EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 3.6.2025
COM(2025) 265 final
BIJLAGEN
bij
Voorstel voor een Besluit van de Raad
inzake de sluiting namens de Europese Unie van het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat
BIJLAGE I
Tekst van het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat
Vilnius, 5.IX.2024
Preambule
De lidstaten van de Raad van Europa en de andere staten die dit Verdrag hebben ondertekend,
Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is om een grotere eenheid tussen zijn leden tot stand te brengen, met name op basis van de eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;
De waarde onderkennend van het bevorderen van de samenwerking tussen de partijen bij dit Verdrag en van de uitbreiding daarvan tot andere staten die dezelfde waarden delen;
Zich bewust van de snelle ontwikkelingen op het gebied van wetenschap en technologie en van de ingrijpende veranderingen die voortvloeien uit de activiteiten binnen de levenscyclus van artificiële-intelligentiesystemen (“AI-systemen”), die door een verbetering van de vooruitgang en innovatie het potentieel hebben om de menselijke welvaart, het individuele en het maatschappelijke welzijn, de duurzame ontwikkeling, de gendergelijkheid, de empowerment van vrouwen en meisjes en andere belangrijke doelstellingen en belangen te bevorderen;
Onderkennend dat de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen ongekende kansen kunnen bieden om de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat te beschermen en te bevorderen;
Bezorgd dat bepaalde activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen de menselijke waardigheid, de individuele autonomie, de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat kunnen ondermijnen;
Bezorgd over de risico’s van discriminatie in digitale context, met name indien daar AI-systemen mee gemoeid zijn, en over de potentiële gevolgen van die systemen voor het creëren of verergeren van ongelijkheden, bijvoorbeeld voor vrouwen en personen in kwetsbare situaties, met betrekking tot de uitoefening van hun mensenrechten en hun volledige, gelijke en doeltreffende deelname aan economische, sociale, culturele en politieke aangelegenheden;
Bezorgd over misbruik van AI-systemen en zich verzettend tegen het gebruik van dergelijke systemen voor repressieve doeleinden die met het internationaal recht inzake de mensenrechten in strijd zijn, onder meer door willekeurige of onrechtmatige inzet van toezicht en censuur die de privacy en de individuele autonomie uithollen;
Zich bewust van de inherente verbinding tussen de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;
Ervan overtuigd dat prioriteit moet worden gegeven aan de instelling van een mondiaal toepasselijk rechtskader met gemeenschappelijke algemene beginselen en regels voor de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen, dat doeltreffend de gedeelde waarden in stand houdt en de voordelen van AI benut, ter bevordering van deze waarden op een voor verantwoorde innovatie bevorderlijke wijze;
Onderkennend dat de digitale geletterdheid en de kennis van en het vertrouwen in het ontwerp, de ontwikkeling, het gebruik en de ontmanteling van AI-systemen moeten worden bevorderd;
Onderkennend dat dit Verdrag een kaderkarakter heeft en met extra instrumenten kan worden aangevuld om specifieke kwesties in verband met de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen aan te pakken;
Onderstrepend dat dit Verdrag is bedoeld om specifieke uitdagingen aan te pakken die zich tijdens de levenscyclus van AI-systemen voordoen en de bredere risico’s en gevolgen van deze technologie in overweging te nemen, waaronder, maar niet uitsluitend, de volksgezondheid, het milieu en sociaal-economische aspecten zoals werkgelegenheid en arbeid;
Nota nemend van de inspanningen ter bevordering van het internationale begrip en de internationale samenwerking op het gebied van AI door andere internationale en supranationale organisaties en fora;
Indachtig de toepasselijke internationale mensenrechteninstrumenten, zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (ETS nr. 5) van 1950, het Europees Sociaal Handvest (ETS nr. 35) van 1961, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966, hun bijbehorende protocollen, en het Europees Sociaal Handvest (herziene versie) (ETS nr. 163) van 1996;
Mede indachtig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989 en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap van 2006;
Voorts indachtig de privacyrechten van personen en de bescherming van persoonsgegevens, zoals van toepassing bij en verleend krachtens bijvoorbeeld het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (ETS nr. 108) van 1981 en de bijbehorende protocollen;
De toezegging bevestigend van de partijen aan de bescherming van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, en aan de bevordering van de betrouwbaarheid van AI-systemen door middel van dit verdrag,
zijn als volgt overeengekomen:
Hoofdstuk I – Algemene bepalingen
Artikel 1 – Onderwerp en doel
(1)Dit Verdrag heeft tot doel te waarborgen dat de activiteiten binnen de levenscyclus van artificiële-intelligentiesystemen volledig conform de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat zijn.
(2)Elke partij treft of handhaaft passende wettelijke, bestuurlijke of andere maatregelen om dit Verdrag gevolg te doen vinden. Deze maatregelen zijn gekalibreerd en gedifferentieerd naargelang de ernst en de waarschijnlijkheid van de negatieve gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat gedurende de hele levenscyclus van artificiële-intelligentiesystemen. Dit kunnen specifieke of horizontale maatregelen zijn die ongeacht het soort technologie van toepassing zijn.
(3)Om te waarborgen dat de partijen het Verdrag doeltreffend uitvoeren, wordt een follow-upmechanisme ingesteld en internationale samenwerking vastgesteld.
Artikel 2 – Definitie van artificiële-intelligentiesystemen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder “artificiële-intelligentiesysteem” (“AI-systeem”) verstaan een machinaal systeem dat voor expliciete of impliciete doeleinden uit de ontvangen input afleidt hoe het output kan genereren zoals voorspellingen, inhoud, aanbevelingen en beslissingen die op fysieke of virtuele omgevingen van invloed kunnen zijn. De autonomie en het aanpassingsvermogen van de verschillende AI-systemen na de uitrol lopen uiteen.
Artikel 3 – Toepassingsgebied
(1)Het toepassingsgebied van dit Verdrag omvat de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen die de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat kunnen schenden, als volgt:
(a)elke partij past dit Verdrag toe op de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen die door overheidsinstanties of door namens hen optredende particuliere partijen worden verricht;
(b)voor de risico’s en de gevolgen die voortvloeien uit de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen door particuliere partijen voor zover deze niet onder a) vallen, volgt elke partij een aanpak die conform het onderwerp en het doel van dit Verdrag is.
Elke partij specificeert in een verklaring die bij de ondertekening of de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa wordt ingediend, hoe de partij voornemens is deze verplichting uit te voeren: hetzij door de beginselen en de verplichtingen van de hoofdstukken II tot en met VI van dit Verdrag op de activiteiten van particuliere partijen toe te passen hetzij door andere passende maatregelen te treffen om aan deze verplichting te voldoen. De partijen kunnen hun verklaringen te allen tijde en op dezelfde wijze wijzigen.
Bij de uitvoering van deze verplichting mag een partij niet afwijken of de toepassing beperken van haar internationale verplichtingen ter bescherming van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat.
(2)Een partij is niet verplicht dit Verdrag toe te passen op activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen die met de bescherming van haar nationale veiligheidsbelangen verband houden, met dien verstande dat die activiteiten stroken met het toepasselijke internationale recht, waaronder de internationaalrechtelijke verplichtingen inzake de mensenrechten, en de democratische instellingen en processen in acht nemen.
(3)Onverminderd artikel 13 en artikel 25, lid 2, is dit Verdrag niet van toepassing op onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten met betrekking tot nog niet voor gebruik beschikbaar gestelde AI-systemen, tenzij testen of soortgelijke activiteiten worden uitgevoerd op een wijze die de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat kunnen schenden.
(4)Aangelegenheden welke betrekking hebben op de nationale verdediging vallen niet binnen het toepassingsgebied van dit verdrag.
Hoofdstuk II – Algemene verplichtingen
Artikel 4 – Bescherming van de mensenrechten
Elke partij treft of handhaaft maatregelen om te waarborgen dat de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen overeenkomstig de toepasselijke nationale en internationale mensenrechtenverplichtingen.
Artikel 5 – Integriteit van de democratische processen en eerbiediging van de rechtsstaat
(1)Elke partij treft of handhaaft maatregelen om te waarborgen dat AI-systemen niet worden gebruikt om de integriteit, de onafhankelijkheid en de doeltreffendheid van de democratische instellingen en processen te ondermijnen, zoals het beginsel van de scheiding der machten, de eerbiediging van een onafhankelijke rechterlijke macht en de toegang tot de rechter.
(2)Elke partij treft of handhaaft maatregelen om haar democratische processen in het kader van activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen te beschermen, zoals een billijke toegang van personen tot en deelname aan het publieke debat en vrije meningsvorming.
Hoofdstuk III – Beginselen betreffende activiteiten binnen de levenscyclus van artificiële-intelligentiesystemen
Artikel 6 – Algemene benadering
Dit hoofdstuk bevat algemene gemeenschappelijke beginselen betreffende AI-systemen die elke partij moet uitvoeren op een wijze die bij haar nationale rechtsstelsel en de andere verplichtingen van dit Verdrag past.
Artikel 7 – Menselijke waardigheid en individuele autonomie
Elke partij treft of handhaaft maatregelen om de menselijke waardigheid en de individuele autonomie met betrekking tot activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen te eerbiedigen.
Artikel 8 – Transparantie en toezicht
Elke partij treft of handhaaft maatregelen om te waarborgen dat er afdoende, op de specifieke context en risico’s afgestemde transparantie- en toezichtsvereisten gelden met betrekking tot activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen, onder meer ten aanzien van de aanduiding van door AI-systemen gegenereerde inhoud.
Artikel 9 – Verantwoordingsplicht en aansprakelijkheid
Elke partij treft of handhaaft maatregelen om de verantwoordingsplicht en de aansprakelijkheid te waarborgen voor negatieve gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat die uit activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen voortvloeien.
Artikel 10 – Gelijkheid en non-discriminatie
(1)Elke partij treft of handhaaft maatregelen om te waarborgen dat de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen zorgen voor de eerbiediging van de gelijkheid, waaronder de gendergelijkheid, en het verbod op discriminatie, zoals vastgesteld in het toepasselijke internationale en nationale recht.
(2)Elke partij verbindt zich ertoe maatregelen te treffen of te handhaven die erop gericht zijn ongelijkheden weg te nemen om rechtvaardige en billijke resultaten te bereiken, overeenkomstig de toepasselijke nationale en internationale mensenrechtenverplichtingen met betrekking tot de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen.
Artikel 11 – Bescherming van de privacy en persoonsgegevens
Elke partij treft of handhaaft maatregelen om met betrekking tot de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen te waarborgen dat:
(a)de privacyrechten van personen en hun persoonsgegevens worden beschermd, onder meer door middel van toepasselijke nationale en internationale wetten, normen en kaders; en
(b)er doeltreffende waarborgen voor personen zijn ingevoerd, overeenkomstig de toepasselijke nationale en internationale wettelijke verplichtingen.
Artikel 12 – Betrouwbaarheid
Elke partij treft al naargelang maatregelen om de betrouwbaarheid van AI-systemen en het vertrouwen in de output te bevorderen, zoals vereisten betreffende een toereikende kwaliteit en veiligheid gedurende de hele levenscyclus van AI-systemen.
Artikel 13 – Veilige innovatie
Met het oog op het bevorderen van de innovatie en het voorkomen van negatieve gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, wordt elke partij verzocht om al naargelang steun te bieden aan de totstandbrenging van een gecontroleerde omgeving voor het ontwikkelen van, het experimenteren met en het testen van AI-systemen onder toezicht van haar bevoegde autoriteiten.
Hoofdstuk IV – Rechtsmiddelen
Artikel 14 – Rechtsmiddelen
(1)Voor zover de internationale verplichtingen rechtsmiddelen zulks vereisen en overeenkomstig het nationale rechtsstelsel, treft of handhaaft elke partij maatregelen om toegankelijke en doeltreffende rechtsmiddelen tegen mensenrechtenschendingen als gevolg van activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen beschikbaar te stellen.
(2)Ter ondersteuning van lid 1 treft of handhaaft elke partij maatregelen zoals:
(a)maatregelen om te waarborgen dat belangrijke inlichtingen over AI-systemen met mogelijk aanzienlijke gevolgen voor de mensenrechten en het gebruik ervan worden gedocumenteerd, worden verstrekt aan instanties die bevoegd zijn om toegang tot die inlichtingen te krijgen en, waar passend en van toepassing, aan de getroffen personen ter beschikking worden gesteld of worden meegedeeld;
(b)maatregelen om te waarborgen dat de in a) genoemde inlichtingen volstaan opdat getroffen personen de op grond van het gebruik van het systeem genomen of daarop in hoge mate gebaseerde beslissingen kunnen aanvechten, alsook, waar passend en van toepassing, het gebruik van het systeem zelf; en
(c)een doeltreffende mogelijkheid voor de betrokken personen om bij de bevoegde autoriteiten een klacht in te dienen.
Artikel 15 – Procedurele waarborgen
(1)Elke partij waarborgt dat, indien een AI-systeem een aanzienlijke impact op de uitoefening van de mensenrechten heeft, er doeltreffende procedurele waarborgen en rechten voor de betrokken personen beschikbaar zijn overeenkomstig het toepasselijke internationale en nationale recht.
(2)Elke partij beoogt te waarborgen dat, naargelang de context, personen die met AI-systemen in contact staan ervan in kennis worden gesteld dat zij met dergelijke systemen en niet met een mens in contact staan.
Hoofdstuk V – Beoordeling en beperking van risico’s en negatieve gevolgen
Artikel 16 – Kader voor risico- en effectbeheer
(1)Met inachtneming van de beginselen van hoofdstuk III, treft of handhaaft elke partij maatregelen voor de vaststelling, de beoordeling, de preventie en de beperking van risico’s van AI-systemen door de feitelijke en de potentiële gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat in aanmerking te nemen.
(2)Deze maatregelen zijn, naargelang het geval, gekalibreerd en gedifferentieerd en:
(a)nemen terdege de context en het beoogde gebruik van AI-systemen in aanmerking, met name ten aanzien van de risico’s voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;
(b)nemen terdege de ernst en de waarschijnlijkheid van de potentiële gevolgen in aanmerking;
(c)nemen in voorkomend geval de standpunten van de belanghebbenden in aanmerking, met name van personen wier rechten kunnen worden aangetast;
(d)zijn iteratief van toepassing op de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen;
(e)omvatten het toezicht op de risico’s en de negatieve gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;
(f)omvatten de documentatie van de risico’s, de feitelijke en de potentiële gevolgen en de risicobeheersbenadering; en
(g)vereisen, in voorkomend geval, dat AI-systemen worden getest alvorens die voor eerste gebruik beschikbaar worden gesteld alsook wanneer die ingrijpend worden gewijzigd.
(3)Elke partij treft of handhaaft maatregelen om te waarborgen dat de negatieve gevolgen van AI-systemen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat afdoende worden aangepakt. Dergelijke negatieve gevolgen en de maatregelen om die tegen te gaan, worden gedocumenteerd en dienen als basis voor de in lid 2 beschreven toepasselijke risicobeheersmaatregelen.
(4)Elke partij beoordeelt de noodzaak van een moratorium, een verbod of andere passende maatregelen ten aanzien van bepaalde vormen van gebruik van AI-systemen indien zij van oordeel is dat dergelijk gebruik onverenigbaar is met de eerbiediging van de mensenrechten, de werking van de democratie of de rechtsstaat.
Hoofdstuk VI – Uitvoering van het verdrag
Artikel 17 – Non-discriminatie
De uitvoering van dit Verdrag door de partijen wordt gewaarborgd vrij van discriminatie op enige grond, overeenkomstig de internationale mensenrechtenverplichtingen.
Artikel 18 – Rechten van personen met een handicap en van kinderen
Overeenkomstig het nationale recht en de toepasselijke internationale verplichtingen neemt elke partij de specifieke behoeften en kwetsbaarheden met betrekking tot de eerbiediging van de rechten van personen met een handicap en van kinderen naar behoren in aanmerking.
Artikel 19 – Openbare raadpleging
Elke partij beoogt te waarborgen dat belangrijke vragen met betrekking tot AI-systemen in voorkomend geval naar behoren in overweging worden genomen door middel van een openbaar debat en een raadpleging van belanghebbenden in het licht van de sociale, economische, juridische, ethische, milieu- en andere toepasselijke gevolgen.
Artikel 20 – Digitale geletterdheid en vaardigheden
Elke partij bevordert een passend niveau van digitale geletterdheid en digitale vaardigheden voor alle segmenten van de bevolking, en van specifieke specialistische vaardigheden voor de verantwoordelijken voor de vaststelling, de beoordeling, de preventie en de beperking van de risico’s van AI-systemen.
Artikel 21 – Waarborging van de bestaande mensenrechten
Niets in dit Verdrag mag worden uitgelegd als een beperking, een afwijking of een andere aantasting van de mensenrechten of andere daarmee verband houdende wettelijke rechten en verplichtingen die kunnen worden gewaarborgd op grond van de toepasselijke wetgeving van een partij of van een andere toepasselijke internationale overeenkomst waarbij zij partij is.
Artikel 22 – Ruimere bescherming
Geen van de bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als een beperking of een andere aantasting van de mogelijkheid voor een partij om een ruimere beschermingsmaatregel toe te kennen dan in dit Verdrag is vastgesteld.
Hoofdstuk VII – Follow-upmechanisme en samenwerking
Artikel 23 – Conferentie van de partijen
(1)De Conferentie van de partijen bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen bij dit verdrag.
(2)De partijen voeren periodiek overleg teneinde:
a) de doeltreffende toepassing en uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken, waaronder het in kaart brengen van eventuele problemen en de gevolgen van een voorbehoud krachtens artikel 34, lid 1, of een verklaring krachtens dit verdrag;
b) mogelijke aanvullingen of wijzigingen van dit Verdrag in overweging te nemen;
c) aangelegenheden in overweging te nemen en specifieke aanbevelingen te doen met betrekking tot de uitlegging en de toepassing van dit verdrag;
d) met het oog op de uitvoering van dit Verdrag de uitwisseling van inlichtingen over belangrijke juridische, beleids- of technologische ontwikkelingen te vergemakkelijken, onder meer in het licht van de verwezenlijking van de in artikel 25 omschreven doelstellingen;
e) de minnelijke schikking van geschillen in verband met de toepassing van dit Verdrag waar nodig te vergemakkelijken; en
f) de samenwerking met belanghebbenden met betrekking tot toepasselijke aspecten van de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken, waar nodig onder meer middels openbare hoorzittingen.
(3)De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa roept de Conferentie van de partijen bijeen wanneer hij dit noodzakelijk acht en in ieder geval indien een meerderheid van de partijen of het Comité van Ministers daarom verzoekt.
(4)De Conferentie van de partijen stelt binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag bij consensus haar reglement van orde vast.
(5)De partijen krijgen ondersteuning van het Secretariaat van de Raad van Europa bij de uitvoering van hun taken krachtens dit artikel.
(6)De Conferentie van de partijen kan het Comité van Ministers passende manieren voorstellen om deskundigen in te zetten ter ondersteuning van de doeltreffende uitvoering van dit verdrag.
(7)Elke partij die geen lid is van de Raad van Europa draagt bij aan de financiering van de activiteiten van de Conferentie van de partijen. De bijdrage van een niet-lidstaat van de Raad van Europa wordt gezamenlijk door het Comité van Ministers en die niet-lidstaat vastgesteld.
(8)De Conferentie van de partijen kan besluiten om de deelname van een partij aan haar werkzaamheden te beperken als die partij wegens een ernstige inbreuk van artikel 3 van het Statuut van de Raad van Europa (ETS nr. 1) niet langer lid is van de Raad krachtens artikel 8 van het Statuut. Evenzo kunnen bij een besluit van het Comité van Ministers maatregelen worden getroffen ten aanzien van een partij die geen lidstaat van de Raad van Europa is om de betrekkingen met die staat te beëindigen op vergelijkbare gronden als die van artikel 3 van het Statuut.
Artikel 24 – Verslagverplichting
(1)Elke partij verstrekt binnen twee jaar nadat zij partij is geworden, en vervolgens op gezette tijden, aan de Conferentie van de partijen een verslag met bijzonderheden over de tot uitvoering van artikel 3, lid 1, punten a) en b), ondernomen activiteiten.
(2)De Conferentie van de partijen bepaalt de vorm en de procedure voor het indienen van het verslag overeenkomstig het reglement van orde.
Artikel 25 – Internationale samenwerking
(1)De partijen werken samen bij de verwezenlijking van het doel van dit verdrag. De partijen worden voorts aangemoedigd om, in voorkomend geval, staten die geen partij bij dit Verdrag zijn, bij te staan bij hun optreden overeenkomstig dit Verdrag en om partij bij dit Verdrag te worden.
(2)De partijen wisselen onderling, waar nodig, belangrijke en nuttige inlichtingen uit over aspecten in verband met AI die aanzienlijke positieve of negatieve gevolgen kunnen hebben voor de uitoefening van de mensenrechten, de werking van de democratie en de eerbiediging van de rechtsstaat, waaronder risico’s en gevolgen die zich in onderzoeksverband en met betrekking tot de particuliere sector hebben voorgedaan. De partijen worden aangemoedigd om, in voorkomend geval, belanghebbenden en staten die geen partij bij dit Verdrag zijn, bij deze uitwisseling van inlichtingen te betrekken.
(3)De partijen worden aangemoedigd om, in voorkomend geval ook met belanghebbenden, de samenwerking te versterken om risico’s en negatieve gevolgen voor de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat in het kader van activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen te voorkomen en te beperken.
Artikel 26 – Doeltreffende toezichtmechanismen
(1)Elke partij stelt een of meer doeltreffende mechanismen in of wijst deze aan om toe te zien op de naleving van de verplichtingen overeenkomstig dit verdrag.
(2)Elke partij waarborgt dat die mechanismen hun taken onafhankelijk en onpartijdig uitoefenen en over de nodige bevoegdheden, deskundigheid en middelen beschikken om doeltreffend toezicht te houden op de naleving van de verplichtingen van dit Verdrag door de partijen.
(3)Indien een partij meer dan één mechanisme heeft aangewezen, treft zij waar mogelijk maatregelen om een doeltreffende onderlinge samenwerking te vergemakkelijken.
(4)Indien een partij andere mechanismen dan de bestaande mensenrechtenstructuren heeft aangewezen, treft zij waar mogelijk maatregelen ter bevordering van een doeltreffende samenwerking tussen de in lid 1 genoemde mechanismen en die bestaande nationale mensenrechtenstructuren.
Hoofdstuk VIII – Slotbepalingen
Artikel 27 – Gevolgen van het verdrag
(1)Indien twee of meer partijen reeds een akkoord of een Verdrag over de in dit Verdrag geregelde aangelegenheden hebben gesloten, of anderszins betrekkingen ten aanzien van dergelijke aangelegenheden hebben aangeknoopt, zijn zij ook gerechtigd dat akkoord of Verdrag dienovereenkomstig toe te passen of die betrekkingen dienovereenkomstig te regelen, mits zij dit doen op een wijze die niet met het onderwerp en het doel van dit Verdrag onverenigbaar is.
(2)Partijen die lid zijn van de Europese Unie passen in hun wederzijdse betrekkingen de regels van de Europese Unie toe die op de binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag vallende aangelegenheden gelden, onverminderd het onderwerp en het doel van dit Verdrag en onverminderd de volledige toepassing jegens andere partijen. Hetzelfde geldt voor andere partijen, voor zover zij door dergelijke regels gebonden zijn.
Artikel 28 – Wijzigingen
(1)Wijzigingen van dit Verdrag kunnen door elke partij, het Comité van Ministers van de Raad van Europa of de Conferentie van de partijen worden voorgesteld.
(2)Elk voorstel tot wijziging wordt door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa aan de partijen meegedeeld.
(3)Elke door een partij of door het Comité van Ministers voorgestelde wijziging wordt meegedeeld aan de Conferentie van de partijen, die haar oordeel over de voorgestelde wijziging aan het Comité van Ministers voorlegt.
(4)Het Comité van Ministers bestudeert de voorgestelde wijziging en het door de Conferentie van de partijen voorgelegde oordeel en kan de wijziging goedkeuren.
(5)De tekst van elke door het Comité van Ministers overeenkomstig lid 4 goedgekeurde wijziging wordt aan de partijen ter aanvaarding toegezonden.
(6)Elke overeenkomstig lid 4 aangenomen wijziging treedt in werking dertig dagen nadat de partijen de Secretaris-Generaal hebben meegedeeld dat zij haar hebben aanvaard.
Artikel 29 – Geschillenbeslechting
Bij een geschil tussen partijen over de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag streven deze partijen naar een geschillenbeslechting door middel van onderhandelingen of andere vreedzame middelen van hun keuze, waaronder de Conferentie van de partijen, overeenkomstig artikel 23, lid 2, punt e).
Artikel 30 – Ondertekening en inwerkingtreding
(1)Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa, de niet-lidstaten die aan de opstelling hebben deelgenomen en de Europese Unie.
(2)Dit Verdrag moet worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa neergelegd.
(3)Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop vijf ondertekenaars, waaronder ten minste drie lidstaten van de Raad van Europa, overeenkomstig lid 2 hun instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht.
(4)Voor iedere ondertekenaar die nadien zijn instemming betuigt door dit Verdrag te worden gebonden, treedt dit in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van drie maanden na de datum van de neerlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Artikel 31 – Toetreding
(1)Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na raadpleging van de partijen bij dit Verdrag en met eenparigheid van stemmen, elke niet-lidstaat van de Raad van Europa die niet aan de opstelling van dit Verdrag heeft deelgenomen, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden bij besluit van de in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa bedoelde meerderheid en met eenparigheid van stemmen van de vertegenwoordigers van de partijen die gerechtigd zijn zitting in het Comité van Ministers te nemen.
(2)Voor iedere toetredende staat treedt dit Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van drie maanden na de datum van neerlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 32 – Territoriale toepassing
(1)Elke staat of de Europese Unie kan, op het tijdstip van ondertekening of bij de neerlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het grondgebied of de grondgebieden waarop dit Verdrag van toepassing is nader aanduiden.
(2)Elke partij kan op een later tijdstip door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot elk ander grondgebied dat in de verklaring wordt genoemd. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt dit Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de verklaring door de Secretaris-Generaal.
(3)Elke krachtens de twee voorgaande leden gedane verklaring kan, met betrekking tot elk in die verklaring genoemd grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 33 – Federale clausule
(1)Een federale staat kan zich het recht voorbehouden de verplichtingen krachtens dit Verdrag aan te gaan voor zover deze conform de fundamentele beginselen zijn die ten grondslag liggen aan de betrekkingen tussen de centrale regering en de constituerende staten of andere vergelijkbare territoriale entiteiten, mits dit Verdrag op de centrale regering van de federale staat van toepassing is.
(2)Ten aanzien van de bepalingen van dit Verdrag waarvan de toepassing onder de rechtsbevoegdheid valt van elk van de constituerende staten of andere vergelijkbare territoriale entiteiten die, ingevolge het constitutionele stelsel van de federatie, niet verplicht zijn wetgevende maatregelen te treffen, brengt de centrale regering de bevoegde autoriteiten van deze staten op de hoogte van de genoemde bepalingen, vergezeld van een gunstig advies, hen aanmoedigende om passende maatregelen te treffen ter effectuering hiervan.
Artikel 34 – Voorbehouden
(1)Door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa kan elke staat, op het tijdstip van ondertekening of bij de neerlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij van het in artikel 33, lid 1, bedoelde voorbehoud gebruik maakt.
(2)Ten aanzien van dit Verdrag kan geen ander voorbehoud worden gemaakt.
Artikel 35 – Opzegging
(1)Elke partij kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
(2)De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 36 – Kennisgeving
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa, de niet-lidstaten die aan de opstelling van dit Verdrag hebben deelgenomen, de Europese Unie, elke ondertekenaar, elke verdragsluitende staat, elke partij en elke staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden, in kennis van:
(a)elke ondertekening;
(b)de neerlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
(c)elke datum van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig artikel 30, leden 3 en 4, en artikel 31, lid 2;
(d)elke overeenkomstig artikel 28 aangenomen wijziging en de datum waarop een dergelijke wijziging in werking treedt;
(e)elke verklaring krachtens artikel 3, lid 1, punt b);
(f)elk voorbehoud en elke intrekking van een voorbehoud krachtens artikel 34;
(g)elke opzegging krachtens artikel 35;
(h)elke andere akte, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit verdrag.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
Gedaan te Vilnius, op 5 september 2024, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar dat zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet een gewaarmerkt afschrift toekomen aan iedere lidstaat van de Raad van Europa, aan de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit verdrag, aan de Europese Unie en aan iedere staat die is uitgenodigd tot dit Verdrag toe te treden.
BIJLAGE II
1.Verklaring van de Europese Unie betreffende het toepassingsgebied ten aanzien van particuliere partijen overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt b, van het Verdrag
Herinnerend aan de verplichting overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt b, van het Verdrag ten aanzien van de aanpak van de risico’s en de gevolgen die voortvloeien uit de activiteiten binnen de levenscyclus van AI-systemen door particuliere partijen voor zover die niet onder a) van die bepaling vallen, op een wijze die conform het onderwerp en het doel van het Verdrag is, verklaart de Unie dat zij de beginselen en de verplichtingen van de hoofdstukken II tot en met VI van het Verdrag zal toepassen ten aanzien van de activiteiten van particuliere partijen die AI-systemen in de Europese Unie in de handel brengen, beschikbaar stellen en gebruiken door middel van Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie (“verordening artificiële intelligentie”). Ander toepasselijk acquis van de Unie kan ook van toepassing zijn op die activiteiten en kan bijdragen tot de uitvoering van de beginselen en de verplichtingen van het verdrag.
2.Verklaring van de Europese Unie betreffende het territoriale toepassingsgebied overeenkomstig artikel 32, lid 1, van het Verdrag
Ten aanzien van artikel 32, lid 1, van het Verdrag verklaart de Unie dat het Kaderverdrag van de Raad van Europa over artificiële intelligentie en de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, wat de bevoegdheid van de Unie betreft, van toepassing moet zijn in de gebieden waar de EU-Verdragen worden toegepast overeenkomstig artikel 52 VEU en onder de voorwaarden van, onder andere, artikel 355 VWEU.