EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 10.12.2024
COM(2024) 577 final
2024/0319(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wat betreft de versterking van de positie van landbouwers in de voedseltoeleveringsketen
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Na opeenvolgende hervormingen is het zwaartepunt van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna “GLB” genoemd) verschoven naar inkomenssteun en marktgerichtheid met vrije prijsvorming voor landbouwproducten. Met die hervormingen werd vooral gereageerd op endogene uitdagingen, overschotten en crises. De meeste uitdagingen voor de landbouwsector worden echter veroorzaakt door factoren van buiten de landbouw en vragen om een bredere beleidsreactie.
Het GLB voorziet al in bepaalde maatregelen voor het versterken van de positie van landbouwers in de voedseltoeleveringsketen. Verwacht wordt echter dat de druk op de landbouwinkomens zal aanhouden, omdat landbouwers worden geconfronteerd met toenemende risico’s, stijgende kosten van productiemiddelen en striktere productie-eisen.
De COVID-19-pandemie en de aanhoudende aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne hebben geleid tot een ongekende stijging van de energiegerelateerde kosten van landbouwproductiemiddelen en tot een langdurige periode van hoge inflatie, met alle gevolgen van dien voor de kosten van landbouwers en de voedselprijzen. Tegelijk blijven landbouwers inspanningen leveren om conform EU-normen milieuvriendelijker te produceren.
Bovendien hebben veel consumenten, die te maken hebben met hogere kosten van levensonderhoud, hun consumptiepatroon aangepast en kopen zij minder dure voedingsmiddelen. Daardoor is de verdeling van de meerwaarde over de verschillende schakels van de voedseltoeleveringsketen nog onevenwichtiger geworden, met als gevolg een scheve spreiding van de winsten en kosten over de actoren in de keten, oplaaiende protesten en toenemend wantrouwen.
Op 15 maart 2024 heeft de Commissie een discussienota gepresenteerd waarin zij een reeks maatregelen aankondigt om de positie van landbouwers in de voedseltoeleveringsketen te versterken. Tot die maatregelen behoort onder meer een gerichte wijziging van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en de daarmee verband houdende GLB-verordeningen.
De Raad Landbouw en Visserij van 26 maart 2024 steunde de in de discussienota aangekondigde maatregelen.
In de politieke beleidslijnen van de Europese Commissie voor 2024-2029 wordt benadrukt dat landbouwers een billijk en toereikend inkomen moeten hebben en dat bestaande onevenwichtigheden moeten worden gecorrigeerd, de positie van landbouwers moet worden versterkt en landbouwers nog meer moeten worden beschermd tegen oneerlijke handelspraktijken.
Voorts wordt in het eindverslag van de strategische dialoog over de toekomst van de landbouw in de EU, die op 13 september 2023 door de voorzitter van de Europese Commissie in haar toespraak over de Staat van de Unie werd aangekondigd en in januari 2024 van start ging en waaraan 29 belangrijke belanghebbenden uit de Europese agrovoedingssectoren, het maatschappelijk middenveld, plattelandsgemeenschappen en de academische wereld deelnamen, opgeroepen tot aanpassingen in de positie van landbouwers in de waardeketen. In de Guiding Political Principles van het verslag over de strategische dialoog wordt duidelijk benadrukt dat landbouwers en andere actoren in de voedselketen ondanks de marktomstandigheden toch een fatsoenlijk inkomen moeten hebben en dat de machtsverhoudingen in de voedselketen evenwichtig moeten zijn. Het eerste hoofdstuk van de aanbevelingen van de strategische dialoog handelt over het creëren van een eerlijke en concurrerende voedselwaardeketen door het versterken van de positie van landbouwers in die keten. In die aanbevelingen wordt met name gewezen op contracten en wordt opgeroepen om te overwegen in contractonderhandelingen gegevens over productiekosten en -prijzen als relevante punten mee te nemen, alsook de mogelijkheid om onderhandelingen te starten in geval van een uitzonderlijke kostenstijging. Ook wordt gewezen op het belang van bemiddelingsmechanismen. Wat samenwerking betreft, wordt opgeroepen tot het versterken van producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties, tot het vereenvoudigen van de erkenningsprocedure voor die organisaties en unies en tot het verlenen van gerichte steun aan hen. In het verslag wordt erkend dat de economische, de sociale en de milieudimensie van duurzaamheid alle drie even belangrijk zijn voor de Europese samenlevingen in het algemeen en de agrovoedingssystemen in het bijzonder en dat het GLB positieve sociale en milieu-uitkomsten moet bevorderen en de diversificatie van een duurzaam bedrijfsmodel, met inbegrip van bijvoorbeeld korte toeleveringsketens, moet ondersteunen.
In overeenstemming met de aanbevelingen van het verslag over de strategische dialoog is het derhalve passend maatregelen te nemen om de contractuele positie van landbouwers te versterken en het vertrouwen van de actoren in de voedseltoeleveringsketen te herstellen.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Krachtens artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU” genoemd) heeft het GLB de volgende doelstellingen:
·de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te verzekeren;
·aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn;
·de markten te stabiliseren;
·de voorziening veilig te stellen;
·redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren.
Dit voorstel is in overeenstemming met die doelstellingen en met de algemene filosofie van de vigerende GLB-verordeningen (de verordening gemeenschappelijke marktordening, de verordening inzake de strategische GLB-plannen en de verordening inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het GLB).
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Dit voorstel wijzigt een beperkt aantal bepalingen van de vigerende GLB-verordeningen, zonder de essentie ervan te wijzigen. Omdat die bepalingen in overeenstemming zijn met ander beleid van de Unie, is het voorstel ook in overeenstemming met dat andere beleid.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
De rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 42, eerste alinea, en artikel 43, lid 2, VWEU, omdat: i) dit voorstel de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wijzigt, die alle drie op artikel 43, lid 2, VWEU berusten, en ii) Verordening (EU) nr. 1308/2013 ook op artikel 42, eerste alinea, VWEU is gebaseerd en dit voorstel ook bepalingen bevat waarin de (niet-)toepassing van mededingingsregels is geregeld.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Dit voorstel wijzigt bestaande verordeningen die op EU-niveau zijn aangenomen en in alle lidstaten van toepassing zijn.
De wijzigingen moeten de positie van landbouwers in de agrovoedingsketen versterken door het i) vereenvoudigen van de voorschriften voor de erkenning van producentenorganisaties, ii) versterken van de voorschriften voor het sluiten van contracten, iii) geven van voorschriften voor het gebruik van sectoroverschrijdende facultatieve vermeldingen als “eerlijk”, “billijk” en soortgelijke vermeldingen en “korte toeleveringsketens”, iv) invoeren van de mogelijkheid om de lidstaten financiële steun van de Unie te verlenen voor maatregelen die door marktdeelnemers in perioden van ernstige marktverstoring worden genomen, en v) verbeteren van de organisatiegraad van de landbouwsector in de lidstaten door het ondersteunen van producentenorganisaties die operationele programma’s uitvoeren, en het beter benutten van sectorale interventies in de andere sectoren bedoeld in artikel 42, punt f), van Verordening (EU) 2021/2115.
De wijzigingen doen geen afbreuk aan het gelijke speelveld voor producenten, noch aan de harmonisatie die reeds door de bestaande verordeningen tot stand is gebracht. Al met al wordt ervan uitgegaan dat de lidstaten er niet in zullen slagen als ze ieder een eigen aanpak volgen.
•Evenredigheid
Het voorstel wijzigt de bestaande verordeningen alleen voor zover dat strikt noodzakelijk is om de bovengenoemde doelstellingen te verwezenlijken, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de wijzigingen doelgericht zijn en voorzien in passende flexibiliteit.
De voorgestelde wijzigingen hebben slechts betrekking op bepaalde aspecten van een beperkt aantal bepalingen in de bestaande verordeningen. Met de wijzigingen worden bestaande bepalingen betreffende contracten van landbouwers en hun organisatie met andere actoren in de keten verder versterkt, krijgen producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties meer onderhandelingsmacht, worden de aan hun erkenning verbonden administratieve lasten teruggedrongen en wordt een stimulerend kader geschapen voor vrijwillige regelingen en overeenkomsten om de beloning van landbouwers te verbeteren, en voor initiatieven op het gebied van sociale duurzaamheid.
•Keuze van het instrument
Omdat dit voorstel bestaande verordeningen van het Europees Parlement en de Raad wijzigt, moeten de wijzigingen ook worden doorgevoerd bij een verordening van het Europees Parlement en de Raad.
3.RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN
•Ex-postevaluaties/geschiktheidscontroles van bestaande wetgeving
Het voorstel voor gerichte wijzigingen van de GMO-verordening en andere GLB-gerelateerde verordeningen is een van de maatregelen die in de discussienota van de Commissie van 15 maart 2024 werden aangekondigd. Gezien de urgentie om te reageren op de dringende uitdagingen waarmee de landbouwsector momenteel wordt geconfronteerd, en de urgentie om te reageren op protesten van landbouwers, is de bestaande wetgeving niet aan een ex-postevaluatie/geschiktheidscontrole onderworpen.
•Raadpleging van belanghebbenden
Omdat urgent actie moet worden ondernomen om de dringende uitdagingen van de Europese landbouwsector het hoofd te bieden, is geen verzoek om input gepubliceerd of een openbare raadpleging gehouden. Wel werden via gerichte bijeenkomsten de relevante belanghebbenden geraadpleegd (zie “Verzamelen en gebruiken van expertise”).
•Verzamelen en gebruiken van expertise
Vanwege de urgentie om actie te ondernemen, werd geen verzoek om input gepubliceerd of een openbare raadpleging gehouden, maar de Commissie heeft de voorgestelde maatregelen meerdere keren aan de Raad voorgelegd, en ook heeft zij deze gepresenteerd aan de Groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld in een bijeenkomst waaraan ook andere relevante belanghebbenden deelnamen, aan het Europees Mededingingsnetwerk en, tijdens bilaterale bijeenkomsten, aan alle relevante in de Unie gevestigde verenigingen in de agrovoedingsketen, met inbegrip van consumentenorganisaties.
•Effectbeoordeling
Gezien de urgentie om te reageren op de dringende uitdagingen waarmee de landbouwsector momenteel wordt geconfronteerd, was er geen effectbeoordeling mogelijk.
De voorgestelde maatregelen berusten op input die van belanghebbenden is ontvangen, met name in de bijeenkomst, in uitgebreide samenstelling, van de Groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld, en in bijeenkomsten met alle relevante in de EU gevestigde verenigingen in de agrovoedingsketen, waaronder consumentenorganisaties, en daarnaast op input van het Europees Mededingingsnetwerk en van de voorzitter van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling van het Europees Parlement.
De maatregelen zijn ook in overeenstemming met de relevante aanbevelingen van september 2024 van de strategische dialoog over de toekomst van de landbouw in de EU.
Het effect van het voorstel zal afhangen van de vraag hoe landbouwers en kopers van landbouwproducten gaan reageren op bepaalde vrijwillige maatregelen en wat de lidstaten gaan doen met de geboden opties en afwijkingen.
Binnen drie maanden na goedkeuring van het voorstel stellen de diensten van de Commissie een werkdocument op. Daarin zal een duidelijke beschrijving worden gegeven van de behandelde kwesties, de voorgestelde gerichte wijzigingen en de waarschijnlijke gevolgen van die wijzigingen. Ook zal het een samenvatting van de ontvangen feedback van belanghebbenden bevatten.
•Geschiktheid en vereenvoudiging van regelgeving
Dit voorstel is een van de maatregelen die in de discussienota van de Commissie van 15 maart 2024 als onderdeel van het vereenvoudigingspakket werden aangekondigd. In het werkdocument van de diensten van de Commissie zal zoveel mogelijk worden aangegeven in welke mate de administratieve lasten worden teruggedrongen.
•Grondrechten
Dit voorstel is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Dit voorstel heeft geen kwantificeerbare gevolgen voor de begroting.
Hoewel de maatregelen 12 tot en met 17 (vermeld in punt 5, “Overige elementen”, onder “Artikelsgewijze toelichting”) de uitvoering van operationele programma’s door producentenorganisaties kunnen versnellen en dus tot hogere uitgaven kunnen leiden, blijven alle daarmee samenhangende uitgaven onder het submaximum dat voor de uitgaven uit het ELGF is vastgesteld.
Wat de uit het ELGF gefinancierde landbouwreserve betreft, worden geen wijzigingen van het totale bedrag van die reserve voorgesteld. Het gebruik van de reserve voor de financiering van maatregelen uit hoofde van artikel 222 van de verordening gemeenschappelijke marktordening kan gevolgen hebben voor de mogelijke toewijzing van bedragen voor andere uitzonderlijke maatregelen in een bepaald jaar, maar deze gevolgen kunnen in dit stadium niet worden gekwantificeerd.
De financiële bijstand van de Unie aan producentenorganisaties in de sector groenten en fruit die door de lidstaten zijn erkend voor de uitvoering van operationele programma’s, blijft beperkt tot een bepaald percentage (4,1 % tot 5,5 %, afhankelijk van het type begunstigden en de nagestreefde doelen) van de waarde van de afgezette productie van die producentenorganisaties.
Het voorstel bevat bepalingen die de lidstaten een zekere flexibiliteit geven met betrekking tot de financiële toewijzingen voor interventietypen in de vorm van rechtstreekse betalingen en voor interventietypen in “andere” sectoren. De middelen die beschikbaar worden gesteld voor financiële bijstand van de Unie aan producentenorganisaties die actief zijn in “andere” sectoren, blijven beperkt tot bedragen die (binnen de grenzen van de desbetreffende wetgevingsbepaling) worden overgeheveld uit de rechtstreekse betalingen waartoe door de lidstaten is besloten en die door de Commissie zijn goedgekeurd. Indien de lidstaten besluiten gebruik te maken van die flexibiliteit, zal dat alleen gevolgen hebben voor de toewijzingen van rechtstreekse betalingen en voor “andere” sectoren binnen het ELGF zelf. Het effect kan in dit stadium niet worden gekwantificeerd.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplannen en regelingen voor monitoring, evaluatie en rapportage
Dit voorstel wijzigt de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116. Daarom blijven het uitvoeringsplan en de monitoring-, evaluatie- en rapportageregelingen dezelfde als in het huidige kader.
•Toelichtende stukken (voor richtlijnen)
Niet van toepassing (de wetgevingstekst is een verordening).
•Artikelsgewijze toelichting
Ten eerste moeten minimumeisen worden vastgesteld voor het gebruik van vermeldingen voor handelsmodaliteiten waarmee een eerlijke toewijzing van meerwaarde aan landbouwers wordt verzekerd. Het doel is verhoging van de transparantie en betrouwbaarheid in het gebruik van die vermeldingen zodat de meerwaarde eerlijk over de verschillende schakels van de voedseltoeleveringsketen wordt verdeeld, misbruik van dergelijke vermeldingen wordt voorkomen, en consumenten beschikken over betrouwbare informatie over het eerlijke aandeel van landbouwers in de meerwaarde en over korte toeleveringsketens.
Ten tweede moet voor elke levering van landbouwproducten een schriftelijk contract worden gesloten, op bepaalde uitzonderingen na en met de mogelijkheid voor de lidstaten om bepaalde landbouwproducten van die verplichting vrij te stellen.
Ten derde moeten schriftelijke contracten bepaalde elementen bevatten die zorgen voor transparantie en voorspelbaarheid bij de berekening van de definitieve prijs.
Ten vierde moeten contracten met een looptijd van meer dan zes maanden een herzieningsclausule bevatten op grond waarvan een landbouwer, producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties om herziening van het contract kan verzoeken, met name in situaties waarin de prijs niet langer de productiekosten dekt, en het contract kan opzeggen indien dat verzoek wordt afgewezen.
Ten vijfde moeten de lidstaten een bemiddelingsmechanisme instellen voor partijen die er gebruik van willen maken.
Ten zesde moeten bestaande voorschriften voor de definitie en erkenning van producentenorganisaties worden vereenvoudigd. Om de samenwerking tussen producenten van biologische producten te verbeteren, moet bovendien uitdrukkelijk worden voorzien in de mogelijkheid van oprichting en erkenning van producentenorganisaties door die producenten.
Ten zevende moeten bestaande voorschriften voor producentenorganisaties worden verduidelijkt in de zin dat producentenorganisaties moeten worden opgericht op initiatief van landbouwers en moeten worden gecontroleerd volgens voorschriften op grond waarvan de aangesloten landbouwers op democratische wijze toezicht kunnen uitoefenen op hun organisatie en haar besluiten.
Ten achtste moet het niet-erkende producentenorganisaties, met inbegrip van coöperaties, worden toegestaan om namens hun leden voor de totale productie van de leden of een gedeelte daarvan te onderhandelen over contractvoorwaarden.
Ten negende moeten erkende unies van producentenorganisaties namens de aangesloten erkende producentenorganisaties over contractvoorwaarden kunnen onderhandelen.
Ten tiende moet het bevorderen van het gebruik van initiatieven met facultatieve vermeldingen voor handelsmodaliteiten als “eerlijk”, “billijk” en soortgelijke vermeldingen en “korte toeleveringsketen”, worden opgenomen in de lijst van doelen die een erkende brancheorganisatie kan nastreven.
Ten elfde mogen verticale en horizontale samenwerkingsinitiatieven op het gebied van landbouwproducten en voedingsmiddelen die tot doel hebben bepaalde sociale-duurzaamheidseisen toe te passen die strikter zijn dan de verplichte eisen, niet onder het toepassingsgebied van artikel 101, lid 1, VWEU vallen.
Ten twaalfde moet Verordening (EU) 2021/2115 worden gewijzigd wat betreft de interventietypen in bepaalde sectoren. Bovendien moet de financiële bijstand van de Unie voor operationele programma’s in bepaalde sectoren worden verhoogd.
Ten dertiende moet de financiële steun van de Unie voor operationele programma’s van producentenorganisaties in de sector groenten en fruit in lidstaten waar de organisatiegraad van producenten minder dan 10 % is in drie opeenvolgende jaren voorafgaand aan de uitvoering van het operationele programma, worden verhoogd van 50 % naar 60 %.
Ten veertiende moet bij wijze van stimulans speciale steun worden verleend aan jonge landbouwers en nieuwe landbouwers die zich bij een erkende producentenorganisatie aansluiten en die investeren op de locatie van hun bedrijf.
Ten vijftiende moet de financiële steun van de Unie die in geval van ongunstige weersomstandigheden, natuurrampen, plantenziekten of plagen aan producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties wordt verleend, onder bepaalde voorwaarden worden verhoogd van 50 % naar 70 % van de werkelijke uitgaven.
Ten zestiende moet het de lidstaten met ingang van 2025 worden toegestaan om maximaal 6 % van hun toewijzingen van rechtstreekse betalingen te gebruiken voor de sectoren die zijn vermeld in artikel 1, lid 2, punten a) tot en met h), k), m), o) tot en met t), en w), van Verordening (EU) nr. 1308/2013, en de sectoren van producten die zijn vermeld in bijlage VI bij Verordening (EU) 2021/2115.
Ten zeventiende moet Verordening (EU) 2021/2116 zo worden gewijzigd dat de landbouwreserve kan worden gebruikt voor bepaalde categorieën van collectieve acties van bepaalde particuliere marktdeelnemers om sectoren te stabiliseren die te kampen hebben met een ernstige marktverstoring.
2024/0319 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wat betreft de versterking van de positie van landbouwers in de voedseltoeleveringsketen
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42, eerste alinea, en artikel 43, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van de Rekenkamer,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)De landbouwsector en in het bijzonder de landbouwers zelf staan voor allerlei uitdagingen. De COVID-19-pandemie en de aanhoudende aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne hebben geleid tot een ongekende stijging van energiegerelateerde kosten van landbouwproductiemiddelen en tot een langdurige periode van hoge inflatie, met alle gevolgen van dien voor de kosten van landbouwers en de voedselprijzen. Tegelijk blijven landbouwers inspanningen leveren om milieuvriendelijker te produceren. Veel consumenten, die te maken hebben met hogere kosten van levensonderhoud, hebben hun consumptiepatroon aangepast en kopen minder dure voedingsmiddelen. Daardoor is de verdeling van de meerwaarde over de verschillende schakels van de voedseltoeleveringsketen onevenwichtiger geworden en werken landbouwers in steeds onzekerdere omstandigheden, met als gevolg oplaaiende protesten en een toenemend wantrouwen. Het is derhalve passend maatregelen vast te stellen om die uitdagingen aan te pakken en het vertrouwen van de actoren in de voedseltoeleveringsketen te herstellen.
(2)Diverse marktdeelnemers in de landbouw- en voedseltoeleveringsketen die actief zijn in de verschillende stadia van de productie, verwerking, afzet, distributie en retail, hebben regelingen en labels ontwikkeld voor het bevorderen van handelsmodaliteiten die zorgen voor een eerlijk aandeel van landbouwers in de meerwaarde en voor de vorming en instandhouding van korte toeleveringsketens. Het vaststellen van minimumeisen voor het gebruik van facultatieve vermeldingen voor die handelsmodaliteiten is noodzakelijk om de transparantie en betrouwbaarheid in het gebruik van die vermeldingen in de voedseltoeleveringsketen te vergroten, zulks in aanvulling op bestaande voorschriften voor de etikettering van voedingsmiddelen, in het bijzonder Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
(3)In het belang van meer vertrouwen en billijkheid in de verschillende schakels van de voedseltoeleveringsketen mogen de vermeldingen “eerlijk”, “billijk” of soortgelijke vermeldingen alleen worden gebruikt voor handelsmodaliteiten die zorgen voor stabiliteit en transparantie in de handelsbetrekkingen tussen landbouwers en kopers en voor een door de deelnemende landbouwers billijk geachte prijsstelling en die de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ondersteunen en daaraan bijdragen, mede op een wijze die in overeenstemming is met bijlage I bij Richtlijn (EU) 2024/1760 van het Europees Parlement en de Raad.
(4)De vermelding “korte toeleveringsketen” mag alleen worden gebruikt voor handelsmodaliteiten waarbij er tussen landbouwers en consumenten een rechtstreekse band bestaat op basis waarvan rechtstreeks informatie kan worden uitgewisseld over het productieproces en het product, onder meer door middel van communicatie op afstand en/of via een tussenpersoon die een dergelijke uitwisseling op het moment van verkoop mogelijk maakt. Daarnaast mag deze vermelding ook worden gebruikt wanneer er tussen landbouwers en consumenten een nauwe band bestaat en er sprake is van geografische nabijheid, ook in een grensoverschrijdende context. Dit stimuleert consumenten om prijzen te betalen waarmee landbouwers een eerlijke vergoeding krijgen voor hun product, draagt bij tot en versterkt de ontwikkeling van plattelandsgebieden en vergroot de transparantie over de oorsprong van producten en de productiemethoden.
(5)In het licht van de marktomstandigheden, de veranderende verwachtingen van de consument en de vooruitgang op het gebied van zowel de handelsnormen als de toepasselijke internationale normen moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor het gebruik van de facultatieve vermeldingen voor handelsmodaliteiten die betrekking hebben op een eerlijk aandeel van landbouwers in de meerwaarde en op de vorming en instandhouding van korte toeleveringsketens. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
(6)Om dezelfde redenen moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen voor andere facultatieve vermeldingen, die vergelijkbaar zijn met de vermeldingen “eerlijk” of “billijk”.
(7)Hoewel de lidstaten nationale bepalingen kunnen handhaven of invoeren met aanvullende eisen voor het gebruik van facultatieve vermeldingen voor handelsmodaliteiten, mogen die bepalingen het gebruik van deze vermeldingen voor producten die in een andere lidstaat legaal zijn geproduceerd of in de handel gebracht, niet belemmeren of beperken.
(8)Het gebruik van schriftelijke contracten speelt een cruciale rol bij de verantwoordingsplicht van exploitanten, het vergroten van het bewustzijn over het belang van marktsignalen, het aanpassen van het aanbod aan de vraag, het verbeteren van de prijstransmissie binnen de toeleveringsketen, het vergroten van de transparantie en het voorkomen en aanpakken van oneerlijke handelspraktijken. Het toepassingsgebied van de voorschriften betreffende contractuele betrekkingen in de sector melk en zuivelproducten moet daarom worden uitgebreid tot andere producten dan rauwe melk, waarbij moet worden gezorgd voor afstemming op de voorschriften voor contractuele betrekkingen die voor andere landbouwsectoren gelden.
(9)Om de flexibiliteit voor de lidstaten te vergroten en de erkenningsprocedure voor producentenorganisaties te vereenvoudigen en daarmee de transactiekosten te verlagen en de efficiëntie te verbeteren, moeten de voorschriften voor producentenorganisaties ruimte bieden voor de erkenning ervan op basis van één verzoek voor meerdere sectoren en producten. Om de samenwerking tussen producenten van biologische producten te verbeteren, moet bovendien uitdrukkelijk worden voorzien in de mogelijkheid van oprichting en erkenning van producentenorganisaties door producenten van biologische producten. In de criteria voor de erkenning van producentenorganisaties en hun statuten moet ook worden bepaald dat producentenorganisaties op initiatief van landbouwers worden opgericht en worden gecontroleerd overeenkomstig voorschriften op grond waarvan de aangesloten landbouwers op democratische wijze toezicht kunnen uitoefenen op de organisatie en haar besluiten. Daarbij mogen andere producenten die geen landbouwer zijn, en niet-producenten niet worden uitgesloten van lidmaatschap van een producentenorganisatie.
(10)Om verdere duurzame ontwikkeling te bevorderen — een kernbeginsel van het Verdrag en een prioritaire doelstelling in het beleid van de Unie — en ervoor te zorgen dat er in de hele toeleveringsketen sprake is van transparantie, stabiliteit en billijkheid in de handelsbetrekkingen tussen landbouwers en kopers, moeten de lidstaten producentenorganisaties kunnen erkennen die speciale doelen nastreven met facultatieve vermeldingen voor handelsmodaliteiten als “eerlijk”, “billijk” of soortgelijke vermeldingen en “korte toeleveringsketen”.
(11)Om landbouwers een redelijke levensstandaard te verzekeren, hun onderhandelingspositie ten opzichte van verwerkers en andere actoren in de toeleveringsketen te versterken en te zorgen voor een eerlijkere verdeling van de meerwaarde over de verschillende schakels van de toeleveringsketen, moet de mogelijkheid om namens de leden over contractvoorwaarden te onderhandelen voor een deel van de productie of de gehele productie van de leden, worden uitgebreid tot niet-erkende producentenorganisaties, met inbegrip van coöperaties. Om te waarborgen dat leden van erkende en van niet-erkende producentenorganisaties gelijk worden behandeld, moet deze mogelijkheid aan passende beperkingen worden onderworpen. Met name moeten niet-erkende producentenorganisaties die gebruikmaken van die mogelijkheid, aan de op het niveau van de Unie vastgestelde erkenningscriteria voldoen en de in Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad vermelde activiteiten verrichten, waaronder het concentreren van het aanbod en het in de handel brengen van de producten van hun leden.
(12)Om de onderhandelingspositie van erkende producentenorganisaties te versterken en een duurzame ontwikkeling van de landbouwproductie te waarborgen, moet het erkende unies van producentenorganisaties worden toegestaan om namens hun leden voor een deel van de productie of de volledige productie van de leden te onderhandelen over contractvoorwaarden, waaronder de prijs. Deze mogelijkheid moet worden toegestaan, mits wordt gewaarborgd dat de organisaties die aangesloten zijn bij die unies, niet ook aangesloten zijn bij een andere unie van producentenorganisaties en dat het volume van de producten waarop de activiteiten van de unie betrekking hebben, niet meer dan 33 % van de totale nationale productie van een bepaalde lidstaat bedraagt. Met het oog op de instandhouding van daadwerkelijke mededinging op de markt mag het erkende unies van producentenorganisaties evenmin worden toegestaan om over contractvoorwaarden te onderhandelen wanneer bij die unies ook niet-erkende producentenorganisaties zijn aangesloten.
(13)Om te voorkomen dat kopers de onderhandelingspositie van producentenorganisaties ondermijnen, moeten voor de contacten tussen kopers en leden van die producentenorganisaties passende waarborgen worden vastgesteld. Hoewel kopers contact mogen opnemen met leden van een producentenorganisatie, mogen die contacten de doelstellingen van die producentenorganisatie of de concentratie van het aanbod en het in de handel brengen van producten niet ondermijnen.
(14)Brancheorganisaties spelen een belangrijke rol bij het faciliteren van de dialoog tussen actoren in de toeleveringsketen en bij het bevorderen van best practices, markttransparantie, stabiliteit en billijkheid in de handelsbetrekkingen tussen landbouwers en kopers in de hele toeleveringsketen. Daarom moet het bevorderen van initiatieven op het gebied van facultatieve vermeldingen voor handelsmodaliteiten als “eerlijk”, “billijk” of soortgelijke vermeldingen en “korte toeleveringsketen” worden opgenomen in de lijst van doelen die een erkende brancheorganisatie kan nastreven.
(15)Bepaalde lidstaten hebben besloten dat voor alle leveringen van landbouwproducten op hun grondgebied een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten. Wanneer een lidstaat niet gebruikmaakt van deze mogelijkheid, kunnen landbouwers, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties om een schriftelijk contract vragen. Vanwege de zwakkere onderhandelingspositie van landbouwers en de vrees voor commerciële vergeldingsacties van kopers kan het voor landbouwers en verenigingen van landbouwers echter moeilijk zijn om een dergelijk verzoek in te dienen. Om het vertrouwen, de transparantie en de efficiëntie in de toeleveringsketen te vergroten en alle landbouwers, producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties in staat te stellen te profiteren van het gebruik van schriftelijke contracten, moet voor de levering van landbouwproducten in de Unie door een landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties aan een verwerker, distributeur of retailer een schriftelijk contract worden gesloten.
(16)Om beter rekening te houden met de signalen van de markt en om de prijstransmissie te verbeteren, moeten de lidstaten kunnen eisen dat voor de levering van landbouwproducten door andere producenten dan landbouwers, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties, een schriftelijk contract moet worden gesloten en dat kopers voor de levering van landbouwproducten een schriftelijk voorstel voor de levering van landbouwproducten moeten doen. Omwille van de eenvoud en met het oog op verlaging van de transactiekosten moet deze verordening voorzien in bepaalde uitzonderingen op het verplichte gebruik van een schriftelijk contract of schriftelijk voorstel voor een contract, en moet zij de lidstaten de mogelijkheid bieden om bepaalde leveringen vrij te stellen van het verplichte gebruik van een schriftelijk contract of schriftelijk voorstel, en tegelijk landbouwers en verenigingen van landbouwers de mogelijkheid laten om bij ontstentenis van een dergelijke verplichting te vragen om een schriftelijk contract of schriftelijk voorstel.
(17)Het verplichte gebruik van een schriftelijk contract voor de levering van landbouwproducten en de basisvoorwaarden voor het gebruik ervan moeten op het niveau van de Unie worden vastgelegd, waarbij moet worden gewaarborgd dat het recht van de partijen om over alle onderdelen van hun contract te onderhandelen, niet verder wordt beperkt dan strikt noodzakelijk is.
(18)De lidstaten moeten bemiddelingsmechanismen instellen om partijen aan te moedigen een geschil over de sluiting of herziening van een schriftelijk contract minnelijk te schikken. De lidstaten moeten de Commissie informeren over de bemiddelingsmechanismen die er op hun grondgebied zijn of over de instelling van die mechanismen, en de Commissie kan de uitwisseling van best practices voor die mechanismen faciliteren.
(19)Met het oog op de goede werking van de prijstransmissiemechanismen moeten, wanneer de voor de levering van landbouwproducten verschuldigde definitieve prijs wordt berekend aan de hand van een combinatie van verschillende in het contract vermelde factoren, tot die factoren onder meer objectieve indicatoren, indexcijfers of berekeningsmethoden behoren die voor de partijen gemakkelijk te begrijpen zijn. Om te voorkomen dat landbouwers gedwongen worden systematisch onder hun productiekosten te verkopen, moeten de indicatoren, indexcijfers en methoden voor de berekening van de definitieve prijs rekening houden met veranderingen in de marktomstandigheden en de productiekosten van de geleverde landbouwproducten.
(20)Gezien de kwetsbare onderhandelingspositie van landbouwers en hun organisaties, gezien recente gevallen van beduidende volatiliteit van de kosten van landbouwproductiemiddelen en -marktprijzen en gezien de noodzaak van een efficiëntere prijstransmissie binnen de toeleveringsketen moeten contracten met een looptijd van meer dan zes maanden een herzieningsclausule bevatten die landbouwers en hun organisatie kunnen inroepen. Een dergelijke clausule moet landbouwers de mogelijkheid bieden om na afloop van de zes maanden op elk gewenst moment om een herziening van de onderdelen van het contract te verzoeken en het contract te beëindigen ingeval geen overeenstemming over een herziening wordt bereikt, zonder afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te onderhandelen over andere mogelijkheden tot herziening van het contract.
(21)Om de contractuele transparantie te vergroten en bij te dragen tot een eerlijkere handelspraktijk, moeten de lidstaten kunnen voorschrijven dat schriftelijke contracten voor de levering van landbouwproducten moeten worden geregistreerd.
(22)Bepaalde verticale en horizontale samenwerkingsinitiatieven op het gebied van landbouwproducten en voedingsmiddelen die tot doel hebben striktere eisen toe te passen dan de verplichte eisen, kunnen passen in de doelstelling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid om de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, en in de doelstelling van duurzame ontwikkeling van de Unie. Daarom mogen dergelijke initiatieven in bepaalde omstandigheden buiten het toepassingsgebied van artikel 101, lid 1, VWEU vallen.
(23)In perioden van ernstige marktverstoring kunnen bepaalde categorieën van collectieve acties van particuliere marktdeelnemers de betrokken sectoren helpen stabiliseren. Voor deze acties moet de Commissie middelen van de Unie uit de landbouwreserve beschikbaar kunnen stellen, zodat particuliere marktdeelnemers over de nodige middelen beschikken om deze acties uit te voeren. De lidstaten moeten ook aanvullende nationale middelen kunnen toewijzen.
(24)Met het oog op meer contractuele duidelijkheid voor suikerbietentelers en om voor een geharmoniseerd contractueel kader te zorgen, moeten de aankoopvoorwaarden in contracten voor de levering van suikerbieten worden afgestemd op de voorwaarden voor het gebruik van schriftelijke contracten in andere landbouwsectoren, waarbij rekening moet worden gehouden met de bijzondere kenmerken van de suikerbietensector.
(25)Verordening (EU) nr. 1308/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(26)Om de positie van landbouwers in de voedseltoeleveringsketen te versterken, moeten verscheidene bepalingen van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad worden gewijzigd wat betreft de interventietypen in bepaalde sectoren. Deze wijzigingen moeten landbouwers stimuleren lid te worden of te blijven van producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties die op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013zijn erkend, zulks gezien de positieve rol die deze organisaties en unies spelen bij het versterken van de onderhandelingspositie van producenten. Om producentenorganisaties via de strategische GLB-plannen efficiënter en gerichter te kunnen ondersteunen, moet bovendien worden voorzien in de mogelijkheid om de financiële bijstand van de Unie aan operationele programma’s in bepaalde sectoren te verhogen.
(27)In bepaalde lidstaten ligt de productiewaarde van groenten en fruit die door producentenorganisaties in de handel worden gebracht, als percentage van de totale waarde van de geproduceerde groenten en fruit nog ver onder het gemiddelde van de Unie. Eén van de financiële prikkels die nu al beschikbaar is, is de in artikel 53 van Verordening (EU) 2021/2115 aan de lidstaten geboden mogelijkheid om nationale financiële bijstand te verlenen aan producentenorganisaties in regio’s waar de producenten in beduidend mindere mate georganiseerd zijn dan het gemiddelde van de Unie. Met het oog op de versterking van het concurrentievermogen, de versterking van de positie van de landbouwers in de waardeketen en de oprichting van nieuwe producentenorganisaties moet een financiële prikkel worden gegeven in de vorm van een verhoging van de financiële bijstand van de Unie aan producentenorganisaties met 10 % in lidstaten waar de organisatiegraad van de producenten minder dan 10 % is in drie opeenvolgende jaren voorafgaand aan de uitvoering van het betrokken operationele programma.
(28)Om de generatievernieuwing in de landbouwsector te bevorderen en de toetreding van nieuwe producenten tot producentenorganisaties in de sector groenten en fruit en andere in artikel 42, punt f), van Verordening (EU) 2021/2115 bedoelde sectoren aan te moedigen, moet een bijzondere prikkel worden gegeven aan jonge landbouwers en nieuwe landbouwers die zich aansluiten bij een op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013 erkende producentenorganisatie. Bijgevolg moet worden voorzien in de mogelijkheid om de beschikbare financiële bijstand van de Unie met 10 % te verhogen voor uitgaven aan investeringen die worden gedaan bij een jonge landbouwer of een nieuwe producent die zich voor het eerst bij een erkende producentenorganisatie aansluit.
(29)Omdat er zich de afgelopen jaren telkens ongunstige weersomstandigheden, natuurrampen, plantenziekten en plagen hebben voorgedaan, is het voor producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties nuttig gebleken om financiële middelen, met inbegrip van financiële bijstand van de Unie in het kader van het actiefonds, te kunnen herbestemmen voor interventies die nodig zijn om de gevolgen van die gebeurtenissen aan te pakken. Daarom moet worden voorzien in de mogelijkheid om de in artikel 52, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 vastgelegde financiële bijstand van de Unie onder bepaalde voorwaarden te verhogen van 50 % naar 70 % van de werkelijke uitgaven.
(30)Om het opzetten van interventietypen te kunnen ondersteunen in de andere in artikel 42, punt f), van Verordening (EU) 2021/2115 bedoelde sectoren, moeten de lidstaten met ingang van 2025 extra flexibiliteit krijgen om de toewijzing van middelen aan deze sectoren aan te passen en daaraan maximaal 6 % van hun toewijzingen voor rechtstreekse betalingen toe te wijzen.
(31)Verordening (EU) 2021/2115 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,
(32)Om ervoor te zorgen dat in perioden van ernstige marktverstoring middelen van de Unie uit de landbouwreserve ter beschikking van de lidstaten kunnen worden gesteld voor collectieve acties van particuliere marktdeelnemers, moet de mogelijkheid om gebruik te maken van de landbouwreserve, worden uitgebreid tot steunverlening voor collectieve acties wanneer de Commissie besluit dat de mededingingsregels niet van toepassing zijn op die acties.
(33)Artikel 16 van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(34)Om de marktdeelnemers de nodige aanpassingstijd te geven en om de Commissie in staat te stellen om de bestaande nationale regelingen en praktijk te beoordelen, moet de toepassing van de voorschriften voor het reserveren van de facultatieve vermeldingen “eerlijk”, “billijk” en soortgelijke vermeldingen en van de vermelding “korte toeleveringsketens” worden uitgesteld tot twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening. Om de marktdeelnemers in staat te stellen hun contractuele betrekkingen aan de nieuwe voorschriften voor schriftelijke contracten aan te passen, moet voorts ook de toepassing van die voorschriften worden uitgesteld tot achttien maanden na de inwerkingtreding van deze verordening,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 1308/2013
Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt als volgt gewijzigd:
1)In deel II, titel II, hoofdstuk I, afdeling 1, wordt na onderafdeling 3 de volgende onderafdeling ingevoegd:
“Onderafdeling 3 bis
Gebruik van facultatieve vermeldingen voor producten uit alle in artikel 1, lid 2, vermelde sectoren
Artikel 88 bis
Facultatieve vermeldingen voor handelsmodaliteiten
1.De vermeldingen “eerlijk”, “billijk” of soortgelijke vermeldingen mogen uitsluitend worden gebruikt — alleen of in combinatie met andere vermeldingen — op het etiket, in de presentatie, in reclamemateriaal of in handelsdocumenten van een in de handel gebracht product uit een in artikel 1, lid 2, vermelde sector, mits deze vermeldingen worden gebruikt om kopers te informeren over bestaande modaliteiten voor de organisatie van de productie, de distributie of het in de handel brengen die ten minste bijdragen tot:
a)stabiliteit en transparantie in de betrekkingen tussen landbouwers en kopers in de toeleveringsketen,
b)een prijs die de deelnemende landbouwers billijk vinden voor hun producten, en
c)collectieve initiatieven waarmee een of meer van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties worden nagestreefd.
2.De vermelding “korte toeleveringsketen” mag uitsluitend worden gebruikt — alleen of in combinatie met andere vermeldingen — op het etiket, in de presentatie, in reclamemateriaal of in handelsdocumenten van een in de handel gebracht product uit een in artikel 1, lid 2, vermelde sector, mits de vermelding wordt gebruikt om kopers te informeren over bestaande modaliteiten voor de organisatie van de productie, de distributie of het in de handel brengen die voorzien in:
a)een rechtstreekse band tussen de landbouwer en de eindverbruiker van het product, of
b)een nauwe band en geografische nabijheid tussen de landbouwer en de eindverbruiker van het product.
3.De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de in lid 1, punten a), b) en c), en in lid 2, punten a) en b), genoemde voorwaarden nader uit te werken, rekening houdend met toepasselijke internationale normen.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
4.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen tot wijziging van lid 1 vast te stellen en vermeldingen toe te voegen die vergelijkbaar zijn met de vermeldingen “eerlijk” of “billijk”, wanneer dergelijke soortgelijke vermeldingen in de handel worden gebruikt om kopers te informeren over de in lid 1 bedoelde handelsmodaliteiten.
5.De lidstaten kunnen nationale voorschriften vaststellen of handhaven waarin voorwaarden worden gesteld die een aanvulling vormen op de voorwaarden genoemd in lid 1, punten a), b) en c), en in lid 2, punten a) en b), voor het gebruik van de in lid 1 respectievelijk lid 2 genoemde vermeldingen. Deze voorschriften mogen het gebruik van de in de leden 1 en 2 genoemde vermeldingen niet verbieden, beperken of belemmeren voor producten die in een andere lidstaat legaal zijn geproduceerd of in de handel zijn gebracht onder de in de leden 1 en 2 genoemde vermeldingen.
6. Dit artikel laat de regels van Verordening (EU) nr. 1169/2011 onverlet.”.
2)Artikel 148 wordt vervangen door:
“Artikel 148
Contractuele betrekkingen in de sector melk en zuivelproducten
1.Voor elke levering in de Unie van melk en zuivelproducten door een landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties aan een verwerker, inzamelaar, distributeur of retailer wordt een schriftelijk contract tussen de partijen gesloten.
Een dergelijk contract moet aan de voorwaarden van de leden 4 en 8 voldoen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “inzamelaar” verstaan: een onderneming die rauwe melk vervoert van een landbouwer of een andere inzamelaar naar een verwerker van rauwe melk of een andere inzamelaar, met dien verstande dat de eigendom van de melk telkens wordt overgedragen.
2.De lidstaten kunnen ook besluiten dat:
a)voor de levering van melk en zuivelproducten door een andere producent dan een landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties aan een verwerker, inzamelaar, distributeur of retailer een schriftelijk contract moet worden gesloten;
b)de eerste koper van melk en zuivelproducten een schriftelijk voorstel moet doen voor een contract voor de levering van melk en zuivelproducten door de landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties.
Een dergelijk contract of voorstel voor een contract moet aan de voorwaarden van de leden 4 en 8 voldoen.
3.De lidstaten stellen een bemiddelingsmechanisme in voor gevallen waarin er geen onderlinge overeenstemming is over het sluiten van een contract als bedoeld in de leden 1 en 2, of over de herziening van een dergelijk contract.
De lidstaten informeren de Commissie over de bemiddelingsmechanismen die op hun grondgebied zijn ingesteld.
4.Het contract of het voorstel voor een contract bedoeld in de leden 1 en 2:
a)wordt vóór de levering gesloten c.q. gedaan,
b)wordt schriftelijk opgesteld, en
c)bevat in het bijzonder de volgende elementen:
i)de voor de levering verschuldigde prijs, die:
–statisch moet zijn en in het contract moet zijn vermeld, of
–moet worden berekend aan de hand van een combinatie van verschillende in het contract vermelde factoren, waaronder objectieve indicatoren, indexcijfers of methoden voor de berekening van de definitieve prijs, die gemakkelijk toegankelijk en begrijpelijk zijn en rekening houden met veranderingen in de marktomstandigheden en productiekosten, de geleverde hoeveelheden en de kwaliteit of samenstelling van de geleverde melk en zuivelproducten. Daartoe kunnen de lidstaten indicatoren vaststellen op basis van objectieve criteria die zijn gebaseerd op studies over de productie en de voedseltoeleveringsketen. Het staat de partijen bij de contracten vrij te verwijzen naar deze indicatoren of andere indicatoren;
ii)de hoeveelheid rauwe melk of de kwaliteit en hoeveelheid melk of zuivelproducten die moeten worden geleverd en de leveringstermijn daarvan;
iii)de looptijd van het contract, waarbij onder vermelding van een verstrijkingsbepaling een bepaalde of een onbepaalde looptijd is toegestaan. In het geval van een contract met een minimumlooptijd van meer dan zes maanden moet het contract een herzieningsclausule bevatten die door de landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties kan worden ingeroepen;
iv)details betreffende betalingstermijnen en -procedures;
v)de modaliteiten voor de inzameling of levering van melk of zuivelproducten; en
vi)de voorschriften die van toepassing zijn bij overmacht.
5.In afwijking van de leden 1 en 2 is een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel voor een contract niet vereist in de volgende gevallen:
a)de betrokken melk of zuivelproducten worden door een lid van een producentenorganisatie of coöperatie geleverd aan de producentenorganisatie of coöperatie waarbij dat lid is aangesloten, op voorwaarde dat in de statuten van die producentenorganisatie of coöperatie of in de bij deze statuten vastgestelde of daaruit voortvloeiende voorschriften en besluiten bepalingen zijn opgenomen van vergelijkbare strekking als het bepaalde in lid 4;
b)de eerste koper van melk of zuivelproducten is een kleine of micro-onderneming in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG;
c)de levering en de betaling van de melk of zuivelproducten vinden gelijktijdig plaats;
d)de levering geschiedt gratis of in het kader van het wegwerken van melk of zuivelproducten die niet meer geschikt zijn voor verkoop.
6.De lidstaten kunnen besluiten dat een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel niet vereist is in een of meer van de volgende gevallen:
a)de levering heeft betrekking op producten waarvan de waarde gelijk is aan of lager is dan een door de lidstaat te bepalen drempel, die niet hoger mag zijn dan 10 000 EUR;
b)de levering heeft betrekking op melk of zuivelproducten die onderhevig zijn aan seizoensgebonden schommelingen van vraag of aanbod of aan bederf;
c)de levering heeft betrekking op melk of zuivelproducten waarvoor traditionele of gebruikelijke verkoopmethoden gelden.
7.Wanneer krachtens lid 5, punten b), c) en d), of lid 6, geen schriftelijk contract of schriftelijk voorstel voor een contract vereist is, kan een landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties eisen dat voor een levering van melk of zuivelproducten een schriftelijk contract wordt gesloten of een schriftelijk voorstel voor een contract wordt gedaan. Een dergelijk contract of voorstel voor een contract moet voldoen aan de voorwaarden van lid 4 en lid 8, eerste alinea.
8.Over alle elementen van tussen landbouwers, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties en inzamelaars, verwerkers, distributeurs of retailers gesloten contracten voor de levering van melk of zuivelproducten, met inbegrip van de in lid 4, punt c), genoemde elementen en onderdelen daarvan, wordt vrij onderhandeld tussen de partijen.
De lidstaten kunnen een of meer van de volgende elementen vaststellen:
a)met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde schriftelijke contracten:
i)een verplichting voor de partijen om een verhouding overeen te komen tussen een bepaalde hoeveelheid geleverde melk of zuivelproducten en de prijs die voor die levering moet worden betaald;
ii)een minimale looptijd, die ten minste zes maanden bedraagt en die de goede werking van de interne markt niet in het gedrang mag brengen;
b)met betrekking tot de in lid 2, punt b), bedoelde schriftelijke voorstellen: de verplichting dat het schriftelijk voorstel een in het nationale recht geldende minimale looptijd voor het contract moet bevatten. De aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden en mag de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen.
Landbouwers, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties kunnen de krachtens de tweede alinea opgelegde minimale looptijd schriftelijk weigeren.
9.De lidstaten kunnen voorschrijven dat de koper van melk of zuivelproducten het in lid 1 bedoelde schriftelijke contract moet registreren voordat de betrokken melk of zuivelproducten door de landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties aan een inzamelaar, verwerker, distributeur of retailer op hun grondgebied worden geleverd.
10.De lidstaten die van de in de leden 2, 6, 8 en 9, geboden mogelijkheden gebruikmaken, stellen de Commissie in kennis van de wijze waarop deze mogelijkheden worden toegepast.
11.De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met de nodige maatregelen voor de uniforme toepassing van de leden 4 en 5, alsook voorschriften met betrekking tot de kennisgevingen die overeenkomstig lid 10 door de lidstaten moeten worden gedaan. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.
3) Artikel 152 wordt als volgt gewijzigd:
a)lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
i)punt a) wordt vervangen door:
“a) bestaan uit producenten in een of meer van de in artikel 1, lid 2, vermelde sectoren of uit producenten van biologische producten in een of meer van de in artikel 1, lid 2, vermelde sectoren, en worden gecontroleerd door aangesloten landbouwers, overeenkomstig artikel 153, lid 2, punt c);”;
ii)in punt b) wordt de inleidende zin vervangen door:
“b) zijn opgericht op initiatief van de landbouwers zelf en ten minste een van de volgende activiteiten verrichten:”;
iii)punt c), vi), wordt vervangen door:
“vi) het gebruik van productienormen bevorderen en daarvoor technische bijstand verstrekken, de productkwaliteit verbeteren en producten ontwikkelen met een beschermde oorsprongsbenaming, een beschermde geografische aanduiding of een nationaal kwaliteitskeurmerk, en initiatieven uitvoeren ter bevordering van korte toeleveringsketens of van het gebruik van de in artikel 88 bis genoemde facultatieve vermeldingen;”;
b)in lid 1 bis wordt de eerste alinea vervangen door:
“1 bis. In afwijking van artikel 101, lid 1, VWEU kan een op grond van lid 1 van dit artikel erkende producentenorganisatie of een producentenorganisatie, met inbegrip van een coöperatie, die niet door een lidstaat als producentenorganisatie is erkend, maar wel voldoet aan de vereisten van lid 1 van dit artikel en artikel 154, namens haar leden met betrekking tot de totale productie van die leden of een gedeelte daarvan, de productie plannen, de productiekosten optimaliseren, producten in de handel brengen en over contracten voor de levering van landbouwproducten onderhandelen.”;
c)in lid 1 ter wordt de volgende tweede alinea ingevoegd:
“In afwijking van lid 1 bis, en de eerste alinea kan een op grond van artikel 156, lid 1, erkende unie van producentenorganisaties ook de in lid 1 bis, eerste alinea, genoemde activiteiten verrichten, mits:
a)haar leden zijn erkend overeenkomstig lid 1 van dit artikel,
b)haar leden voor een bepaald product niet ook zijn aangesloten bij een andere erkende unie van producentenorganisaties,
c)haar leden voldoen aan de voorwaarden van lid 1 bis, tweede alinea, punten a) en b),
d)het volume van de producten waarop de in lid 1 bis, eerste alinea, genoemde activiteiten betrekking hebben, niet meer bedraagt dan 33 % van de totale nationale productie van een bepaalde lidstaat.”.
4)Artikel 153 wordt als volgt gewijzigd:
a)in lid 2 wordt punt c) vervangen door:
“c) voorschriften op grond waarvan de aangesloten landbouwers op democratische wijze toezicht kunnen uitoefenen op hun organisatie en haar besluiten, evenals op haar rekeningen en begrotingen;”;
b)lid 2 bis wordt vervangen door:
“2 bis. De statuten van een producentenorganisatie kunnen voorzien in de mogelijkheid dat de leden rechtstreeks contact hebben met de kopers, mits dergelijk rechtstreeks contact de door de producentenorganisatie nagestreefde doelen of de concentratie van het aanbod en het in de handel brengen van de producten door de producentenorganisatie niet in gevaar brengt. Concentratie van het aanbod wordt geacht te zijn gewaarborgd indien over de belangrijkste elementen van de verkoop, zoals prijs, kwaliteit en volume, door de producentenorganisatie wordt onderhandeld en deze elementen door de producentenorganisatie worden bepaald.”;
c)lid 3 wordt vervangen door:
“3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op producentenorganisaties in de sector melk en zuivelproducten.”.
5)Aan artikel 157, lid 1, punt c), wordt het volgende punt toegevoegd:
“xvii) het gebruik van de in artikel 88 bis genoemde facultatieve vermeldingen bevorderen.”.
6)Artikel 168 wordt vervangen door:
“Artikel 168
Contractuele betrekkingen
1.Voor elke levering in de Unie van landbouwproducten uit een in artikel 1, lid 2, vermelde sector, behalve melk en zuivelproducten en suiker, door een landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties aan een verwerker, distributeur of retailer wordt tussen de partijen een schriftelijk contract gesloten.
Een dergelijk contract moet aan de voorwaarden van de leden 4 en 8 voldoen.
2.De lidstaten kunnen ook besluiten dat:
a)voor de levering van landbouwproducten door een andere producent dan een landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties aan een verwerker, distributeur of retailer een schriftelijk contract moet worden gesloten;
b)de eerste koper van het landbouwproduct een schriftelijk voorstel moet doen voor een contract voor de levering van landbouwproducten door de landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties.
Een dergelijk contract of voorstel voor een contract moet aan de voorwaarden van de leden 4 en 8 voldoen.
3.De lidstaten stellen een bemiddelingsmechanisme in voor gevallen waarin er geen overeenstemming is over de sluiting van een contract als bedoeld in de leden 1 en 2, of over de herziening van een dergelijk contract.
De lidstaten informeren de Commissie over de bemiddelingsmechanismen die op hun grondgebied zijn ingesteld.
4.Het contract of het voorstel voor een contract bedoeld in de leden 1 en 2:
a)wordt vóór de levering gesloten c.q. gedaan,
b)wordt schriftelijk opgesteld, en
c)bevat in het bijzonder de volgende elementen:
i)de voor de levering verschuldigde prijs, die:
–statisch moet zijn en in het contract moet zijn vermeld, of
–moet worden berekend aan de hand van een combinatie van verschillende in het contract vermelde objectieve indicatoren, indexcijfers of methoden voor de berekening van de definitieve prijs, die gemakkelijk toegankelijk en begrijpelijk moeten zijn en rekening moeten houden met veranderingen in de marktomstandigheden en productiekosten, de geleverde hoeveelheden en de kwaliteit of samenstelling van de geleverde landbouwproducten. Daartoe kunnen de lidstaten indicatoren vaststellen op basis van objectieve criteria die zijn gebaseerd op studies over de productie en de voedseltoeleveringsketen. De partijen bij de contracten zijn vrij om te verwijzen naar deze indicatoren of andere indicatoren die zij relevant achten;
ii)de hoeveelheid en kwaliteit van de desbetreffende landbouwproducten die geleverd kunnen of moeten worden, en de leveringstermijn daarvan;
iii)de looptijd van het contract, waarbij onder vermelding van een verstrijkingsbepaling hetzij een bepaalde hetzij een onbepaalde looptijd is toegestaan. In het geval van contracten met een minimumlooptijd van meer dan zes maanden bevat het contract ook een herzieningsclausule die door de landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties kan worden ingeroepen;
iv)details betreffende betalingstermijnen en -procedures;
v)de modaliteiten voor de inzameling of levering van de landbouwproducten;
vi)de voorschriften die van toepassing zijn bij overmacht.
5.In afwijking van de leden 1 en 2 is een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel voor een contract niet vereist in de volgende gevallen:
a)de betrokken landbouwproducten worden door een lid van een producentenorganisatie of coöperatie geleverd aan de producentenorganisatie of coöperatie waarbij dat lid is aangesloten, op voorwaarde dat in de statuten van die producentenorganisatie of coöperatie of in de bij deze statuten vastgestelde of daaruit voortvloeiende voorschriften en besluiten bepalingen zijn opgenomen van vergelijkbare strekking als het bepaalde in lid 4, punten a), b) en c);
b)de eerste koper van de betrokken landbouwproducten is een kleine of micro-onderneming in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG;
c)de levering en de betaling van de betrokken landbouwproducten vinden gelijktijdig plaats;
d)de levering geschiedt gratis of in het kader van het wegwerken van producten die niet meer geschikt zijn voor verkoop.
6.De lidstaten kunnen besluiten dat een schriftelijk contract of een schriftelijk voorstel niet vereist is in een of meer van de volgende gevallen:
a)de levering heeft betrekking op producten waarvan de waarde gelijk is aan of lager is dan een door de lidstaat te bepalen drempel, die niet hoger mag zijn dan 10 000 EUR;
b)de levering heeft betrekking op landbouwproducten die onderhevig zijn aan seizoensgebonden schommelingen van vraag of aanbod of aan bederf;
c)de levering heeft betrekking op landbouwproducten waarvoor traditionele of gebruikelijke verkoopmethoden gelden.
7.Wanneer krachtens lid 5, punten b), c) en d), of lid 6 geen schriftelijk contract of schriftelijk voorstel voor een contract vereist is, kan een landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties eisen dat voor elke levering van landbouwproducten aan een verwerker, distributeur of retailer een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten of een schriftelijk voorstel voor een contract moet worden gedaan. Een dergelijk contract of voorstel voor een contract moet voldoen aan de voorwaarden van lid 4 en lid 8, eerste alinea.
8.Over alle elementen van contracten voor de levering van landbouwproducten die worden gesloten tussen landbouwers, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties en verwerkers, distributeurs of retailers, met inbegrip van de in lid 4, punt c), genoemde elementen en onderdelen daarvan, wordt vrij onderhandeld tussen de partijen.
De lidstaten kunnen een of meer van de volgende elementen vaststellen:
a)met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde schriftelijke contracten:
i)een verplichting voor de partijen om een verhouding overeen te komen tussen een bepaalde hoeveelheid geleverde landbouwproducten en de prijs die voor die levering moet worden betaald;
ii)een minimale looptijd, die ten minste zes maanden bedraagt en die de goede werking van de interne markt niet in het gedrang mag brengen;
b)met betrekking tot de in lid 2, punt b), bedoelde schriftelijke voorstellen: de verplichting dat het schriftelijk voorstel de daartoe in het nationale recht geldende minimale looptijd voor het contract moet bevatten. De aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden en mag de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen.
Landbouwers, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties kunnen de krachtens de tweede alinea opgelegde minimale looptijd schriftelijk weigeren.
9.De lidstaten kunnen van de koper van landbouwproducten eisen dat deze de in lid 1 bedoelde schriftelijke contracten moet registreren voordat de betrokken landbouwproducten door de landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties aan een verwerker, distributeur of retailer op hun grondgebied worden geleverd.
10.De lidstaten die van de in de leden 2, 6, 8 en 9, geboden mogelijkheden gebruikmaken, stellen de Commissie in kennis van de wijze waarop de mogelijkheden worden toegepast.
11.De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met de nodige maatregelen voor de uniforme toepassing van de leden 4 en 5, alsook voorschriften met betrekking tot de kennisgevingen die overeenkomstig lid 10 door de lidstaten moeten worden gedaan. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.
7)Artikel 210 bis wordt als volgt gewijzigd:
a)aan lid 3 worden de volgende punten toegevoegd:
“d) ondersteunen van de economische levensvatbaarheid van kleine landbouwbedrijven die voornamelijk afhankelijk zijn van gezinsarbeid en waarvan de standaardopbrengst, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 8), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad, niet hoger is dan 100 000 EUR;
e) aantrekken en ondersteunen van jonge producenten van landbouwproducten; of
f) verbeteren van de arbeids- en veiligheidsvoorwaarden bij landbouw- of verwerkingsactiviteiten.”;
b)lid 6 wordt vervangen door:
“Met ingang van 8 december 2023 kunnen producenten als bedoeld in lid 1, de Commissie om advies vragen over de verenigbaarheid met dit artikel van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, wat betreft de toepassing van duurzaamheidsnormen die tot doel hebben bij te dragen tot een of meer van de in lid 3, punten a), b) en c), vastgelegde doelstellingen.
Met ingang van [inwerkingtreding + twee jaar] kunnen producenten als bedoeld in lid 1, de Commissie om advies vragen over de verenigbaarheid met dit artikel van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, wat betreft de toepassing van duurzaamheidsnormen die tot doel hebben bij te dragen tot een of meer van de in lid 3, punten d), e) en f), vastgelegde doelstellingen.
De Commissie zendt de aanvrager haar advies binnen vier maanden na ontvangst van een volledige aanvraag.
Indien de Commissie op enig moment na het uitbrengen van een advies vaststelt dat niet langer wordt voldaan aan de in de leden 1, 3 en 7 van dit artikel bedoelde voorwaarden, verklaart zij artikel 101, lid 1, VWEU voortaan van toepassing op de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging in kwestie en stelt zij de producenten daarvan in kennis.
De Commissie kan, op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat, de inhoud van een advies wijzigen, met name wanneer de aanvrager onjuiste informatie heeft verstrekt of misbruik heeft gemaakt van het advies.”.
8)In artikel 222 wordt lid 1 vervangen door:
“1. Gedurende perioden van ernstige marktverstoring kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen om ervoor te zorgen dat artikel 101, lid 1, VWEU niet van toepassing is op overeenkomsten en besluiten van landbouwers, verenigingen van landbouwers of unies van deze verenigingen, of erkende producentenorganisaties, unies van erkende producentenorganisaties en erkende brancheorganisaties in de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde sectoren, voor zover deze overeenkomsten en besluiten de goede werking van de interne markt niet ondermijnen, uitsluitend tot doel hebben de betrokken sector te stabiliseren en onder een of meer van de volgende categorieën vallen:
a)het uit de markt nemen of gratis verstrekken van hun producten;
b)bewerking en verwerking;
c)opslag door particuliere marktdeelnemers;
d)gezamenlijke afzetbevorderingsmaatregelen;
e)overeenkomsten inzake kwaliteitseisen;
f)gezamenlijke inkoop van productiemiddelen die nodig zijn om de verspreiding van plagen en ziekten in dieren en planten in de Unie tegen te gaan, of van productiemiddelen die nodig zijn om de gevolgen van natuurrampen in de Unie te bestrijden;
g)tijdelijke planning van de productie, rekening houdend met de specifieke aard van de productiecyclus.
Wanneer de Commissie uitvoeringshandelingen vaststelt overeenkomstig de eerste alinea, kan zij besluiten om aan de betrokken lidstaten steun ter beschikking te stellen uit de in artikel 16 van Verordening (EU) 2021/2116 bedoelde landbouwreserve. Dergelijke financiële steun biedt de middelen die nodig zijn voor de uitvoering van die overeenkomsten en besluiten door de betrokken marktdeelnemers.
De Commissie vermeldt in uitvoeringshandelingen het toepassingsgebied van de afwijking van de eerste alinea, met inachtneming van lid 3 van dit artikel, de periode waarvoor de afwijking geldt en, voor zover van toepassing, het bedrag van de landbouwreserve dat op grond van de tweede alinea aan de betrokken lidstaat wordt toegewezen.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.
9)Bijlage X wordt als volgt gewijzigd:
a)in afdeling I wordt punt 1 vervangen door:
“1. Het leveringscontract wordt vóór de levering, schriftelijk en voor een bepaalde hoeveelheid suikerbieten gesloten.”;
b)in afdeling I wordt punt 2 vervangen door:
“2. Het leveringscontract kan over meerdere jaren lopen. In het geval van contracten met een minimumlooptijd van meer dan zes maanden bevat het contract een herzieningsclausule die door de landbouwer, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties kan worden ingeroepen.”;
c)in afdeling II wordt aan punt 2 de volgende alinea toegevoegd:
“De prijs wordt berekend aan de hand van een combinatie van verschillende in het contract vermelde factoren, waaronder objectieve indicatoren, indexcijfers of methoden voor de berekening van de definitieve prijs, die gemakkelijk toegankelijk en begrijpelijk moeten zijn en rekening moeten houden met veranderingen in de marktomstandigheden en productiekosten, de geleverde hoeveelheden en de kwaliteit of samenstelling van de geleverde suikerbieten. Daartoe kunnen de lidstaten indicatoren vaststellen op basis van objectieve criteria die zijn gebaseerd op studies over de productie en de voedseltoeleveringsketen. Het staat de partijen bij de contracten vrij te verwijzen naar deze indicatoren of andere indicatoren die zij relevant achten.”;
d)aan afdeling III wordt de volgende alinea toegevoegd:
“Het leveringscontract bevat voorschriften die van toepassing zijn bij overmacht.”;
e)de volgende afdeling IX bis wordt ingevoegd:
“AFDELING IX bis
“De lidstaten kunnen voorschrijven dat de suikerproducerende onderneming de schriftelijke leveringscontracten vóór de levering van de suikerbieten moet registreren.”.
Artikel 2
Wijzigingen in Verordening (EU) 2021/2115
Verordening (EU) 2021/2115 wordt als volgt gewijzigd:
1)Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:
a)aan lid 3 wordt het volgende punt i) toegevoegd:
“i) de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties voert een operationeel programma uit in een lidstaat waar de organisatiegraad van de producenten in de sector groenten en fruit minder dan 10 % is in drie opeenvolgende jaren voorafgaand aan de uitvoering van het operationele programma. De organisatiegraad wordt berekend als de waarde van de in de betrokken lidstaat verkregen groente- en fruitproductie die in de handel is gebracht door producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013, gedeeld door de totale waarde van de in die lidstaat verkregen groente- en fruitproductie.”;
b)het volgende lid 5 bis wordt ingevoegd:
“5 bis. Het in lid 1 vastgestelde maximum van 50 % wordt verhoogd tot 60 % voor uitgaven die verband houden met de in artikel 46, punten a), b) of c), vermelde doelstellingen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)de uitgaven hebben betrekking op investeringen in materiële en immateriële activa als bedoeld in artikel 47, lid 1, punt a), die worden gedaan door jonge landbouwers of nieuwe landbouwers die zich voor het eerst bij een krachtens Verordening (EU) nr. 1308/2013 erkende producentenorganisatie aansluiten;
b)de investeringen bedoeld in punt a) worden gedaan bij deze jonge landbouwers of nieuwe landbouwers in het kader van hun eerste operationele programma.”;
c)het volgende lid 7 wordt toegevoegd:
“7.
Het in lid 1 vastgestelde maximum van 50 % wordt verhoogd tot 70 % van de werkelijke uitgaven die in een bepaald jaar zijn gedaan voor operationele programma’s die door producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties zijn uitgevoerd en die in dat jaar zijn geraakt door ongunstige weersomstandigheden, natuurrampen, plantenziekten of plagen, zoals te bepalen door de lidstaten.”.
2)In artikel 68 wordt het volgende lid 2 bis ingevoegd:
“2 bis.
Artikel 52, lid 3, punten a) tot en met d), f), g) en h), en artikel 52, lid 5 bis, van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing.”.
3)In artikel 88 wordt lid 7 vervangen door:
“7.
Met ingang van 2025 kunnen de lidstaten hun in lid 6 bedoelde beslissingen herzien als onderdeel van een verzoek tot wijziging van hun strategische GLB-plannen dat is gedaan overeenkomstig artikel 119, en kunnen zij beslissen om maximaal 6 % van hun in bijlage V vastgelegde toewijzingen voor rechtstreekse betalingen, in voorkomend geval na aftrek van de toewijzingen voor katoen vastgelegd in bijlage VIII, te gebruiken voor interventietypen in andere sectoren bedoeld in titel III, hoofdstuk III, afdeling 7.
Het bedrag dat overeenstemt met het percentage van de toewijzingen van de lidstaten voor rechtstreekse betalingen bedoeld in de eerste alinea van dit lid en dat wordt gebruikt voor interventietypen in andere sectoren voor een bepaald begrotingsjaar wordt beschouwd als toewijzingen van de lidstaten per begrotingsjaar voor interventietypen in andere sectoren.”.
Artikel 3
Wijzigingen in Verordening (EU) 2021/2116
In artikel 16, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) 2021/2116 wordt punt b) vervangen door:
“b) uitzonderlijke maatregelen als bedoeld in de artikelen 219 tot en met 222 van Verordening (EU) nr. 1308/2013.”.
Artikel 4
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1, punt 1), is van toepassing met ingang van [+2 jaar].
Artikel 1, punten 2 en 6, is van toepassing met ingang van [+18 maanden].
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter