EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 8.6.2023
COM(2023) 311 final
BIJLAGE
bij de
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE EUROPESE RAAD, DE RAAD, HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE UNIE, DE EUROPESE CENTRALE BANK, DE EUROPESE REKENKAMER, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S
Voorstel voor een Interinstitutioneel Ethisch Orgaan
BIJLAGE
Voorstel voor
een akkoord tussen het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Centrale Bank, de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s tot instelling van een Interinstitutioneel Orgaan voor ethische normen voor de leden van de instellingen en adviesorganen genoemd in artikel 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)
TOELICHTING
Artikel 13, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bepaalt dat de Europese Unie “beschikt over een institutioneel kader, dat ertoe strekt haar waarden uit te dragen, haar doelstellingen na te streven, haar belangen en de belangen van haar burgers en van de lidstaten te dienen, en de samenhang, de doeltreffendheid en de continuïteit van haar beleid en haar optreden te verzekeren”.
De Europese instellingen moeten in hun respectieve missies kunnen vertrouwen op het onberispelijke gedrag van hun leden. De leden moeten zich houden aan de ethische beginselen en verplichtingen voor afzonderlijke leden van de instellingen die zijn vastgelegd in de EU-Verdragen en aan de regels die elke instelling daarvan heeft afgeleid.
Opdat de EU-burgers vertrouwen kunnen hebben in hun democratische vertegenwoordigers binnen de Europese instellingen en in de werking van de instellingen, moeten de leden van de instellingen voldoen aan de hoogste normen van onafhankelijkheid en integriteit.
De Verdragen leggen verplichtingen op aan de leden van de meeste instellingen en kennen verantwoordelijkheden toe om ervoor te zorgen dat de leden van de instellingen zich naar behoren gedragen met betrekking tot hun onafhankelijkheid en integriteit. Het institutionele evenwicht dat door de Verdragen is ingesteld, zorgt voor checks-and-balances tussen de instellingen. De Verdragen voorzien met name in procedures die het mogelijk maken om te reageren op wangedrag van afzonderlijke leden van de instellingen. De meeste instellingen hebben ervoor gekozen om dit kader en de daartoe behorende afzonderlijke verplichtingen meer in detail in te voeren, ofwel in hun reglementen van orde, ofwel in gedragscodes voor hun leden. De relevante bepalingen zijn:
Het Europees Parlement
De Verdragen bevatten geen expliciete ethische verplichtingen voor leden van het Europees Parlement of expliciete regels of procedures die moeten worden gevolgd in geval van ethisch wangedrag van een lid op EU-niveau. Het Parlement heeft regels vastgelegd in een Gedragscode voor de leden van het Europees Parlement, die aan zijn Reglement is gehecht. Artikel 8 van de Gedragscode voor de leden van het Europees Parlement over de procedure in geval van mogelijke overtredingen van de Gedragscode bepaalt het volgende:
1. Ingeval er gronden zijn om aan te nemen dat een lid van het Europees Parlement deze gedragscode wellicht heeft overtreden, verwijst de Voorzitter de zaak naar het raadgevend comité, behalve in gevallen van kennelijk vexatoir gedrag.
2. Het raadgevend comité onderzoekt de omstandigheden rond de vermoedelijke overtreding en kan het desbetreffende lid horen. Op grond van zijn bevindingen formuleert het een aanbeveling voor een eventueel besluit aan de Voorzitter.
In geval van vermoedelijke overtreding van de gedragscode door een vast lid of door een reservelid van het raadgevend comité ziet het vaste lid of het reservelid af van deelname aan de werkzaamheden van het raadgevend comité met betrekking tot die vermoedelijke overtreding.
3. Wanneer de Voorzitter, gelet op de aanbeveling van het raadgevend comité, na het betrokken lid te hebben verzocht om schriftelijke opmerkingen in te dienen, tot de conclusie komt dat het betrokken lid de gedragscode heeft overtreden, stelt hij bij een met redenen omkleed besluit een sanctie vast. De Voorzitter stelt dat lid in kennis van dat met redenen omkleed besluit.
De opgelegde sanctie kan een of meerdere van de in artikel 176, leden 4 tot en met 6, van het Reglement genoemde maatregelen omvatten.
4. Voor het betrokken lid staan de in artikel 177 van het Reglement genoemde interne beroepsmogelijkheden open.
Artikel 176, leden 4 tot en met 6, van zijn Reglement – Sancties
4. De sanctie kan een of meer van de volgende maatregelen omvatten:
a) een berisping;
b) het verlies van het recht op de verblijfsvergoeding voor een duur van twee tot dertig dagen;
c) onverminderd de uitoefening van het stemrecht ter plenaire vergadering, en in dit geval onder voorbehoud van strikte naleving van de gedragsregels, tijdelijke uitsluiting van deelname aan alle of een deel van de werkzaamheden van het Parlement gedurende een periode van twee tot dertig vergaderdagen van het Parlement of een van zijn organen, commissies of delegaties;
d) een voor maximaal een jaar geldend verbod voor het lid om het Parlement te vertegenwoordigen in een interparlementaire delegatie, een interparlementaire conferentie of een interparlementair forum;
e) in geval van een schending van de vertrouwelijkheid, een voor maximaal een jaar geldende beperking van het recht van toegang tot vertrouwelijke of gerubriceerde informatie.
5. De in lid 4, onder b) tot en met e), bedoelde maatregelen kunnen worden verdubbeld bij herhaalde inbreuken of wanneer het lid weigert te voldoen aan een overeenkomstig artikel 175, lid 3, genomen maatregel.
6. Voorts kan de Voorzitter de Conferentie van voorzitters voorstellen het lid te schorsen of uit het door hem beklede ambt of een of meer door hem beklede ambten te ontheffen overeenkomstig de in artikel 21 neergelegde procedure.
De Europese Raad
Artikel 15, lid 5, VEU
De Europese Raad kiest zijn voorzitter met gekwalificeerde meerderheid van stemmen voor een periode van tweeënhalf jaar. De voorzitter is eenmaal herkiesbaar. Indien de voorzitter verhinderd is of op ernstige wijze tekortschiet, kan de Europese Raad volgens dezelfde procedure zijn mandaat beëindigen.
Een gedragscode voor de voorzitter van de Europese Raad bevat verdere regels voor het verwachte gedrag.
De Raad
De Raad van de Europese Unie bestaat uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau, die gemachtigd is om de regering van de lidstaat die hij vertegenwoordigt, te binden en om het stemrecht van deze lidstaat uit te oefenen (artikel 16, lid 2, VEU). In het reglement van orde van de Raad, dat gebaseerd is op artikel 240, lid 3, VWEU zijn geen specifieke ethische verplichtingen vastgesteld voor individuele ministers die de lidstaten in de Raad vertegenwoordigen. In dit opzicht wordt erop vertrouwd dat elke lidstaat de verantwoordelijkheid en interne besluiten neemt om ervoor te zorgen dat zijn stemmen en standpunten in de Raad naar behoren worden vertegenwoordigd door de aangewezen minister en dat de aangewezen persoon bijdraagt tot de goede werking van de Raad en deze respecteert.
De Europese Commissie
Artikel 245, VWEU
De leden van de Commissie onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt. De lidstaten eerbiedigen hun onafhankelijkheid en trachten niet hen te beïnvloeden bij de uitvoering van hun taak.
De leden van de Commissie mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode. Ingeval deze verplichtingen niet worden nagekomen, kan de Raad, met gewone meerderheid, of de Commissie zich wenden tot het Hof van Justitie, dat, al naar gelang van het geval, ontslag ambtshalve volgens artikel 247 of verval van het recht op pensioen of van andere, daarvoor in de plaats tredende voordelen kan uitspreken.
In een gedragscode voor de leden van de Europese Commissie zijn de verplichtingen voor de leden vastgesteld en verduidelijkt (PB C 65 van 21.2.2018, blz. 7).
Het Hof van Justitie van de Europese Unie
Artikel 6 van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (protocol nr. 3)
Een rechter kan slechts van zijn ambt worden ontheven of van zijn recht op pensioen of van andere als zodanig geldende gunsten vervallen worden verklaard, wanneer hij, naar het eenstemmige oordeel van de rechters van en de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie, heeft opgehouden aan de gestelde voorwaarden of aan de uit zijn ambt voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De betrokkene neemt niet aan die beraadslagingen deel. Wanneer de betrokkene lid is van het Gerecht of van een gespecialiseerde rechtbank, beslist het Hof na raadpleging van het betrokken rechtscollege.
De griffier deelt de beslissing van het Hof mee aan de voorzitters van het Europees Parlement en van de Commissie en geeft van die beslissing kennis aan de voorzitter van de Raad.
In geval van een beslissing waarbij een rechter van zijn ambt wordt ontheven, ontstaat door laatstbedoelde kennisgeving een vacature.
In een gedragscode voor leden en voormalige leden van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden de verplichtingen meer in detail verduidelijkt (PB C 397 van 30.9.2021, blz. 1).
De Rekenkamer van de Europese Unie
Artikel 286, leden 5 en 6, VWEU
5. Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden, eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Rekenkamer door vrijwillig ontslag of door ontslag ambtshalve ingevolge een uitspraak van het Hof van Justitie overeenkomstig lid 6.
6. De leden van de Rekenkamer kunnen slechts van hun ambt worden ontheven of van hun recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen worden verklaard, indien het Hof van Justitie, op verzoek van de Rekenkamer, constateert dat zij hebben opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van hun ambt of aan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen.
In een gedragscode voor de leden en voormalige leden van de Rekenkamer worden de verplichtingen meer in detail vastgesteld (PB L 128 van 2.5.2022, blz. 102).
De Europese Centrale Bank
Artikel 11, lid 4, van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (protocol nr. 4) betreffende de directieleden
Op verzoek van de Raad van bestuur of van de directie kan een lid van de directie dat niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, door het Hof van Justitie van zijn ambt ontheven worden verklaard.
In een gedragscode voor ECB-ambtenaren op hoog niveau zijn de ethische verplichtingen vastgesteld die van toepassing zijn op de leden van de raad van bestuur en de leden van de raad van toezicht bij de uitoefening van hun functies als leden van een ECB-orgaan op hoog niveau, alsook op de leden van de directie (PB C 478 van 16.12.2022, blz. 3).
Het Comité van de Regio’s
Artikel 300, lid 4, VWEU
De leden van [...] het Comité van de Regio’s zijn niet gebonden door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Unie.
Deze bepaling wordt verder uitgevoerd door middel van de Gedragscode voor de Leden van het Europees Comité van de Regio’s (PB L 20 van 24.1.2020, blz. 17).
Het Europees Economisch en Sociaal Comité
Artikel 300, lid 4, VWEU
De leden van [...] het Economisch en Sociaal Comité zijn niet gebonden door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Unie.
Deze bepaling wordt verder uitgevoerd door middel van het reglement van orde en de gedragscode voor de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité (PB L 149 van 31.5.2022, blz. 1).
In de Verdragen is dus een gedifferentieerd kader vastgesteld met betrekking tot de individuele verplichtingen van de leden van de instellingen en de te volgen procedure in geval van wangedrag. De meeste instellingen hebben ervoor gekozen om dit kader en de daartoe behorende individuele verplichtingen meer in detail uit te voeren. Deze instellingen hebben interne regels aangenomen in hun reglementen van orde of in gedragscodes voor hun leden, en hebben gewoonlijk hun respectieve voorzitter belast met een speciale verantwoordelijkheid voor de toepassing van deze regels. Meestal hebben ze ook een intern adviesorgaan ingesteld om de instellingen bij te staan in hun besluitvorming over alle of bepaalde van deze individuele verplichtingen van hun leden. Er is momenteel geen mechanisme of forum waarin de instellingen onderling deze interne maatregelen kunnen bespreken of coördineren, zelfs niet op gebieden waar er sterke overeenkomsten zijn tussen de instellingen en hun leden. Er is ook niet één plek waar de ethische regels en maatregelen die van toepassing zijn op de leden van alle instellingen, publiekelijk beschikbaar zijn.
In de politieke beleidslijnen van de voorzitter van de Commissie van 16 juli 2019 werd steun uitgesproken voor de oprichting van een “onafhankelijke instantie voor ethiek voor alle EU-instellingen samen”, met als doel het vertrouwen in de EU-instellingen met betrekking tot “ethiek, transparantie en integriteit” te waarborgen.
Het Europees Parlement werkte tussen 2019 en 2021 aan een initiatiefverslag over de versterking van de transparantie en integriteit in de EU-instellingen door de oprichting van een onafhankelijk ethisch orgaan van de EU. De resolutie werd aangenomen op 16 september 2021. De Commissie stuurde het Parlement op 18 februari 2022 een formeel antwoord. Op 16 februari 2023 werd vervolgens een resolutie aangenomen waarin werd opgeroepen tot de oprichting van het ethisch orgaan.
Een gemeenschappelijk ethisch orgaan voor alle instellingen zal het mogelijk maken om gemeenschappelijke minimumnormen te ontwikkelen met betrekking tot het gedrag van de leden van de instellingen. Het zal alle instellingen voor het eerst de mogelijkheid bieden om de kwestie van ethische normen voor hun leden te benaderen als een zaak van gemeenschappelijk interinstitutioneel belang. Wat het personeel van de EU-instellingen betreft, is in het Statuut van de ambtenaren en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie al een uitgebreid pakket regels en procedures op het gebied van ethiek en tuchtmaatregelen opgenomen, dat van toepassing is op het personeel van alle EU-instellingen, -organen, -bureaus en -agentschappen. Dit zorgt voor identieke normen en regels voor het hele ambtenarenapparaat van de EU, die verder kunnen worden verduidelijkt door uitvoeringsregels die door elke instelling worden aangenomen. Om transparantie mogelijk te maken en een consistente toepassing van het Statuut te bevorderen, worden de regels ter uitvoering van het Statuut opgenomen in een register dat wordt bijgehouden door het Hof van Justitie van de Europese Unie en dient de Commissie om de drie jaar bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in (artikel 110 van het Statuut). Deze inspanningen worden ondersteund door de gevestigde structuren en mechanismen die zorgen voor een gemeenschappelijke interinstitutionele aanpak wanneer het onderwerp daarom vraagt. De Commissie is van mening dat die gevestigde structuren en mechanismen prioritair moeten onderzoeken hoe goede praktijken en nuttige ervaringen kunnen worden uitgewisseld en waar nodig de regels voor het personeel verder kunnen worden aangepast.
Personeelsleden vallen buiten het toepassingsgebied van dit akkoord, aangezien er al interinstitutionele coördinatiemechanismen voor ethische kwesties van personeelsleden bestaan. Binnen de grenzen van het Statuut en via het College van Hoofden van de Administratie moeten de partijen bij dit akkoord zich ertoe verbinden te streven naar een niveau van normen dat gelijkwaardig is aan de normen die het Orgaan hanteert voor directeuren-generaal en dergelijken.
Dergelijke formele interinstitutionele mechanismen en gemeenschappelijke normen voor personeel bestaan echter niet voor de leden van de instellingen, en dit is precies waar de toegevoegde waarde ligt van een ethisch orgaan waaraan de leden van alle EU-instellingen en adviesorganen zijn onderworpen.
De beslissingsbevoegdheid voor het aannemen en toepassen van de interne ethische regels van elke instelling moet binnen de respectieve instellingen blijven. De toepassing van de interne regels is de primaire verantwoordelijkheid van elke instelling, die wordt uitgeoefend binnen het systeem van institutioneel evenwicht met checks-and-balances dat door de Verdragen is ingesteld. De instellingen kunnen niet afzien van de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden die hen door de Verdragen zijn toevertrouwd. Zij kunnen de verantwoordelijkheid voor het gedrag van hun leden en hun prerogatief om te reageren op schendingen van de ethische regels door individuele leden, niet delegeren. Uit hoofde van hun bestuurlijke autonomie kunnen zij echter wel besluiten om een adviesorgaan op te richten dat hun allen bijstand verleent bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke minimumnormen voor ethisch gedrag van individuele leden en bij aangelegenheden betreffende de opstelling van hun respectieve interne ethische regels en procedures met betrekking tot hun leden.
De oprichting van dit orgaan zal de onderzoekstaken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding, het Europees Openbaar Ministerie, de nationale politie- en vervolgingsautoriteiten en de Europese Ombudsman niet belemmeren of op enigerlei wijze beperken en zal derhalve hun respectieve bevoegdheden niet overlappen.
Dit akkoord laat het Interinstitutioneel Akkoord van 2021 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over een verplicht transparantieregister en het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding onverlet.
Om de eigen verantwoordelijkheid te waarborgen en toegevoegde waarde te bieden, moet dit orgaan een structuur zijn die gemeenschappelijk is voor alle instellingen en adviesorganen, die deze begeleidt en bijstaat met advies over aangelegenheden en op manieren die onderling zijn overeengekomen.
Om haar belofte na te komen om de oprichting van een gemeenschappelijk ethisch orgaan voor alle instellingen en adviesorganen te ondersteunen, stelt de Commissie dit akkoord tussen deze instellingen en adviesorganen voor, dat aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Centrale Bank, de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s zal worden toegezonden. In de geest van oprechte samenwerking is het belangrijk dat er zo snel mogelijk een interinstitutioneel akkoord wordt bereikt, en wel op een zodanig tijdstip dat het ethisch orgaan vóór de volgende Europese verkiezingen kan worden opgericht. De Europese Investeringsbank kan op verzoek ook volledig partij worden bij het akkoord, nadat het in werking is getreden. Zij wordt partij bij dit akkoord met ingang van de datum waarop zij een vertegenwoordiger in het ethisch orgaan aanwijst. Alle normen die door het ethisch orgaan worden ontwikkeld voordat de Europese Investeringsbank daadwerkelijk lid wordt, zullen volledig op haar van toepassing zijn.
Andere organen, bureaus en agentschappen van de Unie dan de partijen kunnen besluiten vrijwillig alle huidige of toekomstige gemeenschappelijke minimumnormen die door het ethisch orgaan zijn of worden ontwikkeld, toe te passen op de regels die gelden voor de personen die een functie vervullen die vergelijkbaar is met die welke onder dit akkoord vallen, maar die geen personeelsleden zijn. In dit geval zullen zij deelnemen aan een gedachtewisseling met de leden van het ethisch orgaan over hun respectieve interne regels op gebieden waarvoor normen zijn ontwikkeld. Zij wijzen een vertegenwoordiger aan voor deze gedachtewisseling. Dezelfde gedachtewisseling vindt plaats wanneer nieuwe normen worden ontwikkeld of wanneer bestaande normen worden herzien.
Voorstel voor
een akkoord tussen het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Centrale Bank, de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s tot instelling van een Interinstitutioneel Orgaan voor ethische normen voor de leden van de instellingen en adviesorganen genoemd in artikel 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie
HET EUROPEES PARLEMENT,
DE EUROPESE RAAD,
DE RAAD,
DE EUROPESE COMMISSIE,
HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE UNIE,
DE EUROPESE CENTRALE BANK,
DE EUROPESE REKENKAMER,
HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
EN HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Het doel van dit akkoord is de oprichting van een Interinstitutioneel Orgaan voor ethische normen voor de leden van de instellingen en adviesorganen van de Unie die zijn genoemd in artikel 13, leden 1 en 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna “het Orgaan” genoemd). De Europese Investeringsbank kan op verzoek ook volledig partij worden bij het akkoord, nadat het in werking is getreden.
(2)Andere organen, bureaus en agentschappen van de Unie dan partijen bij dit akkoord kunnen ervoor kiezen alle huidige en toekomstige gemeenschappelijke minimumnormen die door het Orgaan zijn of worden ontwikkeld, toe te passen op de regels die gelden voor de personen die een functie vervullen die vergelijkbaar is met die welke onder dit akkoord vallen, maar die geen personeelsleden zijn.
(3)Het functioneren van het Orgaan mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de partijen zoals neergelegd in de Verdragen, noch van invloed zijn op hun respectieve bevoegdheden inzake interne organisatie of het systeem van checks-and-balances dat bij de Verdragen is ingesteld. Het mag ook geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF), dat aanzienlijke bevoegdheden en expertise heeft in het onderzoeken van ernstige schendingen van de ambtsplichten van leden. Alle instellingen, organen, bureaus en agentschappen moeten het mandaat van OLAF volledig erkennen en ondersteunen.
(4)De doeltreffendheid van de Unie als geheel berust op haar legitimiteit, terwijl haar legitimiteit op haar beurt berust op het vertrouwen van haar burgers. Ethiek, integriteit en transparantie zijn essentieel voor het behoud van het vertrouwen van de burgers van de Unie in het politieke, wetgevende en administratieve werk van de instellingen van de Unie.
(5)De leden van de instellingen en adviesorganen van de Unie hebben een bijzondere verantwoordelijkheid om de ethische beginselen en verplichtingen die in de Verdragen en in de regels die elke instelling daarvan heeft afgeleid, zijn vastgelegd, volledig te handhaven en te eerbiedigen.
(6)Het is niet alleen belangrijk dat alle instellingen en adviesorganen van de Unie duidelijke en transparante regels opstellen en toepassen, maar ook dat zij dezelfde minimumnormen inzake integriteit en onafhankelijkheid hanteren en over mechanismen beschikken om de naleving van hun respectieve ethische regels te waarborgen.
(7)De taken van het Orgaan moeten er dan ook in bestaan op een bepaald aantal gebieden gemeenschappelijke minimumnormen te ontwikkelen, van gedachten te wisselen over de zelfbeoordeling van een instelling of adviesorgaan met betrekking tot de afstemming van haar interne regels op deze ontwikkelde normen en de interinstitutionele samenwerking op dit gebied te bevorderen.
(8)De gedachtewisseling op basis van een zelfbeoordeling moet ook gelden voor de andere organen, bureaus en agentschappen van de Unie dan de partijen die er vrijwillig voor kiezen de gehele reeks gemeenschappelijke minimumnormen toe te passen. Daartoe moeten zij een vertegenwoordiger aanwijzen voor de gedachtewisseling.
(9)Elke partij moet streven naar gendergelijkheid bij de benoeming van haar gewone en plaatsvervangende vertegenwoordigers in het Orgaan. Bij de algemene samenstelling van het Orgaan, bestaande uit de (gewone en plaatsvervangende) leden, met inbegrip van de voorzitter, en de onafhankelijke deskundigen, moet worden gestreefd naar genderevenwicht.
(10)Niets in dit akkoord mag een partij ervan weerhouden strengere eisen aan haar leden te stellen, met name in verband met een specifiek risico dat verbonden is aan het mandaat en de taken van de partij of haar leden.
(11)Niets in dit akkoord mag, in welke omstandigheden dan ook, een reden zijn om de normen die een partij reeds toepast op de gebieden die onder dit akkoord vallen, te verlagen.
(12)De partijen moeten altijd handelen in wederzijdse oprechte samenwerking bij de uitvoering van dit akkoord.
(13)Dit akkoord wordt door de partijen ondertekend na voltooiing van hun respectieve interne procedures voor dat doel,
KOMEN HET VOLGENDE OVEREEN:
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1.Bij dit akkoord wordt een Interinstitutioneel Orgaan voor ethische normen (hierna “het Orgaan” genoemd) opgericht voor de leden van het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Centrale Bank, de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s (hierna “de partijen” genoemd). Het stelt ook het kader en de werkingsbeginselen ervan vast.
2.Op haar verzoek kan ook de Europese Investeringsbank volledig partij worden bij dit akkoord. Haar deelname aan het Orgaan wordt van kracht op de datum waarop zij overeenkomstig artikel 3 een vertegenwoordiger in het Orgaan aanwijst. Alle gemeenschappelijke minimumnormen die mogelijk door het Orgaan worden ontwikkeld voordat de Europese Investeringsbank daadwerkelijk deelneemt, zullen volledig op haar van toepassing zijn.
Artikel 2
Definities
1.Voor de toepassing van dit akkoord wordt onder “leden van de partijen” verstaan:
(a)de leden van het Europees Parlement;
(b)de voorzitter van de Europese Raad;
(c)de vertegenwoordigers op ministerieel niveau van de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad bekleedt;
(d)de leden van de Europese Commissie;
(e)de leden van het Hof van Justitie van de Europese Unie;
(f)de leden van de Europese Rekenkamer;
(g)de leden van de directie van de Europese Centrale Bank en de leden van de raad van bestuur en van de raad van toezicht bij de uitoefening van hun functies;
(h)de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité;
(i)de leden van het Europees Comité van de Regio’s.
2.Ingeval de Europese Investeringsbank overeenkomstig artikel 1, lid 2, partij wordt, wordt de in lid 1 van dit artikel vastgestelde definitie uitgebreid tot de leden van de Directie van de Europese Investeringsbank en de leden van de Raad van Bewind bij de uitoefening van hun functies.
Artikel 3
Leden van het Orgaan
1.Elke partij wordt in het Orgaan vertegenwoordigd door één lid. Daartoe benoemt elke partij een vaste vertegenwoordiger en een plaatsvervanger die als lid zitting heeft in het Orgaan wanneer de vaste vertegenwoordiger afwezig of verhinderd is. De vaste en plaatsvervangende vertegenwoordigers worden uiterlijk twee maanden na de datum van inwerkingtreding van dit akkoord benoemd. Elke partij streeft naar gendergelijkheid bij de benoeming van haar vaste en plaatsvervangende vertegenwoordigers.
2.De vaste vertegenwoordiger van het Orgaan heeft in beginsel het niveau van een vicevoorzitter of een gelijkwaardig niveau.
3.Elke partij kan naar eigen goeddunken haar vaste of plaatsvervangende vertegenwoordiger vervangen, waarbij zij altijd streeft naar gendergelijkheid tussen de vaste en plaatsvervangende vertegenwoordigers. In elk geval eindigt de termijn van de vaste of plaatsvervangende vertegenwoordiger automatisch:
(a)wanneer de vertegenwoordiger zijn functie in de instelling of het adviesorgaan van de Unie die of dat hij vertegenwoordigt, neerlegt;
(b)in alle gevallen vijf jaar na de eerste benoeming als vaste of plaatsvervangende vertegenwoordiger.
Artikel 4
Voorzitterschap
1.Elke partij zit het Orgaan bij toerbeurt voor een termijn van jaar voor. Het toerbeurtsysteem volgt de volgorde van de instellingen zoals vermeld in artikel 13, lid 1, van het Verdrag. Wanneer alle in artikel 13, lid 1, van het Verdrag genoemde instellingen aan de beurt zijn geweest, wordt het toerbeurtsysteem voortgezet met de twee in artikel 13, lid 4, van het Verdrag genoemde adviesorganen. Vervolgens wordt het toerbeurtsysteem voortgezet met de Europese Investeringsbank indien deze partij wordt overeenkomstig artikel 1, lid 2.
2.De voorzitter organiseert de werkzaamheden van het Orgaan, zorgt ervoor dat de nodige organisatorische en procedurele maatregelen worden genomen en brengt alle vereiste informatie en documenten onder de aandacht van alle leden van het Orgaan.
Artikel 5
Onafhankelijke deskundigen
1.Het Orgaan wordt bijgestaan door vijf onafhankelijke deskundigen die alle vergaderingen van het Orgaan als waarnemer bijwonen en de leden van het Orgaan adviseren over ethische kwesties in verband met het mandaat van het Orgaan.
2.De onafhankelijke deskundigen worden in onderlinge overeenstemming door de partijen benoemd op grond van hun bekwaamheid, ervaring, onafhankelijkheid en professionele kwaliteiten. Zij zijn van onberispelijk professioneel gedrag en hebben ervaring in hoge functies bij Europese, nationale of internationale overheidsinstellingen. Zij worden uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van dit akkoord benoemd volgens een door de Commissie vast te stellen procedure.
3.De onafhankelijke deskundigen ondertekenen een verklaring inzake de afwezigheid van belangenconflicten. Indien de tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten bevoegde autoriteit een belangenconflict constateert, vraagt zij het Orgaan om advies.
4.Bij de benoeming van de onafhankelijke deskundigen streven de partijen naar genderevenwicht.
5.De onafhankelijke deskundigen hebben een ambtstermijn van drie jaar die één keer kan worden verlengd. Indien een onafhankelijke deskundige zijn functie neerlegt vóór het verstrijken van de termijn van drie jaar, benoemen de partijen in onderlinge overeenstemming een nieuwe onafhankelijke deskundige voor drie jaar.
6.De onafhankelijke deskundigen krijgen van de Commissie de status van bijzonder adviseur en ressorteren administratief onder de Commissie. Zij ontvangen een vergoeding voor reis- en verblijfskosten voor de uitvoering van hun taken. Zij ontvangen een dagloon per werkdag die wordt berekend op basis van de bezoldiging van een ambtenaar van de Unie in rang AD12.
Artikel 6
Mandaat
1.Het Orgaan draagt bij tot de bevordering van een gemeenschappelijke cultuur van ethiek en transparantie onder de partijen, met name door gemeenschappelijke minimumnormen voor het gedrag van de leden van de partijen (hierna “de normen” genoemd) te ontwikkelen en de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied te stimuleren.
2.Het Orgaan heeft de volgende taken:
(a)de normen ontwikkelen voor het gedrag van de leden van de partijen op de in artikel 7 genoemde gebieden;
(b)herzien van de normen overeenkomstig artikel 8;
(c)gedachtewisselingen houden op basis van de beoordeling door elke partij of een vrijwillig betrokken orgaan, bureau of agentschap van de Unie van de afstemming van de eigen interne regels op de normen, overeenkomstig respectievelijk de artikelen 9 en 19;
(d)bevorderen van samenwerking tussen de partijen over kwesties van gemeenschappelijk belang met betrekking tot hun interne gedragsregels voor hun leden, alsmede uitwisselingen met andere Europese, nationale of internationale organisaties waarvan het werk relevant is voor het vaststellen van de normen;
(e)een jaarverslag uitbrengen overeenkomstig artikel 17.
3.Het functioneren van het Orgaan laat de bevoegdheden van de partijen onverlet en is niet van invloed op hun respectieve bevoegdheden inzake interne organisatie. In het bijzonder is het Orgaan niet bevoegd ten aanzien van de toepassing van de interne regels van een partij op individuele gevallen.
Artikel 7
Ontwikkeling van gemeenschappelijke minimumnormen
1.Het Orgaan ontwikkelt normen voor het gedrag van de leden van alle partijen. De normen worden ontwikkeld in het kader van de verplichtingen die de Verdragen de leden van de partijen opleggen en houden rekening met de aard van hun mandaat of openbaar ambt en met de specifieke kenmerken van elke partij. De normen doen geen afbreuk aan het systeem van checks-and-balances dat bij de Verdragen is ingesteld.
2.De normen hebben betrekking op de volgende zaken:
(a)belangen en bezittingen die door leden van de partijen moeten worden gedeclareerd;
(b)externe activiteiten van leden van de partijen tijdens hun ambtstermijn;
(c)aanvaarding van geschenken, gastvrijheid en reizen die aan de leden van de partijen tijdens hun ambtstermijn door derden worden aangeboden;
(d)aanvaarding van onderscheidingen, prijzen en eerbewijzen door de leden van de partijen tijdens hun ambtstermijn;
(e)activiteiten van de leden van de partijen na het einde van hun ambtstermijn;
(f)voorwaardelijkheid en aanvullende transparantiemaatregelen in de zin en binnen het toepassingsgebied van het Interinstitutioneel Akkoord van 20 mei 2021 over een verplicht transparantieregister, in het bijzonder met betrekking tot bijeenkomsten van leden van de partijen met belangenvertegenwoordigers zoals gedefinieerd in artikel 2, punt a), van dat akkoord.
3.Het Orgaan ontwikkelt ook gemeenschappelijke minimumnormen met betrekking tot:
(a)door de partijen vastgestelde algemene procedures om de naleving van hun interne regels op de in lid 2 genoemde gebieden te waarborgen en te controleren, met inbegrip van bewustmakingsacties, de samenstelling en taken van interne organen met betrekking tot ethische kwesties, mechanismen voor melding bij de betrokken partij in geval van een vermoeden van overtreding van de regels, met inbegrip van follow-up van de melding en bescherming van de meldende personen tegen vergelding, ook wat betreft gevallen van intimidatie waarbij leden van de partijen betrokken zijn, en procedures om sancties in te stellen of vast te stellen in geval van overtredingen;
(b)vereisten met betrekking tot bekendmaking van de verzamelde informatie over de in lid 2 genoemde gebieden.
4.Verdere gemeenschappelijke minimumnormen op andere gebieden dan die welke in de leden 2 en 3 zijn genoemd, kunnen worden ontwikkeld wanneer alle partijen daarmee instemmen.
5.De leden van het Orgaan komen de normen bij consensus overeen in een geest van oprechte samenwerking.
6. De leden van het Orgaan bereiken overeenstemming over de normen binnen zes maanden na de benoeming van de leden en onafhankelijke deskundigen overeenkomstig artikel 3, lid 1, en artikel 5, lid 2, en na het nemen van een besluit over de ontwikkeling van nieuwe normen overeenkomstig lid 4.
7.De normen worden schriftelijk geformaliseerd en, met inachtneming van de autonomie van elke partij, aan alle partijen meegedeeld. De partijen verbinden zich ertoe deze ten uitvoer te leggen in hun interne gedragsregels voor hun leden. De normen worden openbaar gemaakt op de in artikel 18 bedoelde website van het Orgaan.
Artikel 8
Herziening van gemeenschappelijke minimumnormen
1.Het Orgaan beoordeelt of het noodzakelijk is bestaande normen te herzien wanneer een of meer leden van het Orgaan een dergelijke herziening noodzakelijk achten.
2. Een herziening kan met name noodzakelijk worden geacht vanwege ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, nieuwe of gewijzigde ethische normen van internationale organisaties, nieuwe technische ontwikkelingen of de behoefte aan verduidelijking van bestaande normen als gevolg van terugkerende kwesties.
3.De leden 5 en 7 van artikel 7 zijn van toepassing op de herziening van bestaande normen.
Artikel 9
Gedachtewisseling over de zelfbeoordelingen van de partijen
1.Elke partij voert een schriftelijke zelfbeoordeling uit van haar interne regels en de afstemming daarvan op de overeenkomstig artikel 7 ontwikkelde normen en op de herziening van bestaande normen overeenkomstig artikel 8.
2.Elke partij rondt de zelfbeoordeling af binnen hoogstens vier maanden na de vaststelling of herziening van een norm.
3.De zelfbeoordeling wordt door de betrokken partij voorgelegd aan een vergadering van het Orgaan.
4.De onafhankelijke deskundigen brengen binnen twee maanden na ontvangst van de zelfbeoordeling schriftelijk advies uit. Indien het advies van de deskundigen niet unaniem wordt aangenomen, worden de afwijkende standpunten in het advies vermeld. De beraadslagingen van de deskundigen zijn vertrouwelijk.
5.Binnen twee maanden na ontvangst van het in lid 4 bedoelde schriftelijk advies houdt het Orgaan een gedachtewisseling op basis van de zelfbeoordeling en het schriftelijk advies.
6.Het secretariaat stelt een verslag op met een samenvatting van de in lid 5 bedoelde gedachtewisseling en met slotopmerkingen. Het Orgaan kan het verslag wijzigen alvorens het goed te keuren. Het keurt het verslag binnen de in lid 5 bedoelde termijn van twee maanden bij consensus goed. Het advies van de onafhankelijke deskundigen maakt deel uit van het verslag.
7.Elke partij herziet haar interne regels op enig moment na de goedkeuring van de normen door het Orgaan en uiterlijk vier maanden na de goedkeuring van het verslag door het Orgaan.
8.Noch de in lid 5 bedoelde gedachtewisseling, noch het in lid 6 bedoelde verslag hebben een bindend effect of rechtsgevolgen.
9.De in lid 1 bedoelde zelfbeoordeling en het in lid 6 bedoelde verslag worden openbaar gemaakt overeenkomstig artikel 18.
Artikel 10
Uitwisseling van goede praktijken
1.Het Orgaan houdt jaarlijks een vergadering die specifiek gewijd is aan kwesties van gemeenschappelijk belang op het gebied van ethiek en de uitwisseling van beste praktijken tussen de partijen.
2.Het Orgaan kan voor de in lid 1 bedoelde vergadering vertegenwoordigers uitnodigen van alle andere openbare nationale, Europese of internationale organisaties waarvan de werkzaamheden relevant worden geacht voor het vaststellen van de normen.
Artikel 11
Vergaderingen
1.De vergaderingen worden bijeengeroepen door de voorzitter.
2.Naast de in de artikelen 7 tot en met 10 bedoelde vergaderingen kan de voorzitter op eigen initiatief of op verzoek van een partij en binnen een maand na ontvangst van dit verzoek bijkomende vergaderingen bijeenroepen om kwesties van gemeenschappelijk belang te bespreken.
Artikel 12
Procedure voor belangenconflicten
1.De leden van het Orgaan en onafhankelijke deskundigen maken bij de voorzitter onverwijld melding van elke omstandigheid die hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid bij het uitvoeren van hun taken in het Orgaan zou kunnen aantasten of als zodanig zou kunnen worden opgevat.
2.Wanneer een melding overeenkomstig lid 1 wordt gedaan:
(a)wordt het betrokken lid vervangen door zijn plaatsvervanger zolang het lid verhinderd is aan de werkzaamheden van het Orgaan deel te nemen. Wanneer de melding door de voorzitter wordt gemaakt, wordt hij tijdelijk vervangen door het lid dat op dat ogenblik de instelling vertegenwoordigt die als volgende het voorzitterschap zal bekleden overeenkomstig het in artikel 4, lid 1, vastgestelde toerbeurtsysteem;
(b)de betrokken onafhankelijke deskundige onthoudt zich van deelname aan de uitwisselingen met de andere deskundigen zolang de conflictsituatie voortduurt.
Artikel 13
Reglement van orde
1.Het Orgaan stelt binnen drie maanden na de benoeming van de leden en onafhankelijke deskundigen zijn reglement van orde vast, dat openbaar wordt gemaakt.
2.In het reglement van orde worden de regelingen beschreven die nodig zijn voor de doeltreffende uitvoering van dit akkoord.
Artikel 14
Vergoeding van onkosten
Alle onkosten die een lid van het Orgaan of zijn plaatsvervanger maakt in verband met zijn taken in het Orgaan worden gedragen door de instelling waartoe het lid behoort.
Artikel 15
Secretariaat
1.Het secretariaat is een gezamenlijke operationele structuur die is opgericht om de werking van het Orgaan te beheren. Het bestaat uit de afdelingshoofden, of gelijkwaardige functiebekleders, die verantwoordelijk zijn voor de ethische regels voor de leden in elke partij (hierna “afdelingshoofden” genoemd) en hun respectieve personeel.
2.Het secretariaat wordt formeel bij de Commissie ondergebracht en functioneert onder coördinatie van het afdelingshoofd dat binnen de Commissie verantwoordelijk is voor de ethische regels voor de leden van de Commissie, of een ambtenaar die door de Commissie in overleg met de andere partijen specifiek voor dat doel is aangewezen (hierna “de coördinator” genoemd). De coördinator vertegenwoordigt het secretariaat en houdt toezicht op de dagelijkse werkzaamheden, in het gemeenschappelijk belang van de partijen.
3.Het secretariaat:
(a)brengt verslag uit aan het Orgaan, bereidt de vergaderingen van het Orgaan voor, verleent operationele bijstand bij de uitvoering van zijn taken en stelt het in artikel 9, lid 6, bedoelde verslag op;
(b)stelt het in artikel 17 bedoelde ontwerp-jaarverslag op;
(c)verricht alle overige voor de doeltreffende uitvoering van dit akkoord noodzakelijke activiteiten;
(d)stuurt alle inkomende en uitgaande correspondentie met het Orgaan door naar de voorzitter en/of de bij de correspondentie betrokken partij.
Artikel 16
Middelen
1.De partijen verbinden zich er door middel van een memorandum van overeenstemming tussen hun secretarissen-generaal of de houders van een gelijkwaardig ambt, waarover binnen drie maanden na de benoeming van de leden en onafhankelijke deskundigen overeenstemming moet worden bereikt, toe de nodige personele, administratieve, technische en financiële middelen ter beschikking te stellen, waaronder voldoende personeel voor het secretariaat, om een doeltreffende uitvoering van dit akkoord te waarborgen.
2.De partijen delen gelijkelijk de kosten in verband met de in artikel 5 bedoelde onafhankelijke deskundigen. Zij verstrekken de Commissie aan het begin van het begrotingsjaar een jaarlijkse financiële vergoeding.
3.Alle verzoeken van het Orgaan die bijkomende administratieve uitgaven van uitzonderlijke aard vereisen, worden gericht aan de partijen, die de begrotingsverzoeken van het Orgaan jaarlijks onderzoeken en goedkeuren overeenkomstig hun respectieve interne regels en procedures.
Artikel 17
Jaarverslag
1.Na een bespreking in de in artikel 10 bedoelde vergadering neemt het Orgaan bij consensus een jaarverslag aan over de activiteiten van het Orgaan in het voorgaande jaar.
2.Het jaarverslag wordt openbaar gemaakt op de website van het Orgaan.
Artikel 18
Website
1.Het Orgaan beheert een website waarop alle voor zijn activiteiten relevante informatie voor het publiek toegankelijk is.
2.De website bevat met name de volgende informatie:
(a)de samenstelling van het Orgaan, het vergaderrooster en de agenda’s van de vergaderingen;
(b)de overeenkomstig artikel 7 ontwikkelde en, waar van toepassing, overeenkomstig artikel 8 herziene normen;
(c)de zelfbeoordelingen en verslagen als bedoeld in artikel 9, leden 1 en 6;
(d) alle toepasselijke regels van alle partijen op de gebieden die onder de normen vallen.
Hij bevat tevens dezelfde informatie voor andere vrijwillige deelnemers op grond van artikel 19.
Artikel 19
Vrijwillige deelname van andere organen, bureaus en agentschappen van de Unie dan de partijen
1.Andere organen, bureaus en agentschappen van de Unie dan de partijen kunnen het Orgaan ervan in kennis stellen dat zij vrijwillig het geheel van de huidige en toekomstige normen wensen toe te passen op de regels die van toepassing zijn op de personen, niet zijnde hun personeelsleden, die een functie bekleden die vergelijkbaar is met die welke onder artikel 2 vallen.
2.Het Orgaan verzoekt het betrokken orgaan, bureau of agentschap van de Unie een schriftelijke zelfbeoordeling van zijn interne regels en de afstemming daarvan op de normen uit te voeren en een vertegenwoordiger aan te wijzen om deel te nemen aan een gedachtewisseling met de leden van het Orgaan. De leden 3 tot en met 9 van artikel 9 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.Lid 2 is van overeenkomstige toepassing wanneer het Orgaan nieuwe normen ontwikkelt of bestaande normen herziet.
Artikel 20
Evaluatie
De partijen evalueren de uitvoering van het akkoord twee jaar na de inwerkingtreding ervan, en daarna op gezette tijden, teneinde waar nodig het functioneren van het Orgaan te verbeteren en te versterken of het akkoord te herzien.
Artikel 21
Slotbepalingen
1.Dit akkoord is bindend voor de partijen. Het treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2.De partijen handelen altijd in wederzijdse oprechte samenwerking bij de uitvoering van dit akkoord.
Gedaan te [Brussel], [datum]
Voor het Europees Parlement
…
Voor de Europese Raad
…
Voor de Raad
…
Voor de Europese Commissie
…
Voor het Hof van Justitie van de Europese Unie
….
Voor de Europese Centrale Bank
….
Voor de Europese Rekenkamer
....
Voor het Europees Economisch en Sociaal Comité
…
Voor het Comité van de Regio’s
…