Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52024PC0343

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD over het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, inzake de wijziging van Protocol 4 inzake oorsprongsregels bij die overeenkomst wat betreft de permeabiliteit tussen de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels en de overgangsregels van oorsprong

COM/2024/343 final

Brussel, 30.7.2024

COM(2024) 343 final

2024/0202(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

over het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, inzake de wijziging van Protocol 4 inzake oorsprongsregels bij die overeenkomst wat betreft de permeabiliteit tussen de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels en de overgangsregels van oorsprong


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit over het namens de Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité van de EER-overeenkomst in verband met de voorgenomen vaststelling van een besluit tot wijziging van Protocol 4 bij de EER-overeenkomst.

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (de EER-overeenkomst)

De EER-overeenkomst 1 heeft ten doel de bevordering van een gestadige en evenwichtige versterking van de handel en de economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen onder gelijke mededingingsvoorwaarden en met inachtneming van dezelfde voorschriften met het oog op de totstandbrenging van een homogene Europese Economische Ruimte, hierna “EER” te noemen. De overeenkomst is op 1 januari 1994 in werking getreden.

2.2.Het Gemengd Comité

Het Gemengd Comité dat is ingesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 92 van de EER-overeenkomst, kan besluiten de bepalingen van Protocol 4 betreffende de oorsprongsregels te wijzigen. Het Gemengd Comité bestaat uit de vertegenwoordigers van de EER-partijen. De besluiten en aanbevelingen van het Gemengd Comité worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de Europese Unie, enerzijds, en de met één stem sprekende EVA-staten, anderzijds.

2.3.De beoogde handeling van het Gemengd Comité

Op de volgende vergadering of via briefwisseling zal het Gemengd Comité een besluit vaststellen over de wijziging van de bepalingen van Protocol 4 betreffende de oorsprongsregels (de beoogde handeling).

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

Tijdens de eerste technische vergadering over de overgangsregels van oorsprong die op 5 februari 2020 in Brussel plaatsvond, zijn de meeste partijen bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (de conventie) 2 overeengekomen de herziene regels van de conventie (de overgangsregels van oorsprong 3 ) parallel aan de regels van de conventie uit te voeren, op een bilaterale overgangsbasis, in afwachting van de vaststelling van de herziene regels van de conventie.

Sinds 1 september 2021 is tussen de partijen bij de conventie een netwerk van bilaterale protocollen inzake oorsprongsregels in werking getreden, onder meer in het kader van de EER-overeenkomst, waardoor de overgangsregels van toepassing zijn geworden.

Het doel van de overgangsregels van oorsprong is soepelere oorsprongsregels in te voeren om de kwalificatie van preferentiële oorsprong voor goederen te vergemakkelijken. Aangezien de overgangsregels van oorsprong over het algemeen soepeler zijn dan die van de conventie, kunnen goederen die aan de regels van de conventie voldoen, ook worden aangemerkt als van oorsprong krachtens de overgangsregels van oorsprong, met uitzondering van sommige landbouwproducten die zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 2, 4 tot en met 15, en 16 (behalve verwerkte visserijproducten) en de hoofdstukken 17 tot en met 24 van het geharmoniseerde systeem, omdat de overgangsregels van oorsprong voor deze producten anders of strikter zijn dan de regels van de conventie.

De overgangsregels van oorsprong zijn van toepassing naast de oorsprongsregels van de conventie, waardoor twee afzonderlijke zones van cumulatie ontstaan.

Dankzij de overgangsregels is er sprake van permeabiliteit tussen de twee reeksen oorsprongsregels: er kan een bewijs van oorsprong achteraf worden afgegeven op basis van een bewijs dat overeenkomstig de regels van de conventie is afgegeven, met inachtneming van de voorwaarde dat de producten in kwestie voldoen aan de vereisten van beide reeksen regels.

De huidige bepaling in de overgangsregels betreffende de permeabiliteit tussen de twee reeksen oorsprongsregels (artikel 21, lid 1, punt d), van aanhangsel A van het protocol betreffende de oorsprongsregels) heeft geleid tot een omslachtige douaneprocedure waardoor de marktdeelnemers niet ten volle gebruik kunnen maken van de voordelen van de toepassing van de overgangsregels, parallel aan die van de conventie.

De partijen zijn overeengekomen de overgangsregels vooraf toe te passen om de handelsstromen en douanepraktijken aan te passen aan de aanstaande inwerkingtreding van de wijziging van de conventie (waarop de overgangsregels zijn gebaseerd). Het is daarom passend de toepassing van permeabiliteit gedurende de resterende toepassingsperiode van de overgangsregels te vergemakkelijken, in afwachting van de inwerkingtreding van de wijziging van de conventie.

Daarom moet artikel 8 van aanhangsel A van Protocol 4 worden gewijzigd om de toepassing van de bestaande permeabiliteit tussen de conventie en de overgangsregels van oorsprong te vergemakkelijken.

Het door de EU in het Gemengd Comité in te nemen standpunt moet door de Raad worden vastgesteld.

De voorgestelde wijziging is technisch van aard en heeft betrekking op de thans geldende overgangsregels van oorsprong tussen de partijen en heeft geen gevolgen voor de inhoud van het protocol inzake oorsprongsregels. Er is dus geen effectbeoordeling vereist.

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van het op het betrokken lichaam toepasselijke internationale recht. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die niet bindend zijn uit hoofde van het internationale recht, maar die “beslissende invloed [hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt 4 .

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

Het Gemengd Comité is een orgaan dat is ingesteld bij een overeenkomst, zijnde de EER-overeenkomst.

De door het Gemengd Comité vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen.

De beoogde handeling zal bindend zijn uit hoofde van het internationale recht overeenkomstig artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de EER-overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt moet worden ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

De doelstelling en inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op het gemeenschappelijke handelsbeleid.

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207, lid 4, eerste alinea, VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

5.Gevolgen voor de begroting

Deze vereenvoudiging met betrekking tot de permeabiliteit tussen de conventie en de overgangsregels van oorsprong heeft geen meetbare impact op de EU-begroting omdat zij hoofdzakelijk beperkt blijft tot het faciliteren van het handelsverkeer en het consolideren van moderne praktijken van de douaneautoriteiten. De vereenvoudiging is gericht op de gebieden die onder de bevoegdheid van de autoriteiten blijven, zonder dat dit gevolgen heeft voor de inhoud van de regels op basis waarvan goederen de preferentiële oorsprong verkrijgen, en vergemakkelijkt de toepassing van het bestaande permeabiliteitsbeginsel.

6.Bekendmaking van de beoogde handeling

Aangezien de handeling van het Gemengd Comité Protocol 4 bij de overeenkomst zal wijzigen, is het passend de handeling na de vaststelling ervan bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2024/0202 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

over het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, inzake de wijziging van Protocol 4 inzake oorsprongsregels bij die overeenkomst wat betreft de permeabiliteit tussen de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels en de overgangsregels van oorsprong

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De EER-overeenkomst (de overeenkomst) is door de Unie gesloten bij Besluit 94/1/EG, EGKS 5 van de Raad en de Commissie en is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)De overeenkomst omvat Protocol 4 inzake oorsprongsregels. Krachtens artikel 98 van de overeenkomst kan het bij artikel 92 van die overeenkomst ingestelde Gemengd Comité besluiten de bepalingen van dat protocol te wijzigen.

(3)Tijdens de volgende vergadering zal het Gemengd Comité een besluit vaststellen over een wijziging van Protocol 4 bij de overeenkomst.

(4)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie in het Gemengd Comité moet worden ingenomen, aangezien het besluit van het Gemengd Comité voor de Unie bindend zal zijn.

(5)Tijdens de eerste technische vergadering over de overgangsregels van oorsprong die op 5 februari 2020 in Brussel plaatsvond, zijn de meeste partijen bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels 6 (de conventie) overeengekomen de herziene regels van de conventie 7 (de overgangsregels van oorsprong 8 ) parallel aan de regels van de conventie uit te voeren, op een bilaterale overgangsbasis, in afwachting van de vaststelling van de herziene regels van de conventie.

(6)De toepassing van de overgangsregels van oorsprong zorgt ervoor dat de handelsstromen en douanepraktijken worden aangepast in afwachting van de inwerkingtreding van de herziene regels van de conventie, waarop de overgangsregels van oorsprong zijn gebaseerd, op 1 januari 2025.

(7)Sinds 1 september 2021 is tussen de partijen bij de conventie 9 een netwerk van bilaterale protocollen inzake oorsprongsregels in werking getreden, waardoor de overgangsregels van toepassing zijn geworden 10 .

(8)Het doel van de overgangsregels van oorsprong is soepelere oorsprongsregels in te voeren om de kwalificatie van preferentiële oorsprong voor goederen te vergemakkelijken. Aangezien de overgangsregels van oorsprong over het algemeen soepeler zijn dan die van de conventie, kunnen goederen die aan de oorsprongsregels van de conventie voldoen, ook worden aangemerkt als van oorsprong krachtens de overgangsregels van oorsprong, met uitzondering van bepaalde landbouwproducten die zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 2, 4 tot en met 15, en16 (behalve verwerkte visserijproducten) en de hoofdstukken 17 tot en met 24 van het geharmoniseerde systeem. De overgangsregels van oorsprong zijn van toepassing naast de oorsprongsregels van de conventie, waardoor twee afzonderlijke zones van cumulatie ontstaan. Om de toepassing van de permeabiliteit tussen de conventie en de overgangsregels van oorsprong als bedoeld in artikel 21, lid 1, punt d), van aanhangsel A van Protocol 4 bij de overeenkomst te vergemakkelijken, moet artikel 8 van aanhangsel A van Protocol 4 bij de overeenkomst derhalve worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte inzake de wijziging van Protocol 4 bij die overeenkomst, moet worden gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.
(2)    PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.
(3)    PB L 246 van 22.9.2022, blz. 133.
(4)    Arrest van het Hof van 7 oktober 2014, Bondsrepubliek Duitsland/Raad van de Europese Unie, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(5)    Besluit van de Raad en de Commissie van 13 december 1993 betreffende de sluiting van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte tussen de Europese Gemeenschappen, hun lidstaten en de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland, de Republiek IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat (PB L 1 van 3.1.1994, blz. 1).
(6)    PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.
(7)    Besluit (EU) 2019/2198 van de Raad van 25 november 2019 inzake het namens de Europese Unie in het bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euromediterrane preferentiële oorsprongsregels opgerichte Gemengd Comité in te nemen standpunt over de wijziging van de conventie (PB L 339 van 30.12.2019, blz. 1).
(8)    PB L 246 van 22.9.2022, blz. 133.
(9)    EU, IJsland, Zwitserland (met inbegrip van Liechtenstein), Noorwegen, de Faeröer, Israël, Jordanië, Palestina (deze benaming mag niet worden uitgelegd als erkenning van een staat Palestina en laat de individuele standpunten van de lidstaten ter zake onverlet), Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo (deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo), Noord-Macedonië, Servië, Montenegro, Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne.
(10)    PB C, C/2024/1637, 20.2.2024.    
Top

Brussel, 30.7.2024

COM(2024) 343 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

over het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, inzake de wijziging van Protocol 4 inzake oorsprongsregels bij die overeenkomst wat betreft de permeabiliteit tussen de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels en de overgangsregels van oorsprong


BIJLAGE

[Ontwerp]BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

van XX XX 2024

tot wijziging van Protocol 4 inzake oorsprongsregels bij de Overeenkomst

betreffende de Europese Economische Ruimte

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (de overeenkomst) 1 , en met name artikel 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Tijdens de eerste technische vergadering over de overgangsregels van oorsprong die op 5 februari 2020 in Brussel plaatsvond, zijn de meeste partijen bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (de conventie) 2 overeengekomen de herziene regels van de conventie (de overgangsregels van oorsprong 3 ) parallel aan de regels van de conventie uit te voeren, op een bilaterale overgangsbasis, in afwachting van de vaststelling van de herziene regels van de conventie.

(2)Sinds 1 september 2021 is tussen de partijen bij de conventie een netwerk van bilaterale protocollen inzake oorsprongsregels in werking getreden, waardoor de overgangsregels van toepassing zijn geworden 4 .

(3)Het doel van de overgangsregels van oorsprong is soepelere oorsprongsregels in te voeren om de kwalificatie van preferentiële oorsprong voor goederen te vergemakkelijken. Aangezien de overgangsregels van oorsprong over het algemeen soepeler zijn dan die van de conventie, kunnen goederen die aan de regels van de conventie voldoen, ook worden aangemerkt als van oorsprong krachtens de overgangsregels van oorsprong, met uitzondering van bepaalde landbouwproducten die zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 2, 4 tot en met 15, en 16 (behalve verwerkte visserijproducten) en de hoofdstukken 17 tot en met 24 van het geharmoniseerde systeem.

(4)De overgangsregels van oorsprong zijn van toepassing naast de oorsprongsregels van de conventie, waardoor twee afzonderlijke zones van cumulatie ontstaan. Ter vergemakkelijking van de toepassing van de permeabiliteit als bedoeld in artikel 21, lid 1, punt d), van aanhangsel A van Protocol 4 tussen de conventie en de overgangsregels van oorsprong moet artikel 8 van aanhangsel A van Protocol 4 derhalve worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 8 van aanhangsel A van Protocol 4 bij de overeenkomst wordt het volgende lid 1 bis ingevoegd:

“1 bis.    Niettegenstaande lid 1, punt b), kan de cumulatie overeenkomstig artikel 7 worden toegepast op onder de hoofdstukken 1, 3, 16 (voor verwerkte visserijproducten) en de hoofdstukken 25 tot en met 97 van het geharmoniseerde systeem ingedeelde goederen die de oorsprong hebben verkregen door toepassing van oorsprongsregels overeenkomstig aanhangsel I en de toepasselijke bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels, mits die materialen en producten van oorsprong zijn uit de toepassende overeenkomstsluitende partijen waarvoor cumulatie mogelijk is.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op […], op voorwaarde dat alle in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst bedoelde kennisgevingen hebben plaatsgevonden 5 .

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te…

 Voor het Gemengd Comité

De voorzitter

De secretarissen

van het Gemengd Comité van de EER

(1)    PB EG L 1 van 3.1.1994, blz. 3.
(2)    PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.
(3)    PB L 246 van 22.9.2022, blz. 133. 
(4)    PB C, C/2024/1637, 20.2.2024.    
(5)    Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.
Top