Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52024PC0037

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld over wijzigingen van het reglement van orde van het Comité met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie

COM/2024/37 final

Brussel, 24.1.2024

COM(2024) 37 final

2024/0013(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld over wijzigingen van het reglement van orde van het Comité met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (“het Verdrag van Istanbul” of “het verdrag”), in verband met de beoogde vaststelling van wijzigingen van het reglement van orde van het Comité van de Partijen 1 met betrekking tot de samenstelling van het Comité (artikel 2) en de stemregels (artikelen 20, 21 en 25). Na de toetreding van de Europese Unie tot het Verdrag van Istanbul is een wijziging van dit reglement van orde noodzakelijk geworden.

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.Het Verdrag van Istanbul

Het Verdrag van Istanbul beoogt alomvattende en geharmoniseerde regels vast te stellen ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld in Europa en daarbuiten. Het verdrag is op 1 augustus 2014 in werking getreden.

De EU heeft het verdrag in juni 2017 ondertekend en op 28 juni 2023 de toetredingsprocedure afgerond met de nederlegging van twee akten van goedkeuring, waardoor het verdrag voor de EU op 1 oktober 2023 in werking is getreden. De EU is tot het verdrag toegetreden voor aangelegenheden die onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, namelijk aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie 2 en aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement 3 . Ierland en Denemarken zijn niet gebonden door uitoefening van de bevoegdheden van de Unie op het gebied van aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement 4 . Alle EU-lidstaten hebben het verdrag ondertekend, maar op 10 januari 2024 waren er slechts 22 EU-lidstaten die het verdrag hebben geratificeerd en derhalve stemrecht hebben in het Comité van de Partijen 5 . Er zijn momenteel 39 partijen bij het verdrag, de EU meegeteld.

2.2.Het Comité van de Partijen bij het verdrag

Het Comité van de Partijen 6 is het politieke orgaan van het toezichtmechanisme van het Verdrag van Istanbul en bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen bij het verdrag. De aan het Comité toevertrouwde taken staan in artikel 1 van het reglement van orde. Krachtens artikel 67, lid 2, van het verdrag heeft het Comité de taak de leden van de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (“GREVIO”) te kiezen. Overeenkomstig artikel 68, lid 12, van het verdrag kan het Comité van de Partijen, op basis van het rapport en de conclusies van GREVIO, aanbevelingen aan de staten die partij zijn aannemen betreffende de uitvoering van het verdrag. Het Comité houdt ook toezicht op de uitvoering van die aanbevelingen na de uitvoeringstermijn van drie jaar 7 . Daarnaast bestudeert het Comité de uitkomsten van bijzondere onderzoeken die GREVIO overeenkomstig artikel 68, lid 15, van het verdrag aan het Comité heeft toegezonden. Het Comité kiest ook zijn eigen bureauleden: een voorzitter en twee vicevoorzitters.

Het reglement van orde van het Comité van de Partijen is toegesneden op de deelname van staten die partij zijn, waarbij elke partij één stem heeft: artikel 20 van het reglement van orde inzake stemrechten bepaalt dat “ieder lid van het Comité één stem heeft” en dat het voor besluiten van het Comité vereiste quorum “een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen” is. Hetzelfde quorum is ook vereist voor de wijziging van het reglement van orde (artikel 25). Artikel 21 van het reglement van orde voorziet in specifieke regels voor de verkiezing van de leden van GREVIO.

De toetreding van de EU tot het verdrag vereist bepaalde aanpassingen van die regels, omdat de Unie op gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, haar stemrecht uitoefent met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal lidstaten dat gebonden is door de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie, en dat aantal afhankelijk is van het onderwerp van de stemming.

2.3.De beoogde wijziging van het reglement van orde van het Comité van de Partijen

Op 28 augustus 2023 heeft het secretariaat van het Comité van de Partijen een informatiedocument en ontwerpwijzigingen van het reglement van orde verstrekt. Deze wijzigingen zijn bedoeld om rekening te houden met de gevolgen van de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul voor de werking van het Comité van de Partijen, en met name de gevolgen hiervan voor de stemregels. Het secretariaat van het Comité heeft de staten die partij zijn, de mogelijkheid geboden om opmerkingen te maken. Alleen het Verenigd Koninkrijk heeft schriftelijke opmerkingen ingediend, waarin enkele redactionele wijzigingen worden voorgesteld.

Het secretariaat van het Comité van de Partijen heeft de EU verzocht haar opmerkingen over de voorgestelde ontwerpwijzigingen in te dienen. De wijzigingen van het reglement van orde zullen op 6 juni 2024 tijdens de 16e vergadering van het Comité van de Partijen worden besproken en, indien mogelijk, worden goedgekeurd. Indien de delegaties meer tijd nodig hebben voor overleg, kunnen de wijzigingen ook worden goedgekeurd tijdens de daaropvolgende vergadering van het Comité van de Partijen in december 2024.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

De door het secretariaat van het Comité van de Partijen voorgestelde wijzigingen van het reglement van orde kunnen als volgt worden samengevat:

–Het huidige quorum van twee derde van de uitgebrachte stemmen als algemene stemregel (artikel 20) wordt gehandhaafd, maar aangevuld met twee nieuwe elementen. Het secretariaat van het Comité van de Partijen stelt als eerste element een clausule van non-additionaliteit voor, op grond waarvan, afhankelijk van de verdeling van bevoegdheden, ofwel de EU ofwel haar lidstaten het recht hebben om over een bepaalde kwestie te stemmen. Indien de Unie stemt, geldt deze stem als even zoveel stemmen als het aantal EU-lidstaten dat partij is bij het verdrag. Als tweede element stelt het secretariaat van het Comité van de Partijen een “dubbele meerderheid” voor, wat betekent dat een besluit slechts geldig is als een gewone meerderheid van de staten die partij bij het verdrag zijn en die géén EU-lidstaat zijn, een positieve stem uitbrengt, als onderdeel van de vereiste tweederdemeerderheid.    

–Wat de verkiezing van de leden van GREVIO betreft, wordt het huidige quorum van ten minste een meerderheid van de uitgebrachte stemmen (artikel 21, lid 9) gehandhaafd. Elk lid van het Comité heeft één stem voor de verkiezing van de leden van GREVIO. Het beginsel van niet-additionaliteit is in dit geval niet van toepassing, wat betekent dat de Unie een “extra stem” heeft voor de verkiezing van de leden van GREVIO, naast de individuele stem van elke EU-lidstaat die partij is bij het verdrag. Wat betreft besluiten over verzoeken tot terugtrekking van een of meer kandidaten die niet voldoen aan de vereisten voor lidmaatschap van GREVIO (artikel 21, lid 4), wordt het huidige quorum van een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen eveneens gehandhaafd, maar aangevuld met het vereiste van een dubbele meerderheid.    

–Wat de wijzigingen van het reglement van orde (artikel 25) betreft, wordt het huidige quorum van twee derde van de uitgebrachte stemmen gehandhaafd, maar aangevuld met het vereiste van een dubbele meerderheid.

Voorgesteld wordt dat de EU instemt met de algemene benadering van het secretariaat van het Comité van de Partijen voor de wijziging van het reglement van orde, maar een aantal aanpassingen aanbrengt, zoals hieronder beschreven.

Ten eerste wordt voorgesteld dat de EU ermee instemt dat in artikel 20, lid 1, van het reglement een “clausule van non-additionaliteit” wordt opgenomen, onder voorbehoud van bepaalde aanpassingen die nodig zijn om rekening te houden met het feit dat de Unie is toegetreden tot het Verdrag van Istanbul wat betreft haar haar eigen instellingen en openbaar bestuur enerzijds, en wat betreft aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement anderzijds, waarbij ook rekening wordt gehouden met de bijzondere positie van Denemarken en Ierland.

Dienovereenkomstig moet de Unie bij aangelegenheden die onder haar bevoegdheid vallen, haar stemrecht uitoefenen met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal lidstaten dat partij is bij het verdrag en dat gebonden is door de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie. Wanneer de Unie haar stemrecht uitoefent, wordt er niet gestemd door de lidstaten die partij zijn bij het verdrag en die gebonden zijn door de bevoegdheden van de Unie op het gebied waarover wordt gestemd, terwijl de lidstaten die niet gebonden zijn door de bevoegdheden van de Unie, afzonderlijk kunnen stemmen. Daarentegen oefent de Unie haar stemrecht niet uit in gevallen waarin alle lidstaten die partij zijn bij het verdrag hun stemrecht mogen uitoefenen.

Het beginsel van “non-additionaliteit” is in overeenstemming met de gangbare praktijk van andere verdragen van de Raad van Europa waartoe de EU is toegetreden 8 .

Ten tweede wordt voorgesteld dat de EU ermee instemt dat het vereiste van een “dubbele meerderheid” in artikel 20, leden 3 en 5, van het reglement wordt opgenomen, zoals voorgesteld door het secretariaat van het Comité van de Partijen, onder voorbehoud van bepaalde aanpassingen in verband met de bijzondere positie van Denemarken en Ierland, en enkel met betrekking tot situaties waarin de Unie aan een stemming deelneemt.

Het vereiste van een “dubbele meerderheid” in artikel 20 is bedoeld om een evenwichtigere en billijkere weging van alle partijen bij het verdrag tot stand te brengen en te compenseren dat de EU wat het aantal stemmen betreft reeds een gewone meerderheid in het Comité van de Partijen heeft. Deze vereiste is bedoeld om de staten die partij zijn bij het verdrag, maar die geen lid zijn van de EU, de zekerheid te geven dat hun standpunten in het kader van het Comité van de Partijen ondanks de toetreding van de EU van belang blijven en niet teniet worden gedaan doordat de EU en haar lidstaten en bloc stemmen.

Het vereiste van een dubbele meerderheid betekent dat, wanneer de EU aan een stemming deelneemt, het gebruikelijke quorum (d.w.z. twee derde van de uitgebrachte stemmen) wordt aangevuld met het vereiste van een gewone meerderheid van de stemmen die door de andere partijen bij het verdrag zijn uitgebracht. Tot die andere partijen bij het verdrag behoren staten die geen lid zijn van de EU, en, in voorkomend geval, EU-lidstaten die niet gebonden zijn door de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie.

Wanneer de Unie deelneemt aan een stemming met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal lidstaten dat partij is bij het verdrag, betekent het vereiste van een dubbele meerderheid dat een besluit rechtsgeldig kan worden vastgesteld indien er een tweederdemeerderheid is bereikt waarbij de stem van de Unie (gelijk aan 22 stemmen) wordt ondersteund door een gewone meerderheid van de stemmen die zijn uitgebracht door de 16 niet-lidstaten die partij zijn bij het verdrag. Wanneer de Unie deelneemt aan een stemming met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal lidstaten dat partij is bij het verdrag en dat gebonden is door de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement, wordt er een tweederdemeerderheid bereikt indien de stem van de Unie (gelijk aan 20 stemmen) wordt ondersteund door een gewone meerderheid van de stemmen die zijn uitgebracht door de 16 niet-lidstaten die partij zijn bij het verdrag plus Denemarken en Ierland.

Ten derde wordt, wat de specifieke regels voor de verkiezing van de leden van GREVIO betreft, voorgesteld dat de Unie ermee instemt dat aan artikel 21, lid 7, van het reglement van orde, zoals opgesteld door het secretariaat van Comité van de Partijen, de bepaling wordt toegevoegd dat elk lid van het Comité één stem heeft. Aangezien artikel 20 en bijgevolg het beginsel van niet-additionaliteit niet van toepassing is in het kader van artikel 21 (artikel 21, lid 1), heeft de EU één stem naast de individuele stem van elke EU-lidstaat die partij is bij het verdrag. De Unie moet instemmen met het voorstel om artikel 21, lid 4, van het reglement van orde, betreffende besluiten over verzoeken tot terugtrekking van een of meer kandidaten voor GREVIO, te wijzigen door het aan te vullen met het vereiste van een dubbele meerderheid, gezien het uitzonderlijke karakter van dergelijke besluiten. In dat geval wordt de gewone meerderheid, die de vereiste tweederdemeerderheid moet aanvullen, vastgesteld op basis van de stemmen die zijn uitgebracht door de vertegenwoordigers van andere partijen dan de EU en haar lidstaten, zoals ook wordt voorgesteld in de schriftelijke opmerkingen van het VK.

Ten vierde moet, wat artikel 25 inzake wijzigingen van het reglement van orde betreft, worden opgemerkt dat dergelijke besluiten worden genomen met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen, waarbij elke partij bij het verdrag één stem heeft, als bepaald in artikel 20, lid 1, eerste alinea. Om de hierboven genoemde redenen moet de Unie, onder voorbehoud van bepaalde aanpassingen, instemmen met de toevoeging van het vereiste van een dubbele meerderheid zoals voorgesteld door het secretariaat van het Comité van de Partijen. Met name moet worden verduidelijkt dat het beginsel van niet-additionaliteit als bedoeld in artikel 20, lid 1, in gewijzigde vorm, niet van toepassing is op artikel 25. Bovendien moet de gewone meerderheid ter aanvulling van de vereiste tweederdemeerderheid op dezelfde wijze worden vastgesteld als in artikel 21, lid 4.

Ten vijfde wordt voorgesteld dat de EU suggereert de verwijzing naar de Europese Unie te schrappen uit de lijst van vertegenwoordigers die zonder stemrecht of vergoeding van kosten mogen deelnemen aan de vergaderingen van het Comité van de Partijen in artikel 2, lid 2, punt b, van het reglement van orde. De regel is achterhaald omdat de Europese Unie nu volwaardig lid is van het Comité van de Partijen.

De voorgestelde wijzigingen van het reglement van orde van het Comité van de Partijen die aan het secretariaat van het Comité moeten worden voorgelegd, zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 9 .

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

Het Comité van de Partijen is een lichaam dat is opgericht bij het Verdrag van Istanbul. De door het Comité van de Partijen vast te stellen wijziging van het reglement van orde is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal overeenkomstig artikel 67, lid 3, van het verdrag volkenrechtelijk bindend zijn. De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het verdrag. De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt moet worden ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

Wanneer een beoogde handeling tegelijkertijd meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden doelstellingen of componenten heeft, zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, moet een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit bij wijze van uitzondering de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen als materiële rechtsgrondslag hebben.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

De hoofddoelstelling van de beoogde handeling is de wijziging van het reglement van orde van het Comité van de Partijen om de gevolgen van de toetreding van de Unie tot het Verdrag van Istanbul voor de werking van het Comité in aanmerking te nemen. Wat de materiële rechtsgrondslag betreft: de EU is tot het Verdrag van Istanbul toegetreden voor aangelegenheden die onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, namelijk aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie 10 en aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement 11 . De toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul is opgesplitst in twee afzonderlijke besluiten van de Raad om rekening te houden met de bijzondere positie van Denemarken en Ierland met betrekking tot titel V van het VWEU. Bijgevolg moet ook het besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie in het Comité van de Partijen moet worden ingenomen met betrekking tot de beoogde handeling, worden opgesplitst in twee parallelle besluiten.

De rechtsgrondslag van het onderhavige besluit heeft betrekking op aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie. De materiële rechtsgrondslag van dit besluit is derhalve artikel 336 VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 336 VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.



2024/0013 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld over wijzigingen van het reglement van orde van het Comité met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 336, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (“het verdrag”) is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2023/1075 van de Raad 12 met betrekking tot de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie, en bij Besluit (EU) 2023/1076  van de Raad 13 met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement, en is voor de Unie op 1 oktober 2023 in werking getreden. Momenteel zijn er 39 partijen bij het verdrag, waaronder de Unie en 22 lidstaten.

(2)Het Comité van de Partijen is het politieke orgaan van het toezichtmechanisme van het Verdrag van Istanbul. Overeenkomstig artikel 67, lid 3, van het verdrag heeft het Comité van de Partijen zelf zijn reglement van orde opgesteld. In dit reglement wordt bepaald dat elke partij bij het verdrag één stem heeft. Vanwege de toetreding van de Unie tot het verdrag zijn bepaalde aanpassingen van het reglement vereist om te bepalen op welke wijze de Unie haar stemrecht als partij bij het verdrag kan uitoefenen.

(3)In augustus 2023 heeft het secretariaat van het Comité van de Partijen bepaalde wijzigingen van het reglement van orde voorgesteld om rekening te houden met de gevolgen van de toetreding van de Unie voor de werking van het Comité en heeft het de staten die partij zijn en de Unie verzocht redactionele voorstellen in te dienen met het oog op de goedkeuring van de wijzigingen in 2024. De wijzigingen moeten op 6 juni 2024 tijdens de 16e vergadering van het Comité van de Partijen worden besproken en, indien mogelijk, worden goedgekeurd.

(4)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in Comité van de Partijen, aangezien de wijzigingen van het reglement van orde voor de Unie bindend zullen zijn.

(5)Volgens de door het secretariaat van het Comité van de Partijen voorgestelde ontwerpwijzigingen moeten de regels inzake het quorum voor de goedkeuring van besluiten van het Comité, zoals bepaald in het reglement van orde, worden gehandhaafd, maar worden aangevuld met een aantal nieuwe vereisten. De Unie moet deze wijzigingen van het reglement van orde steunen, met inachtneming van bepaalde aanpassingen om de wijzigingen af te stemmen op de werkingssfeer van de toetreding van de Unie tot het Verdrag van Istanbul.

(6)Wat de algemene stemregel in artikel 20 van het reglement van orde betreft, stelt het secretariaat van het Comité van de Partijen voor een clausule van niet-additionaliteit op te nemen op grond waarvan ofwel de Unie ofwel haar lidstaten het recht hebben om over een bepaalde aangelegenheid te stemmen. Het beginsel van niet-additionaliteit is reeds opgenomen in andere verdragen van de Raad van Europa waartoe de Unie is toegetreden en is ook aanvaardbaar in het onderhavige geval. De formulering van de clausule moet echter worden aangepast aan het feit dat de Unie haar stemrecht uitoefent met een aantal stemmen dat varieert naargelang het onderwerp van de stemming.

(7)Wat de algemene stemregel in artikel 20 van het reglement van orde betreft, stelt het secretariaat van het Comité van de Partijen ook voor een vereiste van een dubbele meerderheid op te nemen, wat betekent dat een besluit alleen bij een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen wordt aangenomen indien het ook wordt gesteund door een gewone meerderheid van de stemmen die zijn uitgebracht door staten die partij zijn bij het verdrag maar geen lidstaat van de Unie zijn. Een dergelijk vereiste zou compenseren dat de Unie een gewone meerderheid heeft in het Comité van de Partijen wat het aantal stemmen betreft, zodat tegemoet wordt gekomen aan mogelijke bezwaren van derde staten die partij zijn bij het verdrag over het gewicht van de stem van de Unie. De Unie moet het vereiste van een dubbele meerderheid aanvaarden, mits het alleen van toepassing is wanneer de Unie aan een stemming deelneemt en de formulering ervan wordt aangepast aan het feit dat de Unie haar stemrecht uitoefent met een aantal stemmen dat varieert naargelang het onderwerp van de stemming.

(8)Wat betreft de specifieke regels voor de verkiezing van de leden van de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (“GREVIO”), moet de Unie instemmen met de voorgestelde wijziging waarbij de Unie één stem krijgt, naast de individuele stem van elke lidstaat. Aangaande meer in het bijzonder besluiten over verzoeken tot terugtrekking van een of meer kandidaten die niet voldoen aan de vereisten voor lidmaatschap van GREVIO, stelt het secretariaat van het Comité van de Partijen voor het vereiste van een dubbele meerderheid te introduceren. Gezien het uitzonderlijke karakter van dergelijke besluiten, moet de Unie instemmen met dit vereiste, wat betekent dat de voor dergelijke besluiten vereiste tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen een gewone meerderheid moet omvatten van de stemmen die zijn uitgebracht door vertegenwoordigers van andere partijen dan de Unie en haar lidstaten.

(9)Wat betreft de wijzigingen van het reglement van orde die bij een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen moeten worden vastgesteld, waarbij elke partij bij het verdrag één stem heeft, moet de Unie instemmen met de toevoeging van het vereiste van een dubbele meerderheid, zoals voorgesteld door het secretariaat van het Comité van de Partijen, mits wordt verduidelijkt dat het beginsel van niet-additionaliteit hier niet van toepassing is.

(10)Wat betreft de lijst in het reglement van orde van deelnemers die geen lid zijn van het Comité van de Partijen, moet de verwijzing naar de Europese Unie worden geschrapt, aangezien deze achterhaald is.

(11)Het standpunt van de Unie in het Comité van de Partijen moet derhalve worden gebaseerd op de bijgevoegde ontwerpwijzigingen van het reglement van orde van het Comité.

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het bij artikel 67 van het verdrag ingestelde Comité van de Partijen met betrekking tot de vaststelling van wijzigingen van het reglement van orde van het Comité van de Partijen, die tijdens een van de vergaderingen van het Comité van de Partijen in 2024 moeten worden besproken en goedgekeurd, is gebaseerd op de wijzigingen van het reglement van orde zoals uiteengezet in de bijlage.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Document IC-CP(2015)2, aangenomen op 4 mei 2015.
(2)    Besluit (EU) 2023/1075 van de Raad van 1 juni 2023 over de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie, PB L 143 I van 2.6.2023, blz. 1.
(3)    Besluit (EU) 2023/1076 van de Raad van 1 juni 2023 over de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken en met betrekking tot asiel en non-refoulement, PB L 143 I van 2.6.2023, blz. 4.
(4)    Overeenkomstig de protocollen nr. 21 en nr. 22 bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
(5)    Stand van de ratificaties op 10 januari 2024: AT (2013); BE (2016); CY (2017); DE (2017); DK (2014); IE (2019); EL (2018); ES (2014); EE (2017); FI (2015); FR (2014); HR (2018); IT (2013); LU (2018); MT (2014); NL (2015); PL (2015); PT (2013); RO (2016); SI (2015); SV (2014); LV (2023).
(6)     Comité van de Partijen – Verdrag van Istanbul inzake de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (coe.int) ;
(7)    Zie het “Framework for supervising the implementation of the recommendations addressed to state parties” (Kader voor het toezicht op de uitvoering van de aanbevelingen aan staten die partij zijn), goedgekeurd door het Comité van de Partijen op 13 april 2021, IC-CP/Inf (2021)2.
(8)    Zie: De Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer (herzien) (ETS nr. 193), Verdrag inzake de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van milieugevaarlijke activiteiten (ETS nr. 150), Europese Overeenkomst inzake grensoverschrijdende televisie (ETS nr. 132) en het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa (ETS nr. 104).
(9)    Arrest van het Hof van 7 oktober 2014, Bondsrepubliek Duitsland/Raad van de Europese Unie, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61 tot en met 64.
(10)    Besluit (EU) 2023/1075 van de Raad van 1 juni 2023 over de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie, PB L 143 I van 2.6.2023, blz. 1.
(11)    Besluit (EU) 2023/1076 van de Raad van 1 juni 2023 over de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken en met betrekking tot asiel en non-refoulement, PB L 143 I van 2.6.2023, blz. 4.
(12)    Besluit (EU) 2023/1075 van de Raad van 1 juni 2023 over de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie, PB L 143 I van 2.6.2023, blz. 1.
(13)    Besluit (EU) 2023/1076 van de Raad van 1 juni 2023 over de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken en met betrekking tot asiel en non-refoulement, PB L 143 I van 2.6.2023, blz. 4.
Top

Brussel, 24.1.2024

COM(2024) 37 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comité van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld over wijzigingen van het reglement van orde van het Comité met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie











BIJLAGE

Artikel 20 — Stemming

Wijziging nr. 1: nieuwe tekst aan het eind toevoegen (vetgedrukt + onderstreept)

“1. Ieder lid van het Comité beschikt over één stem. Wanneer de delegatie van een partij uit meer dan één vertegenwoordiger bestaat, mag slechts één vertegenwoordiger aan de stemming deelnemen.

Bij aangelegenheden die onder haar bevoegdheid vallen, oefent de Europese Unie haar stemrecht uit met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal lidstaten dat partij is bij het verdrag en dat gebonden is door de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie. De lidstaten van de Europese Unie die niet gebonden zijn door de bevoegdheden van de Unie, kunnen afzonderlijk stemmen.

Wanneer de Europese Unie haar stemrecht uitoefent, wordt er niet gestemd door de lidstaten die partij zijn bij het verdrag en die gebonden zijn door de bevoegdheden van de Unie op het gebied waarover wordt gestemd. De Europese Unie oefent haar stemrecht niet uit in gevallen waarin alle lidstaten die partij zijn bij het verdrag hun stemrecht mogen uitoefenen.” 

“2. Voor stemming is een quorum vereist”.

Wijziging nr. 2: nieuwe tekst toevoegen (vetgedrukt + onderstreept)

“3. De besluiten van het Comité worden genomen met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen. Wanneer de Europese Unie overeenkomstig lid 1, tweede en derde alinea, aan een stemming deelneemt, moet een tweederdemeerderheid een gewone meerderheid van de door de andere partijen uitgebrachte stemmen omvatten.”

“4. Over procedurele aangelegenheden wordt besloten met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen.”

Wijziging nr. 3: nieuwe tekst aan het eind toevoegen (vetgedrukt + onderstreept)

“5. Indien de vraag rijst of een aangelegenheid procedureel is of niet, wordt deze niet als procedureel behandeld, tenzij het Comité besluit deze wel als procedureel te behandelen met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen overeenkomstig lid 3.” 

“6. Voor de toepassing van dit reglement wordt onder “uitgebrachte stemmen” verstaan de voor- of tegenstemmen van de leden. De stem van leden die zich van stemming onthouden, geldt als niet-uitgebracht”.

Artikel 21 – Specifieke regels voor de verkiezing van de leden van GREVIO

“1. De artikelen 16, 19 en 20 van dit reglement zijn niet van toepassing op de verkiezing van de leden van GREVIO.”

[…]

Wijziging nr. 4: nieuwe tekst toevoegen (vetgedrukt + onderstreept)

“4. Voor een besluit van het Comité over een verzoek tot terugtrekking van een of meer kandidaten die niet voldoen aan de voorwaarden voor lidmaatschap van GREVIO als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5 van het reglement inzake de verkiezingsprocedure voor de leden van GREVIO, is een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen vereist, met inbegrip van een gewone meerderheid van de stemmen die zijn uitgebracht door vertegenwoordigers van andere partijen dan de Europese Unie en haar lidstaten. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “uitgebrachte stemmen” verstaan de voor- of tegenstemmen van de leden. De stem van leden die zich van stemming onthouden, geldt als niet-uitgebracht”.

[…]

Wijziging nr. 5: nieuwe tekst toevoegen (vetgedrukt + onderstreept)

“7. Ieder lid van het Comité beschikt over één stem. Wanneer de delegatie van een partij uit meer dan één vertegenwoordiger bestaat, mag slechts één vertegenwoordiger aan de stemming deelnemen”.

Artikel 25 – Wijziging van het reglement van orde

Wijziging nr. 6: nieuwe tekst toevoegen (vetgedrukt + onderstreept)

“Het Comité kan het reglement van orde wijzigen met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen, met inbegrip van een gewone meerderheid van de stemmen die zijn uitgebracht door vertegenwoordigers van andere partijen dan de Europese Unie en haar lidstaten. Artikel 20, lid 1, tweede en derde alinea, is niet van toepassing op dit artikel.”

Artikel 2 — Samenstelling

Wijziging nr. 7: tekst verwijderen

1. Leden

a. Overeenkomstig artikel 67, lid 1, van het verdrag zijn de leden van het Comité de vertegenwoordigers van de partijen bij het verdrag.

[…]

2. Deelnemers

[…]

b. De volgende entiteiten kunnen vertegenwoordigers aanwijzen die zonder stemrecht of vergoeding van kosten aan de vergaderingen van het Comité mogen deelnemen:

i) staten die het verdrag hebben ondertekend, maar nog niet hebben geratificeerd;

ii) staten die het verdrag hebben geratificeerd of die ertoe zijn toegetreden, maar waarvoor het nog niet in werking is getreden;

iii) staten die zijn uitgenodigd tot het verdrag toe te treden. 

iv) de Europese Unie

[…]

**

Top