuele autonomie

Elke partij treft of handhaaft maatregelen om de menselijke waardigheid en de individuele autonomie met betrekking tot activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen te eerbiedigen.

Artikel 8 – Transparantie en toezicht

Elke partij treft of handhaaft maatregelen om te waarborgen dat er afdoende, op de specifieke context en risico’s afgestemde transparantie- en toezichtsvereisten gelden met betrekking tot activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen, onder meer ten aanzien van de aanduiding van door AI-systemen gegenereerde inhoud.

Artikel 9 – Verantwoordingsplicht en aansprakelijkheid

Elke partij treft of handhaaft maatregelen om de verantwoordingsplicht en de aansprakelijkheid te waarborgen voor negatieve gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat die uit activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen voortvloeien.

Artikel 10 – Gelijkheid en non-discriminatie

(1)Elke partij treft of handhaaft maatregelen om te waarborgen dat de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen zorgen voor de eerbiediging van de gelijkheid, waaronder de gendergelijkheid, en het verbod op discriminatie, zoals vastgesteld in het toepasselijke internationale en nationale recht.

(2)Elke partij verbindt zich ertoe maatregelen te treffen of te handhaven die erop gericht zijn ongelijkheden weg te nemen om rechtvaardige en billijke resultaten te bereiken, overeenkomstig de toepasselijke nationale en internationale mensenrechtenverplichtingen met betrekking tot de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen.

Artikel 11 – Bescherming van de privacy en persoonsgegevens

Elke partij treft of handhaaft maatregelen om met betrekking tot de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen te waarborgen dat:

(a)de privacyrechten van personen en hun persoonsgegevens worden beschermd, onder meer door middel van toepasselijke nationale en internationale wetten, normen en kaders; en

(b)er doeltreffende waarborgen voor personen zijn ingevoerd, overeenkomstig de toepasselijke nationale en internationale wettelijke verplichtingen.

Artikel 12 – Betrouwbaarheid

Elke partij treft al naargelang maatregelen om de betrouwbaarheid van AI-systemen en het vertrouwen in de output te bevorderen, zoals vereisten betreffende een toereikende kwaliteit en veiligheid gedurende de hele levenscyclus van AI-systemen.

Artikel 13 – Veilige innovatie

Met het oog op het bevorderen van de innovatie en het voorkomen van negatieve gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, wordt elke partij verzocht om al naargelang steun te bieden aan de totstandbrenging van een gecontroleerde omgeving voor het ontwikkelen van, het experimenteren met en het testen van AI-systemen onder toezicht van haar bevoegde autoriteiten.

Hoofdstuk IV – Rechtsmiddelen

Artikel 14 – Rechtsmiddelen

(1)Voor zover de internationale verplichtingen rechtsmiddelen zulks vereisen en overeenkomstig het nationale rechtsstelsel, treft of handhaaft elke partij maatregelen om toegankelijke en doeltreffende rechtsmiddelen tegen mensenrechtenschendingen als gevolg van activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen beschikbaar te stellen.

(2)Ter ondersteuning van lid 1 treft of handhaaft elke partij maatregelen zoals:

(a)maatregelen om te waarborgen dat belangrijke inlichtingen over AI-systemen met mogelijk aanzienlijke gevolgen voor de mensenrechten en het gebruik ervan worden gedocumenteerd, worden verstrekt aan instanties die bevoegd zijn om toegang tot die inlichtingen te krijgen en, waar passend en van toepassing, aan de getroffen personen ter beschikking worden gesteld of worden meegedeeld;

(b)maatregelen om te waarborgen dat de in a) genoemde inlichtingen volstaan opdat getroffen personen de op grond van het gebruik van het systeem genomen of daarop in hoge mate gebaseerde beslissingen kunnen aanvechten, alsook, waar passend en van toepassing, het gebruik van het systeem zelf; en

(c)een doeltreffende mogelijkheid voor de betrokken personen om bij de bevoegde autoriteiten een klacht in te dienen.

Artikel 15 – Procedurele waarborgen

(1)Elke partij waarborgt dat, indien een AI-systeem een aanzienlijke impact op de uitoefening van de mensenrechten heeft, er doeltreffende procedurele waarborgen en rechten voor de betrokken personen beschikbaar zijn overeenkomstig het toepasselijke internationale en nationale recht.

(2)Elke partij beoogt te waarborgen dat, naargelang de context, personen die met AI-systemen in contact staan ervan in kennis worden gesteld dat zij met dergelijke systemen en niet met een mens in contact staan.

Hoofdstuk V – Beoordeling en beperking van risico’s en negatieve gevolgen

Artikel 16 – Kader voor risico- en effectbeheer

(1)Met inachtneming van de beginselen van hoofdstuk III, treft of handhaaft elke partij maatregelen voor de vaststelling, de beoordeling, de preventie en de beperking van risico’s van AI-systemen door de feitelijke en de potentiële gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat in aanmerking te nemen.

(2)Deze maatregelen zijn, naargelang het geval, gekalibreerd en gedifferentieerd en:

(a)nemen terdege de context en het beoogde gebruik van AI-systemen in aanmerking, met name ten aanzien van de risico’s voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

(b)nemen terdege de ernst en de waarschijnlijkheid van de potentiële gevolgen in aanmerking;

(c)nemen in voorkomend geval de standpunten van de belanghebbenden in aanmerking, met name van personen wier rechten kunnen worden aangetast;

(d)zijn iteratief van toepassing op de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen;

(e)omvatten het toezicht op de risico’s en de negatieve gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

(f)omvatten de documentatie van de risico’s, de feitelijke en de potentiële gevolgen en de risicobeheersbenadering; en

(g)vereisen, in voorkomend geval, dat AI-systemen worden getest alvorens die voor eerste gebruik beschikbaar worden gesteld alsook wanneer die ingrijpend worden gewijzigd.

(3)Elke partij treft of handhaaft maatregelen om te waarborgen dat de negatieve gevolgen van AI-systemen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat afdoende worden aangepakt. Dergelijke negatieve gevolgen en de maatregelen om die tegen te gaan, worden gedocumenteerd en dienen als basis voor de in lid 2 beschreven toepasselijke risicobeheersmaatregelen.

(4)Elke partij beoordeelt de noodzaak van een moratorium, een verbod of andere passende maatregelen ten aanzien van bepaalde vormen van gebruik van AI-systemen indien zij van oordeel is dat dergelijk gebruik onverenigbaar is met de eerbiediging van de mensenrechten, de werking van de democratie of de rechtsstaat.

Hoofdstuk VI – Uitvoering van het verdrag

Artikel 17 – Non-discriminatie

De uitvoering van dit Verdrag door de partijen wordt gewaarborgd vrij van discriminatie op enige grond, overeenkomstig de internationale mensenrechtenverplichtingen.

Artikel 18 – Rechten van personen met een handicap en van kinderen

Overeenkomstig het nationale recht en de toepasselijke internationale verplichtingen neemt elke partij de specifieke behoeften en kwetsbaarheden met betrekking tot de eerbiediging van de rechten van personen met een handicap en van kinderen naar behoren in aanmerking.

Artikel 19 – Openbare raadpleging

Elke partij beoogt te waarborgen dat belangrijke vragen met betrekking tot AI-systemen in voorkomend geval naar behoren in overweging worden genomen door middel van een openbaar debat en een raadpleging van belanghebbenden in het licht van de sociale, economische, juridische, ethische, milieu- en andere toepasselijke gevolgen.

Artikel 20 – Digitale geletterdheid en vaardigheden

Elke partij bevordert een passend niveau van digitale geletterdheid en digitale vaardigheden voor alle segmenten van de bevolking, en van specifieke specialistische vaardigheden voor de verantwoordelijken voor de vaststelling, de beoordeling, de preventie en de beperking van de risico’s van AI-systemen.

Artikel 21 – Waarborging van de bestaande mensenrechten

Niets in dit Verdrag mag worden uitgelegd als een beperking, een afwijking of een andere aantasting van de mensenrechten of andere daarmee verband houdende wettelijke rechten en verplichtingen die kunnen worden gewaarborgd op grond van de toepasselijke wetgeving van een partij of van een andere toepasselijke internationale overeenkomst waarbij zij partij is.

Artikel 22 – Ruimere bescherming

Geen van de bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als een beperking of een andere aantasting van de mogelijkheid voor een partij om een ruimere beschermingsmaatregel toe te kennen dan in dit Verdrag is vastgesteld.

Hoofdstuk VII – Follow-upmechanisme en samenwerking

Artikel 23 – Conferentie van de partijen

(1)De Conferentie van de partijen bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen bij dit verdrag.

(2)De partijen voeren periodiek overleg teneinde:

a) de doeltreffende toepassing en uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken, waaronder het in kaart brengen van eventuele problemen en de gevolgen van een voorbehoud krachtens artikel 34, lid 1, of een verklaring krachtens dit verdrag;

b) mogelijke aanvullingen of wijzigingen van dit Verdrag in overweging te nemen;

c) aangelegenheden in overweging te nemen en specifieke aanbevelingen te doen met betrekking tot de uitlegging en de toepassing van dit verdrag;

d) met het oog op de uitvoering van dit Verdrag de uitwisseling van inlichtingen over belangrijke juridische, beleids- of technologische ontwikkelingen te vergemakkelijken, onder meer in het licht van de verwezenlijking van de in artikel 25 omschreven doelstellingen;

e) de minnelijke schikking van geschillen in verband met de toepassing van dit Verdrag waar nodig te vergemakkelijken; en

f) de samenwerking met belanghebbenden met betrekking tot toepasselijke aspecten van de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken, waar nodig onder meer middels openbare hoorzittingen.

(3)De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa roept de Conferentie van de partijen bijeen wanneer hij dit noodzakelijk acht en in ieder geval indien een meerderheid van de partijen of het Comité van Ministers daarom verzoekt.

(4)De Conferentie van de partijen stelt binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag bij consensus haar reglement van orde vast.

(5)De partijen krijgen ondersteuning van het Secretariaat van de Raad van Europa bij de uitvoering van hun taken krachtens dit artikel.

(6)De Conferentie van de partijen kan het Comité van Ministers passende manieren voorstellen om deskundigen in te zetten ter ondersteuning van de doeltreffende uitvoering van dit verdrag.

(7)Elke partij die geen lid is van de Raad van Europa draagt bij aan de financiering van de activiteiten van de Conferentie van de partijen. De bijdrage van een niet-lidstaat van de Raad van Europa wordt gezamenlijk door het Comité van Ministers en die niet-lidstaat vastgesteld.

(8)De Conferentie van de partijen kan besluiten om de deelname van een partij aan haar werkzaamheden te beperken als die partij wegens een ernstige inbreuk van artikel 3 van het Statuut van de Raad van Europa (ETS nr. 1) niet langer lid is van de Raad krachtens artikel 8 van het Statuut. Evenzo kunnen bij een besluit van het Comité van Ministers maatregelen worden getroffen ten aanzien van een partij die geen lidstaat van de Raad van Europa is om de betrekkingen met die staat te beëindigen op vergelijkbare gronden als die van artikel 3 van het Statuut.

Artikel 24 – Verslagverplichting

(1)Elke partij verstrekt binnen twee jaar nadat zij partij is geworden, en vervolgens op gezette tijden, aan de Conferentie van de partijen een verslag met bijzonderheden over de tot uitvoering van artikel 3, lid 1, punten a) en b), ondernomen activiteiten.

(2)De Conferentie van de partijen bepaalt de vorm en de procedure voor het indienen van het verslag overeenkomstig het reglement van orde.

Artikel 25 – Internationale samenwerking

(1)De partijen werken samen bij de verwezenlijking van het doel van dit verdrag. De partijen worden voorts aangemoedigd om, in voorkomend geval, staten die geen partij bij dit Verdrag zijn, bij te staan bij hun optreden overeenkomstig dit Verdrag en om partij bij dit Verdrag te worden.

(2)De partijen wisselen onderling, waar nodig, belangrijke en nuttige inlichtingen uit over aspecten in verband met AI die aanzienlijke positieve of negatieve gevolgen kunnen hebben voor de uitoefening van de mensenrechten, de werking van de democratie en de eerbiediging van de rechtsstaat, waaronder risico’s en gevolgen die zich in onderzoeksverband en met betrekking tot de particuliere sector hebben voorgedaan. De partijen worden aangemoedigd om, in voorkomend geval, belanghebbenden en staten die geen partij bij dit Verdrag zijn, bij deze uitwisseling van inlichtingen te betrekken.

(3)De partijen worden aangemoedigd om, in voorkomend geval ook met belanghebbenden, de samenwerking te versterken om risico’s en negatieve gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat in het kader van activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen te voorkomen en te beperken.

Artikel 26 – Doeltreffende toezichtmechanismen

(1)Elke partij stelt een of meer doeltreffende mechanismen in of wijst deze aan om toe te zien op de naleving van de verplichtingen overeenkomstig dit verdrag.

(2)Elke partij waarborgt dat die mechanismen hun taken onafhankelijk en onpartijdig uitoefenen en over de nodige bevoegdheden, deskundigheid en middelen beschikken om doeltreffend toezicht te houden op de naleving van de verplichtingen van dit Verdrag door de partijen.

(3)Indien een partij meer dan één mechanisme heeft aangewezen, treft zij waar mogelijk maatregelen om een doeltreffende onderlinge samenwerking te vergemakkelijken.

(4)Indien een partij andere mechanismen dan de bestaande mensenrechtenstructuren heeft aangewezen, treft zij waar mogelijk maatregelen ter bevordering van een doeltreffende samenwerking tussen de in lid 1 genoemde mechanismen en die bestaande nationale mensenrechtenstructuren.

Hoofdstuk VIII – Slotbepalingen

Artikel 27 – Gevolgen van het verdrag

(1)Indien twee of meer partijen reeds een akkoord of een Verdrag over de in dit Verdrag geregelde aangelegenheden hebben gesloten, of anderszins betrekkingen ten aanzien van dergelijke aangelegenheden hebben aangeknoopt, zijn zij ook gerechtigd dat akkoord of Verdrag dienovereenkomstig toe te passen of die betrekkingen dienovereenkomstig te regelen, mits zij dit doen op een wijze die niet met het onderwerp en het doel van dit Verdrag onverenigbaar is.

(2)Partijen die lid zijn van de Europese Unie passen in hun wederzijdse betrekkingen de regels van de Europese Unie toe die op de binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag vallende aangelegenheden gelden, onverminderd het onderwerp en het doel van dit Verdrag en onverminderd de volledige toepassing jegens andere partijen. Hetzelfde geldt voor andere partijen, voor zover zij door dergelijke regels gebonden zijn.

Artikel 28 – Wijzigingen

(1)Wijzigingen van dit Verdrag kunnen door elke partij, het Comité van Ministers van de Raad van Europa of de Conferentie van de partijen worden voorgesteld.

(2)Elk voorstel tot wijziging wordt door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa aan de partijen meegedeeld.

(3)Elke door een partij of door het Comité van Ministers voorgestelde wijziging wordt meegedeeld aan de Conferentie van de partijen, die haar oordeel over de voorgestelde wijziging aan het Comité van Ministers voorlegt.

(4)Het Comité van Ministers bestudeert de voorgestelde wijziging en het door de Conferentie van de partijen voorgelegde oordeel en kan de wijziging goedkeuren.

(5)De tekst van elke door het Comité van Ministers overeenkomstig lid 4 goedgekeurde wijziging wordt aan de partijen ter aanvaarding toegezonden.

(6)Elke overeenkomstig lid 4 aangenomen wijziging treedt in werking dertig dagen nadat de partijen de Secretaris-Generaal hebben meegedeeld dat zij haar hebben aanvaard.

Artikel 29 – Geschillenbeslechting

Bij een geschil tussen partijen over de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag streven deze partijen naar een geschillenbeslechting door middel van onderhandelingen of andere vreedzame middelen van hun keuze, waaronder de Conferentie van de partijen, overeenkomstig artikel 23, lid 2, punt e).

Artikel 30 – Ondertekening en inwerkingtreding

(1)Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa, de niet-lidstaten die aan de opstelling hebben deelgenomen en de Europese Unie.

(2)Dit Verdrag moet worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa neergelegd.

(3)Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop vijf ondertekenaars, waaronder ten minste drie lidstaten van de Raad van Europa, overeenkomstig lid 2 hun instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht.

(4)Voor iedere ondertekenaar die nadien zijn instemming betuigt door dit Verdrag te worden gebonden, treedt dit in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van drie maanden na de datum van de neerlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 31 – Toetreding

(1)Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na raadpleging van de partijen bij dit Verdrag en met eenparigheid van stemmen, elke niet-lidstaat van de Raad van Europa die niet aan de opstelling van dit Verdrag heeft deelgenomen, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden bij besluit van de in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa bedoelde meerderheid en met eenparigheid van stemmen van de vertegenwoordigers van de partijen die gerechtigd zijn zitting in het Comité van Ministers te nemen.

(2)Voor iedere toetredende staat treedt dit Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van drie maanden na de datum van neerlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 32 – Territoriale toepassing

(1)Elke staat of de Europese Unie kan, op het tijdstip van ondertekening of bij de neerlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het grondgebied of de grondgebieden waarop dit Verdrag van toepassing is nader aanduiden.

(2)Elke partij kan op een later tijdstip door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot elk ander grondgebied dat in de verklaring wordt genoemd. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt dit Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de verklaring door de Secretaris-Generaal.

(3)Elke krachtens de twee voorgaande leden gedane verklaring kan, met betrekking tot elk in die verklaring genoemd grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 33 – Federale clausule

(1)Een federale staat kan zich het recht voorbehouden de verplichtingen krachtens dit Verdrag aan te gaan voor zover deze conform de fundamentele beginselen zijn die ten grondslag liggen aan de betrekkingen tussen de centrale regering en de constituerende staten of andere vergelijkbare territoriale entiteiten, mits dit Verdrag op de centrale regering van de federale staat van toepassing is.

(2)Ten aanzien van de bepalingen van dit Verdrag waarvan de toepassing onder de rechtsbevoegdheid valt van elk van de constituerende staten of andere vergelijkbare territoriale entiteiten die, ingevolge het constitutionele stelsel van de federatie, niet verplicht zijn wetgevende maatregelen te treffen, brengt de centrale regering de bevoegde autoriteiten van deze staten op de hoogte van de genoemde bepalingen, vergezeld van een gunstig advies, hen aanmoedigende om passende maatregelen te treffen ter effectuering hiervan.

Artikel 34 – Voorbehouden

(1)Door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa kan elke staat, op het tijdstip van ondertekening of bij de neerlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij van het in artikel 33, lid 1, bedoelde voorbehoud gebruik maakt.

(2)Ten aanzien van dit Verdrag kan geen ander voorbehoud worden gemaakt.

Artikel 35 – Opzegging

(1)Elke partij kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

(2)De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 36 – Kennisgeving

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa, de niet-lidstaten die aan de opstelling van dit Verdrag hebben deelgenomen, de Europese Unie, elke ondertekenaar, elke verdragsluitende staat, elke partij en elke staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden, in kennis van:

(a)elke ondertekening;

(b)de neerlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;

(c)elke datum van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig artikel 30, leden 3 en 4, en artikel 31, lid 2;

(d)elke overeenkomstig artikel 28 aangenomen wijziging en de datum waarop een dergelijke wijziging in werking treedt;

(e)elke verklaring krachtens artikel 3, lid 1, punt b);

(f)elk voorbehoud en elke intrekking van een voorbehoud krachtens artikel 34;

(g)elke opzegging krachtens artikel 35;

(h)elke andere akte, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit verdrag.

Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

Gedaan te Vilnius, op 5 september 2024, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar dat zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet een gewaarmerkt afschrift toekomen aan iedere lidstaat van de Raad van Europa, aan de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit verdrag, aan de Europese Unie en aan iedere staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden.

BIJLAGE II

1.Verklaring van de Europese Unie betreffende het toepassingsgebied ten aanzien van particuliere partijen overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt b, van het Verdrag 

Herinnerend aan de verplichting overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt b, van het Verdrag ten aanzien van de aanpak van de risico’s en de gevolgen die voortvloeien uit de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen door particuliere partijen voor zover die niet onder a) van die bepaling vallen, op een wijze die conform het onderwerp en het doel van het Verdrag is, verklaart de Unie dat zij de beginselen en de verplichtingen van de hoofdstukken II tot en met VI van het Verdrag zal toepassen ten aanzien van de activiteiten van particuliere partijen die AI-systemen in de Europese Unie in de handel brengen, beschikbaar stellen en gebruiken door middel van Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie (“verordening artificiële intelligentie”). Ander toepasselijk acquis van de Unie kan ook van toepassing zijn op die activiteiten en kan bijdragen tot de uitvoering van de beginselen en de verplichtingen van het verdrag.

 

2.Verklaring van de Europese Unie betreffende het territoriale toepassingsgebied overeenkomstig artikel 32, lid 1, van het Verdrag 

 

Ten aanzien van artikel 32, lid 1, van het Verdrag verklaart de Unie dat het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, wat de bevoegdheid van de Unie betreft, van toepassing moet zijn in de gebieden waar de EU-Verdragen worden toegepast overeenkomstig artikel 52 VEU en onder de voorwaarden van, onder andere, artikel 355 VWEU.

Top